Page 1

BOEK 8

STADSPROJECT ANTWERPEN - PARAMARIBO 2008

CONCLUSIE

Bert Claes en Wim Debaene Masterproef aangeboden voor het behalen van het diploma van Master in de Stedenbouw en de Ruimtelijke Planning Academiejaar 2009-2010 promotoren:

Hendrik Van Geel Hardwin De Wever Heidi Vandenbroecke

Artesis Departement Ontwerpwetenschappen Opleiding Master in de Stedenbouw en de Ruimtelijke Planning Mutsaardstraat 31, 2000 Antwerpen


BOEK 8

STADSPROJECT ANTWERPEN - PARAMARIBO 2008

CONCLUSIE

Bert Claes en Wim Debaene Masterproef aangeboden voor het behalen van het diploma van Master in de Stedenbouw en de Ruimtelijke Planning Academiejaar 2009-2010 promotoren:

Hendrik Van Geel Hardwin De Wever Heidi Vandenbroecke

Artesis Departement Ontwerpwetenschappen Opleiding Master in de Stedenbouw en de Ruimtelijke Planning Mutsaardstraat 31, 2000 Antwerpen


INHOUDSTAFEL 4


INLEIDING EINDCONCLUSIE

6 10

Hoe kan de Binnenstad van Paramaribo vanuit het collectief geheugen van de stad opnieuw evolueren tot een volwaardig actief stadscentrum? 10 Welke strategie kan de overheid en de private partners overtuigen om gezamenlijke doelstellingen voor de Binnenstad te realiseren en hoe kan dit worden geformaliseerd? 12 Welke ruimtelijk af te bakenen zones vervullen een hefboomactie binnen de ambitie om de Binnenstad te transformeren tot een volwaardig actief stadscentrum? 15 Welke strategische programma’s en projecten kunnen gedefinieerd worden en zijn op korte en middellange termijn realiseerbaar? 19 Welke partners zijn bereid om mee te werken aan de uitwerking van het masterplan, de programma’s en de realisatie van de projecten? 24

APPENDIX

30

Samenwerking Antwerpen-Paramaribo, na oktober 2008

30

Stadsproject en academische samenwerking Onderzoeken Artesis-AdeKUS

Conclusie over de doorwerking van het masterplan Voortzetting van de activiteiten Verbreding van de samenwerking Onderzoek en informeel instrumentarium Uitvoerbaar project en externe trekker Eindsom

BIBLIOGRAFIE

30 33

42 42 42 43 44 44

46

LIJST MET FIGUREN figuur 0.1 | Boek 8 gepositioneerd binnen het onderzoekstraject figuur 1.1 | Projectenmatrix figuur 1.2 | Matrix programma’s en projecten

6 21 21

LIJST MET FOTO’S foto 1.1 | Waterkant, zicht op de Surinamerivier en Wijdenboschbrug foto 2.1 | Palmentuin

8 28

5


6

boek 2

DE BINNENSTAD VAN PARAMARIBO ANALYSE - Dynamieken

boek 3

ANALYSE - Pull- & pushfactoren - Lagen van de Binnenstad

boek 4 & 5

ONTWIKKELINGSSTRATEGIE (onderzoeksvraag 3)

STRATEGISCH RUIMTELIJK MASTERPLAN - Visie (onderzoeksvraag 1 & 2) - Programma’s & projecten (onderzoeksvraag 4)

boek 8

boek 1

CONCLUSIE (onderzoeksvraag 6)

OPDRACHT & AANPAK

boek 6

SAMENWERKINGSTRAJECT (onderzoeksvraag 5)

boek 7

INLEIDING

METHODIEK GIS-INSTRUMENT

OPDRACHT

ONDERZOEK

figuur 0.1 | Boek 8 gepositioneerd binnen het onderzoekstraject bron: eigen verwerking

CONCLUSIE


7

Inleiding Voor de vorming van de eindconclusie wordt er teruggegrepen naar de onderzoeksvragen, zoals opgesomd in boek 1. Het beantwoorden van de vijf onderzoeksvragen geeft een overzicht van de belangrijkste visie-elementen, de ontwikkelingsstrategie, de concrete programma’s en projecten en de geïnteresseerde partners die opgemaakt of gedetecteerd werden in het kader van het Strategisch Ruimtelijk Masterplan. Zoals in de aanhef van het eerste boek vermeld, werd het voorliggend werk, omwille van de helderheid en de correctheid naar de partners toe, geschreven op basis van het geleverde onderzoek te Paramaribo in 2008. Het nam alle latere evoluties in de samenwerking Antwerpen-Paramaribo, de onderzoeken en de samenwerkingsactiviteiten niet in beschouwing. Daarom wordt er aansluitend op de eindconclusie een appendix voorzien waarin een overzicht wordt gegeven van alle activiteiten sinds oktober 2008. Hierdoor wordt er getracht een inkijk te geven in de doorwerking van het masterplan. In de appendix wordt er ingegaan op: ▪ Wat gebeurde er met het kader: het Stadsproject Antwerpen-Paramaribo? ▪ Welke onderzoeken werden er nog uitgevoerd in navolging van het masterplan? ▪ Welke activiteiten en/of realisaties zijn er in navolging van het masterplan gebeurd in Paramaribo? Ter opmaak van deze appendix werd er hoofdzakelijk op twee bronnen gesteund: de infobrochure ‘Academische samenwerking: Artesis Antwerpen en Anton de Kom Universiteit van Suriname’ (Adams, Heirman & Martinus, 2010) en een gesprek met de coördinatoren (Artesis) van de academische samenwerking Artesis-AdeKUS (Adams & Heirman).


foto 1.1 | Waterkant, zicht op de Surinamerivier en Wijdenboschbrug


EINDCONCLUSIE


EINDCONCLUSIE

10

HOE KAN DE BINNENSTAD VAN PARAMARIBO VANUIT HET COLLECTIEF GEHEUGEN VAN DE STAD OPNIEUW EVOLUEREN TOT EEN VOLWAARDIG ACTIEF STADSCENTRUM?

Lijst van afkortingen AdeKUS BiZA IDB RGB SGES SUP UDP

Anton de Kom Universiteit Suriname Ministerie van Binnenlandse Zaken Inter-American Development Bank Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer Stichting Gebouwd Erfgoed Suriname Stichting Uitgaanscentrum Paramaribo Urban Development Plan

Door eerst de stad te gaan analyseren vanuit de verschillende lagen waaruit ze is opgebouwd, werd nagegaan welke van de lagen de sterkste waren en welke er slechter aan toe waren en dus aandacht vragen. Zo werd er ontdekt dat het ‘grondgebied’ en de ‘stadsplattegrond’ zich niet enkel in een goede toestand bevinden, maar dat ze ook de ontstaansgeschiedenis en de groei van de stad veruiterlijken. De lagen ‘openbaar domein’, ‘bebouwing’ en het ‘gebruik’ daarentegen, bevinden zich in slechte toestand. Als de huidige trends zich verder zetten, zal de Binnenstad haar centrumfunctie verliezen en zullen de historische bebouwing en de verblijfskwaliteit verder verdwijnen. Om vanuit het collectief geheugen van de stad opnieuw te evolueren tot een volwaardig en actief stadscentrum, stelde het voorliggend onderzoek vast dat er dient te worden ingezet op het verbeteren en versterken van deze drie specifieke lagen. Ze werden daarom ‘inzetten’ genoemd. De wijze waarop er op de drie lagen kan worden ingezet, bevat verschillende componenten: analyse, strategie, visie en acties of projecten. Het onderzoek heeft er doorheen het proces naar gestreefd om al deze componenten op maat van de opdracht, planningsomgeving, verwachtingen en potenties van de partners met elkaar in verhouding te brengen en op elkaar af te stemmen.


De analyse werd doelgericht aangepakt, waarbij enerzijds maximaal gesteund werd op bestaande bronnen (binnen en buiten de samenwerking opgemaakt) en anderzijds bijkomende analyses uitgevoerd werden, steeds in functie van het bereiken van de doelstellingen binnen het vooropgestelde tijdskader. Hierdoor werden verschillende aspecten slechts beperkt onderzocht en ontstond er een lijst van verder te onderzoeken items. De aanpak werd sterk op leest van de opdracht gebouwd. Mogelijk is deze ook in andere gebieden dan de Binnenstad toepasbaar, maar dit viel buiten het bestek van het onderzoek. De aanpak vertrok vanuit de analyse van de Binnenstad, vanuit strategische planning als planvorm en vertaalde zich in het tijdsperspectief van een planningsproces op korte en middellange termijn. Het detecteren van uitvoerbare projecten was hierbij de maatstaaf. De uitwerking van deze aanpak werd veruiterlijkt in een methodiek op vier parallelle sporen: visievorming, concrete acties definiëren, samenwerking en ontwikkelingsstrategie. Na elke fase van het planproces worden de verschillende sporen geïntegreerd tot een (tussentijds) document dat de aanleiding vormt voor een overeenkomst. Het strategisch Ruimtelijk Masterplan voor de Binnenstad kan als dergelijk document beschouwd worden.

Op basis van deze aanpak werd een ontwikkelingsstrategie gevormd die de organisatie en de handelingswijze binnen de uitvoering van het Stadsproject Antwerpen-Paramaribo uiteenzet. Op deze manier is de ontwikkelingsstrategie bepalend voor zowel de visie als de concrete projecten. De visie bouwde op een zeer concrete en doelgerichte manier verder op visies uit andere studies, zoals het Urban Development Plan, case ‘Centrum’ en case ‘Weg naar Zee’ uit de Stedenband Antwerpen-Paramaribo. Ze vertaalde zich in een haalbaar toekomstbeeld. De haalbaarheid werd bepaald door randvoorwaarden als: tijdsperspectief, strategisch karakter van inzetten (inzetten op de grootste hefboomacties), enthousiasme bij de partners, morele verplichting... De visie werd enerzijds projectmatig en anderzijds generiek uitgewerkt. De projectmatige uitwerking vertaalde zich in programma’s en projecten terwijl de generieke uitwerking zich in beelden vertaalde. Volgend uit de methodiek en de doorvertaling in de ontwikkelingsstrategie, gebeurt de uitvoering van het bijkomend onderzoek, de uitwerking van de programma’s en de concretisering van de projecten op simultane sporen. Enkel in deze drieledige uitwerking kan het masterplan uitgroeien tot een sterk onderbouwd, geïntegreerd en strategisch plan.

11


EINDCONCLUSIE

12

WELKE STRATEGIE KAN DE OVERHEID EN DE PRIVATE PARTNERS OVERTUIGEN OM GEZAMENLIJKE DOELSTELLINGEN VOOR DE BINNENSTAD TE REALISEREN EN HOE KAN DIT WORDEN GEFORMALISEERD?

In vele ruimtelijke plannen die voorliggen in Paramaribo, ging men in de laatste fase van het planvormingsproces op zoek naar een implementatiewijze. In voorliggend werk werd er, als anticipatie op de doelstellingen van het onderzoek, van meet af aan gewerkt aan de uitbouw van een ontwikkelingsstrategie. Zoals eerder genoemd, kende de ontwikkelingsstrategie zo een grote invloed op de visie, beelden, programma’s en projecten. De ontwikkelingsstrategie bestudeerde eerst de publieke en private partners. Voor de publieke partners werden volgende vaststellingen gedaan: de bevoegdheden zijn versnipperd, de planningscapaciteiten zijn beperkt, het formeel planningskader schiet tekort en de financiële draagkracht is beperkt. Hierdoor is de houding van het beleid te bestempelen als reactief, ad hoc en weinig performant. Zo vormen ze geen aantrekkelijke partner voor de private markt. Toch zijn er hoopvolle geluiden in de vorm van enthousiasme en ambitie te detecteren bij verschillende ministeries. Voor de private partners werden volgende vaststellingen gedaan: de private markt is kapitaalkrachtig en wil investeren in de Binnenstad, maar hun doelstellingen liggen echter vooral bij winstmaximalisatie. Hierdoor zijn ze niet in staat om de maatschappelijke noden te detecteren en bijhorende doelstellingen uit te voeren. Ze kunnen zich wel inschakelen om de doelstel-


lingen van het masterplan Binnenstad mee te realiseren, maar kunnen niet de regietaak van het hele proces op zich nemen. Dit is een taak van de overheid. Omdat de overheid niet sterk genoeg is om deze regierol op te nemen, dient ze versterkt en bijgestaan te worden in haar taken. Daarom riep de ontwikkelingsstrategie de ‘externe trekker’ in het leven. De externe trekker dient in de eerste plaats de publieke partners te proactiveren. Om dit optimaal te kunnen doen zal hij naast een ondersteunende taak ook een taak op vlak van capaciteitsopbouw moeten vervullen. Daarnaast dient de externe trekker de publieke partners bij te staan in de dialoog met de private partners. Zo zorgt de trekker enerzijds voor het versterken van de overheid en anderzijds voor het meer aantrekkelijk maken van deze overheid ten aanzien van de private markt. Omdat het formele instrumentarium als niet perfomant werd beoordeeld, kan de externe trekker hier in eerste instantie geen beroep op doen om zijn taak uit te voeren. Daarom werd er nagedacht over een palet van informele instrumenten, verzameld onder de noemer ‘dialoog’. Op basis van verschillende types overleg (plenair of bilateraal) en met verschillende groepen (directe en indirecte partners) kan de externe trekker deze dialoog vormgeven en opzetten. Hier-

bij dient de dialoog te leiden tot een forum waar zowel de publieke als private partners in vertegenwoordigd zijn en waar er gewerkt wordt aan het vormen van gemeenschappelijke doelen. Omdat de dialoog niet mag verzanden in vrijblijvende gesprekken, moet de externe trekker beroep kunnen doen op middelen om de dialoog te verankeren. Daarom werd vanuit de ontwikkelingsstrategie de investeringsstrategie aangereikt, waarbij elk van de publieke en private partners samen de investeringen van elke partner afbakenen. De types van investeringen kunnen danig verschillen: daar waar de ene kapitaal inbrengt, kan de andere grond, voorzieningen of zelfs gunstige voorwaarden voor ontwikkeling (fiscale voordelen, bankgaranties ...) voorzien. De verankering van de investeringen gebeurt best op basis van een bindende overeenkomst, onder de vorm van een contract. Het contract is hierdoor de verankering van de dialoog op basis van de investeringsstrategie en legt zo de rol en de investeringen van elke partner in het planningsproces vast. De ontwikkelingsstrategie formuleert bij het informele instrumentarium duidelijk dat er geen intentie is om het formele instrumentarium door het informele te vervangen. Het wordt enkel in het leven geroepen omdat het formele instrumentarium vele gebreken kent en weinig zekerheden biedt om geïntegreer-

13


EINDCONCLUSIE

14

de strategische projecten op korte termijn op te zetten en te realiseren. Op lange termijn is het de bedoeling dat het formele en informele instrumentarium versterkend en complementair aan elkaar zullen werken. Tevens poneert de ontwikkelingsstrategie dat het informele instrumentarium zal bijdragen om het vertrouwen, draagvlak en capaciteit betreffende planning op te bouwen. Hierdoor kan er naar een momentum gewerkt worden waarin structuurplanning wel kan leiden tot een goedgekeurd structuurplan als basis voor een geïntegreerd en proactief beleid. Wanneer de overheid geproactiveerd is via het informele instrumentarium, er een goedwerkend forum ontstaan is en het formele instrumentarium werd versterkt, zijn alle voorwaarden gecreëerd voor het opnemen van de regierol door de publieke partners. Dit impliceert de tijdelijkheid van de taak van de externe trekker. Vanuit de ontwikkelingsstrategie is het dus de bedoeling dat de externe trekker de publieke partners bijstaat en versterkt, maar bij het volbrengen van zijn taak de scene verlaat. Omwille van de intensieve samenwerking met zowel publieke als private partners, werd de ontwikkelingsstrategie (inclusief externe trekker, informeel instrumentarium via dialoog en investeringsstrategie) in eerste instantie zowel met de directe, als met de indirecte partners doorgesproken. Het was

zelfs zo dat de discussies op dit vlak snel op gang kwamen en alle aanwezigen een uitgesproken mening hadden. Tijdens de samenwerking werd er samen met alle betrokken partijen gesleuteld aan de ontwikkelingsstrategie en er kan gesteld worden dat ze door de partners gedragen werd. Het sleutelelement in deze strategie is de externe trekker. Omdat het onderzoek werd uitgevoerd binnen het kader van het Stadsproject Antwerpen-Paramaribo, werd de invulling van deze trekker niet onderzocht. De taakomschrijving van deze trekker strookte namelijk met de doelstellingen en de ambities van het Stadsproject. Nu het stadsproject overgedragen is aan Artesis, dient er te worden vastgesteld dat, rekening houdend met de eigenheden van de samenwerking, de coördinatoren van de academische samenwerking deze rol niet op zich kunnen nemen. Geluiden zoals de wijze waarop IDB het project rond de uitvoering van het UDP wenst op te zetten, doen vaststellen dat de ontwikkelingsstrategie wel kan worden overgedragen aan andere processen. Bijkomend kan in de academische onderzoeken de ontwikkelingsstrategie op basis van verschillende cases verder onderzocht worden, dit niet enkel naar verdere verfijning, maar ook naar transponeerbaarheid naar gebieden buiten de Binnenstad.


WELKE RUIMTELIJK AF TE BAKENEN ZONES VERVULLEN EEN HEFBOOMACTIE BINNEN DE AMBITIE OM DE BINNENSTAD TE TRANSFORMEREN TOT EEN VOLWAARDIG ACTIEF STADSCENTRUM?

Om de visie te vertalen in een strategische aanpak en geen comprehensief plan, werd er op zoek gegaan naar strategische ruimten in de Binnenstad die een hefboomfunctie kunnen vervullen bij het transformeren van de Binnenstad tot een volwaardig actief stadscentrum. Hiervoor werden volgende gebieden geselecteerd: ▪ Historisch Hart ▪ Winkelkerngebied ▪ Uitgaansgebied ▪ Culturele pool ▪ Rivieroever Het ‘Historisch Hart’ vorm de ziel van de stad. Hier zijn alle belangrijke historische gebouwen gelegen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de afbakening van deze ruimte overeenkomt met de afbakening van de UNESCO-erfgoedsite. Vanuit de morele verplichting werd deze zone binnen dit proces afgebakend. Dit deel van de stad verliezen, is, zoals de naam van de ruimte verklapt, het hart van de stad verliezen. Het ‘Winkelkerngebied’, ‘Uitgaansgebied’ en de ‘Culturele pool’ hebben iets met elkaar gemeen: het zijn, elk op hun eigen manier, gebieden die een dynamiek huisvesten die zich vertaalt in de aanwezigheid van een dominante functie.

15


EINDCONCLUSIE

16

Het ‘Winkelkerngebied’ is het handelscentrum van de stad. Hoewel het er overdag druk is, is het gebied na sluitingstijd van de winkels, kantoren en voorzieningen desolaat. De overwegend monotone invulling van het gebied en een beperkte aanwezigheid van de woonfunctie zijn hiervan de belangrijkste oorzaken. Overdag is het er, net omwille van de drukte, niet ideaal. De autogerichtheid van de Surinamer zorgt er voor een grote overlast: files en wildgeparkeerde auto’s domineren het straatbeeld. Dit wordt gefaciliteerd door de autodominante inrichting van het openbaar domein, waardoor het er voor de voetganger weinig aangenaam is om te vertoeven. Het wordt daarenboven nog eens versterkt met de slecht onderhouden voetpaden en een laag kwalitatief openbaar domein. Vanuit deze onaantrekkelijke setting kan het ‘Winkelkerngebied’ weinig bieden ten opzichte van de opkomst van de verschillende grote shoppingmalls, met voldoende parking, in de rand van de stad. Deze malls vormen zonder meer concurrentie en dus ook een bedreiging voor het ‘Winkelkerngebied’. Vanuit het waarborgen van de aanwezige dynamiek in het gebied, zet de visie in op het verbeteren van de verblijfskwaliteit. De voorstellen concentreren zich op het voorschrijven van de heraanleg van het openbaar domein (met primaire aandacht voor het

langzaam verkeer), het verbeteren van de bebouwing en het introduceren van een betere functievermenging. Het ‘Uitgaansgebied’ is het kloppend hart van het horecagebeuren in Paramaribo. Hier zijn zowel de hotels, bars, restaurants en danscafés te vinden. Hierdoor kent dit gebied dag en nacht een grote levendigheid. De woonfunctie is amper aanwezig. Omdat de uitgaansfunctie minder te verzoenen is met wonen, is dit dan ook niet verwonderlijk. Door de grote aantrekkingskracht is er vooral ’s avonds een grote verkeersdrukte en een parkeeroverlast vast te stellen. Dit wordt begeleid door een weinig kwalitatief en voetgangersvriendelijk openbaar domein. Het gebied breidt echter sinds kort uit langs de rivier, naar het noorden van de stad. De recreatieve functie dreigt hierdoor voor het eerst de Binnenstad te verlaten. Ondanks haar sterke aantrekkingskracht, kampt dit gebied dus ook met enkele problemen en staat het onder druk. De visie wenst hierop in te spelen door een duidelijke afbakening, het verhogen van de capaciteit door inbreiding en de heraanleg van het openbaar domein. De ‘Culturele Pool’ is het derde gebied met een specifieke dynamiek. Naast de drukte in de andere twee gebieden vormt dit gebied


de noodzakelijke tegenpool. De ‘Culturele pool’ bevat de Cultuurtuin, uitgebreid met de omgeving van de Oranjetuin. Het vormt een groene long die de Binnenstad met de noordelijke kustlijn verbindt. Het is het enige groengebied van dergelijke omvang in de stad. De Cultuurtuin was oorspronkelijk deels een botanische tuin. Die rijkheid aan flora is nog steeds merkbaar. Het gebied bevat ook vele recreatieve voorzieningen. Ondanks dat de ‘Culturele pool’ de onthaastplek bij uitstek kan vormen voor de stad, mist het een imago als geheel. Het gebied staat dan ook onder druk van harde ontwikkelingen (zoals woonverkavelingen) die zorgen voor een geleidelijke metamorfose. Indien deze tendens zich continueert, dreigt de ‘Culturele Pool’ in omvang te verkleinen en haar rol te verliezen. Om dit te voorkomen, stelt de visie voorop om de Culturele pool als geheel meer in de verf te zetten en de onderdelen ervan te versterken door betere inrichting en verbinding met de omgeving. De vijfde strategische ruimte, die in het masterplan werd afgebakend, is de ‘Rivieroever’. Deze ruimte vormt het raakvlak tussen de Binnenstad en de Surinamerivier. Daar waar het ‘Winkelkerngebied’, ‘Historisch Hart’ en ‘Uitgaansgebied’ grenzen aan de rivier, doorkruist deze ruimte de andere strategische ruimten. Zoals in 2006 reeds werd aangehaald, vormt de rivieroever een snoer met

kralen, waarbij het snoer de verbindende functie van de ‘Rivieroever’ weergeeft en de kralen de verschillende achterliggende gebieden. Het versterken van de ruimte, door middel van dit concept, werd overgenomen in de visie van het voorliggende onderzoek. Om de relatie met de rivier te herstellen en de ‘Rivieroever’ als verbindende ruimte aan te wenden, stelt de visie dat de ‘Rivieroever’ een sterk front moet bieden naar de rivier en dat er een verbindende boulevard moet worden ingericht, waarlangs er voldoende verblijfsruimte voorzien wordt. Tevens dient de rivieroever de zichten vanuit de andere gebieden op de rivier te faciliteren door te voorzien in vrije zichtassen die reiken tot aan het water. Het voorliggend onderzoek is erin geslaagd om, op basis van voorgaand onderzoek, analyse, terreinverkenning en samenwerking, vijf strategische ruimten af te bakenen. Wanneer deze ruimten op kaart worden gezet, is het duidelijk dat deze niet gebiedsdekkend zijn voor de Binnenstad. Dit maakt dat het onderzoek de Binnenstad op een strategische manier heeft weten te benaderen en de zones met de grootste hefboomacties wist af te bakenen. Gelet op de actiegerichte doelstelling van het Stadsproject Antwerpen-Paramaribo, werden bij de vertaling van de strategische

17


EINDCONCLUSIE

18

ruimten naar programma’s bepaalde onderdelen niet opgenomen. Een voorbeeld hiervan is de Palmentuin. Bij aanvang van het onderzoek was het project van de revitalisatie van de Palmentuin al uitgewerkt en klaar voor realisatie. Hierdoor vormde het geen aanleiding meer voor strategische en geïntegreerde acties ter vertaling van de visie op de Binnenstad. Het had daarom geen nut om het project te verankeren in het masterplan. Ook voor de ‘Rivieroever’ wordt slechts een deel (de Waterkant) geselecteerd, omdat het op korte of middellange termijn realiseren van projecten in de niet-geselecteerde zones weinig waarschijnlijk geacht wordt. In de samenwerkingsmomenten met de directe en indirecte partners werd er over de voorstellen tot afbakening van strategische ruimten gedebatteerd. Vooral het Ministerie van RGB vond dat ze zelf te weinig capaciteit had om mee actief na te denken over de initiële afbakening. Dit veranderde evenwel na de concrete afbakening: er werd met hen en andere partners levendig gediscussieerd over het voorliggende voorstel. Dit geeft aan dat voor verschillende partners het werken met beeldend materiaal of inhoudelijke voorzetten beter werkt dan abstract te denken of van een wit blad te starten.


WELKE STRATEGISCHE PROGRAMMA’S EN PROJECTEN KUNNEN GEDEFINIEERD WORDEN EN ZIJN OP KORTE EN MIDDELLANGE TERMIJN REALISEERBAAR?

De strategische ruimten werden vertaald in vijf strategische programma’s die er een meer specifieke en pragmatische inhoud aan geven. Per programma werden er specifieke missies afgebakend. Ze vormen de verdere uitwerking van de ruimtelijke visie voor de Binnenstad, die wordt aangevuld met de generieke ambities die er betrekking op hebben. De strategische programma’s zorgen voor de coördinatie van de verschillende actoren, projecten en maatregelen tijdens de implementatiefase. Zoals eerder vermeld hoeven de strategische programma’s die voortvloeien uit de strategische ruimten in hun afbakening niet noodzakelijk volledig overeen te stemmen met deze ruimten. Daarnaast werd er bijkomend uit de generieke beelden een extra programma gehaald dat niet toe te wijzen is aan één specifieke ruimte, maar gedrapeerd wordt over de hele Binnenstad: het strategisch programma ‘Netwerk’. Met het programma ‘Netwerk’ wordt er hiërarchie gebracht in het netwerk van wegen in de Binnenstad. Het heeft tot doel de overheersende positie van het gemotoriseerd verkeer terug te dringen om opnieuw verblijfskwaliteit toe te voegen aan het publieke domein in de Binnenstad. Hiermee is het programma ‘Netwerk’ de belangrijkste voorwaarde om de verblijfskwaliteit te verhogen.

19


20

Naast de zes programma’s werd er, op basis van de beelden, nog een strategisch project geselecteerd dat tot geen van de zes programma’s behoort: het strategisch project ‘Van Sommelsdijcksekreek’. Deze kreek loopt van de Surinamerivier, aan de ‘Rivieroever’ tot aan de ‘Culturele pool’ en gaat zo verder de rand van de stad in. Deze ligging maakt de kreek strategisch: ze verbindt vier strategische ruimten/programma’s (‘Rivieroever/ Waterkant’, ‘Uitgaansgebied’, ‘Historisch Hart’ en ‘Culturele pool’). Op dit moment wordt deze verbinding niet ervaren, omdat de oevers van de kreek weinig toegankelijk zijn. Gelet op de loop en het groene karakter, poneerde het voorliggend onderzoek, steunend op voorgaand onderzoek, dat de ‘Van Sommelsdijcksekreek’ een bijzondere potentie bevat als recreatieve, zachte verbinding doorheen de Binnenstad.

EINDCONCLUSIE

De opmaak van het Strategisch Ruimtelijk Masterplan resulteerde op die manier in zes strategische programma’s en één strategisch project.

De strategische programma’s zijn: ▪ Historisch Hart ▪ Winkelkerngebied ▪ Uitgangsgebied ▪ Culturele pool ▪ Waterkant ▪ Netwerk Het strategisch project is: ▪ Van Sommelsdijcksekreek Het masterplan werkte per programma en project een visie uit, legde de missie vast en definieerde in de verschillende programma’s een reeks strategische projecten. Deze strategische projecten hebben een hefboomfunctie naar de bredere omgeving toe. Daarnaast werden er projecten gedetecteerd waarvan de hefboomactie kleiner is. Deze werden als aanvullende projecten en niet als strategische projecten benoemd. Volgende missies werden toegekend aan de zes strategische programma’s en het strategisch project (zie figuur 1.1):


������

���������������

���������

������������������������� �����������

������������������� ����������������������� ��������������������� ���������

������������������������ ����������

������������������������ �������������� �����������������������

����������������� ������������������� ������������������� ��������������������

����������������� ������������������� ������������������� ��������������������

����������������

��������������

����������������������������� ���������������� ���������������������������� ��������������������������� ��������� �������������������������

�����������������������

����������������������

����������������������������� ������������������������� ��������������

��������������

�����������������������

�������

������������������������� �����������

���������������������������

���������������������� �������

������������������������

���������������������� �������������������������� ��������

������������������� ������������������� ����������������������

������������������� ������������������������ ����������������������������� �������

������������������������� ����������������������

bron: eigen verwerking

figuur 1.1 | Projectenmatrix

Zoals eerder genoemd, werd het masterplan in het voorliggend onderzoek zo ingevuld dat de doelstelling van het onderzoek gemaximaliseerd werd. Het heeft de krijtlijnen uitgezet, maar is verre van volledig. Hierdoor werd naast programma’s en projecten ook nog bijkomend onderzoek aangeduid. Figuur 1.2 geeft voor de zes programma’s en het strategisch project aan welke projecten (strategisch of aanvullend) en welke bijkomende onderzoeken er gewenst zijn.

figuur 1.2 | Matrix programma’s en projecten bron: eigen verwerking

NETWERK

ONDERZOEKEN ▪ generiek onderzoek naar ‘verblijfsgebieden versus gemotoriseerd verkeer’: verkeerskundig + inrichting ▪ generiek onderzoek openbaar vervoer op niveau van de stad ▪ concepten gebiedsgericht onderzoeken per programma en project

STRATEGISCHE PROJECTEN

BIJKOMENDE ACTIE

21


HISTORISCH HART

▪ verder onderzoek naar conserveringsbeleid ▪ specifieke bouwregels voor nieuwbouw ▪ onderzoek naar verkeerssysteem zodat het ‘Historisch Hart’ een verblijfsgebied kan worden dat grotendeels autoluw is. ▪ groenstrategie voor de Binnenstad ▪ functioneel onderzoek Binnenstad, eveneens in relatie tot de hele stad ▪ woonstrategie, eveneens in relatie tot de hele stad ▪ verder onderzoek naar de Lim a Postraat als potentieel stadsgezicht

▪ kerkplein – Omgeving Surinaamse Bank & kathedraal als tweelingenplein ▪ plein Heiligenweg-Knuffelgracht en Spanhoek ▪ Bouwblok tussen het Plein van de Revolutie, de Knuffelsgracht en de Keizerstraat

▪ aanpakken van verwaarloosd historisch erfgoed via restauratie en herbruik ▪ grond- en pandenbeleid: strategische gronden of panden kopen en kwalitatief ontwikkelen ▪ toekennen van fiscale voordelen voor kwalitatieve architectuur ▪ oprichten informatiecentrum en kenniscel erfgoed ▪ premies voor het organiseren van architectuurwedstrijden met een vakjury om private ontwikkelaars aan te zetten tot kwalitatieve ontwikkelingen verbinding Sint-Petrus en Pauluskathedraal naar de ‘Van Sommelsdijcksekreek’

▪ aanpak van de vier assen ▪ zichten naar de Surinamerivier

▪ Moskee & Synagoge ▪ Neumanpad

WINKELKERNGEBIED

▪ verder onderzoek naar toepassen programma ‘Netwerk’ in ‘Winkelkerngebied’ ▪ verder onderzoek naar de aannames van de structuurschets en de concepten ▪ groenstrategie voor de Binnenstad ▪ functioneel onderzoek Binnenstad, eveneens in relatie tot de hele stad ▪ woonstrategie, eveneens in relatie tot de hele stad ▪ onderzoek naar de relatie van de Binnenstad met de uitbouw van secundaire kernen in de stad

UITGAANSGEBIED

▪ verder onderzoeken geïntegreerd uitwerken van het programma als één geheel ▪ groenstrategie voor de Binnenstad ▪ verder onderzoek naar toepassing programma ‘Netwerk’

EINDCONCLUSIE

22


CULTURELE POOL WATERKANT

▪ verder onderzoek naar programma tot consensus wordt bereikt ▪ verder onderzoek naar conserveringsbeleid ▪ specifieke bouwregels voor nieuwbouw ▪ verder onderzoek naar toepassing programma ‘Netwerk’ ▪ groenstrategie voor de Binnenstad ▪ functioneel onderzoek Binnenstad, eveneens in relatie tot de hele stad ▪ woonstrategie, eveneens in relatie tot de hele stad

VAN SOMMELSDIJCKSEKREEK

▪ monitoring verdere uitwerking ‘Cultuurtuin als diversiteitspoort van Suriname’

▪ ontwerpend onderzoek naar de mogelijkheden van de verschillende sequenties ▪ grondrechterlijk onderzoek als basis voor de onderhandelingen ▪ groenstrategie voor de Binnenstad ▪ verder onderzoek naar toepassing programma ‘Netwerk’ ▪ uitwerking project door middel van ontwerpend onderzoek ▪ samenhangend ontwerp openbaar domein

▪ opname van de Cultuurtuin als strategisch projectbij falen extern project

▪ Oranjetuin

▪ realisatie volledig project, eventueel opgesplitst in fases

▪ route langs de Van Rooseveltkade promoten als toeristische verbinding ▪ aanleg pad langs de Palmentuin (onderhoudstrook) als aanzet realisatie verbinding + (her)aanleg Van Rooseveltkade

23


24

WELKE PARTNERS ZIJN BEREID OM MEE TE WERKEN AAN DE UITWERKING VAN HET MASTERPLAN, DE PROGRAMMA’S EN DE REALISATIE VAN DE PROJECTEN?

Om na te gaan welk project op korte of middellange termijn realiseerbaar is, dienen de partners mee in beschouwing genomen te worden. De ontwikkelingsstrategie toont immers aan dat partners, overleg en onderlinge afspraken (aangestuurd door de externe trekker) de sleutel en meteen ook de voorwaarde zijn voor een realisatie op korte termijn. Aan het masterplan als geheel en aan elk van de programma’s, projecten en het bijkomend onderzoek kunnen partners gekoppeld worden. Het is dus niet zo dat er onderdelen van het masterplan zijn die geen interesse van de partners konden wekken.

EINDCONCLUSIE

Vanuit het geïntegreerd karakter van het masterplan, detecteren we eerst de partners geïnteresseerd in het masterplan als geheel: ▪ AdeKUS: vanuit capaciteitsopbouw en onderzoek ▪ RGB: als kader voor de invulling van hun taakstelling ▪ IDB: donor, als mogelijke doorvertaling van UDP De hier opgestane geïnteresseerde partners zijn echte sleutelfiguren. Ze vormen een combinatie tussen beleid, capaciteit en financiering. Mits een goede regie van een externe trekker, zou het dus mogelijk zijn om, op basis van deze sleutelactoren, het master-


plan verder uit te werken en, via bijkomende partners voor specifieke projecten, een project op korte en/of middellange termijn te realiseren. Vanuit de programma’s en projecten werden er verschillende strategische en aanvullende projecten aangeduid. Zoals eerder genoemd, zijn het de partners die zullen bepalen welk van de projecten worden geselecteerd om verder uit te werken en tot realisatie te brengen. De partners zorgen dus voor het stellen van prioriteiten in de lijst van projecten. Enkel de randvoorwaarde van de morele verplichting (Historisch Hart), vormt hier een uitzondering op. Onderstaande lijst definieert eerst de programma’s met de meeste interesse vanuit de partners en zoomt daarna in op de projecten uit de programma’s: Programma’s en partners: ▪ ‘Winkelkerngebied’: Kersten Holding en de vereniging van handelaars ▪ ‘Historisch Hart’: geen prominente partners, maar vanuit morele verplichting toch opgenomen in de lijst, wel ondersteunende partners zoals SGES ▪ ‘Uitgangsgebied’ gecombineerd met strategisch project ‘Van Sommelsdijcksekreek’: BiZa, RGB, SUP

Vanuit de verschillende programma’s kunnen nu de meest haalbare projecten geselecteerd worden: ▪ ‘Winkelkerngebied’: gelet op de strategische grondpositie van Kersten Holding en de banden met de overkoepelende handelsvereniging zijn acties op korte termijn mogelijk. Het programma dient evenwel eerst nog verder uitgewerkt te worden. ▪ ‘Historisch Hart’: vanuit een lopende project rond de kathedraal, SGES en mogelijke partners bij RK Bisdom (die niet werden bereikt tijdens het masterplan), lijkt het project rond de Sint-Petrus en Pauluskathedraal en Surinaamse bank in combinatie met het Kerkplein, het meest haalbare project. ▪ ‘Uitgangsgebied’ in combinatie met de ‘Van Sommelsdijcksekreek’: het plein rond café ‘t Vat en de Van Rooseveltkade in combinatie met de eerste fase van de ‘Van Sommelsdijcksekreek’, lijken de meest haalbare projecten. Deze zijn ruimtelijk gemakkelijk haalbaar en kunnen, rekening houdend met de bevoegdheden en de partners, vrij eenvoudig worden aangepakt. Vanuit deze opsomming lijkt op dit ogenblik de laatst opgesomde projecten (het plein rond café ‘t Vat en de ‘Van Rooseveltkade’ in combinatie met de eerste fase van de ‘Van

25


EINDCONCLUSIE

26

Sommelsdijcksekreek’) het meest haalbaar. Ondanks de grote interesse voor het programma ‘Waterkant’, komt dit niet voor in bovenstaande oplijsting. Dit kent zijn oorsprong in de nog te veel uiteenlopende meningen en het ontbreken van consensus omtrent een scenario. Het is wel zo dat voor de ‘Waterkant’ het opgestarte debat blijvend gevoerd moet worden. Op die manier kan er aan de slag gegaan worden voor de verdere uitwerking van het programma. Anders dan bij het programma ‘Winkelkerngebied’ is realisatie op korte termijn niet mogelijk. Toch niet indien deze moet stoelen op een geïntegreerde en gedragen visie van alle betrokken partners. Zoals eerder genoemd zijn er ook enkele bijkomende onderzoeken noodzakelijk, niet enkel generiek, maar ook op niveau van de programma’s en projecten. Het uitwerken van deze onderzoeken simultaan aan de voorbereiding van een uit te voeren project, kan het project meer diepgang en integratie in het masterplan bezorgen. Net als bij de programma’s en projecten, is het bij deze onderzoeken ook belangrijk dat hier partners geïnteresseerd zijn om tot een geïntegreerde en gedragen onderzoeksuitkomst te kunnen komen. Onderstaand een oplijsting van de onderzoeken die relevant zijn voor de mogelijk te realiseren projecten, samen met de aanduiding van de geïnteresseerde

partners: ▪ groenstrategie: AdeKUS en Biza ▪ conserveringsbeleid versterken: SGES en AdeKUS ▪ generiek onderzoek naar bebouwing: RGB, SGES, AdeKUS ▪ generiek onderzoek naar openbaar domein: RGB, BiZa, SUP Bovendien zijn er binnen elk specifiek project nog bijkomende onderzoeken nodig (bijvoorbeeld de ‘Van Sommelsdijcksekreek’: onderzoek naar de eigendomssituatie van aanpalende percelen), maar deze dienen binnen de uitwerking van het specifieke strategische project te gebeuren. Deze set van projecten en partners vormt de basis voor een verdere dialoog. Het zal de Stad Antwerpen, gesteund door Artesis, moeten zijn die deze dialoog voor de verdere selectie van het meest haalbare en meest uitvoerbare project moet voeren met alle directe en indirecte partners in kwestie. Het onmiddellijk aanduiden van een uit te voeren project bleek binnen het bestek van dit onderzoek niet mogelijk. De opsomming is een eerste selectie op basis van de inhoudelijke en samenwerkingsinzichten. Het aanduiden van een uitvoerbaar strategisch project, zonder overleg met de partners, is strijdig met de inhoud van de ontwikkelings-


strategie. Om deze reden werd er dan ook geen selectie tot één project doorgevoerd. Bovendien hadden de onderzoekers niet het mandaat om op basis van de afgebakende projecten intentieovereenkomsten tot samenwerking af te sluiten met geïnteresseerde partners. Er kan besloten worden dat het onderzoek in de meeste opzichten in haar opzet geslaagd is om een kader te scheppen, mensen te enthousiasmeren en te werken naar concrete projecten. Om de gecreëerde dynamiek en enthousiasme in te zetten om tot uitvoering te komen, is een snelle opvolging nodig en een sterke trekker noodzakelijk. Vorige onderzoeken toonden namelijk aan dat lange stiltes enthousiasme doen afnemen en mensen doet afhaken. Het behouden van contact en het opbouwen van kennis wordt in leven gehouden door de bestaande academische samenwerking (zie ook appendix), maar het uitvoeren van de rol als externe trekker ter uitvoering van het masterplan, is een brug te ver. Dit zal bij andere partijen gezocht moeten worden. Toch kunnen we het voorliggend onderzoek als geslaagd en leerrijk beoordelen, zowel voor de uitvoerders van dit onderzoek en hun kader als voor de Surinaamse partners.

27


foto 2.1 | Palmentuin


APPENDIX


30

SAMENWERKING ANTWERPENPARAMARIBO, NA OKTOBER 2008

Stadsproject en academische samenwerking

APPENDIX

Overdracht Bij de start van het Stadsproject werd steeds aangenomen dat het voorliggend onderzoek een eerste in een reeks van vier zou zijn, waarbij de finaliteit ‘komen tot uitvoerbare resultaten’ beoogd werd. Tevens diende er tijdens het Stadsproject gezocht te worden naar overdracht van de samenwerking, omdat Stad Antwerpen zich eind 2009 (zoals gepland) terugtrok als partner. Na de terugkomst werd er de voorkeur gegeven aan de overdracht van de samenwerking en de opgeleverde onderzoeks- en samenwerkingsresultaten, eerder dan zelf nog verder actief in te zetten op realisaties. Aan de basis hiervan lagen vooral de inzichten in de rol en positie van de externe trekker. Voorliggend onderzoek leverde immers het inzicht dat de taak van de externe trekker noodzakelijk was. Dit vereiste een meer permanente aanwezigheid in Suriname. Het Stadsproject bezat wel de expertise om deze rol op te nemen, maar het was nooit de bedoeling om vanuit het Stadsproject een permanente trekker aan te duiden. (Adams & Heirman, 2010a) Gelijklopend aan voorliggend onderzoek voerde Stef De Ridder en Sigrid Heirman


een kortlopend academisch onderzoek uit: ‘Transponeerbaarheid van planningsmethodes, strategische gebiedsgerichte planning: case Antwerpen-Paramaribo’. Naast aanbevelingen over de transponeerbaarheid van de planningsmethode, werden er ook uitspraken gedaan over de samenwerking tussen beide steden en de organisatiestructuur die zou leiden tot betere communicatie en continuïteit. Dit onderzoek onderbouwde de vaststelling dat een meer permanente trekker nodig was, maar slaagde er niet in om deze persoon aan te duiden of om een operationeel kader te voorzien waaruit deze kon opstaan. Wel leverde het onderzoek een structuur op die de dialoog levend kon houden en van waaruit dergelijke trekker wel kon worden aangeduid. Een bijkomend aspect waren de inzichten over capaciteitsopbouw, uit voorliggend onderzoek en het kortlopend academisch onderzoek. Er werd vastgesteld dat de realisatie van projecten als draagvlak ontwikkeling voor proactieve stadsplanning noodzakelijk was, maar dat de capaciteiten tegelijkertijd versterkt moesten worden. Hiermee werd de drijfveer aangegeven om de rol van een academische samenwerking te vergroten. Deze inzichten hebben geleid tot de beslissing om de overdracht tussen Stad Antwerpen en Artesis enerzijds en District Parama-

ribo en AdeKUS anderzijds voor te bereiden. In 2009 werd de overdracht voorbereid. Dit startte met gesprekken tussen AG Stadsplanning Antwerpen en Artesis en leidde tot een overeenkomst tussen beide instellingen. Vervolgens werden twee projectcoördinatoren bij Artesis aangesteld. Ondertussen werd de overdracht verder uitgewerkt tussen Paramaribo en Antwerpen op basis van gesprekken met de lokale partners. Eind december 2009 werd de overdracht verankerd in een raamovereenkomst tussen Artesis en AdeKUS. (Adams & Heirman, 2010a) Gelijklopend aan deze overdracht werden de vooropgestelde verdere fases van het onderzoek uitgevoerd. Zo gingen er tijdens deze periode negen studenten van Artesis naar Suriname. Zeven hiervan hebben aan de uitwerking van het masterplan gewerkt. Omdat de overdracht was ingezet, kwam de nadruk binnen de samenwerking te liggen op het uitbouwen van een structureel netwerk, het levend houden van de dialoog en het inzetten op capaciteitsopbouw. Zo werd de ambitie om op twee jaar een project uit te voeren bijgesteld. (Adams & Heirman, 2010a)

31


32

Doelstelling van de academische samenwerking In de infobrochure wordt de doelstelling van de samenwerking als volgt beschreven (Adams, Heirman & Martinus, 2010: 10): “De samenwerking heeft als basisdoelstelling om kennisverruiming te realiseren op basis van internationalisering. Deze basisdoelstelling zal worden nagestreefd binnen de werkingsvelden van Architectuur, Stedenbouw – Ruimtelijke Planning en Monumenten – en Landschapszorg. Hiervoor zal er worden samengewerkt op vlak van onderwijs, onderzoek en maatschappelijke dienstverlening.”

APPENDIX

Kenmerken van de academische samenwerking In de infobrochure worden de specifieke kenmerken van de samenwerking als volgt omschreven (Adams, Heirman & Martinus, 2010: 10): ▪ “De samenwerking is structureel van aard. Beide instellingen wensen de samenwerking over een lange termijn verder te zetten. Dit vanuit het geloof dat het realiseren van de doelstelling binnen de samenwerking tijd nodig heeft, de samenwerking moet zich volledig kunnen ontplooien. Hierbij is continuïteit in de samenwerking een belangrijke factor om tot een structurele samenwerking te kunnen komen.”

▪ “Het is een samenwerking die gestoeld is op gelijkwaardigheid, waarbij beide partners geloven dat ze van elkaar kunnen leren.” ▪ “De samenwerking is geënt op capaciteitsopbouw. Het is de bedoeling om via onderzoek, onderwijs en projecten vooral te komen tot een vergroting van de kennis en vaardigheden voor de drie samenwerkingsdomeinen. Het bekomen van instrumentele, gebouwde of ruimtelijk gerealiseerde projecten is hierbij van nevengeschikt belang.” ▪ “De samenwerking is academisch van karakter. De samenwerkingsovereenkomst werd dan ook tussen de twee academische instellingen afgesloten. Dit wil echter niet zeggen dat de link met private en de publieke partners uitgesloten wordt, de samenwerking ent zich immers ook op maatschappelijke dienstverlening. Binnen de samenwerking zal er gezocht worden naar een afstemming en een tegemoetkoming aan beide type partners. Het is immers de bedoeling dat de samenwerking ook positieve effecten en invloeden heeft op de maatschappij.” Voor de duidelijkheid werden naast de definitie van de kenmerken ook een vergelijking opgemaakt met de Stedenband AntwerpenParamaribo. De aangeduide verschillen zijn ook van toepassing op het Stadsproject Ant-


werpen-Paramaribo. Deze verschillen zijn (Adams, Heirman & Martinus, 2010: 10): ▪ “De stedenband was bestuurlijk van aard. De samenwerking werd afgesloten tussen het stadsbestuur van de stad Antwerpen en met de districtscommissaris van Paramaribo Noord-Oost”. ▪ “De stedenband werkte samen op vlak van ruimtelijke planning, maar niet op vlak van architectuur en monumenten- en landschapszorg.” ▪ “Binnen de stedenband kon er enkel binnen Paramaribo gewerkt worden. Projecten of onderzoeken in de rand van de stad zoals bijvoorbeeld op Commewijne of Para (twee andere districten in Suriname) waren minder evident. Projecten die zich buiten het stedelijk lichaam van Paramaribo bevonden, zoals Nickerie, delen van het binnenland ... waren niet mogelijk. Binnen de academische samenwerking is er geen geografische beperking aan de samenwerking.” ▪ “De stedenband kon via het bestuursakkoord van de stad Antwerpen rekenen op jaarlijkse financiële middelen. De academische samenwerking kan niet rekenen op een vaste bron van middelen en zal zelf op zoek gaan naar middelen. Deze middelen dienen zowel de operationele werking als de samenwerkingsprojecten te financieren.” Deze opsomming geeft duidelijk aan dat de

huidige samenwerking verschilt van de samenwerking zoals die was tijdens de uitvoering van voorliggend onderzoek.

Onderzoeken Artesis-AdeKUS Inleiding Om continuïteit in de samenwerking te bewaren, werd er vanuit het Stadsproject besloten om gedurende de overdracht te blijven inzetten op onderzoek gerelateerd aan het masterplan Binnenstad. Deze onderzoeken betroffen het verder uitdiepen van zowel de geformuleerde bijkomende onderzoeken als de strategische projecten. (Adams & Heirman, 2010a) Duurzame woningbouw in een warm klimaat, case study: Suriname In februari 2009 reisde Sigi Carrein en Femke De Boeck, twee masterstudenten architectuur van Artesis, af naar Suriname voor een onderzoeksperiode van acht weken. Dit veldwerkbezoek kaderde binnen hun masteronderzoek ‘duurzame woningbouw in een warm klimaat: case study Suriname’. (Adams, Heirman & Martinus, 2010: 27) Het onderzoek vertrok vanuit volgende perceptie op het masterplan: “Vanuit het masterplan voor de Binnenstad van Para-

33


APPENDIX

34

maribo is gebleken dat een kwalitatieve en duurzame invulling van de vele lege percelen in de Binnenstad zou bijdragen tot zowel de functionele vermenging, als een verhoging van de leefkwaliteit in de Binnenstad, maar ook dat de beeldwaarde van de Binnenstad in zijn geheel zou stijgen. Daarom werd er in het verlengde van het masterplan een specifiek onderzoek gestart naar duurzame woon- en bouwvormen op lege percelen in de Binnenstad. Het resultaat van het onderzoek betrof een aanzet naar uitspraken over duurzaam bouwen, woonopties en beeldkwaliteit in de Binnenstad. Naast dit generieke onderzoek werd er een gebiedsgericht onderzoek gevoerd op twee specifieke lege percelen in de stad. Hierbij beïnvloedde het generieke onderzoek de ontwerp cases en vice versa. Het onderzoek introduceerde de opleiding Architectuur in de samenwerking met Paramaribo.” (Adams, Heirman & Martinus, 2010: 27) Met hun onderzoek geven Carrein en De Boeck deels een invulling aan het beeld ‘Wanden en randen aanpakken door middel van kwalitatieve architectuur’. In het masterplan werd de uitwerking van dit beeld opgenomen in de uitwerking van de programma’s en projecten, maar ook als aanduiding van een generiek onderzoek over de bebouwde ruimte. Het onderzoek van Carrein en De Boeck kadert in een gedeeltelijke uitwerking

van het generiek onderzoek. De lege percelen waarop de cases werden uitgevoerd, zijn gekozen op basis van een bijkomende veldinventarisatie van de lege percelen. Deze veldinventarisatie gebeurde in GIS en was een verfijning van de databank die in voorliggend onderzoek werd opgeleverd. Het extra veldonderzoek liet toe om de lege percelen in te delen in verschillende types. Zo konden exemplarische percelen worden uitgekozen. Op deze manier reiken de inzichten op de twee lege percelen in de Binnenstad verder dan enkel de percelen in kwestie. Ze doen uitspraken die ook van toepassing zijn op andere percelen binnen hetzelfde type. Door de GIS-inventarisatie werd de database uit voorliggend onderzoek (zie boek 7) verder aangevuld. Ondanks dat onderzoeksperiode van Carrein en de Boeck kort was en dat er slechts op twee percelen ontwerpend onderzoek werd gevoerd, waren de onderzoeksresultaten wel van die aard dat er een aanzet werd gegeven tot de invulling van het generieke onderzoek. Het was een opstap tot een onderzoek in het volgend academiejaar naar een beeldkwaliteitplan ‘architectuur’ voor de Binnenstad. Gelet op de theoretische aard van de oefeningen en het ontbreken van gesprekken met de eigenaars, was het niet mogelijk om via dit onderzoek te kun-


nen komen tot ruimtelijke realisaties. Omdat het een eerste en verkennend onderzoek was voor de opleiding architectuur, zou het te ambitieus zijn om dit te verwachten. Beeldkwaliteitplan buitenruimte, Binnenstad Paramaribo Een tweede onderzoek, volgend op het masterplan, werd uitgevoerd door Nicky Biekens en Gert Hectors, twee masterstudenten Stedenbouw en Ruimtelijke Planning aan Artesis. Het onderzoek te Paramaribo vond plaats van half oktober tot half december 2009. Dit onderzoek is het eerste onderzoek dat vanuit Artesis en AdeKUS geïnitieerd werd. Tijdens een werkbezoek van de nieuwe coordinatoren werd een workshop gehouden met de verschillende directe en indirecte partners. Op basis van een opfrissing van het masterplan werd er toen besloten om het onderzoek betreffende de openbare ruimte te vertalen in een onderzoek naar een Beeldkwaliteitplan voor de buitenruimte. Zo werd deze opdracht dus in samenspraak met de Surinaamse partners gevormd. (Adams & Heirman, 2010a) Het onderzoek vertrekt vanuit het gedetecteerde bijkomende onderzoek in verband met het verbeteren van het openbaar domein ter verbetering van de verblijfskwaliteit

in de Binnenstad. Hierdoor is dit onderzoek een verdere uitdieping van het masterplan Binnenstad. In de infobrochure ‘Academische samenwerking: Artesis Antwerpen en Anton de Kom Universiteit van Suriname’ wordt het onderzoek als volgt beschreven (Adams, Heirman & Martinus, 2010: 29): “Het onderzoek startte met een kwalitatieve en kwantitatieve analyse van de buitenruimte in de Binnenstad. De kwantitatieve analyse gebeurde op basis van een veldinventarisatie, een verwerking en analyse in GIS. De kwalitatieve analyse gebeurde op basis van veldbezoeken, gesprekken met bevoorrechte getuigen, workshops. Via deze kwalitatieve analyse werd niet enkel het ruimtelijke aspect van de buitenruimte geanalyseerd, maar ook het institutionele luik: het wettelijke, bestuurlijke, administratieve en instrumentele kader dat hieraan verbonden is. Op basis van beide types van analyse werd het openbaar domein gecategoriseerd en werd er per categorie een inrichtingsvisie opgesteld. Dan werden er per categorie enkele specifieke voorbeelden (pleinen, autoluwe straten ...) ontworpen. Op basis van deze ontwerpmatige inzichten werd er een terugkoppeling gemaakt naar het institutionele kader. Op basis van de ontwerpmatige inzichten werden er uitspraken gedaan naar

35


36

aanpassingen in richtlijnen en procedures.” (Adams, Heirman & Martinus, 2010: 29) Methodologisch ging dit onderzoek met dezelfde bouwstenen aan de slag als het voorliggend onderzoek: dialoog als informeel instrumentarium en op basis van samenwerkingsmomenten, GIS als onderzoeksinstrument en ontwerpmatig onderzoek om visies te verbeelden en de dialoog te voeden.

APPENDIX

Het onderzoek van Biekens en Hectors wordt simultaan met het voorliggende onderzoek verder afgewerkt. Vanuit de resultaten die eind december 2009 werden opgeleverd, kan geconcludeerd worden dat het opstellen van een volledig beeldkwaliteitplan te ambitieus was. Er is nog geen zicht op hoe de opmaak van een beeldkwaliteitplan ‘openbaar domein’ verder zal worden uitgewerkt. (Adams & Heirman, 2010a) Beeldkwaliteitplan Architectuur Een derde onderzoek, volgend op het masterplan, werd uitgevoerd door Adi Van Gucht, Elke Van de Wouwer en Wim Govaerts. Adi volgde de masteropleiding ‘Monumenten- en Landschapszorg’ en Elke en Wim de masteropleiding ‘Architectuur’ van Artesis. Het onderzoek te Paramaribo vond plaats van half oktober tot half december 2009. Dit onderzoek omvat de opmaak van een

beeldkwaliteitplan ‘architectuur’. Het vertrekt van de vaststelling dat veel van de nieuwe bebouwing eerder laagwaardig is op architecturaal vlak en morfologisch weinig inpast in de het bestaande weefsel. Zo bouwt het dus verder op de inzichten vanuit het masterplan over de inzet ‘bebouwing’ en de uitwerking in beelden. Het onderzoek geeft een verdere invulling aan het beeld ‘Wanden en randen aanpakken door middel van kwalitatieve architectuur’. Het onderzoek werd simultaan uitgevoerd met het onderzoek van Biekens en Hectors over het openbaar domein. (Adams & Heirman, 2010a) Het beeldkwaliteitplan ‘architectuur’ vertrok vanuit een gebiedsgerichte analyse van de bebouwing in de Binnenstad en ging van daaruit enkele bouwblokken onder de loep nemen (Adams, Heirman & Martinus, 2010: 30). Er werden drie bouwblokken onderzocht, allen gelegen in het ‘Historisch Hart’. Twee ervan liggen op de scheidingslijn met het ‘Winkelkerngebied’. Bij de drie bestudeerde bouwblokken bevond zich het ‘bouwblok tussen het Plein van de Revolutie, de Knuffelsgracht en de Keizerstraat’, één van de strategische projecten in het programma ‘Historisch Hart’. “Het onderzoek startte met een kwalitatieve en kwantitatieve analyse van de bebouwde ruimte in de Binnenstad. De kwantitatieve


analyse gebeurde op basis van een veldinventarisatie, een verwerking en analyse in GIS. De kwalitatieve analyse gebeurde op basis van veldbezoeken, gesprekken met bevoorrechte getuigen en workshops. Via deze kwalitatieve analyse werd niet enkel het ruimtelijke aspect van de bebouwde ruimte geanalyseerd, maar ook het institutionele luik: het wettelijke, bestuurlijke, administratieve en instrumentele kader dat hieraan verbonden is.

en Adi Van Gucht reeds af en leverden zo hun onderdelen van het onderzoek op. Wim Govaerts zal zijn onderzoek simultaan aan dit onderzoek opleveren. Vanuit de resultaten die eind december 2009 werden gepresenteerd, kan wel geconcludeerd worden dat het opstellen van een volledig beeldkwaliteitplan te ambitieus was. Er is nog geen zicht op hoe de opmaak van een beeldkwaliteitplan ‘openbaar domein’ verder zal worden uitgewerkt. (Adams & Heirman, 2010a)

Vanuit de analyse werden er enkele krachtlijnen opgebouwd rond bebouwing in de Binnenstad. Deze werden verder onderzocht in drie bouwblokken. Voor elk bouwblok werd een visie, ontwerp, fasering en onderzoeksmethodiek uitgewerkt. Op basis van de resultaten van de bouwblokonderzoeken kon er een terugkoppeling worden gemaakt naar de institutionele analyse en werden er verschillende aanbevelingen gedaan naar richtlijnen, procedures ...” (Adams, Heirman & Martinus, 2010: 30)

Strategisch project ‘Van Sommelsdijcksekreek’ Een vierde onderzoek, volgend op het masterplan, werd uitgevoerd door Evelyn Adriaensen en Julie Huybrighs, twee masterstudenten van de opleiding Stedenbouw en Ruimtelijke Planning te Artesis. Hun onderzoek liep in samenwerking met twee studenten van AdeKUS, uit de opleiding bouwkunde. Het onderzoek te Paramaribo vond plaats van half februari tot half mei 2010.

Methodologisch ging dit onderzoek met dezelfde bouwstenen aan de slag als het voorliggend onderzoek: dialoog als informeel instrumentarium en op basis van samenwerkingsmomenten, GIS als onderzoeksinstrument en ontwerpmatig onderzoek om visies te verbeelden en de dialoog te voeden. In juni 2010 studeerden Elke Van de Wouwer

Dit onderzoek is een rechtstreekse uitwerking van het strategisch project ‘Van Sommelsdijcksekreek’. Het onderwerp van dit onderzoek werd samen met de onderzoeken rond de beeldkwaliteitplannen afgebakend in een workshop met de partners in Suriname. (Adams & Heirman, 2010a)

37


38

In de infobrochure ‘Academische samenwerking: Artesis Antwerpen en Anton de Kom Universiteit van Suriname’ wordt het onderzoek als volgt beschreven (Adams, Heirman & Martinus, 2010: 32):

APPENDIX

“Het doel van het onderzoek was om op basis van een kwalitatieve en kwantitatieve analyse op zoek te gaan naar ontwikkelingsscenario’s voor het strategisch project en de verbinding met de andere strategische ruimten. Via ontwerpend onderzoek werd er in samenwerking met partners in Paramaribo op zoek gegaan naar een gewenste ruimtelijke structuur en een ontwikkelingsstrategie om deze te realiseren. Het onderzoek werd uitgevoerd in samenwerking met Waternet (NL), de Dienst Ruimtelijke Ordening Amsterdam, de Universiteit van Wageningen en het Surinaamse Ministerie van Openbare Werken. De partners hadden gelijklopend met dit onderzoek een studie lopen naar de waterbouwtechnische problemen en potenties van de kreek. Zij maakten een koppeling met de stedenbouwkundige ontwikkelingen rond de kreek. Op basis van dit partnerschap kon er worden gezocht naar geïntegreerde ontwikkelingsscenario’s van de kreek en de koppeling met de ontwikkelingsperspectieven voor de omliggende gebieden.

Binnen dit onderzoek was het niet de bedoeling om een afgewerkt plan aan te leveren, maar wel om zowel de ruimtelijke als instrumentele potenties van een stadsproject rond deze site aan te tonen. Via samenwerkingsvormen en uitwerken van deze potenties, is het de bedoeling om een ruimtelijk en methodologisch draagvlak te creëren voor stadsprojecten. Zo werd er op basis van op te leveren ruimtelijke opties en ontwikkelingsstrategieën gezocht naar de opmaak van een methodologie op maat van Paramaribo voor de aanpak van dergelijke projecten. Hierdoor heeft het onderzoek zowel een academische als maatschappelijke doelstelling.” Methodologisch ging dit onderzoek met dezelfde bouwstenen aan de slag als het voorliggend onderzoek: dialoog als informeel instrumentarium en op basis van samenwerkingsmomenten, GIS als onderzoeksinstrument, strategische planning en ontwerpmatig onderzoek om visies te verbeelden en de dialoog te voeden. Het onderzoek naar het strategisch project ‘Van Sommelsdijcksekreek’ wordt simultaan met het voorliggende onderzoek opgeleverd.


Versterking van het monumentenbeleid in Suriname Een vijfde onderzoek, volgend op het masterplan, werd uitgevoerd door Laura Joosten en Joke Bergmans, twee masterstudenten van de opleiding ‘Monumenten- en Landschapszorg’ te Artesis. Het onderzoek verliep in samenwerking met één studente van AdeKUS, uit de opleiding bouwkunde. Het onderzoek te Paramaribo vond plaats van half februari tot half mei 2010. Het was het eerste onderzoek dat zich volledig weidde aan monumenten en het monumentenbeleid. Het onderzoek werd uitgevoerd in nauwe samenwerking met de Commissie Monumentenzorg Suriname en Stichting Gebouwd Erfgoed Suriname. Het gaf aanleiding tot een eerste afstudeerwerk binnen AdeKUS met monumenten en monumentenbeleid als onderzoeksonderwerp. (Adams & Heirman, 2010a) “In navolging van het beeldkwaliteitplan ‘architectuur’ zet dit onderzoek specifiek in op het monumentenbeleid. Anders dan bij het beeldkwaliteitplan ‘architectuur’ werd er nu niet vanuit de bebouwde ruimte in zijn geheel gekeken, maar vertrok het onderzoek vanuit een gerichte blik op monumenten om de bebouwde ruimte te onderzoeken.” (Adams, Heirman & Martinus, 2010: 33), Om het onderzoek vorm te geven werd er

op verschillende deelaspecten of deelonderzoeken ingezet (Adams, Heirman & Martinus, 2010: 33; Adams & Heirman, 2010b): ▪ “Er werd verder onderzoek gedaan naar het institutionele kader van het Monumentenbeleid in Suriname. Dit onderzoek bouwde verder op het institutionele onderzoek dat uitgevoerd werd binnen het kader van het beeldkwaliteitplan ‘architectuur’.” ▪ “Er werden dertig waardevolle gebouwen geïnventariseerd en geanalyseerd op basis van fiches. Deze fiches vormden de basis om de procedure te starten om de waardevolle gebouwen tot monument te laten verklaren.” ▪ “Er werden drie specifieke sites in de stad onderzocht ter opmaak van restauratiedossiers. Het betrof het handelspand van Brakke aan de Keizerstraat en de Elisabeth 1 en Elisabeth 2 school aan de Mgr. Wulfingestraat.” ▪ “Op basis van de verworven inzichten uit het institutionele onderzoek, de fiches en de restauratiedossiers werd er gewerkt naar een sensibiliserend document voor eigenaars van monumenten. Het document heeft tot doel de eigenaars van monumenten aan te zetten om hun eigendom niet te laten verkommeren en zal hen stimuleren en helpen bij het onderhoud van hun pand.”

39


40

“Het onderzoek bevatte hierdoor zowel een academisch, als een maatschappelijk dienstverleningsluik. Op academisch vlak is op AdeKUS weinig aanwezig rond monumentenbeleid en restauratie van monumenten. Dit onderzoek moest draagvlak ontwikkelen en input leveren om monumenten en het monumentenbeleid te integreren in de opleidingen. Op maatschappelijk vlak zijn het vooral de onderzoeksproducten en de methodes om tot deze producten te komen die de commissie en de stichting moeten helpen in hun dagelijkse werking om publieke en private eigenaars van monumenten en waardevolle panden te sensibiliseren.

APPENDIX

Het onderzoek is een belangrijke verbreding van de samenwerking op vlak van monumentenzorg. Zo geeft dit onderzoek een specifieke invulling van de vraag naar versterking op dit vlak, afkomstig van AdeKUS, de Commissie en de Stichting.” (Adams, Heirman & Martinus, 2010: 33) Dit onderzoek mag dan in mindere mate een directe uitwerking lijken van het masterplan, toch werkt het op een bijzondere manier aan de verbreding ervan. Het ondersteunt namelijk het verdere onderzoek naar het conserveringsbeleid, een onderdeel dat vanuit de drijfveer ‘morele verplichting’ in het masterplan aangegeven wordt. Daarnaast werd er, ondanks dat monumentenzorg een andere

discipline is, gekozen om ook hiervoor aan de slag te gaan met de dialoog als informeel instrumentarium. Onderzoeken AdeKUS Niet enkel in de samenwerking, maar ook los ervan werden aan de Anton De Kom Universiteit Suriname verschillende onderzoeksonderwerpen gekozen die een verdere uitwerking zijn van het voorliggend onderzoek. Op basis van het verslag van het werkbezoek van de projectcoördinatoren Adams en Heirman (2010b) uit mei 2010, konden we een overzicht krijgen van deze onderzoeken. Dit verslag bevatte enkel de titels van de onderzoeken. De coördinatoren beschikten niet over de volledig onderzoeksrapporten. Een overzicht van de uitgevoerde afstudeerwerken: ▪ 2008: ontwerp dans en cultuurschool, omgeving Henk Arronstraat ▪ 2010: herinrichting centrale markt ▪ 2010: studie gebouw naast de centrale markt ▪ 2010: Telesur plein ▪ 2010: herinrichting plein van de Revolutie Elk van deze afstudeeronderwerpen zijn verdere uitwerkingen van onderdelen van verschillende programma’s en projecten uit dit onderzoek. Ze werkten vooral sensibi-


liserend naar de mogelijkheden van deze plekken. Deze lijst toont aan dat er vanuit AdeKUS proactief wordt omgegaan met het opgeleverde masterplan. Onderwijsinitiatieven Zoals de doelstelling van de nieuwe academische samenwerking aangeeft, wordt er op basis van onderwijsinitiatieven ingezet op capaciteitsopbouw. Sinds de academische samenwerking van start ging, zijn er twee initiatieven op dit vlak opgestart. Ten eerste de opmaak en indiening van een dossier ter inrichting van een ‘Kort Opleidingsinitiatief ’, waarbij mensen uit Suriname en omliggende landen naar Artesis zouden afreizen voor een stoomcursus in geïntegreerde werking tussen stedenbouw, architectuur en monumentenzorg. Hierbij zou er op basis van een case gewerkt worden. Dit initiatief werd ingediend bij de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR), maar verkreeg de subsidie niet. De coördinatoren gaan nu op zoek naar andere middelen om dit initiatief te kunnen opzetten. (Adams & Heirman, 2010a) Ten tweede wordt er heden een samenwerking uitgebouwd met de universiteit van Amsterdam. Deze hebben een bestaand onderwijsproject rond de uitbouw van een professioneel diploma ruimtelijke planning

lopen op AdeKUS. De gesprekken hierover zijn nog bezig. (Adams & Heirman, 2010a) Maatschappelijke dienstverlening via projecten van betrokken partners Om toch de dimensie van uitvoering en implementering van onderzoek in de samenwerking te houden, werd er vanuit de academische samenwerking besloten om ook in te zetten op het indienen van offertes in Suriname voor projecten die relatie hebben met de onderzoeken, methodes en opgeleverde resultaten. Het eerste project dat werd ingediend was een project voor de operationalisering van het Urban Development Plan (ingediend bij IDB). Via zes pilootprojecten zou de Binnenstad van Paramaribo worden gerevitaliseerd. De opbouw van de ‘Terms of Reference’ toonde vele gelijkenissen met het voorliggend masterplan: werken met strategische projecten, inzetten op samenwerking tussen publieke en private partijen en het inzetten van een externe trekker om het project te leiden. Dit was voor de samenwerking een mogelijkheid om toch nog te kunnen komen tot ruimtelijke realisaties, gestoeld op het masterplan. Er werd een breed consortium opgezet om aan de eisen van de offertevraag te voldoen. Het consortium overleefde de eerste ronde, maar haalde het in de tweede en finale ronde niet. (Adams & Heirman, 2010a)

41


42

CONCLUSIE OVER DE DOORWERKING VAN HET MASTERPLAN

De uitweiding over de samenwerking Antwerpen-Paramaribo, na oktober 2008 geeft een helder beeld van welke acties er binnen de samenwerking hebben plaatsgevonden na de afronding van het voorliggend onderzoek te Paramaribo.

Voortzetting van de activiteiten Op basis van voorgaande uitweiding kan er geconcludeerd worden dat het masterplan Binnenstad op verschillende manieren en via verschillende disciplines uitwerking vond. Sterker nog: de samenwerking AntwerpenParamaribo rust nu op een verankerde structurele samenwerking op langere termijn, waardoor de voorwaarden voor verdere kennisuitwisseling en het opbouwen van capaciteitsopbouw, kunnen worden verder gezet.

APPENDIX

Verbreding van de samenwerking De samenwerking tussen Antwerpen en Paramaribo werd uitgebreid met twee nieuwe vakgebieden. De introductie van de vakgebieden ‘architectuur’ en ‘monumenten- en landschapszorg’ wordt vanuit het masterplan toegejuicht. Hierdoor kunnen enkele hiaten in het masterplan worden ingevuld en wordt het mogelijk om via bijkomende onderzoe-


ken het masterplan op een verbrede en inclusieve manier verder uit te werken. Vooral de inzet van monumentenzorg is zeer verrijkend, omdat dit inzet op het zwakkere deel van de (Binnen)stad dat zich voornamelijk in het ‘Historisch Hart’ bevindt. In het masterplan werd hier vooral vanuit de morele verplichting gewerkt, maar met weinig relevante partners. Hierdoor kan er meer aandacht en invulling aan dit vakgebied gegeven worden. Tevens geeft deze verbreding een invulling aan de gevraagde capaciteitsversterking door SGES. De combinatie met architectuur werkt versterkend. Zo wordt er niet enkel onderzoek verricht naar het bewaren, restaureren en herbruiken van monumenten, maar wordt er ook gezocht naar randvoorwaarden en voorstellen voor de introductie van kwalitatieve en passende architectuur voor de Binnenstad.

Onderzoek en informeel instrumentarium Op basis van de verschillende onderzoeken ging Artesis samen met AdeKUS aan de slag. Los daarvan werd er binnen AdeKUS ook apart gewerkt met het plan. Door de onderzoeken van academische aard kunnen we

besluiten dat het masterplan zich leent voor een verdere uitwerking die zich richt op capaciteitsopbouw. De onderzoeken uitgevoerd door Artesis en AdeKUS werden op basis van een intensieve samenwerking met verschillende partners opgemaakt, waardoor er opnieuw aan de slag werd gegaan met de dialoog als informeel instrumentarium. In deze onderzoeken waren het opnieuw de onderzoekers die de leiding van het onderzoek in handen hielden en zo de dialoog opstartten, voeden en aan de gang hielden. Zo werden de vaardigheden van alle partners op dit vlak verder uitgebouwd. Verder werd de dialoog op verschillende domeinen uitgetest: architectuur, monumentenzorg en stedenbouw. Hierdoor kunnen we stellen dat het informele instrumentarium ook op andere vakgebieden toepasbaar is, in plaats van enkel binnen de stedenbouwkundige onderzoeken. Hoewel de dialoog zeker plaatsvindt tijdens de onderzoeken, is het onduidelijk of deze er ook is buiten de onderzoeken. Het vooropgestelde forum, getrokken door de lokale coördinator in Suriname, is er echter nog niet. Daarom beveelt dit onderzoek aan dit niet uit het oog te verliezen. Het is immers via een permanente dialoog dat men een forum kan creëren. Wel wordt, vanuit voorliggend onderzoek, de aanstelling van coör-

43


44

dinatoren in beide academische instellingen als zeer positief ervaren, omdat er op deze manier wel een constante dialoog bestaat op academisch vlak.

Uitvoerbaar project en externe trekker Omdat er werd overgegaan naar een academische samenwerking, kwam het niet tot de vooropgestelde uitvoering. Hierdoor werd deze doelstelling tot op heden nog niet behaald. De inzichten over de rol en de aanwezigheid van de externe trekker maakten dat deze ambitie de mogelijkheden van het Stadsproject oversteeg.

APPENDIX

Door maatschappelijke dienstverlening tot een onderdeel van de academische samenwerking te maken, blijft de opportuniteit om toch tot realisatie te kunnen overgaan mogelijk. De initiatieven van IDB tonen aan dat ook via andere projecten en samenwerkingen de inzichten betreffende de externe trekker verdergezet kunnen worden. Omdat verschillende van de nieuwe onderzoeken binnen de samenwerking Antwerpen-Paramaribo inzetten op het uitbouwen van een ontwikkelingsstrategie, wordt de in dit onderzoek geponeerde strategie verder uitgewerkt. Dit moet leiden tot nieuwe in-

zichten. Door die op te maken binnen een dialoog met publieke en private partners, wordt ook de kennis hieromtrent met hen verder verfijnd. Op deze manier kan er capaciteitsoverdracht plaatsvinden en wordt er een draagvlak opgebouwd, wat de kansen om tot realisatie te kunnen overgaan en de mogelijkheid om een trekker te introduceren vergroot.

Eindsom Als we alles in beschouwing nemen, is het voorliggend onderzoek er aardig in geslaagd om de vooropgestelde onderzoeksvragen en doelstellingen in te vullen. Er werd bovendien al invulling gegeven aan de aangeduide verdere uitwerkingen van het masterplan. Dit zowel op vlak van bijkomend onderzoek, als naar uitwerking van een strategisch project. Toch toont de matrix aan dat er nog veel onderzoek mogelijk is om het plan ten volle uit te werken. Door de overdracht in de samenwerking is er continuïteit ontstaan. Ondanks het feit dat deze niet op projectmatige, maar wel op academische voet voortgezet wordt, ziet dit onderzoek dit niet als een hiaat. Het realiseren van concrete projecten blijft nog steeds één van de mogelijkheden, omdat het academisch onderzoek ook inzet op maatschap-


pelijke dienstverlening. Bovendien wordt er, door over te gaan naar een academische samenwerking, invulling gegeven aan de gevraagde capaciteitsopbouw en is het op die manier mogelijk om op termijn in te zetten op onderwijsinitiatieven. Via een nauwe samenwerking met de partners dient de dialoog in stand gehouden te worden. Zo kan ook de ontwikkelingsstrategie verder worden uitgewerkt en kan deze mogelijk ingang vinden bij de uitvoering van andere projecten of projecten in samenwerking met de academische samenwerking.

45


BIBLIOGRAFIE 46


ONGEPUBLICEERDE WERKEN Adams, B., Heirman, S., en Martinus, H., (2010). Infofolder academische samenwerking Artesis Antwerpen en Anton de Kom Universiteit van Suriname. Antwerpen: ongepubliceerd werk. Adams, B., Heirman, S. (2010a). Samenwerking Paramaribo-Antwerpen, Werkbezoek Paramaribo, 27 april-09 mei 2010. Antwerpen: ongepubliceerd verslag. De Ridder, S., Heirman, S. (2009). Transponeerbaarheid Planningsmethodiek:Strategisch geïntegreerde gebiedsgerichte planning, case Antwerpen – Paramaribo. Antwerpen: Artesis. INTERVIEW Adams, B., Heirman, S., (2010b). Samenwerking Antwerpen-Paramaribo na oktober 2008. [Interview]. (17 juli) FOTO’S Alle fotos zijn eigen materiaal en werden gemaakt tijdens het onderzoek (juli-september 2008)

47


BOEK 8

BOEK 2

BOEK 3

BOEK 4

BOEK 5

BOEK 6

BOEK 7

BOEK 8

Stel zelf de luchtfoto van de grootstad Paramaribo samen door de kaften van de boeken, volgens dit schema, naast elkaar open te leggen. bron: luchtfoto GLIS 2005-2008

CONCLUSIE

BOEK 1

Strategisch Ruimtelijk Masterplan voor de Binnenstad van Paramaribo - Boek 8  

Stadsproject Antwerpen-Paramaribo 2008: opmaak van een Strategisch Ruimtelijk Masterplan voor de Binnenstad van Paramaribo. Boek 8: Conclusi...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you