Page 1

NOTIZIARIO maart 2013 – nummer 1

Notiziario van de Società Dante Alighieri Comitato di Utrecht Redactie: Annemarie Aarnoutse | Ciska van der Glas E-mail: notiziario@danteutrecht.nl | Telefoon secretariaat: 06 – 46 36 79 93

Inhoud Van de redactie 1 Van de voorzitter | Jeroen Torenbeek 2 Programma Dante Utrecht voorjaar 2013 2 Dante Amersfoort: Jaap van Osta over ‘Italië en zijn monarchie’ 3 L’identità italiana a 150 anni dall’Unità: note di sdegno e d’amore | Monica Jansen 3 Taalcursussen: samenwerking Dante en Babel | Dennis Smit 5 Lo sapevate che…(15) | Elena Valbusa 6 Idee per l’Happy Hour da Bonardi Marina Warners 7 ‘Giochi e sport tradizionali italiani’ Ciska van der Glas (verslag) 8 Het ‘Breviarium Grimani’ | Ciska van der Glas (verslag) 8 De Veneto en de Vecht: het landschap en de villa’s | T. Dunning-Kattouw (verslag) 11

Van de redactie Wanneer deze Notiziario verschijnt weten we hoe de Italianen op 24 februari gestemd hebben en zijn de kardinalen (van 80-) in Rome in conclaaf geweest om uit te maken wie de nieuwe paus wordt. Nu wij dit schrijven is de wereld nog maar net bekomen van het opmerkelijke bericht van aftreden uit het Vaticaan. Wij Dante-leden kunnen weinig anders dan de dingen die komen gaan afwachten. Waar wij, ‘van de redactie’, wel de hand in hebben is ons blad, en wij hebben u weer een goed gevuld nummer te bieden met deze eerste Notiziario van 2013. En wie weet, wellicht maakt Minne de Boer, sinds kort geabonneerd op L’Espresso, ons in de volgende Notiziario deelgenoot van enkele diepzinnige opmerkingen uit dat blad naar aanleiding van de uitslagen van 24 februari én de verkiezing van de volgende paus... Wij vragen maar meteen uw aandacht voor de zoals altijd opmerkelijke bijdrage van onze trouwe Italiaanse correspondente Laura Schram-Pighi: zij doet een oproep namens de associazione Flangini om tot nu toe onbekend werk van de schilder Giuseppe Flangini (1898-1961) bekendheid te geven. Is er onder de lezers iemand die zijn werk kent, misschien zelfs iets van hem in huis heeft?

Leest u haar verhaal, het is om meer dan één reden de moeite waard. Bovendien kunnen wij aan haar rijtje Italianen die in het verleden om uiteenlopende redenen, maar vooral vanwege l’amore, naar Nederland toe kwamen om er langdurig te blijven, de schrijver Marino Magliani toevoegen. Dante Utrecht heeft het geluk gehad hem zowel in levenden lijve als via Carlo Giordano en vertaler Roland Fagel te leren kennen. Behalve Laura Schram-Pighi in deze Notiziario nog een schrijver van Italiaanse bodem: Gandolfo Cascio, bekend als docent aan de Universiteit Utrecht én voor Dante Utrecht. Zijn bijdrage is gewijd aan de poëzie van Michelangelo. Geen eenvoudige kost! Schud uw kennis van het Italiaans flink op en u zult beloond worden. Van docente en bestuurslid Elena Valbusa hebben wij opnieuw een Italiaanse uitdrukking waarvan zij de herkomst uitlegt – zowel in het Italiaans als in het Nederlands, wat wilt u nog meer. Ook onze immer actieve en opmerkzame Minne de Boer is weer vertegenwoordigd, met een Apostrofo en een nieuwe aflevering over de Italiaanse giallo, deze keer gewijd aan een roman van Leonardo Sciascia. U bent vast nieuwsgierig geworden. En u zult nog méér aantreffen. Kijkt u maar verder. I

Italia-Olanda, andata e ritorno: Giuseppe Flangini, pittore | Laura Schram-Pighi 13 Apostrofo 42 | Minne de Boer 14 La poesia di Michelangelo | Gandolfo Cascio 15 ontwerp: blauwblauw-design | bno

Uit de geschiedenis van de giallo (8) Minne de Boer 16 Een week Trentino-Alto Adige, vervolg Ciska van der Glas 18 Tentoonstellingen in Italië 19

kopij voor nummer 2 graag vóór of op 15 mei. –1–


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

Van de voorzitter Regelmatig duikt het verhaal weer op dat Eskimo’s geen woord voor sneeuw hebben. Geen woord voor sneeuw, waar ze juist zoveel van hebben? Inderdaad, geen woord voor sneeuw, althans niet een algemeen dekkend woord voor het totale begrip. Wel hebben ze tientallen woorden om de verschillende soorten sneeuw aan te duiden, zoals plaksneeuw, stuifsneeuw, ‘de eerste sneeuw die over een ijzige ondergrond is gevallen’, en ga zo maar door. Zouden we zoiets ook in Nederland hebben? Een woord dat niet bestaat, terwijl we voor alle specifieke deelbetekenissen wel woorden hebben? Laten we het eens proberen met water. Langgerekt water. En inderdaad, we hebben kanalen, sloten,

grachten, vaarten, dreven, singels, en nog veel meer ‘langgerekte waters’. In het Italiaans lijkt het woord canale voor vrijwel al deze woorden dekkend. Aardig om aan Italianen te vertellen: Eskimo’s hebben geen woord voor neve, en Nederlanders geen woord voor canale. Maar hoe zou het in Italië zitten met nietbestaande woorden voor grote begrippen? Toch maar eens aan mijn Piemontese vrienden vragen wat het algemene woord voor bergtop is. U raadt het al: ze komen er niet uit. Er is wel een woord voor top, of punt, maar dat is weer niet exclusief voor bergen. Ze komen met tal van woorden: voor afgeronde toppen, platte, puntige, hondenhokvormige toppen. Maar ze wor-

den het niet eens over dat ene woord. Gelukkig bestaat er in Utrecht wel een enkel woord voor Italiaanse taal en cultuur. En dat is: Dante Alighieri Utrecht. We zien u graag binnenkort weer bij onze cursussen en lezingen, en bij onze spaghettata ( fatta in casa!).

Jeroen Torenbeek

Programma Dante Utrecht voorjaar 2013 Cursus Petrarca door dr. José van der Helm met muzikale Petrarca-avond Vrijdag 5, 12 en 19 april, 20.00 uur, Janskerkhof 30, leden € 45,– | niet-leden € 52,50 Aanmelding noodzakelijk: aanmelding@danteutrecht.nl of via de site http://www.danteutrecht.nl/inschrijven-cult.php Twee inleidende avonden door dr. José van der Helm, docent Italiaanse literatuur aan de Universiteit Utrecht, gevolgd door een muzikale avond, met veelal zestiendeeeuwse stukken en op muziek gezette gedichten van de dichter, door het trio ‘Il piacere’ (zang, luit en viola da gamba). Aan het begin van de Italiaanse, maar ook Europese letterkunde staat op eenzame

hoogte de triade Dante, Petrarca en Boccaccio. Drie schrijvers die zowel gebruik maken van het Latijn als het Italiaans. Dit jaar besteden we aandacht aan één van deze drie schrijvers: Francesco Petrarca (1304-1374), ook wel de vader van het humanisme genoemd. Waarom dit zo is zullen we de eerste avond zien aan de hand van zijn beroemde beschrijving (in het Latijn) van de beklimming van de Mont-Ventoux, die hij in het jaar 1336 gemaakt zou hebben. De invloed van Petrarca is enorm geweest, niet alleen door zijn werken in het Latijn, maar ook door zijn poëzie in het Italiaans. De ‘Italiaanse’ Petrarca is vooral bekend als schepper van de Canzoniere, een verzameling gedichten (sonnetten) die zijn idealiserende liefde beschrijft voor Laura. De tweede avond zullen we Petrarca’s liefdesgedichten lezen, waarvan er in de eeuwen daarna vele op muziek zijn gezet.

Spaghettata Sponsoravond Woensdag 8 mei 2013, Janskerkhof 30, deelname € 17,50 p.p. inclusief drank en eten (spaghetti en antipasti vari). Tijdens deze avond zal ook een korte film getoond worden en zal Jeroen Torenbeek u onderwerpen aan zijn ‘Italiëquiz’. Deze avond is bedoeld als gezellig samenzijn, om het verenigingsgevoel te vergroten en om een nieuwe categorie leden te lanceren: de ‘Amici della Dante’, die tegen een hoger –2–

lidmaatschapsbedrag kosteloos aan de cultuurcursussen mogen deelnemen. Nadere informatie volgt; aanmelden is noodzakelijk en kan alvast via aanmelding@danteutrecht.nl

Il giro enogastronomico d’Italia, la geografia attraverso i prodotti di eccellenza met sommelier en vinologe Barbara Summa Vrijdag 10, 24 en 31 mei, 20.00 uur, Janskerkhof 30 A Leden: € 42,50 per avond, hele cursus: € 120 Niet-leden: € 50 per avond, hele cursus: € 140 euro

Aanmelding noodzakelijk: aanmelding@danteutrecht.nl of via de site www.danteutrecht.nl/inschrijven-cult.php Lezione 1: Le terre del nebbiolo e del Pinot grigio (Nord) Lezione 2: Le terre del Sangiovese (Centro) Lezione 3: Le terre del Greco (Sud e Isole) Durata di ogni lezione, con degustazione di 3-4 vini e stuzzichini adeguati con cui posso spiegare i prodotti DOP italiani: 2,5 ore; non occorre cenare prima perché mangiamo a lezione.


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

Locatie voor lezingen en cultuurcursussen: Janskerkhof 30 A

tie monarchie-republiek in het tegenwoordige Italië is. De kans dat Italië ooit weer een monarchie zal worden, is dan ook zo goed als nihil. Al was het alleen maar vanwege het gedrag van de huidige Savoyes: die hebben er alles aan gedaan om hun kansen op de Italiaanse troon zo klein mogelijk te houden.

Dante Utrecht maakt voor de meeste lezingen en cultuurcursussen gebruik van het pand Janskerkhof 30 A, het witte pand dat aan de Janskerk is vastgebouwd. Parkeren kan op het Janskerkhof, maar het aantal plaatsen is beperkt. Een alternatief voor wie met de auto komt, is de parkeergarage aan de Springweg. Het Janskerkhof ligt op 10 minuten lopen van het Centraal Station en er stoppen vele stads- en streekbussen op 50 meter afstand.

Dante Amersfoort: Jaap van Osta over ‘Italië en zijn monarchie’ Voor onze zustervereniging in Amersfoort houdt dr. Jaap van Osta op donderdag 21 maart om 20.00 uur een lezing getiteld ‘Italië en zijn monarchie’. Locatie: Wijkcentrum De Groene Stee, Wiekslag 92, Amersfoort (goed bereikbaar zowel met openbaar als met eigen vervoer; parkeermogelijkheden aanwezig). Italië vierde vorig jaar zijn 150ste verjaardag, een historische mijlpaal. Van die 150 jaar van zijn bestaan was het land 50 jaar lang een republiek en 100 jaar een monarchie. Maar er zijn maar weinig mensen die daarbij stilstaan. Het monarchale verleden

Victor Emanuel II

is totaal weggezakt, weggezet bij de mestvaalt van de geschiedenis. Soms komt de herinnering eraan nog wel eens boven, bijvoorbeeld in 2002 toen het parlement de bepaling uit de grondwet schrapte die mannelijke nakomelingen van de laatste koning de toegang tot het land ontzegde. Of in 2009 toen de zoon van de troonpretendent optrad in het populaire televisieprogramma Balla con le stelle van Raiuno. Maar het zijn maar korte oprispingen. Ze laten zien hoe volstrekt irrelevant de kwes-

In zijn lezing zal Jaap van Osta, historicus en monarchie-specialist, de sluier die over het monarchale verleden hangt oplichten. Hij zal nader ingaan op de functie die de monarchie in de nationale eenheidsstaat vervulde en onderzoeken hoe de opeenvolgende koningen uit het Huis van Savoye invulling hebben gegeven aan hun koningsrol. Zijn lezing zal hij illustreren met beeldmateriaal. Dr. Jaap van Osta is docent aan de Universiteit van Utrecht en auteur van onder meer Het theater van de Staat. Oranje, Windsor en de moderne monarchie (Amsterdam, Uitgeverij Wereldbibliotheek, 1998) en Een geschiedenis van het moderne Italië (Amsterdam, Uitgeverij Wereldbibliotheek, 2008).

L’identità italiana a 150 anni dall’Unità: note di sdegno e d’amore Il 10 gennaio 2012 all’Istituto Italiano di Cultura di Amsterdam sono stati presentati due volumi di saggi pubblicati in occasione delle celebrazioni dell’Unità d’Italia nel 2011: Lingua e identità a 150 anni dall’Unità d’Italia, a cura di Matteo Brera e Carlo Pirozzi (Cesati, Firenze, 2011; www.francocesatieditore.com/testovis-282.html e Il discorso della nazione nella letteratura italiana, a cura di Rosaria Iounes-Vona e Daniele Comberiati (Cesati, Firenze, 2012; www.francocesatieditore.com/testovis-290.html).

Dallo scambio di idee con Daniele Comberiati e Matteo Brera, discussione con questo ultimo prolungatasi anche il 6 febbraio in occasione della presentazione del libro alla Piola, la libreria italiana di Bruxelles, è risultato prima di tutto che l’identità italiana è un concetto difficile da afferrare, nella lingua, nella storia, nella geografia, nell’etnografia, nella cultura, dentro e fuori i limiti della nazione. Non dimentichiamoci che proprio a partire dall’Unità l’Italia divenne un paese d’emigrazione e che quindi è lecito parlare di una ‘Greater Italy’, in analogia a una ‘Greater Britain’ con tutte le inflessioni ideologiche e imperialistiche del termine. Il concetto di italianità può dunque in molti casi essere costruito e demolito allo stesso tempo, da qualunque filo della camicia rossa si voglia partire. Il quadro di Odoardo Borrani scelto per la copertina del volume curato da Brera e Pirozzi, s’intitola Cucitrici di camicie rosse –3–

(1863) ed è ispirato iconograficamente agli affreschi di Fra Angelico nel chiostro di San Marco a Firenze. Brera immagina nella ‘Nota introduttiva’ quelle donne che, intonando Il canto degli Italiani del “povero Mameli”, si dedicano a cucire bandiere tricolori e camicie rosse, mentre “Garibaldi e i suoi, pazienti, aspettavano”. Potremmo iniziare da qui per ribaltare l’armonia di un patriottismo all’unisono. La pazienza dei garibaldini non potrebbe es-


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

Odoardo Borrani, Cucitrici di camicie rosse, 1864

sere indizio del presentimento che l’impeto liberatorio sarebbe stato troncato dal conflitto di interessi tra le varie parti costituenti la nazione, sia dall’alto che dal basso? Daniele Comberiati in Il discorso della nazione si sofferma sul concetto gramsciano di subalternità evocato proprio da una confusione tragica tra liberazione e colonizzazione, termine ripreso poi da Spivak e diventato guida per i cultural e postcolonial studies trasmigrando dal meridione verso tutti i Sud del mondo. E, andando indietro nella storia, il concetto di ‘Italia’ nel Cinquecento come nel Risorgimento evoca quello di discordia come fa vedere Matteo Palumbo in Il discorso della nazione attraverso Guicciardini e Machiavelli: “Si tratta della tensione complicata tra accentramento e molteplicità delle parti, tra centralismo e autonomia, o, se si vuole, tra stato unitario e federalismo”. Anche la divisione dei ruoli può essere messa in discussione: le donne al servizio dell’unificazione mentre gli uomini, combattendo o componendo, si muovono in campo per modellare lo stivale da calzare con la camicia. Daria Perocco, sempre in Il discorso della nazione, con l’esempio di Venezia tra il 1861 e il 1866, fa vedere invece come le donne dell’alta società, grazie all’assenza degli uomini, ricoprono delle posizioni chiave nel mondo culturale e compongono delle strenne contro gli austriaci per scaldare le anime patriottiche. Che il risultato alla fine sia stato deludente si esprime proprio con il sentimento di un amore tradito. E siamo sicuri che le donne dipinte da Borrani, e dunque toscane, cantavano l’inno nazionale? Come mostra Matteo Brera in Lingua e identità, il valore d’uso degli inni, nati da una ricca cultura di canti giacobini, consiste proprio nella loro risemantizzazione, non solo nel tempo ma anche nel

luogo: pensiamo a E semo livornesi, che sull’onda della Marsigliese, esalta l’identità locale in chiave patriottica. E così diventa emblematica la conversazione, nell’indimenticato film Il Marchese del Grillo di Mario Monicelli, tra il Marchese Onofrio del Grillo e l’ufficiale francese Blanchard sulla Marsigliese durante le loro scorribande nello Stato Pontificio: Marchese: Certo che co ‘n inno come questo puoi pure annà a morì. […] Noi che c’avemo? “Noi vogliam Dio, Vergin Maria… E ‘ndo c’annamo? A la Madonna del Divino Amore. Blanchard: Però per avere un inno così bisogna tagliare la testa a tutti i Marchesi del Grillo come te! Potremmo anche riferirci all’attuale Festival di Sanremo dove si è esibito un’icona dell’italianità, Toto Cutugno, figlio di siciliani cresciuto in Toscana, che non solo ha cantato il suo famoso hit ‘Sono un italiano vero’ insieme a un’intera armata di cantanti russi, ma ha anche alterato alcune strofe per poterci includere i cosiddetti ‘nuovi italiani’ che hanno trasformato l’Italia in un paese d’immigrazione. Di quali ‘Italiani’ stanno dunque cantando le nostre diligenti cucitrici? Il linguista Federico Faloppa dimostra in Lingua e identità con diversi esempi che il verbo ‘italianizzare’ nei vocabolari dialettali del secondo Ottocento dà voce a un sentimento negativo dell’identità italiana: in vari dialetti, ma anche nello stesso italiano, ‘italianizzare’ significa “affettare i costumi italiani e le locuzioni italiane” mentre nel milanese tàliân significa addirittura “astuto, dirittone, furbacchione”. E neanche patria è un concetto univoco come diventa chiaro dal contributo di Nicolas Bonnet in Il discorso della nazione sullo scrittore napole-

tano Erri de Luca, che conia il neologismo “patrigna”, fondendo i sostantivi ‘patria’ e ‘matrigna’ per esprimere il trattamento da ‘figliastri’ riservato ai meridionali. Per non menzionare il discusso termine di ‘guerra civile’ adottato dagli storici per dare forma alla violenza fraticida che dilanierebbe i ‘fratelli d’Italia’ (Guido Panvini in Il discorso della nazione). Forse sono gli italiani all’estero che nella ‘colonia’ riescono a ricrearsi un senso di italianità? La ‘lingua raminga’, come ebbe a chiamarla Giovanni Pascoli (trattato nel saggio di Giuseppe Nava contenuto in Lingua e identità) che caratterizza la prima stampa etnica in Nord America, risente, secondo Franco Pierno (sempre in Lingua e identità) fortemente del modello di D’Annunzio giornalista, ma si potrebbe anche pensare a Edmondo De Amicis, modello usato nell’educazione promossa dalle società Dante Alighieri nel mondo per “fare” e soprattutto “unire” gli italiani all’estero di provenienza regionale diversa. Rosanna Sornicola, citando in Lingua e identità lo studioso americano Mak Choate, autore di Emigrant Nation. The Making of Italy Abroad, osserva che per poter parlare davvero di un’identità italiana transnazionale, bisognerebbe che il trauma delle varie ondate di emigrazione si trasformasse in un valore simbolico in cui si possa riconoscere tutta la comunità italiana. Lo stanzino illuminato da una finestrella che unisce le cucitrici di Borrani dovrebbe dunque ubicarsi ugualmente in una Casetta in Canadà, successo del Festival di Sanremo nel 1957, e trasferirsi pure nell’ottica immigrante di chi afferma La mia casa è dove sono (Igiaba Scego, 2010). Monica Jansen

Voor wie twittert De afdeling Italiaans van de Universiteit Leiden twittert – @italiaans Leiden – iedere dag een Italiaans woord, met een vertaling in het Nederlands en vaak uitleg in het Italiaans over de etymologie.

–4–


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

Taalcursussen: samenwerking Dante en Babel Vanaf dit seizoen werken wij wat betreft de taalcursussen samen met Babel Talen, geen onbekende naam in Utrecht, en onder deze naam tevens de opvolger van het Boswell Instituut. We zijn de samenwerking voornamelijk om twee redenen aangegaan: het risico dat je loopt als werkgever, en de slagkracht die Babel kan bieden. In praktische zin komt het erop neer dat alle cursussen Italiaans het stempel ‘Dante-Babel’ hebben, met een mix tussen de bekende Dantecursussen (jaarcursussen op alle niveaus) en cursussen die een voortvloeisel zijn van het vroegere Boswellprogramma (korte cursussen die aansluiten op het universitaire jaarrooster, dat uit vier blokken bestaat). We hebben het programma zo aangepast dat twee korte cursussen gelijk staan aan één lange. De korte cursussen bieden we momenteel vooral aan op beginnersniveau, terwijl de langere cursussen ook hogere jaren kennen. Wij zijn voor de inhoud verantwoordelijk – docenten, opzet, methoden – terwijl Babel de praktische kant – lokaalhuur, digitale leeromgeving, inschrijving, financiën – voor zijn rekening neemt. De winst uit de cursussen wordt gedeeld. De eerste ervaringen zijn positief, waarbij wel opvalt dat de korte cursussen vooral twintigers trekken, en de langere cursussen een publiek met een gemiddelde leeftijd in de veertig. Er zijn vier lange cursussen van start gegaan en in februari zijn er drie korte cur-

sussen gestart, wat het totale aantal korte cursussen dit jaar tot nu toe op zes brengt.

Apps in de klas Een andere ontwikkeling is er een waar je als docent niet langer omheen kunt en die de wenkbrauwen van menig tegenstander van onnodig Engels zal doen fronsen: de opkomst van smartphones en tablets. Steeds vaker zie ik dat mensen tijdens een oefening hun wereld-in-zakformaat uit de tas pakken en iets opzoeken wat ze anders niet te weten waren gekomen – een radicale breuk met de aloude opvatting dat je beter leert door het onbekende te omschrijven, dan door het in een woordenboek op te zoeken. Als exponent van de Wikipedia- en Google-generatie kan ik me bij die methode haast niets meer voorstellen. De digitale revolutie, al dan niet in combinatie met ‘gamification’ (het introduceren van spelelementen om het leren aangenamer te maken), komt het best tot uiting in de vele apps die tegenwoordig, ook voor het Italiaans, beschikbaar zijn. Een van de meest noodzakelijke stampklussen van het leren van een taal, is het leren van woordjes. De aloude methode van de kaartenbak werkt natuurlijk uitstekend: woordjes die je inmiddels kent, schuif je naar achteren, zodat je met de lastiger woorden blijft oefenen. Op dit vlak is er ook een goede app beschikbaar: ‘Wrts Mobile’, van De Digitale School. Men kan zelf woordenlijsten aanleggen in een ta-

–5–

lencombinatie naar keuze, en kan zich daarbij op verschillende manieren laten overhoren: aan de hand van meerkeuzevragen, het invoeren van het juiste woord, of via een manier waarbij de oplossing wordt ‘afgedekt’ en je achteraf kunt aangeven of je antwoord goed of fout was. Je vorderingen worden bijgehouden: na elke oefening zie je hoeveel goede en foute antwoorden je hebt gegeven. Daarnaast kun je zelf aangeven hoe streng je antwoorden moeten worden nagekeken, door in te stellen dat hoofdlettergevoeligheid en het invoeren van de juiste accenten en leestekens al dan niet meetellen voor de foutberekening. Wie geen zin heeft om handmatig allerlei woordenlijsten in te voeren, kan gelukkig ook de vruchten plukken van andermans werk: op woordjesleren.nl kun je lijsten downloaden voor allerlei lesmethoden, waaronder onze methode Allegro. Die kun je vervolgens in Wrts gebruiken – en hier kunnen ook mensen zonder tablet opgelucht ademhalen: diezelfde lijsten zijn ook rechtstreeks op de website te gebruiken. Een andere app is ‘WoordTrainer’, dat vaste woordenlijsten bevat die je niet kunt veranderen. Ik maak er maar niet al te veel woorden aan vuil. ‘Vriendin’ wordt daar vertaald met ‘sposa’, wat erop neerkomt dat je kersverse vriendin in de nanoseconden waarin je nadenkt over de vertaling, al gebombardeerd wordt tot je bruid, en de ‘suocera’ blijkt opeens een ‘socera’ te zijn. Op zijn beurt kan de docent via Socrative quizzen aanmaken met meerkeuzevragen, die de cursisten tegelijkertijd op hun moderne apparaat maken. Op het digitale schoolbord wordt de voortgang rechtstreeks getoond: welk ‘schildpadje’ komt het dichtst bij de eindstreep van nul fouten? Naast woordenschat is ook werkwoordsvervoeging een populair thema van de apps die mijn cursisten gebruiken. Er zijn er vele op de markt, en de meeste zijn betaald, terwijl de gratis varianten meestal slechts enkele werkwoorden tonen. Een goede keuze is LearnBots, dat van honderd werkwoorden de presente, de imperfetto, de passato remoto, de passato prossimo, de futuro, en de condizionale bevat. Helaas ontbreken de voltooid verleden tijd, de congiuntivi en het tegenwoordig deelwoord – maar voor cursisten in de eerste jaren is dit meer dan genoeg. Een groot pluspunt is het feit


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

dat alle vervoegingen, door erop te klikken, worden uitgesproken in onberispelijk Italiaans. Wat mij betreft is de meest complete versie, qua aantal werkwoorden en werkwoordstijden, nog niet vervat in een app, maar te vinden op internet: de onvolprezen Logos Conjugator (www.logosconjugator.org/index.php?ul=IT). Woordenboek-apps bestaan er in alle soorten en maten. Het zijn vooral verklarende woordenboeken, een goede Italiaans-Nederlandse variant heb ik nog niet kunnen vinden. Zo kun je voor enige tientjes de volledige Zanichelli downloaden en zijn er van allerlei woordenboeken gratis en goedkope ‘lichte’ versies beschikbaar. Een aardige optie is de app ‘ITA lite’ van het mij onbekende woordenboek s4m. De afkorting blijkt te staan voor ‘sviluppo4mobile.com’, een bedrijf dat allerlei encyclopedische programma’s op de markt brengt en geen papieren versies drukt. De app kent een uitgebreide woordenschat van 132.000 lemmata en is aangenaam in gebruik: wie op een woord zoekt, kan vervolgens klikken op de woorden die in de verklaring worden gebruikt, om op die manier volgens het ‘sneeuwbaleffect’ door het woordenboek te grasduinen. Daarnaast begrijpt het woordenboek vervoegde vormen: het leidt je naar de juiste infinitief. Ook kun je de lemmata per e-mail verzenden en kan de lettergrootte worden aangepast. Als proef op de som zocht ik, kijkend naar de paus die na zijn laatste mis in die hoedanigheid op een karretje van het publieke toneel werd gereden, naar het lemma ‘camerlengo’, dat het volgende resultaat opleverde:

camerlengo 1 (sm.) (pl.-ghi) 1 Titolo del cardinale preposto alla Camera Apostolica e del cardinale amministratore del Sacro Collegio. 2 Prelato che presiede le riunioni del clero. camerlengo (approfondimento) m sing (pl: camerlenghi) titolo di origine medievale, ancora in uso presso alcuni ordinamenti politici moderni e la Chiesa per indicare colui che amministra il tesoro e i beni dello Stato

Hoewel ik op dit gebied geen expert ben, klinkt het me goed in de oren. Voor de golosi onder ons is er (zie afb.) ook een mooi geïllustreerd Dizionario del pasticcere beschikbaar, in een afzonderlijke app. Wie na al het geoefen genoeg zelfvertrouwen heeft opgedaan, kan in Ruzzle al zijn woordenkennis kwijt. Deze moderne versie van ‘Boggle’ is erg verslavend als je niet uitkijkt, en het aardige ervan is dat ook vervoegingen en verbuigingen op het bord mogen worden gelegd. Kent u meer nuttige apps over het Italiaans? Laat het me weten op dennissmit84@gmail.com. Dennis Smit

Lo sapevate che…(15) Alla carlona Als je iets ‘alla carlona’ doet, doe je iets zonder zorg, zonder aandacht, zonder pretenties en poespas. Deze uitdrukking refereert aan Karel de Grote, zoals hij werd beschreven in de ridderliteratuur uit de 15de eeuw, waarin hij ook ‘koning Carlone’ werd genoemd (= dikke Karel). Het schijnt dat Karel de Grote een heel eenvoudige man was, die ook na zijn kroning als keizer van het Heilige Romeinse Rijk van een eenvoudig bestaan hield. Hij was bekend om zijn onopgesmukte manieren en hij bleef bij voorkeur grove en onelegante kleding dragen.

Fare qualcosa alla carlona vuol dire fare qualcosa frettolosamente, senza cura, ‘senza pretese’, ‘alla buona’. Con questa espressione si fa riferimento a Carlo Magno come veniva descritto nei poemi cavallereschi del ’400, dove veniva chiamato anche ‘re Carlone’. Pare infatti che Carlo Magno anche dopo l’incoronazione come imperatore del Sacro Romano impero, non rinunciò alle sue abitudini e modi di fare bonari e continuò a portare vestiti piuttosto grossolani e grezzi.

[In het Nederlands bestaat de uitdrukking ‘met de Franse slag’, die zo’n beetje dezelfde strekking heeft als alla carlona. Zou er een verband bestaan? red.] Elena Valbusa

–6–


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

Idee per l’Happy Hour da Bonardi Sinds enkele weken organiseert Libreria Bonardi een Happy Hour: iedere vrijdag, van 16-18 uur, 25% korting op alle Italiaanse boeken en een glaasje wijn. We zouden tijdens dit Happy Hour ook regelmatig iets extra’s willen doen: een half uurtje wijden aan een Italiaanse auteur (onlangs waren Giulio Mozzi en Marino Magliani op bezoek) of aan een Italiaanse publicatie, de presentatie van een nieuwe Nederlandse vertaling van een Italiaanse roman of van een Nederlandse publicatie over een Italiaans onderwerp, of iets over Italiaanse muziek, toneel, film en ga zo maar door. Dus, lezers van deze mail, schrijvers, vertalers, uitgevers, liefhebbers van bepaalde Italiaanse auteurs, boeken of andere culturele bijzonderheden betreffende Italië: laat ons weten voor welk literair en/of ander cultureel onderwerp jullie belangstelling hebben of waarover jullie zelf dit jaar iets nieuws, bijzonders of leuks zouden kunnen vertellen. Dan gaan wij een programma samenstellen en proberen jullie (en onze) wensen te realiseren. Blijf bij ons langskomen, blijf boeken bestellen (we sturen ook boeken toe, indien aanwezig binnen 1 of 2 dagen, en u hoeft nu alleen nog de bijkomende verzendkosten te betalen, de administratiekosten hebben we afgeschaft). Tot vrijdag!

Da alcune settimane la Libreria Bonardi organizza un’Happy Hour: ogni venerdì, dalle ore 16 alle18, con il 25% di sconto su tutti i libri italiani e un bicchier di vino. Ci piacerebbe anche organizzare, con una certa regolarità, qualche evento durante l’Happy Hour: dedicare una mezz’oretta a un autore italiano (recentemente sono stati nostri ospiti Giulio Mozzi e Marino Magliani) o una pubblicazione italiana, la presentazione di una nuova traduzione olandese di un romanzo italiano o di una pubblicazione olandese dedicata a un argomento italiano, o magari musica, teatro, cinema e così via. Dunque, lettori di questa mail, scrittori, traduttori, editori, amanti di certi autori, libri o altre particolarità culturali: fateci sapere quali argomenti letterari e/o culturali vi interessano o che cosa voi stessi vorreste venire a raccontarci quest’anno di nuovo, di interessante o di speciale. Così noi metteremo insieme un programma e cercheremo di realizzare i vostri (e nostri) desideri. Continuate a frequentare la libreria, continuate a ordinare libri (i libri ve li possiamo anche inviare, se disponibili entro 1 o 2 giorni, e di extra pagherete da ora in poi solo le spese postali, quelle amministrative le abbiamo eliminate). Ci vediamo venerdì!

per un buon libro al prezzo scontato con un bicchier di vino assicurato! Pinuccia Drago Alessio Pogliani Marina Warners Libreria Bonardi Entrepotdok 26 1018 AD Amsterdam Tel.+31-20-6239844 e-mail: lb@bonardi.nl www.bonardi.nl

‘Giochi e sport tradizionali italiani’ Het winterweer nodigde er niet echt toe uit om op de avond van 7 december op pad te gaan, en zo grepen maar weinig soci de gelegenheid aan om te gaan horen en zien wat Carlo Giordano – hij behoeft geen introductie meer – wist te vertellen en te tonen over sport en spel in de Italiaanse traditie. Erg jammer dat zijn gehoor uit zo weinigen bestond, want hij wist er weer een boeiende en levendige avond van te maken. Hieronder wat ik ervan optekende. Carlo leidde zijn onderwerp in met een blik in het verre verleden, vertelde hoe de rol van sport en spel en het denken daarover in de westerse cultuur terug te voeren zijn tot de Griekse oudheid. In Italië werden sport en spel aanvankelijk in de kringen

van de edelen beoefend – training voor het prestige en voor militaire doeleinden! – later werden ze door het volk overgenomen. Zo ontstonden tradities, tradities die op vele plaatsen tot op de dag van vandaag in ere worden gehouden. Maar bronnen om meer te weten te komen over de oudste volksspelen zijn er weinig: degenen die ze beoefenden konden niet lezen en schrijven. De ‘hogere kringen’ en de autoriteiten stonden vaak wantrouwend tegenover volksspelen, want ze liepen nogal eens uit op rellen en geweld, al dan niet gericht tegen het gezag. In de 21ste eeuw maken wij niets nieuws mee, dat blijkt maar weer. Tot de oudste voorbeelden van door de eeuwen heen beoefende spelen behoort –7–

het spel met de ruzzola. De ruzzola is een schijf die van omvang kan verschillen en waar een touw aan of om bevestigd wordt om hem een eind weg te kunnen werpen – een soort rollen (ondershands dus). Het heeft wel wat van bowlen, zat ik te denken, al zijn de ballen daarbij rond en altijd heel zwaar. De ruzzola kan ook behoorlijk zwaar zijn overigens. Er zijn plaatsen in Italië (kaasliefhebbers, houdt u even goed) waar een hele kaas (!) ervoor gebruikt wordt... Géén parmezaanse kazen, die zijn niet te hanteren, en de andere Noord-Italiaanse kazen zijn te zacht om als ruzzola dienst te kunnen doen, maar in Midden- en ZuidItalië, waar geen parmigiano maar wel pecorino gemaakt wordt, nooit zo omvangrijk


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

Gioco della ruzzola

als de parmigiano, tja, daar schroomt men niet om met zo’n hele kaas te gaan sollen (letterlijk). Het gioco della ruzzola dateert minstens uit de tijd van de Grieken en Romeinen, het wordt ook wel aan de Etrusken toegeschreven. Het was lange tijd in heel Italië populair, voornamelijk bij het ‘gewone volk’. Maar, zoals gezegd: het liep nogal eens uit op ongeregeldheden, waardoor de autoriteiten er weinig waardering voor konden opbrengen. Tegenwoordig wordt het ook nog wel gespeeld maar het is lang niet meer zo wijd verbreid als in het verleden. Een ander eeuwenoud spel is het gioco della lippa, een spel met heel ingewikkelde regels dat met onder meer een stok gespeeld wordt en enigszins als een voorloper van baseball kan worden gezien. Ook dit spel leidde in het verleden nogal eens tot schermutselingen. Tegenwoordig wordt het bijna alleen nog maar in ‘oratori’ gespeeld, dat wil zeggen in de buitenschoolse opvang georganiseerd door de kerk. Bekend ook ver buiten Italië is natuurlijk il

palio. Iedereen denkt dan onmiddellijk aan Siena, maar er worden in veel meer plaatsen palii gehouden en er zijn palii bekend met ezels, met ganzen en met boten in plaats van paarden. De palio is ontstaan aan de Middeleeuwse hoven, als een manifestatie van de ridderlijke deugden. Dit gold vooral voor de palio Palla al bracciale, Firenze, eind 19de eeuw met paarden. Waar er dieren aan te pas te komen spelen komt doordat je daar veel hoge, dikke muren ethische kwesties een rol als: hoe worden aantreft: die kunnen de palle goed hebben. de dieren behandeld, hebben zij niet (te In Macerata (in de Marche) werd in 1823 een veel) te lijden onder het spel? Wie denkt ‘sferisterio’ gebouwd speciaal voor het ‘palla aan de keiharde strijd waar de palio van al bracciale’ spelen. Dit bouwwerk wordt teSiena op neerkomt zal zich dit met recht genwoordig gebruikt als theater, het blijkt afvragen. Anderzijds worden de paarden een geweldige akoestiek te hebben. Voor het er, zolang ze niet de benen uit hun lijf hoespel waarvoor het gebouwd werd heeft het ven te rennen, gekoesterd en gefêteerd en zijn functie grotendeels verloren, want de met liefdevolle zorg omringd. traditionele spelen zijn als puur tijdverdrijf Heeft Siena de palio, Florence heeft het calcio niet langer populair. Een van de redenen fiorentino. Dit is iets exclusiefs Florentijns en hiervan is een heel praktische: de straten en stamt uit de tijd van de Middeleeuwen en de pleinen waar ze van oudsher gespeeld werRenaissance. Het is een ruw spel, met in den zijn te druk geworden, er is tegenwoorfeite als enige regel dat er geen regels zijn, dig veel meer verkeer. In bredere zin komt alles is toegestaan. De spelers komen er dan het erop neer dat een tijdverdrijf als een ook zelden ongeschonden uit; het werd en straatspel bij onze maatschappij en manier wordt gespeeld door (ex)gevangenen. Het van leven niet past. Toch zie je hier en daar wordt gespeeld met een bal waar lucht in zit een terugkeer, bijvoorbeeld van het spel met en is in zekere zin te beschouwen als vooreen elastische bal (gioco della palla elastica) in loper van rugby en voetbal. San Lorenzo al Mare (Ligurië). En als voorNog een ander spel dat in Midden-Italië loper van ‘serieuze’ sporten leven spelen uit het meest verbreid is, of was, en stamt uit vroeger tijden nog wel degelijk voort. Kaatde Middeleeuwen, is palla al bracciale, een sen, een hedendaagse vorm van palla al soort kaatsen. De oudste vorm ervan is palbracciale, is daar een voorbeeld van. lacorda, de voorloper van bijna alle sporten Met video-opnamen van onder meer palla al waarin met een bal gespeeld wordt. In de bracciale besloot Carlo zijn verhaal. Zijn toeMiddeleeuwen was het heel populair onder hoorders bedankten hem enthousiast. de Franse adel. Dat het voornamelijk in Midden-Italië bekendheid heeft gekregen Ciska van der Glas

Het ‘Breviarium Grimani’ Het was ongeveer 1520. Kardinaal Domenico Grimani kon zijn ogen er niet van afhouden. Dit handschrift moest hij hebben, verwerven voor zijn stad: Venetië. En hij kreeg het. Hij betaalde er 500 gouden dukaten voor, een enorm bedrag: meer dan 5 maal een normaal jaarsalaris van een klerk, 150 maal meer dan de kosten van een gedrukte bijbel (die was al te koop vanaf zo’n 6 dukaten). Toen Domenico in 1523 stierf liet hij het Breviarium na aan

zijn neef Marino Grimani, patriarch van Aquileia. Het handschrift, dat 835 vellen (1670 bladzijden) omvat, is gebonden in purper fluweel, gedecoreerd met fijn kunstsmeedwerk, waaronder verguld bronzen medaillons met portretten van doge Antonio Grimani en kardinaal Domenico. Daarom heet het nu Breviario Grimani. Bij uitzondering te bekijken voor specialisten en bijzondere gasten. –8–

Sinds enige tijd is het ook te bezichtigen in de vorm van een imposante facsimile-uitgave. De oplage is beperkt tot 750 exemplaren wereldwijd. Elk exemplaar is met de hand genummerd en daarmee uniek. Een uitvoerige commentaarband belicht de historische en kunsthistorische achtergronden van het handschrift. Het is een zeer bijzonder handschrift, om te beginnen om de enorme omvang. Het heeft een formaat van 22,5 bij 30 cm en maakt dan


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

Afbeelding 1

Afbeelding 2

Afbeelding 3

Afbeelding 4

Afbeelding 5

Afbeelding 6

ook een overweldigende indruk. Het manuscript bevat maar liefst 120 paginagrote miniaturen en schitterend gedecoreerde kapitalen. Elk van de 1670 bladzijden heeft versieringen meegekregen. De verspreiding in Nederland van deze uitgave is in handen van uitgeverij Van Wijnen in Franeker. Bij de presentatie in Nederland, in juli vorig jaar in het Istituto di Cultura in Amsterdam, hield mevrouw prof. dr. Claudine Chavannes-Mazel, kunsthistorica en hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, een voordracht over het Breviarium. Zij plaatste het handschrift in een historische rij van afbeeldingen, om zo

de vernieuwende waarde van het Breviarium te laten zien. Haar woorden ondersteunend met een groot aantal dia’s – afbeeldingen uit het handschrift en, ter vergelijking en verheldering, ook enkele andere afbeeldingen – vertelde zij onder meer het volgende. Een breviarium is een gebedenboek voor geestelijken; daar hoort een kalender bij, opdat men weet op welke dag een bepaalde heilige moet worden herdacht, welk feest in het kerkelijk jaar moet worden gevierd. Enkele van de belangrijkste feestdagen zijn, welbekend, Kerstmis, Drie koningen, Maria Hemelvaart – maar er zijn er heel –9–

veel meer; er zijn bovendien allerlei lokale heiligen: de heilige Donatius in Brugge bijvoorbeeld, of de heilige Jeroen in Noord Holland. Vóór de gebeden is ook in dit Breviarium daarom een kalender geplaatst; op afbeelding 1 de maand januari, op de afbeeldingen 2 t/m 7 de overige maanden. Alle twaalf maanden uit de kalender van het Breviarium Grimani zijn schitterende schilderijen op perkament; het landschap, de ruimte, de natuurlijke houding van de figuren, het is buitengewoon knap werk. Ook in andere miniaturen van het Breviarium is meesterschap te zien, bijvoorbeeld


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

in afbeelding 8: de heilige Andreas, in een ruimtelijk kader; ook in afbeelding 9, de kalender voor de maand oktober, waar zelfs de randen van een grote vindingrijkheid getuigen. Blijkbaar verwierf het Breviarium Grimani direct wijde bekendheid: als je bijvoorbeeld de maand september van Grimani vergelijkt met de maand oktober uit het zogenoemde Hennessy Getijdenboek, van

eerder datum, dan zijn de overeenkomsten opvallend (afb. 10 en 11). Als het Breviarium Grimani gekopieerd kon worden, hoe origineel is het handschrift zelf dan eigenlijk? Mevrouw Chavannes benadert deze kwestie met een uitnodiging om met haar het spoor te volgen van de ‘modellenboeken’. Afbeelding 12 laat een bladzijde zien uit een fraai modellenboek uit Italië, van rond

Afbeelding 7

1400: een tekening van een groep honden, die wordt toegeschreven aan Giovanni de’ Grassi. En wat toont afbeelding 13? Een jachtpartij, bij de maand december uit de Très Riches Heures du Duc de Berry, ook zo’n meesterwerk, dit van de Gebroeders van Limburg, daterend uit de jaren 1410/15. En vervolgens afbeelding 14: rechts de maand december uit het Breviarium Grimani,

Afbeelding 8

Afbeelding 9

Afbeelding 10

Afbeelding 11

Afbeelding 12

– 10 –


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

links diezelfde maand uit de Très Riches Heures. Er zit zo’n honderd jaar tussen, maar ze lijken aanzienlijk op elkaar! Hoe kan dat? Leg je de Très Riches Heures naast Grimani, of naast Hennessy, of nog andere manuscripten, dan herken je soms rechtstreekse kopieën, soms alleen details, maar steeds blijkt dat er heel directe relaties zijn.

Blijkbaar waardeerde men de kalendermaanden van Grimani en andere gebedenboeken vanwege hun landschappen, kleuren en natuurlijke menselijke handelingen, en wilde men tegelijkertijd dat de illustraties van kalendermaanden zo veel mogelijk op elkaar leken, omdat ze herkenbaar moesten zijn. Modellen gebruikte men in de vijftiende en zestiende eeuw voortdurend, ook in de paneelschilder-

Afbeelding 13

kunst. Maar dat is weer een ander verhaal, aldus mevrouw Chavannes. Meer informatie: www.grimani.nl Ciska van der Glas

Afbeelding 14

De Veneto en de Vecht: het landschap en de villa’s1 Zo luidde de titel van de lezing die hoogleraar Geschiedenis van de bouwkunst Koen Ottenheym, verbonden aan de faculteit Geesteswetenschappen van de universiteit Utrecht, op 28 oktober 2012 – het jaar van de buitenplaats! – hield voor de vereniging De Poorters van Venetië in de Regentenzaal van de Fundatie van de Vrijvrouwe van Renswoude. De heer Ottenheym begon zijn voordracht met een uiteenzetting over oprichting en doel van de Fundatie, die de ruimte belangeloos ter beschikking had gesteld voor de gelegenheid. In Utrecht stierf op 26 april 1754 Maria Duyst van Voorhout, vooruitstrevend, gefortuneerd maar kinderloos. Zij was vrouwe van de heerlijkheid Moerkerken en Middelharnis en, na de dood van haar tweede echtgenoot, ook van Renswoude. In haar testament liet zij anderhalf miljoen gulden na aan de Burgerweeshuizen in Delft en Den Haag en aan het Stadsambachtskinderhuis in Utrecht. Dat was bestemd voor de opleiding van weeskinderen of, zoals zij schreef, ‘eenige van de verstandigste, schranderste en bequaamste jongens af te zonderen en aan te zetten in de Mathesis, tekenen

of schilderkonst, Beeldhouwen of beeldssnijden, oeffeningen in sware dijkagien of dergelijke libere konsten’. De Utrechtse stichting werd gehuisvest in een groot, nieuw huis, kosten 150.000 gulden, ontworpen door Johan Verkerk en een pronkstuk in rococostijl. Het bestuur van de stichting, regenten genoemd, vergaderde in het hoofdgebouw. De leerlingen woonden in een zijvleugel, waar zich ook de collegezalen en het kantoor van de secretaris (de huidige Portrettenkamer) bevonden. Van de rococotijd gaan we, voor het onderwerp van de lezing, de overeenkomsten en verschillen tussen de villa’s aan de Brenta en de buitenplaatsen langs de Vecht, terug in de tijd, en wel van rococo naar classicisme volgens de interpretatie van Scamozzi. De functie van de Veneto-villa aan de Brenta verschilde sterk van de Nederlandse equivalent. Ofschoon beide in een gelijk-

soortig landschap lagen, ver van de grote stad, aan het water en omringd door echte c.q. in cultuur gebrachte natuur was het gebruik sterk verschillend. De Venetiaanse villa was een herenboerderij waar de familie op de piano nobile huisde maar begane grond en zolders voor het boerenbedrijf werden ingezet. Tuin rondom de villa was er amper want het ging om de opbrengst van het omliggende land, dat – vlak en geometrisch – al sinds de Romeinse tijd voor landbouw werd gebruikt. De structuur van deze villa’s met centraal woonhuis en langgerekte zijvleugels plus hoekpaviljoens diende in de zeventiende eeuw als voorbeeld voor de landhuizen, die aan de Vecht, in Leiden of Kennemerland verrezen maar gereduceerd tot Hollandsburgerlijke maat werden gebouwd. De Hollandse buitenplaats was een landhuis, met veel grond en tuinen rondom, waar de eigenaar in de zomer verpoosde, op jacht ging of bij de buren op bezoek. Hij was niet betrokken bij de exploitatie van het land, dat aan derden was verpacht. De oud-

1 Deze tekst is een wat bewerkte versie van de tekst die in de Jaarkroniek 2012 van de vereniging De Poorters van Venetië in februari dit jaar gepubliceerd werd. De Vereniging levert via de Stichting Nederlands Venetië Comité een bijdrage aan het behouden en restaureren van monumenten en objecten in Venetië.

– 11 –


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

zeer belangrijk theoreticus wiens eigen ontwerpen bij het grote publiek echter het minst bekend zijn. Zo tekende hij onder andere voor Venetië de ‘Procuratie Nuove’ en de Rialto-brug, gebouwd door stadsbouwmeester Antonio da Ponte, als een eenbogige getordeerde overspanning.

Huis ten Bosch in Maarssen

ste van deze buitenplaatsen, Huis ten Bosch in Maarssen, werd in 1628 door Jacob van Campen voor de Amsterdamse koopman Pieter Belten gebouwd. Het bezat het hoge, centrale bouwlichaam met lange, lagere zijvleugels van de villa uit de Veneto evenals de precieze toepassing van de zuilenorden aan de gevel maar niet de uitgestrektheid van het Italiaanse voorbeeld. Voor de promotie van de Hollandse buitenplaats als zomerverblijf is Johan Huydecoper van groot belang geweest. Zijn vader, Jan Jacobszoon, kocht begin zeventiende eeuw de boerderij ‘De Gouden Hoeff ’, waarvoor Johan een zomervilla liet plaatsen die later gesloopt werd voor de aanleg van een buiten. In 1638 koopt Huydecoper de omliggende terreinen en ontwikkelt een nieuwe villa, Elsenbosch, getekend door Vingboom, die hij aan een bevriende relatie doorverkocht. Tussen 1629 en 1660 ontwikkelde Huydecoper, die deels ook zelf het ontwerpen ter hand nam, talloze andere buitenplaatsen die gretig aftrek vonden bij de nouveaux riches. Een kaart uit 1726 laat langs de rivier De Vecht een lint van grote en kleine villa’s zien ‘als een vorm van permanente kijkkasten’. Deze huizen waren op de Italiaanse voorbeelden geënt dankzij de introductie in Holland van het leerboek van Vincenzo Scamozzi (1548-1616), L’Idea della Architettura Universale. Architect Scamozzi groeide op in Vicenza waar bouwmeester Andrea Palladio de architectonische smaak bepaalde. Grondig onderlegd in de wiskunde maar ook in de geschiedenis en ontwerpprincipes van de antieke bouwkunst werd Scamozzi een

Vincenzo Scamozzi beschouwde zich niet als een leerling van Palladio noch als diens navolger, maar als ‘corrector’. Hij perfectioneerde diens werk: met zijn grote kennis van de Romeinse architectuur bracht hij er vervolmakingen in aan, met name in koepel- en gewelfconstructies. Dit blijkt onder meer uit het koepelgewelf van de villa Rotonda (Vicenza, 1566, Palladio) dat op de oorspronkelijke bouwtekening een klassieke middeleeuwse Venetiaanse koepel (hoog en bol) toonde, maar uiteindelijk werd afgebouwd volgens de correctie van Scamozzi naar het model van het Pantheon, inclusief de (toen nog aanwezige) half-openstructuur. Les één in de opvattingen van Scamozzi is dat de geometrie basis is voor alle proporties; alle ornamentiek maakt een gebouw slechts rijker. Goed voorbeeld van een ontwerp van zijn hand is het Palazzo Nuovo in Bergamo, begonnen in 1611 maar voltooid in de negentiende en twintigste eeuw. Het ontwerp toont twee rasters; het grote raster bepaalt de structuur, die wordt verfijnd in het kleinere, daaroverheen geplaatste tweede raster.

1 augustus van dat jaar sprak Jones, die al voor zijn reis in het bezit was van een exemplaar van Palladio’s Quattro Libri, uitvoerig met Vincenzo Scamozzi. Terug in Engeland en voorzien van een grote stapel architectuurtekeningen van Palladio en Scamozzi kocht Jones in 1617 als een van de eersten een exemplaar van Scamozzi’s L’idea. De weerslag van de invloed van beide Italiaanse architecten is te zien in Jones’ eerste opdracht, het Queens House in Greenwich. Met name de hal en de loggia zijn geïnspireerd op het ontwerp van Scamozzi voor de Villa Molin bij Padua. In 1620 ontwierp Inigo Jones het Banqueting House in Londen, de officiële ontvangstzaal van de koning in Whitehall Palace. De geleding van de gevel bestond uit een stapeling van Ionische en composietpilasters en halfzuilen, zoals Scamozzi voor het Palazzo Trissino had getekend. De plafondschilderingen van Banqueting House waren van Rubens, die twee maanden later ook een exemplaar van L’idea aanschafte. Bij de feestelijke opening van Banqueting House op 6 januari 1622 was de Hollandse diplomaat Constantijn Huygens aanwezig. Hij sprak daar met Jones, die zich laatdunkend over de Hollandse baksteenarchitectuur uitliet. Eerder, in 1620, had Huygens als secretaris van een gezantschap van de Republiek zelf de Veneto bezocht. De indruk van zijn kennismaking met de normen van de klassieke architectuur van Vitruvius en de weergave daarvan in het werk van Scamozzi verwerkte hij in 1637 in zijn eigen huis aan het Plein in Den Haag. In zijn dagboek pareert hij de denigrerende opmerkingen van Jones met de zin dat ook in Holland de regels van Vitruvius bekend zijn. Huygens ontwierp zelf zijn huis en werd bij de bouw geholpen door Jacob van Campen, die hem instrueerde over de toepassing van de klassieke orden.

De Nederlandse introductie van de opvattingen van Scamozzi verloopt via Engeland, waar Inigo Jones, hofkunstenaar en Surveyor of the Kings Works, veel heeft bijgedragen aan de verspreiding van Scamozzi’s architectuuropvattingen. In 1614 maakte Jones als lid van een gezelschap Engelse edellieden een reis over het vasteland, waarbij Italië werd aangedaan. Florence, Rome, Napels maar ook het noorden met de Veneto en Genua werden bezocht. Op Palazzo nuovo in Bergamo – 12 –


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

Als secretaris van de Prins van Oranje had Huygens de mogelijkheid om de aandacht te vestigen op jonge architecten die met hem de idealen van de nieuwe architectuur aan de hand van L’idea wilden uitdragen. In Jacob van Campen, Pieter Post en Arent van ’s-Gravesande vond hij de ideale discipelen. Ook zelf bracht Huygens de nieuwe opvattingen aan de man door van zijn huis prenten te laten maken en die aan tijdgenoten rond te sturen. Hun opvattingen worden weerspiegeld in talloze nieuwe bouwwerken. Jacob van Campen tekende onder andere het Stadhuis op de Dam, de Nederlands Hervormde kerk in Renswoude, Paleis Noordeinde in Den Haag en de modernisering van het eerdergenoemde Huis ten Bosch. Leerlingen van hem zoals Philips Vingboom en Pieter Post verspreidden de nieuwe principes verder over Nederland.

Post ontwierp Huis Ten Bosch in Den Haag als zomerverblijf voor Amalia van Solms. Maar ook de werklieden op de bouwplaats moesten met het nieuwe repertoire leren werken. In 1640 verschijnt bij Cornelis Danckerts de eerste Hollandse vertaling van Scamozzi’s boek VI onder de titel Grondregelen der Bow-Const en het zal tot het midden van de negentiende eeuw hét handboek voor bouwend Nederland blijven, waarbij de grammatica van Scamozzi werd aangepast aan en gemodelleerd naar de Nederlandse behoefte. Een goed voorbeeld hiervan is het Mauritshuis in Den Haag, waar de Villa Ragona van Palladio model voor heeft gestaan, een inspiratiebron voor is geweest. Joost Vermaarsch, Leids bouwmeester, laat zich met de attributen van zijn beroep – passer, winkelhaak en meetstok – portretteren terwijl zijn arm rust op een opengeslagen boek met een ontwerp voor een paviljoentje. Het is Danc-

kerts Grondregelen der Bow-Const. De twee geschilderde bladzijden komen overigens niet in Scamozzi’s Boek VI voor maar zijn verbeteringen van Vermaarsch zelf. In 1654 werd aan de regels van het bouwmeestersgilde in Utrecht toegevoegd dat een leerling alleen kon worden toegelaten als hij kennis en begrip had van de regels van Scamozzi. Dit alles leidt tot de conclusie, aldus de heer Ottenheym, dat de regels van Scamozzi universeel zijn en dat de Hollandse buitenplaats geen klakkeloze imitatie is van de villa uit de Veneto maar een Nederlandse toepassing van universele architectuur. T. Dunning-Kattouw Bestuurslid van de vereniging De Poorters van Venetië

Italia-Olanda, andata e ritorno: Giuseppe Flangini, pittore Quante volte i lettori del Notiziario hanno fatto questo viaggio, e quanti ricordi nel loro cuore: vacanze, studio, incontri, libri, amori… Per me cinquant’anni fa, lungo questo percorso è cambiata la mia vita, ma non ero certo la prima donna italiana a scegliere di avere due patrie, anche se a quei tempi non era frequente che una ragazza andasse a vivere all’estero. Ne ho incontrato subito una, indimenticabile amica: Elisabetta Eykelboom Scotti, milanese, antica assistente del prof. Guarnieri, sposata ad Utrecht già da tempo, buona amica anche di mio marito che dava ripetizioni di matematica al suo ragazzo, Tino, col quale sono rimasta in contatto fino a qualche anno fa. Più tardi ho incontrato Luisa Van Wassenaer Crocini, grande traduttrice, la ‘madre del Concilio Vaticano II’ e, ad Amsterdam, ho conosciuto Catharina Ypes, studiosa di San Francesco e di tutto ciò che fosse cultura e arte italiana. E naturalmente Maria Fermin che mi inserì nell’Istituto di colpo al primo incontro… Non contava che queste due signore fossero olandesi, ciò che contava è che fossimo costruttrici della stessa strada tra Italia e Olanda, fatta di cultura, che leggessimo e amassimo gli stessi libri. Le ho ‘ritrovate’ di recente queste antiche

amiche, tra i miei libri, molti dei quali portano la loro firma: avevano l’abitudine di regalarmene spesso, comperati in Italia nei loro viaggi di tanti anni prima. Per loro non erano più necessari, ma erano preziosi per i ricordi italiani che racchiudevano tra le pagine, e sapevano che io li avrei conservati anche per questo tra i miei libri più cari: alcuni di quelli di Catharina erano stati comperati in Italia ancora prima che io nascessi… Ripensavo a queste donne straordinarie, e ad altre che ho incontrato in trent’anni, e mi domandavo se qualcuno oggi le ricorda ancora come testimoni di una corrente continua di cultura che unisce i nostri paesi. Perché il Notiziario non raccoglie qualche notizia sulla presenza in Olanda di questi preziosi ciottoli che lastricano la lunga strada fatta di amore e di cultura che congiunge Italia e Olanda, una strada percorsa da molti spesso ancora ignoti? Uno di questi è un pittore veronese, Giuseppe Flangini (1898-1961), che ho io stessa ‘scoperto’ da poco, grazie ad un ottimo articolo di Angela Bosetto su L’Arena del 5 gennaio 2013. Un veronese innamorato di Van Gogh e della sua arte, un pittore che ha vissuto a lungo in Belgio, patria – 13 –

adottiva di sua moglie, veronese e pittrice pure lei, Gina Zandovalli (1899-1944), figlia di italiani antifascisti emigrati nel 1922. E questo ha permesso anche a lui di offrire rifugio ad un suo ex alunno di famiglia ebrea. Giuseppe Flangini ora non è più uno sconosciuto tra gli artisti italiani della scuola lombardo veneta degli anni ’20-30 del secolo scorso, e questo grazie ad una fondazione attiva a Verona, che ha organizzato mostre di grande rilievo a Padova, a Milano e anche all’estero, all’ ambasciata italiana a Washington, e ne sta preparando una più completa anche a Verona (l’ultima è stata nel 1977). Ma si trova davanti all’ostacolo di dover raccogliere opere dipinte in Belgio e Olanda e non ancora rintracciate e inventariate. La direttrice della fondazione (Associazione Flangini), Cristina Renso, ha lanciato già nel luglio scorso un appello dalle pagine del giornale veronese per raccogliere opere dell’artista e ne ha trovate infatti undici qui a Verona, di argomento italiano, segnalate da privati, ma ne mancano molte all’appello, soprattutto quelle dipinte in Belgio e Olanda. Flangini deve infatti la sua fama ai quadri e dipinti fatti sul set, tra cui il ritratto di Kirk Douglas nel ruolo di Vincent van Gogh,


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

Bagnante a Nervi, 1938-39

Case di minatori, Wasmes, 1955

Giorno di pioggia, 1955

Malinconia – Arlecchino seduto, 1945-46

autografato dall’attore, quando nel 1955 a Wasmes Vincent Minnelli girava il film Brama di vivere. Per questo la mostra allestita a Padova era intitolata ‘Flangini & Minnelli, il cinema dipinto’. Ma molti altri sono i temi delle opere di Flangini, come i paesaggi di Ostenda o di Marcinelle, e il mondo dell’emigrazione e del lavoro, così come molti quadri dedicati alla Francia e a Verona. L’associazione, alla quale ho telefonato, ricerca le tele di Flangini ma anche disegni suoi (una serie di disegni apparsi alla mostra del ’77 risultano introvabili) così come cataloghi e libri che parlino di lui. Ho potuto avere per fortuna molte riproduzioni, delle quali invio alcune per fare a voi, lettori, una idea dello stile dell’artista, che a mio giudizio riesce come pochi a

Paesaggio a Ostenda, 1954 Il lago a Bardolino, 1952-54

dare colore italiano alle nebbie e ai paesaggi del Nord. Ho promesso alla signora Cristina Renso dell’Associazione Flangini di lanciare l’appello attraverso il nostro Notiziario ai tanti lettori olandesi e belgi soci della Dante e amici dell’Italia, che forse hanno conosciuto o hanno in casa opere del pittore veronese, perché si mettano in contatto con lei: e-mail: info@associazioneflangini.eu, tel.: +39.347.34 33 449. Intanto consultate il sito www.giuseppeflangini.com.

Sono certa che, come è avvenuto prima per Pieter Jas, il soldato olandese salvato dal parroco di Fosse (Valpolicella), mi aiuterete a ritrovare le prove dell’amore di un artista veronese per i nostri due paesi, di uno che ha camminato col cuore e con la sua arte per la strada che congiunge Italia e Olanda. Laura Schram-Pighi

Apostrofo 42 Het Hollandse navelstaren heeft in het Oosten des lands nu het stadium bereikt dat er geen buitenlandse kranten meer in de kiosken verspreid worden. Om toch nog enigszins bij te houden wat er in de wereld geschiedt heb ik daarom een paar abonnementen genomen, waaronder een op de Italiaanse Espresso. Immers, het ziet ernaar uit dat de wereld in Italië weer in beweging komt na de lange jaren van de Cavaliere. Vandaag, 19 januari, ontving ik het eerste nummer en dat was wel even wennen, want de titels van de artikelen geven soms raadseltjes op. Weinig moeite heb ik met Lo spazio stretto del Professore, want ik begrijp meteen dat het om premier Monti gaat. Zoals het artikel uitlegt heeft deze weinig speelruimte in een land waar per quasi un ventennio ha dominato culturalmente più che politicamente, il forzaleghismo. Dat was het Italiaanse navelstaren, dat aan de kaak gesteld wordt met behulp van het geniepige woordje ventennio, dat we ook uit andere contexten kennen. De titel Wow, che avvio di campagna elettorale vertaal ik maar

met ‘Een leuk begin van de verkiezingscampagne’. Meer moeite heb ik met Va di moda il doppiotoghismo. Google geeft vier vindplaatsen en alle vier komen ze uit het bewuste artikel van L’Espresso; de auteur Marco Travaglia zal het woord wel zelf verzonnen hebben. Gelukkig vraagt Google meteen: bedoelde u il doppiogiochismo, dus dat zal wel het leidwoord voor de nieuwe vondst zijn. De vijfhonderd attestaties daarvan wijzen op de betekenis ‘van twee walletjes willen eten’. Dit woord wordt gekruist met toga, en dus gaat het om advocaten die zich aan twee kanten indekken. Welke advocaten dat zijn en met wie ze zich encanailleren wordt niet geheel duidelijk, want in tegenstelling met de Nederlandse gewoonte om alle achtergronden voortdurend uit te leggen worden we hier geacht alle affaires paraat te hebben. Maar de meest mysterieuze titel vind ik in de Bustina di Minerva, de wekelijkse column van Umberto Eco, namelijk I bufalasti. Het woord is een meervoud van bufalaste, dat de auteur zelf uitlegt als così chiamerei gli ordi– 14 –

tori di bufale, ‘zo zou ik de bedenkers van bufale willen noemen’. Het is dus duidelijk dat ook dit een nieuw verzonnen woord is, maar wat is in vredesnaam een bufala? Ik begin met de woordenboeken. Het oudste citaat vind ik bij Quarantotto, Dizionario del nuovo italiano, die verwijst naar het dialetto romanesco en twee betekenissen geeft: 1 bruttura, porcheria; 2 errore, svista, en het citaat uit 1960 gaat over un film che, ancora prima di essere visto fu definito una ‘bufala’ dagli amici romani. Een waardeloze film dus. Ook de Parole nuove van Cortelazzo en Cardinale hebben een lemma. Hierin staat een citaat uit 1965 uit de roman Le trombe van Giuseppe Cassieri, in de vorm bufola: Forse una bufola dei padroni di casa, uitgelegd als errore, svista madornale ‘enorme blunder’. De volgende stap is het woordenboek van Duro uit 1986. Dit geeft twee figuurlijke betekenissen: a svista, errore madornale; affermazione falsa, inverosimile, panzana ‘kletsverhaal’; en b (romanesco) produzione, e spec. spettacolo scadente, di scarso valore: questo film è una bufala. De Garzanti 1998 voegt er nog aan toe:


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

notizia giornalistica totalmente infondata, wat ook voorkomt in de De Mauro van 2005. Als we op Google kijken blijkt bufala overeen te komen met het Engelse hoax, wat duidt op opzettelijk verspreide onwaarheid, zoals in die e-mails waarin je met een sentimenteel verhaal uitgenodigd wordt geld te storten op een Nigeriaans adres. Wat er verder staat over betekenis en afleiding klinkt overigens nogal amateuristisch en is niet gecontroleerd. En zo komen we dichter bij het gebruik dat Eco ervan maakt. Het gaat hem om onverlaten die een namaak-twitter onder de naam Umberto Eco verspreiden. Ooit had zo’n pseudo-Eco rondverteld dat García Márquez dood was, waarop allerlei naïeve-

Umberto Eco

lingen serieus waren ingegaan tot ze ontdekten dat de Columbiaanse schrijver vivo e vegeto was. Dit bericht van mei 2012 staat bekend als een Twitter death hoax en in een Italiaanse krant stond dat de schrijver morto di bufala was. Dan blijft nog de uitgang -aste voor de be-

denker van het valse bericht. Dat is een niet-bestaand achtervoegsel; Eco moet het voor de gelegenheid verzonnen hebben; hij houdt ook wel van een taalgrapje. Uit al deze informatie krijgen we wel een duidelijk beeld van de ontwikkeling van het woord. Wat minder duidelijk wordt is wat dat alles met een buffel te maken heeft. Mijn suggestie is dat de betekenis persona rozza e ignorante van het mannelijke bufalo de bron is; immers, de oudste figuurlijke betekenis die we zagen was die van een film rozzo. Maar hopelijk ontdekt iemand nog een preciezer verband. Minne de Boer

La poesia di Michelangelo L’educazione letteraria di Michelangelo, sebbene disordinata, fu di grande respiro, se si pensa che frequentò il giardino laurenziano di San Marco, venendo così in contatto con i pensatori e gli scrittori più influenti del tempo: Ficino, Della Mirandola, Landino, Poliziano, Pulci. Anche dopo l’esperienza fiorentina continuò a dedicarsi in proprio alla pratica della poesia con una scadenza piuttosto regolare dai primi anni del Cinquecento fino a quelli di poco antecedenti la sua morte, ottantanovenne, nel 1564. Sono da scartare le ipotesi che a lungo hanno suggerito l’idea che Michelangelo praticasse la poesia come divertissement obbligato al suo status di genio universale; come strumento terapeutico; come un documento diaristico complementare alle Lettere o come compendio utile all’analisi dell’opera artistica. Michelangelo, io credo, scrisse poesie proprio perché ciò che doveva esprimere aveva necessità della forma e della semiotica che appartiene alla parola scritta. Così come viene testimoniato nella più recente edizione critica1, si tratta di 302 componimenti. Spesso di uno stesso documento ci sono pervenute diverse versioni (e che pure questo sia ulteriore prova che Michelangelo desse all’atto letterario la massima importanza e attenzione). In maggioranza essi sono elaborati compiuti, mentre di alcuni si hanno dei testimoni in forma monca o di abbozzo. A questi vanno aggiunti 41 frammenti: incipit irrisolti, brevi adattazioni da classici, e citazioni da alcuni

versi propri, non riscontrabili in manoscritto, ma presenti nella Lezione sul sonetto Non ha l’ottimo artista che il poligrafo Benedetto Varchi tenne nel 1546 ab incarnatione Domini all’Accademia fiorentina. Sono testi di vario metro, ispirazione e derivazione, ma in modo sommario e schematico le Rime possono essere classificate in base agli anni di produzione e ai tre nuclei tematici più spesso frequentati: la bellezza e l’arte, l’amore e l’amicizia, la morte e il divino. La prima testimonianza autografa si fa risalire al 1503/1504, e da qui fino al 1532 coincide il primo periodo lirico di Michelangelo, che nei contenuti e nell’esposizione coincide in gran parte con il canone della tradizione toscana. In primis bisogna risalire a Petrarca e alla Commedia, quest’ultima per la potenza espressiva, che si riscontra in Michelangelo soprattutto nei testi non amorosi, per arrivare altrove alla forte presenza dell’ideologia neoplatonica, e in modo particolare all’autorità di Ficino e Pico. Ma importanti riscontri contenutistici sono da riportare alla vicenda savonaroliana (sebbene presto superata), così come pure ravvisabili sono i toni di Girolamo Benivieni, Lorenzo de’ Medici, Poliziano e perfino del burlesco pulciano. Un percorso eterogeneo, fondato anche sul recupero, che suggerisce come Michelangelo fosse partecipe degli avvenimenti all’interno della ‘società dei poeti’. In Italia nella sfera ampia degli anni Trenta da una parte Bembo, Della Casa e Castiglione approvano il piano regolatore che intende de-

1 M. Buonarroti, Rime, a cura di E.N. Girardi, Bari, Laterza, 1960.

– 15 –

limitare nettamente lo spazio e l’architettura del fare civile e poetico, mentre dall’altra Francesco Berni si applica al rifacimento dell’Orlando Innamorato di Boiardo, e autori quali Antonio Cammelli (il Pistoia), Aretino, Folengo, Ruzzante, Anton Francesco Grazzini (il Lasca), Doni, Lando e Benvenuto Cellini, formano un gruppo che con modalità non sistematiche né programmatiche, e magari contrastanti tra di loro, vuole essere un kosmos divergente rispetto all’epicentro segnato da Pietro Bembo. Buonarroti, ben informato su questi sviluppi, scrive tra il 1532 e il 1547 una quantità notevole di testi (si tratta grossomodo dei sonetti nn. 56-266) incentrati sul tema dell’amore e dell’amicizia. In questo gruppo di particolare interesse sono anche i sonetti celeberrimi sulla ‘Notte’ (nn. 101-104) e il gruppo di epitaffi per Cecchino Bracci (nn. 179-228). Determinanti per l’ispirazione lirica saranno gli incontri con Tommaso de’ Cavalieri nel 1532 e con Vittoria Colonna nel 1536, il suo definitivo trasferimento a Roma (1534) e l’amicizia con Paolo III Farnese, vescovo di Roma dal 1535. In questo periodo si osserva a livello stilistico un passaggio – graduale e non esclusivo – dal sonetto al madrigale (cosa probabilmente favorita anche dalla contaminazione con i testi per musica, conosciuti durante le rappresentazioni nelle corti della Roma papalina) e si ha anche notizia di un piano editoriale, poi obliato, di un volume di 89 componimenti che avrebbe costituito il cosiddetto ‘Canzoniere’ michelangiolesco. Al lasso di tempo che va dal 1547 al ’60 cor-


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

risponde la fase creativa matura, costituita in gran parte di testi di argomento spirituale. In questo periodo Buonarroti è provato da una serie di lutti, è impegnato in una intensa riflessione teologica e frequenta il circolo dell’Ecclesia Viterbensis che si riuniva intorno alla figura del cardinale Reginald Pole: uno dei tre legati pontifici delegati alle sessioni di apertura del concilio di Trento (1545-1563). Michelangelo, il quale vive una religiosità complessa, fu testimone degli avvenimenti che condussero alla chiamata del concilio. Nelle Rime si riscontra una disponibilità a prender parte al dibattito in corso e a voler mediare le teorie del Neoplatonismo con l’esigenza di una riforma morale (e giammai religiosa) della Chiesa. L’attività di scrittura è, però, rallentata (nn. 267-302) e le poesie si distinguono, con l’esclusione di versi senza dubbio finiti, per l’evidente partitura espressionista e per un sostanziale disinteresse per l’eufonia e l’euritmia, cioè gli elementi su cui si edificano i Fragmenta petrarcheschi e in cui si caratterizza in modo dittatoriale la lirica cinquecentesca. Le ragioni di questo ‘sbandamento’ si trovano probabilmente nella personalità dell’autore. La lingua diviene pertanto il palinsesto di una interiorità sofferta e problematica, incapace di risolvere il quesito che si pone e costretta a un fare imperfectum (cioè non concluso). Il confronto tra aspirazione ideale e tormento umano, connotato dalla insoddisfazione data dalla finitezza, è tra-

slato in un movimento formale di innovazione che si volge verso il Barocco, in un movimento che allontana dall’ideale antropocentrico rinascimentale, e porta a soffermarsi sulla figura dell’uomo nuovo. Il lettore olandese che volesse accostarsi alla poesia di Michelangelo ha oggi a sua dispozione una serie di traduzioni che testimoniano una certa, seppur minima, attenzione verso l’opera lirica del Divino. Qui di seguito ne riporto brevemente un primo regesto. Jan H. Eekhout (1900-1978), poeta di estrazione protestante, a metà degli anni Trenta pubblica tre sonetti sulla rivista ‘Forum’2. Questi fungono probabilmente da anticipazione all’edizione avuta nello stesso anno di trenta sonetti3. Nico van Suchtelen (1878-1949), anch’egli poeta ed editore simpatizzante del movimento dei lavoratori, dà fuori la sua edizione nel 1947. Anche in questo caso si tratta di una antologia minima, destinata ai membri del ‘W.B.-vereniging’ (Wereldbibliotheekvereniging) e, dunque, fuori commercio4. L’opera di Van Suchtelen come traduttore letterario è ambiziosa e comprende autori quali Shakespeare, Von Kleist, e Hoffmann. Interessante sarà capire se la scelta di tradurre Michelangelo sia stata dettata solo dal gusto, o che invece ad essa si debba dare un significato ben più esteso nei termini di una poetica della progettualità. Una versione di poco più consistente delle poesie buonarrotiane si ha nel 1986 a

Jan H. Eekhout, Sonnetten van Michel-Angelo, ‘Forum’, 4, nr. 2, 1935, pp. 162-164. M. Buonarroti, XXX sonnetten van Michel Angelo, trad. J.H. Eekhout, Baarn, Bosch & Keuning, 1935. M. Buonarroti, Sonnetten, trad. N. van Suchtelen, Amsterdam, W.B.-vereniging, 1947. M. Buonarroti, Sonnetten en andere gedichten, trad. F. van Dooren, Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1986, 1999. D. Shostakovich, Suite on Verses of Michelangelo Buonarroti: op. 145, 1974. La Suite completa è composta da dieci brani, più un undicesimo come finale, a mo’ di ritratto interiore e biografico dell’artista. 7 Gedichten van Michelangelo, ten behoeve van de Sjostakovitsj-uitvoering van Holland Symfonia, trad. J. van der Haar, Haarlem, recita dei testi di S. Koetse, Haarlem, 9 dicembre 2005. 2 3 4 5 6

mano di Frans van Dooren (1934-2005), cui ne segue una accresciuta e riveduta nel 19995. Anche qui si ritrova una marcata predilizione per il sonetto, anche se Van Dooren ha deciso di tradurre pure alcune quartine di notevole rilievo all’interno del libro michelangiolesco. A queste va aggiunto il gruppo di poesie di Jan van der Haar. Si tratta di tre sonetti e di un madrigale tradotti su commissione della Holland Symfonia in occasione di una rappresentazione della Suite shostakovichiana6, ispirata proprio dalle Rime michelangiolesche, mai pubblicati nel programma dello spettacolo7, e poi accolti in ‘Incontri’ (XXIV, 2009/2). Dopo questo inquadramento sintetico si evince che la presenza di Michelangelo poeta nei Paesi Bassi è ancora scarsa. Il fatto è poi tanto più grave se si pensa che nelle altre lingue europee – ormai da tempo – è presente un corpus notevole, quando non addirittura un’edizione integrale del suo opus lirico. La speranza è naturalmente che presto si trovi il modo di rimediare alla lacuna e che il nostro contributo (del traduttore e mio) possa servire da stimolo. Anche per queste ragioni alla panoramica appena esposta si è deciso di far seguire una altrettanto breve introduzione alle Rime, in modo da fornire al lettore un facile strumento per la comprensione delle liriche qui edite, o in lettura originale. Gandolfo Cascio Gandolfo Cascio è professore a contratto e ricercatore di Letteratura italiana presso l’Università di Utrecht. Il suo ambito di studio è la lirica cinquecentesca e del Novecento.

Uit de geschiedenis van de giallo (8) Il giorno della civetta In 1961 kwam Leonardo Sciascia met een klap de wereld van de giallo binnen. Het ging om een treeplankmoord bij een bus die net wil vertrekken. De passagiers verlaten de bus haastig en begeven zich in kreeftengang naar elders; de chauffeur beweert dat hij alleen op de weg let en geen aandacht heeft voor zijn passagiers, de conducteur herinnert zich vaag dat er wel een paar mensen in de bus zaten, de erwtenkoekenverkoper, die naast de bus stond maar nu door de maresciallo moet worden – 16 –

opgespoord, antwoordt stomverbaasd: ‘Hoezo, is er dan geschoten?’ Kortom, een moord op zijn Siciliaans. De dode man was lid van een bouwcoöperatie en alles wijst erop dat hij het slachtoffer was van maffiose rivalen, omdat hij hun raad in de wind had geslagen bij de aanbesteding van een project. Kapitein Bellodi, Emiliaan uit Parma, die in het verre Sicilië terecht was gekomen ‘uit republikeinse familietraditie en uit overtuiging’ – verdenkt de onorata società en laat


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

een typisch personage uit dit milieu bij zich komen, namelijk de confidente. Dat is een beroepsverklikker, die er goed op let dat hij niet meer verklikt dan de grote bonzen van de maffia hem toestaan. Alleen heeft hij zich ditmaal vergist en twee namen genoemd die hij beter had kunnen verzwijgen. Onmiddellijk ziet hij zijn vergissing in en dus weet hij dat hij ter dood veroordeeld is. Een van de indrukwekkendste hoofdstukken van het boek is de beschrijving van de laatste dag van deze verklikker, die zichzelf heeft verraden door zijn angst en voor wie de dood uiteindelijk als een bevrijding komt. Volgens de waardeschaal van don Mariano Arena, het plaatselijke hoofd van de maffia, was hij ‘geen man’. Don Mariano hield er een fraaie theorie op na, een theorie waarmee hij de mensheid verdeelde in vijf categorieën: gli uomini, i mezzi uomini, gli ominicchi, i (con rispetto parlando) pigliainculo e i quaquaraquà; de Nederlandse equivalenten luiden ‘mannen, halve mannen, mannekes, reetkevers (met permissie) en blabberdebla’s’. Alleen de ‘mannen’ telden voor hem mee. Er is nog een derde slachtoffer, de man die de moord gezien heeft en de naam van de moordenaar aan zijn vrouw heeft verklapt. Hij verdwijnt uit zijn huis en wordt niet meer gezien. Kapitein Bellodi heeft nu echter drie namen en besluit de drie verdachten te arresteren. Hij slaagt erin een bekentenis los te krijgen van de twee uitvoerders van de moord door elk van beiden wijs te maken dat de ander hem aangegeven heeft en daardoor zo’n woede op te wekken dat ze liever zichzelf aangeven als medeplichtige dan dat ze de ander sparen. De truc was een nepbekentenis, zorgvuldig vervaardigd door drie marescialli. De

derde verdachte, en dat is dus don Mariano, is een grote bons, die zich niet verwaardigt de beschuldigingen ernstig te nemen. Hij hoeft zich dan ook geen zorgen te maken want de società is al voor hem aan het werk. Hij wil alleen toegeven dat de kapitein een man is. Door dit verhaal heen is er als een soort contrapunt een koor van grote bonzen, die actie ondernemen in Rome. Wat ze vertellen blijft enigszins vaag, we weten niet wie er aan het woord zijn, maar begrijpen wel dat een van hen direct contact heeft met een onorevole, een parlementslid. In Rome hebben de journalisten zich op de gebeurtenis geworpen, er worden vragen gesteld in het Parlement en de enige zorg van de onorevole is de schone schijn te bewaren, door het misdrijf toe te schrijven aan een banaal geval van jaloezie. De officiële stelling van de grote bonzen is dat de maffia niet bestaat, maar een uitvinding is van de sociaalcommunisten – op zijn hoogst is er een ‘vereniging voor geheime onderlinge bijstand’. Dit is een staaltje van de filosofie van de grote bons: ‘Er zijn niet alleen bepaalde mannen die als hoorndragers geboren worden, er zijn ook hele volkeren: hoorndragers vanaf de oudheid, de ene generatie na de andere.’ Dit kan gelden als een nieuwe definitie van Sicilië. Sciascia’s commentaar is dat de mens zich over het algemeen redelijk beschaafd gedraagt, ‘maar op sommige momenten komt ineens de hardvochtige, meedogenloze man die hij geweest was weer boven; en het merkwaardigste was dat als hij zijn hardste en meest terechte oordeel over de dingen van de wereld terughaalde, de woorden “hoorns” en “hoorndragers” als hagel in zijn gesprekken neervielen, met verschillende betekenissen en nuances,

– 17 –

maar altijd om minachting uit te drukken.’ Deze praatjes van de anonieme mafiosi die het verhaal doorspekken, zijn een heel gelukkige vondst van Sciascia: ze suggereren de anonieme dreiging die over Sicilië hangt. Zoals te verwachten was, wint de omertà van de mafiosi het, de zaak eindigt in sordino; de kapitein moet naar Parma om persoonlijke redenen en: ‘hij had geen verlangen gekoesterd om naar Sicilië terug te keren, want in de vermoeidheid van zijn zenuwen vond hij een vakantie in de familiekring in Parma aangenamer en rustgevender dan normaal. Daarom had hij een ziekteverlof aangevraagd, en dat hadden ze hem gegeven, voor een maand.’ In dit verhaal zien we hoe een Sciascia-giallo eruitziet. Er is niet zoveel spanning, want we weten van tevoren hoe het zal aflopen. Wel zien we hoe een giallo ontstaat: er zijn twee maatschappijvisies, die van de rechtsstaat en die van de criminaliteit, en voor beide wordt er inbreuk op hun waarden gemaakt, voor de een door de afperssom niet te betalen, voor de ander door een moord op klaarlichte dag. Sciascia’s speciale bijdragen zijn de psychologische beschrijvingen van de gevoelens van deelnemers en het sociologisch-historische commentaar op de maffia. Deze is in 1961 net in de fase waarin de vastgoedmaffia overgenomen wordt door de drugsmaffia. Sciascia is pessimistisch, maar gelooft nog in de vooruitgang, zelfs in een maatschappij die tweehonderd jaar achter loopt. Later zal hij dat geloof relativeren, maar dat zal hem nooit verhinderen om stelling te nemen. Helaas sterft hij in 1989, en daarna wordt het pas echt menens. Minne de Boer


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

Een week Trentino-Alto Adige, vervolg Toen ik in september een week in Trentino-Alto Adige doorbracht, met Rovereto als standplaats (zie Notiziario 4-2012) was er om mij heen in Rovereto weinig dat ik ‘Duits’ aan vond doen. Wel viel mij de achternaam van mijn B&B-gastheer op: Brun. En de jonge vrouw die mij op de dag van vertrek met mijn koffer de bus in loodste bleek een Duits(talig)e moeder te hebben. Kleinigheden, toch veelzeggend. Maar het straatbeeld van Rovereto vond ik Italiaans. Anders was het in Trento, waar ik tweemaal naartoe ging. De trein doet er een kwartier over, een afstand van niks dus. Maar: veel meer Duitse namen, en bars die meer van een Bierstube dan van een Italiaanse bar hadden. In het vliegtuig van Amsterdam naar Verona zat naast mij een jongen die Garcia Marquez’ Honderd jaar eenzaamheid in het Duits zat te lezen. Hij was overigens een Italiaan, hij kwam uit Merano. Hij las Duits, zei hij, omdat in zijn geboortestreek ook veel Duits gesproken werd. Ik had op reis Eva dorme van Francesca Melandri bij mij. Dat speelt zich gedeeltelijk in de streek rond Merano af, en min of meer aan de hand van een soort road story gaat het in feite allereerst om de ‘kwestie’ TrentinoAlto Adige. Het boek confronteerde mij met hetgeen het van hogerhand toewijzen van een streek, in dit geval Zuid-Tirol, aan een ander land, met een andere taal bovendien, teweegbrengt onder de bewoners. Met het voormalige Zuid-Tirol gebeurde dit in 1918 en het werd toen omgedoopt in Trentino-Alto Adige; in 1946 verwierf het autonomie, in 1969 werd een akkoord bereikt waarmee onder meer het Italiaans en het Duits officieel gelijk werden gesteld (sinds 1918 was het Italiaans er ‘de’ taal, ondanks dat een groot deel van de bewoners Duitstalig was). Aan dit akkoord ging een reeks van gewelddadigheden vooraf; er werden diverse aanslagen gepleegd, waarbij het Italiaanse leger werd ingezet om de orde te herstellen. Het waren de jaren van de Brigate Rosse, de aanslagen onder meer in Bologna en Milaan én de mysterieuze activiteiten van leden van de Italiaanse legertop, die, zoals beweerd werd, een coup voorbereidden. Het boek belicht, aan de hand van de levensgeschiedenis van de moeder van de ikpersoon en volgens haar zienswijze (en die van de schrijfster, vermoed ik), de binnen-

landse politieke verwikkelingen in het Italië van, vooral, de jaren ’60-’70. De ik-persoon in het boek, Eva, is de dochter van een alleenstaande moeder, zelf uit een boerengezin in de omgeving van Merano, een gezin waarin Duits gesproken werd. Ook de vader kwam uit zo’n gezin. Het boek begint als Eva, op paaszondag, net in de trein naar Sicilië is gestapt om daar afscheid te gaan nemen van haar (stief )vader die zijn einde nadert en heeft opgebeld om haar dat te vertellen. Zij en haar moeder hebben in geen jaren contact met hem gehad. De treinetappes wisselt zij af met het beschrijven van de levensgeschiedenis van haar moeder, een geschiedenis die zeer nauw verweven is met de ‘kwestie Trentino-Alto Adige’.

De stiefvader van Eva blijkt een van de politiemensen uit Zuid-Italië te zijn die van overheidswege – weloverdacht beleid – naar de Trentino-Alto Adige werden gestuurd om daar het Italiaanse element te versterken, als tegenwicht tegen de Duitstalige bevolking. Ook uit andere delen van Italië werden mensen naar het noorden gestuurd, maar het meest uit de zuidelijke regio’s omdat daar minder werkgelegenheid was. In het noorden kon de economie versterking van de beroepsbevolking in die jaren goed gebruiken. Dat er bewust uit andere regio’s politiemensen naar de roerige Trentino-Alto Adige werden gedirigeerd had bovendien als achtergrond dat het voor hen minder beladen zou zijn dan voor – 18 –

hun collega’s ter plekke om het geweld er in te tomen: de bevolking bestond voor hen immers uit ‘vreemden’, en het was onwaarschijnlijk dat zij in de kwestie aan de kant van de ‘oproerkraaiers’ zouden staan. De oud-politieman naar wie Eva op weg is heeft tijdens zijn dienstperiode in het noorden Eva’s moeder ontmoet. Zij willen met elkaar trouwen, maar de Siciliaanse familie van de man kan zich er niet mee verzoenen een alleenstaande moeder als schoondochter te moeten verwelkomen, nog wel een die nauwelijks Italiaans, laat staan Siciliaans kent en die meer vertrouwd is met boter dan met olijfolie. Hij zwicht voor zijn familie. Er wordt niet getrouwd, hij wordt overgeplaatst en het contact tussen de twee wordt verbroken. Eva’s moeder is hier zeer radicaal in, tot verdriet van Eva, die met haar stiefvader een goede en hechte band heeft gekregen. Behalve de kwestie Trentino-Alto Adige is dus ook het grote verschil tussen Noorden Zuid-Italië een thema in het boek. Een indringend boek. Knap van compositie, per hoofdstuk soepel wisselend van sfeer en toon: van beschrijving van historie naar persoonlijke ontboezeming. Soms – in de beschrijvingen van Eva’s moeder en ook wel van haar stiefvader – een beetje dweperig: je krijgt van die twee een beeld dat bijna uitsluitend uit superlatieven bestaat. Wat mij het meest trof waren de verhalen over de schrijnende conflicten die kunnen ontstaan door de toewijzing, zomaar, van een streek aan een ander land, met een andere taal. Conflicten tussen naaste buren, binnen families, die tot dan toe vredig naast en met elkaar samenleefden. En hoezeer en hoelang zulke conflicten kunnen doorwerken. Zo heeft Eva een enorme hekel aan de haar vaak gestelde vraag of zij zich Italiaans of Duits voelt. Zij geeft daar in principe geen antwoord op. Zij weet er ook eigenlijk geen antwoord op. Dat besefte ik allemaal onder het lezen. En ik realiseerde mij tegelijk hoe weinig dit besef leeft buiten Italië, eigenlijk zelfs buiten de streek waar het om gaat. Ik realiseerde mij ook hoe stompzinnig zo’n toewijzing is: met één pennenstreek wordt volledig voorbijgegaan aan de dagelijkse werkelijkheid waar de betrokkenen in leven. Ciska van der Glas


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • maart 2013 – nummer 1

Tentoonstellingen in Italië Kleine greep uit het aanbod In Bari tot 30 april Riccardo Tota tra Andria, Roma e Napoli Retrospectief gewijd aan Riccardo Tota (1899-1998), getiteld ‘Le seduzioni della pittura’. Pinacoteca provinciale Corrado Giaquinto, via Spalato 19 Info: tel. 080.5412421

tot 26 mei De Nittis 120 werken van een van de hoofdrolspelers op het Europese toneel van de 19de eeuw. Palazzo Zabarella, via S. Francesco 27 Info: tel. 049.875.31.00; www.palazzozabarella.it

In Forlì tot 16 juni Novecento. Arte e vita in Italia tra le due guerre. Schilderijen, beeldhouwwerk, grafiek, posters, meubelen, sieraden, kleding en nog meer uit de Italiaanse jaren ’20-’30 van de vorige eeuw. Complesso monumentale di S. Domenico, piazza Guido da Montefeltro Info: tel. 199.757.515; www.mostranovecento.it

a d v e r t e n t i e

Bed en Breakfast in Valpolicella Bed en Breakfast ‘Le Cave’ ligt in het dorpje Prun, in de provincie Verona, ongeveer 6 km van Negrar, 15 km van Verona en 20 km van het Gardameer.

In Pordenone tot 9 juni Armando Pizzinato 125 jeugdwerken, aangevuld met later werk. Galleria arte moderna e contemporanea (jeugdwerken) en Galleria Sagittari (later werk) Info: tel. 0434.52.37.80

Het ligt aan de rand van de Valpolicellastreek, in het natuurpark van Lessinia met een uitzicht over de Povlakte waarachter je de Apennijnen kunt zien. Het ligt 580 m boven zeeniveau en heeft ’s zomers een buitengewoon aangename temperatuur. De B&B beschikt over 3 tweepersoonskamers, met gemeenschappelijke badruimte, keukenhoek, balkon en garage.

In Padova tot 19 mei Pietro Bembo e l’invenzione del Rinascimento Meesterwerken van Bellini, Titiaan, Mantegna, Rafaël – werken uit de kostbare collectie van de Venetiaanse geleerde en latere kardinaal Pietro Bembo, of werken die hij tot stand zag en soms hielp komen. Palazzo del Monte Info: tel. 049.820.45.37

Desgewenst wordt het ontbijt geserveerd. Prijs per persoon € 35,–, inclusief ontbijt

(Met dank aan Touring, maandblad van Touring Club Italiano) – 19 –

Famiglia Degani Telefoon (werk) 0039 – 045 – 600 01 03 Telefoon (huis) 0039 – 045 – 752 56 86 Mobiel (engels) 0039 – 347 – 294 86 33

Notiziario 2013 (maart)  

De Notiziario is het verenigingsblad van de Società Dante Alighieri Utrecht

Advertisement