Issuu on Google+

NOTIZIARIO juni 2012 – nummer 2

Notiziario van de Società Dante Alighieri Comitato di Utrecht Redactie: Annemarie Aarnoutse | Ciska van der Glas E-mail: notiziario@danteutrecht.nl | Telefoon secretariaat: 06 – 46 36 79 93

Inhoud

ontwerp: blauwblauw-design | bno

Van de redactie 1 Van de voorzitter 2 Een nieuwe organisatie van de taalcursussen 2 In memoriam Miep Schilt (1910-2012) Emma Verheul 3 Dante tot leven gebracht met luit en tekst Dennis Smit 3 Liguria – Carlo Giordano over zijn geboortestreek | Ciska van der Glas 4 Luigi Barone over Totò | Ciska van der Glas 4 Lotje Lomme: Visies op vrouwen in het oude Rome | Annemarie Aarnoutse 7 Lotje Lomme: Populisme in Romeins Italië | José van Houcke 7 Tentoonstellingen in Italië 8 Boek, lens en bril | Luigi De Mas 9 De legende van de Campo San Zaccaria Alette Fleischer 10 Occhio! Verborgen tekeningen uit Italië 11 Lo sapevate che... (13): Ambasciator non porta pena/Niet schieten op de boodschapper | Elena Valbusa 11 Gli studenti raccontano (3) | Tiny de Ligt 12 I libri che hanno fatto gli italiani: Antonio Stoppani, Il Bel Paese (1876) | Laura Schram-Pighi 12 Apostrofo 39 | Minne de Boer 13 Petrarca binnen ieders handbereik Roland Fagel 15 Un ligure ad IJmuiden | Carlo Giordano 18 Sette piccoli sospetti − Tweede (jongeren)roman van Christian Frascella | Henrieke Herber 20 Belgio 1956. Uomini in cambio di carbone | Laura Schram-Pighi 21 Uit de geschiedenis van de giallo italiano (7): Gadda, Quer pasticciaccio brutto Minne de Boer 21 Italiaans nummer van Kort Verhaal 22

Van de redactie Na veel kou en nattigheid wordt ons nu (19 mei) eindelijk mooi weer in het vooruitzicht gesteld. Wordt het dan toch nog una bell’estate? Wij wensen u dat in elk geval van harte toe. In deze Notiziario een In memoriam voor Miep Schilt die in 2009 op 99-jarige leeftijd lid werd van onze vereniging. Emma Verheul schrijft over haar herinneringen aan haar. Wij getuigen ons medeleven met de nabestaanden van Miep. Daarnaast doet het ons deugt weer wat van Emma te horen. U leest goed nieuws van onze voorzitter: financieel klimmen we heel langzaam uit het dal en een nieuwe structuur van de taalcursussen kan deze trend hopelijk bestendigen. In de bijdragen van de voorzitter en het bestuur leest u daar meer over. Aan de hand van een aantal verslagen houden wij u op de hoogte van activiteiten die de afgelopen periode door Dante Alighieri Utrecht zijn georganiseerd. Via de Vereniging De Poorters van Venetië zijn wij op het spoor gekomen van opmerkelijke tradities in Italië waarvan u er een in dit nummer kunt lezen. De Poorters hebben zich ook verdiept in de relatie tussen de boekdrukkunst en de opkomst van de bril. Wij danken de Vereniging hartelijk voor het beschikbaar

–1–

stellen van deze bijzondere informatie. En verder kan deze editie van de Notiziario worden getypeerd als een literair nummer. Het gaat veel over boeken! Het voert te ver om op elk daarvan hier nu in te gaan. Wij nodigen u van harte uit u te laten inspireren voor de voor u meest passende vakantieliteratuur. Wij zijn erg blij met de prachtige Italiaanstalige bijdrage van Carlo Giordano en die van Laura Schram. Zonder de andere schrijvers tekort te doen, willen wij u nog wel wijzen op de opmerkelijke bijdrage van Roland Fagel. Hij schrijft voor ’t eerst voor ons en hij getuigt ervan over een heel eigen en gedreven stijl te beschikken. Zet u schrap en/of laat u door hem meeslepen. Niets culinairs in dit zomernummer: met de uitweidingen over ijs en artisjokken in de vorige Notiziario moet u de zomer maar zien door te komen op dat gebied. Gaat u deze zomer naar Italië op vakantie (wij mogen toch verwachten dat menig Dante-lid dat van plan is), schrijf ons over uw wederwaardigheden of bijzondere voorvallen in het hedendaagse Italië. En gaat u naar Rome, doe ons dan verslag van bezoekjes aan de gelaterie en breng uw stem uit! Wij nemen uw ervaringen graag op in het volgende nummer. I


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

Van de voorzitter We naderen het einde van het Dantejaar 2011-2012, waarbij we kunnen terugblikken op een jaar met mooie activiteiten. Van uitersten ook. Want tussen de Divina Commedia van Dante, gelezen onder leiding van José van der Helm en vervolgens met historische klanken ‘verwoord’ door het duo Adema en Mook, en de moderne Italiaanse detective, door Carlo Giordano voor Nederlanders verklaard, ligt een wereld van (Italiaanse) cultuur. Zo breed zijn we, en willen we blijven. En het culturele programma voor het volgend jaar staat dankzij José van Houcke al weer krachtig in de steigers. Het belooft weer een boeiend jaar te worden, waarbij we ook de samenwerking met andere organisaties, zoals de faculteit Geesteswetenschappen van onze Utrechtse universiteit verder zullen versterken. Samenwerking is ook op het terrein van de

taalcursussen het sleutelwoord geworden. Enerzijds is er in Utrecht meer concurrentie op het terrein van Italiaanse taalcursussen, en anderzijds neemt de cursist niet meer zonder meer genoegen met een docent, een boek en een schoolbord. Hoe goed die docent het ook doet. Daarom hebben we ook op dit terrein samenwerking gezocht en gevonden. Vanaf het volgende seizoen bieden wij onze taalcursussen aan in samenwerking met het inmiddels verzelfstandigde taleninstituut van de universiteit: Boswell/Babel, waarbij Dante de zeggenschap houdt over de inhoud van de cursussen en de inzet van de docenten, en daarnaast profiteert van de enorme wervingskracht van de website en andere kanalen van Boswell/Babel, en ook van de infrastructuur. Tot slot nog een zorg: wij klimmen – weliswaar langzaam – uit het financiële dal dat

ontstaan was door de arbeidsconflicten met vroegere docenten, maar we zoeken opnieuw een penningmeester. Tjeerd en Ankie de Jongh hebben aangegeven per 1 augustus te willen stoppen. Dat vinden wij jammer. Maar het goede nieuws is dat zij de financiële structuur zo vereenvoudigd hebben dat de opvolgers weer aan een klus van menselijke maat kunnen beginnen. Ook al omdat Dante, en dus in het bijzonder de penningmeester, niet meer zelf zal optreden als werkgever voor de taaldocenten (met alle complicaties, risico’s en werkzaamheden van dien). Ik wens u allen een goede vakantie, veelal in Italië, en heet u nu alvast welkom bij de taalcursussen en het culturele programma dat start in oktober. Jeroen Torenbeek

Een nieuwe organisatie van de taalcursussen Na een jaar van wikken en wegen, gluren bij de buren en het inschatten van kansen en bedreigingen heeft het bestuur op 22 mei 2012 besloten om de taalcursussen in samenwerking met een derde partij, het voormalige universitaire taleninstituut van de universiteit Utrecht te gaan organiseren. De aanleiding was het hooglopende arbeidsconflict met twee van onze docenten, dat ons alles bij elkaar de hele financiële reserve heeft gekost, en ons bovendien achter heeft gelaten met een negatief saldo van circa € 10.000,– een bedrag dat wij de komende jaren terug moeten en zullen verdienen. Het huidige bestuur is deels tijdens en deels na dit conflict aangetreden en heeft in eerste instantie er alles aan gedaan om de vereniging drijvend te houden en voor een faillissement te behoeden. Wij verwachten dat de vereniging de weg naar boven zal blijven vervolgen; de vooruitzichten zijn op dat punt nu goed. Wel heeft het bestuur besloten dat het onverantwoord is nog langer de risico’s van het werkgeverschap te blijven dragen. Het probleem van dat werkgeverschap is enerzijds dat kleine fouten tot heel grote gevolgen kunnen leiden, maar daarnaast dat de regelgeving razendsnel verandert en zal blijven veranderen. Wat vijf jaar geleden

nog goed was is op dit moment riskant, en wat twintig jaar geleden correct werkgeverschap was is nu op tal van punten tegen de wet. Zelfs professionele organisaties als instellingen voor hoger onderwijs plaatsen inmiddels het cursorisch onderwijs op de ene of de andere manier buiten de deur.

Zijn wij de enige Dante-vereniging die hier last van heeft? Nee. Een aantal comitati heeft besloten helemaal geen taalcursussen meer aan te bieden. Andere afdelingen hebben hun taalcursussenaanbod ‘verkocht’. Wij hebben een derde weg gekozen. Wij hebben een partner gevonden die met en voor ons de cursussen Italiaans zal organiseren, waarbij die partner (Boswell/Babel) de promotie en de organisatie doet, en wij de inhoud mogen bepalen. We behouden dus het goede, en stoten de risico’s af. –2–

Omdat Boswell/Babel een veel groter bereik heeft, met name via de moderne digitale wervingskanalen, zullen wij ook nog eens kunnen profiteren van een grotere toestroom van cursisten, en hebben wij zelf inmiddels nieuwe cursussen kunnen ontwikkelen, zoals korte cursussen aan het eind van het seizoen die voorbereiden op de Dante-examens zoals PLIDA, CILS en CELI, op allerlei niveaus. Alléén hadden wij dit nooit gekund, samen durven we het aan. Omdat Boswell/Babel voor alle cursussen die het aanbiedt goede accommodatie moet hebben, zullen wij ook daar mee kunnen liften. Wat goed is voor de studenten en medewerkers van de universiteit en voor de overige klanten, is ook goed voor de cursisten van Dante. Op de eerstvolgende ledenvergadering zullen wij ons besluit desgewenst nader toelichten en kunt u al uw vragen stellen. Maar natuurlijk vonden wij dat onze eigen Notiziario de primeur moest hebben van dit nieuws. Het bestuur – Jeroen Torenbeek (voorzitter), Elena Valbusa (secretaris), Dennis Smit (taalcoördinator en webmaster), José van Houcke (coördinator lezingen en cultuurcursussen)


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

In memoriam Miep Schilt (1910-2012) Nadat ik het bestuur van DAU verlaten had, bleven we contact houden. Ik ben een aantal keren bij haar op bezoek geweest en elke keer raakte ik weer diep onder de indruk van haar brede interesse, leergierigheid en maatschappelijke betrokkenheid. Zij verdiepte zich niet alleen in de Italiaanse, maar ook in de Franse en Duitse taal en cultuur. Zij had een boekenkast in haar huiskamer waar die van menig literatuurwetenschapper bij achterblijft. Zij bleek ook trouw cursiste van het HOVO en vrijwilliger voor Het Utrechts Landschap. Ze collecteerde voor Amnesty International. Ook heeft zij er – door handig gebruik te maken van haar honderdste verjaardag – voor gezorgd dat de burgemeester van Maarssen (haar woonplaats) het wandelpad langs de Vecht veiliger maakte voor wandelaars. Dit zijn vast maar enkele van de ontelbare redenen waarom zij een heel bijzonder mens was. Ik ben heel dankbaar haar te hebben leren kennen.

Mevrouw Schilt werd in het jaar 2009 lid van Dante Alighieri Utrecht, op 99-jarige leeftijd. Zij was op dat moment dus tegelijkertijd het ‘jongste’ en het oudste lid van de vereniging. Jong van geest was ze zeker. Zij volgde toen al enkele jaren cursussen Italiaans aan de volksuniversiteit, waar ze een van de de beste leerlingen van de klas was, met name om haar leesvaardigheid. Zij werd lid van Dante voor de lezingen en cultuurcursussen, die zij, zolang haar gezondheid het toeliet, trouw en met veel enthousiasme volgde. Omdat ik in die tijd lezingencoördinator was, belde ze me regelmatig op om te vragen in hoeverre zo’n lezing voor haar toegankelijk was: was er een hoge trap? En een bushalte dichtbij? Zo nee, was er dan iemand die haar een arm kon geven, zodat ze van de bushalte naar de locatie kon komen? Op deze manier regelde zij het elke keer weer, en genoot ze zichtbaar van de lezingen, proeverijen en cultuurcursussen. Ook de ALV heeft zij enkele keren bijgewoond.

Emma Verheul

Dante tot leven gebracht met luit en tekst Het was al weer een paar jaar geleden dat ons comitato een cursus over onze naamgever had georganiseerd, maar daar kwam afgelopen maart verandering in. In twee lessen voerde dr. José van der Helm, als dantiste en taalkundige verbonden aan de leerstoelgroep Italiaans aan de Universiteit Utrecht, de belangstellenden door de drie rijken van Dantes hiernamaals. Tijdens de laatste bijeenkomst werd de stof van de avonden daarvoor op een bijzondere manier tot leven gebracht: het duo Peter Adema (tekstschrijver en voordrachtskunstenaar) en Willem Mook (luitenist) voerde de aanwezigen in vogelvlucht door Dantes magnum opus, waarbij naast woord en muziek ook het beeld een grote rol speelde: bij de gekozen fragmenten werd telkens een illustratie getoond die Sandro Botticelli bij de Commedia maakte. De muziek die Mook op drie verschillende luiten speelde, stamt uit de veertiende eeuw – de eeuw waarin Dante zijn Commedia schreef. De Nederlandse vertalingen en verbindende teksten waren van de hand van Peter Adema, die zich her en der liet

inspireren door de vertaling van Rob Brouwer maar verder een tekst schreef die speciaal op deze voorstelling was toegespitst. De keuze voor een voordracht sluit natuurlijk mooi aan bij de orale traditie die in de veertiende eeuw – denk ook aan Boccaccio en Chaucer – de norm was: slechts een zeer klein percentage van de bevolking was alfabeet en de teksten waren dan ook uitdrukkelijk bedoeld om (ook) voorgedragen te worden. De tocht van Mook en Adema voerde ons langs de ‘highlights’ van Dantes reis: de vertwijfeling halverwege het levenspad en de ontmoeting met gids Vergilius; de ingang van de hel, waar eenieder die er binnengaat alle hoop moet laten varen; de indringende scène met de eeuwig in een storm verstrengelde Paolo en Francesca waarbij Dante overmand door emotie flauwvalt; de ijzige kou rond de monsterlijke Lucifer; de zeven hoofdzonden in het Purgatorio – waaronder de hoogmoed, waarvan de zielen zich moeten zuiveren door zware stenen mee te torsen – totdat we, in het tweede deel, na Dantes ontmoeting met Beatrice, in het verblindende –3–

licht van het paradijs terechtkwamen. Adema had zijn sombere overhemd van voor de pauze verruild voor een stralend wit exemplaar. Voordat Dante de hemel besteeg verhaalde Peter Adema over de schaamte die Dante voelde bij zijn ontmoeting met Beatrice: toen die laatste overleed, legde Dante het immers aan met een ander, terwijl Beatrice in de hemel straalde als nooit tevoren. Deze voorstelling liet nog maar eens zien dat Dantes verhaal ook in de eenentwintigste eeuw niet aan kracht heeft ingeboet en dat Dante en zijn werk nog steeds de inspiratiebron zijn van verschillende kunstuitingen: van Dante als detective tot films en gedichten van Seamus Heaney, en van de voordrachten van Roberto Benigni tot aan de op alle zintuigen inwerkende voorstelling van Peter Adema en Willem Mook – op wiens website* luitfragmenten te beluisteren zijn (zij het niet uit de Dantevoorstelling). Dennis Smit * www.willemmook.com


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

Liguria Carlo Giordano over zijn geboortestreek Op 30 maart bracht Carlo Giordano, ons inmiddels vertrouwd als Dante- en universiteitsdocent, met veel enthousiasme en verve een ode zijn geboortestreek Liguria. Het was inderdaad een lofzang, maar met de nodige nuances. Zo verhulde hij niet dat de Liguriërs ‘taccagni’ genoemd worden, wat in het Nederlands neerkomt op ‘zunigerds’. Nou was dat tot de jaren ’50 van de vorige eeuw bittere noodzaak, want Liguria was een notoir arme streek. Daar kwam halverwege de vorige eeuw verandering in; in de jaren ’60 en ’70 was het zelfs de rijkste regio van Italië. Dat was vooral te danken aan de bloeiende industrie en de activiteit in de haven van Genua in die jaren. Al direct achter de kust is het landschap bergachtig; kenmerkend is de ‘verticalità’, die sinds jaar en dag het leven van de Liguriërs heeft bepaald. Het contrast tussen kust en achterland is groot, en dat is ook te merken aan het verschil in levenswijze. Van de kustbewoners trokken van oudsher velen eropuit over zee; de uit Genua afkomstige Columbus is al een heel vermaard voorbeeld. Het achterland is woest, dor en imponerend – ‘bellissimo’, zegt Carlo oprecht en met overtuiging. De ‘verticalità’ is ook bepalend geweest (en is dat nog) voor de wijze van bouwen in de dorpjes tegen de steile hellingen op tot zelfs de top van de berg. Dat er zo hoog gebouwd werd was ook een kwestie van veiligheid; bedreigingen vanuit zee lagen voortdurend op de loer: ‘arrivano i Turchi’!

Salvador Dali – De droom van Christoffel Columbus

Uit de Romeinse tijd zijn diverse overblijfselen te vinden in Liguria, onder andere een reusachtige gewelfde brug over een bergstroom in de provincie Imperia. Toen besloten was tot de bouw, wat verderop, van een moderne brug, een elegant ogend bouwwerk van eigentijds materiaal, en kort na de ingebruikname hevige regens het dorpje overspoelden, bleek waarom de Romeinen hun brug zo stoer en groots hadden gebouwd: de nieuwe brug werd door het water meegesleurd, de Romeinse brug hield stand... De Liguriërs hebben een haat-liefdeverhouding met het fenomeen regen. Enerzijds is regen onmisbaar voor de teelt van olijven, fruit en groente en voor de wijnbouw, maar valt er te veel, dan is dat desastreus voor de hele waterhuishouding, met ernstige gevolgen voor woningen, bruggen en de hele infrastructuur. Afgelopen najaar was dat ook weer het geval. Een van de Cinque Terre, Monterosso, is toen zo goed als weggevaagd. De beruchte ‘speculazione edilizia’ is hier debet aan. In vroeger tijden waren de gevolgen van hevige regenval minder ernstig. Doordat er de laatste decennia te veel en op een onverantwoorde manier is gebouwd is de bodem tegenwoordig veel minder bestand tegen watermassa’s. Langzamerhand raken de kleine bergdorpjes ontvolkt; de vroegere bronnen van inkomsten – zoals olijven en olijfolie, kastanjes, bloemen – brengen niet genoeg meer op; de hellingen zijn lastig te bewerken, landbouwmachines zijn er niet te ge–4–

bruiken, het werk op het land is dus erg intensief en kostbaar en past niet meer in de huidige tijd en bij de economische vereisten. Ooit was olijfolie, evenals vis, groente en fruit, ook een ruilmiddel, vooral met de buurstreek Piemonte. Visserij en veeteelt waren de bronnen van inkomsten van de volkeren die vóór de Romeinen in de streek woonden. In de provincie Imperia wordt van oudsher brem gekweekt; dit gebeurt nog steeds en is dan ook nog altijd een belangrijke bron van inkomsten. Dit jaar zal de brem overigens niet bloeien en dus niets opleveren; het is te koud geweest de afgelopen winter. Een van de verschillen tussen de kuststreek en het achterland is de kleur van de huizen: aan de kust, in de oude vissersdorpjes, zijn de huizen zeer kleurig – van roze-rood tot lichtgroen en lichtblauw. In het binnenland bruin-grijs. De kuststreek was een van de pleisterplaatsen in de Grand Tour d’Europe die Noord-Europeanen plachten te maken in vroeger eeuwen. Schilders als Monet en Turner werkten in Liguria; Monet woonde jarenlang in Bordighera en schilderde het dorp vele malen bij telkens verschillend licht. Ook dichters lieten zich inspireren door de sfeer en de aanblik van de Ligurische kust. De Golfo dei Poeti, tussen Genua en La Spezia, is zo genoemd naar de dichter Shelley die er verdronk. De Ligurische keuken is minder rijk, minder gevarieerd dan die van Emilia of Toscane. Begrijpelijk: de streek is tot de jaren ’50 van de vorige eeuw immers uitgesproken arm geweest. Aan de kust wordt van


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

oudsher veel vis gegeten, in het binnenland vlees, kaas en kastanjes. De Liguriërs maken veel gebruik van de kruiden die op hun land groeien: tijm, majoraan, basilicum (pesto genovese!). De provincie Albenga is de groente- en fruittuin van Liguria. Het is de enige vlakte van de streek. Volgens Carlo is het niet moeilijk ruzie te krijgen met Liguriërs. In iedere familie liggen wel mensen met elkaar overhoop, én families en hele dorpen onder elkaar – en dan kan het gaan om water, wegen, enzovoort. Conflicten tussen steden werden in het verleden regelmatig uitgevochten in bloedige oorlogen en veldslagen. Genua en Pisa, beide havensteden, stonden in de 13de eeuw voortdurend op gespannen voet met elkaar. In Genua zijn diverse kerken te vinden die de oorlogen en verzoeningen met Pisa symboliseren; kerken gebouwd volgens een streeppatroon in wit en zwart, symbool voor het samengaan van twee contrasterende partijen. Het wapen van Genua, een rood kruis op een wit veld, is overgenomen door de Engelsen in hun vlag, aanvankelijk om veiligheidsredenen; zag een kapitein op zee een schip met de Genuese vlag dan wist hij ‘daar valt niet mee te spotten’. De Engelsen vroegen de Genuezen daarom of zij die vlag ook mochten gebruiken, om belagers af te schrikken. Dat mocht, en zo kwam Engeland aan zijn nationale vlag. De havenstad Genua overvleugelde geleidelijk andere steden; Savona bijvoorbeeld, én Pisa. Genua’s strategie om rivaliserende havensteden uit te schakelen was: de vijandige haven dichtgooien met zand. Later, in de vorige eeuw, werd de haven heel belangrijk voor en dankzij de industrie in het achterland. Toen de industrie aan het eind van de eeuw achteruit begon te gaan betekende dat ook achteruitgang voor de haven. Genua, aldus Carlo, wordt ondergewaardeerd zowel door buitenlanders als door Italianen. Het is een fascinerende stad, die in de geschiedenis van Europa een belangrijke rol heeft gespeeld. Genua’s ‘gouden eeuw’ was de tijd van Karel V. Dat was ook de tijd waarin Venetië en Genua, allebei zelfstandige republieken, elkaars rivalen waren, en waarin Genua met alle Europese landen contacten onderhield. Genua was de basis van het bankwezen in Europa; de eerste bank ter wereld stond in Genua. Na 1600 nam Amsterdam die rol van bankier van Europa over. De schepen van Amster-

dam waren handiger en sneller dan die van Genua en de haven van Genua raakte onder meer daardoor in verval. In de 19de eeuw werd de stad geannexeerd door het koninkrijk Piemonte en verloor dus haar status van zelfstandige republiek. Uit die tijd stamt ook de naam Genova; in het eigen dialect heet de stad Zena, maar dat moest veritaliaanst worden toen Italië officieel een eenheidsstaat werd. Sinds halverwege de 19de eeuw zijn veel Genuezen geëmigreerd, veelal naar ZuidAmerika (Brazilië en Argentinië). In Buenos Aires is zelfs tot op heden een hele Genuese wijk, La Boca. Ook ‘seizoensemigratie’ is voor Genua een tijd lang een bekend verschijnsel geweest: mensen trokken in de winter naar Frankrijk om daar te werken en keerden voor de zomer terug naar Genua. Met haar trotse verleden als zelfstandige, machtige republiek, is Genua dan wel niet meer zelfstandig maar nog wel altijd een ‘rebelse stad’; de Genuezen hebben zich bijvoorbeeld zonder hulp van buiten bevrijd van de fascisten, een prestatie die de stad een Medaglia d’Oro della Resistenza opleverde. Na de oorlog, in 1960, weigerde het als eerste stad steun aan de MSI – en andere steden namen daar vervolgens een voorbeeld aan. Het oude historische centrum is een doolhof van nauwe kronkelstraatjes en -steegjes, donker doordat ze zo smal zijn en doordat de ‘palazzi’ zo hoog zijn. Ook voor Genua geldt, net als voor het grootste deel van de Ligurische kust, dat er maar een smalle vlakke strook land beschikbaar is tussen de zee en de bergen – dat leidt tot hoogbouw in die strook land. Dat draagt ook bij tot het eigen karkater van de stad. Typisch voor de architectuur van de oude –5–

stad zijn de ‘ponticelli’ tussen de palazzi in de steegjes; die hadden een functie in tijden van oorlog; de bewoners konden vanaf die hoge ponticelli de vijand bestoken met emmers pek en dergelijke. In het oude centrum zie je nauwelijks katten: die zijn als de dood voor de muizen die er wél in groten getale rondlopen, vaak heel forse exemplaren die de grootte van een kat evenaren. Twee roemruchte straten in het centro storico zijn Via Pre en Via del Campo, van oudsher nesten van prostitutie, tegenwoordig ook van drugshandel en andere varianten van ‘malavita’. De gemiddelde toerist zal er zich niet op zijn gemak voelen. De uit Genua afkomstige cantautori, onder wie Fabrizio De Andre (‘il poeta’) wel de meest bekende is en beschouwd wordt als symbool van Genua en van Liguria, zingen over het leven zoals het in de Via Pre en de Via del Campo geleefd wordt – de zelfkant. De ‘canzoni’ Creuza de Ma en Ma se ghe pensu (in ‘zenese’; in standaardItaliaans Sentiero di mare en Ma se ci penso) verwoorden het ‘Liguria-gevoel’. Creuza de Ma heeft wel haast de status van ‘inno ligure’ verworven. Behalve op cantautori kan Liguria zich beroemen op de schrijvers Eugenio Montale en Italo Calvino en de komieken Paolo Villaggio en Beppe Grillo. En nóg een beroemde ‘zoon’: Frank Sinatra; diens moeder kwam uit Genua, en haar zoon is altijd een hartstochtelijk fan van de in 1893 door de Engelsen – jawel – opgerichte voetbalclub Genova FC geweest. Carlo beëindigde de Liguria-avond met het laten horen van Creuza de Ma en de karakteristieke stem van Fabrizio De Andre. Een eerbetoon aan zijn geboortestreek. Ciska van der Glas


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

Luigi Barone over Totò Op vrijdag 13 april (perché no?) vertelde Luigi Barone met veel vuur over het fenomeen Totò, ‘un comico asimmetrico’. Al woont hij ongeveer sinds mensenheugenis in Nederland en al is Dante Dordrecht zo langzamerhand vergroeid met presidente Luigi Barone, hij is nog zo Italiaans als wij ons daarbij maar voor kunnen stellen. Zijn onderwerp, het fenomeen Totò, artiestennaam van, jawel, Antonio Focas Flavio Angelo Ducas Comneno De Curtis di Bisanzio Gagliardi, beter bekend als Antonio De Curtis (Napels 1898 – Rome 1967), was acteur, toneelschrijver, woordkunstenaar, dichter en regisseur. Luigi Barone noemt hem een vertegenwoordiger van de vrolijke, niet superculturele kant van Italië. Het motto waarmee hij zijn lezing inleidde luidt dan ook: ‘Soltanto nel divertimento, nella passione en nel ridere si ottiene una vera crescita culturale’. Een uitspraak van Dario Fo. Totò was een onwettig kind van een Napolitaanse vrouw en de markies De Curtis. Deze twee trouwden later met elkaar, maar Totò werd geadopteerd door een andere edelman, ook markies, aan wie hij (zie hierboven!) al zijn andere namen dankt, en van wie hij al diens titels erft. Door een stoeipartij in zijn jonge jaren raakten zijn neus en gezicht vervormd; vandaar dat de spreker zijn lezing ‘Totò, un comico asimmetrico’ heeft genoemd. Totò begint zijn theaterloopbaan in een soort revue, waar hij weinig succes mee oogst. Hij gaat in het leger, waar hij zich niet thuis voelt. Zo ontkomt hij aan de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Sinds de periode die hij in het leger doorbracht heeft hij als motto: ‘Siamo uomini o caporali?’ Met ‘caporali’ bedoelt hij de kleine bureaucraatjes die zich als tiran gedragen – zoals een Kapo in een Duits concentratiekamp. Zijn motto koos hij later als titel van een film. Na de Eerste Wereldoorlog probeert Totò

zijn theaterloopbaan weer op te pakken. Succes krijgt hij met het repertoire van Gustavo de Marco, en vooral met voorstellingen onder auspiciën van het Napoli-

taanse tijdschrift Messalina. Zijn kracht is zijn charisma: zijn uiterlijk (zijn misvormde gezicht doet daar niets aan af!), zijn hoogst wonderlijke ogen, zijn mimiek, zijn manier van bewegen, zijn acteertalent. Na de Tweede Wereldoorlog treedt hij vooral op als filmacteur. Filmcritici hebben weinig met hem op, vinden hem ‘maar een komiek’. In 1952 ontmoet hij de actrice Franca Faldini. De twee krijgen een zoontje, maar dat leeft niet meer dan een paar uur. Zij trouwen en blijven tot aan Totò’s dood bij elkaar. Franca Faldini was een mooie vrouw, een talentvolle actrice én schrijfster. –6–

Met Pasolini maakte Totò de film Uccellini en uccellacci; er werd een prijs aan toegekend. Aan het eind van zijn leven was hij zo goed als blind. Hij stierf in 1967, na een hele reeks hartinfarcten. Tot aan zijn dood was hij zeer levendig en actief, krabbelde na een infarct steeds weer op. Hij werd in Napels begraven, onder enorme belangstelling (30.000 mensen!), zozeer dat zijn begrafenis in twee ‘voorstellingen’ plaatsvond! Er zijn 97 films van en/of met hem. Niet één ervan is vertaald of ondertiteld. Veel van zijn films zijn een parodie op een andere, succesvolle film: Totò d’Arabia bijvoorbeeld. Zijn geweldige kracht als komiek zit ’m in zijn talent om gekke bekken te trekken. Overigens heeft hij later in zijn loopbaan ook dramatische rollen gespeeld, vaak de rol van een arme sloeber met een niet te stillen honger. Totò was een fantastische taalkunstenaar; woordspelingen, taalfouten en -grapjes waren zijn gereedschap. Hij had, letterlijk, een ongelofelijk radde tong, en een lichaam als van elastiek. En was een playboy maar tegelijk een heel serieus mens. Tegenwoordig wordt hij onder jongeren opnieuw gewaardeerd, dankzij de heruitzending van zijn films op televisie, in het zomerseizoen. Zijn films hebben vaak een verhaaltje van niks, maar drijven op het acteertalent en de taalvaardigheid en mimiek van Totò. Ter ‘visualisering’ liet Luigi Barone zijn publiek een aantal filmfragmenten zien die hij allemaal van internet geplukt en op een usb-stick had gezet, een heel werk. Helaas moest de tijdslimiet van het James Boswell Instituut worden gerespecteerd, zodat de tijd ontbrak om alles wat op de usb-stick stond te vertonen. Spreker en publiek waren hierdoor merkbaar teleurgesteld – zodat de gast van deze avond nogmaals van harte welkom zal zijn! Ciska van der Glas


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

Visies op vrouwen in het oude Rome Op vrijdag 11 mei was Lotje Lomme (www.viaconlocina.net) te gast bij Dante Utrecht om te vertellen over de visies op vrouwen in het oude Rome. Lotje studeerde geschiedenis en Italiaans, onder andere in Bologna. Zij is geschiedenisdocent geweest en zij houdt zich nu bezig met verspreiding van Italiaanse cultuur en geschiedenis. Zij begint haar lezing met een kort fragment uit een documentaire van Lorella Zanardo om een impressie te geven van de vrouwen op de Italiaanse tv en dan met name op RAI 1. Van Rosita Steenbeek is onlangs in Italië Magazine een artikel verschenen waarin zij haar ervaringen beschrijft met het ‘Vademecum per la tua sicurezza’, richtlijnen voor vrouwen hoe zich te kleden en te gedragen. Hiermee geeft Lotje een eerste impressie over vrouwen in het nieuwe Rome. In haar voordracht stelt zij zich vervolgens twee vragen: Wat is de invloed van de geschiedschrijving op de beeldvorming van vrouwen? Moeten of kunnen we de rol en de positie van vrouwen van vandaag de dag in een historisch perspectief zien? Met betrekking tot de geschiedschrijving gaat zij in op wat er o.a. door Livius geschreven is over de Sabijnse Maagdenroof en Lucretia, over Livia, de vrouw van keizer Augustus en over Messalina, de eerste vrouw van Claudius. Wanneer we bijvoorbeeld vergelijken hoe Bruno Vespa in zijn boek Donne di Cuori en Eva Cantarella in Dammi mille baci over deze vrouwen schrijven, ontstaan verschillende beelden. Waar bij Bruno Vespa nog wel eens een beeld naar voren komt van de vrouw als intrigant, draaikont, verleidster, wellustige, komt bij Eva Cantarella eerder een meer tragisch, devoot, eervol beeld naar voren. Waarmee Lotje wil benadrukken dat wij

Populisme in Romeins Italië Lotje Lomme begon de avond (25 mei) met een inleiding over de term populisme. Die werd vanuit verschillende invalshoeken belicht, waaronder het (politieke) taalgebruik dat zich van formeel naar populistisch heeft ontwikkeld, met twee illustratieve filmfragmenten van politieke debatten: één uit de jaren zestig van de vorige eeuw en één van recente datum (2011/12, met Wilders en Rutte) en vandaar naar Berlusconi.

ons niet te snel op grond van één bron een oordeel of beeld moeten vormen. In het tweede deel van haar voordracht tracht Lotje aan de hand van een aantal prikkelende stellingen zoals ‘Vrouwen moeten dienend en lieftallig zijn’ de zaal te verleiden met haar mee te denken over de invloed die geschiedschrijving heeft op de rol en de positie van vrouwen in het moderne Rome. Er ontstaat een levendige discussie over de macht en invloed die vrouwen vandaag de dag hebben. De vraag of die in Rome/Italië als gevolg van lange geschiedschrijving anders is dan in andere landen, blijft onbeantwoord.

Over de definitie van populisme bestaat geen eenduidigheid. Dat werd geïllustreerd met uitspraken van Jeroen Kuitenbrouwer en Maarten van Rossem. Is populisme per definitie negatief ? Daarna over naar de jaren van de Romeinse Republiek (van circa 500 v. Chr. tot het begin van onze jaartelling). In deze jaren staan de optimates – rijke patriciërs, conservatief – tegenover de populares, die juist naar vernieuwing streven, steun zoeken bij de volksmassa’s en proberen via het Volkstribunaat problemen van het volk op te lossen. Deels ook om eigen ambities na te streven. Enkele sprekende filmfragmenten illustreerden dit beeld. De avond vervolgde met een korte maar geanimeerde discussie over het fenomeen populisme en werd afgesloten met een hilarisch filmfragment met Roberto Benigni, die de macht en rijkdom van (populist?) Berlusconi bezingt. Helaas (waarschijnlijk vanwege het mooie weer en het inluiden van het pinksterweekeinde) waren er maar vijf soci aanwezig. De reacties waren echter positief en wie er was constateerde weer veel te hebben opgestoken.

Annemarie Aarnoutse

José van Houcke –7–


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

Tentoonstellingen in Italië Kleine greep uit het aanbod In Faenza, tot 30 september 2012 Mimmo Paladino. Le grandi ceramiche. Ca. 100 opere – tra cui la Torre, il Treno, le Sfere e alcune inedite realizzate appositamente. Museo internazionale delle ceramiche Viale Baccrini 19 tel. 0546.697306.

In Perugia, tot 26 augustus 2012 Luca Signorelli, ‘De ingegno et spirto pelegrino’. Galleria Nazionale dell’Umbria; Orvieto, Duomo, Museo dell’Opera e Chiesa dei SS. Apostoli, Città di Castello, Pinacoteca. Info: tel. 075.58568410.

In Siena, tot 31 augustus 2012 Ex aqua et spiritu. Arte e fede con uno dei capolavori dell’arte italiana: il battesimo di Cristo di Tiziano, proveniente dalla Pinacoteca capitolina. Cripta sotto il Duomo. Tel. 0577.286300 www.operaduomo.siena.it

In Urbino, tot 8 juli, La città ideale. L’utopia del Rinascimento a Urbino tra Piero della Francesca e Raffaello. Galleria Nazionale delle Marche Palazzo ducale piazza duca Federico 107 Tel. 0722.322625 www.mostracittaideale.it

(Met dank aan qui Touring, maandblad van Touring Club Italiano) –8–


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

Boek, lens en bril* De uitvinding en ontwikkeling van de bril Er wordt wel beweerd, dat de introductie van de leesbril een versnellende werking heeft gehad voor de ontwikkeling van de boekdrukkunst. Vóór de komst van de bril waren de meeste ‘geletterden’ na hun vijftigste als gevolg van hun voortschrijdende verziendheid niet meer in staat zelfstandig te lezen. Zij werden dan weliswaar geholpen door anderen, monniken of klerken, die hun voorlazen en opschreven wat zij aan hen dicteerden, maar het behoeft geen betoog dat hun productiviteit in belangrijke mate terugliep en dat vooral hun vermogen om baanbrekende, nieuwe opvattingen tot zich te nemen en te beoordelen werd aangetast. De bril verlengde de productieve periode van deze intellectuelen met vele jaren. Naast de traditionele lezerskringen van geestelijken en wetenschappers ontwikkelde zich in de staten op het Italiaanse schiereiland een groep van leken die moest kunnen lezen en schrijven, omdat zakelijke transacties steeds complexer werden en zonder schriftelijke vastlegging niet meer goed konden worden geadministreerd. Zolang wat geproduceerd wordt dagelijks wordt afgenomen en er contant wordt afgerekend is er geen noodzaak om dat schriftelijk vast te leggen en is er dus geen (lees)bril nodig. Maar als men voorraden gaat aanleggen, leveranciers op termijn betaalt, betalingen van klanten naderhand ontvangt en (rente)verplichtingen aangaat, moeten de geldstromen en de bezittingen of verplichtingen op eenduidige en systematische wijze worden genoteerd. En de ontwikkeling van het betalingsverkeer met de invoering in Toscane, Lombardije en de Veneto van de wissel en later van betalingen via banktegoeden (het ‘girale’ geld, woord afgeleid van het werkwoord ‘girare’) maakte schriftelijke vastlegging noodzakelijk en versterkte de motivatie om te leren lezen en schrijven onder de nietwetenschappelijke of geestelijke klassen. In de oudheid bestonden al wel hulpmiddelen bij het lezen, maar dat waren vergrootglasachtige apparaten en geen brillen zoals we die nu kennen. De stap van vergrootglas naar bril is namelijk niet zomaar te maken. Een afbeelding gezien door een lens kan men scherp stellen door de afstand tussen lens en voorwerp te veranderen of de lens te draaien of te kantelen,

maar een bril heeft een vaste plaats op de neus, zodat scherpstellen door beweging niet mogelijk is. Een bril is maatwerk, specifiek voor de ogen die hij dient.

Keizer Nero schijnt een smaragd gebruikt te hebben. En de holle spiegel, die een afbeelding vergroot weergeeft, was al bekend in vele culturen. Een afbeelding daarvan is te zien op het schilderij van Jan van Eyck van Sint Hiëronymus die een splinter uit de poot van een leeuw trekt. De eerste wetenschappelijke verhandeling over de lens en zijn werking is geschreven door de natuurkundige Ibn Al Haitam, beter bekend als Alhazen (996-1038), in zijn standaardwerk over de optica. Het eerste geschreven bewijs van het systematisch gebruik van een lens als hulpmiddel bij het lezen staat in de kroniek van de monnik Salimbene di Parma uit 1283. Hierin schrijft hij, dat hij de tekst kan lezen ‘cum cristallo’, dus met een glas. Hij onderstreept die passage zelfs, zo uitzonderlijk is dat kennelijk nog. Uit de tekst blijkt overigens dat die lens niet was ontwikkeld

in Parma en uit andere bron is bekend, dat de monnik een tijdlang in Venetië heeft gewoond. Omstreeks 1280 werd voor een graf in de Dom van Konstanz een beeld gemaakt van Hippocrates met een vergrootglas in de hand. En er zijn meer documenten waar het vergrootglas in wordt genoemd of afgebeeld. De oudste afbeelding ter wereld van een lezer met een bril is gemaakt in 1352. Het is een afbeelding van de monnik Ugone da Provenza, geschilderd door Tommaso da Modena (1325-1379) in het monnikenkoor van de San Nicolò in Treviso. Dat de eerste brillen kennelijk in gebruik waren in de regio om Venetië geeft verdere onderbouwing aan de aanname dat de eerste ‘industriële’ brillenglazen ter wereld werden ontwikkeld en geproduceerd in Venetië omstreeks 1280 en vrij snel gekopieerd in Firenze en Pisa. De oudste documenten die beschrijven hoe lenzen geproduceerd moeten worden zijn Venetiaanse documenten uit 1284. Uit 1304 stamt een document waarin onderscheid wordt gemaakt tussen vergrootglazen (lapides ad legendum) en brillenglazen (roidi da ogli). Het is opmerkelijk dat daarin ook al tot in detail uitgewerkte regelingen staan wie glazen en brillen mochten maken, tegen welke voorwaarden, en wat voor draconische straffen men riskeerde door zich

* Dit artikel is een ingekorte versie van ‘De brillenindustrie in het gewest Cadore’, verschenen in de Nieuwsbrief Venetië behouden (nieuwsbrief van Vereniging De Poorters van Venetië) van september 2010.

–9–


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

schuldig te maken aan misbruik, namaak en vervalsing. Het merkwaardige zit hem niet in het feit dat een overheid zich in die tijd bezighield met zulke vergrijpen – de Republiek Venetië werd tenslotte al vanaf 1250 op professionele en praktische wijze bestuurd door een vast systeem van politieke en bestuurlijke instanties. Het opmerkelijke zit in het feit dat kennelijk toen ook al moest worden opgetreden tegen vervalsers. Huisindustrie De echo’s van de bedrijfstak der lenzen en brillen in Venetië klinken begin 21ste eeuw nog steeds na in het gewest Cadore. Dit gewest met hoofdplaats Pieve di Cadore, de geboorteplaats van Titiaan, ligt ongeveer 150 kilometer noordelijker, hoog in het Dolomietengebergte. In West-Europa is het gewest wel bekend, omdat daar de pioniers vandaan kwamen die het Italiaanse consumptie-ijs verkochten, eerst met karretjes, later in mooie ijssalons. Cadore bezit grote bossen met naaldbomen. Eeuwenlang heeft het boomstammen en gezaagd hout geleverd aan Venetië. Dat werd over de rivier de Piave in de vorm van vlotten naar de stad verscheept. Waarschijnlijk omdat de grond er een

lichte kleisoort is, erg geschikt om lenzen te polijsten, is gaandeweg een huisindustrie ontstaan, tijdens de wintermaanden beoefend door vrouwen, als er in de tuinen en op de velden weinig te doen viel: zij gingen lenzen polijsten. Vervolgens zijn bepaalde families ook attributen zoals etuis gaan maken en de stap naar het montuur is dan de volgende. Vanaf 1860 werd in Cadore de eerste door waterkracht aangedreven fabriek voor brillen geopend en 100 jaar later, tussen 1960 en 1990, werd 75% van alle brillen die in

West-Europa en de VS werden verkocht, gemaakt in Cadore. De bulk van de productie is inmiddels overgeplaatst naar China, maar gebleven zijn de design- en ontwikkelingsafdelingen en de productie van snel wisselende, modieuze monturen, vooral van zonnebrillen. Nog altijd wordt 90% van de zonnebrillen die in Europa en Amerika verkocht worden in Noord-Italië gemaakt. Drs. Luigi De Mas (bestuurslid van Vereniging De Poorters van Venetië)

De legende van de Campo San Zaccaria* Op de Campo San Zaccaria staat een waterput uit circa 1480. Af en toe vindt daar een vreemd spektakel plaats: een jongeman die rond de put kruipt en brult als een leeuw. Deze traditie heeft een mythische oorsprong. In Venice, A Literary Companion (1991) staat samensteller en auteur Ian Littlewood stil bij de legende van de Campo San Zaccaria. Deze legende wordt prachtig verwoord door Max Beerbohm in zijn artikel ‘A Stranger in Venice’ gepubliceerd in de bundel A Variety of Things (1953). Beerbohm beschrijft de Campo San Zaccaria zoals hij het vond in 1906. Het plein, vindt hij, is klein en melancholisch-vervallen. De gevels dateren uit verschillende perioden en zijn als een lappendeken aan elkaar geweven en daarna vele malen versteld. Hier wonen weinig mensen en zij zijn de armsten. De façade van de kerk kijkt in medelijden op hen neer. Geen enkel kind speelt hier. Een of twee katten liggen hier als de zon schijnt. Hoe feller de zon schijnt, hoe triester de Campo San Zaccaria. Het lijkt zich te willen afkeren van de zonnestralen,

als een vrouw die ooit mooi was, of als een zieke vrouw. Op het plein staat een put en bij deze waterbron hoort een eeuwenoude legende, vertelt Beerbohm. Op 29 september, de feestdag van de aartsengel Michael, die ooit Lucifer heeft verslagen, kwam bij de put een bruidspaar tezamen. De duivel had zich vermomd als een mooie jongeman. Hij naderde glimlachend de bruid en trok aan haar mouw. Hij fluisterde op zoete toon tegen haar en zij liet de arm van haar bruidegom, Sebastiano Morosini, los om de duivel haar hand te geven. Sebastiano wilde zijn zwaard trekken, maar door tovenarij kwam dit niet uit de schede. Hij wist niet wat hij moest doen. Hij kroop op handen en knieën over de grond om de put en brulde het uit. De duivel dacht toen dat Sebastiano de leeuw van Sint Marcus was en verdween prompt. Deze legende leidde ertoe dat trouwlustigen en hun ouders op 29 september naar

de Campo San Zaccaria gaan alwaar de bruidegom op handen en voeten kruipt en brult als een leeuw. Het zou de bruidegom er tegen beschermen dat zijn aanstaande vrouw vreemd zou gaan of zelfs maar aan een andere man zou denken. Beerbohm nam in 1906 de proef op de som. Op de ochtend van 29 september ging hij in de schaduw van de sottoportico zitten. Moe van het wachten wilde hij weggaan, maar toen kwam er een gezelschap boeren in zondagse kleren aan. Twee oudere echtparen, een jongeman en een jonge vrouw. Na een paar minuten gaf de jongeman zijn hoed aan een oudere man en liep naar de put. Daar sloeg hij een kruis, begon rond te kruipen en deed als Sebastiano voor hem: hij brulde als een leeuw. Beerbohm was diep onder de indruk. Alette Fleischer (bestuurslid van Vereniging De Poorters van Venetië)

* Dit artikel verscheen eerder – in februari van dit jaar – in de Jaarkroniek 2011 van Vereniging De Poorters van Venetië.

– 10 –


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

Occhio! Verborgen tekeningen uit Italië Met de tentoonstelling Occhio! Verborgen tekeningen uit Italië toont de Universiteit Leiden voor het eerst een selectie Italiaanse tekeningen uit de bijzondere collecties aan het grote publiek. De Renaissance en Barok zijn met zeldzame werken vertegenwoordigd, zoals ontwerpen voor de fresco’s in de wereldberoemde koepel van de Dom van Florence en studies van Filippino Lippi in de trant van Botticelli.

van de hand van Jacopo Ligozzi. Ligozzi’s tekening is door de kunstenaar zelf voorzien van een ‘deurtje’ waarop een deel van de tekening op een andere manier is ingevuld: ook dat maakt deze tekening tot een unicum. Er is ook werk te zien van Jan van der Straet en Paul Bril, die tientallen jaren in Italië verbleven en een wezenlijke bijdrage leverden aan de tekenkunst in Florence en Rome. In totaal bestaat de tentoonstelling ongeveer 40 bladen.

De tekeningen zijn te zien tot en met 27 september 2012 in de Universiteitsbibliotheek Leiden, Witte Singel 27, tijdens openingstijden van het gebouw. De toegang is gratis, de tentoonstellingsruimte bevindt zich naast de receptie.

Over de samenstellers

Nieuwe kunsthistorische ontdekkingen Tekenen zat de Italiaanse kunstenaars in het bloed. Disegno lag aan de basis van alle kunstvormen. De Universiteit Leiden bezit een rijke collectie die het mogelijk maakt om de verschillende facetten van de tekenpraktijk te belichten: van vlotte ontwerpschetsen tot figuurstudies en zelfstandige kunstwerken. Uitgebreid onderzoek naar de Leidse tekeningen heeft geleid tot nieuwe kunsthistorische ontdekkingen. Ook nieuw is de natuurwetenschappelijke analyse: dankzij microscopisch onderzoek en röntgenfluorescentiespectrometrie zijn toeschrijvingen en dateringen voor het eerst scherper gesteld. ‘Echt of vals?’ kan op basis van materiaaltechnisch onderzoek worden getoetst. De Universiteit Leiden en de Technische Universiteit Delft bundelen hun expertise op

dit gebied in het Centre of Art and Archaeological Sciences (CAAS).

De tentoonstelling: van fresco’s voor de Dom van Florence tot zeldzame compositie met goudverf Met een fraaie selectie meestertekeningen biedt Occhio! Verborgen tekeningen uit Italië een interessante blik op de ontwikkeling van de Italiaanse tekenkunst tussen 1480 en 1800. Er is speciale aandacht voor fraai uitgewerkte Italiaanse landschapstekeningen. Bijzondere stukken in de tentoonstelling zijn twee ontwerpen van Federico Zuccaro voor de fresco’s in de koepel van de Dom van Florence, oogstrelende pentekeningen van Guercino – Rembrandts evenknie in Italië – en een uiterst zeldzame, met goudverf gehoogde compositie

De tentoonstelling is een initiatief van Gert Jan van der Sman, bijzonder hoogleraar vanwege het Leids Universiteits Fonds, in samenwerking met de Universitaire Bibliotheken Leiden en het Nederlands Interuniversitair Kunsthistorisch Instituut in Florence: ‘Het is zonde dat bijna niemand weet wat voor pareltjes van de Italiaanse tekenkunst te vinden zijn in de Universiteitsbibliotheek van Leiden. Het is al lange tijd gebruikelijk om uitgebreid materiaaltechnisch onderzoek te doen naar schilderijen. Dit in tegenstelling tot het onderzoek naar tekeningen van oude meesters. Recente technologische ontwikkelingen openen nu een nieuwe wereld aan mogelijkheden voor diepgaand onderzoek naar tekenkunst, zoals CAAS inmiddels doet.’ Van der Sman wordt voor deze tentoonstelling geassisteerd door Joost Joustra (Master student in Leiden) en Jef Schaeps (conservator Prenten en Tekeningen, Universitaire Bibliotheken Leiden) voor de samenstelling en door Han Harthoorn voor technisch onderzoek.

LO S A P E VAT E C HE . . . (1 3 )

Ambasciator non porta pena/ Niet schieten op de boodschapper Laten we eerlijk zijn. Het is moeilijk om geen irritatie te voelen wanneer iemand slecht nieuws brengt. In vroeger tijden werden boodschappen overgebracht door iemands gezant. En vaak met slechte en tragische afloop. De boodschappers werden niet zelden gedood, vaak als teken van wraak of om een vijandige reactie uit te lokken. Het advies ‘don’t shoot the messenger’ werd voor het eerst door Shakespeare − in

Henry IV en in Anthony and Cleopatra − uitgesproken. De lijst van gedode of gemartelde boodschappers is lang, in de praktijk bleef boodschappers eeuwenlang nogal eens een tragisch lot beschoren. Ambasciator non porta pena? Al is het dus misschien niet de bedoeling, de praktijk spreekt het spreekwoord tegen! Een verschijnsel dat Freud verklaarde als een menselijke behoefte om een gevoel van machteloosheid te bestrijden. – 11 –

Dus, als ik jullie was, zou ik goed nadenken voordat ik slecht nieuws zou overbrengen!

Elena Valbusa


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

gli stu d e nti ra c c onta no (3 )

Una piccola frase Één klein zinnetje

Ciò che mi ha spinto a riprendere lo studio dell’italiano è stata una piccola frase, ma pronunciata con tanto garbo che ne rimasi subito incantata e volevo a tutti i costi sapere di più di questa meravigliosa lingua. Questa esperienza non l’ho avuta nel cuore dell’Italia, ma nel mezzo della Danimarca. Eravamo in un camping con la nostra roulotte e accanto a noi c’era una tenda con due giovani. Non sapevo che fossero italiani. Tutt’a un tratto, dal buio della notte venne la voce di una ragazza italiana che domandava al suo amico: ‘Dov’è la posata?’. Questa frase, detta con una cadenza così musicale, mi colpì molto, che davvero marcò l’inizio dello studio dell’italiano che dura ormai da 20 anni e l’entusiasmo non è ancora diminuito! Tiny de Ligt

I libri che hanno fatto gli italiani: Antonio Stoppani, Il Bel Paese (1876)

Una volta fatta l’Italia, aveva osservato Massimo D’Azeglio, bisognava ‘fare gli italiani’: impresa ben più ardua, come risulta evidente anche oggi, dopo 150 anni… Già, ma come? Il primo passo per risolvere il problema fu quello di votare la legge sulla istruzione obbligatoria (1877) dato che nel 1870 al momento della unità d’Italia con Roma capitale, l’analfabetismo era al 74%. Però per attuarla mancava tutto, o quasi: in abbondanza c’erano solo le aule, bastò requisire un numero imprecisato di conventi e collegi religiosi. Ma i maestri non s’in-

ventano: i maestri, esclusi i preti che provvedevano all’istruzione del 30% che sapeva leggere, erano solo uomini, quelli giovani erano in gran parte morti nelle guerre, altri erano rimasti invalidi o divenuti troppo vecchi. E così il ministero creò una scuola apposta per ‘fare’ le maestre donne, la Scuola Normale, un nuovo esercito, tutto femminile, che si sparse in giro per l’Italia. Nell’immaginario collettivo, come nella letteratura, non senza una buona dose di maldicenza, entrò da allora la nuova figura della ‘maestrina’ simbolo del progresso, del futuro. Più complesso fu rispondere alla esigenza di ‘fare’ i libri per quei nuovi lettori: quelli che circolavano Dante, Petrarca, Boccaccio e tutti i grandi romantici, erano libri troppo difficili per bambini o adulti alle prese con le prime parole in italiano, un lingua per molti ancora tutta da imparare. Chi avvertì per primo il problema fu un padre rosminiano lombardo, prete e buon patriota, grande geologo e scienziato, fondatore del Politecnico di Milano, Antonio Stoppani (1824-1891) che un anno dopo la conquista di Roma capitale (1871) pensò di far conoscere ai ragazzi la loro nuova patria tutta unita, o quasi, dalle Alpi alla Sicilia e, ricordando il verso di Petrarca (canto 146) ‘Il bel paese ch’Appenin parte, e ’l mar circonda e l’Alpe’ intitolò il suo libro Il Bel – 12 –

Paese. Conversazioni sulle bellezze naturali, la geologia e la geografia fisica dell’Italia, edito poi nel 1876. E fu un successo incredibile, il primo bestseller italiano, con tirature impensabili per il tempo, con decine e decine di ristampe, adattamenti e riedizioni fino alla cento e decima del primo Novecento. Perché rispondeva ad una necessità di tutti, era scritto nella lingua parlata da ogni classe sociale. Per voi amici olandesi dell’Italia il Bel Paese è ora solo un buon formaggio da tavola: infatti nel 1906 un produttore di formaggi, il milanese Egidio Galbani, battezzò un suo nuovo prodotto col nome del libro allora famosissimo mettendo il ritratto di Stoppani sulla carta che lo avvolgeva. Il formaggio esiste ancora oggi, ma senza il ritratto dell’autore di quel libro divenuto …un formaggio. Ma per la mia generazione e ancora di più quella dei miei genitori, Il Bel Paese è stato veramente uno dei libri che hanno fatto gli italiani. Mi è capitato da poco di riprenderlo in mano in una edizione moderna (Torino, Aragno, 2009, che si rifà alla prima del 1876) arricchita da una ottima e ampia introduzione di Luca Clerici, per presentarlo ad una manifestazione del Comitato Dante intitolata ‘Salvare il paesaggio, conviene’ (25 maggio) prossimo.


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

E mi sono resa conto, che nel suo genere, è un piccolo capolavoro: per la precisione delle notizie scientifiche intercalate da quelle antropologiche, e per l’uso di una lingua colloquiale facile, scorrevole, illuminata da un sorriso costante, che riflette il dialogo tra uno zio scienziato e una tribù di nipoti (tra di loro c’era anche Maria Montessori bambina!) pieni di curiosità che si trovavano in serate famigliari per ‘scoprire’ con lo zio grande viaggiatore, dei fenomeni naturali stranissimi per un pubblico lombardo, come i vulcani e terremoti tipici del Sud Italia, ma anche usi e costumi di quelle regioni compreso il brigantaggio. E per scoprire che erano nati lombardi ma sarebbero morti italiani. Il Bel Paese non è una guida turistica (il Touring Club Italiano nacque vent’anni più tardi per rispondere ad esigenze simili ma per un pubblico diverso), ma un esempio di ottima divulgazione scientifica indirizzata ad un pubblico nuovo da uno scienziato che è stato in grado di divulgare la sua scienza senza banalizzarla. Un’arte che è di pochi anche oggi. Vorrei anche invitarvi ad accostare la data di pubblicazione di tutti gli altri libri che assieme al Bel Paese hanno fatto gli italiani, perché un libro solo, non basta evidentemente. Pinocchio, Cuore, Le mie prigioni, I Promessi Sposi, La scienza in cucina e l’arte di mangiare bene dell’Artusi, Ricettario industriale

di Italio Ghersi, il Romanzo di un operaio di Cesare Cantù, e i libretti dei melodrammi, e aggiungete tutti i giornali per ragazzi e per le donne di fine Ottocento, e gli autori per ragazzi tipo Vamba o Yambo o Salgari con le sue avventure nei Caraibi o nell’isola di Mompracem con l’immortale Sandokan. Non scandalizzatevi se vi invito a rompere gli schemi della letteratura imparata a scuola, che vi hanno, forse, ingessato il cervello. Lo faccio su autorevole suggerimento di Carlo Ossola, che in una antologia intitolata Libri d’Italia (1861-2011) ed. Treccani

2011, si propone di indicare ‘un percorso che identifichi il formarsi tra XIX e XX secolo della “memoria collettiva degli italiani”’. Quelle letture di livelli diversi di letterarietà, anche volutamente non letterarie nel senso della ‘bella letteratura’, apparse in quantità impressionante, a prezzi bassissimi, subito dopo l’unità politica e per tutto il primo Novecento, hanno permesso agli italiani di riconoscersi tra di loro, in un gioco di citazioni che rimbalzano ancora oggi nelle nostre conversazioni, con modi di dire, allusioni, giochi di parole, che prendono ancora più senso se sentite tutte insieme come voci di un coro, come facenti parte di un tessuto connettivo culturale che ci caratterizza e ci identifica. Gli italiani unitari sono stati fatti da quei libri, e il Bel paese è stato il primo. Come sono fatti ora i nuovi italiani? E da che letture? E da che scuola? Si identificano ancora oggi in una qualche ‘memoria collettiva’? O l’hanno perduta? E con che cosa l’hanno sostituita? E allora chi sono, oggi? Credo che le stesse domande possano valere anche per gli olandesi, anche se la vostra ‘memoria collettiva’ ha altre fonti, com’è logico. È la vita che cambia, ma resta sempre bella, e per fortuna certi libri come Il Bel Paese sono lì a darci la misura del tempo. Laura Schram-Pighi

Apostrofo 39 Volgend jaar is het zevenhonderdste geboortejaar van Giovanni Boccaccio. Ik hoop dat daar allerwegen aandacht aan besteed zal worden; in ieder geval kunnen wij, liefhebbers van de Italiaanse literatuur, ons er vast op voorbereiden door de honderd verhalen allemaal nog eens te lezen en misschien kunnen we tegen die tijd wel een rondvraag houden over de vraag wat het mooiste verhaal is. Eventueel in vertaling; er is nog niet zo lang geleden een mooie vertaling van Frans Denissen verschenen. De Decameron is al vroeg in het Nederlands vertaald; het begint in 1564 met de ‘50 lustige historiën’ van Dirck Volkertsz Coornhert, de schepper van het Noord-Nederlandse proza, die een Frans voorbeeld had. Om u de smaak te pakken laten krijgen, laat ik hier het kortste verhaal in Coornherts vertaling volgen: het motto over de koning van Cyprus (een motto is een slagvaardige opmerking). Ik

zal er wat taalkundig commentaar op geven. Het verhaal gaat over de rol van de koning in de maatschappij, namelijk dat hij zijn volk moet beschermen tegen gevaren en de veiligheid op straat moet garanderen – actueler kan het haast niet. De eerste koning van Cyprus was een kruisvaarder, oorspronkelijk koning van Jeruzalem, die na de val van die stad door Richard Leeuwenhart aangesteld werd als koning van Cyprus en daar geen sterke indruk maakte. Als dan een vrouw, die in zijn land reist, te schande gemaakt wordt door geboefte en haar beklag wil doen bij de koning, hoort ze dat dat weinig zin heeft omdat hij alle beledigingen over zijn kant laat gaan: sostenere en portare zijn de gebruikte woorden; in de Nederlandse vertaling wordt de koning tot een grote gedoger. Haar gevatte opmerking is dan dat de koning haar moet leren gedogen omdat hij dat zo goed kan; hierdoor – 13 –

schaamt hij zich en gaat de boeven te lijf. Het verhaal speelt dus in de tijd toen Godfried van Bouillon het heilige land veroverd had (betrachtigen = weten te verkrijgen). Een edelvrouw, die op pelgrimstocht geweest was, kwam op de terugweg op Cyprus, alwaar ze da alcuni scelerati uomini villanamente fu oltraggiata. Boccaccio laat in het vage wat haar overkomen is, maar Coornhert heeft het goed begrepen: ze werd verkracht door putiers en rabauwen, twee van oorsprong Franse woorden voor slecht volk: de putiers zijn pooiers en de rabauwen (ribauds) zijn boeven. Het etymologisch woordenboek denkt dat er geen verband is tussen een putier (die putains in dienst heeft) en een pooier, maar toch lijken de woorden verdacht veel op elkaar. De vrouw, senza alcuna consolazion dolendosi, ‘was haer (= zich) beclagende’, maar ze verneemt dat de koning weemoedig is, wat hier niet melancholiek betekent, maar week van gemoed, en een


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

waardeloze figuur, zodat iedereen die kwaad (gram) op hem was naar hartenlust zijn gemoed op hem kon koelen. De vrouw verwacht niet veel meer van hem, maar wil hem toch een steek onder water geven (eenen steke te gheven). De korte toespraak van de vrouw zal wel geen problemen opleveren: mogen en meucht staat voor ‘kunnen’; de cruciale zin is ‘la mia [ingiuria], la quale, sallo Iddio, se io far lo potessi, volentieri la ti donerei, poi così buon portatore ne sei’. In de vertaling geeft ze hem graag raad, maar in het origineel is het gemener: ze geeft hem de belediging terug, want daar kan hij zo goed mee omgaan. Dat wekt hem ‘als uit een slaap’ (quasi dal sonno si risveglasse) en te beginnen bij de belediging die de vrouw was aangedaan werd hij een rigido persecutore (stranghe Rechter) van alle beledigin-

gen tegen de eer van de Kroon. Het verhaal was bekend; het komt al voor in de Novellino, de verzameling motti en soortgelijke anekdotes uit het eind van het Duecento, maar daar wordt het strak verteld. Boccaccio smukt het op, in fraaie volzinnen, waarin met psychologisch vernuft de les gegeven wordt. Het huidige Nederlands zou het korter zeggen, maar het loont de moeite om zich door de hele rijkdom van taal te worstelen om dan de scène scherp voor zich te zien. De taal is archaïsch in beide gevallen, maar het Italiaans staat dichter bij de huidige taal dan het Oud-Nederlands, omdat de woorden inmiddels heel wat betekenisontwikkelingen doorgemaakt hebben; met behulp van het Woordenboek der Nederlandse taal, dat op internet gemakkelijk te raadplegen

is, moet men er wel uitkomen. Boccaccio vertelt zijn anekdotes goed, en intussen houdt hij de overheid een spiegel voor en geeft hij een waardevolle politieke les. Niet alle motti zijn bedoeld om lessen te geven; een andere heel bekende, die van Chichibio en de kraanvogels, is eerder bedoeld om een onvoorzichtige dienaar uit de moeilijkheden te halen, en er zijn ook slagvaardige opmerkingen, die als beffa (bespotting van een sukkel) bedoeld zijn. De Decameron is een verzameling novellen (wat wil zeggen: nieuwe verhalen), maar eigenlijk worden alle denkbare vertelgenres erin beoefend; dat is misschien een interessant uitgangspunt voor wie de hele verzameling wil lezen. Ik wens u er veel plezier mee.

Decameron I.9

Coninck was so weemoedich ende van so cleynder weerden, dat hy niet alleen metter Justitie ander lieden ongheluck onghewroocken liet: maer dat hy oock de lasteringhen diemen hem bewees, selfs gedoochde: sulcx dat yegelijc gram op hem was, na sijnen lust sijnen moet vercoelen ende den Coninck vrylijck eenige schande oft oneere doen mochte. De Vrouwe alsulcx aenhoorende vertwijfelde aen de wrake, daer sy noch eenighe vertroostinge van haer verdriet inne gheset hadde. Nochtans nam sy voor den Coninc eenen steke te gheven van sijn ellendicheyt: dies sy al weenende voor hem ginck ende seyde. Ick en come niet Heere Coninc voor u deur eenighen hope die ick soude moghen hebben ghewroocken te werden vanden over-

daedt die my ghedaen is: maer bidde u tot voldoeninghe van dien dat ghy my wilt segghen hoe ghy die overdaden meucht verdraghen, die u (somen my seyt) gedaen werden: op dat ick sulcx van u leerende de mijne oock verduldelijcken soude moghen verdraghen: welcken raedt ick u (dats Gode bekent) geerne geven soude indien ick vermochte, aenghesien ghy sult soo wel meucht gedoogen. De Coninck die tot dien tijden toe slap ende traegh hadde geweest, als uyt eenen slape ontweckt zijnde, began aenden overdaedt van dese Vrouwe ghedaen: de welcke hy scherpelijck dede wreken, ende wert voorts aen, een stranghe Rechter teghens eenen yeghelijcken die wat tegens die eere zijnre Croonen dorste bedrijven.

In de vertaling van Coornhert Ten tijden van den eersten Coninck van Cypers, nae dat Godefroy van Billon het heylich Landt betrachticht hadde, soo ist ghebeurt datter een Eedle Joncvrou uyt Gascongien pelgrimagie ginc doen, om t’heylich graf te versoecken, de welcke int wederom keeren in Cypers aenquam, daer sy gheweldelijcken van sekere Putieren ende Rabbauwen, vercracht wert. De goede Vrouwe haer dies sonder eenighe vertroostinghe beclagende was in meyninghe om haer beclach te gaen doen aenden Coninck des landts: maer haer wert van yemandt al daer gheseyt dat sy haere tijdt daer mede verliesen soude. Want dese

– 14 –

Minne de Boer


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

Petrarca binnen ieders handbereik Francesco Petrarca, Het Liedboek. Vertaald door Peter Verstegen. Met een nawoord van Kees Fens. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2012, 561 blz., Perpetuareeks. € 39,90 (De Gouden Reeks editie is eveneens nog leverbaar bij dezelfde uitgever: 795 blz. € 54,95)

Petrarca is de Raymond Poulidor van de Italiaanse literatuur. (Desgewenst de Joop Zoetemelk.) Na Dante – Eddy Merckx – resteert altijd natuurlijk nog slechts een tweede plaats. Qua populariteit zal deze ernstige dichter het altijd afleggen tegen een gezellige verteller van smeuïge verhalen, de nummer drie van de tre corone: zijn bewonderaar Boccaccio (die dan naar keuze als Boogerd of Kneteman kan gelden). Dat lag in eigen tijd wel anders: qua roem had Petrarca (1304-1374) in de loop van het trecento (de veertiende eeuw) Dante al ruimschoots overtroffen, de koning van Napels had hem gekroond met de lauwerkrans en ook later vond hij overal in Europa nog vele bewonderaars, vertalers en navolgers, zoals bij ons Hooft en Huygens, in Frankrijk Ronsard en de andere Pléiadedichters; in Italië zette Muratori hem nog in de achttiende eeuw op de eerste plaats. De gedichten uit zijn liedboek zijn op muziek gezet door de allergrootste componisten, zoals Liszt en Monteverdi. Tegenwoordig is Petrarca vooral populair bij mannelijke journalisten van middelbare leeftijd die een excuus zoeken om tegen de Mont Ventoux op te fietsen. Zijn beschrijving van het uitzicht geldt als een keerpunt in de Europese natuurbeleving, al boe-

zemden de Alpen hem nog vooral angst en schrik in (dat gebergte kreeg zijn welverdiende lofzang pas ruim vier eeuwen later, met de Voyage dans les Alpes van Horace Bénédicte de Saussure). Zijn tirade tegen de wellustige pronkzucht van pauselijk Avignon heeft eveneens standgehouden. Dat niemand zijn in navolging van Vergilius in het Latijn geschreven epos Africa over de Tweede Punische Oorlog nog wil lezen is niet onbegrijpelijk. Maar zijn lyriek? Is die ook muf en duf van steriele schoonheidszucht geworden? De voorlaatste vertaler van Petrarca’s sonnetten, de immer vriendelijke en ijverige Frans van Dooren, werd door Kees Fens vernederend vergeleken met H.J.W.M. Keuls, een man die net als zijn voorgangers Albert Verweij en Nico van Suchtelen inmiddels al geruime tijd geleden is weggedeemsterd naar deftige oorden van vergetelheid. Hoort Petrarca niet bij het voorgoed verstreken tijdperk van het ‘uit Goethe-Dante-Vondelen gaan?’ Heeft zijn Liedboek de levende literatuur verruild voor de versteende literatuurgeschiedenis? Petrarca lijkt geen held van deze tijd: aristocratisch, extreem geleerd, getuigend van kille minzaamheid, teruggetrokken. Wat kunnen wij nog aanvangen met een dichter die ruim veertig jaar lang vijlde aan een reeks van 366 gedichten voor één enkele vrouw, ontmoet tijdens de mis van Goede Vrijdag in de kerk? Een vrouw die nota bene met iemand anders getrouwd was en die na ruim twintig jaar van aanbidding op afstand bezweek aan de pest, nadat ze een sluier was gaan dragen zodra de dichter zijn gevoelens aan haar bekend had, terwijl de zogenaamd hooggestemde poëet ondertussen twee kinderen had verwekt bij een (of meer) (niet nader genoemde) andere vrouw(en), zich acht jaar lang schaamteloos liet fêteren door de meest bloeddorstige tiran van dat moment (Visconti in Milaan) en dan ook nog als een schoothondje aanhobbelde achter een operettefiguur en charlatan als Cola di Rienzo, een soort Berlusconi/Mussolini avant la lettre die onder het mom de luister – 15 –

van het oude Rome te willen herstellen aan schaamteloze zelfverrijking deed (en gelukkig op de vlucht werd ontmaskerd door het gerinkel van de gouden armbanden die hij overal op zijn lichaam had verstopt). Burckhardt voorspelde al in 1860 dat Petrarca ooit zou worden afgerekend op zijn leven. Naar huidige maatstaven is Petrarca ongetwijfeld een hypocriete hufter, een elitaire klootzak, een profiteur en een parasiet, een nuffige aansteller en betweter. Onder het kruisvuur van Matthijs, Jeroen of Paul zou hij binnen twee minuten door de mand vallen (Eva, Albert en Ivo zouden hem vanwege zijn enorme succes en populariteit wellicht nog wel een kansje willen gunnen). Kan het werk van een dermate verwerpelijke snoever en ijdeltuit ons nog wel iets te zeggen hebben? Het enige punt in zijn voordeel is wellicht dat Petrarca de enige grootheid uit de klassieke Italiaanse letteren is die ooit een bezoek heeft gebracht aan de Lage Landen. Vier jaar geleden verscheen de eerste editie van Peter Verstegens vormvaste vertaling van Il Canzoniere van Francesco Petrarca als Het Liedboek in de onvolprezen Gouden Reeks van Athenaeum, Polak & Van Gennep, de serie waarin inmiddels het puikje van de Italiaanse literatuur is verschenen in vaak fenomenale vertalingen, zoals Dante (Ike Cialona & Peter Verstegen), Ariosto (Ike Cialona), Tasso (Frans van Dooren), Boccaccio (Frans Denissen) en Manzoni (Yond Boeke & Patty Krone): de zes beroemdste werken van de Italiaanse letteren, die in samen acht delen toch al snel een fors deel van een kloek bemeten boekenplank in beslag zullen nemen. Wie alle delen in zijn rugzak mee wil torsen op wandelvakantie dient over een gietijzeren ruggengraat te beschikken. Voor een strandvakantie zijn ze nog minder geschikt: probeer maar eens gelegen op uw rug zo’n deel langer dan een seconde of tien boven uw hoofd geheven te houden: alleen een frequente sportschoolbezoeker of virtuoze circusacrobaat zal daarin slagen. Na de Divina Commedia, Orlando Furioso en de Decamerone is nu ook Il Canzoniere een tweede leven vergund in de zoveel verfijnder en subtieler Perpetuareeks. In feite is die Perpetuareeks in alle opzich-


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

ten superieur aan de Grote Broer: niet alleen is het formaat veel handzamer, het papier is ook nog eens van veel betere kwaliteit. De Gouden Reeks lijdt nog aan het zogenaamde Sontrop-syndroom: deze legendarische uitgever van De Arbeiderspers (hij woont al weer bijna twee decennia op Vlieland) constateerde ooit dat de Nederlandse boekenkoper ‘voor zijn geld zoveel mogelijk strekkende centimeter plankruimte wil opvullen in zijn toktok notenhouten wandmeubel’ en verordonneerde niet zonder enig cynisme dat drukkers altoos de meest opdikkende papiersoort dienden te hanteren (voor de liefhebbers: 90 grs. romandruk 0.22). De methode Sontrop maakte school en zo heeft de Hollandse deugd van de spaarzaamheid – of wellicht eerder de ondeugd van het altijd voor een dubbeltje op de eerste rang te willen zitten, gepaard aan de permanente angst zich de kaas van het brood te laten eten – ervoor gezorgd dat het Nederlandse taalgebied het enige ter wereld is waar klassiekers uit de wereldliteratuur vrijwel uitsluitend beschikbaar zijn in de vorm van logge telefoonboeken, onhanteerbare papieren rotsklompen, die men alleen op bevredigende en comfortabele wijze kan lezen als men eerst een monumentale mislezenaar heeft aangeschaft uit de boedel van een klooster. Sontrop had natuurlijk gelijk: ons taalgebied is zo klein dat elke uitgave van de klassieken noodzakelijkerwijs gesubsidieerd dient te worden door cultuurloze cultuursnobs. Van dat inzicht heeft de Gouden Reeks op behendige wijze gebruik weten te maken: de boeken zijn opzettelijk zo protserig lelijk uitgegeven dat ze ook de wansmaak van de grootste cultuurbarbaar uit ruitjesbroek-Nederland nog zullen bevredigen. De Gouden Reeks is kortom een pioniersproject op het gebied van de culturele crowdfunding. Voor wie het louter om de vertalingen gaat van de 366 sonnetten, canzones, sestina’s, madrigalen, ballades en andere gelegenheidsgedichten die samen Het Liedboek vormen, is de keuze dus snel gemaakt. In dat geval kieze men zonder dralen voor de handzame Perpetua. Maar waar de eerste editie Verstegen nog een onbekrompen 243 bladzijden bood voor zijn commentaar, moest hij dat voor de heruitgave inkoken tot een ronduit schrieperige 91 pagina’s noten: bijna een tiërcering. Daar staat dan weer tegenover dat hij de kans kreeg een honderdtal verbeteringen aan te

brengen en dat bij wijze van nawoord de bespreking van Kees Fens is opgenomen: een van de initiatiefnemers van de Perpetuareeks, die een basisbibliotheek wil bieden van de honderd belangrijkste werken uit de wereldliteratuur. Fens houdt een meeslepend pleidooi voor zowel boek als vertaling: ‘het liedboek (“het begin en meteen het hoogtepunt van de renaissance”) vormt met Dante “het hooggebergte van de Europese poëzie”’. En: ‘De vertaling is een weergaloze prestatie, in het vermogen denken en dichten bijeen te houden, in het verzwijgen, als in het origineel […] Verstegen houdt ook de meest beschouwende en abstracte gedichten levend’. Het is duidelijk: wat kardinaal Colonna als beschermheer en broodheer betekende voor schrijver Petrarca, was Kees Fens voor vertaler Verstegen. Fens overleed helaas te vroeg om – als redacteur van de Perpetuareeks – zijn beschermeling nog te kunnen vrijwaren van deze draconische bezuinigingsmaatregel.

– 16 –


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

Al meteen bij het eerste gedicht blijkt hoe ingrijpend de consequenties zijn van de bekorting: van de oorspronkelijke anderhalve bladzijde (47 regels) blijven slechts vijf regels over. Maar die bevatten wel alle essentiële informatie die nodig is om van het gedicht te genieten: namelijk dat het een later geschreven terugblik is en dat het niet toevallig is dat Petrarca zich niet tot lezers richt maar tot luisteraars, want deze gedichten werden voorgedragen of gezongen, onder begeleiding van luitspel. Het weggelaten gedeelte betreft vooral een verantwoording van de gemaakte vertaalkeuzes: leerzaam en nuttig, maar geenszins onmisbaar voor het zuivere leesplezier. Voor wie na elk gedicht snel het commentaar tot zich wil nemen – wat het genot beslist verhoogt en mogelijk is dankzij het leeslint – zijn deze puntige en compacte mini-essays van vijf tot zes regels eigenlijk meer dan voldoende. Als tweede steekproef nemen we nummer 11 – de eerste ballata (danslied). Natuurlijk is het jammer dat we de geleerde beschouwing missen over Petrarca’s Kempische vriend Lodewijck Heyliger, de kapelmeester van kardinaal Colonna en vriend Socrates in de brieven (wellicht zelfs de reden voor Petrarca’s reis naar Luik) maar de kern blijft ook in de ingekookte versie overeind: namelijk de mogelijkheid (onbewezen, wel waarschijnlijk) dat Laura de gedichten op feestelijke ontvangsten ten huize van de kardinaal zelf heeft gezongen, gesluierd weliswaar, en daarbij door de dichter is begeleid op de luit. Burckhardt noemt de sonnetten ‘die veertienregelige Procrustesbedden voor gevoelens en gedachten’ en stelt dat Petrarca verantwoordelijk is voor de ‘bleibende Normalgestalt’ van deze zo populair geworden dichtvorm, waarin het overgrote deel van Het Liedboek geschreven is. En het strakke rijmschema van de sonnetten vergt veel van de dichter, maar nog meer van de vertaler. Hedendaagse dichters als Gerrit Komrij, Jan Kuijper, Jan Kal (‘de man van duizend sonnetten’), JeanPierre Rawie en Hans Vlek (Onnette sonnetten) bedienen zich nog steeds volop van de sonnetvorm en het moderne Nederlands is dus verre van sonnetvijandig. Toch dreigt ‘rijmlijm’ (zoals Hugo Brandt Corstius het nogal oneerbiedig noemt) voor ons moderne oor al snel belachelijk te klinken en reminiscenties op te roepen aan Nel Benschop, Jan van Veen, Driek van Wissen en andere sinterklaas- en zondagsdichters.

Het vertalen van rijmende poëzie uit het verre verleden is een gevaarlijk spel met veel risico op afglijden en uitglijden, op krampachtigheid en onwaarachtigheid, het vereist evenwichtskunsten op het slappe koord tussen geforceerd modern en storend ouderwets. Elke vertaler dient bij elk werk eerst opnieuw zijn spelregels vast te stellen, want er is rijm in vele soorten en maten en de gevoelswaarde daarvan verschilt van taal tot taal en van genre tot genre. Zo bleek onlangs dat het Catalaans puur op grond van de beschikbare rijmwoorden veel dichter bij het rijmschema van Nijhoffs Awater kan blijven dan het Spaans: een vertaler moet nu eenmaal roeien met de rijmwoorden die zijn eigen taal hem aanreikt. En zelfs voor tweetalige dichters die hun eigen werk vertalen kunnen die verschillen in beschikbare rijmwoorden een verraderlijke valkuil blijken. Zo weigerde Joseph Brodsky te geloven dat vrouwelijk (tweelettergrepig) rijm in het Engels – zeker sinds Byron – alleen komisch en ironisch kan klinken en zo vertaalde hij onverstoorbaar zijn eigen doodernstige Russische verzen op een wijze die bij Engelstalige lezers geregeld spot en lachlust opwekte en een bekende New Yorkse dichter inspireerde tot de kenschets van Brodsky’s poëzie als ‘gold-painted shit’. Verstegen geeft grif toe een ruimer scala aan rijmschema’s te hanteren dan zijn brontekst en zich te bedienen van ‘rijk rijm in de romaanse traditie’, wat betekent dat hij zichzelf toestemming verleent te rijmen met hetzelfde woord, mits dat een andere betekenis of woordvorm heeft. Ook met deze versoepeling van de spelregels blijft zijn vertaling uiteraard alleen al – 17 –

in verstechnisch en ambachtelijk opzicht een prestatie van formaat. Men zal Verstegen graag vergeven dat hij een enkel woord hanteert dat nogal gezocht en/of NoordEuropees kan klinken, zoals ‘havezate’ (dat men beter kan laten rijmen op haringgraten) en ‘astrant’ (dat alleen Hella Haasse in de mond mag nemen). Maar is het ook poëzie geworden? Jazeker! Juist door zijn betrekkelijk simpele, sobere en alledaagse rijmwoordenvocabulaire weet Verstegen dit omvangrijke gedichtenboek ook in het Nederlandse een zwiepende kracht mee te geven die ruim vierhonderd bladzijden lang blijft boeien. De subtiele afwisseling van de sonnetten met de langere gedichten verschaft dit hele werk een adembenemend ritme, dat dwingt tot inwendige verklanking: ik betrapte mezelf erop steeds te zoeken naar de juiste stem in het hoofd, naar het ideale geluid voor deze ook in het Nederlands onnavolgbare en meeslepende woordmuziek: de Jules Croiset van De zangen van Maldoror? De Henk van Ulsen van Gogols Dagboek van een gek? De Jerôme Reehuis van een onvergetelijke Bilderdijkavond in Teylers Museum? Katja Schuurman in haar schitterende vertolking van door Hafid Bouazza vertaalde erotische Arabische poëzie? Meestervoorlezer Job Cohen? Het antwoord is verbluffend simpel: de regerende dichter des vaderlands, Ramsey Nasr. Zijn warme en verleidelijke, lyrische stemgeluid is bij uitstek geschikt voor het voordragen van de hartenkreten, de wanhopig smachtende verzuchtingen, de behoefte aan inkeer en het doodsverlangen van de Toscaanse troubadour. In de drie jaren die ons nog scheiden van het volgende schrikkeljaar moet het mogelijk zijn Nasr deze 366 gedichten te laten voordragen en de opnames vervolgens exact een jaar lang elke dag uit te zenden na het einde van Nieuwsuur op Nederland 2. Maar liefst zonder luitspel en lierklanken: want het op muziek zetten van een gedicht – zelfs door Liszt of Monteverdi – is even absurd als een vogel een hulpmotortje tussen de vleugels binden (zoals Jean Paulhan ooit treffend stelde, waar hij nog aan toevoegde dat ze daar doorgaans niet eleganter van gaan vliegen). En als Petrarca’s Liedboek in de vertaling van Peter Verstegen iets kan missen, dan is het wel een hulpmotor. Roland Fagel


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

Un ligure ad IJmuiden Dopo circa due mesi dal mio arrivo in Olanda mi arriva una telefonata da mia madre. Mi dice: ‘Sai Carlo, c’è uno scrittore di Dolcedo’ (piccolo paese dell’entroterra ligure in provincia di Imperia, provincia della Liguria da cui anch’io provengo) ‘che vive lì ad Amsterdam! Si chiama Gregorio Sanderi, lo conosci?’ No, le rispondo, ma grazie dell’informazione, mi documenterò. Iniziai così a cercare delle informazioni su tale Gregorio Sanderi e scoprii che in realtà si trattava di un personaggio di un libro! Per l’esattezza il protagonista di una strana storia ambientata ad Amsterdam, in cui si immagina la capitale olandese nel 2100 quando gli sconvolgimenti climatici hanno cambiato il volto ma soprattutto la luce della città, avvolgendola di un caldo alone di sapore mediterraneo. La storia in questione è stata poi in gran parte accantonata, ma ritorna qua e là in un vero libro edito in Italia da Ediciclo (una casa editrice che ha tra le sue collane una intitolata Ciclopolis, specializzata in guide di città viste in sella ad una bicicletta) dal curioso titolo di ‘Amsterdam è una farfalla’. Finalmente scoprii l’identità di questo mio conterraneo che ormai da più di vent’anni vive qui nei Paesi Bassi, precisamente ad IJmuiden: Marino Magliani. La scoperta di quest’autore, che in Italia pubblica per case editrici importanti, come Longanesi e Sironi, tradotto in olandese da Roland Fagel e pubblicato qui per i tipi di Prometheus, mi ha di colpo rese chiare le parole di un altro ligure famoso, il cantautore Fabrizio De Andrè, quando parla a proposito di Genova, capoluogo della Liguria. Dice: ‘Genova (ma per estensione la Liguria) è una città da rimpiangere… Ci vivi fino ai diciotto anni, vivendo di ardente inconsapevolezza, poi ti rendi conto che non fa più per te, fai le valigie e te ne vai … A quel punto cominci a rimpiangerla’. Anch’io a diciotto anni me ne andai di casa, come tanti giovani della mia provincia, ed ho avuto la fortuna di vivere e conoscere paesi diversi, soprattutto per spirito d’avventura, per fame di conoscenza, curiosità. Non ho mai avuto un momento di ripensamento, dei rimpianti. Ogni anno d’estate tornavo a casa, rivedevo i miei amici, la mia famiglia, bagnavo le mie membra nel mio dolce mar Ligure e poi ripartivo, senza mai guardarmi indietro.

Incuriosito dalla figura di questo autore, m’imbattei in alcuni suoi scritti che girano su alcune delle più importanti riviste letterarie online italiane, come Nazione Indiana, Carmilla online, La Poesia e lo Spirito (che è poi il suo blog). Ed in queste pagine dense di parole e struggimento mi ritrovai improvvisamente a sentire la mancanza per la mia terra. Mi ricordavano la dolcezza, talvolta fatalista e parca di parole, di un altro grande scrittore imperiese, Francesco Biamonti, i cui libri divoravo da ragazzino sdraiato su spiagge ricoperte da morbidi tappeti di alghe secche e che mi hanno portato ad amare la poesia e la letteratura. Nelle pagine di Marino ho ritrovato le campagne in cui sono cresciuto, i valloni ombrosi e umidi in cui trascorrevo pomeriggi senza fine in compagnia di amici ora sparsi in giro per il mondo e di cui non ricordavo più i volti, i sagrati silenziosi e roventi di chiesette abbarbicate su costoni di roccia, il lunghi e pigri rintocchi di campane che segnavano la vita di sonnolenti borghi, vuoti d’inverno e chiassosi d’estate per i turisti. Il gracidare delle rane nelle placide sere di maggio che preannunciavano l’arrivo dell’estate. E sullo sfondo, sempre, il mare, una distesa infinita di luce e azzurro, talvolta accecante, talvolta scura e minacciosa che pare gonfiarsi e volersi inghiottire la stretta costa prima di un temporale. Una vista che, per chi è cresciuto in campagna come me e Marino, sa quanto ristoro porti dopo una giornata passata a faticare tra le fasce, tra ulivi e rovi, erbacce che non si danno mai per vinte e fiori di ogni colore e forma. Nei libri di Marino ritorna tutto questo, velato da una vena malinconica che però non è mai il semplice e nostalgico rimembrare di chi è partito tanti anni fa e non ha più fatto ritorno. Nei suoi libri è sempre presente quello che adesso è la Liguria: attraverso le sue descrizioni Marino denuncia lo scorrere del tempo, un tempo condizionato dall’agire dell’uomo, che ha devastato e violentato la natura e la cultura di questa regione, attraverso decenni contrassegnati da speculazione edilizia, incapacità di una visione del futuro e ignoranza del passato; voragini di avidità. La Liguria di Marino è una terra splendida e fragile che crolla, che frana, in cui ad ogni autunno si rinnova il dramma di interi paesi sradicati dalla forza di acque che non trovano più il loro abi– 18 –

tuale sfogo. Basti pensare a quanto successo nel novembre scorso a Genova e nelle Cinque Terre, quando sono bastate poco più di due ore di pioggia intensa per spezzare intere vite e distruggere mirabili architetture secolari. La tana degli alberibelli racconta proprio uno degli esempi di questi sfregi alla natura ed alla storia scritta con il sangue ed il sudore dalle genti passate: l’oscura e torbida gestione della costruzione del porto turistico di Imperia, su cui recentemente la magistratura italiana ha cominciato a fare luce. Un libro che ha causato non pochi problemi al suo autore, che ha avuto il coraggio di denunciare, attraverso la finzione narrativa, potentissimi personaggi e sinistre figure della politica e dell’imprenditoria italiana (vd: www.imperiaparla.it). Ma i romanzi di Marino, a dispetto di quanto dice un po’ provocatoriamente il suo traduttore olandese, Roland Fagel (intellettuale eccentrico ma molto simpatico ed umano e dotato di una cultura a dir poco smisurata), che ho avuto il piacere di conoscere, non parlano solo della nostra terra. In romanzi come La spiaggia dei cani romantici (tradotto in olandese - Het strand van de romantische honden - ed edito da Prometheus), Quattro giorni per non morire ed Amsterdam è una farfalla è presente l’eco dei viaggi che Marino ha intrapreso una volta abbandonata la Liguria e che per alcuni casi della vita (che tra pcoco vedremo) l’hanno portato infine ad IJmuiden. Marino vive ormai da molto tempo fuori dell’Italia: prima ha soggiornato in Sudamerica, poi ha vissuto in Spagna, sulla Costa Brava, a Blanes e Lloret de Mar, nei ruggenti anni ’80, seguiti alla caduta della dittatura in Spagna, in cui era possibile frequentare molti esuli cileni ed argentini e le cui peripezie esistenziali lo scrittore ligure descrive coinvolgendo ed affascinando il lettore grazie ad intrecci che riprendono atmosfere e tonalità tipiche del noir. Proprio in questi anni, che io voglio immaginare selvaggi e vitali, Marino conoscerà una ragazza olandese, che diventerà poi la compagna della sua vita e con la quale avrà anche un figlio e che sarà la ragione principale che lo porterà sulle dune sabbiose di IJmuiden. Come si dice in questi casi, cherchez la femme... Da circa 22 anni Marino ha stabilito la sua


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

Marino e il minareto di IJmuiden

residenza appunto qui in Olanda e proprio qui in Olanda ha intrapreso il mestiere di scrittore anche se fin dall’infanzia amava inventare storie e personaggi per compensare la mancanza di altri bambini con cui giocare nel paesino in cui è nato, Prelà, nel 1960, in anni in cui la gente abbandonava le campagne e gli argentei e secolari uliveti dell’entroterra ligure alla ricerca di migliori condizioni di vita sulla costa. Alcuni di questi ‘amici’ d’infanzia sono poi diventati i personaggi dei suoi libri! Il suo rapporto con l’Olanda è descritto bene nella sua ultima fatica letteraria, Amsterdam è una farfalla. Si tratta di una guida della capitale olandese, piuttosto sui generis, con un forte impianto narrativo in cui l’ibridamento tra fiction e dato autobiografico risulta ben riuscito. Chiaramente si rivolge ad un pubblico italiano, ma il lettore non troverà traccia della Amsterdam turistica che tutto il mondo conosce, quella del quartiere rosso e dei coffee-shop per intenderci. Al contrario è un viaggio nelle viscere della città, nella sua storia secolare, nei suoi drammi, quelli derivanti dal passato, legati all’epoca coloniale, all’occupazione nazista, le lotte sindacali in cui spicca la figura di Henry Polak, nell’ombra quieta di chiese trasformate ora in musei; un viaggio che giunge fino ai giorni nostri attraverso la narrazione della storia della costruzione della metropolitana e i forti contrasti sociali che ne sono derivati. Un viaggio che termina nel sottosuolo della città, un sottosuolo immaginario e che reca tracce ancora una volta della Liguria, in cui i due protagonisti, Marino Magliani stesso ed il suo traduttore Roland Fagel nelle vesti di un eccentrico Virgilio di dantesca memoria, scopriranno la storia segreta e nascosta della città, sepolta nei fanghi e nelle sabbie dell’Amstel. Un libro rivolto principalmente, come già detto, al lettore italiano, ma che non mancherà di sorprendere il lettore olandese che abbia voglia di sapere come viene vista, percepita e sentita emozionalmente la sua

Amsterdam è una farfalla

capitale ma in generale la cultura olandese attraverso gli occhi di uno straniero. Una cosa sembra chiara a Marino: Amsterdam è una città che ha una passione e una fede, stupire. È una visione estremamente soggettiva, costruita attraverso il continuo dialogo-scontro tra i due protagonisti, rappresentanti di due culture che a prima vista sembrano lontane ma che con il passare delle pagine prima si sfiorano ed infine giungono ad un reciproco riconoscimento. Molto suggestivo è qui il continuo parallelo tra il paesaggio olandese e quello ligure, caratterizzato il primo da una dimensione sostanzialmente orizzontale, in antitesi proprio alla verticalità di quello ligure e che lungo i secoli hanno determinato due ben distinte forme di convivenza sociale. Un paesaggio, quello olandese, in continuo rinnovamento, caratterizzato dalla ansia di demolizione (sloopzucht), che porta periodicamente le diverse giunte comunali delle città olandesi a buttare giù interi edifici, interi quartieri in nome di una apprezzabile voglia di rinnovamento, immagino, ma che agli occhi di Marino, ed anche ai miei, sembra talvolta celare il pericolo della dimenticanza, dell’annullamento di una memoria storica individuale in favore di un presente collettivo imposto e soffocante. Durante un mio corso all’università ho fatto leggere proprio questo libro ai miei studenti, per registrarne le impressioni. Grazie a questo ho avuto la fortuna di conoscere personalmente Marino, invitandolo ad un incontro con gli studenti, che si è rivelato molto utile e piacevole. Marino, come sospettavo, si è dimostrato un grande affabulatore ed i miei studenti hanno potuto apprezzare la sua splendida umanità e semplicità, oltre a conoscere di persona uno scrittore vivente italiano. Fin da subito si è stabilito un legame empatico che ha portato tutti i presenti, nonostante un’iniziale timidezza, a discutere e a riflettere delle tematiche del libro ma non solo. La discussione si è poi estesa anche al me– 19 –

Het strand van de romantische honden

stiere di scrivere, alla sua infanzia, alle ragioni che hanno portato Magliani a vivere in Olanda, sulle spiagge sabbiose del Mare del Nord. E proprio con questo tema vorrei concludere questo mio articolo. Ho già parlato delle scelte di vita che han fatto si che lo scrittore italiano si stabilisse ad IJmuiden. Ma credo, che da sole non bastino a spiegare il forte legame che si è stabilito tra questo ligure dalle molte ‘latitudini’ e la piccola città portuale di IJmuiden, che è diventata, usando un’ espressione per certi versi un po’ inflazionata, un luogo dell’anima. Dice infatti Marino: ‘Vorrei scrivere un romanzo popolare sul porto di IJmuiden, che è all’imboccatura del Noordzeekanaal, il canale che porta le navi nel porto di Amsterdam. IJmuiden è la città fradicia dove risiedo ormai da più di vent’anni. Dalla vetrata del mio studio vedo le dune e un pezzo di porto, i moli dove attraccano i pescherecci con le stive piene di aringhe. Un romanzo epico che racconti questo mare e la fatica dei porti, l’odore delle aringhe sui banchi, nel ghiaccio, e l’odore del pesce guasto che i gabbiani si dividono sul mattonato, ma anche i caffè, l’alcool, i canti dei marinai, e l’odore di jenever e della birra e del salso, le banchine piene di ferrame, di ancore e catene enormi arrugginite, di reti stese, e la città di ferro, l’acciaieria, di là del canale, che rantola....’. Solo ad IJmuiden Marino Magliani riesce a scrivere, solo nel suo piccolo ed ingombro studio di fronte alle dune di sabbia solcate da cavalli, di fronte a quel Mare del Nord che aiuta a riflettere, riesce a trasformare in parole quello che la sua vita, ricca e imprevedibile, giorno dopo giorno, gli offre, come una cesta ricolma di pesci dai dorsi scintillanti ed ancora guizzanti. Una vita che si trasforma in parola, una parola che serve come antidoto alla disumanizzazione ed all’oblio. Carlo Giordano, lettore presso l’Università di Utrecht


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

Sette piccoli sospetti Tweede ( jongeren)roman van Christian Frascella Christian Frascella: Zeven kleine criminelen. Vertaald uit het Italiaans door Henrieke Herber. Moon, Amsterdam. ISBN 9789048811625; 320 blz. €17,95. Vanaf 14 jaar. Na het opzienbarende debuut Mia sorella è una foca monaca is nu de tweede (jongeren)roman van Christian Frascella verschenen. ‘I miei libri sono lettere d’amore al mondo del futuro’ – zo luidde het antwoord van Christian Frascella op de vraag van een lezer welke bedoeling hij had met zijn roman Mia sorella è una foca monaca. Voordat Christian Frascella (Turijn, 1973) ging schrijven, werkte hij onder andere in een fabriek en een callcenter. Zijn ervaringen in de fabriek verwerkte hij in zijn debuutroman, die in Nederland verschenen is onder de titel Ik ben de sterkste. Vorig jaar werd deze roman bekroond met de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs 2011. De jury prees de cynische verteltoon, de humor en de fraai verwoorde tragiek in het boek, dat werd omschreven als ‘een meeslepend en onvergetelijk verhaal over schijn en wezen’. Frascella kon zelf niet bij de uitreiking van de prijs aanwezig zijn. Als reden voor zijn afwezigheid voerde hij aan dat hij was geselecteerd voor een uiterst geheim NASAruimteproject, waarbij hij de opdracht had gekregen de meridiaan van Greenwich te verleggen over Berlusconi’s Villa Certosa, om zodoende een nieuwe ‘nullijn van de mensheid’ te creëren... Aan zijn vertaler de taak om het NASA-verhaal voor te lezen! Ook Zeven kleine criminelen, zoals de Nederlandse titel van Frascella’s tweede roman luidt – opnieuw zeer goed te lezen door zowel jongeren als volwassenen – werd lovend ontvangen. Hiernaast de recensie van Bas Maliepaard (www.basmaliepaard.nl), verschenen in Trouw van 25 februari 2012.

Ze noemen elkaar bij de achternaam, de twaalfjarige Italiaanse vrienden Billo, Cecconi, Corda, Ranacci, Lonìca, Fostelli en Gorilla (eigenlijk Gorelli, maar hij roffelt vaak op zijn borst). Ze scheppen graag op, maar vandaag is Billo bloedserieus als hij

Christian Frascella

voorstelt de bank van hun dorp te overvallen. ‘Hij is gestoord, die daar, ik zei ’t al!’ Billo gaf Cecconi een zet. En daarna gaf hij Corda, omdat die er toch stond, een schop. ‘Auu!’ Dat Christian Frascella dat soort jongensgedrag meesterlijk kan beschrijven, liet hij al zien in zijn debuut ‘Ik ben de sterkste’, dat vorig jaar de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs won. De stoere stem van de 17jarige jongen in dat boek druipt van cynisme en zelfoverschatting en toch schemert zijn kleine hart erdoorheen. Zo zitten ook deze zeven schooiers in elkaar: het zijn grappige machootjes, die ontroeren als hun puberale bravoure verdwijnt en ze even bange kinderen zijn. Zoals Gorilla, die thuis wordt mishandeld door zijn broer. Cecconi keek naar Gorilla’s blauwe plekken (…) ‘Klappen van Giuliano?’ ‘Ja,’ was het gelaten antwoord. Hij was de enige aan wie Gorilla niet zijn gebruikelijke riedeltje over stoten en vallen opdiste. Misschien omdat alleen Cecconi in zijn ogen een nog rottiger leven had dan hij en echt geen lulverhalen verdiende. Geen van de jongens heeft het makkelijk. Cecconi is straatarm, Billo heeft geen vader, die van Lonìca heeft kanker, Corda’s ouders zijn veeleisend, Ranacci’s pa gaat vreemd en Fostelli moet naar het seminarie. Met die verhalen wekt Frascella de jongens ook individueel tot leven. Knap versnijdt hij hun levens thuis met het verhaal over de bankoverval, waardoor je steeds beter begrijpt waarom ze dat krankzinnige plan willen doorzetten. Het idee is even hilarisch als gevaarlijk: de jongens leggen het aan met de dikke serveerster die de beveiligers van de bank elke dag koffie brengt. Zo hopen ze ongezien een slaappil in die koffie te kunnen doen. Verder zijn ze gewapend met speelgoedpistolen. De rest moet een eitje zijn. Helaas hebben ze buiten De Mexicaan gerekend, een crimineel van filmische proporties, die lucht krijgt van hun plannen. Hoewel het middenstuk hier en daar iets bondiger had gekund, wisselen spannende actie en slapstickachtige scènes elkaar in een onderhoudend tempo af. Meer nog dan Frascella’s debuut, doet dit boek denken aan het werk van zijn landgenoot Niccolò Ammaniti, al klinkt zijn opstandige jongensstem helemaal eigen. Henrieke Herber

– 20 –


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

Belgio 1956. Uomini in cambio di carbone Roberta Sorgato, Cuori nel pozzo. Belgio 1956. Uomini in cambio di carbone, Venezia, Marsilio, 2010

Roberta Sorgato, docente nei licei in provincia di Treviso, non è nuova nel panorama della narrativa italiana, ma con questo lungo racconto, in parte autobiografico, si distingue tra chi affronta il difficile tema dello spaesamento e della emigrazione, per saperlo esprimere con una scrittura fortemente emotiva ma non retorica, quasi da testo drammatico, teatrale, che trascolora spesso dalla prosa alla poesia. Dopo essere scesi nel pozzo del nostro cuore guidati dalla sua parola, si è ancora più grati alla vita di averci concesso un po’ di sole e di speranza, quella che sognavano perché ne avevano diritto, i minatori italiani di Marcinelle.

Molti di noi, tra i più anziani, ricordano ancora la tragedia di Marcinelle del 1956. Ma è bene che anche le nuove generazioni di italiani e di stranieri amici dell’Italia come sono i lettori del Notiziario, leggendo il libro di Roberta Sorgato (www.robertasorgato.it), Cuori nel pozzo. Belgio 1956. Uomini in cambio di carbone, si lascino guidare per mano da chi come lei ha vissuto direttamente quel dramma, e scendano con lei in quelle gallerie nere di carbone e nel pozzo di un dolore senza fine. Là è rimasto il cuore di suo padre, e di molti altri italiani, ma è rimasto col ricordo anche quello delle donne e bambini e famiglie che avevano sperato di migliorare le loro condizioni di vita.

Laura Schram-Pighi

uit d e his t orie v a n d e g ia l l o ita l ia no (7 ) Carlo Emilio Gadda, Quer pasticciaccio brutto de via Merulana (1957) Ik zal het maar meteen bekennen: op de dag van de scadenza voor dit nummer van de Notiziario ben ik bij de herlezing bijna halverwege het boek aangeland. In tegenstelling tot andere detectives is het namelijk geen lectuur die je in een fikse treinreis tot je kunt nemen. Waarom dat zo is, daar kom ik nog op terug. Ik kan u dus niets zinnigs mededelen over de plot, wat het voordeel heeft dat ik die ook niet kan verklappen. Wat ik wel kan doen is vanuit de ervaring met die eerste helft erover speculeren wat voor soort detective het is. Ik begin met de titel. Een gebruikelijke titel heeft de vorm ‘Moord in XYZ’, waarbij XYZ de naam van de plaats is waar de moord gepleegd is. Bijvoorbeeld L’assassinio di via Belpoggio, of Murder on the Nile. Varianten kunnen de aard van de moord preciseren. Dat is wat hier gebeurd is. De moord wordt een brutto pasticciaccio; pasticcio betekent (Duro, betekenis 2b): faccenda o situazione intricata, confusa, poco chiara, en die wordt dubbel negatief beoordeeld door het suffisso peggiorativo -accio en het bijvoeglijk naamwoord brutto. That Awful Mess on Via Merulana, die grässliche Bescherung in der Via Merulana, el zafarrancho aquel de via Merulana, l’affreux Pastis de la rue des Merles, kortom iedere vertaler doet er

zijn best op. Onze stervertaler Frans Denissen maakt ervan De gore klerezooi in de via Merulana, met een eigentijdse vertolking van de beide negatieve nuances. ‘Ingewikkeld, verward en onduidelijk’ lijken de sleutelwoorden te zijn voor Gadda’s behandeling van de moord: zijn programma is dan ‘hoe kan ik deze detective ingewikkeld maken?’ De moord speelt zich af midden in de jaren twintig, wat ook de tijd was waarin Gadda zich met detectives ging bezighouden. Het model was dan ook de klassieke Engelse detective uit dat decennium. Een gesloten ruimte, waarin een moord ontdekt werd die door iedereen van de personages gepleegd kon zijn, een detective die toevallig bekend was met de familie en die door het deduceren en combineren van de informatie uit de verhoren de waarheid tracht te vinden. In wezen is dat patroon bewaard gebleven: de gesloten ruimte was het trappenhuis van het palazzo op via Merulana 219, waar talloze lieden op en neer konden gaan, daar vinden twee misdaden plaats: een juwelenroof en een gruwelijke moord, die al of niet verband met elkaar houden, een politieman, dottor Francesco (alias don Ciccio) Ingravallo, die in principe als detective fungeert en die met zijn team – 21 –

probeert iedereen te vinden die op het bewuste tijdstip over de trappen gelopen heeft. Maar Gadda doet meer. Hij wil alle elementen van de detective compliceren en dus onderuit halen, hij wil een tijdsbeeld schetsen, met sociologische, historische en linguïstische precisie, en in het voorbijgaan een vernietigende kritiek leveren op het regiem. Het milieu waarin de gebeurtenis zich afspeelt is een mengsel van pescicani (makers van oorlogswinst) en kleine burgerij. De waarden die die bevolkingslaag kent zijn die van de familie en het geld. Hoe men aan het geld komt wordt zorgvuldig verzwegen en hoe de families in elkaar zitten is ook iets wat iedereen weet, maar waar niemand over praat. De voorlezing van het testament van de vermoorde, Liliana Balducci, in het derde hoofdstuk, brengt al deze zaken aan het licht. Het huidige regiem brengt nieuwe waarden, het verplicht opleggen van law and order, en een vals mo-


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • juni 2012 – nummer 2

ralisme. Het thema van law en order wordt uitvoerig behandeld in een discussie over de trias politica, de scheiding der machten van Montesquieu, die bewust genegeerd wordt door het nieuwe regiem, het moralisme leidt tot ontkenning van de misdaad, onder auspiciën van de gerarca Federzoni. Beide thema’s leiden ertoe dat de grote baas, il Mascellone, Testa di morto in bombetta, zich met de zaak ging bemoeien. De gebeurtenissen worden vele malen beschreven. Beschrijven is trouwens de hoofdaangelegenheid in het boek, dat al begint met een uitvoerige presentatie van de commissaris. Hij is tevens familievriend van het echtpaar Balducci, dat hij zelf beschrijft tijdens een etentje bij hen thuis, maar met meer vragen dan zekerheden over de verhoudingen: zijn bijvoorbeeld de verschillende ‘nichtjes’, die hij bij verschillende gelegenheden aan tafel heeft ontmoet, aangenomen kinderen van de kinderloze Liliana, of liefjes van haar echtgenoot? Hij is niet de enige die zich dit soort vragen stelt; we vinden ze voortdurend terug, vanuit het perspectief van verschillende personages. Alle kennissen van het echtpaar worden daardoor surrogaatonderzoekers, met inbegrip van de tantes van moederszij van Liliana, die verdenking

koesteren tegen de ‘koude kant’, waar dan ook veel te veel geld heen gaat. De beschrijving van het lichaam van de vermoorde wordt ook vele malen overgedaan, er wordt uitvoerig ingegaan op de manier waarop de hals afgesneden is en op wat de toeschouwer te zien krijgt onder de omhooggetrokken rokken. De beschrijving is niet alleen klinisch, maar ook seksueel getint, zoals de psychologische beschouwingen ook een groot freudiaans gehalte hebben, geheel in overeenstemming met de trends in de jaren twintig. Het tijdsbeeld wordt versterkt door het taalgebruik. We zien geen officieel Italiaans, zoals misschien zou passen bij het nieuwe regiem, maar de echte taalkundige situatie van het Italië van toen, waar alle mogelijke dialecten door elkaar heen spelen. Dialect horen we niet alleen in de dialogen, maar ook in de bespiegelingen van auteur en personages, waarbij de techniek van het codeswitching wordt toegepast: het onverhoeds overgaan van Italiaans naar dialect en omgekeerd, en als het over Montesquieu gaat, ook nog van Italiaans op Frans. Wie zich met Italiaanse taalkunde en dialectologie bezig houdt vindt hier een feest van herkenning, maar ook de minder gespecialiseerde lezer zal zich gauw allerlei auto-

Italiaans nummer van Kort Verhaal Het Lentenummer van het tijdschrift Kort Verhaal (voorheen De Tweede Ronde) bevat 10 Italiaanse en 10 Nederlandse verhalen, waarbij de Nederlandse afdeling nog wordt aangevuld en versterkt met zeer korte verhalen (zkv’s): 12 van de meester in het genre A.L. Snijders en 15 van ‘tovenaarsleerling’ Joubert Pignon. In het Italiaanse gedeelte demonstreert Bajani het elegante sadisme van een personeelschef, Buzzati belicht de wereld van list en bedrog in Italië, Carofiglio draagt een weemoedig verhaal bij over liefde en dood, gesitueerd op Schiphol, Malaparte tekent de Italiaanse adel onder het fascisme, Dacia Maraini is vertegenwoordigd met een hoofdstuk uit haar memoires (herinneringen aan Callas, Moravia, Pasolini), Moravia zelf vertelt over een reis door Afrika (in gezelschap van o.m. Maraini, Callas en Pasolini), Sciascia portretteert een adept van Berlusconi, Tabucchi (helaas op 25 maart j.l. overleden) duikt in de dromen van grote cultuurdragers, Tondelli schetst een geïdealiseerd en nauwelijks herkenbaar beeld van Amsterdam anno 1990 en Veronesi toont de betrekkelijkheid van de waarheid in de wereld van het biljart. In het Nederlandse deel de nieuwe auteur Mirjam Boelsums en twee debutanten: Mara van der Kleij en Reinout Wibier. Verder bijdragen van Dautzenberg, Heijungs, Monica Sauwer, Snijder, Verbogt, De Vries en Wiener. – 22 –

matische aanpassingen eigen maken en steeds meer woorden herkennen. Gadda is een meester in deze aanpassingen, zoals hij ook onmiddellijk allerlei etymologieën in zijn tekst verwerkt, om te beginnen al wanneer hij de Via Merulana soms omdoopt tot Via dei Merli. Deze taalkundige associaties zijn maar één facet van zijn dwangmatige associaties; ik ben er zeker van dat er allerlei verbanden gelegd worden met gebeurtenissen uit die jaren, die wij nu niet meer kunnen achterhalen. En zo lezen wij een klassiek detectiveverhaal, waarin alle klassieke elementen ontregeld worden, met daarachter veel andere betekenislagen: een sociologisch-politieke, een psychologischpsychiatrische, een filologische, en als continue achtergrond de haat tegen het regiem, die zich voor de lezer vertaalt als een reeks van steken onder water in steeds wisselende vaste formuleringen. Ik ga nu verder met mijn lectuur, en daarna wil ik de vertaling van Denissen lezen en uitvoerig nagaan hoe hij de niet geringe taalkundige problemen en vragen van achtergrondinformatie heeft opgelost. Hierover hoop ik u bij de volgende gelegenheid in te lichten. Minne de Boer

Bed en Breakfast in Valpolicella Bed en Breakfast ‘Le Cave’ ligt in het dorpje Prun, in de provincie Verona, ongeveer 6 km van Negrar, 15 km van Verona en 20 km van het Gardameer. Het ligt aan de rand van de Valpolicellastreek, in het natuurpark van Lessinia met een uitzicht over de Povlakte waarachter je de Apennijnen kunt zien. Het ligt 580 m boven zeeniveau en heeft ’s zomers een buitengewoon aangename temperatuur. De B&B beschikt over 3 tweepersoonskamers, met gemeenschappelijke badruimte, keukenhoek, balkon en garage. Desgewenst wordt het ontbijt geserveerd. Prijs per persoon € 35,–, inclusief ontbijt Famiglia Degani Telefoon (werk) 0039 – 045 – 600 01 03 Telefoon (huis) 0039 – 045 – 752 56 86 Mobiel (engels) 0039 – 347 – 294 86 33


Notiziario juni 2012