Issuu on Google+

NOTIZIARIO september 2011 – nummer 3

Notiziario van de Società Dante Alighieri Comitato di Utrecht Redactie: Annemarie Aarnoutse | Ciska van der Glas E-mail: notiziario@danteutrecht.nl | Telefoon secretariaat: 06 – 46 36 79 93

Inhoud Van de redactie 1 Van de voorzitter 2 Mededelingen: Activiteiten najaar 2011 2 Tentoonstellingen in Italië 3 Mauro Poma, Ton Kolsteeg en nog meer over spijzen en dranken 4 Ciska van der Glas Invecchiare a Verona (2): Nonnoweb e il pc facile 5 Laura Schram-Pighi Abruzzo nel cuore: notizie da L’Aquila: Case in cui ho dormito da giovane 6 Barbara Summa Montale’s ‘Aal’ aan de voet van Brodsky’s Kade der ongeneeslijken/Fondamenta degli incurabili 9 Martin Hietbrink

Van de redactie De redactie heeft gelukkig weer op volle sterkte aan deze editie van de Notiziario kunnen werken. En het resultaat is ernaar. Zo zijn wij met veel plezier en enthousiasme ingegaan op de bijdrage van Martin Hietbrink die zich aan een vertaling van L’anguilla heeft gewaagd. Aan zoveel moed wilden wij niet voorbij gaan. De echte alfa’s onder ons zullen hiervan snoepen. Maar ook gedragswetenschappers kunnen er hun hart aan ophalen. Deze editie van de Notiziario heeft een sterk literair gehalte en er worden veel boeken in besproken. Literatuur past natuurlijk ook goed bij de aard van onze vereniging en haar nieuwsbrief. Dat neemt niet weg dat wij onze lezers hierbij graag uitnodigen

Gedachten over De paling 12 Minne de Boer Giovanna Motta. Een moderne Nolthenius? 13 Reinier Speelman Ludmilla ha letto per voi: Tweemaal Nicola Lagioia 14 Monica Jansen Uit de geschiedenis van de giallo italiano (4): Arnoldo Mondadori en sterauteur Varaldo 16 Minne de Boer Lo sapevate che...(12): Avere la coda di paglia/Een staart van stro hebben 17 Elena Valbusa ontwerp: blauwblauw-design | bno

Apostrofo 36 17 Minne de Boer Che cosa bolle in pentola? Risotto allo zafferano 18 Elisabetta Cascino L’angolo della lingua (18): Vendesi – Affittasi 19 Francesca Sfondrini –1–

zelf ook artikelen aan te dragen of ons op het spoor te brengen van mogelijk interessante, liefst Italiaanstalige, schrijvers. Wij zijn erg blij met de Italiaanstalige bijdragen van Ludmilla, Laura Schram, Barbara Summa en Francesca Sfondrini en het recept dat Elisabetta Cascino u deze keer in het Italiaans voorschotelt. Wie zich in dit recept verslikt (in de beschrijving bedoelen we) kan bij de redactie om een vertaling vragen. Het leek ons een gepaste ‘uitdaging’ om het u in het Italiaans voor te zetten. De bijdragen van Minne de Boer, weer op drie fronten, en van Reinier Speelman maken deze editie tot een ware uitdaging. Wij wensen u veel leesplezier. I


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

Van de voorzitter Het is half september. Dat betekent dat in Nederland de scholen en universiteiten alweer in vol bedrijf zijn. De studenten in Italië moeten nog even wachten. En het cursusseizoen van onze eigen Dante begint nu. Jose van Houcke, onze – nog net nieuwe en in ieder geval bruisende – coördinator lezingen en cultuurcursussen, heeft voor het komende jaar een zeer aantrekkelijk programma op stapel staan. U leest er meer over in deze Notiziario. Ook onze taalcursussen gaan deze weken weer van start. Ze zullen ’s avonds plaatsvinden op de vertrouwde plek in het Stede-

Mededelingen Activiteiten najaar 2011 Giotto en de Scrovegni-kapel in Padova Een lezing door drs. Willy Atema Vrijdag 28 oktober 2011, 20:15 uur James Boswell Instituut, Campusplein 7, University College, Utrecht Leden: gratis, niet-leden: € 5,– Aanmelden via aanmelding@danteutrecht.nl Giotto (1266/67-1337) en Dante (12651321) zijn tijdgenoten. Beiden waren ze betrokken bij de familie Scrovegni. Dante had, in de Goddelijke Komedie, vader Riginaldo verbannen naar de zevende cirkel van de hel. De familie stond niet op beste voet met de kerk, zodat zijn zoon Enrico in 1300 besloot een kapel te bouwen, in de hoop daarmee alsnog een voorspoedige hemelgang te bewerkstelligen. De kapel wordt (uiteraard) Scrovegni-kapel genoemd, maar ook wel Arena-kapel omdat op die plek oorspronkelijk een Romeins amfitheater stond. In de periode 1302 – 1305 voorziet Giotto de kapel van een frescocyclus met thema’s uit het leven van Joachim en Anna, hun dochter Maria en haar zoon Jezus. De cyclus in Padua wordt beschouwd als een belangrijke mijlpaal in de ontwikkeling van de westelijke schilderkunst: de overgang van de gotiek naar een meer natuurlijke stijl die in de Renaissance zijn voltooiing zal vinden. De Scrovegni-kapel is bij uitstek de plaats om het werk van Giotto te bestuderen: hoewel hij de cyclus vroeg in

lijk Gymnasium, terwijl de dagcursussen op het Boswell Instituut van de universiteit gegeven zullen worden. Met dit taleninstituut willen wij vanaf dit seizoen de banden verder aanhalen, om met name de inmiddels loodzware druk van de organisatie van trainingen, met alle arbeidsrechtelijke en fiscale angels en voetklemmen die daarbij horen, te verlichten. Het idee is dat het Boswell zich bezig gaat houden met de organisatie, waardoor het bestuur van Dante zich meer op de inhoud kan gaan richten. Dit alles doen we zeker ook vanuit de gedachte dat de Dante weer meer een echte zijn carrière schilderde toont hij er al zijn volwassen talent. Giotto’s fresco’s laten monumentale menselijke figuren zien, levendig en vol emoties, tegen een landschappelijke achter- grond of in driedimensionale architectonische ruimten. Willy Atema is cultuurhistorica en geeft o.a. binnen het kader van haar eigen kunsthistorisch bureau ‘Kunst en Kunde’ presentaties over alle mogelijke onderwerpen en/of thema’s binnen de kunst- en cultuurgeschiedenis. Eerder dit jaar hield zij bij Dante Utrecht een succesvolle lezing over Piero della Francesca. Het motto van haar bureau luidt: ‘De kunsthistorie is er niet om uw opvattingen over kunst te bevestigen, maar om uw opvattingen en visie op de visuele wereld te verruimen’. Als u meer over haar wilt weten kijkt u dan op haar website: www.kunstenkunde.nl

vereniging moet worden: de leden treffen elkaar tijdens de cursussen en lezingen, maar kunnen daarnaast, zoals vorig jaar, ook eens samen een hapje eten en een glaasje drinken. En hoewel ik geloof dat we daar al aardig mee bezig zijn, kan het natuurlijk nog steeds beter. Kortom, ik wens u veel plezier bij het virtueel doorbladeren van deze Notiziario; in de volgende aflevering vindt u nieuws over nog meer activiteiten in dit verenigingsjaar. I Jeroen Torenbeek

Trio Musicale Pavone Een Italiaans concert Vrijdag 11 november 2011, 20:15 uur James Boswell Instituut, Campusplein 7, University College, Utrecht Leden: gratis, niet-leden: € 5,– Aanmelden via aanmelding@danteutrecht.nl Het Italiaanse Trio Musicale Pavone schotelt ons een aantal zeer bekende klassieke muziekstukken voor. Enkele stukken bestaan uit zang met pianobegeleiding, andere stukken zijn geschreven voor piano en fluit. Het repertoire is een mix van bekende Italiaanse operastukken en klassieke Napolitaanse stukken.

PROGRAMMA De Curtis – Torna a Surriento W.A. Mozart – Piccola serenata notturna G. Verdi – da Rigoletto: La donna è mobile G. Donizetti – Sonata per flauto e pianoforte AAVV – U surdatu ’nammuratu intervallo G. Puccini – da Tosca: E lucean le stelle C. Saint-Saens – Il cigno G. Verdi – da La Traviata: Libiamo libiamo J. Massenet – Meditation dall’opera Thais A. Lara. Granada G. Rossini – Tarantella F. Denza – Funiculi funicula Cultuur-bestuurslid José van Houcke heeft nog meer ijzers in het vuur, maar die staan nog niet vast. Houdt de website, www.danteutrecht.nl, in de gaten voor nadere mededelingen! I

–2–


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

Tentoonstellingen in Italië Kleine greep uit het aanbod In Bologna, tot 30 okt. Luciano de Vita, allievo di Giorgio Morandi. Opere 1950 – 1965. Fondazione del Monte, tel. 051 – 617 33 05

In Rovereto, tot 8 jan. 2012. Gino Severini, 1883 – 1966. mart, corso Bettini 43, tel. 800 – 39 77 60 | 0464 – 43 88 87

In Udine, tot 4 dec. Il giovane Tiepolo, 33 grandi tele e disegni da collezioni pubbliche e private. Castello di Udine, Galleria di arte antica, via Daniele Manin, tel. 0432 – 414 71 78

In Florence, tot 22 jan. 2012, Denaro e bellezza: i banchieri, Botticelli e il rogo della vanità. Palazzo Strozzi, piazza Strozzi, tel. 055 – 264 51 55

In Tivoli, tot 6 nov. Capolavori nella villa dell’imperatore. ‘Incontro tra arte contemporanea e arte antica’. Antiquarium del Canopo di Villa Adriana, tel. 06 – 39 96 79 00 In/bij Turijn, Venaria Reale, tot 11 dec. Moda in Italia. Viaggio nello stile italiano dal 1861 a oggi. ‘Dal gusto della regina Margherita e di Gabriele d’Annunzio agli sperimenti del futurismo, dalle dive del cinema ai grandi stilisti contemporanei’. Reggia, scuderie juvarriane, tel. 011 – 499 23 33

In Parma, tot 15 jan. 2012 Giorgio Morandi e Josef Sudek. Palazzo del Governatore, piazza Garibaldi, tel. 0521 – 21 89 29

In Venetië, tot 30 okt. Pier Paolo Calzolari, 25 opere, realizzate tra il 1968 e oggi, tra cui la scultura Struttura ghiacciante tra le acque del Canal Grande. Galleria interanzionale d’arte moderna Ca’Pesaro, Santa Croce 2076, tel. 848 – 08 20 00 | 041 – 42 73 08 92

In Rome, tot 15 okt. Caravaggio, La Cappella Contarelli. Palazzo Venezia, ex-refettorio, Via del Plebiscito 118, tel. 06 – 69 99 43 19 Ook in Rome, tot 6 nov. Acquedotti Romani. Suggestief thema, belicht door 30 kunstenaars, onder wie architecten, beeldend kunstenaars, dichters en fotografen. Centro commerciale Cinecittadue, viale Palmiro Togliatti 2, tel. 06 – 722 09 10

In Trento, tot 13 nov. (en daarna in München, van 15 dec. tot 27 mei 2012), Le grandi vie della civiltà. ‘Relazioni e scambi fra il Mediterraneo e il Centro Europa dalla preistoria alla Romanità.’ Castello del Buonconsiglio, Via Bernardo Clesio, 5, tel. 0461 – 23 37 70 –3–

(Met dank aan qui Touring, maandblad van Touring Club Italiano)


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

Mauro Poma, Ton Kolsteeg en nog meer over spijzen en dranken van Mauro Poma overnam, vertelde dat Itafreerd, en bignè di San Giuseppe, een soort ‘Il cibo è la cosa più rappresentativa dellië 20 wijngewesten kent, met het gewest (kleine) oliebollen die traditiegetrouw op l’identità nazionale italiana, quello che Sicilië tegenwoordig als grootste produ19 maart worden gebakken en gegeten. unisce il nord e il sud’. Aldus Mauro Poma, cent, gevolgd door Puglia en de Veneto. Dé Voor een niet te overtreffen grattachecca (een van geboorte Romein, maar al jaren woItaliaanse druivenrassen zijn San Giovese, soort granita) stuurt Mauro Poma de Ronend en werkend in Utrecht, op 6 mei in Nebbiolo en Trebbiano. Veel Italiaanse mebezoeker die bereid is om geduldig zijn het James Boswell Instituut. Een van de tywijnboeren telen tegenwoordig ook anbeurt af te wachten naar ‘La sora Maria’ in pische producten van de streek rond zijn dere, niet-Italiaanse rassen. De wijn die Via Trionfale (hoek Via Telesio). geboortestad is porchetta, in het bijzonder daarvan wordt gemaakt mag in Italië alleen Ten slotte een niet typisch Romeinse tip: van het plaatsje Ariccia in de Colli Laziali. vino da tavola heten. Voor de kwalificaties tagliatelle maakt Mauro Poma thuis zónder Zoals het woord porchetta al doet vermoeindicazione geografica controllata, denominazispeciale macchinetta − meel, ei, olie en evenden gaat het om varkensvlees en wel aan one di origine controllata en denominazione di tueel een beetje water als ingrediënten en het spit gebraden. Het bezit van een varken origine controllata e garantita komen − symbool van vruchtbaarheid − betekent welstand. Niets van het Een tip naar aanleiding van het al genoemde artikel van Bas alleen wijnen van Italiaanse druidier wordt zomaar weggegooid, Mesters: Sinds acht jaar is in Italië de kleine non-profitorga- venrassen in aanmerking. De alles is bruikbaar − een opmer- nisatie Homefood actief. Het is een initiatief van de Bolognese werkwijze van de Italiaanse wijnking die ik een paar maanden hoogleraar sociologie Egeria di Nallo, die daarmee het cultu- boeren is de afgelopen decennia later herhaald zie in een artikel reel erfgoed van de Italiaanse keuken wilde beschermen. In de spectaculair veranderd. De voorvan Bas Mesters in NRC Handels- Italiaanse restaurants worden volgens haar de oorspronke- schriften waaraan zij zich tegenblad (20-8-2011), waar hij een an- lijke, traditionele gerechten steeds vaker aangepast aan de woordig moeten houden zijn dere Romein aanhaalt. Die wensen van de toeristen. Via de website www.homefood.it kun- onder meer in het kader van ‘Euoverigens op een ander dier nen mensen zich aanmelden voor een maaltijd bij Italianen ropa’ verveelvoudigd. thuis. De opzet is, niet alleen de gerechten zelf maar ook de Het spreekt vanzelf dat een aantal doelde: een kip. Als echt Romeinse gerechten sfeer rond de maaltijd te laten proeven: een maaltijd is niet al- flessen werd ontkurkt, waarvan noemt Mauro Poma verder het be- leen maar hap, slik, weg. De thuiskoks worden uitvoerig getest enkele afkomstig uit de kelder kende saltimbocca alla romana, car- voordat zij gasten gaan ontvangen. Een (tijdelijk) lidmaat- van onze voorzitter. En opmerkeciofi alla Giudia en filetti di baccalà schap van Homefood kost € 3,50, een maaltijd kost gemid- lijke verschillen werden geproefd. (zijn tip: proef die van Piazza S. deld € 40,– per persoon. Kooktips van de kok zijn inbegrepen. Een plezierige, onderhoudende Barbara 88, vlak bij Campo de’ voorjaarsavond gewijd aan specifiek Roeen mes om van het deeg de vereiste repen Fiori). Gemeenschappelijk ingrediënt van meinse resp. Italiaanse spijzen en drante snijden zijn genoeg. Prettig te horen de oorspronkelijke Romeinse keuken is ken, waarvoor onze welgemeende dank wanneer tagliatelle je favoriete pastasoort volgens hem eenvoud − maar wordt dat zijn! uitgaat naar gastsprekers Mauro Poma en ook niet van de Toscaanse keuken gezegd? Ton Kolsteeg. Bij de maaltijd hoort sinds mensenheugeEcht Romeinse dolci zijn de maritozzi, een nis het nuttigen van wijn, althans in een soort brioches met room erin die op de Ciska van der Glas land als Italië. eerste vrijdag van maart door verliefde jonWijnexpert Ton Kolsteeg, die het woord gelingen aan hun fidanzata worden geof-

–4–


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

Invecchiare a Verona (2) Nonnoweb e il pc facile Che il volontariato sia oramai un fenomeno di massa nella società italiana è documentato dalle statistiche raccolte dal Csv (Centro servizio per il volontariato) che solo a Verona coordina 453 associazioni iscritte al registro regionale, senza contare le decine di attività simili non ufficializzate presso la sede centrale a Venezia. Questa realtà comporta la necessità di una specifica preparazione per chi si dedica seriamente al volontariato. ‘Il bene va fatto bene’ è il motto infatti del Centro perché il volontariato non deve essere solo un gesto di solidarietà, per quanto prezioso, ma un valore sociale. Una giornalista come Giorgia Cozzolino che segue da vicino il fenomeno con articoli informatissimi sul giornale locale L’Arena riporta dati e cifre a dir poco impressionanti su tutta una realtà che investe ampiamente anche l’economia e il lavoro e si estende ad ogni forma di invalidità sia dei giovani come degli anziani. Ma restando anche solo nel mondo dei nonni sappiamo che ‘nel territorio comunale di Verona il 34% dei cittadini ha una età superiore ai 55 anni e il 22% superiore ai 64 anni con un indice di vecchiaia pari a 169. Ciò significa che ogni 100 giovani al di sotto dei 15 anni vi sono 169 persone oltre i 65 anni’.

Prendo queste statistiche dallo studio accurato di un amico, il Dott. Marco Mariotti, antico alto funzionario di banca, che ora è l’anima di un progetto nel quadro delle attività della Pro Senectute, che si intitola ‘nonno pc’. Progetto pluriennale che in una cittadina alle porte di Verona, Parona, ha il suo centro intitolato ‘Nonnoweb il PC facile’ sotto la guida di un altro turbononno, un antico ingegnere veronese, Giorgio Favalli, con una trentina d’anni di professione negli Stati Uniti, nel suo passato. Questi due potenti ‘motori’ hanno creato una serie di centri analoghi che si estende anche fuori della provincia di Verona, in Emilia Romagna per esempio, appoggiandosi da un lato alla rete dei club Lions e dall’altro giovandosi del sostegno degli assessorati delle Politiche sociali presenti presso i vari comuni delle regioni. E questo è un buon esempio di come il pubblico si possa integrare col privato e di come favorendo l’approccio degli anziani alla informatica si faciliti il superamento di quel rifiuto delle tecnologie che è spesso e solo un fatto di timore, di psicologia. Senza contare che gli anziani disabili con l’apertura di sportelli Nonnoweb attraverso gli strumenti informatici forniti dal riutilizzo di macchine ancora funzionanti,

possono accedere ai servizi della pubblica amministrazione oltre che ad attività che permettono loro di uscire dall’isolamento, che è spesso la vera malattia della vecchiaia. Eccovi alcuni esempi di attività tese a far vivere la longevità in modo nuovo. Restando al campo tecnologico, sponsorizzato in particolare dai Lions Club International del Triveneto, da sempre attivi negli interventi riguardanti la cecità, ha un buon successo il Bastone Elettronico Lions (BEL. Sito: info@bel108.it) dotato di un Pollicino, che è una scatoletta di 80 grammi contenente dei circuiti elettronici, che, applicata al bastone bianco, permette di rilevare degli ostacoli anche a distanza di 3 metri. Ma sono molto attesi anche i ‘Quattro passi al cinema’: nella sala di Palazzo Da Lisca in centro città: ogni domenica pomeriggio si susseguono gratuitamente spettacoli cinematografici su particolari filoni tematici e non vi dico la felicità dei nonni a rivedere film legati alla loro gioventù. Un’altra attività attesa e seguitissima è a livello cittadino la ‘Festa dei nonni’ che quest’anno si terrà il 1-2-3 ottobre presso la Gran Guardia in Piazza Bra. Le manifestazioni sono diverse ma la più ambita è quella di farsi fare il ritratto dagli studenti dell’Accademia di Belle arti di Verona. Una trentina di studenti, guidati dai loro docenti, scelgono i loro modelli tra una folta schiera di nonne fresche di parrucchiere, e di nonni magari con la cravatta, e il risultato giudicato e anche premiato come prova di esame nei singoli corsi dell’accademia, porta oltre ad ottimi risultati artistici, ad un dialogo e ad una amicizia tra modello e pittore che a mio parere è il risultato più significativo che si possa raggiungere. Perché una delegazione di nonni olandesi non arriva a Verona in quei giorni? Potrebbe essere che vi possiate portare a casa un ritratto fatto da un Picasso in erba, chissà… e sarebbe un buon esercizio di italiano oltretutto! Laura Schram Pighi

–5–


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

Abruzzo nel cuore: notizie da L’Aquila

Case in cui ho dormito da giovane A maggio sono stata in Abruzzo per svuotare casa e aiutare mia madre a traslocare. A Ofena ho dormito come un sasso, poi ho aiutato mamma ad impacchettare le sue cose. Quando abbiamo finito pioveva, sentivamo le gocce rimbalzare sulla tettoia del cortile. Allora sono andata a L’Aquila per sentire cosa stava succedendo all’assemblea cittadina, adesso che gli hanno restituito il tendone in Piazza Duomo per riunirsi. Ogni volta che parcheggio alla Villa mi dimentico che adesso non si paga più il parcheggio. Le macchinette stanno tutte al loro posto, ma non funzionano. Vorrei vedere il comune di Amsterdam quanto tempo ci metterebbe a fallire se d’improvviso non si pagasse più il parcheggio in centro. Ne ho approfittato per farmi un giretto a piedipiazza e ho visto che Via dell’Arcivescovado era aperta e l’ho seguita. E poi ho visto che anche Via delle Bone Novelle era aperta, e sono scesa.

[foto 6 en 7]

Da quella casa un pomeriggio io e un mio amico, che dovevamo rientrare prima per cucinare, restammo chiusi fuori. Allora io gli feci da scaletta, lui mi salì sulla schiena e entrò da questa finestra sulla strada che dietro le persiane accostate era stata lasciata aperta apposta. E pare lo sia anche adesso, ma chi chiedo se ci entrerei.

Ora su Via delle Bone Novelle devo spiegare una cosa. Ci sono passata infinite volte, tutti i giorni perché dal mio secondo anno di università un gruppo di mie amiche ci trovò casa. Era qui, al 17.

Il numero 13 e il numero 11 davano e danno entrambi sul cortile di Palazzo Zuzi, che adesso è completamente puntellato, sembra un bosco di pali, ma prima c’era il pub. E dietro l’angolo, in Via di Piscignola, ci abitavano già altri miei amici.

L’anno dopo le mie amiche presero l’appartamento a fianco, che non solo aveva una camera in più e comunque era fornito di camere molto più spaziose, ma era persino munito di corridoio. Perché queste case aquilane antiche per studenti erano spesso tutta un’infilata di stanze una dietro l’altra e la privacy te la raccomando. –6–


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

Qui il primo anno ci abitavano due miei amici di kung-fu che erano venuti a fare l’ISEF per diventare insegnanti di ginnastica dell’ISEF. Il portoncino è sempre quello, anche se l’attico adesso prende il fresco dal tetto che non c’è più.

[foto 12]

Se tante volte vi ci trovaste, e volete farvi anche voi un giro per Via delle Buone Novelle, tenete presente che dovete cercare questo cartello qui. A suo tempo ci passavo così spesso, oltre che per via degli amici, anche perché era il percorso migliore per andare a mensa. Ma è inutile che cerchiate la mensa adesso, che stava sotto Casa dello Studente, quella che è venuta giù perché i pilastri erano di sabbia invece che di cemento. Insomma, con Caterina che era la mia compagna di casa e lavorava all’ospedale, la facemmo un sacco di volte quella via, e si parlava della vita, del mondo, degli uomini, delle sòle che detti uomini ti appioppano e signora mia che valle di lacrime. Fino a che lei disse: ‘Ma hai notato che ogni volta che passiamo per Via delle Bone Novelle qui è tutto un miserere?’ E ci venne tanto da ridere che cambiammo argomento di conversazione per derive più ottimistiche, che si faceva prima che a ribattezzarla Via delle Male Novelle. Per quanto adesso, la bona novella è ancora tutta da cercare....

L’anno dopo conobbi anche un gruppo di studenti del Conservatorio che abitavano qui, al 25, e anche lì abbiamo fatto alcune belle feste, fino a che al termine di una di queste, la mia saggia amica Caterina, che aveva qualche annetto più di me, mi chiese perché li frequentassi, visto che erano tipi di tutta un’altra pasta. (E aveva tanta ragione. I musicisti hanno delle dinamiche sociali tutte loro, che non sono le mie.)

Il secondo palazzo a destra qui di Via Celestino V invece è stato il mio primissimo indirizzo aquilano, affittavo una stanza con pianoforte antico e scordato in casa di Mario Signora, all’ultimo piano abitava una signorina Mucci di Castel del Monte che si scoprì compagna di gioventù di mia nonna, nell’appartamentino a fianco stavano dei ragazzi che nel tempo divennero uno mio padre putativo, poi ci andò ad abitare mio cugino che l’anno prima stava anche lui in Via delle Bone Novelle; poi c’era Daniele, a volte, che era musicista e quando non suonava altrove passava per L’Aquila, poi Fabrizio che si era innamorato di una ragazza del piano di sopra e mollò ingegneria per restare a L’Aquila con lei, ed erano gli unici di questa casa che in qualche ritorno sporadico vedevo, perché avevano dei negozi in cui a volte passavo a salutarli. Adesso non so dove siano. Insomma, ogni volta che torno a L’Aquila da un lato non cambia niente, dall’altro con la velocità della deriva dei continenti, ogni tanto riaprono 50 centimetri di strada alla volta. Con quali criteri non si sa, visto che sono strade che lo scorso anno stavano esattamente così come adesso e non è che sia cambiato nulla. In compenso: Se vi serve uno zerbino quasi nuovo, andatevi a fare un giro che ce ne sono infiniti, dappertutto, anche nuovi. Ho scoperto un posto che mi dà l’idea che se dovessi trovarmi in panne a L’Aquila, basterebbe essere muniti di sacco a pelo per andarci a dormire tranquilli e all’asciutto. Se fate il corso da sommelier e fate fatica a distinguere i famosi aromi di pietra o polvere, fatevi un giretto a L’Aquila che lo capirete benissimo. In Via del Guastatore hanno aperto una pizzeria. Al bar Nurzia a Capopiazza comprate sempre dei torroni, anche se hanno pure miele, dolci, liquori alla genziana, salamini e altre cosette, che la vita è una valle di lacrime ma mangiare consola. Sono una vigliacca perché in pubblico mi vergogno a fare foto alla città, ma quando mi sono imboscata nei vicoli in cui il silenzio era pesante come le pietre e la mia voce nel rispondere a una telefonata rimbombava con l’eco non ho potuto fare a meno di cedere a questo mio personalissimo pellegrinaggio.

–7–


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

Altre case in cui ho dormito potranno seguire quando mi riaprono pure quei vicoli lì. Sono andata alla pizzeria Vesuvio con zio Giovannino e Titti − meno male che i parenti a L’Aquila ancora ce l’ho. Che per fortuna gli aquilani sono testardi, come tutti i montanari e col cavolo che li schiodi. Titti è la mia cuginetta che alcuni mesi dopo il terremoto ha mollato il lavoro sicuro in banca a Milano (tra le incomprensioni dei fratelli, quello che sta a Milano e quello che stava a L’Aquila e voleva andarsene da lì) per tornare a L’Aquila a fare la volontaria della Croce Rossa. Mi diceva: ‘Loro non lo sanno che ho più bisogno io di loro che loro di me’. A cena Titti ci aggiorna: ‘Mio fratello mi ha mandato il bando del concordo alla Banca d’ Italia, ancora non si rassegna a cercare di pilotare la mia carriera’.

‘Tuo fratello non l’ha ancora capito che da qui non ti schioda nessuno’. ‘Ecco, l’hai capito meglio tu che stai in Olanda’. Aquilani, che vi dicevo...

eccezionale ha bisogno di un respiro ampio di progettazione e organizzazione? Per quanto tempo si può continuare a credere che i singoli motivati possano farsi carico di un’intera città e comunità da rimettere su? Poi è chiaro che io faccio presto a parlare, non sono io a starci in mezzo. Barbara Summa

Però, quanto tempo puoi resistere e remare contro con tutti i problemi pratici e finanziari che ognuno si deve risolvere da sé? E la burocrazia che continua solo a dar mazzate? E i soliti noti aquilani che pensano soltanto alle piccole clientele e favori personali invece di capire che una situazione

Van Barbara Summa is ook in Notiziario 2009-4 al een artikel verschenen naar aanleiding van de aardbeving die de stad L’Aquila trof. Zij is geboren in de Abruzzo, studeerde in L’Aquila en woont al vele jaren in Amsterdam. Zij schrijft en publiceert, is sommelier, geeft cursussen over Italiaanse wijnen en kookworkshops (met Italiaanse gerechten, si capisce). Zie onder meer www.mammamsterdam.blogspot.com. Zij organiseert ook korte themareizen naar de Abruzzo (zie hierna).

Lungo le tracce dei pastori con Barbara Summa Weekend lungo tra L’Aquila e Sulmona, 20-23 ottobre 2011 Com’era L’Aquilano prima del terremoto e com’è adesso, si può leggere attraversando la Statale 17 da L’Aquila a Sulmona. In questo viaggio della memoria visiteremo i borghi, le chiese e i paesaggi della transumanza, parleremo con chi ci abita, gusteremo le specialità locali come lo zafferano di Navelli, i ceci di Civitaretenga, le lenticchie di Santo Stefano di Sessanio, i prosciutti e le salsicce medievali di Paganica, le trote del Tirino e altro ancora. Giovedì 20 è dedicato alla raccolta delle olive a Ofena con un picnic a base dei cibi

dei pastori: pane e savetreja, frittata alle erbe, vino locale ed altre specialità e una degustazione di vini locali presso la Gentile Vini. Cena al ristorante del mulino di Capestrano con le specialità di trote e gamberi di fiume. Venerdì costeggeremo la parte alta della Statale 17 verso L’Aquila visitando Barisciano, Santo Stefano di Sessanio, Navelli e Castelnuovo, passando per Paganica e arrivando a L’Aquila per una passeggiata e un aperitivo alla Cantina del Boss, locale storica e primo che ha riaperto dopo il terremoto. Sabato lezione di cucina al mattino con

–8–

pranzo e nel pomeriggio seguiremo invece il percorso lungo la valle dell’Aterno lungo Fontecchio, Bominaco con la chiesa dell’Assunta e l’oratorio di San Pellegrino e il suo calendario affrescato, passando per Popoli e terminando a Sulmona, la città natale del poeta latino Ovidio. Domenica si riparte da Pescara o da Roma con Ryan Air per Eindhoven o altre destinazioni. Informazioni: Barbara Summa, barbara@madrelingua.com, 0647 – 25 41 44.


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

Montale’s ‘Aal’ Aan de voet van Brodsky’s Kade der ongeneeslijken/Fondamenta degli incurabili Het is een vreemde gewaarwording: tijdens het lezen de indruk krijgen dat er onder het oppervlak van de tekst een vis mee zwemt. En zelfs een bepaald soort vis: een aal. Ik spreek over de Kade der ongeneeslijken van Joseph Brodsky, een bundel korte, vaak zeer poëtische stukjes over diens ervaringen in Venetië. Aan het begin wordt de aal terloops ter sprake gebracht. Brodsky vertelt dat hij bij zijn eerste aankomst in die stad uit het treinstation komend een indringende geurervaring heeft bij het opsnuiven van de geur van het Canal Grande. Hij werd ‘overrompeld door een gevoel van opperst geluk, iets wat er voor mij altijd synoniem mee is geweest trof mijn neus: de geur van bevriezend zeewier.’ [p.8]. En dan komt het: ‘de gehechtheid aan die geur moest ongetwijfeld worden teruggevoerd op een jeugd aan de Baltische Zee, thuishaven van de meanderende sirene uit het gedicht van Montale’ [p.9].1 En de lezer moet dan maar weten dat de dichter hier Montale’s gedicht De aal (L’anguilla) op het oog heeft uit diens bundel La Bufera e altro (1956), dat als volgt begint: De aal, sirene Der koele zeeën, die vanuit het Baltische Vertrekt naar onze zeeën […] Brodsky heeft zijn Fondamenta geschreven in opdracht van het ‘Consortio Venezia Nuova’, dat het in 1989 in een beperkte Italiaanse oplage heeft uitgegeven.2 Je zou dus kunnen denken dat Brodsky als gebaar naar zijn opdrachtgevers zijn gewaardeerde Italiaanse collega en Nobelprijswinnaar ter sprake heeft willen brengen. Maar er is meer aan de hand. Vanaf het begin is het duidelijk dat Brodsky zich met deze vis identificeert. Het is een trekvis die, althans in het gedicht van Montale, voor zijn levenscyclus vanuit het Baltische op weg gaat naar de Italiaanse wateren. In de wetenschap dat Brodsky zelf in 1972 door de Russische autoriteiten is gedwongen zijn geboortestad, St. Petersburg, te verlaten, is deze literaire aal ook een geschikte metafoor voor Brodsky’s eigen levensgang. Hij schrijft dan ook: ‘En wat de Baltische Zee betreft, je mocht inderdaad wel een aal zijn om er daar waar ik woonde aan

te ontsnappen.’[p. 9]. In zijn Kade der ongeneeslijken lijkt hij direct na zijn verbanning per trein te zijn vertrokken naar Venetië. Op gezette tijden duikt er een aal op in de tekst, zoals in de prachtig vertaalde en zeer poëtische passage van een nachtelijke gondeltocht: ‘We dartelden en zigzagden als een aal door de stille stad’ [p. 93]. Daar komt dan nog bij dat de aal gepresenteerd wordt als een soort primus inter pares. Er komt opvallend veel vis voor in de Fondamenta. Ook het christendom wordt even genoemd, symbolisch, en wel met de vroeg-christelijke naam voor vis: ichthus. En Brodsky citeert ook met instemming Montesquieu die van mening was dat er in Venetië eigenlijk alleen maar plaats is voor vissen.3 Wat is hier aan de hand? Laten we voor het beantwoorden van deze vraag terugkeren naar het begin van de Fondamenta. Brodsky zegt eerst dat zijn gehechtheid aan de geur van bevriezend zeewier ‘ongetwijfeld’ met zijn jeugd in St. Petersburg te maken heeft. Maar dat blijkt toch niet het hele verhaal te zijn. De eerstvolgende zin luidt: ‘Toch twijfelde ik daar-

aan.’ Om een paar regels verder te stellen dat deze gehechtheid aan die geur eerder voortkomt uit een ervaring die voorbijgaat aan zijn persoonlijke geschiedenis, en wel eens zou kunnen samenhangen met een ver evolutionair verleden. ‘Ik heb altijd al de indruk gehad dat de oorsprong van deze gehechtheid ergens anders lag, voorbij het genenpakket dat je meekrijgt – ergens in je hypothalamus, waar de indrukken liggen opgeslagen die de voorouderlijke chordata hebben opgedaan van hun natuurlijke omgeving’ [p. 9]. Als Brodsky na aankomst in een vaporetto op weg gaat naar zijn pensione,heeft hij weer een ervaring die hij in verband brengt met het feit dat hij behoort tot de biologische stam van de gewervelde dieren, oftewel de chordata, waartoe ook de vissen worden gerekend. Varend over het water van het Canal Grande is het hem alsof zijn hypothalamus zich herinnert wat je moet doen om je evenwicht te bewaren: ‘Tja, misschien is het inderdaad wel de nawerking van de oude trouwe chordata waardoor op het water de aandacht wordt gewekt’ [p. 15]. De ervaringen van de vissen met heftige golfbewegingen van het water zijn vastgelegd in de hypothalamus en in Brodsky’s verbeelding evolutionair overerfd door de mens.4 En dan is de cirkel rond. Afgezien van zijn persoonlijke associaties met zijn Russische jeugd is het dus ook dankzij zijn hypothalamus dat Brodsky zich de geur van bevriezend zeewier kan herinneren, een geur die feitelijk waarschijnlijk alleen maar onder water kan worden waargenomen, en dan ook nog eens eerder in de Baltische Zee dan in de Laguna van Venetië. Het is een specifieke zintuiglijke waarneming die een voorouderlijke vis ooit heeft opgedaan, bijvoorbeeld in de Baltische wateren, voor altijd heeft vastgelegd in de hypothalamus en vervolgens evolutionair heeft doorgegeven aan de andere soorten van gewervelden. Ook Montale’s Aal kan zich die geur herin-

1 In de vertaling van Jacques Commandeur. 2 Vervolgens is daarvan in 1991 een herziene commerciële editie in het Italiaans uitgebracht, op basis waarvan in 1992 de Engelse vertaling Watermark is gemaakt en de Nederlandse vertaling, van de hand van Jacques Commandeur. Daarbij wordt vermeld dat Brodsky uitdrukkelijk heeft verzocht de vertaling van de oorspronkelijke titel aan te houden. 3 A Venise il ne devait y avoir que des poissons. 4 Een klein maar uiterst belangrijk orgaan dat bij de mens deel uitmaakt van het evolutionair gesproken oudste onderdeel van de hersenen dat ook bij andere chordata zoals de vissen te vinden is.

–9–


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

neren als hij na zijn lange tocht opduikt aan de voet van de Kade der ongeneeslijken. Om duidelijk te maken hoe belangrijk la Serenissima voor hem is, haalt Brodsky allerlei dierbare herinneringen op uit zijn Russische tijd – foto’s van de huwelijksreis van zijn grootmoeder naar Venetië, een kleurenfoto van het San Marcoplein, een gondel die zijn vader ooit als souvenir voor hem heeft meegenomen, een bundel vertellingen over Venetië en vooral een gedenkwaardige ontmoeting in Rusland van zijn literaire vriendenkring met een verblindend mooie Venetiaanse, weliswaar een communiste, maar dat wordt haar zonder enige aarzeling vergeven! Als hij voor de eerste keer aankomt, heeft hij het zo geregeld dat hij door uitgerekend deze Italiaanse schone wordt afgehaald en naar zijn pensione gebracht. In zijn voorstelling van zaken was hij als het ware voorbestemd om naar die stad aan de Laguna te gaan waar hij ook begraven ligt. En de Aal? Die volgt als trekvis misschien wel de herinneringen die opgeslagen liggen in zijn hypothalamus, en gaat op weg naar zijn paaigronden, die Montale in de Italiaanse wateren heeft gesitueerd waar ook de Laguna toe behoort.

maakt na aandachtig kennis te hebben genomen van de voor zover mij bekend eerste en enige eerder verschenen vertaling, van de hand van Frans van Dooren, uitgekomen in De Revisor, jaargang 1975/6. Vertalingen zijn in mijn ogen vooral essays in de beste betekenis van het woord, waarbij een vertaler in alle bescheidenheid probeert het origineel te benaderen. Daarbij heb ik dankbaar gebruik gemaakt van de poging van Van Dooren en heb op basis daarvan een aantal veranderingen doorgevoerd in de hoop dat andere vertalers zich gestimuleerd zullen voelen een nieuwe poging te wagen om het origineel nog beter te benaderen. Ik heb vooral aandacht geschonken aan het ritme, zonder altijd tevreden te zijn over het resultaat. Vooral over zijn vertaling van de beginregels was ik wat ongelukkig: L’anguilla L’anguilla, la sirena dei mari freddi che lascia il Baltico per giungere ai nostri mari, […] De aal (in de vertaling Frans van Dooren)

Deze bespreking van een van de opvallendste aspecten van de Kade der ongeneeslijken/Fondamenta degli incurabili besluit ik met het presenteren van een vertaling van Montale’s gedicht, een vertaling die ik heb ge-

De wijfjesaal, sirene Der koude wateren, die ’t Baltische verlaat Op weg naar onze zeeën, […] – 10 –

In Van Doorens vertaling wordt in de eerste regel gesproken van een ‘wijfjesaal’. De achtergrond daarvan is misschien het ritme: ‘anguilla’ heeft drie lettergrepen waarvan er in de Nederlandse vertaling met ‘aal’ maar een enkele overblijft. (Een vertaling met ‘paling’ is ook voor mij geen aantrekkelijke optie.) Maar Van Doorens vertaling ‘wijfjesaal’ is een interpretatieve vertaling die afbreuk doet aan de seksuele dubbelzinnigheid van de aal van het gedicht. Die dubbelzinnigheid speelt ook bij Brodsky een rol, afgaande op de reeds genoemde passage waarin hij verslag doet van een nachtelijke gondeltocht. Daarin gaan ze ‘als een aal door de stille stad’ in een gondel die ‘voortbewogen door een man en een vrouw, niet eens mannelijk’ was [p. 94]. Het samenspel van de gondel en het donkere watervlak ‘was eigenlijk geen erotiek der seksen maar van elementen, een volmaakte verbintenis van hun even glanzend gelakte oppervlakten’ [ibid.]. Hierna mijn eigen vertaalvoorstel, met ernaast de oorspronkelijke Italiaanse tekst en dáárnaast de vertaling van Frans van Dooren. Martin Hietbrink


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

De aal

L’anguilla

De aal

De aal, sirene Der koele zeeën, die vanuit het Baltische vertrekt naar onze zeeën, naar onze estuaria, onze rivieren, die tegen de stroom in terugkeert naar de diepte, van de ene vertakking naar de andere en dan van het ene ragfijne haarvat naar het andere, steeds verder naar binnen, steeds dieper in het hart van het rotsgebergte, modderbeekjes infiltrerend, totdat op een dag een lichtflits vanaf de kastanjes haar lont ontsteekt in poelen van stilstaand water, en in beken die zich hoog vanaf van de Apennijnen omlaag storten naar Romagna; aal, toortslicht, roede, aardse liefdespijl die alleen dankzij onze beken en opgedroogde Pyreneeënstromen wordt teruggeleid naar paradijselijke paringen; groene ziel die zoekt naar leven daar waar alleen droogte en verlatenheid heerst, vonk die zegt dat alles begint wanneer alles verkoold lijkt, een dode knoestige tak; korte regenboog van jouw iris, tweelingzuster van die welke jouw oogwimpers omsluiten en jou onaangetast doet schitteren tussen mensenzonen, ondergedompeld in jouw modder, kun jij haar niet beschouwen als jouw zuster?

L’anguilla, la sirena dei mari freddi che lascia il Baltico per giungere ai nostri mari, ai nostri estuari, ai fiumi che risale in profondo, sotto la piena avversa, di ramo in ramo e poi di capello in capello, assottigliati, sempre più addentro, sempre più nel cuore del macigno, filtrando tra gorielli di melma finché un giorno una luce scoccata dai castagni ne accende il guizzo in pozze d’acquamorta, nei fossi che declinano dai balzi d’Appennino alla Romagna; l’anguilla, torcia, frusta, freccia d’Amore in terra che solo i nostri botri o i disseccati ruscelli pirenaici riconducono a paradisi di fecondazione; l’anima verde che cerca vita là dove solo morde l’arsura e la desolazione, la scintilla che dice tutto comincia quando tutto pare incarbonirsi, bronco seppellito; l’iride breve, gemella di quella che incastonano i tuoi cigli e fai brillare intatta in mezzo ai figli dell’uomo, immersi nel tuo fango, puoi tu non crederla sorella?

De wijfjesaal, sirene Der koude wateren, die ‘t Baltische verlaat Op weg naar onze zeeën, naar onze estuaria en rivieren Die zij stroomopwaarts volgt diep onder ‘t oppervlak Van sloot naar sloot en dan Van greppel naar greppel, voortdurend smaller, steeds dieper landinwaarts, steeds dieper in het hart van het gebergte doordringend in moddergeulen, tot op zekere dag een zonnestraal die door kastanjes filtert haar flitsend treft in poelen stilstaand water, hoog in de Apennijnse bergbeken die zich omlaag storten naar de Romagna; de wijfjesaal, toortslicht en zweep en schicht van Liefde op aarde door onze kloven of door de opgedroogde stroompjes der Pyreneeën teruggebracht naar paradijselijke paaigebieden; de groene ziel die leven zoekt daar waar alleen verschroeiende hitte is en troosteloosheid; de vonk van vuur die zegt alles begint als ogenschijnlijk alles verkoolt, brandhout bedekt door as; kortstondige iris, tweelingzus van die welke gevat ligt in jouw ogen en ongeschonden stralend tussen de zonen der mensen liggend in jouw slijk, kun jij haar niet beschouwen als jouw zuster?

Martin Hietbrink

Eugenio Montale

Frans van Dooren

– 11 –


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

Gedachten over De paling Juist op de dag waarop ik aan het mijmeren was over de titel L’anguilla vertelde de nieuwslezer dat de Nederlandse regering besloten had de schuiven in de dam van de Haringvliet te openen, zodat de zalm erin en de aal eruit kon. En ik dacht: wat is er tegen ‘paling’, het woord dat we allemaal gebruiken? Anguilla heeft vier klankeffecten: de drie lettergrepen, de tegenstelling a-i, de /ng/ en de /ll/. ‘Paling’ heeft ze alle vier (als we de slotklinker van het Italiaans verwaarlozen), ‘aal’ maar één. Bovendien geeft het woord een allitteratie cadeau voor een eventueel binnenrijm (paaiende palingen). Er schijnen vijftig Engelse vertalingen te zijn, waaronder die welke begint met ‘Frigid ice-queen of the Baltic’ (van Jack Ross); het Nederlands heeft er nu twee: van Frans van Dooren [vD] en van Martin Hietbrink [H]. Deze laatste wil niet vergelijken, maar de lezer doet dat natuurlijk wel. Deze lezer deelt met vD de mening dat de vorm in de vertaling minstens zo belangrijk is als de inhoud, maar iedere lezer zal zijn eigen afwegingen maken. Een lezer van gedichten is als een detective en dan speelt vD vals: hij geeft de oplossing in het eerste woord (wijfjesaal), waar Montale wacht tot het laatste (sorella); immers, alle palingen maken de lange tocht naar de Sargassozee, niet alleen de wijfjes. In het gedicht vertrekken ze van de Oostzee (waarom, vertalers, het Baltische?) en gaan naar de bergbeken van de Romagna, waar in 1948 (het jaar waaruit het gedicht dateert) de herinnering aan de verwoestingen van oorlog en verzet nog levend is. Beide vertalers houden de basisstructuur van het gedicht aan, namelijk de dertig versregels die één lange zin vormen, maar alleen

vD probeert het metrum van afwisselend endecasillabi en settenari te imiteren. H hecht daar duidelijk niet aan; daardoor kan hij vers 21 aanvullen en een extra vers overhouden in het vierde en laatste deel. Montale zet ons in die lange zin op het verkeerde been: de anguilla, die het onderwerp lijkt te zijn, blijkt in de laatste regel een lijdend voorwerp (crederla sorella) en daardoor denken de vertalers dat de ‘tu’ op de iris slaat in plaats van op des dichters verre geliefde. In de woordkeus volgt vD mooi zijn poëtisch vertaalprogramma, waarbij klank en verstaanbaarheid boven precisie gaan; ook neemt hij vaak Montale’s klanken over, zo geulen voor ‘gorielli’ en kloven voor ‘botri’. Als H afwijkt is zijn keuze vaak bepaald door de betekenis van Montale’s woorden. Zo vertakking en haarvat voor sloot en greppel, de knoestige tak in plaats van brandhout, ondergedompeld voor liggend. vD mist hierbij de metafoor van de bloedsomloop, die we toch nodig hebben voor de interpretatie: de dichter probeert zich te vereenzelvigen met de geliefde tot in de diepste haarvaten. Gorielli, botri en bronchi verwijzen terug naar oudere poëzie, zoals Montale gewoon was te doen; bij vD natuurlijk niets daarvan. Wel accepteert hij de dubbele betekenis van ‘iris’, regenboog en poppetje van het oog, wat H nog wil parafraseren − onnodig, want Jacques Perk zette al Iris boven zijn regenbooggedicht. In het tweede deel, waar de visuele effecten, licht en beweging, van de paaiende palingen domineren gaat het mis bij H. Waar we bij vD voor frusta nog aan een zwiepende zweep kunnen denken, komen we voor de ‘roede’ van H uit bij ‘swaffelend’ om beweging aan te duiden−een term die

– 12 –

niemands bedoeling zal zijn. In het derde deel hebben we ‘morde l’arsura e la desolazione’, respectievelijk weergegeven als ‘verschroeiende hitte en troosteloosheid’(vD) tegenover ‘droogte en verlatenheid’(H); vanwege de klank prefereer ik de eerste vertaling, maar geen van beiden doet iets met ‘morde’, geplaatst onmiddellijk na en onder ‘vita’, zodat iedere Italiaanse poëzielezer hier een verwijzing naar ‘morte’ ziet. In het vierde deel is het belangrijk dat de zin goed begrepen wordt, want de gedachtegang is toch al moeilijk genoeg. De iris, die ‘jij’ laat stralen is ongeschonden; bij vD is niet duidelijk waar ‘stralend’ en ‘liggend’ op slaan en H. draait de zaak om: de iris laat ‘jou’ stralen. Tot slot vind ik ‘beschouwen’ niet mooi, waarom niet ‘niet als jouw zuster zien’? Ik ben hier nogal kritisch geweest, wat niet wegneemt dat het over het algemeen goede vertalingen zijn. Wel hoop ik dat het duidelijk is dat een nieuwe poging welkom is, en dat hoeft niet een verbetering van vD te zijn, zoals H lijkt te bedoelen. Sommige woorden kun je maar op één manier vertalen, maar voor andere is een frisse start misschien gelukkiger, en wie zelf dichter is, kan misschien denken aan een vrije weergave, zoals velen van de Engelse vertalers gedaan hebben. Ik heb er heel wat van gevonden door eenvoudig piena avversa aan te klikken. Waarbij ik vond ‘where it swims upstream down deep against the adverse tides’ (van Carlo Golino), wat mij veel beter met het Italiaans lijkt overeen te komen dan onze beide vertalingen. Minne de Boer


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

Giovanna Motta. Een moderne Nolthenius? Deze opzet is uitstekend te vergelijken met die van Origo, aan wiens Francesco di Marco Datini inmiddels een museum is gewijd in zijn stad, of aan de gestalten van Nolthenius. Originele bronnen, een personage-focalisator dat echt heeft bestaan in een zorgvuldig weergegeven realiteit. Zo’n perspectief stelt de auteur in staat om een schat aan informatie te presenteren op een lichte manier. Het boek is zonder twijfel een eerbetoon aan de talrijke Toscaanse kooplieden die in het laat-middeleeuwse en vroeg-moderne Europa een wezenlijke bijdrage leverden aan de verspreiding van de cultuur door middel van de handel. Deze bijdrage is behalve kwalitatief natuurlijk ook kwantitatief en de stijlfiguur die hier bij uitstek bij past is de elencatio. Er wordt nogal wat opgesomd in het boek. Een voorbeeld:

Twee romans (zo zijn de boeken getypeerd) schreef Giovanna Motta, hoogleraar Economische en Sociale Geschiedenis aan de Università la Sapienza in Rome. Baroni in camicia rossa (Firenze, Passigli, 2011) is net verschenen, met een uitstekende timing in dit jubileumjaar van de Italiaanse eenheid. Il mercante di panni (Firenze, Passigli, 2009) – waar wij ons hier op zullen concentreren – verscheen als eerste en in de titel lijkt die van Iris Origo’s Merchant of Prato te weerklinken. Deze keuze lijkt bewust, maar is ook aangereikt door de bron van Motta’s boek; het is gebaseerd op archiefmaterialen die zij bij haar wetenschappelijk onderzoek in het Archivio di Stato in Pisa is tegengekomen: de boekhouding van Tuccio Fieravanti, een jonge koopman die in 1521 naar Sicilië is vertrokken om in Messina en later Palermo het vak te leren. Aan de hand van zijn aantekeningen en die van andere bronnen uit de tijd, die lang niet alle van boekhoudkundige aard zijn maar het hele leven bestrijken, schetst de auteur een beeld van het leven in een handelsstad als Messina, maar ook in Venetië, Constantinopel en de andere steden die de jonge zakenman voor zijn werk bezoekt.

‘Nel Regno si contrattavano armi e archibugi che arrivavano da Milano, un gran numero di fucili con le fiaschette per la polvere, moschetti, corazze, munizioni (specie palle di tre quarti), ferri per i cavalli, insomma un equipaggiamento di tutto rispetto necessario per affrontare i nemici.’ (p. 26) [In het Koninkrijk Napels werd onderhandeld over wapens en haksebuksen uit Milaan, veel geweren met kruitflesjes, musketten, kurassen, munitie (vooral driekwartskogels), hoefijzers, kortom een respectabele uitrusting om de vijand het hoofd te bieden.] Belangrijk voor de lezer is inzicht te verwerven in procedures zoals het gecompliceerde systeem van betalingen en garanties waarop de handel stoelde. Motta’s boek geeft daar allerlei informatie over. Het leuke is dat de citaten uit gebruikte bronnen veelal letterlijk zijn overgenomen. Daarmee bedoel ik: in de schrijfwijze van de tijd, die in sterke mate fluctueerde in het gebruik van enkele en dubbele medeklinkers, van de nasalen n en m, elisies, gebruik van de h voor klinkers en dat van de k. Zo krijgt de tekst vaak de directheid van een authentiek archiefstuk. Een willekeurig gekozen citaatje: ‘S’à da trovare conpagni che seguono le merci imbarcate su’ lunghi viagi e c’è da ffare le operazioni che servono (..), ché s’ha da iscaricare i colli al porto e porli su – 13 –

altri mezi, in sui carri e insino sui muli’ (p. 43) [Je moet partners vinden om de koopwaar op lange zeereizen te volgen en je moet de nodige handelingen verrichten, want de colli moeten in de haven worden ontscheept en verladen op wagens en zelfs op muildieren.] De wat saaie constatering wordt zeker verlevendigd door het zestiende-eeuwse Italiaans. Het verhaal van Tuccio wordt afgezet tegen de grotere geschiedenis van zijn tijd, die van de opkomst van de reformatie in WestEuropa en – zou men kunnen zeggen – de internationalisering van een Europese economische ruimte met Italië en de Nederlanden als zwaartepunt. Toch laat het boek enige onduidelijkheden bestaan die storend kunnen werken. De eerste betreft de chronologie. Tuccio komt in april 1521 aan in Messina. Tot ver in het boek kunnen wij hem, ook aan de hand van de tekst, als jong beschouwen en daarmee de handeling als zich afspelend in de jaren 20 en 30 van de 16e eeuw. Het calvinisme in de Nederlanden wordt echter getypeerd als inmiddels stevig geworteld en in die jaren was daarvan nog geen sprake: Calvijn’s eerste boek, het commentaar op Seneca’s De clementia, dateert van 1532 en toen moest zijn hervorming nog beginnen. Er zijn verwijzingen naar de beeldenstorm (in Nederland en Frankrijk vooral in 1565) en ook – vóór in het boek – naar een brief van Filips II aan Titiaan (p. 34). Uitgaande van Filips’ troonsbestijging als koning van Spanje in 1555 is hier dus sprake van een anachronisme. Ook in kunsthistorisch opzicht zijn rare dingen te lezen. Tuccio zou in Palazzo Pitti in Florence schilderingen van Vasari hebben gezien (p. 103). Die zijn dan vermoedelijk verloren gegaan, anders dan die in Palazzo Vecchio. Maar Vasari is sowieso wat later actief dan de tijd van handeling (namelijk vooral vanaf de jaren 50 van de 16e eeuw). Omgekeerd wordt de kathedraal van Antwerpen eerst ‘de grootste Romaanse [romanica] kerk der Nederlanden’ genoemd (p. 133) en een paar regels eronder wordt de stijl als ‘brabantse gotiek’ getypeerd. Dezelfde bladzij geeft de enige tijdsaanduiding na de begindatum: ‘halverwege de zestiende eeuw’.


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

We gaan nog even verder: op p. 27 is sprake van het Turkse leger dat met agressieve bedoelingen van Zante naar Sicilië vaart. Zante was altijd Venetiaans, al betaalde de Serenissima een bepaalde periode een proforma-schatting aan de sultan, maar er was geen Osmaanse vlootbasis gevestigd. En op p. 53 is sprake van de Turkse verovering van Cyprus op de Venetianen, die weer in 157071 plaatsvond, dus vijftig jaar na Tuccio’s aankomst in Messina. Dit vuurwerk van chronologische gegevens die lukraak lijken te zijn bijeengebracht brengt de lezer in verwarring. Van een bewuste keuze van een romanpersonage dat als focalisator fungeert binnen een historische roman met een ruim tijdsbestek zoals (om zo maar wat titels te noemen waarin achter een personage een tijdperk wordt ontvouwd en geanalyseerd) Upton Sinclair’s Lanny Budd, Joseph Roth’s Radetzkymarsch of Aleksej Tolstoj’s Peter I is geen sprake. Sterker nog, er is geen enkele karakterontwikkeling van de hoofdpersoon zoals de roman als genre veronderstelt. Tuccio blijft een naam, een etiket, en de lezer heeft moeite de mens in hem te zien. Dat Motta hem en andere personages veelal teksten uit grootboeken of

journaals in de mond legt, helpt ook al niet om hem vlees en bloed te geven. Bij een kroeggesprek over vrouwen zegt een spreker ‘ze versmaden sapphische relaties niet’ (p. 68). Wel erg retorisch gezegd voor ‘ze doen het ook wel eens met elkaar’. Het is hier dat het boek in gebreke blijft een belofte in te lossen. Nolthenius (die overigens uitstekend in staat was tot het schrijven van romans, al zijn die inmiddels wat gedateerd) koos in werken als Duecento, Renaissance in mei of Een man uit het dal van Spoleto bewust níet voor de romanvorm, maar volgde een historisch personage van een zekere afstand. Dat gaf haar werk de primair de aard van documentaire, die werd verpersoonlijkt en verlevendigd door de verhalende inslag. Motta kiest voor de roman, maar wil daarin zoveel feiten verwerken dat het verhaal achterblijft bij de tijdsbeeldschildering. Nog een punt dat de Nederlandse lezer op het verkeerde been kan zetten is het door elkaar gebruiken van ‘olandese’ en ‘fiammingo’. Je weet nooit over wie de auteur het heeft. Er bestaat toch een woord als ‘neerlandese’ waarin alle provincies der Nederlanden, Noord en Zuid, elkaar tref-

fen? Ik ga ervan uit dat Motta de inwoners van beide gewesten in hun moderne identiteit bedoelt, maar soms blijft er enige onzekerheid. Bij de beschrijving van Brugge zegt een ‘olandese’, Jan Sbreghes, tegen de hoofdpersoon: ‘Na de laatste [overstroming] van ettelijke jaren geleden, is het ons gelukt om duizenden hectaren op het water terug te veroveren. Het lijkt vreemd, maar de stad heeft zich juist dankzij die overstromingen kunnen ontwikkelen’ (p. 128). Gaat het echt over de stad aan het Zwin? En was die rivier nu juist niet al geruime tijd voordien begonnen dicht te slibben? En is het correct de Antwerpse beurs als eerste in Europa te typeren (p. 116), terwijl de naam is afgeleid van het Huis Ter Beurze in Brugge? Wat ik persoonlijk mis, zijn noten en bibliografie. Nolthenius geeft trouw haar bronnen aan, bij Motta komt de informatie op niet na te trekken wijze uit de lucht vallen. Dat is vooral jammer in die associaties die min of meer nieuw zijn en behoren tot de geschiedschrijving van de vroeg-moderne tijd. Reinier Speelman

l u d m il l a* ha l e tt o p e r v oi:

Tweemaal Nicola Lagioia Riportando tutto a casa, Torino, Einaudi, 2009 Breng alles terug naar huis, trad. Jeroen De Keyser, Amsterdam, De Bezige Bij, 2010 Colgo l’occasione di una breve vacanza nel Salento per dedicarmi a un autore pugliese che le Ludmille non hanno ancora letto, ma che sicuramente vorranno aggiungere alla loro lista di lettura che durante le ultime sedute ha annoverato tra i libri letti Il peso della farfalla di Erri De Luca, Io e te di

Niccolò Ammaniti e XY di Sandro Veronesi. Per il prossimo incontro sarà in programma il bestseller Acciaio di Silvia Avallone. Forse si può davvero parlare di un boom della letteratura italiana recente in Olanda, come suggerisce il Groene Amsterdammer in un articolo del 2010 (si veda www.groene.nl/ 2010/33/schaamteloze-zwelgzucht), che conta tra gli scrittori di maggiore successo Paolo Giordano, Sandro Veronesi, Niccolò Ammaniti, Margaret Mazzantini, Alessandro Baricco, Silvia Avallone e Nicola Lagioia. Le attrattive sarebbero una combinazione di (giovani) talenti con una buona promozione editoriale, e di narrazioni di un’Italia di scandali, eccessi e di catastrofi ad alimentare l’immaginario dei lettori olandesi. Infatti, l’italianità di questi scrittori non risiede tanto nei loro

modelli letterari, quasi tutti stranieri e soprattutto anglossasoni (da Stevenson, Swift e Joyce a Tom Wolfe e Pynchon), quanto in un sentimento di sofferta appartenenza. Come canta Daniele Silvestri nella canzone ‘Io non mi sento italiano’ (sull’originale di Giorgio Gaber): ‘Io non mi sento italiano ma per fortuna o purtroppo lo sono’ (sul cd s.c.o.t.c.h. del 2011). Ma parliamo dunque del romanzo autobiografico di Nicola Lagioia, nato a Bari nel 1973 e di recente uno dei firmatari di un manifesto molto discusso portato avanti da una generazione di trentenni e quarantenni che intendono riformare il settore culturale seguendo le linee guida di ‘etica’ e di ‘qualità’. Si tratta del Manifesto TQ – chi ne vuole sapere di più può consultare il sito www.nazioneindiana.com/2011/07/ 27/documenti-tq/ – in cui tq sta per ‘trentaquaranta’, indicando quindi la generazione che ‘porta su di sé, per la prima

* Ludmilla come l’appassionata lettrice in Se una notte d’inverno un viaggiatore di Italo Calvino. Ludmilla è anche il nome di un club di lettura costituito da appassionate ‘Ludmille’ che vogliono far partecipi delle loro scoperte i lettori del Notiziario della Dante.

– 14 –


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

volta, il fardello di mutamenti storici che riguardano tutti, e in particolare i più giovani’. Riportando tutto a casa è un romanzo di formazione ambientato nella Bari degli anni Ottanta che potrebbe corrispondere a tali nobili propositi di etica e di qualità senza per questo tradursi in manifesto. La lettura mi ha ricordato Ferito a morte di Raffaele La Capria che raccontava invece la gioventù napoletana negli anni sessanta del boom economico e della speculazione edilizia. L’io narrante di Riportando tutto a casa nel 2008 ritorna alla sua città natale per fare una ricerca tra i suoi vecchi compagni di scuola per riuscire a capire la deriva a cui loro nel loro modo e i loro genitori in un altro, hanno assistito. Il sogno di libertà e dell’amore sconfinato dell’adolescenza finisce in una delle pagine più belle del libro in cui i due amanti, il protagonista e la bella Rachele, camminano nei colori sfolgoranti di un’apocalisse in atto e lei si congeda da lui dicendo: ‘Ma non capisci?’, parole che lo perseguiteranno come una maledizione: ‘che cosa mai dovrei capire? avrei continuato a chiederle nel tempo portando il nastro sempre più a ritroso man mano che il mondo ruotava nella direzione opposta’. La narrazione mette insieme dati storici contestuali degli anni ottanta – dal Reaganismo alla catastrofe di Chernobyl alla caduta del muro di Berlino, dagli show televisivi all’opulenza surreale dei neoricchi baresi – con le tragedie personali vissuti dai vari personaggi. Il padre dell’io narrante per esempio, nel giorno in cui scopre che i suoi affari si gestiscono da soli, cade vittima di una crisi di nervi dalla quale può solo guarire espugnando ogni ricordo di sapore neorealista. Ritorna a funzionare quando capisce che deve semplicemente tradurre la faticosa corsa contro il tempo nello jogging dei colletti bianchi: ‘il risultato era che mio padre accettava finalmente la vita! Era diventato un uomo di successo in un mondo che incominciava a fare del successo il valore di

scambio per ogni aspetto dei rapporti umani. A che valeva opporre ancora resistenza?’ Ma la gioventù è fatta di resistenza ai padri, di cui quello del protagonista è uno dei meno significanti, sono i padri di Vincenzo (Lombardi) e di Giuseppe (Rubino) a gestire le sorti della ricca borghesia, non senza l’aiuto oscuro della malavita barese. E a segnare, malgrado la loro indifferenza, le vite dei figli spensierati che con una minima presenza al liceo si perdono invece nelle interminabili feste in ville e apparta-

menti liberi dalla presenza dei genitori. Tutto questo mondo di svago e di prime scoperte sessuali si tramuta però in falsità posticcia al momento che Vincenzo, spinto dal suo odio verso il padre, si addentra nel quartiere malfamato di Japigia, seguendo le orme dell’autista e spacciatore lo Sghigno e portando con sé la combriccola di amici in cerca di limiti da travalicare. Inizia qui una discesa negli inferi vissuta come la scoperta di un’essenzialità liberatoria e insieme distruttiva. Il centro dell’azione diventa l’appartamento di Santo Petruzzelli in cui ragazzi di tutta l’Italia in cerca di esperienze forti si trovano per condividere la loro sensazione di essere giunti – 15 –

a una verità e si lasciano quando la dipendenza li riduce a tossici da ricoverare: ‘Io e Rachele in quel mondo iniziammo a starci benissimo. [...] Non ci sentimmo mai più solidali, più vicini, e forse non credemmo di poter essere insieme più felici di così. E non avvertivamo mai il bisogno di spiegarci niente: se eravamo tutti e due da questa parte, significava che nutrivamo un disprezzo finalmente credibile per quell’altra. La casa di Santo Petruzzelli diventò la garanzia del nostro amore e dei nostri ripetuti accoppiamenti’. C’è però chi diventa tutt’uno con il quartiere perdendo la possibilità di tornare alla ripudiata ‘altra’ parte, come Giuseppe, l’unico ‘puro’ in un mondo completamente artificiale, il regno dei ‘balocchi’ sostenuto dalla ditta Eurogarden del padre, che crollerà miseramente una volta che questi si ribella ai suoi mafiosi strozzini creditori. A trascinarlo nella sua rovina è stato il suo migliore amico Vincenzo, figlio dell’avvocato Lombardi, architetto e demolitore di ogni successo imprenditoriale, e Vincenzo, nonostante il suo odio filiale, porterà avanti l’attività del padre diventando un legale a sua volta. Per dire che esiste una razza di belli senz’anima che rimarrà sempre in una posizione dalla quale sia possibile manovrare altri più deboli trasformando le loro buone intenzioni in malaffari o in disfatte personali? Il protagonista nell’epilogo dice di aver scelto una professione ‘ammantata da un velo di fascinosa seppure innocua distinzione’, che potrebbe, perché no, rapportarsi al mondo dell’editoria. L’ultimo colloquio lo fa con Giuseppe che, perso tutto e forse anche in preda di una malattia terminale, rappresenta comunque quello stadio a cui aspiravano da adolescenti: un bastare a se stessi senza perché o percome: ‘Non si perde quello che non si è mai avuto, non si ha quello che non si è mai perso. E mi sembrò impossibile – semplicemente – riuscire a ragionare su qualche cosa di diverso’. Monica Jansen


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

uit d e his t orie v a n d e g ia l l o ita l ia no (4 )

Arnoldo Mondadori en sterauteur Varaldo

Uitgever Arnoldo Mondadori maakte carrière met drie eigenschappen: goede contacten met het regime, een fijne neus voor wat het publiek graag las en voorbeeldige marketing. Voor zijn publicaties maakte hij series die met een kleurnaam benoemd werden. In 1929 koos hij geel voor de nieuw te ontwikkelen serie detectives. Deze startte met vertaalde romans, maar in die jaren was het regime voor inheemse producten en vaardigde een oekaze uit dat een op de vijf romans van een serie een Italiaanse auteur moest hebben. Geen nood, Mondadori had een sterauteur, Alessandro Varaldo, die voor alle series beschikbaar was en in een paar maanden een nieuw boek kon schrijven. Hij ontbood Varaldo, vroeg hem of hij al een idee had voor een detective en waar die over zou gaan. Varaldo verzon ter plekke de titel Il sette bello, en improviseerde een intrige. Daarna ging hij het boek schrijven en enkele maanden later kwam hij met zijn bestseller. Wat voor boek is dat eigenlijk? Varaldo’s lijfspreuk was: Mai annoiare! Dat deed hij ook niet: het boek leest als een trein en blijft boeien. Qua genre is het het perfecte jongensboek. Een overjarig vriendenclubje speelt de hoofdrol, bestaande uit een eeuwige student die aan zijn derde laurea bezig is, een portretschilder, een majoor van de bersaglieri en een studente medicijnen, met de naam Maud. Ze komen regelmatig bij elkaar in Il Gambero verde (Varaldo kende zijn Pinocchio) en bespreken daar de toestand van de wereld. Later zal de commissaris, Bonichi, ook een soort honorair lid van het clubje worden. Om beurten zijn ze − vrienden en commissaris − de vertellers van het verhaal. Agatha Christie was bekend in Italië. De moord vindt dus plaats in een gesloten ruimte, waar overigens weinig mee gedaan wordt, en de vrienden worden naar die locatie gelokt via een mysterieuze huwelijksadvertentie.

Slachtoffers zijn een oudere vrouw die vermoord is en een meisje, dat later de zus van Maud blijkt te zijn, en dat, gelukkig voor de intrige, van de shock in een coma raakt. De dokters denken dat ze daar alleen uit kan komen door een grote emotie.

Arnoldo Mondadori

De wereld is overzichtelijk verdeeld in de goeden en de schurken. Tot de goeden behoren uiteraard de vrienden, maar ook het hele politieapparaat, ook al lijkt dat soms anders te zijn, bijvoorbeeld wanneer Bonichi van de zaak afgehaald lijkt te worden; later blijkt dat een list te zijn. De schurken worden geleid door een rijke principessa, die via haar geld invloedrijk is in ‘hoge kringen’. Beide partijen belagen elkaar, de student wordt beschoten en Maud wordt ontvoerd. Bonichi gelooft niet in de grijze celletjes van Poirot, maar beroept zich op il caso en de Voorzienigheid – we zitten vlak na het pact van Lateranen! In feite beloeren beide partijen elkaar; en de vrienden komen erachter dat Maud wordt vastgehouden op een landgoed van de principessa. Politie en carabinieri organiseren dan aldaar een oefencampagne en weten informatie te vinden waardoor ze de principessa kunnen arresteren en het slachtoffer bevrijden. Achteraf blijkt dat de hele intrige draaide om een louche erfeniskwestie, waarbij Maud en haar zus de princi– 16 –

pessa in de weg zaten. Eind goed al goed, de student krijgt zijn Maud en de majoor heeft door zijn goede zorgen de gunsten van zus Marcella verdiend. We zitten in de jaren van de consenso en ik heb dus oplettend gekeken naar politieke uitspraken. Die zijn er niet, al wordt er wel ergens gesproken over het nut van een krachtig bewind. Maar opvallend is de positieve rol van het politieapparaat en het brave christendom van de hoofdrolspelers. Voor toeristen die wel eens in Rome rondlopen is het een feest der herkenning: de personages bewegen zich in bekende gebieden, van de Piazza Navona tot de Via Nomentana; de misdaad werd gepleegd in een casamento van de woekerende nieuwbouw van die jaren. Bijfiguren spreken Romeins dialect en hebben Romeinse reacties. Is het een Italiaanse giallo, als alternatief voor de Engelse? Hij voldoet zeker niet aan de eisen van de scherpslijpers van de Engelse school: er zit een liefdeselement in, al doet dat wel wat puberaal aan, de vrienden zien sommige oplossingen in hun dromen, en het avonturenkarakter is sterker dan het rationele combineren en deduceren. De couleur locale zal wel het Maigret-effect zijn dat sommige commentatoren hier ontwaren. Als taalkundige geniet ik van het onbevangen vooroorlogse Italiaans, inclusief het voi waarmee de vrienden elkaar aanspreken en het lor signori, waarmee ze door de commissaris worden aangesproken. Ik las het in de serie Piccoli classici italiani van de Genovese uitgever De Ferrari; Varaldo heeft er nog veel meer geschreven, met dezelfde politiemensen, maar ik weet niet of ik er actief naar op zoek ga: het was aardig om te lezen, maar er moet ook nog wel wat anders zijn in de gialli van Mondadori. Minne de Boer


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

l o s a p e v a te c he … (1 2 )

Avere la coda di paglia/Een staart van stro hebben Men zegt dat iemand ‘la coda di paglia’ heeft wanneer hij (of zij) iets ondeugends heeft gedaan en daardoor een slecht geweten heeft. Er was eens een vos die in een val viel, maar een gedeelte van zijn staart bleef in de val hangen. Zoals we weten, zit de schoonheid van een vos nu net in de staart. De vos vond het verschrikkelijk om met een verminkte staart rond te lopen. Zijn vrienden besloten om een staart van stro voor hem te maken. Iedereen hield het geheim voor zich, behalve een jonge haan die het in vertrouwen aan een vriend vertelde en die

vriend nam weer iemand anders in vertrouwen enzovoort enzovoort. Uiteindelijk wist het hele dorp dat de staart van de vos van stro was gemaakt − ook de boeren. Om de vos weg te jagen besloten ze om kleine vuurtjes voor de kippenhokken aan te steken. En zo bleef de vos weg, bang om zich te verbranden. Elena Valbusa

Apostrofo 36

Tot de aardrijkskundige leenwoorden waarvan we een verband met Italië kunnen vermoeden behoren lava en lawine. Over de oorsprong weten we niet veel; het etymologisch woordenboek van het Nederlands geeft drie theorieën voor lava – het is een laat gedocumenteerd woord ergens uit de zeventiende eeuw – en voor lawine moeten we naar het Rhetoromaans uit het Zwitserse Graubünden kijken. Het Italiaanse etymologische woordenboek van Cortelazzo/Zolli verwijst voor lava naar Napels, wat natuurlijk niet zo verwonderlijk is, met de Vesuvius in de buurt, en voor lavina (in Italië ook valanga en slavina genoemd) naar Latijnse bronnen uit de vroege middeleeuwen. Beide woorden worden in verband gebracht met het Latijnse werkwoord labi, wat ‘vallen’ betekent. De Nieuwe Etymologie van Mario Alinei, op archeologische en vooral etnologische basis, is niet gelukkig met deze informatie. De voornaamste bezwaren zijn, als gebruikelijk bij duistere etymologieën, de late documentatie en de gemakkelijke identificatie van een bron op grond van vage klankovereenkomsten. Dit laatste is hier misschien minder opvallend; in beide gevallen valt er inderdaad wat, maar de klankontwikkelingen blijven wat vaag. De late documentatie is echter vernietigend: heeft er nooit eerder iemand wat

over die natuurverschijnselen gezegd? In het laatste nummer van Alinei’s blad Quaderni di semantica heeft de huidige hoofdredacteur, Francesco Benozzo, een nieuwe oplossing gepresenteerd, in een artikel genaamd ‘Totemnamen van het landschap: valanga, lavina, lava’. Allereerst zijn de betreffende natuurverschijnselen typische begrippen, waarmee de eerste vertegenwoordigers van wat Alinei noemt de homo loquens, ‘de sprekende mens’, werden geconfronteerd. Zij hadden daar geen wetenschappelijke theorieën over, maar bespraken de verschijnselen in een magische context. Die context kon veranderen in de loop van de eeuwen, in verband met de soort maatschappij waarin de mens georganiseerd was. In de vroegste jaren die wij archeologisch en etnologisch kunnen reconstrueren heerste het matriarchaat en werd alles wat in de natuur onbegrijpelijk was graag aan een mythische oude vrouw toegeschreven, een soort Vrouw Holle die op de bergtop zat en af en toe haar rokken uitschudde. De taalkundige heeft nu de oplossing bij de hand. Welke oude vrouw kan in verband gebracht worden met de woorden lava en lavina? Uiteraard is dat l’ava, het Latijnse woord voor grootmoeder, voorafgegaan door het lidwoord, illa ava in het Vulgair Latijn. Die smijt de hete steenbrokken naar beneden en een ander grootmoedertje de sneeuw in de bergen: avina kan natuurlijk het verkleinwoord zijn voor ava. De Nieuwe Etymologie is bij vaklieden omstreden en uiteraard is het gemakkelijk om – 17 –

wat lacherig te doen over deze laatste verklaring. Maar kijk wat je met etnologische gegevens kunt doen en met plaatsnamen in allerlei dialecten. Benozzo noemt allerlei bronnen op waarin de plaatselijke bevolking verwijst naar een boze oude vrouw. Ook zijn er veel dialecten waarin een ander woord voor ‘oude vrouw’ in plaatsnamen voorkomt waar lawines bij betrokken zijn. Ikzelf ben gewonnen voor Benozzo’s verklaring via woorden van het type maraveglia in de Franse Alpen, die traditioneel verklaard worden via mirabilia ‘wonderlijke zaken’, maar waarvoor Benozzo, via een Keltisch woord voor ‘groot’ een Grande Vecchia herkent. Ik heb zelf Alinei’s laatste boek besproken (in het voorlaatste nummer van Incontri) en zie veel positieve punten in de Nieuwe Etymologie, al heb ik niet de kennis om de archeologie en de folklore te controleren. Gezien de weerstanden die erdoor zijn opgeroepen bij vakgenoten (die niet altijd zachtzinnig worden aangesproken), durf ik geen uitspraak te doen over de verklaringen van onze woorden in toekomstige etymologische woordenboeken. Maar het minste wat ik kan zeggen is dat deze Vrouw Holle een nader onderzoek waard is. Het artikel van Benozzo zou eens grondig nagelezen moeten worden door een team bestaande uit een latinist, een folklorekenner en een geoloog. Onze Notiziario heeft soms de meest onvermoede lezers, dus wie weet? Minne de Boer


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

c he c os a bol l e in p e nt ol a ?

Risotto allo zafferano Risotto met saffraan Riso e piatti di riso sono un elemento costante nella cucina del Nord Italia. Mentre nei Paesi Bassi è nota la cottura del riso a secco, nel menu italiano si trova invece proprio il riso ‘bagnato’, il risotto. E’ molto importante scegliere il riso giusto. Per i risotti si usa tra l’altro Arborio, Vialone o riso Carnaroli. I risotti possono essere preparati con carne, pesce o al vegetariano, come il risotto allo zafferano. Questo è un piatto tipico della Lombardia ed è spesso confuso con il risotto alla milanese. Si somigliano molto, ma ci sono alcune differenze. La differenza più grande è che il risotto alla milanese classico contiene il midollo di bue. Il risotto allo zafferano è piu’ semplice da fare e anche molto gustoso. Potete servire il piatto come piatto principale, ma anche come contorno con, per esempio, la salsiccia e funghi saltati in padella. Buon appetito!

Portate: 4 (minimo) Tempo di preparazione e cottura: ca. 1 ora Ingredienti 1 litro di brodo vegetale o di carne 100 g di burro 1 cipolla, finemente tritata 350 g di riso per risotti (Carnaroli, Arborio o Vialone) 1 bicchiere di vino bianco (o rosso) ca. 2 grammi di zafferano, sciolto in un po’ di brodo 100 g di Parmigiano o Grana Padano, grattugiato

Elisabetta Cascino Meer heerlijke Italiaanse recepten op www.zitizitoni.nl

– 18 –

Fate sciogliere metà del burro in una casseruola e aggiungete la cipolla tritata. Continuate a mescolare fino a quando la cipolla non è diventata morbida. Unite il riso. Quando il riso ha assorbito bene il burro, bagnate il riso con il vino. Ogni volta che il liquido è quasi evaporato aggiungete sempre 2 mestoli di brodo caldo e continuate a mescolare. Dopo 10 minuti aggiungete lo zafferano. Quando il riso è al dente (il tempo di cottura dipende dal tipo di riso e sarà tra i 20 e i 40 minuti), aggiungete il formaggio grattugiato e il burro rimanente.


Dante Alighieri Utrecht • N O T I Z I A R I O • september 2011 – nummer 3

l’a ng ol o d e l l a l ing u a (1 8 )

Vendesi − Affittasi Se siete stati in Italia quest’estate, magari in qualche località di villeggiatura o anche nelle grandi città (vista la crisi), vi sarà senz’altro capitato di vedere affissi ad abitazioni, negozi o uffici i seguenti cartelli:

Si tratta infatti dei tipici annunci pubblicitari relativi ad offerte di vendita o di affitto di immobili, traducibili in olandese con ‘te koop’ e ‘te huur’. Il significato non pone

certo problemi agli studenti che però a volte mi chiedono di quale forma verbale si tratti esattamente. La risposta non è difficile. I verbi da cui partire sono, naturalmente, ‘vend-ere’ e ‘affitt-are’ (attenzione: il verbo ‘noleggiare’ è utilizzato solamente per la locazione di beni mobili, come automobili, imbarcazioni, biciclette ecc.). Come abbiamo visto in passato, la forma impersonale dei verbi si forma aggiungendo la particella pronominale ‘si’ alla terza persona singolare del verbo stesso. Nel nostro caso dovremmo trovare quindi ‘si vende’ e ‘si affitta’. Nell’italiano antico vigeva però una regola

Bed en Breakfast in Valpolicella

per cui le particelle pronominali costituite da una sola sillaba e prive di accento andavano obbligatoriamente unite al verbo a cui si accompagnavano, come avviene ancora, per esempio, nelle forme imperative ‘chiamami’, ‘diglielo’, ‘vacci’ ecc. ‘Vendesi’ e ‘affittasi’ possono quindi essere visti come un residuo di tale regola e sono entrati nell’uso comune. Altri esempi dello stesso fenomeno, usati sempre nel linguaggio degli annunci pubblicitari, sono ‘cercasi’ e ‘offresi’. Francesca Sfondrini

Appartement in Valpolicella te huur nabij Verona en het Gardameer

Bed en Breakfast ‘Le Cave’ ligt in het dorpje Prun, in de provincie Verona, ongeveer 6 km van Negrar, 15 km van Verona en 20 km van het Gardameer.

in een vrijstaande villa met grote tuin en boomgaard op 500 m hoogte, 16 km van Verona en ca. 20 km. van het Gardameer.

Het ligt aan de rand van de Valpolicellastreek, in het natuurpark van Lessinia met een uitzicht over de Povlakte waarachter je de Apennijnen kunt zien. Het ligt 580 m boven zeeniveau en heeft ’s zomers een buitengewoon aangename temperatuur.

Rustig gelegen te midden van de heuvels en wijngaarden in de streek Valpolicella. Geschikt voor 2 tot 4 personen.

De B&B beschikt over 3 tweepersoonskamers, met gemeenschappelijke badruimte, keukenhoek, balkon en garage.

Prijs voor 2 personen € 350,– per week, alles inbegrepen. Inlichtingen bij M.G. Schram, Leeuwarden, tel. 058 – 216 64 78, of bij K. Schram en Laura Pighi, Negrar, Verona (Italië), e-mail: kschram@libero.it tel. 0039 – 045 – 750 04 84

Desgewenst wordt het ontbijt geserveerd. Prijs per persoon € 35,–, inclusief ontbijt Famiglia Degani Telefoon (werk) 0039 – 045 – 600 01 03 Telefoon (huis) 0039 – 045 – 752 56 86 Mobiel (engels) 0039 – 347 – 294 86 33

– 19 –


Notiziario september 2011