Issuu on Google+

Differentiatie, ethiek en communicatie Drs. J.L.C. Marechal


Differentiatie, ethiek en communicatie 0.

Aanleiding voor het onderwerp van dit werkstuk:

“Wanneer men zich verwondert over het feit dat vragen omtrent geoorloofde en ongeoorloofde woeker ook door theologen werden bediscussieerd, dient men te bedenken dat er in de toenmalige samenleving en cultuur geen sprake was van sociale differentiëring (N. Luhmann) als gevolg van arbeidsdeling.” Dit citaat uit “De woekeraar en de graanboer”, van Toine van den Hoogen bracht mij op het idee mijn werkstuk over de consequenties van sociale differentiatie voor ethiek te onderzoeken. De verhouding economie en theologie, die in verscheidene teksten uit de reader ter sprake kwam, wordt namelijk door het moderniseringsproces bepaald. Dit werkstuk bestaat uit vier delen: 1. 2. 3. 4.

Differentiatie; Differentiatie en ethiek; Communicatie rondom regels; Communicatie als integratie.

1.0. Differentiatie Het moderniseringsproces bestaat volgens de sociologen H. van der Loo en W. van Reijen uit vier verschillende dimensies met een paradoxaal karakter: differentiatie, rationalisering, individualisering en domesticering. Ten eerste bestond de werkelijkheid in de traditionele samenleving nog uit één geheel maar valt door het proces van differentiëring uiteen in verschillende sectoren. Ten tweede probeert de rationele dimensie de werkelijkheid op een efficiënte en effectieve manier te ordenen en te systematiseren met de bedoeling haar voorspelbaar en beheersbaar te maken. Ten derde bevrijdt de individualisering mensen van de traditionele structuren doordat deze niet meer met elkaar in verbinding staan en daardoor geen greep meer hebben op het individu. Ten slotte probeert het individu zich te onttrekken aan zijn biologische en natuurlijke beperkingen. Dit laatste is een proces dat H. van der Loo en W. van Reijen domesticering noemen. In het kort laat het paradoxale karakter van modernisering zien dat deze vier dimensies de moderne mens onafhankelijk en afhankelijk maken op hetzelfde moment. In het kader van dit werkstuk zal ik mij nu toespitsen op het differentiëringsproces. 1.1. Het begrip differentiëring De werkelijkheid die in de traditionele samenleving nog uit één geheel bestond valt door de differentiatie in de moderne tijd uiteen in verschillende sectoren. Iedere sector heeft zijn unieke kenmerk en samenstelling. 1.2. De inhoud van differentiëring 1.2.1. Arbeidsverdeling en solidariteit Een samenleving kan niet bestaan zonder solidariteit. Het collectieve bewustzijn houdt mensen samen en conformeert hen automatisch tot de in de groep geldende regels. De traditionele saamhorigheid werd echter >verstoord= door de structurele differentiatie van het moderniseringsproces. Het individu ging zich van het collectieve bewustzijn onderscheiden. Er ontstond een andere vorm van afhankelijkheid. Mensen hebben elkaar nodig omdat de werkelijkheid opgesplitst is in verzelfstandigde deelgebieden. Het individu specialiseerde zich


op een deelgebied waardoor de arbeidsverdeling ontstond. Arbeidsverdeling zorgde voor meer welvaart maar maakte het individu ook afhankelijker, omdat hij niet meer volledig in zijn eigen behoeften kon voorzien. Maar de moderne samenleving is onverschilliger in het onderhouden van relaties. Het collectieve bewustzijn heeft geen vat meer op de individuele verantwoordelijkheid. Het individu bepaald volledig zijn eigen gedragsregels. Individualisering en desintegratie zorgen uiteindelijk voor anomie. Het nastreven van behoeften wordt niet meer aan banden gelegd. De mens zal echter nooit verzadigd raken waardoor hij gefrustreerd raakt. Als deze lusten niet worden gereguleerd resulteert dit in toenemende criminaliteit, zelfdoding en sociale problemen. 1.2.2. Differentiatie en sociale stratificatie De differentiatie zorgde ervoor dat de mensen zich gingen specialiseren. Doordat iedereen wel ergens in gespecialiseerd was werden mensen van elkaar afhankelijk. Maar het was geen gelijkwaardige afhankelijkheid. De differentiatie die door arbeidsverdeling tot stand komt, bracht automatisch een rangorde van posities met zich mee. Er ontstond een beweging die naar sociale gelijkheid ging streven. De sociale stratificatie van de traditionele samenleving werd bepaald door de geboorte. De moderne samenleving gaat uit van sociale gelijkheid. Economisch succes en culturele criteria bepalen de positie op de maatschappelijke ladder. De sociale ongelijkheid is door het moderniseringsproces minder groot geworden. Het individu heeft de vrijheid gekregen zijn eigen levensstijl te kiezen. Deze verworven fundamentele gelijkheid zorgt voor een nieuwe ongelijkheid voortkomend uit de behoefte zichzelf van de rest te onderscheiden. Mensen willen met de nieuwe waarden, persoonlijke ambitie en wedijver hun eigen uniciteit onderstrepen door middel van consumptie en vrije tijd. 1.2.3. Differentiatie en zelfbeheersing Doordat de moderne maatschappij structureel is gedifferentieerd moet de mens zijn emoties reguleren. Het individu is zichzelf namelijk bewust van de toenemende onderlinge afhankelijkheid. Een afhankelijkheid die ons dwingt rekening met elkaar te houden. In eerste instantie wordt gedragsbeheersing door de ander afgedwongen maar later in het moderniseringsproces legt het individu zichzelf bepaalde gedragsregulerende waarden en normen op. Het menselijk gedrag wordt constanter en evenwichtiger. Maar in de moderne maatschappij zijn er ook mensen die zich niet kunnen beheersen. Dat zien we bijvoorbeeld aan het toenemende zinloze geweld. Deze mensen laten zichzelf soms helemaal gaan terwijl ze heel goed weten hoe zij zich hebben te gedragen. Juist omdat de moderne mens weet hoe hij zich behoort te gedragen is dit mogelijk. Doordat het individu de emotieregulering doorziet gaat hij een onderscheid maken tussen >echte= en beheerste emoties. De echte emoties worden door de moderne mens, die altijd rationeel moet zijn, als beter gekarakteriseerd. 1.3. De differentiatieparadox Differentiatie laat een paradoxaal proces zien van schaalverkleining en schaalvergroting. Door de specialisatie is de werkelijkheid zich gaan opsplitsen tot autonome sectoren met een eigen rationaliteit, waarbinnen de individualisering zich zal doorzetten. Maar door deze schaalverkleining is het individu niet alleen autonomer geworden op lokaal niveau, we zijn op hetzelfde moment mondiaal afhankelijker geworden. ΑDe bekommernis om de mensenrechten, het besef met zijn allen tot de passagiers van het >ruimteschip aarde= te horen en de organisatie van popfestivals waaraan musici uit de hele wereld deelnemen, zijn hier voorbeelden van.≅ (Paradoxen van modernisering , blz. 114).


1.4. conclusie Het centrale probleem van een gedifferentieerde samenleving is "solidariteit" want door de differentiatie zijn we steeds meer op een grotere afstand afhankelijk van elkaar geworden. Enerzijds zorgt schaalvergroting voor mondiale en globale solidariteit. Anderzijds kiezen individuen voor allerlei lokale en regionale samenwerkings- en samenlevingsvormen (schaalverkleining). Schaalvergroting op zichzelf leidt tot het niet meer in toom kunnen houden van het individu omdat er geen sociale controle meer is. Het individu komt zo ver van de samenleving te staan dat de daar heersende regels vervagen en abstraheren, met als gevolg anomie. Schaalvergroting kan een democratisering inhouden mits wij onze regionale wortels niet verwaarlozen.

2.0. 2.1.

Differentiëring en ethiek Niklas Luhmann’s systementheorie

2.1.1. Autopoiesis Luhmann ziet de moderne maatschappij als een sociaal systeem. Zoals er zoveel systemen zijn (machines, organismen en psychologische systemen). Sociale systemen en andere systemen hebben als overeenkomst hun basisstructuur. Deze basisstructuur noemt Luhmann ‘Autopoiesis’. Systemen worden gekarakteriseerd als ‘staying alive’ in een zelfgenoegzijnd, autonoom afzonderlijk proces. In de autopoiesis verwijst het systeem uitsluitend naar zijn zelfgemaakte onderdelen. Dit betekend dat een systeem zichzelf handhaaft doormiddel van een continu proces van reproductie, en daarmee een proces van verandering. Alles moet veranderen zodat alles blijft zoals het is. De autopoiesis van het systeem voert continu de scheiding tussen systeem en omgeving uit, tussen input en output, inside en outside. Luhmann gaat niet uit van een input en een output proces tussen systeem en omgeving maar alleen een proces dat het systeem aangaat zet het systeem in werking. Alleen de herkenning van eigen elementen zorgen voor verbinding en actie (connection-action). 2.1.2. Het sociale systeem is een communicatiesysteem De elementen van het sociale systeem bestaan volgens Luhmann uit communicatie. Het sociale systeem is een communicatiesysteem die de zin(vraag) actualiseert. Zin/betekenis is een verbinding mogelijkheid. Zin/betekenis dient zich aan in communicatie in overeenstemming en in de verschillen. Sociale systemen zijn zelfvoortbrengende netwerken van communicatie. 2.1.3. Specifieke codes bepalen de communicatie van het (sub-) systeem De maatschappij als systeem (met verschillende typen of betekenis begrenzende communicatie) heeft zichzelf gedifferentieerd (zie deel 1 van dit werkstuk) in het verloop van de sociale evolutie in verschillende gespecialiseerde subsystemen (economie, recht, religie en gezondheidszorg). Deze subsystemen zijn ontstaan door het nuttig aanwenden van specifieke codes. Deze codes zijn niets anders dan regels van onderscheiding. Systeem en code zijn strak verbonden. De code is de betekenis waardoor een systeem verschilt van zijn omgeving en zet zijn eigen sector in werking. Het gevolg is dat het systeem alleen nog maar communicatie herkent die met de code te verstaan valt. Andere communicatie wordt gezien als omgeving waar andere subsystemen toe behoren. De code sluit criteria en beslissingen dus uit die niet refereren aan het systeem. Een lening afsluiten is bijv. niet te duiden als goed of slecht. Dit heeft serieuze gevolgen voor ethiek.


2.1.4. Elk (sub-) systeem ontwikkeld zijn eigen regels (programma’s) Als systemen werken volgens hun specifieke code is het de vraag welke regels gelden. Het systeem ontwikkelt programma’s om dit probleem op te lossen. Vroeger integreerde religie de systemen met waar en juist. Zelfs tijdens de Verlichting stond deze vraag centraal (fout en goed, juist en onjuist,… De demoralisering begon van de codes met de emancipatie van de systeem-structuren en de autonome economische code. Dit proces resulteerde in een grotere vrijheid van de speciale codes en hun specifieke programma maar ook een beperking van de reikwijdte van geldigheid. Eerst eten en dan de moraal zou men kunnen concluderen. Maar het is niet de een na de ander. De communicatie over moraal is continu. Maar het behoort tot een ander universum. De gespecialiseerde subsystemen schrijven de morele communicatie aan de omgeving toe. 2.2.

De systementheorie en ethiek

2.2.1. Moraal is een descriptieve communicatie over goed en kwaad Luhmann interpreteert moraal als een specifieke manier van communicatie die refereert aan in acht nemen of niets aantrekken van,… (goed en slecht) De hele persoon is in het geding, in zoverre de persoon wordt gezien als deelnemer aan communicatie. In acht nemen (regard) of niets aantrekken van (disregard) worden slechts onder speciale condities erkent. Moraal is als geheel bruikbaar als zulke conditie. Het rijk van de moraal is daarmee empirisch begrensd, maar is niet gedefinieerd als een normatieve alles overstijgende waarde. 2.2.2. Welke gevolgen heeft dit concept van moraal? 1. Hierboven maakt duidelijk dat moraal is voorzien van een specifieke code, welke is gestructureerd door de regard of disregard. Alleen wat op deze code betrekking heeft is morele communicatie. De code wordt gebruikt voor personen als geheel en niet voor persoonlijke talenten, mogelijkheden,… Dit veronderstelt dat morele communicatie symmetrisch is gestructureerd. Wie moreel communiceert bindt (verantwoordelijk) zichzelf. Morele communicatie laat zien dat dezelfde condities gelden voor de persoon die je deelgenoot maakt van jouw opvattingen. 2. Luhmann gaat er van uit dat moraal op het niveau van de samenleving is te vinden. In de premoderne samenleving werden mensen door de moraal ingesloten. Tegenwoordig heeft de moraal geen specifieke referentie naar een subsysteem (wijsheid: wetenschap, vertrouwen: religie of macht: politiek.) De moraal hoort tot de omgeving van alle subsystemen in de samenleving. Moraal staat op grote afstand van elk subsysteem. De code van moraal en de code van de subsystemen stemmen niet overeen. Je zou anders moreel de democratie in gevaar kunnen brengen. Door bijv. de regering als goed en de oppositie als slecht te verklaren. De functionele codes moeten universeel overstijgend zijn om open te staan voor alle morele aspecten van de systemen. Luhmann gaat het niet om de moraal in de subsystemen in te sluiten maar om de functionele uitsluiting waardoor de moraal niet langer een speciale functie vervult. De moraal bestaat alleen omdat de mens onverbeterlijk is zodat de mens zich moreel uitlaat en niet stopt bij politiek of economie. Op dit gebied is er geen verschil met andere sociale codes die universeel gebruikt worden in plaats van hun functionele eigenschap (economie).


2.2.3. Ethiek als reflexieve theorie van de moraal Luhmann omschrijft ethiek als een reflexieve theorie van de moraal. De zelfreflectie onderscheidt zich van reflectie door andere systemen. De reflectie oriënteert zichzelf op de code van het systeem dat het beschrijft terwijl een externe observatie dit nooit doet of kan zonder samen te vallen met het systeem dat ze reflecteert. 2.2.4. Welke gevolgen heeft zelfreflectie voor de ethiek? 1. Als we ethiek verstaan als een theorie van reflectie dan refereert ethiek alleen aan de codegestuurde communicatie van regard en niet aan juist of onjuist, waar of onwaar. Verliezen in een rechtzaak is geen kwestie van moraal maar een kwestie van recht. Om functioneel te zijn moet het onderscheid moreel neutraal zijn. 2. Vervolgens kan de reflectie geen onderscheid maken tot wat het refereert omdat het juist dat onderscheid kenmerkt en operationaliseert. Het onderscheidt tussen goed en kwaad (in de morele betekenis) is in zichzelf niet goed of slecht, het is geen van beide. Voor ethiek is de voornaamste taak het gebiedt van de morele toepassingen af te bakenen. Een ethische methodologie moet het morele programma op het spoor komen en (sub-) systemen tot zelfbeheersing, hun eigen input overwegen. Het onderwerp is onderzoek over ethiek maar niet de ethiek zelf gestalte geven. Beide perspectieven vallen samen: Ethici doen onderzoek in ethiek en onderzoekers in ethiek doen aan ethiek (of denken dat te doen). 2.3. Ethiek als descriptieve systeemtheoretische communicatie Er is zonder twijfel sprake van morele communicatie. En daar zijn niet veel redenen waarom we deze communicatie niet zouden moeten beschrijven als het onderscheid tussen regard and disregard of makkelijker het onderscheid tussen goed en slecht. 2.3.1. Zijn de subsystemen van onze maatschappij, en de moraal behoort tot hun omgeving, doof voor morele communicatie? 1. Nee, ze zijn er zelfs gevoelig voor maar vertalen, door middel van hun code, dit volgens het eigen systeem. De subsystemen observeren elkaar continu volgens hun eigen code. De economie observeert politiek en vertaalt politieke beslissingen in financiële gevolgen en dat communiceert ze weer terug naar de politiek. 2. Bovendien zijn onderwerpen die in de publieke sfeer (zoals ethiek en moraal) worden besproken niet altijd specifiek voor een subsysteem. Dit zijn vaak onderwerpen die de subsystemen overkoepelen. (Bijv. in de discussie over het verwijderen van organen voor transplantatie. Daar komen verschillende subsystemen bij elkaar. Het gaat niet alleen of een juridische zaak want die kan het moment van overlijden niet bepalen, het is niet alleen een medische zaak omdat deze op normatieve wetsbepalingen stoelt, er zijn economische belangen in het spel,…). In complexe problemen zijn de subsystemen van elkaars service afhankelijk. Het is altijd mogelijk deze service in de eigen code van het subsysteem op te nemen. Dat betekent ze uitdrukken in het onderscheid juist of onjuist, waar of onwaar,… Bovendien wordt duidelijk dat er geen reden is waarom moraal geen rol kan spelen in de context van zulke complexe problemen. 2.3.2. Universele aanmatiging door subsystemen Duidelijk wordt dat de subsystemen proberen een moraal en ethiek in hun eigen reproductie te installeren. Normaal gebeurt dit door de ontwikkeling van een systeem-specifieke ethiek zoals ethiek van de wetenschap en de ethiek van de economie. Dit is het gevolg van het


moderniseringsproces in het algemeen en het differentiatieproces (wegvallen van begrensende overkoepelende instituties zoals religie) in het bijzonder. Als het systeem zich niet wil openstellen voor de ontkenning of uitbanning van de samenleving (wat uiteindelijk disfunctioneren inhoudt voor het systeem) dan moet het de toewijding, aanmatiging van de code begrenzen, limiteren als de code zonder afbakening denkt te kunnen opereren. Dat is een probleem van de betrokken subsystemen maar ook van de ondergeschikte bedrijven of andere organisaties. De kritiek is hier gericht op de universele aanmatiging van de code die side-effects heeft voor de omgeving van de code (Manenschijn). Economische beslissingen werken binnen de economische optiek maar werken niet buiten die economische optiek. De subsystemen hebben een sensor nodig en communicatie over zelf-beheersing. Zulke situaties worden als ethiek bestempelt. 3.0. Communicatie rondom regels De moderne samenleving is gedifferentieerd. De radicalisering van differentiëring is segmentering. Dit houdt in dat de subsystemen niet meer met elkaar in contact staan. Elk systeem heeft zijn eigen regels die alleen binnen dat subsysteem te verstaan zijn. Uiteindelijk verabsoluteren de subsystemen zich tot autonome universele systemen. De economie is daar een goed voorbeeld van. Vraag en aanbod bepaald wat waarheid is en alleen wat nuttig is is zinvol. De communicatie, in zoverre die nog mogelijk is, komt hierdoor steeds meer onder druk te staan. Duintjer geeft de communicatie echter niet op. De levensbeschouwelijke uiteindelijkheidsoptiek zorgt volgens Duintjer voor communicatie en integratie (zie Geurts 4.0.) mits de optiekentheorie in acht wordt genomen en de transcendentie rondom regels (de open dimensie of volgens Luhmann: ‘de omgeving’) verondersteld is. 3.1. De optiekentheorie Iedereen kijkt vanuit een bepaalde invalshoek (het formeel object) naar heel de werkelijkheid (het materieel object). Mensen benaderen de werkelijkheid met behulp van een bepaalde optiek. Het materieel object is voor elke optiek hetzelfde. Een optiek verschilt niet door het materieel object maar door het formeel object. Dit laatste leidt tot het onderscheid aspectoptieken en uiteindelijkheidsoptieken. Een aspectoptiek kijkt naar heel de werkelijkheid voor zover die werkelijkheid te maken heeft met... (vraag en aanbod, chemie, politiek,…) Een uiteindelijkheidsoptiek kijkt naar heel de werkelijkheid in zijn geheel. De uiteindelijkheidsoptieken kennen geen beperkingen in het formeel object. De optieken verschillen van elkaar door het formeel object. De optieken hanteren verschillende taalspelen. Een socioloog hanteert andere begrippen en kijkt anders naar de werkelijkheid dan een psycholoog, theoloog of bioloog. Halen we de taalspelen door elkaar dan gaan wij tegen de regels van het formeel object in. Wij leven in een maatschappij waar het constatieve, descriptieve taalgebruik overheerst. Hierdoor komt het dat dit taalspel als model wordt gehanteerd voor andere taalspelen. Metafysisch taalgebruik is dan zinloos omdat het niet voldoet aan het constatieve en descriptieve, wat het wetenschappelijk taalgebruik kenmerkt. Dit is echter niet het geval als je je bedenkt dat levensbeschouwelijk taalgebruik gekenmerkt wordt door performatief, auto-implicatief taalgebruik. Levensbeschouwelijke taal bestaat uit performatieve en auto-implicatieve taal. Het performatieve laat door het spreken een handeling zien. Deze uitspraken moeten we in de eerste plaats niet op waarheid toetsen maar op de situatie waarin deze wordt gebruikt (gelukkig of minder gelukkig). Auto-implicatieve taal drukt een houding, gevoel, beleving uit. Dit is geen constatieve, descriptieve taal zoals in de wetenschap maar een uiting van de diepte van mijn existentie.


Als we levensbeschouwelijk communiceren dan moet dat geschieden op een geheel eigen wijze i.t.t. de geheel eigen wijze van de wetenschappelijke aspectoptieken. De één in constatieve, descriptieve taal en de ander in performatieve, auto-implicatieve taal. De één als aspectoptiek en de ander als uiteindelijkheidsoptiek. De verschillende optieken staan niet los van elkaar maar veronderstellen wel een vertaling zodat duidelijk wordt wat er gezegd wordt. Communicatie verondersteld dan weet hebben van de verschillende taalspelen en de mogelijkheid je eigen taalspel (optiek) te kunnen overstijgen. De optiekentheorie is niet alleen van toepassing op de taaldaden maar ook op de handelingen en kenactiviteiten van de mens. Je spreekt, handelt, denkt en neemt waar vanuit een bepaalde invalshoek (subsysteem). Je kunt niet anders dan een optiek innemen. Als we waarnemen dan selecteren wij. Wat wij selecteren interpreteren en categoriseren wij met behulp van het formeel object van de ingenomen optiek. Door de optiek weten wij wat wij moeten selecteren, interpreteren en categoriseren. Het formeel object van de optiek geeft ons een regelpatroon in handen zodat wij de dingen zien als zo-en-zo. Door de regels die voortkomen uit het formeel object heeft het waarnemen altijd een impliciet positioneel element. Waarnemen is waarnemen van iets áls dit-of-dat. Een regel-geleide praxis bevat dus identificatie en klassificatieregels. Wittgenstein zegt: " Ook al spreken we rechtstreeks van 'ik neem dat waar', we nemen waar met toepassing van begrippen als we dingen waarnemen. We duiden ze dus en zien ze zoals we ze duiden'. Pas als we alternatieve begrippen bij de hand hebben, kunnen we uitdrukkelijk zeggen 'nu zie ik net als...'. Wat en hoe ik waarneem hangt mede af van het conceptuele regelpatroon waarmee ik vertrouwd ben." Een regel voor het correct waarnemen is dat je weet dat je altijd naar hetzelfde materieel object kijkt maar niet altijd dezelfde optiek inneemt (formeel object). Je moet de formele objecten niet door elkaar gooien maar je eerst afvragen welke optiek wordt hier eigenlijk ingenomen. Neem ik eigenlijk wel de goede optiek in als ik zeg 'hier klopt iets niet’'? Regels worden hier opgevat als de richtsnoer voor spreken, handelen, denken en waarnemen. Een complex van onderling samenhangende regels, wordt regelpatroon of referentiekader genoemd. We hanteren ontelbaar veel regels per dag. We kunnen niet zonder regels. Regels bindt mensen. Regels maakt communicatie mogelijk. Menselijk gedrag wordt geleid door regels. De mens leeft rondom regels. Maar regels blijken een grondeloos vertrouwen te impliceren. Een grondeloos vertrouwen omdat ze uiteindelijk zweven en niet te funderen zijn. In paragraaf twee wordt duidelijk dat regels en regelpatronen metafysisch van aard zijn. 3.2. Rondom regels ligt de open dimensie. Het eerste deel ging over hoe wij mensen bepaald worden door regels. De mens kan niet zonder regels leven. Zelfs een ontkenning van deze stelling zou een bevestiging betekenen. Hoe kun je überhaupt mij verstaan als je niet van de regels wilt uitgaan? En als je deze stelling wilt weerleggen dan ontkom je er niet aan een nieuwe regel te formuleren. Al deden we nog zo ons best uiteindelijk kunnen we de regels niet verlaten. We kunnen het soms oneens zijn met een bepaalde regel maar de regel als regel blijft bestaan of wordt vervangen door een betere regel. Het oneens zijn met een regel of zelfs een nieuwe regel formuleren is slechts mogelijk door de open dimensie rondom regels. Het tweede deel gaat over de open dimensie rondom regels (De ‘omgeving’ van Luhmann). Het eerste deel maakte duidelijk dat de mens omgeven is door regels. Het tweede deel gaat over wat voorbij die regels gelegen is en in die zin zelf rondom regels ligt. We gaan op zoek naar de verzwegen dimensie die vooraf gaat aan alle regelpatronen en die rondom elk regulatief kader als een omvattende open ruimte in het geding is. We gaan terug-


vragen naar 'voorwaarden voor de mogelijkheid van', 'vooronderstellingen' van regel-geleid gedrag, 'componenten' die bij regel-geleid gedrag reeds impliciet in het geding zijn. We gaan terug-vragen naar onszelf, door een stap achter-uit te maken (Duintjer noemt dit transcendentie), in de richting waar wij zelf zitten, 'naar binnen toe'. De bedoelde voorwaarden die wij zelf zijn, liggen in zekere zin vóór alle gevestigde regelpatronen; ten opzichte daarvan vormen zij in zekere zin dus juist 'de voorgrond', die echter pas expliciet kan worden door zelf achterwaarts te treden. Vergelijk een kunstschilder die eerst met zijn neus op het doek bezig is een fijn streepje of figuurtje aan te brengen en vervolgens achteruit treedt; daardoor de plaats die hij innam kan zien als iets wat vóór het schilderij ligt, er de voorgrond van vormt; een wijder gezichtsveld om zich heen ervaart en daarbij de figuur die eerst zijn hele blikveld in beslag nam, nu waarneemt als een minutieus onderdeeltje van een veel wijder verband; dit alles door zelf eerst een stapje achteruit te doen. De uiterste dimensie is zoiets als een lege ruimte of openheid waarin regulatieve kaders kunnen worden uitgezet, uitgespannen, ontworpen, aangeleerd. De open dimensie is geen verzamelplaats van regelpatronen. De open dimensie is geen eindeloze keten van regels. De open dimensie is geen slechte oneindigheid maar een kwalitatief princip. Het is een onuitputtelijke mogelijkheid tot het uitzetten en veranderen van maatgevende kaders. Het onuitputtelijke als mogelijkheid tot mogelijkheden. Elke actuele gedraging en elk werkelijk verschijnsel binnen een kader wordt omringd door een heel veld van mogelijkheden, afgebakend door het maatgevende kader onder leiding waarvan die bepaalde gedraging wordt uitgevoerd en dat bepaalde verschijnsel wordt aangetroffen. Transcendentie is generzijds van die sfeer van mogelijkheden. Transcendentie betekent dan een verkeren in, of contact hebben met de open ruimte vóór, voorbij en rondom alle kaders met mogelijkheden. Het betekent de open dimensie waar kaders met mogelijkheden ontworpen, uitgevouwen, ingevoerd, in stand gehouden en losgelaten kúnnen worden, maar die zelf met geen enkel kader samenvalt, zich daarin niet uitput. Transcendentie als mogelijkheid tot mogelijkheden, de onuitputtelijke mogelijkheid tot het creatieve ontwerpen, in stand houden en loslaten van maatgevende kaders als velden van mogelijkheden, waarvan dan sommige als werkelijkheden worden aangetroffen of uitgevoerd. Transcendentie als in een werveling uitgetild worden voorbij de ons vertrouwde orde van mogelijkheden naar een dimensie die dááraan voorafgaat. De immense wijdte van ons aller onuitputtelijke zelf kan slechts ervaren worden waar tegelijk ons ego-bewustzijn verdampt tot een nietig puntje. Voor dat onmetelijke zelf is hierbij geen sprake van verruiming, maar veeleer van een loslaten van aangenomen begrenzingen. Duintjer denkt in dit laatste geval aan Yoga, meditatie of Tai Chi. De open dimensie betreft dus de onuitputtelijke bron van alle creativiteit, met name voor zover die creativiteit niet slechts betrekking heeft op het produceren van nieuwe dingen binnen een reeds gevestigd kader van mogelijkheden, maar radicaal op het ontvouwen van maatgevende kaders zelf, 'scheppen' in de zin van 'putten uit de onuitputtelijke bron'. Transcendentie betekent hier een verkeren in of contact hebben met de open dimensie die "is" vóór, voorbij en rondom alle kaders met mogelijkheden. De term transcendentie slaat enerzijds op een bewustwording, de verbinding met een alomvattende dimensie, terwijl anderzijds die dimensie zelf het karakter heeft van transcendentie. Bewustwording betekent een achterwaarts treden uit de gevestigde kaders voor onze gebruikelijke wijzen van ervaren, spreken en handelen tot voor de ingang van die kaders, naar


een omvattende dimensie waar zulke kaders ontworpen, aangeleerd en binnengetreden kunnen worden. Achterwaart: Zowel in contrast met de vóórwaartse gerichtheid op verschijnselen binnen een kader, alsook ter aanduiding van de richting naar onszelf toe, die ons door zo'n kader laten leiden; en wel zó dat onderwijl het zicht behouden kan blijven op wat zich binnenskaders afspeelt. In die omvattende dimensie zelf, vóór alle kaders, zijn natuurlijk alle richtingen relevant. Indien hier gesproken wordt van een 'achterwaarts treden uit onze gevestigde kaders' is daarmee geen definitief buitentreden bedoeld, maar een verlegging van ons zwaartepunt naar de ingang van die kaders. In ieder geval niet iets wat dan duurzaam in plaats zou komen van een functioneren binnen intersubjectief gedeelde kaders. Een buiten alle kaders treden wordt hoogstens ervaren bij wijze van tijdelijke ontheffing. Je kunt wel leren daar mee in contact te blijven, zodat het motiverende achtergrond en inspirerende krachtbron kan worden voor ons gedrag binnen kaders. Dit is mogelijk omdat het hier niet gaat om een concurrerende andere wereld maar om de onuitputtelijke dimensie van waaruit alle werelden, realiteitsniveaus of kaders binnengetreden kunnen worden. Bij die bewustwording, dus bij de overgang naar die omvattende dimensie, blijkt voorts dat wij zelf altijd al in die dimensie verkeren. Het zal er veeleer om gaan te leren met deze dimensie contact te krijgen en dan van daaruit te verkeren in de enige wereld zonder van die wereld te zijn. Optimaal voor ons gewone leven binnen kaders is het om je uitgangspunt te hebben net voor de ingang van zo'n kader-en daardoor is die stap achterwaarts vereist- en dat, verbonden blijvend met die achtergrond, je voorwaarts te richten op wat je binnen zo'n kader per situatie ontmoet en te doen krijgt.

4.0.

Communicatie en integratie

Het differentiatieproces zet de solidariteit op het spel. De communicatie lijkt namelijk onmogelijk tussen de autonome subsystemen (optieken). Maar de optiekentheorie maakt de communicatie tussen subsystemen mogelijk door deze systemen in taalspel te onderscheiden. De aspectoptieken hanteren een wetenschappelijk taalspel en de uiteindelijkheidsoptiek hanteert een levensbeschouwelijk taalspel. De verhouding tussen economie (aspectoptiek) en ethiek/theologie (levensbeschouwelijke uiteindelijkheidsoptiek) wordt hiermee ook duidelijker. De levensbeschouwelijke uiteindelijkheidsoptiek zorgt voor de communicatie en integratie van de verschillende aspectoptieken. Maar de theorie is eenvoudiger dan de praktijk. 4.1. Levensbeschouwing en ethiek verliezen hun integrerende en kritische functie Thom Geurts gaat in zijn boek “Leren van zin” uit van de moderniseringshypothese van H. van der Loo en W. van Reijen. Levensbeschouwing en ethiek hebben twee functies. 1. Een integrerende functie: De verabsoluteerde autonome subsystemen worden geïntegreerd waardoor het maatschappelijke systeem wordt gehumaniseerd. 2. Een kritische functie: Desoriënterende, segmenterende ervaringen worden kritisch als onzin binnen de horizon van uiteindelijke zin geplaatst. De mens is een vrij transcenderend wezen dat gericht is op uiteindelijke zin. Hierdoor kan hij afstand nemen van een feitelijke situatie om een mogelijke situatie te denken. Je kunt alleen maar kritisch iets als onzin bestempelen als je intuïtief impliciet besef van samenhang en integratie hebt. 4.2. Rationaliseringsachterstanden Volgens Geurts staan de integrerende en kritische functie van levenbeschouwing en ethiek door het differentiatie- en segmentatieproces onderdruk. Maar hij constateert ook grote rationaliseringsachterstanden op het terrein van levensbeschouwing en ethiek:


a. Levensbeschouwelijke groeperingen hebben een achterstand op het terrein van de argumenterende communicatie. Levensvisies moeten bijv. niet de waarheid monopoliseren maar een dialoog aangaan met andere levensvisies als gelijken. b. De achterstand met betrekking tot het hanteren van de levensbeschouwelijke systemen van de werkelijkheid. Mensen gooien de verschillende werkelijkheidsbenaderingen (aspectoptieken/uiteindelijkheidsoptieken) door elkaar waardoor levensbeschouwelijke uitspraken niet begrepen worden omdat ze bijv. strijdig zijn met het natuurwetenschappelijke subsysteem. c. De achterstand met betrekking tot de verhouding van de levensbeschouwelijke benadering van de werkelijkheid en de andere sectoren. Door de rijkdom en de plaats te kennen van de verschillende benaderingen van de werkelijkheid wordt ieder (sub-)systeem op zijn waarde geschat. Het economische subsysteem die zich in de moderne samenleving heeft verabsoluteert als nieuw integrerend systeem kan het humaniteitsbeginsel niet in brengen. De levensbeschouwelijke benadering van de werkelijkheid, die op zin en samenhang is gericht, moet hiervoor de mogelijkheid krijgen. 4.3. Drie rationaliteitvormen van Habermas Zolang deze rationaliseringsachterstanden niet zijn ingehaald verliest levensbeschouwing en ethiek hun twee functies waardoor de problemen van de moderne samenleving blijven bestaan. De integratieve en kritische functie krijgt geen kans in de moderne tijd omdat het buiten de rationaliteitsvorm valt die de economische sector hanteert. Habermas onderscheidt drie rationaliteitsvormen: 1. De instrumentele rationaliteit: mensen staan tegenover de dingen. De mens wil begrijpen en beheersen. 1. De strategische rationaliteit: Mensen zijn gericht op andere mensen met het oog op functionaliteit. Mensen zijn niet direct zelf van belang. De ene mens behandelt de ander als object. 2. De communicatieve rationaliteit: Een intersubjectieve relatie tussen mensen. Iedereen wordt gezien als gelijkwaardig. Gedeelde argumenten en niet macht of gezag bepaald een oordeel of besluit. Het wederzijds verstaan is een doel op zich. 4.4. Een gehalveerde rationaliteit Habermas geeft de voorkeur aan de communicatieve rationaliteit. Maar de werkelijkheid van de moderne samenleving is anders. Door het economische (sub-) systeem is de instrumentele en strategische rationaliteit het maatschappelijk en persoonlijk leven gaan beheersen: 4.4.1. De instrumentele en strategische rationaliteit beheersen het persoonlijk leven Het mens-zijn loopt gevaar doordat de economie het persoonlijk leven is gaan beheersen. De mens is steeds minder op uiteindelijke zin gericht. Het individu ontwijkt en verdringt de levensbeschouwelijke benadering van de werkelijkheid. De vrije transcenderende kritische mens wordt door een hedonistische levensstijl ontlast van uiteindelijke zin. Hierdoor verliezen mensen het levensbeschouwelijk en ethisch begrippenapparaat waardoor er geen communicatie meer tot stand komt. Het individu zet aan de hand van de instrumentele rationaliteit zijn eigen levensvisie in elkaar uit losse fragmenten. Een pragmatische


levensvisie die geen hoger doel heeft dan het individu ontlasten van levensvragen. Ethiek vervalt in relativisme waar elke integrerende humaniteit uit is verdwenen. 4.4.2.

De instrumentele en strategische rationaliteit beheersen het maatschappelijk leven Het maatschappelijk leven wordt bepaald door de economische sector. Vraag en aanbod maakt uit wat waar en niet waar is. De instrumentele rationaliteit van de economische sector bepaald of iets goed of slecht is, nuttig of zinloos,‌ In de politiek geldt niet de integratieve humaniteit maar de wetten van de economische sector. Ethiek wordt gereduceerd tot (liberale) economie of komt niet meer ter sprake. 4.5. Integratie veronderstelt Communicatie Functieverlies van levensvisies is niet een zaak die de geest van de modernisering onberoerd laat. De beloften die met name in de traditie van de Verlichting aan de modernisering zijn gekoppeld raken erdoor in de verdrukking. De Verlichting heeft de pretentie de levensbeschouwelijke begeleider te zijn van het moderniseringsproces. In de Verlichting wint het vrije en redelijke inzicht het van de vooroordelen van de traditie, zodat het gehele denken en leven kan worden geordend volgens de rede. Het gaat de Verlichting om humaniteit. Geurts gaat opzoek naar oplossingen voor de problemen van het moderniseringsproces zoals rationaliseringsachterstanden en functieverlies van levensvisies. Geurts zoekt geen oplossingen in de premoderne tijd of het postmoderne denken. Humaniteit, want daar gaat het hier uiteindelijk om, is ook moderniteit. De Verlichting kenmerkt zich juist door het streven de moderne mens te willen emanciperen en de moderne samenleving te humaniseren. Maar de dominerende economische sector staat dit in de weg. Een oplossing ziet Geurts in de verbreding van de rationaliteit. Rationaliteit moet niet alleen verstaan worden als instrumenteel maar ook als communicatie en intersubjectiviteit. Als er geen balans is tussen doelrationaliteit en waarderationaliteit komt de humaniteit steeds meer onder druk te staan. De Verlichting en de Christelijke levensvisie staan hier niet tegenover elkaar want beiden hebben hetzelfde doel: humaniteit. De Verlichting had als doel de mens uit de traditionele onmondigheid te bevrijden. De mens moest durven te denken. De wetenschap slaagde er in zich van de religieuze vooronderstellingen en dogma=s te ontdoen. Maar deze wetenschappelijke benadering heeft geleid tot een nieuw probleem. De wereld is >onttoverd= van zijn traditionele zingevingsystemen. De legitimatie van de diverse waarden en normen is zoek want ze hebben geen universele aanspraken meer. De waarden en normen van de moderne tijd zijn vervaagd en gebaseerd op nuttigheid. Goed is wat werkt. De doelrationaliteit zuigt op die manier de zin uit het leven. De Verlichting heeft een groeiende economische en technologische welvaart opgeleverd maar we zijn wel de >waarderationaliteit= uit het oog verloren. De Verlichting had naast de doelrationele idealen ook waarderationele idealen als emancipatie en humaniseren van de samenleving. Maar als wij een humane samenleving voorstaan dan kunnen geld en macht geen goede integrerende functie vervullen. Het communicatieve handelen moet deze functie gaan vervullen. Het communicatieve handelen is het handelen in overeenstemming met het handelen dat een rationele fundering verlangt. Een rationele fundering die waar, juist en waarachtig is. Verdere voorwaarden zijn dat de communicatie zonder handelingsdruk verloopt en dat er geen machtsverschillen zijn. Iedereen krijgt in gelijkheid een plaats in de meningsen besluitvorming. Het instrumentele handelen heeft slechts de taak om in de basisbehoeften te voorzien maar het collectieve handelen moet centraal staan. Het heilige is wat de


wetenschap met rust moet laten omdat het niet gekend maar gevoeld wordt. Het biedt de mens betoverde plekken in een onttoverde wereld. Literatuur: 1. Toine van den Hoogen, De Woekeraar en de graanboer. De moeizame en moeilijke relatie tussen economie en theologie in: Jan van der Wal (red.), De woekeraar en de graanboer. Over de relatie tussen moderne economie en hedendaagse theologie (UTP-katern 18), Baarn: Gooi & Sticht, 1996, blz. 15 - 42. 2. Hans van der Loo en Willem van Reijen, Paradoxen van modernisering, een sociaalwetenschappelijke benadering, Dick Coutinho, muiderberg/1993. 3. Hans-Ulrich Dallmann, Niklas Luhmann’s systems theory as a challenge for ethics uit Ethical theory and moral practice, an international forum, Kluwer Academic Publishers, 1998. 4. O. D. Duintjer, Rondom Regels, Wijsgerige gedachten omtrent regel-geleid gedrag, Meppel, Boom, 1985 5. Thom Geurts, Leren van Zin, Damon, 1997


Differentie ethiek