Issuu on Google+

Uitbreiding van de RAW-systematiek

RAW-hoofdstuk 35 Verkeersregelinstallaties RAW-catalogus met resultaatsbeschrijvingen: Werkcategorie 26 - Kabelwerk (uitbreiding met subwerkcategorie 26.6) Werkcategorie 35 - Verkeersregelinstallaties

Standaard RAW Bepalingen: 22.0 - Grondwerken (uitbreiding met een VRI-bepaling) 26.0 - Kabelwerk (uitbreiding met VRI-bepalingen) 35.0 - Verkeersregelinstallaties, algemeen 35.1 - Verkeersregelinstallaties, verkeersregeltoestel 35.2 - Verkeersregelinstallaties, detectie 35.3 - Verkeersregelinstallaties, ondergrondse voorzieningen 35.4 - Verkeersregelinstallaties, bovengrondse voorzieningen 62.0 - Verkeersmaatregelen bij werk in uitvoering

Algemeen Besteksbestand RAW: 22.0 - Grondwerken, algemeen (uitbreiding met VRI-bepalingen) 35.0 - Verkeersregelinstallaties, algemeen 35.1 - Verkeersregelinstallaties, verkeersregeltoestel 35.4 - Verkeersregelinstallaties, bovengrondse voorzieningen 62.0 - Verkeersmaatregelen bij werk in uitvoering

Vastgesteld door de Raad voor het Infrabouwproces van CROW

1


CROW is het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. Deze not-for-profitorganisatie ontwikkelt, verspreidt en beheert praktisch toepasbare kennis voor beleidsvoorbereiding, planning, ontwerp, aanleg, beheer en onderhoud. Dit gebeurt in samenwerking met alle belanghebbende partijen, waaronder Rijk, provincies, gemeenten, adviesbureaus, uitvoerende bouwbedrijven in de grond-, water- en wegenbouw, toeleveranciers en vervoerorganisaties. De kennis, veelal in de vorm van richtlijnen, aanbevelingen en systematieken, vindt haar weg naar de doelgroepen via websites, publicaties, cursussen en congressen. CROW heeft zijn activiteiten gebundeld in zeven thema’s: - Openbare ruimte - Mobiliteit & Transport - Verkeerstechniek - Infrastructuur - Besteksregelgeving - Contractvormen - Bouwprocesmanagement

CROW Galvanistraat 1, 6716 AE Ede Postbus 37, 6710 BA Ede Telefoon (0318) 69 53 00 Fax (0318) 62 11 12 E-mail crow@crow.nl Website www.crow.nl

2


Eventuele opmerkingen kunt u schriftelijk doorgeven per e-mail, per post of per fax: e-mail: buiter@crow.nl post: CROW, t.a.v. ing. R. Buiter, Postbus 37, 6710 BA Ede. fax: CROW, t.a.v. ing. R. Buiter, telefoon 0318-621112. Bij voorkeur ontvangen wij uw opmerkingen per e-mail.

1 april 2007 Op de site www.crow.nl/raw kunt u het document ’Toelichting op de RAW-systematiek’ downloaden. In dat document is uitleg te vinden over de uitgangspunten van de RAW-systematiek, de resultaatsbeschrijvingen en de technische bepalingen. Copyright © 2007, CROW, Kennisplatform voor verkeer, vervoer en infrastructuur, Galvanistraat 1, 6716 AE Ede (telefoon 0318-695300). Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van bovengenoemde stichting, behoudens de beperkingen bij de wet gesteld. Het verbod betreft ook een gehele of gedeeltelijke bewerking. Het is verboden wijzigingen in de systematiek en de tekst aan te brengen. CROW en degenen die aan deze publicatie hebben meegewerkt, hebben een zo groot mogelijke zorgvuldigheid betracht bij het formuleren en redigeren van deze publicatie. Nochtans moet de mogelijkheid niet worden uitgesloten dat in deze publicatie toch onjuistheden voorkomen. Degene die van de publicatie gebruik maakt, aanvaardt daarvoor het risico. CROW sluit, mede ten behoeve van al degenen die aan deze publicatie hebben meegewerkt, iedere aansprakelijkheid uit voor schade die mocht voortvloeien uit het gebruik van deze publicatie.

3


INHOUDSOPGAVE VAN HET DOCUMENT Algemene toelichting Algemene toelichting

5

Resultaatsbeschrijvingen verkeersregelinstallaties Inhoudsopgave Resultaatsbeschrijvingen

6 8

Grondwerken, Algemeen Geen inhoudsopgave Aanvullende op de technische bepalingen

72

Kabelwerken, Algemeen Geen inhoudsopgave Aanvullende technische bepalingen

73

Verkeersregelinstallaties, Algemeen Inhoudsopgave Technische bepalingen

74 75

Verkeersregelinstallaties, Verkeersregeltoestel Inhoudsopgave Technische bepalingen

77 78

Verkeersregelinstallaties, Detectie Inhoudsopgave Technische bepalingen

87 88

Verkeersregelinstallaties, Ondergrondse voorzieningen Inhoudsopgave Technische bepalingen

91 92

Verkeersregelinstallaties, Bovengrondse voorzieningen Inhoudsopgave Technische bepalingen

94 95

Verkeersmaatregelen bij werk in uitvoering Geen inhoudsopgave Aanpassing in de technische bepalingen

99

Algemeen Besteksbestand RAW (ABB) Geen inhoudsopgave Technische bepalingen grondwerken Technische bepalingen verkeersregelinstallaties Technische bepalingen verkeersmaatregelen bij werk in uitvoering

4

100 100 106


ALGEMENE TOELICHTING De Initiatiefgroep Verkeersregeltechnici Rijkswaterstaat en Provincies (IVER, zie ook de website www.crow.nl/verkeerslichten) heeft in 1997 een herziene versie uitgebracht van het al lange tijd bestaande Standaard Bestek voor Verkeersregelinstallaties (SBV) en de daarbij behorende Eisen Verkeeersregelinstallaties (EV) uitgebracht. Bij het opstellen van deze herziene versie is de ASTRIN betrokken, teneinde ook bij het bedrijfsleven een breed draagvlak te creĂŤren. De SBV 1997 en de EV 1997 worden thans bij veel overheden in Nederland toegepast. De Initiatiefgroep Verkeersregeltechnici Rijkswaterstaat en Provincies (IVER) heeft in 2003 CROW verzocht voor de herziening van de EV 1997 een werkgroep op te richten. Dit heeft in 2004 geleid tot de oprichting van de paritair samengestelde RAW-regelgevingswerkgroep Verkeersregelinstallaties, die op basis van de EV 1997 binnen de RAW-systematiek het nieuwe navolgende RAW-onderdeel 35 Verkeersregelinstallaties heeft ontwikkeld.

5


INHOUDSOPGAVE VAN DE RESULTAATSBESCHRIJVINGEN WERKCATEGORIE 26 - GRONDKABEL 26.60

GRONDKABEL T.B.V. VERKEERSREGELINSTALLATIES.

26.60.01 26.60.02 26.60.03

Aanbrengen grondkabel tussen VRI-kast en masten. Aanbrengen grondkabel tussen VRI-kast en detectielussen/drukknoppen Aanbrengen grondkabel tussen VRI-kasten

m m m

WERKCATEGORIE 35 - VERKEERSREGELINSTALLATIES 35.10

VERKEERSREGELTOESTEL.

35.10.01 35.10.02 35.10.03 35.10.04 35.10.05 35.10.06 35.10.07 35.10.08 35.10.09 35.10.10 35.10.11 35.10.12 35.10.13 35.10.14 35.10.20 35.10.21 35.10.22 35.10.23

Aanbrengen verkeersregeltoestel. Aanbrengen verkeersregelprogramma. Aanbrengen voorzieningen t.b.v. signaalgroep. Aanbrengen apparaatuur t.b.v. detectie. Aanbrengen apparatuur t.b.v. selectieve detectie. Aanbrengen voorzieningen t.b.v. de koppeling met verkeersregeltoestellen. Aanbrengen voorzieningen t.b.v. overige koppelingen. Aanbrengen apparatuur t.b.v. communicatie. Aanbrengen voorzieningen t.b.v. uitgangen. Aanbrengen voorzieningen t.b.v. ingangen. Aanbrengen voorzieningen t.b. bewaking. Aanbrengen programmatuur t.b.v. het registreren van verkeersgegevens. Aanbrengen bedieningspaneel. Aanbrengen kast t.b.v. verkeersregeltoestel. Leveren sleutel voor kast t.b.v. verkeersregeltoestel. Leveren smeltveiligheden. Leveren communicatie-apparatuur. Leveren programmatuur t.b.v. communicatie-apparatuur.

35.20

DETECTIE.

35.20.01 35.20.02 35.20.03 35.20.04 35.20.05 35.20.06

Aanbrengen lussen t.b.v. niet-selectieve detectie. Aanbrengen lussen t.b.v. selectieve detectie. Boren gaten ter plaatse van voegovergangen in een betonverharding. Aansluiten detectielus op grondkabel. Aanbrengen apparatuur t.b.v. bovengrondse detectie. Aanbrengen antenne.

35.30

BOVENGRONDSE VOORZIENINGEN.

35.30.01 35.30.02 35.30.03

Aanbrengen mast. Aanbrengen zweepmast. Aanbrengen portaal.

st st st set st set set st set set set st st st st set st st

m m st st set set

st st st

6


35.30.04 35.30.05 35.30.06 35.30.07 35.30.08

Aanbrengen voorwaarschuwingssein. Aanbrengen drukknopmast. Aanbrengen opzetstuk. Aanbrengen knieopzetstuk. Aanbrengen neiginrichting t.b.v. verkeerslantaarn.

35.40

VERKEERSLANTAARNS.

35.40.01 35.40.02 35.40.03 35.40.04 35.40.05 35.40.06 35.40.07 35.40.08 35.40.09 35.40.10 35.40.11 35.40.12 35.40.13

Aanbrengen verkeerslantaarn. Aanbrengen tram/buslantaarn. Aanbrengen achtergrondschild t.b.v. verkeerslantaarn. Aanbrengen achtergrondschild t.b.v. tram/buslantaarn. Aanbrengen akoestische signaalgever. Aanbrengen drukknopschakelaar. Aanbrengen schemerschakelaar. Aanbrengen aansluitsnoer. Aanbrengen aanduiding bij drukknop. Aanbrengen codering bij verkeerslantaarn. Aanbrengen codering op grondkabels en snoeren. Aanbrengen putsarmatuur. Leveren lamp.

35.50

VERWIJDEREN VERKEERSREGELINSTALLATIES.

35.50.01 35.50.02 35.50.03 35.50.04 35.50.05 35.50.06 35.50.07 35.50.08

Verwijderen verkeerslantaarn. Verwijderen uithouder van zweepmast. Verwijderen ligger van portaal. Verwijderen mast. Verwijderen staander. Verwijderen drukknopmast. Verwijderen voorwaarschuwingssein. Verwijderen verkeersregeltoestel.

35.60

OVERIGEN.

35.60.01 35.60.02

Leveren documentatie verkeersregelinstallaties. Aansluiten verkeersregelinstallatie.

7

st st st st st

st st st st st st st m st st EUR st st

st st st st st st st st

EUR EUR


Grondwerken

hfd. par. art.

AANVULLING OP DE TECHNISCHE BEPALINGEN Aan deelhoofdstuk 22.0 van de Standaard 2005 wordt artikel 22.02.14 toegevoegd als volgt: 22.02.14

Grondwerk ten behoeve van verkeersregelinstallaties 01 Sleuven en gaten ten behoeve van het aanbrengen van verkeersregelinstallaties moeten zo snel mogelijk worden gedicht.

72


Kabelwerk

hfd. par. art.

AANVULLING OP DE TECHNISCHE BEPALINGEN Aan deelhoofdstuk 26.0 van de Standaard 2005 wordt artikel 26.02.07 en aan deelhoofdstuk 26.1 van de Standaard 2005 worden artikel 26.16.01 en artikel 26.16.02 toegevoegd als volgt: 26.0

KABELWERK, ALGEMEEN

26.02

EISEN EN UITVOERING

26.02.07

Aanbrengen grondkabels voor verkeersregelinstallaties 01 In grondkabels voor verkeersregelinstallaties mogen geen moffen worden toegepast. 02 Direct na het knippen van een grondkabel voor verkeersregelinstallaties moeten de kabeleinden waterdicht worden afgesloten. 03 Bij een kruising met een spoorweg moeten grondkabels voor verkeersregelinstallaties worden aangebracht volgens de voorschriften van de beheerder van de spoorweg, zoals deze drie maanden voor de dag van aanbesteding luiden. Bij een kruising met een tramweg moeten grondkabels voor verkeersregelinstallaties worden aangebracht volgens de voorschriften van de beheerder van de tramweg, zoals deze drie maanden voor de dag van aanbesteding luiden.

26.1

ENERGIEGRONDKABELS

26.16

EISEN EN UITVOERING

26.16.01

Grondkabels voor verkeersregelinstallaties 01 Grondkabels voor verkeersregelinstallaties moeten vrij van halogeen zijn.

26.16.02

Grondkabels voor detectielussen en drukknoppen 01 Grondkabels voor detectielussen en drukknoppen moeten zijn voorzien van een elektromagnetische afscherming en een beschermingsleiding. 02 Grondkabels voor detectielussen en drukknoppen moeten een aderdiameter van ten minste 0,8 mm hebben.

.

73


Verkeersregelinstallaties, algemeen

hfd. par. art.

INHOUDSOPGAVE VAN DE TECHNISCHE BEPALINGEN 35

VERKEERSREGELINSTALLATIES

35.0

ALGEMEEN

35.01

BEGRIPPEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.02

EISEN EN UITVOERING

35.02.01 35.02.02

Uitzetten van het werk In werking stellen van een verkeersregelinstallatie voor het verkeer

35.03

INFORMATIE-OVERDRACHT

35.03.01

Van toepassing zijnde bepalingen

35.04

RISICOVERDELING EN GARANTIES

35.04.01

Garanties

35.05

BIJBEHORENDE VERPLICHTINGEN

35.05.01 35.05.02 35.05.03

Maatregelen in het belang van het verkeer Keuring van verkeersregelinstallaties Onderrichten van personeel van de opdrachtgever

35.06

BOUWSTOFFEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.07

MEET- EN VERREKENMETHODEN

35.07.01 35.07.02

Beproeving van een verkeersregelinstallaties Opneming en oplevering van het werk

74


Verkeersregelinstallaties, algemeen

hfd. par. art.

35

VERKEERSREGELINSTALLATIES

35.0

ALGEMEEN

35.01

BEGRIPPEN

35.02

EISEN EN UITVOERING

35.02.01

Uitzetten van het werk 01 Het uitzetten van het werk moet geschieden in aanwezigheid van de directie.

35.02.02

In werking stellen van een verkeersregelinstallatie voor het verkeer 01 Een verkeersregelinstallatie mag pas voor het verkeer in werking worden gesteld, nadat de directie zich akkoord heeft verklaard met de in het verkeersregeltoestel aangebrachte verkeersregeling.

35.03

INFORMATIE-OVERDRACHT

35.03.01

Van toepassing zijnde bepalingen 01 In afwijking van het bepaalde in artikel 01.01.01 lid 01 van deze Standaard zijn in hoofdstuk 35 van deze Standaard van toepassing de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van Technische Installatiewerken 1992 (U.A.V.T.I. 1992).

35.04

RISICOVERDELING EN GARANTIES

35.04.01

Garanties 01 De aannemer garandeert schriftelijk, uiterlijk bij de oplevering van het werk, verkeersregelinstallaties voor een periode van 24 maanden. In afwijking van paragraaf 22 lid 4 van de U.A.V.T.I. 1992 geldt de garantie vanaf de datum van oplevering. 02 De aannemer garandeert schriftelijk, uiterlijk bij de oplevering van het werk, portalen, zweepmasten, masten, drukknopmasten, opzetstukken, knieopzetstukken en neiginrichtingen voor een periode van 10 jaar. In afwijking van paragraaf 22 lid 4 van de U.A.V.T.I. 1992 geldt de garantie vanaf de datum van oplevering. 03 De aannemer garandeert schriftelijk, uiterlijk bij de oplevering van het werk, het schilderwerk van bovengrondse voorzieningen voor een periode van 5 jaar. In afwijking van paragraaf 22 lid 4 van de U.A.V.T.I. 1992 geldt de garantie vanaf de datum van oplevering. Deze garantie is lineair per jaar aflopend.

75


Verkeersregelinstallaties, algemeen

hfd. par. art.

35.05

BIJBEHORENDE VERPLICHTINGEN

35.05.01

Maatregelen in het belang van het verkeer 01 De aannemer draait niet in werking zijnde verkeerslantaarns van een in bedrijf zijnde verkeersregelinstallatie op zodanige wijze weg, dat het voor alle verkeersdeelnemers duidelijk is dat die verkeerslantaarns geen deel uitmaken van de in bedrijf zijnde verkeersregelinstallatie. De niet in werking zijnde verkeerslantaarns mogen ook volledig worden afgedekt met lichtblauw materiaal.

35.05.02

Onderrichten van personeel van de opdrachtgever 01 De aannemer stelt vóór of direct na de opneming van een verkeersregelinstallatie op een in overleg met de directie te bepalen datum, voor zijn rekening, gedurende één werkdag een op alle onderdelen van die verkeersregelinstallatie deskundig persoon ter beschikking om de personen, die door de opdrachtgever met bediening en onderhoud worden belast, vertrouwd te maken met de verkeersregelinstallatie.

35.06

BOUWSTOFFEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.07

MEET- EN VERREKENMETHODEN

35.07.01

Beproeving van een verkeersregelinstallatie 01 De aannemer voert de beproeving van een verkeersregelinstallatie overeenkomstig paragraaf 8a van de U.A.V.T.I. 1992 uit. De beproeving moet ten minste drie aaneengesloten uren duren, waarbinnen ten minste één volledige spitsperiode is opgenomen. 02 In aanvulling op het bepaalde in paragraaf 8a van de U.A.V.T.I. 1992 vraagt de aannemer voor de beproeving van een verkeersregelinstallatie vooraf toestemming aan de directie, als bij de beproeving signalen zichtbaar worden voor het verkeer.

35.07.02

Opneming en oplevering van het werk 01 In afwijking van het bepaalde in paragraaf 9 lid 2 van de U.A.V.T.I. 1992 deelt de directie de dag en het tijdstip van opneming van het werk uitsluitend op verzoek van de aannemer schriftelijk mee. 02 In aanvulling op het bepaalde in paragraaf 9 lid 7 van de U.A.V.T.I. 1992 moeten kleine gebreken binnen 30 werkdagen na de datum van oplevering worden hersteld. Voor elke werkdag waarmee deze termijn wordt overschreden, kan een korting van € 450,- op de aannemingssom worden toegepast.

76


Verkeersregeltoestel

hfd. par. art.

INHOUDSOPGAVE VAN DE TECHNISCHE BEPALINGEN 35

VERKEERSREGELINSTALLATIES

35.1

VERKEERSREGELTOESTEL

35.11

BEGRIPPEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.12

EISEN EN UITVOERING

35.12.01 35.12.02 35.12.03 35.12.04

Aanbrengen van kastvoet Aanbrengen van verkeersregelinstallaties Verkeersregelprogramma Bediening en communicatie

35.13

INFORMATIE-OVERDRACHT (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.14

RISICOVERDELING EN GARANTIES (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.15

BIJBEHORENDE VERPLICHTINGEN

35.15.01 35.15.02 35.15.03 35.15.04

Bedienings- en onderhoudsvoorschriften van verkeersregelinstallaties Revisietekeningen en bijbehorende stuklijsten van verkeersregelinstallaties Keuring van verkeersregeltoestellen Vullen van de kastvoet

35.16

BOUWSTOFFEN

35.16.01 35.16.02

Kasten Verkeersregeltoestel

35.17

MEET- EN VERREKENMETHODEN

35.17.01

Keuring en beproeving van een verkeersregeltoestel

77


Verkeersregeltoestel

hfd. par. art.

35

VERKEERSREGELINSTALLATIES

35.1

VERKEERSREGELTOESTEL

35.11

BEGRIPPEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.12

EISEN EN UITVOERING

35.12.01

Aanbrengen van een kastvoet 01 De onderkant van de kastvoet moet zich ten minste 70 cm onder het maaiveld bevinden. De bovenkant van de kastvoet moet ten minste 10 cm boven het maaiveld uitsteken.

35.12.02

Aanbrengen van verkeersregelinstallaties 01 Verkeerslantaarns van één verkeersregelinstallatie moeten tijdens de geelknipperfase synchroon knipperen. 02 Voordat regeltoestand 2 kan worden ingeschakeld moeten de voorwaarschuwingsseinen 15 seconden hebben geknipperd. 03 Bij toepassing van roodlichtcamera’s moeten de benodigde geel- en roodstuursignalen afzonderlijk op de klemmenstrook worden aangeboden. 04 De uitgangsspanning van de signaalgroepen moet zodanig zijn dat de verkeerslichten, als de dimstand niet is ingeschakeld, te allen tijde voldoen aan de eisen betreffende lichtuitstraling volgens de vigerende normen. Verkeerslichten moeten kunnen worden gedimd. De dimstand moet in de apparatuur kunnen worden in- en uitgeschakeld door middel van een potentiaalvrij contact. Voor verkeerslichten, waarvan de lichtuitstraling traploos wordt aangepast door het verlagen of verhogen van de signaalgroepspanning, moet die spanning kunnen worden verlaagd of verhoogd in stappen van 2 seconden met ten hoogste 3 V per stap. Voor verkeerslichten waarvan de lichtuitstraling niet traploos wordt aangepast, moet de dimstand kunnen worden in- en uitgeschakeld door het omschakelen van de signaalgroepspanning naar een lagere of hogere waarde, volgens het ASTRIN-document 'Richtlijn voor de toepassing van nieuwe lamptypen in verkeersregelinstallaties. Grensvlakdefinities', zoals dat document drie maanden voor de dag van aanbesteding luidt.

35.12.03

Verkeersregelprogramma 01 Alle parameters van het verkeersregelprogramma, met uitzondering van alle garantietijden, moeten afzonderlijk regelbaar zijn tijdens alle verkeerstechni-

78


Verkeersregeltoestel

hfd. par. art.

sche toestanden volgens NEN 3384 'Verkeersregelinstallaties. Aanvullende eisen'. Bij spanningsuitval moeten de laatst vastgelegde waarde van alle parameters ten minste ĂŠĂŠn week worden bewaard. Alle garantietijden moeten in het verkeersregelprogramma op een zodanige manier worden vastgelegd, dat de persoon, die het verkeersregeltoestel op locatie bedient, de vastgelegde waarden niet kan wijzigen. 02 Het tijdsverschil tussen het ontvangen van een ingangssignaal en het na verwerken van dit signaal versturen van een uitgangssignaal mag ten hoogste 0,3 seconde zijn. 03 Zowel het continue-melden als het continue-niet-melden van de detectoren en drukknoppen moet worden vastgesteld door de detectiebewaking. In de detectiebewaking moet voor elke detector en elke drukknop een aparte parameter aanwezig zijn om het continue-melden of continue-niet-melden te kunnen vaststellen. De parameters voor het continue-melden moeten regelbaar zijn van 0 tot 240 minuten bij een stapgrootte van ten hoogste 1 minuut. De parameters voor het continue-niet-melden moeten regelbaar zijn van 0 tot 240 uren bij een stapgrootte van ten hoogste 1 uur. Bij het opkomen van de detectiebewaking moet een melding in het verkeersregeltoestel worden gegeven en moet een lichtindicatie op het bedieningspaneel gaan branden. Bij het afvallen van de detectiebewaking moet een melding in het verkeersregeltoestel worden gegeven en moet de lichtindicatie op het bedieningspaneel doven. 04 De fasecyclusafhandeling bevat een fasebewaking. Van elke fasecyclus moet de roodtijd na aanvraag worden gemeten (de fasebewakingtijd). Bij het bereiken van de instelbare maximum bewakingtijd moet de fasebewaking opkomen. Het aantal fasebewakingen moet met behulp van een teller worden bijgehouden. Bij het opkomen van een fasebewaking moet het verkeersregeltoestel alle signaalgroepen naar rood sturen, waarna de teller met 1 moet worden opgehoogd. Daarna moet het regelen worden hervat. Als de teller een instelbaar maximum overschrijdt, moet het verkeersregeltoestel via regeltoestand 4 overschakelen naar regeltoestand 1. Bij elke ophoging van de teller moet de laatste status van het regelprogramma in een gangbaar formaat worden opgeslagen; dit wordt de dump genoemd. In de dump moeten alle variabelen worden gelogd op het moment van fasebewaking. Daarnaast moet de dump een historisch overzicht bevatten van alle interne fasecyclustoestanden tot ten minste een kwartier voor de fasebewaking. Het verkeersregeltoestel mag ten behoeve van het opslaan ten hoogste 60 seconden op rood blijven staan. In een uitleesbaar ringbuffer moeten ten minste 3 dumps worden bewaard. Vanaf de vierde dump moeten de drie meest recente dumps worden bewaard. De dumps moeten uit het geheugen zijn te wissen. Een dump moet in alle regeltoestanden eenvoudig uit het ringbuffer zijn te lezen via de aansluiting voor het externe communicatieapparaat op het bedie-

79


Verkeersregeltoestel

hfd. par. art.

ningspaneel. Als de teller van het aantal fasebewakingen groter is dan 0, moet de lichtindicatie op het bedieningspaneel gaan functioneren. Als de teller van het aantal fasebewakingen wordt gereset, moet de lichtindicatie op het bedieningspaneel worden uitgeschakeld. 05 In aanvulling op NEN-EN 12675 'Verkeersregelapparatuur. Functionele- en veiligheidseisen' moet het afvallen van fatale storingen en het afvallen van niet-fatale storingen met datum en tijd in het verkeersregeltoestel worden opgeslagen. Eveneens moeten de volgende gebeurtenissen met datum en tijd in het verkeersregeltoestel worden opgeslagen: - het opkomen en afvallen van de fasebewaking, de detectiebewaking en de lampbewaking; - het uitvallen van de netspanning en het weer aanwezig zijn van de netspanning; - de overgang van regeltoestand 1 naar regeltoestand 3; - de overgang van regeltoestand 3 naar regeltoestand 1. Ten minste 1000 gebeurtenissen moeten in een gangbaar formaat in een uitleesbaar ringbuffer kunnen worden opgeslagen. Bij het uitvallen van de netspanning moeten alle gegevens ten minste ĂŠĂŠn week worden bewaard. De gegevens uit het ringbuffer moeten in alle regeltoestanden zijn te lezen via de aansluiting voor het externe communicatie-apparaat op het bedieningspaneel. 06 In het verkeersregelprogramma moet een softwareschakelklok aanwezig zijn, waaraan kan worden gerefereerd. 35.12.04

Bediening en communicatie 01 De hoofdschakelaar bevindt zich in het compartiment voor de energievoorziening. De werkschakelaar bevindt zich in het compartiment voor de energievoorziening of in het compartiment voor de bediening. Op het bedieningspaneel in het compartiment voor de bediening bevinden zich de schakelaars, zoals aangegeven in tabel T 35.1. Tabel T 35.1 Schakelaars en kleuren van schakelaars schakelaar doven geelknipperen alles rood regelen fixeren putsarmatuur klokoverbrugging

kleur van de schakelaar grijs geel rood groen blauw zwart of wit zwart of wit

80


Verkeersregeltoestel

hfd. par. art.

De schakelaars moeten in de standen 'in' en 'uit' kunnen worden gezet. In de stand 'uit' moet de schakelaar geen invloed hebben. De schakelaar 'fixeren' moet automatisch in de stand 'uit' worden gezet, als de deur van het compartiment van de bediening gesloten wordt. De schakelaars 'geelknipperen', 'alles-rood' en 'regelen' moeten onderling zijn vergrendeld. Het in de stand 'in' zetten van één van deze schakelaars moet automatisch leiden tot het in de stand 'uit' zetten van de twee andere schakelaars. Bij het uitvallen van de spanning moet de stand van deze schakelaars worden gehandhaafd. Na het openen van het compartiment voor de bediening moeten alle schakelaars direct en met één handeling zijn te bedienen. 02 Als de schakelaar 'doven' in de stand 'in' wordt gezet, moeten de verkeerslantaarns direct doven. Als de schakelaar 'geelknipperen' in de stand 'in' wordt gezet, moet de verkeersregeling overgaan naar toestand 1. Als de schakelaar 'alles rood' in de stand 'in' wordt gezet, moeten alle signaalgroepen naar rood worden gestuurd, met uitzondering van de regeltoestand 5 . Als de schakelaar 'regelen' in de stand 'in' wordt gezet, moet het verkeersregeltoestel naar toestand 3 gaan, tenzij andere voorwaarden aangeven dat het verkeersregeltoestel naar toestand 1 moet gaan. 03 Als de deur van het bedieningpaneel is gesloten, moet de schakelaar 'fixeren' in de stand 'uit' staan. Als het verkeersregelprogramma in specificaties is vastgelegd, mogen geen groen-geel overgangen van de signaalgroepen plaatsvinden als de schakelaar ‘fixeren’ in de stand 'in' staat en de verkeersregeling zich in toestand 3 bevindt. 04 Als de schakelaar 'putsarmatuur' wordt bediend tijdens het gedoofd zijn van het putsarmatuur, moet het putsarmatuur gedurende 5 seconden gaan branden. Als de schakelaar 'putsarmatuur' wordt bediend tijdens het branden van het putsarmatuur, moet het putsarmatuur doven. 05 De schakelaar 'klokoverbrugging' heeft de standen 'klokoverbrugd' en 'klokniet-overbrugd'. In de stand 'klokoverbrugd' mogen de schakelmogelijkheden van de klok voor de regeltoestanden 1 en 3 niet worden gebruikt. In de stand 'klok-niet-overbrugd' moet het verkeersregeltoestel op de in- en uitschakelmogelijkheden van de klok reageren. 06 Voor elke detector, drukknop of in het bestek vermeld ingangssignaal moet een driestandenschakelaar aanwezig zijn. Deze schakelaar moet de standen 'uit', 'in' en 'simulatie' hebben. In de stand 'uit' moet het signaal zijn geblokkeerd of onderbroken of uit staan. In de stand 'in' moet de detector of de drukknop of het in het bestek vermelde ingangssignaal verkeersafhankelijk werken. In de stand 'simulatie' moet een melding worden gesimuleerd. Het in de stand 'simulatie' of 'uit' zetten van de driestandenschakelaar mag niet leiden tot een storingsmelding.

81


Verkeersregeltoestel

hfd. par. art.

07 De communicatie met het verkeersregeltoestel moet op directe en functionele wijze plaatsvinden. De in het verkeersregelprogramma gebruikte parameters moeten met hun in het verkeersregelprogramma gespecificeerde naam zijn te benaderen. Het aantal karakters dat per naam moet worden ondersteund is ten minste 20. De communicatie met het verkeersregeltoestel moet beveiligd zijn tegen onbevoegd gebruik. De voor deze communicatie benodigde apparatuur is onderdeel van het verkeersregeltoestel. De aansluiting voor een extern communicatie-apparaat moet zich bevinden op het bedieningspaneel. 08 Als een in dit artikel vermelde schakelaar, met uitzondering van de in lid 06 genoemde schakelaars, in de stand 'in' staat, moet dit met behulp van een lichtindicatie op, in of nabij die schakelaar worden weergegeven. Als een in lid 06 genoemde schakelaar in de stand 'simulatie' staat, moet dit met behulp van een lichtindicatie op, in of nabij die schakelaar worden weergegeven. Als een in lid 06 genoemde schakelaar in de stand 'in' staat, moet de bijbehorende lichtindicatie worden geactiveerd tijdens een automatisch melding of signaal van de detectielus, de drukknop of het ingangssignaal, behorend bij deze schakelaar. 09 Bij elke schakelaar moet in Nederlandse tekst de functie en eventuele nummering van deze schakelaar worden weergegeven. 35.13

INFORMATIE-OVERDRACHT (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.14

RISICOVERDELING EN GARANTIES (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.15

BIJBEHORENDE VERPLICHTINGEN

35.15.01

Bedienings- en onderhoudsvoorschriften van verkeersregelinstallaties 01 De aannemer verstrekt de directie de in de Nederlandse taal gestelde bedienings- en onderhoudsvoorschriften van door hem aangebrachte verkeersregelinstallaties. Deze voorschriften omvatten ten minste: - een omschrijving van de werking en de bediening van de verkeersregelinstallatie met de benodigde schema’s; - een opgave van de onderdelen van de verkeersregelinstallatie, waaraan periodiek onderhoud moet worden verricht, met de omschrijving van de te verrichten werkzaamheden en de daarbij te gebruiken hulpmiddelen; - technische documentatie van de voornaamste onderdelen van de verkeersregelinstallatie; - programmalistings van alle broncode van het verkeersregelprogramma; - programmalistings met alle parameterinstellingen van het verkeersregelprogramma.

82


Verkeersregeltoestel

hfd. par. art.

02 De aannemer verstrekt de bedienings- en onderhoudsvoorschriften als bedoeld in lid 01 uiterlijk op de dag van opneming van het werk dan wel op de dag van ingebruikneming, als die eerder plaatsvindt dan de opneming. 35.15.02

Revisietekeningen en bijbehorende stuklijsten van verkeersregelinstallaties 01 De aannemer maakt revisietekeningen en bijbehorende stuklijsten van verkeersregelinstallaties en verstrekt deze uiterlijk 30 werkdagen na de dag van opneming dan wel de dag van ingebruikneming van de verkeersregelinstallatie aan de directie. De revisietekeningen en bijbehorende stuklijsten moeten de gegevens bevatten die nodig zijn voor het in bedrijf houden, herstellen, zo nodig veranderen en bestellen van onderdelen van de verkeersregelinstallatie, zoals: - verkeersregeltoestellen; - portalen, zweepmasten, masten en drukknopmasten; - opzetstukken en knieopzetstukken; - neiginrichtingen; - verkeerslantaarns, verkeerslichtlampen en signaalgevers; - detectielussen, detectievoorzieningen en drukknopschakelaars; - grondkabels en leidingen; - mantelbuizen en moffen. 02 Alle tijdens de onderhouds- of servicetermijn aangebrachte veranderingen, zowel in de materialen als in de verkeersregeling, moeten in de revisietekeningen en bijbehorende stuklijsten worden opgenomen. De gewijzigde revisietekeningen en stuklijsten moeten uiterlijk binnen 30 werkdagen na de aangebrachte veranderingen aan de directie worden geleverd. 03 Eén volledige set van de documentatie op papier, gebonden in een viergatsordner en voorzien van inhoudsopgave en tabbladen, opbergen in de kast van het verkeersregeltoestel. De tekeningen in deze ordner opbergen in een plastic hoes.

35.15.03

Keuring van verkeersregeltoestellen 01 Een verkeersregeltoestel moet zijn voorzien van een keuringsdocument, waaruit blijkt dat het aangebrachte type voldoet aan de veiligheidseisen uit de wettelijke ’Regeling verkeerslichten’. Het keuringsdocument mag zijn een keuringscertificaat, dat is afgegeven door een certificatie-instelling, die daarvoor door een nationale accreditatieinstelling (in Nederland: Raad voor Accreditatie) op basis van NEN-ENISO/IEC 17020 ’Algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren’ voor veiligheidskeuringen is geaccrediteerd of het keuringsdocument mag zijn een bewijs van goedkeuring, dat is afgegeven door een door de directie geaccepteerde onafhankelijke keuringsinstelling.

83


Verkeersregeltoestel

hfd. par. art.

35.15.04

Vullen van de kastvoet 01 De kastvoet moet vanaf de onderkant tot 30 cm onder de bovenkant worden gevuld met zuiver draineerzand. Van daar af tot aan de bovenkant van de kastvoet moet deze worden gevuld met korrels die niet wateropnemend, niet elektrisch geleidend, niet brandbaar, chemisch neutraal en biologisch onschadelijk zijn.

35.16

BOUWSTOFFEN

35.16.01

Kasten 01 De apparatuurkast bestaat uit ten minste drie compartimenten, te weten een compartiment voor de apparatuur, een compartiment voor de bediening en een compartiment voor de energievoorziening. Elk compartiment is uitsluitend toegankelijk via een eigen buitendeur. Het compartiment voor de bediening moet een voorziening voor het plaatsen en gebruiken van een draagbare computer hebben. 02 De buitendeur van elk compartiment moet zijn voorzien van een slot. Voor het openen en sluiten van een buitendeur moeten naast de sleutel voor het slot geen andere hulpmiddelen nodig zijn. 03 De kast moet van metaal zijn. De kast, met inbegrip van de buitendeuren, moet stabiel zijn en ook in geopende toestand bij normaal gebruik niet zichtbaar verwringen. 04 De kastvoet moet zijn gemaakt van beton of roestvast staal. De stabiliteit van de kast en de kastvoet moet voldoende zijn gewaarborgd. 05 In de kastvoet moeten voorzieningen aanwezig zijn voor de kabelinvoer op ten minste 60 cm onder het maaiveld. 06 In het compartiment voor de apparatuur moet een deugdelijk opbergvak voor documentatie aanwezig zijn, dat duurzaam is aangebracht. Het opbergvak moet voldoende groot zijn voor de documentatie, die door de aannemer in de kast moet worden achtergelaten.

35.16.02

Verkeersregeltoestel 01 De groepenverdeelkast moet uit ten minste 4 groepen bestaan voor het afzonderlijk aansluiten van de verkeerslantaarns, de wandcontactdoos volgens NEN 3384 'Verkeersregelinstallaties. Aanvullende eisen', regelapparatuur en overige apparatuur. 02 In het compartiment voor de apparatuur moet een dubbele wandcontactdoos zijn aangebracht. In het compartiment voor de bediening moet een enkele wandcontactdoos zijn aangebracht. Deze wandcontactdozen worden be-

84


Verkeersregeltoestel

hfd. par. art.

schouwd als de wandcontactdoos, zoals in NEN 3384 'Verkeersregelinstallaties. Aanvullende eisen' genoemd. De tot het verkeersregeltoestel behorende apparatuur mag niet door middel van deze wandcontactdozen worden gevoed. 03 Voor de aansturing van het geelknipperen van voorwaarschuwingen moet een afzonderlijke knippervoorziening in het verkeersregeltoestel zijn aangebracht. 04 Als een verwarmingselement is aangebracht in het compartiment voor de apparatuur, moet dit worden geschakeld door middel van een thermostaat. 05 In het compartiment voor de apparatuur én het compartiment voor de bediening moet vast opgestelde verlichting zijn aangebracht. In het compartiment voor de bediening moet een deurschakelaar voor het schakelen van de verlichting zijn aangebracht. De verlichting mag niet branden als alle buitendeuren zijn gesloten. 35.17

MEET- EN VERREKENMETHODEN

35.17.01

Keuring en beproeving van een verkeersregeltoestel 01 Een verkeersregeltoestel moet ten minste 3 weken vóór de datum, waarop de verkeersregelinstallatie voor het verkeer in werking wordt gesteld, volgens paragraaf 18 van de U.A.V.T.I. 1992 zijn gekeurd en volgens paragraaf 8a van de U.A.V.T.I. 1992 zijn beproefd. De keuring en de beproeving vinden plaats in Nederland in het bedrijf van de leverancier. De directie moet het verkeersregeltoestel ten minste 1 week vóór de datum, waarop de verkeersregelinstallatie voor het verkeer in werking wordt gesteld, kunnen goedkeuren. 02 Een verkeersregeltoestel moet ten behoeve van de keuring, als bedoeld in lid 1 van paragraaf 18 van de U.A.V.T.I. 1992, volledig zijn gemonteerd en op een zodanige wijze zijn aangesloten dat de stand van de signaalgroepen in kleur zichtbaar is op een ondergrond die de vorm van het kruispunt weergeeft. Verkeersaanvragen moeten eenvoudig zijn te realiseren. Eventuele koppelingen moeten volledig operationeel zijn. Het is toegestaan om voorafgaand aan bovengenoemde keuring een verkeersregelprogramma in een testtoestel te laten beoordelen. De werking van de bewakingen volgens NEN 3384 ’Verkeersregelinstallaties. Aanvullende eisen’ moet zowel automatisch als handmatig kunnen worden gecontroleerd. De aannemer stelt bij aanvang van de keuring de resultaten van de beproeving en gedurende de keuring de testvoorziening beschikbaar aan de directie. 03 De beproeving van de roodlichtbewaking (klasse CA1 volgens NEN-EN 12675 ‘Verkeersregelinstallaties. Functionele veiligheidseisen’) hoeft niet automatisch te kunnen plaatsvinden. De aannemer overlegt in dat geval een ondertekende verklaring, waaruit blijkt dat de gehele roodlichtbewaking is beproefd en voldoet aan de eisen. Voor elke rode lamp van een geselecteerde signaalgroep moet worden geconstateerd dat deze als laatste rode lamp blijft branden als alle andere rode lampen zijn uitgeschakeld en dat de verkeersre-

85


Verkeersregeltoestel

hfd. par. art.

gelinstallatie wordt uitgeschakeld als ook deze laatste lamp wordt uitgeschakeld. Voor elke rode lamp in de niet geselecteerde signaalgroepen moet worden geconstateerd dat deze als laatste rode lamp blijft branden als alle andere rode lampen zijn uitgeschakeld en dat de verkeersregelinstallatie niet wordt uitgeschakeld als ook deze laatste lamp wordt uitgeschakeld. 04 De directie keurt het verkeersregelprogramma afzonderlijk. De aannemer stelt hiervoor twee testprogramma’s van het verkeersregelprogramma beschikbaar aan de directie. De twee testprogramma’s moeten geïnstalleerd kunnen worden op een computer met een door de directie op te geven besturingssysteem. Het ene testprogramma is uitgevoerd als kruispuntplaatje en het andere als fasendiagram. In beide programma’s is de voortgang van de werkende verkeersregeling zichtbaar en kunnen alle functies van het verkeersregelprogramma worden getest.

86


Detectie

hfd. par. art.

INHOUDSOPGAVE VAN DE TECHNISCHE BEPALINGEN 35

VERKEERSREGELINSTALLATIES

35.2

DETECTIE

35.21

BEGRIPPEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.22

EISEN EN UITVOERING

35.22.01 35.22.02

Aanbrengen van niet-selectieve detectoren Aanbrengen van detectielussen

35.23

INFORMATIE-OVERDRACHT (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.24

RISICOVERDELING EN GARANTIES (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.25

BIJBEHORENDE VERPLICHTINGEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.26

BOUWSTOFFEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.27

MEET- EN VERREKENMETHODEN

35.27.01

Aanbrengen van detectielussen

87


Detectie

hfd. par. art.

35

VERKEERSREGELINSTALLATIES

35.2

DETECTIE

35.21

BEGRIPPEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.22

EISEN EN UITVOERING

35.22.01

Aanbrengen van niet-selectieve detectoren 01 Elke detector moet zijn aangesloten op een afzonderlijke detectie-ingang van het verkeersregelprogramma. 02 Detectoren moeten zelfinstellend zijn en mogen elkaar niet beïnvloeden. 03 Elke detector moet een keer per seconde controleren of een op die detector aangesloten detectielus is gebroken of kortgesloten. Bij een breuk of een kortsluiting moet direct een foutmelding worden gegenereerd. 04 De detectoren moeten in de kast van het verkeersregeltoestel worden ondergebracht. 05 Een detectoruitgang mag een bezetmelding afgeven vanaf het moment dat de voorkant van een motorvoertuig zich 1,0 m voor het detectiegebied bevindt. De bezetmelding moet in elk geval worden afgegeven binnen 0,1 s, gemeten vanaf het eerste moment dat de voorste wielas van het motorvoertuig zich in het detectiegebied bevindt. Een detectoruitgang mag een onbezetmelding afgeven direct nadat de achterste wielas van het motorvoertuig het detectiegebied heeft verlaten. Een onbezetmelding moet in elk geval worden afgegeven binnen 0,1 s, gemeten vanaf het laatste moment dat de achterkant van het motorvoertuig zich 1,0 m achter het detectiegebied bevindt. Voor (motor)fietsgevoelige detectiegebieden geldt het bovenstaande op overeenkomstige wijze, met dien verstande dat bij passage van een (motor)fiets de bezetmelding in elk geval moet worden afgegeven binnen 0,1 s, gemeten vanaf het eerste moment dat een (motor)fiets zich geheel in het detectiegebied bevindt.

35.22.02

Aanbrengen van detectielussen 01 Het passieve gedeelte van een detectielus moet over de kortst mogelijke afstand, zonder doorsnijding van andere detectielussen, naar het kabeltracé worden gezaagd. De passieve delen van verschillende detectielussen mogen niet in één zaagsnede worden gelegd. Tussen de passieve delen moet een onderlinge afstand van ten minste 0,25 m worden aangehouden.

88


Detectie

hfd. par. art.

02 Het passieve gedeelte van een detectielus mag ten hoogste twee rijstroken doorsnijden, tenzij de fysieke omstandigheden dit onmogelijk maken. 03 Aan de zijkant van het wegdek, waar de lusdraad het wegdek verlaat, moet onder een hoek van 45 graden een boring naar beneden worden gemaakt. De diameter van de boring is afhankelijk van de diameter van de toe te passen versterkte duurzame kunststofslang. De afstand tussen de zijkant van het wegdek en het boorgat (in de zaagsnede gemeten) moet ten minste 200 mm en ten hoogste 300 mm bedragen. De lusdraden moeten in de boring worden beschermd door een versterkte duurzame kunststofslang, die bestand moet zijn tegen chemicaliën, olie en vetten en zijn eigenschappen voor wat betreft buigzaamheid en drukvastheid tussen -15 °C en 40 °C moet behouden. 04 Scherpe randen en oneffenheden in de bodem en aan de zijkanten van de zaagsneden moeten worden gladgemaakt zonder de randen van de zaagsneden te beschadigen. 05 Zaagsneden moeten vervolgens volledig droog worden gemaakt. Zaagsneden in zeer open asfaltbeton mogen niet met een gasbrander worden drooggemaakt. 06 De lusdraad moet in de zaagsneden worden aangebracht en op de bodem worden gefixeerd. 07 De afgietmassa verwerken volgens voorschriften van de producent. Zaagsneden in zeer open asfaltbeton moeten voor het afgieten eerst met parelgrind, in de sortering 2/6 worden opgevuld tot 10 mm onder het wegoppervlak. 08 Afgietmassa moet zodanig worden aangebracht, dat een vloeiend oppervlak van het wegdek wordt verkregen. 09 Vóór het aanbrengen van de afgietmassa moet de slang worden ondersteund om te voorkomen dat deze terugschuift uit het boorgat en wel zodanig, dat het boveneinde van de slang eindigt ter hoogte van de bodem van de zaagsnede. De slang moet vóór het afgieten met deugdelijk materiaal worden gedicht om te voorkomen, dat afgietmassa in de slang kan lopen. 35.23

INFORMATIE-OVERDRACHT (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.24

RISICOVERDELING EN GARANTIES (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

89


Detectie

hfd. par. art.

35.25

BIJBEHORENDE VERPLICHTINGEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.26

BOUWSTOFFEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.27

MEET- EN VERREKENMETHODEN

35.27.01

Aanbrengen van detectielussen 01 De volgende eigenschappen van de detectielussen meten en vastleggen: a de isolatieweerstand van de lusdraad en de grondkabel ten opzichte van aarde, uitgedrukt in MOhm, waarbij het stalen scherm van de grondkabel met de aarde in het regeltoestel is verbonden; b de zelfinductie van de detectielus met de aangesloten grondkabel, uitgedrukt in 碌H; c de elektrische gelijkstroomweerstand van de detectielus met de aangesloten grondkabel, uitgedrukt in Ohm. 02 De metingen als bedoeld in lid 01 moeten worden uitgevoerd na het aansluiten van de detectielus op de grondkabel en het dichten van de sleuf van de grondkabel, maar v贸贸r het aansluiten van de grondkabel op de klemmenstrook in het verkeersregeltoestel. 03 Een isolatieweerstand moet worden gemeten met een 500 V isolatieweerstandmeter.

90


Ondergrondse voorzieningen

hfd. par. art.

35

VERKEERSREGELINSTALLATIES

35.3

ONDERGRONDSE VOORZIENINGEN

35.31

BEGRIPPEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.32

EISEN EN UITVOERING

35.32.01 35.32.02 35.32.03

Aansluiten van grondkabels Aansluiten van detectielussen Voorzieningen voor grondkabels en buigzame leidingen

35.33

INFORMATIE-OVERDRACHT (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.34

RISICOVERDELING EN GARANTIES (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.35

BIJBEHORENDE VERPLICHTINGEN

35.35.01

Grondkabels voor verkeerslantaarns

35.36

BOUWSTOFFEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.37

MEET- EN VERREKENMETHODEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

91


Ondergrondse voorzieningen

hfd. par. art.

35

VERKEERSREGELINSTALLATIES

35.3

ONDERGRONDSE VOORZIENINGEN

35.31

BEGRIPPEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.32

EISEN EN UITVOERING

35.32.01

Aansluiten van grondkabels 01 De grondkabels moeten bij de aansluitingen op de klemmenstrook in het verkeersregeltoestel en bij de aansluitingen op de klemmenstrook in de mast worden gemerkt door middel van kunststofbandjes. Op deze bandjes moeten de lantaarnnummers en/of de detectienummers worden aangebracht conform de bestekstekening. De aangebrachte nummering moet bestand zijn tegen inwerking van zuren en vocht. 02 Bij masten een overlengte van 2 m per grondkabel toepassen. Bij het verkeersregeltoestel een overlengte van 4 m per grondkabel toepassen.

35.32.02

Aansluiten van detectielussen 01 Detectielussen moeten door middel van een grondkabel op de klemmenstrook van het verkeersregeltoestel worden aangesloten.

35.32.03

Voorzieningen voor grondkabels en buigzame leidingen 01 Grondkabels moeten in masten worden ingevoerd door middel van een ondergrondse kabelinvoer. 02 Alle aders van de grondkabel moeten in de mast worden afgemonteerd op een afzonderlijke klem van een klemmenstrook.

35.33

INFORMATIE-OVERDRACHT (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.34

RISICOVERDELING EN GARANTIES (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.35

BIJBEHORENDE VERPLICHTINGEN

92


Ondergrondse voorzieningen

hfd. par. art.

35.35.01

Grondkabels voor verkeerslantaarns 01 Het spanningsverlies in de grondkabel tussen het verkeersregeltoestel en de verkeerslantaarn mag de juiste werking van de verkeerslichten volgens het ASTRIN-document 'Richtlijn voor de toepassing van nieuwe lamptypen in verkeersregelinstallaties. Grensvlakdefinities', zoals dat document drie maanden voor de dag van aanbesteding luidt, en NEN-EN 12368 'Verkeersregelinstallaties. Verkeerslantaarns' niet nadelig be誰nvloeden.

35.36

BOUWSTOFFEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.37

MEET- EN VERREKENMETHODEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

93


Bovengrondse voorzieningen

hfd. par. art.

INDELING VAN DE TECHNISCHE BEPALINGEN 35

VERKEERSREGELINSTALLATIES

35.4

BOVENGRONDSE VOORZIENINGEN

35.41

BEGRIPPEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.42

EISEN EN UITVOERING

35.42.01 35.42.02 35.42.03 35.42.04

Aanbrengen van portalen Aanbrengen van zweepmasten Leidingen in masten Aanbrengen van masten

35.43

INFORMATIE-OVERDRACHT (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.44

RISICOVERDELING EN GARANTIES (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.45

BIJBEHORENDE VERPLICHTINGEN

35.45.01

Aanbrengen en verwijderen van bovengrondse voorzieningen

35.46

BOUWSTOFFEN

35.46.01 35.46.02 35.46.03 35.46.04 35.46.05 35.46.06

Drukknopmasten Masten Verkeerslantaarns Achtergrondschilden Drukknoppen Akoestische signalering

35.47

MEET- EN VERREKENMETHODEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

94


Bovengrondse voorzieningen

hfd. par. art.

35

VERKEERSREGELINSTALLATIES

35.4

BOVENGRONDSE VOORZIENINGEN

35.41

BEGRIPPEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.42

EISEN EN UITVOERING

35.42.01

Aanbrengen van portalen 01 De ligger van een portaal moet na het aanbrengen een zeeg van ten minste 8 mm per meter overspanning hebben. 02 De aannemer brengt portalen verticaal aan, tenzij het bestek anders vermeldt.

35.42.02

Aanbrengen van zweepmasten 01 Een uitlegger moet na het aanbrengen een positieve afwijking ten opzichte van de horizontaal hebben van ten minste 8 mm per meter lengte van de uitlegger.

35.42.03

Leidingen in masten 01 De doorvoeringen ten behoeve van de verbindingen tussen de klemmenstrook in de mast en de signaalgever moeten ter plaatse van de signaalgever zijn aangebracht. 02 De aders van de leidingen moeten op de klemmenstrook door middel van verbinders worden aangesloten. 03 Grondkabel moet bij de overgang van de fundering naar de mast afdoende worden beschermd. 04 Alle aders van de leiding van elke verkeerslantaarn moeten ter plaatse van de klemmenstrook afzonderlijk worden aangesloten op aparte aders van de grondkabel, met uitzondering van aders van beschermingsleidingen.

35.42.04

Aanbrengen van masten 01 Masten moeten zodanig worden geplaatst dat het montageluik zich zo veel als mogelijk van het rijdende verkeer af bevindt. 02 Onderlichten moeten op een hoogte van ongeveer 1,50 m boven het maaiveld worden aangebracht.

95


Bovengrondse voorzieningen

hfd. par. art.

35.43

INFORMATIE-OVERDRACHT (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.44

RISICOVERDELING EN GARANTIES (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

35.45

BIJBEHORENDE VERPLICHTINGEN

35.45.01

Aanbrengen en verwijderen van bovengrondse voorzieningen 01 Tot het aanbrengen of verwijderen van kasten, portalen, zweepmasten, masten, voorwaarschuwingsseinen en drukknopmasten behoort tevens het benodigde grondwerk, voor zover hiervoor geen resultaatsverplichtingen zijn vermeld in het bestek. 02 Tot het aanbrengen of verwijderen van kasten, portalen, zweepmasten, masten, voorwaarschuwingsseinen en drukknopmasten behoort tevens het benodigde tijdelijke of definitieve straatwerk, voor zover hiervoor geen resultaatsverplichtingen zijn vermeld in het bestek.

35.46

BOUWSTOFFEN

35.46.01

Drukknopmasten 01 De bovenkant van drukknopmasten moet ĂŠĂŠn geheel vormen met de mast.

35.46.02

Masten 01 De bovenkant van de invoer voor de grondkabel moet zich ten minste 0,5 m onder het maaiveld te bevinden. De randen van de invoer voor de grondkabel moeten rond en glad zijn afgewerkt. 02 De klemmenstrook moet van buitenaf bereikbaar zijn door middel van een montageluik, waarvan de onderkant zich ongeveer 0,75 m boven het maaiveld bevindt. De klemmenstrook moet zijn voorzien van een bescherming tegen condenswater. Als aan een staander of aan een mast tevens bewegwijzering en/of openbare verlichting moet worden aangebracht, moeten twee montageluiken worden aangebracht. De onderkant van het onderste luik moet zich ongeveer 0,6 m boven het maaiveld bevinden. Bij de toepassing van twee montageluiken moet bij de klemmenstrook ten behoeve van de verkeerslantaarns de tekst 'spanning VRI' worden aangebracht en bij de klemmenstrook ten behoeve van de bewegwijzering en/of openbare verlichting een gelijksoortige tekst. 03 Het uiteinde van masten, staanders en liggers moet druipwaterdicht zijn afgesloten. Een uiteinde moet ten minste voldoen aan IP-klasse 22.

96


Bovengrondse voorzieningen

hfd. par. art.

04 Als in masten wordt geboord, moeten de randen glad worden afgewerkt en worden geconserveerd. 35.46.03

Verkeerslantaarns 01 Verkeerslantaarns moeten voldoen aan een beschermingsgraad klasse IP 54. Lenzen moeten van slagvast materiaal worden gemaakt. 02 Een verkeerslantaarn moet worden bevestigd door middel van een inrichting, waarbij de verkeerslantaarn om een verticale as kan draaien. Een verkeerslantaarn aan een uitlegger of een portaalligger moet worden bevestigd door middel van een inrichting, waarbij de verkeerslantaarn om drie loodrecht op elkaar staande assen kan draaien. 03 Alle toegepaste lampen moeten een verwachte levensduur hebben van ten minste 3000 branduren bij een maximale uitval van 2%. Alle toegepaste LED-aspecten moeten een verwachte levensduur hebben van ten minste 10 jaar bij een maximale uitval van 2%. 04 Het toegepaste type LED-aspect moet voldoen aan het gestelde in het ASTRIN-document 'Richtlijn voor de toepassing van nieuwe lamptypen in verkeersregelinstallaties. Grensvlakdefinities', zoals dat document drie maanden voor de dag van aanbesteding luidt. Het toegepaste type LED-aspect en het toegepaste type verkeersregeltoestel moeten zijn goedgekeurd volgens het ASTRIN-document 'Richtlijn voor de toepassing van nieuwe lamptypen in verkeersregelinstallaties. Grensvlakdefinities, zoals dat document drie maanden voor de dag van aanbesteding luidt, door een certificatie-instelling, die daarvoor door een nationale accreditatieinstelling (in Nederland: de Raad voor Accreditatie) op basis van NEN-ENISO/IEC 17020 'Algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren' is geaccrediteerd voor type A keuringen of een door de directie goed te keuren onafhankelijk keuringsinstituut. 05 Boven elk verkeerslicht moet een functionele bescherming tegen ongewenste licht- en weersinvloeden worden aangebracht.

35.46.04

Achtergrondschilden 01 Achtergrondschilden moeten direct op de verkeerslantaarns aansluiten. 02 Achtergrondschilden moeten van kunststof of aluminium zijn.

35.46.05

Drukknoppen 01 Een drukknop moet zonder onnodig uitstekende delen in een mast zijn ingebouwd en moet ten minste voldoen aan IP-klasse 54. De aansluiting van een drukknop op een mast moet ten minste voldoen aan IP-klasse 22.

97


Bovengrondse voorzieningen

hfd. par. art.

35.46.06

Akoestische signalering 01 Akoestische signaalgevers ten behoeve van blinden en slechtzienden moeten worden uitgevoerd als rateltikker. 02 De rateltikker moet als volgt functioneren: - de tikker is werkzaam tijdens het rood; - de ratel is werkzaam tijdens het groen van de voetgangerssignaalgroep; - tijdens het groenknipperen pulseert de ratel in dezelfde frequentie als waarin het groene licht knippert. 03 De ratel moet een frequentie hebben van 10 tot 15 maal per seconde. De tikker moet een frequentie te hebben van 1 tot 1,5 maal per seconde. 04 De geluidssterkte moet op eenvoudige wijze instelbaar te zijn. 05 De ratel moet volledig galvanisch zijn gescheiden van de tikker. De isolatieweerstand en de diëlektrische sterkte moeten voldoende zijn om overeenkomstig paragraaf 8.3 van NEN 3384 ’Verkeersregelinstallaties. Aanvullende eisen’ te kunnen worden beproefd. 06 De rateltikker moet parallel met de desbetreffende rood-, groen-, c.q. nulader van de desbetreffende signaalgroep worden aangesloten op een klemmenstrook. In de buigzame leiding tussen de klemmenstrook en de rateltikker mag gebruik worden gemaakt van één gemeenschappelijke nulader. 07 De volledige voorwaarden waaraan de rateltikker moet voldoen, (ritme, geluidssterkte, geluidsspectrum, ratelkarakter en dergelijke) liggen op de dag van inlichtingen, respectievelijk bij de directie ter inzage, dan wel kunnen op verzoek worden verstrekt.

35.47

MEET- EN VERREKENMETHODEN (In deze Standaard zijn geen bepalingen opgenomen, behorend tot deze paragraaf.)

98


Verkeersmaatregelen bij werk in uitvoering

hfd. par. art.

In hoofdstuk 62 ’Verkeersmaatregelen bij werk in uitvoering’ van de Standaard 2005 is artikel 62.02.05 als volgt aangepast. 62.02.05

Tijdelijke verkeersregelinstallaties 01 Tijdelijke verkeersregelinstallaties moeten in overeenstemming zijn met het bepaalde in hoofdstuk 35 van deze Standaard.

99


Algemeen Besteksbestand RAW

In het Algemeen Besteksbestand RAW worden de volgende bepalingen opgenomen. 22

TECHNISCHE BEPALINGEN GRONDWERKEN

22.02

EISEN EN UITVOERING, ALGEMEEN

22.02.01

Aanbrengen van kunststof kabelbeschermingsband op grondkabel 02 Op een aangebrachte grondkabel ten behoeve van verkeersregelinstallaties moet eerst een laag zand van 0,1 m dikte worden aangebracht, waarop een kunststof kabelbeschermingsband in de kleuren rood, geel en groen met op elke 3 m de tekst ’Verkeerslichten’ moet worden aangebracht. @ Lid 02 opnemen als de grondkabel beschermd moet worden tegen beschadiging.

35

TECHNISCHE BEPALINGEN VERKEERSREGELINSTALLATIES

35.03

INFORMATIE-OVERDRACHT, ALGEMEEN

35.03.01

Berekeningen en tekeningen van masten, uitleggers, portalen en funderingen 01 Uiterlijk 20 werkdagen na de datum van aanvang dient de aannemer volledige berekeningen en tekeningen van de door hem aan te brengen portalen, zweepmasten, masten en funderingen gedateerd en ondertekend, in tweevoud in bij de directie. Berekeningen en tekeningen moeten zijn voorzien van een toelichting. @ Lid 01 en lid 02 opnemen als de aannemer aan te brengen masten, uitleggers, portalen en @ funderingen moet ontwerpen.

02 De directie beoordeelt de in lid 01 bedoelde bescheiden binnen 10 werkdagen na ontvangst daarvan en deelt de resultaten van deze beoordeling schriftelijk aan de aannemer mee. Als de directie de resultaten van deze beoordeling niet binnen de hiervoor bedoelde 10 werkdagen heeft verzonden, worden de in lid 01 bedoelde bescheiden geacht te zijn goedgekeurd. @ Lid 01 en lid 02 opnemen als de aannemer aan te brengen masten, uitleggers, portalen en @ funderingen moet ontwerpen.

35.03.02

Informatie over de verkeersregelinstallatie 01 Uiterlijk 20 werkdagen na de datum van aanvang dient de aannemer gedateerd en ondertekend, in tweevoud bij de directie in: a. bekabelings- en opstellingstekeningen; b. installatieschema’s waarop op schematische wijze de gehele elektrische installatie is aangegeven; c. specificatielijst van toe te passen onderdelen met hun coderingen, fabrikaat

100


Algemeen Besteksbestand RAW

en type-aanduidingen; d. lijst van toe te passen verkeerslantaarns, waarin is aangegeven: de nummering, enkel of dubbelrood, (pijl)sjablonen, toegepaste lamp, lampspanning en of het geel van de lamp knippert tijdens de toestand van geel knipperen; e. lijst van toe te passen detectielussen, waarin is aangegeven: de nummering, de lengte van de lus, de breedte van de lus, de lengte van het passieve gedeelte van de lus, de afstand tot de stopstreep, het aantal windingen en het type detectielusdraad; f. lijst van toe te passen grondkabels, waarin is aangegeven: het kabeltype, het aantal aders, de aderdikte, het lusnummer, het drukknopnummer, het nummer van de verkeerslantaarn, het nummer van het voorwaarschuwingssein en de kabellengte. @ Lid 01 en lid 02 opnemen als de aannemer specifieke en uitgebreid informatie over de @ verkeersregelinstallatie moet indienen.

02 De directie beoordeelt de in lid 01 bedoelde bescheiden binnen 10 werkdagen na ontvangst daarvan en deelt de resultaten van deze beoordeling schriftelijk aan de aannemer mee. Als de directie de resultaten van deze beoordeling niet binnen de hiervoor bedoelde 10 werkdagen heeft verzonden, worden de in de lid 01 bedoelde bescheiden geacht te zijn goedgekeurd. @ Lid 01 en lid 02 opnemen als de aannemer specifieke en uitgebreid informatie over de @ verkeersregelinstallatie moet indienen.

35.04

RISICOVERDELING EN GARANTIES, ALGEMEEN

35.04.01

Onderhouds- en servicetermijn 01 De onderhouds- of servicetermijn, als bedoeld in paragraaf 11 lid 1 van de U.A.V.T.I. 1992 bedraagt .. weken. @ Deze bepaling opnemen, als een onderhouds- of servicetermijn wordt verlangd. @ Het gewenste aantal weken (13, 26 of 52) vermelden. De voorkeur gaat uit naar het @ vermelden van een zo kort mogelijke periode, echter niet korter dan 13 weken.

35.15

BIJBEHORENDE VERPLICHTINGEN, VERKEERSREGELTOESTEL

35.15.01

Revisietekeningen, onderhoudsvoorschriften en bedieningsvoorschriften 01 De in artikel 35.15.02 van de Standaard 2005 bedoelde revisietekeningen, onderhoudsvoorschriften en bedieningsvoorschriften moeten digitaal aan de directie worden verstrekt. @ Deze bepaling opnemen, als de betreffende informatie digitaal moet worden verstrekt. @ Eventueel aanvullende eisen vermelden.

101


Algemeen Besteksbestand RAW

35.15.02

Aanbrengen programmatuur t.b.v. het registreren van verkeersgegevens 01 Bij het uitvallen van de spanning moeten de geregistreerde verkeersgegevens gedurende ten minste één week worden bewaard. Het instellen van de bedoelde registraties (tijdstip van opstarten, eindigen, interval, frequentie, en dergelijke) moet op een gebruiksvriendelijke wijze, bij voorkeur menu gestuurd, kunnen plaatsvinden. In te stellen periodes moeten aan elkaar gekoppeld kunnen worden. De bedoelde registraties moet per item en per totaal op een gebruiksvriendelijke manier zijn uit te lezen. De gegevens moeten in tabelvorm beschikbaar zijn. De vorm waarin de gegevens zijn vastgelegd, moet geschikt zijn voor verdere (statistische) bewerking. De gegevens moeten op een eenvoudige wijze naar een ander opslagmedium kunnen worden verplaatst. @ Deze bepaling opnemen, als in het verkeersregeltoestel programmatuur voor het registreren @ van verkeersgegevens moet worden ingebouwd. Daarvoor een bestekspost opnemen met @ behulp van hoofdcode 35.10.12.

35.15.03

Bediening en communicatie 01 Op het bedieningspaneel in het compartiment voor de bediening moeten twee direct zichtbare lichtindicaties met de teksten 'roodlichtbewaking' en 'lampbewaking' aanwezig zijn. Bij een storingsmelding van een bewaking moet de bijbehorende lichtindicatie branden. Op het bedieningspaneel in het compartiment voor de bediening of in het compartiment voor de apparatuur moet een voorziening worden aangebracht, waarmee zonder gebruik te maken van externe apparatuur op eenvoudige en functionele wijze kan worden afgelezen voor welke lampen de 'roodlichtbewaking' of 'lampbewaking' een storingsmelding geeft. 02 Op het bedieningspaneel in het compartiment voor de bediening moet een door de directie goed te keuren situatietekening worden aangebracht. De tekening moet worden georiënteerd ten opzichte van het kruispunt. Op deze tekening moet: - voor elke richting het verloop van de externe fasecyclus zichtbaar zijn en - het aanwezig zijn van een melding van elke detector in kleur zichtbaar zijn. De kleuren moeten zo zijn gekozen dat er een goed onderscheid is tussen fasecycli en detectie. De kleuren voor de fasecyclus behoeven niet geheel overeenkomstig de werkelijkheid te zijn. Knipperen en gedoofd mogen worden gebruikt om bepaalde fasen weer te geven. @ Deze bepaling opnemen als een situatietekening in de kast voor het verkeersregeltoestel @ moet worden aangebracht.

03 Het IVERA-protocol moet volledig in het verkeersregeltoestel worden geïmplementeerd.

102


Algemeen Besteksbestand RAW

De hardware- en de sofwarevoorzieningen voor de aansluiting van het verkeersregeltoestel op een communicatieverbinding met een centrale moeten aanwezig zijn. De aannemer moet tijdig maatregelen treffen voor het verkrijgen van een licentie voor het gebruik van het IVERA-protocol. De licentie moet worden gesteld op naam van een door de directie op te geven beheerder. @ Deze bepaling opnemen als in het verkeersregeltoestel het IVERA-protocol moet worden @ toegepast.

04 Het protocol voor het verzamelen van verkeerskundige gegevens ten behoeve van verwerking met behulp van centrale verkeerskundige voorzieningen moet volledig in het verkeersregeltoestel worden ge誰mplementeerd. Ten behoeve van het bewaren van deze verkeerskundige gegevens moet ten minste 3 MB opslagruimte aanwezig zijn. Deze opslagruimte moet gedefragmenteerd volledig beschikbaar en direct bereikbaar zijn. @ Deze bepaling opnemen als in het verkeersregeltoestel een protocol voor het centraal @ verwerken van verkeerskundige gegevens moet worden toegepast.

05 De in artikel 35.12.04 lid 06 van de Standaard 2005 bedoelde driestandenschakelaars moeten handmatig zijn te bedienen. @ Deze bepaling opnemen als driestandenschakelaars handmatig moeten zijn te bedienen.

06 De in artikel 35.12.04 lid 06 van de Standaard 2005 bedoelde driestandenschakelaars moeten softwarematig zijn te bedienen. @ Deze bepaling opnemen als driestandenschakelaars softwarematig moeten zijn te bedienen.

07 De in artikel 35.12.04 lid 06 van de Standaard 2005 bedoelde driestandenschakelaars moeten handmatig en softwarematig zijn te bedienen. @ Deze bepaling opnemen als driestandenschakelaars handmatig en softwarematig moeten zijn @ te bedienen.

35.15.05

Relatie met energie- en telecommunicatiebedrijven 01 De aannemer treft maatregelen voor het aansluiten van het verkeersregeltoestel op het elektriciteitsnet. De aansluiting wordt op naam gesteld van de in het bestek vermelde beheerder. @ Deze bepaling opnemen als de opdrachtgever niet zelf de aanvraag voor de aansluiting op @ het elektriciteitsnet verzorgd.

02 De aannemer treft maatregelen voor het aansluiten van het verkeersregeltoestel op het openbare communicatienetwerk. De aansluiting wordt op naam gesteld van de in het bestek vermelde beheerder. De aanvraag wordt ondertekend door de opdrachtgever.

103


Algemeen Besteksbestand RAW

@ Deze bepaling opnemen als de opdrachtgever niet zelf de aanvraag voor de @ aansluiting van het verkeersregeltoestel op het openbare communicatienetwerk verzorgd.

35.15.06

Bewakingen 01 De bewaking klasse CD1 (rode lampen) volgens NEN-EN 12675 'Verkeersregelinstallaties. Functionele- en veiligheidseisen' moet voor alle verkeerslichten in het regeltoestel zijn opgenomen. @ Deze bepaling opnemen als voor rode lampen bewaking klasse CD1 moet worden @ opgenomen.

02 De bewaking klasse CE1 (groene en gele lampen) volgens NEN-EN 12675 'Verkeersregelinstallaties. Functionele- en veiligheidseisen' moet voor alle verkeerslichten in het regeltoestel zijn opgenomen. @ Deze bepaling opnemen als voor alle groene en gele lampen de bewaking klasse CE1 moet @ worden opgenomen in het verkeersregeltoestel.

03 Voor de lampen in verkeerslichten met een lensdiameter van ongeveer 80 mm (onderlichten of secundaire lichten) zijn de bewakingen klasse CD1 (rode lampen) en klasse CE1 (groene en gele lampen) volgens NEN-EN 12675 'Verkeersregelinstallaties. Functionele- en veiligheidseisen' niet van toepassing. @ Deze bepaling opnemen als voor alle lampen in verkeerslichten met een lensdiameter van @ ongeveer 80 mm de bewakingen klasse CD1 (rode lampen) en klasse CE1 (groene en gele @ lampen niet moeten zijn opgenomen in het verkeersregeltoestel.

04 Voor de lampen in tram/buslichten zijn de bewakingen klasse CD1 en klasse CE1 volgens NEN-EN 12675 'Verkeersregelinstallaties. Functionele- en veiligheidseisen' niet van toepassing. @ Deze bepaling opnemen als voor lampen in tram/buslichten de bewakingen klasse CD1 (rode @ lampen) en klasse CE1 (groene en gele lampen) niet van toepassing zijn.

35.16

BOUWSTOFFEN, VERKEERSREGELTOESTEL

35.16.01

Kasten 01 De afzonderlijke sloten moeten tevens met ĂŠĂŠn aparte moedersleutel zijn te openen en te sluiten. 02 Elke deur moet zijn voorzien van een deugdelijke windhaak. 03 Elke deur, met uitzondering van de deur van het compartiment voor de bediening, moet zijn voorzien van spanjoletsluitingen.

104


Algemeen Besteksbestand RAW

35.17

MEET- EN VERREKENMETHODEN, VERKEERSREGELTOESTEL

35.17.01

Keuring van een verkeersregelprogramma 01 De directie moet een te keuren verkeersregelprogramma ten minste .. weken vóór de geplande datum van de keuring van het verkeersregeltoestel hebben ontvangen. Een korting van € …… op de aannemingssom kan worden toegepast voor elke dag dat het te keuren verkeersregelprogramma later wordt ontvangen. @ Deze bepaling opnemen in het geval de directie een verkeersregelprogramma wil testen. @ Aantal weken vermelden. Bedrag van de korting vermelden.

35.17.02

Keuring van een verkeersregeltoestel 01 Een verkeersregeltoestel zal gedurende .. dag(en) worden gekeurd. @ Aantal dagen vermelden.

35.17.03

In werking stellen van een verkeersregelinstallatie voor het verkeer 01 Het in werking stellen van een verkeersregelinstallatie voor het verkeer zal .. dag(en) in beslag nemen. @ Aantal dagen vermelden.

35.17.04

Aansluiten van verkeersregelinstallaties 01 De kosten die de netbeheerder bij de aannemer in rekening brengt voor het aansluiten van de verkeersregelinstallaties op het elektriciteitsnetwerk worden verrekend op stelpost. 02 De kosten die de beheerder van het telecommunicatienetwerk bij de aannemer in rekening brengt voor het aansluiten van de verkeersregelinstallaties op het telecommunicatienetwerk worden verrekend op stelpost.

35.45

BIJBEHORENDE VERPLICHTINGEN, BOVENGRONDSE VOORZIENINGEN

35.45.01

Aanbrengen codering op achtergrondschilden 01 Op de voorzijde van de achtergrondschilden moet de codering van de lantaarns met witte karakters worden aangebracht, zoals weergegeven op de bij het bestek behorende tekening. De hoogte van de gebruikte karakters voor verkeerslantaarns moet 70 mm bij 300 mm lantaarns en 50 mm bij 200 mm lantaarns bedragen. Bij ruimtegebrek mag hiervan worden afgeweken. Als geen achtergrondschild wordt toegepast, moet de codering op de verkeerslantaarn worden aangebracht.

105


Algemeen Besteksbestand RAW

62.05

BIJBEHORENDE VERPLICHTINGEN, VERKEERSMAATREGELEN BIJ WERK IN UITVOERING

62.05.01

Maatregelen in het belang van het verkeer 01 Een plan van aanpak met betrekking tot verkeersmaatregelen moet op de eerste bouwvergadering door de aannemer worden overgelegd. Het bestek vermeldt met welke categorie wegen en snelheden rekening moet worden gehouden bij het opstellen van dit plan. De directie beoordeelt het plan van aanpak binnen een termijn van twee weken. Door de directie verlangde wijzigingen zullen schriftelijk aan de aannemer worden meegedeeld en moeten binnen een door de directie te stellen termijn door de aannemer worden aangebracht. Als de aannemer zich met de voorgestelde wijzigingen niet kan verenigen, deelt hij dit schriftelijk aan de directie mee. Pas na schriftelijke goedkeuring van het plan van aanpak mag met de uitvoering van de daarin beschreven verkeersmaatregelen worden begonnen. @ Het is niet altijd nodig een plan van aanpak op te stellen. Voor wegen buiten de bebouwde @ kom wordt wel altijd een plan gevraagd.

02 Zonder toestemming van de directie mogen de getroffen verkeersmaatregelen niet worden gewijzigd. 03 Het op- en afrijden van een gesloten weggedeelte door werkverkeer naar en van bij openbaar verkeer in gebruik zijnde rijstroken mag uitsluitend plaatsvinden via de door de directie aan te wijzen tijdelijke toegangen c.q. uitgangen.

106


RAW35_Verkeersregelinstallaties