Issuu on Google+

Literair internettijdschrift

C-I-R-C-U-M-P-L-A-U-D-O

nummer 51 | mei/juni 2011 | 5e jaargang


CIRCUMPLAUDO nummer 51 mei/juni 2011 5e jaargang

-tweemaandelijks verschijnend literair platformAd van der Zwart Marijke Scholten Eric Peterse Redactie

www.circumplaudo.nl Webadres

adzwart@circumplaudo.nl E-mail

Kopij kan worden ingezonden naar het bovenstaande e-mailadres. Kopij

Ad van der Zwart Vormgeving website

Eric Peterse Omslagfoto Vormgeving omslag en binnenwerk

Š 2011 Copyright berust bij de betreffende auteurs. Copyright

Deze uitgave is zonder subsidie tot stand gekomen.

2

CIRCUMPLAUDO


Inhoud

Argibald - Cartoons 4, 10, 19, 28 en 36

Leo van der Sterren - De overstroming 5

Joop Hooymans - Twee gedichten 8

Koen Vlaeminck - Een verraderlijke anjer 11

Kees Engelhart - Vier gedichten 20

C.P. Vincentius - Berglucht 29

Marijke W.I. Scholten - Thuis 31

Sander Huijsen - Der Eifel-Tour 33

Gurkje van Dam - Feest! 37

Jac.P. Meiland & H.A.M. Jutte - uit: Brieven, Deel I, 1985 42

CIRCUMPLAUDO

3


Argibald

4

CIRCUMPLAUDO


Leo van der Sterren

De overstroming „Je kunt maar beter leren zwemmen,‟ adviseerden ze (onder anderen Jan van Opheus, Flip Drenker en Wisse „De Kruk‟ Nijmijner) mij toen ik in het huis aan de rivier ging wonen dat een veranda aan de achterzijde had met uitzicht op het rivierlandschap en met zes witte zuiltjes zodat ik mij van te voren al verkneukelde op de voorstelling van mijzelf als sultan, James Joyce of Texaanse oliemagnaat. Maar ik negeerde die als goedbedoelde, wijze raad verpakte staaltjes van bemoeizucht omdat ik als enige wist dat er letters door de bedding stroomden in plaats van water. En met letters wist ik als dichter en boekenwurm wel raad. Letters kon ik wel aan! Leer mij de letters kennen! Gedurende de verhuizing van mijn spullen van de oude woning naar het huis aan de rivier kreeg ik veel commentaar van de vervoerders over de grote hoeveelheid boeken die ik bezat. Ze moesten het ene na het andere loodzware krat versjouwen. Ze snapten niet dat iemand zoveel kon lezen – en dat die iemand dat vrijwillig deed! Ondenkbaar! Vooral die ene die Karsten heette, dat schoelje, bleef maar moeilijk doen en zeuren. Ik vermaande hem zoals alleen ik dat kan: „Elke kilo boek wordt duur betaald, dus niet zaniken, maar werken!‟ Toen ik mij eenmaal in het huis aan de rivier gevestigd had, nam ik mijn gewone lieve leventje van literator weer op. Ik laafde mij aan de letters in de rivier. Ik schreef talloze nieuwe gedichten, het ene nog neerbrekender dan het andere. Alles wat ik aanraak, verandert in goud, die gedachte overviel mij menigmaal. Daarnaast las ik veel. Zittend op de veranda aan de achterzijde van het huis met uitzicht over het rivierlandschap en met de zes witte zuiltjes, verslond ik menig boek. Maar in verhouding met het aantal boeken dat ik las, bedroeg het aantal boeken dat ik aanschafte een CIRCUMPLAUDO

5


veelvoud. Nog steviger dan vroeger had de verslaving van het kopen van boeken mij in haar greep. Hoewel het huis aan de rivier veel meer inhoud bezat dan mijn oude woning, barstte het al snel uit zijn voegen door de enorme en uitdijende verzameling boeken die het diende te herbergen. En toen gebeurde wat niet had mogen gebeuren: de lettermassa van de rivier begon te stijgen. In het begin kon ik de situatie nog laconiek opnemen. Het zal wel loslopen, dacht ik. Maar het liep niet los. De letterweg stroomde over. Vloedgolven van letters spoelden over de oevers. Ik nam de proef op de som en dook in de rivier. Tot mijn diepe teleurstelling bleef ik niet drijven in het meer van letters. Ik verdronk bijna maar wist met een acrobatische lichamelijke inspanning nog net het land te bereiken. Ik vroeg me af hoe ik mijn boeken moest redden van de wisse ondergang. Maar even daarna had ik heel andere zorgen. Toen ik weer vaste bodem onder mijn voeten had, moest ik tot mijn verbijstering constateren dat mijn nieuwe huis omsingeld was door een zee van letters die gestaag de hoogte in bleef groeien.Vertwijfeling om die organische wurggreep overmande mij. Op een gegeven moment zag ik geen andere oplossing dan een toren van mijn boeken te maken, van onderen breed en naar boven toe steeds smaller, een soort piramide of toren van Babylon. O wat deed het mij pijn om mijn geliefde boeken aldus te moeten aanwenden. Zo oneigenlijk! Zo boek-onwaardig! Ik klom naar boven en zag de letters stijgen. De zes witte zuiltjes werden langzaam maar zeker door de letters ingepalmd. Uiteindelijk zat ik met mijn onderbenen al in de letters. En mij werd gewaar hoe instabiel de toren van boeken werd. De letters vraten aan de boeken als opstandelingen die hun broeders terughaalden uit de ballingschap. Ik voelde hoe de door mij gewrochte constructie wankelde. Ik besefte dat ik een tragische en vooral belachelijke verdrinkingsdood zou dienen te sterven. Ik zou overletterd worden – letterlijk. Voor de laatste keer proefde ik de smaak van genoegdoening toen ik onder anderen Jan van Opheus 6

CIRCUMPLAUDO


en Wisse „De Kruk‟ Nijmijner levenloos voorbij zag drijven – als etalagepoppen met wijd opengesperde ogen. Op een gegeven moment – de letters stonden letterlijk aan mijn lippen – kwam er over het grote, zwarte meer een bootje met een luid sputterende buitenboordmotor aanvaren. Toen het bootje tot op een paar meters genaderd was, zag ik dat een mooi meisje met lange blonde haren het vaartuig bestuurde. Ze deed me denken aan de lady of Shalott van John William Waterhouse, maar dan in een sexy versie. „Hoe heet je meisje?‟ riep ik. „Dreamgirl,‟ antwoordde het meisje. De boekentoren wiebelde vervaarlijk. Het meisje zag dat allemaal maar bleef uiterlijk volstrekt onbewogen. „Wil je mij redden?‟ smeekte ik, terwijl de letters over mijn onderlip stroomden. Er was nog plaats genoeg voor een tweede persoon op dat bootje. Maar de stuurvrouwe wendde de steven en voer weg over die golvende lettervlakte, met als sluitstuk de weelderige blonde haardos die wapperde en aanstoot gaf.

CIRCUMPLAUDO

7


Joop Hooymans

Twee gedichten Gemiste belofte Schemer op het perron, stilte verbreidde zich in kringen, geklaag verving het zingen, geen eind dat deze dag vermijden kon. Verkeer langszij weer in de val, mâ€&#x;n werk een te strakke sjaal, in de verte klemden de sporen mijn verhaal aan jou tot lofzang van verval. De trein zoog koppig met „t uur dichte mist in vlagen en heel zuur, ontwaarde nog, half verdoofd dat, waar ik 's morgens op had afgestemd, tussen wielen zo werd afgeremd. De avond had ik me anders beloofd

8

CIRCUMPLAUDO


Vrijheid Zet je masker af verdraag de pijn ontwijk me en ook dat wat je noemt als mijn dan schrijft het licht uit hart en geest de liefde in je nog naakte gezicht

CIRCUMPLAUDO

9


Argibald

10

CIRCUMPLAUDO


Koen Vlaeminck

Een verraderlijke anjer Goedemorgen Michel, lees ik van mijn scherm in een tekstbalkje. Een groet van Miriam. Rollende Kei is haar schrijversnaam, naar analogie met de naam van haar senioren basketbalploeg De Rollende Keien. Miriam en ik hebben veel gemeen: solitair, niet meer van de jongste, kinderen die het huis uit zijn, gestudeerd, verzot op reizen en wandelen, ochtendmens en gepassioneerd door schrijven. Ik weet dat ze op een reactie zit te wachten, wat meestal de start is van een gekeuvel waaraan pas een einde komt als het iets geforceerds krijgt. Niet dat alle vragen dan gesteld en beantwoord zijn, integendeel. Met de dag lijkt ze me raadselachtiger. Soms vraag ik me af of haar lovende commentaar op mijn verhalen wel oprecht is. Toch kan het geen vraag zijn naar een literair schouderklopje. Zij schrijft alleen maar gedichten, en zulke dingen lees ik niet. Ik typ wat spontaan in me opkomt: Een goede zaterdagmorgen Rollende Kei. Zoals altijd vroeg uit de veren? Vertel me nu maar eens hoe jouw basketbalploeg aan die toch wel ongewone naam komt? Ik klik op verzenden, sluit mijn ogen en masseer met mijn duim en wijsvinger mijn nog stram draaiende oogbollen. Eigenlijk zou ik liever weten hoe zij eruitziet, een vraag die ik mezelf al dikwijls gesteld heb. Ik schenk me een eerste kop koffie in voor vandaag. Een nieuw bericht vult het tekstbalkje: We zochten een naam. Iemand van ons team zei:“Waarom niet De Rollende Keien?� Ze was ooit getuige geweest van een steenlawine. Het was haar opgevallen hoe de ene steen de andere met een stoot aan het rollen bracht. En wanneer er een rots in de weg stond, rolde die steen erover of zette hij na een flinke klap zijn weg links of rechts voort. Niet te stoppen dus. Dat is beeldsprakerig uitgedrukt de geest van onze basketbalploeg. En nu jij: waarom schrijft personeelschef Michel Rijpens onder zijn eigen naam? CIRCUMPLAUDO

11


Zonder veel na te denken typ ik: ik schrijf niet over seks of politiek, en ik zal ook nooit bewust iemand van ons bedrijf als model nemen voor een van mijn personages; dus waarom niet? Terwijl ik me haar probeer voor te stellen, staar ik afwezig naar mijn scherm. Een nieuw bericht stopt mijn dagdromen. Ik scherp mijn ogen: Sommige leerlingen vinden mij niet kritisch genoeg voor een academicus, maar... ik had je iets willen vragen. Als je het geen goed idee vindt, even goede vrienden. Die aarzelende toon is ongewoon voor haar. Nieuwsgieriger dan ooit schrijf ik: Vraag wat je wilt, geen geld, dat heb ik, maar dat krijg je niet. Met mijn kop koffie in mijn hand kijk ik als een hongerige hond naar het lege balkje tot er weer een bericht verschijnt: Blijf je bij je besluit om van de aanstaande schrijverssamenkomst weg te blijven? Ik had je graag eens in levenden lijve ontmoet. Misschien kunnen we al beginnen met elkaars telefoonnummer uit te wisselen? Mijn nummer is 0495503228. Mijn hart slaat sneller. Misschien het begin van iets moois, maar ik moet opletten. In mijn zoektocht naar een nieuwe partner mag ik niet opnieuw dezelfde fout maken. Drie jaar na de dood van mijn geliefde vrouw had ik via een contactadvertentie in de Koopjeskrant met een alleenstaande moeder een afspraak gemaakt. Toen ik haar in de verte aan de beschrijving van haar kleren herkende, wilde ik het op een lopen zetten, maar te laat. Haar vetgevleesde arm ging de hoogte in waarop ze haar pas versnelde. Nog nooit had ik zo‟n zwaarlijvige vrouw gezien. Een uur lang werd ik gekweld door de vraag hoe ik van haar kon afraken zonder haar te kwetsen. Het spijt me, maar ik ga niet naar bijenkomsten waar ik met mijn vijftig winters de nestor ben. Ik geef je mijn nummer, maar voor wat hoort wat. Ik had graag een mooie foto van je, en ik denk dat we elkaar beter schrijven via e-mail dan in die tekstbalkjes. Als je van mij een foto wilt moet je geduld hebben, ik heb er niet één waarop ik alleen te zien ben, en de zelfontspanner van mijn digi12

CIRCUMPLAUDO


taal toestel is stuk. Mijn nummers zijn: 03/2334585 en 0465329874. Ik overlees de tekst, klik op verzenden en verlaat de site. Tijd om te plassen en een boterham te smeren. Vijf minuten later zit ik weer achter mijn scherm. Haar antwoord steekt in mijn mailbox: Bedankt! Ik stuur je binnen het uur enkele foto’s. Ik vind het niet erg dat ik er nog geen van je heb. Het uiterlijk vind ik niet belangrijk. Iemands stem vind ik veelzeggender. Het hart-emoticonnetje achter haar bericht maakt me nerveus, misschien wat voorbarig en te direct op de man af. Haar scherpe mening over het uiterlijk baart me zorgen. Het klinkt als een waarschuwing. Misschien heeft ze een goede reden voor om er zo uitgesproken over te denken. Ha, eindelijk, zie bijlage lees ik. Ik recht mijn verkrampte rug en open de bijlage. Vier foto‟s van een beeldschone veertiger stokken mijn adem. Houdt ze me voor het lapje? Het zou alvast getuigen van weinig zelfrespect. Op de achtergrond zie ik op een rek goudkleurige trofeebekers staan. Ik vraag me af hoe zo‟n schoonheid nog alleen kan zijn; borsten als uitgestoken vuisten, een glimlach om ijs te doen smelten, en aan elke vinger een ring met daarin een fonkelende steen. Harder dan gewoonlijk sla ik mijn toetsen aan: Foto’s ontvangen. Veel dank! Ik bel je straks om één uur. Laat het me weten als je een ander tijdstip verkiest. Met ingehouden adem klik ik op het hart-emoticonnetje en vervolgens op verzenden. Precies één uur. Ik zit op de rand van mijn fauteuil. Binnen enkele ogenblikken hoop ik de stem te horen van een vrouw die ik nog nooit ontmoet heb, maar over wie ik meer weet dan over mijn enige dochter. Met een uitgeprinte foto van haar op mijn schoot, toets ik het nummer van haar mobiel in. “Met Miriam”, hoor ik twee tellen later. CIRCUMPLAUDO

13


“Miriam, met Michel. En stipt op tijd zoals het een personeelschef betaamt.” Voor het eerst gaat haar naam over mijn lippen, traag en gearticuleerd, met zorg voor de drie klinkers die ik als muzieknoten uitzing. Ze lacht voluit. “Je houdt je toch voor ogen dat ik geen sollicitant ben?” Ik schraap mijn keel. “Natuurlijk, maar misschien ben ík dat wel.” Mijn hart klopt gejaagd. Waar haal ik de durf vandaan om er zoiets uit te flappen? “Verklaar je nader?” lacht ze. Haar stem klink onweerstaanbaar. Ik weet niet zo direct wat te zeggen, maar het gesprek mag niet stilvallen. “Vertel eens wat meer over je volgende reis?” vraag ik. “Ik hoor dat je een warm timbre hebt”, zegt ze met een stem die het vuur in mijn zinnen aanwakkert. “Tja, wat mijn volgende reis betreft. Er is nog niets gepland. Ik hou er niet van alleen te gaan; het is altijd uitkijken of iemand met me mee wil.” Er valt een stilte. Ik hoor haar in- en uitademen. In mijn fantasie klinkt het almaar sneller en dieper tot ze kreunend klaarkomt. “Een mens is niet gemaakt om alleen te zijn”, gaat ze verder. “Bovendien bestaan er vooroordelen en kwade bedenkingen tegenover mensen die solitair leven.” Haar opmerking en de plotse sombere toon verrassen me. “Zoals?” “Dat het dikwijls moeilijke mensen zijn met wie niet te leven valt.” “Met te praten alvast wel.” “Dank je, maar het is zoals tegenover ernstig zieken, of tegenover die het geweest zijn. Die mensen ondervinden ook heel wat vooroordelen.” Ik schrik. Waarom plots „vooroordelen‟ op het menu, en waarom ernstig zieken als voorbeeld? Ik voel de bui al hangen. Geen rozen zonder doornen, dit is dus de adder onder het gras. “Wil je me iets vertellen, Miriam, of heb ik dat mis?” 14

CIRCUMPLAUDO


“Ja… eigenlijk nee.” “Je bent ernstig ziek… een kankerpatiënt?” “Geweest, vijftien jaar terug. Van uitzaaiingen is er nooit sprake geweest. Het verontrust me niet meer, heel af en toe denk ik er nog aan.” Ze zegt niet welke kanker. Als ik moet gokken denk ik aan borstkanker. Dus veel kans dat wat links of rechts onder haar blouse zit nep is. Leven met een vrouw die maar één borst heeft, of misschien helemaal geen. Een breekpunt? Gelukkig voor mij en mijn lieve vrouw zaliger was dat niet zo, integendeel. De jaren na het wegnemen van haar beide borsten was de mooiste tijd van ons huwelijk. “Borstkanker misschien?” zeg ik gedurfd. Misschien een wat brutale vraag, maar ik wil het haar alleen makkelijker maken om erover te beginnen als ze dat wenst. “Maar nee… ik had beter gezwegen.” “Maar mijn rollend keitje toch. En waarom niet?” “Ach zo? Ben ik jouw rollend keitje?” “Ongetwijfeld! Ik kijk er al naar uit om te komen supporteren. Je moet me wel de spelregels van basketbal uitleggen.” “Met veel plezier, maar waarom niet morgen? Rond de middag bijvoorbeeld. Ik weet in Antwerpen op wandelafstand van het Centraal Station een gezellige taverne De Gouden Gids. Ik kom dan met de trein naar je toe.” Mijn hart slaat op hol. Ik ben sprakeloos. Een knappe vrouw die mij probeert te veroveren, dus niet alleen iets voor de film zoals ik altijd dacht. Of hou ik mijn wensen voor werkelijkheid? “Wel, wat denk je? Omstreeks kwart voor één arriveert op perron zeven de trein uit Mechelen.” “Ik ben al onderweg”, grap ik. “Die knappe man met witte anjer in het knoopsgat van zijn revers ben ik. Jouw gezicht pluk ik uit de menigte alsof er een helm met zwaailicht op je hoofd staat.” “Tot morgen dan”, zegt ze, waarop ze de verbinding verbreekt.

CIRCUMPLAUDO

15


Ik steek mijn mobiel weg. Met haar foto in mijn handen laat ik me in mijn fauteuil achterovervallen. Ik zit op een bank met zicht op spoor zeven. Het is halfeen. Ik knik naar mijn buurman, ga zitten en vouw mijn weekendkrant open. Binnen het met glas overkoepelde station is te merken dat de zon schijnt. De anjer in het knoopsgat van mijn revers wenkt me met zijn fruitige geur alsof hij vraagt om even te kijken of hij nog stevig vastzit. De krant kan mijn aandacht niet vasthouden. De voorpagina, het beursblad en de personeelsadvertenties, een leesgenot van meerdere uren, heb ik in vijf minuten doorbladerd. Het boek „Durf gelukkig te worden‟, komt me voor de geest. Ik had het na de dood van mijn vrouw van onze directeur gekregen. De titel vond ik sloganesk en ietwat keukenreceptachtig, maar de schrijfster heeft gelijk als ze zegt dat het velen aan moed ontbreekt om gelukkig te willen worden. Miriam heeft daarin volgens mij niet veel meer te leren, ze heeft meer durf dan ik aan de dag gelegd om deze ontmoeting voor elkaar te krijgen. Misschien heeft ze het boek ook gelezen? Ik kijk op mijn horloge, nog enkele minuten. Terwijl ik over mijn krant in de verte staar, probeer ik me de droom van voorbije nacht te herinneren. Miriam en ik liepen hand in hand over een eindeloos lang bergpad, altijd maar hoger op, de wereld aan onze voeten. “Aandacht”, galmt het door de luidsprekers. “De trein Brussel Antwerpen op spoor zeven is in aantocht.” Mijn hart klopt tegen mijn ribben. Ik vouw mijn krant toe, voel of mijn anjer nog op zijn plaats zit, en kijk toe hoe de trein het station tergend traag binnenrijdt alsof het een speeltje is waarvan de batterijen bijna leeg zijn. Wat een volk, en dat voor een zondagmiddag, denk ik als de deuren opengaan en een lange mensenstoet snel wandelend naar de uitgang gaat. 16

CIRCUMPLAUDO


Ik besluit te blijven zitten. Opgewonden zie ik in gedachten Miriam al staan, rondkijkend, op zoek naar de man met witte anjer, op zoek naar mij. Het station loopt leeg. Op perron zeven zie ik enkel nog een handjevol traag wandelende napraters. Als een zoeklicht flitsen mijn blikken alle kanten op. Een gevoel van onrust overvalt me. Misschien haar trein gemist? Maar waarom dan zelfs geen sms‟je? Ik maak aanstalten om op te staan en me opvallender op te stellen. “Kijk toch voor je uit!” schreeuwt een man links van me. Ik kijk over mijn schouder. “Mijn verontschuldigingen, mijnheer”, zegt een vrouw, zittend in een elektrisch aangedreven rolwagen. Een schok gaat door me heen. Haar stem en haar gezicht. Geen twijfel mogelijk. Meer dan enkele seconden denktijd heb ik niet. Wil ik mijn leven delen met iemand die nu net die dingen niet kan waarnaar ik reikhalzend uitkijk? En zo ja, zou ik haar en mezelf dan gelukkig kunnen maken? Met mijn platte hand bedek ik de anjer. Ik knijp mijn vingers tot een vuist, trek de bloem uit het knoopsgat en steek hem in mijn vestzak. Ik vouw mijn krant open. Vanuit mijn linkerooghoek zie ik de rolwagen opnieuw in beweging komen. Bijna onhoorbaar sluipt hij dichterbij. Ik nagel mijn blik op de kop van een artikel onderaan de krant. De bovenrand van de pagina hou ik laag genoeg opdat zij de revers van mijn jas kan zien. Vanonder mijn wenkbrauwen zie ik de rolwagen als een schaduw mijn gezichtsveld binnenglijden. Het motorgezoem gaat plots lager. De wagen staat bijna stil. Als gedwongen kijk ik over mijn krant. Twee blauwe ogen staren me onderzoekend aan. Mijn adem stokt. Ik begraaf mijn blik in de krant, waarna het motorgezoem weer hoger gaat. Ik kijk haar opgelucht na. Op de rugleuning van haar rolwagen kleven veelkleurige stickers met daarop namen en vlaggen van verre reisbestemmingen. Helemaal centraal staat een schotelgroot

CIRCUMPLAUDO

17


exemplaar met daarop een basketbalspeler in een rolwagen, en onderaan de naam De Rollende Keien. Ze stopt, kijkt enkele tellen lang spiedend in het rond en neemt haar mobiel. Als een weerlicht steek ik mijn hand in mijn jaszak en schakel die van mij uit. Ik laat mijn hoofd in mijn hadden zakken, sluit mijn ogen en geef mezelf enkele ogenblikken om tot rust te komen. Opgebrand ga ik overeind staan. Met hangende schouders slenter ik in de richting van de uitgang, gedesillusioneerd, maar ook schuldig om de zelfzuchtige keuze die ik maak. “Mijnheer, mijnheer”, hoor ik achter me. Ik keer me om. “U hebt iets laten vallen, mijnheer”, zegt een oudje, wijzend naar de bank waarop ik zat. “Die verdomde anjer”, vloek ik. “Vlug de vuilnisbak in.” Ik keer op mijn stappen terug, buig me voorover en steek mijn hand uit. Motorgezoem doet me in mijn verkromde houding verstijven. Verbijsterd kijk ik op het wiel van een rolwagen die pal voor me staat. Een hand met aan iedere vinger een ring, pakt de anjer van de grond en plant die tussen de duim en wijsvinger van mijn uitgestoken hand. “Het spijt me”, fluistert ze. “Het was een illusie te denken dat voor een rollende kei geen hindernis te groot is.”

18

CIRCUMPLAUDO


Argibald

CIRCUMPLAUDO

19


Kees Engelhart

Vier gedichten Voor Van Putten die het proeven kan Het is een stille winteravond Van Putten zit aan tafel en iedereen slaapt Van Putten drinkt zijn nachtmutsje Voorzichtig nippend De dagen lengen snel en niet meer komt van Putten Na zijn lange fietstochten in het donker nog thuis Van Putten verlangt naar de lente Er is zoveel gebeurd In gedachten heeft van Putten Zovele levens geleefd Dat het tijd wordt voor een nieuw leven Waar alleen de lente zorg voor dragen kan De lente is niets dan nieuw leven Na oud leven Dat is wat vaststaat Meer is er niet meent van Putten Nee nee nee bedenkt van Putten zich Waar van Putten werkelijk naar verlangt is Het vroege voorjaar het vroegste voorjaar Die is namelijk de mooiste van alle Beginseizoenen

20

CIRCUMPLAUDO


En eigenlijk is het al zover Luister maar naar de vogels denkt van Putten Kijk maar eens naar dat licht En het vreemde bollen in de eerst zo stakerige Takken van de struiken Het vroegste voorjaar is er al

CIRCUMPLAUDO

21


Opnieuw heeft Doppertje de pen ter hand genomen Doppertje haalt diep adem de afstand naar het dorp Zal ongeveer een mijl zijn dat is voor Doppertje Zelfs onder deze plotselinge verpletterende vermoeidheid Redelijk eenvoudig te volbrengen Doppertje bet zich het voorhoofd om nadat Doppertje Zijn roodbonte cowboyzakdoek zorgvuldig Ineengevouwen heeft weggestopt zijn weg naar Het dorp aan zee te vervolgen Doppertje wandelt over een fietspad dat er gisteravond Zeker nog niet was en Doppertje ziet mansions en Huizenblokken die Doppertje met de beste wil ter Wereld zich niet herinneren kan De automobielen zien er anders uit de fietsen en De mensen die op die fietsen zitten zien er anders uit Alles is anders meent Doppertje en desondanks is Doppertje weet het zeker Doppertje in en op weg Naar het dorpje aan zee zoals Doppertje het zich Van gisteren herinnert Opnieuw duizelt het Doppertje Even maar Doppertje is sterk genoeg

22

CIRCUMPLAUDO


Rechts over de bollenvelden ziet Doppertje iets dat Op het Colosseum lijkt en daarachter hoge Flatgebouwen die nauwelijks bij dit dorp aan zee Lijken te kunnen horen Doppertje kijkt achter zich en waar Inderdaad het hoge flatgebouw gisteren nog hoog boven het bos Uit torende is er niets te zien dan het bos alleen En daarvoor de bollenvelden die strekken tot aan Het gebouw dat veel van het Colosseum weg heeft

CIRCUMPLAUDO

23


Mevrouw Leenschat van Bodegraven overweegt The Black Crowes Soul Singing Het is avond mevrouw Leenschat van Bodegraven heeft Zich genesteld in haar kleine zijvleugel en geniet een Dornfelder tweeduizend en vijf een werkelijk heerlijk Wijntje meent mevrouw Leenschat van Bodegraven Niet te zoet niet te zuur zachte fruittonen die Mevrouw Leenschat van Bodegraven haar papillen Geheel tot volledige overgave brengen De echte kou is geweken en mevrouw Leenschat van Bodegraven Heeft het sterke gevoel dat de werkelijke koude niet nog Weerkomen zal Mevrouw Leenschat van Bodegraven rolt zich een kruidensigaret En staart een beetje naar het tuinraam en de tussendeur Van haar kleine zijvleugel Mevrouw Leenschat van Bodegraven heeft de sneeuwklokjes Gezien en mevrouw Leenschat van Bodegraven droomt Een beetje van de dag in het vroege voorjaar dat Mevrouw Leenschat van Bodegraven voorzichtig het tuinraam Of de tuindeur of wellicht beide openen zal omzichtig En met volledige aandacht Het is zeer genoeglijk in afwachting te vertoeven in Haar kleine zijvleugel mijmert mevrouw Leenschat Van Bodegraven de avond is nog relatief jong Er is al heel wat bezig daarbuiten mevrouw Leenschat Van Bodegraven weet het zeker 24

CIRCUMPLAUDO


In werkelijkheid heeft mevrouw Leenschat van Bodegraven Gezelschap nooit van wezenlijk belang geacht Behalve gezelschap van hen de makers van vastgelegde muziek Die men nahoren kan op ieder moment dat men daar genoegen In meent te kunnen ervaren Precies die gemoedstoestand waarin mevrouw Leenschat van Bodegraven Zich nu bevindt

CIRCUMPLAUDO

25


In een zacht en comfortabel bed dat geurt naar Doppertje zelf Doppertje bereikt de outskirts van het dorpje aan zee Dat voor zeker geen dorpje meer is Het is warm En Doppertje is werkelijk moe Nog even denkt Doppertje Dan ziet Doppertje dat het houten bruggetje dat over De vliet naar het groen huisje leidt verdwenen is Doppertje slikt wrijft zich de ogen uit en toch ergens Meent Doppertje dit alles dit vreemde te begrijpen Uiterlijk onbewogen loopt Doppertje een honderdtal Meters verder om over de vliet ziende te constateren dat ook Het groen huisje niet meer is waar het eens was Werktuigelijk slaat Doppertje linksaf de eerste zijstraat in Doppertje passeert een school die op het punt van Beginnen staat automobielen brommers fietsers Ouders opaâ€&#x;s omaâ€&#x;s kinderen een samenballing Van enorm leven mijmert Doppertje terwijl Doppertje hen in zijn vermoeidheid voorbijgaat Plotseling voelt Doppertje in zijn linkerbroekzak een Sleutel die Doppertje als onbekend voorkomt Doppertje slaat zomaar rechtsaf en direct Daaropvolgend rechtsaf Doppertje heeft het gevoel Dat Doppertje weet waar Doppertje heengaat

26

CIRCUMPLAUDO


Dan steekt Doppertje de sleutel in het slot Van een deur die Doppertje zeer vertrouwd voorkomt Niet veel later slaapt Doppertje een diepe droomloze slaap

CIRCUMPLAUDO

27


Argibald

28

CIRCUMPLAUDO


C.P. Vincentius

Berglucht Het murmelen van het bergbeekje pal naast het hotel vond Egbert bijzonder rustgevend. Hij sliep als een blok. Voor Helena lag dat anders. Door het murmelen van het beekje voelde zij vaker dan normaal de neiging om te plassen. Bovendien snurkte Egbert en woelde hij duidelijk anders in het tweepersoonsbed dan in hun lits-jumeaux thuis. Helena zocht paniekerig slaap en rust via drank en pillen. Egbert reageerde sto誰cijns. Dat Helena licht sliep en bij het minste en geringste gerucht wakker schrok om niet meer in slaap te vallen, was voor hem geen nieuws. De enige oplossing lag in een andere kamer aan de zuidzijde van het hotel, ver van murmelende beek en doorzagende Egbert. Het was een kleine kamer, bescheiden ingericht met een smal eenpersoonsbed. Dat was het aanbod van de hoteleigenaar, voor een Helena die zich na vier nachten slapeloosheid dodelijk vermoeid en geradbraakt voelde. De geriefelijkheid van thuis ontbrak, de ongestoorde geriefelijkheid van een echtpaar dat bewust voor kinderloosheid had gekozen en luxe als basisrecht zag. Een geriefelijk thuis, waar Egbert vaak op een opklapbed op zolder sliep. Ondanks de vermoeidheid van Helena besloot het jonge paar eropuit te gaan. Toen ze na een pittige bergwandeling van enige uren neerploften op de uitgespreide regenjassen, viel Helena prompt in diepe slaap. Het was net twaalf uur en de klok van de dorpskerk liet zich een aantal malen horen. Dat Helena in de volle zon lag, scheen haar niet te deren. Normaal schermde zij zich - hoogblond en met een bleke teint - liever van zonlicht af. Egbert staarde in het dal. Hij mat de afstand tot het hotel en het bier op het terras. Tot ook hij begon te lodderen in de zonnewarmte en zich zachtjes achterover liet zakken. De echtelieden, beide in korte broek, hemd met korte mouwen, hoge bergschoenen, rugzak naast zich, droomden weg in almaar rustiger en dieper ademhaling. De rust en de ontspanning die de vakantie hun beiden had moeten brengen, werd hun alsnog deelachtig. Er hadden die middag allerlei geluiden uit het dal geklonken, maar het was het fluitsignaal van de trein en misschien ook de lage stand van de zon die het echtpaar deed ontwaken. Het was intussen half zes, zag EgCIRCUMPLAUDO

29


bert. Stijf van de slaap op de harde ondergrond kwamen ze overeind, pakten de regenjassen in en deden hun rugzakken om. Gelukkig wisten ze tijdig een asfaltweg richting dal te bereiken, voordat de zon definitief verdween, om plaats voor de schemer te maken. Ze hielden een stevig tempo aan. Geleidelijk aan gehoorzaamden de spieren weer. Gezichten, armen en benen gloeiden. Ze waren stevig verbrand. Egbert en Helena arriveerden laat in het restaurant van het hotel. Prompt kregen ze ruzie met de kelner die al wilde afsluiten. Tijdens het eten merkten ze dat hun toch bescheiden dagelijkse quotum wijn stevig aankwam. Ze besloten de koffie in de bar over te slaan. Vanaf hun ontwaken op de alpenwei tot dan toe, had zwijgen hen als een dreigende deken omhuld. Eenmaal op de kamer begon Egbert amoureus te doen, hij omarmde, kuste, beet zachtjes in haar nek en fluisterde koosnaampjes. Des te onverwachter kwam voor hem de klap; een harde en welgemikte klap in zijn gezicht. De linkerhelft van zijn gezicht gloeide. Er zat veel kracht achter de klap. Daarna volgde een trap van een in bergschoen gestoken voet, ook hard en welgemikt. Egbert greep naar zijn kruis en klapte dubbel. Een harde trap in zijn ribbenkast deed hem tegen het voeteneinde van het bed belanden. Hij keek haar verbijsterd aan. De woedende grimas op het gezicht van Helena maakte plaats voor minachting. Ze liet hem liggen, draaide zich om en stapte naar het grote raam, dat bijna tot aan de vloer kwam. De koele nachtlucht streek over haar verbrande huid. Koude douche noch after-sunlotion hadden de gloed van de verbranding weg kunnen nemen. Ze staarde naar het beekje in de diepte, pal onder het hotelraam. Het hotel lag hoog op een rots, de bedding van de beek lag diep uitgesleten, circa vijftien meter onder het raam. Ze ademde diep. Achter zich hoorde ze het geschuifel en gekreun van Egbert. Ze weigerde om te kijken en voelde hoe haar lichaam verstrakte, toen ze de stap vlak achter zich hoorde. Tegelijkertijd kreeg ze een harde duw in haar rug, wankelde naar voren, greep in wanhoop naar het kozijn.

30

CIRCUMPLAUDO


Marijke W.I. Scholten

Thuis Gisteravond ben ik thuisgekomen, vanavond zal ik aardappelen eten. Ik zal er goeie jus bij maken. Ik had niet aldoor door dat ik niet meer thuis was en toch is het pas een jaar geleden dat ik op weg moest en verloren raakte. Ik kreeg last van gedachten en ambities die niet de mijne waren. Mijn woorden raakten zoek; er kwamen andere voor in de plaats, woorden die zich niet wilden voegen in zeggende zinnen en die gehoorzaamden aan een barre grammatica. Mijn lichaam protesteerde met veel misbaar en mijn geest ging op slot. Maar gisteren, in de trein, zaten er mensen achter me, ik kon ze niet zien; ze klonken naar Warmond en Lisse, en naar de spoorwegovergang bij Piet-Gijzenbrug. En de bloeiende bomen langs de rails herinnerden aan de meidoorns op vergeten veldjes bij de Ringvaart en de Kaag, waar het toch te drassig was voor tulpen en hyacinten. Toen wist ik plots dat ik naar huis ging, al was thuis inmiddels ergens anders dan waar ik geboren ben. Ergens anders ook dan waar ik een jaar geleden de deur achter me dicht moest trekken. In dat jaar heb ik het druk gehad met warrige gedachten en ingewikkelde zorgen en werd ik een vreemdeling in mijn eigen leven. Ik deed mijn werk, vervulde mijn plichten, klikte me een weg door het internet en wist niet wat er schortte. Soms was het niet eens duidelijk dat er iets schortte. Al die maanden dat ik naar mijn werk ging, de boodschappen deed, de was vouwde, de zichzelf vermenigvuldigende formaliteiten afhandelde en in bureaucratische labyrinten verzeild raakte, al die tijd was ik verbannen uit mijn eigen hart en buiten mijn eigen geest gesloten. Waar ik verbleef, dat weet ik eigenlijk niet. Maar het was er kil en voortdurend schemerde het er. En alles was aldoor heel hectisch. Het was er niet prettig. Nu ik weer thuis ben, blijken de formaliteiten zichzelf nog steeds CIRCUMPLAUDO

31


te vermenigvuldigen. Dat wel. Maar nu ik weer toegang heb tot mijn hart en mijn geest, kan het mij niet zo deren; behalve dan als ik moe ben. Je kunt niet alles hebben. In het jaar dat ik van huis was herkenden de straten me niet, de huizen bleven ongenaakbaar en op het megalomane station verdwenen de sporen in nietszeggende verten zonder bestemming. Geen verten om verlangend naar te staren, geen locomotief om terloops te aaien. De perrons en pilaren bleven anoniem en weigerden om te inspireren tot de kathedralen van woorden die ik ooit nog eens hoop op te trekken. En toch ben ik gisteren juist op dat station aangekomen en daar stond mijn fiets, die ineens niet meer hard en onbekend was, maar vertrouwd en soepel. Vanmorgen ben ik op die fiets de polder ingereden. Er stonden wat lammetjes, nog wankel op de prille pootjes. De kieviten schopten kabaal in de lucht en het klonk als verlangen naar de verre vlaktes waar ze de winter hebben doorgebracht. Nu ik weer thuis was, kon ik weer verlangen naar diezelfde verre vlaktes, net als de kieviten. Nu ik ben waar ik hoor, kan ik weer hunkeren naar elders. Want gisteravond ben ik thuisgekomen. En vanmorgen zag ik het licht naar binnen stromen, en de warmte van de zon. De krentenboompjes voor het huis bloeien, er dartelen pimpelmeesjes in. De kat is blij me weer te zien. Hij ruikt vandaag erg naar kater. De plantjes moeten water en ik weet waar de gieter staat. Het is goed om weer thuis te zijn. 4 april 2011

32

CIRCUMPLAUDO


Sander Huijsen

Der Eifel-Tour Ding. Ik kijk naar het dashboard. Fuel low, zie ik in oranje letters. Ik ben gisteren in de Duitse Eifel beland en in dit gebied, met heerlijke, kronkelende bergweggetjes, voel ik me goed. Ik moet er flink sturen om de auto de bocht door te krijgen en dan precies op tijd met mijn rechtervoet op het gas om met een licht kwispelende achterkant het rechte stuk op te rijden. Zes cilinders die ik brullend aan het werk zet om het zwarte, toch nog twaalfhonderd kilo wegende monster weer op gang te krijgen. Voor de volgende haarspeldbocht remmen, op het juiste moment insturen en aan het einde van de bocht weer flink op het gas. Ik heb „s avonds de wagen volgetankt en daarna direct een hotel gezocht. Vanmorgen heb ik rustig ontbeten, ben ik uitgecheckt en heb ik mijn impulsieve reis hervat. Ik kijk naar de benzinemeter en zie dat de wijzer in het rode vlakje hangt. Verdomme, hoe kan dat nou? Ik trap het gaspedaal minder diep in en schakel vlotter door. Ik vraag me af hoe ik mijn tank in zoâ€&#x;n korte tijd al weer leeg heb kunnen rijden en ga op zoek naar een tankstation. Vele kilometers later heb ik nog steeds geen tankstation gevonden en ik begin me enigszins zorgen te maken. Ik weet niet precies hoeveel brandstof er nog in de tank zit wanneer het lampje gaat branden, maar heel erg ver zal ik er niet mee kunnen komen. Zeker niet in dit gebied waar je de ene heuvel na de andere oversteekt en de weg zich ontvouwt als een aaneenschakeling van haarspeldbochten. Optrekken en weer afremmen, bocht na bocht. Ik rij nu al een uur rond en ik begin me ongemakkelijk te voelen. Ik moet snel een tankstation vinden. Mijn TomTom zou me moeiteloos naar het dichtstbijzijnde benzinestation kunnen leiden, maar die ligt nog thuis. Toen ik van huis vertrok, had ik niet verwacht CIRCUMPLAUDO

33


dat ik „m nodig zou hebben en ik neem me stellig voor nooit meer zonder TomTom te vertrekken. Nog steeds geen tankstation in zicht. Ik bedien het gaspedaal of er een ei onder ligt. Ik voel de pijn in mijn rechterscheenbeen dat niet gewend is aan zoâ€&#x;n subtiele beweging van de rechtervoet. Ik schakel absurd vroeg door, nog voor de teller tweeduizend toeren aangeeft, en ik laat de wagen zo lang mogelijk in de versnelling uitrollen. Ik vervloek elke heuvel die ik omhoog rijd en elke scherpe bocht waar ik de auto gevoelsmatig tot stilstand moet brengen. Wanneer ik na een schier oneindige reeks bochten en heuvels eindelijk een tankstation zie, durf ik te ontspannen. Nu pas merk ik de zweetdruppels op die zich op mijn voorhoofd hebben verzameld; ook mijn rug voelt klam. Ik verlaat de weg bij het tankstation en parkeer de wagen naast de pomp. Uit gewoonte zet ik de dagteller op nul. Ik stap uit, ontgrendel de benzinedop en begin te tanken. Na vijftien liter slaat de pomp af. Ik probeer door te tanken, maar de pomp slaat telkens af. Verdraaid, die tank was helemaal niet leeg! Ik hang de slang terug en loop naar het kantoor om de pompbediende te betalen. In mijn beste Duits bedank ik haar en ik wens haar een prettige dag. Zij mij ook en ze lacht me toe. Enigszins voldaan hierover loop ik terug naar mijn auto. Ik stap in, start de motor en doe mijn veiligheidsgordel om. Ik rijd weg bij de pomp. Voor ik de weg kan opdraaien, moet ik wachten voor een passerende vrachtwagen. Ding. Ik kijk naar het dashboard. Fuel low, zie ik in oranje letters. De benzinemeter geeft wederom een lege tank aan, al staat de dagteller nog steeds op nul. Ik geef een mep op het dashboard. Tot mijn grote verbazing zie ik de meter oplopen en een seconde later gaat het oranje lampje uit. Het is een los contactje. Ik zal het binnenkort even laten nakijken, maar voor nu kan ik er wel mee leven. 34

CIRCUMPLAUDO


De weg is weer leeg. Ik ga rechtsaf en geef gas. Ik word in de stoel gedrukt en ik voel weer de rauwe aantrekkingskracht van de heuvels en de haarspeldbochten. De incidentele klap op het dashboard neem ik op de koop toe.

CIRCUMPLAUDO

35


Argibald

36

CIRCUMPLAUDO


Gurkje van Dam

Feest! Het is vandaag Koninginnedag en ik heb me laten overhalen om een kijkje te gaan nemen bij een oranjevrijmarkt bij mij in de buurt. Al snel verveelde ik mij tussen de kleedjes met tweedehands spullen die al overbodig waren toen ze nog nieuw in de winkel lagen. Toen er ook nog iets met „sport‟ erin werd aangekondigd en er jongelui op fluitjes begonnen te blazen, vond ik dat ik mijn republikeinse en socialistische principes genoeg geweld had aangedaan en ging ik naar huis. Daar lag nog genoeg werk op me te wachten, klusjes waar je nooit aan toekomt; e-mails die om antwoord vragen, plantjes die al tijden een grotere pot nodig hebben, sokken die gestopt moeten worden. „Vroeger was alles beter,‟ dacht ik nog vinnig. „Toen waren dergelijke feesten nog gewoon leuk!‟ Maar eigenlijk wist ik tijdens het denken van deze woorden al dat dat niet voor elk vroeger klopt. In ieder geval klopt het niet voor het „vroeger toen ik nog klein was.‟ In mijn jeugd hoorde je het natuurlijk wel leuk te vinden, Koninginnedag. Zeggen dat je er weinig aan vond, dat was zoiets als zeggen dat gymnastiek niet leuk was. Dat liet je wel uit je hoofd. Rekenen, daarvan mocht je zeggen dat je er de pest aan had, zelfs al was dat eigenlijk niet zo en mocht je zeker niet jokken. Je mocht ook een hekel hebben aan ontleden of zelfs wel aan biologie. Maar de optocht door het dorp, de aubade bij het gemeentehuis en na afloop een beetje zaklopen enzo, dat was leuk en daarmee uit. Als kind kon je daar weinig tegenin brengen. Het meelopen in de optocht met versierde bogen was verplicht voor de leerlingen van alle lagere scholen in het dorp en werd klassikaal georganiseerd. Voor het versieren van de bogen op de dag voor Koninginnedag, mochten we groepjes van vier of vijf meisjes vormen. De kneusjes die niks konden, bleven over en werden door een leerkracht bij elkaar geveegd. Toen ik in de vierCIRCUMPLAUDO

37


de klas zat, bleven uit onze klas Annie, mijn vriendinnetje, en ik over. Ellen, uit de vijfde, werd bij ons gezet. Elk groepje kreeg een boog van een soort bamboe, je kon crêpepapier halen bij de juf van onze klas. Een luid gekibbel brak los op het schoolplein, want je kon prijzen winnen voor de mooiste boog; een ijsje bijvoorbeeld, of speldjes voor in je haar. Omdat wij maar met ons drieën waren, en als laatste aan de beurt; kregen wij één stuk wit crêpepapier. Ellen bleek al net zo onhandig als ik. Annie was eigenlijk veel handiger, maar die was weer te bedeesd om ons voor de voeten te lopen. Ellen verknipte een deel van het papier. Toen we de snippers vervolgens met plaksel op de boog wilden plakken, raakten een paar stukken verward in Annie‟s haar. Zij had een enorme bos krullen. Vervolgens probeerde ik iets met plakband, maar dat werd een rare klont van papier en plakband en een paar haartjes van mijn arm. Uiteindelijk lukte het ons om een soort witte strik op het hoogste punt van de boog te maken. De meester van de derde vond het sneu voor ons en scharrelde wat vouwblaadjes voor ons op, bleekgroene en bruinachtig oranje. Daar knipten we reepjes van die we om de boog wikkelden. Elders verschenen strikken, rozetten en festoenen in rood, wit, blauw en oranje aan de bogen. Tenminste, ik denk dat het festoenen waren. Daar hoorde je toen wel over, maar ik wist niet wat het waren. De meester van de derde knikte ons bemoedigend toe en ging elders toezicht houden. Annie en ik snoepten van het witte plaksel. Ellen probeerde het ook maar vond het naar niks smaken. Ze had natuurlijk gelijk en Annie en ik besloten dat we te groot werden voor dat kinderachtige gedoe. ‟s Avonds vertelde mijn oudste broer dat hij een skelet van wit crêpepapier aan hun boog had willen hangen, maar het papier was te slap. Ze hadden het toen maar zo‟n beetje om de boog gefrommeld. Mijn vader werd kwaad om het idiote idee. Maar ik had, uit pure bewondering, mijn toetje wel aan m‟n broer willen geven. We aten die avond griesmeelpudding, met suiker en kaneel. 38

CIRCUMPLAUDO


De volgende dag moesten alle schoolkinderen zich om half acht verzamelen bij de Oosthaven. Van daar zou de feestelijke stoet zich via een enorme omweg naar het gemeentehuis begeven. De fanfare liep voorop. Ons groepje werd door de onderwijzers een beetje tussen de andere gemoffeld, opdat onze boog niet te veel op zou vallen. Het was kil en de meeste kinderen waren veel te zomers gekleed in korte broeken en dunne zondagse jurkjes. Op de mijne zaten vrolijke bloemetjes geborduurd, op de plek die gescheurd was toen ik over een prikkeldraadhek wou klimmen. Mijn moeder kon heel goed borduren. Ellen en Annie waren ongeveer even groot en daarom hielden zij ieder een uiteinde van de boog vast. Ik was een stuk kleiner en liep er zo‟n beetje overbodig tussen. Vlak voor we vertrokken verschoof Ellen wat aan het verband om haar elleboog – ze had daar een steenpuist – en mopperde dat ze het koud had. Een meester van de jongensschool jutte de kindermassa op en riep dat we het wel warm zouden krijgen als we maar flink door zouden lopen. We zetten ons in beweging. Langs de hele route stonden ouders trots te zwaaien. Sommige vaders maakten zelfs foto‟s. Na de eerste straathoek begonnen mijn kniekousen af te zakken. Dat deden ze altijd en ik vond het de moeite niet waard ze iedere vijf minuten op te halen. Het begon een beetje te miezeren. Na één of twee keer hun kousen te hebben opgehaald, merkten Ellen en Annie dat dat lastig ging als je ook nog de boog moest vasthouden én moest doorlopen. Zij volgden mijn voorbeeld en lieten de kousen maar zo. De route ging niet langs ons huis. Mijn ouders stonden voor het huis van een tante, ze zwaaiden enthousiast naar mijn zusje die een paar meter voor ons liep. Haar groepje had een heel mooie boog. “Met guirlandes,” zou mijn tante later beweren. Toen wij langsliepen, deden mijn ouders of iets anders hun aandacht trok. Dat leek mij ook wel beter zo. Het miezeren hield even op, er brak zelfs een waterig zonnetje CIRCUMPLAUDO

39


door. Een meisje voor ons pochte over haar panty en haar jurk. “In de winkel gekocht.” “Dit broekpak komt ook uit de winkel,” zei het meisje naast haar. Een broekpak was toen nog een nieuwigheid voor ons. Annie droeg ook kleren uit de winkel, maar die waren eerst van een nicht geweest. Ze hield daarom haar mond. Met onze afgezakte kousen kwamen de pleisters op mijn knieën goed uit. Annie bleek een schaafwond op haar kuit te hebben. “Wij verdienen wel de prijs voor de stoerste meisjes,” fluisterde Ellen tegen ons. Ik keek naar haar bril, het rechterpootje was met een stukje pleister gerepareerd, en knikte beamend. Annie knikte ook maar merkte op dat zo‟n prijs niet bestond. Bij het gemeentehuis moesten we het Wilhelmus zingen, en „in een blauw geruite kiel‟ en nog zo wat vaderlandslievende gezangen. Omdat ik in het geheel niet zingen kon, hield ik mijn mond dicht. Annie gaf me een por om me te waarschuwen dat de juf van de vijfde naar ons keek. Ik deed toen alsof, bewoog mijn mond maar maakte geen geluid. Annie moest een beetje giechelen. Ellen, die ook niet goed kon zingen, deed met mij mee en toen Annie ook maar. Annie en Ellen moesten beurtelings giechelen; wat weer aanstekelijk werkte op mij. De juf van de vijfde hield ons in de gaten, waardoor ons gegiechel naar binnen sloeg en daar kriebelde in de buik. De burgemeester stond op het balkon, hij zag er niet uit als een burgemeester. Hij droeg geen eens een hoed en ook geen ambtsketting. Ik dacht dat ze een figurant hadden ingehuurd, een arme sloeber die alles wel wou doen in ruil voor een kom soep en een homp brood, en dat de echte burgemeester lekker warm onder de dekens lag en ontbijt op bed kreeg van zijn vrouw. Het begon weer te regenen, wat harder nu. Het crêpepapier begon af te geven. Om ons heen kleurden handen, kleren en haren rood, blauw en oranje. Wij, met onze vouwblaadjesboog, kwamen er goed vanaf en stootten elkaar aan om elkaar op bijzonder gekleurde kinderen te wijzen. De giechels in onze buik kwamen weer 40

CIRCUMPLAUDO


naar boven en kwamen met proesten naar buiten. De juf van de vijfde zwaaide met haar vinger naar ons. Wij hielden ons weer in. Na afloop moesten we de bogen inleveren op het plein van de meisjesschool. Daar werden ook de prijzen uitgereikt en kreeg elk kind een traktatie. Het was een hele ceremonie want het ging om de kinderen van vier scholen en in elke klas zaten zomaar veertig, vijfenveertig kinderen. En al die tijd regende het. Vrijwel alle kinderen waren nu blauw, rood of oranje. Bij sommige liepen de kleuren door elkaar, die werden dan paars of bruin. Wij kregen geen traktatie omdat we de orde hadden verstoord bij de aubade. Mijn zusje liet de hare zien, een zakje met onduidelijke snoepjes die ik nooit eerder gezien had. De meeste zakjes belandden al snel nog halfvol in prullenbakken omdat de snoepjes niet lekker waren. Wat later moest ik zaklopen. Daar had mijn moeder me voor opgegeven omdat ze dacht dat het goed was voor kinderen om overal aan mee te doen en zich niet afzijdig te houden. Mijn protesten hadden niet geholpen, zelfs het argument dat ik ook zonder jutezak al ruimschoots voldoende vaak viel, had haar niet kunnen vermurwen. Natuurlijk viel ik languit op het modderigste stuk van het parcours. Mijn zusje haalde de eindstreep en werd vierde. In de middag moest mijn vader mijn oudste broer naar het ziekenhuis brengen. Hij was bij het boegsprietlopen (ook een idee van mijn moeder) in het water gevallen en had daarbij zijn knie opengehaald aan iets scherps onder water. Ondertussen werden wij, de overige kinderen, schoongeschrobd door mijn moeder. Mijn zondagse jurk mocht ik voorlopig niet meer aan want ik verknoeide hem maar. Mijn broer kwam terug met zeven hechtingen en een tetanusprik. Zeven! Dat was nog meer dan de buurjongen toen die zijn elleboog had opengehaald op de kermis. Ik wist het wel zeker, ik had de stoerste broer van iedereen. Ha! Zelfs de koningin had niet zoâ€&#x;n stoere broer.

CIRCUMPLAUDO

41


Jac.P. Meiland & H.A.M. Jutte

uit: Brieven, Deel I, 1985 Hillegom 15 mei 1985 Uwe edelmoedigheid Jac.P. Meiland Mijn nederigste excuses voor het onvergeeflijke onrecht U door mij aangedaan toen ik op het onzalige en onsmakelijke idee kwam Uw naam verkeerd te spellen. Mij rest nog slechts de hoop dat U in een vlaag van onmetelijke edelmoedigheid besluit om mij deze misdaad te vergeven. U begrijpt dat ik mij nu hul in zak en as tot het U behaagt mij vergiffenis te schenken (ik besef dat ik zulk een vergiffenis niet verdien.) Heb ik lang genoeg op mijn knieĂŤn gelegen? Kunnen wij overgaan tot andere zaken? Ik hoop van ja. U verbaast zich over mijn voornamen? U weet, ik ben katholiek en daarom ben ik in het bezit van meerdere voornamen, ook wel doopnamen geheten. De H. uit H.A.M. staat voor Hildegonde, wat ik voor het gemak afkort tot Hilde. De M. staat, zoals het bij goede katholieken betaamt, voor Maria, dat zult U begrijpen. De A. was wat moeilijker, moest die staan voor Anna of voor Agatha? Het is Agatha geworden, want St. Agatha beschermt tegen vuur en borstkwalen, dat kan altijd nog van pas komen, en St. Anna houdt zich bezig met het huishouden, wat naar mijn mening weinig van doen heeft met het schrijfsterschap. Zo, nu bent U op de hoogte, en nu wil ik wel eens weten wat die P. daar in Uw naam doet. Staat die voor Paulus, of voor Petrus? Of misschien voor Patrick, Peregrinus of Pancratius? Of staat die P. voor een andere, mij onbekende naam? Gaarne zou ik hieromtrent wat nadere informatie ontvangen. Wat de schrijverij aangaat, na zes keer opnieuw aan hetzelfde boek te zijn begonnen heb ik besloten aan een ander boek te beginnen, waarvan ondertussen nog geen letter op papier staat. 42

CIRCUMPLAUDO


Maar, mijn waarde schrijversbroeder, wij moeten de hoop nog niet opgeven dat wij eens beiden een écht boek zullen schrijven, en wel van begin tot eind! Voorwaar, bij dat idee springen de tranen mij in de ogen; wij zullen boeken schrijven. Omtrent een eventueel bezoek van één van ons beiden aan de ander zou ik dit willen zeggen, ik ben bereid maandag 20 mei a.s. bij U op bezoek te komen. Ik ga er van uit dat U hierin toestemt, tenzij ik iets anders verneem uit Uw richting. Uw voortschrijvende correspondentievriendin H.A.M. Jutte P.S. De naam die mijn ouders mij gaven is M.W.I. , en niet M.W.J. zoals U wist te schrijven, die I is al erg genoeg! En tussen twee haakjes (Gefeliciteerd met de verjaring van Uw geboortedag.)

Sassenheim 21 mei 1985. Uwe meedogenloosheid Juffrouw H.A.M. Jutte; Omdat aan twee kanten een fout begaan is aangaande de juiste naam, zullen wij het geval in de doofpot stoppen; U als katholiek, moet daarmee geen moeite hebben, dacht ik zo. Vandaag heb ik vis en wijn in huis gehaald. Terwijl ik dit epistel aan U gereed maak, drink ik zo nu en dan wat van Gods bloed. En ik moet toegeven: is de wijsheid in de kan, dan is de Godheid in de man. Ik bedoel maar. Het is trouwens al laat in de middag, want ik moest afwassen en kledingwassen, en meer van dat soort keukenvlijt. Zou er nou niet eens een vrouw zijn die mij in bescherming neemt, en mij het verlof geeft vierentwintig uur per dag met de kunst bezig te zijn. Maar ach, echt goed wordt het leven toch niet. We moeten maar veel drinken en schrijven, dat is voorCIRCUMPLAUDO

43


lopig maar het beste. Zo, zo, Hildegonde Agatha Maria Jutte, U wilt weten of de P. in mijn naam voor Petrus, dan wel Paulus is. Ik ben dus Jacobus Petrus Meiland, dan hoeft U geen fouten te maken. Maar eerst slecht nieuws. Ik heb de gluiperd van dat “Eigenteelt” blaadje opgebeld, en.. houdt U vast. Het mens heeft Uw typoscript aan Meike van der A., een medewerker van het drankhuis hier beneden, meegegeven, wier simpele brein op de idee kwam het in een krant in te pakken. Nu weet het kreng niet meer waar ze het gelaten heeft. Zij zou nog zoeken, maar, met mijn geluk, heb ik geen hoop meer, en moeten wij ons gaan beraadslagen over de uit te delen straffen. Er zijn dus twee schuldigen. (Ik meen dit serieus.) De hoofdschuldige ben ik, de tweede schuldige is dus die Meike van der A. Zij zelf had het over gratis koffie en gebak, ik ben dus bang dat zij de onschatbare waarde van het vermiste stuk niet inziet. Haar vak is niet voor niets kroegboerin. Ik zou zo gauw geen straf voor haar weten. (Trouwens, ik ben mij zeer bewust v.h. feit dat geen enkele straf de vermissing teniet zal doen, maar dit terzijde.) Een straf voor mij, laat ik aan U over. U kunt elke straf bedenken; ik ga ermee akkoord. De ergste straf is geen straf, en mij de rest v. mijn leven te laten lijden onder het schuldgevoel. Maar ik sta erop dat U mij straft, dus geen onzin van “laat maar” of “er is nix meer aan te doen”. Ik wacht Uw instructies af. Ik heb wat nieuwe ontdekkingen gedaan voor het boekschrijven. Door Gerard Reve te lezen, heb ik het volgende ontdekt: om te schrijven moet je een sfeertje scheppen waarin je je goed voelt. Daarna moet je streven naar een hoofdstuk per maand. In mijn geval, zoals je al gezien hebt, heb ik de kroontjespen aangeschaft en schrijf ik met echte inkt. Boven mijn schrijftafel hangt Jezus aan een stokkie – NEEN, niet je zus, maar JEZUS – wat inspiratie geeft. Verder is er de drank, in de vorm van wijn: Gods bloed. Van nu af ga ik dus streven naar een Hoofdstuk per maand. (Even een grapje tussendoor: Wat is mobiele wijsheid? Antwoord: Rijbewijsheid. [Ha Ha. Zelf verzonnen.]) 44

CIRCUMPLAUDO


Maar goed; terug naar de kunst. Voor mij moeten er drie themaâ€&#x;s zijn, te weten Dood, Eenzaamheid en â€&#x;s mensens onkunde in Liefde. Deze drie dient men dan onder te verdelen in een aantal motieven: Dood -angst -drank -doodsverlangen -zelfmoord => Drank

Eenzaamheid -angst -drank -mensenschuw -contactstoornissen -doodsverlangen => Schrijven Liefde -twijfel -geluk/ongeluk -ontevredenheid -onkunde tot beminnen -complexiteit, m/v => Het crucifix aan de muur. Dit alles valt dan tot een noemer te herleiden: Getob of het LIJDEN. Met dit schema voor ogen, moet ik dus een Hoofdstuk per maand maken, en het ziet er zo indrukwekkend uit, dat er wel niets van terecht zal komen. Mijn alles doorgrondelijkheid H.A.M. Jutte, ik raad U aan hetCIRCUMPLAUDO

45


zelfde te doen en uw eigen themaâ€&#x;s en motieven in te voeren. Laten wij elkaar bijstaan in ons schrijversschap, zal ik maar zeggen. Gedicht v. Gerard den Brabander: En nu zal mij de Lieve God bewaren als ik niet alle zwarte doodsbezwaren Tenietdoe met een diepe rode wijn. Ik hef mijn glas, dood, want ik leef nog jaren (2) Dat is nou Revisme. Maar dit alles maar weer terzijde. Schrijft U mij een aantal data, voor een ontmoeting, dan laat ik U weten welke datum mij schikt. In nederige afwachting van Uw straf verblijf ik Jac.P. Meiland voor altijd de Uwe.

Sassenheim 27 mei 1985 Uwe misdadigheid meester Jac.P. Meiland. Inderdaad mijnheer, U bent schuldig. Het pleit voor U dat U berouw toont, Uw zonden opbiecht en naar straf verlangt, maar toch. En U heeft gelijk, na schuld volgt boete en pas dan kunnen wij over vergiffenis gaan denken. Enkele dagen en evenzovele slapeloze nachten heb ik gezocht naar een passende straf. Zwaar viel mij die taak, zeer zwaar, van de straf hangt wellicht Uw gemoedsrust en misschien zelfs Uw succes als schrijver af. En daar mag een mensch toch niet licht mee omspringen. Toch denk ik de taak te hebben volbracht. De straf die ik U opleg voor het laten kwijtraken van mijn typoscript is, dat U nog deze maand (mei 1985) een gedicht ter ere van Maria moet schrijven. De meimaand is namelijk sinds mensenheugenis de Mariamaand, een gedicht ter ere van Haar geschreven in de meimaand kan dus 46

CIRCUMPLAUDO


nooit kwaad. Komaan, schrijversbroeder, dat moet toch lukken, ik laat de vorm geheel aan Uw voorkeur over. En als het af is zal alles vergeven zijn en kunnen wij ons weer wijden aan de rite van het Woord. Over het Woord gesproken, ook ik heb mij beziggehouden met de te gebruiken thema‟s en hun eventuele onderverdeling in motieven. Het gevonden schema wijkt enigszins af van het Uwe, zoals te verwachten viel. Als het hetzelfde was geweest had het overbodig geweest dat U en ik 2 personen zijn, en dat zou wijzen op een vergissing van God, en daar moeten we toch niet van uitgaan, als God zich al vergist, waar blijven we dan? Dat zult U moeten toegeven. Wel heb ik net als U drie thema‟s gevonden, nl. Liefde, Verlangen en psychische moeilijkheden. En die drie zijn als volgt in motieven onder te delen: psychische moeilijkheden: jeugdtrauma‟s (zwemmen) schuldgevoelens obsessies met schrijven depressievigheid contactstoornissen (mensenschuw) mensenhaat minderwaardigheidscomplex angst =>Dit probeer ik te verwerken Verlangen: doodsverlangen verlangen naar God verlangen naar het Paradijs heimwee => Deze verlangens worden pas bevredigd door de dood of door bekering tot een hevige vorm van Christendom.

CIRCUMPLAUDO

47


Liefde tot zaken als je werk of de Goede Zaak De Ware Liefde De onmogelijkheid van Liefde Onbeantwoorde Liefde Hopeloze Liefde Misbruikte Liefde => Laten we vergetelheid zoeken in drank, slapen en gebakkies. En dit alles hangt natuurlijk samen en vormt tezamen de ellendige chaos die de domme verstandige mensen, of beter nog, het publiek, het dagelijks leven pleegt te noemen. Wat weten zij daar nou van, laten ze t.v. kijken en zich koesthouden, zij hebben toch Mies Bouwman om over te praten. En anders is er altijd nog het weer of desnoods de bezuinigingen. Maar laten wij ons met belangrijkere zaken bezighouden. Ik ben nu vastbesloten om voortaan ‟s morgens om 5 á 6 uur op te staan, misschien lukt het schrijven dan. Overigens ben ik vol goede moed, want ik ben de pinksterdagen in retraîte gegaan in Zoeterwoude en heb daar nieuwe energie opgedaan. Zo nu en dan moet men zich afwenden van de grote boze wereld om niet helemaal het verstand kwijt te raken. Op het ogenblik weet ik wel degelijk waar mijn verstand zich bevindt, nl. in mijn hoofd en dus zal ik nogmaals een poging wagen tot schrijven. U en ik zouden eigenlijk moeten weten welke heilige zich bezighoudt met schrijvers, dan konden we misschien kaarsjes voor hem branden en wie weet zouden U en ik beroemd worden. Genoeg over het schrijven, U en ik, wij moesten elkaar maar eens treffen om ons te buigen over het geval Meike van der A. U vroeg mij in Uw epistel om enkele data te noemen waar U dan uit zoudt kiezen. Welnu, hier volgen ze: vrijdag 31 mei, zaterdag 1 juni, 48

CIRCUMPLAUDO


zondag 2 juni, maandag 3 juni of vrijdag 7 juni. Uit zulk een aanbod moet U toch een keuze kunnen maken. Gaarne snel bericht hierover. Uw zuster in de wereld van de letteren tot in de eeuwen der eeuwen, H.A.M. Jutte P.S. Als U wilt bellen, bel dan donderdagavond tussen 6 en 8 uur, dan zal ik thuis zijn.

Sassenheim, Wasdag 3 juni 1985 Uwe vergevingsgezindheid H.A.M. Jutte; Een gedicht ter ere van Maria is een zeer zware opdracht die mij tot nu toe niets anders dan slapeloze nachten heeft gebracht. Daarbij komt dat, toen ik Uw brief ontving, Mei nog slechts enkele dagen telde, en mijn schrijversschap is nog niet in staat om iets te vervaardigen in zeer korte tijd. Het is weliswaar een veel te lichte straf en ik ben U zeer dankbaar dat U zo mild hebt opgetreden, maar een gedicht ter ere van Maria daarvoor moet je minstens God zijn. In dat geval moet het mij dus lukken. Welaan; ik probeer het‌ Maar het valt erg tegen. Moeder Maria, geef mij de kracht U te eren met woorden gelijk de weemoedige akkoorden die ik speel in de nacht. Maar beter is:

CIRCUMPLAUDO

49


Hoe vaak ik Maria aanroep, Zij antwoordt mij niet. Slechts de Dood zal mij redden uit mijn stille verdriet. Maar U ziet, het komt weer op hetzelfde neer: tobben, tobben en tobben. 7 juni 1985 Het spijt mij heel erg dat deze brief wat lang op zich laat wachten. Het leven komt de laatste dagen ontzettend hevig op me af. Een depressie heeft zich weer van mij meester gemaakt, en ik voel me erg eenzaam. Niemand houdt van mij. Schrijven gaat haast niet. De zomer en de mensen op het terras trekken je naar buiten, en je doet geen reet. Ik word niet goed van mezelf, en ik ben zo lief. Wat moet er van mij terecht komen, waarde kunstzuster? Ik kan het leven niet aan. Nergens komt iets van terecht. Een mens kan plannen maken wat hij wil; het is vrijwel zeker dat hij die toch niet uitvoert. Je kunt maar beter de man zijn die de spoorwegboekjes maakt, waar of niet? Ik voel me zo slecht. U moet mij maar vergeven dat deze brief zo kort is, maar ik kan even niet meer. Deze week heb ik een dag zwart gewerkt, waarvan ik ook ziek ben. U moet namelijk weten: ik ben geen kerel om te werken. Maar Men zegt dat je zonder geld niet kunt leven. Was ik maar een uitvreter. Schrijft U mij a.u.b. een brief, waarin U mij tracht op te vrolijken, want het gaat zeer slecht. Uw verwardheid, en in leven zijnde om U te dienen, verblijf ik in eenvoud Jac.P. Meiland

50

CIRCUMPLAUDO


Expositie in galerie 'het vijfde seizoen' 23 april t/m 29 mei

Lauran van Oers schilderijen en tekeningen zaterdag en zondag 12 tot 17 uur, of op afspraak

'het vijfde seizoen' Rokkeveenseweg 2 2712 XZ Zoetermeer http://www.hetvijfdeseizoen.nl/index.php/home http://home.kpn.nl/oerslfcmvan/index.htm

CIRCUMPLAUDO

51


Titel: Ik vond de site beter… Auteur: Argibald Aantal pagina‟s: 106 Uitgever: Xtra Bestel bij de webshop van Zone 5300 of Bol.com Prijs: € 9,90

52

CIRCUMPLAUDO


Alle jaarboeken zijn verkrijgbaar bij www.unibook.com

CIRCUMPLAUDO

53


54

CIRCUMPLAUDO


Circumplaudo nr. 51 mei 2011