Page 1

1 Statio Olympus Troje

Sparta

Agenda ■ ■ ■ ■ ■

Hoe wordt Latijn uitgesproken? Hoe is de Trojaanse oorlog begonnen? Wat is een werkwoordelijk gezegde? Hoe herken je de woordsoorten? Hoe studeer je woordenschat?


I

Intro Miss-verkiezing Puerto Rico effectief gesaboteerd Na vele beschuldigingen, een flinke portie scepsis en een uitputtend politieonderzoek staat één ding vast. Er is inderdaad een poging gedaan om een deelneemster aan de verkiezing van Miss Puerto Rico op een zijspoor te zetten. Haar kleren werden ondergespoten met pepper spray. Dat heeft de politie in Puerto Rico woensdag bekendgemaakt. Mislukt De sabotagepoging mislukte, want schoonheid Ingrid Marie Rivera bewaarde haar cool, terwijl ze paradeerde voor jury en tv-camera’s. Eindelijk

II

OR I ËNT

IE AT

4

van het podium af trok ze haar kleren uit en legde ijszakken op haar gezwollen lichaam en gezicht. Haar doorzettingsvermogen betaalde zich uit. Ze won de verkiezing van vorige maand. De politie presenteert haar bevindingen aan het openbaar ministerie, dat moet besluiten of de verdachte in de zaak wordt aangeklaagd. De politie wilde alleen kwijt dat de verdachte een vrijwillige kracht is in de organisatie van de schoonheidswedstrijd. Uit: De Morgen, 20/12/2007

Miss Olympus: het werkwoordelijk gezegde

Kijk, vóór je de tekst hiernaast leest, naar de titel ervan. Waarom wordt Paris-oordeel met een hoofdletter geschreven? Wat betekent ‘oordeel’?


CD

Latijn wordt anders uitgesproken. Luister goed.

Het Paris-oordeel

De Paridis iudicio

De godinnen Juno, Minerva en Venus strijden onder elkaar: ‘Wie is de mooiste?’ De Trojaan Paris, als rechter gekozen, duidt Venus aan als de mooiste; want die godin belooft hem de mooiste vrouw: Helena. Paris vaart naar Sparta; hij wil immers Helena, de vrouw van koning Menelaus, schaken. Helena kan de mooie Paris niet lang weerstaan en samen met hem vertrekt ze naar Troje. Zo is Helena de oorzaak van de strijd om Troje.

Iuno, Minerva, Venus deae inter se certant: ‘Quae est pulcherrima?’ Paris Troianus arbiter nominatus iudicat Venerem esse pulcherrimam; haec enim dea ei Helenam, pulcherrimam feminam, promittit. Paris Spartam navigat; nam Helenam, Menelai regis uxorem, deducere vult. Helena pulchro Paridi diu resistere non potest et una cum eo Troiam petit. Sic Helena causa belli Troiani est.

1 Waarover zijn de drie godinnen het oneens?

STB TEK E

IP GR

2 Waarom duidt Paris Venus aan als de mooiste?

3 Paris valt voor Helena, de mooiste vrouw, en zij blijkt ook niet ongevoelig voor de schoonheid van Paris. Speelt uiterlijk volgens jou een rol bij partnerkeuze? OPD AAL R

T

1 Bekijk de tweede paragraaf en onderstreep, zowel in de Nederlandse vertaling als in de Latijnse tekst: • minstens één zelfstandig naamwoord (groen) • minstens één bijvoeglijk naamwoord (rood).

TEN ACH

2 Tot welke woordsoort behoren de vetgedrukte woorden? Omcirkel: werkwoord – bijvoeglijk naamwoord – zelfstandig naamwoord. 3 De vetgedrukte vormen in de Latijnse tekst eindigen op -t of op -nt. Wanneer eindigen ze op -t en wanneer op -nt?

Statio 1

5


4 a Onderstreep in de tweede alinea het onderwerp van elke zin in het blauw, zowel in de Nederlandse als in de Latijnse tekst. b In de Latijnse tekst is het onderwerp soms niet uitgedrukt. Waar is dat zo?

5 Een infinitief is de noemvorm of de onbepaalde wijs van het werkwoord; het is geen persoonsvorm. In het Nederlands eindigt de infinitief meestal op -en (lopen, tekenen ...) en in het Latijn op -re (bv. deducere = schaken). Het grondwoord (= eerste kolom van de woordenlijst) van een werkwoord staat altijd in de infinitief. Zoek nog een andere infinitief in de tekst.

6 Hoe kan je nu het werkwoordelijk gezegde (WWG) herkennen in het Latijn? Het heeft de vorm van een vervoegd werkwoord (persoonsvorm). Let op: in het Nederlands hoort een infinitief wel bij het WWG (zoals in het tweede voorbeeld). Duid het werkwoordelijk gezegde aan. Paris / Spartam / navigat. // Paris / vaart / naar Sparta. // Paris / Helenam deducere / vult. // Paris / wil / Helena schaken. //

GEVAAR

!

7 Wat valt je op aan de plaatsing van de persoonsvorm in de Latijnse zin?

Ergo

NB XX

■■ Wat is een infinitief? ■■ Is het WWG in het Nederlands en het Latijn volledig hetzelfde?

■■ Welke uitgang heeft een werkwoord als je het onderwerp kan vervangen door ‘hij’, ‘ze’ (enkelvoud) of ‘het’? ■■ Welke uitgangen ken je nu?

III

Woordsoorten in vogelvlucht Tot welke woordsoort behoren de vetgedrukte woorden? Schrijf die woorden in de tabel bij de juiste woordsoort.

OPD AAL R

TEN ACH

T

6

‘Beste Junius Mauricius, je vroeg me om een echtgenoot te zoeken voor jouw nicht. Dat doe ik zeker en met het grootste plezier. De eerste die me te binnen schiet is Minicius Acilianus. Hij is volgens mij de juiste man. Hij is een heer en komt uit een vooraanstaande familie ...’ Naar een brief van Plinius aan zijn vriend (Ep. I, 14)


woordsoort

vetgedrukte woorden

Hoe herken je die woordsoort?

werkwoord zelfstandig naamwoord

bijvoeglijk naamwoord voornaamwoord – persoonlijk – bezittelijk – aanwijzend

Het voornaamwoord verwijst naar een zelfstandig naamwoord. Het persoonlijk voornaamwoord vervangt een zelfstandig naamwoord en verwijst naar een persoon, zoals ‘ik’, ‘ze’, ‘jou’... Het bezittelijk voornaamwoord geeft aan wie iets bezit. Het aanwijzend voornaamwoord laat je toe iets of iemand aan te wijzen.

bijwoord

Het bijwoord zegt iets over een werkwoord, over een bijvoeglijk naamwoord of over een ander bijwoord.

voegwoord

Het voegwoord verbindt woorden of zinnen met elkaar.

voorzetsel

Het voorzetsel is een onveranderlijk woord dat je bij een naamwoord kan zetten. Je moet het voor ‘de huizen’ of ‘het weekend’ kunnen plaatsen.

telwoord

Het telwoord geeft een nummer of aantal aan.

Eén woordsoort is niet in de tabel opgesomd, omdat ze niet voorkomt in het Latijn. Welke?

Twee woordsoorten krijgen vanaf nu een andere benaming. • Bijvoeglijk naamwoord wordt adjectief, in het Frans adjectif; • Zelfstandig naamwoord wordt substantief, in het Frans substantif.

Ergo

NB XX

■■ Welke woordsoorten ken je nu? ■■ Hoe herken je een bijwoord in het Nederlands? ■■ Hoe herken je een voorzetsel in het Nederlands? ■■ Welke drie soorten voornaamwoorden heb je intussen geleerd?

■■ Welke woordsoort kent men niet in het Latijn?

Statio 1

7


IV

Persoon en getal van het werkwoord

a Te video. b Ego te video.

Ik zie jou.

a Tuum fratrem videmus. a We zien jouw broer. b Nos tuum fratrem videmus. b Wij zien jouw broer.

a Me vides. b Tu me vides.

a Je ziet mij. b Jij ziet mij.

a Meam sororem videtis. b Vos meam sororem videtis.

Paris Helenam videt. Paris ziet Helena. Helenam videt. Hij ziet Helena.

Pastores aves vident. Aves vident.

Jullie zien mijn zus.

De herders zien de vogels. Ze zien de vogels.

1 Vul aan: de eindletters van de Latijnse werkwoordsvormen veranderen samen met

T

2 Hoe wordt video in het bovenstaande voorbeeld vertaald?

OPD AAL R

HTEN AC

3 Welke woordsoort hebben we in de vertaling bij de a-zinnen moeten toevoegen? 4 Waarom heeft het Latijn die woordsoort hier niet nodig?

5 ‘Ego te video’ en ‘Te video’ hebben dezelfde vertaling. Wat is het verschil tussen de Latijnse zinnen?

6 Vul de stippellijnen in de tabel aan. Kies uit: 1ste – 2de – 3de – persoon – enkelvoud – meervoud – getal.

Ergo ■■ Kan je de zes persoonsuitgangen van 1ste persoon enkelvoud tot 3de persoon meervoud opsommen?

■■ Welke twee keuzes heb je als men naar het getal van het werkwoord vraagt?

8

NB XX


V

Cultuur Het Paris-oordeel door de eeuwen heen Fragment van een Romeins reliëf uit de 2de eeuw n.C. met het Paris-oordeel (Museo Nazionale Romano, Ludovisicollectie). We zien Paris uiterst rechts afgebeeld met Amor, de god van de liefde. Links van hem staat zijn vroegere echtgenote, Oenone. Mercurius wordt naakt afgebeeld met een herderstaf, geflankeerd door Minerva en Venus. 

WEB

SIT

WW E W

Tot op de dag van vandaag is het Paris-oordeel een populair onderwerp bij kunstenaars. Dit voorbeeld is van de hand van Medora, een jonge vrouw die haar werk op het kunstenaarsplatform Deviantart plaatst. 

VI

Oefeningen Los deze vragen op vóór je het verhaal op de volgende bladzijden begint te lezen.

IËN O R TA

TIE

1 Werp een vluchtige blik op de afbeeldingen. Waarover gaat het verhaal, denk je?

2 Wie zijn de hoofdpersonages?

Statio 1

9


STB TEK E

IP GR

Lees het verhaal. Vertaal de vetgedrukte persoonsvormen op de invullijnen.

Cum Thetis Peleo nubet, omnes di adsunt … Wanneer Thetis huwt met Peleus, zijn alle goden aanwezig …

Matrimonium nostrum celebramus. ons huwelijk.

… praeter unam deam. Eris, discordiae dea, non invitata est. Eris tamen in nuptiis apparet et malum iactat, cum titulo: “Pulcherrimae”. … behalve één godin. Eris, de godin van de twist, is niet uitgenodigd. Eris toch op het trouwfeest en een appel, met het opschrift: “Voor de mooiste”.

10


Iuno, Venus et Minerva malum vident. Certant. Denique Paris, Troianus, pulcherrimam deam eligit. Iuno, Venus en Minerva zien de appel. Ze twisten. Uiteindelijk kiest Paris, een Trojaan, de mooiste godin uit. O! Pulchra munera promittitis! *dubitans* Venus pulcherrima est!

Minerva sum. Sapientiam dono! Venus sum. Pulcherrimam mulierem, Helenam, promitto!

Ik ben Minerva.

Ik ben Venus. de mooiste vrouw, Helena.

At Helena iam nupta est! Maritus Menelaus, rex Graecus, est. Helena timet sed tamen cum Paride Troiam petit.

wijsheid!

O!

Iuno sum. Potentiam praesto! Ik ben Iuno.

mooie geschenken! *twijfelend* Venus is de mooiste!

macht!

Milites Graeci Troiam navigant. Ibi per decem annos pugnant.

Maar Helena is al getrouwd! Haar echtgenoot is Menelaus, De Griekse soldaten varen naar Troje. Daar een Griekse koning. Helena gedurende tien jaar. , maar toch met Paris Troje Helena! In Graecia manere debes! Helena! Griekenland blijven!

in

Statio 1

11


S EB

IT

E

W W W

W

Basis

Basis

A 1 In welke persoon en welk getal staan de volgende werkwoorden? 2 Vertaal de werkwoorden. Voeg daarbij het juiste persoonlijke voornaamwoord toe.

1

iudicant

2

tegimus

persoon

3

deducitis

persoon

4

petunt

persoon

5

promitto

persoon

6

donatis

persoon

7

praestas

persoon

8

iactamus

persoon

9

dimittis

persoon

apparent

persoon

10

3de persoon mv.

ze oordelen

Heb je die werkwoorden correct vertaald? Ga dan naar de volgende oefening. Anders werk je verder tot 15. 11

tradis

persoon

12

dicitis

persoon

13

inveniunt

persoon

14

audio

persoon

15

iubeo

persoon B Vertaal deze zinnen. 1 Venus, Iuno et Minerva malum poscunt. Diu certant. malum = appel

2 Iuppiter iudicare recusat. Quare? Deas cavet. Iuppiter = Jupiter; recusare, recuso: weigeren (te + infinitief); deas = godinnen

12


3 Iuppiter et deae Olympum incolunt. Nuptias Thetidis petunt. Iuppiter = Jupiter; Olympum = Olympus; incolere, incolo: bewonen; nuptias Thetidis = het huwelijk van Thetis

C Kies de juiste vertaling voor de tweede zin. Iuppiter iudicare recusat. Mercurium ad Paridem dimittit. ad = naar ■ Hij zendt Mercurius weg naar Paris. ■ Ze zenden Mercurius weg naar Paris. D 1 Onderstreep het WWG in de volgende Latijnse en Nederlandse zinnen. Iuno, Venus et Minerva malum vident. Diu certant. Iuppiter iudicare debet, sed non vult. Denique Paris pulcherrimam deam eligit. Iuno, Venus en Minerva zien de appel. Ze twisten lange tijd. Jupiter moet oordelen, maar hij wil niet. Uiteindelijk kiest Paris de mooiste godin uit. 2 Geef de woordsoort van de vetgedrukte woorden. diu: iudicare: sed:

Differentiatie Differentiatie

In de volgende zinnen heeft de schrijver geen enkel voornaamwoord gebruikt. Verbeter de tekst. Menelaus maakte Menelaus verschrikkelijk boos, omdat de vrouw van Menelaus was geschaakt door Paris, Paris was nog wel zo gastvrij door Menelaus ontvangen. Menelaus bulderde en tierde de hele hofhouding bij elkaar: ‘Menelaus zal de voorgenoemde schurk wel krijgen, niemand neemt ongestraft bezit van Menelaus weg. Wat denkt de voorgenoemde prins van de voeten van Menelaus wel!’

De ‘voor’ in voornaamwoorden betekent ‘in de plaats van’. Voornaamwoorden zijn dus woorden die gebruikt worden in de plaats van naamwoorden (of om naamwoorden te verduidelijken). Statio 1

13


VII

Vocabularium Slapen helpt bij woordjes leren Mensen die nieuwe woorden leren, onthouden de stof beter, als ze vlak voor het slapengaan oefenen. Dat blijkt uit nieuw onderzoek aan de universiteit van Cambridge. De Britse onderzoekers lieten 57 proefpersonen op verschillende tijdstippen een lijst met fictieve woorden in het hoofd stampen. De studenten werden soms meteen overhoord, maar soms mochten ze ook eerst slapen.

L

Bijna iedereen presteerde beter na een periode van slaap. Verder bleken woorden die vlak voor het slapengaan waren geleerd, gemakkelijker te onthouden dan woorden die de proef-

EN ER

personen eerder op de dag voor hun neus hadden gekregen.

Hersenscans De onderzoekers maakten ook hersenscans van de deelnemers aan het experiment. Daaruit bleek dat tijdens het eerste leerproces vooral de hippocampus actief was. Dat gedeelte van het brein is betrokken bij het vormen van nieuwe herinneringen. Tijdens het slapen lichtte met name de neocortex op, een deel van de hersenen dat wordt geassocieerd met taalgebruik.

Slapend brein Volgens de wetenschappers bewijzen hun bevindingen dat nieuwe woorden pas definitief in het geheugen worden op-

geslagen, als het brein diep in slaap is. ‘Na het slapen kunnen mensen nieuw geleerde woorden net zo effectief gebruiken als woorden die al langer in hun vocabulaire voorkomen’, verklaart hoofdonderzoeker Matt Davis in de Britse krant The Daily Telegraph.

Examens ‘Studenten die voor hun examen leren, kan je dus het beste adviseren om een goede nachtrust te nemen’, aldus Davis. ‘Op die manier zullen ze beter onthouden wat ze hebben geleerd.’ Naar: www.nu.nl, 18/05/2009

Probeer de volgende studiemethodes uit en ga na welke methode het best bij je past. L

1 flitskaartjes

ER

EN

Neem pagina XX van het vocabularium. Knip de woordjes uit die je moet leren. Elk woord van de eerste kolom staat nu op een apart kaartje. Schrijf de gegevens van de tweede kolom en derde kolom op de achterzijde. Stop alle woorden in een doos. Om je kennis te controleren, neem je de kaartjes één voor één uit de doos. Kan je met zicht op de voorgedrukte kant alle gegevens van de ommezijde noemen, leg het kaartje dan naast de doos. Ken je die gegevens nog niet voldoende, leg het kaartje dan terug in de doos en ga zo door tot de doos leeg is.

2 afdekmethode Lees de Latijnse woorden met de vertaling. Dek daarna de vertaling af en probeer de vertaling uit je hoofd aan te vullen. Als je dat kan, dek je bij wijze van test de Latijnse woorden af ... tot je alle woordjes kent.

3 pictionary Lees de Latijnse woorden. Eén leerling illustreert bv. fugere en de buurman raadt aan de hand van die tekening de betekenis van het woord.

14


4 schrijven Lees de woordjes en schrijf de eerste kolom drie keer over, telkens in een andere volgorde. Bij de derde keer voeg je ook woordjes toe uit de voorgaande reeksen. Doe nu je vocabulariumlijst weg en vul uit je hoofd de tweede en derde kolom aan. Controleer achteraf.

5 ezelsbruggetjes Lees de Latijnse woorden met de vertaling. Vooraleer je de woorden van buiten leert, ga je na of je woorden uit andere talen kent die een verwante betekenis hebben, of zoek je een andere onthoudtruc. Dan pas studeer je de woorden. methode

1

2

3

4

5

behaalde score op 10 Welke methode of combinatie van methodes ligt jou het best? Wat waren de valkuilen? Neem je woordenlijst bij deze oefening. Noteer de Latijnse noemvorm waarvan de onderstreepte moderne woorden zijn afgeleid. De vertaling van de Franse en Engelse zinnetjes staat op de volgende bladzijde: zoek de juiste vertaling. 1 The thief resists being arrested.



2 De vrijwilliger gaat van deur tot deur met zijn petitie.



3 J’aime bien du vin et du Boursin. 4 Elle dit toujours ‘non’ quand je demande de faire quelque chose.



5 Pannenkoeken eten op verjaardagen is al jaren een traditie in ons gezin. 

6 Edison invented the bulb or the modern light. Some call it the invention of the century. 

7 De voetbalploeg wist dat de tegenstander sterker was en speelde bijgevolg defensief. 

8 Bloeddonatie in België is vrijwillig en belangeloos, om de veiligheid van patiënt en bloeddonor te verzekeren.

 

9 Hij scoorde weinig voor dat dictee. 10 Hij huurde enkele video’s en keek de hele namiddag naar films.  11 Aangezien het jongetje achter zijn moeder wegkroop, concludeerde ik dat hij nogal timide was.  

12 When I get good grades, it’s time to celebrate!



13 Miss Belgique est une magnifique apparition! 14 He promises me to be there on time.



Statio 1

15


>> Edison vond de gloeilamp of de elektrische verlichting uit. Sommigen noemen het de uitvinding van de eeuw*. >> Miss België is een prachtige verschijning. >> Hij belooft me dat hij daar op tijd zal zijn. >> Ze zegt altijd ‘nee’ als ik haar vraag iets te doen. >> Ik ben gek op wijn en Boursin. >> De dief verzet zich tegen zijn arrestatie. >> Als ik goede resultaten behaal, dan is het moment daar om te vieren.

* Eind 2009 mogen geen gloeilampen van honderd Watt meer verkocht wor-

L

den. De Europese Unie heeft beslist dat in de loop van drie jaar de gloeilamp volledig verdwenen moet zijn. Omdat de gloeilamp meer warmte dan licht oplevert, draagt ze bij tot het broeikaseffect en ook de productie ervan is niet CO2-vriendelijk. Voor de consument is de spaarlamp ook goed nieuws: op termijn is ze financieel interessanter omdat de levensduur ervan veel langer is.

N ER E L

ER

EN

16

Heb je gemerkt dat werkwoorden op -ére in de tweede kolom altijd eindigen op -eo? En dat werkwoorden op -ere, waarvan de voorlaatste lettergreep niet beklemtoond wordt, altijd -o hebben (of soms eens -io)?


Nota Gbene

rammatica

Naam Klas

Nr


1 Uitspraak van het klassiek Latijn Wij gebruiken de Latijnse uitspraak die in de 1ste eeuw voor Christus gangbaar was. Neem de Nederlandse uitspraak als vertrekpunt, maar hou rekening met de volgende opmerkingen. De letter wordt uitgesproken als: k c

enkele voorbeelden discordia, cum

als er een klinker volgt

Paris Iuno

oe w

achter een g of q

iubet lingua, aqua

g

g

op de Franse manier

navigat

v

w

Minerva

ae

aai

pulcherrimae

e

e

i u

ie j

nooit dof (zoals in ‘de’)

iudicare

Tip: In de woordenlijst staan accenten om te tonen waar je de klemtoon moet leggen. Die accenten vormen enkel een uitspraaktip. Je hoeft ze niet te schrijven, want de Romeinen deden dat ook niet. Als je de correcte uitspraak en accenten gebruikt, zal je nooit een probleem hebben met het onderscheid tussen deze woorden: cédere (wijken) en sedére (zitten). Zonder twijfel is het even wennen bij enkele bekende woorden: Vesuvius, Caesar ...

2 Zinnen bouwen De kern van elke zin is het gezegde. Dat kan een werkwoordelijk gezegde of een naamwoordelijk gezegde zijn. >> Met het werkwoordelijk gezegde (WWG) heb je al kennisgemaakt: het WWG heeft de vorm van een vervoegd werkwoord (persoonsvorm). Opgelet: in het Nederlands kan een infinitief wel een deel zijn van het WWG. Iudico. Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit een pv. Ik oordeel. Iubes iudicare. Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit een pv. en een inf. Je beveelt te oordelen. >> Een gezegde bevat altijd (minstens) een werkwoord (ww.). Werkwoorden leer je in de woordenlijst met de infinitief of de noemvorm. Een infinitief herken je aan de -re achteraan. Alle mogelijke vormen van het werkwoord samen noemen we de vervoeging van een werkwoord.

2

18

>> Je kan een persoonsvorm in het Latijn gemakkelijk herkennen: •• aan de laatste letters van de persoonsvorm. Die laatste letters noemen we de uitgang. •• aan de plaats in de zin. Vaak staat de persoonsvorm achteraan in de zin.


Het onderwerp is

persoon van getal van het ww. het ww.

uitgang van het ww.

vertaling

de spreker zelf

1ste persoon

enk. mv.

-o -mus

ik wij, we

de toegesproken persoon

2de persoon

enk. mv.

-s -tis

jij, je, u jullie

de persoon of zaak waarover men spreekt

3de persoon

enk.

-t

hij, zij, het

mv.

-nt

zij, ze

N ota bene

>> Het gezegde is nauw verbonden met het onderwerp van de zin. •• Het getal, enkelvoud (enk.) of meervoud (mv.), is bij het onderwerp en het gezegde hetzelfde. Als het gezegde dus in het enkelvoud staat, dan moet het onderwerp ook enkelvoud zijn. Niet verwonderlijk: wij zeggen ook niet ‘het kind letten op’, maar wel: ‘het kind let op’. •• De persoonsvorm geeft in het Latijn nog meer informatie: hij geeft ook aan welke persoon onderwerp is.

>> Vaak vinden we in het Latijn geen ‘ik’, ‘jij’, ‘we’ of ‘jullie’ geschreven. Die woorden bestaan wel, maar we gebruiken ze enkel als ze sterk beklemtoond zijn. bv. Non ego, sed tu times. Niet ik, maar jij bent bang. >> Bij de derde persoon kan het onderwerp in de zin staan of niet zijn uitgedrukt. Als het niet is uitgedrukt, dan is het vaak hetzelfde onderwerp als in de vorige zin. bv. Paris malum Veneri tradit. Paulo post Spartam pervenit. Paris kent de appel aan Venus toe. Korte tijd later bereikt hij Sparta.

3

19


3 Woordsoorten Een woordsoort is een groep woorden met dezelfde eigenschappen. In het Nederlands kennen we tien woordsoorten. In het basisonderwijs heb je er al vijf geleerd. 1 werkwoord waarschuwen 2 zelfstandig naamwoord (eigennaam) roos (Paris) 3 bijvoeglijk naamwoord rood 4 voornaamwoorden a persoonlijk voornaamwoord hij, zij (eet)/il, elle (mange) b bezittelijk voornaamwoord jouw (huis)/ta (maison) c aanwijzend voornaamwoord die (jongen)/ce (garçon) 5 lidwoord de, het, een De woordsoorten in het Latijn zijn bijna net dezelfde als die in het Nederlands. Het enige verschil is dat het lidwoord niet voorkomt in Latijnse zinnen. In het Latijn moet je uit de zinscontext afleiden welk lidwoord het best bij een naamwoord past. Twee woordsoorten krijgen in de Latijnse les een andere benaming. >> Bijvoeglijk naamwoord wordt adjectief, in het Frans adjectif; >> Zelfstandig naamwoord wordt substantief, in het Frans substantif. De overige vijf woordsoorten die je nog niet kent, zal je dit jaar bestuderen in de lessen Nederlands, Frans en natuurlijk ook Latijn. 6 voorzetsel 7 voegwoord 8 bijwoord

Het voorzetsel is een meestal kort woord dat je bij een naamwoord kan zetten. Je moet het voor ‘de huizen’ of ‘het weekend’ kunnen plaatsen. bv. in (het weekend), voor (de huizen), naast (het huis) Het voegwoord verbindt woorden of zinnen met elkaar. bv. en, of Het bijwoord zegt iets over een werkwoord, bijvoeglijk naamwoord of ander bijwoord. bv. Ik doe dat graag. Het is een heel toffe meid. Ze praat erg traag.

9 telwoord bv. één, twintig, honderd 10 tussenwerpsel bv. aha, oké

4

20


1

21

N ota bene

Forum statio 1  

Forum statio 1

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you