Issuu on Google+

Leswijs Studiebegeleiding 2013 - 2014

1 Dedact

STUDIEBEGELEIDING

Leswijs Studiebegeleiding


Leswijs Studiebegeleiding

2013-2014

Naam

Klas


Auteurs Esmee Augustijn Frans Ottenhof Gerard Rozing Redactie Anneke Hesp

Š 2014

Dedact

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, geluidsband, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Bij de samenstelling van deze uitgave hebben de makers getracht alle rechthebbenden te achterhalen. Diegenen die desondanks menen rechten te kunnen doen gelden, worden verzocht contact met de uitgever op te nemen.


Leswijs Studiebegeleiding Onze vernieuwende methode Leswijs Studiebegeleiding is erop gericht de leerling zichzelf en zijn manier van leren te laten ontdekken, om vervolgens studiebegeleiding op maat te kunnen geven.

Door het lezen van stukjes theorie en het maken van opdrachten leert een leerling zichzelf en zijn leergedrag beter kennen. Hij leert bijvoorbeeld inzien hoe hij studeert, zich concentreert, hoe hij zich gedraagt op school en waar zijn interesses liggen. Aan de hand van de veelzijdige opdrachten – zowel individueel, als in groepjes en klassikaal – krijgt een leerling gerichte handvatten aangeboden om zich beter te concentreren en efficiënter en beter te leren en samenwerken. Leren moet je ook leren! Onze nieuwe methode Studiebegeleiding is gericht op de eerste twee leerjaren van het vwo, havo en vmbo en bevat in het totaal twaalf modules, die elk zijn opgebouwd uit vier lessen, aangevuld met een afsluitende opdracht, extra werkvormen en toetsvragen. U kiest met welke modules u wilt werken en bepaalt de voor u ideale volgorde.

De twaalf modules zijn: Mijn hersenen Iedereen is anders Wat voor leerling ben ik? Communiceren Angst en uitdaging Mindmaps Leren op school Huiswerk maken Toetsen maken Mediawijsheid Hoe was het op school? (module voor ouders) Uiteraard is de methode ook volledig digitaal te gebruiken. Kijk voor meer informatie op www.leswijs.nl/studiebegeleiding. Wilt u onze nieuwe methode Studiebegeleiding uitproberen? Dan biedt deze uitgave de ideale mogelijkheid om u een beeld te vormen van wat wij u te bieden hebben! Dedact

Inhoudsopgave 5 Leren op school 23 Communcatie

Gebruikte iconen bij de opdrachten individuele opdracht groepsopdracht (leerling met een of meer klasgenoten) klassikale opdracht (de hele klas, met de leraar)


l es w ij s

st udi e beg e le i di ng Les 1

Wat is communicatie?

Module

Les 2 Goed communiceren

Communicatie

Les 3 Spreken en luisteren

Interview met medeleerling

Les 4 Spreken in het openbaar

Naam: Klas: Datum:

Met welke mensen in je omgeving kun jij goed praten? Waarom kun je juist met hen goed praten, denk je?

Noem iemand die je bewondert, bijvoorbeeld omdat hij of zij zo goed kan praten of zichzelf zo goed kan presenteren. Welke van deze eigenschappen zou jij ook wel graag willen hebben? Waarom?

Heb je weleens een presentatie gegeven aan een grote groep mensen? Zo ja, vertel er dan iets meer over. Hoe voelde dit? Hoe ging het? Zo nee, hoe denk je dat dit voelt? Hoe denk je dat jij het zou doen?


bonan matenon

bonjour buenos días

ongiorno buenos días

dzień dobry

guten Morgen buenos días

bonjour

bonan matenon bon dia goedemorgen bon dia

buenos días buenos días bonan matenon dzień dobry おはようございます ongiorno buenos días bonan matenon

dzień dobry

günaydın

bonan matenon

bonjour buenos días

goedemorgen buongiorno buenos días bonan matenon bon dia günaydın bonan matenon bon dia goedemorgen

おはようございます

buenos días

bonan matenon

bonjour buenos días

おはようございます

dzień

guten

dzień dobry bon dia goedemorgen buongiorno buenos días bonan matenon bon dia bonan matenon buongiorno bon dia goedemorgen dzień bon dia günaydın bonan matenon bon dia goedemorgen dobry

bonjour buenos días bonjour buenosbonj días bonjour goedemorgen guten Morgen buenos días goedemorgen goedemorgen bon dia good morning bon dia bon dia bon buenos días buenos días buenos días buenos días bonjour buongiorno buongiorno bo bon dia good morningbuongiorno günaydın bon dia bonjour guten Morgen bonjour guten Morgen goedemorgen bonjour good morning goedemorgen good morning good mornin bon dia bon dia bonjour buenos días guten Morgen buenos días bonjour buenos días günaydın ongiorno buenos días goedemorgen buongiorno buenos días bon dia goedemorgen bon dia bonjour bon dia günaydın bon dia goedemorgen good buenos días buenos días bonjour おはようございます

おはようございます

buenos días

dzień dobry

buenos días

bonan matenon

dobro jutro

おはようございます

おはようございます

bonan matenon

dobro jutro dzień dobry

dzień dobry

dzień dobry

おはようございます

Les

1

dzień dobry

bonan matenon

おはようございます

bonan matenon

bonan matenon

dzień dobry

bonan matenon

dzień dobry

bonan matenon

bonan matenon

bonan matenon

dzień dobry

bonan matenon

dobro jutro

おはようございます

dzień

bonan matenon

bonan matenon

Wat is communicatie? In woordenboeken staat bij het woord ‘communicatie’: ‘een activiteit waarbij levende wezens betekenissen uitwisselen door op elkaars signalen te reageren’. Het Latijnse woord ‘communicare’ betekent dan ook ‘iets gemeenschappelijk maken’. In deze les leer je meer over communiceren.

Communiceren

Soorten communicatie

Om te communiceren zijn er drie dingen noodzakelijk (figuur 1): 1 een zender: de persoon die een boodschap aan de ander overdraagt; 2 een boodschap: datgene wat wordt gecommuniceerd; 3 een ontvanger: de persoon die de boodschap ontvangt. Stel, je nodigt een klasgenoot uit voor een feestje. Dan ben jij de zender, je klasgenoot is de ontvanger en de uitnodiging is de boodschap. Door middel van communicatie probeer je gedachten en gevoelens over te brengen aan de ander.

Communiceren doe je verbaal of non-verbaal. Bij verbale communicatie communiceer je met woorden. Dit doe je wanneer je een gesprek voert of woorden op papier (of scherm) zet, denk aan tekstuele uitingen, gedichten, liedjes en korte berichtjes. Wanneer je een boodschap communiceert zonder woorden het gebruiken, is er sprake van non-verbale communicatie. Non-verbale communicatie vindt bijvoorbeeld plaats door middel van lichaamstaal, het maken van handgebaren of mimiek. Ook het gebruik van een beeld – een foto, tekening, emoticon, icoon of pictogram (bijvoorbeeld het teken op een stopbord) – is een uiting van non-verbale communicatie.

Figuur 1: Communicatieschema

Zender

6

おはようございます

bonan matenon

module

Communicatie

Boodschap

Ontvanger


n Morgen

a

De boodschap De boodschappen die worden gecommuniceerd, zijn veelzijdig. Voorbeelden zijn: verhalen, ervaringen, verzoeken, vragen, uitnodigingen, opdrachten en aansporingen. Voor elke boodschap kan de zender de juiste – verbale of non-verbale – communicatievorm kiezen: een gesprek, brief, email, tweet, blog, voicemail, gebaar of lichaamstaal.

De zender Als zender moet je ervoor zorgen dat je boodschap helder overkomt bij de ontvanger. Je wilt namelijk niet dat er onbegrip ontstaat, want dan bereik je niet wat je wilde bereiken met het overbrengen van de boodschap. Dit kan gebeuren wanneer er sprake is van ‘ruis’: je spreekt bijvoorbeeld te zacht of de omgeving is

1 Je staat er vaak niet bij stil wat je met je lichaamstaal uitstraalt. Jouw manier van een klaslokaal binnenkomen bijvoorbeeld zegt al iets over hoe je je op dat moment voelt. Niet alleen je gezicht, maar ook je houding en je manier van lopen geven veel informatie over jou. 1a Beschrijf hoe jij meestal de klas binnenkomt. Kijk je bijvoorbeeld de klas in, ben je altijd veel te druk met iemand aan het praten, of ben je altijd in de weer je mobieltje?

te rumoerig.

Vorm en inhoud Wanneer de vorm en de inhoud van een boodschap elkaar niet goed aanvullen, kan de boodschap onbedoeld anders overkomen dan je voor ogen had. Hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan: iemand willen overtuigen met een angstige blik in je ogen; een vraag stellen met een dreigende stem; een venijnige tweet plaatsen terwijl je teleurgesteld bent. Als je in deze gevallen een andere ‘vorm’ had gekozen, was de inhoud beter tot zijn recht gekomen.

1b Doe jouw ‘loopje’ bij het binnengaan van de klas eens voor. Hoe zagen de anderen jou?

Wereldwijd lijken mensen veel op elkaar als ze communiceren. Maar de verschillen die er zijn tussen landen, kunnen tot misverstanden leiden.

Hoe je iets zegt, is minstens zo belangrijk als wat je zegt.

In Arabische landen is het een belediging om je schoenzool te laten zien aan de ander. In Thailand zal een zakenman alle vragen die hem worden gesteld altijd met ‘ja’ beantwoorden, ook als hij ‘nee’ bedoelt. In veel landen in Afrika is het onbeleefd om mensen lang aan te kijken als je met ze praat. Als je in Japan een presentatie geeft, sluit het hele publiek zijn ogen; dit is een teken van concentratie.

les 1

Wat is communicatie?

7


2 Jullie gaan in een drietallen emoties uitbeelden en raden. Je leraar verdeelt de klas in drietallen en geeft elk groepje tien kaartjes. Elk groepje bedenkt tien verschillende emoties en schrijft deze op de kaartjes. Twee leerlingen pakken één kaartje en beelden alletwee de emotie uit die op het kaartje staat. De derde leerling, de observant, raadt welke emotie de twee anderen uitbeelden en kijkt welke overeenkomsten en verschillen er zijn in het uitbeelden van de emotie. 2a Als observant vul je het ‘Observatieschema Emoties uitbeelden’ in. Overleg met je leraar hoeveel rondes er zijn en

2b Kom je grote verschillen tegen?

vul voor elke ronde een rij in.

Observatieschema Emoties uitbeelden Noteer in de eerste kolom welke emoties je medeleerlingen uitbeelden. Noteer in de tweede en derde kolom de verschillen en overeenkomsten tussen beide uitbeeldingen. Emotie

Overeenkomsten

1

2

3

4

5

8

module Communicatie

Verschillen


3 Je gaat bij verschillende emoties een boodschap verzinnen. Samen met je klasgenoot kies je de beste uit. 3a Bekijk figuur 2, je ziet een afbeelding waarop een meisje verschillende emoties uitbeeldt. Kies (ieder) drie foto’s uit. Schrijf in het schema hieronder bij elke foto een tweet die er goed bij past.

Figuur 2: Het uitbeelden van verschillende emoties

1 9

Een tweet bestaat uit niet meer dan 20 woorden (140 tekens). 3b Samen met je klasgenoot lees je elkaar omstebeurt jullie tweets voor. De een leest voor, de ander bekijkt welke foto erbij past en omcirkelt deze in het eigen boek.

2 10 3 11

3c Bekijk met elkaar welke tweets ieder goed had geraden. Hoeveel had jij er goed? 3d Geef jullie beste tweet door aan je leraar. Je leraar leest de beste tweets voor in de klas (of laat dit doen door een leerling).

4 12 5

Fotonummer

13

Tweet

6 14 7 15 8 16

les 1 Wat is communicatie?

9


Les

2

Goed communiceren Goed communiceren is een vak part. Waarom krijgen sommige mensen alles gedaan en wordt er naar anderen niet geluisterd? In deze les leer je meer over hoe je op een goede wijze communiceert.

Aandacht hebben van de ontvanger ‘Hoor je me niet of zo? Ik sta toch niet tegen een muur te praten? Jij begrijpt ook niks!’ Misschien krijg jij als ontvanger van een boodschap weleens zoiets te horen. Dit kan te maken hebben met je houding. Je zit bijvoorbeeld te tekenen. En de ‘zender’ kan niet weten dat jij nu net iemand bent die meer oppikt van wat er wordt gezegd als je mag krabbelen! Het allerbelangrijkste voor het zenden van een boodschap is dat je meteen bij de start van een gesprek de aandacht van de ontvanger hebt, en dat je dit ook herkent!

Lichaamstaal van de zender Als zender bepaal je met jouw lichaamstaal voor ruim 50 procent wat iemand met jouw verhaal doet. Je stemgebruik telt voor bijna 40 procent mee. Er blijft dus niet zo heel veel over voor de woordelijke boodschap, het echte verbale deel. Daarom is het noodzakelijk dat je bij het zenden van een boodschap én een goed verhaal hebt én op je lichaamstaal en stemgebruik let.

Als je wilt dat mensen naar je luisteren als er iets fout gaat, gebruik je een ik-boodschap. 10

module

Communicatie

Ik-boodschap en jij-boodschap Bij een ik-boodschap gaat de zender van de boodschap van zichzelf uit en laat hij merken waar hij mee zit, wat er bij hem speelt: ‘Ik vind het jammer dat ik voor niks heb gewacht.’ Bij een jij-boodschap wijst de zender naar de ontvanger en beschrijft wat diegene heeft gedaan: ‘Jij hebt mijn hele middag verpest, want je kwam niet.’ Mensen luisteren verschillend naar een ik-boodschap en een jij-boodschap. Een ik-boodschap geeft aan dat de zender het liever anders had gehad. Dit biedt de ontvanger de mogelijkheid uit te leggen hoe het kwam of te zeggen dat het hem spijt. De zender nodigt de ontvanger uit om begrip op te brengen voor zijn kant van de zaak. Met een jij-boodschap wijst de zender naar de ontvanger, die zich vervolgens gaat verdedigen of de boodschap gaat ontkennen. Er kan gemakkelijker een conflictsituatie ontstaan. Ik-boodschappen werken beter dan jij-boodschappen, met name wanneer je iemand aanspreekt op zijn gedrag.


4

Luister eerst naar de hele boodschap

Deze opdracht doe je met zijn tweeën. Je gaat oefenen in goed communiceren.

Soms ontvang je weleens een vreemde boodschap, een boodschap die je niet meteen begrijpt. Dan bestaat de kans dat je wilt reageren op de boodschap, voordat deze in zijn geheel is overgedragen. Doe dit niet: luister naar de gehele boodschap voordat je reageert!

4a In figuur 3 zie je zeven kolommen. Kies uit elke kolom één woord en zet ze achter elkaar in een zin. Maak in het totaal twee zinnen. Zin 1:

Regels voor goed communiceren 1 2 3

4 5

Bedenk altijd eerst wat je wilt bereiken met het bericht. Bedenk hoe een ander het bericht zal opnemen. Probeer een ik-boodschap te formuleren. Bepaal welke communicatievorm het meest geschikt is voor het bericht: een gesprek, een

Zin 2:

telefoontje, een mail of een tweet. Luister en kijk goed naar de ontvanger, zorg ervoor dat je zijn aandacht hebt en houdt. Vat samen wat je hebt afgesproken.

4b Lees omstebeurt aan elkaar je zinnen voor. Je zinnen kunnen best een beetje raar klinken, maar dat geeft niets. Je klasgenoot luistert heel goed naar je en herhaalt jouw zin. Heeft je klasgenoot alles onthouden? Ja / Nee 4c Zo ja, hoe heeft je klasgenoot dit gedaan? Zo nee, kan je klasgenoot hier een reden voor geven?

Figuur 3: Schema om zinnen mee te maken

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Kolom 5

Kolom 6

Kolom 7

blij

reus

rijdt

wel

uit

groene

woestijn

groot

meisje

loopt

niet

naast

saaie

kameel

vervelende

prinses

slaapt

soms

onder

geweldige

Sinterklaas

boze

juf

moppert

aan

verrassende

lokaal

rood

dokter

droomt

op

dikke

trein

fietst

tussen

vrolijke

hert

kale

conducteur conducteur

verward

soldaat

kletst

in

blauwe

lawaai

drukke

coureur

slentert

voor

harde

rugzak

groene

reiziger

roept

bij

ouderwetse

iPhone

sloom

chauffeur

duwt

tegen

levendige

potlood

rijke

tandarts

trekt

van

versleten

rooster

bazig

kabouter

verplaatst

naar

originele

deurbel

4d Probeer ook eens een zin te maken door twee rijen te combineren (je maakt dan dus een zin met meer dan zeven woorden).

4e Lees ook deze zin aan de ander voor. Kan je klasgenoot nu alles onthouden? Ja / Nee

les 2

Goed communiceren

11


5 Je gaat in de klas het rollenspel Verkoop doen. Gebruik hiervoor het volgende stappenplan.

Stappenplan bij rollenspel Verkoop Voorbereiding Je leraar verdeelt de klas in twee groepen: verkopers en ontevreden klanten. Je leraar leest een verhaaltje voor waaruit blijkt dat de klant terecht ontevreden is over zijn aankoop. Hij klaagt erover bij de verkoper. De verkoper wil tot een goede oplossing komen. Iedere leerling krijgt vijf minuten om zich op zijn rol voor te bereiden. Uitvoering Je leraar roept enkele verkopers en klanten naar voren die de situatie naspelen én tot een goede oplossing proberen te komen. Dit wordt een aantal keer herhaald. Observatie Als je geen verkoper of klant bent, observeer je je klasgenoten: je let goed op en noteert hoe jouw klasgenoten het stukje uitvoeren. Hiervoor gebruik je het ‘Observatieschema bij rollenspel Verkoop’. Evaluatie Met je leraar bespreek je het rollenspel kort na. De verkopers en klanten krijgen vast bruikbare tips.

5a Als je geen verkoper of klant bent, ben je ‘observant’: je observeert (bekijkt) je klasgenoten goed en let op hoe zij het stukje uitvoeren. Je vult het schema hiernaast in. 5b Welke tips werden tijdens de evaluatie aan jou gegeven?

12

module

Communicatie

Observatieschema bij rollenspel Verkoop Boven in het schema zet je de namen van je klasgenoten die verkoper en die klant spelen. Je let bij het invullen van de rijen erna op de volgende punten: 1 Lichaamstaal: Past de lichaamstaal van je klasgenoot bij de situatie? 2 Doorvragen: Vraagt je klasgenoot door of is hij heel snel tevreden met een antwoord? 3 Ik-boodschap: Hoor je bij je klasgenoot een ikboodschap? 4 Samenvatten: Vat je klasgenoot de situatie op een gegeven moment samen? 5 Doel bereikt: Wie heeft uiteindelijk zijn doel bereikt? Is het ‘de klant’ gelukt om te ruilen of bleef ‘de verkoper’ bij zijn besluit? Je geeft op elk van deze punten een score van 1 tot 5, waarbij 1 de laagste score is en 5 de hoogste. Je kunt met deze schema’s in het totaal drie rollenspelen observeren. Rol 1

Lichaamstaal

2

Doorvragen

3

Ik-boodschap

4

Samenvatten

5

Doel bereikt?

Rol 1

Lichaamstaal

2

Doorvragen

3

Ik-boodschap

4

Samenvatten

5

Doel bereikt?

Rol 1

Lichaamstaal

2

Doorvragen

3

Ik-boodschap

4

Samenvatten

5

Doel bereikt?

Verkoper

Klant

Verkoper

Klant

Verkoper

Klant


Les

3

Spreken en luisteren Als je iets vertelt, wil je graag dat de ander naar je luistert en begrijpt wat je zegt. Om goed te spreken kun je op een aantal dingen letten. Ook als je goed wilt luisteren naar wat er wordt gezegd, kun je je aan een aantal regels houden. In deze les komen de spreek- en luisterregels aan bod. Ook gaan we in op improvisatie en telefonische communicatie.

Goed spreken Om ervoor te zorgen dat de boodschap die je wilt overbrengen ook daadwerkelijk aankomt, is het belangrijk dat je je aan een aantal ‘regels’ houdt. We bespreken de drie belangrijkste spreekregels.

Spreekregels 1 2 3

Spreek rustig. Spreek duidelijk. Maak contact door de luisteraar aan te kijken.

1 Spreek rustig Zorg ervoor dat je niet te snel spreekt. Je spreektempo hangt samen met je ademhaling; als je te snel spreekt moet je soms naar adem happen! Bouw tijdens het spreken pauzes in waarin je even diep ademhaalt. Zorg dat je schouders ontspannen zijn terwijl je spreekt.

2 Spreek duidelijk Je bent duidelijker te verstaan als je goed articuleert. Dit houdt in dat je de klanken van woorden zorgvuldig uitspreekt en duidelijk laat horen. Let hierop tijdens het spreken. Stem je stemvolume (hoe hard of zacht je praat) af op de luisteraars. Als je voor een groep spreekt, moet je luider spreken dan dat je in een gesprek zou doen. Houd ook rekening met de spreekrichting. Als je de luisteraar aankijkt, kan hij jou beter verstaan. Niet alleen omdat de geluidsstroom zijn kant op komt maar ook omdat hij jou ziet spreken, hoort hij jou beter. 3 Maak contact Het is belangrijk dat je als spreker de luisteraar aankijkt. Zo zie je aan zijn gezicht of hij jouw verhaal begrijpt. Kijkt hij vragend? Dan kun je je verhaal op een andere manier vertellen. Bij het spreken voor een grote groep kijk je iedereen in het publiek rustig aan. Als je dit eng vindt, kijk dan niet in de ogen van de mensen maar er net boven, naar de voorhoofden.

les 3 Spreken en luisteren

13


Goed luisteren Je weet niet altijd of iemand goed naar je luistert of niet. Toch ken je vast wel mensen om je heen van wie je weet dat ze goed kunnen luisteren of dat juist niet zo goed kunnen. ‘Hoi, Ricardo! Kom je morgen nog kijken naar mijn wedstrijd?’ ‘Nee, welke wedstrijd?’ ‘Dat had ik vanochtend toch verteld? De wedstrijd tegen de koploper!’ ‘Nee, ik kan niet. Mijn fiets is kapot.’ ‘Dan brengt je moeder je toch?’ ‘Mijn moeder ligt in het ziekenhuis. Dat zei ik gisteren nog tegen je.’ Goed luisteren betekent niet dat je voortdurend je mond moet dichthouden terwijl de ander tegen je praat. Natuurlijk is het wel belangrijk dat je niet dwars door de spreker heen praat. We bespreken de drie belangrijkste luisterregels.

Luisterregels 1 2 3

Praat niet door de ander heen. Laat zien dat je luistert door de ander aan te kijken. Neem een geïnteresseerde houding aan.

1 Praat niet door de ander heen Een basisvoorwaarde voor een goed gesprek is dat je als luisteraar de spreker laat uitspreken. Hiermee laat je ziet dat je respect hebt voor de spreker en zijn boodschap. Je jaagt de spreker niet op en laat hem rustig zijn zegje doen. Pas daarna reageer jij. 2 Laat zien dat je luistert door de ander aan te kijken Tijdens het gesprek houd je contact met de spreker door hem aan te kijken. Je laat zien dat je naar hem luistert door oogcontact te maken, regelmatig te knikken of even een bevestigende uitlating als ‘ahum’ of ‘ja’ te doen. 3 Neem een geïnteresseerde houding aan Vaak luisteren mensen met een vooropgesteld beeld of doel: ze gaan ervan uit dat ze al weten wat de spreker gaat vertellen en hebben hun oordeel al klaar. En jij? Begin jij met een open mind? Probeer je oordelen en verwachtingen los te laten en stel je open voor de boodschap van de spreker. Wees nieuwsgierig. Stel vragen. Vraag door als je iets niet begrijpt. Wissel ideeën uit en word er wijzer van.

Vraag door als je iets niet begrijpt.

Figuur 4: De meestgemaakte fouten door sprekers

Figuur 5: De meestgemaakte fouten door luisteraars

Spreekfouten Top-10

Luisterfouten Top-10

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

14

te snel praten onverstaanbaar praten de luisteraar niet aankijken saai en eentonig praten doorpraten zonder op de luisteraar(s) te letten een ongeïnteresseerde houding aannemen niet goed formuleren; een onduidelijke woordkeuze vaak haperen, woorden herhalen of ‘eh’ zeggen het taalgebruik niet aanpassen aan het publiek te lange zinnen maken, waardoor men het niet meer begrijpt

module

Communicatie

door de spreker heen praten de spreker niet aankijken een ongeïnteresseerde houding aannemen de spreker niet laten uitpraten oordopje(s) in het oor hebben tijdens het gesprek andere dingen doen zinnen van de spreker afmaken reageren op onbelangrijke zaken geen vraag stellen zich laten afleiden door anderen


6

Improviseren

Jullie gaan in groepjes van drie à vier leerlingen elkaar vragen stellen om achter de boodschap te komen die waar is. 6a Schrijf drie dingen op over jezelf die de anderen nog niet weten. Twee boodschappen zijn verzonnen en één boodschap is echt waar. 1

Misschien weet jij al wel wat improviseren is of heb je het zelfs al best vaak gedaan. Improviseren betekent: ‘het onvoorbereid spreken, of zingen, of toneelspelen’. Wanneer je dus zomaar voor de vuist weg reageert op een bepaalde situatie, zonder dat je daar van tevoren aanwijzingen over hebt gehad, ben je aan het improviseren. Cabaretiers kunnen vaak heel goed improviseren. Ze vragen iemand uit de zaal zomaar iets te roepen en gaan daar dan – zonder verdere voorbereiding – meteen op in … en vaak zijn ze dan nog grappig ook!

2

3

Als je goed kunt improviseren, hoef je je niet meer zo druk te maken over situaties waarbij je iets moet vertellen zonder dat je je hebt kunnen voorbereiden. Door te oefenen met improviseren leer je ook creatiever te zijn.

6b Welke zinnen over je klasgenoten zijn waar? Stel elkaar de juiste vragen en ontdek welke boodschap waar is. Noteer de naam van de klasgenoot en de boodschap die waar is hieronder.

7

Waarheid over klasgenoot

:

Waarheid over klasgenoot

:

Je gaat oefenen met improviseren: kun jij een voorwerp aan een ander verkopen? Je leraar heeft een voorwerp gepakt en laat dat in de klas zien. Jij gaat dit voorwerp aan een ander verkopen. Iedereen krijgt twee minuten om zich voor te bereiden. Maak groepjes en houd in je groepje omstebeurt je verkooppraatje. Wie is de beste verkoper bij jullie? Deze leerling gaat het voorwerp nogmaals verkopen, nu voor de hele klas. Wie is de beste verkoper?

Waarheid over klasgenoot

:

6c Welke klasgenoot slaagde er het best in zijn leugens als waarheid te verkopen … wie kan het best liegen?

les 3

Spreken en luisteren

15


Communiceren via de telefoon Goed communiceren via de telefoon is een vak apart. Vaak hebben telefonische verkopers een intensieve training gehad, voordat zij met klanten mogen bellen. Een aantal regels die zij leren, zijn goed bruikbaar voor iedereen die een telefonisch gesprek voert.

Regels telefonisch communiceren 1 2 3 4 5

Wacht met het geven van de essentiële informatie. Vraag of het uitkomt. Laat de ander ‘een komma maken’. Gebruik mimiek tijdens het praten. Herhaal de afspraken en sluit duidelijk af.

1 Wacht met het geven van de essentiële informatie Zeg eerst ‘Goedemorgen, je / u spreekt met ...’ Geef daarna aan dat je iets gaat vragen of vertellen, zodat de ander weet wat er gaat komen. Geef de ander dus de tijd om goed te gaan zitten en zich open te stellen voor het gesprek, zodat je de volle aandacht hebt. 2 Vraag of het uitkomt Probeer te peilen hoe de ander zich voelt. Als je iemand belt weet je vaak niet waar diegene is, wat hij doet of wat hij denkt. Probeer te achterhalen hoe de ander zich voelt. Begin het gesprek alleen als je weet dat de ander er open voor staat. Je vraagt toch ook niet om een voorschot op je zakgeld wanneer je vader net zijn telefoon in de wc heeft laten vallen! 3 Laat de ander ‘een komma maken’ Als je gesprekspartner tegenover je zit tijdens een gesprek en je hem dus kunt zien, begrijp je beter of hij is uitgepraat of een vervolgzin voorbereidt. Bij een gesprek over de telefoon weet je dit niet altijd. Wacht daarom altijd een tel voordat je zelf gaat praten, zodat je zeker weet dat de ander is uitgepraat. 4 Gebruik mimiek tijdens het praten Als je een vrolijk gezicht hebt aan de telefoon, wordt je stem anders. De ander merkt dit. Probeer het maar eens uit: je krijgt echt meer gedaan als je daadwerkelijk glimlacht tijdens het praten, ook aan de telefoon. 5 Herhaal de afspraken en sluit duidelijk af Om er zeker van te zijn dat iemand jouw boodschap goed heeft begrepen, is het verstandig deze kort samen te vatten. Als je bijvoorbeeld een afspraak hebt gemaakt om na school iets te gaan doen, vat je aan het eind van het telefoongesprek de belangrijkste dingen nog even samen: ‘Oké, ik zie je vanmiddag om drie uur met je fiets bij het hek.’

16

module

Communicatie


8 Je gaat met de hele klas een aantal filmpjes over telefonisch communiceren bekijken die je leraar opzet. In deze filmpjes wordt niet altijd goed gecommuniceerd. Wat valt jou op? Bekijk de regels van goed telefonisch communiceren nog eens goed. Vul daarna het observatieschema in. Samen met je leraar bespreek je de filmpjes na.

Observatieschema telefonisch communiceren Geef in de tweede kolom het nummer van de regel aan die wordt overtreden. Gebruik hiervoor de 'Regels telefonisch communiceren' die hiervoor zijn behandeld. Geef in de derde kolom aan waaraan je dit kunt zien. Film (nr.)

Overtreden regel (nr.)

Dit kan ik zien doordat:

les 3

Spreken en luisteren

17


Les

4

Spreken in het openbaar In een veilige omgeving kun je waarschijnlijk heel goed je verhaal vertellen. Maar het is anders als je in een minder vertrouwde omgeving je boodschap wilt overbrengen. Spreken voor publiek is een vak apart! In deze les gaan we dieper in op het spreken in het openbaar.

Spreken voor publiek Misschien heb je weleens meegemaakt dat je tijdens je presentatie zo gehaast was, dat je de grote lijnen uit het oog verloor. Niemand snapte waar je het eigenlijk over wilde hebben. Of je was aan de beurt om een spreekbeurt te houden, maar je blokkeerde toen je alleen voor de klas stond. Spreken voor publiek doe je niet zomaar even! Om een goede toespraak te houden, is een aantal dingen belangrijk.

Het houden van een toespraak 1 2

3 4

18

Bereid je goed voor op de toespraak. Zorg ervoor dat je de aandacht van het publiek trekt en vasthoudt tijdens je toespraak. Lees je toespraak niet voor, maar vertel wat je over wilt brengen. Gebruik beeldmateriaal bij je verhaal.

module

Communicatie

1 Bereid je goed voor Een toespraak geef je niet zomaar; deze bereid je goed voor. Je doet dit als volgt: Vraag jezelf af waarom je de toespraak houdt, voor wie hij is bedoeld en wat je wilt vertellen. Schrijf je toespraak uit. Je kunt echt alles opschrijven, maar ook alleen een paar trefwoorden. Zorg ervoor dat je de tekst goed kunt lezen: gebruik een duidelijk, groot lettertype. Oefen je toespraak. Lees hem hardop voor, dan hoor je hoe de tekst overkomt. Doe dit eerst voor jezelf en dan voor familie en/of vrienden. Zij kunnen zeggen wat ze van de toespraak vinden. Pas je toespraak aan indien dit nodig is.


2 Trek de aandacht en houd deze vast Als je je toespraak houdt, is het belangrijk dat je de volle aandacht van je publiek hebt … en houdt. Een goede opbouw van je toespraak is daarom erg belangrijk. Je toespraak moet een inleiding, een middenstuk en een afsluiting hebben. In de inleiding trek je de aandacht van het publiek. Pas in het middenstuk geef je de belangrijkste informatie. In de afsluiting herhaal je de belangrijkste punten. De inleiding In je inleiding trek je de aandacht van het publiek door de eerste zinnen van je toespraak heel ‘pakkend’ te maken. Begin bijvoorbeeld met het schetsen van een grappige situatie of vertel iets over wat je hebt meegemaakt. Ook kun je beginnen met een grappige uitspraak of een leuk plaatje, dit roept meteen emoties op bij het publiek. Let op: al deze dingen moeten natuurlijk wel passen bij de gelegenheid. Zorg er daarom voor dat je van tevoren weet of je inleiding (je grapje, beeld, filmpje of uitspraak) wel echt leuk is. Een grap mag nooit kwetsend zijn. Het middenstuk Na de ‘pakkende’ inleiding geef je de belangrijkste informatie. Dit noem je het middenstuk. Bij een spreekbeurt over herten vertel je hier bijvoorbeeld iets over de kenmerken van een hert. De afsluiting Na het middenstuk sluit je je toespraak af: eerst vat je alles wat je hebt gezegd kort samen. Daarna sluit je af met een ‘pakkende’ opmerking, met je mening of met een vraag. Deze kunnen teruggrijpen op dat wat je in je inleiding hebt gezegd. Dit is het slot.

3 Vertellen en niet voorlezen Voor het publiek is het erg saai als er een spreker staat die niet vertelt, maar staat voor te lezen. Het publiek zal daardoor afhaken. Lees je toespraak dus niet voor maar vertel wat je te zeggen hebt. Kijk de zaal in en maak contact met je publiek. Denk daarbij aan de volgende punten.

Aandachtspunten bij het spreken voor publiek Natuurlijk mag je weleens op je blaadje spieken, maar kijk het publiek wel regelmatig aan. Zo betrek je hen bij je verhaal. Probeer tijdens je toespraak zo rustig mogelijk te spreken. Dit doe je door duidelijk te spreken en spreekpauzes in te lassen. Als je een foutje maakt, begin je opnieuw met het woord of de zin. Vertel je verhaal met enthousiasme!

4 Beeldmateriaal gebruiken Om het voor jezelf bij een presentatie iets gemakkelijker te maken, kun je je verhaal ondersteunen met beeldmateriaal. Dit zorgt voor extra afwisseling en bovendien sta jij dan niet zelf de hele tijd in het middelpunt van de belangstelling. Zorg er wel voor dat wat je laat zien, aansluit bij je verhaal en – in het geval van een filmpje – niet te lang duurt. Het publiek moet naar jou kijken en af en toe naar de beelden, niet andersom. Als je je publiek alleen maar naar beelden en filmfragmenten laat kijken, zal het gaan wegdromen. Vrijwel niemand zal je verhaal nog volgen.

Goed beeldmateriaal ondersteunt je verhaal en biedt afwisseling.

les 4

Spreken in het openbaar

19


9

10

Je gaat het rollenspel ‘De Reddingsboot’ doen met de klas. Lees eerst het stappenplan door en ga daarna aan de slag.

In de klas ga je een ‘wandelende vragenbingo’ houden, een oefening om je klasgenoten (nog) beter te leren kennen. Eerst vul je de bingokaart hiernaast in, daarna ga je op onderzoek uit!

Wie is de winnaar? Wie is de overlevende in de reddingsboot?

10a Iedere leerling bedenkt acht gesloten vragen die je aan klasgenoten kunt stellen. Gesloten vragen zijn vragen die je met ‘ja’ of ‘nee’ kunt beantwoorden, bijvoorbeeld: woon je in een stad, ben je in maart jarig?

Stappenplan bij rollenspel De Reddingsboot Voorbereiding Iedere leerling schrijft op een los blaadje de naam van een bekend personage. De leraar verzamelt alle blaadjes en doet ze in een doos. De leraar kiest vijf vrijwilligers. Deze vijf leerlingen pakken omstebeurt een briefje uit de doos en lezen de naam op van het personage dat ze gaan aannemen in het rollenspel. Uitvoering Met zijn vijven zitten jullie in een klein bootje, dat midden op de grote oceaan ronddobbert. Het bootje is lek gegaan en zal na verloop van tijd zinken, als er meer dan één persoon in het bootje blijft zitten. Ieder personage houdt een toespraak waarin hij vertelt waarom hij of zij juist in het bootje moet blijven zitten! Ronde 1: Ieder personage vertelt zo overtuigend mogelijk waarom hij of zij in het bootje moet blijven. Het publiek kiest na de eerste ronde welke twee personages afvallen. Ronde 2: De drie overgebleven personages geven ieder een toespraak waarin ze aangeven waarom de andere twee uit de boot moeten en zij juist moeten blijven zitten. Het publiek kiest de meest overtuigende van de drie.

20

module

Communicatie

Vul jouw acht gesloten vragen in op de bingokaart op de volgende bladzijde. 10b Je gaat met jouw bingokaart in de hand op onderzoek uit: Je loopt door de klas en stelt je klasgenoten jouw vragen. Je stelt elke vraag aan iemand anders, zodat je zo veel mogelijk verschillende klasgenoten spreekt. Als je een ‘ja’ als antwoord krijgt, zet je op de bingokaart een kruisje of streepje bij die vraag, te beginnen bij ‘Ronde 1’. Wie heeft de meeste antwoorden met ‘ja’? Om iedereen beter te leren kennen, kun je in het totaal drie rondes spelen.


Vragenbingokaart Vragen:

Aantal keer ‘ja’ (ronde 1)

Aantal keer ‘ja’ (ronde 2)

Aantal keer ‘ja’ (ronde 3)

1

2

3

4

5

6

7

8

les 2 Spreken in het openbaar

21


Extra schrijfruimte

22

module

Communicatie


l es w ij s

st udi e beg e le i di ng Les 1

Je concentreren

Module

Les 2 Aantekeningen maken

Leren op school

Les 3 Oefenen aantekeningen maken

Interview met medeleerling

Les 4 Een samenvatting maken

Naam: Klas: Datum:

Wat is voor jou de belangrijkste reden om je best te doen op school?

Wat vind je goed aan het onderwijs op jouw school?

Hoe zouden de leraren ervoor kunnen zorgen dat je nog beter kunt leren?


Les

1

Je concentreren Ergens je aandacht bij kunnen houden … soms kost dit je geen enkele moeite. Bij een leuke les, een spannend boek, een goede film of een nieuwe game gaat het vanzelf en vliegt de tijd voorbij. Bij minder leuke dingen gaat het echter niet zo eenvoudig en moet je veel meer je best doen om op te letten. In deze les gaan we in op hoe jij je beter kunt concentreren.

Concentratie Misschien overkomt jou dit ook weleens: Je leraar is heeft net iets uitgelegd en je kunt absoluut niet navertellen wat hij heeft gezegd. Je zit in de klas en moet voor jezelf werken, maar je wordt constant afgeleid. Je zit thuis achter je bureau in je studiemateriaal te lezen en je betrapt jezelf erop dat je geen idee hebt wat er staat. Je komt thuis en je weet dat je een heleboel huiswerk moet maken, maar je hebt absoluut geen zin om eraan te beginnen. Dit heeft allemaal te maken met concentratie, of – simpeler gezegd – met ‘ergens je aandacht bij kunnen houden’.

24

module

Leren op school

Betekenissen 'concentreren' 1 2 3 4 5 6 7 8 9

aandacht houden bijeenbrengen bijeenkomen dichter maken focusseren indampen rustig werken sterker maken werken zonder verstoring

Je concentreren houdt in dat je je aandacht ergens bijhoudt.


1

2

Hoe goed kun jij je concentreren? Je gaat de vragen in het schema hieronder beantwoorden. Je zult merken dat de vragen soms op elkaar lijken, maar dat geeft niets.

Ga eens bij jezelf na wanneer je je heel goed kunt concentreren. Is dit bij het lezen van een goed boek, bij het uitvoeren van je hobby, vlak voor een wedstrijd, als je naar muziek luistert, als je een game speelt, of op andere momenten?

1a Lees de vragen en kruis aan welke werkwijze het meest overeenkomt met hoe jij werkt. 1b Je gaat verschillende antwoorden in het schema een groene kleur geven. Maak van de eerste set vragen (1 t/m 8) de antwoorden ‘Doe ik’ groen. Maak van de tweede set vragen (9 t/m 16) de antwoorden ‘Doe ik niet’ groen.

Schrijf drie situaties op waarin jij je goed kunt concentreren. 1

2 1c

Je gaat je antwoorden evalueren: Bekijk de eerste set vragen (1 t/m 8). Hoeveel ‘groene antwoorden’ heb jij daar? Bekijk de tweede set met vragen (9 t/m 16). Hoeveel ‘groene antwoorden’ heb jij daar? In welke kolom van de tweede set vragen moet de je meeste kruisjes hebben? In welke kolom van de tweede set vragen staan bij jou de meeste kruisjes?

3

Weet ik niet Doe ik niet Doe ik

Doe ik niet

Weet ik niet

Doe ik

Vragen over concentratie

Vragen over concentratie

Eerste set vragen

Tweede set vragen

1

Ik maak tijdens de les vaak aantekeningen.

9 Bij de meeste lessen lukt het me niet goed op te letten.

2

Als ik met mijn huiswerk bezig ben, werk ik meestal lekker door.

10 Het kost me veel inspanning om aan mijn huiswerk te gaan beginnen.

3

Als ik tijdens de les huiswerk maak, laat ik mij niet gauw afleiden.

11 Ik zit tijdens de lessen vaak te kletsen.

4 Als de leraar iets op het bord schrijft, let ik goed op.

12 Als ik huiswerk maak en iets hoor, dan wil ik meteen weten wat er aan de hand is.

Bij de meeste lessen let ik goed op.

13 Tijdens de les doe ik vaak mee met lol maken.

6 Als ik met mijn huiswerk bezig ben, kan ik dit gemakkelijk een uur volhouden.

14 Als ik thuis mijn huiswerk maak, zit ik vaak te treuzelen.

7

15 Ik zit onder de les vaak te dromen.

5

Als de leraar de stof bespreekt voor een proefwerk, dan let ik goed op.

8 Ik probeer bij een vak dat ik moeilijk vind extra goed op te letten.

16 Als ik thuis mijn huiswerk maak, wil ik vaak eigenlijk iets anders doen.

les 1 Je concentreren

25


Afleiders

3

Als je met iets bezig bent, kun je op verschillende manieren worden afgeleid. Dingen die jou afleiden noemen we ‘afleiders’. Afleiders kunnen dingen zijn die in jezelf zitten (je gedachten die afdwalen), of personen of dingen van buitenaf (andere mensen of dingen die jou afleiden). Evelien wil wel opletten tijdens de les, maar haar gedachten dwalen constant af naar morgen … dan is ze jarig! Bas ergert zich rot aan zijn buurman, die de hele tijd op zijn stoel zit te wippen. Zo kan hij zich toch niet concentreren!

Lees de tekst in figuur 1 ‘Kees en de triatlon’. In de tekst staat een ‘afleider in jezelf’ en een ‘afleider van buiten’. 3a Wat is bij Kees de ‘afleider in zichzelf’?

3b Wat is bij Kees de ‘afleider van buiten’?

Figuur 1: Kees en de triatlon

Kees kan maar moeilijk zijn aandacht bij het huiswerk houden. Morgen is er op school een sportdag en hij doet mee aan de triatlon. Zijn gedachten dwalen constant af: ‘Zou het morgen goed weer zijn om te fietsen, te zwemmen en hard te lopen? Hoe doe ik dat met drinken en eten? Moet ik nog extra kleding meenemen? Waar zijn mijn sportschoenen nou gebleven? Zal ik Nick nog even bellen om te vragen hoe laat we op het sportveld moeten zijn?’ Net als hij tegen zichzelf heeft gezegd dat hij al die gedachten moet stopzetten en aan het werk moet gaan, zet zijn broer de radio aan. Hij begint ook nog keihard mee te brullen met die vreselijke zangeres. Nu kan Kees zich helemaal niet meer concentreren op zijn huiswerk!

4 Denk eens aan de vakken die je op school krijgt. Er zullen vakken zijn waarbij je je goed kunt concentreren en vakken waarbij je snel bent afgeleid. 4a Bij welke vakken kun jij je tijdens de les of het huiswerk maken het best concentreren? Waarom? Vul in volgende zinnen de vakken in en maak de zin af. Ik kan me goed concentreren bij het vak , omdat

Ik kan me goed concentreren bij het vak , omdat

Ik kan me goed concentreren bij het vak , omdat

26

module

Leren op school


4b Bij welke vakken kun jij je tijdens de les of het huiswerk maken het minst goed concentreren? Waarom? Vul in volgende zinnen de vakken in en maak de zin af. Ik kan me NIET goed concentreren bij het vak , omdat

Jouw ‘afleiders’ uitschakelen Je hebt nu op een rijtje gezet wat ‘afleiders’ zijn voor jou en bij welke vakken deze afleiders een rol spelen. Dit is een eerste, belangrijke stap die je gezet moet hebben om je concentratie te kunnen verbeteren! Bij de volgende stap ga je in op de vraag: ‘Hoe kan ik deze afleiders uitschakelen, zodat ik mij beter kan concentreren?’

Om je beter te kunnen concentreren, is het belangrijk dat je weet wat jouw ‘afleiders’ zijn.

Ik kan me NIET goed concentreren bij het vak , omdat

5 Ik kan me NIET goed concentreren bij het vak , omdat

Wat zou jij kunnen doen om je aandacht erbij te kunnen houden tijdens de les, of thuis bij het huiswerk maken? Kruis je antwoord(en) aan. Op school:

Ik vind het veel leuker om met mijn buurman of -vrouw te praten. Ik zit steeds aan andere dingen te denken. Ik vind het vak niet leuk. Ik moet bij het vak veel te lang luisteren. Ik kies het vak toch niet volgend schooljaar. Ik vind het vak te gemakkelijk. Ik vind het vak te moeilijk.

Ik maak aantekeningen tijdens de les. Ik vraag aan de leraar of hij aantekeningen wil maken op het bord. Ik zorg ervoor dat ik mijn boeken en schriften altijd meeneem. Ik zorg ervoor dat ik niet bij een groepje drukke leerlingen zit. Ik stel tijdens de uitleg regelmatig vragen. Ik ga bij een vak dat ik moeilijk vind alleen zitten. Ik spreek met mijn buurman of -vrouw af dat we bij moeilijke vakken goed opletten. Ik zet tijdens het werken in de les mijn koptelefoon op, want dan kan ik mij goed concentreren.

Een andere reden, namelijk:

Ik doe het anders, namelijk:

Een andere reden, namelijk:

Ik doe het anders, namelijk:

4c Wat zijn ‘afleiders’ voor jou bij de vakken waarbij je je niet goed kunt concentreren? Kruis je antwoord(en) aan.

les 1 Je concentreren

27


Thuis:

Ik doe het anders, namelijk:

Voordat ik begin, ruim ik mijn bureau op. Voordat ik begin, neem ik iets te drinken en te eten. Voordat ik begin, maak ik een planning van mijn huiswerk. Ik neem elk half uur een pauze van tien minuten. Als ik steeds aan iets anders moet denken, dan schrijf ik dat op. Ik doe het anders, namelijk:

6 In opdracht 4 heb je genoteerd wat voor jou ‘afleiders’ zijn en bij welke vakken deze afleiders een rol spelen. In deze opdracht maak je een ‘afsprakenlijstje’ met jezelf. Schrijf van ten minste drie vakken op hoe jij je concentratie bij die vakken gaat verbeteren. Eén vak is ter voorbeeld ingevuld.

Afsprakenlijstje

biologie tijdens de les aantekeningen te maken. Ik ga bij het vak

mijn concentratie verbeteren door

Ik ga bij het vak

mijn concentratie verbeteren door

Ik ga bij het vak

mijn concentratie verbeteren door

Ik ga bij het vak:

mijn concentratie verbeteren door

28

module

Leren op school


Les

2

Aantekeningen maken Waarom is het handig om aantekeningen te maken tijdens de les? Het is best veel werk en als de leerstof toch ook in het boek staat … Toch is het heel zinvol om aantekeningen te maken: je concentreert je beter op wat je leraar zegt en je onthoudt de leerstof beter.

Waarom maak je aantekeningen?

Lot, Niels en Marit hebben nog niet eerder aantekeningen gemaakt tijdens de les. De leraar zei altijd wat ze moesten opschrijven. Maar nu moeten zij en de andere leerlingen van hun klas dat zelf bepalen. Dat vinden ze lastig. Tijdens de studieles praten ze erover met hun mentor.

Als je aantekeningen maakt tijdens de les, dwing je jezelf eigenlijk om je goed te concentreren. Als je niet goed oplet, weet je namelijk niet wat je moet opschrijven! Bovendien heb je meteen de belangrijkste lesstof in je schrift of op je computer staan: handig! Figuur 2: Lot, Niels en Marit

handig om tijdens Mentor: ‘Bij welke vakken is het ?’ de les aantekeningen te maken is bij ‘Ik denk dat het vooral handig Niels: biologie en geschiedenis, aardrijkskunde, bij economie en misschien ook wel natuurkunde.’ doe het ‘Waarom juist bij die vakken?’ Ik Lot: p ik zo liever bij andere vakken, deze sna ook wel! ken geven ‘Omdat de leraren die deze vak Niels: eningen veel vertellen. Als je dan aantek best.’ maakt, onthoud je de uitleg het ig. Alles ‘Nou, volgens mij is dat niet nod Marit: staat toch gewoon in je boek!’

Niels:

Marit:

Niels: Marit:

dingen ‘Ja, natuurlijk. Maar als je zelf van de opschrijft, dan kun je de uitleg d je het leraar beter volgen en onthou ook beter.’ ijven, ik ga ‘Ja, dat is lekker! Alles opschr rijven, of toch zeker geen extra boek sch wel?’ en de ‘Nee, natuurlijk niet. Je moet alle n.’ belangrijkste dingen opschrijve ‘Oh, en hoe weet ik nou wat de belangrijkste dingen zijn?’

les 2

Aantekeningen maken

29


7

Wanneer maak je aantekeningen?

In de tekst van figuur 2 lees je hoe Niels, Lot en Marit denken over het maken van aantekeningen. 7a Op wie lijk jij het meest wat het maken van aantekeningen betreft, op Niels, Lot of Marit? Waarom? Ik lijkt het meest op Lot / Niels / Marit , omdat

Van welke informatie die je leraar geeft, maak je nu eigenlijk een aantekening? En hoe weet je dat? Je kunt moeilijk alles wat je leraar zegt in de schrift noteren. Hoe selecteer je de informatie die zinvol is om een aantekening over te maken? Zowel in de voorbereiding op de les als tijdens de les kun je op een aantal dingen letten. Voorbereiding: maak je huiswerk

1

Je leraar geeft het huiswerk op: ‘Lees voor de volgende keer paragraaf vijf en zes goed door.' Jij denkt: ‘Waarom zou ik dat doen? Ik hoef geen vragen te maken, ik hoef niet voor een overhoring te leren, dus waarom zou ik een

2

paar bladzijden doorlezen?’

7b Bij welke vakken maak jij weleens aantekeningen?

3 4 7c Waarom maak juist bij die vakken aantekeningen?

Het antwoord is simpel: als je thuis je huiswerk voor de volgende les doorneemt (het is vaak maar tien minuten werk!), dan kun je je leraar de volgende les veel beter volgen. En ... je weet precies over welke lesstof je aantekeningen moet gaan maken. In de les: let op de signalen van je leraar Wanneer maak je aantekeningen tijdens de les? Wat schrijf je wel op en wat niet? Er zijn momenten in de les die voor jou een signaal zijn om aantekeningen te maken.

7d Waarom is het handig om tijdens de les aantekeningen te maken?

30

module

Leren op school

Als je aantekeningen maakt, let je goed op de signaalwoorden en de signaalzinnen die je leraar gebruikt.


Signalen om aantekeningen te maken

8

1 Je leraar gebruikt signaalwoorden of signaalzinnen om belangrijke lesstof in te leiden. Bijvoorbeeld uitingen als: ‘Ten eerste (...) Ten tweede’; ‘Belangrijk is ...’; ‘Denk vooral aan …’.

Je hebt gelezen dat leraren signaalwoorden en -zinnen kunnen gebruiken tijdens de les. Bedenk met je buurman of -vrouw vijf signaalwoorden of signaalzinnen die leraren kunnen gebruiken, die niet in de tekst staan.

2 Je leraar geeft tips. Bijvoorbeeld uitingen als: ‘Dit is een belangrijk onderdeel voor het proefwerk’; ‘Je moet heel goed begrijpen dat …’; ‘Dit is een mooie vraag voor een proefwerk of …’.

1

3 Je leraar geeft voorbeelden bij de leerstof. Aan de hand van een concreet voorbeeld onthoud je het geleerde beter. Bijvoorbeeld uitingen als: ‘Denk hierbij (bijvoorbeeld) aan …’, ‘ik noem …’.

4

4 Je leraar geeft een samenvatting bij de leerstof. Bijvoorbeeld uitingen als: ‘Samengevat: …’; ‘We hebben nu geleerd dat …’.

Je leraar leest een korte tekst voor. Bespreek met je buurman of -vrouw wat de drie belangrijkste dingen uit de tekst zijn, dingen waarvan

5 Je leraar maakt aantekeningen op het bord. De aantekeningen op het bord zijn het waard om over te nemen!

2 3

5

9

je een aantekening maakt. Schrijf ook op waardoor jullie dit wisten.

Belangrijk was:

Dat wisten wij doordat:

Belangrijk was:

Dat wisten wij doordat:

Belangrijk was:

Dat wisten wij doordat:

les 2

Aantekeningen maken

31


Les

3

Oefenen aantekeningen maken In les 2 heb je geleerd wanneer je aantekeningen moet maken tijdens de les. Je weet waar je op moet letten als je leraar iets uitlegt, je kunt de signalen herkennen die erop wijzen dat je aantekeningen moet gaan maken. Nu moet je nog weten hoe je alles opschrijft. Dat leer je in deze les.

Hoe maak je aantekeningen? Aantekeningen maken is moeilijker dan het lijkt. Je moet kijken, luisteren, de leerstof begrijpen en er dan ook nog kort iets over opschrijven. En meestal praat de leraar nog snel ook! Tijdens een les vertelt leraar vaak een heleboel, ook dingen die niet in je boek staan maar die je wel moet weten. Meestal schrijft de leraar gelukkig ook dingen op het bord. We noemen een aantal punten om op te letten bij het maken van aantekeningen.

Aantekeningen maken Hoe ga je te werk? Gebruik een schrift per vak en geen losse blaadjes! Ziek geweest? Vraag een medeleerling om een kopie van de aantekeningen. Kopietjes die uitgedeeld zijn in de klas, plak of niet je ook in je schrift. Laat ruimte over voor opmerkingen en aanvullingen (je mist weleens wat). Begin elke les op een nieuwe bladzijde en elk onderwerp na een witruimte. Werk netjes, zodat je je aantekeningen later nog kunt lezen. Schrijf terwijl je luistert, wacht niet tot je alles begrepen hebt. Zorg ervoor dat je aantekeningen kloppen en volledig zijn. Tips voor de inhoud van je aantekeningen Gebruik geen volzinnen maar schrijf alleen de belangrijkste zaken op. Gebruik symbolen die kort en handig zijn. Gebruik afkortingen van namen, landen en woorden die je heel vaak gebruikt. Onderstreep belangrijke woorden. Maak waar nodig rijtjes.

32

module

Leren op school

Schrijf alleen de belangrijkste zaken op. Gebruik symbolen (pijltjes bijvoorbeeld) en afko’s!


10 Bij het maken van aantekeningen is het handig om symbolen en afkortingen te gebruiken. In het schema hieronder maak je een overzicht van symbolen en afkortingen die jij handig

vindt om te gebruiken. EĂŠn afkorting en ĂŠĂŠn symbool zijn al ingevuld, met de betekenis erbij. Vul het schema verder in en maak je overzicht compleet.

Kort en bondig aantekeningen maken Afkorting

Betekenis

WO II

Tweede Wereldoorlog

11 Je gaat de aantekeningen van je twee medeleerlingen beoordelen: Je leraar leest een tekst voor. Twee leerlingen maken tegelijkertijd op het bord aantekeningen bij de tekst. De rest van de klas kijkt hoe ze dat doen en maakt daar hieronder notities van. Als de twee leerlingen klaar zijn, bespreekt de leraar met de klas de aantekeningen op het bord. De aantekeningen worden hierbij met elkaar vergeleken.

Jouw opmerkingen bij de aantekeningen van leerling 1

Symbool

Betekenis Leidt tot / gevolg

11a Noteer in het schema wat jou opvalt aan de aantekeningen die de beide leerlingen op het bord maken. 11b Komen jouw notities in het schema overeen met wat de klas ervan vindt? Ja / Nee, want

Jouw opmerkingen bij de aantekeningen van leerling 2

les 3

Oefenen aantekeningen maken

33


Les

4

Een samenvatting maken Als je voor een vak veel moet leren, is het verstanding om een samenvatting van de leerstof te maken. Maar ... hoe maak je een goede samenvatting? Dat leer je in deze les.

Hoe maak jij een samenvatting? Samenvattingen zijn een geheugensteuntje. Als je een samenvatting hebt, hoef je niet alle leerstof nog eens door te nemen, maar kun je alle belangrijke punten snel teruglezen. Iedereen heeft zijn eigen manier van werken bij het maken van een samenvatting. Het is wel belangrijk dat je een goede samenvatting kunt maken.

Een samenvatting is een overzichtelijke weergave van de belangrijkste informatie uit een tekst.

12 Hoe maak jij een samenvatting? 12a Je leest hieronder een aantal uitspraken over het maken van een samenvatting. Kruis de uitspraken aan die overeenkomen met jouw manier van werken. Ik let op de dikgedrukte woorden, deze gebruik ik in mijn samenvatting. Terwijl ik lees, schrijf ik de belangrijkste dingen op. Ik lees eerst de tekst door, daarna begin ik met het maken van de samenvatting. Ik vraag mij eerst af waarom ik een samenvatting moet maken. Per paragraaf schrijf ik een paar zinnen op. Ik weet niet wat belangrijk is. Ik schrijf maar een paar woorden op, dat is voldoende voor mij. Voordat ik begin kijk ik naar de titel, de tussenkopjes en de dikgedrukte woorden. Deze gebruik ik in mijn samenvatting. Als ik klaar ben, lees ik mijn samenvatting nog een keer door. Als ik de tekst lees, weet ik genoeg. Ik schrijf alleen de titel op. Ik maak een mindmap van iedere paragraaf of alinea.

34

module

Leren op school


12b Is jouw aanpak de beste? Of valt er nog wat te verbeteren? Waar kijk jij naar voordat je begint met het samenvatten van een tekst? Kruis aan. Ik kijk naar: de titel de opvallende woorden (dikgedrukt, schuingedrukt of onderstreept) de afbeeldingen, illustraties de alinea’s de tussenkopjes de inleiding bij een tekst de vraag die boven een tekst staat

Stappen bij het maken van een samenvatting Bij het maken van een samenvatting heeft iedereen zijn eigen manier van werken. Toch is er een aantal algemene richtlijnen geven voor het maken van een goede samenvatting. Je kunt hierbij namelijk standaard een aantal stappen doorlopen.

Een samenvatting maken 1 Koppen snellen 2 Mindmaps maken per paragraaf of alinea 3 Een samenvatting maken per paragraaf of alinea 4 Controleren van je

12c Leg uit waarom het handig is om eerst goed naar de titel, tussenkopjes en opvallende woorden te kijken en pas daarna te beginnen met het maken van een samenvatting.

samenvatting

1

‘Koppen snellen’

Je kijkt naar de titel, tussenkopjes, dikgedrukte woorden en figuren in de tekst. Op deze manier krijg je een eerste indruk van waar de tekst over gaat. 2

Mindmaps maken per paragraaf of alinea

Je leest de tekst goed door. Daarna ga je per alinea of per paragraaf aan het werk. Gebruik de opvallende en belangrijke woorden (markeer deze!) om per alinea of paragraaf een mindmap te maken. 3 Een samenvatting per paragraaf of alinea maken Je maakt een verhaaltje van de woorden die je in de mindmaps geschreven hebt. Zorg ervoor dat het een logisch verhaal wordt dat je later ook nog snapt. 4

Controleren van je samenvatting

Je leest je samenvatting nog eens goed en gaat na of deze logisch is en of je hem snapt. Zo nodig pas je de samenvatting aan.

les 4

Een samenvatting maken

35


In figuur 3 staan vier paragrafen uit een theorieboek voor het vak Nederlands. Het gaat over verschillende soorten teksten

die er zijn en de kenmerken ervan. Van deze tekst gaan we in de opdracht 13 stap voor stap een samenvatting maken.

Figuur 3: Soorten teksten in vak Nederlands

1 Fictie en non-fictie Verhalen die verzonnen zijn, noem je fictie. Leesboeken, stripboeken, soaps, speelfilms, gedichten en toneelstukken zijn voorbeelden van fictie. Verhalen die echt gebeurd zijn of die je feitelijke informatie geven, noem je non-fictie. Krantenartikelen, biologieboeken en de atlas behoren allemaal tot non-fictie. In de boekwinkel en in de

je even in de wereld van een ander persoon stapt. Je kunt even voelen hoe het is om verliefd te zijn, om helderziend te zijn, om gepest te worden of om in de middeleeuwen te leven. Een verhaal dat niet lijkt op de werkelijkheid, noem je een onrealistisch verhaal. In onrealistische verhalen

bibliotheek staan non-fictie en fictie apart van elkaar.

komen dingen voor die niet echt kunnen gebeuren. Zo

2 Roman

een griezelbus, waarin allerlei spannende gebeurtenissen

Er zijn verschillende soorten boeken. Een schrijver kan namelijk op verschillende manieren één of meerdere verhalen vertellen. Van zijn verhaal kan hij bijvoorbeeld een roman, een verhalenbundel of een strips maken. De meest bekende boekvorm is de roman. Een roman bestaat uit één lang verhaal, dat is opgedeeld in hoofdstukken. Er komen meerdere personages in voor, die van alles meemaken. In de ene roman meer dan in de andere. Een schrijver gebruikt in een roman vaak meerdere verhaallijnen. Dat wil zeggen dat er meerdere verhalen in het boek verteld worden. Bekende jeugdromans van de afgelopen vijftig jaar zijn Kruistocht in spijkerbroek van Thea Beckman, Oorlogswinter van Jan Terlouw, en Brief van de Koning van Tonke Dragt. Moderne jeugdboekenschrijvers zijn Francine Oomen, Simone van der Vlugt en Carry Slee. Er zijn ook jeugdromans die over de hele wereld bekend zijn, bijvoorbeeld De drie musketiers, Robinson Crusoë, Alleen op de wereld,

heeft Paul van Loon een aantal boeken geschreven over plaatsvinden met een bus. Een klas schoolkinderen maakt een ritje met een schrijver van griezelverhalen en belanden zelf ook in een eng verhaal. In het echte leven zou dit natuurlijk nooit kunnen.

4 Biografie en autobiografie Een geschreven beschrijving van iemands leven noem je een biografie. Deze boeken gaan meestal over beroemde mensen. Van sommige beroemdheden zijn zelfs meerdere biografieën geschreven, zoals van Nederlands bekendste voetballer, Johan Cruijff. Biografieën horen meestal bij non-fictie omdat de schrijver allerlei feiten uit iemands leven noemt. Heel populair zijn biografieën over mensen uit het verre verleden. De schrijver heeft dan weinig informatie, doordat niet alle feiten bekend zijn. Dit betekent dat de schrijver zijn fantasie moet gebruiken om er een logisch verhaal van te maken. Daarom horen deze boeken bij fictie. Els Launspach heeft bijvoorbeeld een boek ge-

Gullivers reizen, Schateiland en de boeken over Harry Potter.

schreven over het leven van Jeanne d’Arc. En het boek De

3 Realistische en onrealistische verhalen

in de zestiende eeuw. Thea Beckman beschrijft hierin hoe

Er bestaan twee soorten fictieve verhalen: het realistische en het onrealistische verhaal. Een verhaal dat verzonnen is, kan erg lijken op de werkelijkheid. Een verhaal dat lijkt op de werkelijkheid, noem je een realistisch verhaal. Bekende schrijvers als Maren Stoffels, Francine Oomen en Jacques Vriens schrijven vaak realistische verhalen. Deze gaan bijvoorbeeld over verliefd zijn, pesten, ziek zijn en school. De gebeurtenissen in deze verhalen zou je zo zelf kunnen meemaken.

36

Het mooie van het lezen van een realistisch verhaal is dat

module

Leren op school

Stomme van Kampen gaat over het leven van een dove man Hendrick Avercamp ondanks zijn handicap een beroemde schilder werd. Het woord ‘auto’ staat voor ‘zelf’. Een autobiografie is een boek waarin iemand zijn eigen leven beschrijft. Een voorbeeld van een autobiografisch jeugdboek is De driehoeksdans. Rita Verschuur schrijft in dit boek over haar puberteit in de jaren vijftig. Een ander autobiografisch jeugdboek is het boek Nooit meer bang van Anne Takens. Dit boek speelt zich vlak na de Tweede Wereldoorlog af.


13 Je leraar heeft het huiswerk voor de volgende les opgegeven: ‘Maak van paragraaf 1, 2, 3 en 4 een samenvatting.’ In deze opdracht ga je de tekst van figuur 3 samenvatten, aan de hand de genoemde stappen.

13a Stap 1 Koppen snellen Kijk nog eens goed naar de koppen, subkopjes en de opvallende woorden in figuur 3. Waar gaat de tekst over?

13b Stap 2 Mindmaps maken Gebruik de opvallende en belangrijke woorden om per paragraaf een mindmap te maken.

Mindmap paragraaf 1

Mindmap paragraaf 2

Mindmap paragraaf 3

Mindmap paragraaf 4

les 4

Een samenvatting maken

37


13c Stap 3 De samenvatting uitschrijven Gebruik de woorden in je mindmaps om per paragraaf een samenvatting te maken.

Mijn samenvatting Samenvatting paragraaf 1

Samenvatting paragraaf 2

Samenvatting paragraaf 3

Samenvatting paragraaf 4

38

module

Leren op school

13d Stap 4 Controleren van de samenvatting Controleer je samenvatting door hem goed te lezen. Is hij logisch en compleet? Pas je samenvatting indien nodig aan.


1 Leswijs Studiebegeleiding is een methode voor leerlingen in de brugklas en klas 2 van vwo, havo en vmbo. Door het verbeteren van jouw vaardigheden is de kans groot dat jij het voortgezet onderwijs met veel meer succes zult doorlopen.

STUDIEBEGELEIDING

De vaardigheden die je in deze methode oefent, zijn gericht op: beter leren en je beter concentreren op school oefenen met het maken van aantekeningen, mindmaps en samenvattingen beter huiswerk maken je beter voorbereiden op een toets oefenen met toetsen maken meer inzicht krijgen in de hersenen, jouw karakter en jouw intelligenties beter communiceren met klasgenoten, leraren en ouders goed omgaan met stress Ook digitaal! Alle theorie, opdrachten en filmpjes vind je ook op onze digitale leeromgeving. Met veel extra verdieping en herhaling. De methode is geschikt voor alle tablets en andere devices. Leswijs is een uitgave van: Dedact Levantplein 70 1019 MB Amsterdam www.leswijs.nl

ISBN: 978-94-91280-06-1

9 789491 280061


Proefexemplaar Leswijs Studiebegeleiding