Issuu on Google+

ERK-idioom Duits voor Nederlandstaligen

Erik Kwakernaak Erwin K. de Vries

www.erkidioom.nl

Door Europa

A1

Duits

ERK-niveau


Vormgeving: DBD design / Ruurd de Boer

Eerste druk / Eerste oplage ISBN/EAN: 978-94-90030-09-4 Copyright Š 2010 EK-Tekst, www.ektekst.nl, Groningen, The Netherlands. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieÍn, opnamen, of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de copyright-houder. All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording, or otherwise, without the prior written permission of the copyright-holder. 2


Inleiding

Europees Referentiekader niveau A1

De woordenschat in dit boek en op de website www.erkidioom.nl omvat ongeveer 900 woorden, uitdrukkingen en zinnen. De woorden richten zich op gesproken en geschreven taalgebruik. Sommige woorden staan meer dan één keer in de lijst, onder verschillende onderwerpen. Wie deze woordenschat beheerst, kan zich redden op niveau A1 van het Europees Referentiekader (ERK). Dat wil zeggen dat je met behulp van deze woorden in de vreemde taal: • kunt deelnemen aan eenvoudige gesprekken, • je woonomgeving en mensen die je kent, kunt beschrijven, • mensen schriftelijk vakantiegroeten kunt sturen en op formulieren persoonlijke gegevens kunt invullen.

Spreken (interactie, gesprekken voeren) Ik kan deelnemen aan een eenvoudig gesprek, wanneer de gesprekspartner bereid is om zaken in een langzamer spreektempo te herhalen of opnieuw te formuleren en mij helpt bij het formuleren van wat ik probeer te zeggen. Ik kan eenvoudige vragen stellen en beantwoorden die een directe behoefte of zeer vertrouwde onderwerpen betreffen. Spreken (mondelinge productie, monoloog) Ik kan eenvoudige uitdrukkingen en zinnen gebruiken om mijn woonomgeving en de mensen die ik ken, te beschrijven.

Hiernaast lees je de preciezere omschrijvingen van wat je op niveau A1 moet kunnen bij spreken en schrijven. Op www.erkidioom.nl kun je onder de link ERK nog meer te weten komen over de achtergronden van het ERK.

Schrijven Ik kan een korte, eenvoudige ansichtkaart schrijven, bijvoorbeeld voor het zenden van vakantiegroeten. Ik kan op formulieren persoonlijke details invullen, bijvoorbeeld mijn naam, nationaliteit en adres noteren op een hotelinschrijvingsformulier.

Om te kunnen luisteren en lezen op niveau A1 moet je nog heel wat meer woorden kennen, maar dan hoef je alleen de Duitse woorden te herkennen en er een betekenis mee te verbinden. De woorden die je in dit boek / op deze website vindt, moet je kunnen oproepen uit je geheugen, als je Duits spreekt. Je moet ze onmiddellijk paraat hebben, anders heb je er bij het spreken niets aan. Dat betekent bij het leren dat je de woorden moet herhalen, herhalen en nog eens herhalen. We wensen je veel plezier en succes bij het leren van het Duits met dit boek en de bijbehorende website. Erik Kwakernaak Erwin de Vries

3

Uit: Nederlandse Taalunie (2006). Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen: Leren, Onderwijzen, Beoordelen. Maastricht: Nederlandse Taalunie, p. 28


Inhoud Inleiding

3

Woorden leren en overhoren

6

1 Persoonlijke gegevens

1.1 1.2

Naam- en adresgegevens, beroep Nadere informatie over personen

8 10

2 Wonen

2.1 2.2

Huis en inrichting Comfort

14 15

3 Omgeving en natuur

18

4 Reizen en verkeer

4.1 De weg vinden 4.2 Vakantie

20 21

5 Eten en drinken

5.1 5.2 5.3

25 26 27

6 Boodschappen

6.1 Boodschappen doen 6.2 Artikelen

29 30

7 Dienstverlening

7.1 7.2

Post, telefoon, internet Diensten

32 33

8 Gezondheid

8.1 8.2

Lichaamsdelen en hoe je je voelt Verzorging en medische zorg

35 36

Voeding Levensmiddelen Uit eten gaan

9 Waarnemen en bewegen

38

10 Werk en beroep

39

11 School en opleiding

41

12 Vreemde talen

43 4


13 Vrije tijd en vermaak

45

14 Persoonlijke relaties en contacten

47

15 Politiek en maatschappij

49

16 Algemene begrippen

16.1 16.2 16.3 16.4 16.5

Plaats en ruimte Tijd Dagen, maanden, jaren Eigenschappen en beoordeling Veelgebruikte werkwoorden

51 54 57 59 62

17 Taalhandelingen

17.1 17.2 17.3 17.4 17.5 17.6

Aanwijzen en vragen Commentaar geven en vragen Gevoelens uitdrukken Dingen regelen Sociale omgang Elkaar begrijpen

65 66 68 68 70 73

18 Getallen

18.1 Telwoorden 18.2 Rangtelwoorden

74 75

Verantwoording

76

5


Woorden leren en overhoren Leren doe je uit het boek, jezelf overhoren doe je op de website. Op de website kun je ook je uitspraak oefenen. Dit helpt je om de woorden beter te onthouden. Hoe je de woorden het beste leert, wordt hieronder uitgelegd.

Leren 1 Leer de woorden hardop. Dat zorgt ervoor dat je ze beter onthoudt en sneller paraat hebt bij het spreken. Op de website kun je de uitspraak horen en de zinnen naspreken. Zo leer je ook de goede uitspraak. 2 Doe aan intervaltraining. Dat wil zeggen: herhaal het leren van dezelfde woorden met steeds grotere tussenpozen. De eerste keer na een paar uur, de tweede keer na een dag, de derde keer na twee of drie dagen, enzovoort. 3 Neem de woorden voor je die je opgekregen hebt om te leren – of die je zelf gekozen hebt. Neem een blad papier waarmee je de kolommen kunt bedekken en dat je naar beneden en boven kunt schuiven. Spreek de antwoorden hardop uit. Kijk eventueel op www.erkidioom.nl onder ‘Leren’ om te zien hoe dit in zijn werk gaat. 4 Werk bij de eerste keer leren als volgt. Ronde 1 • Dek met een blad papier de rechter kolom met de Duitse woorden af: je ziet alleen het Nederlandse woord en de voorbeeldzin, waarin het Duitse woord ontbreekt. • Bedenk welk woord in de zin moet komen te staan. Lees de zin met het Duitse woord op. Doe dat zoveel mogelijk zonder in de rechterkolom te spieken. • Controleer tenslotte het antwoord door het papier één regel naar beneden te schuiven: vergelijk het met het witgedrukte antwoord. Ronde 2

• Dek met een blad papier opnieuw de rechter kolom met de Duitse woorden af: je ziet alleen het Nederlandse woord en de voorbeeldzin, waarin het Duitse woord ontbreekt. • Oefen nu alleen de woorden met een getal - voorbeelden: het adres 2, zijn 3, klein 3. Bedenk de gevraagde Duitse vormen. Zeg die hardop. Doe dat zoveel mogelijk zonder in de rechterkolom te spieken.

6

Verklaring van de getallen achter bepaalde woorden getal het adres 2 woordsoort zelfstandig naamwoord vormen om te leren enkelvoud – meervoud voorbeeld die Adresse – die Adressen opmerking Als er geen getal bij staat, hoef je alleen het enkelvoud te leren. Leer wel steeds het lidwoord (der, die, das) mee. getal zijn 3 woordsoort werkwoord vormen om te leren – hele werkwoord – 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd – 3e persoon enkelvoud voltooid tegenwoordige tijd voorbeeld sein – er ist – ist gewesen


• Controleer je antwoorden door het papier naar beneden te schuiven: verge-

getal klein 3

Ronde 3

woordsoort bijvoeglijk naamwoord

lijk ze met de zwartgedrukte woorden.

• Dek nu met een blad papier de voorbeeldzinnen én de Duitse woorden af. Je ziet alleen het Nederlandse woord. • Bedenk de gevraagde Duitse vormen. Zeg die hardop. Doe dat zoveel mogelijk zonder in de rechterkolom te spieken. • Controleer je antwoorden door het papier naar beneden te schuiven: vergelijk ze met de zwartgedrukte woorden.

5 Bij de tweede keer leren – bijvoorbeeld een paar uur later – ga je net zo te werk als in ronde 3. Bij de derde keer leren – bijvoorbeeld een dag later – doe je hetzelfde, maar nu niet in de volgorde van de lijst, maar kriskras door elkaar. Dat gaat het makkelijkst op de website. Je vinkt ‘Willekeurige volgorde’ aan. De woorden en vormen moeten goed zitten en snel komen. Blijf alle woorden en vormen steeds hardop herhalen.

Overhoren Een heel goede vorm van overhoren biedt de website www.erkidioom.nl. Ga naar ‘Overhoren’ en kies de taal, het hoofdstuk en de paragraaf die je wilt laten overhoren. Ook een goede manier is jezelf door iemand anders mondeling te laten overhoren, bijvoorbeeld door een klasgenoot, een vriend(in) of een familielid.

7

vormen om te leren – stellende trap – vergrotende trap – overtreffende trap voorbeeld klein – kleiner – am kleinsten Opmerking Als er geen getal bij staat, hoef je alleen de stellende trap te leren.


Persoonlijke gegevens Naam- en adresgegevens, beroep de naam 2

Mein … ist Patrick Jansen.

de voornaam

Wie lautet Ihr …?

de achternaam

Und was ist der …?

heten 3

Wie … Sie?

met

Ich heiße Janssen … zwei s.

meneer

Ist … Meyer da?

mevrouw

Ich suche … Fischer.

het adres 2

Was ist deine …? - Maximilianstraße 27.

wonen 3

Wo … Sie?

de straat 2

Wie heißt die …?

het nummer 2

Welche … ist das in der Albertstraße?

het huisnummer

Wie war noch mal die …?

de stad 2

In welcher … wohnst du?

mijn adres is

… … … Moesstraat 23 in Delft.

thuis

Bist du heute Abend …?

Nederland

Ich komme aus den …n.

1 1.1 Name der Name die Namen Vorname der Vorname Familienname der Familienname heißen heißen er heißt hat geheißen mit mit Herr Herr Frau Frau Adresse die Adresse die Adressen wohnen wohnen er wohnt hat gewohnt Straße die Straße die Straßen Nummer die Nummer die Nummern Hausnummer die Hausnummer Stadt die Stadt die Städte Meine Adresse ist meine Adresse ist zu Hause zu Hause Niederlanden die Niederlande 8


Persoonlijke gegevens

1

Duitsland

Wir haben Freunde in … .

Oostenrijk

Wir machen immer Urlaub in … .

Zwitserland

Warst du schon mal in der …?

Liechtenstein

… liegt zwischen Österreich und der Schweiz.

de telefoon

Das … klingelt. Nimmst du ab?

telefoneren 3

Wir … noch, okay?

het telefoonnummer

Was ist deine …?

de fax

Habt ihr zu Hause noch ein …?

sturen 3

Ich … dir heute noch eine E-Mail.

de e-mail 2

Hast du meine … nicht gelesen?

het e-mailadres

Was ist Ihre …?

geboren

Wo bist du …?

geboren op

Ich bin … … 3. Juni 1995.

geboren in

Ich bin … … Osnabrück.

oud 3

Wie … bist du? - Neunzehn.

jaar oud

Ich bin zwanzig … … .

veertien

Ich bin … .

de maand

In diesem … werde ich 21 Jahre alt.

Deutschland Deutschland Österreich Österreich Schweiz die Schweiz Liechtenstein Liechtenstein Telefon das Telefon telefonieren telefonieren er telefoniert Telefonnummer die Telefonnummer Fax das Fax schicke schicken er schickt E-Mail die E-Mail die E-Mails E-Mail-Adresse die E-Mail-Adresse geboren geboren geboren am geboren am geboren in geboren in alt alt älter Jahre alt Jahre alt vierzehn vierzehn Monat der Monat 9

hat telefoniert

hat geschickt

am ältesten


Persoonlijke gegevens

1

klein 3

Als ich … war, gingen wir oft nach Deutschland.

jong 3

Du bist leider noch zu … für diesen Film.

de man 2

Kennen Sie diesen …?

de heer

Dieser … ist unser Direktor.

2

de jongen

2

klein klein jung jung Mann der Mann Herr der Herr Junge der Junge Frau die Frau Mädchen das Mädchen Freund der Freund Freundin die Freundin

Ein … in meiner Klasse kommt aus Österreich.

de vrouw 2

Diese … ist unsere Lehrerin.

het meisje 2

Kennst du das … mit den blonden Haaren?

de vriend 2

Mein … spielt in einer Band.

de vriendin 2

Meine … arbeitet in einem Modegeschäft.

Nadere informatie over personen

am kleinsten

jünger

am jüngsten

die Männer die Herren die Jungen die Frauen die Mädchen

die Freunde die Freundinnen

1.2

getrouwd

Wie lange sind Sie schon …?

de familie, het gezin

de Duitser 2

Den Sonntag verbringen wir meistens mit der ganzen …. Unsere Nachbarn haben gestern ihr drittes … bekommen. Du bist der einzige …, den ich kenne.

de Duitse 2

Unsere Lehrerin ist eine … aus Berlin.

Duits (de taal)

Auch in Liechtenstein spricht man … .

het kind 2

kleiner

10

verheiratet verheiratet Familie die Familie Kind das Kind die Kinder Deutsche der Deutdie Deutschen sche Deutsche die Deutsche die Deutschen Deutsch Deutsch


Persoonlijke gegevens

1

de Oostenrijker 2

Dieser … kommt aus Innsbruck.

de Oostenrijkse 2

Ich habe im Skiurlaub eine … kennen gelernt.

Oostenrijks

Das ist typisch … .

de Zwitser 2

Bei uns war letzte Woche ein … zu Besuch.

de Zwitserse 2

Therese ist eine … aus Basel.

Zwitsers

Rösti ist typisch … .

de Nederlander 2

Ich bin ein … .

de Nederlandse 2

Mein Vater ist Türke, meine Mutter … .

komen uit 3

Ich … … den Niederlanden.

waar vandaan

… kommen Sie …?

waarvandaan

… kommen Sie?

van waar, waarvandaan doen 3

… … kommst du? Was … dein Vater?

verkopen 3

Mein Vater … Autos.

de ouders

Meine … arbeiten beide bei Siemens.

de vader

Was macht sein … beruflich?

Österreicher der Österrei- die Österreicher cher Österreicherin die Österrei- die Österreicherinnen cherin österreichisch österreichisch Schweizer der Schweidie Schweizer zer Schweizerin die Schweidie Schweizerinnen zerin schweizerisch schweizerisch Niederländer der Niederdie Niederländer länder Niederländerin die Niederdie Niederländerinnen länderin komme aus kommen er kommt ist gekommen Wo her wo her Woher woher Von wo von wo macht machen er macht hat gemacht verkauft verkaufen er verkauft hat verkauft Eltern die Eltern Vater der Vater 11


Persoonlijke gegevens

1

de moeder

Wo hat deine … immer gearbeitet?

de grootmoeder, de oma de grootvader, de opa

Meine … ist jetzt 74 Jahre alt.

van

Das ist der Vater … meinem Freund Maikel.

houden van, lusten 3

Wir m… diese Musik nicht so.

erg houden van, lusten 3 bevallen 3

Ich l… Rapmusik.

niet bevallen 3

Dead Metal … mir … so.

graag 3

So etwas machen wir natürlich sehr … für Sie.

niet graag

Das machen wir … so … .

de hobby 2

Was ist dein …?

hoe

… oft gehst du in der Woche zum Training?

aardig 3

Ich finde Laura sehr … .

dom 3

Manchmal reagiert er ein bisschen … .

dom, stom 3

Ich finde deinen Freund echt … .

treurig, bedroefd groot, lang klein 3

3

Arbeitet dein … noch?

Wie hat es Ihnen bei uns …?

3

Ich bin ein bisschen …, dass du nicht kommen kannst. Wie … bist du eigentlich? - Fast zwei Meter. Er ist …, ich schätze ein Meter sechzig.

12

Mutter die Mutter Großmutter die Großmutter Großvater der Großvater von von mögen mögen er mag liebe lieben er liebt gefallen gefallen es gefällt gefällt nicht nicht gefales gefällt len nicht gern gern lieber nicht gern nicht gern Hobby das Hobby die Hobbys Wie wie nett nett netter dumm dumm dümmer blöd blöd blöder traurig traurig trauriger groß groß größer klein klein kleiner

hat gemocht hat geliebt hat gefallen hat nicht gefallen am liebsten

am nettesten am dümmsten am blödesten am traurigsten am größten am kleinsten


Persoonlijke gegevens

1

mooi 3

Sie ist genauso … wie ihre Mutter.

het oog 2

Mein rechtes … tut weh.

zwart

Er kleidet sich meistens … .

bruin

Meine Augen sind … .

rood

Sie hat ihre Haare … gefärbt.

twintig

Auf deinem Konto stehen noch … Euro.

130

Auf meinem Konto stehen noch … Euro.

woensdag

Am … habe ich Geburtstag.

zes

Ich habe … Paar Schuhe.

achtste

Der … Juni ist mein Geburtstag.

schön schön schöner Auge das Auge die Augen schwarz schwarz braun braun rot rot zwanzig zwanzig 130 (hundertdreißig) 130 (hundertdreißig) Mittwoch Mittwoch sechs sechs achte achte

13

am schönsten


Waarnemen en bewegen

9

horen, verstaan 3

Es ist hier so laut, ich kann dich nicht h… .

verstaan, begrijpen 3

Die Verbindung ist schlecht, kannst du mich noch v…?

staan 3

Ich kann nicht so lange …, ich muss mich setzen.

zitten 3

Hier … du gut.

liggen

Ich muss einen Moment … .

3

lopen, gaan

Erst ein Jahr alt, und sie kann schon …!

3

doen, maken 3

Du musst etwas …, sonst ist es zu spät.

geven 3

… du mir das Messer, bitte?

nemen 3

… Sie ruhig diesen Löffel.

dragen 3

Kannst du den Koffer alleine …?

drukken, duwen 3

Ich ziehe, dann kannst du … .

aanzetten, aandoen

uitzetten, uitdoen 3

3

hören hören verstehen verstehen stehen stehen sitzt sitzen liegen liegen gehen gehen machen machen Gibst geben Nehmen nehmen tragen tragen drücken drücken Machst an anmachen

… du bitte das Licht …?

ausmachen ausmachen

Würdest du bitte das Radio …?

38

er hört

hat gehört

er versteht

hat verstanden

er steht

hat gestanden

er sitzt

hat gesessen

er liegt

hat gelegen

er geht

ist gegangen

er macht

hat gemacht

er gibt

hat gegeben

er nimmt

hat genommen

er trägt

hat getragen

er drückt

hat gedrückt

er macht an

hat angemacht

er macht aus hat ausgemacht


Werk en beroep ik ben 3

… … Schüler.

werken 3

Am Samstag … ich im Supermarkt.

zijn bij 3

Meine Mutter … … der Polizei.

doen 3

Und dein Vater? Was … der?

verkopen goed

Ich bin sein arbeite arbeiten ist bei sein bei macht machen verkauft verkaufen gut gut schlecht schlecht

Mein Vater … Maschinen.

3

Meine Mutter verdient … .

3

slecht 3

Ich verdiene im Supermarkt nicht … .

makkelijk, licht 3

Meine Arbeit im Supermarkt ist … .

zwaar 3

Der Job an der Kasse ist … .

het kantoor 2

Ich suche einen Job im … .

de school 2

Es gefällt mir gut in der … .

de computer

10

2

leicht leicht schwer schwer Büro das Büro Schule die Schule Computer der Computer Kollege der Kollege frei frei haben frei frei haben die Ferien die Ferien

Ich arbeite gern am … .

de collega 2

Unser neuer … heißt Dieter.

vrij

Ab fünf Uhr bin ich … .

vrij hebben 3

Weihnachten … wir nur drei Tage … .

de vakantie

Wann sind bei euch … …?

39

er ist

ist gewesen

er arbeitet

hat gearbeitet

er ist

ist gewesen

er macht

hat gemacht

er verkauft

hat verkauft

besser

am besten

schlechter

am schlechtesten

leichter

am leichtesten

schwerer

am schwersten

die Büros die Schulen die Computer

die Kollegen

er hat

hat gehabt


Werk en beroep

10

vakantie hebben 3

Wir … zwei Wochen … .

het (computer)bestand 2 kopiëren 3

Ich kann … … leider nicht finden.

schicken 3

Ich … sie dir über die Post.

het e-mailadres 2

Gibst du mir bitte deine …?

haben Ferien Ferien haben er hat hat gehabt die Datei die Datei die Dateien kopieren kopieren er kopiert hat kopiert schicke schicken er schickt hat geschickt E-Mail-Adresse die E-Maildie E-Mail-Adressen Adresse

Kannst du mir die Datei … ?

40


Verantwoording De woorden, uitdrukkingen en zinnen zijn zorgvuldig gekozen door de auteurs van Profile Deutsch. Hun lijst is voor Nederlandstaligen bewerkt en van voorbeeldzinnen voorzien door Erik Kwakernaak en Erwin K. de Vries. Glabionat, M., M. M端ller, H. Schmitz, P. Rusch & L. Wertenschlag (2005). Profile Deutsch. Berlin: Langenscheidt.

Over de auteurs Erik Kwakernaak was als lerarenopleider en vakdidacticus Duits verbonden aan de Lerarenopleiding Zuidwest-Nederland / Hogeschool Rotterdam in Delft en aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij is werkzaam als publicist en educatief auteur. Erwin de Vries was werkzaam in diverse geledingen van het onderwijs, onder andere als docent Duits aan het Willem Lodewijk Gymnasium en de Rijksuniversiteit Groningen en als lerarenopleider aan de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden. Thans werkzaam als educatief auteur, uitgever en vertaler.

76


Door Europa Duits