Page 1

Drs. J.L.C. Marechal


EEN KWESTIE VAN KIJKEN OPTIEKEN

VISIES

1. Een optiek is een bepaalde wijze van benaderen van de hele werkelijkheid 2. Er zijn veel optieken; o.a. de de levensbeschouwelijke optiek 3. Binnen iedere optiek kunnen veel visies bestaan

4. Een visie is een opvatting binnen een bepaalde optiek over een deel of geheel van de werkelijkheid

6. Het innemen van optieken en het ontwikkelen van visies is eigen aan mensen. 7. Inzicht in wat levensvisies zijn, veronderstelt bekendheid met de termen ‘optiek’ en ‘visie’.


DE UITEINDELIJKHEIDSOPTIEK 1. Iedere optiek wordt gekenmerkt door een bepaald aandachtsveld (formeel object) van waaruit zij alles bekijkt (materieel object). 2. Een levensbeschouwelijke optiek benadert alles vanuit het aandachtsveld van de definitieve zin van het hele leven. 3. Mensen kunnen het feitelijk niet laten voortdurend deze optiek in te nemen. 4. Deze levensbeschouwelijke optiek is duidelijk te onderscheiden van andere optieken: zij valt tegenover deze aspectoptieken te omschrijven als uiteindelijkheidsoptiek. 5. De uiteindelijkheidsoptiek stelt drie vragen aan de gehele werkelijkheid: - Wat is de uiteindelijke zin van het leven? (levensbeschouwing) - Wat is het uiteindelijk schone? (esthetiek) en - Hoe moeten/behoren mensen uiteindelijk goed te handelen? (ethiek) 6. De ethische optiek is de benadering dat mensen goed behoren te handelen. De ethische optiek benadert de werkelijkheid vanuit de invalshoek van het hoogste goed dat mensen behoren te doen. - “Het hoogste goed” verwijst naar het onderscheid tussen aspect- en uiteindelijkheidsoptieken; - “Behoren” verwijst naar het onderscheid tussen is-uitspraken en moet-uitspraken; - “Doen” verwijst naar het concrete handelen dat centraal staat bij ethiek.


1.0. De optiekentheorie In de moderne samenleving overheerst het wetenschappelijke beheersingsweten. De wetenschappelijke constatieve, descriptieve rationaliteit wordt gezien als dé rationaliteit. De moderne mens hanteert daarmee een beperkte opvatting van rationaliteit. Rationaliteit is gehalveerd tot efficiëntie en effectiviteit. Rationaliteit bestaat echter niet alleen uit het wetenschappelijke maar ook uit het levensbeschouwelijke. Er wordt weinig aandacht besteed aan de levensbeschouwelijke rationaliteit. Omdat de levensbeschouwelijke rationaliteit niet voldoet aan het constatieve en descriptieve wordt zij als niet-rationeel gekarakteriseerd. Dit is echter niet het geval als je bedenkt dat de levensbeschouwelijke rationaliteit zich bezig houdt met de werkelijkheid-als-zodanig. De levensbeschouwelijke rationaliteit bestudeert niet wat te meten, wegen of tellen is maar het leven-als-zodanig. Het gaat hier over de vraag naar uiteindelijke zin. Als we levensbeschouwelijk communiceren dan moet dat geschieden op een geheel eigen wijze, i.t.t. de geheel eigen wijze van wetenschappelijke communicatie. Dit laat zich verklaren aan de hand van de optiekentheorie. De optiekentheorie maakt ons duidelijk dat mensen niet theorie-loos naar de werkelijkheid kunnen kijken. Iedereen kijkt vanuit een bepaalde invalshoek (het formeel object) naar (iets in) de werkelijkheid (het materieel object). Mensen benaderen de werkelijkheid met behulp van een bepaalde optiek. Het materieel object is voor elke optiek hetzelfde, namelijk de werkelijkheid. Een optiek verschilt niet door het materieel object maar door het formeel object. Dit laatste leidt tot het onderscheid tussen aspectoptieken en de uiteindelijkheidsoptiek. Een aspectoptiek kijkt naar heel de werkelijkheid voor zover die werkelijkheid te maken heeft met... (economie, chemie, politiek,…). De uiteindelijkheidsoptiek kijkt naar de werkelijkheid-in-zijn-geheel (kwalitatief en niet kwantitatief). De uiteindelijkheidsoptiek kent geen beperkingen in het formeel object. De optieken verschillen van elkaar door het formeel object. De optieken hanteren verschillende taalspelen. Een socioloog hanteert andere begrippen en kijkt anders naar de werkelijkheid dan een psycholoog, theoloog of bioloog. Halen we de taalspelen door elkaar dan gaan wij tegen de regels van het formeel object in en wordt communicatie onmogelijk. We zouden elkaar niet meer verstaan omdat we niet weten wat er met een bepaald begrip bedoeld wordt, als we niet weten binnen welke optiek dat begrip gehanteerd wordt. Binnen de optiek van de omgangstaal wordt een begrip als ‘positief’ als iets goeds uitgelegd, maar binnen de medische optiek kan ‘positief’ betekenen dat je niet lang meer te leven hebt. Er worden volgens de optiekentheorie drie dimensies binnen de uiteindelijkheidsoptiek onderscheiden: De levensbeschouwelijke, de ethische en de esthetische dimensie. De metafysica is de wijsgerige discipline die verantwoording aflegt voor die specifieke werkelijkheidsbenadering die naar (iets in) de werkelijkheid kijkt met als invalshoek de werkelijkheid als zodanig. De metafysica stelt drie verschillende vragen aan heel de werkelijkheid. De levensbeschouwelijke vraag is: wat is het uiteindelijk ware? De ethische vraag is: hoe behoor je uiteindelijk (menselijk) gezien te handelen? En de esthetische vraag is: wat is het uiteindelijk schone? De metafysiek is dus het fundament van de optiekentheorie. De levensbeschouwelijke rationaliteit moet hieronder niet opgevat worden als één van de drie metafysische dimensies maar als de gehele metafysische werkelijkheidsbenadering. Levensbeschouwelijke rationaliteit is hieronder de communicatieve rationaliteit van Habermas die integreert, bekritiseert en humaniseert in een “herrschaftsfreie Kommunikation”.


De moderne mens werd door het moderniseringsproces geconfronteerd met zijn existentiële naaktheid. Hij werd van zinontvanger zinstichter. De moderne mens wil hiermee de geborgenheid herwinnen op het zin-vacuüm waarin hij zich momenteel bevindt. Maar hoe kan de moderne mens zinverlies ervaren als hij geen besef heeft van zinvolheid? Het middel om de geborgenheid te herwinnen is volgens het premoderne paradigma de verabsolutering van de uiteindelijkheidsoptiek en volgens het postmoderne paradigma de verabsolutering van de aspectoptieken. We hoeven echter niet te kiezen voor de eenheid of de veelheid. Metafysica stelt dat eenheid en veelheid één geheel zijn. In de veelheid ervaren we eenheid, zinvolheid. Het moderne paradigma stelt dat de rationaliteit niet gereduceerd mag worden tot òfwel de wetenschappelijke rationaliteit van de aspectoptieken òfwel de levensbeschouwelijke rationaliteit van de uiteindelijkheidsoptiek. Ik pleit voor een verbreding van het rationaliteitsbegrip. De levensbeschouwelijke rationaliteit en de wetenschappelijke rationaliteit verdienen beide onze aandacht. 2.0. Communicatie rondom regels De verschillende optieken staan niet los van elkaar maar veronderstellen wel een vertaling zodat duidelijk wordt wat er gezegd wordt. Communicatie veronderstelt dan weet hebben van de verschillende taalspelen en de mogelijkheid je eigen taalspel (optiek) te kunnen overstijgen. De optiekentheorie is niet alleen van toepassing op de taaldaden maar ook op de handelingen en kenactiviteiten van de mens. Je spreekt, handelt, denkt en neemt waar vanuit een bepaalde invalshoek (optiek). Je kunt niet anders dan een optiek innemen. Als we waarnemen dan selecteren wij. Wat wij selecteren, interpreteren en categoriseren wij met behulp van het formeel object van de ingenomen optiek. Door de optiek weten wij wat wij moeten selecteren, interpreteren en categoriseren. Het formeel object van de optiek geeft ons een regelpatroon in handen zodat wij de dingen zien als zo-en-zo. Door de regels die voortkomen uit het formeel object heeft het waarnemen altijd een impliciet positioneel element. Waarnemen is waarnemen van iets áls dit-of-dat. Een regel-geleide praxis bevat dus identificatie en klassificatieregels. Wittgenstein zegt: " Ook al spreken we rechtstreeks van 'ik neem dat waar', we nemen waar met toepassing van begrippen als we dingen waarnemen. We duiden ze dus en zien ze zoals we ze duiden'. Pas als we alternatieve begrippen bij de hand hebben, kunnen we uitdrukkelijk zeggen 'nu zie ik net als...'. Wat en hoe ik waarneem hangt mede af van het conceptuele regelpatroon waarmee ik vertrouwd ben." Een regel voor het correct waarnemen is dat je weet dat je altijd naar hetzelfde materieel object kijkt maar niet altijd dezelfde optiek inneemt (formeel object). Je moet de formele objecten niet door elkaar gooien maar je eerst afvragen welke optiek wordt hier eigenlijk ingenomen. Neem ik eigenlijk wel de goede optiek in als ik zeg 'hier klopt iets niet’'? Regels worden hier opgevat als de richtsnoer voor spreken, handelen, denken en waarnemen. Een complex van onderling samenhangende regels, wordt regelpatroon of referentiekader genoemd. We hanteren ontelbaar veel regels per dag. We kunnen niet zonder regels. Regels binden mensen. Regels maken communicatie mogelijk. Menselijk gedrag wordt geleid door regels. De mens leeft rondom regels. Maar regels blijken een grondeloos vertrouwen te impliceren. Een grondeloos vertrouwen omdat ze uiteindelijk zweven en niet te funderen zijn. De mens kan niet zonder regels leven. Zelfs een ontkenning van deze stelling zou een bevestiging betekenen. Hoe kun je überhaupt mij verstaan als je niet van de regels wilt uitgaan? En als je deze stelling wilt weerleggen dan ontkom je er niet aan een nieuwe regel te formuleren. Al deden we nog zo ons best uiteindelijk kunnen we de regels niet verlaten. We


kunnen het soms oneens zijn met een bepaalde regel maar de regel als regel blijft bestaan of wordt vervangen door een betere regel. Het oneens zijn met een regel of zelfs een nieuwe regel formuleren is slechts mogelijk door de open dimensie rondom regels. We gaan op zoek naar de verzwegen dimensie die vooraf gaat aan alle regelpatronen en die rondom elk regulatief kader als een omvattende open ruimte in het geding is. We gaan terug-vragen naar 'voorwaarden voor de mogelijkheid van', 'vooronderstellingen' van regel-geleid gedrag, 'componenten' die bij regel-geleid gedrag reeds impliciet in het geding zijn. We gaan terugvragen naar onszelf, door een stap achter-uit te maken (transcendentie), in de richting waar wij zelf zitten, 'naar binnen toe'. De bedoelde voorwaarden die wij zelf zijn, liggen in zekere zin vóór alle gevestigde regelpatronen; ten opzichte daarvan vormen zij in zekere zin dus juist 'de voorgrond', die echter pas expliciet kan worden door zelf achterwaarts te treden. Vergelijk een kunstschilder die eerst met zijn neus op het doek bezig is een fijn streepje of figuurtje aan te brengen en vervolgens achteruit treedt; daardoor de plaats die hij innam kan zien als iets wat vóór het schilderij ligt, er de voorgrond van vormt; een wijder gezichtsveld om zich heen ervaart en daarbij de figuur die eerst zijn hele blikveld in beslag nam, nu waarneemt als een minutieus onderdeeltje van een veel wijder verband; dit alles door zelf eerst een stapje achteruit te doen. De uiterste dimensie is zoiets als een lege ruimte of openheid waarin regulatieve kaders kunnen worden uitgezet, uitgespannen, ontworpen, aangeleerd. De open dimensie is geen verzamelplaats van regelpatronen. De open dimensie is geen eindeloze keten van regels. De open dimensie is een onuitputtelijke mogelijkheid. Het is een onuitputtelijke mogelijkheid tot het uitzetten en veranderen van maatgevende kaders. Het onuitputtelijke als mogelijkheid tot mogelijkheden. Elke actuele gedraging en elk werkelijk verschijnsel binnen een kader wordt omringd door een heel veld van mogelijkheden, afgebakend door het maatgevende kader onder leiding waarvan die bepaalde gedraging wordt uitgevoerd en dat bepaalde verschijnsel wordt aangetroffen. Transcendentie is generzijds van die sfeer van mogelijkheden. Transcendentie betekent dan een verkeren in, of contact hebben met de open ruimte vóór, voorbij en rondom alle kaders met mogelijkheden. Het betekent de open dimensie waar kaders met mogelijkheden ontworpen, uitgevouwen, ingevoerd, in stand gehouden en losgelaten kúnnen worden, maar die zelf met geen enkel kader samenvalt, zich daarin niet uitput. Transcendentie als mogelijkheid tot mogelijkheden, de onuitputtelijke mogelijkheid tot het creatieve ontwerpen, in stand houden en loslaten van maatgevende kaders als velden van mogelijkheden, waarvan dan sommige als werkelijkheden worden aangetroffen of uitgevoerd. Transcendentie als in een werveling uitgetild worden voorbij de ons vertrouwde orde van mogelijkheden naar een dimensie die dááraan voorafgaat. Transcendentie betekent hier een verkeren in of contact hebben met de open dimensie die "is" vóór, voorbij en rondom alle kaders met mogelijkheden. De term transcendentie slaat enerzijds op een bewustwording, de verbinding met een alomvattende dimensie, terwijl anderzijds die dimensie zelf het karakter heeft van transcendentie. 3.0. Communicatie en integratie Het moderniseringsproces zet de solidariteit op het spel. De communicatie lijkt namelijk onmogelijk tussen de autonome aspectoptieken. Maar de optiekentheorie maakt de communicatie tussen subsystemen mogelijk door deze systemen in taalspel te onderscheiden. De aspectoptieken hanteren een wetenschappelijk taalspel en de uiteindelijkheidsoptiek


hanteert een levensbeschouwelijk taalspel. De verhouding tussen economie (aspectoptiek) en ethiek/theologie (levensbeschouwelijke uiteindelijkheidsoptiek) wordt hiermee ook duidelijker. De levensbeschouwelijke uiteindelijkheidsoptiek zorgt voor de communicatie en integratie van de verschillende aspectoptieken. Maar de theorie is eenvoudiger dan de praktijk. De levensbeschouwelijke uiteindelijkheidsoptiek heeft een integrerende en een kritische functie. De integrerende functie zorgt voor humanisering door de autonome aspectoptieken te integreren. De integrerende functie van de uiteindelijkheidsoptiek is niet alleen in het spel als mensen de bestaande orde en samenhang willen bestendigen maar ook (en vooral) als mensen worden geconfronteerd met ervaringen die niet onmiddellijk in een zinverband kunnen worden geplaatst. Juist die ervaringen bedreigen de zin en de orde van een samenleving en daarmee de samenleving zelf. De uiteindelijkheidsoptiek neemt die ervaringen op in een ‘groter betekenis verlenend geheel’ zodat die bedreigende ervaring geplaatst kan worden en zijn bedreigende karakter verliest. De kritische functie van de uiteindelijkheidsoptiek interpreteert bepaalde ervaringen als desoriënterend en plaatst deze als onzin binnen de horizon van uiteindelijke zin. De mens is een vrij transcenderend wezen dat gericht is op uiteindelijke zin. Hierdoor kan hij afstand nemen van een feitelijke situatie om een mogelijke situatie zich voor te kunnen stellen. Je kunt alleen maar kritisch iets als onzin bestempelen als je intuïtief impliciet besef van zin hebt. Die (uiteindelijke) zin is gefundeerd in de eenheid van de werkelijkheid. Er is sprake van eenheid omdat elke willekeurige werkelijkheid uit zichzelf een band heeft met alle andere werkelijkheden. Er is eenheid in de mate waarin er veelheid is, zoveel eenheid als er veelheid is. Eenheid in veelheid moet zijn. Habermas geeft de voorkeur aan de communicatieve, levensbeschouwelijke rationaliteit. Maar onze maatschappij heeft met die rationaliteitsvorm grote moeite. Door de economische aspectoptiek zijn de instrumentele en strategische rationaliteit het maatschappelijk en persoonlijk leven gaan beheersen. Vraag en aanbod maken uit wat ‘zinnig’ is, waarheid wordt herleid tot het antwoord op de vraag “wat het ‘nut’ is en of het werkt”. De economische benaderingswijze gaat andere optieken domineren. In de politiek bijvoorbeeld geldt niet de vraag naar menselijke integratie maar overheersen de wetten van de economie. En met name de levensbeschouwelijke optiek staat zwaar onder druk. Voor moderne mensen is het wel haast onmogelijk (geworden – gemaakt) om náást de instrumentele en strategische rationaliteitsvorm ook de communicatieve rationaliteit te hanteren. Gevolg is dat het individu de levensbeschouwelijke benaderingswijze ontwijkt en verdringt. Het hedendaags hedonisme is dé manier om desoriënterende ervaringen, ervaringen van onzin te bezweren. Als er al sprake is van levensvragen probeert de moderne mens met behulp van de instrumentele rationaliteit die vragen te negeren. Het resultaat is een versplinterde, niet of nauwelijks consistente levensvisie ‘a way of life’ waarmee het leven uit te houden is, een gefragmenteerde, bonte verzameling van opvattingen en ideeën die de mens in staat stellen ‘te overleven’. Het functieverlies van de uiteindelijkheidsoptiek is in strijd met het oorspronkelijke moderniseringsideaal. De beloften die met name in de traditie van de Verlichting aan de modernisering zijn gekoppeld, raken erdoor in de verdrukking. De Verlichting presenteren we als de levensbeschouwelijke begeleider van het desacraliserings- en rationaliseringsproces. Een proces waarin de moderne samenleving is betrokken. De Verlichting heeft de pretentie de levensbeschouwelijke begeleider te zijn van het moderniseringsproces. In de Verlichting wint het vrije en redelijke inzicht het van de vooroordelen van de traditie, zodat het gehele denken


en leven kan worden geordend volgens de rede. Het gaat de Verlichting om humaniteit. De Verlichting is het forum waarin mensen op grond van redelijke argumenten en in de vorm van communicatie die niet door heerschappij wordt bepaald maar door de onvervreemdbare vrijheid van ieder der deelnemers sturing geven aan de gang van de samenleving en met name aan de kansen voor individuen. De Verlichting is het forum waarin op elkaar betrokken worden het humaniteitsideaal en de inhumane werkelijkheid. De Verlichting is echter met de modernisering in een crisis beland. Doordat de rationaliteit is gereduceerd tot het beheersingsweten is er geen aandacht meer voor de levensbeschouwelijke rationaliteit. Geurts gaat op zoek naar oplossingen voor de problemen rond de gehalveerde rationaliteit die voor de levensbeschouwelijke rationaliseringsachterstanden en het functieverlies van de uiteindelijkheidsoptiek zorgt. De relatie tussen de levensbeschouwelijke uiteindelijkheidsoptiek en de diverse aspectoptieken laat zich, volgens Geurts, als volgt schematiseren: Het premoderne Het postmoderne Het moderne paradigma: paradigma: paradigma: Aspectoptieken: – + + Uiteindelijkheidsoptiek: + – + (Geurts & Segers 1986, 12). Het premoderne paradigma In deze werkelijkheidsinterpretatie is eigenlijk nog geen sprake van het onderscheid dat we maakten tussen de aspectoptieken en de uiteindelijkheidsoptiek. Juist omdat in dit paradigma nog geen sprake is van rationalisering en differentiëring lopen die optieken (vanuit óns paradigma nog) door elkaar. En Berger formuleert de consequentie: “Maar een filosofie in een tijdperk zonder wetenschappen, een filosofie zonder concurrentie staat aan een groot gevaar bloot, en inderdaad kwamen zowel de belangeloze theorie als het waarheidsstreven van de denkende mens al snel onder druk te staan. Want het gevaar dat een filosofie zonder concurrentie de waarheid monopoliseert, is bijna onafwendbaar. Als daar een verbond bij komt met een theologie die evenmin aan correctie vanuit de wetenschappen is blootgesteld, ontstaat er een dogmatisch blok ten opzichte waarvan elke afwijkende mening verschijnt als verraad aan het geloof, de waarheid, de goede zeden en de openbare orde” (Berger 1986, 38). Een klassiek voorbeeld is de ‘kerkelijke natuurwetenschap’ die de Copernicaanse omwenteling van een geocentrisch naar een heliocentrisch wereldbeeld meende te kunnen en moeten weerleggen. Het postmoderne paradigma De Verlichting is de uitdrukking van een paradigmawisseling! “De wetenschap is ontstaan als het niet-dogmatisch weten bij uitstek. Ze werd dan ook als een bevrijding ervaren…” (Berger 1986, 38). Inderdaad, maar het is de vraag of in dit paradigma het kind niet met het badwater is weggegooid. “De wetenschap kan de zinvraag niet stellen en de metafysiek die het wel kan is door het superprestige van de wetenschap vrijwel geëlimineerd” (Berger 1986, 42). In het postmoderne paradigma wordt onze werkelijkheidsbeleving zodanig door de aspectoptieken gedomineerd dat de specifieke levensbeschouwelijke vragen niet meer gesteld kunnen (en mogen) worden. En als die vragen dan toch gesteld worden, worden ze beantwoord vanuit een aspectoptiek. Bijvoorbeeld wanneer de vraag naar de uiteindelijke zin vanuit de economische optiek wordt benaderd en de uiteindelijke zin samenvalt met wat economisch zinvol is.


Het moderne paradigma Het derde model schetst een ideaaltype waarin het handelen van mensen vanuit de diverse aspectoptieken wordt verbonden met een groter geheel, de uiteindelijkheidsoptiek, waarbinnen dat handelen is opgenomen zonder dat het specifieke onderscheid tussen beide soorten optieken wordt opgeheven. De aspectoptieken en de uiteindelijkheidsoptiek staan in een intersubjectieve dialoog waarbij de argumenten tellen en niet de macht of het gezag. Het wederzijds verstaan is een doel op zich. Bijvoorbeeld wanneer vanuit het botsen van verschillende aspectoptieken de vraag ontstaat naar het hoogste goed. Midden in dit ‘waardenconflict’ komt dan de ethische optiek aan bod. Het handelen vanuit de diverse aspectoptieken is dan geen vanzelfsprekend doel in zichzelf, maar wordt benaderd vanuit de vraag wat menselijk gezien het hoogste goed is. En die vraag wortelt weer in de vraag naar zin. Precies de dialoog die op zulke momenten ontstaat en waarin de perspectieven van de verschillende optieken worden gewisseld is de plaats van de levensbeschouwing en ethiek in een gedifferentieerde maatschappij waarin aan de autonomie van de aspectoptieken geen afbreuk wordt gedaan door de uiteindelijkheidsoptiek. Juist het ontwerpen van een kader waarin deze afstemming van de aspectoptieken en de uiteindelijkheidsoptiek op elkaar kan plaatsvinden is van wezenlijke betekenis voor het (voort-) bestaan van levensbeschouwing (en) in de moderne maatschappij. “...dat er een derde fase op komst zou kunnen zijn, na het tijdperk waarin de filosofie het monopolie bezat, na het monopolie van de wetenschap, een derde fase waarin het samenleven van filosofie en wetenschap harmonisch zou kunnen zijn. Maar als die fase aanbreekt, als het regiem van de wetenschappelijke waarheid geschokt zal worden, zal dat toch vooral gebeuren omdat intussen gebleken zal zijn dat de alleenheerschappij van de wetenschappelijke waarheid het menselijk leven onmogelijk maakt” (Berger 1986, 41-42 ). Geurts ziet geen heil in het premoderne of het postmoderne paradigma. De Verlichting kenmerkt zich juist door het streven de moderne mens te willen emanciperen en de moderne samenleving te humaniseren. De dominerende economische aspectoptiek staat dit in de weg. Een oplossing ziet Geurts in de verbreding van de rationaliteit. Rationaliteit moet niet alleen verstaan worden als instrumenteel of strategisch maar ook als communicatief en intersubjectief. Als er geen evenwicht is tussen wetenschappelijke rationaliteit en levensbeschouwelijke rationaliteit, komt de humaniteit steeds meer onder druk te staan. De Verlichting en de christelijke levensvisie staan hier niet tegenover elkaar want beide hebben hetzelfde doel: humaniteit.

Optieken Theorie  

Een boek over de theorie in optieken

Advertisement