Issuu on Google+

Leswijs Studiebegeleiding

Leswijs Studiebegeleiding is een methode voor leerlingen in de brugklas en klas 2 van vwo, havo en vmbo. Door het verbeteren van jouw vaardigheden is de kans groot dat jij het voortgezet onderwijs met veel meer succes zult doorlopen.

STUDIEBEGELEIDING

De vaardigheden die je in deze methode oefent, zijn gericht op: ff

beter leren en je beter concentreren op school

ff

oefenen met het maken van aantekeningen, mindmaps en samenvattingen

ff

beter huiswerk maken

ff

je beter voorbereiden op een toets

ff

oefenen met toetsen maken

ff

meer inzicht krijgen in de hersenen, jouw karakter en jouw intelligenties

ff

beter communiceren met klasgenoten, leraren en ouders

ff

goed omgaan met stress

Ook digitaal! Alle theorie, opdrachten en filmpjes vind je ook op onze digitale leeromgeving. Met veel extra verdieping en herhaling. De methode is geschikt voor alle tablets en andere devices. Leswijs is een uitgave van: Dedact Levantplein 70 1019 MB Amsterdam www.leswijs.nl

ISBN: 978-94-91280-06-1

1

9 789491 280061

Dedact

STUDIEBEGELEIDING

1


Leswijs  Studiebegeleiding  Leerjaar 1 en 2 vmbo, havo, vwo

Naam

Klas


Auteurs Esmée Augustijn Mayke Calis Frans Ottenhof Gerard Rozing Eindredactie Anneke Hesp Isabel van Zenderen

© 2014  Dedact Eerste druk, eerste oplage Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, geluidsband, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Bij de samenstelling van deze uitgave hebben de makers getracht alle rechthebbenden te achterhalen. Diegenen die desondanks menen rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht contact met de uitgever op te nemen.


Inleiding

Leswijs Studiebegeleiding Onze vernieuwende methode Leswijs Studiebegeleiding is erop gericht de leerling zichzelf en zijn manier van leren te laten ontdekken, om vervolgens studiebegeleiding op maat te kunnen geven.

Door het lezen van stukjes theorie en het maken van opdrachten leert een leerling zichzelf en zijn leergedrag beter kennen. Hij leert bijvoorbeeld inzien hoe hij studeert, hoe hij zich concentreert, hoe hij zich gedraagt op school en waar zijn interesses liggen. Aan de hand van de veelzijdige opdrachten – zowel individueel, als in groepjes, als klassikaal – krijgt een leerling gerichte handvatten aangeboden om zich beter te concentreren en efficiënter en beter te leren en samenwerken. Leren moet je ook leren!

„„ Opbouw van de methode Onze nieuwe methode Studiebegeleiding is gericht op de eerste twee leerjaren van het vwo, havo en vmbo. De methode bevat:  een introductieles;  tien leerlingmodules;  extra vragen en toetsvragen (online);  een module speciaal voor de ouders. Introductieles Voorafgaand aan de eerste module maken de leerlingen de introductieles, waarin zij elkaar, hun leraren en de school beter leren kennen. Tien leerlingmodules Elke module is opgebouwd uit vier lessen en sluit af met een overkoepelende opdracht: de meesterproef. De modules gaan in op allerlei onderwerpen waarmee een leerling in het voortgezet onderwijs te maken krijgt, zoals: wat is mijn leerstijl; hoe kan ik goed en efficiënt leren; waar moet ik op letten bij het maken van toetsen; waar moet ik op letten bij het gebruik van (sociale) media; hoe ga ik sociaal gezien met anderen om in de klas en op school; hoe ga ik om met angsten en uitdagingen?

Extra vragen en toetsvragen Op de website leswijs.nl staan per module vier extra opdrachten (per les minstens één extra opdracht) en tien toetsvragen. (De module ‘Angst en uitdaging’ is de enige module waarbij geen online toetsvragen worden aangeboden, omdat de stof zich hier niet toe leent.) Module voor ouders: ‘Hoe was het op school?’ Naast de tien leerlingmodules bevat de methode een module speciaal voor de ouders van brugklasleerlingen. In de module ‘Hoe was het op school?’ gaan we in op vragen die ouders kunnen hebben, zoals: huiswerk wel of niet overhoren; mobiele telefoon uit tijdens het huiswerk maken? De onderwerpen sluiten aan op de modules van de methode.

„„ www.leswijs.nl/studiebegeleiding Uiteraard is de methode ook volledig digitaal te gebruiken. Kijk voor meer informatie op www.leswijs.nl/studiebegeleiding.

Gebruikte iconen bij de opdrachten individuele opdracht groepsopdracht (leerling met een of meer klasgenoten)



klassikale opdracht (de hele klas, met de leraar) Als de opdracht voor een deel individueel en voor een deel in groepsverband of klassikaal wordt gedaan, gebruiken we het icoon voor groepsopdracht / klassikale opdracht.

3


Inhoud Introductie

Kennen wij elkaar? 7

Module 1

Klaar voor het nieuwe schooljaar 15

les 1 les 2 les 3 les 4

Huiswerk en je agenda 16 Plannen en je agenda 21 Huiswerk maken 30 Alles oké in de klas? 37 Meesterproef Een planning maken voor de langere termijn 46 Module 2

Mijn hersenen 51

les 1 les 2 les 3 les 4

Hersentraining 52 Het geheugen 57 Het sociale brein 61 Hersentoestanden 64 Meesterproef Origami 67

Module 3

Mindmaps voor een goed geheugen 69

les 1 les 2 les 3 les 4

Hoe maak je een mindmap? 70 Mindmaps en samenvattingen 74 Mindmaps en verhalen 77 Let goed op de plaatjes! 80 Meesterproef Vreemde woorden onthouden 82 Module 4

Iedereen is anders 85

les 1 les 2 les 3 les 4

Samenwerken: ja graag / liever niet 86 Jongens en meisjes 90 Niet alles werkt perfect 93 Verschillen tussen mensen 98 Meesterproef Een glog maken 100

Module 5 les 1 les 2 les 3 les 4

Communicatie 101

Wat is communicatie? 102 Goed communiceren 106 Spreken en luisteren 109 Spreken in het openbaar 114 Meesterproef Een film maken van een interview 118

4  


Module 6

Wat voor leerling ben ik? 119

les 1 les 2 les 3 les 4

Hoe gaat het leren? 120 Wat is jouw manier van leren? 125 Op welke manieren ben jij intelligent? 127 Hoe kun je je intelligentie gebruiken? 133 Meesterproef Mijn manier van leren 136 Module 7

Leren op school 139

les 1 les 2 les 3 les 4

Je concentreren 140 Aantekeningen maken 145 Oefenen aantekeningen maken 148 Een samenvatting maken 150 Meesterproef Oefenen met samenvatten 155 Module 8

Toetsen maken 159

les 1 les 2 les 3 les 4

Je voorbereiden 160 Leren voor de toets 164 Begrippen leren 168 Toetsvragen maken 171 Meesterproef Je voorbereiden op een toets 178 Module 9

Mediawijsheid 181

les 1 les 2 les 3 les 4

Massacommunicatie 182 Zoeken op internet 187 Sociale media 193 Privacy en omgangsvormen op sociale media 199 Meesterproef Een krant maken over omgangsvormen op sociale media 207 Module 10 Angst

en uitdaging 209

les 1 les 2 les 3 les 4

Stress 210 Stress en leren 214 Angst om te falen 220 Wie kan je helpen? 223 Meesterproef Eiland van Angst en Eiland van Uitdaging 226

5


Extra schrijfruimte

6  


Introductie

Les

Kennen wij elkaar? Je zit net op een nieuwe school, je bent nu een leerling in het voortgezet onderwijs. Waarschijnlijk zal het verschil met jouw basisschool best groot zijn. Er zijn veel nieuwe leerlingen en je bent de jongste in plaats van de oudste, je krijgt les van verschillende leraren.

„„ Kennismaken met de school Alle begin is moeilijk, maar voor sommigen is een nieuw begin lastiger dan voor een ander. Lees de volgende verhalen maar eens van nieuwe brugklassers. Figuur 1 : Ervaringen op de nieuwe school

Eva: ‘Groep 8 op mijn oude school was best groot, we zaten met 33 kinderen in de klas. Maar dat is nog niets vergeleken met de drukte hier, wat een mensen! Elk uur moet je weer naar een andere klas met een andere leraar. In de gangen word je soms geplet. En dan mijn rugzak; wat is die zwaar! Gelukkig heb ik een kluisje. Daar stop ik alle boeken in die ik voor de pauze niet nodig heb. In de pauze ruil ik die dan om.’

Bob: ‘De eerste dagen in de brugklas vond ik niet leuk. Martijn was de enige van groep 8 die met mij naar de nieuwe school ging. Maar hij zit in een andere klas. Ik zag er tegenop om naar school te gaan en voelde me de eerste dagen best alleen. In de tweede week waren er de introductiedagen. Dat was heel leuk: veel sport en leuke activiteiten. Vooral de dropping ’s nachts in het bos was heel cool. Na de introductie kende ik mijn klasgenoten en mentor veel beter. Ik ga nu veel met Luuk om. We fietsen samen naar school en maken samen huiswerk.’

Laura: ‘Dat was wel even wennen zeg … huiswerk maken! In groep 8 kreeg ik weleens huiswerk, maar niet zoveel als in de brugklas. Soms hebben we wel voor zes vakken huiswerk, dan staat voor die dag mijn agenda helemaal vol. Je moet wel elke keer je huiswerk maken, want voor je het weet loop je achter. In groep 8 ging ik na school altijd lekker buiten spelen, dat gaat nu niet altijd meer. Ik blijf nu wat langer op school. Ik ga dan naar een studieplek om lekker rustig mijn huiswerk te maken.’ Jesse: ‘In groep 8 had ik meester Frank. Hij kon prachtige verhalen vertellen en zo heerlijk spannend voorlezen. Soms pakte hij zijn accordeon en zong hij een leuk liedje. Dat deed hij bijna iedere dag aan het einde van de middag. We hebben nu een lerares voor Nederlands, die is zo saai. Voorlezen doet ze niet, ze vindt dat je alles zelf moet lezen. En bij geschiedenis moet je een groot deel van de les opdrachten maken uit het werkboek. Gelukkig krijgen we ieder uur een nieuwe leraar. We hebben wel twaalf vakken en volgend jaar krijgen we nog meer vakken. We hebben dus veel leraren, de meeste zijn hartstikke leuk.’


1 Je hebt de verhalen van Eva, Bob, Laura en Jesse in figuur 1 gelezen. 1a Schrijf per leerling in steekwoorden op wat nieuw voor hem of haar is op de nieuwe school.

1b Nu jij! Wat is voor jou nieuw in de brugklas? Schrijf jouw ervaringen op.

Nieuw in de brugklas voor mij is:

Eva: Nieuw in de brugklas is:

Bob: Nieuw in de brugklas is:

Laura: Nieuw in de brugklas is:

„„ Nieuwe regels Op een nieuwe school zijn ook nieuwe regels. Waarschijnlijk is een aantal regels niet nieuw voor je, omdat ze hetzelfde zijn als die op de basisschool. Een aantal regels zal wel nieuw voor je zijn, bijvoorbeeld: je jas en andere waardevolle spullen bewaar je in je …? Jesse: Nieuw in de brugklas is:

8  introductie


2

Aanvullingen schoolregels

In deze opdracht maak je kennis met een aantal belangrijke regels op jouw nieuwe school. 2a Hieronder zie je een aantal regels die jij verder gaat invullen. Als je goed leest en logisch nadenkt kun je de regels op de juiste manier aanvullen. Vul aan het einde van de zin telkens de letter in van de juiste aanvulling in het kader hiernaast. 2b Waarschijnlijk heb je bij opdracht a niet alle regels van jullie school opgeschreven. Schrijf onderaan de regels op die ontbreken.

Gebruik deze zinnen om de invuloefening te maken. Je hoeft alleen de letter in te vullen. A je kluisje. B gedragen zich respectvol ten opzicht van elkaar. C kan de leraar je opdracht geven om aan het eind van de dag extra werk te doen. D de leraar aanwezig is. E ’s ochtends gebeld worden naar de administratie van de school. F moet je een briefje van je ouders meenemen en dit in de brievenbus bij de administratie doen. G verboden. Wanneer je toch betrapt wordt, moet je een paar dagen helpen met het opruimen van kauwgomresten. H raap je dat zelf weer op. Op deze manier houden we met elkaar de school schoon en leefbaar. I zet hem dus tijdens de les altijd uit. Als je dit vergeet, dan ben je hem voor lange tijd kwijt. J je de eerstvolgende les contact opneemt met de leraar om het proefwerk of de schriftelijke overhoring in te halen. K briefje halen bij de conciërge.

Regels op je nieuwe school 1

Als je te laat komt moet je, voordat je de les ingaat, een   

2

Als je niet naar school kunt omdat je ziek bent, dan moet er   

3

Kauwgom kauwen tijdens de les is   

4

Alleen in de pauzes en na schooltijd kun je je telefoon op het schoolplein gebruiken;   

5

Je mag pas het lokaal in als   

6

Je jas en andere waardevolle spullen bewaar je in   

7

Als je je boek of schrift bent vergeten of je huiswerk niet hebt gedaan, dan   

8

Als je een proefwerk of een schriftelijke overhoring hebt gemist, dan zorg je ervoor dat   

9

Als je per ongeluk iets uit je hand laat vallen, dan   

10 Als je tijdens de lessen naar de dokter of tandarts moet, dan    11 Alle mensen in de school    12 13 14 15

les   Kennen wij elkaar?    9


„„ Kennismaken met elkaar Op je nieuwe school kom je in contact met veel nieuwe mensen. Je leert de leerlingen in je klas kennen en je komt in contact met veel verschillende leraren. Door het maken van de volgende opdrachten kun je je medeleerlingen en je mentor al wat beter leren kennen.

Mijn gegevens Naam: Adres: Woonplaats: Telefoonnummer: Geboortedatum:

3 Wie ben ik? De mentor wil jou graag beter leren kennen, daarom staan hieronder een aantal vragen. Je kunt deze vragen gebruiken om een mooi verhaal over jezelf te schrijven. Gebruik hiervoor de schrijfruimte hiernaast. 3a Vul de bovenkant van de schrijfruimte in met jouw persoonlijke gegevens. 3b Gebruik de volgende vragen om het verhaal over jezelf te schrijven. Doe dit onder je gegevens. Uit wie bestaat jouw gezin?   Ben je weleens verhuisd?     Heb je hobby’s? Vertel iets over je hobby(‘s). Doe je aan sport? Vertel iets over je sport.   Wat is het leukste dat je ooit hebt gedaan?     Wat is het leukste boek dat je ooit gelezen hebt? Wat is je lievelingsfilm?   Wat is je favoriete muziek?     Waarom heb je voor deze school gekozen? Kreeg je weleens huiswerk op de basis  school? Zo ja, vertel eens hoe je dat thuis aanpakte.   Wat vond je het leukst op de basisschool? Zitten er leerlingen van groep 8 in jouw   brugklas? Zo ja, wie zijn dit? Wat wil je nog meer over jezelf vertellen?  

10  introductie

Basisschool:

Mijn verhaal


4 Wie is mijn klasgenoot? Je gaat een klasgenoot interviewen en aan de klas presenteren. 4a Ga naast iemand zitten die je nog niet goed kent. Stel de vragen uit de vragenlijst hieronder en schrijf de antwoorden op. Maak er een kort verhaaltje van.

„„ Kennismaken met de mentor Als je problemen hebt, dan sta je er natuurlijk niet alleen voor. Er is één persoon bij wie je altijd terecht kunt met vragen of problemen: je mentor. Een mentor heeft voor jou en je medeleerlingen een heleboel rollen. Kijk maar eens naar figuur 2. Figuur 2: Rollen van je mentor

4b Onder leiding van je mentor stelt iedere leerling zijn klasgenoot voor aan de andere leerlingen, voor de klas.

wegwijzer

Wie is mijn klasgenoot?

begeleider

Naast mij zit:

regelaar helper Zijn / haar hobby’s zijn:

Hij / zij is op vakantie geweest naar:

Hij / zij eet het liefst:

uitlegger scheidsrechter probleemoplosser

Zijn / haar favoriete muziek is:

Huisdier(en):

coach

luisteraar

Als je iets persoonlijks wilt vertellen of ergens mee zit, kun je bij je mentor terecht. Je bouwt met je mentor dus een persoonlijke band op. Daarom is het belangrijk dat je jouw mentor beter leert kennen.

les   Kennen wij elkaar?    11


5

6

Wie is mijn mentor? Jouw mentor stelt zich voor aan de klas. Luister goed en vul het volgende schema in.

Wat doet een mentor? Jouw mentor stelt zich voor aan de klas. Luister goed en vul het volgende schema in.

Werk van een mentor Onze mentor Zijn / haar naam is:

Hij / zij geeft het vak:

Zijn / haar hobby is:

Zijn / haar mentorwerk is:

En, wat heeft de mentor nog meer verteld? Schrijf maar op.

12  introductie

Een mentor … plakt mijn band als die lek is. legt uit hoe het rooster in elkaar zit. belt mijn ouders als het met mij niet zo goed gaat. brengt de koffie rond. bespreekt de rapporten met de leerlingen. geeft verder geen andere lessen. is degene bij wie ik terecht kan als ik mij niet prettig voel in de klas. helpt mij bij het kiezen van de goede richting na de brugklas. zet de video klaar voor de leerlingen. maakt de roosters. is de baas van de school. geeft in het begin van het schooljaar een voorlichtingsavond voor de ouders. helpt met het organiseren van de klassenavond.


7 Maak de puzzel in figuur 3 door de woorden op de juiste plaats in te vullen. De puzzel gaat over ‘begrippen uit de brugklas’. Kies uit: rooster ­– absentie – mentor – proefwerk – introductiedagen – schriftelijke overhoring – schoolregels – rector – conciërge.

Omschrijvingen 1 2 3 4 5 6 7 8 9

 e eerste dagen op school, waarop je d wegwijs gemaakt wordt iemand die zorgt voor het onderhoud van de school de leraar of lerares die aanspreekpunt is voor de groep afspraken binnen de school de baas van de school S.O. afwezig zijn repetitie overzicht van lestijden en lessen

1 2 3 4 5 6 7 8 9

Welk woord lees je van boven naar beneden?

les   Kennen wij elkaar?    13


Extra schrijfruimte

14  introductie


l esw ij s

st u di e beg e le i di ng Les 1 Huiswerk en je agenda

Module

Les 2 Plannen en je agenda

Klaar voor het nieuwe schooljaar

Les 3 Huiswerk maken

Interview met medeleerling

Les 4 Alles okĂŠ in de klas? Meesterproef

Naam: Klas: Datum:

Had jij op de basisschool al een agenda? Zo ja, wat schreef je daarin op?

Had jij op de basisschool al huiswerk? Zo ja, hoeveel tijd was je daarmee wekelijks kwijt?

Moest jij op de basisschool ook een planning maken voor het werk op school of voor je huiswerk?


AUGUSTUS

MAANDAG 13

1

WEEK 33 2

2

3

3

4

4

5

5

6

6

7

7

8

8

9

9

10

10

DINSDAG 14 1

VRIJDAG 17 1 2

2

3

3

4

4

5

5

6

6

7

7

8

8

9

9

10

10

1

ZATERDAG 18

Huiswerk en je agenda WOENSDAG 15

Les

DONDERDAG 16

1

1

2

3

4 5

ZONDAG 19

6 7

Elke dag huiswerk? Het zou kunnen. Maar waar schrijf je al dat huiswerk op? Juist, in je agenda! Maar … hoe schrijf je het huiswerk op een handige manier op? Dat leer je in deze les. 8 9

10

„„ Je agenda gebruiken In het voortgezet onderwijs heeft iedere leerling een agenda. Jij zult er ook eentje hebben aangeschaft, of je gaat het binnenkort doen. In je agenda noteer je al je huiswerk voor al je vakken. Het goed bijhouden van je agenda is heel belangrijk om het overzicht te bewaren. Je hebt nu zoveel vakken van zoveel leraren, dat je de afspraken over huiswerk en proefwerken niet meer uit je hoofd kunt onthouden. Maar hoe doe je dat nu precies, je agenda bijhouden?

Stelling

1 Een leraar Nederlands zegt aan het einde van de les: ‘Voor woensdag 19 september het vierde uur moet je leren: oefening 5 tot en met 12 en de aantekeningen. Je maakt op bladzijde 35 oefening 13 en 14. Lees ook bladzijde 36 en 37.’ Hoe ga je hier het handigst mee om? Vul het schema in om dit te ontdekken:  Lees de stellingen in kolom 1.  Vul voor beide stellingen in de tweede kolom is of jij deze handig (H) of niet handig (NH) vindt.  Vul in de laatste kolom in waarom je dat vindt.

[H] / [NH] Omdat

1 Ik schrijf het huiswerk op bij de dag waarop ik het gekregen heb. 2 Ik schrijf het huiswerk op bij de dag waarop ik het af moet hebben.

Schrijf het huiswerk op bij de dag waarop het af moet zijn, zodat je meteen kunt zien wat je allemaal moet doen voor een bepaalde dag. 16  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar

Als je het opschrijft bij de dag waarop je het gekregen hebt, dan moet je steeds zoeken en terugbladeren in je agenda.


2

„„ Werken met afkortingen Kijk nog eens naar het voorbeeld waarin de leraar Nederlands huiswerk opgeeft. Hoe ga je te werk? Je pakt je agenda en pen. Je opent je agenda en je wilt op de vierde regel van die woensdag 19 september je huiswerk opschrijven. Alles op de 4e regel?! Dat lukt natuurlijk niet. En als het je wel lukt, dan heb je wel heel klein geschreven en is het waarschijnlijk onleesbaar.

Je gaat oefenen met het werken met afkortingen. Hieronder zie je een overzicht met woorden die je vaak gebruikt in je agenda. Ze zijn onderverdeeld in vier categorieën: Wat – Waar – Waarvoor – Overig.  Noteer achter ieder woord van alle categorieën de afkorting die hiervoor op jouw school gebruikt wordt.  Onder in het schema kun je per categorie zelf woorden en hun afkorting toevoegen.

Hoe kun je dit probleem oplossen? … Juist! Je gebruikt afkortingen om alles zo kort mogelijk op te schrijven.

Wat

Gebruik afkortingen om alles zo kort mogelijk op te schrijven.

Waar afkorting

afkorting

Maken

Bladzijde

Leren

Paragraaf

Lezen

Tekstboek

Aantekening

Werkboek

Opdracht

Hoofdstuk

Opgave Vraag Oefening Woordenlijst

les 1  Huiswerk en je agenda    17


Waarvoor

Overig afkorting

afkorting

Schriftelijke overhoring

Tot en met

Mondelinge overhoring

Voorbeeld

Proefwerk

Meenemen

3

Vul de figuur verder in:  Trek een lijn van de afkorting naar het goede vak.  Je kunt in het midden van figuur 1 zelf vakken toevoegen. Voeg dan ook de afkorting toe en trek een lijn van de afkorting naar het vak.

Welke afkorting past bij welk vak? Je ziet in de witte vakken van figuur 1 een aantal schoolvakken staan. In de rode vakken zie je verschillende afkortingen.

Figuur 1: Schoolvakken en hun afkortingen

Tekenen

Lichamelijke opvoeding

Mu

Muziek

Te Lo

Ne Bio Nederlands

Techniek

Studieles

Inf

Biologie

Wiskunde

18  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar

Tc En

Du Frans

Me

Sl

Geschiedenis

Gs

Mentoruur

Vz

Informatica

Duits

Fa

Verzorging

Wi Aardrijkskunde

Ak Engels


Figuur 2: Weektaak Nederlands

4 In deze opdracht ga je oefenen met het noteren van je huiswerk in je agenda. 4a Lees de weektaak voor Nederlands op het schoolbord in figuur 2. 4b Noteer de weektaak Nederlands op een juiste en compacte manier in het schema hieronder.

• leren opdracht 6 en 7 • maken opdracht 8 tot en met opdracht 14 • lezen de paarse stukjes paragraaf 4 (grammatica)

• maken uit het werkboek spelling bladzijde 24 opdracht 16 en 17, de eerste 5 zinnen

• maken een samenvatting van bladzijde 20

Nederlands

Klaar op

Figuur 3: Weektaak Nederlands

Maak gebruik van de juiste afkortingen en gebruik je rooster bij het noteren van afspraken!

Huiswerk voor donderdag en vrijdag

Hi, Ik zou nog even het huiswerk doormailen; Voor donderdag 4 september: * Het derde uur Frans: leren de opdrachten van bladzijde 13 uit het werkboek. Lezen uit het tekstboek op bladzijde 15 de oefeningen 5 en 6. * Het vierde uur voor wiskunde: lezen voorbeeld 1 tot en met 3. Maken de opgaven 17 tot met 22 van hoofdstuk 8.

5 Je gaat huiswerk dat je hebt opgekregen op de juiste wijze in je agenda noten. 5a Lees het huiswerk dat is opgegeven in figuur 3.

Voor vrijdag 5 september: * Het eerste uur wiskunde: schriftelijke overhoring opdracht 1 t/m 11 van hoofdstuk 3. * Het tweede uur: aardrijkskunde: meenemen werkboek. * Het derde uur: geschiedenis: lezen uit het tekstboek van hoofdstuk 3 bladzijde 31 en 32. Maken uit het werkboek van hoofdstuk 3 de opdrachten 4 tot en met 9. * Het vijfde uur: Engels: leren uit het tekstboek op bladzijde 115 de woordenlijst van hoofdstuk 2.

les 1  Huiswerk en je agenda    19


Figuur 4: Jouw agenda

5b Noteer het opgegeven huiswerk in de agenda in figuur 4. Gebruik de afkortingen die we besproken hebben.

SEPTEMBER

Donderdag 4

6 Vrijdag 5

In deze les heb je geleerd met afkortingen te werken bij het noteren van huiswerk. We gaan nog even na waarom dit handig is om te doen. 6a Waarom is het belangrijk dat je afkortingen gebruikt om je huiswerk in je agenda te zetten?

6b Waarom is het belangrijk de juiste afkortingen te gebruiken?

Tips bij het noteren van je huiswerk 6c Wat moet je doen – als je ziek bent geweest – om erachter te komen wat het huiswerk is voor de dag dat je weer naar school gaat en voor de dagen erna?

6d Lees de tips bij het noteren van je huiswerk. Misschien weet je zelf nog een paar goede tips over je agenda en het opschrijven van huiswerk. Schrijf ze erbij.

 Schrijf je huiswerk nauwkeurig op.  Gebruik bij het noteren van je huiswerk afkortingen.  Werk netjes.

20  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar


Les

2

Plannen en je agenda In les 1 heb je geoefend met hoe je het huiswerk kort en handig in je agenda kunt noteren. De ene week heb je weinig huiswerk, de andere week staat je agenda vol met proefwerken, schriftelijke overhoringen en ook nog leer- en maakwerk. Je wilt ook nog sporten, tv- kijken, gamen of gewoon chillen met je vrienden of vriendinnen. Hoe kun je het allemaal goed plannen? Als je slim plant, gaat het lukken!

„„ Plannen … Waarom zou je? Nieuwe school, nieuwe vakken, veel vakken, veel verschillende leraren, veel huiswerk …. en veel proefwerken. Er komt veel op je af aan het begin van het nieuwe schooljaar! Om alles een beetje onder controle te kunnen houden, is het van belang dat je je agenda goed bijhoudt en een goede planning maakt in je agenda. Lees het verhaal over Sanne maar eens in figuur 1.

Figuur 1: Sanne en plannen

In de pauze staat een groepje leerlingen bij elkaar. Sanne is het middelpunt. Ze kijkt boos en verdrietig tegelijk, want ze heeft vanochtend knallende ruzie gehad thuis. Ze was gisteravond veel te laat aan haar proefwerk Engels begonnen. Tenminste, dat bleek achteraf. Ze had gedacht dat het minder en makkelijker zou zijn en bovendien duurde het chatten met haar nichtje, over het logeren komend weekend, langer dan ze had gedacht. Toen bleek dat het allemaal niet meer zou gaan lukken, had ze gehoopt dat haar moeder wel een briefje zou schrijven om te vertellen dat ze het echt niet had kunnen leren door ‘omstandigheden’. Jeroen vindt het echt flauw dat Sanne’s moeder dat niet wilde doen. Hij vindt het nog stommer dat Sanne toch vanochtend gewoon naar school moest, ook al zei ze dat ze zich niet lekker voelde. ‘Nou, dan had je maar beter moeten plannen,’ had de moeder van Sanne gezegd. (vervolg op de volgende bladzijde)

les 2  Plannen en je agenda    21


‘Ik vind het tijdver­ spilling want ik houd me er toch nooit aan,’ zegt Denise.

Mohammed zegt: ‘Nou, soms begin ik wel eerder met leren, als ik het een moeilijk vak vind. Dan begin ik vaak al het weekend voor het proefwerk.’

‘Voor toetsen begin ik altijd al een paar dagen van tevoren te leren en de avond ervoor kijk ik dan alles nog een keer na. Dat vind ik gewoon fijner,’ zegt Yassira.

1 Jullie hebben het gesprek dat Sanne met haar klasgenoten heeft (figuur 1) gelezen. 1a Op wie lijk jij het meest als het gaat om het plannen van huiswerk en het voorbereiden van toetsen? Vul je antwoord in en maak de zin af. Ik lijk het meest op

‘Ik doe al het huiswerk dat ik voor die week al weet altijd in het weekend. Wat er dan nog in die week wordt opgegeven doe ik de avond ervoor. Dan heb ik door de week ook nog tijd voor andere dingen. Dat bevalt mij prima,’ zegt Thomas.

‘Ik maak nooit een planning op papier, maar ik plan wel. Op dinsdagavond moet ik trainen en dan heb ik niet veel tijd voor m’n huiswerk, dus dat doe ik dan meestal wel de dag ervoor,’ brengt Janniek in het midden. 1c Bedenk met een viertal klasgenoten zoveel mogelijk redenen waarom het nuttig / handig zou kunnen zijn om te plannen.

omdat,

1b Wat vind jij van de reactie van Sanne’s moeder?

22  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar

T

T

‘Altijd dat gezeur over plannen,’ zegt Jeroen, ‘ik kijk gewoon wat ik voor de volgende dag moet doen en dat gaat tot nu toe goed genoeg.’


IN TR

Sanne kijkt nog steeds ongelukkig … ‘Nou, dat wordt dan de zoveelste onvoldoende en thuis weer de zoveelste preek,’ zucht Sanne.

Sanne denkt: ‘Ik weet niet of dat nou wel zo’n goed plan is .... voor jou en voor mij.’

NNGGGGGGG

‘Kom op, Sanne, zegt Jeroen’, ‘ik zal extra groot schrijven. Dan kun je bij mij afkijken…’

Einde figuur 1

1d Verzamel de tips die door jouw klasgenoten zijn gemaakt en maak een Top Drie of Top Vijf met ‘Gouden Tips voor Plannen’ in figuur 2.

1e Onder leiding van je mentor worden de antwoorden nabesproken in de klas.

Figuur 2: Gouden tips voor plannen

1 3

2 4

5 les 2  Plannen en je agenda    23


Figuur 3: Mijn tijdsindeling per week

6.00 2a Kleur de vakjes in de legenda hieronder in: geef elke activiteit een eigen kleur.

7.00 8.00 9.00 10.00

Legenda Slapen / eten Sporten / muziek / hobby Rest Op school zijn + de tijd om er naartoe te gaan

11.00 12.00 13.00 14.00 15.00 16.00 17.00

Bezig zijn met vrienden / vriendinnen (life of via sms / msn)

18.00

Huiswerk maken

19.00

‘Lekker niets doen’

20.00

Tv-kijken / computer

21.00 22.00 23.00 24.00

2b Geef in het schema in figuur 3 aan hoe jij op de verschillende dagen van de week je tijd gebruikt. Neem een ‘normale’ week als uitgangspunt om het schema in te vullen. Maak gebruik van de kleuren in de legenda. 2c Wat is jouw eerste reactie als je jouw indeling van tijd zo in beeld gebracht ziet?

24  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar

Gebruik verschillende kleuren in je agenda om verschillende soorten werk aan te geven.

zondag

zaterdag

vrijdag

donderdag

woensdag

dinsdag

maandag

Hoe ziet jouw week eruit? Om alle dingen die jij belangrijk en leuk vindt te kunnen doen, heb je natuurlijk wel tijd nodig. Hoe zit het met jouw tijd?

Uur van de dag

2


3 Korte- en langetermijnplanning Om overzicht te hebben van alle dingen die je wilt en moet doen is het handig om wat verder vooruit te kijken dan de dag van morgen en zelfs om verder te kijken dan de komende week. 3a Bekijk het schema dat Thomas heeft gemaakt om overzicht te hebben van wat zijn ‘taken’ zijn voor de komende periode, voor zover hij die nu tenminste weet.

donderdag woensdag dinsdag

maandag

PERIODEOVERZICHT THOMAS Week 38

Week 39

Week 40

Week 41

Week 42

Week 43

muziekles

muziekles

muziekles

muziekles

uitvoering muziek

muziekles

Proefw Wi

trainen

SO Fa

SO Ec

trainen

trainen

SO En

Proefw Du Proefw Fa

trainen

trainen

Spreekbeurt En

Proefw Ne

Proefw Gs

SO Ne

Werkstuk Ak

SO Ak Feestje bij Jeff

vrijdag zaterdag

trainen

Schoenen kopen Wedstrijd uit

Thuis­wedstrijd

Opa 65 jaar

Thuiswedstrijd

Wedstrijd uit

Weekend Terschelling

Wedstrijd uit

zondag

Verjaardag Jeroen

les 2  Plannen en je agenda    25


3b Thomas heeft een mooi overzicht gemaakt voor de komende weken; handig als hij zijn werk voor school moet plannen. Nu jij … Hoe zien jouw activiteiten voor de komende weken? Vul maar in.

MIJN PERIODEOVERZICHT Week   

Week   

Week   

zondag

zaterdag

vrijdag

donderdag

woensdag

dinsdag

maandag

Week   

26  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar

Week   

Week   


3c Uitgaande van jouw periodeoverzicht in voor een langere periode (zie opdracht b) maak je een weekplanning voor de komende zeven dagen. Vul het weekschema op deze en de volgende bladzijde in: Huiswerk voor de volgende dag noteer je in   blauw in je planner.  Voorbereiding voor later noteer je in rood.  Activiteiten voor andere ‘rollen’ dan je ‘rol’ als leerling noteer je in een kleur naar keuze.  Je vult de laatste kolom ‘Gelukt?’ nog niet in.

Planning voor dinsdag (datum) : Les

Vak Werk:

Planning voor maandag (datum) : Les

Vak Werk:

1 2 3 4 5 6 7 8 Na school:

Planning voor woensdag (datum) : Gelukt?

Les

Vak Werk:

1

1

2

2

3

3

4

4

5

5

6

6

7

7

8

8

Na school:

Na school:

Planning voor donderdag (datum) :

Planning voor vrijdag (datum) :

Les

Vak Werk:

Gelukt?

Gelukt?

Les

Vak Werk:

1

1

2

2

3

3

4

4

5

5

6

6

7

7

8

8

Na school:

Na school:

Gelukt?

Gelukt?


„„ Tips om goed te plannen

Planning voor zaterdag (datum) : Les

Vak Werk:

Gelukt?

1 2 3

Je hebt gemerkt dat het best lastig kan zijn om een planning te maken, zowel voor de korte termijn als voor de langere termijn. We geven een aantal tips om het je gemakkelijker te maken. Tip 1: Plan per dag Kijk eerst per dag hoeveel tijd je hebt om huiswerk te maken. Als je laat uit bent en je wilt ook trainen, heb je niet zo veel tijd over voor huiswerk. Noteer die tijd eventueel achter de naam van de dag.

4 5 6 7 8 Na school:

Tip 2: Stel prioriteiten Bepaal wat het belangrijkst is en schrijf dat bovenaan, of geef de dingen die je hebt opgeschreven een nummer in volgorde van belangrijkheid.

Planning voor zondag (datum) :

Tip 3: Maak je planning niet te krap Het is beter om iets eerder klaar te zijn dan om steeds achter te lopen op je planning.

Les

Vak Werk:

Gelukt?

1

Tip 4: Plan ook rustpauzes Je hersenen kunnen niet langer dan veertig à vijftig minuten achter elkaar geconcentreerd blijven. Plan daarom pauzes in.

2 3 4 5 6 7 8 Na school:

Tip 5: Plan eerst het leerwerk en dan het maakwerk per vak Terwijl je de opdrachten maakt, controleer je meteen of je het leerwerk daadwerkelijk kent. Ook herhaal je zo het leerwerk zodat het beter in je langetermijngeheugen blijft hangen. Tip 6: Zorg voor afwisseling Wissel leer- en maakwerk af en wissel ook verschillende soorten vakken af.

3d Vul de laatste kolom ‘Gelukt’ pas in aan het eind van elke dag, als je weet of het gelukt is om je je aan je planning te houden of niet. En: lukt het jou goed om je aan je planning te houden?

Tip 7: Pas je planning aan indien nodig Raak niet gedemotiveerd als het je niet meteen lukt om goed uit te komen met je planning. Leer ervan en pas je planning aan. Tip 8: Zorg voor regelmaat Zorg dat je regelmatig leert, zodat je de leerstof voor toetsen alleen hoeft te herhalen / controleren en niet alles voor de eerste keer moet leren. Je leert toch uiteindelijk om iets te weten en jezelf te ontwikkelen en niet om het de volgende dag (of zelfs voor de toets) weer vergeten te zijn.

28  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar


4 Onder leiding van je mentor maak je met de hele klas Top 5 of Top 10 van tips. 4a Verzin eerst in groepjes van vier à vijf leerlingen drie à vier extra tips om goed te plannen en noteer deze in het schema.

Onze extra planningstips

4b Onder leiding van je mentor bespreken jullie de tips klassikaal. Je mentor maakt de Top 5 van planningstips die uit de klas komen. Noteer deze Top 5 in het schema rechtsonder.

Top 5 van onze extra planningstips 1

2

3

4

5

les 2  Plannen en je agenda    29


Les

3

Huiswerk maken Huiswerk maken ‘een makkie’? Met de juiste aanpak gaat het lukken. In deze les onderzoek je wat de beste manier is om het huiswerk aan te pakken. Makkie!!

„„ Het huiswerk, hoe plan je dat? Vaak krijg je voor veel vakken tegelijk huiswerk op. Hoe pak je dat aan, al dat huiswerk m ­ aken op een dag en ook nog tijd hebben voor je hobby’s? Lees maar eens hoe Steven het aanpakt (figuur 1). Figuur 1: Steven en zijn huiswerk

Na een lange schooldag fietsen Steven en AnneMarie naar huis. Ze zitten samen in de brugklas. Vandaag hebben ze zeven uur les gehad. Een zware dag dus! Onderweg praten ze over het huiswerk, want voor de volgende week zijn er al weer proefwerken opgegeven. Dat belooft opnieuw leuk te worden. Anne-Marie maakt zich nog niet zoveel zorgen. Als zij thuiskomt gaat ze nog even voetballen met de jongens. Zij heeft in het weekend al vooruit gewerkt voor wiskunde en de topo van Frankrijk geleerd. Steven denkt er even over na en hij besluit toch maar om eerst zijn huiswerk te doen. Voor maar liefst vier vakken moet hij aan de slag: Nederlands, Engels, wiskunde en aardrijkskunde.

30  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar


Thuisgekomen pakt Steven gauw zijn agenda. Hij heeft alles netjes en overzichtelijk opgeschreven: eerst het huiswerk voor morgen en daarna de woordjes van Frans voor woensdag alvast een keer leren. Intussen is het wel half vijf. Steven begint met het maakwerk voor wiskunde; dat vindt hij altijd nogal moeilijk. Vandaar dat hij het liefst met die opgaven start, dan is hij daar mooi vanaf. Nou, die sommen vallen hem echt weer niet mee, dus waarom niet even een computerspelletje tussendoor? Dat is tenminste leuk!

Etenstijd: zes uur. Na het eten heeft Steven nog een half uurtje voor de spellingsregels van Nederlands, want om zeven uur begint de voetbaltraining. Voordat hij weggaat, werpt hij nog gauw een blik op de kaart van Frankrijk en dan hup, op de fiets naar de training. Hij krijgt van zijn trainer op zijn kop, omdat hij te laat is. Voor straf moet hij drie rondjes om het veld lopen. Om half negen is Steven weer thuis. Hè, hè, eindelijk een momentje tv-kijken. Nou ja, dat denkt hij, want daar komt zijn vader, die eerst zijn huiswerk wil overhoren. Nederlands gaat prima, maar de kaart van Frankrijk is knudde, dus daar moet nog eens flink aan gesleuteld worden. Vader vraagt of hij de woordjes voor Frans al een keer heeft geleerd. Nou nee, daar is hij echt niet aan toegekomen. Van tv-kijken komt verder niet veel, want om kwart over negen ligt Steven in bed. En terwijl zijn ogen al bijna dichtvallen vraagt hij zich af: ‘Heb ik mijn huiswerk eigenlijk wel goed aangepakt vandaag?’

Einde figuur 1

Als hij weer op zijn horloge kijkt, blijkt het al bijna half zes te zijn. Opschieten dus met wiskunde! Maar het lukt gewoon niet vandaag. De laatste twee opdrachten laat hij maar zitten. Hij gaat snel verder met aardrijkskunde, het leren van de topografie van Frankrijk; makkelijk zat. Na al dat maakwerk en die topografie moeten de Engelse woordjes er nog ‘ingestampt’ worden. Steven spreekt de woordjes uit en schrijft ze ook op. Zo onthoudt hij ze beter.

1 Je hebt in figuur 1 gelezen hoe Steven het maken van zijn huiswerk aanpakt. Beantwoord de vragen over deze tekst. 1a Welk huiswerk maakt Steven voor de volgende dag?

1b Anne-Marie gaat voetballen. Schrijf op hoe zij, volgens jou, haar huiswerk verder zal afmaken.

les 3  Huiswerk maken    31


2

3

Je gaat de huiswerkaanpak van Steven onderzoeken. Wat zijn de goede en slechte punten van zijn aanpak? De eerste opdrachten doe je zelf, daarna spreekt de mentor het na.

En jij zelf, hoe is jouw aanpak bij het maken van huiswerk? Test jezelf.

2a Zet in de kantlijn bij de tekst een ‘plusje’ bij de goede punten van de manier waarop Steven zijn huiswerk aanpakt. Hoeveel ‘plussen’ heb je genoteerd?     2b Zet in de kantlijn bij de tekst een ‘minnetje’ bij de slechte punten van de manier waarop Steven zijn huiswerk aanpakt. Hoeveel ‘minnen’ heb je genoteerd?     2c Geef een beoordeling van de huiswerk­ aanpak van Steven. Kruis aan: matig voldoende zeer goed

3a Lees de zinnen in het schema hieronder en geef aan of je dit nooit (N), soms (S) of vaak (V) doet. 3b Achteraan in deze les (na opdracht 6) staat hoeveel punten ieder antwoord oplevert. Schrijf bij iedere vraag het aantal punten op, in de laatste kolom van het schema. Tel ze daarna open vul jouw score in. Kruis aan: 16 - 20 punten: het gaat al prima! 13 – 15 punten: je bent op de goede weg! 12 punten en minder: helaas, er moet nog wat veranderen aan jouw manier van huiswerk maken.

2d Samen met de mentor wordt de huiswerk­ aanpak van Steven besproken.

Aanpak bij mijn huiswerk 1

Ik schrijf mijn huiswerk in mijn agenda.

2

Als ik moet leren voor een proefwerk, begin ik er op het laatste moment aan.

3

Ik doe twee dingen tegelijk: computeren en huiswerk maken. Dan is het niet zo saai.

4

Als ik wil weten of ik een proefwerk goed ken, dan laat ik mij overhoren.

5

Ik maak mijn huiswerk op een rustige plek.

6

Het maken van huiswerk stel ik het liefst uit.

7

Mijn bureau staat vol met allerlei spullen als ik huiswerk maak. Dat is gezellig.

8

Ik geef mezelf een beloning als ik mijn huiswerk af heb.

9

Ik doe mijn huiswerk ’s morgens voor ik naar school ga.

10 Als ik een proefwerk moet leren, dan doe ik dat op verschillende dagen. Totaal aantal punten

32  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar

[N]

[S]

[V]

Punten


„„ Soorten huiswerk Eigenlijk zijn er vier soorten huiswerk:  maakwerk: dingen die je moet doen (vragen en opdrachten)  leerwerk: dingen die je moet weten / onthouden (in je hoofd moet stampen)  leeswerk: dingen die je moet doornemen / lezen  snapwerk: dingen die je moet doorgronden en moet kunnen toepassen.

Soort huiswerk 1

een opstel maken voor Nederlands

2

woordjes leren voor Engels

3

de provincies leren van Nederland

4

paragraaf 4, 5 en 7 doornemen voor geschiedenis

5

een wiskundeprobleem kunnen uitleggen

6

kunnen omschrijven hoe de aarde ontstaan is

4 In deze opdracht denk je na over de soorten huiswerk die jij maakt. 4a Lees de huiswerkopdrachten in het schema hieronder. Wat voor soort huiswerk is het, maakwerk (MK), leerwerk (LR), leeswerk (LS) of snapwerk (SP)? Kruis het juiste antwoord aan. 4b Bedenk zelf bij ieder soort huiswerk een voorbeeld. Gebruik hiervoor de onderste regels van het schema.

[MK] [LR]

[LS]

[SP]

7 

8 

9 

10 

les 3  Huiswerk maken    33


„„ De werkplek: waar werk ik prettig?

5

Niemand is hetzelfde. Dat merk je bijvoorbeeld aan de plek waar je vrienden en vriendinnen thuis hun huiswerk maken.

Hoe ziet jouw werkplek eruit?

De een heeft een vaste leerplek, de ander wisselt voortdurend van plek. Bij de een is het bureau altijd opgeruimd, bij de ander is het altijd een puinhoop. De een werkt het best als het stil is, de ander voelt zich prettig met muziek op de achtergrond.

5a Je ziet in figuur 2 vijf tekeningen van werkplekken. Kruis aan welke plaatjes bij jou passen als jij je huiswerk maakt.  Kies eerst uit plaatje 1 of 2.  Kies daarna uit plaatjes 3, 4 of 5.

3

Figuur 2: Mijn tijdsindeling per week

1

4

2

5

34  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar


5b Maak een tekening van jouw kamer of jouw bureau.

les 3  Huiswerk maken    35


„„ Studietips

6

De studietips in het kader hiernaast zijn voor jou verzameld door deskundige brugklassers. Lees ze maar eens door en … maak er gebruik van!

Puntentelling bij opdracht 3 Vraag Nooit Soms Vaak 1 0 1 2 2 2 1 0 3 2 1 0 4 0 1 2 5 0 1 2 6 2 1 0 7 2 1 0 8 0 1 2 9 2 1 0 10 0 1 2

Misschien heb jij zelf ook nog tips. Schrijf jouw tips onder in het kader hiernaast.

Studietips van brugklassers 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

 erst thee en koek, daarna beginnen. Wacht niet te lang. E Begin ontspannen, begin niet met tegenzin. Laat je niet afleiden: geen computer, telefoon, muziek, tv. Maak zelf de vragen na het lezen. Laat jezelf overhoren. Beloon jezelf. Begin op tijd, verdeel je tijd. Besteed niet te veel tijd aan vakken die je leuk vindt. Werk niet aan twee talen achter elkaar. Maak een huiswerkschema. Zorg voor een rustige werkkamer. Zorg voor een opgeruimd bureau. Vat het studeerwerk niet te gemakkelijk op. Zit niet te dromen. Doe het leerwerk niet te lang. Begin met het moeilijkste vak. Doe eerst het leerwerk, daarna het maakwerk. Maak aantekeningen tijdens het leerwerk. Maak je niet te druk voor een proefwerk. Laat je niet te vroeg overhoren.

21

22

23

24

25

36  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar


Alles oké in de klas?

Les

4

Een nieuwe klas, nieuwe medeleerlingen. Spannend of leuk? Misschien wel spannend en leuk! Deze les gaat over vriendschappen en je ‘plek in de klas’.

„„ Vriendschap, hoe zit dat bij jou? Het is meestal wel fijn als je met een aantal klasgenoo tjes van je basisschool naar de brugklas gaat. In die drukte zijn er dan toch een paar bekende gezichten! Maar je zult ook nieuwe vrienden / vriendinnen maken.

1 Je gaat een klein onderzoekje doen naar wat jij belangrijk vindt bij vriendschap. Geef in het schema hiernaast aan welke zes dingen jij het belangrijkst vindt bij vrienden / vriendinnen. Je kunt onderin zelf dingen aanvullen.

Ik wil graag vrienden / vriendinnen die … [J] [N] 1

sportief zijn.

2

stoer zijn.

3

humor hebben.

4

voor je klaar staan.

5

van muziek houden.

6

van lekker kletsen houden.

7

van lekker kletsen houden.

8

goed kunnen luisteren.

9

niet zeuren.

2

10 van mooie kleren houden.

Hoe zit het met je klasgenoten?

11 eerlijk zijn. 12 lekker kunnen roddelen.

2a Vul de staafdiagram in figuur 1 in om te kijken wat je klasgenoten gekozen hebben. Figuur 1: Staafdiagram vriendschap

 Aantal kinderen 30

13 lekker willen shoppen. 14 graag tv en video kijken. 15 trouw zijn. 16

25 17 20 15

18

10 5 0

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 Gekozen antwoorden 

les 4  Alles oké in de klas?    37


2b Bekijk je staafdiagram. Welke zes onderdelen zijn voor jouw klas het belangrijkst?

„„ Nieuwe vrienden maken Je hebt nu opgeschreven wat jij belangrijk vindt bij een vriend of vriendin. Hoe maak je nieuwe vrienden of vriendinnen? Meestal gaat dat vanzelf. Je praat wat, je zit naast elkaar in de klas, in de kantine of je fietst samen naar huis. Soms kan het weleens lastig zijn om contact te maken met een groepje of een medeleerling. Hoe pak je dat nu handig aan?

1 2 3 4 5 6 2c Zijn jouw keuzes daar ook bij? Zo ja, welke? Noteer alleen de nummers.

3 Lees de strip in figuur 2, die gaat over ‘contact maken’. 3a Kies het plaatje (a, b of c) waarvan jij denkt dat het de beste manier is om contact te maken. 3b Leg uit waarom jij dat plaatje gekozen hebt.

Figuur 2: Contact maken

Heb jij G.T.S.T. gezien?

Hoi Mila, waar hebben jullie het over? A

Ja, het was spannend!

Zou Benjamin het uitmaken met Pascal?

Benjamin is stom!

B

38  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar

C


4

4a Wat valt je op aan de gesprekjes in het stripverhaal?

Bij vriendschap is het natuurlijk ook belangrijk om goed naar elkaar te luisteren. Lees het stripverhaaltje in figuur 3.

Figuur 3: Luisteren naar elkaar

Ik ga morgen naar Ajax.

Ik heb gisteren met mijn vader gevist.

Mijn vader gaat een nieuwe auto kopen.

4b Speel in groepjes van vier leerlingen het gesprek na. Verdeel de rollen. Laat nu merken dat er naar elkaar geluisterd wordt.

„„ Soort zoekt soort Jongens en meisjes zoeken als vriend of vriendin vaak iemand met wie ze veel gemeenschappelijk hebben, zodat ze veel samen kunnen delen. Een stukje speciaal voor de jongens en een stukje speciaal voor de meisjes! We gaan al vroeg naar het Ajax-museum.

Twee snoeken hebben we gevangen.

Mijn vader kijkt alleen maar tv met een biertje erbij.

Voor de meisjes: hartsvriendinnen Meestal zitten hartsvriendinnen in dezelfde klas, hebben ze dezelfde interesses en proberen ze – soms – zelfs op elkaar te lijken door dezelfde kleding te dragen of hetzelfde kapsel te nemen. Ze zijn te herkennen aan hun eindeloze gesprekken, what’s appjes en gegiechel! De tekst in figuur 4 is speciaal voor de meisjes . De jongens mogen natuurlijk wel meelezen! Figuur 4: Wat is een hartsvriendin?

Misschien wordt Ajax morgen wel kampioen!

Hij kan wel 200 km per uur!

Een hartsvriendin ‘Iemand aan wie je dingen vertelt die aan niemand anders vertelt: geheimen, wat je hebt meegemaakt, ook als je iets stiekems hebt gedaan of als je iemand hebt getreiterd. Iemand met wie je lacht, met wie je samen dingen doet.’ (Lieke, 14 jaar) Einde figuur 3

les 4  Alles oké in de klas?    39


5 Voor de meisjes: is de tekst in figuur 4 herkenbaar? Of is het een beetje overdreven? 5a Wat is volgens jou een hartsvriendin? (Je mag overleggen met je buurvrouw.)

5b Zijn voor jou jouw vriendinnen allemaal even belangrijk? Kies je antwoord en maak de zin af. Ja / Nee, want

Voor de jongens: echte vrienden Hoe zie het eigenlijk met de jongens? Hoe is het bij hen met ‘de vriendschap’? Speciaal voor de jongens dus! Maar de meisjes mogen natuurlijk wel meelezen! Vriendschappen bij jongens zijn vaak anders dan bij meisjes. Jongens treden vaker ‘naar buiten’. Ze hebben echte doe-vriendschappen: samen sporten, samen skaten of samen gamen.

Figuur 5: Vriendschap

‘Als kind had ik een vriend waarmee ik alles deed, Als hij begon te vechten, dan vocht ik met hem mee.’

(Fragment uit het lied ‘Vriendschap’ van het Goede Doel)

40  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar

6 Voor de jongens: is het citaat van het lied ‘Vriendschap’ (figuur 5) herkenbaar? Omschrijf in je eigen woorden wat volgens jou een echte vriendschap is. (Je kunt overleggen met je buurman.)


7

9

Onder leiding van je mentor bespreek je met de klas de verschillen tussen meisjes- en jongensvriendschappen.

Doe opdracht a ter voorbereiding alleen, opdracht b doe je met de klas.

7a Gebruik jouw antwoorden op opdracht 5 en/of 6 als input voor de nabespreking. 7b Bespreek met de klas de volgende stelling: ‘Jongens trekken meer als vriendengroep met elkaar op, meisjes hebben vaak één of twee vriendinnen met wie ze omgaan.’

Het kan dus behoorlijk lastig zijn om een vriendschap altijd goed te laten gaan. 9a Wat is volgens jou een goed advies om een vriendschap goed te houden?

Noteer: Ik ben het met deze stelling eens / oneens, omdat: 9b Iedereen uit de klas heeft bij opdracht a een advies gegeven. Onder leiding van je mentor worden de drie beste tips om een vriendschap goed te houden verzameld. Noteer de drie tips hieronder.

8 Tussen vrienden en vriendinnen is het niet altijd koek en ei. 8a Heb jij weleens meegemaakt dat een vriendschap eindigde? Vul in: Nee Ja. Dit kwam doordat

Beste tips om een vriendschap goed te houden Tip 1:

Tip 2: 8b Heb jij weleens ruzie gehad met je beste vriend of vriendin? Nee. Wij hebben nooit ruzie, omdat

Tip 3: Ja. Dit hebben we opgelost door

les 4  Alles oké in de klas?    41


„„ Pesten of plagen? Veel kinderen denken dat zij te maken zullen krijgen met pesten op de nieuwe school. Hoe komt dat en wat kun je er tegen doen?

10d Welk ‘plagerijtje’ door je vader, moeder, broer, zus, juf, meester, vriend of vriendin is jou weleens overkomen?

10 Ken jij het verschil tussen pesten en plagen? 10a Heb jij weleens iemand geplaagd of gepest? Vul in: Ja. Dit heb ik gedaan:

Nee, want

11 Hoor jij ook weleens iets waarvan je denkt: ‘Is dat nou plagen of pesten?’ Soms is het verschil niet altijd even duidelijk. 11a Je ziet een schema waarin situaties beschreven zijn. Geef aan wanneer is volgens jou sprake is van het pesten (PE) en van plagen (PL). 11b Hoe vaak heb jij in het schema voor ‘pesten’ gekozen? En hoe vaak voor ‘plagen’? Vul in: Pesten:    keer Plagen:    keer

10b Als je antwoord bij vraag a ‘ja’ is, beantwoord dan deze vervolgvraag:

11c Vergelijk jouw kruisjes met die van jouw buurman of -vrouw. Welke verschillen kom je tegen?

Hoe kijk je daar nu tegenaan?

11d Wat kun je hiervan leren?

10c Was het volgens jou pesten of plagen? Verklaar je antwoord.

11e Deze opdracht wordt onder leiding van je mentor in de klas nabesproken.

42  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar


Situaties

[PE]

1

Ze draaien zich om, als ik er aankom.

2

Ze noemen mij wel ‘stekelvarkentje’, door mijn haar.

3

Ze zeggen vaak ‘dikke’.

4

Ik moet altijd een boek voor haar halen.

5

Niemand praat tegen haar, maar dat is haar zaak.

6

Ze noemen mij een ‘stuudje’ als ik weer eens een 10 haal.

7

De hele klas wordt voor het feestje gevraagd, behalve hij.

8

Ik bel weleens een klasgenoot op en dan doe ik alsof ik een leraar ben.

9

Als hij mee wil fietsen, dan rijden wij hard weg.

[PL]

10 Mijn fiets is vaak stuk, alweer een lekke band … 11 Ze verstoppen altijd mijn tas. 12 Ik moet altijd snoep voor hem meenemen. 13 Ze noemen mij Dora terwijl ik Dorien heet. 14 Ze zeiden tegen mij: ‘Wacht maar tot in de fietsenstalling!’

les 4  Alles oké in de klas?    43


Figuur 6: Brief van Kim, een brugklasser

12 Lees de brief van Kim, een brugklasser die op de basisschool vaak gepest werd. Jij gaat Kim een brief terugschrijven met tips. Wat kan Kim volgens jou het beste doen?

‘Op de basisschool werd ik vaak gepest. Ik kan heus wel tegen een grapje, maar dit was niet leuk meer. Ze sloten me buiten en wanneer ik een nieuwe broek aan had, dan lachten ze me uit. Ook pakten ze mijn agenda af, scheurden de blaadjes eruit en gooiden die op de grond. Ik besloot het toch nog maar eens te proberen en nodigde een paar meisjes uit de klas uit om bij mij thuis een video te kijken en chips te eten. Ze zouden allemaal komen en ik had er echt zin in, ik had een leuke film uitgezocht. Om twee uur hadden we afgesproken. Maar toen om drie uur nog niemand gekomen was, heb ik het opgegeven. Ik heb de chips en de cola opgeruimd. Alweer een teleurstelling. Later belde Ineke op om te zeggen dat het haar speet, maar dat de anderen haar gedwongen hadden om niet te komen. Misschien ga ik wel naar een andere school.’

Mijn brief met tips aan Kim

44  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar


„„ Smoesjes bij pestsituaties Om te praten over pesten heb je moed nodig. Soms kijk je liever de andere kant op of doe je alsof je neus bloedt. Er is altijd wel een smoesje te bedenken om er niets aan te hoeven doen. Lees de voorbeelden van smoesjes die je kunt maken in het kader.

Smoesjes in pestsituaties 1 2 3 4

Ik heb er niets mee te maken. Ze zoeken het zelf maar uit. Zo erg is het allemaal niet. Ik heb geen zin om me ermee te bemoeien.

5

13 Vul deze ‘prachtige’ lijst hiernaast aan met drie (of meer) smoesjes.

6

14 Na dit uitgebreide onderdeel over ‘pesten’ is het nu tijd om echt iets te doen aan het pesten. Aan het werk dus! Je kunt kiezen uit de volgende twee opdrachten: 1

 edenk alleen of met je buurman of B -vrouw een aantal afspraken voor de klas waardoor je het pesten kunt tegengaan. Schrijf deze afspraken op een apart papier, mooi verzorgd en met de handtekeningen van de leerlingen onder de afspraken.

2

 aak een poster waarop duidelijk wordt M dat pesten op jullie school verboden is. Hang de posters op in de school.

7

les 4  Alles oké in de klas?    45


Meesterproef Een planning maken voor de langere termijn Figuur 1: Lotte en Steven

Met een harde klap zet Steven zijn tas op tafel. Lotte kijkt hem verbaasd aan, terwijl zij haar bijna geplette broodje opzij schuift.

‘Nog vier weken, dan hebben we eindelijk vakantie,’ zegt Steven.

‘Ja, dat klopt,’ zegt Lotte. ‘Maar heb jij gezien wat wij in die vier weken nog moeten doen?’

‘Niet veel,’ antwoordt Steven, ‘een boekverslag voor Nederlands en nog twee proefwerken.’

Lotte pakt haar agenda: ‘Over vier weken een boekverslag inleveren voor Nederlands. Voor biologie een werkstuk maken over een onderwerp uit hoofdstuk 4. Gisteren had ik een spreekbeurt voor geschiedenis. Volgens mij heb jij dat volgende week. En aanstaande vrijdag moeten wij een presentatie houden voor aardrijkskunde.’

Plannen voor de langere termijn is nodig als je bijvoorbeeld een werkstuk moet maken, een spreekbeurt moet voorbereiden of een boekverslag moet maken. Hoe maak je een goede planning voor de langere termijn? Dat gaan we oefenen in deze meesterproef.

„„ Hoe maak jij een

­langetermijnplannning? Lees eerst eens in figuur 1 hoe Lotte en Steven omgaan met een langetermijnplanning.

1 Je hebt gelezen hoe verschillend Lotte en Steven hun langetermijnplanning aanpakken. 1a Op wie lijk jij het meest? Steven Lotte 1b Leg je antwoord op vraag a uit: Hoe pak jij het plannen voor de langere termijn aan?

‘Ik dacht dat die presentatie pas volgende week vrijdag zou zijn.’

‘Nee, natuurlijk niet,’ zegt Lotte, ‘dat staat toch in je agenda! Ik ben al begonnen heb paragraaf 2 en 3 al voorbereid. Volgens mij ben jij weer eens te laat begonnen. Die vakantie kun je voorlopig wel vergeten …’

Terwijl Steven zijn agenda uit zijn tas haalt, vraagt hij: ‘Vrijdag al?’ Einde figuur 1

46  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar


2

„„ Een stappenplan maken voor een

Je hebt opgeschreven hoe jij een planning voor de langere termijn zou maken. Nu gaan we kijken of jouw aanpak verbeterd kan worden. Bekijk het planningsschema onderin, waarin twee vakken al zijn ingevuld. Zet de volgende opdrachten in het schema:  Verslag over bezoek aan dierentuin inleveren voor biologie: week 27.  Weektaak wiskunde: hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 af: week 25.

langetermijnplanning In de volgende opdrachten ga je in drie stappen je eigen stappenplan maken voor het maken van een langetermijnplanning. Aan het eind van de opdracht vul je telkens een stap in in het stappenplan op de laatste bladzijde van deze meesterproef (figuur 2). Tussen de stappen door doe je oefeningen bij de betreffende stap.

3 Stap 1 Langetermijnplanning Wat is, denk je, de eerste stap van de vaardigheid ‘Plannen voor de langere termijn’? (Denk aan het woord ‘overzicht’). Vul in: Ik maak eerst:

Zet deze stap ook op je vaardighedenkaart achterin, bij stap 1.

Vak

Taken

Moet af zijn in week:

Geschiedenis

Werkstuk maken over de VOC

25

Nederlands

Spreekbeurt houden over jouw favoriete schrijver

26

Meesterproef    47


4 Stap 2 Langetermijnplanning Grote opdrachten kosten veel tijd. Je moet jouw tijd dus goed indelen. Daarom moet je weten wat je allemaal moet doen voor zo’n opdracht.

4b Wat is, denk je, stap 2 van de vaardigheid ‘Plannen voor de langere termijn’? Vul in: Ik moet weten:

4a Bespreek klassikaal of met je buurman of -vrouw wat je allemaal moet doen als je een spreekbeurt over je favoriete schrijver moet houden. Verdeel je taken in deeltaken. Schrijf de antwoorden op in het schema hieronder.

Zet deze stap ook op je vaardighedenkaart achterin, bij stap 2.

Taken bij het houden van een spreekbeurt Als ik een spreekbeurt houd over een schrijver, dan moet ik het volgende doen: Deeltaak 1:

Deeltaak 3:

Deeltaak 2:

Deeltaak 4:

Deeltaak 5:

48  module  Klaar voor het nieuwe schooljaar


5

6

In opdracht 4 heb jullie in tweetallen een grote taak – een spreekbeurt houden – onderverdeeld in deeltaken. In deze opdracht maak je er een planning bij.

Stap 3 Langetermijnplanning Je hebt de grote taak onderverdeeld in deeltaken. Je weet wanneer de spreekbeurt af moet zijn.

5a Vul de planning hieronder in. Over de gehele opdracht mag je vier weken doen:  Vul kolom 3 in: noteer de deeltaken uit opdracht 4.   Vul kolom 4 in: noteer in welke week elke deeltaak af moet zijn.

6a Hoeveel tijd, denken jullie, heb je nodig voor de deeltaken van opdracht 5? Vul in:

5b Je hebt nu in tweetallen een grote opdracht in kleinere onderdelen gesplitst. Je weet nu wat je moet doen. Je weet ook dat je nog vier weken de tijd hebt om je spreekbeurt voor te bereiden. Lukt het in die vier weken? Denk nog eens aan Steven uit het verhaaltje aan het begin van dit hoofdstuk. Overleg met elkaar: wat zouden jullie doen om dit soort situaties te voorkomen?

Benodigde tijd deeltaken Deeltaak 1:    uren en    minuten Deeltaak 2:    uren en    minuten Deeltaak 3:    uren en    minuten Deeltaak 4:    uren en    minuten Deeltaak 5:    uren en    minuten Totaal:

   uren en    minuten

6b Je weet nu wat stap 3 wordt. Schrijf maar op.

Wij zouden

Ik maak een

Zet deze stap ook op je vaardighedenkaart achterin, bij stap 3.

Vak

Taken

Deeltaken

Af in week

Nederlands

Spreekbeurt over schrijver

1

25

2 3 4 5

Meesterproef    49


7 Jullie hebben nu in tweetallen de taak van alle kanten bekeken en jullie hebben de stappen ingevuld op de vaardighedenkaart. Overleg met elkaar en controleer of je nu inderdaad alles weet wat je moet weten voor de langetermijnplanning. Gebruik de ‘checkpoints’ hiernaast en vink ze aan als je het weet.

Vaardighedenkaart MIJN STAPPENKAART LANGETERMIJNPLANNING Stap 1:

Stap 2:

Stap 3:

Checkpoints langetermijnplanning Ik je weet wat de opdracht is. Ik weet wat ik er allemaal voor moet doen. Ik weet hoeveel tijd dat kost. Ik weet dat de opdracht in een bepaalde week af moet zijn. Ik weet ook hoeveel weken tijd ik er dan voor heb.


l esw ij s

st u di e beg e le i di ng Les 1 Hersentraining Les 2 Het geheugen

Module

Les 3 Het sociale brein Les 4 Hersentoestanden

Mijn hersenen Interview met medeleerling

Meesterproef

Naam: Klas: Datum:

Wat is jouw vroegste herinnering?

Wat onthoud jij beter als je leert, beelden of teksten?

Heb jij ook weleens een heel goed gevoel gehad toen je een belangrijke prestatie had geleverd? Bijvoorbeeld op school, op het sportveld of bij de muziekles? Vertel hierover.


Les

1

Hersentraining Je hersenen zijn het orgaan waarmee je leert. Je gebruikt ze om te leren, net zoals je spieren gebruikt om te sporten. Spieren kun je trainen om beter te presteren; je hersenen gaan ook beter werken als je ze meer gebruikt. In deze les leer je meer over de hersenen en de werking ervan bij het leren.

„„ Hoe zien je hersenen eruit? Neem een kleine bloemkool met een stronk. Je snijdt hem in de lengte door en dan heb je twee helften: de linker- en de rechterhersenhelft van de grote hersenen (figuur 1). De linkerhersenhelft is goed in het leren van details en de rechterhelft in het leren van het grote geheel. Het voorste deel van de grote hersenen zorgt voor het vooruitdenken en plannen en daar zit ook het beeldcentrum. In de achterste helft komt de informatie van de zintuigen binnen. De ‘stronk’ noem je de hersenstam. Hierin zit

bijvoorbeeld de ‘thermostaat’ die je lichaamstemperatuur regelt. Net als bij de bloemkool is de buitenkant van de hersenen sterk geplooid, zodat er plaats is voor alle zenuwcellen waaruit de hersenen bestaan. Boven de stronk zitten de kleine hersenen. De kleine hersenen zijn belangrijk bij het inslijpen van handelingen die je automatisch doet, zoals fietsen, pianospelen of wiskundesommen oplossen. In het centrum van je hersenen liggen de ‘middenhersenen’, die een rol spelen bij je emotie en ook bij de opslag in het geheugen.

Figuur 1: De hersenen lijken op een bloemkool

grote hersenen: vooruit denken en plannen, beeldcentrum middenhersenen: emotie en geheugen k leine hersenen: automatische handelingen, evenwichtsgevoel, motoriek een halve bloemkool: net een hersenhelft

hersenstam: voelen, horen, zien en ruiken

52  module  Mijn hersenen

ruggenmerg: centrale zenuwstelsel, prikkels en bewegingen reguleren


„„ Leren doe je met je hersenen Je gebruikt je hersenen om te leren, net zoals je je spieren gebruikt om mee te sporten. Je hersenen veranderen. De onderdelen die je veel gebruikt, worden uitgebreider en de onderdelen die je niet gebruikt, krimpen. Jonge mensen kunnen sneller woorden intypen op een mobieltje, omdat zij een groter deel van hun hersenen gebruiken dan oudere mensen.

Als je denkt aan het gezicht van je moeder, dan licht er ergens in je hersenen een ­mini-netwerk van cellen op met de herinnering aan haar gezicht. Maar denk nu eens aan het gezicht van de juf van groep 1 van de basisschool. Is het er nog? Of is het intussen uitgedoofd?

Delen van de hersenen die je gebruikt, functioneren beter.

Hersenen zijn kwetsbaar. Veel stoffen die je binnenkrijgt bereiken ook de hersenen en dat merk je meteen. Alcohol bijvoorbeeld is schadelijk; zeker voor jonge mensen en in grote hoeveelheden.

„„ Hersencellen De hersenen bestaan uit hersencellen die via uitlopers verbonden zijn met andere hersencellen (figuur 2). Die cellen hebben een prachtige spinachtige vorm. Je hebt er heel veel. Stel je voor: je neemt alle lampen in een wereldstad als New York en al die lampen verbind je met draadjes, en dat hele netwerk vermenigvuldig je met duizend. Zo uitgebreid is het netwerk van hersencellen waarmee je leert.

1 Kijk nog eens goed naar figuur 1, een tekening van de hersenen. Leg daar nu een blaadje maak de opdrachten. 1a Maak op de volgende bladzijde een tekening van de hersenen. Zet de namen bij de verschillende onderdelen en schrijf bij elk onderdeel waar het voor dient. Gebruik de woorden: grote hersenen – kleine hersenen – hersenstam – ruggenmerg. 1b Vergelijk jouw tekening met de tekening van je buurman of -vrouw. Bespreek de verschillen en noteer deze.

Figuur 2: Hersencellen zijn via uitlopers met elkaar verbonden

1c Als jullie klaar zijn, laat je leraar jullie een plaatje van de hersenen zien. Verbeter je eigen tekening indien dit nodig is.

les 1  Hersentraining    53


Mijn tekening van de hersenen

„„ De kleine hersenen

2

De kleine hersenen onthouden automatische handelingen die je snel uitvoert zonder er bij na te denken, zoals een tekst typen op je mobiele telefoon. Je kunt heel snel typen op je telefoon, doordat je kleine hersenen onthouden waar de toetsen zitten.

Weet jij waar de letters op het toetsenbord van je telefoon zitten? Probeer om op het toetsenbord in figuur 3 de letters van het woord ‘Olifant’ in te typen. Schrijf de letters op de juiste toetsen in de telefoon. Controleer daarna hoeveel letters je goed had.

Figuur 3: Toetsenbord van de telefoon

Het is grijs en vergeet nooit iets; het is een....

54  module  Mijn hersenen


„„ De kleine hersenen

Figuur 4: Allemaal losse vlekjes … of niet?

De linker- en rechterhersenhelft werken samen om alle losse stukjes die je leert samen te voegen tot een groter geheel. Dat doen de hersenen ook bij de afbeelding in figuur 4. Op het eerste gezicht zie je allemaal losse vlekjes. Maar wat stelt het voor?

3 Kijk samen met je buurman of -vrouw eens goed naar figuur 4. 3a Wat zie jij in dit plaatje? Noteer dit. Bron: R.L. Gregory (1970). The Intelligent Eye.

4

3b Wat ziet je buurman of -vrouw?

Test jezelf en de betrouwbaarheid van jouw hersenen. Hoe goed weet jij hoe de voordeur van de school eruitziet? En je buurman of -vrouw? 4a Maak op de volgende bladzijde een tekening van de voordeur van de school, met zoveel mogelijk details.

3c Als je bij vraag a en b verschillende dingen hebt ingevuld, zien jullie verschillende dingen in de tekening. Nu je hebt gehoord wat je buurman of -vrouw in de tekening ziet, zie jij dit er dan ook niet, of niet, of een beetje?

„„ Hoe betrouwbaar zijn je hersenen?

4b Vergelijk de tekening met die van je buurman of -vrouw. Wat zijn de verschillen?

4c In overleg met je leraar gaan jullie met je tekening naar de voordeur van je school (je leraar kan ook een foto op het digibord laten zien). Hoe goed had jij het beeld in je hoofd? Wist je je veel details te herinneren? En je buurman of -vrouw?

Je hersenen slaan veel informatie op, zonder dat je je hier bewust van bent. Maar hoe betrouwbaar is dat? Wat onthoud je wel en wat niet? En hoe gedetailleerd onthoud je dingen? En waarom onthoud je sommige dingen veel beter dan andere?

les 1  Hersentraining    55


De voordeur van de school

56  module  Mijn hersenen


Les

2

Het geheugen Sommige dingen onthoud je vanzelf, zoals bijvoorbeeld gezichten. Daar hoef je geen moeite voor te doen. Een klein baby’tje herkent al heel snel het gezicht van zijn ouders. Maar voor andere zaken moet je wel moeite doen, bijvoorbeeld het leren van woordjes. In deze les gaan we dieper in op de werking van het geheugen.

„„ Hoe werkt je geheugen als je leert? Elk zintuig heeft een centrum in de hersenen. Als je bijvoorbeeld een plaatje van het hart ziet in je biologieboek, dan wordt dat van je ogen doorgeseind naar het beeldcentrum, aan de voorkant van je hersenen. De een leert gemakkelijk van plaatjes terwijl de ander juist gemakkelijk leert ‘van praatjes’. Dit komt doordat bij de een het gehoorcentrum beter werkt dan het beeldcentrum.

1 Hoe zit dat bij jou? Leer je gemakkelijker van plaatjes of uit tekst?

„„ Onderdelen van het geheugen Het geheugen bestaat uit een werkgeheugen en een langetermijngeheugen. Werkgeheugen In het werkgeheugen kun je zaken een korte tijd onthouden. Het werkgeheugen heeft maar ruimte genoeg voor ongeveer acht à tien informatie-eenheden, zoals cijfers of letters. Daarom is het gemakkelijk om drie losse letters te onthouden, bijvoorbeeld de letters T, A en D.

Maar het wordt moeilijker als je probeert er meer te onthouden. Probeer het maar: kijk één keer naar de volgende reeks en schrijf hem daarna op: T, A, D, M, S, A, E, R, M. Je zult merken dat dit best moeilijk is, maar dat het waarschijnlijk wel lukt wel als je van de negen letters een woord maakt. Dan nemen de letters in je werkgeheugen namelijk maar één plek in.

2 Kijk nog eens goed naar de letters: T, A, D, M, S, A, E, R, M. Welk woord kun je van deze letters maken?

Langetermijngeheugen Informatie uit je werkgeheugen wordt bewaard in je langetermijngeheugen. Dit gebeurt op door verschillende manieren:  door de informatie te herhalen (woordjes);  door er een verhaal van maken dat je kunt navertellen;  door er een samenvatting van maken (van een boek);  door er een schema van te maken (natuurkunde).  door de losse onderdelen met elkaar in verband te brengen (van losse letters een woord maken).

les 2  Het geheugen    57


Om iets te kunnen onthouden kun je dus losse onderdeeltjes met elkaar in verband brengen. Met de letters die we hiervoor bespraken kun je bijvoorbeeld het woord ‘Amsterdam’ vormen!

„„ Emotie en gevoel De middenhersenen hebben te maken met emotie en gevoelens. Deze spelen een grote rol bij de opslag van informatie. Vraag je ouders maar eens wat zij aan het doen waren toen de aanslag op het World Trade Center werd gepleegd (op 11 september 2001). Dit was zo’n ingrijpende gebeurtenis dat bijna iedereen nog weet wat hij toen deed. Leerstof waar je gevoelens bij hebt, onthoud je makkelijker. En zeker als het ook nog iets met jou persoonlijk te maken heeft, zoals de lessen over seksualiteit bij het vak biologie.

3 Hoe groot is jouw werkgeheugen? 3a Je gaat het schema linksonder invullen:  Pak een pen. Bekijk kolom 1 lees eerst eenmaal het bovenste rijtje van vier cijfers.  Dek het rijtje af en noteer de cijfers in de tweede kolom.  Controleer of je de juiste volgorde hebt genoteerd. Als dat zo is ga je door met een rijtje van vijf cijfers. Als je een fout hebt gemaakt probeer je nog één keer het rijtje van vier cijfers te herhalen, nu in kolom 3.  Werk zo alle rijtjes af.

9754

3b Wat is de opslagruimte van jouw werk­ geheugen? Deze mag je gelijkstellen aan het aantal cijfers van het langste rijtje cijfers, waarbij je minstens één keer de goede volgorde hebt gehaald. Vul in: De opslagruimte van mijn werkgeheugen is

382

           items.

Cijferreeksen Herhaling 1

Herhaling 2

651 9431 68259 38147 913825

4 Er zijn verschillende manieren van leren. In deze opdracht test je of jij beter leert met beeld of met tekst.

648371 596382 7958423 5316842 7918546 86951372 51739826 51398247 719384261

4a Test jezelf:  Je leraar laat een dia te zien met 35 à 40 woorden of afbeeldingen.  Je hebt twee minuten de tijd om zoveel mogelijk dia’s uit je hoofd te leren.  Daarna krijg je de overhoring die op de volgende bladzijde staat.  Je mag aantekeningen maken op een apart blaadje, maar deze mag je alleen gebruiken bij de twee minuten leertijd, niet bij de overhoring.

163874952 625943826 9152438126 7154856193 1528467318

58  module  Mijn hersenen

4b Je leraar bespreekt de oefening met jullie na.

Als je lesstof moet onthouden, probeer er dan een verhaal van te maken.


Overhoring Dia 1

Dia 2

Vraag 1 Schrijf zoveel mogelijk woorden / afbeeldingen op. Je mag er meer in één dia noteren.

Dia 3

Dia 4

Dia 5

Dia 6

Dia 7

Dia 8

Vraag 2

Vraag 3

Vraag 4

Schrijf op hoe je het hebt aangepakt om deze beelden en woorden te leren.

Controleer het aantal goede antwoorden. Welke fouten heb je gemaakt?

Tel het aantal woorden dat je hebt onthouden en het aantal afbeeldingen. Hoeveel zijn dit er?         woorden.         afbeeldingen.

les 2  Het geheugen    59


5 Een verhaal maken en vertellen Je kunt van de stof die je moet leren een verhaal maken. Dit is een zeer effectieve manier van onthouden. 5a Je krijgt twintig afbeeldingen te zien. Probeer in twee minuten een verhaal te maken waar die afbeeldingen in voorkomen.

Mijn verhaal van de beelden

5b Schrijf zoveel mogelijk afbeeldingen op die je je nog weet te herinneren.

Afbeeldingen die ik mij herinner

5c Is je score verbeterd vergeleken bij opdracht 4?

60  module  Mijn hersenen


Les

3

Sfeer en vertrouwen kunnen niet zonder elkaar.

Het sociale brein

Toen je op deze school begon, wilde je je graag hier thuis gaan voelen, de anderen in je klas vertrouwen en weer vrienden en vriendinnen krijgen. Want mensen zijn sociale dieren; ze willen niet buitengesloten worden, maar ze willen geaccepteerd en gerespecteerd worden. Door vertrouwen te hebben in elkaar komt er dan een goede sfeer in een groep. In deze les leer je meer over de sociale werking van de hersenen.

„„ Sociaal brein Mensen leven samen in groepen en dan is het belangrijk dat je rekening houdt met elkaar en dat je elkaar vertrouwt. Het is altijd spannend om in een nieuwe groep te komen. Dan voel je stress en reageren je hersenen door een stresshormoon aan te maken. Deze heet adrenaline en het maakt je superalert, alsof er gevaar dreigt. Een hormoon is een stofje dat een boodschap rondbrengt in je lichaam.

„„ Vertouwen Als je iemand helemaal vertrouwt, dan kun je bij wijze van spreken ‘achterovervallen’; de andere vangt je wel op. Of je durft je beste vriendin je diepste geheim vertellen; zij zal het nooit doorvertellen. Vertrouwen is zo belangrijk dat onze hersenen een speciaal ‘vertrouwenstofje’ maken als we ons fijn voelen tussen andere mensen: oxytocine. Het wordt ook wel het ‘knuffelhormoon’ genoemd, omdat het ook vrijkomt als iemand je een knuffel geeft ... of als je verliefd bent. Het voelt fantastisch. Maar om elkaar te vertrouwen is het nodig dat je elkaar begrijpt en dat je weet wat het gedrag

van andere mensen betekent. Dat we niet alleen de taal van een ander verstaan, maar ook de lichaamstaal en de gezichtsuitdrukkingen.

„„ Anderen imiteren Hoe leren we dat allemaal als we klein zijn? Daarover hebben wetenschappers een fantastische ontdekking gedaan: we hebben spiegelneuronen, hersencellen die gespecialiseerd zijn in het imiteren van anderen. Je kent vast wel het verschijnsel dat je moet gapen als je andere mensen ziet gapen. Dit komt doordat de spiegelneuronen actief worden en je stimuleren om te gaan gapen. Het werkt al bij een pasgeboren baby: als je je tong uitsteekt naar een baby van één uur oud, dan steekt deze baby ook zijn tong uit. Het werkt ook als je naar tennis zit te kijken, dan zijn de spiegelcellen in je hoofd net zo hard aan het werk als wanneer je zelf staat te tennissen. Het bestaan van spiegelneuronen en oxycotine wijst erop dat we sociale dieren zijn en een sociaal brein hebben.

les 3  Het sociale brein    61


„„ Je thuisvoelen op school

1

Voor een fijne tijd op school is het belangrijk dat de andere mensen je waarderen en dat je gezien wordt. Je voelt je gelukkig op school als het er veilig is en als je niet gepest wordt. En je krijgt ook een goed gevoel als je een hoog cijfer haalt of als je je werk goed gedaan hebt.

De levensboot Je gaat een tekening maken van een boot waarin je jouw leven, zoals dat er nu uitziet, verbeeldt. Bekijk eerst de aandachtspunten en teken daarna jouw boot in het vak hieronder.

We gaan eens proberen om echt belangstelling voor elkaar te tonen. Want als je andere mensen beter kent, ga je ze aardiger vinden. En zij jou!

Aandachtspunten bij tekenen levensboot

 Denk eerst even na wat voor soort boot je gaat tekenen: een motorboot, een zeilboot of een roeiboot. Misschien wel een cruiseschip. Als je een heel druk en snel leven hebt, wordt het natuurlijk een speedboot.  Denk er ook even over na wat voor weer het is. Heb jij een zonnig bestaan of dreigen er onweersbuien?  Waar sta je op de boot?  Heb jij het roer stevig in handen? Of is het een stuurloos bootje?  Welke mensen varen met je mee? Mensen die belangrijk voor je zijn of waar je veel om geeft, zoals je familie of vrienden of vriendinnen?

Mijn levensboot

62  module  Mijn hersenen


2

3

Het interview Je gaat een interview doen houden over de levensboot van een klasgenoot. Doe dit volgens het volgende stappenplan.

Verslagdoen Als de interviews klaar zijn, maak je samen met een ander tweetal een groepje van vier leerlingen.  Iedere leerling laat de tekening van de levensboort van zijn maatje zien en doet verslag van wat hij of zij gehoord heeft tijdens het interview.  Na afloop vraagt de leerling nog even aan de persoon waarover hij heeft verteld of deze nog iets wil aanvullen.

Stappenplan interviewen Voorbereiding 1 Maak een tweetal met iemand uit de klas die je bijna nooit spreekt en van wie je weinig weet. Dat is moeilijk, want eigenlijk ga je liever met iemand praten die je goed kent, want dat is vertrouwder. Vraag hulp aan je mentor als het niet lukt. 2 Je klasgenoot laat jou zijn of haar tekening van de levensboot zien en legt uit wat hij of zij allemaal getekend heeft. Uitvoering 3 Nu komt de kunst van het interviewen: probeer echt belangstelling voor de ander te tonen en goede vragen te stellen over zijn of haar leven. Voorbeelden van vragen:   vragen over de mensen op de boot;  vragen over de soort boot en waarom hij of zij voor deze soort gekozen heeft;  vragen over het weer en het water. Wat heeft dit allemaal te maken met het leven van de tekenaar? 4 Onthoud goed wat de ander vertelt, want straks ga jij dit verhaal doorvertellen. 5 Als je klaar ben wissel je de rollen om en ga jij vertellen over jouw tekening.

Regel: Wees positief! Voor dit verslag geldt een heel belangrijke regel: je praat alleen op een positieve manier over wat de ander je verteld heeft! Misschien hoor je best persoonlijke dingen, maar deze zijn niet bedoeld om over te gaan roddelen. Het is een geschenk als iemand jou iets persoonlijks vertelt, want het betekent dat iemand jou vertrouwt. Dat geeft een goed gevoel.

les 3  Het sociale brein    63


Les

4

Hersentoestanden De toestand van jouw hersenen past zich aan aan de activiteit die je aan het doen bent. In deze les bespreken we vier soorten ‘hersentoestanden’, voor vier verschillende soorten activiteiten.

„„ Vier toestanden van de hersenen Bij de verschillende activiteiten die je onderneemt, horen verschillende ‘hersentoestanden’. We bespreken de volgende hersentoestanden:  de ‘niet-storen-toestand’;  de ‘hè, wat …?-toestand’;  de ‘actie-toestand’;  de ‘het is me gelukt-toestand’. De ‘niet-storen-toestand’ Om aandachtig een tekst te kunnen lezen moeten je hersenen geconcentreerd zijn en niet steeds worden afgeleid. Deze hersentoestand noemen we de ‘niet storen-toestand’. In deze toestand sluiten je hersenen zich af voor de omgeving en laten ze minder prikkels toe. Je zit zo aandachtig te lezen dat je het niet hoort wanneer er iemand iets tegen je zegt. In de ‘niet-storen-toestand’ wordt in de hersenen een stofje gemaakt dat ervoor zorgt dat je je kunt concentreren. Dat stofje geeft je ook een goed gevoel, niet superblij, maar gewoon een goed gevoel omdat je goed bezig bent. Dan ben je ‘lekker aan het werk’, zo’n gevoel.

64  module  Mijn hersenen

De ‘hè, wat …?-toestand’ Er zijn nog meer hersentoestanden die belangrijk zijn bij het leren. Leren begint vaak met de ‘hè, wat …?-toestand’. Er gebeurt iets of je leest iets en het maakt je nieuwsgierig. Je snapt nog niet wat er gebeurt, maar je wilt het wel graag weten. Je kunt de ‘hè wat…?-toestand’ afzien aan mensen: mensen zijn dan verbaasd of verward, ze kunnen hun ogen niet geloven. Kijk maar eens naar figuur 1, deze foto van Amerikaanse basketballspelers is genomen toen ze werden verslagen door een team van amateurs uit Cuba. Ze zijn stomverbaasd, maar het gebeurt echt. Figuur 1: Hè ... wat?


Figuur 2: Het is me gelukt!

De ‘actie-toestand’ De derde hersentoestand is de ‘actie-toestand’. Je zit vaak veel te lang achter elkaar op een stoel achter je boeken of de computer. Het is goed om na twintig minuten leren even een pauze te houden en om in beweging te komen. Ondertussen gaat de opslag van wat je aan het leren bent in het langetermijngeheugen gewoon door. Door regelmatig te bewegen maakt je lichaam weer nieuwe energie vrij om door te gaan met leren. Er bestaan zelfs oefeningen om je zelf weer energie te geven. Dat worden ‘energizers’ genoemd. De ‘het is me gelukt-toestand’ De laatste hersentoestand is de ‘het is me gelukt-toestand’. Dit is het goede gevoel dat je krijgt als je een belangrijke prestatie hebt geleverd, zoals wielrenster Marianne Vos die in China een gouden medaille won (figuur 2). Dat gevoel krijg je ook bij een goed cijfer voor een toets en zelfs als je klaar bent met je huiswerk en je slaat tevreden je boek dicht. In deze toestand maken je hersenen een beloningstofje, waardoor je je goed voelt ... gratis en voor niets!

Succes beloont zichzelf.

1 Hè, wat …? Per tafel krijgt elk groepje een vel met foto’s. Bekijk de foto’s allemaal aandachtig en zeg niets tegen elkaar. 1a Bedenk eerst zelf wat er op de foto’s staat en noteer jouw ideeën. 1 2 3 4 5 1b Overleg nu met je groepje wat er op de foto’s staat en noteer jullie gezamenlijke ideeën. 1 2 3 4 5 1c Je leraar bespreekt de oplossingen in de klas.

les 4  Hersentoestanden    65


2

4

Sssst … niet storen Van je leraar krijg je het filmpje ‘The monkey business illusion’ te zien. De opdracht hierbij is:

Yes … hebbes! De leraar gaat controleren of opdracht 3 is gelukt. Is het gelukt? Dan hebben jullie wat te vieren! Maar … je krijgt geen beloning, want je hersenen maken zelf al beloningsstofjes aan. Het voelt goed om met elkaar een oefening te doen en zeker als de opdracht ook nog geslaagd is!

‘Tel hoe vaak de spelers met een wit T-shirt de basketball overspelen.’

Let op: Je mag tijdens de opdracht absoluut niets zeggen! Je moet je helemaal concentreren op de opdracht. Als je heel erg ingespannen een opdracht uitvoert of een boek zit te lezen, dan sluiten je zintuigen zich voor afleiding. Let maar op …

En, hoe ging de opdracht ‘The monkey business illusion’ bij jou?

3 Actie Maak drie rijen in de klas:  rij 1 houdt meer van katten;  rij 2 houdt meer van honden;  rij 3 houdt meer van enge beesten. Elke rij gaat op volgorde van leeftijd staan, te beginnen bij de jongste.

Let op: Je mag niet praten tijdens deze oefening, maar wel gebarentaal gebruiken!!

66  module  Mijn hersenen


Meesterproef Origami

Aan het eind van deze module ga je een creatieve opdracht doen om nog eens heel bewust te beleven hoe een leerproces bij jou in zijn werk gaat. Ook ga je na hoe je jezelf kunt motiveren om een tamelijk moeilijke opdracht te doen, waar je toch blij van wordt als het klaar is, omdat je dan echt iets geleerd hebt, iets wat andere mensen niet kunnen!

„„ Origami

Origami Origami is uitgevonden in Japan. Het is de kunst om van papier allerlei figuren te vormen. Misschien is het ooit begonnen met het vouwen van mooie bloemen om een gedekte tafel mee versieren, maar door de eeuwen heen is het echt een kunst geworden. Sommige figuren, zoals het bootje dat we in Nederland vouwen, zijn heel eenvoudig te maken, maar andere figuren zijn heel ingewikkeld en een kunstenaar is er soms maanden mee bezig om het te maken.

Lees eerst de tekst over het vouwen van ­papier: origami. Daarna ga je zelf een kraanvogel ­vouwen!

Kraanvogels vouwen … Wat je eraan hebt:

 Je wordt de held van je kleine neefjes en nichtjes als je kraanvogeltjes voor hen vouwt. Geen enkele oom of tante kan dat, dus jij bent supercool!  Het is heel speciaal om een kraanvogel te vouwen op het cadeautje van je vriendin. Het voegt echt iets toe en laat zien dat je om haar geeft, want je doet het speciaal voor haar.  Jongens: stuur dat leuke meisje op Valentijnsdag een kraanvogel met een tekst. Veel leuker dan zo’n saaie kaart. Je wilt toch opvallen?!  Is je oma jarig? Vouw kraanvogeltjes van jullie gezin met de namen erbij en zet ze bij het bord van je oma. Je bent lief en de toelage voor je rapport vliegt omhoog … als een kraanvogel.  Het belangrijkste: je hebt iets geleerd wat je nog niet kon en dat voelt altijd goed!

Meesterproef    67


„„ Een kraanvogel vouwen Je gaat een kraanvogel vouwen. Je zult je misschien afvragen: wat heeft dat nou voor nut? Je gaat het doen om nog eens heel bewust te beleven hoe een leerproces bij jou gaat, en hoe je jezelf kunt motiveren om een tamelijk moeilijke opdracht te doen. Je zult merken dat je er toch blij van wordt als het klaar is, omdat je dan echt iets geleerd hebt, iets wat andere mensen niet kunnen: een kraanvogel vouwen! Fase 1: De uitdaging Hieronder staat een foto van de kraanvogel die je gaat maken. Als je dat kunt. Fase 2: Geconcentreerd werken Je hebt een goede handleiding nodig. Deze vind je YouTube: ‘How to make a Paper Crane’. Volg stap voor stap de uitleg die op YouTube wordt gegeven. Je gaat meerdere kraanvogels achter elkaar vouwen, totdat je er zelf een kunt vouwen ­zonder de uitleg op YouTube.

Fase 3: Actie en herhaling Neem elke keer tussen het vouwen van de kraanvogels even pauze. Loop even rond en visualiseer de handelingen die je moet doen om te vouwen. Maak ook echt de vouwbewegingen die je moet maken. Ga daarna weer zitten en vouw de volgende vogel. Fase 4: Yes … hebbes, ik kan het! Je kunt een kraanvogeltje vouwen. Geeft het geen goed gevoel dat je dit hebt geleerd? Heb je er nog niet genoeg van, ga dan naar internet, want daar staan nog veel meer voorbeelden om te vouwen. Misschien word je wel een echte origamist!


l esw ij s

st u di e beg e le i di ng Les 1 Wat is communicatie? Les 2 Goed communiceren

Module

Les 3 Spreken en luisteren Les 4 Spreken in het openbaar

Communicatie Interview met medeleerling

Meesterproef

Naam: Klas: Datum:

Met welke mensen in je omgeving kun jij goed praten? Waarom kun je juist met hen goed praten, denk je?

Noem iemand die je bewondert, bijvoorbeeld omdat hij of zij zo goed kan praten of zichzelf zo goed kan presenteren. Welke van deze eigenschappen zou jij ook wel graag willen hebben? Waarom?

Heb je weleens een presentatie gegeven aan een grote groep mensen? Zo ja, vertel er dan iets meer over. Hoe voelde dit? Hoe ging het? Zo nee, hoe denk je dat dit voelt? Hoe denk je dat jij het zou doen?


onan matenon

bonjour buenos días

iorno buenos días

atenon

dzień dobry

guten Morgen buenos días

bonjour

bonan matenon bon dia goedemorgen bon dia

buenos días buenos días bonan matenon dzień dobry おはようございます iorno buenos días bonan matenon

dzień dobry

günaydın

bonan matenon

bonjour buenos días

goedemorgen buongiorno buenos días bonan matenon bon dia günaydın bonan matenon bon dia goedemorgen

おはようございます

buenos días

bonan matenon

bonjour buenos días

おはようございます

dzień dobry

guten M

dzień dobry bon dia goedemorgen buongiorno buenos días bonan matenon bon dia bonan matenon buongiorno atenon bon dia goedemorgen dzień bon dia günaydın bonan matenon bon dia goedemorgen dobry

bonjour buenos días bonjour buenosbonjou días goo bonjour goedemorgen guten Morgen buenos días edemorgen goedemorgen bon dia good morning bon dia bon dia bonjo nos días buenos días buenos días buenos días bonjour buongiorno buongiorno bon di bon dia good morningbuongiorno günaydın bon dia bonjour guten Morgen njour guten Morgen edemorgen bonjour good morning goedemorgen good morning good morning bon dia bon dia bonjour buenos días guten Morgen buenos días bonjour buenos días günaydın iorno buenos días goedemorgen buongiorno buenos días buo bon dia goedemorgen bon dia bonjour bon dia günaydın bon dia goedemorgen good mo buenos días buenos días bonjour おはようございます

おはようございます

buenos días

dzień dobry

o jutro

buenos días

bonan matenon

dobro jutro

おはようございます

おはようございます

bonan matenon

dobro jutro dzień dobry

dzień dobry

tenon

dzień dobry

おはようございます

bonan matenon

Les

1

dzień dobry

bonan matenon

おはようございます

bonan matenon

atenon

dzień dobry

bonan matenon

dzień dobry

onan matenon

bonan matenon

bonan matenon

dzień dobry

bonan matenon

dobro jutro

おはようございます

dzień dobry

bonan matenon

おはようございます

bonan matenon

bonan matenon

Wat is communicatie? In woordenboeken staat bij het woord ‘communicatie’: ‘een activiteit waarbij levende wezens betekenissen uitwisselen door op elkaars signalen te reageren’. Het Latijnse woord ‘communicare’ betekent dan ook ‘iets gemeenschappelijk maken’. In deze les leer je meer over communiceren.

„„ Communiceren

„„ Soorten communicatie

Om te communiceren zijn er drie dingen noodzakelijk (figuur 1): 1 een zender: de persoon die een boodschap aan de ander overdraagt; 2 een boodschap: datgene wat wordt gecommuniceerd; 3 een ontvanger: de persoon die de boodschap ontvangt.

Communiceren doe je verbaal of non-verbaal. Bij verbale communicatie communiceer je met woorden. Dit doe je wanneer je een gesprek voert of woorden op papier (of scherm) zet, denk aan tekstuele uitingen, gedichten, liedjes en korte berichtjes.

Stel, je nodigt een klasgenoot uit voor een feestje. Dan ben jij de zender, je klasgenoot is de ontvanger en de uitnodiging is de boodschap. Door middel van communicatie probeer je gedachten en gevoelens over te brengen aan de ander.

Wanneer je een boodschap communiceert zonder woorden het gebruiken, is er sprake van non-verbale communicatie. Non-verbale communicatie vindt bijvoorbeeld plaats door middel van lichaamstaal, het maken van handgebaren of mimiek. Ook het gebruik van een beeld – een foto, tekening, emoticon, icoon of pictogram (bijvoorbeeld het teken op een stopbord) – is een uiting van non-verbale communicatie.

Figuur 1: Communicatieschema

Zender

102  module  Communicatie

Boodschap

Ontvanger


Morgen

ur

„„ De boodschap

De boodschappen die worden gecommuniod morning

our

ia

ceerd, zijn veelzijdig. Voorbeelden zijn: verhalen, ervaringen, verzoeken, vragen, uitnodigingen, opdrachten en aansporingen. Voor elke boodschap kan de zender de juiste – verbale of non-verbale – communicatievorm kiezen: een gesprek, brief, email, tweet, blog, voicemail, gebaar of lichaamstaal.

ongiorno

orning

„„ De zender Als zender moet je ervoor zorgen dat je boodschap helder overkomt bij de ontvanger. Je wilt namelijk niet dat er onbegrip ontstaat, want dan bereik je niet wat je wilde bereiken met het overbrengen van de boodschap. Dit kan gebeuren wanneer er sprake is van ‘ruis’: je spreekt bijvoorbeeld te zacht of de omgeving is te rumoerig.

„„ Vorm en inhoud Wanneer de vorm en de inhoud van een boodschap elkaar niet goed aanvullen, kan de boodschap onbedoeld anders overkomen dan je voor ogen had. Hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan: iemand willen overtuigen met een angstige blik in je ogen; een vraag stellen met een dreigende stem; een venijnige tweet plaatsen terwijl je teleurgesteld bent. Als je in deze gevallen een andere ‘vorm’ had gekozen, was de inhoud beter tot zijn recht gekomen. Wereldwijd lijken mensen veel op elkaar als ze communiceren. Maar de verschillen die er zijn tussen landen, kunnen tot misverstanden leiden.

1 Je staat er vaak niet bij stil wat je met je lichaamstaal uitstraalt. Jouw manier van een klaslokaal binnenkomen bijvoorbeeld zegt al iets over hoe je je op dat moment voelt. Niet alleen je gezicht, maar ook je houding en je manier van lopen geven veel informatie over jou. 1a Beschrijf hoe jij meestal de klas binnenkomt. Kijk je bijvoorbeeld de klas in, ben je altijd veel te druk met iemand aan het praten, of ben je altijd in de weer je mobieltje?

1b Doe jouw ‘loopje’ bij het binnengaan van de klas eens voor. Hoe zagen de anderen jou?

Hoe je iets zegt, is minstens zo belangrijk als wat je zegt.

In Arabische landen is het een belediging om je schoenzool te laten zien aan de ander. In Thailand zal een zakenman alle vragen die hem worden gesteld altijd met ‘ja’ beantwoorden, ook als hij ‘nee’ bedoelt. In veel landen in Afrika is het onbeleefd om mensen lang aan te kijken als je met ze praat. Als je in Japan een presentatie geeft, sluit het hele publiek zijn ogen; dit is een teken van concentratie.

les 1  Wat is communicatie?    103


2 Jullie gaan in drietallen emoties uitbeelden en raden.  Je leraar verdeelt de klas in drietallen en geeft elk groepje tien kaartjes.  Elk groepje bedenkt tien verschillende emoties en schrijft deze op de kaartjes.  Twee leerlingen pakken één kaartje en beelden alletwee de emotie uit die op het kaartje staat.  De derde leerling, de observant, raadt welke emotie de twee anderen uitbeelden en kijkt welke overeenkomsten en verschillen er zijn in het uitbeelden van de emotie. 2a Als observant vul je het ‘Observatieschema Emoties uitbeelden’ in. Overleg met je leraar hoeveel rondes er zijn en vul voor elke ronde een rij in.

2b Kom je grote verschillen tegen?

Observatieschema Emoties uitbeelden Noteer in de eerste kolom welke emoties je medeleerlingen uitbeelden.   Noteer in de tweede en derde kolom de verschillen en overeenkomsten tussen beide uitbeeldingen.   Emotie

Overeenkomsten

1

2

3

4

5

104  module  Communicatie

Verschillen


3 Je gaat bij verschillende emoties een boodschap verzinnen. Samen met je klasgenoot kies je de beste uit. 3a Bekijk figuur 2, je ziet een afbeelding waarop een meisje verschillende emoties uitbeeldt. Kies (ieder) drie foto’s uit. Schrijf in het schema hieronder bij elke foto een tweet die er goed bij past.

Een tweet bestaat uit niet meer dan 20 woorden (140 tekens). 3b Samen met je klasgenoot lees je elkaar omstebeurt jullie tweets voor. De een leest voor, de ander bekijkt welke foto erbij past en omcirkelt deze in het eigen boek. 3c Bekijk met elkaar welke tweets ieder goed had geraden. Hoeveel had jij er goed? 3d Geef jullie beste tweet door aan je leraar. Je leraar leest de beste tweets voor in de klas (of laat dit doen door een leerling).

Figuur 2: Het uitbeelden van verschillende emoties

1  9  2  10  3  11  4  12  5 

Fotonummer

13 

Tweet

6 

7 

14 

15  8  16 

les 1  Wat is communicatie?    105


Les

2

Goed communiceren Goed communiceren is een vak part. Waarom krijgen sommige mensen alles gedaan en wordt er naar anderen niet geluisterd? In deze les leer je meer over hoe je op een goede wijze communiceert.

„„ Aandacht hebben van de ontvanger

„„ Ik-boodschap en jij-boodschap

‘Hoor je me niet of zo? Ik sta toch niet tegen een muur te praten? Jij begrijpt ook niks!’ Misschien krijg jij als ontvanger van een boodschap weleens zoiets te horen. Dit kan te maken hebben met je houding. Je zit bijvoorbeeld te tekenen. En de ‘zender’ kan niet weten dat jij nu net iemand bent die meer oppikt van wat er wordt gezegd als je mag krabbelen!

Bij een ik-boodschap gaat de zender van de boodschap van zichzelf uit en laat hij merken waar hij mee zit, wat er bij hem speelt: ‘Ik vind het jammer dat ik voor niks heb gewacht.’

Het allerbelangrijkste voor het zenden van een boodschap is dat je meteen bij de start van een gesprek de aandacht van de ontvanger hebt, en dat je dit ook herkent!

„„ Lichaamstaal van de zender Als zender bepaal je met jouw lichaamstaal voor ruim 50 procent wat iemand met jouw verhaal doet. Je stemgebruik telt voor bijna 40 procent mee. Er blijft dus niet zo heel veel over voor de woordelijke boodschap, het echte verbale deel. Daarom is het noodzakelijk dat je bij het zenden van een boodschap én een goed verhaal hebt én op je lichaamstaal en stemgebruik let.

Als je wilt dat mensen naar je luisteren als er iets fout gaat, gebruik je een ik-boodschap. 106  module  Communicatie

Bij een jij-boodschap wijst de zender naar de ontvanger en beschrijft wat diegene heeft gedaan: ‘Jij hebt mijn hele middag verpest, want je kwam niet.’ Mensen luisteren verschillend naar een ik-boodschap en een jij-boodschap. Een ik-boodschap geeft aan dat de zender het liever anders had gehad. Dit biedt de ontvanger de mogelijkheid uit te leggen hoe het kwam of te zeggen dat het hem spijt. De zender nodigt de ontvanger uit om begrip op te brengen voor zijn kant van de zaak. Met een jij-boodschap wijst de zender naar de ontvanger, die zich vervolgens gaat verdedigen of de boodschap gaat ontkennen. Er kan gemakkelijker een conflictsituatie ontstaan. Ik-boodschappen werken beter dan jij-boodschappen, met name wanneer je iemand aanspreekt op zijn gedrag.


„„ Luister eerst naar de hele boodschap Soms ontvang je weleens een vreemde boodschap, een boodschap die je niet meteen begrijpt. Dan bestaat de kans dat je wilt reageren op de boodschap, voordat deze in zijn geheel is overgedragen. Doe dit niet: luister naar de gehele boodschap voordat je reageert!

1 Deze opdracht doe je met zijn tweeën. Je gaat oefenen in goed communiceren. 1a In figuur 1 zie je zeven kolommen. Kies uit elke kolom één woord en zet ze achter elkaar in een zin. Maak in het totaal twee zinnen. Zin 1:

Regels voor goed communiceren 1 2 3

4 5

 edenk altijd eerst wat je wilt bereiken met het B bericht. Bedenk hoe een ander het bericht zal opnemen. Probeer een ik-boodschap te formuleren. Bepaal welke communicatievorm het meest geschikt is voor het bericht: een gesprek, een telefoontje, een mail of een tweet. Luister en kijk goed naar de ontvanger, zorg ervoor dat je zijn aandacht hebt en houdt. Vat samen wat je hebt afgesproken.

Zin 2:

1b Lees omstebeurt aan elkaar je zinnen voor. Je zinnen kunnen best een beetje raar klinken, maar dat geeft niets. Je klasgenoot luistert heel goed naar je en herhaalt jouw zin. Heeft je klasgenoot alles onthouden? Ja / Nee 1c Zo ja, hoe heeft je klasgenoot dit gedaan? Zo nee, kan je klasgenoot hier een reden voor geven?

Figuur 1: Schema om zinnen mee te maken

1d Probeer ook eens een zin te maken door twee rijen te combineren (je maakt dan dus een blij reus rijdt blij reus wel rijdt uit groene woestijn wel uit woestijn groene groene woestijn rijdt woestijn groene reus rijdt reus reus rijdt groene woestijn blijblijblij blijblij reus reus rijdt rijdt groene woestijn woestijn welwel welwel uituituit uituit groene wel zin met meer dan zeven woorden). 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom Kolom 1Kolom 2Kolom Kolom 3Kolom Kolom 5Kolom Kolom 6Kolom 4 Kolom 7Kolom 4 5Kolom 6Kolom 6Kolom 5 4 Kolom 3Kolom 7 7 7 6Kolom 2 5Kolom 3Kolom 4 2Kolom Kolom 1Kolom 1Kolom Kolom 1Kolom Kolom 2Kolom Kolom 3Kolom Kolom 5Kolom 6Kolom 7Kolom Kolom 4 Kolom Kolom 1 1Kolom 2 2Kolom Kolom 3 3Kolom Kolom Kolom 5 5Kolom 6 6Kolom Kolom 7 7Kolom 4 4

groot meisje loopt groot meisje niet loopt naast saaie saaie kameel niet naast saaie kameel saaie naast kameel niet loopt kameel naast meisje loopt niet meisje groot groot groot meisje loopt naast kameel niet groot groot meisje meisje loopt loopt naast naast saaie saaie saaie kameel kameel niet niet vervelendeprinses prinses slaapt slaapt vervelende soms onder onderonder geweldige Sinterklaas soms onder geweldige Sinterklaas geweldige geweldige Sinterklaas soms slaapt Sinterklaas geweldige prinses soms prinses vervelende vervelende vervelende prinses slaaptslaapt Sinterklaas soms vervelende vervelende prinses prinses slaapt slaapt onder onder onder geweldige geweldige Sinterklaas Sinterklaas soms soms boze juf moppert boze juf moppert moppert moppert boze boze boze moppert boze boze jufjufjuf jufjuf moppert moppert

aan verrassende lokaal aan lokaal verrassende verrassende lokaal lokaal verrassende verrassende lokaal aan aanaan aanaan verrassende verrassende lokaal lokaal

rood dokter droomt rood dokter droomt droomt dokter droomt dokter rood rood rood dokter droomt rood rood dokter dokter droomt droomt

op dikke trein trein dikke dikke trein trein dikke dikke trein opopop op opop dikke dikke trein trein

kale conducteur fietst kale conducteur fietst fietst conducteur fietst conducteur kale kale kale conducteur fietst kale kale conducteur conducteur fietst fietst

tussen vrolijke hert tussen vrolijke hert vrolijke vrolijke tussen hert hert tussen tussen hert tussen tussen vrolijke vrolijke vrolijke hert hert

verward soldaat soldaat kletst verward kletst kletst soldaat kletst soldaat verward verward verward soldaat kletst verward verward soldaat soldaat kletst kletst

in in in

drukke coureur slentert slentert drukke coureur slentert coureur slentert coureur drukke drukke drukke coureur slentert drukke drukke coureur coureur slentert slentert

voor harde rugzak voor rugzak harde harde voor rugzak rugzak harde voor voor harde rugzak voor voor harde harde rugzak rugzak

groene reiziger roept roept groene reiziger roept reiziger reiziger groene groene groene reiziger roeptroept groene groene reiziger reiziger roept roept

bij ouderwetse iPhone iPhone ouderwetse ouderwetse iPhone iPhone ouderwetse ouderwetse iPhone bijbijbij bij bijbij ouderwetse ouderwetse iPhone iPhone

sloom chauffeur duwt duwt sloom chauffeur duwt chauffeur chauffeur sloom sloom sloom chauffeur duwtduwt sloom sloom chauffeur chauffeur duwt duwt

tegen levendige potlood tegen levendige potlood levendige levendige tegen potlood potlood levendige tegen tegen potlood tegen tegen levendige levendige potlood potlood

rijke tandarts trekt trekt rijke tandarts trekt tandarts tandarts rijke rijke rijke tandarts trekt trekt rijke rijke tandarts tandarts trekt trekt

van versleten rooster van rooster versleten versleten rooster rooster versleten versleten rooster van vanvan vanvan versleten versleten rooster rooster

bazig kabouter verplaatst verplaatst bazig kabouter verplaatst kabouter verplaatst kabouter bazig bazig bazig kabouter verplaatst bazig bazig kabouter kabouter verplaatst verplaatst

naar originele deurbel naar deurbel originele originele naar deurbel deurbel originele naar naar originele deurbel naar naar originele originele deurbel deurbel

in in in in blauwe lawaai lawaai blauwe blauwe lawaai lawaai blauwe blauwe lawaai blauwe blauwe lawaai lawaai

1e Lees ook deze zin aan de ander voor. Kan je klasgenoot nu alles onthouden? Ja / Nee

les 2  Goed communiceren    107


2 Je gaat in de klas het rollenspel Verkoop doen. Gebruik hiervoor het volgende stappenplan.

Stappenplan bij rollenspel Verkoop Voorbereiding Je leraar verdeelt de klas in twee   groepen: verkopers en ontevreden klanten. Je leraar leest een verhaaltje voor   waaruit blijkt dat de klant terecht ontevreden is over zijn aankoop. Hij klaagt erover bij de verkoper. De verkoper wil tot een goede oplossing komen.   Iedere leerling krijgt vijf minuten om zich op zijn rol voor te bereiden. Uitvoering Je leraar roept enkele verkopers en klanten naar voren die de situatie naspelen én tot een goede oplossing proberen te komen. Dit wordt een aantal keer herhaald. Observatie Als je geen verkoper of klant bent, observeer je je klasgenoten: je let goed op en noteert hoe jouw klasgenoten het stukje uitvoeren. Hiervoor gebruik je het ‘Observatieschema bij rollenspel Verkoop’. Evaluatie Met je leraar bespreek je het rollenspel kort na. De verkopers en klanten krijgen vast bruikbare tips.

2a Als je geen verkoper of klant bent, ben je ‘observant’: je observeert (bekijkt) je klasgenoten goed en let op hoe zij het stukje uitvoeren. Je vult het schema hiernaast in. 2b Welke tips werden tijdens de evaluatie aan jou gegeven?

108  module  Communicatie

Observatieschema bij rollenspel Verkoop Boven in het schema zet je de namen van je klasgenoten die verkoper en die klant spelen. Je let bij het invullen van de rijen erna op de volgende punten: 1 Lichaamstaal: Past de lichaamstaal van je klasgenoot bij de situatie? 2 Doorvragen: Vraagt je klasgenoot door of is hij heel snel tevreden met een antwoord? 3 Ik-boodschap: Hoor je bij je klasgenoot een ikboodschap? 4 Samenvatten: Vat je klasgenoot de situatie op een gegeven moment samen? 5 Doel bereikt: Wie heeft uiteindelijk zijn doel bereikt? Is het ‘de klant’ gelukt om te ruilen of bleef ‘de verkoper’ bij zijn besluit? Je geeft op elk van deze punten een score van 1 tot 5, waarbij 1 de laagste score is en 5 de hoogste. Je kunt met deze schema’s in het totaal drie rollenspelen observeren. Rol 1

Lichaamstaal

2

Doorvragen

3

Ik-boodschap

4

Samenvatten

5

Doel bereikt?

Rol 1

Lichaamstaal

2

Doorvragen

3

Ik-boodschap

4

Samenvatten

5

Doel bereikt?

Rol 1

Lichaamstaal

2

Doorvragen

3

Ik-boodschap

4

Samenvatten

5

Doel bereikt?

Verkoper

Klant

Verkoper

Klant

Verkoper

Klant


Les

3

Spreken en luisteren Als je iets vertelt, wil je graag dat de ander naar je luistert en begrijpt wat je zegt. Om goed te spreken kun je op een aantal dingen letten. Ook als je goed wilt luisteren naar wat er wordt gezegd, kun je je aan een aantal regels houden. In deze les komen de spreek- en luisterregels aan bod. Ook gaan we in op improvisatie en telefonische communicatie.

„„ Goed spreken Om ervoor te zorgen dat de boodschap die je wilt overbrengen ook daadwerkelijk aankomt, is het belangrijk dat je je aan een aantal ‘regels’ houdt. We bespreken de drie belangrijkste spreekregels.

Spreekregels 1 2 3

Spreek rustig. Spreek duidelijk. Maak contact door de luisteraar aan te kijken.

1 Spreek rustig Zorg ervoor dat je niet te snel spreekt. Je spreektempo hangt samen met je ademhaling; als je te snel spreekt moet je soms naar adem happen! Bouw tijdens het spreken pauzes in waarin je even diep ademhaalt. Zorg dat je schouders ontspannen zijn terwijl je spreekt.

2 Spreek duidelijk Je bent duidelijker te verstaan als je goed articuleert. Dit houdt in dat je de klanken van woorden zorgvuldig uitspreekt en duidelijk laat horen. Let hierop tijdens het spreken. Stem je stemvolume (hoe hard of zacht je praat) af op de luisteraars. Als je voor een groep spreekt, moet je luider spreken dan dat je in een gesprek zou doen. Houd ook rekening met de spreekrichting. Als je de luisteraar aankijkt, kan hij jou beter verstaan. Niet alleen omdat de geluidsstroom zijn kant op komt maar ook omdat hij jou ziet spreken, hoort hij jou beter. 3 Maak contact Het is belangrijk dat je als spreker de luisteraar aankijkt. Zo zie je aan zijn gezicht of hij jouw verhaal begrijpt. Kijkt hij vragend? Dan kun je je verhaal op een andere manier vertellen. Bij het spreken voor een grote groep kijk je iedereen in het publiek rustig aan. Als je dit eng vindt, kijk dan niet in de ogen van de mensen maar er net boven, naar de voorhoofden.

les 3  Spreken en luisteren    109


„„ Goed luisteren Je weet niet altijd of iemand goed naar je luistert of niet. Toch ken je vast wel mensen om je heen van wie je weet dat ze goed kunnen luisteren of dat juist niet zo goed kunnen. ‘Hoi, Ricardo! Kom je morgen nog kijken naar mijn wedstrijd?’ ‘Nee, welke wedstrijd?’ ‘Dat had ik vanochtend toch verteld? De wedstrijd tegen de koploper!’ ‘Nee, ik kan niet. Mijn fiets is kapot.’ ‘Dan brengt je moeder je toch?’ ‘Mijn moeder ligt in het ziekenhuis. Dat zei ik gisteren nog tegen je.’ Goed luisteren betekent niet dat je voortdurend je mond moet dichthouden terwijl de ander tegen je praat. Natuurlijk is het wel belangrijk dat je niet dwars door de spreker heen praat. We bespreken de drie belangrijkste luisterregels.

Luisterregels 1 2 3

 raat niet door de ander heen. P Laat zien dat je luistert door de ander aan te kijken. Neem een geïnteresseerde houding aan.

1 Praat niet door de ander heen Een basisvoorwaarde voor een goed gesprek is dat je als luisteraar de spreker laat uitspreken. Hiermee laat je ziet dat je respect hebt voor de spreker en zijn boodschap. Je jaagt de spreker niet op en laat hem rustig zijn zegje doen. Pas daarna reageer jij. 2 Laat zien dat je luistert door de ander aan te kijken Tijdens het gesprek houd je contact met de spreker door hem aan te kijken. Je laat zien dat je naar hem luistert door oogcontact te maken, regelmatig te knikken of even een bevestigende uitlating als ‘ahum’ of ‘ja’ te doen. 3 Neem een geïnteresseerde houding aan Vaak luisteren mensen met een vooropgesteld beeld of doel: ze gaan ervan uit dat ze al weten wat de spreker gaat vertellen en hebben hun oordeel al klaar. En jij? Begin jij met een open mind? Probeer je oordelen en verwachtingen los te laten en stel je open voor de boodschap van de spreker. Wees nieuwsgierig. Stel vragen. Vraag door als je iets niet begrijpt. Wissel ideeën uit en word er wijzer van.

Vraag door als je iets niet begrijpt.

Figuur 1: De meestgemaakte fouten door sprekers

Figuur 2: De meestgemaakte fouten door luisteraars

Spreekfouten Top-10

Luisterfouten Top-10

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

te snel praten onverstaanbaar praten de luisteraar niet aankijken saai en eentonig praten doorpraten zonder op de luisteraar(s) te letten een ongeïnteresseerde houding aannemen niet goed formuleren; een onduidelijke woordkeuze vaak haperen, woorden herhalen of ‘eh’ zeggen het taalgebruik niet aanpassen aan het publiek te lange zinnen maken, waardoor men het niet meer begrijpt

110  module  Communicatie

door de spreker heen praten de spreker niet aankijken een ongeïnteresseerde houding aannemen de spreker niet laten uitpraten oordopje(s) in het oor hebben tijdens het gesprek andere dingen doen zinnen van de spreker afmaken reageren op onbelangrijke zaken geen vraag stellen zich laten afleiden door anderen


1 Jullie gaan in groepjes van drie à vier leerlingen elkaar vragen stellen om achter de boodschap te komen die waar is. 1a Schrijf drie dingen op over jezelf die de anderen nog niet weten. Twee boodschappen zijn verzonnen en één boodschap is echt waar. 1

„„ Improviseren Misschien weet jij al wel wat improviseren is of heb je het zelfs al best vaak gedaan. Improviseren betekent: ‘het onvoorbereid spreken, of zingen, of toneelspelen’. Wanneer je dus zomaar voor de vuist weg reageert op een bepaalde situatie, zonder dat je daar van tevoren aanwijzingen over hebt gehad, ben je aan het improviseren. Cabaretiers kunnen vaak heel goed improviseren. Ze vragen iemand uit de zaal zomaar iets te roepen en gaan daar dan – zonder verdere voorbereiding – meteen op in … en vaak zijn ze dan nog grappig ook!

2

3

1b Welke zinnen over je klasgenoten zijn waar? Stel elkaar de juiste vragen en ontdek welke boodschap waar is. Noteer de naam van de klasgenoot en de boodschap die waar is hieronder. Waarheid over klasgenoot    :

Waarheid over klasgenoot    :

Als je goed kunt improviseren, hoef je je niet meer zo druk te maken over situaties waarbij je iets moet vertellen zonder dat je je hebt kunnen voorbereiden. Door te oefenen met improviseren leer je ook creatiever te zijn.

2 Je gaat oefenen met improviseren: kun jij een voorwerp aan een ander verkopen?  Je leraar heeft een voorwerp gepakt en laat dat in de klas zien. Jij gaat dit voorwerp aan een ander verkopen.   Iedereen krijgt twee minuten om zich voor te bereiden.  Maak groepjes en houd in je groepje omstebeurt je verkooppraatje.   Wie is de beste verkoper bij jullie? Deze leerling gaat het voorwerp nogmaals verkopen, nu voor de hele klas. Wie is de beste verkoper?

Waarheid over klasgenoot    :

1c Welke klasgenoot slaagde er het best in zijn leugens als waarheid te verkopen … wie kan het best liegen?

les 3  Spreken en luisteren    111


„„ Communiceren via de telefoon Goed communiceren via de telefoon is een vak apart. Vaak hebben telefonische verkopers een intensieve training gehad, voordat zij met klanten mogen bellen. Een aantal regels die zij leren, zijn goed bruikbaar voor iedereen die een telefonisch gesprek voert.

Regels telefonisch communiceren 1 2 3 4 5

 acht met het geven van de essentiële W informatie. Vraag of het uitkomt. Laat de ander ‘een komma maken’. Gebruik mimiek tijdens het praten. Herhaal de afspraken en sluit duidelijk af.

1 Wacht met het geven van de essentiële informatie Zeg eerst ‘Goedemorgen, je / u spreekt met ...’ Geef daarna aan dat je iets gaat vragen of vertellen, zodat de ander weet wat er gaat komen. Geef de ander dus de tijd om goed te gaan zitten en zich open te stellen voor het gesprek, zodat je de volle aandacht hebt. 2 Vraag of het uitkomt Probeer te peilen hoe de ander zich voelt. Als je iemand belt weet je vaak niet waar diegene is, wat hij doet of wat hij denkt. Probeer te achterhalen hoe de ander zich voelt. Begin het gesprek alleen als je weet dat de ander er open voor staat. Je vraagt toch ook niet om een voorschot op je zakgeld wanneer je vader net zijn telefoon in de wc heeft laten vallen! 3 Laat de ander ‘een komma maken’ Als je gesprekspartner tegenover je zit tijdens een gesprek en je hem dus kunt zien, begrijp je beter of hij is uitgepraat of een vervolgzin voorbereidt. Bij een gesprek over de telefoon weet je dit niet altijd. Wacht daarom altijd een tel voordat je zelf gaat praten, zodat je zeker weet dat de ander is uitgepraat. 4 Gebruik mimiek tijdens het praten Als je een vrolijk gezicht hebt aan de telefoon, wordt je stem anders. De ander merkt dit. Probeer het maar eens uit: je krijgt echt meer gedaan als je daadwerkelijk glimlacht tijdens het praten, ook aan de telefoon. 5 Herhaal de afspraken en sluit duidelijk af Om er zeker van te zijn dat iemand jouw boodschap goed heeft begrepen, is het verstandig deze kort samen te vatten. Als je bijvoorbeeld een afspraak hebt gemaakt om na school iets te gaan doen, vat je aan het eind van het telefoongesprek de belangrijkste dingen nog even samen: ‘Oké, ik zie je vanmiddag om drie uur met je fiets bij het hek.’

112  module  Communicatie


3 Je gaat met de hele klas een aantal filmpjes over telefonisch communiceren bekijken die je leraar opzet. In deze filmpjes wordt niet altijd goed gecommuniceerd. Wat valt jou op? Bekijk de regels van goed telefonisch communiceren nog eens goed. Vul daarna het observatieschema in. Samen met je leraar bespreek je de filmpjes na.

Observatieschema telefonisch communiceren

 Geef in de tweede kolom het nummer van de regel aan die wordt overtreden. Gebruik hiervoor de 'Regels telefonisch communiceren' die hiervoor zijn behandeld. Geef in de derde kolom aan waaraan je dit kunt zien.   Film (nr.)

Overtreden regel (nr.)

Dit kan ik zien doordat:

les 3  Spreken en luisteren    113


Les

4

Spreken in het openbaar In een veilige omgeving kun je waarschijnlijk heel goed je verhaal vertellen. Maar het is anders als je in een minder vertrouwde omgeving je boodschap wilt overbrengen. Spreken voor publiek is een vak apart! In deze les gaan we dieper in op het spreken in het openbaar.

„„ Spreken voor publiek Misschien heb je weleens meegemaakt dat je tijdens je presentatie zo gehaast was, dat je de grote lijnen uit het oog verloor. Niemand snapte waar je het eigenlijk over wilde hebben. Of je was aan de beurt om een spreekbeurt te houden, maar je blokkeerde toen je alleen voor de klas stond. Spreken voor publiek doe je niet zomaar even! Om een goede toespraak te houden, is een aantal dingen belangrijk.

Het houden van een toespraak 1 2

3 4

 ereid je goed voor op de B toespraak. Zorg ervoor dat je de aandacht van het publiek trekt en vasthoudt tijdens je toespraak. Lees je toespraak niet voor, maar vertel wat je over wilt brengen. Gebruik beeldmateriaal bij je verhaal.

114  module  Communicatie

1 Bereid je goed voor Een toespraak geef je niet zomaar; deze bereid je goed voor. Je doet dit als volgt:  Vraag jezelf af waarom je de toespraak houdt, voor wie hij is bedoeld en wat je wilt vertellen.  Schrijf je toespraak uit. Je kunt echt alles opschrijven, maar ook alleen een paar trefwoorden. Zorg ervoor dat je de tekst goed kunt lezen: gebruik een duidelijk, groot lettertype.  Oefen je toespraak. Lees hem hardop voor, dan hoor je hoe de tekst overkomt. Doe dit eerst voor jezelf en dan voor familie en/of vrienden. Zij kunnen zeggen wat ze van de toespraak vinden.  Pas je toespraak aan indien dit nodig is.


2 Trek de aandacht en houd deze vast Als je je toespraak houdt, is het belangrijk dat je de volle aandacht van je publiek hebt … en houdt. Een goede opbouw van je toespraak is daarom erg belangrijk. Je toespraak moet een inleiding, een middenstuk en een afsluiting hebben. In de inleiding trek je de aandacht van het publiek. Pas in het middenstuk geef je de belangrijkste informatie. In de afsluiting herhaal je de belangrijkste punten. De inleiding In je inleiding trek je de aandacht van het publiek door de eerste zinnen van je toespraak heel ‘pakkend’ te maken. Begin bijvoorbeeld met het schetsen van een grappige situatie of vertel iets over wat je hebt meegemaakt. Ook kun je beginnen met een grappige uitspraak of een leuk plaatje, dit roept meteen emoties op bij het publiek. Let op: al deze dingen moeten natuurlijk wel passen bij de gelegenheid. Zorg er daarom voor dat je van tevoren weet of je inleiding (je grapje, beeld, filmpje of uitspraak) wel echt leuk is. Een grap mag nooit kwetsend zijn. Het middenstuk Na de ‘pakkende’ inleiding geef je de belangrijkste informatie. Dit noem je het middenstuk. Bij een spreekbeurt over herten vertel je hier bijvoorbeeld iets over de kenmerken van een hert. De afsluiting Na het middenstuk sluit je je toespraak af: eerst vat je alles wat je hebt gezegd kort samen. Daarna sluit je af met een ‘pakkende’ opmerking, met je mening of met een vraag. Deze kunnen teruggrijpen op dat wat je in je inleiding hebt gezegd. Dit is het slot.

3 Vertellen en niet voorlezen Voor het publiek is het erg saai als er een spreker staat die niet vertelt, maar staat voor te lezen. Het publiek zal daardoor afhaken. Lees je toespraak dus niet voor maar vertel wat je te zeggen hebt. Kijk de zaal in en maak contact met je publiek. Denk daarbij aan de volgende punten.

Aandachtspunten bij het spreken voor publiek Natuurlijk mag je weleens op je blaadje spieken,   maar kijk het publiek wel regelmatig aan. Zo betrek je hen bij je verhaal. Probeer tijdens je toespraak zo rustig mogelijk te   spreken. Dit doe je door duidelijk te spreken en spreekpauzes in te lassen. Als je een foutje maakt, begin je opnieuw met het   woord of de zin. Vertel je verhaal met enthousiasme!  

4 Beeldmateriaal gebruiken Om het voor jezelf bij een presentatie iets gemakkelijker te maken, kun je je verhaal ondersteunen met beeldmateriaal. Dit zorgt voor extra afwisseling en bovendien sta jij dan niet zelf de hele tijd in het middelpunt van de belangstelling. Zorg er wel voor dat wat je laat zien, aansluit bij je verhaal en – in het geval van een filmpje – niet te lang duurt. Het publiek moet naar jou kijken en af en toe naar de beelden, niet andersom. Als je je publiek alleen maar naar beelden en filmfragmenten laat kijken, zal het gaan wegdromen. Vrijwel niemand zal je verhaal nog volgen.

Goed beeldmateriaal ondersteunt je verhaal en biedt afwisseling.

les 4  Spreken in het openbaar    115


1

2

Je gaat het rollenspel ‘De Reddingsboot’ doen met de klas. Lees eerst het stappenplan door en ga daarna aan de slag.

In de klas ga je een ‘wandelende vragenbingo’ houden, een oefening om je klasgenoten (nog) beter te leren kennen. Eerst vul je de bingokaart hiernaast in, daarna ga je op onderzoek uit!

Wie is de winnaar? Wie is de overlevende in de reddingsboot?

2a Iedere leerling bedenkt acht gesloten ­vragen die je aan klasgenoten kunt stellen. ­Gesloten vragen zijn vragen die je met ‘ja’ of ‘nee’ kunt beantwoorden, bijvoorbeeld: woon je in een stad, ben je in maart jarig?

Stappenplan bij rollenspel De Reddingsboot Voorbereiding Iedere leerling schrijft op een los blaadje de naam   van een bekend personage. De leraar verzamelt alle blaadjes en doet ze in een   doos. De leraar kiest vijf vrijwilligers. Deze vijf leerlingen   pakken omstebeurt een briefje uit de doos en lezen de naam op van het personage dat ze gaan aannemen in het rollenspel. Uitvoering Met zijn vijven zitten jullie in een klein bootje, dat midden op de grote oceaan ronddobbert. Het bootje is lek gegaan en zal na verloop van tijd zinken, als er meer dan één persoon in het bootje blijft zitten. Ieder personage houdt een toespraak waarin hij vertelt waarom hij of zij juist in het bootje moet blijven zitten! Ronde 1:   Ieder personage vertelt zo overtuigend mogelijk waarom hij of zij in het bootje moet blijven. Het publiek kiest na de eerste ronde welke twee personages afvallen. Ronde 2:   De drie overgebleven personages geven ieder een toespraak waarin ze aangeven waarom de andere twee uit de boot moeten en zij juist moeten blijven zitten. Het publiek kiest de meest overtuigende van de drie.

116  module  Communicatie

Vul jouw acht gesloten vragen in op de bingokaart op de volgende bladzijde. 2b Je gaat met jouw bingokaart in de hand op onderzoek uit:  Je loopt door de klas en stelt je klas­ genoten jouw vragen.  Je stelt elke vraag aan iemand anders, zodat je zo veel mogelijk verschillende klasgenoten spreekt.  Als je een ‘ja’ als antwoord krijgt, zet je op de bingokaart een kruisje of streepje bij die vraag, te beginnen bij ‘Ronde 1’.  Wie heeft de meeste antwoorden met ‘ja’? Om iedereen beter te leren kennen, kun je in het totaal drie rondes spelen.


Vragenbingokaart Vragen:

Aantal keer ‘ja’ (ronde 1)

Aantal keer ‘ja’ (ronde 2)

Aantal keer ‘ja’ (ronde 3)

1

2

3

4

5

6

7

8

les 4  Spreken in het openbaar    117


Meesterproef Een film maken van een interview

In deze module heb je geoefend om op je lichaamstaal te letten, om zo overtuigend mogelijk te spreken, zo goed mogelijk te luisteren en om te improviseren. Al deze dingen komen in deze creatieve eindopdracht goed van pas.

„„ Een film met een interview Je gaat alleen of in tweetallen een bijzonder persoon interviewen. Wie deze persoon is en wat hem of haar zo bijzonder maakt, mag je zelf bedenken. Van dit interview ga je een filmpje maken.

Stappenplan bij het maken van een film van een interview Stap 1 Voorbereiding Voordat je kunt gaan interviewen, ga je natuurlijk brainstormen over de vragen die je kunt stellen. Denk hierbij aan vragen die beginnen met vraagwoorden als wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. Bedenk vooraf goed waar je je interview wilt houden. Ga je ergens zitten of stel je de vragen tijdens een wandelingetje? Het gaat om de vragen en antwoorden. Let er dus wel op dat de kijker niet te veel wordt afgeleid door geluiden of beelden uit de omgeving. Stap 2: Uitvoering Je interview verwerk je in een filmpje dat de volgende opbouw heeft: 1 Introductie van je gast Je houdt een presentatie van ongeveer een minuut. Hierin stel je op originele, afwisselende en overtuigende wijze je gast voor. Denk aan je lichaamstaal en stemgebruik. Bedenk een toepasselijke achtergrond. 2 Het interview, de vijf vragen Je hebt minstens vijf open vragen bedacht die je in ieder geval gaat stellen. Tijdens het interview luister je heel goed naar je gast en als iets in zijn/haar boodschap onduidelijk is, durf je door te vragen. 3

Het einde van het interview

Stap 3: Resultaat: film Je zorgt voor een mooi filmpje. Hoe je dat doet, mag je helemaal zelf bedenken. Als je het filmpje wilt bewerken, kun je gebruik van maken van programma’s op het internet, bijvoorbeeld Windows Movie Maker. Misschien ken je dit programmaatje al. Het staat standaard op vrijwel iedere computer.

118  module  Communicatie


l esw ij s

st u di e beg e le i di ng Les 1 Massacommunicatie Les 2 Zoeken op internet

Module

Les 3 Sociale media Les 4 Privacy en omgangsvormen

Mediawijsheid Interview met medeleerling

op sociale media Meesterproef

Naam: Klas: Datum:

Hoe breng jij het liefst een boodschap over? Door te praten, te schrijven, muziek te maken, te tekenen, te schilderen of door iets anders te doen? En hoe ontvang je het liefst een boodschap? Leg je antwoord uit.

Zoek je vaak dingen op internet op? Hoe doe je dat en hoe weet je of de informatie betrouwbaar is?

Gebruiken jullie sociale media in de les? Waarom wel of niet? Vind je dat wel of niet leuk? Leg je antwoord uit.


Les

1

Massacommunicatie Ieder mens in de moderne wereld heeft te maken met massacommunicatie. Via radio, tv en internet bereikt één medium massa’s mensen. Wat zijn de kenmerken van massacommunicatie? Waar moet je op letten als gebruiker? En hoe ontstaat beeldvorming? Daarover gaat deze les.

1

„„ Wat is massacommunicatie? Massacommunicatie is in het openbaar een boodschap doorgeven of ontvangen. Deze boodschap kan belangrijke informatie bevatten, maar ook reclame. Bij massacommunicatie is de boodschap voor een heleboel mensen bedoeld. Media als televisie, radio en kranten geven aan grote groepen mensen een boodschap. Bij nieuwe media, zoals sociale media en internet, is de rol van de gebruiker veel groter doordat hij zelf ook boodschappen zendt of snel kan reageren. In figuur 1 zie je hoe massacommunicatie werkt: een zender stuurt een boodschap via een massamedium naar een heleboel ontvangers tegelijk.

Bij communicatie over meerdere schijven kan er ruis ontstaan. Je doet een testje met de hele klas:  Eén leerling fluistert een andere leerling een verhaal in de oren.  Deze leerling luistert zo goed mogelijk en vertelt het vervolgens door aan de volgende leerling, net zo lang tot de hele klas aan de beurt is geweest. Let op: je krijg het verhaal maar één keer te horen. De leerling mag niets herhalen. Luister dus meteen goed! En, komt het verhaal dat de laatste leerling heeft gehoord overeen met het verhaal dat de eerste leerling heeft verteld?

Je spreekt bijvoorbeeld over massamedia als een journalist (de zender) een artikel maakt, het bericht (de boodschap) vervolgens wordt uitgezonden of verspreid via televisie, radio of krant (het massamedium) en door talloze mensen wordt bekeken / beluisterd / gelezen (de ontvangers). Figuur 1: Massacommunicatiemodel

Ontvanger 1 Ontvanger 2 Zender

Medium

Uitgever

Krant

Omroep

Programma

182  module  Mediawijsheid

Ontvanger 3 Ontvanger 4


3

„„ Massamedia

In de krant of op televisie kun je het nieuws volgen. Maar hoe wordt iets ‘nieuws’?

Massamedia zijn communicatiemiddelen waarmee informatie wordt verspreid, bijvoorbeeld televisie, radio en de krant. De informatie is openbaar en bereikt veel mensen. Er is s­ prake van eenrichtingsverkeer: de ontvanger kan meestal niet direct reageren op de boodschap. De zender weet niet precies wie zijn boodschap hoort of leest en dus ook niet hoe het is overgekomen.

2 Er wordt weleens gesproken van ‘oude en nieuwe media’. 2a Televisie en radio worden de ‘oude media’ genoemd. Leg uit waarom dit zo is.

3a Waardoor komt iets op het journaal of in de krant, denk je?

3b Lees de volgende stellingen. Geef van iedere stelling aan of het volgens jou nieuws is, ja (J) of nee (N). Leg in de laatste kolom je keuze uit.

Stelling

Nieuws? Omdat [J] [N]

1 K  oningin Maxima veroorzaakte een botsing, maar niemand raakte gewond. 2 Vandaag was het, net als gisteren en eergisteren, lekker weer. 3 Op 25 december is het Kerstmis.

2b Wat zijn ‘nieuwe media’? Geef enkele voorbeelden en leg uit waarom dit nieuwe media zijn.

4 De politie heeft een 12jarige inbreker opgepakt.

5 De zeldzame antieke vaas die in stukken viel, was vijf miljoen euro waard. 6 De politie heeft een zakkenroller opgepakt.

Nieuws is informatie die afwijkt van het normale en alledaagse.

3c Vergelijk jouw ingevulde schema met dat van je buurman of -vrouw. Zijn er veel verschillen? Pas je schema indien nodig aan.

les 1  Massacommunicatie    183


„„ Bronnen

4

In een nieuwsverhaal worden zoveel mogelijk feiten vermeld. Bij nieuwsuitingen moet altijd worden vermeld wie het zegt, uit welk onderzoek de informatie komt of waar de journalist het vandaan heeft. Met andere woorden: de bronnen moeten worden genoemd. Een lezer kan dan altijd nagaan of het klopt wat de journalist schrijft. Een journalist probeert in een nieuwsbericht altijd antwoord te geven op de vijf w’s: wie, wat, waar, wanneer en waarom. Ook wil hij het verhaal van verschillende kanten belichten. Daarom komen voor- en tegenstanders aan het woord.

Lees het krantenartikel in figuur 2 en beantwoord de vragen.

Een journalist moet altijd vermelden waar hij zijn informatie vandaan heeft (de bronnen), zodat hij controleerbaar is.

4a Onderstreep de volgende dingen:  drie feiten in het rood;  drie bronnen in het blauw;  de vijf w’s met potlood. 4b Welk probleem heeft de journalist willen beschrijven?

Figuur 2: Een krantenbericht over e-bikes

afstappen! u fietst veel te hard! De politie worstelt met een duivels dilemma: moeten e-bikes die harder rijden dan 25 km/u wel of niet op de bon worden geslingerd? Of wordt daarmee een veelbelovend, milieuvriendelijk vervoersmiddel voortijdig om zeep geholpen?

De vraag wordt met de dag actueler omdat de zogenoemde speed-pedelecs – elektrische fietsen die met gemak 45 km/u halen – inmiddels in het straatbeeld zijn verschenen en zomaar de fietshit van 2014 kunnen worden. Vervoersdeskundigen zien de snelle e-bikes als een serieus, schoon en energiezuinig alternatief voor het woon-werkverkeer. Officieel gaan pas in 2017 Europese regels gelden voor speed-pedelecs. ‘Toch is drie jaar ongestraft over de fietspaden scheuren er niet bij,’ zegt een woordvoerder van de nationale politie. De Dienst Wegverkeer (RDW), de Bovag, de ANWB, de Fietsersbond, de politie en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu hebben onlangs afgesproken dat de supersnelle fietsen voorlopig worden aangemerkt als motorvoertuigen die maximaal 25 km/u mogen rijden. De speed-pedelec moet bij de RDW worden

geregistreerd en een WA-verzekering en blauw kentekenplaatje zijn verplicht. Hoe dit gecontroleerd wordt, weet eigenlijk niemand. Een politiewoordvoerder geeft toe dat er ‘een grijs gebied is’. De speed-pedelec is nauwelijks te onderscheiden van een gewone fiets, laat staan van een gewone e-bike. Er bestaat een maximumsnelheid voor fietsers, maar die valt nauwelijks te handhaven, erkent de woordvoerder: ‘Ik kan me niet heugen dat er ooit één fietser op de bon is geslingerd voor te hard rijden.’ Binnen de

184  module  Mediawijsheid

bebouwde kom is 45 km/u op een fiets overigens goed voor een boete van ruim 180 euro. Over drie jaar wordt de snelheid van de speed-pedelec wél meegeteld en dan is sprake van een bromfiets. Het blauwe kentekenplaatje wordt dan vervangen door een geel plaatje. ‘Een helm wordt dan in principe verplicht en het fietspad is dan verboden terrein voor deze voertuigen,’ aldus Jules van der Ven van Infrastructuur en Milieu. ‘Of het zover komt? Daar zijn we nu over in gesprek.’


4c Wat is jouw mening over het probleem? Geef argumenten voor je mening.

5c Vind je het gebruik van anonieme bronnen goed of juist slecht? Leg je antwoord uit.

4d Onder leiding van je leraar wordt de opdracht klassikaal nabesproken.

5d Noem twee verschillen tussen de zogeheten ‘roddelbladen’ en de serieuze pers (kranten en actualiteitenrubrieken op televisie en radio).

5 Een lezer moet altijd kunnen zien van wie een tekst afkomstig is. Deze vragen beantwoord je samen met je buurman of -vrouw.

1

2

5a Hoe kun je als lezer controleren of de bronnen in een tekst kloppen? 5e Veel mensen lezen graag dit soort roddelbladen. Hoe zou dat komen?

5b Soms gebruiken journalisten in hun verhaal anonieme bronnen. Wat wordt hiermee bedoeld?

Geloof niet meteen alles. Vraag je af wat de bron is van een verhaal. Kun je het eventueel zelf controleren? Doe dat dan als je twijfelt aan de waarheid.

les 1  Massacommunicatie    185


„„ Beeldvorming

7

Media kunnen een belangrijke rol spelen in hoe wij over bepaalde zaken of mensen denken. Ze bepalen bijvoorbeeld in meer of mindere mate onze beeldvorming over zaken als milieu, politiek, criminaliteit of bekende Nederlanders. Wij vormen ons een beeld van de werkelijkheid door wat we zien, horen en lezen over een onderwerp. Maar soms is de informatie eenzijdig. Dan horen we maar één kant of een klein deel van het verhaal. Dan is er een grote kans dat we een verkeerd of beperkt beeld van de situatie of de persoon krijgen. Dit proces van beïnvloeding noemen we ‘beeldvorming’.

Bekijk met je klas de rest van het filmpje en beantwoord daarna met je groepje de vragen.

6 Met de klas bekijk je het eerste deel van een filmpje dat je leraar opzet: ‘Vliegen als een vogel’. Het is een fragment uit De Wereld Draait Door waarin Matthijs van Nieuwkerk Jarno Smeets ondervraagt. Hij zou de eerste mens zijn die kan vliegen als een vogel. Let op: De leraar zet het filmpje halverwege stil. Met je groepje beantwoorden jullie de vragen bij deze opdracht. In opdracht 7 laat je leraar het tweede deel van het filmpje zien en beantwoorden jullie daar de vragen over. 6a Noem alle argumenten die het verhaal van Jarno Smeets volgens jullie ondersteunen.

6b Welke twijfels hebben jullie en waarom?

6c Heeft Jarno Smeets echt gevlogen?

186  module  Mediawijsheid

7a Hadden jullie gelijk? Ja / Nee, want

7b Noem twee bronnen die journalisten over de persoon Jarno Smeets hebben geraadpleegd. 1 2 7c Wat was de bedoeling van Jarno Smeets met zijn film?

7d Leg aan de hand van dit filmpje uit wat beeldvorming is.


Zoeken op internet

Les

2

Overal is informatie: op internet, in folders, boeken, op tv en als iemand je iets vertelt. Maar hoe zoek je nu iets op over een bepaald onderwerp, bijvoorbeeld voor jezelf of voor een werkstuk of spreekbeurt? Hoe weet je of de informatie die je vindt betrouwbaar is? In deze les leer je gericht zoeken op internet en beoordelen of je de informatie kunt gebruiken.

„„ Zoeken op internet, wat wil ik

­precies weten? Iedereen kan een zoekopdracht intypen op internet. Het is moeilijker om precies het antwoord te vinden op jouw ene specifieke vraag. Wat je vindt, hangt af van je zoekvraag. Soms vind je te veel, soms juist te weinig informatie. Soms maak je je zoekopdracht veel te groot. Dan moet je je zoekopdracht verfijnen. Daarom moet je goed weten waarnaar je zoekt. Als je iets wilt weten over de eetgewoontes in Frankrijk en je typt de naam van het land in op een zoekmachine, dan krijg je zoveel resultaten dat je ze nooit allemaal kunt lezen. Typ je na ‘Frankrijk’ het woord ‘eten’ in, dan krijg je veel gerichtere resultaten.

2 Lees de volgende stelling: ‘Je kunt alles opzoeken op internet. Daarom hoef je niets meer te onthouden.’ 2a Geef een argument voor deze stelling.

2b Geef een argument tegen deze stelling.

1 Als je zomaar een zoekterm intypt in een zoekmachine op internet, dan krijg je heel veel resultaten. Typ het woord ‘karakter’ maar eens in. Hoeveel verschillende betekenissen (hits) krijg je te zien? Noem een aantal verschillende betekenissen.

les 2  Zoeken op internet    187


3

3d Ga nu de informatie zoeken op internet. Noteer minstens drie websites op waar volgens jullie goede informatie over jullie onderwerp te vinden is. Leg ook uit waarom het volgens jullie goede websites zijn. Vul het schema in.

In deze opdracht werk je in groepjes van maximaal vier leerlingen. Stel: jullie moeten een werkstuk maken over het klimaat. 3a Informatie over het klimaat kun je op vele plekken vinden. Noem drie mogelijkheden waar je informatie vandaan kunt halen. 1

Goede websites over klimaat 1 

2 3 3b In opdracht d gaan jullie op internet informatie zoeken over het klimaat. Kies per groepje een onderwerp uit dat te maken heeft met het klimaat, bijvoorbeeld ‘storm’ of een jaargetijde. Noteer jullie onderwerp.

3c Bedenk met elkaar hoe jullie dadelijk gaan zoeken. Wat weet je bijvoorbeeld al van jullie onderwerp? Schrijf hieronder de woorden op die met jouw onderwerp te maken hebben. Je mag ook een woordspin of mindmap maken.

2

3 

4 

5 

Mijn onderwerp

188  module  Mediawijsheid

Omdat


„„ Zoekmachine en browser

„„ Hoe zoekt Google eigenlijk?

Informatie zoeken doen we met behulp van zoekmachines. Dit is een webdienst waarmee je op alle websites van het world wide web kunt zoeken. De meest gebruikte zoekmachine is Google, maar er zijn er nog veel meer, zoals Bing of DuckDuckGo, die allemaal verschillende andere zoekresultaten geven. Er zijn ook speciale zoekmachines voor kinderen en jongeren, zoals Davindi.

Misschien denk je dat Google de beste zoekresultaten van jouw zoekopdracht bovenaan zet. Dat is niet zo. Vaak staan reclamesites bovenaan. Google onthoudt jouw zoekgeschiedenis en voorkeuren en bepaalt zo wat jij als eerste te zien krijgt. Dat hoeft dus niet altijd bij je nieuwe zoekopdracht te passen. Ook zet Google sites bovenaan waarnaar andere sites vaak verwijzen. Bedrijven zoeken altijd naar nieuwe manieren om bovenaan de lijst van zoekresultaten te komen. Daarom is het ook verstandig om met verschillende zoekmachines te zoeken.

Een browser is een bladerprogramma in je computer waarmee je websites kunt bekijken. Denk bijvoorbeeld aan Explorer, Chrome of Safari.

Google, Bing, DuckDuckGo en Davindi zijn zoekmachines. Explorer, Chrome en Safari zijn browsers.

4 Met zoekmachines kun je websites vinden. Er zijn speciale zoekmachines voor kinderen en jongeren. 4a Zoek drie kinderwebsites op internet. Noteer de adressen. 1 2

Zoektips Gebruik de juiste spelling   Gebruik je de juiste schrijfwijze van woorden. Dan vind je de juiste resultaten. Zoek op woordcombinaties   Zoek in Google op woordcombinaties door het plaatsen van aan aanhalingstekens om de woorden, bijvoorbeeld ‘kruistocht in spijkerbroek’. Dit kan handig zijn als je precies weet waarnaar je zoekt, bijvoorbeeld naar een titel van een boek of naar een liedje. Sluit woorden uit   Je kunt woorden uitsluiten door een minteken voor het woord te plaatsten, bijvoorbeeld ‘pijn -hoofdpijn’. Dan krijg je alle resultaten voor ‘pijn’, maar niet die van ‘hoofdpijn’. Je kunt dit met meer woorden tegelijk doen, bijvoorbeeld: ‘pijn -hoofdpijn -buikpijn’. Let op: alleen een spatie na het woord, niet na de min!

3 4b Je gaat het verschil uitleggen tussen een zoekmachine als Google of Bing en Davindi. Typ een zoekterm in op Google/Bing en op Davindi en vergelijk de resultaten. Wat is het verschil?

Google zet sites waarnaar andere sites vaak verwijzen bovenaan de lijst met hits.

les 2  Zoeken op internet    189


5 Er zijn verschillende manieren om te zoeken op internet. Als je zoekt met aanhalingstekens krijg je andere resultaten dan wanneer je zoekt zonder aanhalingstekens. Deze opdrachten doe je samen met je buurman of -vrouw. 5a Typ de titel van je favoriete boek of film op Google in, eerst zonder aanhalingstekens, dan met. Wat is het verschil?

„„ Informatie beoordelen op

­betrouwbaarheid Als je zoekt op internet, is het heel belangrijk dat je onderzoekt of de informatie wel klopt. Als je iets leest wat niet waar is, ga je misschien iets geloven wat niet klopt. Soms is het duidelijk dat een boodschap een reclame-uiting is, zoals in het voorbeeld van de zeep. Maar een bedrijf of persoon kan ook reclame maken voor zichzelf zonder dat je dit meteen ziet. Vraag je daarom altijd de volgende dingen af.

Betrouwbaarheid webinformatie checken 5b Typ het woord ‘zeep’ in op Google. Je krijgt een heleboel hits. Kun je de advertenties herkennen? Leg je antwoord uit.

5c Typ nu nog een keer het woord ‘karakter’ in en voeg woorden met een minteken toe, net zo lang totdat je niets meer vindt over iemands persoonlijkheid en je alleen de andere betekenissen van karakter overhoudt. Welke woorden heb je opgeschreven met een minteken ervoor? Twee woorden zijn voorgedaan, vul deze aan.

 Van wie is deze website?  Welk doel heeft de maker?  Hoe oud is de website?  Wordt er in de website gelinkt naar andere bronnen?   Geven andere bronnen overeen­komstige of tegenstrijdige informatie?

Raadpleeg altijd verschillende bronnen en vergelijk ze onderling!

-persoonlijkheid, -aard

Ook zoekmachines die in eerste instantie bedoeld zijn voor basisschoolleerlingen, kun je vaak goed gebruiken in de eerste fase van je onderzoek, als je nog niet veel van het onderwerp afweet.

Vertrouw niemand op zijn mooie ogen, controleer altijd je bron.

190  module  Mediawijsheid


6

7

Elke website is gemaakt met een bepaald doel.

Misschien heb je zelf weleens iets opgezocht op de online encyclopedie Wikipedia. Iedereen kan deze encyclopedie aanvullen met informatie. Bekijk samen met je buurman of -vrouw de site van Wikipedia en beantwoord de vragen.

6a Welke bedoelingen kan een maker van een website hebben? Noem er drie. 1 2 3 6b Hoe kun je controleren of de maker van de website wel is wie hij zegt te zijn?

6c Hoe kom je te weten of een informatieve website ook echt betrouwbaar is?

7a Is Wikipedia een betrouwbare bron, denk je? Kies je antwoord en maak de zin af. Wikipedia is wel / geen betrouwbare bron, omdat

7b En de spreekbeurt van een ander, is dat een betrouwbare bron van informatie voor jouw werkstuk? Kies je antwoord en maak de zin af. Een spreekbeurt van een ander is wel / geen een betrouwbare bron voor mijn werkstuk, omdat

les 2  Zoeken op internet    191


„„ Bewaren van je bron Als je informatie zoekt voor een spreekbeurt of website, noteer dan altijd waar je hebt gezocht. Anders kun je dat de volgende keer niet meer terugvinden. Ook de lezer wil jouw informatie kunnen checken bij de bron! Via de volgende websites kun je links en bronnen bewaren: www.symbaloo.com of www.yurls.com. Alle websites die je wilt bewaren kun je dan op één pagina invoeren.

8 In deze opdracht ga je in groepjes oefenen met zoeken naar websites en het beoordelen of de websites die je vindt, ook betrouwbaar zijn. Let op: Het gaat er bij het beantwoorden van de vragen met name om hoe jullie hebt gezocht en welke websites je (on)betrouwbaar vindt. 8a Jullie gaan op zoek naar de volgende informatie: ‘Hoeveel jonkies krijgt een tijger gemiddeld?’ Schrijf jullie zoektermen op.

Betrouwbare informatiebronnen

 www.klokhuis.nl  www.jeugdjournaal.nl  www.schooltv.nl/eigenwijzer (voor 10-16 jaar)  www.kidsweek.nl en www.sevendays.nl

8b Schrijf in het schema hieronder de adressen van drie websites op die jullie gevonden hebben. Schrijf van iedere website op:

Kijk voor nog veel meer betrouwbare bronnen op: www.8-12.info.

Website

Doel

1 

2

3 

192  module  Mediawijsheid

 welk doel deze heeft (kolom 2);  waar op de website je dit kunt zien (kolom 3);  wie is de maker van de website is (kolom 4).

Te zien aan

Maker


Les

3

Sociale media Sociale media zijn niet meer weg te denken uit deze tijd. We kunnen als we willen continu met elkaar in verbinding staan. In deze les bekijken we elke soorten sociale media er zijn en hoe vaak jij er gebruik van maakt. Ook gaan we na wat er met je ­hersenen gebeurt wanneer je je er te veel door laat afleiden. Ten slotte gaan we twitteren.

„„ Wat zijn sociale media en waarom

vinden we het leuk?

1 De meeste jongeren gebruiken sociale media.

Sociale media zijn sociale netwerken waarmee we met elkaar kunnen communiceren. Bij sommige sociale netwerken, zoals Facebook en LinkedIn, ligt de nadruk op het verbinden van mensen met elkaar. Bij andere, zoals Twitter, Instagram, Vine of YouTube, zend je vooral boodschappen: je mening, foto’s of leuke filmpjes. Alle sociale media hebben met elkaar gemeen dat je direct kunt reageren en informatie kunt delen met anderen. Bij alle sociale media is een grote rol weggelegd voor de gebruiker, een veel grotere rol dan bij de traditionele massamedia (zie les 1), waarbij de gebruiker vooral de ontvanger van de boodschap is. Dit verklaart deels de populariteit van de sociale media.

1a Gebruik jij ook sociale media? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke?

1b Noem vijf redenen waarom iemand sociale media gebruikt. Begin met de belangrijkste. 1 2 3 4 5

Bij sociale media kan de gebruiker direct reageren en informatie delen met anderen.

Medium

Gebruik

1c Als je sociale media gebruikt, hoeveel tijd besteed jij er per dag ongeveer aan? Omschrijf dit per medium. Vul het schema hieronder in.

Medium

Gebruik

les 3  Sociale media    193


1d Heb je thuis bepaalde afspraken over jouw gebruik van sociale media? Zo ja, welke zijn dat?

„„ Sociale media en vriendschap Via sociale media staan we in contact met veel verschillende mensen. Op Facebook worden dat ‘vrienden’ genoemd, maar toch zijn het niet altijd allemaal vrienden. Online kun je met iemand goed bevriend zijn, maar om te weten hoe diep de vriendschap is, moet je iemand ook in het echt zien.

2 3

Opdracht a doe je ter voorbereiding allemaal alleen, opdracht b is klassikaal. Hoe zit het met jouw gebruik van sociale media? 2a Lees de stellingen in het schema en ga na of ze voor jou kloppen. Reageer erop door een cijfer van 1 t/m 5 te geven (1 is ‘helemaal mee oneens’ en 5 is ‘helemaal mee eens’).

Stelling

Wie sociale media gebruikt, heeft online volgers en / of online vrienden. Deze vragen maak je samen in groepjes van maximaal vier leerlingen. 3a Hoe belangrijk vinden jullie het om veel volgers of vrienden te hebben?

Score 1-5

1 B  ij het opstaan kijk ik meteen op mijn telefoon of ik nog nieuwe berichten heb. 2 Ik heb geregeld ruzie met mijn ouders over mijn telefoongebruik.

3b Ken je leerlingen die daar anders over denken? Leg je antwoord uit.

3 Ik vind het prima als mensen tijdens een gesprek op hun telefoon kijken. 4 Als ik met schoolwerk bezig ben, kijk ik toch steeds even op mijn telefoon. 5 ’s Nachts word ik weleens wakker van een bericht op mijn telefoon.

3c Geef een omschrijving van echte vriendschap.

5 Ik voel vaak een druk om te meteen reageren op berichten op mijn telefoon. 2b Onder leiding van je leraar wordt opdracht a nabesproken. Ben jij een matige, een gemiddelde of een fervente gebruiker van sociale media? Zijn er grote verschillen tussen jou en een klasgenoot?

194  module  Mediawijsheid

3d Wat is het verschil tussen online en offline vriendschap?


4

Figuur 1: Interview met Saskia, 22 jaar

Lees het interview in figuur 1. In het interview blikt student Saskia terug op de tijd dat ze heel veel op Facebook zat. Beantwoord daarna in groepjes de vragen. 4a Saskia zegt: ‘De kern van Facebook is laten zien hoe leuk en populair je bent zonder dat je het echt bewust doet.’ Zijn jullie het eens met haar stelling over de kern van Facebook? Leg je antwoord uit. Ja / nee, omdat

Bron: Calis & Kisjes (2013). Socialbesitas (bewerkt).

‘De kern van Facebook is laten zien hoe leuk en populair je bent, zonder dat je het echt bewust doet. ‘Kijk eens hoeveel mensen contact met mij willen en mij leuk vinden.’ Je zegt het niet maar je laat het wel zien. Als iemand mij een persoonlijk bericht stuurt denk ik: ‘Ja die vindt me aardig of die vindt me grappig, dat is een vriend.’ Mijn Facebookvrienden vond ik vroeger belangrijker dan mijn vrienden die geen Facebook hadden. Zij wilden immers openlijk vrienden met mij zijn. De vriendschap was niet zomaar tussen twee mensen zonder publiek uitgesproken. Nee, het stond op internet. Iedereen kon het zien. Dan moest het wel echt zijn.’

4b Wat vinden jullie van haar opvattingen over vriendschap? Denken jullie er ook zo over? Leg je antwoord uit.

De kern van Facebook is te laten zien hoe leuk en populair je bent ...

„„ Sociale media en onze hersenen Onze hersenen zijn dol op sociale media. Iedere keer dat we een like krijgen, een leuk appje of grappige tweet, komt er een stofje in onze hersenen vrij. Dat beloningsstofje heet dopamine; we voelen ons er lekker door. Onze hersenen willen vooral dingen doen die ons een prettig gevoel geven. Hersenen schatten een beloning die zo voor het grijpen ligt, zoals leuke reacties op sociale media, vaak hoger in dan een beloning die verderweg ligt. Daarom willen we steeds op onze telefoon kijken.

Gelukkig zijn onze hersenen ook gevoelig voor beloningen op de lange termijn. Als jij een paar keer je proefwerk hebt verknald doordat je teveel bezig was met je telefoon, laat je dat een volgende keer misschien wel uit je hoofd. Multitasken bij het studeren bestaat niet, blijkt uit hersenonderzoek. Als je je onder het studeren steeds laat afleiden, doe je veel langer over je huiswerk.

Multitasken bestaat niet. Als je je onder het studeren steeds laat afleiden, doe je er veel langer over. les 3  Sociale media    195


5

6

Lees het stukje uit een interview met de 13-jarige Jasmijn in figuur 2.

Mobiele telefoons kunnen je erg afleiden.

5a Is haar verhaal herkenbaar voor je? Leg je antwoord uit.

5b Vind je het begrijpelijk dat Jasmijn meteen op berichten reageert? Leg je antwoord uit.

6a Laat jij je wel eens afleiden door je telefoon als je huiswerk maakt of een proefwerk leert? Leg uit wat er dan gebeurt.

6b Wat vind je ervan als ouders zeggen dat de telefoon in een andere kamer moet liggen als je studeert? Leg je antwoord uit.

Figuur 2: Interview met Jasmijn, 13 jaar Bron: Calis & Kisjes (2013). Socialbesitas (bewerkt).

‘Om de tien minuten kijk ik op mijn telefoon. Gewoon, even zien of ik een berichtje heb. Niet overdag als ik op school zit, want dat mag niet, maar ‘s avonds op de bank voel ik hem gelijk trillen. Meteen als ik een appje krijg, antwoord ik. Soms duurt het wel tien minuten voordat ik een reactie krijg. Niet alle kinderen uit de klas hebben een smartphone. En soms staat hij uit. Dan hoor je dus niks terug.’

6c Als je één minuut een whatsappje leest en daarop reageert terwijl je bezig bent met een moeilijke taak, duurt het daarna twee tot drie minuten voordat je weer op je oude niveau in je taak zit. Waarom laten we dit dan toch soms gebeuren, denk je?

6d Sommige jongeren kunnen niet slapen doordat ze ’s avonds te lang bezig zijn met hun mobiel. Vind je dat herkenbaar? Wat kun je ertegen doen?

Als je je onder het studeren steeds laat afleiden, doe je veel langer over je huiswerk.

196  module  Mediawijsheid


„„ Twitteren

„„ Iets opzoeken via sociale media

Twitter is een sociaal netwerk waarbij je korte boodschappen kunt versturen, die iedereen kan volgen. Die boodschappen mogen niet langer zijn dan 140 tekens. Je kunt ook foto’s of links meesturen. Veel beroemdheden of BN’ers twitteren over hun leven. Wie dat wil lezen kan deze mensen ‘volgen’. Als je veel twittert, gaan mensen jou ook volgen.

Misschien gebruik je sociale media vooral om met je vrienden in contact te blijven. Je kunt sociale media ook gebruiken om iets op te zoeken.

Als je veel twittert, gaan mensen jou ook volgen.

7

Durf te vragen: #dtv Via Twitter kun je via de hashtag (#) en de afkorting dtv (van durftevragen) een vraag stellen, waar je graag antwoord op wil. Ook volwassenen stellen vragen op #dtv. Kijk ook eens op ­#durftevragen en #dtvfeitjes. Gebruik een nickname Als je gaat experimenteren op sociale media, doe dat dan niet onder je eigen naam. Bedenk dat iedereen die later jouw naam intikt op internet dan alles van jou kan teruglezen, ook dingen waarvan je misschien later niet meer wil dat anderen die zien. Hier komen we op terug in les 4.

Twitter wordt ook veel gebruikt door journalisten.

Zoeken op Twitter

7a Wat betekent het woord ‘twitteren’?

# Als je zoekt via een hashtag ( # ) kun je goed op onderwerpen zoeken. 7b Wat zegt dat over de betekenis ervan?

@ Als je zoekt via een apenstaartje ( @ ) vind je een persoon of bedrijf. Let op: de schrijfwijze moet wel precies juist zijn!

7c Geef een voordeel van het gebruik van Twitter door journalisten.

8 We gaan oefenen met het zoeken van informatie op Twitter.

7d Geef een nadeel van het gebruik van Twitter door journalisten.

8a Maak met je groepje een Twitteraccount aan, als jullie die nog niet hebben. Let dus op dat je dit niet onder je eigen naam doet. 8b Bekijk de Twitterlijn van #dtv en zoek er twee vragen uit waar je misschien het antwoord op zou weten. Schrijf de naam van de twitteraar op en de vraag. Als je wilt, mag je het antwoord ook op Twitter geven.

les 3  Sociale media    197


8c Bedenk met je groepje twee vragen die je zelf gaat stellen. Probeer iets te vragen wat je echt zou willen weten. Laat je vragen aan de leraar zien en stel ze dan ook echt op Twitter. Kijk aan het einde van de les of je tijdens de volgende les of je reacties hebt. Noteer je vagen in het schema hieronder, met de antwoorden als je die hebt. Vragen voor op Twitter

#dtv: Niet meteen opgeven als je niet snel iets vindt! Je kunt ver naar onderen scrollen!

Antwoorden op Twitter

8d Op Twitter kun je mensen volgen die veel over bepaalde onderwerpen weten. Bedenk in jouw groepje drie onderwerpen waarover jullie meer willen weten, denk bijvoorbeeld aan hobby’s, dieren of sporten. Zoek deskundigen of organisaties op Twitter die je eventueel zou willen volgen. Vul het schema in. Onderwerpen voor op Twitter

198  module  Mediawijsheid

Deskundige die ik kan volgen


Privacy en omgangsvormen op sociale media

Les

4

Met elkaar kletsen, filmpjes en foto’s delen op sociale media is meestal leuk. Veel van wat we ­online zetten, blijft bewaard. Dat kan vervelend zijn, vooral als het ruzies of nare filmpjes zijn. Ook zijn onze omgangsvormen veranderd door sociale media. Daarover gaat deze les.

„„ Privacy op sociale media

2

Soms denken we dat we alleen onder vrienden zijn op sociale media. We delen van alles zonder erbij na te denken. Toch blijft er meer van jezelf zichtbaar op internet dan je misschien denkt. Jouw informatie is niet alleen voor jou of je vrienden zichtbaar, ook voor mensen die misschien minder goede bedoelingen hebben. Misschien haal je daar nu je schouders over op, maar later wellicht niet meer!

Het filmpje ‘Mag ik foto’s van uw kinderen zien?’ op YouTube gaat over een man die een experiment doet over sociale media en privacy. Hij vraagt op straat of hij foto’s van kinderen mag zien. Bekijk het filmpje met de klas en beantwoord de vragen.

Als je straks een baantje wilt en je werkgever ziet rare foto’s of uitspraken van jou op de sociale media of op internet, neemt hij misschien liever iemand anders in dienst (ook al zijn de uitspraken al heel oud …). Of kijk maar eens naar een foto van jezelf van twee jaar geleden. Hoe leuk vind je het om die steeds weer terug te zien?

https://www.youtube.com/watch?v=JgScpIKj8Fg

2a Wat is de bedoeling van de interviewer?

2b Vind je het begrijpelijk dat de mensen geen foto’s willen laten zien? Leg je antwoord uit.

Iets wat je op sociale media of internet zet, blijft altijd voor iedereen zichtbaar. 2c Waarom denk je dat mensen wel gemakkelijk online foto’s delen, maar deze niet zomaar aan wildvreemden op straat laten zien?

1 Jouw leraar laat een presentatie zien die hij of zij gemaakt heeft. Bekijk deze en bespreek hem na met de klas.

les 4  Privacy en omgangsvormen op sociale media    199


2d Deel jij online veel foto’s en filmpjes van jezelf? Let je op wie deze allemaal kunnen zien? Leg je antwoord uit.

3 Mensen delen online vaak dingen op internet die ze in het werkelijke leven niet zouden delen. En jij? Hoe denk jij hierover nu je opdracht 2 gemaakt hebt?

„„ Bedrijven verzamelen gegevens

over jou Sociale media zijn bijna gratis. Dit is een van de redenen waardoor ze zo populair zijn. Maar hoe kunnen de bedrijven die de sociale media maken bestaan als ze alles bijna gratis weggeven? Dat kan dus niet. Wij ‘betalen’ hen met onze persoonlijke gegevens. Bedrijven als Facebook verzamelen alle gegevens die wij op onze pagina’s zetten: wat we leuk vinden, wie onze vrienden zijn, wat we elkaar vertellen op chats en naar welke films we gaan. Deze gegevens – Big Data – worden verkocht aan bedrijven die ons advertenties kunnen sturen die zijn afgestemd op onze interesses. Zo hopen ze dat wij bepaalde spullen of diensten kopen.

3a Noem twee dingen die je wel deelt op sociale media. 1

Bedrijven en overheden kunnen allerlei informatie halen uit de grote berg gegevens, de zogeheten ‘Big Data’.

2

3b Noem twee dingen die je niet deelt op sociale media. 1

4 Reclame op sociale media zijn afgestemd op jouw interesses.

2

3c Heb je weleens iets op sociale media gezet waar je later spijt van had? Geef een voorbeeld.

4a Noem een voordeel van het feit dat reclame op sociale media is afgestemd op jouw interesses.

4b Noem een nadeel van het feit dat reclame op sociale media is afgestemd op jouw interesses.

Google jezelf af en toe om te zien wat er online over je te vinden is.

200  module  Mediawijsheid


4c Vind jij dat je het recht hebt om te weten wat er met jouw persoonlijke gegevens gebeurt? Leg je antwoord uit.

5 Lees de tekst over ‘Project X Haren’ in figuur 1 en beantwoord samen met je buurman of -vrouw de vragen.

5b Waar kwam de naam ‘Project X’ vandaan? Zoek dit eventueel op internet op.

5c Er wordt wel gezegd dat de gebeurtenissen in de dagen voor 21 september zich in twee werelden afspeelden: de wereld van de jongeren en die van de ouderen. Leg uit wat hiermee wordt bedoeld.

5a Waarom denk je dat de naam van het meisje niet is genoemd in de tekst?

Figuur 1: Facebookfeest in Haren

Project X Haren, het Facebookfeest Een 15-jarig meisje verstuurde in september 2012 een uitnodiging via Facebook naar haar vrienden. Op 21 september wilde ze een feestje geven voor haar 16e verjaardag. Ze koos voor haar uitnodiging bewust de optie ‘openbaar’. Zo konden haar vrienden ook weer vrienden meenemen. Sommige ‘vrienden’ namen dat heel letterlijk en stuurden de uitnodiging door aan honder­ den mensen. In korte tijd lieten duizenden belangstellenden weten naar het feestje te komen. Dit aantal groeide maar door. Het meisje verwijderde na een paar dagen het evenement van haar pagina, maar het was al te laat. Anderen gingen met het feest aan de haal. Nieuwe openbare uitnodigin­

gen werden geplaatst onder namen als ‘Project X Haren’. Er werden flyers gemaakt, filmpjes gedeeld via YouTube en er werd op sociale media volop over gesproken. Een paar dagen voor het feest hadden 30.000 mensen aangegeven te komen. Ook landelijke media als kranten journaals besteedden aandacht aan het feest. Lokale politici wisten niet goed wat ze moesten doen en deden vergeefse oproepen vooral thuis te blijven. Op de avond zelf ontvluchtten het meisje en haar familie de ouderlijke woning. Er kwamen duizenden mensen naar Haren en liep het helemaal uit de hand. Er ontstonden rellen en de ME werd ingezet. Een onder­ zoek volgde en de burgemeester trad af.

les 4  Privacy en omgangsvormen op sociale media    201


„„ Privacyinstellingen Het meisje uit Haren had kunnen voorkomen dat het aantal genodigden zo sterk opliep door op Facebook bij haar evenement ‘alleen genodigden’ aan te klikken. Als je sociale media gebruikt, kun je bij je privacyinstellingen instellen wie dingen van jou mag bekijken. Dat moet je zelf doen. De standaardinstellingen staan meestal op ‘openbaar’, zodat iedereen alles van jou kan zien. Het is daarom belangrijk dat je erover nadenkt wat je met wie wil delen.

6 Je gaat in groepjes van uitzoeken hoe jij je privacyinstellingen op Facebook hebt ingesteld en hoe je deze kunt veranderen, als je tenminste Facebook hebt. Zo niet, dan kijk je mee met iemand uit de klas die het wel heeft. 6a Zoek op internet informatie over hoe je je privacyinstellingen op Facebook moet veranderen. Let er op de juiste zoektermen intypt! Noteer je zoektermen.

6b Je gaat bekijken hoe jij je profiel hebt afgeschermd door de twee stappen in het kader rechtsboven uit te voeren.

Profiel Faceboek bekijken Stap 1 Klik op het slotje rechts bovenin je Face­ bookpagina → je krijgt je ‘privacysnel­ koppelingen’ te zien. Stap 2 Scroll naar onderen en klik op ‘meer instel­ lingen weergeven’ → je krijgt een overzicht van jouw privacyinstellingen te zien.

6c Bekijk hoe jouw privacyinstellingen op ­Facebook zijn ingesteld en beantwoord de vragen.

 Wie kan jouw inhoud zien?  Wie kan contact met je opnemen?  Wie kan je opzoeken?

Vul bij je privacyinstellingen op sociale media bij ‘Advertenties’ niemand in: dan kun je niet worden opgevoerd voor advertenties. 6d Kijk bij het kopje ‘Tijdlijn en taggen’ en beantwoord de volgende vragen.

 Wie kan inhoud aan jouw tijdlijn toevoegen?  Wie kan dingen op jouw tijdlijn zien?  Hoe beheer je nu de tags?

6e Kijk bij het kopje ‘Advertenties’:  Bekijk hoe je instellingen staan bij ‘externe sites’ en bij ‘advertenties en vrienden’.  Verander dit eventueel door niemand in te vullen: dan weet je dat je niet wordt opgevoerd in advertenties.

202  module  Mediawijsheid


„„ Omgangsvormen op sociale media

7

Op sociale media gaan we anders met elkaar om dan wanneer we elkaar lijfelijk zien. Als we bij iemand aanwezig zijn als we met diegene praten, horen we de boodschap en zien we het gezicht en de lichaamshouding erbij. Zo schatten we in hoe een boodschap is bedoeld.

Waarschijnlijk hebben de meesten van jullie klas weleens gebruikgemaakt van sociale media of Whatsapp. Leerlingen die deze ervaring niet hebben vormen een groepje met een leerling die dit wel heeft voor het beantwoorden van de vragen. Overleg dan met elkaar.

Op sociale media moeten we het zonder deze belangrijke hulpmiddelen stellen. Daarom gaat het nog weleens mis. Soms hebben mensen spijt van iets wat op sociale media hebben gezet, bijvoorbeeld als ze in hun boosheid nare dingen hebben geschreven of als ze te veel persoonlijke informatie over zichzelf gegeven aan iemand die ze nauwelijks kennen.

7a Heb jij weleens spijt gehad van je woorden op sociale media of op Whatsapp? Leg je antwoord uit.

7b Waarom gebruiken we bijna allemaal emoticons, denk je?

7c Ben jij ook weleens online verkeerd begrepen tijdens het chatten? Leg je antwoord uit. Hoe heb je dat opgelost?

7d Heeft iemand jou online weleens verkeerd begrepen? Leg je antwoord uit. Vertel ook hoe je het hebt opgelost.

7e Onder leiding van je leraar wordt deze opdracht nabesproken.

les 4  Privacy en omgangsvormen op sociale media    203


8

„„ Cyberpesten

Het interview in figuur 2 gaat over het verschil tussen kinderen die actief zijn op sociale media en kinderen die dat minder zijn. Aan het woord is Jasmijn (13 jaar). Lees de tekst en beantwoord de volgende vragen.

Cyberpesten is online pesten. Door het gebruik van sociale media is het pesten veranderd. Iemand die online wordt gepest, kan het bericht steeds opnieuw teruglezen. Ook gaat het pesten thuis vaak gewoon door via de telefoon / op internet. Het taalgebruik is soms harder en gemener, omdat iemand achter zijn computer of telefoon zit te typen en het niet in iemands gezicht zegt. Zeker bij anoniem pesten kan het er heel grof aan toe gaan, omdat de pesters onbekend blijven.

8a Is dit herkenbaar voor jou? Leg je antwoord uit.

Tips tegen cyberpesten

8b Voel jij je weleens online buitengesloten door klasgenoten? Leg je antwoord uit.

8c Onder leiding van je leraar wordt deze opdracht nabesproken.

Figuur 2: Uit een interview met Jasmijn, 13 jaar Bron: Calis & Kisjes (2013). Socialbesitas.

Alle populaire kinderen in de klas hebben een smartphone. Ze zijn ook allemaal actief op sociale media. Kinderen die geen smartphone hebben, zijn toch een beetje buitenbeentjes. Niet dat ze per se gepest worden, maar ze missen veel informatie en daardoor krijgen ze minder aandacht van de populaire kinderen. Er is een soort tweedeling. Je weet precies wie op sociale media actief is en wie niet. Een meisje dat eerst niet zo populair was en soms werd gepest, is nu ineens actief op Twitter. Nu wordt ze minder gepest.

204  module  Mediawijsheid

Niet pesten:   Leef je in. Vraag je af of jij het grappig zou vinden om een vervelend bericht of foto van iemand te krijgen.   Doe geen dingen die je in het werkelijke leven ook niet zou doen.   Bedenk dat alles online bewaard blijft.   Verspreid geen gênante foto’s of filmpjes van anderen. Niet gepest worden:   Geef nooit je wachtwoord en inlognaam aan anderen, ook niet aan je vrienden!   Wees voorzichtig met het gebruik van de webcam; gebruik nooit je eigen naam; bedenk dat iemand altijd een foto of filmpje van jou kan maken.   Blokkeer de persoon die vervelend tegen je doet.   Bewaar vervelende berichten, zeker als het er veel zijn. Dat kan dienen als bewijs.   Praat over het pesten, tegen je ouders maar ook op school. Dan pas kan het stoppen.


9

9d Waarom pesten kinderen elkaar, denk je?

Opdracht a tot en met f doet iedere leerling individueel. In opdracht g volgt de klassikale nabespreking onder leiding van je leraar. Pesten kan offline maar ook online worden gedaan. 9a Wat is het verschil tussen online en offline gepest worden? 9e Hoe denk je dat iemand die gepest wordt, zich voelt?

9b Ben jij weleens online gepest? Leg je antwoord uit. 9f Grijp jij in als je online ziet dat er iemand gepest wordt? Waarom wel of niet? Wat doe je dan?

9c Heb jij wel eens online gepest? Leg je antwoord uit. 9g Onder leiding van je leraar wordt deze opdracht nabesproken.

Op www.digitaalpesten.nl vind je allerlei informatie over digitaal pesten op scholen; een heel zinvolle site voor zowel leerlingen als de ouders als de school!

les 4  Privacy en omgangsvormen op sociale media    205


„„ Online hulplijn Helpwanted

10

Bij de online hulplijn Helpwanted kun je terecht met vragen over seksueel misbruik. Dagelijks komen hier vragen binnen van jongeren die voor de webcam hun kleren hebben uitgetrokken. Ze zijn dan vaak bang dat er stiekem foto’s van zijn gemaakt en dat deze worden verspreid. Jongeren die verliefd op elkaar zijn, fotograferen elkaar soms ook bloot. Dat is niet erg, zolang die foto’s maar niet worden gedeeld. Maar soms gaat de verkering uit en neemt een van beiden wraak door de foto’s te verspreiden. Dat is strafbaar vanaf het moment dat de verspreider ouder is dan 12 jaar en hij of zij foto’s verspreidt van personen onder de 18 jaar.

Je bent aan het chatten met een vreemde, je vertrouwt hem of haar en hij/zij vraagt of je je kleren uit wilt trekken. 10a Zou jij dat in deze situatie kunnen doen? Leg je antwoord uit.

10b Wanneer weet je of je iemand kunt vertrouwen?

10c Heb jij weleens een gênante foto of filmpje van iemand doorgestuurd naar je vrienden? Zo ja, heb je je toen afgevraagd hoe dat voor de persoon die erop stond, zou zijn?

10d Hoe denk je daar nu over?

206  module  Mediawijsheid


Meesterproef Een krant maken over omgangsvormen op sociale media

Je maakt met de hele klas een online krant over omgangsvormen op sociale media.

„„ Inhoud krant Artikelen in jullie krant kunnen bijvoorbeeld gaan over:   ruzies en scheldpartijen op sociale media;   gebeurtenissen zoals Project X Haren, die uit de hand lopen, groter worden dan gedacht   privacykwesties   pesten;   vriendschap en/of informatie delen.

„„ Werkwijze

Criteria krant omgangsvormen

 Er staan twee verschillende nieuwsberichten in van ongeveer 500 woorden met verschillende bronnen (zie les 1).  Er staat één interview in met iemand die iets nieuws kan vertellen over dit onderwerp. Denk aan een deskundige of iemand die iets heeft meegemaakt. De lezers (en de leraar) zien de volgende zaken terug in de krant:  een toepassing met sociale media (zie les 3); bijvoorbeeld een oproep op Twitter voor een interview of voor informatie. Maar je mag ook iets anders bedenken;  jullie mening, mits het volkomen duidelijk is dat het om een mening gaat! Geef ook redenen / argumenten voor jullie mening.

De klas wordt in groepjes verdeeld en ieder groepje kiest één van de hiervoor genoemde onderwerpen om uit te werken. Jullie mogen zelf natuurlijk ook iets verzinnen wat met omgangsvormen te maken heeft. Vervolgens ga je met je groepje aan de krant werken. Ieder groepje levert een aantal artikelen in. Lees in het kader aan welke criteria de krant moet voldoen. Let op: In de onderzoeksfase gebruik van online en offline informatie.

Bij het zoeken naar online informatie pas je toe wat je in les 2 hebt geleerd!

„„ Eindproduct Je zorgt voor een verzorgd eindproduct:   Je positioneert de artikelen op een overzichtelijke manier.   Je zorgt voor beeld bij de teksten.   Je zorgt voor een duidelijke en pakkende opmaak van de krant.

„„ Presentatie Presenteer jullie krant in de klas. Hang hem op in het lokaal of in de gang.

Meesterproef    207


Extra schrijfruimte


Leswijs Studiebegeleiding

Leswijs Studiebegeleiding is een methode voor leerlingen in de brugklas en klas 2 van vwo, havo en vmbo. Door het verbeteren van jouw vaardigheden is de kans groot dat jij het voortgezet onderwijs met veel meer succes zult doorlopen.

STUDIEBEGELEIDING

De vaardigheden die je in deze methode oefent, zijn gericht op: ff

beter leren en je beter concentreren op school

ff

oefenen met het maken van aantekeningen, mindmaps en samenvattingen

ff

beter huiswerk maken

ff

je beter voorbereiden op een toets

ff

oefenen met toetsen maken

ff

meer inzicht krijgen in de hersenen, jouw karakter en jouw intelligenties

ff

beter communiceren met klasgenoten, leraren en ouders

ff

goed omgaan met stress

Ook digitaal! Alle theorie, opdrachten en filmpjes vind je ook op onze digitale leeromgeving. Met veel extra verdieping en herhaling. De methode is geschikt voor alle tablets en andere devices. Leswijs is een uitgave van: Dedact Levantplein 70 1019 MB Amsterdam www.leswijs.nl

ISBN: 978-94-91280-06-1

1

9 789491 280061

Dedact

STUDIEBEGELEIDING

1


Leswijs Studiebegeleiding beoordelingsexemplaar