Page 1

Literair internettijdschrift

C-I-R-C-U-M-P-L-A-U-D-O

nummer 56 | maart/april 2012 | 6e jaargang


CIRCUMPLAUDO nummer 56 maart/april 2012 6e jaargang

-tweemaandelijks verschijnend literair platformAd van der Zwart Marijke Scholten Eric Peterse Redactie

www.circumplaudo.nl Webadres

adzwart@circumplaudo.nl E-mail

Kopij kan worden ingezonden naar het bovenstaande e-mailadres. Kopij

Ad van der Zwart Vormgeving website

Eric Peterse Omslagfoto Vormgeving omslag en binnenwerk

Š 2012 Copyright berust bij de betreffende auteurs. Copyright

Deze uitgave is zonder subsidie tot stand gekomen.

2

CIRCUMPLAUDO


Inhoud

Argibald - Cartoon 4, 36

Richard Schothans - De gondelier 5

Gerard Schoemaker - Zelfs in de nacht 12

R. DuBois - Flaming June 13

Niels Landstra - De blozende dageraad 17

Seger Weijts - Twee gedichten 28

Stephen Vroom - Dringende zaken 29

Jan Tekelenburg - Twee gedichten 34

H.G.A. van Schaik - Kaalman’s woede 37

Cor van Gulik - Liefde is... (10) 53

Katjana Amara - Ontboezemingen (fragment) 57

Jac.P. Meiland & H.A.M. Jutte - uit: Brieven, Deel I, 1985 77

CIRCUMPLAUDO

3


Argibald

4

CIRCUMPLAUDO


Richard Schothans

De gondelier Zo ik had geloofd dat er zoiets bestond als ‘je roeping missen’ dan was de gondelier daar de pure belichaming van. Zijn onooglijke, uit de kluiten gewassen kano dobberde mistroostig rond op de voorzichtige strubbelingen van het IJ die de naam golfjes niet mochten dragen. Hij was te bespottelijk voor woorden. Zijn gondelierhoed, met rode strik, paste niet bij zijn hoofd dat kwabbig mocht heten. Zijn wangen deden denken aan de flappen huid die sommige honden aan hun snuit hebben hangen. Meer dan eens verwonderde ik mij erover dat het bootje dat hij zo klungelig in de grachten van Amsterdam manoeuvreerde niet zonk onder zijn gewicht. En als het niet zijn omvang was die het bootje deed kapseizen, dan waren daar nog altijd zijn compleet ontoereikende stuurmanskunsten die welhaast de goden verzochten om hem naar Poseidons kelder te jagen. Dit alles kon ik nog afdoen als een wrede vorm van humor. Mijn grootste ergernis was de nutteloosheid van de gondelier. De afstanden die hij overbrugde waren sneller te voet te bereizen. De smalle grachten van Amsterdam schreeuwden om een grote schoonmaak, maar zeker niet om deze inefficiënte vorm van vervoer. Tegen de tijd dat de gondelier een compleet uitgevoerde slag met zijn peddel kon maken, was hij al aan de overkant. Bovendien speelde hij het telkens weer klaar om zijn diensten aan te bieden op een plek die zich tussen de twee bruggen aan de Oudezijds Voorburgwal bevond. Hij wachtte zijn vrachtjes op aan de westkant, hielp ze onbeholpen van de kant in zijn gondel, peddelde twee keer en zette de arme zielen aan de oostkant weer op vaste wal, recht tegenover de Sint Agnietenstraat, een plek van geen enkele betekenis, zelfs niet voor Amsterdammers. Elke dag als ik naar mijn werk ging, passeerde ik in alle vroegte de gondelier. Sliep hij soms op die boot van hem? Het maakte niet uit of het zeven uur ’s ochtends was, de gondelier CIRCUMPLAUDO

5


stond paraat om zijn diensten aan te bieden aan iedereen die hem niet nodig had. Hij wenkte niet, schreeuwde niet om aandacht; afgezien van zijn misplaatste verschijning was er niets dat er op wees dat het hem wel degelijk om klanten was te doen. Nou ja, klanten… Per definitie zijn klanten betalende gebruikers van een dienst of product, maar in al die maanden dat ik de gondelier had bekeken, had ik nog nooit een klant zien betalen. Misschien lag hierin de verklaring dat er vreemd genoeg steeds meer klanten leken bij te komen. Elke dag stond er wel een schare gelovigen die niet de bruggen gebruikte, maar zich liet overzetten door de gondelier. Mijn ergernis was ook gericht op die mensen, oh, en een heerlijke ergernis was het, mag ik wel zeggen. Ja, ik bekeek de gondelier graag, verlustigde mij haast aan zijn zielige gestalte en treurige handelingen. Er waren dagen dat ik mijn lunchpauze gebruikte om naar de Oudezijds Voorburgwal te gaan alleen maar om die dolende man te mogen zien. En elke keer als ik hem vriendelijk zijn hand zag toesteken naar een nieuwe klant – waarbij hij bijkans tezamen met hem of haar in het water viel – of als ik hem sputterend en hijgend zijn gondel zag hanteren, voelde ik mij beter, opgewekt, opgeruimd, voldaan. Op die warme najaarsdag in oktober heb ik een licht gezien. Ik kan mij niet anders uitdrukken dan in het idioom van religie, een warme taal van symboliek en betekenissen die hoogstens invoelbaar zijn. Als altijd stond de gondelier in alle vroegte op zijn post, een meelijwekkende Charon. Zelfs op dit uur had hij een klant weten te strikken. Het was een oudere dame, wit haar in een knoetje gestoken en met bloemetjesjurk. Haar bewegingen waren stram, maar op een vreemde manier ook teder. Op haar gezicht zag ik een glans die mij voorkwam als de blijde verwachting van een kind dat voor het eerst een pretpark bezocht. De glans op haar gezicht was intens. Zij scheen ooggetuige te zijn van iets dat ik niet kon zien. Ze liet zich door de gondelier in de boot helpen, 6

CIRCUMPLAUDO


hetgeen door de geringe kracht van de bootsman en de inflexibiliteit van de vrouw wat voeten in de aarde had. Haar kreetjes van opwinding – en een vleugje angst, zo stelde ik mij voor – werden door de zwoele ochtendbries mijn kant opgewuifd. Er klonk een melodie door in haar stemgeluid, als ware het dat ze zong, psalmen wellicht, maar dan zonder woorden, alleen gevoel. Ze bereidde zichzelf geestelijk voor op de overtocht. De gondelier praatte tegen haar, maar wat hij zei kon ik niet verstaan. Ik zag alleen van een afstandje hoe de vrouw werkelijk begon te stralen. Een influistering van een engel had hetzelfde resultaat kunnen bereiken, maar het was slechts de gondelier die sprak. De vrouw liet zich zakken en ze vond blijkbaar genoeg steun om te kunnen blijven zitten. De gondelier legde een hand op haar schouder, maar ik kon niet zien of hij iets zei, want hij stond met de rug naar me toe. De vrouw vatte een kort moment zijn hand en ik hoorde haar meisjesachtig grinniken, een lach die de voorbode kon zijn van een onzeker avontuur, bestemming onbekend. De gondelier zette af en zijn boot kwam los van de wal. Hij rommelde met zijn peddel en scheen niet de goede hoek te maken om nog een peddelslag te kunnen voltooien. Met paniekerige bewegingen zocht hij naar de juiste positie, faalde en berustte daarin. Zijn gondel dobberde desalniettemin voort. De kabbelende voortstuwing van het IJ was genoeg om vooruit te komen, zolang de gondelier maar verwoede pogingen deed om ook de juiste koers aan te houden. De oude vrouw bleef rustig zitten, onbeweeglijk haast, met de blik gericht op de overkant. Een sereniteit, wellicht verkregen met de jaren, maar in dit moment geculmineerd in een stille climax, was over haar gedrapeerd als een sluier die haar afsloot van deze wereld. En toen ik haar zo zag zitten, voortgeduwd naar de einder, zo leek het, kwam die beroemde regel van Marsman boven. …wij gaan terug naar ’t Paradijs. CIRCUMPLAUDO

7


Verrek, dacht ik, hij vaart haar de hemel in. Er maakte zich een diepe onrust van mij meester. Ik kon niet stilstaan op de plek en begon te ijsberen, maar ik hield de zwabberende gondel nauwlettend in de gaten. Voor het eerst meende ik een glimp op te vangen van het mysterie van de gondelier. Het geluk van de vrouw, de aandoenlijke onbeholpenheid van de bootsman, de zinloosheid van het moment; het was zo volmaakt verheven, ja, hemels. Ik kneep mijn ogen dicht, opende ze en probeerde onder woorden te brengen wat ik zag. Het drong langzaam tot me door dat hier geen woorden voor waren. Hoe vaak had ik niet langs de zijlijn gestaan, zelfs blikken gewisseld met de gondelier, zonder te willen begrijpen wat hij wilde bereiken. Maar in dit ogenblik, op de hoek van de straat, in de belofte van een nieuwe dag, verwonderde ik mij over het heilige waas die over dit tafereel lag. Als ik al ergernis voelde, dan was het op mijn eigen onbegrip gericht. Ik sprintte naar de waterkant. De gondelier was zojuist tegen wand van de overzijde gebotst en de gondel schudde vervaarlijk heen en weer. De oude vrouw spreidde haar armen in een poging het evenwicht te bewaren. Ze keek achterom naar de gondelier, op haar gezicht geen spoor van angst, integendeel. Ze oogde herboren, rimpels in haar gezicht waren gladgestreken, en toen ze opstond en zich op de wal liet zetten, bewoog ze met de waardigheid van een koningin. Zonder de gondelier nog aan te kijken, wandelde ze de Sint Agnietenstraat in. Wij gaan terug naar het Paradijs. Ik had de absurde behoefte om haar te roepen en te vragen wat ze zag. Maar ik hield me in en richtte mijn blik op de gondelier. Hij had het voor elkaar gekregen om zijn boot te draaien en kwam weer naar deze zijde varen. Zijn gezicht was verwrongen van alle moeite die hij moest doen om de juiste koers te houden, maar zoals hij daar als kapitein aan het roer stond, met de eerste zonnestralen van de dag op zijn gezicht, had hij iets van een machtige 8

CIRCUMPLAUDO


koning die na jaren ballingschap weer op vertrouwde kusten strandde. Met zijn naderen groeide de onrust in mij. Ik had het gevoel dat er iets groots, iets sacraals stond te gebeuren. Hoewel ik niet vertrouwd was met dit soort emoties, vond ik dat ik ze moest laten gebeuren. Al had ik terug willen gaan naar mijn machinerie van klinische gedachten, ik had niet gekund. Dit moment was te sterk. “Heeft u een moment geduld?” riep de gondelier mij toe. Welja, ik wachtte al mijn hele leven hierop. De kenmerkende onhandigheid van de gondelier had niet weten te voorkomen dat hij opnieuw zijn gondel met de neus naar de overzijde had weten te richten. Mijn eerste impuls was om hem te zeggen dat het makkelijker was voor mij om in te stappen als hij zijn boot met de gehele zijkant tegen de wal aanlegde, maar zulks een opmerking zou ongepast zijn geweest. Alsof de parochiaan tegen de priester zou zeggen: “U houdt de hostie niet correct vast.” Ik verfoeide al mijn gedachten en gevoelens, want ik had elke dag wel een onaardige opmerking over de gondelier bedacht. Mijn hypocrisie kende geen grenzen; de man die ik ‘zinloos kwabhoofd’ had betiteld, werd nu door mij Melchizédek genoemd. Het enige verschil met alle andere dagen was dat ik nu betrokken was geraakt bij het werk van de gondelier en dat benauwde me. Als buitenstaander was het eenvoudig om te schelden, de schouders op te halen, weg te lopen. Ik bleef onveranderd. Nu ik zelf dit ritueel werd ingezogen, kon ik niet hetzelfde blijven. Vergeeft u mij mijn melodrama, maar ik kan niet anders dan stellen dat het universum een keiharde eis stelde: kies wie u wilt zijn! De gondelier stak zijn hand uit, benadrukte de keuze de voor me lag. “Wilt u oversteken?” Zijn stem was zacht en hees. Oversteken? Aan mijn rechterhand had ik een brug en een stukje verderop was er een tweede oversteekplaats. Ik had de gondelier niet nodig om aan de overkant te komen. In mijn hoofd liep ik alle scheldwoorden nog eens langs die ik voor deze man had CIRCUMPLAUDO

9


bedacht. Ik hoopte los te komen van dit waanbeeld dat mij op deze vroege ochtend had overvallen. Hoe langer ik erover nadacht, hoe belachelijker het allemaal klonk. Paradijs, priester, hemel; het waren de woorden van een labiele persoonlijkheid. Zo was ik niet. Waarom ik dan toch de uitgestoken hand van de gondelier vatte, weet ik niet. Naderhand zou mijn verklaring luiden: omdat die uitgestoken hand er nu eenmaal was. Zijn aanraking was verrassend ferm. Hoewel hij en ik beiden worstelden met de zwaartekracht had ik nooit het idee dat ik kon vallen. Ik zweefde. De zwalkende gondel gaf mij vaste grond onder de voeten. “Weertje, hè?” zei hij. Omdat zijn stem zo zacht was, moest ik me inspannen om hem te verstaan. Daardoor leek elk woord dat hij sprak van belang. Weertje? Ik ging zitten op een harde plank en keek om me heen. De opkomende zon kleurde de hemel oranje, haar stralen werden vervormd in het water. Een zacht briesje kietelde mijn wangen, een warme streling als van een moeder. “Ja,” zuchtte ik tevreden. “Weertje.” Hij zette af. De bewegingen van het water resoneerden onmiddellijk in mijn middenrif, doorgegeven door het natte hout, zo leek het. Ik was me bewust van elke trilling, elke schommeling werd geregistreerd. Ik was niet één met het water, eerder het tegenovergestelde; ik was er en het water was er, elk in onze unieke gedaante. Vanuit de gondel zag alles er anders uit. Nog steeds was er aan mijn rechterhand de brug, de snellere overtocht, maar hij deed zo alledaags aan. Zo normaal, zo akelig doeltreffend. De deining van de gondel weekte me los van de werkelijkheid. Ik zat in een cocon gemaakt van lachspiegels, want alles vervaagde dat mij bekend voorkwam en het werd vervormd tot een nieuwe betekenis. Het water was geen water, maar levenbrengend vocht. De kade was geen kade, maar een bestemming. De bruggen waren geen bruggen, maar dragers van mensen en hun verhalen. 10

CIRCUMPLAUDO


Hoewel alles om me heen altijd al deze nieuwe betekenissen had gehad, was er een gondelreis voor nodig om mij dit te doen inzien. De botsing met de overkant was niet bepaald zachtzinnig. “We zijn er,” zei de gondelier. Ik had moeite om te ontcijferen waar ‘er’ precies was. De overkant? De overkant van wat? Ik klom op de kade en keek naar de Sint Agnietenstraat. Plotseling leek het me niet toevallig meer dat ik naar stenen staarde die de naam van een heilige droegen. Wij gaan terug naar het Paradijs. Ik schudde mijn hoofd. Dit was niet het paradijs. Het was dezelfde wereld die ik aan de andere kant van de gracht had gezien. Toch was zij veranderd. Doorgedraaide melancholie, verweet ik mijzelf. En ik lachte hardop. Toen ik de gondelier wilde bedanken – omdat ik niet wilde zijn als de melaatsen die Jezus niet hadden bedankt, ondanks hun genezing – was hij alweer onderweg naar de andere zijde. Daar stond een kalende man met een argwanende uitdrukking op zijn gezicht die door een druk gebarende vrouw leek te worden aangespoord ook eens de gondel te proberen. Ik zwaaide overdreven joviaal naar het tweetal en de vrouw zwaaide terug. De zon verwarmde mijn rug, een sensatie waar ik eerder niet snel van onder de indruk zou zijn geweest. Nu merkte ik de stralen op. “Ja,” fluisterde ik. “Ik geloof.”

CIRCUMPLAUDO

11


Gerard Schoemaker

Zelfs in de nacht Zelfs in de nacht en late avond Komt ze voorbij , dat lam excuus. Hoe durft ze de muze dwars te zitten, Dat ouderschap, die lamme truus. Hoe kan je ooit je vleugels uitslaan En scheren over al begeer, Als je maar steeds je mannetje moet staan Als een perfecte ouwe heer. Is het een wonder dat het dan laat wordt En flesseninhoud stadig slinkt. En elke uitleg inkort, Ontlasting danig stinkt. Maar in de uren die van niemand zijn Waarin ik makkelijk mijn ding kan doen‌ En veelsteveel gedronken heb, Kom ik dan toch tot mijn fatsoen. Schrijf regels als hierboven, Denk na en blijf geloven. Witter dan With 19-2-12 In liefde en in letters. Bij god ik weet niks vetters.

12

CIRCUMPLAUDO


R. DuBois

Flaming June Langzaam drongen geluiden tot hem door. Het geruis van de zee. Het geraas van autobanden op nat asfalt. Het tikken van een klok. Water dat op tegels kletterde in een douche. Een lied gezongen door een mannenstem. Waar was hij? Wat was er gebeurd? Wat was er gebeurd na die eerste glazen wijn in het restaurant? Vaag herinnerde hij zich uitbundig lachende mensen, verlichte etalages, een groot glas cognac, klapperende luiken door de storm, die onverwachts opgestoken was. Hij smakte met zijn lippen. Ze voelden droog aan. Gebarsten bijna. Iemand had hem gekust. Maar waarom? Waar? En vooral, wie? Hij probeerde zijn ogen te openen, maar ze vielen onmiddellijk weer dicht. Onverwachts kwamen flarden van de vorige dag terug en die behoedden hem ervoor dat hij wegzakte in een diepe slaap. Zijn hoofd bonsde. De vrouw, eerder een meisje nog, lag half opgerold op een bank, een arm onder haar hoofd. Een voet steunde half op de grond. Haar rode haar, in een staart gedraaid, werd grotendeels bedekt door een roodbruine doek die aan beide zijden van haar lichaam omlaag golfde. Een oranje doorzichtige doek omhulde haar als een tweede huid. Een tepel was zichtbaar, net boven de ene arm waar ze de andere mee vasthield. Hij zuchtte diep. In het verlengde van haar lichaam, achter haar hoofd, was de zee, die door de zon in een bijna witte woestijn was veranderd. ‘Flaming June’, hoorde hij iemand zeggen. Hij sloot zijn ogen en het schilderij leek op zijn netvlies gebrand. Elk detail kon hij zien, ruiken, voelen, tot het langzaam tot leven kwam. De zon brandde op zijn huid. Schelpenzand schuurde tussen zijn tenen. Hij streelde haar haren, haar huid, een borst. CIRCUMPLAUDO

13


‘Flaming June door Leighton geschilderd. Een topstuk. Het bekoort u?’ Hij schrok en voelde een hand op zijn schouder. Het was dezelfde stem van daarnet. Toen hij zijn ogen opende, stond er naast de bank, waarop hij zat, een man. Hij droeg een lichtgrijs pak met daaronder een hagelwit overhemd. Een lichtblauw, zijden, sjaaltje was in zijn hals geknoopt. ‘Mag ik?’ De man wees op de plaats naast hem. Hij knikte. Voordat de man ging zitten, trok hij zijn broekspijpen iets op. Hij sloeg daarna zijn benen over elkaar, zodat hij wat naar hem overhelde. Zijn donkerbruine ogen keken hem nieuwsgierig aan. Om de mond van de man lag een glimlach gevouwen. Het zwarte haar was strak achterover gekamd. Zijn wenkbrauwen waren zorgvuldig in een scherpe lijn bijgewerkt. Hij rook lichtjes naar een aftershave, waarin bloemen verwerkt waren. ‘Uw ultieme fantasie? Dit schilderij?’ De man keek hem onderzoekend aan. ’U leek net zo ver weg. Ik zag zelfs uw hand bewegen. Als in een streling.’ Hij glimlachte. ‘Ja, dit schilderij is zeldzaam mooi. Tastbaar mooi.’ Toen zei hij, ‘U bent een scherp observator.’ ‘Als je door je oogharen kijkt, zou het ook een jongeman kunnen zijn’, zei de man, terwijl hij naar het schilderij keek en zijn sjaaltje schikte. ‘Vindt u ook niet?’ Hij boog zich onverwachts sterk naar voren en keek hem met bijna dichtgeknepen ogen aan. “Ja, uh, nee, bedoel ik, nee het is echt een jonge vrouw.’ Hij had spijt van zijn eerste reactie. Waarom had hij ja gezegd en toen pas nee. Hij voelde onwillekeurig aan het zijden sjaaltje, dat hij zelf om had. De man wierp zijn handen in de lucht. ‘Maar u hebt nog niet eens gekeken. Door uw oogharen dan. Laten we het samen proberen. Bij drie, ja?’ De man draaide zijn hoofd naar het schilderij en telde af. ‘Een, twee, drie.’ 14

CIRCUMPLAUDO


Wat maakte het uit? Waarom zou hij de man geen plezier doen? Hij keek door zijn oogharen naar het schilderij. ‘En? Een jongeman, vindt u ook niet?’ De man keek hem verwachtingsvol aan. ‘Nee, nee, het is en blijft een jonge vrouw. Ook door mijn oogharen.’ Hij voegde eraan toe, ‘voor mij dan.’ ‘Jammer, zeer jammer. Maar voor dit moment niet veel aan te doen. Wie weet. Wie weet komt dat nog.’ Na een korte pauze vroeg de man op luchtige toon, ‘Is dit uw eerste bezoek aan dit museum?’ ‘Ja, dit is mijn vakantie.’ ‘U bent nu, op deze dag, speciaal voor dit schilderij hier gekomen?’ ‘Ja, ik moest dit schilderij zien. De lijn waarin het geschilderd is. Over het lichaam van deze jonge vrouw naar de verzengende hitte weergegeven in de zee. Haar schoonheid, zo dichtbij, zo tastbaar. Maar toch, tegelijk is ze zo in haar eigen wereld.’ De man kuchte. ‘Ik zou u graag naar mijn wereld mee willen nemen.’ Hij keek hem aan. ‘Ik nodig u uit voor vanavond. Een diner à deux. Ik ken een aardig restaurant. Niet ver van hier.’ Voordat hij kon reageren, werd hij afgeleid door een man en vrouw, die druk pratend langs liepen. ‘Schepping en vernietiging. In een eindeloze cyclus. Dat is wat het leven interessant maakt.’ De man keek de vrouw uitdagend aan en maakte een weids gebaar. ‘Dus zeg ik je, spring en durf.’ De vrouw lachte hard en gooide haar hoofd in haar nek. ‘Dat moet jij tegen mij zeggen. Jij durft het alleen met een vangnet, lafaard.’ De man en vrouw liepen snel door, waardoor de rest van hun gesprek verloren ging. Terwijl hij de vrouw nakeek, legde de man een hand op zijn schouder en kneedde die zacht. Toen fluisterde hij onverwachts in zijn oor ‘Vindt u haar aantrekkelijk?’ Hij rilde even en zei toen zacht, ‘Ja.’ CIRCUMPLAUDO

15


‘Flaming June?’ ‘Nee, dat niet.’ ‘Nee, dit is de werkelijkheid, nietwaar? Dit is waar u het mee moet doen.’ De man wachtte even en keek hem spottend aan, toen hij zijn hoofd naar hem toedraaide. ‘Die vrouw, maar óók ik, dat, dat is de werkelijkheid.’ De man haalde zijn hand weg. Een tinteling bleef. Hij zuchtte diep. De man knikte en keek hem aan. ‘Spring en durf, hoorde u dat? Maar alleen de dapperen doen het zonder vangnet. Bent u dapper?’ Hij voelde zich misselijk worden en kwam overeind. Een laken lag naast het bed. Tegenover het bed stond een tafel met daarop een ouderwetse pendule, die tikte. Het licht van buiten werd door houten jaloezieën gebroken. Een auto reed luid toeterend voorbij. De deur van de kamer stond open. Door de deuropening hoorde hij water op tegels kletteren. De mannenstem klonk dichtbij. Kleren lagen verspreid op de vloer. Hij herkende het lichtblauwe, zijden sjaaltje. Van binnen welde iets op, iets wat ongrijpbaar ver weg leek te zijn geweest. Onhoorbaar produceerde hij met wijd open mond een gil waar geen eind aan leek te komen. Hij wilde rennen, maar waarheen, waarnaar toe, weg van wat? Was dit misschien ook niet wie hij was? Hij viel terug in het kussen en sloot zijn ogen. Hij gleed weg in een diepe slaap en droomde dat hij voor het schilderij zat, op een bankje. Hij glimlachte. Door zijn oogharen gezien zou het ook een jongeman kunnen zijn, óók een jongeman.

16

CIRCUMPLAUDO


Niels Landstra

De blozende dageraad De blozende dageraad. Het aanzwellend kwinkeleren van de weidevogels. Daarin lag de verkwikkende bron van de symfonie die Samuel wilde schrijven. Met zijn handen op zijn rug, ging hij de horizon tegemoet. Het zou een warme dag worden, wist hij. De zevende op rij. Hij volgde een pad dat door een zoemend veld slingerde en stond dan stil bij bramenstruiken met voldragen vruchten, gonzend van de insecten. Hij plette een braam in de palm van zijn hand. ‘Het is net bloed, het begin van leven,’ dacht Samuel. De contouren van een kerk. Vaandels en vlaggen wapperden op de toren. Kieviten buitelden boven velden met klaprozen en wit, wuivend kruid. Samuel werd bekropen door knagende twijfel. Alleen een meesterwerk zou de muze gunstig stemmen, hem het gejubel om zijn compositie bezorgen waarnaar hij snakte. Maar zijn gemoed was somber en wilde niet uit zijn schemer kruipen, opbloeien als deze dag, deze omgeving. Bij de achterdeur van de kantine stonden werklaarzen. De Poolse arbeiders waren al aangeschoven aan tafel. Het schransen begonnen. De goedkope blikken bier in dorstige kelen gevloeid. In een wit betegelde bijkeuken waste Samuel zijn handen. De vliegen, brommend rond zijn hoofd, plaagden hem. Geïrriteerd sloeg hij ze weg, waarna hij op zijn horloge keek. Klokslag twaalf; hij vond het een ongemakkelijk tijdstip, want hij had dan geen honger. Hij was aan een late lunch gewend. Zoals bij hotelrestaurant Wessels, op de hoek van de Ceintuurbaan, mijmerde hij, als hij na een avondconcert laat in de ochtend was ontwaakt en nog dronken van het applaus plaatsnam achter een keurig gedekte tafel en met alle egards werd bediend zoals het een beroemd concertviolist toekomt. Bij binnenkomst in de kantine schonk Mathilde, de dochter van de CIRCUMPLAUDO

17


tuinder, gedienstig koffie voor hem in. Dat deed ze alleen voor hem. Samuel nam de kring op van voorovergebogen, voedsel verslindende Poolse arbeiders. Hij had tenminste nog ergens privileges. Het was snikheet in de kassen. In het schitterende zonlicht hingen, als kleine, rode kwelgeesten, de tomaten. Samuel staarde moedeloos naar de glanzende vruchten en inhaleerde diep. Hij klom op een trapje en begon met plukken - zijn armen, die hij boven zijn hoofd hield, werden loodzwaar. Zijn shirt absorbeerde zijn zweet, plakte aan hem alsof een tweede huid los om hem heen zat. Toch vulde hij zijn fruitkistje maar langzaam, vergeleken met de Polen. Buiten ronkten tractoren. De kisten met tomaten werden naar de veiling gebracht. Maar dan slaakte hij een kreet en sprong van het trapje. Paniekerig tastte hij in zijn broekzak naar een stuk papier, viste hem eruit waarbij zijn buskaartje op de grond viel, en noteerde de nieuwe melodielijn, die hem zojuist te binnen was geschoten, tussen zes, in de gauwigheid getrokken horizontale strepen. ‘Wat een prachtstuk wordt dit, allegro vivace,’ dacht Samuel opgetogen. ‘De noten maken een golfbeweging, schurken zich tegen elkaar aan in een vloeiend samenspel en stijgen omhoog als spreeuwen naar de zon waar ze hoog in de lucht in een kletterend crescendo uiteenspatten.’ Plotseling dook de tuinder op vanachter een haag van planten, halfhartig grijnzend. ‘Sta je weer te niksen?’ vroeg de man. Een dieprode blos van opwinding verscheen op zijn wangen. Hij wees naar het halfvolle fruitkistje dat bij Samuel stond. ‘Je mismaakt mijn tomaten,’ riep hij verontwaardigd uit. Samuel had ze ruw van hun stengels gerukt en daardoor ontdaan van hun adellijke kenmerk; het groene kroontje. ‘Hier betaal ik je geen stuiver voor,’ siste de tuinder. ‘Vanaf nu doe je het goed, anders mag je vertrekken.’ 18

CIRCUMPLAUDO


Het dreigement liet Samuel koud. Hij werkte al langer in de kassen en nieuw emplooi was gevonden in een handomdraai. Het ging erom dat het presteren onder deze onbarmhartige omstandigheden, zou leiden tot een meesterwerk. En deze gebeurtenis was aanstaande, dacht hij zelfverzekerd. Wie konden zijn symfonie eigenlijk uitvoeren als het zover was? Hij zag geen mens meer van het orkest. Indertijd kon hij de stad in gaan en daar zomaar een collega tegen het lijf lopen. Hij kwam ze tegen in de bioscoop, in de kroeg. Een enkele keer in de Kamer van Koophandel waar ze ingeschreven stonden als zelfstandig musicus. Bij bijeenkomsten van belangenorganisaties. In Wessels tijdens de lunch. Hoelang duurde het trouwens voor ze hem in zijn favoriete etablissement niet meer herkenden, althans deden alsof, en hij er zijn vaste tafel kwijtraakte? Een half jaar na zijn ontslag? Korter nog? En wat als hij opeens wereldberoemd werd door zijn meesterwerk? Dan hoefden ze hem in ieder geval niet meer uit te nodigen voor een derderangs couvert! Ondertussen kon hij geen affiche in de stad verdragen dat een uitvoering van het Nederlands Radio Symfonie Orkest aankondigde, of een foto in de krant aanschouwen waarop ze stonden ( met Vladimir prominent vooraan ), glunderend en goed geconserveerd. Want volle zalen en een ratelend applaus streelden het ego. En een gestreeld ego kende een langere houdbaarheidsduur. Samuel echter, wist zich gegeseld door lichamelijke arbeid. De krassen onder zijn ogen en de vouwen in zijn hals waren dieper dan voorheen. Zijn handen, eens glad en zacht alsof ze uit was waren geboetseerd, eeltig geworden. ‘En Vladimir zwelgt in zijn roem,’ dacht Samuel terwijl een wrange smaak in zijn mond op kwam zetten. ‘Door hem sta ik hier. Vervreemd van mijn wereld.’ Er klonk een lachsalvo van een paar Polen. Een van de meiden had haar shirt opgeknoopt en wees demonstratief naar haar navelpiercing. ‘Ordinair gedoe,’ fronste Samuel afkeurend. CIRCUMPLAUDO

19


Hij verliet de kas en waadde door de zomerse warmte die trillend boven het terrein hing naar de weg. Bij de bushalte wachtten mensen. In zijn zak zocht hij naar zijn verloren buskaartje. Hij had geen geld om een nieuwe te kopen. ‘Samuel?’ Hij draaide zich om. Mathilde. Ze knipperde met haar langbewimperde oogleden alsof ze onwennig was Samuel weer te zien. In de opaalgroene iris van haar linkeroog ontbrak een stukje; een roomwit mozaïekje leek er te zijn uitgeknipt; door dit piepkleine venster, blikte hij bij haar naar binnen. Hij bespeurde een breekbare kalmte. ‘Zullen we gaan wandelen?’ vroeg ze. Haar oogopslag, die wonderlijke iris; ze was de tuinderdochter. De nakomeling van de man waarmee hij niets had. ‘Ik wilde eigenlijk naar de stad gaan,’ verzon Samuel. ‘O.’ ‘Nou ja, ik wil wel met je wandelen maar dan heb ik nog steeds geld nodig om daarna een buskaartje te kunnen kopen. Een kleine onderhandse lening… Ik bedoel, ik krijg nog zoveel geld van je vader.’ Ze pakte haar portemonnee en haalde er een paar briefjes uit. ‘Genoeg?’ ‘Ja. Dank je. Waar zullen we naartoe gaan?’ ‘Het park of naar de weilanden hierachter,’ suggereerde Mathilde, ‘maar we kunnen ook…’ haar stem kreeg een andere, lichtere intonatie, ‘…de herten voederen, als je dat leuk lijkt.’ Samuel gaf niks om dieren, maar hij had haar voorkeur geproefd en door het venstertje in haar zilverig blinkerende iris, haar stemming gepeild. Ze adoreerde hem. ‘Ik ga voor de hertjes,’ zei hij, geforceerd opgetogen. Langs de kassen liepen ze naar het hertenkamp. Samuel nam zich voor het aan te leggen met Mathilde. In beginsel om er de verveling mee te verdrijven, want dit type vrouw was nieuw voor hem. Met haar robuuste schouderpartij en volle boezem, was ze de 20

CIRCUMPLAUDO


vleesgeworden paradox van de frêle jongedames met wie hij vaak tussen de lakens lag, tenminste, toen hij als solist nog speelde bij de diverse muziekensembles en orkesten; Vladimir er nog niet was om het stokje van hem over te nemen. De Rus was toen omstreeks vijfentwintig jaar oud en tien jaar jonger dan Samuel. Elegant en strijdbaar als een matador betrad hij de repetitieruimte. Hij was tenger van postuur en had scherpe, Slavische trekken in een jongensachtig gezicht. De dirigent zette in. Het orkest volgde als één instrument op zijn vloeiende weidse gebaren. Locatelli. De tonen die Vladimir van zijn viool af liet spatten, waren als gevangen in een smachtende maalstroom van schoonheid en verfijning. Het was of hij de spot dreef met de lastigste passages, waarbij hij guitig in de rondte keek en zijn donkere krullen in kleine schokbewegingen om zijn hoofd liet wiebelen. In Wessels, na die bewuste middagrepetitie, bestelde Samuel een fles wijn en dronk hem leeg, peinzend, met uitzicht op een rusteloze straat. Daarna flaneerde hij door de stad en wilde, voor de verstrooiing, langsgaan bij wat kennissen die aan de grachten woonden. Achteraf vond hij het maar goed dat hij niemand thuis trof; zijn wankele zelfvertrouwen na de entree van Vladimir en de geprikkeldheid die daarvan het gevolg was, hij herinnerde zich zelfs een onverklaarbare woede-uitbarsting na afloop in de foyer, waarbij een onschuldige fagottist het moest ontgelden, hadden zijn populariteit bij de collegae waarschijnlijk afbreuk gedaan. Lang voelde hij zich broos en onzeker, alsof hij voortdurend op een podium stond voor een ademloos toeziend publiek, terwijl hij niet alle passages van het uit te voeren stuk uit zijn hoofd kende, en zocht hij verder naar mentaal herstel, hoewel hij zich veroordeeld wist tot een soort van nietigheid die hij nog kende van zijn jeugd. Van de verplichte muzieklessen en het harde werken dat hem werd opgelegd door een strenge en altijd norse docent om zijn muzikaal talent op een hoger niveau te brengen. Een taxi bracht hem thuis, naar de Apollolaan, waar hij destijds een woning huurde. Dezelfde avond kwam Claire bij hem langs, CIRCUMPLAUDO

21


een celliste uit het orkest. Met haar bedreef hij lusteloos de liefde. Na afloop rookten ze sigaretten. Bij het raam, dat op een kier stond, werden de rookkringels door de wind vlakgestreken. Klonk het gekoer van duiven. ‘Hoe vond je Vladimir?’ vroeg ze. De vraag overrompelde Samuel. Hij was hem gedurende het liefdesspel totaal vergeten, nee, hij loog tegen zichzelf, het had hem niet losgelaten, geen ogenblik, maar hij wilde hem, die innemende jongen, van zijn netvlies branden, vervangen door andere beelden, door die van Claire en andere minnaressen - zij die hem nog even op zijn voetstuk zouden laten staan, voor zolang dat voor hen wenselijk was. ‘Erg getalenteerd,’ antwoordde Samuel onbewogen. Claire schoot een wit overhemd van hem aan, omdat ze rode wijn op haar blouse had gemorst, en knoopte die dicht. Haar peervormige borsten, die eerder pasten bij een meisje in haar puberteit dan bij een volwassen vrouw, werden zo aan het oog onttrokken. ‘Trek het je niet aan,’ zei ze gemeend. ‘Zo’n jongen is gevlogen voor je er erg in hebt.’ Theatraal sloeg ze haar armen om zijn schouders, maar hij maakte zich van haar los. ‘Ik denk het niet,’antwoordde hij, drentelend door de huiskamer, terwijl hij een nieuwe sigaret in de mond frommelde. ‘Wat denk je niet?’ vroeg Claire die zich verder aankleedde. Vlot stapte ze in een strakke, stonewashed spijkerbroek. ‘Hij krijgt een vaste aanstelling,’ beweerde Samuel stellig. Door het raam volgde hij de verrichtingen van Claire; het hangslot dat ze van haar omafiets verwijderde, haar vioolkoffer die ze met snelbinders op haar bagagedrager bond. Samuel draaide zich om en ging op de bank liggen, zonder dat de onrust van hem afgleed. Met een hels geroffel kwam een hagelbui neer op de ruiten van de tomatenkas. Het hele skelet van staal, aluminium en glas, rammelde in zijn voegen. 22

CIRCUMPLAUDO


‘Er kan niks gebeuren,’ riep de tuinder, maar de duiveneieren van ijs die de hemel baarde, boezemden het personeel angst in. Het werk werd neergelegd. Het geroezemoes kreeg een opstandige ondertoon. Het was als muiterij op een schip in een storm. ‘Doorgaan met plukken,’ commandeerde de kweker. Korzelig paradeerde hij rond in zijn eigendom. Toen stopte het met hagelen. Het wolkendek scheurde open en aarzelend, waterig zonlicht brak door. Opluchting golfde in het Pools door de kas. Er werden nog wat kisten met tomaten gevuld, maar het zat erop voor vandaag; de horizon vervaagde in een wegebbend oranjerood, en als aangeraakt door de schemering, sprong de buitenverlichting aan. Bij het naderen van zijn caravan, stelde Samuel vast dat de algenaanslag zich als een groene gloed over de buitenkant verspreidde en de scheur in het plastic raam aan de voorkant groter was geworden. ‘Als dat zo doorgaat, wordt het een waar tochtgat,’ dacht Samuel. ‘Ik moet er zo langzamerhand een vuilniszak tegenaan gaan plakken.’ Zijn maaltijd, een half droog brood, spoelde hij weg met een karaf leidingwater. Hier leefde hij op. Want als hij zijn fenomenale werk af wilde krijgen, dan moest hij het scheppingsproces zuiver ondergaan. Als bewijs daarvoor dienden zijn prille composities die gestorven waren in benevelde en orgiastische barensweeën met een zweem damesparfum. Bovendien, met het sublimeren van het scheppen, verdrong hij zijn verleden van schouwburgen, theaters, en concertzalen, waarin hij de verleidingen van het leven gretig tot zich nam, zoals de drank, de versnaperingen en de vrouwen die hem verafgoodden. En vergeten waren. Met zijn viool in de hand verliet hij de caravan en begaf zich in de richting van de weilanden. Aan de rand ervan, waar het perceel van de tuinder overging in het vlakke landschap, was een archipel van caravans aangespoeld. De Poolse arbeiders zaten in een kring om een vuur en zongen liederen; vreugdevolle en weemoedige CIRCUMPLAUDO

23


stemmingen wisselden elkaar beurtelings af, en dat was wat hij wilde bewerkstelligen: de melodieën rechtstreeks naar het hart laten gaan, ontroeren. Op gepaste afstand van het tafereel, speelde hij op zijn viool mee met de liederen en noteerde de zanglijnen op lege vellen bladmuziek, maar hij merkte dat de emotie van de Polen ongrijpbaar was, waardoor zijn compositie zielloos scheen. ‘Ik hoor je ’s avonds vaak viool spelen…’ Samuel keek om. Mathilde stond achter hem en hield wat onwennig een gedoofde tuinfakkel in haar handen alsof ze die ergens gevonden had. Ze haalde haar schouders op en plaatste dan met een forse uithaal de staak in de zompige grond. Met een zijig stemmetje vroeg ze: ‘Zullen we het gezellig maken? Ja? Nou, dit ding werkt op lampolie, dus voilà, een aansteker heb ik ook meegenomen…’ ze ontvlamde het ding, ‘en kijk, hij doet het.’ Ze zwegen. Het vuur van de fakkel, weerspiegeld in haar ogen, kreeg een afwijkende kleur in het venstertje van haar iris. Het deed Samuel denken aan koraal, deinend in een zonrijke oceaan. ‘Ik heb een flesje bronwater meegenomen,’ deelde ze mee. ‘Wil je ook wat?’ ‘Och.’ ‘Dan delen we die, goed?’ Het viel hem op, tijdens het drinken, dat ze een flinke mond met stevige lippen had. Wat dat betreft had ze operazangeres kunnen worden. Vooral in combinatie met haar diepe stem die een aangenaam timbre bezat. ‘Heb je vroeger vioolles gekregen?’vroeg Mathilde. Hij knikte. ‘Ik wilde naar muziekschool om er klarinet te leren,’ vertelde ze, ‘maar mijn vader vond dat niks voor een meisje uit een tuindergeslacht.’ ‘Bach heeft ooit een cantate geschreven, nadat hij geïnspireerd was geraakt door de koffieverslaving van zijn dochter.’ 24

CIRCUMPLAUDO


‘Moet een aardige man zijn geweest, die Bach,’ concludeerde Mathilde. ‘Zeg,’ begon ze, terwijl ze opstond, ‘ik moet naar een zwanger hertje gaan kijken dat op het punt staat te bevallen. Ga je mee?’ Net als hij, stak ze haar handen in haar zakken. Haar rommelige passen hielden gelijke tred met de zijne; het viel hem op dat ze bijna dezelfde lengte had als hij. Dat ze schrikbarend grote voeten had. ‘Ik moet eerst kijken of er voldoende voedsel is,’ verkondigde Mathilde. ‘Daarvoor moeten we in de hooischuur zijn.’ ‘Prima, ik hoef nergens naartoe,’ zei Samuel inschikkelijk. Het was aardedonker in de hooischuur. Door de kieren in de houten wanden van de schuur, waaierde maanlicht uit in strepen als van argentaan. Stofdeeltjes dwarrelden er als verzilverd in op. Intussen trachtte Mathilde de lampen aan het plafond aan te krijgen. ‘Kapot,’ deelde ze beteuterd mee. Ze ging hem voor de schuur in en besteeg een ladder die haar naar de top van de hooimijt bracht. ‘Kom je ook, Samuel?’ riep ze met een duistere stem van boven. Terwijl hij de krakkemikkige en splinterige ladder beklom, deed de ridicule situatie hem denken aan een slechte balkonscène uit Romeo en Julia. Maar toen hij boven kwam, lag Mathilde ruggelings op een heuvel van hooi. Haar armen hield ze uitnodigend voor zich, in een soort van verstarde omhelzing die niettemin verleidelijk was. Samuel liet zich erin glijden en handelde dan verder op routine; het afpellen van haar kleding, het laten dwalen van zijn lippen over haar naakte lijf. Maar dan trok Mathilde haar Romeo ruw naar zich toe en zette hem in zich vast. Het maanlicht verbleekte haar huid, het zoete hooi rook aangenaam, was bijna bedwelmend. Hij bereikte een staat van trance, een soort van kunstzinnige hallucinatie waarin hij zichzelf op de bühne zag, aanbeden door een publiek van blote, hoog blozende vrouwen. Het gebeurde! Een melodie welde in hem op! Het thema van het muziekstuk dat hij had verzonnen, mocht niet bij zichzelf terugkeCIRCUMPLAUDO

25


ren, wist hij plotseling, maar moest in een zinderende lus terechtkomen, om dan, vanuit een stille, kwijnende leegte, te gaan verlangen naar een hoogtepunt dat uitbleef. Maar dit was Wagneriaans! Lag daarin dan de oplossing? Een compositie in de geest van Wagner, echter zonder het pompeuze koper- en slagwerk? Het werd een déjà vu, vol stroomden de theaters voor hem, maar nu was hij de meest vermaarde postmoderne componist in de 21 e eeuw tot op heden. Zijn symfonie die uit de brokstukken van een onvoltooid adagio en larghetto opstond, kon in dit allegro aaneengevlochten worden tot een geheel. Het was eindelijk af. Razendsnel kleedde hij zich aan en spoedde zich naar zijn caravan om de melodie vast te leggen op papier. Onderweg dacht hij: ‘Nee, b mineur moet het worden, allegro appassionato, maar dan voor viool. Dat heb nog niet geprobeerd. En de partituur moet als gekweld blijven, zonder te gaan zwoegen.’ In de caravan, omringd door talloze kopieën lege bladmuziek die hunkerden te worden opgesierd met het handschrift van de musicus, haalde Samuel diep adem, terwijl zijn ogen vochtig van geluk werden. Met zijn strijkstok opende hij het stuk, zijn allegro appassionato; het levenswerk dat zonder twijfel bejubeld zou worden. Maar zijn viool kraste vals als een schorre vogel, een geschraap van tonen en dissonanten wrong zich wanordelijk van de snaren; twee flinke splinters kwelden het vlees van zijn vingers in de linkerhand; de pijn was ondraaglijk. Maar hij had noch een pincet noch een speld in huis. Haastig greep hij een mes uit de besteklade en peuterde de splinters eruit; traag parelden er bloeddruppels uit de sneetjes. Maar het schrijnen bleef. ‘Schrijven,’ dacht hij in paniek, ‘dan maar schrijven,’ en hij greep naar zijn pen die weigerachtig trilde boven de notenbalken van zijn verspilde verlossing. Er kwam niets uit hem. Nog geen trieste noot. Op het erf weergalmden twistende stemmen door de nacht. Ma26

CIRCUMPLAUDO


thilde had de strijd aangebonden met haar ouders. Een buitendeur werd met geweld dichtgeslagen. Mathilde zou de velden ingaan. Naar de rivier die achter het huis langs stroomde. Om uit te zien over het water, blinkend in glasachtig licht. Ze zou haar haren in de avondbries laten meestromen, deinend als het riet, om zich vergeefs door Samuels mistroostige, en van ver aanglijdende vioolmuziek, naar de blozende dageraad te laten leiden.

CIRCUMPLAUDO

27


Seger Weijts

Twee gedichten In de zevende hemel Samen hebben we (krampachtig doch onafscheidelijk) met paardenbloempluisjes een knipogende Plato uit het licht gepuurd en de louterende ongekunsteldheid van de stilte ingeademd.

Napels Met een onuitsprekelijk genoegen mijmerde ze met me mee naar waar idyllische deugden nog broeiende zijn; geheimzinnige lippen toneeldecor voor aanstekelijk geroezemoes, en onze blikken haast ongeschikt voor uiterlijke verbetering.

28

CIRCUMPLAUDO


Stephen Vroom

Dringende zaken Ik ontwaakte uit een afschuwelijke droom. Mia was bovenop mijn hoofd gaan zitten. In een woedende reflex draaide ik mijn hoofd opzij. Ze viel achterover op de grond en huilde hoog en hard. Voor mij, op de vloer, speelden Mia en Yoshi. We hadden ontbeten, ik had de tafel afgeruimd en de vloer geveegd. Doodmoe was ik daarna op de bank gaan liggen. Het was donker in de kamer; de gordijnen waren gesloten om de hitte buiten te houden. Ik moest hoognodig met Debbie praten. De kinderen kwamen met boekjes en speelgoed aan. Ik las één boekje voor maar had er nauwelijks genoeg adem voor. De tranen liepen me over de wangen van het gapen. Ik liet me opzij vallen, sloot mijn ogen en negeerde het gestomp en geklauter op mijn lichaam. Af en toe beschermde ik kwetsbare plekken met mijn handen. Zo verstreek een uur. Debbie kwam eindelijk beneden. Ze kwam me een zoen geven. ‘Je stinkt naar knoflook,’ zei ze. ‘Heb je weer shoarma gehad gisteren? Dat is een hele slechte gewoonte van je aan het worden, weet je dat?’ Ze gaf de kinderen fruit. Ik ging zitten en keek op de klok. Half tien. Er was nog een zee aan ochtend over. Debbie begon vragen te stellen. Hoe ik geslapen had, of ik een fijne ochtend met de kinderen had gehad. Wat ik ervan vond als we eindelijk een hond zouden aanschaffen. Ik haalde mijn schouders op en gaapte. Ik had gedroomd over een cliënte op mijn werk, een vrouw. Ze had bij ons thuis de afwas gedaan en ik had uit voorzorg het glaswerk weggehaald. Maar ze had lopen zoeken en een ovenschaal gevonden. Toen ik kwam kijken had ze die stukgeslagen en een groot stuk in haar buik gestoken, dat bij elke beweging tegen het aanricht tikte. Het afwaswater was rood van het bloed. 'Zo kan ik toch niet afwassen,' jammerde ze. CIRCUMPLAUDO

29


De droom was voortdurend in mijn gedachten. Ik keek naar Mia die aan een flesje limonade lurkte. Af en toe zei ik 'ja, inderdaad' of 'oh nee' als reactie op de monoloog van Debbie over de honden uit haar jeugd. Het leek op een pleidooi. Ik trachtte mijn intonatie zo te laten klinken dat Debbie eruit kon opmaken dat ik het hele verhaal al begreep, de rest kon raden en dat doorpraten niet nodig was. Maar ze bleef doorgaan. Na de lunch ging Debbie boodschappen doen, en vlak daarna poepte Yoshi in haar broek. Ik zuchtte en sloot een moment mijn ogen. Vrolijk babbelend zat ze met haar plastic pop aan mijn voeten. Ik rook de stank van warme stront. Yoshi droeg een dun zomerbroekje. In haar kruis, door het broekje heen, schemerde een donkere massa. De dofheid in mijn longen werd zwaarder. 'Als je moet poepen, ga je naar…’ zei ik, en liet een betekenisvolle stilte vallen. 'Het potje!' riep ze. Ze keek me stralend aan. Ik keek in haar grote bruine ogen. De laatste weken poepte ze regelmatig in haar broek. Debbie werd er gek van, maar ze bood geen oplossing. Ze was in staat om dagelijks poepbroeken te verschonen zonder zich in te zetten voor een verandering in Yoshis gedrag. 'Klopt,' zei ik. 'Dat heb ik je daarstraks nog gezegd. Maar dat heb je niet gedaan. Je hebt in je broek gepoept. Daarom moeten we nu naar de badkamer.' Ik pakte haar onder haar oksels op en liep de trap op. Yoshi begon te gillen. 'Zelf lopen!’ riep ze. 'Zelf lopen!' 'Je zit onder de poep,’ zei ik. 'Als je nu zelf gaat lopen zit het straks overal.' Ze reageerde door te blijven gillen. Ook spartelde ze met haar benen. Ik zette haar op het kleedje voor de douchecabine en pakte een washandje uit de la. 'Niks doen, nergens aankomen en je niet uitkleden,’ zei ik. Ze was gestopt met gillen en stond me met een enorme pruillip aan te kijken. Ik ging naar beneden, pakte Mia op en zette haar in het baby30

CIRCUMPLAUDO


bed. Ik gaf haar kartonnen boekjes en knuffels en ging terug naar de badkamer. Yoshi was bezig haar broek uit te trekken. De binnenkant van haar benen, haar buik en haar vagina waren besmeurd met lichtbruine poep. Er zaten donkere brokken in, rozijnen wellicht. Ook zat er poep op het voetmatje. Ik zuchtte en zette haar in de douchecabine. Ik trok haar kleding uit en stopte ze in een emmer. Daarna stelde ik de kraan in op een prettige temperatuur en legde de douchekop voor haar voeten. 'Niet wassen,' zei Yoshi met een dun stemmetje. Een handje hield ze aan haar mond, het andere plukte aan haar navel. Ze stond verdwaasd naar het water te kijken dat om haar voeten stroomde. Een rozijn werd meegevoerd door de stroom en bleef hangen in het putje. Debbie kwam thuis. Ik hoorde haar boodschappen in de koelkast stoppen. Daarna kwam ze de trap op en liep de kinderkamer in. Ik zat op bed en leunde in de kussens. ‘Ik wil met je praten,’ zei ik. Debbie kwam de gang in. 'Waar is Yoshi?' vroeg ze. 'In de badkamer,' zei ik. 'Zich wassen. Weet je, ik word de laatste tijd enorm in beslag genomen door een cliënte op de afdeling, ik droom er nu zelfs over. Dat heb ik nog nooit meegemaakt.' Ik haalde diep adem. 'O?' zei Debbie. 'Alleen?' Ze liep naar de badkamer en ging naar binnen. 'Mama!' riep Yoshi. Ze begon te huilen. 'Lieverd,' zei Debbie, 'kom maar bij mama.' Geërgerd schudde ik mijn hoofd. 'Ze zit onder de poep!' riep Debbie in de badkamer. 'Ze staat hier in het ijskoude water en zit onder de poep!' Ik zuchtte en schoof met grote tegenzin van het bed af. In de badkamer was Debbie bezig om Yoshi met een washandje schoon te maken. Yoshi hield haar ogen gesloten. Haar lichaampje was bedekt met schuim. Debbie wierp mij een blik vol ergernis toe over haar schouder en ging verder met poetsen. 'Wat CIRCUMPLAUDO

31


is er nu gebeurd, leg eens uit,’ zei ze. 'Ze had in haar broek gepoept,' zei ik. 'En dan zet jij haar in het ijskoude water, in de poep,' zei Debbie. 'Ze is net drie jaar oud, dat kun je toch niet maken. Waarom doe je zoiets? Hoe lang heb je haar hier laten staan? Ze rilt over haar hele lichaam.' 'Lang, wie heeft het over lang. Hooguit een minuut of tien. Ik heb haar gezegd dat ze kon roepen als ze hulp nodig had. En luister nou eens naar jezelf: ze is al drie!' Debbie schudde haar hoofd en spoelde Yoshi af met de douchekop. Het meisje bleef al die tijd met gesloten ogen staan. Haar handjes hield ze voor haar borst. 'Echt belachelijk,’ zei Debbie. 'Je bent hier niet op je werk. Dit is je dochter.' 'Mijn werk erbij halen, waar slaat dat nu op,' zei ik. 'En je dochter met koud water in haar eigen poep laten staan, slaat dat wel ergens op?' zei Debbie. 'Het water was lekker warm toen ik wegging,’ zei ik. 'Ze had best even kunnen roepen. Dat is haar eigen verantwoordelijkheid.' Debbie zette de kraan uit en griste een handdoek van het rek. Haar ergernis begon op boosheid te lijken. 'Verantwoordelijkheid,' smaalde ze. 'Zie je, je doet net alsof je op je werk bent.' 'Wil je alsjeblieft ophouden mijn werk steeds te noemen?' vroeg ik. ‘We zijn het hier misschien oneens, maar laten we mijn werk erbuiten laten. Bovendien is het nogal belachelijk om deze situatie te vergelijken met mijn werk.' ‘Oneens. Nogal ja,’ zei Debbie. Er viel een stilte. Debbie droogde Yoshi af. Ze zei lieve woordjes tegen haar. 'Ik moet zo werken,’ zei ik. Ik bleef in de deuropening staan en keek neer op haar rug. Een roze string kwam tevoorschijn tussen haar spijkerbroek en haar T-shirt. Ik deed mijn mond open om nogmaals over mijn droom te beginnen. Maar vanwege de manier waarop haar armen bewogen en hoe haar hoofd en schouders 32

CIRCUMPLAUDO


meeschokten zei ik in plaats daarvan: ‘Ik moet gaan, eigenlijk.’ ‘Goed,’ zei Debbie. Haar stem klonk neutraal. Zonder zich om te draaien zei ze: ‘Jij moet morgen uitslapen. Je bent te moe om voor de meisjes te zorgen, Paul.’ Ik beet mijn ergernis weg. ‘Morgen heb ik een dagdienst,’ zei ik. ‘Maar leuk dat je ook aan mij denkt.’ Ik ging naar beneden, pakte mijn autosleutels van tafel en liep naar de auto. Op mijn horloge zag ik dat ik een kwartier te vroeg was. Buiten scheen de zon. In de auto was het heet. Toen ik de stad uit reed herinnerde ik mij de schotel die Debbie gisteravond gemaakt had. Een schotel van rijst, groenten en vis. Hij stond nog in de koelkast. Vergeten. Dat werd weer shoarmaschotel vanavond.

CIRCUMPLAUDO

33


Jan Tekelenburg

Twee gedichten Malachiet Ik was hier ver vandaan – het lichtte aan de horizon – en schuilde bij een veermanshuis een afdak gaf me even rust. Hij zet me over op mijn woord, hij heeft iets van de strijd gehoord. De stroom is zwak, het tij loopt uit de meeuwen zwermen nogmaals rond. Vind ik je in de brede steeg of op het glad bordes? Gehuld in struis, getooid met bont: kozak, waar zijn je paarden? Violen klinken uit het raam een tuinman biedt jou rozen aan ik volg het pad, en zie je staan: als beeld uit duizend dromen.

januari 2012

34

CIRCUMPLAUDO


Voorgaats Je stapt door, maar vergeet te melden dat je weldra huiswaarts keert: een koper die de afslag mist, een doorgeschoten heg. De riem wordt aangetrokken, het roer wordt dwars gezet. De vlet, het jaagpad en de stille vliet vergeet ik van haar leven niet. Een thuiskomst zoals werd verwacht: een koor van goddelozen. Een toog die glanst, de glimmend gladde-pannen op het steile dak. De put is buiten, want de pomp weigert wederom dienst. Zo zit je stil, en hoor je weer naar wat de vader spreekt, of zeggen wil.

februari 2012

CIRCUMPLAUDO

35


Argibald

36

CIRCUMPLAUDO


H.G.A. van Schaik

Kaalman’s woede Theo Kaalman │ Zondag 14 februari 2010, 20.00 uur

Met een tred die men gerust ‘zelfverzekerd’ zou mogen noemen, stapte Theo Kaalman op Amsterdam Centraal uit de zojuist gearriveerde Intercity. Zijn blauwe maatpak en suède schoenen hadden hem een fortuin gekost, des te kunstiger was zijn geacteerde lichaamstaal die uitstraalde dat hij nooit een combinatie droeg onder de 1200 euro. Op zijn neus stond een leesbril met een goudkleurig montuur. Niet dat Kaalman bij het verlaten van de trein een boek aan het lezen was, of überhaupt ooit van een opticien te horen had gekregen dat zijn ogen verslechterde, de bril was een fundamenteel onderdeel van zijn ‘performance’. En bij die verschijning hoorde ook zijn stevige passen, het klossen van zijn hakken en het groeten van hem onbekende reizigers op een geforceerd joviale wijze: een knipoog, een vette ‘hi’, een charmante knik. Tien jaar! Het was godverdomme niet te geloven. Eén keer een slippertje met een secretaresse (en niet eens het lekkerste wijf van stal) en voor straf: nooit meer seks met Astrid. Niet dat hij dáár nou zo geweldig opgewonden van raakte, Kaalman was namelijk al jaren volledig uitgekeken op dat opgerekte, aseksuele lichaam waar hij tienduizenden euro’s aan verbouwingskosten tegenaan had moeten smijten. (Kaalman had geen dik salaris waar hij dat van betaald had en was ook niet bepaald snugger omgesprongen met diverse beleggingsfondsen. Nee, Astrid had een erfenisje ontvangen van een secreet van een tante ─ waren die eindeloos verplichte zeikavondjes met de familie bij de Chinees tenminste nog ergens goed voor geweest). Theo had gehoopt dat, met de postume financiële injectie van tante Margreet, zijn erectieproblemen tot het verleden zouden behoren. Helaas, Astrid haar vermoeide blik terwijl hij boven haar lijf overuren aan het draaien was, haar CIRCUMPLAUDO

37


bewust overdreven gekreun en haar pesterige opmerkingen vlak voordat hij, na dertig minuten, eindelijk kon ejaculeren (‘Zeg, Theo, weet je dat je nu precies op je vader lijkt wanneer hij aan het behangen is?’) waren een verwoestende aanslag op zijn geslachtsdrift. Hoe haalde zijn vrouw het eigenlijk in haar gebotoxte kop om hem van zich af te duwen? Astrid was niet altijd zo assertief geweest, oh nee. In het begin was ze op een verrukkelijke manier volgzaam geweest. Theo had Astrid onder het juk van haar ouders getrokken en een zelfstandig leven geschonken. Ze bewonderde hem, Theo Kaalman: haar bevrijder. Alles mocht en alles kon: urenlange anale steekpartijen waarin Kaalman tubes glijmiddel tussen haar billen leegkneep alsof het verf was, en hij de woeste kunstschilder met een keur aan penselen. Of de nachtenlange sessies waarbij Theo, nadat hij Astrid’s bilspleet minuten lang bespogen en gelikt had, eens lekker stevig de stofzuiger tegen haar roze anus drukte totdat ze hem smeekte het apparaat uit te trappen. Nee, dat waren de ‘onderdanige jaren’ geweest waarin geen sprake was van tegenspraak of protest. Het huwelijk van Theo en Astrid bestond uit twee delen: vóór en ná het vreemdgaan van Theo. Afgelopen zomer, op vakantie in de Provence, had Kaalman nog een mislukte verzoeningspoging ondernomen. Na een paar rode wijntjes had hij Astrid sensueel bij haar schouder gepakt. Theo had echt zijn best gedaan: de kaarsen waren aangestoken, haar favoriete overhemd zat om zijn body en de geur van Jean Paul Gaultier hing als een frisse ochtendbries om zijn gebruinde kaken. Astrid had geschrokken een stap naar achteren gedaan. De verontwaardiging waarmee zij Kaalman had aangekeken was onoprecht geweest, ze had hem bespot. Met grote ogen vol ongeloof had ze haar grofste belediging losgelaten: ‘Nee, lieverd. Dat had je wel gewild hè, nu mijn borsten weer gevuld zijn? Maar dat doen we eventjes niet. Voor mij, en dat heb ik je al eens eerder gezegd, is het ‘pure’ eraf. Het is niet meer oorspronkelijk, Theo. Als fanatiek anti-rookster breng ik liever een Wilde Havana in, 38

CIRCUMPLAUDO


dan dat ik jouw verwrongen bierbommetje in mijn navel krijg.’ Theo had haar geslagen. Voor het eerst had hij haar geslagen. Hoewel er vlak na de inslag enkel gemompelde excuses zijn mond verlieten, had hij het heerlijk gevonden: zijn erectieprobleem was letterlijk in één klap opgelost. Een meter voor zijn voeten was Astrid met haar gezicht op de glazen bijzettafel gesmakt, de scherven waren tussen zijn blote wiebeltenen gesprongen. Tergend langzaam was ze dramatisch op haar knieën gaan zitten, had haar kapotte onderlip bevoeld en was vervolgens overeind gekomen. Met omhooggestoken wijsvinger was ze voor hem gaan staan en had tegen hem gesproken: ‘Raak mij nog één keer aan, Theo Kaalman. Nog één keer, en ik castreer je, klaag je aan en pluk je financieel kaal tot je allerlaatste grijze veer! Luister je goed naar mij, Theo Kaalman? Seks hoeft voor mij niet meer, het is de meest overschatte bezigheid op aarde. Ik ben volledig klaar met die treurige aanstellerij!’ Na deze woorden had ze met haar roodgelakte nagel denigrerend in zijn neus geprikt. De rest van de vakantie hadden ze niet meer met elkaar gesproken. Er was maar één oplossing: scheiden. Maar nu nog niet. Ze waren in gemeenschap van goederen getrouwd en Astrid haar vader was nog net niet helemaal dood. Het vocht liep weliswaar al uit zijn buik, het volume van zijn robuuste stem was door de kanker teruggebracht tot het hulpeloze gefluister van een dwerg en de familie was al tot twee keer opgetrommeld omdat ‘het dan eindelijk ging gebeuren’, maar vader bleef nog steeds spartelen boven het duistere ravijn van de eeuwigheid. Kaalman moest dus nog een paar weken braaf geduld hebben, schoonpapa een houten jas aantrekken, erfenisje binnenslepen, kluiten verdelen en: totale vrijheid! En op die absolute soevereiniteit nam Theo vanavond al een klein voorschot. Zijn aanloop was lang genoeg geweest, hij had in zijn klauwen gespuugd en diep adem gehaald. Na weken wikken, wegen en balanceren ging nu eindelijk de knoop doormidden! Hij voelde het aan zijn ademhaling, zijn bloedsomloop en aan zijn kloppende geilheid: vanavond kwam het tot een ultieme oerknal CIRCUMPLAUDO

39


van zijn erotische fantasieën en zijn zwaar bevochten autonomie! Voor zijn geestesoog zag hij Astrid verschijnen, net op het moment dat hij met zijn gepakte koffer het bord ‘Te Koop’ in hun voortuin sloeg. Dit keer keek ze werkelijk verbaasd. Verbaasd? Totaal onthutst, diep gekwetst en uitgescheten! Ja, dat had die deftige Astrid nooit kunnen bedenken. Dat die duffe Theo uit de dood zou herrijzen en haar in één handbeweging als een opengescheurde vuilniszak aan de straat zou kwakken. En het meest beroerde voor Astrid was dat Nathalie zijn kant zou kiezen. Dochters schaarden zich meestal achter hun vaders, al waren ze nog zo lui en nalatig geweest: moeders kregen de rekening. En Astrid en Nathalie gingen toch al niet zo lekker de laatste tijd. Astrid vond dat Nathalie zich teveel ‘focuste’ op een eventuele toelating tot de toneelschool, volgens Astrid moest Nathalie zich laten inschrijven voor alternatieve studies. Theo had zich als vader bemoedigender opgesteld met laffe clichés als: ‘stap voor stap’, ‘die meid loopt heus niet in zeven sloten tegelijk’ en ‘ze heeft al haar concentratie even nodig voor deze audities’. Nee, Kaalman had het hart van zijn dochter gestolen. Daar kon hij gerust op zijn. Seks de meest overschatte bezigheid, ha! Prima, als dat háár nieuwe overtuiging was (wel een beetje zonde van al die duiten om haar schaamlippen strak te trekken), en zij als een versleten muts een droge kurk tussen haar dijen wilde dragen. Theo zijn religie omvatte heel andere wetten. Namelijk die van ‘hoe vaker hoe beter’ en ‘hoe extremer, hoe heter’! En deze avond was slechts een opmaat, de volgende ontmoeting met een jongedame van kantoor (dit keer beslist wél de mooiste vrouw van het dek) stond al in zijn agenda voor komende dinsdag! Theo Kaalman trok zijn buik in, balde zijn vuisten en keek grimmig uit zijn ogen. Hij zag zichzelf in de ruit van het GWK-kantoor en constateerde dat zijn houding een lustopwekkende onafhankelijkheid uitstraalde. De zojuist in de trein leeggedronken miniflesjes Jameson betaalden zich uit. Kaalman keek op zijn horloge. Hij had genoeg tijd, rond 21.00 uur had hij op het station afgesproken 40

CIRCUMPLAUDO


met Nathalie. Een kleine drie kwartier moest voldoende zijn. Hij liep het Amsterdamse stationsgebouw uit, stak de besneeuwde Prins Hendrikkade over en toog met een hoge ademhaling naar het donkere hart van de Wallen. De schuine gevels schepten sneeuw als uitgestoken kinderhanden. Astrid Kaalman-Heesters │ Zondag 14 februari 2010, 20.10 uur

Astrid Kaalman-Heesters lag naakt op haar rug, spreidde haar armen en opende haar mond. Boven haar stond Lars met één hand in zijn zij en zijn vrije hand om zijn volle, bloeddoorlopen penis. Hij plaste in haar mond. Astrid sloot haar ogen, liet haar hunkering los in een langgerekte zucht en voelde hoe de warme urine over haar lippen, via haar hals en borsten naar haar buik liep. Voor Astrid was deze besprenkeling de kers op de taart. Ze was, gelegen onder Lars, drie keer gereedgekomen en kwam onder het klaterende toetje geheel tot rust. Astrid Kaalman-Heesters werd als het ware ‘afgeblust’. Ze sloot haar ogen. Naast haar vlijde Lars zichzelf op het zeil, ze hoorde zijn ademhaling trager worden. ‘Het is dat je nog met die Theo getrouwd bent, anders had ik hem vandaag ontslagen! Wat een arrogante, verweesde zak is het toch.’ Astrid draaide zich op haar zij en streelde door het borsthaar van de baas van haar man. ‘Hij stuurt de mannen en vrouwen toch nog steeds goed aan?’ ‘Oh ja, dat doet hij maar al te graag. En gedreven dat hij is! Daarom lig ik nu hier, hij zou wat overwerken: ‘een beetje netwerken in Amsterdam’. Prima, beste Theo, dan nemen wij het er even flink van! Ik heb hem destijds de titel ‘divisiehoofd’ gegeven om hem koest te houden en om mijn lieve minnares van een inkomen te voorzien, maar zodra jij van hem gescheiden bent is het basta!’ ‘Nog even, Larsebaas, nog héél even. Wij verwachten eigenlijk ieder moment het telefoontje over papa.’ ‘Laat je vader alstublieft een beetje tempo maken, coupé excuzé, CIRCUMPLAUDO

41


want je vent begint het nu werkelijk een tikkeltje te bont te maken… Hij heeft serieuze kaartjes laten drukken waarop hij zichzelf neerzet als filosofisch therapeut. Hij deelt die uit aan meisjes in de kantine. Hij heeft zelfs zijn eerste cliënt weten te scoren in de vorm van een net niet meer minderjarige backoffice tante.’ Lars deed een greep naar zijn uitgetrokken spijkerbroek, trok het visitekaartje uit de zak en wierp deze in de plakkerige urine op Astrid haar buik. Ze pakte het kaartje en las: Verlang naar wat je hebt, streef naar wie je bent! – Theo Kaalman, filosofisch therapeut. ‘Jezus! Tja, hij reserveerde onze studeerkamer al voor dinsdagavond. Ik verdenk Theo er stiekem van ook plannen te smeden voor na mijn vaders overlijden: wanneer papa naar de eeuwige jachtvelden is vertrokken, wil hij vast zelf al ontslag bij je nemen en met een deel van de erfenis een therapeutische praktijk beginnen… Maar dát feest gaat mooi niet door!’ ‘God verhoedde dat hij werkelijk mensen gaat behandelen. Wat denk je, zou hij zijn leesbril daarbij op- of afzetten? Ik vind het altijd zo fascinerend dat hij, wanneer hij bij mij op gesprek komt, zijn leesbril op heeft. Alsof hij in de veronderstelling leeft dat ik hem, wanneer we met elkaar in gesprek zijn, een boek onder de neus zal leggen.’ Even werd het stil en Astrid sloot opnieuw haar ogen. In de nevelen van haar herinnering zag ze Theo Kaalman, de Theo Kaalman uit het begin van hun relatie, de man waar ze verliefd op werd. Theo die haar glas bijschonk voordat ze er zelf om gevraagd had, Theo die haar een vest bracht vlak voordat ze het koud kreeg, Theo die haar diep in de ogen keek en stil naar haar luisterde wanneer ze haar frustraties in woorden uitbraakte. Ze zag weer de zilverglimmende enveloppen waarin op een vel papier een treffende en smaakvolle collage stond van een verrassingsvakantie of een concert van Shirley Bassey. Ze hoorde zijn ademhaling uit een leven waarin hij rustiger was, voelde zijn warme lijf dat zich tot steun en troost tegen de hare drukte – enkel om haar te dienen, 42

CIRCUMPLAUDO


zonder ergens naar te vragen. Theo zijn zachte handen die haar masseerde bij het kijken naar een detective. Astrid bekeek het trotse gezicht van Lars, zijn zonnebankbruine torso van waaruit de stijve tepels tussen parels transpiratievocht opsprongen. Zelf Lars zijn zuchten klonk zelfingenomen, op het arrogante af. Astrid sloot haar ogen en slikte met moeite haar walging weg. Sophie Sluisma en Manon Kross │ Zondag 14 februari 2010, 20.15 uur

In de kantine van sportschool Body and Mind zaten Sophie Sluisma (divisie secretaresse van Long Bar Company) en Manon Kross (assistent backoffice van Long Bar Company) aan een sinaasappel-kiwi smoothie. Manon Kross nam een snackworteltje uit het schaaltje voor haar en sprak: ‘Weet jij bij wie ik binnenkort eens op de sofa duik?’ ‘Op de sofa? Waarom?’ ‘Om eens kalm en neutraal over mij en Erik te kunnen spreken met een coach.’ Sophie kraakte ook maar eens een worteltje tussen haar glimmende voortanden en trok haar schouders op: ‘Een coach?’ ‘Kaalman. Theo Kaalman!’ Manon voelde een klef stuk wortelkauwsel tegen haar ooglid komen terwijl haar vriendin proestend van haar barkruk viel. ‘Jezus, Manon… uch, uch… Eén vraag: waarom?’ ‘Jemig hé, gaat het met je? Tja, waarom? Waarom? Waarom zijn de bananen krom? Gewoon: een aardige vent die je begrijpt en je ook eens een schouderklop kan geven zonder dat zijn vingertoppen op zoek gaan naar je bh-bandje. Omdat hij geen onnozel en onzeker halsje van 25 is. Daarom! Wat zit je nou te lachen?’ ‘Dat wil je niet weten, laat maar. Wanneer heb jij je ‘consult’ bij Kaalman?’ ‘Dinsdagavond. Nou, je mag gerust weten: ik kijk er naar uit. Ik wil eens met iemand in gesprek die van een afstand objectief naar CIRCUMPLAUDO

43


me luisteren kan, die zich richt op het algemenere welzijn en je volledige referentiekader in kaart wil brengen. Het doel: innerlijke groei, verdieping in mijn eigen wezen, verleden en toekomst. Meid, daar snak ik naar. Die acht uur per dag agenda’s volkalken voor onze directeurtjes en het kopiëren van ‘mission statements’ slaan me zo dood als een pier!’ ‘Zorg dat je condooms in je tas hebt!’ Nu was het de beurt aan Sophie om een lauwe kwak smoothie op haar wang te krijgen. ‘Sophie, doe niet zo puberaal! Zo is Kaalman niet, en dat weet jij heel goed. Gadverdamme, wat flauw zeg. Gun je mij die verdieping soms niet? Jij weet toch hoe ik in de knel zit met Eric, met mijn vader?’ ‘Lieverd, ik weet er helaas alles van. Maar ik weet ook wie Theo Kaalman werkelijk is. Heus, geloof me: gewoon een geile, grijze bok die aan jou een groen blaadje denkt te hebben.’ ‘Haal je hand weg! Het zal wel weer… God, god, wat weet Sophie Sluisma veel van mannen. Om jaloers op te zijn, de ene kerel na de andere werkt ze af als ijslolly’s uit een voordeelpak. Ha! Nee, bij jou zal ik het intellectuele aan kunnen steken!’ ‘Lieverd, kalmeer alsjeblieft. Geloof me of niet: ik heb Theo Kaalman in mijn reet gehad!’ Glasgerinkel. Bakje wortels tussen de poten van de barkrukken. Trillende onderlip. Uitlopende mascara. ‘Wát? Wat zeg je daar?’ ‘Ssst… Kalm maar. Ik ken die man, dat is alles wat ik je zeggen wil. Laten we maar eens op huis aan gaan…’ ‘Niks daarvan! Ober, een glas gin-tonic alstublieft. By the way: heeft u hier ergens een sigarettenautomaat? Vertel, Sophie!’ ‘Jij was toch gestopt?’ ‘Ja. En nu begin ik weer, heerlijk! Vertel over Kaalman.’ ‘(Zucht) Okay, goed. Een paar jaar geleden begon hij ook tegen mij. Over Boeddhistische monniken die wisten wanneer het ‘hun tijd’ was en op commando konden sterven, over de diepere lagen 44

CIRCUMPLAUDO


in je ziel wanneer je acht uur lang een Nadabrahma meditatie had ondergaan, hoe je in de boeken van Bärbel Mohr toch een diepere wijsheid op kon duikelen… Kortom: gelul! Maar ik vond hem aardig, meende dat hij me wel iets kon toevoegen. Hij nodigde mij uit om bij hem thuis eens wat Ayahuasca te drinken en wat Hatha yoga oefeningen te doen.’ ‘Je lult! Ober, mag ik nog een keer hetzelfde? Jij wat, Sophie?’ ‘Nee, dank. Nou, het begon heel aangenaam. Het geurde lekker naar wierook en hij had vlammende kaarsen neergezet rondom een beeldje van Shiva dat de kosmische dans deed. Tot zover alles spiritueel zeer correct, ─ doe mij toch maar even een wodka-ijs ─ maar dat duurde niet lang. Toen eenmaal het monnikengebrom uit de luidsprekers klonk en ik met gesloten ogen mijn handen open op de knietjes had liggen, begon het gelazer. Maar ja, ik kreeg van al die geflipte spiritualiteit godverdomme gewoon zin om stevig geneukt te worden. Proost! Ja, sorry hoor… Jezus, het viel voor mij ook niet mee. Het is natuurlijk wél even mijn direct leidinggevende, ding-dong! Nou ja, je kent het wel: massageolie, drukoefeningen, truitje uit, stem- en klankoefeningen, kleermakerszit, broek en slipje uit, voetmassage, pik in ’t rond, van mond naar kont… Hij hield er gewoon zijn leesbril bij op! Enfin, ik zal je de verdere details besparen!’ ‘Jezus! Waar was z’n vrouw in hemelsnaam?’ ‘Met vriendinnen in Parijs. Althans, dat dacht hij! Net toen ik over de eettafel gebogen stond en Kaalman het witte goud in mijn bilspleet liet lopen, werd er een sleutel in de voordeur gestoken. Even later stonden we oog in oog met mevrouw Kaalman. Bleek één van de vriendinnen ziek te zijn geworden en het hele clubje een paar dagen eerder huiswaarts te zijn gekomen. Een enorm genante vertoning!’ Manon greep haar mobiel, schreef een digitaal tekstje en zond Theo Kaalman de volgende sms: ‘Theo, ik zie toch maar van dinsdag af. Wellicht kun je iemand anders een plezier doen met je spirituele filosofietjes! Manon.’ CIRCUMPLAUDO

45


Sebastiaan Schrijver │ Zondag 14 februari 2010, 20.20 uur

Sebastiaan Schrijver, voor de vorm een liefhebbend privédetective, gaf op deze witte Valentijn weer eens toe aan zijn verwrongen impulsen. Eén: hij zou zich laten troosten door Roxy, zijn onbereikbare maar enige ware liefde. Twee: hij zou na maanden weer eens ‘Pest de Hoerenloper’, zijn favoriete spel, gaan spelen. Waar hij de hoerenlopers op selecteerde vond hij nog steeds een boeiende vraag. Vaak was het hun blik: een uitdrukking die ten onrechte een zekere superioriteit uitstraalde. Om hun nervositeit te maskeren wanneer ze ergens naar binnen gingen, hadden veel mannen de wenkbrauwen arrogant omhoog staan, de handen quasinonchalant in de zakken gestoken. Maar bovenal maakten ze met die geforceerde hooghartigheid gebruik van zijn liefste, zijn zachte Roxy die in de mist van zijn geest was uitgegroeid tot de godin van de troost. Van die hooghartigheid zou de hoerenloper wanhopig spijt krijgen. Hij had het spelletje de afgelopen maanden al diverse keren gespeeld. Verdomd, daar had je die eikel weer! Dit was al de derde keer dat hij langs dezelfde vensters wandelde. God, god, wat liep die oude bok er zogenaamd trendy bij, in zijn blauwe maatpak met sjaal. De man liep fier rechtop en scheen het niet koud te hebben. Maar Sebastiaan keek dwars door die vermeende zelfverzekerdheid heen. Achter dat deftige leesbrilletje las hij de angstige opwinding. Dit was een debuterend hoerenloper, dat zag je aan alles. Deze heer was geen Amsterdammer, deze man had een ‘reis’ gemaakt om hier te komen. Dit was een man die van zichzelf moest, een besluit genomen had in opwinding en nood en nu niet meer terug kon. Het hoerenlopen als expeditie! Sebastiaan inspecteerde zijn tasje: een doos bonbons, de laatste roman van Connie Palmen en een flesje Yves Saint Laurent. De privédetective pakte zijn mobiel, zette de voicerecorder op ‘REC’ en wierp het apparaat in het tasje. Na een minuut zou de scherm46

CIRCUMPLAUDO


beveiliging erop gaan. De man in het blauwe pak stak op informele wijze zijn hand op naar de vrouw in de deuropening. Hij seinde naar Roxy alsof hij bij de slager aangaf aan de beurt te zijn! De man met de leesbril sprak Roxy aan, Sebastiaan begreep dat de debutant naar de prijs informeerde. Nú! Terwijl Roxy een stap opzij zette om haar klant binnen te laten, stormde Sebastiaan naar zijn liefde en gaf haar het tasje. De oudere heer keek geschrokken van Roxy naar Sebastiaan en zette een wankele pas naar achteren. ‘Sorry, als ik niet gelegen kom…’ stamelde de onzekere leesbril. De schrik stond de beste man op het gezicht, hij had natuurlijk gedacht zonder deze hinderlijke onderbreking zijn pornopaleisje binnen te kunnen stappen. Jammer joh! ‘Nee, geen punt. Ik geef haar alleen een klein aardigheidje. Dag lieverd!’ Sebastiaan gaf Roxy een zoen, sloeg de oude heer bemoedigend op zijn schouder en liep de Bloedsteeg in. Roxy had haar presentje glimlachend en met rode wangen aangenomen. Sebastiaan zou dadelijk teruglopen en wachten tot Roxy haar klant naar buiten kwam. Hij zou een foto van hem nemen, wederom op Roxy toelopen, zich excuseren en zeggen dat hij zijn mobieltje in de tas had laten zitten. Hij zou zijn mobiel met opname terugkrijgen en de man in het blauwe pak achtervolgen. Astrid Kaalman-Heesters │ Zondag 14 februari 2010, 20.25 uur

Astrid Kaalman-Heesters liep met een gevulde wijnkoeler en twee glazen terug naar de slaapkamer. Toen ze over de drempel stapte zag ze Lars het poep- en plaszeiltje opvouwen. Omdat hij met zijn rug naar haar toe stond, zag ze pas na het inschenken van de witte wijn het masker. Lars moest onder het bed het bril-metpiemelmasker van Theo gevonden hebben. Haar minnaar had het opgezet en keek glimlachend naar zijn glas. ‘Was dit niet het masker waarmee Theo die toespraak hield op CIRCUMPLAUDO

47


jouw vader zijn tachtigste verjaardag?’ Astrid tikte haar glas tegen dat van Lars en in haar wazige gedachten speurde ze naar het moment waarop ze haar minnaar deelgenoot moet hebben gemaakt van Theo’s maffe actie. Theo was gefrustreerd geweest, had zich te midden van haar familie altijd het ‘lulletje’ gevoeld (niet dat Kaalman dat uitsprak, dat voelde Astrid). Theo had zich voor het feest stevig ingedronken en stoer besloten om eens korte metten te maken met zijn imago. Hij zou zijn schoonfamilie eens iets laten zien! Het werd een teleurstellend toneeltje. De toespraak met bril-met-piemel op zijn neus was tenenkrommend beledigend geweest. Theo had de humor van zijn zwagers onvoorstelbaar overschat, hij had totaal niet weten in te schatten wat wél en niet leuk was. En uit schaamte, uit pure vernedering, had ze Lars het verhaal verteld. Maar nu, in de zoete geuren van de slaapkamer ─ haar buik nog nat en haar dijen nog kleverig, was de schaamte voor Theo zijn speech minder. Wat was er aan de hand, waarom riep Lars zijn spot een weerzin bij haar op die grensde aan boosheid? Astrid zag Lars zijn lippen bewegen, maar ze hoorde niet wat hij zei. Haar minnaar maakte in zijn blote kont een dansje op het bed, schoof met schele ogen het glas witte wijn onder de kunstpenis en nam een slok. De koele wijn bracht Astrid haar temperatuur omlaag. Hier ging Lars een grens over, hier werd gelachen om háár geschiedenis. Ze was, via Theo weliswaar, het mikpunt van spot geworden. Er werd gelachen om háár man. Ze nam nog een slok en keek hoe Lars een hond nadeed en speelde of hij met de rubberpiemel aan haar enkels rook. Dit was een moment, een keerpunt. Astrid liet de wijn over Lars zijn hoofd lopen en nam een beslissing. Nog even, tot haar vader was heengegaan, zou ze zijn brave en gewillige maîtresse spelen. Daarna zou ze de stekker uit de affaire trekken. Die Lars, dat verwaande snotjong met zijn blitse company, zou straks moeten toezien hoe zij Theo Kaalman zijn baan zou laten opzeggen en hem een dikke enveloppe van de erfenis toe zou steken om zijn eigen filosofische praktijkje te beginnen. Vreemd, hoe spot een woede 48

CIRCUMPLAUDO


wist op te wekken die al je vorige wrok en frustraties terugbrengt tot reële, behapbare proporties. Astrid tuitte haar lippen naar haar gemaskerde vrijer, ze zoende hem gulzig maar nam tegelijkertijd een vernietigend besluit: ze zou Theo Kaalman een nieuwe kans geven! En Theo zou hem grijpen. Astrid voelde de kracht die ze eens, aan het begin – jaren geleden, samen gevoeld hadden. Een kracht die ze sterk en tot één geheel had gemaakt. Sebastiaan Schrijver │ Zondag 14 februari 2010, 21.00 uur

Het was precies zo gegaan als hij had gehoopt. Drie snelle foto’s van de haastig vertrekkende klant die, terwijl hij schielijk om zich heen keek, bijna zijn evenwicht verloor bij het verlaten van de stoep. Zijn leesbril stond weer op zijn neus alsof hij nooit een prostituee bezocht had. Vervolgens was Sebastiaan naar binnen gegaan en had hij Roxy vriendelijk om zijn mobiel willen vragen. Maar Roxy had niet gereageerd op het roepen van haar naam, ze had zich vermoedelijk staan wassen. In het halletje, vlak voor de op een kier staande peeskamerdeur, vond hij het tasje. Pijlsnel had hij zijn mobieltje eruit opgediept en de achtervolging ingezet. Hij had de man in het blauwe pak weer snel gevonden. Hij liep met grote stappen richting het Centraal Station, ondertussen nerveus op zijn horloge kijkend. Daar had de man om zijn as gedraaid, met de vlakke hand boven zijn ogen. Het was duidelijk: hier zou een ontmoeting gaan plaatsvinden. Een gouden kans! Tot op heden had Sebastiaan altijd zijn geluidsopname op cd moeten zetten en deze, samen met de foto’s, persoonlijk moeten afleveren bij de echtgenote. Nu kreeg de privédetective de kans om hetzelfde resultaat te boeken zonder zijn slachtoffer met geweld het treintoilet in te wurmen, hem adres en woonplaats te ontfutselen en vervolgens een reis naar de niets vermoedende moeder de vrouw te ondernemen. Het spel om zo’n niets vermoedende echtgenoot er, meestal onder het genot van een laf kopje thee, van te CIRCUMPLAUDO

49


overtuigen dat hij uit haar naam toch een heuse opdracht én een honorarium had ontvangen, was vaak een helse klus. Meestal hadden de ongevraagde onthullingen over hun hoerenlopende man, tot resultaat dat men vergat door te vragen hoe hij werkelijk aan de ‘opdracht’ was gekomen. Maar nu kreeg Sebastiaan Schrijver het hele pakket in één en hetzelfde uur. Wat een avond! Al het stadsrumoer werd weg gegeten door het blanke sneeuwtapijt. Te midden van al deze rust en maagdelijkheid voelde Sebastiaan de tinteling die hoorde bij een ultiem gevoel van tevredenheid. Zelfs het rinkelen van de trams werd door het winterweer teruggedraaid tot het getinkel van een kattenbel. Na enige ogenblikken verscheen een jonge vrouw in een groene winterjas met een ijsmuts in dezelfde kleur. Om haar schouder hing een rugtas van spijkerstof. De vrouw, een meisje nog, reikte naar de wangen van de man en zoende hem. Sebastiaan ving het woord ‘pa’ op en liep achter het stel het station in. Hij hoefde geen kaartje te kopen, er stond voldoende saldo op zijn OVchipkaart. Vanachter gele vertrekstaten begluurde hij vader en dochter: ze kochten een warme drank (hij koffie, zij thee) bij de kiosk en spraken wat met elkaar. Nadat het meisje het theezakje had weggegooid volgde hij het stel naar spoor 13a, het koppel was op weg naar Den Haag. Sebastiaan Schrijver stapte achter hen in en nam twee banken voorbij vader en dochter plaats, in tegengestelde richting want hij wilde zijn slachtoffer graag kunnen aankijken. De privédetective spitste zijn oren en beluisterde de conversatie die over een toneelauditie ging. Er had, zo begreep Schrijver, een monoloog uit Oom Wanja op het programma gestaan. Langzaam liep de coupé iets voller. Rechts van vader en dochter nam een ouder echtpaar plaats, achter hen zat een vrouw type handvaardigheidjuf. Vader sloeg een arm om zijn dochter en drukte haar liefdevol tegen zich aan. Eindelijk leek de man tot rust te komen terwijl de trein op volle snelheid raakte en door de duisternis sneed. Na een kleine tien minuten pakte Sebastiaan zijn mobiel. Hij zette 50

CIRCUMPLAUDO


het volume op de hoogste stand, zocht het betreffende bestand en speelde het af. Behalve de geluidsopname bleef het ijzig stil in de kille treincoupé. Spookachtig klonken de blikkerige stemmen die een uur geleden in de peeskamer van Roxy hadden geklonken: ‘Hallo, hoe heet je?’ ‘Marco.’ ‘Hallo, Marco. Is dat je echte naam, Marco? En is dit je eerste keer?’ ‘Nou nee, ik heb wel eens eerder eh…’ ‘Een hoer bezocht?’ ‘Nee, dat niet. Sorry, ik dacht dat je bedoelde…’ ‘Toe maar, Marco. Doe je kleren maar fijn uit. En vergeet je bril niet af te zetten.’ Korte stilte. ‘Had je iets specifieks in gedachten, Marco?’ ‘Om eerlijk te zijn ben ik van het tamelijk ruige werk, ik zou graag achterlangs…’ ‘Oelala, onze Marco is niet voor de poes! Wil je nog dat ik je pijp, stoute vriend?’ ‘Nou eh, als dat zou kunnen… Ha, ha!’ De opname liet een stilte horen, een stilte die onderbroken werd door het signaal van een binnenkomend sms’je in de peeskamer. Sebastiaan Schrijver stond op en keek zijn prooi recht in de ogen. Terwijl er weer gekreun en gemurmel uit het mobieltje klonk, zag Sebastiaan ook de geschrokken blik van de dochter. Haar asgrauwe gezicht was vol ongeloof gericht op dat van haar vader. Maar er was iets vreemds aan het gezicht van die vader, de man keek eerder boos dan gekwetst of beschaamd. Langzaam stond de man in het blauwe pak op en kleurde diens blik rood van razernij terwijl de opname rustig verder klonk. ‘Hmmm, aah…’ ‘Zeg, ga jij nu een sms zitten lezen? Wat is er met jou aan de hand?’ ‘Hou even je bek en doe godverdomme gewoon je werk!’ CIRCUMPLAUDO

51


‘Zeg! Wat ben jij van slag van dat berichtje zeg! Is dat soms je wijf?’ ‘Wil je gewoon even doorwerken?’ ‘Oh, eh… Mm… Hé, maar Marco, wat is dit nu? Ben je al klaar… Hè, potverdikke jongen, ik had me zo op het ruigere werk zitten verheugen! Kun je niet nog eens… Hé, Marco! Nee, blijf van me af… uch, uch… Dit is niet meer leuk… Help! Hé, blijf van me af, klootzak! Laat los! Uch, uch… Godverdomme, je wurgt me! Ik stik man… Uch, uch…’

52

CIRCUMPLAUDO


Cor van Gulik

Liefde is‌ (10) Hij keek die morgen niet uit. Misschien was hij met zijn gedachten nog te veel bij zijn overleden vrouw. Misschien had hij die nacht te weinig geslapen. Of misschien had hij onbewust een death wish en kon het hem niet zoveel schelen wat er met hem zou gebeuren. Hoe dan ook. Hij stapte die koude morgen de straat op zonder eerst netjes naar links, rechts en weer naar links te kijken zoals zijn moeder hem vroeger had geleerd. Hij zag de vrachtwagen die hem schepte, honderd meter meesleepte en onder zijn zware wielen vermorzelde dan ook niet aankomen. Derhalve werd hij door de vrachtwagen geschept, honderd meter meegesleept en onder een, overigens onlangs verwisseld, zwaar wiel vermorzeld. Er was geen geleidelijke overgang. Geen geest die te snel het lichaam heeft moeten verlaten en daarom nog maar een tijdje op de aarde blijft. Geen tunnel die naar een lichtpunt leidt. Het gebeurde in een oogwenk. En aangezien hij katholiek was opgevoed en in een hiernamaals geloofde, kwam hij in de hemel. Hij ging er tenminste maar vanuit dat de plek waar hij weer tot zijn positieven kwam de hemel was. Hij had geen vergelijkingsmateriaal. Maar aangezien de verhalen van zijn moeder en hun vroegere priester (die hem overigens een keer onzedelijk had betast, iets waar hij in die tijd wel enigszins van was geschrokken, maar waarvan hij later begreep dat dit heel gewoon was voor een katholieke priester) vertelden over grazige weiden waar de leeuw samen met het lam in het gras ligt, zag hij dit ook. Hij zag zelfs meerdere leeuwen die met meerdere lammeren speelden en kon zich, ondanks dit vredige beeld, toch niet aan de indruk onttrekken dat er angst blonk in de mooie ogen van de lammeren. Maar dit kon ook verbeelding zijn. Met een gelukzalig gevoel liep hij door het hoge gras en aangezien hij verwachtte om hemels gezang te horen en engelen te zien die hem verwelkomden, hoorde hij inderdaad de tonen van CIRCUMPLAUDO

53


een lied. Heaven, must be missing an angel, meende hij te horen. Hij betrapte zichzelf erop dat hij zacht meezong en dat verbeterde zijn stemming behoorlijk. Hij dacht dat hij zelfs kon spreken van geluk. Het was lang geleden dat hij zich zo had gevoeld. Zo rustig. Gelukkig en bijna sereen. Als dit dood zijn was, zou hij dat wel altijd willen zijn. En opeens schoot de gedachte door hem heen die hij eigenlijk al meteen had moeten hebben. Zijn vrouw. Zijn vrouw moest hier ook ergens zijn. Dat kon niet anders. Zij was in haar leven bijna een heilige geweest en als iemand die hemel had verdiend… De pastoor van het dorp waar hij was geboren en opgegroeid had bij de begrafenis van zijn oma gezegd dat er geen reden was om treurig te zijn. Dat oma nu bij haar overleden man zou zijn. Na de dood zouden alle geliefden weer worden herenigd. Hij kon zich vaag herinneren dat hij toen even had gedacht dat het te betwijfelen was of opa daar blij mee zou zijn aangezien zijn oma een humeurig en dominant mens was geweest. Maar dat waren zondige gedachten en die mocht hij niet hebben. Maar omdat de hemelse hereniging hem daarna nog tientallen keren was beloofd meende hij in de verte twee mensen hand in hand te zien lopen die inderdaad wat weg hadden van zijn opa en oma. Hij stak zijn hand op en wilde hen roepen toen er opeens een engel voor hem verscheen. ‘Kan ik u helpen?’ vroeg de engel en hij verdrong het feit dat dit klonk zoals het meisje van de bank waar hij af en toe kwam omdat hij van telebankieren niets begreep. ‘Ja. Ik zoek mijn vrouw,’ zei hij. Aangezien hij had geloofd dat God omnipresent en alwetend is, ging hij er helemaal vanuit dat de engel meteen zou weten wie hij bedoelde. En dat bleek ook zo te zijn. Hoewel het niet al te enthousiast klonk toen de engel zijn gevleugelde schouders ophaalde en zei: ‘Ja. Ik weet waar ze is. Komt u maar met me mee, dan zal ik u herenigen.’ Waarom klonk dit niet zo opgewekt als zou moeten? Waarom kreeg hij opeens het gevoel alsof de engel zijn bestaan alweer ver54

CIRCUMPLAUDO


geten was en met heel andere dingen bezig was? Hij kreeg echter geen kans om voor de eerste keer in zijn dood wat kritische vragen te stellen, want de engel draaide zich om en zweefde voor hem uit. Hij merkte tot zijn verbazing dat hij ook begon te zweven. Zijn voeten raakten de grond niet meer en hij vloog achter de engel aan. ‘Ik lijk wel een hells angel,’ dacht hij en kleurde meteen tot achter zijn oren door deze oneerbiedige gedachte. Juist toen hij zich begon af te vragen of het nog lang zou duren, stopte de engel voor een groot, wit huis. ‘Hier woont uw vrouw,’ zei het schepsel en wees met een Hans Klok gebaar naar het huis. ‘Ik weet niet of ze u verwacht. Maar klopt u gewoon aan. Er zal worden opengedaan.’ En de engel verdween… Zonder verder te aarzelen stapte hij naar het huis toe en liet zijn hand op de deur neerkomen. Hij klopte twee keer snel achter elkaar en drie keer langzaam. Toen hij nog verkering met zijn latere vrouw had gehad was dit altijd hun teken geweest. Er gleed een glimlach van verwachting over zijn lippen. Meteen na de laatste klop werd de deur open gedaan. ‘Hallo. Ben jij het? Wat leuk,’ zei Jaap, zijn ouwe vriend, die helaas een jaar voordat zijn vrouw was overleden aan kanker was gestorven. Zijn mond viel bijna open van verbazing en hij wist niet wat hij moest zeggen. ‘Jaap?’ zei hij dus maar. ‘Wat doe jij hier in het huis van, van…’ Mijn vrouw? Dacht hij. Maar waar was ze dan? ‘Ja. Maar dit is ook mijn huis, beste vriend. Wacht. Ik zal je even voorstellen aan mijn hemelse vrouw. Ik denk dat je haar wel zult kennen.’ En hij deed een stap opzij. Zijn overleden vrouw stond op de drempel van het huis en glimlachte. ‘Hallo, schat,’ zei ze en liet een arm om het middel van Jaap glijden. ‘Welkom in ons huis. Zoals je ziet gaat het uitstekend met me en hebben Jaap en ik onze liefdesverhouding na de dood voort kunnen zetten. Net zoals wij altijd geloofd hebben.’

CIRCUMPLAUDO

55


Zijn mond viel nog verder open en hij deed een stap terug van de deur. Hij staarde de twee mensen aan en schudde zijn hoofd. Wat was dit? Waar hadden ze het over? Dit kon niet gebeuren. Niet in de hemel. Niet in zijn hemel. ‘Maar,’ zei hij. ‘Overspel is toch een doodzonde. Hoe kunnen jullie in de hemel zijn?’ ‘In de hemel?’ vroeg Jaap en lachte. ‘Nee. Daar ben je niet.’ En toen rook hij de zwavel en voelde de hitte. Hij hoorde een droog, knappend geluid achter zich en voelde dat er iemand, iets achter hem stond. En toen hij zich langzaam om begon te draaien, waarbij hij zijn vrouw en vriend zo lang mogelijk bleef aankijken, wist hij wat hij te zien zou krijgen. En ja… hij had altijd in de duivel geloofd… 17 december 2011.

56

CIRCUMPLAUDO


Katiana Amara

Ontboezemingen De seksuele schooljaren van Katiana Amara

Onlangs verscheen bij uitgeverij Amara de debuutroman Ontboezemingen van Katiana Amara. Een even openhartig als Catherine Millet en ongegeneerd als Charlotte Roche geschreven roman over de wild-erotische ontdekkingstocht tijdens de tienerjaren van een vroeg-rijp meisje, maar is zij eigenlijk wel een meisje… geboren in een jongenslichaam als ze is. Men zou deze roman kunnen bestempelen als pornografisch, maar men zou ook kunnen stellen dat deze taboedoorbrekende roman een bijdrage levert aan het begrip voor, zichtbaar maken van en daarmee ook de emancipatie van trans© 2010 Katiana Amara seksualiteit. Hoe dan ook zal het stof doen opwaaien. In dat kader én omdat het gewoon een goed geschreven roman is, plaatsen wij het volgende fragment.

Mijn vader zag ik nauwelijks. Hij had een grote opdracht gekregen van een rockband, met een Japans klinkende naam, die voor zijn Europese tournee een hoop persfoto’s en een promofilmpje wou maken. Zij stonden op het punt door te breken, of zo dacht ik toch, maar ik had hun liedjes nog nooit gehoord tijdens het zappen naar de muziekzenders. Mijn vader was eerder in het jaar naar LA gevlogen voor een backstage reportage over hun Amerikaanse show, en nu – vlak voor de aftrap van hun concertreeks op het oude continent – was de hele band naar zijn studio in de stad afgezakt. Ik had weken de oren van zijn hoofd gezaagd of ik niet een keertje mee mocht naar de studio terwijl hij de muziekgroep fotografeerde. Ik zou braaf zijn en hem niet lastig vallen, had ik nog beloofd. Ik kende de groep van haar noch pluimen, maar ik had CIRCUMPLAUDO

57


nooit een rockzanger in het echt gezien en was uiterst nieuwsgierig. De fotostudio was volledig omgetoverd in een soort roodfluwelen gothic paradijs. De setbouwer had aan de achterwand zware bloedrode gordijnen gehangen, gedecoreerd met zwarte kanten rozen. Donkerpaarse bloemblaadjes waren her en der aan ijzeren draden gekleefd en vormden zo een bizar stilistisch bos. Tussen de imitatiebomen hingen luchtige wolken, die gemaakt leken van een combinatie van transparante voile en katoenen watten, minutieus op hun plaats gehouden door een netwerk van zwarte bijna onzichtbare draadjes. Op de grond lag een hoop donkerbruine aarde die in een dikke laag over het parket van de studio uitgestrooid was en langzaam overliep in de gordijnen. De assistent holde heen en weer op de aanwijzingen van mijn vader om de laatste lichtspots te richten. Grote diffuse lichtboxen waren als een rij soldaten vooraan opgesteld en leken gedirigeerd te worden door de eenzame driepoot ervoor, waarop de middenformaatcamera opgesteld was. Links en rechts stonden staanders met kleinere spots, sommigen met een honingraatfilter en anderen met een lichtbundelend hulpstuk, die kleine lichtaccenten legden op het decor. Af en toe beval mijn vader de assistent een bepaalde plaats in de set in te nemen, terwijl hij het licht een laatste maal controleerde, de spots een klein beetje bij richtte en enkele testshots nam. De computer naast de camera toonde het gefotografeerde beeld onmiddellijk. Het leek mij net iets te licht – alsof een lichte zweem over het beeld hing, maar de uiteindelijke afgedrukte prints zouden van perfecte kwaliteit zijn. Daarvoor had mijn vader een gespecialiseerde firma ter hand genomen, die de foto’s op zijn aanwijzingen zouden bewerken en manipuleren. Tegen de zijwand hing een grote horizontale spiegel. Hiervoor stond een lange maquillagetafel die over de volledige lengte van de spiegel doorliep, omzoomd met witgloeiende lampjes. Het leek een scène uit het cabaret of het theater, zo een van die make58

CIRCUMPLAUDO


uptafeltjes die je in de film wel eens ziet opduiken. De homoseksuele maquilleur was druk bezig een aantrekkelijk meisje klaar te maken voor de fotosessie. Hij trok een zwart lijntje onder haar ogen, iets onder haar ooghoeken aan haar neus beginnend, en liet het doorlopen tot bijna aan haar slaap. Lichte oogschaduw op de onderste en bovenste oogleden benadrukte haar reeds sprekende amandelvormige ogen. Hij poederde haar gezicht nadat hij verschillende laagjes aangebracht had. Ik keek gefascineerd toe in de hoop nog iets te leren wat ik zelf kon gebruiken als nimfijn. Hij bracht net wat glos op haar lippen aan toen hij opzij geduwd werd door de styliste. “Allé, George, opzij. Ik moet de laatste hand aan het kapsel leggen.” George nam een deel van zijn maquillageborsteltjes mee en stapte naar de volgende stoel, waar de overig bandleden zaten te wachten. Ik sloop stilletjes dichterbij en zette mij op een krukje nabij het meisje. Ze had een zwarte smalle jeansbroek aan en hierop een eenvoudige rode T-shirt met een gothic tekening. Haar donkere legerboots met talloze veters en gespen maakten haar imago compleet. Haar lederen jekker hing losjes over de stoel. Rond haar pols droeg zij een zware metalen armband die het licht leek op te slorpen. Haar vingers waren getooid met ringen, waarop Keltische kruisen of woeste doornstruiken afgebeeld waren, en rond haar hals hing een lederen band met driehoekige nagels, waaraan een doodshoofd bengelde. Om een reden die ik niet onmiddellijk thuis kon brengen, werd ik enorm door haar aangetrokken. Ik viel eigenlijk helemaal niet op meisjes, maar van haar ging een soort vreemde aantrekkingskracht uit die me van streek bracht. Het was een verwarrend dubbelzinnig gevoel. “Junyo!” riep mijn vader uit de verte. Het meisje keek op. “Ten minutes, okay?” Ze riep iets terug in het Engels terwijl zij haar duim op stak, en zei iets tegen de styliste, die een versnelling hoger schakelde en CIRCUMPLAUDO

59


haar haren met een overdaad aan gel en haarlak omhoog boetseerde. Ik raapte al mijn moed bij elkaar en vroeg haar hoe ze heette. Gelukkig kon ik wel een mondje Engels, ondanks mijn deliberatie op dat vak. “Junyo Toko,” antwoordde ze. Haar stem was niet zo fijn als ik verwacht had. Zij had wel iets zachts en teders, maar ook iets mannelijks in haar klanken. Ik vroeg haar hoe oud ze was – bijna 20 – en een hoop andere onbenullige zaken, zoals enkele van hun hits, die ik tot mijn verbazing allemaal kende, waar zij woonde – Londen – en hoe lang ze al een groep vormden – al meer dan drie jaar en de band was naar haar genoemd. Heel de tijd was Junyo’s aandacht op haar spiegelbeeld en de styliste gericht, die witte mèches in haar lange zwarte haren aanbracht, vooraleer zij een deel willekeurig en chaotisch omhoog fixeerde met haarlak. Toen keek ze mij pas aan en ik zag een plotse fonkeling in haar amandelvormige ogen – of waren het de mijne? Haar hazelbruine ogen keken mij opeens met grote pupillen aan; ik zag haar irissen een vluchtig moment verwijden en weer kleiner worden. Ik werd knalrood, stamelde iets onbeholpen en verdronk in haar donkere kijkers. Ik was volledig van de kaart. Ze glimlachte en zei dat ik er fantastisch uit zag. Het deed me alleen nog meer blozen. Ik kon haar ter plekke kussen, in alle hevigheid, met al mijn plots opkomende verwarde emoties. Maar een meisje kussen? Ik had nog nooit een meisje gekust. Ik val ook helemaal niet op meisjes! Ik wou het niet, ik val op jongens! Maar, wauw, wat was ze prachtig! Een smal gezichtje, een lief snoetje, donkerbruine ogen omrand met een fijn zwart lijntje, en brede wenkbrauwen. Haar ene oog werd bedekt door haar ‘ontploft’ kapsel met witte slierten, haar andere oog keek mij doordringend aan, zonder maar een ogenblik weg te kijken. “I have to get ready,” zei ze. Ze legde haar hand op mijn knie, kneep zachtjes terwijl ze op stond, knipoogde en wandelde naar de set. Even raakte haar lippen bijna de mijne, toen zij wat voorover leunde, en onbewust ging ik een beetje naar haar toe, met gesloten 60

CIRCUMPLAUDO


ogen, alsof ik haar kus wou ontvangen. Maar die kus kwam niet. Toen ik mijn ogen weer opende, zag ik haar naar mijn vader stappen, die haar en de bandleden begon uit te leggen hoe hij de sfeer op de foto wou hebben. Ik bleef verdwaasd achter. Mijn gedachten tolden als een dolgedraaide kermismolen. Ik wist dat dit niet mocht, maar mijn lichaam hunkerde naar haar. Ik voelde liefde, lust, genot. En opwinding. Plots werden mijn ogen vochtig. Shit, ik begin te huilen, dacht ik. George zag net een traan over mijn wang rollen toen ik mij omdraaide en naar het toilet vluchtte. “Waarom begin ik nou te wenen?” vroeg ik me af. Ik snoot mijn neus in mijn zakdoek en trachtte mijn tranen te drogen. Diep vanbinnen wist ik wel waarom ik door verdriet overmand werd. Het was de eerste keer, sinds mijn verliefdheid op Jonas, dat ik nog iets voor iemand gevoeld had. Ik had mijn gevoelens het afgelopen jaar vakkundig afgeschermd uit angst opnieuw gekwetst te worden. Ik was gevlucht in het worden van Lo en had al mijn energie in het nimfijn-zijn gestoken, maar was daardoor mijn dieperliggende onzekere labiele gevoelens en mijn onverwerkte liefdesverdriet vergeten. Ik had ze verdrongen naar een ver uithoekje in mijn gedachten. Ik had mezelf wijsgemaakt dat ik nooit meer verliefd kon worden na de breuk met Jonas en ik had er sindsdien ook nooit meer voor open gestaan. Ik had geleerd jongens te bespelen, hen mij gapend na te laten staren. En dit alles eigenlijk om ergens diep in mijn hart Jonas weer voor mij te kunnen winnen en hem te tonen wat hij zonder mij allemaal zou missen. Maar het was ík, die Jonas miste. Plots werd op de deur geklopt. Ik schrok op uit mijn gedachten. “Gaat het, Kat?” vroeg George aan de andere kant. Ik begon onwillekeurig te snikken. George opende voorzichtig de deur. “Wat is er, schatteke?” vroeg hij met een vrouwelijke flair in zijn stem. Hij pakte mijn gezicht tussen zijn twee grote handen vast en keek me recht in de ogen. “Zeg het eens, liefje? Kan GeCIRCUMPLAUDO

61


orgeske jou niet troosten?” Hij betuttelde mij en ik kon zijn steun wel gebruiken. George werkte zo lang ik mij kon herinneren voor mijn vader. Hij kwam geregeld thuis langs, had altijd wel een grappige belevenis uit zijn homomilieu te vertellen en hij bracht ons steeds aan het lachen met zijn verwijfde maniertjes. Ik vertelde hem een chaotisch verhaal – of zo moet het voor hem toch geklonken hebben – over mijn vroeger liefje Jonas, over een gebroken hart en ‘voor altijd ongelukkig zijn’. Voor ik het wist flapte ik eruit dat ik een crush had op Junyo, maar dat zij vast niet op mij zou vallen, want zij was een meisje. George begon plots hevig te lachen. Zware ha-ha-ha’s rolden uit zijn mond en net toen ik met mijn vuisten verbouwereerd op zijn borst wou kloppen en hem kwaad toe wou roepen: “Lach maar! Ik zeg nooit meer iets tegen jou!” zei hij: “Ik denk dat Junyo wel eens op jou zou kunnen vallen.” Ik keek George vragend aan. “Hoe? Wat?” “Hmm, kijk maar eens goed,” zei hij mysterieus. “Ga ervoor, liefje. Vertrouw me maar, ik heb een neus voor dat soort zaken. Mijn vrouwelijke kant misschien?” Hij knipoogde veelbetekenend en kneep in mijn wangen. “Kom,” zei hij en gaf me een bemoedigend klopje op mijn been. Ik stond recht en volgde George terug naar de fotostudio. De fotolampen flitsten onophoudelijk. Mijn vader keek af en toe naar de monitor van zijn computer, controleerde de laatste reeks foto’s vluchtig en dook vervolgens weer achter de zoeker van zijn camera. Hij gaf even een aanwijzing aan de styliste, die voorzichtig over de set wandelde en een broekspijp glad streek of een haarlok goed legde. “George!” riep hij. “Poeder.” En hij wees op een glimmend plekje op de neus van de bassist. Ik zette mij weer op het krukje aan de make-uptafel. Wat gehandtekende foto’s van Junyo, die zij aan haar fans uitdeelde na een concert, lagen uitgespreid. Ik stak stiekem een foto in mijn achterzak. 62

CIRCUMPLAUDO


Junyo poseerde vol overgave, telkens een iets andere houding aannemend bij elke druk op de sluiterknop van de camera, links en rechts geflankeerd door haar bassist, de drummer en de gitarist. Ze staken hun armen omhoog, recht vooruit met de duimen op of stoer in hun zij met een macho blik. Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden en George knipoogde naar mij toen hij van de set af stapte. Ik glimlachte even. Junyo Toko was slank, bijna op het magere af, met ranke benen – of dat vermoedde ik toch, afgaande op haar spannende nauwsluitende broek – en armen die eindigden in fijne lange vingers met zwartgekleurde nagels. Ze had een klein puistje onder haar lip, maar dat was vakkundig weggewerkt onder een laagje concealer. Af en toe gluurde zij even naar mij. Haar ogen bleven net iets te lang op mij rusten om een toevallige blik te zijn, maar net niet lang genoeg om argwaan bij de anderen te wekken. Ik werd innerlijk warm. Plots viel het mij op dat zij geen borsten had – of anders net van die kleine krentjes zoals ik; haar T-shirt was zo goed als vlak. Ik kon wel een klein vreugdekreetje slaken! Iemand ouder dan ik zonder borsten, die het bovendien gemaakt had! Ik fleurde plots helemaal op. Junyo moest iets gemerkt hebben, want zij keek plotseling recht naar mij, glimlachte en gaf me een vette knipoog die niemand kon missen. Mijn hart sloeg een slag over en sprong in mijn keel. Ik hapte even naar adem. Ze streek met haar hand over haar kruis. “Hey Junyo!” riep de drummer. “Getting a hard-on?” vroeg hij plagerig. “Can’t keep your eyes off her?” viel de bassist hem bij. Junyo antwoordde iets wat ik niet kon verstaan en zwaaide met haar handen dat zij hun mond moesten houden. Mijn vader was gelukkig druk bezig met een nieuwe lichtmeting, zodat hij niet merkte dat de bandleden over mij aan het roddelen waren. Mijn hoofd zweefde nog steeds tussen de wolken der blinde verliefdheid en de grapjes van de band drongen niet tot me door. CIRCUMPLAUDO

63


Ergens voelde ik wel dat iets niet klopte. Junyo kon haar ogen ondertussen ook niet meer van mij afhouden en het leek wel of we twee verliefde kinderen waren, die naar elkaar keken en glimlachten – nou ja, ik was eigenlijk nog wel een kind, een kind van 13. Tijdens een korte pauze tussen twee fotosessies door, nodigde Junyo mij uit ’s avonds samen op stap te gaan. De groepsleden logeerden in een chic hotel in de hoofdstad. Ik hapte onmiddellijk toe, zonder mij te bekommeren om de mening van mijn ouders. Het was misschien beter niets te zeggen, gewoon uit mijn slaapkamerraam te kruipen en stiekem tussenuit te muizen. We beraamden fluisterend onze afspraak. Ik zou ’s avonds laat, wanneer mijn ouders veronderstelden dat ik sliep, thuis ontsnappen. Junyo’s chauffeur zou mij opwachten in het dorpscentrum. Na de fotosessie werd nog wat nagepraat, maar mijn vader maakte gauw duidelijk dat hij naar huis wou vertrekken. Hij vroeg aan zijn assistent de boel af te sluiten, wenste iedereen een prettige avond en stapte met mij naar zijn auto. Ik keek nog even achterom vooraleer de studio te verlaten en stak mijn duim omhoog naar Junyo. Na het avondeten hing ik gewoonlijk nog wat rond in de woonkamer en ging tegen tien uur slapen, althans dat liet ik uitschijnen. Ik trok pikante lingerie aan onder mijn jeansbroek en propte wat leuke kleding en schoenen in mijn rugzakje. Ik trok een zwart lijntje onder mijn ogen zoals ik George in de studio had zien doen. Mijn ouders hadden niets in de gaten toen ik een half uurtje later mijn raam openschoof en van de verdieping naar beneden sprong. Ik sloop door de tuin, nam mijn fiets en repte mij naar de kerktoren in het dorpscentrum. Junyo had haar belofte gehouden. Op de parking naast de kerk stond een zwarte limousine. Ik zag van ver Junyo met haar ontploft kapsel, dat naar alle kanten omhoog priemde, door het dakraam van de wagen op de uitkijk staan. Ze riep mij luidruchtig toe en zwaaide uitbundig. 64

CIRCUMPLAUDO


Ik plaatste mijn fiets tegen de kerkgevel. Het portier vloog open en de volledige band begroette mij met een glas champagne. De muziek stond loeihard en een enkeling die zijn hond uit liet wierp een boze blik onze richting uit. Een rookwalm kwam mij tegemoet. “Hey Kat! Let’s party!” riep de gitarist in mijn oor, met een lange klemtoon op ‘party’. “Don’t mind Jeff,” zei Junyo. “He’s wasted.” Jeff trok aan zijn jointje, blies een pluimpje rook voor zich uit en zei, terwijl hij zijn arm in de lucht zwaaide: “Hell yeah!” Hij plofte achterover in de brede zetels en leek van deze planeet. Ik nipte aan mijn coupe champagne en de bubbels stegen al snel naar mijn hoofd. Ik had zelden alcohol gedronken en voelde het effect bijna onmiddellijk. Plots voelde ik twee lippen op de mijne en een tong die zich een weg baande naar mijn mond. Tegelijkertijd greep een hand onder mijn bloesje en een andere hand in mijn kruis. Junyo kuste mij hevig, geen seconde verliezend. De vonk sloeg direct over – eigenlijk was die al overgesprongen in de studio – en ik zocht met mijn tong haar lippen. We kusten intens, onder luid gejoel en aanmoedigingen van de bandleden. Hoe lang we elkaar een tong draaiden, kon ik me achteraf niet meer herinneren, maar het leek of we de hele rit naar de hoofdstad aan elkaar frulden, elkaar betastten en onze lippen elkaar nooit losten. Ik voelde mij hemels gelukkig en opgewekt. De adrenaline van de liefde joeg door mijn bloed en ik kon de wereld aan! “What’s that in your bag?” vroeg Frizzo, de bassist. Ik riep over de muziek heen dat er wat leuke spulletjes in zaten. Junyo suggereerde uitdagend dat ik mij misschien kon omkleden. “In front of you all?” vroeg ik wat verbaasd. “Go! Go! Go!” riepen ze allen in koor. Ik liet mij niet kennen en trok mijn jeansbroek uit. Ik had thuis al panty’s aangedaan met een jarretellegordel en dat viel onmiddellijk in de smaak bij de jongens. “Wow, sexy!” Jeff zwaaide met zijn armen toen hij mijn tangaCIRCUMPLAUDO

65


slipje zag, riep weer: “Hell yeah!” en liet zich weerom achterover in de zetel zakken. Junyo streelde met haar handen over mijn benen terwijl ik een kort rokje uit mijn rugzak nam en het over de kousen aan trok. Ik deed mijn hakschoentjes aan, trok mijn bloesje, dat naar boven gekruld was door Junyo’s gefrutsel, naar beneden en zocht haar bevestiging. Ze beaamde dat ik er prachtig uit zag en meer moest ik van haar niet horen. We begonnen weer te kussen en haar handen gleden voortdurend over mijn benen, van mijn schoenen tot onder mijn rokje, waar zij mijn kruis betastte. Het wond mij danig op. We flirtten met elkaar, tot we door de hoofdstraten van de stad reden. Frizzo opende het dakraam – oef, wat frisse lucht, dacht ik – en stak zijn hoofd uit. In zijn hand hield hij een champagnefles vast en probeerde te drinken terwijl de auto de bochtige straten volgde. Meer dan de helft stroomde langs zijn gezicht op het dak van de limo of plensde als regen op de zetels. “Hey fuck, Frizzo! You killed my joint!” riep Jeff teleurgesteld toen een grote plets champagne op zijn sigaretje viel. Junyo, de jongens en ik ontkurkten de ene fles na de andere, probeerden champagne in elkaars mond te gieten, rookten een jointje en maakten een hels kabaal. We staken onze hoofden door het dak, zwaaiden naar verbaasde voorbijgangers of riepen scheldwoorden, en kronkelden onze lichamen over, onder en op elkaar op het ritme van de muziek. We openden de geblindeerde ramen, zodat enkele voorbijgangers even een glimp binnen konden opvangen, en spoten champagne naar een straathond. Ik had de tijd van mijn leven! In de armen van Junyo, hangend aan haar lippen als een aanhankelijke kitten aan haar moeder. Onze armen waren in elkaar verstrengeld alsof wij zo geboren waren. Ik wist het zeker, wij waren voor elkaar gemaakt! De limousine draaide de oprit van een luxueus hotel op en reed de ondergrondse parking in. De chauffeur zette ons af tegenover de lift. Goed in de wind strompelden wij de wagen uit. We stapten zo goed en zo kwaad het ging naar de lift, lieten de autodeur open 66

CIRCUMPLAUDO


staan – de chauffeur zou die wel dicht slaan – en stormden de lift in. Frizzo duwde op het bovenste knopje en toen de lift in beweging kwam, grepen Junyo’s handen mij langs achter rond mijn middel. Ze trok mij dicht tegen haar broek aan en drukte haar kruis tegen mijn billen. Het was harder dan ik verwacht had. Ik genoot ervan en duwde met mijn billen tegen, zodat ik haar lichaam goed voelde. Op de bovenste verdieping schoten de bandleden naar hun kamer, waar zij hun feestje verder zetten. Junyo trok mij mee naar de suite waar zij logeerde. Toen zij de deur achter ons sloot, keerde de rust na onze helse rit terug. In de kamer ernaast hoorde ik de jongens plezier maken. “Something to drink?” vroeg zij naar de bar wijzend. Ik wimpelde het aanbod af. Ik had al genoeg gedronken en wou nu een beetje helder blijven om dit moment goed in mijn geheugen te kunnen griffen. Ik hoorde het knisperende geluid van de ijsblokjes toen zij drank in een glas goot. Ik stapte naar de grote ramen, die over de volledige breedte van de kamer doorliepen van vloer tot plafond. Onder mij strekte de stad zich uit. Overal fonkelden lichtjes in de gebouwen, pinkten auto’s in de straten diep beneden en leken de donkere silhouetten van de kantoren te versmelten met de oranje gloed van de straatlantaarns. Plots kuste Junyo mijn nek en omhelsde mij. In het raam zag ik haar reflectie en haar handen die over mijn zij naar mijn buik gleden en daar halt hielden. Haar wilde punkkapsel verstrengelde zich met mijn lange lokken. Haar vingers gleden onder mijn bloesje en zochten mijn navel op. Ik voelde haar warme vochtige adem in mijn oor toen zij plagend likjes gaf. Ik boog mijn armen naar achter zodat ik haar billen kon grijpen en wierp mijn hoofd achterover op haar schouder. Ze begon mijn hals te kussen, terwijl haar ene hand hoger gleed naar mijn borsten en haar andere zich een weg baande langs mijn rokje naar mijn kruis. Ik hief een arm op en sloeg die rond haar nek en haar hoofd. Ik drukte haar dichter tegen me aan. Onze lippen versmolten weer en onze tongen kronCIRCUMPLAUDO

67


kelden wellustig in elkaars natte mond. Zij streelde mijn kruis, kneep af en toe, liet los en kneep weer. Ik vond het verschrikkelijk opwindend en kwam bijna ter plekke klaar. Ik moest mij inhouden om mijn geil niet te laten lopen. Ik voelde mijn slipje wat vochtig worden van de opwinding terwijl haar hand als een bezetene mijn kruis betastte. Plots trok zij zich terug, stapte glimlachend achterwaarts weg naar de deur van de badkamer en zei uitnodigend: “Want to join me in the jacuzzi?” Dat liet ik mij geen tweede keer zeggen. Ik stapte langzaam naar haar toe. Zij leunde tegen de deur, haar heupen lichtjes gebogen met haar ene been voor het andere. Ik ontdeed mij wandelend van mijn kleren, die ik achteloos op de grond wierp, en schoof onder haar arm door de badkamer in. Ik smeet mijn beha en tanga in de lavabo, maar hield mijn kousen en jarretellegordeltje aan. Ik stapte in het schuimende bubbelbad. Junyo had een fles badschuim uitgeknepen en door het bubbelende water was een gigantische schuimhoop ontstaan, die zelfs over de vloer uitdeinde. Junyo trok haar T-shirt uit en gooide haar zware boots in de kamer. Ze had geen beha aan en was net zoals ik zo plat als een vijg. Nou ja, ik was wel een heel pak jonger en nog niet volledig volgroeid, dus ik had nog hoop – wist ik toen dat het ijdele hoop zou zijn. Plots begon mijn hart sneller te slaan. Misschien was Junyo helemaal niet wie zij leek te zijn. Misschien was zij toch mijn ideale liefde. Maar dat was helemaal niet zeker en dromen zijn vaak niet realistisch. Ik voelde de spanning, de heimelijke opwinding, de plots opgekomen irreële hoop die mijn avond perfect zou maken, in heel mijn lichaam toen zij langzaam de knopjes van haar smalle broek opende. Ik kon mijn ogen niet van haar kruis afhouden. Wat als zij nu helemaal geen meisje was? Hoe heb ik me dan laten bedotten? De gedachte alleen al was uiterst opwindend. Junyo duwde de rand van haar broek omlaag, over haar ranke benen en stapte uit haar broekspijpen. Ik kon haar slipje niet goed 68

CIRCUMPLAUDO


zien door haar armen, die met de jeansbroek bezig waren, maar toen ze uiteindelijk recht kwam en met twee vingers haar slipje omlaag duwde, stokte mijn adem. De adrenaline raasde door mijn bloed, mijn mond viel open. Ik voelde mijn hart als een drilhamer in mijn borstkas bonzen. Mijn vingers verkrampten door de plotse zenuwopstoot. Ik hoefde zelfs niet naar mijn kruis te grijpen want het leek of ik onmiddellijk klaar kwam. Junyo had een pracht van een lul! Haar penis stond kaarsrecht omhoog en hieronder hingen twee gladgeschoren teelballen. De voorhuid was over haar eikel geschoven en ontblootte haar glanzend roze vrucht. ‘Zij’ bleek een ‘hij’ te zijn! Ik kon mijn geluk niet op. ‘Haar’ moest ‘zijn’ worden. Mijn gedachten gingen als een razende tekeer in mijn hoofd en overliepen de gebeurtenissen van de dag. “Natuurlijk!”, riep ik zomaar uit. Hoe kon ik er ook naast kijken? Ik had haar stijve pik – zijn stijve pik – in de lift tegen mijn billen gevoeld. Het verklaarde waarom haar – zijn – stem iets mannelijks had en waarom zij – hij – zo plat was vooraan. De grapjes van de band in de studio kwamen weer boven en de bemoedigende woorden van George, die een zesde zintuig had om liefdessignalen in de lucht op te vangen. Ik had Junyo als meisje – of zo had ik het toch ervaren – leren kennen en het was moeilijk de klik in mijn hoofd te maken van ‘haar’ naar ‘hem’. Ik had uiteindelijk gekregen wat ik vurig wenste: een jongen; een androgyne jongen, maar toch een jongen. Ik kon mijn aanvankelijk verwarde verliefde gevoelens nu zonder schuldgevoel de vrije loop laten. Junyo stapte in het bad. Ik kon mijn ogen niet van zijn lid afhouden en toen hij het merkte zei hij uitdagend: “Feel free to touch.” Hij zette zich in het bubbelbad neer; ik gleed door het water naderbij. Door het schuim zag ik zijn lichaam niet meer. Ik zocht met mijn handen onder water tot ik zijn been vond en met mijn vingers naar boven gleed naar zijn kruis. Ik voelde zijn erectie en CIRCUMPLAUDO

69


greep zijn lul met beide handen vast alsof ik hem nooit meer wou loslaten. Ik streelde zijn pik onder water, speelde met zijn ballen en kneep hem plagend. “Hey, take it easy! They still have to function tonight.” knipoogde hij. Ik ging schrijlings op hem zitten en wreef met zijn pik over mijn billen. Mijn ene hand bewoog langs zijn schacht op en neer terwijl mijn andere hand het badschuim over zijn torso smeerde. Ik kuste hem met vernieuwde kracht. De ontdekking dat zij een jongen was, had me vleugels gegeven. Ik streelde zijn hele lichaam en kon niet wachten zijn lul diep in mij te voelen. Het was immers zo lang geleden dat ik nog intiem bemind werd en mijn lange wachten bereikte nu een ongeduldig hoogtepunt. Ik greep Junyo’s pik vast, richtte hem in het water omhoog en liet hem langzaam tussen mijn billen in mijn kontkaatje glijden. Het voelde aanvankelijk wat stroef aan, maar door de opwinding ontspande ik al snel mijn rectum en Junyo’s eikel gleed voorbij mijn sluitspier. Een schokgolf van genot sidderde doorheen mijn lichaam. Ik bleef zo even zweven en duwde daarna zachtjes naar beneden, tot zijn schacht volledig in mijn kontje drong. Ik keek Junyo aan met twee verliefde, wazig kijkende ogen. Hij kuste mij hevig, overal op mijn gezicht, mijn oogleden, oren en mijn neus. Hij likte mijn lippen, mijn wang en zoog in mijn hals. Ik greep zijn gelaat met twee handen vast en draaide mijn tong wel duizend keer passioneel rond in zijn mond. We zoenden luid smakkend en smachtend naar elkaar, trachtten te ademen tussen twee lange kussessies door en begonnen al snel te hijgen en kreunen van genot. Junyo bewoog zijn bekken zacht op en neer. Zijn lul drong dieper in mijn kontje, trok zich even terug en stootte toen opnieuw binnen. Ik greep mijn kruis vast en wreef erover met mijn vingers. Ik wierp mijn hoofd in mijn nek en gilde naar het plafond: “Oh ja, ja, harder!”, of zo klonk het toch in mijn herinnering. Hij zoog aan mijn tepels die bij elke stoot boven water kwamen. Het water klotste over de rand toen Junyo mij harder en sneller begon te 70

CIRCUMPLAUDO


neuken. Hij begroef zijn gezicht in mijn nek en beet in mijn vel. Het was een vreemde maar hevige ervaring en het leek of wij elkaar wilden verslinden in onze passionele ongelimiteerde liefde. Hij versnelde zijn ritme en gleed mijn kontje in en uit. Waar het bij Jonas af en toe pijn deed, was het nu een lange erotische tsunami van orgastisch genot en lust. Mijn trillende handen wriemelden door Junyo’s haren en drukten zijn lippen stevig tegen de mijne. Hij trilde, kreunde van genot en hijgde van de inspanning, tot hij luid schreeuwend zijn sperma in mijn kontje schoot. Net op dat moment spoot ik mijn geil in het badwater. Ik kon me later niet meer herinneren of ik vroeger al eens klaargekomen was, maar voor mij was dit beslist mijn eerste keer en Junyo zou altijd de eerste blijven die erin geslaagd was mij volledig te laten genieten. We bleven nog wel een half uur nakussen, elkaar strelen en lieve woordjes zeggen, terwijl ik zijn lul langzaam slap voelde worden in mijn kontje. Ik was weer intens gelukkig. Ik had sinds de breuk met Jonas gehunkerd naar het lid van mijn liefste tussen mijn billen, met hem te kunnen versmelten, en vanavond was mijn vurigste droom in vervulling gegaan. Bovendien met een androgyne jongen die op een meisje leek en die verwarrende maar opwindende gevoelens in mij opgewekt had, en mijn hemelpoort geopend had nadat ik ontdekte dat hij in werkelijkheid een jongen was. Junyo stapte uit het bad en nam een grote handdoek die hij voor mij open hield. Ik volgde hem. Hij sloeg de handdoek rond mij en begon mij van boven naar onder heel traag droog te wrijven met tedere strelingen. Hij was zo lief – het tegenovergestelde van Jonas, die mij na de anale seks links liet liggen – dat de tranen in mijn ogen sprongen. Ik streelde zijn gezicht, keek hem recht in de ogen met een ietwat droevige waterige blik – een blik die de angst voor een toekomstige breuk verried – en fluisterde: “I love you, Junyo.” Het was de eerste keer in mijn leven dat ik die woorden uitsprak en ze hadden dan ook een belangrijke betekenis. Ik was wel CIRCUMPLAUDO

71


verliefd op Jonas, maar had ik ook van hem gehouden? Pas later zou ik mij realiseren dat ik Junyo nog maar net kende, dat wij samen een leuke dag en een wilde nacht hadden doorgebracht, maar dat ik, op zulke korte tijd en op zo’n jonge leeftijd, eigenlijk niet kon weten of het échte liefde was die ons samen bond, of eerder hopeloos verliefde gevoelens of misschien slechts kalverliefde. Maar die avond, toen ik deze woorden uitsprak tegen Junyo, meende ik elk woord vanuit het diepst van mijn hart en liet ik mij mee glijden op de stroom van passionele liefde. Hij keek mij aan, zei met een ietwat hese zachte stem dat hij ook van mij hield en kuste mij innig. Nu kon ik wel een glaasje gebruiken, want ik werd plots overmand door tegenstrijdige gedachten. Enerzijds was ik intens gelukkig en verliefd, anderzijds had ik angst weer gedumpt te worden. Junyo schonk twee glaasjes champagne in, gaf één aan mij en we klonken op onszelf. “Together forever!” zei hij toen de kristallen glazen met een heldere kling tegen elkaar botsten. We babbelden honderduit over onszelf, stelden duizenden vragen aan elkaar en wilden alles van elkaar weten, zelfs over vroegere liefjes. Het was vreemd dat ik niet jaloers was en zijn vroegere veroveringen lieten mij eigenlijk koud. Junyo was nu van mij en dat was het enige wat telde. Ik kon mij niet inbeelden dat hij na mij nog een ander zou leren kennen. We vleiden ons op het bed tussen de vele kussens en de donsdekens, frutselden de hele avond – het was eigenlijk al goed na middernacht geworden – aan elkaar en onderbraken onze gesprekken, onze grapjes en het plezier maken door lange intieme tongzoenen. Terwijl ik Junyo streelde, kreeg ik opnieuw zin. Ik wierp de dekens op de grond en ging op zijn bovenbenen zitten terwijl Junyo languit op het bed lag. Zijn handen gleden door mijn haren. Mijn vingers wandelden over zijn hals naar zijn tepels. Ik kuste ze en ze werden al snel hard. Ondertussen aaiden mijn handen zijn 72

CIRCUMPLAUDO


lichaam verder naar beneden, kietelden zijn penis en streelden zijn dij en zijn liesstreek. Ik wisselde voortdurend af, zodat de ene keer mijn hand van zijn tepels naar de zachte binnenkant van zijn benen ging en de andere hand even halt hield bij zijn lul en plagend kneep. Mijn lippen zakten van zijn tepels naar zijn navel, waar mijn tong zich schijnbaar een weg trachtte te boren in zijn buik. Ik omknelde zijn pik met beide handen en wreef ze in tegenovergestelde richting rond, alsof ik zijn lid als een molen rond wou draaien of vuur wilde maken met een stokje. Ik stak zijn eikel in mijn mond en liet overvloedig speeksel lopen, hem een warm nat opwindend gevoel gevend. Mijn tong likte aan het toompje waar zijn eikel aan de schacht vastgemaakt was, tot het zo gevoelig werd dat hij het niet meer kon uithouden van genot. Ik hield zijn ballen vast met een hand en schroefde aan zijn lul tot ik boven kwam met twee vingers. Ik sloot mijn vingers en mijn duim, vormde zo een ringetje en liet mijn hand weer naar beneden glijden, terwijl ik aan zijn eikel zoog en zijn corona omcirkelde met mijn tong. Ik liet zijn paal dieper in mijn mond gaan terwijl ik mijn hand naar zijn ballen toe bewoog in een links- en rechtsdraaiende beweging. Mijn ene hand zocht zijn buik op en speelde met het gaatje van zijn navel, terwijl mijn lippen op en neer over zijn penis schoven en mijn tong het plasgaatje op zijn eikel likte. Ik omklemde zijn lul weer met beide handen en liet ze van de wortel naar zijn eikel glijden, loste even en begon opnieuw van onder aan. Mijn tong kronkelde rond de schacht en mijn speeksel zorgde voor een overvloed aan glijmiddel. Junyo kreunde en hijgde van genot. Ik herhaalde de beweging met mijn handen en hij kreeg het geile gevoel dat ik zijn zaad uit zijn pik wou melken. Zijn lichaam begon van links naar rechts te draaien en zijn bekken bewoog steeds heftiger op en neer, kwam soms volledig los van het bed en kromp weer samen, met mijn gezicht stevig in zijn kruis. Ik leek zijn lul wel in te willen slikken, want ik ging tot het uiterste en het diepste om de volledige schacht in mijn mond CIRCUMPLAUDO

73


te laten verdwijnen, duwde met mijn handen zijn pik naar beneden en zoog opnieuw. Junyo kon zich niet meer inhouden. Hij spoot mijn hele mond vol sperma, terwijl hij hijgend fluisterde dat hij van mij hield. Ik slikte het grootste deel door, maar hield nog wat in mijn mond om de zachte zoete smaak van zijn zaad te proeven. Het smaakte heel anders dan de jongens die ik al gepijpt had. Junyo’s sperma was hemels en had niet die scherpe ietwat bittere nasmaak. Ik perste de laatste druppels uit zijn eikel en likte ze met het puntje van mijn tong op. Ondertussen keek ik hem recht aan en hij keek diep in mijn ogen met een gelukzalige glimlach. Onze blikken losten elkaar niet meer toen ik zijn eikel en zijn lul bleef likken als een ijsje dat maar niet smelten wou. Zijn penis werd even wat slapper, maar Junyo kreeg al snel een volgende erectie toen ik hem verder bleef pijpen. Zijn pik stond weer kaarsrecht omhoog. “Make love to me,” vroeg ik hem zacht. “Anytime, my princess,” glimlachte hij me toe. Ik gleed van zijn lichaam af en legde mij op mijn rug op het bed. Junyo kroop over mij en begon mij overal te kussen en te likken. Zijn handen aaiden mijn lichaam van het topje van mijn hoofd, door mijn lange haren, naar mijn borsten en buik, langs mijn dijen en benen tot aan mijn tenen. Hij bleef ter hoogte van mijn tepels hangen en likte daarna mijn kruis. Het was de eerste keer dat een jongen dit deed en het voelde zalig aan. Het wond mij zo op dat zijn tong daar eeuwig mocht blijven. Jammer, dacht ik, dat zijn tong niet net boven zijn lul stond, dan kon hij me likken terwijl hij mij anaal neukte, want dat gaf mij rillingen van genot. Zijn punkkapsel kietelde mijn buik toen hij mij likte. Door mijn kirrende geluidjes hoorde Junyo dat ik enorm opgewonden geraakte en bijna op het punt stond klaar te komen. Hij gleed als een slang over mijn lichaam naar boven en kuste mijn gezicht, mijn lippen en mijn hals. Zijn penis duwde in mijn bilspleet. Ik opende mijn benen en sloeg ze rond zijn middel. Junyo porde enkele keren, tot zijn eikel 74

CIRCUMPLAUDO


in mijn kontgaatje verdween. Hij wachtte een fractie van een seconde en stootte toen plots hard door tot zijn volledige lul in mijn kontje gleed. Het leek of ik opengescheurd werd en mijn ingewanden opzij gedrukt werden. Het deed geen pijn en veroorzaakte een golf van opwinding door mijn hele lichaam. Ik sidderde en trilde van genot. Hij duwde zijn bekken nog harder tegen mij aan en drong nog dieper binnen. Terwijl hij mijn hals kuste en ik kreunend allerlei lieve woordjes fluisterde, bewoog hij zijn bekken op en neer en ramde met zijn pik dieper en dieper in mijn anus. Steeds harder, waarbij hij ploffende geluidjes leek te maken wanneer hij de lucht uit zijn longen blies van de inspanning. Ik omknelde mijn benen stevig rond zijn billen en duwde mee op zijn ritme in de hoop hem harder en dieper in mijn kontje te krijgen. Ik verlangde naar zijn zaad in het binnenste van mijn lichaam. Ik wenste dat hij zo hard doorstootte dat zijn lul mijn hart zou raken en zou volspuiten met zijn geil. Zijn pik zou zich verder omhoog een weg boren tot in mijn mond, zodat ik hem opnieuw kon pijpen en de cirkel rond was. Vanwaar we weer van voor af aan zouden herbeginnen en hij weer in mij zou klaarkomen, tot ik overliep van zijn sperma, zijn uiting van liefde. Ik kreunde steeds luider, zei hem harder te neuken en vroeg hem diep in mij te rammen. Hij ging steeds sneller en sneller en toen hij zijn zaad in mijn kontje schoot, kwam ik ook klaar en spoot mijn geil over mijn billen, zijn scrotum en mijn buik. Ik was nog heviger klaargekomen dan in het bubbelbad en al mijn spieren trilden, alsof ik net een marathon gelopen had en uitgeput de eindstreep bereikt had. Mijn orgasme was een explosie van fysieke inspanning en psychische opwinding. Ik omhelsde Junyo met mijn armen rond zijn middel en schouders en mijn benen rond zijn billen. Ik kuste langdurig in zijn nek. Ik was uitzinnig van vreugde en wou hem nooit meer uit mijn kontje. We fluisterden hoeveel we van elkaar hielden – van hier tot in Londen en zelfs tot aan de maan en de zon. Het leek een opbod in het bewijzen hoeveel de een voor de ander over had. Die nacht CIRCUMPLAUDO

75


versterkten wij onze verliefdheid met een stevige intieme innige band, die ons de rest van ons leven zou samenhouden. Vanaf dat moment zouden wij niet zonder elkaar kunnen leven en we bezegelden onze liefdesbelofte met een extra lange en natte tongkus. Ondertussen bleef zijn penis in mijn kontje nog steeds hard van lust en Junyo bewoog nog langzaam op en neer alsof hij niet stoppen wou. Mij hoorde je niet klagen. Ik vond zijn lul heerlijk en kon alleen maar dromen dat het eeuwig zou blijven duren. We bleven elkaar non-stop kussen, strelen en lieve woordjes toefluisteren. Uiteindelijk vielen we in slaap, mijn hoofd rustend tegen zijn schouder en mijn ene arm in een innige omhelzing rond zijn borstkas. Zijn hand lag verdwaald op mijn bil. We zweefden allebei in ons eigen wereldje en we hoorden het gejoel van de bandleden in de kamer ernaast niet meer.

Titel: Ontboezemingen De seksuele schooljaren van Katiana Amara Auteur: Katiana Amara Aantal pagina’s: 204 Uitgever: Amara ISBN: 978-9-08-165121-9 Prijs: ₏ 19,95 76

CIRCUMPLAUDO


Jac.P. Meiland & H.A.M. Jutte

uit: Brieven, Deel I, 1985 Sassenheim 10 november 1985 Uwe geëxcuseerdheid Jac.P. Meiland. Natuurlijk vind ik het niet erg dat U Uw depressiviteit lucht in onze correspondentie, ik kan dat wel begrijpen, mijn gemoedstoestand bevindt zich ook ver onder het vriespunt. U zegt dat ik blij moet wezen met mijn familie, want die valt reuze mee. Dat is natuurlijk wel zo, maar dat betekent niet dat ze mij geen last bezorgen. Je zal er maar mee opgescheept zitten. Als m’n moeder niet zit te zeuren over mijn uiterlijk en dat ik zo nooit een vriendje krijg dan zit mijn vader wel te teuten over dit of dat (meestal over dit, soms over dat) en vooral dat ik mijn leven natuurlijk niet moet vergooien – terwijl niemand mij ooit heeft kunnen uitleggen wat daar eigenlijk mis mee is, met het vergooien van je leven. En dan heb ik ook nog een stelletje broers en een zus die constant vinden dat ik loonsverhoging moet vragen, nee, moet eisen. Wat moet ik nou met nog meer geld, ik krijg het nou al amper op! Ben ik daar nou godver 24 voor geworden, om van mijn hele familie te horen hoe ik moet leven! Ik verknoei mijn leven liever op mijn manier, en niet op de hunne. Het kan blijkbaar niet anders dan dat je een puinhoop van je leven maakt, maar laat het dan alsjeblieft mijn puinhoop zijn. U ziet wel, het is overal wat, niemand blijft gespaard voor het lijden. En dan te bedenken dat ik eigenlijk helemaal niet geschikt ben voor het leven, zodat de klappen dubbel zo hard aankomen. U begrijpt, ik loop vanavond over van zelfmeelij, en ik laat U er, als onschuldige, onder lijden. Soms denk ik wel eens dat het leven een reeks van zinloze jaren is CIRCUMPLAUDO

77


aan welks eind zich de dood bevindt, die wel niks oplost, maar dan ben je er tenminste vanaf. Ik heb wel eens gelezen dat men de zin van het leven in liefde en werk moet zoeken. Wat dat werk betreft, ik vraag me af wat voor werk die schrijver daarbij voor ogen had, allicht niet dat van heftruckchauffeur. En wat die liefde aangaat, wat bij de meesten voor liefde doorgaat is niets anders dan eindeloze ellende en enorm veel gezeik aan je kop. De rest is fantasie. Het spijt me, ik hoop dat ik U niet depressief maak met mijn gezeik. Ik ben al niet beter dan de rest, dat blijkt wel uit deze brief, ik denk alleen aan mijn eigen ellende. Ik zal proberen over wat anders te schrijven. Nog bedankt voor de adressen die U mij heeft toegezonden. Helaas heb ik mijn verhaaltje nog niet verzonden, want ik moet het nog opnieuw uittypen, daar die idioten die dat laag-bij-de-grondse stenciltje hebben verspreid het origineel hebben verduisterd. En mijn mentale situatie verhindert mij te typen. Over verhaaltjes gesproken… Zoudt U aanstaande woensdag, wanneer U mijn woninkje plus mijzelf zoals afgesproken zult bezoeken, het verhaaltje kunnen medebrengen dat ik U ter lezing heb overhandigd. Ik heb trouwens nog een boek van U, dat kunt U dan gelijk weer bij U thuis in veiligheid brengen. Overigens, dat ik Lubbers een misdadiger noemde had meer te maken met het geleende boek, dan met die kruisraketten. Ik weet best dat dat niet zo eenvoudig in elkaar zit met die bommen, hoewel ik zelf ook m’n handtekening heb gezet (een mens moet toch wat.) Maar na lezing van dat mooie boek kreeg ik het idee dat alle machthebbers misdadigers zijn, dat moet wel, want anders zouden zij een dergelijke positie nooit bereikt hebben. Het vervelende is alleen dat er altijd wel van die machthebbers moeten zijn, de mensen zijn gewoon te slecht om het zonder te doen. In het anarchisme geloof ik dus ook al niet, hoewel ik het graag zou willen… 78

CIRCUMPLAUDO


Nu zou ik U graag vertellen wat mij laatst overkwam. Ik las in een boek van James Joyce, met de titel ‘Dubliners’. Daarin stond deze zin: ‘Liefde tussen mannen onderling is onmogelijk omdat er geen seksuele omgang mág zijn, en vriendschap tussen man en vrouw is onmogelijk omdat er seksuele omgang moét zijn.’ Of deze bewering waar is laat ik even in het midden, maar daar ik katholiek ben opgevoed kan ik er wel inkomen. Door deze opmerking was ik zozeer getroffen dat ik haar en het hele verhaal waarin zij stond wel luide wilde voordragen. Doch ik keek om mij heen, en wat zag ik? Een treindeel vol mensen die verlangden naar de vergetelheid van drank of slaap of beide (ik kwam namelijk van school.) Ik besloot om maar van die voordracht af te zien. Daarna wenste ik hevig een straatsteen te zijn, of de vent die de spoorboekjes maakt, beiden hebben tenminste geen weet van de dingen. Om mijn ellende nog te vergroten kan ik niet verder met m’n boek. Ik moet namelijk beginnen met hoofdstuk 6, maar ik heb geen idee waar dat over moet gaan, maar het moet ergens over gaan, anders is het boek niet af. Sorry, ik ben al net als U, ik verval ook telkens in geklaag, alleen heb ik er het recht niet toe. Ik ben blij voor U dat het optreden van Tom Waits zo’n positieve belevenis was, een mens heeft toch zo nu en dan een lichtpuntje nodig in die eeuwige duisternis. En wat dat idee van U voor een boek betreft, U moest het toch maar proberen, U doet gewoon of U nog wel illusies heeft, en wie weet wat een kunstwerk U dan schept. Waarom niet? Het talent heeft U, en het idee nu ook. En nu moet ik bekennen dat ook mijn leven z’n lichtpuntjes kent, ik heb gisteren een LP aangeschaft die mij heel erg bevalt, ik draai hem de hele dag, het is ‘Rum, sodomy & the lash’ van ‘the Pogues’. Maar daar heeft U misschien nog wel nooit van gehoord. Op die plaat zingen zij onder andere dit couplet:

CIRCUMPLAUDO

79


I’m going to make me a good sharp axe, Shining steel, tempered in the fire, Will chop you down, like an old dead tree, Dirty old town, dirty old town. 1 Ik denk dat het over Sassenheim gaat nu ze er overal van die akelige verkeerslichten zetten en K. maar steeds burgemeester blijft. Maar goed, genoeg geklaagd nu, ik neem afscheid van U, maar blijf wel Uw vriendin, zuster en minnaresje, eeuwige zeurpiet, mislukt maar immer doorploeterend schrijfstertje, de ongelukkige zonder hoop, die nooit iets van het leven zal begrijpen, Uw mede-eenzame, voor altijd en eeuwig Uw eigen H.A.M. Jutte P.S.

Deze brief schrijven heeft mijn depressiviteit een beetje verlicht, mijn dank dat U mij deze mogelijkheid biedt.

1

Het lied “Dirty Old Town” is geschreven door de Engelse songwriter Ewan Macoll (1915-1989), pseudoniem van James Henry Miller. 80

CIRCUMPLAUDO


Bollendorp 18 november 1985 Uwe Vorstin der Letteren H.A.M. Jutte; Ik weet niet hoe het aan Uw kant is, maar aan deze kant van ons bollendorp S. is de winter hardnekkig zijn zegetocht begonnen. Ik houd ervan om ’s ochtends vroeg wakker te worden, en even uit het raam te kijken naar het donkere buiten. Nog meer houd ik ervan om weer terug mijn bedstede in te kruipen, met het besef dat ik nog geen werk heb, en daarover zeer tevreden ben. Nu nog de sneeuw. Bedankt voor Uw brief. Deze correspondentie is een unicum, en mag nooit stoppen. Wat is het toch heerlijk om iemand te schrijven. Iemand die je kunt vertrouwen, en die je lief vindt. Uw ontroerende woorden over de Liefde… (“wat bij de meesten voor liefde doorgaat is niets anders dan eindeloze ellende en enorm veel gezeik aan je kop. De rest is fantasie.”) …deden mij geheel smelten. Ik ben het geheel met U eens. Ik hoop dat U wel beseft dat de relatie tussen U en Uw ex-man niet te vergelijken is met die tussen Maria en mij. Maar laten we deze zaken liever laten rusten. Dat is voorbij; een afgesloten periode. Wat vindt U hiervan: “Alle liefde is medelijden” volgens Schopenhauer. Gerard Reve voegde in een lezing daaraan toe: “Alle medelijden is Liefde.” U begrijpt het al: we komen er nooit meer uit. Dat verlangen van U naar een straatsteen moet U mij maar eens op Uw gemak uitleggen, want dat lijkt mij zeer interessant. Hopelijk bedoelt U niet dat men dan over U heen kan lopen.

CIRCUMPLAUDO

81


Dit keer niet zulk een lang epistel, maar beter iets dan niets. En trouwens‌ Ik blijf Uw Vader, Zoon en H.Geest. Uw Kind, doch tevens Uw minnaar. Een nog immer vallende, maar sinds laatst iets opgeknapte Jacobus Petrus Meiland (die gaat en is, die blijft en was.)

P.S. Zuid-Holland (geintje)

82

CIRCUMPLAUDO


Binnenkort verkrijgbaar

CIRCUMPLAUDO

83


Titel: Ik vond de site beter… Auteur: Argibald Aantal pagina’s: 106 Uitgever: Xtra Bestel bij de webshop van Zone 5300 of Bol.com Prijs: € 9,90

84

CIRCUMPLAUDO


CIRCUMPLAUDO

85


86

CIRCUMPLAUDO

Circumplaudo nr. 56 maart 2012  

Literair internettijdschrift

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you