Page 1

NOT I ZIARIO jaargang 27 nummer 2 zomer 2017

Notiziario van de Società Dante Alighieri Comitato di Utrecht Redactie: Annemarie Aarnoutse | Ciska van der Glas E-mail: notiziario@danteutrecht.nl | telefoon secretariaat: 06-15828240

Inhoud Van de redactie 1 Een biografie van Ariëns vertaald in het Italiaans (2)/Ronald Valk 2 Wegbereiders van Caravaggio (verslag)/ Ciska van der Glas 3 Italiaanse thee…van cameliablad 3 Rijksmuseum Twente: In het hart van de Renaissance/Marga Rijpstra 4 450 jaar Monteverdi in Cremona 5 Corso ‘Narrazioni e memorie di una memoria divisa: verità e giustizia’: La memoria culturale della Resistenza e degli anni di piombo/Maria Bonaria Urban, Monica Jansen 5 Simposio ‘Narrazioni e memorie di un’Italia divisa’ sulla memoria culturale della Resistenza/Saskia Kroonenberg, Simone Moissidis, Rachelle Gloudemans e Daniël Gase 6 La memoria culturale della Resistenza/ Daniël Gase 7 Alessandro Portelli e le memorie delle Fosse Ardeatine/Saskia Kroonenberg 9 Un omaggio a Roma/Simone Moissidis 10

Van de redactie Voor Cremona is het dit jaar Monteverdijaar: 450 jaar geleden werd de componist daar geboren en dat wordt/is natuurlijk op vele manieren herdacht – welluidend, non c’è dubbio. Die klanken kunnen we u hier niet laten horen, maar misschien hebt u er in uw eigen omgeving al van kunnen genieten, want ook elders, zoals in ons land, krijgt Monteverdi dit jaar alle aandacht. Wat wij u te bieden hebben: onder meer een vervolg op Ronald Valks uiteenzetting over het vertalen van de biografie van Alphons Ariëns en – in het Italiaans − vijf artikelen die terugkijken op het Symposium ‘Narrazioni e memorie di un’Italia divisa’ dat op 31 maart in Utrecht plaatsvond. Wij danken die vooral aan Monica Jansen en Maria Bonaria Urban, samen met vier van hun studenten. Wij zijn er trots op ze te mogen publiceren! Uit kunsthistorische kring een artikel over een ‘herontdekte’ Venetiaanse tondo, van Chantal de Ruiter, stagiair bij de

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. En de tentoonstelling in Enschede krijgt nog eens aandacht in de vorm van een verslagje naar aanleiding van de lezing van Stefano Giani en een terugblik van socia en kunsthistorica Marga Rijpstra op haar bezoek aan de tentoonstelling. Minne de Boer slaat deze Notiziario over maar Gandolfo Cascio is als gewoonlijk aanwezig, nu met de 20ste-eeuwse dichter Alfonso Gatto. Van onze ‘Romeinse correspondent’ Pauline Passariello-Reinoud ontvingen wij weer een paar korte berichten uit Il Messaggero – berichten waaruit blijkt dat Italianen tegenover het steeds vaker gebruiken van Engelse termen en zegswijzen ook de eigen Italiaanse taal en cultuur verdedigen. Wij vinden dat wij u weer een afwisselend nummer te bieden hebben en wensen u allen een bella estate. Van de redactie

De mooiste theaters van Italië 11 Een nieuwe blik op Maria: een Venetiaanse tondo herontdekt/ Chantal de Ruiter 12 Van onze correspondent in Rome 13 I poeti da leggere (e/o rileggere): Alfonso Gatto/Gandolfo Cascio 14 Caravaggio-suonatore-liuto

Duits dak op de Arena van Verona 15

KOPIJ VOOR HET VOLGENDE NUMMER GRAAG VÓÓR 15 AUGUSTUS

Tentoonstellingen in Italië 16

1


| Dante Alighieri • Notiziario • jaargang 27 – nummer 2 |

Een biografie van Ariëns vertaald in het Italiaans (2) In het vorige nummer werd het verschijnen aangekondigd van een Italiaanse vertaling van een biografie van Alphons Ariëns, De liefde van Christus laat mij geen rust, een spirituele biografie van Alphons Ariëns, van de hand van Henri ten Have1, priester van het aartsbisdom Utrecht. De vertaling, L’amore di Cristo ci spinge, is inmiddels verschenen bij de Turijnse uitgeverij Effatà Editrice. In het vorige artikel gaf de vertaler een korte schets van Ariëns en ging hij in op enkele uitdagingen waarvoor hij zich bij het vertalen van deze biografie zag gesteld. In dit artikel stelt hij nog een aantal uitdagingen aan de orde.

vertalen met ‘divisione’ maar dit woord kan ook duiden op een verdeling in meer dan twee delen. De gevonden alternatieven zijn: ‘bipartizione’, ‘dicotomia’ en ‘scissione’, waarbij de keuze is gevallen op de laatste omdat dit woord echt een kloof uitbeeldt – juist die kloof die Ariëns, volgens de centrale stelling van deze biografie, wilde overbruggen. Een ander probleem in deze zin is het woord ‘als’. Een rechtstreekse vertaling met ‘come’ zou opleveren: ‘il ministero sacerdotale come una consacrazione’, wat in Italiaanse oren nogal vaag zou klinken: Romaanse talen vereisen helderheid in de formulering van de analyse! Vandaar mijn keuze om het woord ‘als’ explicieter te vertalen met ‘vanuit het gezichtspunt van’, dus dal punto di vista di. Het eindproduct van deze keuzes is geworden: ‘Una delle caratteristiche della teologia del ministero sacerdotale dal Medioevo fino al Novecento è la scissione tra il ministero sacerdotale considerato dal punto di vista della consacrazione da una parte e la sua dimensione pratica e giuridica dall’altra.’

In het vorige artikel heb ik (de vertaler) uitgelegd dat het boek een aantal lagen heeft: er is een informatieve kant (de biografische feiten) maar daarnaast een emotionele en spirituele kant (wat betekenen die biografische feiten, niet alleen voor Ariëns maar ook hier en nu?). Ik heb het vertaalproces gezien als een top-downactiviteit: de centrale boodschap van het boek beïnvloedt de spirituele en emotionele toonzetting en daarmee de stijl van het boek, en die aspecten zijn op hun beurt bepalend voor de keuzes met betrekking tot vocabulaire en zinsconstructies die door de vertaler op detailniveau worden gemaakt.

Een mooie emotionele zin: is ‘De liefde krijgt in iedere levensstaat haar eigen gehalte’. (De levensstaat kan zijn: het huwelijk, het priesterschap, enzovoort.) Het woord ‘gehalte’ heeft geen Italiaans equivalent, en een vertaling als: ‘In ogni stato di vita, la carità ha la sua propria forma’, maakt de tekst te plat. Immers, ‘gehalte’ houdt een bepaalde intensiteit of authenticiteit in, en juist die emotionele lading maakt deze zin zo aansprekend! Daarom heb ik ervoor gekozen om de woorden ‘viene vissuta’ in te voegen waarmee in het Italiaans juist deze authenticiteit wordt overgebracht: ‘In ogni stato di vita, questa carità viene vissuta in modo specifico.’

Één uitdaging werd gevormd door de vertaling van het woord ‘priesterschap’. Dit woord valt in het begin van het boek, in de zin: ‘Immers, hij heeft zich zozeer geïdentificeerd met het priesterschap (...).’ Je kunt dit eenvoudigweg vertalen met ‘sacerdozio’: ‘Infatti si è identificato in tal grado con il sacerdozio (...)’. Het woord ‘sacerdozio’ verwijst echter naar het priesterschap als een juridische (kerkrechtelijke) status, terwijl het in deze zin en in het vervolg van het boek steeds draait om de spiritualiteit van Ariëns, of met andere woorden, om zijn innerlijke houding die in dit boek wordt aangeduid als ‘priesterlijke spiritualiteit’. In het vervolg van de biografie wordt duidelijk dat deze spiritualiteit met name wordt gekenmerkt door dienstbaarheid. Daarom heb ik gekozen voor de vertaling ministero sacerdotale (letterlijk: priesterlijk dienstwerk). Deze keuze, gehandhaafd in de rest van de vertaling, is een typisch voorbeeld van de wijze waarop een gekozen vertaalstrategie (het geven van prioriteit aan het overbrengen van de centrale boodschap van het boek) doorwerkt op detailniveau. Ten Have geeft in zijn boek een overzicht van de geschiedenis van de spiritualiteit van het priesterschap, met als doel om het vernieuwende karakter aan te tonen van de priesterlijke spiritualiteit van Ariëns. Een centrale zin in dit historische overzicht is: ‘Een van de kenmerken van de theologie van het priesterschap vanaf de middeleeuwen tot aan de twintigste eeuw is een tweedeling tussen het priesterschap als wijding enerzijds en de praktisch-juridische dimensie van het priesterschap anderzijds.’ Het woord ‘tweedeling’ kun je

Erg lastig is de term ‘de pastoraal’, want dit is een technische term voor mensen die pastoraal werk doen. De betekenis ervan is: de zorg voor de gelovigen als aspect van de taak van de priester of pastorale werker. In de zin waarin deze term voorkomt, wordt de nadruk gelegd op de relatie tussen ‘de pastoraal’ enerzijds en ‘de levensheiliging van de priester’ anderzijds. Om deze nauwe relatie ook in het Italiaans te laten uitkomen, viel de keuze nogmaalsop het woord ‘ministero’ (dienstwerk): de priester heiligt zichzelf door de zorg die hij in dienstbaarheid aan de gelovigen verleent. Daarmee is de vertaling van ‘de pastoraal’ geworden: il ministero pastorale. Ongrijpbaar is de zinsnede ‘Christus present stellen’ die diverse keren in de tekst voorkomt. Deze zinsnede brengt de volgende betekenissen met zich mee: ‘zorgen dat of laten voelen dat Christus aanwezig is’, ‘Christus vertegenwoordigen’, ‘het Christusbewustzijn oproepen’. Dit alles ligt besloten in de vertaling ‘Christus verpersoonlijken’ (personificare Cristo), maar dan komen we theologisch gezien in zwaar weer terecht: 1 Valkhof Pers, Nijmegen, 2008, ISBN 978 90 5625 287 8

2


| Dante Alighieri • Notiziario • jaargang 27 – nummer 2 |

Christus is één van de Personen van de Drie-eenheid, en als iemand Christus verpersoonlijkt, dan zou dat de suggestie kunnen wekken dat de desbetreffende persoon zelf ook deel gaat uitmaken van de Drie-eenheid. Een dergelijke doctrine zou geen vertaler aan een priester van het aartsbisdom Utrecht willen toeschrijven... en dus was dit geen optie. Ook het alternatief ‘Christus verbeelden’ (raffigurare Christo) is nog voorbijgekomen, maar dit leek wel een érg bleke weergave van ‘Christus present stellen’. Uiteindelijk werd het ‘Christus vertegenwoordigen’: rappresentare Cristo. Ook dit is zonder meer een verarming ten opzichte van het origineel maar levert wel een idiomatische en inhoudelijk aanvaardbare vertaling op.

Umberto Eco heeft er al op gewezen dat vertalen een onderhandelingsproces is met geven en nemen. Ik hoop dat zijn ‘onderhandelingen’ hebben geleid tot een tekst die Ariëns in Italië bekend maakt op een wijze die hem recht doet. Ronald Valk Ronald Valk is vertaler, behalve van het hierboven genoemde boek onder meer van René Laurentin, Lourdes, het ware verhaal van de verschijningen (oorspronkelijke titel: Lourdes. Histoire authentique des apparitions), Adveniat, Baarn, 2012.

Wegbereiders van Caravaggio Begin maart hield Stefano Giani, verder op (Luther, Dürer, Cranach); tenslotte kunsthistoricus van Italiaanse origine die is Brescia een van de noordelijkste steden van sinds 2001 in Nederland woont, voor Dante Italië. Utrecht zijn lezing ‘Wegbereiders van Na het kwartiertje pauze – met een glas Caravaggio: de schilders van de Renaissance Italiaanse wijn – richtte onze gast de aandacht in Brescia (Moretto, Romanino, Savoldo)’. vooral op de portretkunst. De financiële De lezing (in het Nederlands) sloot aan draagkracht van de geportretteerde, zo vertelde op de tentoonstelling ‘In het hart van de hij, is vaak af te leiden uit het kleurgebruik: Renaissance’ in Rijksmuseum Twente (te zien een kleur als lapis lazzuli, peperduur (moest t/m 18 juni). uit Afghanistan komen), komt zelden voor, Aan de hand van – hoe kan het anders – diverse want lang niet iedere opdrachtgever kon zorgvuldig geselecteerde illustraties liet hij zijn een schilder daarvoor betalen. Daarbij wees gehoor de ontwikkeling van het chiaroscuro hij ons regelmatig en met enige nadruk op in het werk van de drie uit Brescia afkomstige de landschappelijke elementen, die in de kunstenaars Romanino, Savoldo en Moretto religieuze afbeeldingen overigens ook vaak zien – het chiaroscuro waarmee Caravaggio aanwezig waren. later in Rome en over de hele wereld furore zou maken. Werken die ook in Enschede te zien Giovan Battista Moroni, portret van Het bleek een uitstekende keus om Stefano waren had hij, heel attent, speciaal gelabeld. Isotta Brembati, dichteres en hoofdper- Giani uit te nodigen: het betoog dat hij hield Hij wees ook op een ander aspect in het werk soon in het 16de-eeuwse culturele leven was boeiend en leerzaam, heel waardevol. van de drie ‘Brescianen’: ‘volkse’ elementen en van Brescia Een prima aanloopje voor een bezoek aan de devotie. Mensen van vlees en bloed, figuren tentoonstelling! Een socia die een bezoek aan die zo uit het volk konden zijn opgepikt, in de rollen van Maria Twente bracht geeft hierna haar impressies weer. en Jozef, of de Emmaüsgangers. In het werk van de Brescianen is ook invloed van boven de Alpen te bespeuren, merkte hij Ciska van der Glas

Italiaanse thee…van cameliablad In Sant’Andrea di Compito (provincie Lucca), bevindt zich de eeuwenoude Chiusa Borrini, ‘chiusa’ sinds 1690, het jaar van de ommuring. Er staat een kapel, eigendom van de familie Borrini, met de stoffelijke resten van de familie. Een telg uit deze familie was Angelo Borrini, oogarts van hertog Carel Lodewijk van Bourbon. Deze Angelo Borrini had een passie voor camelia’s en legde een cameliatuin aan op het terrein (1795). Op initiatief van Guido Cattolica, die zo’n honderd nieuwe

camelia’s heeft bijgeplant, wordt nu van het blad van de camelia’s groene en zwarte thee gemaakt. Zo heeft Italië zijn eerste en enige theeplantage gekregen. Bron: Touring, maandblad van Touring Club Italiano

3


| Dante Alighieri • Notiziario • jaargang 27 – nummer 2 |

Rijksmuseum Twente: In het hart van de Renaissance Kunsthistorica en trouw socia Marga Rijpstra bezocht de tentoonstelling in Twente. Zij schreef een impressie van haar bezoek voor de Notiziario. Het Rijksmuseum Twente – wie zal het ontgaan zijn? – bood dit voorjaar (tot 18 juni) de tentoonstelling In het hart van de Renaissance aan, resultaat van een unieke samenwerking met de Pinacoteca Tosio Martinengo in Brescia. Er waren werken te zien van enkele van de grootste Italiaanse Renaissance-kunstenaars uit NoordItalië, zoals Rafaël, Titiaan, Tintoretto en Lotto, maar ook van wat minder bekenden als Moroni, Moretto, Savoldo, de kunstenares Anguissola Safonisba – met een prachtig klein portretje – en diverse andere. De Renaissance verspreidde zich vanuit Florence en Rome naar het noorden van Italië, naar grote steden zoals Milaan en Venetië, maar ook naar kleinere zoals Bergamo, Cremona en Brescia. Lombardije stond anderzijds in contact met het noorden van Europa. Veel schilders kenden, meestal van prenten, het werk van hun noordelijke vakgenoten uit Duitsland (Dürer) en bijvoorbeeld Vlaanderen. De schilderkunst uit Lombardije wordt dan weer beschouwd als voorloper, misschien zelfs voorbeeld, van het realisme en het chiaroscuro van Caravaggio.

het atelier van Perugino. De kerk werd in 1789 door een aardbeving verwoest. De engel is een van de delen van het altaarstuk die bewaard zijn gebleven. Bijzonder mooi is de Madonna met slapend kind van Giovanni Bellini uit 1475 (zie de foto). In dit schilderij zie je nog de invloed van de Byzantijnse kunst: het is een wat icoonachtige afbeelding (type Eleousa = tederheid). Toch wordt er een nieuwe levendigheid in gebracht, waardoor emotie wordt opgeroepen. De slapende Jezus, waar Maria in aanbidding naar kijkt, verwijst naar zijn lijden en dood; je zou het als een soort voorganger van een pietà kunnen zien. Giovanni Bellini is de meester van Venetiaanse Madonna-panelen.

Giovanni Bellini, Madonna met slapend kind

Een Annunciatie van Savoldo is ook heel bijzonder. Om te beginnen vanwege de afmetingen: het is een uitgesproken groot schilderij. Het toont een open raam waarachter je God de Vader op een wolk ziet zitten, terwijl hij de duif naar Maria stuurt – het mysterie van de menswording van Christus. Zoals gebruikelijk is de engel Gabriël afgebeeld met een witte lelie in de hand en als je goed kijkt zie je rechts van Maria een fontein (water en lelie verwijzen beide naar de zuiverheid van Maria). Maria heeft een rode japon aan, symbool voor het aardse, met een blauwe mantel eroverheen, als de ‘koningin van de hemel’.

Prachtig zijn de kleine schilderijen van Rafaël, zoals De Opgestane Christus. De beschermheiligen van Brescia Christus is hier afgebeeld met een Vincenzo Foppa, Madonna met kind, met Faustinus en Jovita (Faustinus en Jovita) kunnen in stevig lichaam, een klassiek torso; zijn aan weerszijden deze tentoonstelling natuurlijk kruiswonden zijn wat geïdealiseerd niet ontbreken. Zij zijn afgebeeld weergegeven. op een groot altaarstuk met in het midden de Madonna met Een ander topstuk is de Madonna met de anjer (werk van kind, Faustinus aan de ene kant en Jovita aan de andere kant Rafaël of diens atelier): een bewonderenswaardig geschilderd (zie de foto). Zij krijgen van resp. Maria en Jezus de palmtak gezichtje van Maria en het kindje Jezus, dat met een anjer zit te van hun martelaarschap. In dit schilderstuk is heel duidelijk spelen; de anjer wordt ook wel nagelbloem genoemd en is een een centraal perspectief gebruikt, dat misschien zelfs wat verwijzing naar zijn toekomstig lijden. overdreven is doorgevoerd. De detaillering in het schilderij Een ander indrukwekkend kunstwerk is de engel die een doet denken aan de Noord-Europese kunst. Verder kwamen de onderdeel vormde van het oudst bekende werk van Rafaël. Het figuren op dit schilderij op mij als wat ‘marmerachtige’ beelden was een altaarstuk voor een kerk in Città di Castello in Umbrië. over. Toen Rafaël dit maakte was hij 18 jaar oud. Hij werkte toen in

4


| Dante Alighieri • Notiziario • jaargang 27 – nummer 2 |

Het verhaal van Faustinus en Jovita is de moeite van het vertellen waard. Zij waren broers en leefden in de tijd van keizer Hadrianus. Zij verkondigden het evangelie in de omgeving van Brescia. Op een gegeven moment moesten ze van een heidense officier een beeld van de zon met gouden stralen aanbidden. Dat wilden ze niet en Jovita zei: ‘Wij aanbidden God in de Hemel die de zon geschapen heeft en jij, ijdel beeld, zult zwart worden van schande voor wie jou aanbidt.’ Het beeld werd zwart en een heidense priester kreeg de opdracht het beeld schoon te maken. Toen hij het aanraakte viel het als as uiteen. Vervolgens werden Faustinus en Jovita gemarteld, naar Milaan, Rome en Napels gesleept en daarop weer teruggebracht naar Brescia. Hier werden ze voor de leeuwen geworpen, die ze met

geen poot aanraakten, en uiteindelijk werden ze onthoofd. Brescia eert de twee broers als schutspatroon en in de kerk die aan hen gewijd is, bevinden zich relieken van de twee heiligen. Naast religieuze kunst laat de tentoonstelling ook buitengewoon mooie, realistische portretten zien. Moretto schilderde ‘De maaltijd te Emmaüs’, dus wel een religieus onderwerp, maar onder de tafel zien we een kat zitten, wat het geheel huiselijker en ‘realistisch’ maakt. De tentoonstelling was een bezoek zeer zeker waard! Marga Rijpstra

450 jaar Monteverdi in Cremona Dit jaar is het 450 jaar geleden dat de componist Claudio Monteverdi geboren werd. Zijn geboortestad Cremona staat daarom het hele jaar in het teken van de meester. Tijdens het Monteverdi Festival zijn er van april tot juni talrijke concerten, zelfs een tijdens een riviercruise over de Po naar de lagune van Venetië. De optredens zijn verder op de mooiste plekjes in de stad, in kerken, hofjes en historische gebouwen. Een ander hoogtepunt is de nieuwe productie van de opera Orpheus, die wordt beschouwd als de eerste opera in de geschiedenis van de muziek. Het slotconcert van het festival, Monteverdi’s meesterwerk Maria Vespers, is op 24 juni in de kathedraal van Cremona, onder leiding van Sir John Eliot Gardiner. Meer informatie: www.teatroponchielli.it

Corso ‘Narrazioni e memorie di una memoria divisa: verità e giustizia’

La memoria culturale della Resistenza e degli anni di piombo I contributi che seguono, sono stati elaborati dagli studenti del master di Italiano partecipanti al corso Narrazioni e memorie di una memoria divisa: verità e giustizia, e vogliono essere l’occasione per condividere con un pubblico di esperti e interessati quali i soci della Dante Alighieri, i risultati dei lavori di ricerca e di studio realizzati nell’ambito di questo modulo. Il corso fa parte del programma interuniversitario olandese del Masterlanguage, e viene offerto dalla Università di Amsterdam con la collaborazione dell’Università di Utrecht. Da anni è l’occasione per proporre agli studenti del Master di studi italiani dei vari atenei olandesi un programma di studio incentrato su temi rilevanti del dibattito culturale italiano, approfondendo l’analisi di una variegata produzione letteraria e artistica contemporanea in cui si elaborano momenti controversi della storia nazionale. Nel corso vengono

così affrontati temi quali la memoria della Resistenza, l’elaborazione culturale degli anni di piombo ed eventi traumatici come il G8 a Genova 2001. Uno degli obiettivi del corso è quello di far vivere l’esperienza diretta del lavoro accademico. In linea con tali obiettivi didattici, gli studenti sono stimolati a partecipare attivamente ai seminari e sono poi i protagonisti del simposio durante il quale presentano i risultati delle loro ricerche in presenza di scrittori e studiosi di chiara fama. Dal momento che l’attività accademica è finalizzata a diffondere le proprie conoscenze nello spazio sociale, un altro importante obiettivo è quello di creare sinergie con enti culturali presenti sul territorio. Per questo motivo, al simposio si accompagna solitamente un evento-dibattito organizzato in collaborazione con l’Istituto Italiano di Cultura ad Amsterdam.

5


| Dante Alighieri • Notiziario • jaargang 27 – nummer 2 |

Nei contributi che seguono si discutono i risultati dei lavori svolti nel corso dell’anno accademico 2016-2017, incentrati sul tema della memoria culturale della Resistenza e degli anni di piombo. Il resoconto del simposio scritto a più mani dai partecipanti offre una visione d’insieme sul programma della giornata, illustrando brevemente i risultati delle singole ricerche. Segue poi un contributo, curato da Daniël Gaze, in cui si presentano criticamente gli sviluppi della storiografia sulla Resistenza e in particolare la memoria culturale dell’antifascismo. Successivamente, Saskia Kroonenberg riassume i passaggi più significativi dell’intervento del professor Alessandro Portelli sulla memoria delle Fosse Ardeatine; infine, per concludere, Simone Moissidis ricostruisce i passaggi più significativi dell’incontro con la

scrittrice Paola Soriga. A giudizio dei docenti il simposio e l’incontro all’Istituto di Cultura sono stati i momenti conclusivi di un proficuo e laborioso percorso di studio a cui gli studenti hanno partecipato con entusiasmo e dedizione, facendo ben sperare per il futuro degli studi di italianistica nei Paesi Bassi. Ci si augura pertanto che anche i lettori del Notiziario possano apprezzare il lavoro fatto e magari si sentano stimolati ad approfondire ulteriormente alcuni dei temi discussi. I docenti del corso, Maria Bonaria Urban (Universiteit van Amsterdam Monica Jansen (Universiteit Utrecht)

Simposio ‘Narrazioni e memorie di un’Italia divisa’ sulla memoria culturale della Resistenza Il simposio ‘La memoria culturale della Resistenza’ del 31 marzo è stato organizzato all’Università di Amsterdam nel contesto del corso ‘Narrazioni e memorie di un’Italia divisa’ nell’ambito del programma universitario del MasterLanguage – con la cooperazione dell’Università di Utrecht e l’Istituto Italiano di Cultura di Amsterdam. Questo evento ha dato luogo a una discussione sulle memorie della Resistenza alla presenza di ospiti internazionali: il professor Alessandro Portelli, studioso di fama per le sue ricerche di storia orale, tra cui il suo lavoro sulle Fosse Ardeatine (L’ordine è già stato eseguito, 1999)1 e la scrittrice Paola Soriga, il cui primo romanzo Dove finisce Roma (2012)2, ambientato durante questo periodo storico, ha ottenuto un grande successo. La giornata ha offerto inoltre agli studenti del corso la possibilità di presentare a un pubblico accademico i risultati delle loro ricerche. Questi lavori trattavano di un altro periodo conflittuale della storia italiana, cioè gli anni Settanta – anche noti come gli ‘anni di piombo’ a causa della violenza politica che li caratterizzò. In questo resoconto si cercherà di riassumere in modo critico il convegno: saranno discussi in particolare i contributi degli studenti. Le ricerche vertevano su diversi casi della ‘memoria divisa’ italiana: si è parlato dell’antifascismo espresso nel personaggio di Sandro Pertini nel New Italian Epic, del ruolo dell’intellettuale impegnato nel romanzo Più alto del mare (2012) di Francesca Melandri, del caso Moro come rappresentato nel film Buongiorno, notte (2003) di Marco Bellocchio, e del tema, infine, dell’adolescenza nei cosiddetti ‘libri di piombo’ (Il paese delle meraviglie di Giuseppe Culicchia del 2006, e Il tempo materiale di Giorgio Vasta del 2008). Rachelle Gloudemans ha analizzato nel suo intervento il graphic novel Pertini fra le nuvole (Stamboulis & Costantini, Becco Giallo: 2014) nell’ambito del New Italian Epic. Partendo dalle domande ‘Come si ricorda Sandro Pertini nell’Italia contemporanea? E come si racconta ancora l’antifascismo dopo la ‘crisi’ dei suoi valori?’, ci si è chiesti in che modo il graphic novel contribuisca a una rivalutazione critica dell’antifascismo

dalla prospettiva del ‘personaggio’ Pertini. Sandro Pertini, ex partigiano socialista e presidente dalla Repubblica (1978-1985), fu una figura chiave della Resistenza e durante il suo mandato presidenziale ebbe il merito di incarnare il volto onesto e ideale della politica italiana in anni di grande crisi e sfiducia dei cittadini, tanto da essere ricordato come il presidente più amato della storia repubblicana. Nella ricerca si è messo in luce che la caratterizzazione del ‘personaggio’ Pertini nel graphic novel, articolata fra parole e immagini, va ben oltre l’immagine stereotipata del ‘nonnetto’ con la pipa e fornisce lo spunto per parlare ancora – anzi di nuovo – dell’antifascismo. Inoltre, la ricerca ha evidenziato come il graphic novel, sfruttando le potenzialità espressive del genere, si inserisce nel solco di quella letteratura contemporanea impegnata che è stata descritta dal collettivo Wu Ming come il New Italian Epic. Saskia Kroonenberg nella sua presentazione ha parlato del tema della responsabilità dell’intellettuale impegnato attraverso il romanzo Più alto del mare di Francesca Melandri. Nella sua analisi ha ricostruito il fenomeno dei cosiddetti ‘cattivi maestri’ degli anni di piombo – cioè gli intellettuali che insegnarono ai loro studenti le idee rivoluzionarie, presumibilmente stimolandoli a diventare terroristi. Successivamente ha affrontato il tema della figura dell’intellettuale e della sua evoluzione in rapporto ai nuovi mezzi di comunicazione. Nel romanzo della Melandri, Paolo – filosofo e padre di un terrorista – si autodichiara ‘cattivo insegnante’, perché si sente in colpa per i suoi insegnamenti marxisti. Inoltre, sembra incapace di interagire con i nuovi mass media, che da quegli anni in poi sembrano aver messo in discussione la posizione egemonica dell’intellettuale. Tale riflessione nel romanzo permette di ampliare la riflessione sulla condizione dell’intellettuale nella società dei nostri giorni. Il 1 Alessandro Portelli, L’ordine è già stato eseguito, Donzelli Editore, Roma, 1999 (2a ed. 2005). 2 Paola Soriga, Dove finisce Roma, Einaudi, 2012.

6


| Dante Alighieri • Notiziario • jaargang 27 – nummer 2 |

compito di offrire strumenti di analisi e di guida alla ‘società dello spettacolo’3 non sembra infatti più appartenere a un ceto ristretto ed elitario di intellettuali, ma è invece svolto dai network sociali. Ciò determina che la produzione dei modelli culturali e ideologici è frutto di un’operazione democratica a cui tutti possono accedere e partecipare. Alcuni studiosi vedono in ciò uno sviluppo positivo e democratico4, altri invece sono piuttosto preoccupati perché la democratizzazione dei processi culturali si accompagna con un modello di conoscenza che negli ultimi anni è stato definito di post-verità, creando dei rischi di disinformazione e annullamento delle differenze fra ciò che è vero/buono e ciò che è falso/cattivo5. Il romanzo Più alto del mare, attraverso il personaggio di Paolo, chiede in definitiva ai lettori di riflettere sulla propria posizione e responsabilità, di considerarsi intellettuali impegnati. Simone Moissidis ha parlato del contributo di Buongiorno, notte di Marco Bellocchio alla memoria culturale del sequestro Moro. Il suo discorso, intitolato L’uomo liberato: lo scenario del “come se” in Buongiorno, notte di Marco Bellocchio, è iniziato con un breve riassunto delle molteplici rappresentazioni transmediali e delle diverse interpretazioni del caso Moro generate sin da subito dopo il sequestro. Successivamente ha affrontato il punto centrale della sua ricerca, cioè fino a che punto gli elementi della trama del film di Bellocchio che si distaccano dai fatti storici differiscono da altre interpretazioni culturali del sequestro, interrogandosi sul loro contributo alla costruzione della memoria del caso Moro. Dalla ricerca emerge che l’originalità dell’opera consiste proprio nell’inserimento degli elementi non congruenti con i fatti storici: cioè i dubbi della protagonista del film, Chiara, la carceriera di Moro, e il doppio finale del film, che ci mostra Moro uscire vivo dalla prigione di via Montalcini. L’elemento onirico, che si manifesta attraverso l’immaginazione e i sogni di Chiara, può essere interpretato come una strategia narrativa che Bellocchio utilizza per riflettere sul senso dei progetti rivoluzionari e delle ideologie totalitarie, al fine di riaffermare la superiorità della libertà umana su ogni forma di coercizione e violenza. Il programma del simposio prevedeva anche l’intervento dello studente Daniël Gase, che per motivi contingenti è stato presentato in altra sede. Quest’ultimo lavoro si concentra sul concetto della ‘televisione di qualità’ e della transmedialità nel caso di Gomorra – La serie. Il lavoro ha illustrato in primo luogo che tipo di ‘televisionismo’ (Jansen & Urban 2015) emerge dalla

serie televisiva analizzando i vari modelli e le strategie delle emittenti pubbliche e private. Inoltre, la ricerca ha permesso di mettere in luce in che modo Gomorra – La serie possa essere considerato un caso di transmedialità. Con questo termine si intende come una narrazione viene sviluppata in opere e codici diversi, per esempio come un romanzo (Gomorra, di Roberto Saviano) offre lo spunto per un film (Gomorra, di Matteo Garrone) e poi per una serie televisiva (Gomorra – La serie). Dalla ricerca è emerso che anche la serie, nel corso del tempo, ha generato altre forme narrative. Per quanto riguarda la prima stagione si registrava ancora un ‘tasso di transmedialità’ piuttosto basso, in quanto la produzione aveva lasciato una sorta di vuoto sulle piattaforme online, in parte colmata grazie a iniziative da parte di persone che realizzano contenuti in rete, come la piccola casa di produzione indipendente napoletana The Jackal con Gli effetti di Gomorra – La serie sulla gente su Youtube. È interessante osservare che alcuni attori principali della serie televisiva, e persino Roberto Saviano, hanno partecipato agli episodi della serie di The Jackal. In conclusione, la ricerca ha messo in luce che Gomorra – La serie rappresenta ormai un caso di transmedialità molto più riuscito di quanto finora ritenuto dalla critica, offrendo soprattutto sulle piatteforme online la possibilità di partecipare interattivamente alla serie, ad esempio per riflettere sul contenuto sia del libro che delle puntate, sul rapporto con la realtà, o semplicemente per scoprire qualcosa di più sui luoghi di Gomorra grazie ai vari video del backstage e la piattaforma estesa a 360 gradi sul sito ufficiale della serie. Saskia Kroonenberg, Simone Moissidis, Rachelle Gloudemans e Daniël Gase 3 Il termine deriva da Guy Debord, che ne La société du spectacle (1967) lo descrive come una società caratterizzata dalla rappresentazione ‘spettacolare’ che sostituisce i rapporti autentici tra le persone, in Antonio Tricomi, Killing the Father: Politics and Intellectuals, Utopia and Disillusion, in Pierpaolo Antonello, Alan O’Leary (a cura di), Imagining Terrorism. The Rhetoric and Representation of Political Violence in Italy 1969-2009, Legenda, London, 2009, pp. 16-29, p. 27. 4 Pierpaolo Antonello, Dimenticare Pasolini. Intellettuali e impegno nell’Italia contemporanea, Mimesis Edizioni, Milano, 2012. 5 Monica Jansen e Maria Bonaria Urban (a cura di), Televisionismo. Narrazioni televisive della storia italiana negli anni della seconda Repubblica, Edizioni Ca’ Foscari, Venezia, 2015.

La memoria culturale della Resistenza È certo che la Seconda guerra mondiale, e in particolar modo la Resistenza, rappresenta un punto nodale della storia italiana e oltre a ciò un momento cruciale per la fondazione del nuovo stato. Tuttavia, la memoria della lotta dopo l’8 settembre del 1943 risulta tutt’altro che unitaria e condivisa. Negli ultimi anni sono stati presentati vari studi fondamentali in cui si mette in dubbio la narrazione antifascista, o in cui si tenta di ricostruire il quadro complessivo del fenomeno resistenziale, oppure in cui si analizza il modo in cui è stata vista la Resistenza dal 1943

ad oggi, o in cui si presentano le memorie alternative che sono altrettanto importanti per poter approfondire questo periodo complesso. La ricerca sul ventennio fascista di Renzo De Felice negli anni Settanta ha cambiato radicalmente la storiografia della Resistenza. De Felice parlava dell’adesione popolare al regime fascista, cioè faceva rientrare sulla scena la questione del consenso aprendo, tra l’altro, la strada al revisionismo. Lo storico e partigiano Claudio Pavone nella sua opera Una guerra

7


| Dante Alighieri • Notiziario • jaargang 27 – nummer 2 |

civile. Saggio storico sulla moralità nella Resistenza (1991), uno studio molto ampio e ricco di materiale documentario, argomenta che la Resistenza consiste in più di una guerra. Infatti, secondo Pavone nel periodo compreso tra il 1943 e il 1945 si intrecciarono tre conflitti diversi. Il primo era un conflitto patriottico, cioè una guerra di liberazione nazionale contro l’invasore tedesco, il secondo, invece, era una vera e propria guerra civile tra gli italiani, ovvero tra fascisti e antifascisti, mentre il terzo e ultimo conflitto era una guerra di classe, vale a dire la lotta di comunisti e socialisti contro lo stato borghese.6 Inoltre, Pavone ribadisce l’importanza del concetto della ‘zona grigia’ avanzato anche da De Felice: la Resistenza non fu un movimento di massa, in quanto gran parte della popolazione ne fu estranea scegliendo di essere ‘amico di tutti senza aiutare nessuno’.7 Il volume La guerra della memoria. La Resistenza nel dibattito politico italiano dal 1945 a oggi di Filippo Focardi del 2005 cerca di ricostruire sulla base di innumerevoli documenti storici il dibattito politico sulla Resistenza illustrando come si è costruita la memoria pubblica e collettiva. Partendo dalla narrazione antifascista, la ricerca vuole far vedere quanto sia grande la contrapposizione tra le memorie, non evitando nemmeno i tasti dolenti della storia, come il successo dei neofascisti nei processi contro i partigiani.8 Secondo Paolo Pezzino, lo studio di Pavone ha in un certo senso riaperto la memoria della guerra della liberazione; inoltre, lo studioso illustra come tante storie, anche quelle appartenenti ai vinti, non hanno trovato un loro posto nella narrazione egemonica. Sulla base della teoria di Pavone, Pezzino argomenta inoltre che per quanto riguarda la memoria collettiva non si può trascurare neanche il fenomeno del ‘fence-sitting’, cioè della zona grigia. Si devono prendere in considerazione le tantissime esperienze e memorie diverse da parte di quelle persone che non hanno combattuto attivamente, ma che hanno invece cercato di sopravvivere. La ‘vulgata resistenziale’, che durante gli anni Sessanta costituiva ancora la versione consolidata della Resistenza, oltre a rappresentare un esempio dell’uso pubblico della storia – una versione della storia subordinata alla politica – risulta secondo l’analisi di Pezzino troppo limitata anche nel senso che tende a nascondere la forte divisione all’interno della società italiana.9 Il tema della memoria divisa è al centro di uno studio che ha contribuito in modo decisivo al dibattito storiografico recente: John Foot nel suo volume Italy’s Divided Memory (2009) affronta infatti la questione argomentando che ‘history has tended to be written by the winners of wars’ e mette in mostra che nel caso della Resistenza:

antifascismo o anti-antifascismo. Avvenne una rivoluzione storiografica che influenzava sia la memoria pubblica che quella privata offrendo un’immagine più umana della Resistenza.11 La storiografia contemporanea intorno alla Resistenza rispecchia pienamente la rivoluzione storiografica di cui parla Foot e in questo solco si inserisce anche lo studio del professor Portelli, L’ordine è già stato eseguito (1999), sulla memoria della strage delle Fosse Ardeatine, che ne rappresenta uno degli esempi più importanti. L’opera comprende all’incirca duecento testimonianze e fa emergere un’immagine di questo evento storico molto più complessa di quanto si possa pensare, cioè una molteplicità di memorie, con diverse contronarrazioni alla vulgata resistenziale, partendo dalle domande di chi sia la colpa dell’attentato e, tra l’altro, che cosa sarebbe successo se i partigiani si fossero consegnati ai tedeschi.12 Come dimostrano Pezzino e Foot, raggiungere il consenso sul passato risulta quasi impossibile, eppure la complessità e la molteplicità della storia fanno sì che si sente ancora l’esigenza di narrare la Resistenza e, come anticipato da Foot, anche mediante forme narrative sorprendenti e alternative alla scrittura storiografica tradizionale. Un esempio è il romanzo di Paola Soriga, Dove finisce Roma (2012), che narra la Resistenza attraverso il punto di vista della giovane staffetta partigiana Ida nella Roma poco prima della Liberazione. Soriga mette in luce inoltre vari punti meno noti, come ad esempio il ruolo dei sardi nella lotta partigiana. Un altro aspetto importante del romanzo è che viene messo in mostra il ruolo fondamentale della donna nella guerra della liberazione. Nel caso di Dove finisce Roma si nota che storie personali si intrecciano con la grande Storia. Lo stesso vale per il romanzo Il tempo migliore della nostra vita (2015) di Antonio Scurati che tratta la vita di Leone Ginzburg, una figura poco conosciuta ma veramente importante per la Resistenza. Si tratta di un’opera in cui si fondono la narrazione romanzesca e biografica. Scurati infatti intreccia la storia del personaggio di Ginzburg con la storia privata della sua propria famiglia. Sia l’opera di Portelli che le opere di Soriga e Scurati offrono una dimensione umana della storia e mettono in risalto non solo come le persone vivevano in quei tempi, come convivevano, sopravvivevano o morivano, ma esse rivelano soprattutto quanto sia ancora rilevante e al contempo divisa la memoria della Resistenza per l’identità italiana e anche, quindi, per la generazione degli italiani di oggi. Daniël Gase 6 Claudio Pavone, Una guerra civile. Saggio storico sulla moralità della Resistenza,

Official versions of the past imposed themselves at levels of public memory, education, and public discourse, alternative versions of the past were carried forward from below, and often created hidden forms of local and private memories.10

Bollati Boringhieri, Torino 1991, pp. 169-170, pp. 221-225 e pp. 314-317. 7 Renzo De Felice, Il rosso e il nero, Baldini & Castoldi, Milano, 1995, p. 53. 8 Filippo Focardi, La guerra della memoria. La Resistenza nel dibattito politico italiano dal 1945 a oggi, Laterza, Roma, 2005. 9 Paolo Pezzino, “The Italian Resistance between history and memory”. In:

Dopo la fine della guerra fredda e con la generazione successiva a quella della Resistenza, si registrò di nuovo una crisi dell’antifascismo. Da una parte, si riprendeva la vulgata resistenziale, mentre, dall’altra, emergeva il cosiddetto post-

Journal of Modern Italian Studies, 4 (2005), pp. 396-412. 10 John Foot, Italy’s Divided Memory, Palgrave MacMillan, New York, 2009, p. 12. 11 Ivi, p. 13. 12 Alessandro Portelli, L’ordine è già stato eseguito, Donzelli Editore, Roma, 1999.

8


| Dante Alighieri • Notiziario • jaargang 27 – nummer 2 |

Alessandro Portelli e le memorie delle Fosse Ardeatine Durante il simposio il professor Alessandro Portelli (Università di Roma, La Sapienza) ha fatto un intervento dal titolo: Le Fosse Ardeatine: memorie e significato, in cui ha discusso alcuni aspetti della sua ricerca raccolta nel volume L’ordine è già stato eseguito (1999), in cui tratta delle memorie delle Fosse Ardeatine, la strage avvenuta a Roma il 25 marzo del 1944 in cui 335 uomini di diversi ceti e origini furono uccisi dagli occupanti nazisti. Il lavoro del professor Portelli è particolarmente interessante perché si basa sui racconti orali; per la sua ricerca lo studioso ha parlato con gli abitanti di Roma per scoprire la storia della città (nel libro si trova anche un CD con le registrazioni delle testimonianze). In modo commovente Portelli ha raccontato queste storie al pubblico di Amsterdam parlando anche della propria: questa forma di ricerca gli ha offerto l’opportunità di combinare il suo mestiere di storico con il suo sogno da bambino: quello di diventare scrittore. La scelta di dedicarsi alla storia orale gli ha dunque permesso di scrivere avvalendosi delle storie raccontate da altre persone. Lo studioso ha messo in luce che per lui era importante soprattutto studiare come la storia veniva (e ancora viene) vissuta dai romani; si è reso conto che per conoscere la storia della città di Roma bisognava entrare nei quartieri, parlare con la gente comune. Così ha scoperto che le Fosse Ardeatine rappresentano un punto di collegamento tra tutti i romani per la grande diversità tra le vittime (ci si trovavano degli ebrei, ma anche cattolici e atei; c’erano dei romani, ma anche sardi, siciliani e pugliesi; le vittime avevano delle professioni e delle idee politiche molto diverse). Ognuno aveva i propri ricordi o conosceva qualcuno – per esempio, dei familiari o vicini – che in qualche modo era coinvolto nella strage. L’unica caratteristica che accomunava le vittime era il sesso: vennero uccisi solo degli uomini. Non è un caso quindi che sono state le donne a raccontare le loro storie. Il professor Portelli si è soffermato a lungo sulle vedove, ricordando che questo gruppo è stato vittima in tre modi: in primo luogo, per la perdita del marito; in secondo luogo, perché dopo la guerra nessuno voleva più essere confrontato con la morte e queste donne, vestite in nero, erano tenute a distanza dalla comunità; infine, per le continue molestie sessuali a cui erano sottoposte in quanto si trattava spesso di vedove molto giovani che non si risposarono e perciò venivano considerate delle facili prede sessuali. Ma che cosa sono esattamente le Fosse Ardeatine? Ciò che è avvenuto nel marzo del 1944 fu per molti un atto di rappresaglia tedesca all’assalto partigiano in via Rasella a Roma contro una base tedesca. In questa azione partigiana vennero uccisi 33 tedeschi e in risposta a tale atto i nazisti decisero di assassinare 335 italiani – dieci per ogni tedesco, e cinque in più. Il giorno dopo la strage delle Fosse Ardeatine iniziò subito la propaganda tedesca: fu diffusa una lettera in cui si diceva che,

vista la mancata cattura dei colpevoli, si era deciso di uccidere gli italiani per rappresaglia. La lettera si concludeva con le parole: l’ordine è già stato eseguito. Questo documento presentava i tedeschi come le vittime di una strage partigiana mentre i morti delle Fosse Ardeatine erano stati sacrificati al posto dei partigiani codardi scappati dopo l’assalto di via Rasella. Ciò ha influenzato in modo decisivo la memoria collettiva visto che molti ancora oggi attribuiscono la responsabilità della strage ai partigiani. Anche l’Osservatore Romano, il giornale del Vaticano, aveva avallato tale visione in un articolo uscito dopo la strage del 24 marzo. In realtà, l’ultima frase del documento nazista indica che i partigiani non furono né invitati a presentarsi ai tedeschi per evitare la strage né che ci fu il tempo necessario per cercare i colpevoli, visto che il massacro avvenne il giorno dopo l’assalto a via Rasella. Lo studioso ha sottolineato inoltre che oggi (con lo sguardo di chi ha solo vissuto in una situazione di pace) è difficile capire i motivi per i quali i tedeschi avevano compiuto quell’attentato. In realtà la strage delle Fosse Ardeatine deve essere riletta nel contesto dell’occupazione nazista: dopo l’attacco dei partigiani in pieno giorno nel centro di Roma, gli occupanti dovevano dimostrare di avere il controllo nella città. Nel 1944 la maggior parte degli italiani era contraria alla presenza dei tedeschi e ciò rendeva molto importante per gli occupanti dimostrare la propria forza. Un assalto così manifesto come quello di via Rasella doveva quindi essere punito in modo esemplare. La prima reazione di Hitler all’assalto a via Rasella fu severissima e impraticabile, successivamente i comandi tedeschi a Roma utilizzarono tutti gli strumenti a loro disposizione per realizzare un’operazione complessa e rigorosa di selezione di coloro che dovevano essere eliminati. La ricostruzione storica degli eventi attraverso le narrazioni raccolte dal professor Portelli rivela l’esistenza di molte false memorie – fra i racconti dei familiari o dei diretti testimoni – perché non corrispondono ai fatti storici. Così molti ancora credono che la strage sia stata la colpa dei partigiani. Ciò rivela le contraddizioni insite nelle testimonianze individuali e collettive e non è un caso che il ruolo della memoria nei nostri giorni sia oggetto di molti dibattiti. Il libro del professor Portelli è stato scritto negli anni Novanta – gli stessi anni della fine della guerra fredda, del crollo della prima Repubblica e dell’affermarsi dei movimenti revisionisti che rifiutano di riconoscere nell’antifascismo il valore fondante della costituzione repubblicana. Il revisionismo ha proposto altre interpretazioni della storia rispetto a quella solitamente accettata che riconosce alla Resistenza il merito di aver combattuto e sconfitto il nazifascismo. Nel frattempo, nell’ambito della storiografia si è cominciato a discutere sul valore del concetto di ‘memoria’: come bisogna affrontare

9


| Dante Alighieri • Notiziario • jaargang 27 – nummer 2 |

le memorie ‘private’ che spesso contraddicono la storia ufficiale? L’affermazione degli studi sulla memoria, che punta sull’esperienza e sulle sofferenze dei singoli (anche fascisti), ha creato infatti degli spazi per una memoria antipartigiana. Per concludere, secondo Portelli l’importanza delle Fosse Ardeatine non consiste tanto nella quantità dei morti – in realtà fu una strage abbastanza limitata se la si compara, per esempio, con altre stragi o con le vittime dei bombardamenti alleati nelle città italiane. Consiste invece nel fatto che è l’unico monumento nazionale: come già ricordato, le vittime del massacro venivano da molti ceti, erano esponenti di varie correnti politiche, venivano da diverse regioni italiane e

professavano religioni diverse. Ciò ha fatto sì che le memorie della strage sono il frutto di un processo memoriale che coinvolge idealmente tutta l’Italia. E le memorie, seppur possono essere (parzialmente) false rispetto ai fatti storici o contraddittorie come nel caso delle Fosse Ardeatine, risultano comunque necessarie per una comunità che ha sempre bisogno di miti per creare una propria identità. Le Fosse Ardeatine sono dunque un esempio di ciò e rappresentano, nella loro diversità, una memoria nazionale unitaria. Saskia Kroonenberg

Un omaggio a Roma Il 31 marzo scorso l’università di Amsterdam ha avuto l’onore di ospitare la scrittrice Paola Soriga, nota per il suo primo romanzo Dove finisce Roma (2012). Nata a Uta, in provincia di Cagliari, nel 1979, la Soriga è dottore di ricerca in letterature comparate all’Università di Roma Tre e prima di pubblicare un’opera di narrativa, si è sempre dedicata alla poesia. Durante il simposio la scrittrice ha parlato delle sue motivazioni per scrivere un romanzo e ha risposto alle tante domande del pubblico. Dove finisce Roma è ambientato a Roma nel periodo della Seconda guerra mondiale e della Resistenza. La scrittrice riesce a raccontare e a riflettere sulla Storia attraverso tante “questioni private”, da un punto di vista molto particolare: quello della giovane staffetta partigiana Ida che ci prende per mano, per l’appunto, nella Roma poco prima della Liberazione. Il romanzo è pieno di riferimenti intertestuali. Quasi tutte le opere fondamentali della letteratura italiana sulla Resistenza passano in rassegna: dal romanzo l’Agnese che va a morire di Renata Viganò al film Roma città aperta di Roberto Rossellini. La scrittrice ha raccontato perché ha scelto di scrivere un romanzo ambientato nel passato, allontanandosi dalle storie della sua generazione e dal suo tempo. Ispirata dalla sua esperienza personale di ‘straniera’ a Roma, la Soriga aveva cominciato a scrivere un racconto ambientato oggi nei quartieri di Roma Est. La scrittrice aveva capito presto però che il personaggio che le interessava di più era quello di una nonna. Così è tornata al passato: invece di scrivere un racconto sugli immigrati stranieri in questi quartieri, ha voluto scrivere sugli anni ’30 e ’40 del secolo scorso quando questi quartieri erano già zone ad alta presenza migratoria ma con immigrati italiani che avevano gli stessi problemi che hanno gli immigrati oggi. Proprio perché c’è una distanza temporale la scrittrice riusciva a narrare da lontano, evitando di parlare di se stessa e della sua generazione. Scelta l’ambientazione storica della Roma ai tempi della guerra e della Resistenza, la Soriga ha poi deciso di raccontare la storia di una staffetta perché voleva prendere come protagonista

una donna, o meglio, una ragazza; inoltre le staffette avevano un ruolo cruciale di collegamento durante la Resistenza. Dalla lettura si colgono subito le similitudini fra la scrittrice e la sua protagonista Ida: la stessa pelle olivastra, i capelli neri, gli occhi marroni che fanno impressione. La scelta di una protagonista è poi particolarmente interessante perché erano sempre stati solo uomini a narrare la Resistenza, ad eccezione di Renata Viganò e poche altre. Ecco perché l’autrice come omaggio ha voluto fare riferimento a questa lettura. Tutti i nomi nel romanzo sono stati presi da film o libri sulla Resistenza. Secondo Soriga, inserire personaggi da un’opera nell’altra, significa dialogare con la letteratura ed è proprio quello che ha cercato di fare con il suo romanzo. La scrittrice ha anche detto che ha sempre amato adottare uno stile nuovo, visto che tutte le storie sono già state scritte. Per rendere un’opera originale ci vuole quindi anche un modo diverso di raccontare. Per lei ciò significava, per esempio, scrivere una storia non in senso cronologico, ma con dei flashback. L’esperienza della poesia l’ha aiutata a trovare questo suo stile: l’uso dell’indiretto libero, della terza persona e della mancanza di interpunzione hanno dato al testo una forte oralità che trasmette un senso di collettività, lo stesso che risuona nei quartieri romani. Alla domanda se la protagonista Ida non possa essere forse troppo eroica, la scrittrice ha risposto sorpresa che per lei la protagonista non è eccessivamente brava o un’eroina, ma semplicemente ingenua. Questa idea di ingenuità emerge secondo la scrittrice dai diari dei partigiani che ha usato durante la sua ricerca prima di scrivere il romanzo, ed era piuttosto un modo realistico per affrontare la situazione. L’ingenuità consisteva nell’idea che in genere ogni essere umano si autodifende pensando sempre che le disgrazie possano succedere agli altri. In fondo la Soriga voleva scrivere una storia personale che si intreccia con la macrostoria; voleva solo scrivere un romanzo d’amore, non corrisposto. Infatti il

10


| Dante Alighieri • Notiziario • jaargang 27 – nummer 2 |

romanzo finisce con la liberazione della città, ma è solo allora che il mondo della staffetta Ida comincia veramente a crollare: il ragazzo che lei ama si è fidanzato con un’altra. L’incontro con Paola Soriga è stato ricco di punti di riflessione e si è concluso con la notizia che la scrittrice sta lavorando a diverse forme di scrittura, collabora con alcune riviste e ha

intenzione di continuare ad esplorare le possibilità della sua scrittura, anche se in questo momento non c’è spazio per la poesia, che resta però una sua grande passione. Simone Moissidis

De mooiste theaters van Italië Wanneer u een Italiaanse stad bezoekt vormen de kerk, het museum en de gelateria natuurlijk min of meer verplichte kost, maar ga vooral niet voorbij aan de theaters van een stad! Voor veel grote theaters kunt u vanuit Nederland tickets bestellen, zodat u verzekerd bent van tenminste één onvergetelijke avond. Als we de openluchttheaters even buiten beschouwing laten, zijn de onderstaande theaters in Italië uw bezoek meer dan waard. Voor tickets hebben we de website er alvast bij vermeld.

loges voor maar liefst 3.000 toeschouwers. Het was koning Karel III van Spanje die in de 18de eeuw opdracht gaf tot de bouw en geheel in stijl werd ook hier het eerder beschreven hoefijzermodel toegepast. Of zoals de Napolitanen het tegenwoordig ervaren: het stijve nek-model. En net als La Fenice werd ook San Carlo eens getroffen door een grote brand (1816), maar de arme stad liet zich zijn trots niet ontnemen. Sterker nog, het was componist Gioacchino Rossini die het na de herbouw tot zijn theater maakte. www.t eatrosancarlo.it

Teatro la Fenice in Venetië is zonder twijfel een van de mooiste operatheaters in Europa. Hoewel het in de afgelopen eeuwen meerdere keren door brand werd verwoest, deed de feniks haar naam eer aan. Sommige critici doen het theater weliswaar af als een slechte imitatie, toch zijn de meeste Venetianen erg trots op het herrezen monument. Paisiello, Bellini en Rossini beleefden er hun première en na de laatste kostbare reconstructie in 2002 is La Fenice opnieuw de stijlvolle, warme gastvrouw voor opera, toneel en concerten. www.teatrolafenice.it

De hoofdstad Rome moet zijn meerdere erkennen in Venetië, Milaan en Napels. Geen monumentale operahuizen hier, maar wel veel kleinere theaters die ook zeer de moeite waard zijn. Teatro dell’Opera di Roma bijvoorbeeld, midden in het historisch centrum. Op het programma vooral ballet, dans en opera. Teatro Argentina is een van de oudste theaters in de stad. Er is slechts plaats voor zo’n 400 toeschouwers. Gedurende de zomermaanden programmeert Rome veel theatervoorstellingen in de open lucht. Zo bieden de Terme di Caracalla een populair toneel.

Teatro alla Scala in Milaan dankt zijn bekendheid aan de omvang en de vele beroemde zangers die er optraden. Luciano Pavarotti stond er graag voor volle zalen: 2830 stoelen! Een renovatie bleek in de vorige eeuw hard nodig, maar het duurde jaren voordat de gemeente hierover een besluit durfde te nemen. Tientallen miljoenen zou het kosten en bovendien moest La Scala twee jaar dicht, een aderlating voor het toerisme. Uiteindelijk kreeg het theater in 2002 de grote opknapbeurt. Het resultaat is een hoog ahh- en ohh-gehalte. Plus een fikse verhoging van de ticketprijs. www.teatroallascala.org

Het kleine Teatro Olimpico in Vicenza herinnert nog altijd op een prachtige manier aan de Renaissance. Het theater werd gebouwd in opdracht van de Accademia Olimpica van Vicenza (opgericht in 1555) op het terrein van een oud fort, dat in die tijd in gebruik was als gevangenis en munitieopslagplaats. In 1584 was het theater klaar, op de coulissen na. Daarvoor had de bouwer Andrea Palladio geen ontwerp gemaakt. Het theater werd in gebruik genomen op 3 maart 1585, met de uitvoering van Oedipus Rex. Daarvoor had Scamozzi coulissen van hout en stucwerk ontworpen. Deze werden nooit meer verwijderd en zijn nog steeds in volle pracht aanwezig. De vijf in perspectief uitgevoerde straatbeelden zijn naar men zegt straten in Vicenza. In de zomer worden er voor een klein publiek diverse uitvoeringen en concerten gegeven. e-mail: booking@comune.vicenza.it

Het Real Teatro di San Carlo in Napels is misschien niet het bekendste theater van Italië, maar is wel het grootste operagebouw. Het staat niet voor niets op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Het herbergt zes etages aan

11


| Dante Alighieri • Notiziario • jaargang 27 – nummer 2 |

We willen hier niet voorbijgaan aan Joop van den Ende. Ook hij is actief in Italië. Een kleine tien jaar geleden kocht de theaterproducent het Teatro Nazionale in Milaan. Hij liet het verbouwen en bracht er in 2009 de musical La Bella e la Bestia op de planken. Voor Italianen een nieuwe dimensie: ‘live entertainment’ met zang, dans en toneel ineen. Zes jaar later is het theater nog steeds in Nederlandse handen, maar het aanbod blijft niet beperkt tot musical. www.teatronazionale.it

plafond en de balkons. Er zijn ieder jaar talrijke optredens in het theater. Van opera tot klassieke muziek en jazzconcerten. Het theater is ook beschikbaar als trouwlocatie! Nog een minitheatertje is te vinden in Vetriano, in de provincie van Lucca. Dat het bestaat is te danken aan een groepje fans van toneel en opera. Zij hebben een voormalige hooiberg die hun ter beschikking was gesteld tot een ‘teatrino’ omgetoverd. In plaats van de gebruikelijke hoefijzervorm heeft het de vorm van een trapezium en het heeft 5 niveaus (incl. zaal en balkons/galerijen). Daarmee is het gemodelleerd naar de theaters van eind 19-de eeuw. Het heeft een plaats gekregen in het Guinness Book of Records als het kleinste openbare, traditionele theater ter wereld: in totaal meet het 71 vierkante meter.

Een speciale vermelding verdient het minitheatertje in Monte Castello di Vibio (Umbrië), met maar 99 stoelen! Het Teatro della Concordia werd geopend tijdens de overheersing van Napels in 1808 en was een initiatief van negen welvarende families. De Napoleontische tijd bracht Monte Castello di Vibio een periode van welvaart omdat de stad toen het administratieve centrum van de omliggende regio werd. Pas veel later kreeg het theater zijn mooie decoraties. Cesare Agretti en zijn toen pas 14-jarige zoon Luigi schilderden de muren, het

Bronnen: Il Giornale, www.ilgiornale.nl, en Touring, maandblad van Touring Club Italiano

Een nieuwe blik op Maria: een Venetiaanse tondo herontdekt1 Gedurende een stage is onderzoek gedaan naar de Italiaanse beeldhouwkunst in het beheer van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Een Venetiaanse ‘tondo’ uit de vijftiende eeuw bleek al lange tijd in het depot te liggen. Daar is nu verandering in gekomen.

beeldhouwwerk op dit formaat. In Italië komen dergelijke medaillons veel voor, in Florence zijn de bekendste als onderdeel van een grafmonument te vinden. Het oudste voorbeeld is het Bruni-gedenkteken uit 1447 in de kerk Santa Croce, van de hand van Bernardo Rossellino. Andere beeldhouwers hebben dit wel veertig jaar Maria toont haar kind, dat het nagevolgd. Zij maakten in opdracht van zegeningsgebaar maakt. Op de welgestelde nabestaanden tombes met achtergrond vliegt een engel met een een beeld van de overledene en daarboven wapperend tuniekje door de wolken. een tondo. Doordat de marmeren Het ronde reliëf wordt gedateerd in de beeltenissen hoog in de monumenten De ‘Rijksdienst-tondo’ tweede helft van de vijftiende eeuw, is werden geplaatst, konden de kunstenaars (bron: Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed) afkomstig uit Italië en was in het bezit spelen met het perspectief. Dat is bij van niemand minder dan Adolf Hitler. de Rijksdienst-tondo ook gedaan. De Die liet deze zogeheten tondo in 1941 kopen voor het nog te binnenlijst loopt boven schuin af, waardoor er veel meer diepte bouwen Führermuseum in Linz, vlakbij zijn geboortestad wordt gesuggereerd. Ondanks deze overeenkomsten heeft deze Braunau am Inn in Oostenrijk. Het marmeren beeldhouwwerk tondo niet in Firenze gehangen. werd verkregen uit de collectie van de Joodse bankier Fritz Op Florentijnse tondo’s houdt Maria haar zoon dikwijls met Mannheimer. Door geldproblemen moest de collectie na zijn twee handen vast. Meestal kijkt ze haar kind liefdevol aan. dood verkocht worden. Na de oorlog is de tondo overgedragen Florentijnse kunstenaars beeldden hun Madonna’s af met aan de Stichting Nederlands Kunstbezit, die hem in 1951 op amandelvormige ogen, een lange, puntige neus en zwierige haar beurt overdroeg aan een voorloper van de Rijksdienst voor 1 Dit artikel werd in iets andere vorm eerder gepubliceerd in het Cultureel Erfgoed. Jaarkroniek 2016 van de Vereniging ‘De Poorters van Venetië’. In Nederland is de tondo het enige voorbeeld van een rond

12


| Dante Alighieri • Notiziario • jaargang 27 – nummer 2 |

Altaar voor de heilige Clemens, ca. 14651469, marmer, San Marco, Venetië. (bron: Anne Markham Schulz, Antonio Rizzo, Sculptor and Architect)

Zelfde altaar, detail

of juist hoekige draperieën. De tondo bij de Rijksdienst heeft duidelijk een andere stijl, een stijl die sterk overeenkomt met die van het reliëf op het altaar voor de heilige Clemens uit 1469 in de San-Marco in Venetië. Dat is gemaakt door de Venetiaanse kunstenaar Antonio Rizzo. Dit reliëf is weliswaar minder diep, maar Maria draagt op beide kunstwerken eenzelfde jurk en een dubbele sluier, en de draperieën zijn op dezelfde wijze uitgewerkt. Ook Christus draagt een identiek tuniekje. Deze kleding komt tevens terug bij de putti op de altaren voor de heiligen Jacobus en Paulus, die Rizzo in hetzelfde jaar voor de kathedraal creëerde. De meest uitzonderlijke overeenkomst betreft de lijnen in de geopende rechterhand van Maria. Dezelfde diepe groeven heeft het voorhoofd van Paulus. Ook maakte Rizzo vaker de ‘platte’ wolken die we op de Rijksdiensttondo zien. In 1983 schreef de kunsthistoricus Anne Markham Schulz in haar boek Antonio Rizzo: Sculptor and architect het beeldhouwwerk al toe aan Rizzo, alleen wist zij toen nog niet waar het zich bevond. De vraag blijft bestaan waar de tondo voor werd gemaakt. In

Antonio Rizzo, Grafmonument voor Niccolò Tron, 1476, marmer. Santa Maria Gloriosa dei Frari, Venetië (bron: wga.hu)

Venetië komen namelijk nauwelijks tondo’s voor. De enkele voorbeelden die bekend zijn, bevatten een portret of inscriptie. In lunetten wordt Maria wel veelvuldig met haar kind afgebeeld. Mogelijk heeft Rizzo hier een variatie op gemaakt naar Florentijns voorbeeld. Schulz, Frits Scholten (conservator beeldhouwkunst in het Rijksmuseum) en de Rijksdienst vermoeden dat de sculptuur deel uitmaakte van een trappenhuis of deurlijst. Dit idee wordt versterkt door het grafmonument voor Niccolò Tron in de Santa Maria Gloriosa dei Frari. In het ontwerp dat door Rizzo werd uitgedacht, is geen tondo opgenomen. Mogelijk kan verder onderzoek uitsluitsel geven. De tondo mag na ruim vijftig jaar eindelijk pronken. Hij zal te zien zijn in het Rijksmuseum, waar hij een mooie plaats aan de muur krijgt. Chantal de Ruiter Chantal de Ruiter is stagiair bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Van onze correspondent in Rome Van Pauline Passariello-Reinoud, die al jaren in Rome woont en geabonneerd is op Il Messaggero, ontvingen wij opnieuw enkele berichten uit die krant waarvan zij dacht dat ze ook voor de lezers van de Notiziario nieuwswaarde zouden hebben. Het gaat om uiteenlopende onderwerpen, dat ziet u hier, maar in ieder geval in twee ervan om de positie van het Italiaans.

te geven aan de Duitse, afgewezen. Dit na protesten en smeekbeden van diverse kanten. De commissie die was aangesteld om de zaak te bestuderen neigde naar het afschaffen van de Italiaanse namen. Vanuit de Senaat werd hierop verontwaardigd en verontrust gereageerd en ook een groep van 115 Italiaanse en andere docenten kwam in actie tegen het afschaffen. Met succes dus.

Altoadige: één of twee talen?

Olimpiadi dell’italiano

Begin maart werd in Italië het voorstel om de Italiaanse plaatsnamen in Altoadige weg te laten en dus het primaat

Ook het Italiaans wordt belaagd door een invasie van Engelse

13


| Dante Alighieri • Notiziario • jaargang 27 – nummer 2 |

woorden en zegswijzen en door verkortingen die afgeleiden zijn van internettaal. Maar: het Italiaans stelt zich teweer! In april j.l. werden de ‘Olimpiadi dell’italiano’ gehouden, georganiseerd door het Ministerie van Onderwijs. En daar bleef het niet bij: het evenement werd gevolgd door de Giornate della lingua italiana, in Turijn. Het initiatief is wellicht geïnspireerd door het Franse voorbeeld: in Frankrijk staat ‘francofonie’ al jaren hoog in het vaandel en zijn de Olympische spelen van het Frans een bekend fenomeen. Bij de Olimpiadi streden individuele leerlingen van middelbare scholen onderling, de wedstrijden tijdens de Giornate zijn voorbehouden aan de finalisten van de Olimpiadi. Dit jaar werden de Olimpiadi aangegrepen voor een eerbetoon aan de zo respectabele studioso van de Italiaanse taal Tullio de Mauro, die in januari j.l. overleed (zie het lentenummer van de Notiziario). Tijdens de Giornate moesten de finalisten zich meten in het parafraseren en samenvatten van een tekst, het vereenvoudigen van een tekst, dat wil zeggen die in een andere, eenvoudiger vorm gieten (er een waarschuwing, aankondiging, nieuwsbericht van maken) en zelf een tekst schrijven: een eigen draai geven aan een gegeven tekst die als uitgangspunt dient door er een (eigen) verhaal, ervaring en/of redenering van te maken.

voor altijd het zwijgen toe. Op 4 april j.l. overleed hij, 92 jaar oud. Hij was een van de bekendste politicologen en commentatoren van Italië, was bevriend met Indro Montanelli en bewonderaar van de Angelsaksische cultuur. Toen hij, als universitair docent, in de jaren ’70 genoeg kreeg van de studentenprotesten en de toon waarop die geuit werden, besloot hij in 1976 naar de Verenigde Staten te vertrekken. Daar doceerde hij vele jaren. Een respectabel aantal boeken staat op zijn naam. Zijn werk werd in 50 talen vertaald. Hij behoorde tot degenen die geen heil zagen in multiculturalisme. Hij zag het niet als voortzetting van het pluralisme, maar als de ontkenning daarvan. Want het multiculturalisme ‘non persegue una integrazione differenziata ma una disintegrazione multietnica’. Immers, ‘Fino a che punto la società pluralista può accogliere senza dissolversi nemici culturali che la rifiutano?’ Zijn uitspraken bezorgden hem de nodige kritiek. Hij ergerde zich aan de ‘degeneratie’ die hij waarnam in Italië, aan de manier waarop Italië veranderde in de loop der jaren, ‘sempre peggio’, in zijn ogen. Maar hij behoorde niet tot het type dat zich beperkt tot boosheid en nostalgie, hij kwam altijd met oplossingen. Een markante figuur voor de Italiaanse cultuur.

Luis in de pels van de Italiaanse politieke cultuur overleden

Bron: Il Messaggero Met dank aan Pauline Passariello-Reinoud

Tegendraads, geen blad voor de mond, conservatief en liberaal, vrijdenker en non-conformist – maar Giovanni Sartori doet er

I poeti da leggere (e/o rileggere) a cura di Gandolfo Cascio

Alfonso Gatto Nel 2005 Silvio Ramat ha allestito con attenzione l’ ‘Oscar’ Tutte le poesie di Alfonso Gatto (Salerno, 1909 - Orbetello, 1976). Il volume torna ora in libreria con alcuni testi estravaganti e, addirittura, degli inediti (pp. 890, € 26). Questa scelta editoriale è meritevole e necessaria, considerando che s’ha a che fare con un notevole autore del Novecento. La sua biografia letteraria inizia nel 1932 con l’Isola (1932); ne seguiranno altri1, ma i più noti restano quello che racconta della propria esperienza resistenziale, La storia delle vittime (1966) e, soprattutto, le Poesie d’amore (1973); mentre il più originale è senz’altro da considerarsi Rime di viaggio per la terra dipinta (1969), dove autocommenta il proprio lavoro d’artista. Gatto, difatti, va incluso nella screziata brigata dei poeti-pittori-poeti. La scrittura delle sue prime prove risente, com’è prevedibile, delle sollecitazioni dell’ambiente ermetico, e a questo proposito non si dimentichi che nel 1938 aveva fondato con Vasco Pratolini la rivista Campo di Marte. Tuttavia, più in là trovera la propria cifra stilistica in un realismo che si esprime spesso nei toni d’un infiammato sensualismo. Gatto non

è però poeta espressionista, anzi; il suo stile viene tenuto sotto controllo dalla chiarezza della lingua ed è bilanciato da un ritmo cantabile. Così attua, nel modo naturale ch’è degli italiani, la sana mezza misura. 1 Rammento almeno Morto ai paesi (1937), Poesie (1939), Amore della vita (1944), Il sigaro di fuoco (1945), Il capo sulla neve (1949), La madre e la morte (1950), La forza degli occhi (1954), Osteria flegrea (1962), Il vaporetto. Poesie, fiabe, rime, ballate per i bambini d’ogni età (1963).

14


| Dante Alighieri • Notiziario • jaargang 27 – nummer 2 |

Gatto ha saputo raccogliere gli stimoli – storici e culturali – cui la vita l’ha esposto e su di essi, di volta in volta, ha riflettuto in modo personale. Ciononostante, nella sua vasta produzione si possono trovare anche alcuni punti fissi: uno di questi è l’isola intesa come metafora esistenziale, per l’appunto presente nel primo libro come nel postumo Desinenze (1977):

le carrozze di Roma che alle tombe dell’Appia antica portano la luna. Tutto di noi gran tempo ebbe la morte. Pure, lunga la vita fu alla sera di sguardi ad ogni casa, e oltre il cielo, alle luci sorgenti ai campanili ai nomi azzurri delle insegne, il cuore mai più risponderà?

Isola Avvicinarsi all’isola, a quel soffio marino ch’è nel lascito del cielo, e scoprirla di pietra, di silenzio nell’agrore dell’erba, nel relitto del làstrico squamato dai suoi scisti: questo è rabbrividire sul mio nome improvviso nel mònito del vento. Più nessuno lo chiama, e l’esser solo a scala del mio sorgere, riemerso dal mio sparire all’avvistarmi, è spazio che l’aperto raggiunge per fermare, per chiudere alla stretta del suo scoglio. Il viaggio, l’amore, in quell’arrivo fermano il conto e il tempo, nello spazio il nome nel raggiungermi mi chiude.

Oh, tra i rami grondanti di case e cielo il cielo dei boulevards, cielo chiaro di rondini! O sera umana di noi raccolti uomini stanchi uomini buoni, il nostro dolce parlare nel mondo senza paura. Tornerà tornerà, d’un balzo il cuore desto avrà parole? Chiamerà le cose, le luci, i vivi?

Altrettanto ricorrente è il tema della morte, anche nella variante facilior dell’assenza, dell’abbandono e dell’oblio; e, come contraccolpo, come difesa?, l’attaccamento alla vita. Per capire quello che desidero dire, si legga questa lirica dove la consonanza “sera : cuore” fa intuire una sicura relazione tra ciò che finisce e ciò che “tornerà”; tra il fisico (“ogni casa”) e il metafisico (“oltre il cielo”):

I morti, i vinti, chi li desterà? Ogni volta che rileggo questa poesia, mi viene in mente quella lettera di Tolstoj dove ci mette a parte della sua poetica e, solennemente, dichiara che “lo scopo dell’arte non è quello di risolvere i problemi, ma di costringere la gente ad amare la vita.” In questo precetto, pur nella malinconica variante che è propria dei meridionali, a me pare di trovare pure il senso della poesia di Alfonso Gatto.

Amore della vita Io vedo i grandi alberi della sera che innalzano il cielo dei boulevards,

Duits dak op de Arena van Verona Geen Amsterdams maar een Duits consortium won de aanbesteding om een dak te plaatsen op de Arena in Verona. De opera-uitvoeringen die er in de zomer plaatsvinden worden steeds vaker afgelast vanwege regen. Het Duitse consortium ontwierp voor het eeuwenoude amfitheater een canvas waaier die open en dicht kan. Als alles volgens planning verloopt zal de arena over drie jaar overkapt zijn. Net als bij veel andere prestigieuze culturele projecten betaalt een vooraanstaand Italiaans bedrijf de rekening. Dit keer is dat Calzedonia, een bekende beenmodespecialist. De Arena is al bijna 2.000 jaar oud. Destijds bood het theater plaats aan 30.000 toeschouwers, vandaag de dag is het maximum om veiligheidsredenen 15.000 mensen. Met dank aan Il Giornale, www.ilgiornale.nl

15


| Dante Alighieri • Notiziario • jaargang 27 – nummer 2 |

Tentoonstellingen in Italië Kleine greep uit het aanbod

In Cremona, tot eind 2017: Cremona celebra Monteverdi Mostre, eventi e concerti per i 450 anni della nascita del compositore. Teatro Ponchielli, Museo del violino e altre sedi’ Info: T 0372.407081. W monteverdi450.it In Florence, tot 20 augustus: Giuliano da San Gallo Una selezione del corpus di disegni conservato agli Uffizi e in più alcuni manufatti che danno conto della poliedricità dell’artista e della sua bottega. Galleria degli Uffizi, Sale Detti e del Camino Info: T 055.2385, W uffizi.it In Mamiano di Traversetolo (PR), tot 2 juli: Depero il mago. Genio e sregolatezza Il percorso creativo di Fortunato Depero, maestro del Futurismo, in più di 100 delle sue opere più significative, presentate in 5 sezioni. Fondazione Magnani Rocca Info: T 0521.84 83 27, W magnanirocca.it In Osimo (AN), tot 1 oktober: Capolavori sibillini. L’arte e il terremoto Una rassegna solidale per finanziare i restauri che, come indica il sottotitolo ‘L’arte dei luoghi feriti dal sismo’ presenta una selezione di capolavori

custoditi nella rete museale del territorio dei Sibillini e messi in sicurezza in seguito al sisma del 2016. Palazzo Campana, Piazza Dante 5 Info: T 071.71 46 21, W capolavorisibillini.it In Perugia, tot 1 oktober: Dal Louvre al San Pietro. La collezione riunita L’immacolata concezione di Giovan Battista Salvi, in prestito dal Louvre, esposta insieme a ca. 40 dipinti, in parte del Sassoferrato (1609-1685), in parte di artisti ai quali si ispirò, in particolare il Perugino. Perugia, Complesso benedettino di S. Pietro Info: T 075.33753, W sanpietroperugia.it In Pompei, tot 27 november: Pompei e i Greci Partendo da Pompei si esaminano i frequenti contatti con il Mediterraneo greco attraverso più di 600 reperti tra ceramiche, ornamenti, armi, elementi architettonici, sculture provenienti dal suo territorio fino a Metaponto. Scavi di Pompei, Palestra grande Info: T 081.8575347, W pompeisites.org In Rome, tot 16 juli: Giovanni Boldini Gran parte della produzione pittorica dell’artistsa ferrarese, con oltre 160 opere, provenienti dai maggiori musei e collezioni private di tutto il mondo. ‘Ospite d’eccezione’: il celebre Ritratto di Franco Florio. Vittoriano, Ala Brasini, via di San Pietro in Carcere Info: T 06.8715111, W ilvittoriano.com

16

In Rovigo, tot 2 juli: Terra senz’ombra Oltr1e 100 fotografie, scattate – in bianco e nero – negli anni ’50 dal fotografo milanese Pietro Donizelli (1915-1998) sul Delta del Po, biosfera MAB Unesco. Sono esposte insieme a documenti, scritti e composizioni di Donizelli e accostate a rime del polesano Gino Piva. Palazzo Roverella, Rovigo Info: T 0425.460093, W palazzoroverella.com

In Verbania, tot 1 oktober: I volti e il cuore. La figura femminile da Ranzoni a Sironi e Martini Con ca. 80 opere s’intende esaminare i ruolo della donna nella pittura e nella scultura dalla fine dell’Ottocento alla prima metà del Novecento. Museo del paesaggio, via Ruga 44 Info: T 0323.55 66 21, W museodelpaesaggio.it Met dank aan Touring, maandblad van Touring Club Italiano

Notiziario Società Dante Alighieri Utrecht - juni 2017  
Advertisement