Page 1

ICHTEGEMS ERFGOED 7

Het Torenhof

Koenraad Vandenbussche


Voorgaande edities Erfgoed 1

Erfgoed 4

De Bekegemse Sint-Amanduskerk

De Eernegemse Sint-Medarduskerk

Erfgoed 2

ICHTEGEMS ERFGOED 5

De Ichtegemse Sint-Michielskerk

Erfgoed 5 Klokkenputten en gordijnenkijkers Immaterieel erfgoed in Ichtegem

Klokkenputten en gordijnenkijkers Immaterieel erfgoed in Ichtegem Antoon Naert

Erfgoed 3

Erfgoed 6

Drie erfgoedwandelingen in drie dorpskernen

Sint-Martinus en het Ichtegemse Sint-Maartensfeest

Colofon Verantwoordelijke uitgever: Antoon Naert Š gemeentebestuur Ichtegem 2017 Opmaak: Phaedra Tyteca Drukcenter Ichtegem Druk: Drukcenter Ichtegem Afbeelding op voorpagina: Willy Vanieuwkerke

2


Bronnen VANDENBUSSCHE, Koenraad, Binnenschippers op de Moerdijk- en Bourgognevaart (17de-20ste eeuw), in: Biekorf, jg. 112 (2012), nr. 3, p. 346-379. VANDENBUSSCHE, Koenraad, De Bolle, een oude herberg op de Moerdijk (1616-20ste eeuw), in: Ernigahem, jg. 31 (2012), nr. 3, p. 57-76. VANDENBUSSCHE, Koenraad, Open Monumentendag 1996; Geschiedenis van het Torenhof; De muurschilderijren in de kelder, in: Ernigahem, jg. 15 (1996), nr. 2, p. 27-50. Foto’s Behalve anders vermeld werden alle foto’s genomen door Willy Vannieuwkerke.

3


Van herberg De Bolle tot koffiebranderij Torenhof Intensieve scheepvaart langs de Moerdijk De Moerdijkvaart vormt vermoedelijk al van in de Middeleeuwen een gekanaliseerde waterloop, die een cruciale rol heeft gespeeld in de waterhuishouding van onze streek. Een groot deel van het regenwater ten westen van het plateau van Wijnendale komt via allerlei beken in deze waterloop terecht. Al in een vroeg stadium wordt deze vaart ook gebruikt voor scheepvaart. Het is tot het aanleggen van de Theresiaanse steenweg van de Kromme Elleboog tot aan het kasteel van Wijnendale in de jaren 60 van de 18de eeuw de vlotste verbinding tussen Oostende en onze streek. Langs de Moerdijkvaart ontstaat een bloeiende handel. Het bosrijke Houtland levert hout en graan aan de stad Oostende, terwijl de boeren van Eernegem en omstreken de stedelijke mest als het bruine goud verwelkomen. In Zand-Vlaanderen moet de relatief arme landbouwgrond verrijkt worden, maar door gebrek aan voldoende veeteelt is de mestproductie van de stadsbevolking een begerenswaardig alternatief. Dagelijks komen mestschepen toe aan de vele landingen langs de Moerdijkvaart, waar boeren het onwelriekende goedje op hun karren overladen. Deze handel is belast. Het recht om ‘asschen en vette’ te meten is op het eind van de 17de eeuw in handen van de Eernegemse boer Andries Vande Kinderen. Per honderd manden as of mest die gelost worden, mag hij 5 grote Vlaamse – 36 grote is in die tijd het dagloon van een arbeider - vragen. Na het kinderloos overlijden van zijn zoon Pieter in 1722 komt dat recht in handen van het disbestuur van Eernegem, die de opbrengst voor het onderhoud van de armen in het dorp mag houden. Meestal verpacht zij dat recht aan de meestbiedende, maar in jaren dat er minder scheepvaart verwacht wordt, omdat er uitbaggeringswerken aan de Moerdijkvaart of de vaart Plassendale-Nieuwpoort gepland zijn, betaalt de pachter per geloste hoeveelheid een bedrag. In 1725 is die regeling opnieuw in voege “uijt vreese dat den oostendschen vaert soude afghetrocken worden”. Om één of andere reden is dat niet doorgegaan en heeft de mesthandel in dat jaar zijn normale omzet geboekt, wat ons een betrouwbaar beeld geeft van de grootte van de mesthandel op de Moerdijk. Pachter Anthone De Couck heeft in 1725 niet minder dan 149 798 geloste manden geteld. De commerciële waarde van een mand mest is in die tijd 1,35 grote Vlaamse. De totale waarde bedraagt dus 824 pond 12 schelling 3 grote Vlaamse, wat in die tijd gelijk is aan 5617 arbeidersdaglonen. Ongetwijfeld is dat maar een beperkt deel van de handelstrafiek op de vaart. Er is immers ook een levendige aanvoer van brand- en constructiehout voor de stad en van graanproducten voor haar bevolking. Zeker die houthandel is niet onbelangrijk, want op het einde van de 18de eeuw is er sprake van een “moerdycksche gause”, een eigen maateenheid voor hout. Wie een landing, een aanlegplaats voor schepen langs de vaart, mag aanleggen, verzekert zich van controle op een deel van die handelstrafiek.

4


Herberg De Bolle als landing Op de plaats waar de Moerdijkvaart overgaat in de Moerdijkbeek bevinden zich nog twee landingen. Bij zo’n haventje is er veel passage van volk: schippers leggen aan, boeren komen vrachten halen of brengen… Diverse eigenaars van landingen zorgen dat de mensen er rustig kunnen verpozen en openen een herberg. Bij dat verst bevaarbare stuk van de Moerdijkvaart wordt café ’t Bollekin – vanaf de 17de eeuw spreekt men uitsluitend over De Bolle – geopend. De oudste vermelding van het café vinden we in de wezerijregisters op 27 februari 1562. Uitbater van herberg en landing is dan Adriaen Dede(y)ne. Zijn dochter, Jacquemyncken, die getrouwd is met Jan Leeuwers, verkoopt het café met landing in 1623 aan Victor de Waghemaker, die de eigendom verpacht. Isenbaert Vyvey is er van 1642 tot aan zijn dood in 1646 gebruiker van. Dan komt Maximiliaan Vanden Driessche er wonen. In 1655 koopt hij het van de erfgenamen van Victor de Waghemaker. In dat jaar baggert men het stuk vaart tussen de Riethuisbrug en De Bolle uit en ook de wending, de plaats bij zijn herberg waar schepen de kans krijgen om te draaien, wordt uitgediept. Maximiliaen Vanden Driessche wordt als uitbater van café De Bolle een welvarend man. In 1659 en 1660 is hij dismeester en in 1661 staat hij genoteerd bij de “notable prochiaenen” die de dorpsrekening controleren.

Op die kaartje uit 1666 zie je herberg Ter Bolle op het einde van het bevaarbare gedeelte van de Moerdijk gesitueerd. Je ziet ook nog de kerk en een molen op het grondgebied van Moere. (Rijksarchief Brugge, Kaarten en Plannen, nr. 645)

5


In 1663 verhuist Vanden Driessche naar Markhove in Kortemark en verkoopt De Bolle aan Jan De G(h)eldere, die er met zijn vrouw Geraerdincken Mathys komt wonen. Jan is afkomstig uit het Land van Dendermonde. Hij kan niet lang genieten van zijn eigendom, want hij overlijdt in april 1667. Zijn weduwe rouwt niet lang. Zij hertrouwt al op 21 juli 1667 met Joos Reniers, die het café uitbreidt met een in baksteen gemetste hoogkamer. Een jaar later legt hij bij zijn landing een houten brug over de Moerdijkvaart, waardoor hij veel passage langs zijn café krijgt. Voordien ligt er meer naar het noordoosten de Riethuisbrug over de Moerdijkvaart. De toegangsweg via de Ganzestraat naar die brug wordt in 1666 door de eigenaars ervan echter afgesloten, waardoor die brug niet meer bereikbaar is en afgebroken wordt. Joos Reniers speelt handig op deze lacune in en biedt met zijn nieuwe brug voor mensen uit Eernegem, Ichtegem en Koekelare een vlotte mogelijkheid om naar Gistel te reizen. Uiteraard vindt er ook een drukkere activiteit op zijn landing plaats. Wanneer in 1679 het dorp Eernegem de verbindingsweg tussen Ganze- straat en de vroegere Riethuisbrug van de eigenaars koopt – in het landboek van 1699 wordt die weg de Parochiestraat genoemd -, wordt hij weer geopend. De Eernegemnaars bouwen ook de Riethuisbrug opnieuw op. Vanaf 1684 baat Joos Reniers niet meer zelf zijn café en landing De Bolle uit. Van één van de pachters, Pieter Verysere, weten we dat hij er zijn eigen bier brouwt. Bij de volgende uitbaters vinden we daarvan geen spoor meer terug. Na de dood van Joos Reniers op 19 januari 1696 blijft de herberg nog een tijdlang verpacht worden. Vermoedelijk in 1702 neemt een zoon uit het eerste huwelijk van Joos, François Reniers, de uitbating over. Na diens dood wordt hij opgevolgd door zijn zoon Jacobus. Wanneer deze op 4 februari 1762 als vrijgezel overlijdt, worden zijn goederen ten voordele van zijn vele erfgenamen verkocht. Op 12 november 1762 komt herberg De Bolle met 17 gemeten (7 ha 52 a 2 ca) land in handen van de Ichtegemnaar Pieter Questier, die getrouwd is met Isabella Plyson. Het Torenhof als classicistisch herenhuis De nieuwe eigenaars hebben het geluk aan hun zijde. De overheid legt in de jaren 60 van de 18de eeuw net de steenweg van Oostende naar Wijnendale aan, die aansluiting geeft op de weg Brugge-Roeselare. De Oostendenaars zijn in deze vragende partij. Zij willen hun vis zonder omweg via Brugge in het binnenland kunnen brengen. Ook Pieter Questier ziet het belang van die weg in. Hij bouwt in 1769 naast die weg een groot herenhuis, het huidige woonhuis van het Torenhof. Boven de deur zie je vandaag nog altijd de familienamen van de oorspronkelijke eigenaars die in het arduin zijn uitgekapt. Hij begint de commerciële activiteiten uit te breiden. Er komt een brouwerij, een oliemolen en een kalkbranderij. De kruising van Moerdijkvaart en steenweg wordt een economische trekpleister. Wanneer in 1797 de Oudenburgse notaris Charles Sheridan zijn overplaatsing naar Eernegem aanvraagt, argumenteert hij dat met de mededeling dat er in dat dorp een “aanzienlijke handel (is) die

veroorzaakt wordt door de nabijheid van de Moerdijk”. Jan Questier volgt zijn vader op en huwt in 1792 met Marie-Thérèse Van Sieleghem, de dochter van de gewezen berijder van het ambacht Koekelare, Judocus, die in Ichtegem woont. Jan overlijdt in 1795. In de korte periode dat hij zaakvoerder is in het Torenhof, ontpopt hij zich als leverancier van goederen, vooral hout, aan het Oostenrijkse en nadien het Franse leger. Zijn weduwe blijft het bedrijf verder uitbaten. Het enige kind, Marie-Thérèse Questier, huwt met haar neef Joseph Van Sieleghem. Deze is een zoon van de broer van haar moeder, Jan Van Sieleghem, die notaris in Leffinge is, en de zus van haar vader, Francisca Questier.

6


Boven de ingangsdeur van het woonhuis lieten de eigenaars hun namen aanbrengen. (Foto Willy Vannieuwkerke)

Deze inteelt werpt vruchten af. De familie Van Sieleghem zal ruim honderd jaar vanuit het Torenhof zijn stempel drukken op Eernegem. Joseph is notaris, eerst in Koekelare en later in Brugge, en wordt ook verkozen tot liberaal provincieraadslid.

Het gebouwencomplex van het Torenhof was in de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw de woonplaats van de familie Van Sieleghem, die met Joseph (1848-1852) en Gustave (1855-1872) ook twee Eernegemse burgemeesters leverde. Deze foto is genomen en uitgegeven door PrÊaux Frères tijdens de Eerste Wereldoorlog. (Verzameling R. Vandenbussche)

7


Zijn gelijknamige zoon, die de brouwerij uitbaat, wordt van 1848 tot zijn overlijden in 1852 burgemeester van Eernegem. Diens broer, Gustave, wordt eveneens brouwer en is burgemeester van Eernegem van 1854 tot 1872. Onder hun bestuur wordt een vrijdagmarkt georganiseerd en wordt daarvoor een plein gecreëerd, de huidige Kleine Markt. Westkerkestraat en Aartrijkestraat zijn nog aardewegen en worden geplaveid. De eerste openbare verlichting in de vorm van olielantaarns doet zijn intrede en Gustave Van Sieleghem laat ook enkele publieke waterpompen plaatsen, waardoor de mensen drinkbaar water krijgen en minder bloot gesteld zijn aan epidemieën. In 1872 breekt de ideologische strijd los in het dorp en worden de liberalen uitgerangeerd. De liberale familie Van Sieleghem wordt politiek aan de kant geschoven, al zal Joseph, de zoon van Gustave, van 1904 tot 1907, van 1921 tot 1940 en van 1944 tot 1946 nog schepen worden. De brouwerij van Van Sieleghem sluit de deuren in 1927. Met het overlijden van de 80-jarige oud-brouwer op 17 september 1947 komt een einde aan de Van Sieleghemdynastie. Het wordt stil op en rond het Torenhof. Koffiebranders in het Torenhof In 1957 koopt Norbert Nestor Hanssens, een koffiebrander uit Gullegem die het merk Grootmoeders Koffie op de markt brengt, het gebouw. Zijn zoon Julien opent er in december 1958 een café en later in de kelders een danszaal. Samen met de prachtige tuin, vijver en weiden die bij het goed horen, is het domein in de jaren 60 een trekpleister voor de streek. In 1964 installeert Julien Hanssens een koffiebranderij in het Torenhof. In 1966 zet hij de uitbating van het café en park stop. Nadien wordt de zaak nog verhuurd, maar sinds 1976 staan de gebouwen leeg.

8


Twee beelden uit de postkaartenreeks uit de jaren 60, toen het Torenhof voor het publiek toegankelijk was. De reeks bestaat uit twaalf kaarten en is uitgegeven door S. Best (Rotterdamstraat 80, Antwerpen). (Archief Richard Vandenbussche)

Vooral het woonhuis van het complex dat dateert van 1769, raakt in de loop van de jaren in verval. Op 3 juli 1985 wordt het huis met bijhorend park geklasseerd. Van dit klasseringsbesluit maakt Pieter, de zoon van Julien Hanssens, gebruik om het woonhuis dat in classicistische stijl is opgetrokken, te restaureren. In 1991-1992 krijgt de toren een opknapbeurt. Vanaf 1995 wordt het woonhuis onder handen genomen. Vandaag is Pieter Hanssens de zaakvoerder van de koffiebranderij. Koffie Torenhof vindt afzet in heel BelgiĂŤ, maar is vooral in West-Vlaanderen te vinden. Sinds 2013 heeft Pieter Hanssens een firma van espresso-apparaten overgenomen. De oude herbergruimte is omgevormd tot winkel, waar je de producten van Koffie Torenhof kunt kopen.

9


De muurschilderijen in de kelder De gebouwen hebben bijna twee eeuwen lang een brouwerij gehuisvest en beschikken over ruime bierkelders. Wanneer Norbert Hanssens het Torenhof koopt, staan die kelders, die zich vier meter onder de zeespiegel bevinden, al diverse jaren onder water. Hij installeert een waterpomp om die ruimten droog te maken. In de zomer van 1961 komt Gilbert Dewilde met hulp van Jozef Folens de muren van de kelders beschilderen. Gilbert Dewilde is geboren op 18 februari 1925 in Bissegem. Hij studeert voor onderwijzer aan de normaalschool in Torhout (1939-1944) en voor regent Germaanse talen aan het Sint-Thomasinstituut in Brussel (1944-1947). Van 1947 tot 1966 is hij leraar aan het VTI en het St.-Jozefsinstituut in Kortrijk. Daarna wordt hij directeur van de cultuurdienst van de stad Kortrijk. Hij is de ontwerper van de stoet Luister van het Nederlands tijdens de Taalfeesten (1960-1963) in deze stad. De Stijn Streuvelsroute komt er op zijn initiatief en hij is de auteur van een Gids voor Groot-Kortrijk. Zijn levenswerk is de oprichting van het Nationaal Vlasmuseum dat in 1982 zijn deuren opent in de gerestaureerde vlassershoeve Beeuwsaert in Kortrijk. In 1983 wordt hij voor zijn lijvige studie Twintig eeuwen vlas in Vlaanderen met de provinciale prijs gelauwerd. Onder de kunstenaarsnaam Wilbiss schrijft hij in het begin van de jaren 50 humoristische monologen van wielrenner Disten Pulle voor Radio Kortrijk. Tegelijkertijd start een cartoonfiguur onder dezelfde naam een zestienjarige carrière in het reclameweekblad Atlas. Zijn creatie, wielrenner Disten Pulle, is in die jaren heel populair.

Het verdwenen tafereel uit het lange fresco. (Foto Raoul Vereecke)

10


Gilbert Dewilde wordt door Norbert Hanssens aangesproken om een decoratie voor de bierkelders van het Torenhof te ontwerpen. Hij schildert er, met behulp van Jozef Folens, die de teksten en de vlakken op de achtergrond voor zijn rekening neemt, een uniek fresco bijeen. In het oudste gedeelte dat vermoedelijk dateert uit de 18de eeuw, brengt hij enkelen dranktaferelen en spreuken in beeld. Op de muren van het jongste gedeelte uit de 19de eeuw maakt hij een ludieke tocht doorheen West-Vlaanderen. Historische gebeurtenissen en personages, legendes, volkse taferelen, uitgebeelde lapnamen van steden en dorpen en originele vondsten van de tekenaar wisselen elkaar in razendsnel tempo af. Het begintafereel van de meterslange muurschildering is onder de titel ‘God sciep Westvlaenderen zo scone’ een beeld van God de Vader die met hamer en beitel bezig is West-Vlaanderen uit de wereldbol te kappen. Vier engeltjes leveren de nodige hulp. Het ene houdt de baard van God vast; het tweede brengt boompjes aan; het derde besproeit de aarde; het vierde komt met een steen aangevlogen. Dit tafereel is rond 2010 verdwenen als gevolg van werkzaamheden in de kelder.

Moere wordt symbolisch uitgebeeld met een zwijnemoere en met een vertegenwoordiger van de Morinen, de eerste bewoners van ons moerasachtig kustgebied. Het kanon is een herinnering aan Lange Max, het kanon dat de Duitse bezetter tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Stokerijbos op de wijk Leugenboom op Koekelaars grondgebied heeft opgesteld. Een Duitse pinhelmsoldaat steekt zijn hoofd uit het struikgewas. Het kanon heeft als voornaamste doelwit de haven van Duinkerke. Tijdens de tussenoorlogse periode wordt het groot geschutstuk een toeristische attractie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog demonteren de Duitsers het kanon en brengen het naar Duitsland terug. Vandaag vind je op die plaats het Museum Lange Max, waar je een uniek beeld krijgt van het leven van de Duitse militairen en de bevolking in de dorpen direct achter het front. Op de achtergrond zien we de kerk van Moere. Centraal houdt Lamme Goedzak het schild van West-Vlaanderen en een gedicht vast. Het ‘diepstgelegen punt’ uit het gedicht maakt allusie op het feit dat de kelder van het Torenhof op vier meter onder de zeespiegel ligt. Eernegem wordt weergegeven met de toren van het Torenhof, waarachter een schalkse Uilenspiegel zich verscholen heeft, en de typische kasseilegger, een beroep waarvoor de Eernegemnaars tot ver buiten West-Vlaanderen gekend zijn. Op de achtergrond zie je de St.-Medarduskerk. In Gistel vinden we de onvermijdelijke Godelieve terug met het mirakel van de kraaien. Het ‘putje’ en de kapel van het Godelieveklooster zijn eveneens afgebeeld. Op de achtergrond zien we de kerk van Ichtegem met een vrij letterlijke uitbeelding van één van de lapnamen van de Ichtegemnaars, namelijk ‘de kakkernesten’.

11


De tocht langs de Vlaamse kust start in De Panne met een letterlijke interpretatie van de plaatsnaam. Het konijn is een allusie op de lapnaam van de Pannenaars, namelijk ‘de keuns’. In Nieuwpoort staat het monument van koning Albert op de achtergrond. Het schild van Nieuwpoort is gedecoreerd wegens het moedig gedrag van haar inwoners tijdens de Eerste Wereldoorlog. Karel Cogge, die afgebeeld is op het toenmalige briefje van duizend frank, is de toezichter op de Noord-Watering, die in 1914 de technische gegevens verschaft om de militaire overheid toe te laten de IJzervlakte onder water te zetten en zo een einde aan de Duitse Blitzkrieg te maken. Een frivoliteit van de tekenaar is de Jood, die bij het zien van het geldbriefje geen interesse meer heeft voor de zee. De typische garnaalvisser van Oostduinkerke is op de voorgrond afgebeeld. In Lombardsijde zie je de luchtartillerie. De kazerne bevat sinds 1960 de luchtdoelartillerieschool, die in 1994 wordt afgeschaft. Terwijl de typische Engelsman met paraplu en bolhoed in Dover op de ferry staat te wachten, schildert James Ensor in Oostende het masker van een feestneus, die het bal van de Rat Mort al te letterlijk neemt. In de Koningin der Badsteden wordt ook de zeespiegel getoond, zijnde een spiegel in de zee.

12


Dat we in De Haan zijn is duidelijk te merken. De Vlaamse versie van de Mont Blanc is volgens de tekenaar Blankenberge. De industrie van Zeebrugge wordt geïllustreerd met de steenkolen van de cokesfabriek (1900-1996) en met de glasfabriek (1925). Er wordt tevens allusie gemaakt op de Slag van Zeebrugge op 22 april 1918. Voor de havengeul hebben Engelsen schepen met cement laten zakken, zodat de Duitse duikboten niet meer kunnen uitvaren. Zeebrugge is tijdens de Eerste Wereldoorlog immers een Duitse basis voor kanonneer- en duikboten. De zegevierende Engelsen worden voorgesteld als St.-Joris – de dag dat de operatie volledig is uitgevoerd, is 23 april, de feestdag van St.-Joris – terwijl de draak de Duitsers moet verbeelden. Het mondaine Knokke-Zoute krijgt een zoutstrooiende zon en een pootjebadende dame met obligate poedel als illustratie.

13


De prachtige en originele vertaling van de Vlaamse kust is de moeite waard om even rustig te lezen. De opening in de muur is bestemd voor een aquarium, maar vermits de kelder niet meer gebruikt wordt, is de vissenbak ook verdwenen. Het maakt echter wel duidelijk wat de figuren boven de opening aan het doen zijn.

De stoere toren van Lissewege is verwerkt tot het lichaam van een even stoere polderboer, geĂŻnspireerd op een vergelijking uit het werk van Boschvogel. Op de schuur van de abdij van Ter Doest zit Willem van Saeftinge, de monnik die deelnam aan de Guldensporenslag. Zijn goedendag verplettert een Franse leliaard. In Damme leunt Jacob van Maerlant met zijn historisch werk Spieghel Historiael onder de arm op het stadhuis. Sommige auteurs zien in hem een koster van Damme, vandaar dat hij het gereedschap in de hand houdt om in de kerk de kaarsen te doven. Dat Tijl Uilenspiegel in Damme zou begraven zijn, wordt getoond door Tijl op een grafsteen te laten zitten. Deze grafsteen wordt echter verward met die van van Maerlant. De lessenaar, waarop van Maerlant in het echt op die grafsteen afgebeeld wordt, is immers zodanig afgesleten dat de mensen hem aanzien voor een spiegel. Vermits boven de grafsteen een uil staat afgebeeld, is de link met Uilenspiegel vlug gelegd. Deze verwarring illustreert de schilder door hen beiden de spiegel te laten vasthouden. Tijls onafscheidelijke vriend, Lamme Goedzak, zit van de geneugten des levens te genieten. Hij leunt tegen een boom, die er enkel en alleen staat om een buis van de waterleiding, die over de muur loopt, te camoufleren.

14


De Onze-Lieve-Vrouwetoren en de Halletoren vormen het decor van Brugge. Een verkleed varken (het Zwin) blokkeert letterlijk de haven van Brugge. De verzanding van het Zwin is immers de oorzaak van de teloorgang van de middeleeuwse wereldhaven. Minnekozende paartjes zijn aan het Minnewater te vinden, terwijl een kantwerkster kant maakt ‘aan de lopende meter’. Rechts is er een historisch tafereeltje uitgebeeld. Bij een bezoek van Keizer Karel in de 1ste helft van de 16de eeuw aan Brugge komt de burgemeester hem vragen om binnen de stadsmuren een nieuw gekkenhuis te mogen openen. Het antwoord van de keizer is gevat: “Wilt ge een nieuw zothuis? Sluit de poorten van uw stad en ge hebt het mooiste dat ge dromen kunt!” Dat is de oorsprong van de bijnaam ‘de Brugse zotten’.

In ’t Vrijbos, uitsluitend bestaande uit sparren en verwijzende naar de Sparrestede, de fiere bijnaam van Torhout, ligt de Bende van Baekelandt op de loer, azend op de geldbuidel van de paardenkoopman. Boven het bos rijdt de Germaanse dondergod Thor in zijn bokkenwagen en met een hamer in de hand door de lucht. In de stad zelf is de paardenmarkt aan de gang. De boer, die geknield op de markt zit, denkt: “Waar rook is, is er vuur”, en hij probeert zijn pijp aan te steken aan een verse, dampende paardenstront. Dat de bijnaam van de Torhoutenaars ‘de boffers’ is, zie je aan de twee rechtse figuren. De ene heeft de grootste en de andere de langste. Het prachtige kasteel van Wijnendale wordt bestormd door een man zonder broek aan, een Franse ‘sansculot’. De Franse revolutionairen bezetten het kasteel en laten het in 1815 als een ruïne achter. In de middeleeuwen woont Boudewijn Hapkin er. Deze Vlaamse graaf, die regeert van 1111 tot 1119, gaat doortastend te werk om de criminaliteit in de streek in te perken.

15


Het verhaal wil dat hij zijn bijl in een boom hakt om aan de beul te tonen aan welke boom een misdadiger moet worden opgehangen. Maria van Bourgondië, een andere beroemde bewoonster van het kasteel, rijdt in 1482 te paard op valkenjacht. Maar Pietje de Dood loert al van uit de struiken. Maria zal immers ongelukkig van haar paard vallen en overlijden. Door de lucht zweeft de Eeuwige Jager, vervloekt door zijn vader, omdat hij liever gaat jagen dan de oogst te helpen binnenhalen, hoewel een onweer dreigt. Eeuwig zal hij blijven jagen. Drie gemeenten worden tegen mekaar uitgespeeld. De Torhoutenaar heeft “geen

nagel om aan zijn gat te krabben”, maar staat er toch maar met enkele spijkers in zijn handen. Zwevezele paptele wordt getoond met een man die braafjes zijn pap oplepelt, terwijl Lichtervelde letterlijk wordt afgebeeld als een man die licht ter velde brengt, met achter hem de kerk van zijn dorp. De zakken van de Lichterveldenaren zijn inderdaad “arm van gelde” en de Torhoutenaar

“lacht ermee”. Het volgende tafereel confronteert weer drie gemeenten met mekaar. “Egem blinkt, Ruislede stinkt, Wingene is in ’t goud geringd”. De blinkende kaalkop die het schild van Egem draagt, zegt genoeg. Links onderaan zie je het nu verdwenen kasteel van de familie Van der Gracht uit Egem. De rijke Wingenaar heeft gouden ringen aan de hand, door de neus en door de oren. In 1954 start Frans Vroman met de Breugelfeesten, die tienduizenden mensen naar het dorp lokken.

16


Dat verklaart het tafereel op de voorgrond. De stank van Ruiselede komt uit een waterput, waarin een kleine jongen een knikker gooit om het spectaculaire geluid van de echo bij het contact met het water te horen. In het verleden is het dorp ook geplaagd geworden door een toverheks. De antennemast op de achtergrond verraadt er het radiostation Belradio dat in 1927 nabij het St.-Pietersveld in Ruiselede gebouwd is geworden. Via dit zendstation kan met berichten over de hele wereld versturen.

De naam Tielt is volgens de volksoverlevering afkomstig van het woord “’t hield”. Een smid probeert tevergeefs een hoefijzer aan een paardenpoot te slaan, maar het ijzer valt er telkens af. Sint-Elooi passeert en neemt de taak van de smid over. Het werk is goed gedaan en het ijzer blijft hangen. “’t Hield”, vertellen de mensen aan wie het wil horen voort. Dat is de naam van de plaats geworden waar St.-Elooi zijn werk heeft uitgevoerd. Op de achtergrond zie je het belfort van Tielt. Een ander verhaal dateert uit 1403. Er gebeurt een moord langs de weg en de veldwachter houdt een dronkaard als getuige aan. “’k Wete van niet”, zegt deze, “’k kom uit Kanegem.” Met deze spreuk worden ze in Kanegem nog altijd geconfronteerd. In Meulebeke heeft de beroemde inwoner en kunstkenner uit de renaissancetijd, Karel van Mander, zijn standbeeld. Hij is er in 1548 geboren en levert met Het Schilder-Boeck een kostbare bron voor de Nederlandse schilderkunst. Maar Meulebekenaars zijn ook ‘messenvechters’ en ‘turken’. Pas dus op als je die kant uit moet. Rechts zijn weer drie buurgemeenten in één tafereeltje gevat. Een boze Izegemse vrouw zwaait met producten van de eigen borstelnijverheid, terwijl ze ook schoenen uit eigen stad aan de voeten heeft. Een vrouw uit ‘heilig Rumbeke’ zit te bidden. Op de achtergrond zien we boven het kasteel van Rumbeke in het Sterrebos een prinses op een schaakbord zitten. Volgens de legende schaakt Boudewijn met de IJzeren Arm, de eerste Vlaamse graaf, omstreeks 863 Judith, de dochter van Karel de Kale. Hij brengt de prinses, met wie hij naderhand trouwt, onder in het kasteel van Rumbeke. Bij dit verhaal ligt trouwens ook de historisch-legendarische oorsprong van het graafschap Vlaanderen. Voor ‘olijk Roeselare’ staat niemand anders dan Peegie, de schepping van Willem Denys, model. Peegie gaat linnen stoffen in de kloosters verkopen en om de nonnetjes gunstig te stemmen laat hij een paternoster uit zijn broekzak hangen.

17


Roeselare is echter ook de stad van de woelige Nieuwmarkters. Durf het niet aan om als buitenstaander met één van hun meisjes te vrijen of het zit er bovenarms op! De beroemde dichter en symbool van de Blauwvoeterie, Albrecht Rodenbach, mag uiteraard ook niet ontbreken. Deze Blauwvoeterie is een Vlaams-nationalistische beweging van West-Vlaamse oorsprong uit de jaren 1870-1880, die zijn naam ontleent aan de uitroep in een gedicht van Rodenbach ‘Vliegt

den blauwvoet, storm op zee’.

Sint-Eloois-Winkel wordt uitgebeeld door Sint-Elooi die een winkel in hoefijzers uitbaat. Dat de spotnaam van de inwoners ‘de rijsteters’ is, is eveneens duidelijk. Gullegem is het dorp van afkomst van de eigenaars van het Torenhof. De grootvader van Pieter Hanssens, Norbert ‘Nestor’ Hanssens, staat er aan de wieg van koffiebranderij Grootmoeders Koffie, waarmee hij in 1935 start. Met de koffiebranderij in het Torenhof zetten zoon Julien en kleinzoon Pieter de traditie in Eernegem verder.

18


Ook hier heeft de schilder een aanwezige buis vlot in het schilderij ingepast. Heule, dat is natuurlijk Tineke van Heule, die kan melken gelijk de besten. De Heulebeek is in de jaren 60 al gekend voor zijn stank. In het dorp wordt Sint-Job vereerd. De arme heilige zit er dan ook op een mesthoop. Dat bedevaarders niet altijd met zuivere bedoelingen naar Heule komen, toont het korte dichtwerkje. ‘De clowns’ worden de Heulenaars weleens genoemd. De man op de achtergrond met de pet op bij de Sint-Eutropiuskerk heeft er al de mond voor.

Kortrijk, dat zijn de pannenfabrieken van de Pottelberg en de Broeltorens. Over de Leie loopt ook de bekende spoorwegbrug ‘De Drie Duikers’, die letterlijk en figuurlijk staat afgebeeld. Drie spotnamen voor Kortrijkzanen zijn eveneens langs de Leie te zien. Het zijn ‘Leiepissers’, zoals de man op de achtergrond illustreert. De man met zijn pluim op zijn hoed heeft het hoog op. Voor hem is ‘Courtrai la quatrième ville du monde’, zoals de Kortrijkse burgerij het voorbeeldig in het Frans uitdrukt. Ook al hebben ze veel noten op hun zang, de Kortrijkzanen hebben niet veel geld in hun zak. Daarom worden ze ook weleens “de halve frankskes van Kortrijk” genoemd. De verwijzing naar de Guldensporenslag is duidelijk. Op het belfort slaat Manten met zijn hamer telkens het uur, terwijl Kalle het halfuur voor haar rekening neemt. De wielrenner, die op de achtergrond het schild van Kortrijk toont, is Disten Pulle, de wielercreatie van de schilder voor het Kortrijkse reclameweekblad Atlas. Tussen Kortrijk en Kuurne verschijnen de vlashaarden en de vlasfabrieken. De spotnaam voor zijn inwoners is ‘ezels van Kuurne’. Op de staart van de ezel staat een Bavik als verwijzing naar de brouwerij in Bavikhove. De brouwerij is in 1899 opgericht door Joseph Debrabandere, een oom van de moeder van Julien Hanssens. Dat dorp heeft als patroonheilige trouwens de zwarte bisschop Maurus, die de legendarische schepper van het bier zou zijn. Op de Leie tussen Kortrijk en Harelbeke zijn de boottrekkers actief. Ergens tussen die twee plaatsen hebben in 1918 troepen van het Newfoundlandregiment uit Canada als eersten de Leie overgestoken. Als aandenken aan die gebeurtenis staat er een monumentje met een hert. De componist uit de periode van de Romantiek, Peter Benoit, is in Harelbeke geboren.

19


De inwoners zijn ook bekend als goede metsers en … grote drinkers, wat de duidelijk ladderzatte kerel in de weide iets teveel gedaan heeft. De weide is afgezoomd met prikkeldraad, en dan is de fabriek van Bekaert in Zwevegem niet ver weg. De haan is niet opgezet met de bedrijvigheid van de arbeider, die draad maakt om hem te kooien. De Zwevegemse lapnaam is die van ‘smoelentrekkers’. Achter de kerk zie je zo’n specimen staan. Door de omliggende dorpen worden de Bellegemnaars ‘de ratten van Bellegem’ genoemd. De man die allerlei soorten bellen bedient, wordt dan ook door een rat besnuffeld. Op de achtergrond is men bezig met de toren van de Bellegemse kerk recht te zetten. Dat is een activiteit die rond 1961 in werkelijkheid is uitgevoerd.

Beveren is van oudsher het dorp van de handelaars in gezwingeld vlas. De halve deuren, waarover de vlasstalen worden gelegd, zijn een typisch kenmerk van de opslagplaatsen van dat vlas. Beverenaars zijn ‘boneneters’ en dat wordt geïllustreerd door de zittende man voor de deur. Een bever uit zijn gemeente is bovendien bezig zich te goed te doen aan de houten poot van een man uit Deerlijk, die er in elk geval ‘deerlijk’ uit ziet.

20


Pietje de Dood staat al klaar om het ‘lijk’ weg te maaien. Deerlijk is ook het dorp van twee beroemde Vlamingen. Volksdichter René Declerck schrijft enkele dichtbundels. Van zijn liederen is het bekendste ‘Wie zal er ons kindeke douwen’. Hugo Verriest, de inspirerende priester achter de Blauwvoeterie, is er geboren en heeft er een borstbeeld. Op de tekening zit hij echter nog in de kool. De bijnaam voor Deerlijknaars is ‘de boogschutters’. Wie aan Waregem denkt, heeft het meteen over ‘Waregem Koerse’ en de Gaverbeek. ’t Is Waregems waar: twee plus twee is er altijd vier.

De enige niet-West-Vlaamse gemeente in het hele fresco is Kruishoutem. In 1961 is dit dorp net Europese gemeente van het ei geworden en dat wil de schilder toch niet ongemerkt laten voorbijgaan, al is het op de achtergrond. De paarden van Waregem komen aan in Vichte, een dorp van rijke lieden. Zij zijn tot die status opgeklommen dankzij de tapijtweverij tijdens de oorlog. De verwijzing naar die industrie zie je aan de tapijtrol, waarop de naam Vichte staat. De dorpsnaam wordt uitgebeeld met het getal vijftig dat in het dialect uitgesproken op ‘vichte’ lijkt. De omliggende dorpen noemen Vichte het ‘zwijnekot’. Dat verklaart dan weer het varken in zijn hok. In Ingooigem zit de lijster Stijn Streuvels in zijn nest aan het broeden, terwijl het ‘ingooien’ op twee diverse manieren wordt uitgebeeld: de voetbalspeler die de bal weer in het spel gooit en twee kwajongens die een ruit ingooien. In het dorp zelf gaat de Sint-Antoniusprocessie met een varken uit. Van op de Kluisberg kijkt de duivel uit ‘d’Helle’, een put in de berg, toe.

“Ingooigem lang en smal, Tiegem berg en dal” , zijn berijmde uitspraken die veel zeggen over de vorm van de twee buurgemeenten. Wie Tiegem zegt, denkt aan Sint-Arnoldus. Veel bedevaarders trekken naar het ‘putje van Sint-Arnoldus’. Het verhaal wil dat deze heilige helpt tegen migraine. De bedevaarder gaat bidden in de kapel en neemt een zakdoek mee, die in de fontein moet worden nat gemaakt. Deze natte doek moet door de smekeling op de bank voor de predikstoel van Sint-Arnoldus te drogen gelegd en zo achtergelaten worden. Op die manier wordt ook de hoofdpijn achtergelaten. Maar niet alle bedevaarders lijden aan hoofdpijn. Sommigen brengen meer tijd in de herbergen door om goed te eten en te drinken.

21


Op Tiegemberg, in het Vossenhol, woont in die tijd de landschapsschilder Staf Stientjes, die samen met Stijn Streuvels de culturele attractie van de streek is. Wie door Moen passeert, ziet achter elk gordijntje een oud vrouwtje loeren. Vandaar komt de opmerking “Moen, waordat de oede meten broên”. Op de Keiberg in dat dorp woont een ruw volkje. Wie één van hun meisjes komt nemen, mag een mes tussen zijn ribben verwachten. De verliefde jongen uit buurgemeente Heestert kan dan ook maar van ver naar zijn meisje lonken. De ‘toveressen van Heestert’ trekken het zich allemaal niet aan en toeren vrolijk rond op hun bezems. Deze bijnaam voor de inwoners gaat terug op een heksenproces uit 1664, wanneer een vrouw er gewurgd en verbrand wordt wegens toverij. Het hoefijzer en de zwarte kat zijn verwijzingen naar het volkse bijgeloof.

‘Bot Rollegem, preuts Bellegem, rijk Kooigem’ en ‘arm Spiere’ tonen elk een heel typische inwoner van hun gemeente. De douanegeplogenheden in Moeskroen worden eveneens op een ironische manier bekeken. De Belgische en de Franse douanier drinken een drankje en staan rustig te keuvelen, maar dat belet hen niet zich te laten omkopen. De Belg smokkelt horloges en wijn; de Française komt uit België met een nieuwe bontjas.

22


Een historische gebeurtenis in Menen: een koninklijke koets trekt van Parijs naar Brugge door de stad. Het voertuig verliest een wiel, maar een man uit het publiek reageert snel genoeg om het wiel op te vangen. Dat geeft aan de Menenaars de bijnaam ‘wielenvangers’. Een andere titel voor hen is ‘de taartenbakkers’. Achter de kerk zie je het vliegveld van Wevelgem liggen. De toren van de kerk staat er gehavend bij. Die is tijdens de Tweede Wereldoorlog afgeschoten. Dat Werviknaars ‘slapers’ zijn, hoeft niet gezegd. Terwijl de tabaksplanten groeien, worden drie manieren van tabaksgebruik getoond: snuiftabak, pijp en sigaar. De brandweerspuit verwijst naar de fabriek van de gebroeders Vanrullen, die er sinds 1937 brandweerslangen produceert. Dit bedrijf is enig in zijn soort in België. In 2006 wordt de productie echter naar Reims overgebracht. 28 werknemers verliezen hun werk. De lakenhalle en de Menenpoort zijn de symbolen voor Ieper. De tekenaar geeft ook zijn eigen visie op de Kattenstoet: de kat werpt de nar van de toren en niet andersom. Margareta van Constantinopel heeft een voorliefde voor de Ieperlingen. In brieven aan de stad noemt zij hen steevast ‘Mijn dierbare kinders’, wat de bijnaam ‘kinderen van Ieper’ oplevert. Haar kinderen staan er: de ene met een hoelahoep, de andere met een schietlap en een derde met een klutterspaan. Dit grafelijk favoritisme bezorgt de Ieperlingen bovendien een stadskeure op en het recht om als enigen binnen een straal van drie uur rond de stad te mogen weven, tot groot ongenoegen van die van Poperinge. Zillebeke is gekend voor zijn grote vijver van 28 hectare, die hengelen roeiplezier biedt. Achter Ieper zien we deze vijver liggen.

23


Dikkebus is net als Zillebeke begiftigd met een grote vijver en de recreatieve mogelijkheden ervan. Van heinde en verre komen de mensen naar de waterplas om er paling te vissen en de restaurants in de omtrek serveren deze lekkernij uit de eigen vijver. De inwoners van Dikkebus worden ‘de geiten’ genoemd. Beselare is bekend voor zijn hanengevechten. Daarachter staan ‘de gapers’ van Kemmel toe te kijken. Omdat de Poperingenaars zich halsstarrig verzetten tegen het lakenvoorrecht van de stad Ieper, krijgen zij de bijnaam van ‘keikoppen’. In Poperinge zijn ze daar fier op. Op kermisdagen trekt meester Ghybe, de hoofdman van de Gilde van de Kei, omgekeerd op een ezel gezeten in stoet door Poperinge. De kei wordt op een fluwelen kussen meegevoerd en symboliseert de onoverwinnelijke Poperingse koppigheid. Meester Ghybe zit omgekeerd om zo met de rug naar Ieper – dit is de ezel – te zitten. Op die manier toont hij zijn minachting voor die stad. In Westouter houdt de duivel het vuur brandende in het Hellegat aan de voet van de Rodeberg. Op de achtergrond liggen de verpersoonlijkte bergen op een rijtje. Wie Westvleteren zegt, denkt aan de trappistenabdij met zijn heerlijke trappist en zijn kaas. De paters slapen er op stro en runnen een eigen smidse. De grot op de achtergrond verwijst naar de groep kluizenaars die daar in de 17de eeuw leven en naderhand toetreden tot de Brigittijnenorde. Het verhaal van de Cesarsboom in Lo is alom gekend. Aan deze eeuwenoude taxus zou Julius Caesar ooit nog zijn paard vastgebonden hebben.

24


Een andere bezienswaardigheid in het Polderstadje is de Duvetorre. Deze staat in de tuin van de voormalige Augustijnenabdij en dateert van 1710. Op de voorgrond illustreert een ‘composteter’ of ‘vuilbaketer’ de bijnaam van de inwoners van Lo, maar smaken doet het blijkbaar toch niet.

In Lampernisse staat de wieg van Nicolaas Zannekin, de leider van de boerenopstand. Deze opstand wordt in de slag bij Cassel op 23 augustus 1328 door de Fransen neergeslagen. Als ‘de slapers’ en ‘de stropers’ staan die van Veurne in de streek bekend. Hun typische ‘babelutte’ is in elk geval niet te versmaden. In 1924 start Pierre Verdonck met de productie ervan en blijkbaar vindt hij het gat in de markt. De ‘confiserie Verdonck’, gelegen op de Grote Markt, is nog altijd een begrip in de stad. Terwijl de Veurnse heksen hun ritje maken en de Boeteprocessie in volle gang is, etaleert de rode koe van de Westhoek zijn streekeigen kenmerken. De zeven heksen van Veurne vinden hun legendarische oorsprong in het verhaal van een slechterik, die, terwijl alle inwoners van de stad in de kerk zitten, een weermiddel tegen heksen onder de kerkdorpel plaatst. Iedereen verlaat na de mis het gebouw; alleen de zeven vrouwen blijven binnen. Zij worden als heksen beschouwd.

25


De tocht passeert ook in Zoutenaaie, het kleinste dorpje van het land. In de jaren 60 telt het zes huisgezinnen en vier hoeven. Er zijn welgeteld 25 inwoners, waaronder 13 mannen en 12 vrouwen.

Eindigen doen we in Diksmuide met zijn IJzertoren en zijn Dodengang. Dat het werkelijk om de IJzer gaat, demonstreert een boer met een magneet, die het water aantrekt. In de Boterstad wordt de kwaliteit van de boter getest door een vinger erin te stoppen en af te likken. Kan het dan iemand verwonderen dat een Diksmuidenaar overal in de streek een ‘beutereter’ genoemd wordt? Onder de kerktorens van de nabijgelegen polderdorpjes valt vooral de toren van Kaaskerke op, waaraan een muis zich te goed doet. Dranktaferelen en bierspreuken In de oudste kelder schildert de kunstenaar een serie bierspreuken en Uilenspiegelachtige biertaferelen. Op de volgende pagina’s laten wij je mee genieten van deze afbeeldingen. Ook de oude waterput, waarvan de brouwerij Van Sieleghem vroeger gebruik heeft gemaakt om bier te brouwen, is in het geheel verwerkt. “’t Was uit deze diepe krater dat voor ’t brouwen ’t frisse water werd geput met volle zwier voor het heerlijk gerstebier” is boven de put vermeld. Ook hier maakt de ontwerper gebruik van de architecturale elementen van de kelder om zijn taferelen in te passen. Soms worden de spreuken in opschriften vermeld; andere keren laat hij de bezoeker de spreuk zelf herkennen. Zo beeldt hij ‘een kater hebben’ vrij plastisch uit.

26


27


28


29


30


31


Profile for communicatie I chtegem

Erfgoedbrochure 7: Het Torenhof  

De brochures over de geschiedenis en het erfgoed op onze gemeente vliegen de deur uit. Ze zorgen er zo voor dat een groot publiek kennis kan...

Erfgoedbrochure 7: Het Torenhof  

De brochures over de geschiedenis en het erfgoed op onze gemeente vliegen de deur uit. Ze zorgen er zo voor dat een groot publiek kennis kan...

Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded