Issuu on Google+

Literair internettijdschrift

C-I-R-C-U-M-P-L-A-U-D-O

nummer 44 | maart/april 2010 | 4e jaargang


CIRCUMPLAUDO nummer 44 maart/april 2010 4e jaargang

-tweemaandelijks verschijnend literair platformAd van der Zwart Marijke Scholten Eric Peterse Redactie

www.circumplaudo.nl Webadres

adzwart@circumplaudo.nl E-mail

Kopij kan worden ingezonden naar het bovenstaande e-mailadres. Kopij

Ad van der Zwart Vormgeving website

Eric Peterse Vormgeving omslag en binnenwerk

Marcelo Bernardo Omslagfoto

© 2010 Copyright berust bij de betreffende auteurs. Copyright

Deze uitgave is zonder subsidie tot stand gekomen. Voor een optimaal leesgemak van de pdf op de pc adviseren wij om het ‘Beeld’ in Adobe Reader op ‘Twee pagina’s’ in te stellen.

2

CIRCUMPLAUDO


Inhoud Argibald - Cartoons 4, 10, 20, 24

Marco Geldermans - Mist 5

Delphine Lecompte - Twee gedichten 7

Bandirah - Cartoons 9, 43, 46, 52

Oscar J. de Vries - Het kantoor roept 10

Dirk Wolters - Twee gedichten 21

Jac.P. Meiland - Troost 25

Sabine Luypaert - Twee gedichten 27

Astrid Rijff - Snaren 29

Gurkje van Dam - Tante Jo en tante Mien 35

Bobadas - Twee gedichten 44

Lieven Deflandre - Mein Dansplaat 47

Gerard Scharn - Twee gedichten 50

Leo van der Sterren - Predeterminatie 53

Robin Wijnhold - Mijn muren 52

Ed Kortjes - Hotelkamer 64

Cees de Vos - De Flower Song 65

Rob den Boer - Aluminia 73

CIRCUMPLAUDO

3


Argibald

4

CIRCUMPLAUDO


Marco Geldermans

Mist Wat denkt ze? In gedachten. Wat tolt er zo? Waarom tolt het zo? Zo heen en weer. Zo onrustig? Buiten bleef het langer licht, maar ineens zo rond zeven uur dertig kwam het donker. En het donker omringde haar. Opnieuw de mist. Zo raar. Ze toetste zijn naam in en op de gok zijn woonplaats en daar ineens verscheen hij. De straatnaam met nummer en postcode én telefoonnummer. Ook kon ze via de website de route uitprinten. Was het toch voorbestemd. Ze nam de hoorn van haar telefoontoestel en toetste de cijfers. Zeven cijfers. Ze vroeg zich af hoelang het lopen was van haar huis naar zijn huis. Van haar voordeur tot zijn voordeur. Van haar woonkamer tot zijn woonkamer. En zou hij daar alleen wonen? Of met zijn vrouw? Of met vrouw en kind? Of met vrouw en meer kinderen dan één? Ze dacht, ze dacht en toetste langzaam de cijfers. Zeven. Wachtte. Het duurde maar. Toen de ‘niet-in-gebruiktoon’! Tet-tuut-tet-tuut!! Wat?! Ze brak af en toetste nogmaals de zeven cijfers. Misschien had ze een fout gemaakt. Dat kon. Dat was heel goed mogelijk. Zeker in haar toestand. Ze wachtte. Het duurde even en toen weer de ‘niet-in-gebruik-toon’. Ze hing op, leunde achterover op de bank. Ze zat, deed niets meer. Keek alleen maar voor zich uit. Door het raam. Het uitzicht op een drassige sloot. In het licht van een lantaarnpaal zag ze hoe een reiger behoedzaam door de sloot stapte. Hoe hij opvloog zag ze niet meer. Haar oog werd getrokken naar de telefoon. De hoorn lag zonder beweging op de haak. In ruste. Ze voelde een kwaadheid opkomen en wist dat ze deze opnieuw niet in bedwang zou kunnen houden. Ze keek om haar heen. Twee boekenkasten en twee cd-rekken, een videomeubel met televisie en video/dvd-combinatie, een salontafel met theeservies en even verder een eettafel met daaromheen zes stoelen. Rondom haar het glas, alleen maar het glas. Straks. Is er een antwoord? Ze vroeg het zich af. Waarom antwoordt niemand? Ze boog zich voorover, haar hoofd even tusCIRCUMPLAUDO

5


sen haar knieën, het hoofd vol woede gebogen. Toen richtte ze zich op en veegde in één snelle beweging het theeservies van tafel. Ze liep naar de dichtstbijzijnde boekenkast en trok deze omver. Aan de tweede rukte ze, net zolang tot alle boeken omver en op de grond lagen. Toen pakte ze de televisie en hield deze een halve meter omhoog, waarna ze deze ineens liet vallen. Het videomeubel spleet in tweeën. Ze rende naar de eettafel en zette zich op één van de zes stoelen. Achter haar hoorde ze de deur. Ze durfde niet op te kijken. Ze dacht. Bleef in gedachten. Het tolde, maar het deerde niet, het tollen. Zo heen en weer was ook wel lekker. Fijn die onrust en buiten was het donker, maar ze wist dat het morgen weer net iets meer langer licht zou zijn. Misschien zou het tegen achten zover zijn. De mist. Iedere dag iets later.

6

CIRCUMPLAUDO


Delphine Lecompte

Twee gedichten Door ogen van toen (we nog gelukkig waren)

Ik weet nog hoe verrukt je was Toen ze zich eindelijk openden Eerst die van de condor, daarna de walvisoogjes Je vroeg me om ook te kijken Maar ik was kauwgom van een schoenzool aan het schrapen en Dat was toen belangrijker. Jij weet niet meer hoe gelukkig je was Alles is veranderd: de badkamer is af, Dode ratten verliezen hun vachten in vergiftigd isolatiemateriaal en Op de regionale krant van twee weken geleden zoogt een kat Vier kittens die kale oortjes hebben en kermen alsof ze zichzelf verwerpelijk vinden. Achterdochtig draai je de koppen Op het tafelblad sproei je pindanoten Ze nemen de vorm van een boerderij aan je spuwt het dak en herkent het gebouw en de jonge boer die een smokkelaar was.

CIRCUMPLAUDO

7


De terugkeer van de verslagenheid

Het muurtje is niet hoog Maar als ik daar zit en een reep chocolade deel met mijn beste vriend, dan ben ik verstrooid en hij valt achterover, zijn vader is cipier nu ligt hij daar als een gekantelde schildpad. Mijn grootmoeder zegt dat ik hem moet helpen Ik trek hem recht en we slenteren door de lanen Daar woont de vrouw die per ongeluk de schoenmaker Heeft omvergereden, ze verzamelt erotische stripverhalen Ze heeft een volwassen zoon die priester was en nu Getrouwd is met een neuroloog, ze wonen in Brussel We weten niet of ze gelukkig zijn, We weten zelfs niet of het ons interesseert. In de struiken kwetteren vogels die er banaal uitzien Als je jaren naar dezelfde struiken kijkt Verliezen ze hun luister, beweert mijn grootmoeder En als ze nooit opzienbarend waren, dan ben je dood geboren Er hangen leeggelopen ballonnen als uitgerokken baarmoeders te wapperen Aan de deur van een wit huis, om de terugkomst van een gokzieke vader te vieren.

8

CIRCUMPLAUDO


Bandirah

CIRCUMPLAUDO

9


Argibald

10

CIRCUMPLAUDO


Oscar J. de Vries

Het kantoor roept Wekker. Nog vijf minuten. Wekker. Nog vijf minuten. Opstaan. Douche, ontbijt, koffie, deur. Het kantoor. Huis. Herhaal. De zaak sleept aan, het kantoor neemt mijn leven over. Terug naar het begin. De opdracht kwam geen dag te vroeg. Al weken zat ik werkloos stof te stapelen in mijn kantoortje. Hoe langer ik naar de telefoon staarde, hoe meer ik hem haatte. Was de wereld van de misdaad voorgoed verdwenen in haar donkere hol? Deze stille jongen met de lange neus kon het niet geloven. Misdaad steekt altijd weer haar afgevreten kop op. Wees daar maar zeker van. "Oscar Loman." De vrouw aan de andere kant van de lijn klinkt jong en niet onaantrekkelijk. Kort geeft ze de coรถrdinaten door. Ze wenst mij droogjes succes met de opdracht. "Geen probleem, snoepje," en ik leg neer. Eindelijk een nieuwe zaak om mijn hongerige tanden in te zetten. Ik bekijk mezelf in de spiegel. De hoed krijgt een nieuwe deuk, stof sla ik van de regenjas. Showtijd. Als ik mij nu nog eens het sollicitatiegesprek voor de geest haal, zie ik weinig meer dan een rookgordijn. Natuurlijk regende het die ochtend. Ik was in geen tijden meer vroeg opgestaan, maanden niets anders dan uitslapen, stof stapelen en de telefoon haten. CIRCUMPLAUDO

11


Als in een waas van nog niet van mij afgeschudde slaap moet ik daar gezeten hebben, aan het ene uiterste van die krankzinnig lange tafel, met de bazin helemaal aan het andere uiterste. Dat ze een vrouw was, kon ik enkel merken aan haar stem, terwijl ze daar in het donker zat te roken. Ik had aangebeld, iets vroeger dan op het blaadje stond aangegeven. Meteen hoorde ik iemand als een gek de trap afstormen en de gang doorrennen, woest vloog de deur open. Een kleine, stevige vrouw keek mij verwachtingsvol aan. Toen ik mezelf bekend maakte, leek ze erg teleurgesteld. Ze wees me naar een deur wat verderop in de gang, daar was de vergaderzaal en daar moest ik maar gaan zitten wachten. Het was zo donker en opmerkelijk warm in de zaal, dat ik lag te slapen toen de bazin binnenkwam. Van heel uit de verte hoorde ik iemand mijn naam roepen: “Mijnheer Loman?” In mijn slaap mompelde ik iets als: “Neen, nu nog niet. Nog even.” Ik bleef mijn naam horen, ik werd wakker, zag iemand in de verte een sigaret opsteken, het sollicitatiegesprek was al begonnen. “Wat houdt de job zoal in?” vroeg ik, om de stilte te doorbreken. Het sigarettenpuntje aan de andere kant lichtte nog eenmaal op, waarna het grondig werd uitgeduwd. De bazin schraapte haar keel: “Niet veel. Voor het ogenblik.” Ik wou mezelf herenigen met mijn bed. Misschien is het nog warm. De gedachte dat ik te laat zou zijn en het bed weer helemaal opnieuw moest opwarmen, stemde mij droef. Ik wou nog één ding weten “Wat verdient het?” “Niet veel. Genoeg voor de meesten, denk ik.” De bazin stak nog een sigaret op. Ik wist dat ze niets meer zou zeggen tot ook dat sigarettenpuntje een luidruchtig einde had gevonden in de asbak. Lange minuten gingen voorbij, maar de job was de mijne.

12

CIRCUMPLAUDO


Zo begon de zaak. De opdracht was vaag. Wie de opdracht heeft gegeven, weet ik niet. De vrouw aan de telefoon was karig met informatie, zij was niets meer dan een doorgeefluik met de stem van een hongerige engel. Wie ik moet contacteren met de resultaten van mijn onderzoek, weet ik ook niet. Wat is de opdracht? De opdracht is vaag. Wat ik wel weet, is dat ik iedereen scherp in de gaten moet houden. Dat is mijn speurneusinstinct. Een misdaad kan zich lang schuilhouden, maar niet voor altijd. Als het zijn kop opsteekt, dan zal ik klaar zijn. Ogen en oren open, een dossier opbouwen, details verzamelen, verbanden leggen, alert zijn, onopvallend, onopgemerkt, ondergedoken, een spion onder de collega's in het kantoor. Niemand heeft iets door, zelfs na twee jaar niet. Ik ben goed, ik ben heel erg goed. Maar ik moet opletten, ĂŠĂŠn moment van zwakte en ik val door de mand. Dan hang ik. Twee jaar al als spion op het kantoor. Wennen doet het nooit. Volhouden, het dossier groeit, de verbanden zullen samenvallen, het is dichtbij, ik voel het. Nog even. Wekker. Nog vijf minuten. Wekker. Nog vijf minuten. Opstaan. Douche, ontbijt, koffie, deur. Het kantoor. Huis. Herhaal. Het kantoor is een oud, statig gebouw in de stad, op de hoek van een straat die langs de rivier loopt. Vanuit mijn raam op de eerste verdieping zie ik het water voorbij stromen. Elke dag telt acht uur en een half uur middagpauze. In het kantoor werken negen vrouwen. Ik ben de enige man. Conflicten komen en gaan, ik sta altijd aan de zijlijn, undercover kijk ik toe, ik oordeel niet, ik luister naar hun verhalen. Ik schenk hun een oor en 's nachts vul ik mijn CIRCUMPLAUDO

13


dossier. De zaak breidt uit. Ergens tussen al die verbanden ligt er een antwoord verborgen. Zelfs na twee jaar wen ik maar niet aan de stilte. Radio's hebben ze hier niet. Geroepen wordt er niet in het kantoor. Wil je iets weten van een collega die in het bureau naast je zit, dan stuur je een e-mail. Zelden klinkt de telefoon, zelden dreunt de bel door de gangen. Ik vermoed dat sommigen 's morgens hun schoenen uittrekken en ze 's avonds weer aan doen en dat zij zich slechts enkel op de toppen van hun tenen voortbewegen. Een kuch is als een donderslag. Wij spreken niet, wij fluisteren. Er zijn dagen wanneer het masker waarachter ik mij schuil houd zo zwaar weegt en de stilte zo confronterend is, dat ik wil schreeuwen. Dan tokkel ik hard op mijn klavier, tot mijn bureaugenoot opkijkt en ik het weer wat kalmer aan doe. Eens om de maand staat het kantoor op stelten. De vrouwen zijn in alle staten. Schema's worden opgesteld, cijfers opgekrikt, grafieken opgeblonken. De grote alfa-baas komt er aan. De deurbel dreunt, de haan stormt het kippenhok binnen. De alfa-baas moet je vrezen, hij is de man die in opdracht van hogerop de koppen doet rollen. Hand schudden, glimlachen en ja knikken. Wij verzamelen in de vergaderzaal. Ik zet mij aan het verste uiteinde van de eindeloze tafel en sta stil bij die twee uur van mijn leven die ik onherroepelijk kwijt ben. Vergaderen is zitten en luisteren naar de alfa-baas, lange epistels als donderslagen uit de hel waar wij allen zullen belanden, af en toe aarzelend doorbroken door twijfelend geuite argumenten van de vrouwen, dat het allemaal zo erg nog niet is en dat de grafieken het bewijzen. De vergadering gaat rond en rond in duizelig en doods makende cirkels. Het enige wat mij door deze kwelling kan helpen, is denken aan de zaak. Iedereen in de gaten houden en 's avonds het relevante toevoegen aan het dossier. Het helpt, een beetje, als de 14

CIRCUMPLAUDO


tijd helemaal tot stilstand komt en ik mijn schoen wil uittrekken om er mee op de grote vergadertafel te slaan en te roepen: "Nu is het genoeg, ik ga naar huis," om dan mijn masker af te gooien, deze hele verdomde opdracht op te blazen en nooit meer terug te keren. Wekker. Nog vijf minuten. Opstaan. Douche, ontbijt, koffie, deur. Het kantoor. Huis. Herhaal. En herhaal. Hoe lang nog tot ik het begeef onder de herhaling? Voor wie doe ik dit allemaal? In een hoek van mijn kantoortje stapelen de dozen zich op. Al deze dozen samen noem ik het dossier van het kantoor en zijn bewoners. Hun handel en wandel, hun privé-levens, waar ze naar op reis gaan deze zomer, wat ze 's middags eten en wat al jaren in de ijskast ligt in de keuken, hun hobby's, hun partners, hun huisdieren, welke afstand ze elke dag afleggen tussen werk en thuis, foto's van hun huizen, foto's van hun partners en hun huisdieren, uitgeschreven telefoongesprekken, uitgeprint e-mailverkeer. Dozen vol. De zaak barst uit zijn voegen, ik mis focus, ik heb duizenden verbanden, maar ik stuit niet op het ene verband dat mij eindelijk van deze zaak kan verlossen. Dus ga ik door, sta ik op en ga ik naar het kantoor. Onder de collega's klinkt gefluister. De zaak neemt een wending. Er zullen hoofden rollen, fluisteren ze. Mijn positie is onzeker, maar mijn opdracht is nog niet ten einde. Boven mijn hoofd worden besluiten genomen. Ik moet de zaak redden, maar ik sta machteloos. Op het einde van de maand staan er gesprekken gepland. Mijn functioneren wordt geëvalueerd. Thuis drink ik om de slaap te kunnen vatten. Opdrachten, zo vertel ik aan mijn geheime dagboek, zijn zelden glamoureus. Als mensen vragen wat je doet in het leven en je zegt ‘detective’, dan denken zij steeds: ‘Nou, dat zou ik ook wel willen CIRCUMPLAUDO

15


doen’ en dan: "Dat verdient wel een aardige cent, toch?" Soms antwoord ik:"Genoeg." Andere keren zeg ik niets terug en betaal ik een volgend rondje. Een detective rent niet van het ene avontuur naar het andere, hij verdient soms maandenlang niets of net genoeg om sigaretten, drank en nootjes mee te betalen. Een detective zit meestal op zijn stoffige kantoortje, te wachten, naast de telefoon. Hij is afhankelijk van wat ze hem aanbieden. De ene dag sturen ze hem naar een loods, de andere dag naar een telefooncentrale of naar een kantoor. Soms klaart hij de klus in geen tijd, soms doet hij er jaren over. De detective is een speelbal van de misdaad, steekt het ergens zijn kop op, dan mag de detective rennen en zich uitsloven. Maar houdt de misdaad zich koest, dan draait de detective met zijn duimen. Soms denkt deze detective dat hij niet veel beter af is dan de slaven van vroeger. Ik ga op het stoeltje zitten dat daar voor mij klaar staat. Aan de overkant van het bureau zit de alfa-baas. Hij ordent papieren. Opletten nu. Geen steek laten vallen. Niets laten merken. Het spel meespelen. De zaak redden. Hem goed in het oog houden. De alfa-baas weet meer. Het gesprek begint. "Wat is volgens u uw voornaamste verwezenlijking van het voorbije jaar?" "Hoe ziet u zichzelf evolueren in het komende jaar?" "Wat zijn uw ambities?" "Had u nog bijscholing gewenst in iets?" "Wat had u graag anders gezien?" Duizelig en vermoeid en verward verlaat ik de kamer. Wie was ik, vraag ik me af, wie beantwoordde deze vragen? Wie ben ik geworden? Wat heb ik gezegd? De alfa-baas nam karige notities en zei aan het eind dat het goed was en dat hij mijn antwoorden zou doorspelen aan de top van het bedrijf. Er zou rekening met mij worden gehouden.

16

CIRCUMPLAUDO


Tijdens de week wanneer de koppen rollen, klinkt er zelfs geen gefluister. Ik verwacht een explosie, maar hoor enkel een doodse stilte. De collega's schuifelen haastig en zwijgzaam door de gang, zachtjes sluiten zij hun deuren, benauwd dat zij geluid zouden maken en opgemerkt worden. Zij gedragen zich allen zoals ik, merk ik, zij houden zich schuil in de schaduw en wachten af. Ik stel mij mijn leven voor nadat mijn kop is gerold: terug naar mijn eigen stoffige kantoortje, wachten naast de telefoon, nauwelijks centen voor sigaretten, drank of nootjes. Een groot paar handen draait zich rond mijn nek, niet hard, ze liggen daar maar, klaar, in wurgstand, ze wachten op het teken. Ik staar naar mijn scherm, ik tokkel naarstig op het klavier. Als iemand mijn bureau doorwandelt, schud ik druk met papieren, of bestudeer ik ernstig een formulier. De schijn hoog houden, zie mij werken, ik zweet er haast van. Als ik door de gang moet, slenter ik niet, ik draaf. Ik ben nodig, nu, meer dan ooit. Vandaag kwam ze niet meer opdagen. Niemand durft luidop de vraag stellen. Ik besluit langer te blijven, overwerken, dat geeft een goede indruk in bange tijden. Om vijf uur komt de laatst achtergeblevene vragen of ik de code van het alarm ken. Ik kijk niet weg van mijn scherm en tokkel betekenisloos gebrabbel terwijl ik mijn hand opsteek en een bevestigend wuifgebaar maak. “Tot morgen� hoor ik haar zeggen terwijl ze al aan de afdaling van de trappen begint. Zodra de zware voordeur in het slot valt, trek ik mijn schoenen uit en spring ik recht. Haar bureau ligt schuins tegenover het mijne. Op het eerste zicht zie ik niets opmerkelijks. Misschien is ze gewoon ziek. Natuurlijk. In deze onzekere tijden heeft niemand daar rekening mee gehouden. Wij vermoeden enkel het ergste. Haar kop in een mand, haar lichaam op straat. CIRCUMPLAUDO

17


Aha. Het lichtje van haar scherm knippert. Ik druk op een willekeurige toets en het scherm licht op. Als ik ergens clues kan vinden, is het wel in haar mailbox. Voor ik op het icoontje klik, kijk ik nog eens snel achter mij. Beneden hoor ik een sleutel moeizaam draaien in het slot van de zware voordeur. Bovenaan in haar mailbox zie ik een bericht met een rood uitroepteken en 'Vertrouwelijk' als onderwerp. Zender: 'Directie'. Voetstappen bestijgen de trappen. Verdomme. Te hoog om uit het raam te springen, te laat om een ander bureau in te duiken, geen gordijnen om achter te schuilen, geen plaats in de kasten. Zweet in mijn handen en op mijn voorhoofd. De voetstappen bereiken de eerste verdieping, nog tien passen en ik hang. In haar handen draagt zij een lege kartonnen doos. Ze schrok maar een beetje. Ze lijkt vooral afgestompt. “Overwerk. Zocht een dossier,” stamel ik. Ze haalt haar schouders op, zet de doos op haar bureau en begint deze te vullen met wat haar toebehoort. “Zal je het vertellen, als ik wat bureaumateriaal meeneem?” fluistert ze. Ik schud mijn hoofd. Ik zwijg in alle talen, enkel mijn dossier zal het te weten komen. “Zal ik ook in alle stilte verdwijnen? Zal iemand in het kantoor zich vragen stellen?” Mijn collega is ziek, ik zit alleen in mijn bureau en ik fluister tegen mezelf. Zonder haar getokkel is de stilte compleet. Iedereen blijft zitten, de gangen zijn verlaten. Wij houden onze adem in tot wij denken dat het gevaar is geweken. Dat zal enkele dagen duren. Is er tegen de komst van het weekend geen hoofd meer gerold, dan is de golf gaan liggen. Er is werk, ik moet mijn best doen, mezelf onmisbaar maken, maar de onzekerheid verlamt. Ik doe niets en zit bevroren in mijn stoel, die grote handen rond mijn nek. 18

CIRCUMPLAUDO


Alleen aan mijn geheim dagboek vertrouw ik de waarheid toe. Ik onthul telkens dezelfde onthulling: ik ben niet wie ik zeg dat ik ben. Ik ben niet wie zij denken dat ik ben. Ik praat met hen, ik luister, maar ik wil liefst gerust gelaten worden. Ik doe wat men mij vraagt, naar behoren, ik kruip elke morgen weer uit bed en fiets dezelfde weg naar het kantoor, eigenlijk wil ik gewoon thuis blijven. De zaak kan roesten. De opdracht is te vaag. Ik wil eruit stappen, maar ik durf niet. De handen rond mijn nek. Sigaretten, drank en nootjes kunnen kopen. Het is allemaal makkelijker als alles betaalbaar is. Het is makkelijker ‘bediende’ te antwoorden dan ‘detective’. De mensen zullen niet doorvragen, hun wenkbrauwen zullen zij niet fronsen, dat ene woord vertelt alles. Elke dag zit ik aan mijn bureau, loop ik door de gangen, doe ik de deuren open en dicht en kijk ik door de ramen naar buiten. Het kantoor hangt over mij, ik hou mij erin schuil, ik blijf in de schaduw en ik zit erin gevangen. Ik beeld mij in dat al dit slechts een akte is in een verhaal. De plot geeft zich maar met mondjesmaat vrij, maar de wending zal komen. Als de opdrachtgever zich meldt, zal ik klaar staan.

CIRCUMPLAUDO

19


Argibald

20

CIRCUMPLAUDO


Dirk Wolters

Twee gedichten Dat het echt was

Hij zette zich neer, verschoof nog even, zei toen: "Tja... ik heb me wel eens z贸 gevoeld, dat ik met volle overgave bad en wenste dat het echt was."

CIRCUMPLAUDO

21


Toen ik dan eindelijk

De zwaarste tocht was het door hooggebergten wilde rotspartijen over ijsvlaktes door meerdere oerwouden haast ondoordringbaar en doorsneden met de meest onvoorstelbaar wildstromende rivieren door verschillende verschrikkelijk dorre hete kale woestijnen heen en terug over diverse oceanen met slechts een houten vlot. Toen ik dan eindelijk bij God was, kon ik hem vragen: "O Allerhoogste, U moet het weten, Heer, is alles goed? U weet wel, dat het zin heeft, en zo."

22

CIRCUMPLAUDO


Zijn borstelige wenkbrauwen rezen even wat Zijn schouders ook die even later schokten van het lachen. Ik schrok er van. Toen keek hij wat onzeker op. "Wat vind je zelf?" vroeg hij. Ik vroeg het hem nog vaker, maar iets anders wist hij niet te zeggen.

CIRCUMPLAUDO

23


Argibald

24

CIRCUMPLAUDO


Jac.P. Meiland

Troost Meiland dacht weer dat alle meisjes verliefd op hem waren. De laatste keer dat hij dat dacht, was toen hij met buurman Evert J. een kamer bewoonde boven café De Armzaligheid. Als hij over straat liep, keken de meisjes naar hem om en giechelden en gaven hem knipoogjes. Meiland werd er verlegen van. En nu kreeg hij weer dat gevoel dat dat zo was. Het was nergens op gebaseerd maar toch voelde hij het zo. Of kwam het door het weer en dat het zonnetje weer eens voor het eerst sinds lange tijd lekker aan de hemel stond te schijnen en dat het zo lekker warm was op je gezicht. Hij zat op het terras van het café, een ander café, en rookte dit keer sigaretten in plaats van shag. Hij had zijn ene been over het andere geslagen en keek glimlachend in het rond. Soms durfde hij naar een meisje te lachen en zei gedag en mooi weer vandaag. Dan was het leven mooi en vormde geen bedreiging. Zo ging dat de hele dag door totdat het avond werd en hij weer naar huis moest. Dan kwam ook de weemoed weer om de hoek kijken en begon hij zich allengs weer ellendig te voelen. Er was nooit een duidelijke reden dat hij dat gevoel kreeg maar altijd kwam het gevoel toch weer te voorschijn. Hij voelde die enorme leegte van het ouder worden en van niet begrepen te worden. En hoe hard hij er ook over nadacht, nut en zin van het leven ontgingen hem volledig. Steeds vaker voelde hij die weemoed en eenzaamheid. Ook later toen hij getrouwd was en een kind had. Altijd was er de weemoed. ‘s Nachts als iedereen sliep en de gedachten aan de dood door zijn hoofd speelden. Het was dat hij een lafaard was, anders had hij misschien allang de moed op kunnen brengen om zichzelf het leven te benemen. Maar iedereen was weg nu. Hij was alleen. Alleen met zijn gedachten en herinneringen. Tegenwoordig kon je daar niet meer over schrijven want niemand interesseerde zich er nog voor. Alles CIRCUMPLAUDO

25


moet tegenwoordig snel en flitsend. Verhalen en romans moeten ergens over gaan anders is het niet goed. Ach… vadertje… waar ben je… dat dacht hij dan ineens. Zomaar. Dan zag hij hem door de kamer lopen; zijn geest was dat natuurlijk want vadertje was allang dood. Dan sprak Meiland met hem maar hij vond geen troost.

26

CIRCUMPLAUDO


Sabine Luypaert

Twee gedichten Doolkind

Vijverstaren op een grens van twee werelden in de aarzelende schaduw van dromen met een aanzwellende blindheid voor de toekomst een zucht lezen in helmgras moeiteloos staren naar het grote niets … in de verte zindert een echo zo doolt ze, nippend van nog een dagje wereld maar wat ze echt voelt is pijn eb wil ze zijn,… en vergeten…

CIRCUMPLAUDO

27


een zeldzaam moment van geweldloos strijden net zoals een mens gerust met zichzelf kan versmelten

Schenk mij een aalmoes van je glimlach tegen de verstarring dan knoop ik eindjes zuurstof aan elkaar leidt mij naar die stroming waar ik mij inbeeld te deinen gedreven door het juiste moment geniet met zachtere streling het stoeien der verwondering op wat de dag draagt want na vandaag, droom ik de bodem uit mijn eigen wensen weg en breek ik met mijn gevoel ten gunste van jouw geluk.

28

CIRCUMPLAUDO


Astrid Rijff

Snaren Op 15 februari verscheen bij uitgeverij Free Musketeers de debuutroman Snaren van de schrijfster Astrid Rijff. Hieronder vindt u twee fragmenten uit deze nieuwe roman. Titel: Snaren Auteur: Astrid Rijff Aantal pagina’s: 284 Uitgever: Free Musketeers ISBN: 978-90-484-1086-6 Prijs: € 23,95 “Zij ziet hun verhouding zó. Hij ziet het heel anders. De dirigent Ole Vallerooy en de violiste Sarah van Santen brengen elkaar telkens aan de rand van de afgrond, maar ze zijn niet in staat om elkaar los te laten. Onmacht? Angst? Lafheid? Liefde? Wie zal het zeggen… Tot, na vijftien jaar, er iemand anders kiest en de bal wérkelijk gaat rollen. Met een fatale afloop voor één van hen. Een roman over de liefde, de onmacht om keuzes te maken, los te laten en in het diepe te springen.”

Sarah (fragment) Het terras sloot om half twaalf en ik was naar onze kamer gegaan nadat ik de barman nog een fles witte wijn en twee glazen had ontfutseld. De hotelkamer was er één zoals zovele andere hotelkamers, hoewel duidelijk geprobeerd was er enige grandeur aan te geven. De ijsblauwe stof van de sprei waarin glanzende bloemmotieven waren geweven kwam terug in de gordijnen, de zitting van de stoelen en het behang tussen de grote openslaande ramen. CIRCUMPLAUDO

29


Op de lichtgrijze vloerbedekking lag een smaakvol donkerblauw tapijt met witte Franse lelies, een motief dat zich herhaalde in de donkerblauwe tegels van de royale badkamer. In de kamer stond een donker houten bureau met een zwartleren schrijfblad waarop een stapeltje blanco briefpapier lag met het hotellogo en eveneens een stapeltje langwerpige enveloppen. Daarnaast stond een bolvormige presse-papier van rookglas waar boven in een uitsparing zat waarin een pen geplaatst kon worden. De pen ontbrak helaas. Langs de ander muur stond een laag buffetkastje met daarop een waterkoker, een mandje met suikerzakjes en tinnetjes melk, een doosje thee in verschillende smaken en een doosje met zakjes espresso en cappuccino. In een van de kasten ontdekte ik een volledig servies van donkerblauw aardewerk en zelfs een magnetron. Als het moest kon je het hier wel een paar dagen uithouden. Verder stond er nog een lichtgrijs bankje en twee rechte stoelen. Nadat ik alles had bekeken en bevoeld, maakte ik de fles wijn open en ging met mijn glas in een van de brede vensterbanken zitten. Wachtend voor het open raam. En zo trof Ole me aan toen hij tegen twaalven binnenkwam. Hij zag er moe uit. Ik wist niet met wie of wat hij een afspraak had gehad maar het leek hem te hebben afgemat. Hij glimlachte flauwtjes naar me en kuste me op mijn voorhoofd. Hij trok zijn schoenen en zijn colbert uit en plofte op het bed. ‘Kom eens op met die wijn!’ Ik schonk de glazen vol en ging naast hem op het bed zitten. ‘Luister Sarah. De afspraak waar ik nu net vandaan kom was met een goede vriend, Dirk Salomon. Hij is naast Hannelore en jij de enige die álles van me weet. Ik heb hem over jou verteld vanavond en hem mijn dilemma voorgelegd. Ik ga je niet vertellen wat hij heeft gezegd, alleen dat hij veel verstandige dingen zei waar ik over na moet denken.’ Ole draaide zich naar me toe en streelde even langs mijn wang. Zijn blik was oneindig teder en bracht een rilling in mij teweeg. Hij pakte het glas uit mijn handen en zette het op het nachtkastje. 30

CIRCUMPLAUDO


‘Ik ga nu iets tegen je zeggen waarvan ik wil dat je het goed tot je door laat dringen. Ik kan de gevolgen ervan niet overzien maar ik móet het je zeggen.’ Hij pakte mijn handen en trok me tegenover zich op het bed zodat we elkaar recht aan konden kijken. ‘Er zijn verschillende redenen waarom ik gek op je ben. Aan de ene kant ben ik op een aardse manier verliefd op je. Ik houd van je ogen, de vorm van je mond. Je borsten, je slanke taille en je mooie kontje.’ Hij pauzeerde even en nam een slok van de wijn. ‘Maar aan de andere kant gaat het veel dieper dan dat. Je maakt dingen in me los die ik van mezelf niet ken of waar ik nooit bij heb gekund. Waar ik niet naar durfde kijken. Ik ben nog nooit zo dicht bij mezelf geweest als wanneer ik samen ben met jou. Het lijkt wel of je me laag voor laag afpelt, als een ui. Net als in het verhaal van Peer Gynt. Soms is dat heerlijk. Je hebt me leren vrijen en genieten van kleine dingen zonder remmingen en dat is een feest. Dat is zo’n groot cadeau dat je me telkens weer geeft.’ Hij kneep in mijn handen terwijl hij dat zei en drukte op allebei een kus. Ik durfde niets te zeggen, bang als ik was voor wat er ging komen. ‘Maar je maakt ook dingen bij me los die me beangstigen. Die alles overhoop halen omdat ze me dwingen mijn leven te herzien. De zekerheden die ik had zijn plotseling geen zekerheden meer. Het lijkt alsof ik alles opnieuw moet rangschikken. Het maakt dat ik me soms verschrikkelijk onzeker voel. Mijn waarheden zijn geen waarheden meer. Het brengt ontzettend veel onrust met zich mee. Ik ben zesenveertig Sarah, op de helft of misschien er al over, wie zal het zeggen. Ik had een leven met Hannelore. Onze relatie verloopt over het algemeen rustig en ze staat me niet in de weg. We gunnen elkaar onze ‘Lebensraum’, onze vrijheid tot op zekere hoogte. Tot nu toe heeft Hannelore altijd op een bepaalde manier op me kunnen rekenen. Tot nu toe… Jouw aanwezigheid in mijn leven maakt alles anders.’ CIRCUMPLAUDO

31


Oh God, nou gaat hij het zeggen! Ik trok m’n handen los en pakte mijn glas waar ik mijn handen omheen klemde terwijl ik dronk. Ole vervolgde, onverstoorbaar. ‘Ik val op je intelligentie, je humor. Ik houd van de manier waarop je muziek maakt, naar kunst kijkt, met taal speelt. Ik houd van je brutaliteit en bewonder je lef. Als ik zie hoe je je op school beweegt en ik zie mensen naar je kijken voel ik me trots. Trots omdat je bij mij hoort. En als je niet bij me bent, denk ik aan je en verlang ik naar je aanwezigheid. In het begin kon ik nog een knop omzetten als ik in de trein stapte en terugging naar huis. De treinreis was een overbrugging tussen mijn leven met jou en mijn leven met Hannelore en zolang dat goed ging was het hanteerbaar. Maar het werkt niet meer. Je neemt meer en meer bezit van mijn leven. Alleen… ik weet niet of ik dat wel wil… Soms denk ik: Wat kan mij het ook allemaal schelen! Ik gooi mijn hele leven op z’n kop! Maar er is ook iets dat me tegenhoudt. Natuurlijk is er Hannelore. Ik houd op een bepaalde manier van haar en ze verdient het niet om weggestuurd, ingeruild te worden. En dan… het leeftijdsverschil tussen ons. Wat heb ik je te bieden Sarah? Jij bent jong en mooi. Je kunt nog alle kanten op en de leuke mannen liggen voor het oprapen voor jou. Waarom zou jij je aan mij willen binden? Hoe lang kan jouw liefde voor mij duren? Nu is het een roes maar wat als ik straks vijftig ben, of nog ouder? Als ik een oude man ben met kwaaltjes en jij bent nog jong en fit.’ Nee! Niet weer over het leeftijdsverschil beginnen. Je wéét dat het onzin is! Ik haatte het wanneer hij dat als argument aanvoerde. Maar hij had nog steeds niet gezegd wat ik vreesde. Dat hij er een einde aan wilde maken. ‘Het is een illusie Sarah. Ik ben althans bang dat het een illusie is. Ik mag het jou niet aandoen en ik mag het Hannelore niet aandoen en misschien moet ik het mezelf ook niet aandoen… Ik weet het, het klinkt als een verschrikkelijk cliché. Het is meer dan afschuwelijk en ik voel me ook zo’n ontzettende lúl! Maar het maakt me gék Saartje! Want je moet ook weten dat ik van je houd. Ik houd 32

CIRCUMPLAUDO


godverdomme echt van je. Als ik er aan denk dat ik je kwijtraak… Ik verdraag de gedachte niet!’ Hij trok me in zijn armen en kneep me bijna fijn in zijn omhelzing. En opnieuw huilde hij. Zijn grote lijf schokte in geluidloze snikken en ik kon niets anders doen dan verschrikkelijk veel van hem houden.

Ole (fragment) Hannelore was er al toen ik thuis kwam. Ze ontving me met een omhelzing die het midden hield tussen liefde en ingehouden woede en die van een felheid was die niet bij haar paste. Ik maakte me voorzichtig los en lachte ongemakkelijk. ‘Je doet net alsof ik een maand ben weggeweest in plaats van vier dagen!’ Ik liep naar de keuken waar ik tot mijn verbazing een vrij grote voorraad lege wijnflessen aantrof. Hannelore, die achter me aangelopen was, zag mijn blik. ‘Ik heb zitten drinken, ja. Nadat jij de telefoon er op gegooid had heb ik met Freya zitten praten en we hebben een paar flessen wijn soldaat gemaakt. Je hoeft me niet zo aan te kijken! Ik weet wel dat je dat niet van mij gewend bent maar het kon me allemaal niets meer schelen. Ik wilde alleen nog maar huilen, schelden en drinken!’ Haar stem klonk schel en onaangenaam en ik zette me schrap. Freya was een vriendin van Hannelore die als enige in staat was haar tot het uiterste te drijven met haar opruiende praatjes. Dat ze het met haar op een drinken had gezet beloofde niet veel goeds voor het gesprek dat nu onvermijdelijk zou volgen. We hadden altijd over alles in alle rust kunnen praten maar het leek erop dat dat dit keer niet zou lukken. Hannelore was boos en als ze was gaan drinken was dat een slecht teken want, zoals ze zelf al zei, het was niets voor haar. Hannelore was een en al matigheid en wat CIRCUMPLAUDO

33


dat betreft mijn absolute tegenpool. Ik nam een biertje uit de koelkast en pakte een nieuwe fles wijn. ‘Wil je daar mee doorgaan of neem je dit keer een Spaatje?’ Het klonk cynischer dan ik bedoeld had en ik had al weer spijt, maar Hannelore beet van zich af met evenveel cynisme. ‘Schenk me gerust nog een glas wijn in Ole. Het schijnt dat ik er een stuk leuker door word!’ riep ze, waarna ze door de buitendeur in de tuin verdween. De toon was gezet. Ze had blijkbaar besloten om niet te wachten en bij mijn thuiskomst onmiddellijk haar woede en frustratie op me los te laten. Ik verzamelde al mijn moed en stapte met bier, wijn en glazen de tuin in. Ga je haar de waarheid vertellen Ole? Nee, natuurlijk ga je dat niet. Althans, niet de hele waarheid. ‘Wil jij beginnen of zal ik eerst?’ vroeg ik terwijl ik de glazen volschonk en een sigaret opstak. De zachte avondlucht was gevuld met het lieflijke avondgezang van de merels en die sfeer paste in het geheel niet bij de sfeer in onze tuin waar de kilte als reeds gebroken glas tussen ons in lag. ‘Ik wil alleen maar weten of het waar is dat Sarah bij je was en of je met haar hebt geslapen.’ Ze keek me doordringend aan alsof ze met haar blik iets wilde afdwingen. Maar ik gaf me nog niet gewonnen. Ik wilde eerst zelf een antwoord. ‘Hoe kwam je er eigenlijk bij dat ik daar met Sarah zou zijn?’ Hannelore draaide het wijnglas om en om tussen haar handen alsof ze daar het antwoord in kon vinden. Het viel haar niet gemakkelijk erover te praten. ‘Toen je zei dat je liever niet had dat ik meeging naar Lex’ verjaardag en ik je vroeg waarom niet, toen zei je zoiets stoms. Dat ik er bijna niemand kende en dat je je verantwoordelijk voor me zou voelen. Dat je daar geen zin in had omdat je je daar vrij wilde kunnen bewegen. Dat vond ik zo belachelijk! Hoe vaak ben ik met jou niet mee geweest naar concerten en etentjes achteraf, met mensen die ik helemáál niet kende. En je voelde je nooit onvrij. 34

CIRCUMPLAUDO


Het klonk als een smoes. Ik ging erover nadenken en begreep dat er maar één reden kon zijn waarom je zo’n verhaaltje tegen me ophing. Dat je Sarah wilde zien. Dat je naar Lex en Jessica zou gaan en daarna naar Sarah. Ik kon er niets aan doen, het ging een eigen leven leiden. Ik móest het weten!’ Ze nam een slok van haar wijn en ik hoopte dat mijn bange vermoedens geen bewaarheid zouden worden. Ze zou toch niet…? ‘Ik ben gaan zoeken naar bewijs. God Ole, ik voel me zo belachelijk nu, maar ik … En toen vond ik een tekening van Madelief tussen je partituren, je kent hem zeker nog wel. Die met die twee poppetjes in een groot hart.’ Ja, die tekening kende ik maar al te goed. Op een avond dat ik samen met Sarah op Madelief paste, had ze aan de keukentafel zitten tekenen terwijl wij de afwas deden. Triomfantelijk had ze het papier omhoog gestoken. ‘Kijk eens Ollie!’ Ze had twee poppetjes getekend en daar met rood potlood een groot hart omheen getrokken. Ik had haar gevraagd of dat papa en mama waren maar ze had haar blonde koppie geschud. ‘Nee! Niet pappa en mama! Ollie en Sarah! Wil jij de namen eronder schrijven?’ Ik had haar kleine hand omvat en samen met haar onze namen eronder geschreven. Ollie en Sarah. De volgende dag had ik de tekening in mijn tas gevonden. Ik had vertederd geglimlacht om het cadeautje en hem tussen mijn partituren geschoven. En er vervolgens niet meer aan gedacht. ‘Toen ik die tekening zag, begreep ik dat Lex en Jessica ook op de hoogte zijn van jouw zogenaamde vriendschap met Sarah en dat zelfs Madelief haar blijkt te kennen. En dat die vriendschap van jou wel eens meer kon zijn dan alleen maar vriendschap. Waarom tekende ze jullie anders in een hart?’ Hannelore’s stem werd hoger en schriller en ik voelde me onaangenaam verrast, hoewel ik blij was dat ze niet meer had gevonden dan alleen deze tekening. Ik dacht aan de map in mijn bureaula. CIRCUMPLAUDO

35


De map met brieven en kaartjes en andere zaken die verband hielden met Sarah. Je moet haar tegenhouden! Verzin iets! ‘Hanne! Luister even wil je? Natuurlijk kennen Lex en Jessica Sarah ook. Ik hoef mijn vriendschap met haar toch niet verborgen te houden? Ze mogen haar graag en bovendien is ze een gratis oppas voor Madelief. En die is ook dol op haar. En die tekening…. Jezus Hanne, kinderen tekenen van die dingen. Dat zou jij moeten weten. Ze vindt ons allebei lief, vandaar dat hart. Ik zou toch verdomme die tekening niet mee naar huis nemen als er iets anders achter stak? Ik moet eerlijk zeggen dat ik er nogal van opkijk dat jij tussen mijn spullen hebt zitten rommelen. Dat is jou onwaardig. Ik begrijp er helemaal niets van! Maar goed, je wilt alles weten? Oké, prima. Daar heb je misschien wel recht op.’ Ik stak een nieuwe sigaret op, deels om mijn woorden de tijd te geven bij Hannelore binnen te komen en deels om te bedenken hoe ik me hier uit kon praten. ‘Toen je me belde bij Lex was Sarah daar inderdaad ook. Gewoon, uitgenodigd als vriendin van de jarige. Dus ik vertelde je de waarheid.’ Hannelore schoot overeind. ‘Niet waar! Je zei dat ze er niet was!’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee Hannelore, dat was niet wat ik zei. Ik zei dat ze er niet samen met míj was. En verdere uitleg was op dat moment niet mogelijk. Ik zat in een kamer vol mensen en kinderen en ik begreep helemaal niets van jouw hysterische aanval. Het was misschien wat kort door de bocht dat ik ophing, dat wil ik wel toegeven.’ Opnieuw liet ik een stilte vallen en probeerde ondertussen te peilen welk effect mijn woorden op Hannelore hadden. Ze leek wat onzekerder van haar zaak en ik besloot het er op te wagen. ‘Wat de rest betreft wil ik wel open kaart met je spelen nu we toch zo ver zijn dat we het erover hebben. Ik ben een paar keer met haar naar bed geweest. Daar heb ik geen spijt van, behalve dan van het feit dat jij op dat moment niet meer op me kon rekenen. 36

CIRCUMPLAUDO


Daar heb ik met Sarah over gepraat. Dat ik niet simultaan wilde spelen. Dat ze weliswaar veel voor me betekende, maar dat ik jou niet wilde en niet kon opgeven. En Sarah begreep dat. Dat is een van de redenen waarom ik haar zo hoog heb zitten. We hadden afspraken, Hannelore. We zouden elkaar vrij laten en dat heb je ook altijd gedaan. Ik ben een stapje te ver gegaan met Sarah, dat geef ik toe maar het is niet onoverkomelijk. Het verandert niets aan mijn gevoelens voor jou, het verandert überhaupt niets tussen jou en mij. Niet als het aan mij ligt tenminste. Ik kan niet voor jou spreken natuurlijk. Maar ik hoop dat je dit een plaats kunt geven. Je zult moeten accepteren dat Sarah belangrijk voor me is om redenen die ik je al eens genoemd heb. Wat ik met Sarah heb, daar sta jij buiten en dat wil ik graag zo houden.’ De stijve, rechte houding van Hannelore was gedurende mijn woorden langzaam veranderd. Ze zat nu met haar armen gekruist over haar borst en haar handen verstopt onder haar oksels, enigszins in elkaar gedoken op de punt van de houten tuinstoel. Het wijnglas had ze aan haar voeten gezet. Tussen ons in was een zee waarin ik had geworsteld om boven te blijven en nu moest ik proberen naar haar toe te zwemmen om ook haar te redden. Ik stond op en trok haar overeind, tegen me aan. ‘Ik wil je geen pijn doen Hanne.’ Ik streelde haar rug en kroelde in het korte dikke haar. Ze sloeg haar armen om me heen en ik voelde dat ze zich overgaf. ‘Ik houd van je Ole!’ Ik nam haar betraande gezicht tussen mijn handen en kuste haar zacht. ‘Ik weet het Hanne, ik weet het.’ Op dat moment wist ik dat ik haar niet gered had maar dat we allebei een eiland hadden gevormd. We waren losgeraakt van elkaar en tussen ons zou de zee soms rustig zijn en soms kolken. Soms zou het eb zijn en dan konden we elkaar makkelijk bereiken, maar we zouden even zo vaak moeten zwemmen en vechten tegen de stromingen en de golven. Zo stond ik daar met haar in CIRCUMPLAUDO

37


onze tuin, terwijl de schemer over ging in het donker van de avond en de eerste ster zich aarzelend liet zien. Je staat er beroerd voor Ole! Heel beroerd‌

38

CIRCUMPLAUDO


Gurkje van Dam

Tante Jo en tante Mien Gurkje, die mijn moeder zou worden, had twee ongetrouwde tantes, zusters van haar vader, mijn opa. Tante Jo en tante Mien, zo gingen ze door het leven. Gurkje was als kind een beetje bang van hen, ze hadden harde stemmen en felle ogen. Bovendien waren ze voortdurend met elkaar aan het kijven; daar hadden ze veel gelegenheid toe want ze woonden bij elkaar, samen in één huis. Tante Jo naaide voor rijke bollenboeren en tante Mien had een paar werkhuizen. Achter hun huis hadden ze een flinke moestuin. Daar was toen nog ruimte voor, nu staat daar een parkeergarage. Als ze zo samen in de moestuin bezig waren kon je ze in de hele buurt horen. Tante Mien wou altijd de spruitjes eerder oogsten dan tante Jo en als het ‘s zomers warm en droog was mopperde tante Jo altijd dat tante Mien de tuin te weinig water gaf. En anders kibbelden ze wel over het wieden, de vliegjes bij de bonen of de rupsen in de kool. Later, toen tante Jo en tante Mien oud waren en ik al naar de kleuterschool ging, woonden ze in een bejaardenhuisje achter de kerk, in de ronding van de omleidingsweg. Daar hadden ze een terrasje bij met wat bloempotten en ze mopperden dat de groente uit de winkel niet smaakte. Toen was ik een beetje bang van ze. Op een dag in het najaar, het is al lang geleden, Gurkje was zeven en zat in de tweede klas, stond tante Mien ineens voor school toen die uitging. Het was een kille, vochtige dag, de mist leek zelfs in de huizen en de schoollokalen te hangen. Gurkje schrok een beetje toen tante Mien daar zo stond, met haar opgestoken haar, Gurkje’s broertje Theo op de arm en nog een broertje en een zusje aan haar rokken. “Zo Gurkje,” zei tante Mien, “jullie komen vanavond bij ons eten, jullie moe is ziek.” Gurkje begreep het niet zo goed. Moe was wel een beetje dik geCIRCUMPLAUDO

39


worden, de laatste tijd, maar dan was je toch niet ziek? De moeder van de buren was van de zomer ook dik geweest en daar… Gurkje’s gedachten stokten even. Ze begon iets meer te begrijpen van hoe het leven in elkaar stak. “Krijgen we een broertje of een zusje?” vroeg ze opgetogen. Met haar vrije hand gaf tante Mien haar een mep voor het uitslaan van vuile taal. Met haar ene hand wreef Gurkje over de pijnlijke plek, een beetje geschrokken. Sjaak van vijf pakte haar andere hand in een soort van beschermend gebaar. “Gaan jullie Geert halen,” zei tante Mien kortaf. Zelf ging ze vast naar huis en nam de kleintjes mee. Hand in hand liepen Gurkje en Sjaak naar de jongensschool, waar Geert zou zijn. Geert, de oudste broer, was er nog aan het knikkeren op het schoolplein met wat vriendjes. Hij had niet veel zin om mee te gaan naar tante Mien. “Moe is ziek,” zei Gurkje, een beetje weifelend. Geert keek haar aan. “Ze krijgt toch zeker een kindje,” zei Geert zelfverzekerd. Gurkje sloeg haar hand voor haar mond. Sjaak kneep in haar andere hand en zei op bestraffende toon tegen z’n grote broer dat ie dat niet mocht zeggen. Geert haalde zijn schouders op. Tante Jo bleek ook al thuis te zijn, ze had wat lappenpoppen te voorschijn gehaald, dat waren mooie poppen. Tante Jo kon toveren met naald en draad. Ze moesten maar zoet wat gaan spelen in de huiskamer. Uit de keuken, waar de tantes waren, klonken harde stemmen. De ene tante verweet de andere nooit eens de keuken op te ruimen. De stemmen van de tantes leken zo op elkaar, dat de kinderen niet wisten wie wat zei. Er vielen harde woorden over de luis in de peterselie. Er werd gemopperd over het extra werk dat de logeetjes meebrachten. “Sjaak krijgt veel te veel kinderen, dat kan ze nooit bijhouden,” zei een van de tantes. Sjaak, daar bedoelden de tantes natuurlijk de vader van Gurkje mee. 40

CIRCUMPLAUDO


“En ze is al niet zo werks,” hoorden de kinderen zeggen. “Nou, we zullen die twee oudsten dan maar leren aardappels schillen. Het zou ook eens een keertje tijd worden,” hoorden ze de ander zeggen. Volgens Geert was dat tante Mien. Geert en Gurkje moesten in de keuken komen, bij diezelfde tante Mien, die ze aardappels zou leren schillen. Tante Jo ging ondertussen de kleintjes zoet houden. Geert was een beetje gehaast en slordig en sneed zich een paar keer in de vingers. Gurkje was voorzichtiger en had het sneller onder de knie. Toch kregen ze allebei nog wel een tik omdat ze te dik schilden. Zonde van die kostelijke aardappels was dat. Bij het bidden voor het eten kreeg Sjaak ook een tik omdat hij met z’n linkerhand een kruisje sloeg. Dat was wel zoiets verschrikkelijks, een kruisje slaan met de verkeerde hand. “Pas maar op, straks groeit dat handje boven je graf als je dood bent,” beet tante Jo hem toe. Ook die nacht moesten ze nog bij de tantes blijven, ze sliepen bij de tantes in bed. Voor Sjaak en Geert was een bedje op de grond gemaakt, onder de eettafel. ’s Morgens na de pap mochten ze pas weer naar huis en toen lag er een blozend zusje in de wieg te kraaien. Inderdaad had moe het nou wel erg druk, met die groeiende kinderschaar en al het wasgoed dat dat gaf. Wegwerpluiers bestonden nog niet en een tobbe, een wasbord en twee stevige armen dienden als wasmachine. Gurkje en Geert moesten nu alle dagen aardappels schillen, behalve als ze bruine bonen aten. Sjaak mocht nog een poosje wachten. Toen het voorjaar kwam met zonneschijn, zaten Geert en Gurkje vaak buiten op het stoepje te schillen. Aan de andere kant van de heg zaten dan de jongens van Klaver ook te schillen. Die jongens zaten op het koor bij meneer Wolvers, de koster, en begonnen vaak te zingen onder het aardappelschillen. Geert en Gurkje zaten niet op een koor, maar ze kenden de liedjes toch meestal wel en CIRCUMPLAUDO

41


vielen dan in. Soms zong dan Aad Klaver de tweede stem. Tante Jo en tante Mien zijn geen van tweeën ooit getrouwd geraakt. Altijd bleven ze samen. Toen ze wat ouder werden, gingen ze elke dag, weer of geen weer, samen een eind wandelen. Dat was goed voor de gezondheid. In mijn jonge jaren zag ik ze nog vaak samen lopen, tegen elkaar leunend als waren zij een soort van Siamese tweeling; tante Jo links en tante Mien rechts. Hun ogen waren toen al zo fel niet meer, hun stemmen hadden aan kracht verloren. Nadat tante Mien overleden was, liep tante Jo alle dagen alleen, weer of geen weer. Ze helde dan een beetje naar rechts. Op een keer hield ze me aan en vroeg of ik er één van Gurkje was. Vervolgens bleef ze nog lang tegen me aan praten met haar gebroken stem. Ze besloot ermee dat ze tante Mien erg miste.

42

CIRCUMPLAUDO


Bandirah

CIRCUMPLAUDO

43


Bobadas

Twee gedichten Broederbloed

De wandeling kan nieuw zijn maar kan lang zijn ’t zijn broers die samen bloeden die ’t nie toegeven maar bijna altijd samen bang zijn die samen hard zijn maar onderhuids zo mals zijn Het verschil kan zo groot zijn de afstand kan soms mooi zijn ’t zijn broers die samen bloeden die ’t nie toegeven maar al denken da ze dood zijn die samen klein zijn maar in twee paar ogen groots zijn De pijn kan zo intens zijn de pijn kan groter dan immens zijn ’t zijn broers die samen bloeden die ’t nie toegeven maar de band kan ook een grens zijn ’t zijn broers die samen weten da geeneen van hen kan mens zijn

44

CIRCUMPLAUDO


Mijn feestje

‘k zie u graag ma ‘k kan nie blijven dit is mijn feestje ik ga dood in de ban van lekkere lijven gelijk een beestje als ’t hij rooft stoor d’u aan de doorn in u oog hij blijft zitten ‘k ben de zatlap aan den toog ma mé mijn woorden kan ‘k mikken tikken op u vingers en bonken in u hoofd ookal praten we nie meer ‘k heb altijd in ons geloofd ‘k beloof u om te blijven ma gelijk u breek ‘k beloftes mea culpa ik ben schuldig schuld geraakt nie ingelost dus… ik zie u graag ma ‘k kan nie blijven dit is mijn feestje ik ga dood

CIRCUMPLAUDO

45


Bandirah

46

CIRCUMPLAUDO


Lieven Deflandre

Mein Dansplaat Dat de favoriete plaat van Barry het volkomen foute ‘Dansplaat’ is en dat hij het nummer om de twintig minuten aanvraagt (opeist), daar nemen wij allen vrede mee. Want Barry is tenslotte een neurotische psychopaat van twee meter hoog uit de gesloten afdeling en wij zijn maar gewone, doorsnee zotten. Dus maken wij elke keer het bekende duim-omhooggebaar naar Barry als hij weer volledig uit de bol gaat op de dansvloer die voor de rest leeg is. Niemand wil het risico lopen om op zijn teen te trappen als hij zijn vrij chaotische en onvoorspelbare slamdanspassen uit zijn vijftigers schudt. Het is woensdagavond en dan is het praatcafé open. Praatcafé is een ongelukkig gekozen term voor de verduisterde turnzaal met de draaiende discobollen waar de muziek loeihard staat en een normale conversatie uitgesloten is. Eerder doet deze locatie denken aan een plattelandsdiscotheek uit de seventies, alleen het obligate karrenwiel aan de wand ontbreekt. Er was vanavond een Japanse animatiefilm voorzien, maar toen de cultuurchef van het instituut kwam aankondigen dat er iets was mis gelopen en de vertoning niet kon doorgaan, ging er een golf van enthousiasme door de zaal. De cultuurchef kon zich niet snel genoeg achter de gordijnen terugtrekken. “Dansplaat!” brulde iemand. Het meisje dat naast me zat, heette Barbara, het kan ook Marina of Sabrina geweest zijn. Het probleem van het meisje van wie wij aannamen dat ze Barbara heette, en dat op de afdeling stemmingsstoornissen verbleef, was dat ze een laag zelfbeeld had, volgens haar psychiater. Zo gaat dat in onze ‘we amuseren ons te pletter’maatschappij: mensen met een te laag zelfbeeld zijn voer voor psychiaters, mensen met een te hoog zelfbeeld hangen elke week CIRCUMPLAUDO

47


in het Swingpaleis en de Kloten Club de idioot uit ten aanzien van een miljoen televisiekijkers. Volgens mij had Barbara helemaal geen zelfbeeld, dat moet ze onderweg ergens zijn kwijtgeraakt. Barbara was 22 jaar, vroegoud en doodsbang. Bang van de spiegel, bang van haar ouders, bang van haar eigen zichtbaarheid, bang van het licht, bang van het duister, bang van koude drukte en van warme oliebollen. Als ik in de televisiezaal naar het journaal zat te kijken en ze kwam binnen, dan zette Barbara zich zo ver mogelijk van mij en vroeg of ze echt niet stoorde, of het echt niet hinderde dat ze daar kwam zitten, of ze echt niet in de weg zat, of ik echt het niet erg vond dat ze ADEMDE, of ze echt niet weg moest gaan. Zo bang was dat meisje. De geur van aangebrande bitterballen kwam ons tegemoet waaien. Aan de andere kant van de tafel zat mijnheer Soedan, een bipolair. Een aardige man, maar hij morste altijd soep op zijn das. En hij kon niet ophouden met praten. Om het even welk onderwerp je aansneed in zijn aanwezigheid, hij pikte eropin. Hij beende het onderwerp uit, belichtte de historische facetten en de sociologische achtergronden ervan, schetste de culturele betekenis ervan voor het postmodernisme‌ Als je het al niet was, dan werd je compleet gestoord van deze praatvaar die voor de rest geen vlieg kwaad deed. Willy was ook zo iemand. Op een dag was Willy thuisgekomen van zijn werk, hij was arbeidsgeneesheer, en kreeg de deur niet open. Zijn ruime woning zat van boven tot beneden volgestouwd met boeken. Willy vond namelijk dat hij elk boek dat verscheen, moest gelezen hebben. Toen hij zich realiseerde dat hij zijn ambitie nooit zou kunnen waarmaken, is hij mentaal gecrasht. Onze levensloop hangt af van een paar details: in de zeventiende eeuw was Willy een gerespecteerd homo universalis geweest, nu sleet hij zijn dagen in het Vrolijke Instituut aan het kanaal van Gent naar Terneuzen. 48

CIRCUMPLAUDO


Alledrie aten we zwijgend bitterballen. Zelfs mijnheer Soedan hield zich gedeisd, hij had zijn pilletjes al ingenomen. Mijnheer Soedan had sinds kort een metamorfose ondergaan. Hij had zich gevonden in de Heer, droeg nu maatpakken en ging elke avond naar zijn christelijke praat- en bezinningsgroep. Of zijn devotie echt was of een manier om de Broeders van Liefde te verleiden tot toestemming voor zijn aanvraag tot vervroegd ontslag, dat wist alleen hij. De bitterballen, acht stuks voor 1 euro, je kan ze er zelf niet voor maken (hihi, lol), waren het cement van de dansavonden. Een geniale zet van de Cultuurbroeder om volk te lokken naar zijn tent. Dat de film werd afgelast vond niemand een punt om over te struikelen, maar als hij had durven verklaren dat de voorraad bitterballen op was, dan stond de danszaal drie seconden later in lichterlaaie. Dan hadden alle witjassen van alle afdelingen in gestrekte draf moeten ingrijpen met hun dwangbuizen en verdovende spuiten. Dan hadden Ter Zake, Nova en het Nieuws de volgende dag items gewijd aan het thema: OPROER IN ONZE PSYCHIATRISCHE INSTELLINGEN: WAT DRIJFT HEN? WAT ZIJN DE OORZAKEN VAN HET ONGENOEGEN? En dan zou een roedel psychiaters en psychologen wekenlang over negatieve omgevingsfactoren, Verelendung en vervreemding van de eigen identiteit hebben geouwehoerd. Zo werkt dat in onze ‘lul maar wat raak tot onze zendtijd op is’cultuur. Terwijl het alleen maar de bitterballen waren, ik zweer het u, die ons tot waanzin hebben gedreven.

CIRCUMPLAUDO

49


Gerard Scharn

Twee gedichten van een onbekend gebleven merk

vandaag vind ik een mopsijzeren kacheltje leuk het is van Alexander Wat waarschijnlijk door en door verroest de pook is al verpulverd de asla vol ik vraag mij af wat vreet zo'n ding als ik zijn leven nog wil rekken steenkool turf of briket misschien wat aanmaakhout een oude krant met lampenolie ik gooi zijn herinneringen op het vuur de woorden gloeien na, er branden gaten in mijn hoofd nu zin voor zin de boodschap duidelijk wordt

50

CIRCUMPLAUDO


lijkt op erg grijs

buurman rookt havana’s met gevlochten bovenblad drinkt soms een goed glas rum en droomt van boekaniers op de oevers van de seine drinkt hij meer dan een goed glas rum dan droomt hij ook over vikingen en de slag bij battle in de buurt van hastings buurman roept zijn vrouw of hij doet alsof, ze is al weken weg ze had de kleur van natte as maar wel van goede sigaren as waarmee je zilver poetst

CIRCUMPLAUDO

51


Bandirah

52

CIRCUMPLAUDO


Leo van der Sterren

Predeterminatie Toen Giesleine binnen kwam, zat hij niet waar zijn versteende versie de afgelopen maanden had gezeten, alsof hij er wortel had geschoten. Wel stond er vlakbij de hoekbank met het motief van geel wolfskruid een haar onbekende, chique uitziende koffer van zwart leder. Een korte inspectieronde leerde haar dat hij zich in elk geval niet beneden ophield. Enigszins geagiteerd rukte Giesleine de deur naar het trappenhuis open. Het was verdomme ook altijd… ‘Dankert!’ Geen teken van leven. ‘Dankert, ben jij daar? Dankert, waar ben je?’ Geen teken van leven. Dat kon en bestond niet. Niet na alles… Ze smeet de deur naar het trappenhuis dicht. Maar op dat moment herinnerde ze zich dat de bus nog vol boodschappen stond die ze, zoals meestal, in Duitsland had gedaan. Verdomme! Ze sjouwde een paar keer op en neer tussen bus en keuken en ruimde de boodschappen op. Veel monden om te voeden. En een helpende hand ontbrak. Mannen! Nooit present bij noodgevallen. Maar zij was goed bezig. Toen Dankert ziek was geworden, had zij bepaalde dossiers van hem overgenomen – tegen wil en dank, als provisorische maatregel, om hem te ontlasten. En ze had successen geboekt! Ze had zichzelf zelfs met de kwestie die tot zijn huidige toestand had geleid, opgezadeld en stond op het punt om een doorbraak te bereiken in die zaak. Met een zucht plofte ze op de hoekbank neer. Ze wierp een blik op de koffer. Wat moest die koffer hier? Wat zou er in zitten? Maar toen ze aanstalten maakte om de koffer te openen, realiseerde ze zich plotsklaps hoezeer ze deze omstandigheid niet kon en mocht vertrouwen. Ze vloog overeind en snelde de achterkeuken in. In de garage beende ze rond Dankerts Porsche, terloops een blik in de bolide werpend. Niets verdachts. Ze ontgrendelde de CIRCUMPLAUDO

53


achterdeur en liep de tuin in. De zon scheen. Het werd hoog tijd om de tuin onderhanden te nemen. De vijver lag er rimpelloos bij. De seringen bloeiden. De deur van het tuinhuis zat op slot. Ze keek door een raampje naar binnen. Niets. Ze liep naar het prieeltje in de uiterste uithoek van de tuin. Wat hadden ze hier in het begin vaak gezeten! Geen Dankert. Giesleine betrad het huis weer. Boven had ze nog geen verkenning uitgevoerd. Ze opende de deur naar het trappenhuis en klom de trap op. Toen ze de bocht in de trap gepasseerd was, signaleerde ze een ding in die ruimte, dat zich demonstratief en oneigenlijk in haar blikveld manoeuvreerde. Een groot en donker ding. Een deus ex machina. Ze schrok zich dood, maar op de status ‘dood’ kon op dat moment waarschijnlijk slechts een wezen aanspraak maken. Als een ledenpop hing Dankert uit het gat dat via een vlizotrap toegang tot de zolder gaf, aan een touw, licht wiegend nog. Hij zag er uit als een geknakte…een geknakte…iets. Ze prees zichzelf gelukkig dat ze geen kinderen hadden. Als die… Toen nam kordate actie bezit van haar. Ze klom de vlizotrap op, wurmde zich langs benen die nauwelijks meegaven en voelde aan zijn halsslagader. Nog warm. Maar geen pols. Op het horloge kijken. Vijf over twee. Zij snelde naar beneden, belde 112 en meldde wat er te melden viel. Naam. Adres. Ze zouden komen. Giesleine plofte op de bank neer, ineens doodmoe. Terwijl zij de ontwikkelingen afwachtte die zich volgens deze of gene procedure zouden voltrekken, moest ze tot haar verbazing vaststellen dat de emoties uitbleven. Sterker nog, de gevoelens die in haar bewustzijn postvatten, vertaalden zich als vanzelf naar het cerebrale. Bespiegelingen en redeneringen dienden zich aan. En merkwaardig genoeg verleende uitgerekend dat rationele proces haar weer toegang tot het domein van de emoties. Ze dacht na over de afgelopen tijd. De era van de crisis. Hij was veranderd in die periode. Maar de laatste tijd had hij toch weer meer zijn normale zelf gevonden. Het ging beter dan voorheen. Dacht ze. Ze had zich laten begoochelen. Een traan biggelde over haar wang. Geërgerd veegde zij het ding weg. 54

CIRCUMPLAUDO


Een andere emotie. Giesleine wond zich op omdat het zo lang duurde. Zij meende zeker dat het al een half uur geleden was dat zij gebeld had. Maar het bleek nog geen kwart over twee te zijn. Bedrieger. Egoïst. Hij had langzaam heen en weer bewogen. De laatste beweging van zijn leven werkte nog na toen zij hem aantrof. Wiegen, het had op wiegen geleken. Wiegen bij aanvang en wiegen bij het einde. Liefdevol wiegen tot het kind op de vleugels van de slaap weg zweefde. Waarom had Dankert dit gedaan? En waarom had zij niets gemerkt? Haar kennis van hem reikte verder dan haar zelfkennis. Had zij verkeerd gehandeld? Hem te weinig geholpen? Te veel? Opnieuw gleed er een kille traan over haar wang. Waarom – ? De koffer stak in haar oog. Onwillig tilde ze het ding een klein stukje op. Woog zwaar genoeg. Ze hees de koffer op de bank en knipte de twee sluitingen open. Ze klapte het deksel omhoog. Ze slaakte een gil. Ze sloeg een hand voor haar mond, als om eventuele andere geluiden die aan haar keel zouden ontsnappen te dempen. Overweldigend de aanblik die het kleurrijke papier bood. Het paars domineerde, keurig in het gelid, een onwerkelijk patroon vormend, doorsneden door keurige dunne felgele lintjes. En in dieppaars, telkens herhaald, het cijfer 500. Haar hand zweefde boven de inhoud van de koffer als een libel boven een vijver. Ze streelde het stugge papier en haalde er toen een stapeltje uit. Daaronder bevond zich nog een stapeltje. Haar gezicht gloeide en kleurde vast vuurrood, nee, net zo paars als de kleur op deze biljetten. Snel stopte ze het bundeltje terug in de koffer en klapte het deksel dicht. Waar kwam dit geld vandaan? Wat had Dankert er mee van doen? En waar moest ze met de koffer naar toe? In huis? Nee, er zou zo meteen een invasie van gezagsdragers plaatsvinden. Misschien zouden die alles doorzoeken. In het tuinhuisje? In de bus? Nee, nee, nee! En toen kreeg ze een idee. Ze spoedde zich naar boven, een wantrouwende blik werpend op de totem die daar ondanks alles als een aanklacht hing. In de slaapkamer griste ze wat stapeltjes kleren uit de kast. Ze stormde de trap af. HalverweCIRCUMPLAUDO

55


ge bleef ze staan. Een paar stappen naar boven, naar het ontzielde lichaam van Dankert. Ze diepte een bos sleutels uit zijn broekzak. Naar beneden. Ze opende de koffer en stopte de sleutels erin. Daarna drapeerde ze de kleren netjes op de sleutels en het heilige papier. Ze knipte de sluitingen van het deksel dicht. Meteen daarop klonk het schelle geluid van de voordeurbel. Een man die zich als dokter Groezewoud voorstelde, betrad de woning, gevolgd door twee geĂźniformeerde politieagentes en twee mannen in burger die Van Dam en Janssens heetten. Recherche. Nadat Giesleine gemeld had waar zij het ontzielde lichaam van haar man had aangetroffen en dat ze geen afscheidsbrief had gevonden, togen Groezewoud en Van Dam naar boven. Giesleine wilde de koffer van de grote hoekbank. Janssens wilde haar helpen en nam de koffer over van haar. Behoedzaam plaatste hij de koffer op de tegelvloer. Giesleine nodigde de politiebeambten uit om plaats te nemen op de bank. Eenieder zweeg. Giesleine wist niet in hoeverre het gebruikelijk was dat ze informeerde of men trek in thee of koffie had. Na enkele minuten keerden Groezewoud en Van Dam terug in de kamer en condoleerden Giesleine. De officiĂŤle bevestiging. Groezewoud overhandigde wat spullen uit de zakken van Dankerts broek aan Giesleine. Droog deelde hij mede dat er sectie op het lichaam verricht zou moeten worden. Toen stelde hij haar enkele vragen over begrafenisondernemingen en uitvaartverzekeringen. Giesleine wist ineens niets meer en begon te huilen. Groezewoud zuchtte, wendde zich van haar af, toverde een mobieltje tevoorschijn en voerde een telefoongesprek. De overige politiefunctionarissen condoleerden Giesleine nu ook. Groezewoud stelde dat hij op de begrafenisondernemer moest wachten en ging weer naar boven. Van Dam vroeg aan Giesleine of zij in staat was om enkele vragen te beantwoorden. Ze namen allebei plaats op de hoekbank. Terwijl hij een blik op de koffer wierp, diepte de rechercheur een pen en een notitieboekje uit de binnenzak van zijn colbertjasje.

56

CIRCUMPLAUDO


Janssens en de politieagentes begonnen huis en tuin uit te kammen. Ze vroegen ook om de sleutels van het tuinhuis en van de voertuigen. Giesleine haalde de sleutels van het sleutelrekje in de keuken. Daarna vertelde zij aan Van Dam wat er te vertellen viel. Dat Dankert aan een depressie leed. Het was begonnen met handel die zich tot miswaar had ontpopt. Dat woord gebruikte ze letterlijk: miswaar. Dankert had een lading goederen gekocht die onverkoopbaar bleek te zijn. Die lading had hem en zijn leven getransformeerd. Vergald. Op een gegeven moment kon hij er niet meer van slapen. Hij werd steeds nerveuzer. Tot hij in een regelrechte depressie schoot die nu al maanden duurde. Maar de laatste weken was zijn toestand juist verbeterd. Terwijl Van Dam driftig aan het noteren was, herinnerde Giesleine zich hun eerste ontmoeting. Door een gril van het toeval was Giesleine, die toen nog als enig kind en wilde rebel bij haar ouders in Amsterdam woonde, in Meppel verzeild geraakt. Ze had een verkeerde trein genomen. Toen ze haar fout bemerkte, zat er niets anders op dan terug te reizen. Ze was in het eerste het beste station uitgestapt. Dat was in Meppel – waar ze nog nooit geweest was. Om de tijd te doden besloot ze wat door het centrum te flaneren. Meppel bezat alle kenmerken van een echte provinciestad. Het wilde heel wat zijn maar het was niets en zou nooit iets worden. Terwijl ze zo stoer mogelijk door Meppel schreed, verzwikte ze op een gegeven moment haar voet. Wat een afgang! Een onbekend meisje, Sylvia, had zich spontaan om haar bekommerd en meegenomen naar haar appartement. Daar viel even later haar broer binnen. Opnieuw een geval van puur toeval, want hij kwam nooit bij haar op bezoek, zo verweet Sylvia hem met geveinsde verontwaardiging. Tussen Giesleine en Dankert sloeg de vonk meteen over en drie maanden later trouwden ze, tot in de kleinste cel van hun wezen vervuld van elkaar. De vreemde omstandigheden van hun ontmoeting beschouwden ze uitdrukkelijk als een goed omen voor de verbintenis. In het begin bepaalde de dronken-

CIRCUMPLAUDO

57


schap van de liefde hun verbintenis. Maar naderhand sijpelde de lava van de passie weg in de afvoerputjes van de sleur. Waarom–? Van Dam informeerde naar de aard van de hangpartij. Giesleine verzuchtte daarvan niets te weten. Van Dam keek haar onderzoekend aan. Het kostte hem zichtbaar moeite om geloof aan haar antwoord te hechten. Zij gaf bovendien totaal geen invulling aan haar rol van bedroefde weduwe. Wat voor indruk wekte dat niet? Van de andere kant, hij had toch gezien dat zij gehuild had! Giesleine rechtvaardigde zich door te verklaren dat zij zich amper met de zaken van haar man bemoeid had. Maar zij wist wel dat de lading moest zijn opgeslagen in een van de loodsen van Dankert. Van Dam vroeg naar de locaties van de loodsen en eiste de sleutels ervan op. Giesleine zei dat Dankert de sleutels altijd bij zich droeg. Maar ze hadden blijkbaar niet in zijn zakken gezeten, want anders had Van Dam ze wel gevonden. Giesleine stond op en liep naar de keuken. Nee, ze hingen ook niet aan het sleutelrekje. Opnieuw die blik. Ze zou ernaar zoeken, zo verzekerde ze de politiebeambte. ‘U wilde op reis gaan?’ vroeg Van Dam plotseling, op de koffer wijzend. Met een ruk rees hij op van de bank en hurkte neer bij de koffer. ‘Ja, ik…ik was voornemens om naar mijn schoonzus in Meppel te rijden.’ ‘Dan zou uw man alleen zijn geweest.’ Een zweem van insinuatie klonk in zijn woorden door. Hij legde de koffer op de vloer. ‘Nee, nee, het had niets met mijn man te maken,’ wierp Giesleine tegen. ‘Mijn schoonzus is ziek… Sylvia lijdt aan kanker. Terminaal. En met Dankert ging het de laatste weken juist goed.’ ‘Dat is dus een misrekening geweest.’ Van Dam knipte de sluitingen naar rechts en deed het deksel naar boven. Hij liet zijn ogen over de inhoud dwalen. Toen keek hij naar Giesleine op. ‘Mijn excuus, dat had ik niet moeten zeggen,’ fluisterde hij terwijl hij een shirt optilde. Daaronder lag een bloemetjesshirt, zag ze. Ongemakkelijk schoof ze heen en weer op het gele wolfskruid. 58

CIRCUMPLAUDO


‘Oké,’ zei ze. Ze zwegen beiden. Van Dam tilde een broek op. Daaronder bevond zich een andere broek. ‘Mocht u alsnog naar Meppel gaan, dan zou ik u willen verzoeken om dat even aan mij door te geven,’ zo voorzag Van Dam het onderhoud van een doorstart. Hij legde de broek terug. ‘Dat zal ik doen. Maar voorlopig blijf ik hier.’ ‘Ja, dat kan ik me voorstellen. Ik moet u trouwens verzoeken om morgen naar het politiebureau te komen. Gaat dat?’ Giesleine knikte. Haar ogen vulden zich met traanvocht. ‘Laten we zeggen om twee uur morgenmiddag, schikt dat? Er moet een verbaal opgemaakt worden. En wilt u dan ook de sleutels van de loodsen meenemen?’ Giesleine knikte. Zijn handen… zij daalden. Van Dam tilde opnieuw dat ene shirt op, de bloemetjes bloot leggend. En toen klonk de voordeurbel, schel. Giesleine vloog in een schrikreflex overeind, stoof de hal in en deed open. Een man in een zwart pak. De begrafenisondernemer, zo bleek. Twee andere mannen stonden bij een grote, zwarte bestelauto te wachten. Giesleine liet hen binnen. Ze hadden een brancard op wielen met daarop een metalen lijkkist bij zich. Het gezelschap van raven betrad het huis. Van Dam keek toe, zittend op het gele wolfskruid. De koffer was dicht. De lijkbezorgers stommelden naar boven. ‘Mevrouw Houtweg,’ hernam Van Dam het gesprek, ‘als u morgen op het bureau komt, kunnen we u ook informatie geven over slachtofferhulp.’ Giesleine knikte slechts. Ze hoorde gerommel boven. ‘Hebt u iemand op wie u kunt terugvallen? Familieleden? Vrienden?’ Giesleine knikte. Opnieuw biggelde er een traan over haar wang. ‘Voor nu zal ik het hierbij laten,’ gaf de rechercheur te kennen. De begrafenisondernemer en de lijkbezorgers voerden in een korte processie het ontzielde lichaam van Dankert af. Groezewoud adviseerde Giesleine om haar huisarts te raadplegen. Een beroepsmaCIRCUMPLAUDO

59


tig ‘sterkte’ aan die goedbedoelde raad toevoegend, beende hij het huis uit. Om zes uur waren de praktische aangelegenheden voorlopig afgewikkeld en hadden alle functionarissen het pand verlaten. Minutenlang doolde Giesleine door het huis, doelloos, met de ziel onder haar arm. Plots bleef ze stil staan. Ze rechtte haar rug. De actie nam opnieuw bezit van haar. Bezeten, gehaast sloot ze alle deuren af. Ze opende de koffer, viste de sleutelbos eruit en sloot de koffer weer. Ze pakte haar handtas en stopte de sleutelbos erin. Ze hees de koffer van de vloer. Nadat ze in de hal een paar leren handschoenen uit een kastje had gehaald, verliet ze het huis door de voordeur die ze eveneens op slot deed. Ze laadde de koffer in de bus. Doelbewust koerste ze richting industrieterrein De Ekkersloo dat er verlaten bij lag. Bij het bedrijfsterrein van Adamant parkeerde ze de bus in de berm. Ze haalde een reservetankje voor benzine uit de bus. Ze diepte de sleutelbos uit haar handtas. Ze trok de handschoenen aan. Ze opende de poort in het hoge hek rondom het bedrijfsterrein. Ze marcheerde naar de loods en ontsloot de deur met een andere sleutel van de sleutelbos. Binnen was het aardedonker. Ze zette het alarm uit door een code in te tikken op een toetsenbordje dat aan de wand naast de deur bevestigd was. Daarna drukte ze op de lichtschakelaar. Aarzelend floepten overal tlbuizen aan, wit licht verspreidend. De loods stond vol met boxpallets. De fatale boxpallets. Ze gluurde schielijk naar het bouwwerk dat ter linkerzijde achter de boxpallets stond als een gebouw in een gebouw. Daar was alles rustig. Maar daar ging het niet om. De boxpallets, de hangpartij, daar ging het om. Ze begaf zich naar een kantoortje, rechts in de loods. Het kantoortje bevatte een tafel, een paar stoelen en een bureau. Ze griste een doosje lucifers uit een van de laden van het bureau. Ze goot benzine over een paar boxpallets waarna ze er een brandende lucifer in gooide. De houten kratten vatten meteen vlam. Giesleine 60

CIRCUMPLAUDO


haastte zich naar de uitgang van de loods, stapte naar buiten en sloot de deur af. Nu het alarm was uitgeschakeld, werkte het brandalarm ook niet, zo wist zij. Ze vergrendelde de poort in het hek. Terwijl de vlammen in de loods zich een weg naar buiten vraten en de eerste sopraanstemmige noodkreten vermengd met een soort wolfsgehuil tot buiten doordrongen, stapte ze in de bus. Op het moment dat ze het portier dicht trok, explodeerde de loods, een apocalyptisch schouwspel van rode en gouden bloemen etalerend. Ze reed het industrieterrein af in de richting van de snelweg. Toen ze in haar achteruitkijkspiegel keek, zag ze in het beeld van de monsterlijke vlammenzee twee koplampen aanflitsen.

CIRCUMPLAUDO

61


Robin Wijnhold

Mijn muren Met je lange zachte vingers was je de eerste die mijn broze muren aftastte; het donker deerde je niet. Tot mijn verlegenheid streelde je over mijn groeven, langs mijn afgebladderd behang en mijn verfvlekken. Rustig en nieuwsgierig tastte je mijn muren af, je zocht van plint tot plafond, geduldig wachtend, net zo lang tot je mijn lichtknopje gevonden had. “Iedereen heeft er een� zei je vrolijk terwijl mijn ogen nog beduusd aan het felle licht wenden. Ik keek je aan en daar stond je, lang en lief en je glimlachte over mijn ontdaanheid. Naakt schaamde ik me voor de lege muren die je zo lang had afgetast. Nieuwsgierig rondkijkend zei je dat je het leuk vond, met gebogen hoofd mompelde ik dat ik jou leuk vond. Langzaam kleedde je mijn muren aan. Eerst een kleine postkaart verborgen in de hoek als een stiekeme voetstap in nog maagdelijke sneeuw. Daarna een foto van ons dicht tegen elkaar aan en daarna, daarna een grote foto van onze lippen die elkaar gevoelig omhelsden. Mijn muren werden puzzelstukje voor puzzelstukje trots versierd door onze bloeiende liefde. Ik keek naar mijn muren en zij keken naar mij en dan lachten we. Steeds minder zag ik hun lelijke groeven en het afbladderende behang en steeds minder zagen zij dat bij mij. Als een verjaardag vierde ik de dag dat mijn 62

CIRCUMPLAUDO


muren hun witte en lege onschuld volledig hadden verloren. Niet wetend, of niet willende weten, dat die dag november 1989 inluidde. Ik wilde niet weten dat, als de herfst, er steeds meer blaadjes van mijn behang afbladerden; de foto’s verkleurd waren maar niet vervangen en de postkaarten steeds korter en kouder werden. Vandaag is het 9 november 1989 en met je lange zachte vingers tast je voor het laatst mijn krakende muren af. Naakt en in elkaar gekropen kijk ik toe hoe je met je lange zachte vingers zachtjes het licht uitdoet en vertrekt.

CIRCUMPLAUDO

63


Ed Kortjes

Hotelkamer In een hotelkamer, op z’n zij op bed liggend, probeert hij zich te ontspannen, uit te rusten tot laat in de nacht, wanneer hij een afspraak heeft. Slapen kan hij niet, maar zo liggend als hij nu ligt kan het lichaam net zo rusten als wanneer hij wel slaapt en wakker kan hij ook dromen. Hij droomt van de nachtmerrie die hij gaat aanrichten. Analyse

Men kan een fictie-verhaal wel tot op het bot analyseren, maar dat geeft geen antwoord op de vraag of het verhaal geslaagd is. Het gaat er verder niet om wat de schrijver letterlijk bedoelt. (Het is geen filosofisch traktaat.) Als je een verhaal leest, lees je dit naar jezelf toe, d.w.z. je interpreteert het en legt verbanden met je eigen leven en ervaringen. Wanneer je het verhaal over een jaar weer leest zul je het anders interpreteren dan nu. Wanneer je ieder jaar een nieuwe analyse zou schrijven, weet je bij je dood nog steeds niet wat de schrijver precies bedoelde, je hebt dan alleen een autobiografie geschreven. (Nou ja, volgens Virginia Woolf dan; en volgens Jan Fontijn, die haar gretig citeert.) Het kan dus best dat een schrijver denkt iets (impliciet) in een verhaal te hebben gestopt terwijl een lezer het absoluut niet leest. Aan het begin van het verhaal vraag je je af wie die man is en wat hij daar doet. Aan het einde weet je dat de man geen klaploper of oplichter is maar op zijn manier bezig is de wereld te verbeteren. Wat echter zijn motieven zijn om dat (op deze manier) te doen, hangt van de lezer af. Het is goed dat het er niet letterlijk staat, beter dan wanneer het er wel zou staan. Dat is een van de redenen waarom het verhaal in de opzet is geslaagd.

64

CIRCUMPLAUDO


Cees de Vos

De Flower Song Rekruut Cees, dec. ’54 - Vught

In de jaren ’40 kregen mijn een jaar jongere broertje en ik van onze ouders de mogelijkheid een instrument te leren bespelen. Gezien ons kinderrijk gezin werd dit helaas geen piano, we dienden tevreden te zijn met een 12-bassenaccordeon met pianoklavier. Een keer in de week kregen we les van de heer Theo Flemminks aan de Graafsedwarsstraat in Nijmegen. Dat was voor twee knaapjes van zes en zeven jaar nog een knap eind lopen: om beurten torsten we ons instrument in een koffer gedurende de wandeling naar de leraar. De les duurde een uur, waarin we om beurten elk een half uur het ons in de week ervoor opgedragen CIRCUMPLAUDO

65


liedje, door Theo Flemminks gecomponeerd, voorspeelden. Ook kregen we thuis elk een liedje in te studeren met een eerste en een tweede stem. Mijn broertje studeerde naar ik mij herinner de tweede en ik op de eerste stem. Bij Theo Flemminks kregen we de mogelijkheid om dit met twee accordeons te spelen. Het was bijzonder om het liedje in samenklank te horen. Spannend was het als Theo Flemminks na de les zelf een stuk speelde op zijn grote 120-bassenaccordeon: met open mond luisterden twee leerlingen naar het virtuoze spel van hun leermeester. Snel werd duidelijk dat ik meer aanleg en interesse voor het instrument had dan mijn broertje, na een paar keer doornemen speelde ik het opgedragen stuk uit mijn hoofd. Voor mijn broertje was de gang naar de leraar op den duur een moeilijke opgave, hij hield het dan ook na een paar jaar voor gezien. Ik bleef doorgaan en maakte aardig vorderingen. In december 1954 werd ik als twintigjarige opgeroepen om de Militaire Dienstplicht te vervullen. Na de eerste training in Vught, die twee maanden duurde, bleek uit een test dat ik geschikt was om de marconistenopleiding te doen. Er volgden na Vught zes maanden opleiding als leerling telegrafist bij de infanterieschool in de ‘Jan van Nassau Kazerne’ in Harderwijk. Mijn hersencellen werden daar bestookt met puntjes en streepjes die ik vervolgens moest omvormen tot cijfers, letters, woorden en ten slotte tot hele zinnen. De zes maanden op de infanterieschool in Harderwijk heb ik als zeer prettig ervaren met een sympathiek kader en aardige collega’s. In augustus 1955, na het behalen van het diploma telegrafist, was het afwachten in welke legerplaats ik mijn laatste veertien maanden, nu als dienstdoende marconist, tewerkgesteld zou gaan worden. Dat werd de 42ste Verzorgingscompagnie der Grenadiers onder leiding van kapitein L. van der Spek in de ‘Johan Willem Friso Kazerne’ in Assen. 66

CIRCUMPLAUDO


Garderegiment Jagers’ in januari 1955 Voor het gebouw ‘A’ - Frederik Hendrik Kazerne in Vught Rekruut Cees, onderste rij, tweede van rechts

In nagenoeg elke legerplaats vond je een Militair Tehuis, het gebouw was bedoeld om de plaatselijk gelegerde militairen gelegenheid te bieden zich te ontspannen na de dienst. De aalmoezenier kwam er op zon- en feestdagen voor de nodige geestelijke verzorging. In het gebouw bevond zich een kantine, een biljart, pingpongtafel, radio en een leestafel. In de kantine kun je tegen betaling de bekende sprits, kano’s, rondo’s, chocoladewafels, gevulde koeken en drankjes kopen. Voor zover ik mij kan herinneren geen sterke drank. Er viel trouwens niet veel te besteden in mijn diensttijd met een dagsoldij van ƒ1,- Na mijn bevordering tot CIRCUMPLAUDO

67


Assen, januari 1956 - In de radiokamer - Marconist 1e klas, Cees de Vos

marconist 1e klas werd dit verhoogd tot Ć’1,25 per dag. In ons Militair Tehuis stond een piano. Daar werd weinig tot geen gebruik van gemaakt. Tot op een dag een collega-militair van een ander onderdeel plaatsnam achter het instrument en een stukje speelde. Mijn muzikale oortjes spitsten zich en luisterden naar zijn spel. Helaas brak hij het voor mij veel te snel af. In mijn kindertijd - ik moet ongeveer tien jaar zijn geweest - zag ik een film waarin een blond meisje met een paardenstaart speelde. Het kind werd belaagd door een enge man met plakkerig zwart haar en een dun vet snorretje onder zijn haviksneus. Het meisje bezat een lappenpop waarin een kostbaar parelsnoer verborgen zat waar het kind zelf geen weet van had. Gedurende de hele film werd het meisje achtervolgd door de besnorde engerd die jacht maakte op de parels. Het liep uiteindelijk allemaal goed af waarna ik verliefd en wel huiswaarts keerde. Het meisje is me altijd bijgebleven. Op een avond zag ik dĂĄt meisje binnenkomen. De pianospeler zat 68

CIRCUMPLAUDO


wat voor zich uit te spelen, mogelijk dat de muziek de meisjes had gelokt naar de kantine. Linea recta liepen ze richting de piano. Gezien mijn belangstelling voor muziek en het meisje ging ik ook die kant op. De meisjes stonden aan de ene en ik aan de andere kant van het klavier. Aan de pianospeler vroeg ik of hij ook iets klassieks kon spelen? Ik kreeg een bevestigende knik. Bij de eerste tonen werd ik bevangen door het muziekstuk, de mooie akkoorden en het levendig spel. Het blonde meisje met de paardenstaart keek wisselend naar de toetsen en naar mij. Er was licht oogcontact. Ik was op slag als betoverd en kon mijn ogen niet van haar afhouden. Links en rechts informeerde ik wie de twee meisjes waren en waar ze vandaan kwamen, je zag nooit meisjes in het tehuis. Van de kantinebediende vernam ik dat een van de meisjes de dochter van de beheerder van het Militair Tehuis was, ze woonde met haar ouders in een gedeelte van hetzelfde pand. Later vroeg ik aan de soldaat de naam van het muziekstuk: ‘Flower Song1’, was zijn antwoord. Na het pianospel nodigde ik de meisjes uit voor een drankje en wisselden we namen uit. Zo kwam ik te weten dat het blonde meisje Lenie heette. De naam van het andere meisje ben ik kwijt. Het donkere meisje meldde mij dat ze met haar ouders in een gedeelte van het Militair Tehuis woonde. Ik zei maar niet dat ik dit al wist… Na wat gebabbel moest ik afscheid nemen, het liep tegen tienen, vóór 22.00 uur moest je binnen de poort van de kazerne zijn. We spraken af elkaar de volgende avond weer te zien voor een wandeling. De avond erop was Lenie alleen, blijkbaar had ze dit zo afgesproken met haar vriendin. Lenie, goed bekend in Assen, stelde voor om in het nabijgelegen stadspark ‘De Lariks’ te gaan wandelen. 1

‘Flower Song’ van Gustav Lange is op ‘You Tube’ te beluisteren in verschillende uitvoeringen. Op vijftigjarige leeftijd ben ik met pianospelen begonnen en ook ‘Flower Song’ staat op mijn repertoire, als ik het stuk speel komt de blonde Lenie mij nog wel eens weer voor de geest. Helaas hebben Lenie en ik destijds geen foto’s uitgewisseld. CIRCUMPLAUDO

69


Al snel liepen we hand in hand als een pril stelletje. Op een bankje spraken we aardige woordjes tot elkaar. Van kussen kwam het nog niet, ik loop nooit zo hard van stapel. Dat kwam later allemaal goed. In die tijd had ik mijn oude fiets vanuit Nijmegen per trein naar Assen over laten komen; zo kon ik in de avonduren wat langer wegblijven en met Lenie zo nu en dan een bioscoopje pakken. De relatie raakte op den duur wat hechter. Lenie’s vader en moeder hadden geen weet wat hun dochter zoal uitspookte. Op een dag nodigde Lenie me uit bij haar thuis: haar ouders waren op bezoek bij familie in de regio. Lenie liet mij haar ouderlijke huis van buiten en van binnen zien en ik maakte kennis met Lenie’s oudere broer en zijn vriendin. Dit stel had die avond toevallig óók een afspraak; met de bede dat we ons netjes zouden gedragen, lieten ze ons alleen in de deftige, alleenstaande villa. Na wat gestoei in de woonkamer en door het huis kwamen we uit in de ouderlijk slaapkamer. Het grote bed lonkte en waarom ook niet, de gelegenheid maakt de dief. Gezien mijn toen nog geringe ervaring op seksgebied (de jeugd van 2010 is er eerder bij) kwam het niet in mij op om me van mijn soldatenklofje te ontdoen, ik liet het bij schoenen en jacket uit. O ja, mijn baret had ik al ergens op een stoel geworpen. Lenie, net zo maagdelijk als Cees, kleedde zich ook niet uit. Zo lagen we getweeën op het oerdegelijke ouderlijk ledikant van papa en mama, super spannend voelde dat aan. Heel voorzichtig ontknoopte ik Lenie’s jurk. Op de tast omvatte ik haar stevige borsten. Na wat heen en weer gefriemel sloop ik op weg naar haar liefdesgrot die mij trefzeker werd geweigerd; dat ging Lenie wat te ver in het echtelijk ledikant van haar ouders. Terwijl we zo in een roes lagen te genieten van het moment en van elkaar klonk plots een voor Lenie bekend geluid van een ronkende auto. Paniek alom! “Mijn ouders komen thuis, wegwezen!” Dat was makkelijker gezegd dan gedaan, hoe moesten we het versieren dat ik die mensen niet tegen het lijf liep? Lenie had de oplossing: “Mijn ouders komen altijd door de achterdeur binnen, we wachten 70

CIRCUMPLAUDO


tot ze achterom lopen richting de achterdeur, op dat moment laat ik je aan de voordeur uit.” En ik maar hopen dat de mensen mijn fietske niet zouden zien staan aan de voorkant van het huis. Zodra we de ouders langszij van het huis hoorden lopen, loodste Lenie mij naar beneden en liet me in alle stilte uit bij de voordeur. Even leek het goed af te lopen maar toen: ‘Verdomme, mijn baret ligt nog op de slaapkamer.’ Lenie was intussen snel naar boven gerend om de slaapkamer weer op orde te brengen. Daar zag ze mijn baret op de stoel liggen: “Jezus!” Ze greep het hoofddeksel, rende naar het zijraam boven de oprit en wierp mij de baret toe. De zenuwen gierden door onze kelen, het voelde alsof we in een spannende film speelden waarin we de hoofdrol hadden. De fiets bleek achteraf niet ontdekt. Gelukkig maar. Onze liefde kabbelde nog een tijdje voort en tegen het einde van mijn diensttijd raakte ik er los van. In de Lariks, op hetzelfde bankje waar we ons eerste afspraakje hadden, maakte ik het uit. Ik hoor Lenie nog in tranen zeggen: “En wat moet ik nou…?” Tja, dat was moeilijk, ik had geen weerwoord, het was gewoon over voor mij, de vlinders waren gevlogen vanuit mijn onderbuik. Ik liet wel een nog maagdelijke Lenie achter.

CIRCUMPLAUDO

71


Rob den Boer, 'Zonder titel, 2007', houtskooltekening, 50 x 65 cm

72

CIRCUMPLAUDO


Rob den Boer

Aluminia “Jullie kunnen mij niet uit de zaak zetten!” riep Fons Luminia, terwijl hij keihard met zijn vuist op de keukentafel sloeg. Zijn vader kon nog net het kopje opvangen dat er bijna af sprong. “Ik ben met dit bedrijf opgegroeid,” voegde hij eraan toe. “Ik ken alle medewerkers bij hun voornaam, zij vertrouwen mij. En niet de bestuurders op afstand die menen altijd gelijk te hebben.” Hij keek naar Jan-Joost van Hoogstraten. De jurist snoof lichtjes en nam het woord. “Die uitspraak laat ik geheel voor jouw rekening. Volgens ons is er maar een persoon verantwoordelijk voor deze misère en dat ben jij. Niemand anders. Zeker niet aan deze tafel. Daarom doen we je dit voorstel.” “Jullie willen alle verliezen op het vastgoed dekken uit de toekomstige opbrengst van mijn aandelen in het staalconstructiebedrijf, die ik nu veel te goedkoop aan jullie moet overdragen,” riep Fons. “Dit is afpersing!” “Je houdt nog 25.000 euro over na aftrek van alle kosten,” zei Van Hoogstraten. “In feite betalen we nog te veel voor aandelen in een bedrijf dat onverkoopbaar is vanwege de crisis en door de liquiditeitsproblemen waar we mee zitten. Je kunt ze ook niet aan anderen verkopen. Bovendien heb je er te weinig om de meerderheid van de stemmen in het bestuur te verwerven. Denk erover na, maar doe dat wel snel.” “25.000 euro is een fooi,” zei Fons. “Je vader is de zaak vrijwel zonder geld begonnen,” zei zijn moeder. “Je ouders willen je, voor de zoveelste keer, een kans op een toekomst geven,” zei Van Hoogstraten. “Die had je, als je mijn zoon was, kunnen vergeten. Dus nu willen we een beslissing horen, anders beraden we ons op vervolgstappen. Een persoonlijk faillissement kan daarbij horen.” CIRCUMPLAUDO

73


Vader Luminia knikte bevestigend. “100.000,” zei Fons. “Nee,” snerpte Van Hoogstraten en schoof de verkoopovereenkomst naar hem toe. “Ik denk erover,” zei Fons. “Ik moet met mensen praten. Volgende week laat ik wel iets weten.” Hij wilde al opstaan. “Blijf zitten!” zei Van Hoogstraten en legde twee faxen voor Fons neer. “Wat is dat?” “Schadeclaims van Hotel-Café-Brasserie Evenhuis uit Breda en Autoverhuurbedrijf Lagarde uit Frankrijk. Jou beide welbekend, meen ik.” Drie weken geleden hadden ze in dezelfde samenstelling bij elkaar gezeten, thuis aan de keukentafel bij de ouders van Fons. “Je hebt ons ten gronde gericht, jongen,” zei zijn moeder. “Nu moet je vader weer aan het werk. Het bedrijf was ons pensioen.” Fons’ ouders keken elkaar aan en vader nam het woord. “Jouw geboorte is geen geluk geweest voor ons,” zei hij bars, terwijl hij een arm om zijn vrouw heen sloeg. Zijn ogen lichtten fel op uit zijn bleke, smalle gezicht. “Jij bent onverantwoordelijk bezig geweest door in vastgoed te investeren met het bedrijf als onderpand.” “Is de kredietcrisis dan mijn schuld?” riep Fons uit. “Nee, maar de gevolgen zijn dat wel,” zei Van de Wetering, al tientallen jaren werkzaam bij het familiebedrijf als productieleider. Van Hoogstraten keek hem even aan. Van de Wetering zei niets meer. “Jij weet iedere keer wel een goede reden te bedenken waarom het fout ging en jij daar niets aan kunt doen,” zei vader Luminia. “Toen het goed ging, vonden jullie het prachtig,” merkte Fons op. “Waarvan hebben jullie al die vakantiereisjes betaald? En de 74

CIRCUMPLAUDO


nieuwe inrichting? Van het rendement op het vastgoed, niet van dat beetje dividend uit het bedrijf.” “Jij wilde ons al die cadeaus geven,” zei moeder Luminia. “Je vader nam ze aan. Ik was ertegen. Wij hebben altijd zuinig geleefd. Daarom hadden we altijd geld om in moeilijke tijden te overleven.” “Jullie hebben nooit geïnvesteerd,” zei Fons. “Als ik geen nieuwe, efficiënte machines had gekocht, dan was het bedrijf failliet geweest. Van Hoogstraten vond het destijds best dat ik een hypotheek nam op de bedrijfsgebouwen om een vastgoedtak op te richten, zodat ik het kapitaal kon verwerven om het bedrijf te redden.” “Je speculeerde met geleend geld op de woningmarkt,” zei Van Hoogstraten. “Met als onderpand het bedrijf. Je kocht een mooi huis voor jezelf. En twee dure auto’s, op afbetaling via je zwager David. Die heeft jou ook op het idee gebracht om dit soort vastgoedtransacties te gaan ondernemen. Hij wilde er zelf geen geld in steken, maar wel alle opdrachten krijgen om de panden te renoveren. Die besteedde hij weer uit aan een bevriende aannemer. Dus hij verdiende er twee keer aan. Dat gaat lang goed bij economisch hoogtij. Tijdens een crisis stort het kaartenhuis in. Nu heb jij alleen maar schulden, terwijl je lasten doorlopen.” “Je wilde bij de grote jongens horen,” zei vader Luminia. “Een directeurssalaris was niet genoeg voor je. Je hebt het bedrijf niet gered, integendeel. Je hebt alleen maar bewezen dat je nog steeds geen verantwoordelijkheid kunt dragen.” Fons staarde naar de tafel en zei niets. “Met jullie welnemen zal ik nu meedelen wat de familie zojuist besloten heeft,” zei Van Hoogstraten. Hij zette zijn bril op en las voor. “Fons Luminia wordt door de aandeelhoudersvergadering, waarvan vertegenwoordigers van alle partijen hier ter vergadering aanwezig zijn, per direct ontheven van zijn functies als directeur van Constructiebedrijf ALuminia BV, alsmede ALuminia Real CIRCUMPLAUDO

75


Estate BV en ALuminia Holding BV. Voorts benoemt de aandeelhoudersvergadering met onmiddellijke ingang Alphons Luminia tot directeur en Hendrik van de Wetering tot mededirecteur.” Woedend sprong Fons op. “Dat laat ik niet gebeuren! Ik ben voor dertig procent aandeelhouder. Ik ga met het personeel praten! Ik eis opschorting van dit besluit.” “Van de Wetering is gemachtigd om namens de werknemers te spreken,” zei vader Luminia. Hij toonde zijn zoon een volmacht. “Wij steunen het besluit van de meerderheid van de aandeelhouders,” zei Van de Wetering. “En we denken dat de toekomst van het bedrijf in betere handen is bij de nieuwe directie.” “Waar jij zelf in zit,” snauwde Fons. “Ik wil persoonlijk horen wat de medewerkers ervan vinden.” “Dat mag je hen natuurlijk gaan vragen,” zei Van Hoogstraten. “Maar dit besluit is een feit.” Fons liep zonder iets te zeggen het huis uit en scheurde weg in zijn Range Rover. De heg werd bijna geveld, maar veerde weer op. Thuis riep hij zijn vrouw, maar vond haar niet. Hij rende alle kamers door, smijtend met deuren, maar alles was verlaten. Ze nam ook haar mobiel niet op. Hij sms’te, maar er kwam geen bericht terug. Toen belde hij zijn zwager David. “Tsja, Fonseman,” zei deze quasi-gemoedelijk. “Sharon wil graag een goede toekomst voor haar zoontje. Ik hou me natuurlijk buiten jullie echtelijke twisten, maar ik heb wel begrepen dat ze jou in je huidige situatie niet meer zo’n goede partner vindt.” Verbijsterd hield Fons zijn telefoon voor zich. “Ze is...?” “Wég,” zei David en hing op. “Waarnaartoe?” schreeuwde Fons. Hij drukte op de herhaaltoets, maar er werd niet opgenomen. Ook door andere familieleden niet. Ten einde raad belde hij Van Hoogstraten. “Sharon is weg, met Joël,” 76

CIRCUMPLAUDO


“Dat weten we,” zei Van Hoogstraten. “Waarheen?” “Dat weten we niet.” “Dat weet je wél. Zeg op!” De verbinding werd verbroken. Fons wist wel waar zijn vrouw naartoe was. Haar familie had een boerderij in Frankrijk. Zonder nadenken stapte hij in zijn auto en reed in een ruk door. Midden in de nacht kwam hij aan. David deed open. “Fijn dat je je auto zelf komt afleveren,” zei hij koel. “Je kunt hem niet meer betalen. De sleutels graag.” “Ik wil mijn vrouw zien,” zei Fons. “En mijn kind.” “Dat zal niet gaan. Joël blijft bij haar in afwachting van een omgangsregeling. Dat kan nog wel een paar maanden duren. Vooral als je door je eigen toedoen zonder inkomsten zit,” voegde hij eraan toe. En hij sloot de deur. “Zij mag scheiden, maar Joël gaat met mij mee!” schreeuwde Fons. Hij nam een korte aanloop en net voordat hij de deur zou intrappen werd deze alweer opengedaan. Naast David stonden twee neven. “Je kunt kiezen,” zei David. “Wij brengen je naar het station of we bellen de politie.” “Bel de politie!” schreeuwde Fons en hij drong de hal binnen. “Jullie hebben mijn kind ontvoerd.” “Weinig kans,” sprak David. “En jij hebt nu huisvredebreuk gepleegd, met twee getuigen erbij. Bovendien zijn Sharon en Joël hier niet.” Fons zette een paar stappen terug naar buiten en liet zich zakken op een omgevallen boom, met zijn hoofd tussen zijn handen. Even later kwam David naar buiten, met zijn jas aan. “Kom op,” zei hij tegen Fons. Zwijgend reden ze naar het station. De trein kwam pas over een uur, dus ze gingen in een naburig cafeetje zitten. “Zorg dat je weer een zaak kunt beginnen,” zei David. “Als de CIRCUMPLAUDO

77


crisis over is, kun je meeliften op het economisch herstel.” “En Sharon?” vroeg Fons. David keek naar beneden en schudde zijn hoofd. “Je staat er alleen voor. Maar je kind zal ik terugbrengen.” “Ik ga,” zei Fons. Hij liep naar het station, maar in plaats van de roltrap naar het perron te nemen, liep hij door de hal. Tegenover de achteruitgang vond hij een garage waar hij een auto kon huren. Urenlang reed hij onafgebroken door in de duisternis, op de lange snelwegen door Frankrijk en België. Bij Breda sloeg hij af. De ochtendschemering kwam op. Fons was aan het einde van zijn krachten. Toen hij een hotel zag, stopte hij meteen. Pas in de namiddag werd hij wakker. Echt uitgeslapen voelde hij zich niet. Zijn gedachten grepen hem bij de keel. Alles wat er gebeurd was, trok nu in een hoge versnelling aan hem voorbij. Hij wist niet op wie hij nu het kwaadst was. Op die zelfingenomen Van Hoogstraten die aan iedere probleemsituatie wist te verdienen. Of op zijn ouders die het uitkomen van hun voorspellingen over de toekomst van hun zoon belangrijker leken te vinden dan het meehelpen om oplossingen te zoeken voor zijn problemen. Anders wel op Sharon, die gewoon vertrok omdat het hem financieel tegenzat. Op haar broer David, die zich overal in wist te praten ten gunste van zichzelf. Hem doodleuk opwachtte in de boerderij in Frankrijk, terwijl hij hem die middag nog door de telefoon had verteld dat hij niet wist waar zijn vrouw en kind waren en toen hij daar aankwam zei dat ze ook niet op de boerderij verbleven. Maar daar waren ze wel degelijk, dat wist Fons gewoon. Zijn zoontje Joël van acht maanden oud was de laatste tijd de enige die nog blij was als hij Fons zag. Het zou een grote steun zijn als hij het ventje regelmatig kon zien. Hij had goede hoop dat dit binnen enkele weken zou gebeuren. David zou wel op Sharon gaan inpraten. Als ze hem zijn kind afpakten, zouden ze ook de 78

CIRCUMPLAUDO


familie van Fons en Van Hoogstraten tegen zich krijgen. Natuurlijk wilden ze zo veel mogelijk alimentatie. De hele ochtend staarde Fons voor zich uit. Toen merkte hij dat hij ontzettend honger had. Beneden in de salon at hij een uitsmijter, maar dat was niet voldoende. Hij bestelde nog een Thaise kipcurry met rijst. Zijn maag werd vol, maar hij proefde niets. Hij dronk bier, maar had sterker nodig. “Geef me een fles whisky,” zei hij tegen de barman. “Ik ga weer naar boven.” Op zijn kamer sloot hij de gordijnen, hoewel het nog licht was, en zette de televisie aan. Als hij een glas geleegd had, vulde hij meteen bij. Op den duur viel hij in zijn stoel in slaap. De volgende morgen werd Fons wakker in bed. Zijn kater was enorm. Hij kon niet meer denken, als hij dat al zou willen. De hele dag bleef hij liggen. Pas in de namiddag ging hij naar beneden om koffie te drinken. Met een nieuwe fles whisky ging hij weer naar boven. Langzamerhand begon hij wat orde te krijgen in zijn gedachten. Wat moest hij doen? Voorlopig zou zijn salaris nog worden doorbetaald, al was hij geen directeur meer, maar ontslag zou niet lang op zich laten wachten. Faillissement was dan onvermijdelijk. De dag erna reed Fons naar een winkelcentrum. Zijn creditcard van de zaak bleek al geblokkeerd te zijn. Op zijn privé-rekening stond nog een paar duizend euro. Hij moest de Franse huurauto kwijt. Omdat hij wist dat hij hem niet terug zou brengen had hij een valse naam en adres ingevuld. Hij parkeerde de kleine Renault gewoon op een grote parkeerplaats met de sleuteltjes in het contact. ‘s Avonds ging hij in de hotelbar zitten. Hij raakte in gesprek met andere bezoekers. Royaal deelde hij drankjes uit. Al snel zaten de stamgasten iedere avond om hem heen. Iedere dag nam hij zich voor om naar huis te bellen, maar stelde dat voortdurend uit. Hij wist precies wat er komen ging. En dat kon nog wel even wachten. Iedere dag zat hij al vanaf de namiddag in de bar, tot diep in de nacht. CIRCUMPLAUDO

79


“Heb je geen werk?” vroeg iemand hem eens terloops. “Zeker, we maken lange dagen in deze crisistijd omdat we het in ons bedrijf met minder mensen moeten doen,” antwoordde hij. “Nu is het even rustig, dus heb ik wat vakantie.” “Ik zou liever naar de zon gaan als ik jou was,” zei de ander. “Daar heb ik wel aan gedacht,” zei Fons, “Maar ik ben al vaak in dat soort vakantieoorden geweest. Persoonlijk ben ik toch liever in Nederland. Het spaart me ook een vliegticket uit.” “In het tempo waarin jij drinkt komt het geld ook wel op.” “Geen zorgen,” zei Fons. Totdat de barman op een ochtend de rekening voor zijn neus legde. Die was hoger dan het restant van zijn tegoed op de bank en hij moest ook de kamerhuur nog betalen. Inmiddels was hij al drie weken in het hotel. Na allerlei uitvluchten over niet functionerende pinpassen moest hij bekennen dat hij niet meer kon betalen. De barman en de hotelier waren woedend. Door alle gasten werd hij gemeden. Hij moest wat doen. “Kunt u écht niemand bellen?” vroeg de hotelier. “Familie? Vrienden?” “Ik zal het proberen,” antwoordde Fons en hij liep naar zijn kamer. ‘s Nachts klom hij uit het raam met wat bagage en liet zich via een afdak op de binnenplaats zakken, waar een fiets stond zonder slot. Op het station in Breda wachtte hij op de vroege ochtendtrein naar huis. Thuis vond hij een enorme stapel rekeningen op de deurmat. En een ontslagbrief. Op staande voet, datum dagtekening dezelfde als toen hij van zijn functie werd ontheven. Hij belde Van Hoogstraten. “Het personeel eiste je ontslag. Anders wilden ze geen loon inleveren om een doorstart mogelijk te maken,” legde hij uit. “Je zult alles moeten verkopen.” “In deze crisis raak ik mijn huis niet kwijt voor een prijs die hoog genoeg is om mijn hypotheekschuld mee af te lossen,” zei Fons. “Ik koop het voor een prijs die volstaat,” zei Van Hoogstraten. “Je 80

CIRCUMPLAUDO


hebt al heel veel klappen gehad, dus hiermee zal ik je helpen.” “Na de crisis is het veel meer waard,” zei Fons. “En?” vroeg de jurist op scherpe toon. “Afgesproken,” zei Fons. Hij verkocht alles behalve zijn laptop en ging bij een goede vriend wonen. Enige dagen later belde Van Hoogstraten op. Of hij naar het huis van zijn ouders kon komen om een paar zaken te bespreken. Nu zat hij aan tafel met de verkoopovereenkomst van zijn aandelen voor zich. “Hoe zit het met die claims van het hotel en de autoverhuurder?” vroeg hij. “Hoe hebben ze mij zo snel gevonden?” “Ze hebben òns gevonden,” zei Van Hoogstraten. “David!” zei Fons. “We kennen je inmiddels,” merkte vader Luminia op. “Die rekeningen zijn betaald,” zei Van Hoogstraten. “Na een goed telefoongesprek met beide bedrijven waren ze bereid van aangifte af te zien.” “Goed,” zei Fons en hij tekende de overeenkomst. Toen hij weer buiten liep, voelde hij zich bevrijd. Maar ook belast. Hij moest zich opnieuw bewijzen. Hij wilde zijn kind weer zien. Thuis nam hij plaats achter zijn laptop en belde een grote klant van het familiebedrijf. “Met A. Luminia Advies,” zei hij. “Dit is een nieuwe dienst die u kan adviseren bij de keuze van de beste componenten voor staalconstructies in de bouw. Kunnen we een afspraak maken?” De klant stemde toe. Of hij die week langs kon komen, want hij was toch in de buurt. “Nee, niet op ons hoofdkantoor, wij komen naar u!” De afspraak was gemaakt en Fons liep naar zijn auto, een tweedehands Mercedes C180, die hij van zijn laatste geld had gekocht. Bij een bestickeringsbedrijf liet hij het logo met zijn firmanaam op de voorportieren plakken. De monteur zei: “Het lijkt wel op CIRCUMPLAUDO

81


jullie logo’s, maar het is toch net niet hetzelfde. Of zie ik dat nu verkeerd?” “Nee, dat ziet u goed,” glimlachte Fons en reed weg.

82

CIRCUMPLAUDO


Vooraankondiging Weekend Expositie SIDAC studio 19, 20, 21 maart

Lauran van Oers

waarom deze vooraankondiging omdat ik graag wil dat er veel bezoekers komen en omdat daar maar 2 dagen en een beetje tijd voor is ik zie je graag op ĂŠĂŠn van deze dagen, neem ook wat vrienden of kennissen mee of stuur deze mail door naar mogelijke belangstellende wat je gaat zien kan ik nog niet zeggen ik weet het zelf nog niet

Gewoon schilderijen en tekeningen misschien waarschijnlijk van landschappen maar ook naakten in ieder geval nieuw werk van afgelopen jaar kijk maar op mijn website http://home.kpn.nl/oerslfcmvan/index.htm

SIDAC Studio Hogewoerd 77 Leiden

CIRCUMPLAUDO

83


84

CIRCUMPLAUDO


Alle jaarboeken zijn verkrijgbaar bij www.unibook.com

CIRCUMPLAUDO

85


86

CIRCUMPLAUDO


Circumplaudo nr. 44 Maart 2010