Issuu on Google+

Een Beschouwing Over De Beeldvorming Van Schizofrenie In De Nederlandse Geschreven Media

“Wanneer we beseffen dat we allemaal gek zijn, verdwijnen de mysteriën en is het leven verklaard.” Mark Twain (1835-1910)

- Master Scriptie Journalistiek en Media Research en Redactie voor Audiovisuele Media Universiteit van Am sterdam Januari 2011

N.L. Pierson Studentnummer: 0448184 Docent: Peter Vasterman


Inhoudsopgave Pagina Hoofdstuk 1 Inleiding

3

Hoofdstuk 2 Theoretisch Kader

8

2.1.1 Schizofrenie, een korte geschiedenis

8

2.1.2 De definitie en kenmerken van schizofrenie

9

2.1.3 Discussie rond het begrip, de populaire cultuur en metaforisch gebruik 11 2.2.1 Definitie van stigma

13

2.2.2 Stigma’s en stereotyperingen van schizofrenie

15

2.3 De invloed van de media

18

2.4 Recentelijk buitenlands onderzoek

19

Hoofdstuk 3 Onderzoeksmethode

22

3.1 Inhoudsanalyse

22

3.2 Onderzoeksmateriaal & onderzoeksperiode

23

3.3 Waarnemingsinstrument

24

Hoofdstuk 4 Resultaten

28

4.1 Analytische uitkomsten

28

4.2 De metaforische categorie

29

4.3 De zijdelingse categorie

33

4.4 De specifieke categorie

38

Hoofdstuk 5 Reflectie

56

Hoofdstuk 6 Conclusie

60

Hoofdstuk 7 Discussie

67

Literatuurlijst Bijlagen

 

1  


“De klassieke ‘gek’ die voorbijgangers op een stroom van onsamenhangende onzin trakteert, is zeer waarschijnlijk een schizofreen, net zoals al die droevige figuren die men soms ziet, gekleed in een excentrieke verzameling slecht passende kleren, die praten, lachen of schreeuwen tegen iemand die allen zij kunnen zien, of eerder, horen.” Anoniem

 

2  


Hoofdstuk 1 Inleiding Op 9 april loopt Tristan van der Vlis winkelcentrum De Ridderhof in Alphen aan den Rijn binnen. Hij schiet zes mensen dood en verwondde nog eens zeventien voordat hij zelfmoord pleegde. Van der Vlis bleek te lijden aan schizofrenie. De zaak genereerde enorm veel media aandacht. De gebeurtenis zorgde voor persoonlijke tragedies voor slachtoffers en hun familieleden. Bovenal is het een duidelijk voorbeeld van hoe er moral panic ontstaat ten opzichte van mensen met de psychische aandoening schizofrenie, namelijk dat ze levensgevaarlijk zijn. Ook in de populaire media komt het beeld van de ‘gevaarlijke gek’ vaak naar voren. Denk bijvoorbeeld aan Jack Nicholson in The Shining. Dit terwijl uit de feitelijke cijfers iets anders blijkt. Zo zijn mensen met schizofrenie honderd keer gevaarlijker voor zichzelf dan voor anderen en bestaat er maar een .0005% kans dat iemand slachtoffer wordt van een persoon met deze aandoening (de Goei, Plooy & Weeghel, 2006). Ook is het beeld dat schizofrenie een ongeneselijke ziekte is en mensen met deze aandoening tot in de eeuwigheid vastzitten in een inrichting een vastgeroest begrip. Dit terwijl meer dan 35% goed herstelt en normaal kan functioneren in de samenleving (Lee, 2002). Ondanks de feiten bestaat dus de populaire misvatting dat schizofrenie veelal gepaard gaat met geweld: mensen met schizofrenie zouden gevaarlijk, onvoorspelbaar, onbekwaam en ongeneselijk ziek zijn. Daarnaast is de aandoening nog steeds verbonden met een historisch gegroeid negatief maatschappelijk beeld (Catthoor, de Hert & Peuskens, 2003). Naast hinder door symptomen en beperkingen waar je als psychiatrische patiënt mee moet leren leven, moet je jezelf daarnaast nog eens wapenen tegen de vooroordelen en stigmatisering van je medeburgers. Stigma is een van de meest bepalende elementen in de beleving van psychiatrische patiënten. Uit onderzoek van Catthoor, de Hert en Peuskens (2003) blijkt dat zij een zeer belemmerende rol in het leven van patiënten speelt. Bij de definiëring van stigma wordt in de literatuur verschillende accenten gelegd. Een gezamenlijk kenmerk is dat stigma bepaalde groepen mensen negatieve eigenschappen toeschrijft, die hun sociale status verlagen en levenskwaliteit drastisch verminderen. Psychische aandoeningen zijn de meest gestigmatiseerde condities in onze samenleving. Van alle patiënten met psychiatrische aandoeningen

 

3  


worden individuen met schizofrenie verreweg het meest gediscrimineerd (Rukavina et al. 2011). Zij ervaren de meeste hinder van stigma’s en worden het vaakst uitgesloten van de maatschappij (Boke, Aker, Alptekin, Sarisoy & Rifat 2007). Iedereen leert tijdens zijn socialisatieproces, door contact met verschillende gedragingen en gebruiken, de houding van de samenleving tegenover een aantal fenomenen kennen. Deze kennis wordt geïnternaliseerd in de vorm van een ‘gegeneraliseerde derde’ (de Goei, Plooy & Weeghel, 2006). Een veelheid aan mechanismen kan bijdragen aan de ontwikkeling van deze gegeneraliseerde ander, zoals grapjes en informatie uit de media. Op deze ‘informatie uit de media’ gaat dit onderzoek zich richten. De meeste mensen komen niet dagelijks in aanraking met schizofrenie, behalve als zij of iemand in hun naaste omgeving de aandoening heeft, zijn zij afhankelijk van de informatie uit indirecte bronnen. Audiovisuele en geschreven media worden, zelfs in het Internet tijdperk, beschouwd als de belangrijkste bronnen van informatie over psychische aandoeningen (Boke et al., 2007, Hannigan, 1999). Daarom spelen zij een cruciale rol in de algemene beeldvorming over psychiatrie en psychiatrische patiënten (Boumans & Oderwald, 2009). Hoewel de media kan functioneren als waardevolle bron voor het correct informeren van de samenleving blijkt het in de praktijk niet altijd het geval. Veel informatie is in het merendeel van de gevallen onjuist en de (on)bewuste interpretaties zijn misleidend en dragen bij aan de verdere stigmatisering van psychische aandoeningen. Denk bijvoorbeeld aan Jack Nicholson in The Shining: een levensgevaarlijke ‘gek’ die lijdt aan schizofrenie en iedereen vermoord die op zijn pad komt. Zoals al eerder aangehaald komt het beeld wat vaak geschetst wordt in de media niet overeen met de feitelijke cijfers. Veel buitenlandse studies wijzen uit dat er een verband bestaat tussen de (negatieve) beeldvorming uitgedragen door de media en de negatieve attitudes van haar publiek tegenover psychische aandoeningen. De informatie die de media geeft over schizofrenie is vaak negatief en draagt bij aan verdere stigmatisering van de aandoening. Zo blijkt uit een studie van Nawkova et al. (2011) dat krantenberichten grotendeels een direct verband laten zien tussen de aandoening en agressief gedrag.

 

4  


Tot op heden is er nog weinig bekend over het beeld dat de Nederlandse geschreven media uitdragen van schizofrenie. Daarom is het doel van dit onderzoek een duidelijk overzicht te geven van de artikelen die over dit onderwerp zijn geschreven en naar aanleiding daarvan te bepalen of de Nederlandse media bijdragen aan verdere stigmatisering van de aandoening of dat zij een waarheidsgetrouw beeld uitdragen. Er zal eerst worden gekeken naar het metaforisch gebruik van het woord en vervolgens naar het zijdelings en specifiek gebruik. Met metaforisch gebruik worden artikelen onderzoekt waarin de aandoening als beeldspraak voor komt. Met het zijdelings gebruik worden artikelen die de aandoening terloops noemen bedoeld. Met specifiek gebruik worden artikelen bedoeld waar de aandoening redelijk tot volledig centraal stat in het artikel. Met andere woorden, waar de aandoening in het algemeen een rol of een persoon met schizofrenie een centrale rol speelt. Deze scriptie gaat onderzoeken welk beeld de Nederlandse krantenlezer krijgt van de psychische aandoening schizofrenie. Om hier een antwoord op te krijgen is de volgende centrale vraagstelling bedacht: Op welke manier wordt de aandoening schizofrenie neergezet in de Nederlandse geschreven berichtgeving en welk beeld krijgt de Nederlandse krantenlezer daardoor van de aandoening? Om te voorkomen dat er onbewust wordt gezocht naar stigma’s is er in dit onderzoek voor gekozen de centrale vraagstelling neutraal te formuleren. Op basis van de uitkomsten kunnen uitspraken over eventueel stigma worden gedaan. Om deze centrale vraagstelling zo goed mogelijk te beantwoorden zal er in een theoretisch kader worden gekeken naar hoe beeldvorming door de media tot stand komt en wat de stigma’s en stereotypes van schizofrenie zijn. Daarnaast zal schizofrenie worden geoperationaliseerd en wordt er gekeken naar recentelijk buitenlands onderzoek over dit onderwerp. Het eerste deel van het onderzoek bestaat uit een inhoudsanalyse. Door middel van deze methode zal er een beeld geschetst worden van schizofrenie in de Nederlandse geschreven berichtgeving. Om dit te kunnen doen zijn er deelvragen opgesteld. Deze deelvragen zijn, om het overzicht te bewaren opgedeeld in drie categorieën:

 

5  


a. Metaforisch; schizofrenie gebruikt als beeldspraak. b. Zijdelings; de aandoening wordt zijdelings genoemd, bijvoorbeeld als opsomming van andere psychische aandoeningen. c. Specifiek; de aandoening speelt een belangrijke rol of staat centraal in het artikel of het artikel gaat over een persoon met schizofrenie. Binnen elke categorie vallen een aantal deelvragen. De antwoorden op deze deelvragen tezamen leiden tot de beantwoording van de centrale vraagstelling en de conclusie van dit onderzoek. Metaforische categorie: 1) Door wie wordt het woord schizofrenie gebruikt als beeldspraak en waar refereert het metafoor dan meestal aan? 2) In wat voor soort artikelen komt dit het meeste voor en in hoeverre wordt daarbij gebruik gemaakt van subjectieve of objectieve woordkeuzes? 3) Op welke manier wordt het metaforisch gebruik van de aandoening verbonden aan de populaire cultuur? Zijdelingse categorie: 1) In wat voor soort artikelen wordt schizofrenie zijdelings genoemd en wie haalt de term dan aan? En in hoeverre wordt daarbij gebruik gemaakt van subjectieve of objectieve woordkeuzes? 2) Op welke manier en hoe vaak wordt de aandoening aangehaald bij een artikel dat gerelateerd is aan een geweldsincident? En hoe vaak zijn negatieve, positieve of neutrale begrippen gerelateerd aan het zijdelings vermelden van de aandoening? 3) Hoe staat het zijdelings vermelden van de term in relatie tot de populaire cultuur? Specifieke categorie: 1) In wat voor soort artikelen en op welke manier staat schizofrenie centraal of speelt daarbij een belangrijke rol? En hoe is het onderwerp verbonden aan de populaire cultuur?

 

6  


2) Welke bronnen worden in de artikelen opgevoerd en in hoeverre wordt daarbij gebruik gemaakt van subjectieve of objectieve woordkeuzes? 3) Wat voor achtergrond en/of aanvullende informatie wordt er over de aandoening, of indien van toepassing, over de persoon met schizofrenie, gegeven? 4) In hoeverre wordt er in de artikelen iets geschreven over de behandelmethodes en het herstel van mensen met schizofrenie? 5) Op welke manier spelen de stereotypes van schizofrenie een rol in de artikelen en dragen zij bij aan de verdere stigmatisering van de aandoening? Na het analyseren van de artikelen zullen de resultaten worden verwerkt in een serie vragen die worden voorgelegd aan een aantal journalisten. Waarom hebben zij ervoor gekozen op deze manier over schizofrenie te schrijven en is dit een bewuste keuze? Wat vinden zij van de resultaten van het onderzoek en weten zij hoe ze het beste over de aandoening kunnen schrijven? De journalisten zullen daarop reflecteren. Op deze manier zal dit onderzoek ook een verklarend perspectief geven op het onderwerp en daarnaast een leidraad trachten te bieden aan huidige en toekomstige journalisten hoe zij over het onderwerp kunnen schrijven. Door bewustzijn te creëren kan dat een stap in de goeie richting zijn als het gaat om het verminderen en verhelpen van stigma’s rond schizofrenie. Samenvattend zal in deze scriptie door middel van een inhoudsanalyse worden gekeken op welke manier de aandoening schizofrenie wordt neergezet in de Nederlandse berichtgeving en welk beeld de Nederlandse krantenlezer daarmee krijgt van de aandoening. Daarnaast zal door middel van interviews met journalisten worden gereflecteerd op deze resultaten en aan de hand daarvan adviezen worden geformuleerd.

 

7  


Hoofdstuk 2. Theoretisch Kader In dit hoofdstuk zullen belangrijke definities en theorieën aan bod komen. De definities zullen worden geoperationaliseerd en de theorieën uitgelegd. Deze leiden op hun beurt weer tot het opstellen en interpreteren van het waarnemingsinstrument waarmee de artikelen geanalyseerd zullen worden. Het zal ook dienen als hulpmiddel om de resultaten van dit onderzoek te verklaren. In paragraaf 2.1 wordt het begrip Schizofrenie worden uitgelegd en ingegaan op de verschillende facetten die ermee te maken hebben; de discussie rond het begrip, de aandoening in relatie tot de populaire cultuur en het metaforisch gebruik van psychische aandoeningen. In paragraaf 2.2 zal eerst de definitie van stigma uiteen worden gezet waarbij gekeken wordt naar de hardnekkigste stereotyperingen en stigma’s van schizofrenie. Dan zal er in paragraaf 2.3 kort worden ingegaan op de invloed van de media op de houding van de bevolking omtrent de aandoening en de invloed van de media op de heersende stigma’s. Tot slot zal in paragraaf 2.4 een aantal buitenlandse onderzoeken worden besproken om te kijken wat er al bekend is over het onderwerp. 2.1.1 Schizofrenie, een korte geschiedenis Schizofrenie is door de eeuwen heen op verschillende manieren ‘behandeld’. In China zijn 4000 jaar oude schedels gevonden met boorgaten, bedoeld om boze geesten bij schizofrene patiënten te laten ontsnappen. Op een gevelsteen van het Dolhuis in Den Bosch is te zien dat in 1442 schizofreniepatiënten in Nederland in de gevangenis werden opgesloten. Voor een paar centen konden families op zondag naar de ‘gekken’ gaan kijken (Swaab 2011). De aandoening, dat gepaard gaat met terugtrekgedrag, paranoïde wanen en stemmen is in vergelijking met bijvoorbeeld depressie en manie weinig gedocumenteerd in de oude teksten. Pas in de negentiende eeuw steeg het aantal gevalsbeschrijvingen sterk. De aandoening was in die tijd allang bekend. De term schizofrenie werd in 1908 pas aan de aandoening gegeven: “Berlijn 1908; de Duitstalige fine fleur van de psychiatrie heeft zich verzameld voor haar voorjaarscongres. De 50-jarige Zwitserse hoogleraar Eugen Bleuler neemt voor

 

8  


het eerst een raadselachtig klinkend woord in de mond: schizofrenie, dat letterlijk gespletenheid van de geest betekent.” (Catthoor, de Hert & Peuskens, 2003)

Eerst kregen de toenemende industrialisatie en de verstedelijking de schuld van een duidelijk toename van schizofrenie onder de bevolking. Deze zouden leiden tot ontheemding en verwarring binnen de migrerende plattelandsbevolking. Volgens Swaab (2011) is het risico om deze ziekte op te lopen in de stad inderdaad groter dan op het platteland, en migranten hebben ook een hogere kans. De moeilijke sociale omstandigheden waaronder migranten vaak moeten leven zullen bijdragen aan dit verhoogde risico. Benadrukt moet worden dat dit één van de vele risicofactoren kan zijn. 2.1.2

De definitie en kenmerken van schizofrenie

Schizofrenie komt bij één procent van de bevolking voor, maar door de lange ziekteduur is zij verantwoordelijk voor een bezetting van bijna de helft van de psychiatrische ziekenhuisbedden (Swaab, 2011). Bleulers conceptie van de ziekte was de niet op elkaar aangesloten stemming en gedachtes van een persoon. “Schizo” betekent gespleten en “phrenos” betekent verstand in het Grieks. Deze leiden samen tot het woord ‘schizofrenie’. Deze term werd gekozen om die niet op elkaar aangesloten stemming en gedachtes te vertegenwoordigen. Het had niets te maken met een gespleten geest of dubbele persoonlijkheid. Schizofrenie wordt hierdoor vandaag de dag vaak verward met dissociatieve identiteitsstoornis. Schizofrenie is een psychische aandoening gekarakteriseerd door verstoringen in de gedachte, perceptie, emoties en gedrag van een persoon. Meestal speelt het op rond de puberteit of jonge volwassenheid maar het kan ook voorkomen op latere leeftijd. Schizofreniepatiënten zijn vaak depressief en ongeveer tien procent van de patiënten doet een zelfmoordpoging (Swaab, 2011). Symptomen van de aandoening worden in twee groepen onderscheiden. Positieve symptomen, ook wel de affectieve symptomen genoemd, zijn het meest opvallend. Het zijn verschijnselen die wij normaal niet hebben, zoals wanen en hallucinaties. Men spreekt hier vaak van een psychose; een toestand waarbij het denken, de waarneming en ook de zelfcontrole diepgaand verstoord zijn. Volgens Swaab (2011) is met hersenscans te zien dat de  

9  


hersengebieden die normaal de informatie van stemmen of beelden verwerken, tijdens die hallucinaties extra actief zijn; daarom zijn deze hallucinaties niet van echte ervaringen te onderscheiden. Negatieve symptomen van schizofrenie, ook wel de passieve symptomen genoemd, zijn verdwenen normale eigenschappen. Dit is bijvoorbeeld het nemen van initiatief, het opruimen van de kamer of het initiëren van sociale contacten. Negatieve symptomen bestaan ook uit cognitieve achteruitgang en vlakke emoties (Swaab, 2011). Tegen de feiten van classificatiesystemen van het Amerikaanse Handboek Voor Diagnose En Statistieken Van Psychische Aandoeningen en de Internationale Statistische Classificatie van Ziekten en Verwante Gezondheidsproblemen van de Wereldgezondheidsorganisaties is schizofrenie volgens van Kerkhof (2009) geen eenduidig ziektebeeld. Van Kerkhof (2009) zegt dat het om een heterogeen cluster gaat van allerlei negatieve en positieve symptomen, die in ernst en tijdsduur enorm variëren. Meer en meer onderzoek wordt verricht naar de erfelijkheid van schizofrenie. Uit familie en tweelingonderzoek blijft dat erfelijke factoren voor zo’n 80% verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van schizofrenie (Vonk, et al. 1998). De belangrijkste basis voor schizofrenie wordt al tijdens de conceptie gelegd. Voedseltekort van de moeder gedurende de eerste drie maanden van de zwangerschap leidt tot een verdubbeling van het risico op schizofrenie. Dit bleek bij de kinderen uit de Hongerwinter van 1944-1945 in Amsterdam (Swaab, 2011). Verder heeft een persoon meer kans op schizofrenie als hij of zij geboren is in november/december dan in juli/augustus. Dit komt door gevaar op influenza of andere virusinfecties die de moeder een half jaar eerder doormaakte. Daarnaast kan stress van de zwangere vrouw een rol spelen bij het ontstaan van schizofrenie. Na de geboorde verhoogt een omgeving met vee prikkels de kans op schizofrenie (Swaab, 2011). Of cannabis de ziekte veroorzaakt of het moment waarop de symptomen optreden vervroegt is een punt van felle discussies (Rukavina et al. 2011). Schizofrenie komt meer voor bij mannen en het beloop is milder bij vrouwen. Er is een piek in het optreden van een eerste psychose rond het 20e jaar. Bij vrouwen is er een tweede piek rond de menopauze. Er bestaan verschillende varianten van schizofrenie. De meest bekende vorm is paranoïde schizofrenie. Deze gaat vaak gepaard met spanning, achterdocht en  

10  


vijandigheid wat zich ook wel uit in de vorm van wanen. Patiënten denken dat ze in de gaten worden gehouden of bestuurd door geheimzinnige machten. Ook kunnen deze patiënten leiden aan hallucinaties. Zo kan men stemmen horen die een opdracht geven, waartegen de patiënt soms zelf in opstand komt. Enkelen krijgen de opdracht iemand anders te doden. Het affectief en cognitief functioneren blijft meestal wel intact (Lee, 2002). Tristan van der Vlis leed bijvoorbeeld aan deze vorm van schizofrenie. Dan zijn er nog de varianten katatone en gedesorganiseerde schizofrenie (Lexicon, 2008). Bij eerstgenoemde treden vooral motorische symptomen op en bij gedesorganiseerde schizofrenie treden vooral affectieve symptomen op. Een persoon met gedesorganiseerde schizofrenie kan er soms jaren mee rondlopen voordat die wordt gediagnostiseerd. Tot slot is er de ‘schizofrene resttoestand’. Wanen, hallucinaties of afwijkend gedrag treden hier niet meer op de voorgrond. Wel kan een persoon met schizofrene resttoestand vreemde overtuigingen of afwijkende zintuigelijke waarnemingen hebben. 2.1.3

Discussie rond het begrip, de populaire cultuur en metaforisch gebruik.

Zoals al eerder genoemd is de letterlijke vertaling van schizofrenie “gespleten geest”. Deze vertaling heeft tot veel misverstanden geleid. Mensen die aan de ziekte lijden, hebben namelijk geen gespleten geest of persoonlijkheid. Deze aandoening heet namelijk dissociatieve identiteitsstoornis. De kloof bij schizofrenie zit tussen de patiënt en de rest van de wereld. Zij beleven de wereld op een eigen manier, begeleid door waanbeelden en hallucinaties. Op de elfde wereldconferentie psychiatrie in 1999 in Hamburg werd gedebatteerd over de term ‘schizofrenie’ als belangrijke medebepalende factor voor het in stand houden van het stigma (Catthoor, de Hert, Peuskens, 2003). Uit een Turkse studie van Akdede et al. (2004) bleek dat de term schizofrenie een stigmatiserende houding van eerste en tweedejaars medicijnen studenten bevordert. Volgens een enquête dat Psy (platform voor geestelijke gezondheid en verslaving) samen met de Nederlandse vereniging voor psychiatrie (NVvP) heeft gehouden vindt 81% van de psychiaters dat de diagnose schizofrenie een zwaar stigma op patiënten drukt. Volgens de richtlijn: Tips voor journalisten in verband met de berichtgeving over psychisch ziek zijn (VVGG & Similes, 2000) is een wetenschappelijk aanvaard taalgebruik cruciaal voor een correcte verslaggeving. Dat voorkomt dat men  

11  


gevoelens van angst opwekt, intolerantie aanwakkert of het vooroordeel bevestigt. Uit onderzoek van Catthoor, de Hert en Peuskens (2003) blijkt dat wanneer in een artikel de varianten ‘schizofreen’, ‘schizo’ of ‘schizofrene’ voorkomen dit een negatief effect heeft op de beeldvorming van de aandoening. Het hebben van schizofrenie is maar een deel van het leven van die persoon (een persoon met schizofrenie) en is niet die persoon zelf (de schizofreen) (Francis et al. 2003). Het onderzoek van Boke et al. (2007)

wijst uit dat iemand omschrijven als “schizofreen of schizofrene” een

kwalijke, negatieve bijklank heeft verkregen in de samenleving en als afwijzend en geringschattend wordt beschouwd en het beste vermeden kan worden om stigmatisering te voorkomen. Daarnaast kan het gebruik van woorden als de gek, dwaas, idioot, krankzinnig, geschift en verdraaid ook leiden tot een negatieve beeldvorming (Francis, 2003). In Japan is zelfs onder druk van families en patiënten de naam schizofrenie in 2002 vervangen. De diagnose riep daar zoveel schaamte op dat mening patiënt zelfmoord pleegde (van Kerkhof, 2009). Het begrip stond binnen de populaire media al snel ook synoniem aan een dubbele persoonlijkheid dankzij films als Dr. Jeckyll & Mr. Hide of The Shining met Jack Nicholson. Zo’n gevaarlijke gespleten persoon zou je zomaar in de rug kunnen steken. Dankzij films als A Beautiful Mind waar de aandoening op een andere manier wordt belicht kan de populaire media ook een positieve rol spelen. Ondanks het feit dat de film A Beautiful Mind slechts een bepaald aantal elementen behandelt en zich richt tot een algemeen publiek kan het toch een goeie alternatieve methode zijn om meer te weten te komen over schizofrenie (Rosenstock, 2003). Daarbij heeft de film enorm veel patiënten en familieleden geïnspireerd om openlijker met de aandoening om te gaan. Volgens onderzoek van Lee (2003) naar schizofrenie in de populaire media spelen de media vaak een positieve rol in het doorbreken van taboes rond de aandoening. Schizofrenie wordt daarmee bespreekbaar gemaakt en mensen komen op een toegankelijke manier meer te weten over de aandoening. Gevreesde aandoeningen gaan vaak gepaard met metaforisch gebruik. Het gebruiken van psychische aandoeningen als beeldspraak is een reflectie van heersende stigma’s. Met andere woorden, aandoeningen die minder gestigmatiseerd zijn zullen minder vaak als beeldspraak worden gebruikt volgens de studie van Duckworth, Halpern, Schutt en Gillespie (2003). In hun studie wordt het woord schizofrenie in de  

12  


Amerikaanse kranten in 27% van alle artikelen metaforisch gebruikt. Dit in contrast met het woord kanker, wat maar voor één procent metaforisch wordt gebruikt. Schizofrenie is daarmee de nieuwe ‘metaforische ziekte’. Hoe zit dat in de Nederlandse berichtgeving? Duckworth et al. (2003) concluderen in hun studie dat een metaforische referentie leidt tot negatieve attitudes en associaties en het gebruik draagt bij aan heersende stigma’s en misvattingen rond de aandoening. Dit heeft weer als gevolg dat mensen met schizofrenie geen hulp durven zoeken om hun aandoening te behandelen. De manier waarop de taal gebruikt wordt heeft grote invloed op het begrip, of het onbegrip, dat in de samenleving heerst met betrekking tot schizofrenie (Boke et al. 2007). In een aantal onderzoeken komt het metaforisch gebruik van schizofrenie in geschreven en audiovisuele media duidelijk naar voren. Het begrip schizofrenie wordt, vaker dan welke psychische term ook, metaforisch gebruikt. (Duckworth et al. 2003 & Boke et al. 2007). Politici, acteurs, columnisten en anderen gebruiken vaak uitspraken als ‘een schizofrene samenleving’, ‘een schizofrene tegenstander’, ‘het schizofrene taalgebruik’ en ‘de schizofrene situatie’ in hun normale vocabulaire (Boke et al. 2007). Het metaforische gebruik van een term om iets aan te duiden reflecteert de behoefte van de schrijver of gebruiker van het woord zichzelf nog sterker uit te drukken. Wanneer een auteur kritiek heeft op een individu of maatschappij voor het niet zien van de waarheid of verlies aan zelfbeheersing kan hij termen gebruiken als “naïeveling” of “driftkikker”. In plaats daarvan gebruikt hij het woord schizofreen of een variant daarop om iets te benadrukken wat aan gewicht voorbij gaat aan alle andere termen. Daarmee impliceert een auteur direct dat schizofrenie erger is dan “blind zijn voor de waarheid” of “driftkikker”. De negatieve effecten van een dergelijk gebruik staan buiten kijf en dragen bij aan verdere stigmatisering van de aandoening (Ono, Satsumi & Kim, 1999). 2.2.1

Definitie van stigma

Stigmatisering is ‘zo oud als de wereld’, maar wordt internationaal de laatste jaren steeds meer als ernstig knelpunt ervaren (de Goei, Plooy & Weeghel, 2006). Er bestaan uiteenlopende definities van het fenomeen stigma. In dit onderzoek wordt de volgende definitie van Catthoor, de Hert en Peuskens (2007) gehanteerd:

 

13  


Stigma als sociologisch fenomeen kan gedefinieerd worden als een merkteken dat een individu of een groep enerzijds bepaalde ongewenste eigenschappen toedicht, en anderzijds deze isoleert van de rest van de maatschappij […] Een persoon kan zwak tot bijzonder sterk gelinkt worden aan de negatieve connotaties, en de verwerping kan beperkt blijven of massaal zijn. De meeste omschrijvingen van stigma gaan terug op het werk van socioloog Erving Goffman (1963). Hij definieerde stigma als een ongewenste of beschamende eigenschap die de status van een individu in de ogen van de gemeenschap verlaagt. Het ontstaan van stigma omvat zowel cognitieve als gedragsmatige aspecten. Een cognitief proces koppelt de persoon aan negatieve eigenschappen. Het gedrag dat volgt, werkt discriminerend, en dat dwingt de gestigmatiseerde persoon tot secundair vermijdingsgedrag. Vaak is terugtrekken uit het sociale leven een gevolg (Catthoor, de Hert & Peuskens, 2003). Het concept stigma is gebaseerd op de sociologische labelling theory. Hiervan bestaan twee versies. De eerste versie is van Scheff (1966). Deze labelling-theorie is ontstaan vanuit de overtuiging dat het hoofdzakelijke probleem bij het omgaan met psychiatrische zieken het labellen is. Dit legt hij uit aan de hand van het volgende voorbeeld: Een persoon kan door een opname de status ‘psychisch ziek’ verwerken. Door de reacties van anderen wordt de patiënt geplaatst in de rol van psychiatrisch patiënt. De identiteit die hij hierdoor verkrijgt en zich aanmeet, is volledig gebaseerd op de rol die hem door de maatschappij is opgelegd, en leidt tot een stabiele psychiatrische stoornis. Wanneer de patiënt niet ‘gelabeld’ wordt, zal het afwijkende gedrag dat hij vertoont als voorbijgaan beschouwd worden. Deze vorm van stigma, dat wil zeggen door middel van het labellen van psychiatrische patiënten door de samenleving wordt ook wel public stigma genoemd (de Goei Plooy & Weeghel, 2006). De tweede versie wordt de aangepaste benadering van de labelling-theorie genoemd. Deze is opgesteld door Link, Struening en Shrout (1989). Volgens hun theorie kunnen er schadelijke effecten van stigmatisering optreden omdat iedereen in de samenleving de negatieve maatschappelijk beelden over psychiatrische patiënten als kind al heeft verinnerlijkt. Dat geldt dus ook voor een persoon die op een gegeven moment zelf  

14  


psychisch ziek wordt. De Goei, Plooy en Weeghel (2006) noemen dit ook wel zelfstigma. Het kan bestaande psychische problemen verergeren en ertoe leiden dat mensen in zichzelf keren en zich terugtrekken uit de sociale omgeving. Het public stigma beïnvloed het zelf stigma en andersom. Zo ontstaat er een vicieuze cirkel. Mensen met schizofrenie gaan door de vicieuze cirkel van public-stigma en zelfstigma, geloven wat het publiek en de media over hen zeggen en gaan zich ernaar gedragen. Zo zorgt de diagnose schizofrenie ervoor dat iemand een sociale rol krijgt opgelegd door de omgeving: iemand die de psychische aandoening schizofrenie heeft, wordt een schizofreen: De diagnose schizofrenie heb ik ervaren als afgeschreven worden [..] Door de diagnose was ik niet langer een persoon met een ziekte maar werd ik mijn ziekte. Ik ging leven naar het beeld dat anderen van die ziekte hebben. Ik verruilde mijn toekomst voor een toekomst die in dat plaatje past. Veel meer dan de klachten die ik had, werd het de diagnose die bepalend was voor mijn leven. Uit: van Belleghem, 2004

2.2.2

Stigma’s en stereotyperingen van schizofrenie

Vooroordelen maken het moeilijker voor patiënten om werk te vinden en te behouden, toegang te krijgen tot voorzieningen, woonruimte te vinden en relaties aan te gaan. Stigmatisering belemmert daarmee de maatschappelijke integratie en rehabilitatie. Het beleid van zorg en overheid om mensen met schizofrenie terug te laten keren naar de samenleving wordt door stigma ondermijnd. (de Goei, Plooy & van Weeghel, 2006). Volgens Satorius (1999) is een oorzaak van de toename van intolerantie tegenover psychiatrische patiënten een toenemende urbanisatie van de maatschappij. In een stad is iedereen een vreemde voor elkaar. Dit verhoogt het angst niveau en het streven naar sociale wenselijkheid. In een dorp worden menen met afwijkend gedrag opgevangen door een sociaal netwerk wat als controleorgaan fungeert. Onvoorspelbaar, onbekwaam en gevaarlijk: dat zijn de meest voorkomende en hardnekkigste vooroordelen over mensen met een psychiatrische aandoening (Penn en al. 1994, Nugter & Dijker, 2004). Stigmatisering van individuen met psychische problemen is een universeel fenomeen en heeft destructieve consequenties. Zowel de  

15  


patiënten als hun familieleden leiden aan verminderd zelfrespect en interpersoonlijke familiebanden worden beschadigd (Boke et al. 2007). De patiënt heeft moeite met het aangaan en onderhouden van sociale relaties en uitsluitsel van de samenleving is onvermijdelijk. Dit maakt de kans op het vinden van een baan nihil. Van alle psychische aandoeningen heeft schizofrenie het meest te maken met hardnekkige stigma’s en stereotyperingen. Recente studies naar stigmatiserende opvattingen over schizofrenie hebben uitgewezen dat onvoorspelbaarheid, gevaar en incompetentie het hoogst scoren op de lijst van aangenomen eigenschappen (de Goei, Plooy & van Weegh’ol06 en Hayward & Bright, 1997). Link et al. (1999) bestudeerden de concepten die de bevolking hanteert over psychische zieken en constateerden dat mensen met psychiatrische aandoeningen als veel gevaarlijker worden beschouwd dan ze in werkelijkheid zijn. Volgens Monahan (1992) is het risico op geweld zeer gescheiden in vergelijking met risicofactoren als leeftijd, geslacht, een verleden met geweld, sociaaleconomische status en opleidingsniveau. Als geweld bij de aandoening voorkomt hangt dit nauw samen met drugsverslaving of de aanwezigheid van acute symptomen (psychoses) en de sociale context. Een ander bekend vooroordeel van psychische aandoeningen in het algemeen is dat zij gedeeltelijk zelf geïnduceerd zijn. Daarmee wordt bedoeld dat mensen met een psychische aandoening gedeeltelijk zelf verantwoordelijk zijn voor hun psychische toestand (Hayward & Bright, 1997). Volgens de Kraepeliniaanse theorie, die in het onderzoek van Catthoor, de Hert en Peuskens (2003) wordt aangehaald, is schizofrenie een degeneratieve aandoening die niet reageert op interventies uit de omgeving. Dit heeft de basis gelegd voor het idee van psychisch zieken en gezonde individuen als aparte entiteiten. Met andere woorden, negatieve houdingen hangen nauw samen met de opvattingen dat schizofrenie beheersbaar is en dat mensen met schizofrenie dus zelf verantwoordelijk zijn voor afwijkend gedrag. Volgens de Goei, Plooy en Weeghel (2006) hebben mensen een positieve houding ten opzichte van de aandoening wanneer de psychosociale achtergrond bekend is en zijn mensen minder snel geneigd de persoon met schizofrenie als gevaarlijk en onvoorspelbaar te beschouwen. Daarmee kan gesteld worden dat wanneer mensen op de hoogte zijn van de achtergrondkenmerken van de aandoening zij er minder negatief tegenover staan.

 

16  


Eens gek, altijd gek is een bekende mythe als het gaat om schizofrenie (Boke et al. 2007). Onderzoek wijst uit dat veel mensen met schizofrenie aanmerkelijk kunnen herstellen en in staat zijn een zinvol en vruchtbaar leven te leiden. Het verloop van schizofrenie varieert van blijvende ernstige beperkingen tot gedeeltelijk of goed herstel. Schizofrenie is niet volledig te genezen in die zin dat de kwetsbaarheid steeds blijft bestaan, maar ze kan wel behandeld worden (Byrne, 2001). Men kan immers de symptomen bestrijden en de patiënt en zijn omgeving leren omgaan met de ziekte. Mensen die behandeld worden aan schizofrenie kunnen vaak wel zelfstandig functioneren, werken en een relatie hebben (De Goei, Plooy & Weeghel, 2006). Echter, deze rehabilitatieprogramma’s, gericht op maatschappelijke integratie van mensen met schizofrenie, worden gefrustreerd door het gebrek aan acceptatie van mensen in de samenleving die grotendeels veroorzaakt wordt door stigmatisering (Grinfeld, 1998). Het aanbieden van informatie aan de bevolking kan de misvattingen over het gevaarlijke karakter van schizofreniepatiënten en hun onvermogen om te communiceren, nuanceren (Wolff, Pathara & Craig 1996). Volgens het onderzoek van Lee (2002) blijkt dat een negatieve houding en stigmatisering wordt veroorzaakt door een gebrek aan kennis. Ook zijn aandoeningen als schizofrenie moeilijker voor buitenstaanders te begrijpen en daardoor meer beangstigend. Volgens onderzoek van Catthoor, de Hert en Peuskens (2003) en Wolff, Pathara en Craig (1996) kan duidelijke en heldere informatie bijdragen aan een positiever beeld van de aandoening. Volgens Francis et al. (2004) moet het artikel ook informatie of contactgegevens bieden van hulpdiensten en doorverwijzingen naar instanties uit de geestelijke gezondheidszorg. Volgens onderzoek van Boke et al. (2007) en Wolff, Pathara

en

Craig

(1996)

kunnen

mensen

een

positiever

beeld

van

schizofreniepatiënten ontwikkelen wanneer zij zo normaal mogelijk worden neergezet in de media. Dit houdt in dat ook persoonlijke kenmerken, interpersoonlijke relaties en karaktereigenschappen worden genoemd in de artikelen. Samengevat kunnen factoren als kenmerken en behandelmogelijkheden, het noemen van mogelijk herstel en achtergrondinformatie over de persoon met schizofrenie bijdragen aan een positiever en minder beangstigend beeld van de aandoening.

 

17  


2.3 De invloed van de media Het merendeel van onze kennis komt niet voort uit persoonlijke ervaringen maar juist van verhalen uit onze omgeving. Vroeger was dat je familie, religieuze instanties, scholen en gerenommeerde mensen uit de omgeving. Nu is dat de media (Arnold & Weinerth, 2001). De massamedia heeft een grote invloed op de beelden die mensen vormen van een persoon, groep of kwestie. Volgens de Boer & Brennecke (2003) bepalen de media niet alleen hoe mensen over dingen denken, maar ook over welke onderwerpen zij nadenken. Zoals van den Breemer (2010) in haar masterscriptie aanhaalt sluit dit aan bij de agenda setting theorie. De perceptie van wat belangrijk is wordt bij het publiek bepaald door de aandacht die de journalistiek aan bepaalde onderwerpen geeft (de Boer & Brennecke, 2003). Wanneer de media een bepaald onderwerp in een negatief daglicht ‘framed’ werkt dat discriminatie en vooroordelen op. Of het met opzet is of niet, kranten kunnen daarom een bijdragen leveren aan het (voort)bestaan van stigma’s van schizofrenie (Boke et al. 2007). Zoals al in de inleiding werd aangehaald is de attitude van de media een sterk bepalende factor voor de beeldvorming van schizofrenie. Hoewel de media kan functioneren als waardevolle bron voor het correct informeren van de samenleving over psychiatrische ziektes blijkt het in de praktijk niet altijd het geval. Uit onderzoek van Rukavina et al. (2010) komt naar voren dat de media vandaag de dag vaak misleidende en verkeerde informatie verspreiden die in feite leiden tot het de verdere stigmatisering van schizofrenie. Een mogelijke oorzaak kan zijn dat (hoofd)redacteuren de neiging hebben markttrends te volgen. Dat wil zeggen dat zij eerder voor spannende en sensationele onderwerpen kiezen omdat de verkoopcijfers van de krant dan omhoog schieten. (Boke et al. 2007). Volgens de Goei, Plooy en van Weeghel (2006) geven kranten, televisie en films een vertekend beeld van mensen met psychische aandoeningen: zij worden vaak als gevaarlijke gek of als aandoenlijke gestoorde geportretteerd.

 

18  


2.4 Recentelijk buitenlands onderzoek Omdat er meer buitenlands onderzoek is gedaan naar de beeldvorming door de media van psychische aandoeningen en/of specifiek naar schizofrenie is het de moeite waard deze aan te halen in dit onderzoek. Het waarnemingsinstrument is gedeeltelijk opgebouwd uit de theorieĂŤn en resultaten uit ander onderzoek. In Nederland is er nog weinig bekend op het gebied van stigmatisering, maar in het buitenland, met name in de Angelsaksische landen en Duitsland, is het onderzoek op dit terrein omvangrijk (de Goei, Plooy & van Weeghel, 2006). Volgens het onderzoek van Lee (2002) blijkt dat ondanks wetenschappelijk bewijs mensen met psychische aandoeningen door de media worden neergezet als gevaarlijke en onberekenbare tikkende tijdbommen die elk moment kunnen exploderen. Aan de andere kant, wanneer de media op een correcte manier omgaat met de informatie kunnen zij juist een positieve werking hebben op het beeld van schizofrenie (Lee, 2002). Henson et al. (2010) deden onderzoek naar het beeld in de Australische media van mensen met psychische aandoeningen. Het onderzoek wijst uit dat de beeldvorming in Australische nieuwsmedia helemaal niet zo negatief is als de meeste onderzoeken tot nu toe hebben uitgewezen. Wel benadrukken de onderzoekers het belang van uitgebreide informatie over psychische aandoeningen, ook in nieuwsberichten, om negatieve beeldvorming te voorkomen. De onderzoekers stelden een tabel op aan de hand van verschillende coderingen om na te gaan of het item positief, neutraal, negatief of iets van beide had. Deze tabel is ook opgenomen in het waarnemingsinstrument als controlevraag.

 

19  


Codering

Uitleg inhoud artikel

Positief

Burgers of prominente personen die met de aandoening normaal functioneren in de samenleving.

Neutraal

Wetenschappelijke bevindingen; items die gaan over ontdekkingen, medicijnen, nieuwe behandelmethodes. Of artikelen die

gaan

over

slechte

behandeling

patiënten door instellingen, overheid of anderen. Negatief

Als blijkt uit het artikel dat mensen met psychische

aandoeningen

gevaarlijk,

ongecontroleerd

bizar, en

onvoorspelbaar zijn (Schizofrenie bevat dezelfde stereotyperingen). Wij versus Zij gevoel. Gemengd

Items die meerdere coderingen bevatten.

Tabel 1: Henson et al. 2010

Er zijn een aantal onderzoeken gedaan naar het metaforisch gebruik van het woord schizofrenie. Dit wil zeggen dat het begrip niet in relatie tot de aandoening wordt genoemd maar als metafoor om een bepaalde situatie, gebeurtenis of persoon aan te duiden. Volgens het onderzoek van Duckworth et al. (2003) wordt in 28% van hun onderzoeksmateriaal (510 van de 1802 artikelen) het woord metaforisch gebruikt. Zo’n soort gebruik stimuleert de stigmatisering van mensen met schizofrenie. Het onderzoek citeert een quote van Mark Twain: “Difference between getting a word right and almost right is like the difference between lightning and a lightning bug. Getting the word “schizophrenia” almost right facilitates social unacceptability, contributing to a reluctance on the part of persons with schizophrenia to seek help for the condition.”

 

20  


Boke et al. (2007) deden ook onderzoek naar het gebruik van het woord schizofrenie. De conclusie is dat het woord significant vaak misbruikt wordt. Dat wil zeggen dat in bijna 50% van de gevallen het woord schizofrenie metaforisch wordt gebruikt. Uit dat onderzoek blijkt ook dat wanneer een tekst gaat over schizofrenie dit in bijna alle gevallen gepaard gaat met geweld of onjuiste informatie. Tot slot benadrukken de onderzoekers het effect van positieve berichten over schizofrenie. Deze hebben direct effect op de attitudes van het publiek.   Volgens onderzoek van Nawkova et al. (2011) blijkt dat een groot deel van de krantenberichten duiden op een direct verband tussen de aandoening en agressief gedrag. Zij concluderen dat het beeld dat de media uitdraagt de attitude jegens schizofrenie negatief beïnvloedt. Tot slot nog dit: Volgens het Lexicon, International Media Guide for Mental Health (2008) kan de vorm van het woord schizofrenie cruciaal zijn voor de beeldvorming van de aandoening. Uit een enquête van de World Psychiatric Association in 2004 over schizofrenie werd duidelijk dat er bij het merendeel van de Amerikaanse samenleving nog maar weinig tot niets bekend was over de aandoening afgezien van een aantal stereotypes als gevaarlijk en onvoorspelbaar.  

 

21  


Hoofdstuk 3 Onderzoeksmethode In dit hoofdstuk zal worden beschreven hoe het empirisch onderzoek is opgesteld en uitgevoerd. De inhoudsanalyse zal worden toegelicht en het onderzoeksmateriaal en de daarbij behorende selectiecriteria en onderzoeksperiode worden genoemd. Tot slot zal het definitieve waarnemingsinstrument worden gepresenteerd. Met dit onderzoeksinstrument wordt het onderzoeksmateriaal geanalyseerd. 3.1 Inhoudsanalyse Tijdens een onderzoek worden bepaalde methoden gebruikt om tot berekeningen en conclusies te komen. Deze methoden zijn grofweg te onderscheiden in twee categorieën. Namelijk dataverzamelingsmethoden en data-analysemethoden. De eerste categorie slaat op het vergaren van onderzoeksinformatie. De tweede categorie omvat het analyseren van inhouden van documenten en symbolisch materiaal zoals teksten, films en tekeningen. Deze methode wordt ook wel de inhoudsanalyse genoemd (Kerlinger 1986). Volgens Kerlinger (1986) is de inhoudsanalyse een methode om communicatie op een systematische, objectieve en kwantificeerbare manier te analyseren met als doel om variabelen te meten. Of zoals Denscombe (2007) het duidelijk verwoordt: “Content analysis has the potential to disclose many ‘hidden’ aspects of what is being communicated through the written text.” Op het gebied van massacommunicatie onderzoek is inhoudsanalyse de snelst groeiende techniek van de afgelopen 20 jaar ( Rukavina et al. 2011). Dit onderzoek maakt gebruikt van zowel kwantitatieve als kwalitatieve inhoudsanalyse. De kwantitatieve inhoudsanalyse is bedoeld voor het analyseren van de numerieke gegevens zoals aantallen, omvang en waargenomen verschijnselen in de tekst. Deze methode gaat bijvoorbeeld na hoe vaak iets voorkomt in de berichtgeving. Bij de kwalitatieve inhoudsanalyse staat het interpreteren van het taalgebruik en de inhoud centraal. Hier ligt de focus op het belang van de inhoud in de context. Bepaalde vragen die in het waarnemingsinstrument zijn opgenomen vallen onder de kwantitatieve inhoudsanalyse en bepaalde vragen vallen onder de kwalitatieve

 

22  


inhoudsanalyse. Met het waarnemingsinstrument, wat speciaal is ontwikkeld om te artikelen te analyseren, is het mogelijk om op navolgbare wijze gegevens te onttrekken aan het te onderzoeken mediamateriaal. 3.2 Onderzoeksmateriaal & onderzoeksperiode Deze scriptie richt zich op artikelen die betrekking hebben op schizofrenie gekozen uit twee landelijke dagbladen en twee regionale dagbladen. Bij het selecteren van de kranten is er rekening gehouden met zo veel mogelijk diversiteit om een representatief beeld te krijgen. De kranten zijn afkomstig uit verschillende uitgeverijen en er is rekening gehouden met de doelgroep van de krant. Ten eerste is er gekozen om de Telegraaf te analyseren. De Telegraaf wordt uitgegeven door de Telegraaf Media Groep en staat bekend als een sensationele en populaire krant. Het NRC Handelsblad is gekozen als tweede landelijke krant. Deze krant wordt uitgegeven door de Persgroep Nederland en staat bekend als een kwaliteitskrant. Wat de regionale kranten betreft is er gekozen voor het Leidsch Dagblad. Deze krant wordt ook uitgegeven door de Telegraaf Media Groep maar is interessant gezien deze krant ook in Alphen aan den Rijn wordt uitgegeven. Zoals al in de inleiding kort werd aangehaald, de stad waar Tristan van der Vlis, die aan schizofrenie leed, zes mensen in winkelcentrum de Ridderhof

vermoordde voordat hij zelfmoord pleegde. Te

verwachten valt dat de berichtgeving van het Leidsch Dagblad afwijkt van de andere drie kranten. Tot slot worden artikelen van het Eindhovens dagblad geanalyseerd. Deze regionale krant wordt uitgegeven door Wegener. Via het online database van LexisNexis Academic, een tekstarchief van de Nederlandse en buitenlandse dagbladen, tijdschriften, wetgeving en rechtszaken is er gezocht naar het onderzoeksmateriaal. Voor het selecteren van de artikelen uit de vier kranten is er in LexisNexis Academic gezocht op de volgende zoekterm: Schizofre!. Door een uitroepteken achter de -e- te plaatsen zoekt de zoekmachine automatisch op alle mogelijke varianten van het woord schizofrenie; schizofrene, schizofrenie, schizofreen, schizofreniepatiënt(en). Daarnaast is er nog gezocht op woorden als schizotypische en schizo. De onderzoeksperiode beslaat de afgelopen zes maanden. Het eerste bericht dat wordt geanalyseerd is gepubliceerd op 15 juni door het Eindhovens Dagblad. Het laatste  

23  


bericht dat wordt geanalyseerd is gepubliceerd door het NRC Handelsblad op 14 december. Met de zoekmachine van LexisNexis Academic is binnen bovengenoemde periode gezocht naar artikelen die het woord schizofrenie bevatten of een variant daarvan. Bovengenoemde selectiecriteria leverden in totaal 106 artikelen op. Het NRC Handelsblad publiceerde 46 artikelen waar de psychische aandoening in voorkomt. De Telegraaf publiceerde 21 artikelen. Het Eindhovens Dagblad publiceerde 25 artikelen waar schizofrenie in voorkomt en het Leidsch Dagblad publiceerde 14 artikelen. Vervolgens zijn alle artikelen geanalyseerd aan de hand van het opgestelde waarnemingsinstrument dat in de volgende paragraaf wordt uitgelegd. 3.3 Waarnemingsinstrument Zoals al kort besproken aan het begin van dit hoofdstuk zal met het waarnemingsinstrument het onderzoeksmateriaal op een navolgbare wijze worden geanalyseerd. Volgens Pleijter (2007) gaat het bij het ontwikkelen van een waarnemingsinstrument, net zoals bij de inhoudsanalyse, om op navolgbare wijze gegevens

te

onttrekken

waarnemingsinstrument

aan

is

het

een

te

onderzoeken

instrument

van

de

mediamateriaal.

Het

inhoudsanalyse.

De

krantenberichten kunnen door het gebruik van zo’n instrument systematisch gelezen worden. Aan de hand van de centrale vraagstelling en de daarbij behorende deelvragen is een theoretisch kader ontwikkeld en recentelijk onderzoek binnen ditzelfde onderwerp bekeken.

Beide

hebben

waarnemingsinstrument.

als

basis

gediend

voor

het

opstellen

van

het

Door de artikel aan de hand van dit opgestelde

waarnemingsinstrument te analyseren kan er een duidelijk en realistisch overzicht ontstaan van het beeld dat de Nederlandse geschreven media schetst van de psychische aandoening schizofrenie. Het waarnemingsinstrument is aan de hand van de volgende aandachtspunten opgesteld: 1) De betekenis van het woordgebruik (metaforisch of direct gerelateerd aan de aandoening) en welke rol de aandoening in het artikel speelt (specifiek en zijdelings).

 

24  


2) Woordkeuze om de aandoening of de persoon me schizofrenie te vermelden. Is deze objectief of subjectief? Subjectieve woordkeuzes worden gekoppeld aan negatieve percepties van de aandoening. 3) Welke stigmatiserende associaties komen in het bericht voor? Aan de hand van wetenschappelijk onderzoek naar stigma’s en schizofrenie is er gekeken wat de voornaamste stigma’s van de psychische aandoening zijn. Deze zijn verwerkt in verschillende vragen. Ook is het PICMIN instrument, ontwikkeld door Rukavina et al. (2011) in het waarnemingsinstrument verwerkt. 4) De populaire cultuur en schizofrenie; hoe vaak wordt de aandoening gekoppeld aan een film, muziek, boek of bekend persoon? 5) Wordt er in het artikel aanvullende en/of juiste achtergrond informatie gegeven? Wanneer het publiek goed wordt ingelicht over schizofrenie kan dit een positieve uitwerking hebben op de houding jegens de psychische aandoening. 6) Het algemene oordeel van het artikel gebaseerd op onderzoek van Henson et al. (2010). Bovenstaande

aandachtspunten

hebben

geleid

tot

het

opstellen

van

het

waarnemingsinstrument zoals is terug te vinden in de bijlage van dit onderzoek. Volgens Pleijter (2007) komt het regelmatig voor, gezien de begrippen waarvan de onderzoeker aan het begin van zijn of haar onderzoek enkel een oppervlakkig idee over heeft, dat het instrument tijdens het onderzoek regelmatig wordt aangepast. Tijdens de daadwerkelijke analyse is het waarnemingsinstrument op kleine punten aangepast en uitgebreid met begrippen die voorkwamen in het onderzoeksmateriaal. De analyse is twee keer uitgevoerd voor een extra betrouwbaar resultaat. Omdat het waarnemingsinstrument gaande weg nog wordt aangepast aan de hand van het mediamateriaal kunnen er na de tweede analyse wellicht nieuwe observaties uitkomen. De artikelen zijn ten eerste onderverdeeld in drie hoofdcategorieën op basis van de rol of betekenis die de psychische aandoening heeft in het artikel. De eerste categorie is de metaforische. Artikelen waar schizofrenie als beeldspraak wordt genoemd vallen  

25  


hieronder. Dan zijn er artikelen waar de aandoening slechts zijdelings wordt genoemd. Een voorbeeld is wanneer de aandoening in een rijtje met andere psychische aandoeningen, als het ware als opsomming, wordt genoemd. Dan is er tot slot de meest uitgebreide categorie; de specifieke. Hier vallen artikelen onder waar schizofrenie een belangrijke rol speelt of het centrale onderwerp is van het artikel. Wanneer een persoon met schizofrenie centraal staat wordt deze ook als zodanig gecodeerd.

 

26  


Waarnemingsinstrument Overzicht Analytische Categorie Identificeerbare Categorie

Metaforische Categorie

 

Zijdelingse Categorie

Specifieke Categorie

V.1

V.1

V.2

V.2

V.3

V.4

V.3

V.3

V.5

V.6

V.4

V.4

V.7

V.8

V.5

V.5

V.9

V.10

V.6

V.6

V.11

V.12

V.7

V.7

V.13

V.14

V.8

V.8

V.15

V.16

V.1

CV. 1

CV. 2

 

27  

V.2


Hoofdstuk 4. Resultaten In dit hoofdstuk zullen de resultaten van het onderzoek uitvoerig worden besproken. Dit zal gedaan worden aan de hand van geschreven tekst, grafieken, cirkeldiagrammen en tabellen. De deelvragen worden behandeld en er zal worden ingegaan op specifieke gevallen van uitkomsten.

Ook zullen tussentijdse

constateringen worden besproken. De percentages die worden genoemd zijn in alle gevallen naar boven afgerond. 4.1 Analytische uitkomsten Voor dit onderzoek zijn 106 artikelen geanalyseerd, afkomstig uit de dagbladen Eindhovens Dagblad, Leidsch Dagblad, het NRC Handelsblad en de Telegraaf. De onderzoeksperiode bedraagt zes maanden en de verdeling van categorieën verschilt met in de metaforische categorie 14 artikelen, in de zijdelingse categorie 40 artikelen en in de specifieke categorie 52 artikelen. Schizofrenie komt het meeste voor in artikelen van Het NRC Handelsblad (46). Het Leidsch Dagblad (14) gaf de minste aandacht aan schizofrenie. Dit is opvallend omdat het Leidsch Dagblad de regionale krant is die geografisch gezien het dichts bij de Alphen aan den Rijn schietingen ligt. Daarentegen heeft het Leidsch Dagblad in verhouding de meeste artikelen die in de metaforische categorie vallen (36%). De Telegraaf en het Eindhovens Dagblad publiceerde ongeveer evenveel artikelen (respectievelijk 21 en 25) waar de aandoening in werd genoemd. In alle kranten behalve het NRC Handelsblad waren de artikelen waar schizofrenie in voorkwam voor het grootste deel te plaatsen in de specifieke categorie. In de tabel hieronder is de hoeveelheid en type artikelen weergegeven1: Krant

Metaforisch

Zijdelings

Specifiek

Totaal

Eindhovens Dagblad

3 (21%)

10 (25%)

12 (23%)

25 (24%)

Leidsch Dagblad

5 (36%)

2 (5%)

7 (14%)

14 (13%)

NRC Handelsblad

4 (29%)

22 (55%)

20 (38%)

46 (43%)

Telegraaf

2 (14%)

6 (15%)

13 (25%)

21 (20%)

Totaal

14 (13%)

40 (37%)

52 (49%)

106 (100%)

                                                                                                                1  De  percentages  zijn  naar  boven  afgerond.  

 

28  


4.2 De metaforische categorie In de volgende paragraaf zal de metaforische categorie worden uitgelicht en de daarbij behorende deelvragen. In deze categorie is gekeken naar het gebruik van het woord ‘schizofrenie’ als beeldspraak. De term refereert dan niet direct naar de aandoening maar wordt als synoniem gebruikt voor de gespletenheid van iets, iemand of een situatie. Van de 106 geanalyseerde artikelen zijn 92 artikelen, oftewel 87%, direct gerelateerd aan de aandoening. In veertien artikelen, oftewel dertien procent, wordt schizofrenie gebruikt als beeldspraak. In verhouding bevat het Leidsch Dagblad de meeste artikelen (36%) waarin de aandoening metaforisch wordt gebruikt. Gevolgd door het NRC Handelsblad met 19%. In het Eindhovens Dagblad is twaalf procent van de artikelen te plaatsen in de metaforische categorie en de Telegraaf bevat de minste artikelen waar de aandoening metaforisch wordt gebruikt (tien procent). Zoals in deelvraag één van de metaforische categorie is geformuleerd, is er in dit onderzoek gekeken naar het type bron dat het woord ‘schizofrenie’ als beeldspraak heeft gebruikt. In het cirkeldiagram hieronder is te zien welke beroepsgroepen het woord schizofrenie of een variant daarvan als beeldspraak gebruiken. Het gaat hierbij om het totaal van de vier dagbladen:

Voor het grootste deel wordt de term metaforisch gebruikt door journalisten die de artikelen schrijven. Daarnaast wordt schizofrenie als beeldspraak gebruikt door wetenschappers (historici), politici en voor een klein deel door auteurs van medische

 

29  


boeken. Veertien procent valt in de overige categorie. Hierbij kan gedacht worden aan andere type beroepsgroepen. In deze gevallen gaat het om een boswachter of student. Wanneer schizofrenie metaforisch wordt gebruikt refereert het in alle gevallen naar de gespletenheid van een bepaald iets of iemand. In 43%2 van de gevallen refereert het metafoor naar een ‘gespleten’ houding van een persoon of de samenleving. Zo staat er in het Leidsch Dagblad van 7 oktober: Strange mercy is haar derde soloalbum en de schoonheid van haar bijna schizofrene verwondering over het leven uit zich bij haar in steeds betere songs. In veertien procent van de gevallen verwijst de term naar een object of situatie. In 29% van de gevallen verwijst het metafoor naar ‘gespleten’ of dubbelzinnig gedrag van een persoon, groep of instantie. In het artikel ‘Uitkomst van Eurotop is voor PvdA misschien slechtst denkbare oplossing’ uit het NRC Handelsblad van 12 december staat zo’n verwijzing naar gedrag: Volgens SP’er Irrgang is deze reactie in lijn met de “schizofrene positie” van de PvdA. Irrgang: “hun inzet was: wij zijn vóór meer macht aan Europa maar als het er komt, willen we verkiezingen. Zoals in deelvraag twee van de metaforische categorie geformuleerd is er gekeken naar het type artikel waar beeldspraak in voor komt en voor welke vorm er is gekozen. Het gebruik van schizofrenie als beeldspraak komt merendeels voor in interviews (36%) en nieuwsberichten (28%). Bij nieuwsberichten gaat het met name om algemene en politiek georiënteerde nieuwsberichten. In recensies en opiniestukken kwam het metaforisch gebruik slechts 21% voor. Te verwachten viel dat het metaforisch gebruik hoger zou liggen in subjectieve artikelen zoals columns, recensies en opiniestukken omdat het metaforisch gebruik van een term om iets aan te duiden vaak de behoefte van de schrijver reflecteert zich nog sterker uit te drukken (Boke et al. 2007). Opinie stukken en recensies vragen om sterkere meningen.

                                                                                                                2

 

Het gaat hierbij om het totaal van de vier dagbladen.

30  


Een metaforische referentie tot negatieve attitudes en associaties tegenover schizofrenie (Duckworth et al. 2003). De manier waarop taal gebruikt wordt heeft grote invloed op het onbegrip dat er in de samenleving heerst van schizofrenie. Volgens onderzoek van Boke et al. (2007) hebben de woorden schizofreen en schizofrene een negatief effect op de associatie die de lezer heeft met de psychische aandoening. In het cirkeldiagram hieronder is te zien hoe de verschillende woordkeuzes van schizofrenie, zowel objectief als subjectief, zich tot elkaar verhouden. Hierin wordt ook duidelijk welke verschillende vormen van subjectieve varianten voor schizofrenie zijn gebruikt. Het gaat hierbij om het totaal van de vier dagbladen:

Woordkeuze  Schizofrenie   Objectief   7%  7%   Schizofreen   (subjectief)   43%  

43%  

Schizofrene   (subjectief)   Schizofreenachtig   (subjectief)  

In slechts één van de veertien artikelen (zeven procent) wordt er gebruik gemaakt van een objectieve woordkeuze. Onder een objectieve woordkeuze vallen; schizofrenie of bijvoorbeeld de persoon met schizofrenie. Deze laatste is bij het metaforisch gebruik niet van toepassing omdat er sprake is van beeldspraak. Dit objectieve gebruik gebeurt in het NRC Handelsblad van 26 november: Tilmans onderzoek en zijn conclusies zijn een mooi voorbeeld van de schizofrenie van onze tijd. Terwijl de aarde de komende 20 jaren vrijwel zeker met meer dan 2 graden Celsius opwarmt, hebben de regeringen van de rijkste landen recentelijk besloten geen nieuw klimaatakkoord vóór 2016 te bespreken.

 

31  


In het Eindhovens Dagblad, Leidsch Dagblad en de Telegraaf is het woordgebruik 100% subjectief.

In 86% van de gevallen komt de variant ‘schizofreen’ of

‘schizofrene’ voor. In een artikel in het Eindhovens Dagblad wordt de variant ‘schizofreenachtig’ gebruikt in een interview met politicus Tofik Dibi. Een wetenschappelijk aanvaard taalgebruik is van cruciaal belang voor correcte verslaggeving en het voorkomt dat mensen gevoelens van angst opwekken en intolerantie aanwakkert. Met de woorden ‘schizofreen’ of ‘schizofrene’ wekt de bron het idee dat de aandoening een geheel is met de persoon. Het merendeel (57%) van het gebruik van subjectieve vormen van het woord schizofrenie zijn citaten van bronnen en niet gebruikt door de journalist zelf. Is de journalist daarmee verantwoordelijk voor de negatieve beeldvorming van de lezer? Aan de ene kant heeft een journalist verantwoordelijkheid over zijn of haar eigen artikel. Hij zou ervoor kunnen kiezen een objectieve vorm van schizofrenie te gebruiken. Aan de andere kant moet de journalist altijd zelf objectief zijn en heeft hij slechts een registrerende rol. Zoals in deelvraag drie besproken zal er gekeken worden naar het verband tussen het metaforisch gebruik en de populaire cultuur. In drie van de veertien artikelen, oftewel 21%, is er sprake van een verband tussen het metaforisch gebruik van schizofrenie en de populaire cultuur. Dat verband zit dan in het genre muziek of film. Met andere woorden, het woord relateert aan bijvoorbeeld een bekend personage uit een film of muzieknummer. Zo staat er in het artikel ‘Ambitie op spitzen; Black Swan’ uit de Telegraaf van 2 juli: Ze wordt zo schizofreen als de zwart-witte zwaan die ze moet verbeelden en dan liggen triomf en ondergang dicht bij elkaar. In dit voorbeeld is de referentie naar de populaire cultuur misleidend. Het meisje in de film Black Swan heeft namelijk een alter ego, een denkbeeldige vriendin. Dit verwijst al snel naar een dubbele persoonlijkheid en daarmee draagt dit verband bij aan het heersende stigma van de aandoening. In de andere artikelen heeft het niet direct deze misleidende associatie en kan de link met de populaire cultuur juist het taboe doorbreken.

 

32  


4.3 De zijdelingse categorie: In de volgende paragraaf zal de zijdelingse categorie worden uitgelicht en de resultaten besproken. In artikelen die in de zijdelingse categorie vallen wordt de aandoening terloops genoemd. Schizofrenie wordt bijvoorbeeld als psychische aandoening in een opsomming vermeld, de aandoening wordt als voorbeeld genoemd of bijvoorbeeld om een specialisme van een psychiater aan te duiden. De aandoening staat in zo’n mate af van de inhoud van de tekst dat het een minder grote rol speelt voor de beeldvorming van de aandoening dan bij de specifieke berichten. Bij de analyse van deze artikelen is vooral gelet op woordkeuze, het verband tussen het zijdelings vermelden en geweldsincidenten en de link met de populaire cultuur. Ten eerste is er gekeken naar de verdeling van het type berichten die schizofrenie zijdelings vermelden. Onderstaande cirkeldiagram geeft dat in percentages aan. Deze gelden voor alle vier de dagbladen:

In de cirkeldiagram hieronder is te zien in hoeveel artikelen er is gekozen voor een subjectieve variant van het woord schizofrenie. Zoals in het theoretisch kader staat beschreven dragen varianten als ‘schizofrene(n)’ en ‘schizofreen’ bij aan een negatieve associatie met de aandoening.

 

33  


Wat opvalt is dat het aantal gebruikte subjectieve varianten bij de zijdelingse categorie (34%) veel later ligt dan bij de metaforische categorie (93%). Dit is aannemelijk omdat de aandoening hier vaker als opsomming of voorbeeld wordt genoemd en bij de metaforische categorie gebruikt wordt als beeldspraak en dus als term om een bepaalde houding of situatie aan te dikken. In deze categorie is er gekeken naar het type bron dat gebruik maakt van objectieve woordkeuzes en het type bron dat gebruik maakt van subjectieve woordkeuzes. In de grafiek hieronder is deze verdeling te zien. In de ‘overige’ categorie vallen een politici, een slachtoffer van geweld en een student. Het gaat hierbij om het totaal van de vier dagbladen:

 

34  


Journalisten gebruiken veruit het vaakst subjectieve varianten. In verhouding is het niet meer dan de ‘overige’ groep omdat het daarbij gelijk is verdeeld. Omdat journalisten een bepaalde rol in de media moeten vervullen is het voor hen belangrijker dat het type woordgebruik correct gebeurd. Zijn zij zich bewust van het gegeven dat bepaalde varianten van schizofrenie bijdragen aan een negatieve associatie van de aandoening? Zoals in deelvraag twee geformuleerd zal worden gekeken naar het aantal artikelen dat gerelateerd is aan een geweldsincident en welke begrippen gekoppeld staan aan de aandoening. Slechts vier van de 40 artikelen staan in relatie tot een geweldsincident. Dit is positief omdat een bekend stigma van mensen met schizofrenie is dat zij gevaarlijk en onvoorspelbaar zijn. Terwijl er maar een 0.0005% kans bestaat dat iemand slachtoffer wordt van een persoon met schizofrenie die hem of haar schade toedient of zelfs doodt (de Goei, Plooy & Weeghel, 2006). Wanneer er veel artikelen zijn waarin geweldsincidenten worden gekoppeld aan schizofrenie kan dit nadelige gevolgen hebben voor de beeldvorming. Te verwachten valt dat, dat percentage hoger ligt bij de specifieke artikelen. In het artikel ‘De dood op bezoek; Jeanna van Dijk pleegde volgens politie zelfmoord door sprong van flat, maar is dat zo?” uit de Telegraaf van 10 december staat het volgende: Manische, depressief, schizofreen; van alles is er met hem aan de hand. Een gestoorde persoon, die Jeanna een paar keer zo ernstig toetakelde, dat zij met spoed in het ziekenhuis belandde. In bovenstaande zin staan de woorden ‘gestoorde’ en ‘ernstig toetakelen’. Voor dit onderzoek is gekeken naar de connotatie van gerelateerde woorden wanneer de term schizofrenie zijdelings wordt genoemd. Zijn dit bijvoorbeeld positieve woorden als herstel of sociale participatie. Of zijn dit, zoals in bovenstaand fragment, woorden als gek, gestoorde, moord of geweld. Vaak is er ook sprake van neutrale woorden als onderzoeksuitkomsten of wetenschappelijke termen. In een aantal artikelen was er geen duidelijk verband te vinden tussen de aandoening en andere woorden. Deze zijn als niet van toepassing gecodeerd.  

35  


In onderstaande grafiek is voor elke krant afzonderlijk te zien wat voor type woorden gerelateerd worden aan de aandoening. Deze zijn zoals bovenstaand beschreven gecodeerd.

Wat gelijk opvalt is dat er geen enkele keer positieve woorden gerelateerd worden aan het zijdelings vermelden van de aandoening. In het merendeel van de gevallen (43%) was er geen duidelijk verband te vinden tussen de aandoening en de daaromheen liggende woorden. Dit komt omdat de term dan als opsomming wordt genoemd of als functie bij een psychiater. In een aantal gevallen was dat wel duidelijk te zien. Zoals in het Eindhovens Dagblad van 4 augustus: Ad was na zijn detentie een tijd dakloos. Jos is schizofreen en had in zijn vorige woonomgeving onder invloed van psychoses ‘een paar akkefietjes’. In het artikel ‘Een slaapt, een kijkt tv en rookt, een draait muziek en danst; De behandeling van psychiatrische patiënten in de gevangenis heeft voordelen: ze gebruiken geen drugs en leren douchen’ van het NRC Handelsblad op 27 augustus is er ook duidelijk een verband met negatieve woorden te zien: In de centra verblijven hoofdzakelijk mensen met een psychotische stoornis (vaak schizofrenie), vaak in combinatie met een verslaving en/of verstandelijke beperking. Ongeveer de helft heeft een geweldsdelict begaan.

 

36  


Hoe regelmatiger de woorden die gekoppeld worden aan schizofrenie negatief zijn hoe logischer het is dat mensen die over de aandoening lezen ook een negatief beeld krijgen. Zoals geformuleerd in deelvraag drie wordt er gekeken naar het zijdelings vermelden van schizofrenie in relatie tot de populaire cultuur. Volgens Rosenstock (2003) heeft dit meestal een positieve uitwerking op denkbeelden over de aandoening. Dit omdat het onderwerp zo bespreekbaar wordt gemaakt en er minder taboe op heerst. Daarnaast kan het zien van een film of het leven van een boek waar de aandoening in voorkomt een nuttige informatieve rol vervullen (Rosenstock, 2003). In een aantal gevallen heeft de link met de populaire cultuur een minder positieve uitwerking. Dit gebeurt wanneer de referentie naar een gewelddadig personage in een film of boek is met een gespleten persoonlijkheid die lijdt aan schizofrenie. Dit versterkt en bevestigt het heersende stigma van mensen met schizofrenie. Namelijk; heb hebben van meerdere persoonlijkheden en dat deze mensen gevaarlijk zijn. In tien procent van de artikelen die in de zijdelingse categorie vallen wordt er een link gelegd tussen schizofrenie en de populaire cultuur. Opvallend is dat dit helemaal niet gebeurd in het Leidsch Dagblad en de Telegraaf. In het Eindhovens Dagblad gebeurt dit één keer. Het NRC Handelsblad publiceert vaker artikelen die in verband staan met de populaire cultuur. In totaal zijn dat acht artikelen, oftewel 36%. Drie artikelen refereren naar een film, drie naar een bekend persoon en twee naar een boek. In alle gevallen is de link met de populaire cultuur positief voor het beeld dat mensen krijgen van de aandoening. Dat wil niet zeggen dat alle personages bijvoorbeeld positief omgaan met de aandoening maar er wordt op deze manier een taboe doorbroken door over de aandoening te praten. Veel films en boeken spelen daarbij een informatieve rol; zo ook het boek dat beschreven is in het volgende artikel van het NRC Handelsblad op 14 december: Maar als Smiley in Smiley’s People Karla verslaat op diens menselijk zwakte, liefde voor een schizofrene dochter, is dat een droevige zege. Moreel is hij niet beter dan de vijand: altijd de teneur van Le Carré. Of de film in onderstaand fragment uit het NRC Handelsblad van 1 oktober:  

37  


De bekendste wiskundige Nobelprijswinnaar is John Nash, het schizofreen geworden geniet dat bij een breed publiek bekend werd door de bestseller A Beautiful Mind van Sylvia Nasar en de gelijknamige film. Wanneer bekende personen schizofrenie hebben of wanneer daar over geschreven wordt kan dat een positieve uitwerking hebben op het beeld wat er van de aandoening heerst en het taboe doorbreken (Rosenstock, 2003). In een artikel uit het NRC Handelsblad van 26 juli staat een goed voorbeeld. Het artikel is geschreven naar aanleiding van de dood van Amy Winehouse en het borduurt voort op de theorie dat veel beroemde personen een schizotypische persoonlijkheid3 hebben. Mensen met een schizotypische persoonlijkheid hebben daar hun hele leven, op terugkerende momenten, last van. “Veel schilders, dichters en musici hebben er last van”, zegt Derksen. “Als je dan ook nog aan roem wordt blootgesteld, is het een enorme klus om jezelf in balans te houden.” Artiesten en schrijvers hebben zelfs twee tot drie keer meer kans op een psychose, zelfmoordpoging of stemmingsstoornis dan personen die even succesvol zijn in het bedrijfsleven, blijft uit onderzoek van de Kentucky University. Bij bovengenoemde moet een kanttekening worden geplaatst. In principe gaat het hier over het effect van de populaire media en niet van het directe effect van het krantenbericht. Als mag worden aangenomen dat de krantenlezer weet over welke personen of welk personage het gaat kan dat al een positief gewenst effect hebben.

                                                                                                                3  Een  schizotypische  persoonlijkheid  is  geen  schizofrenie.  Het  is  een  

karaktereigenschap.  Toch  wordt  dit  bericht  als  zodanig  gecodeerd  omdat  de  eerst   associatie  toch  bij  de  aandoening  hoort.    

 

38  


4.4 De specifieke categorie In de volgende paragraaf zal de specifieke categorie worden toegelicht en de daarbij behorende deelvragen beantwoord. Zoals al in paragraaf 4.1 is genoemd zijn 52 artikelen, oftewel 49%, als specifiek gecodeerd. Deze specifieke artikelen zijn uitgebreider geanalyseerd dan de artikelen uit de metaforische of zijdelingse categorie. Naast de algemene vragen die in de metaforische en zijdelingse categorie voorkomen is hier gelet op achtergrond en aanvullende informatie over de aandoening en naar de relatie tussen geweldsincidenten en de context van de artikelen. In deze paragraaf zal worden beschreven in wat voor soort artikelen de aandoening centraal staat en zal er gekeken worden naar trends met betrekking tot de populaire cultuur, zoals in deelvraag één is geformuleerd. In de grafiek hieronder is te zien hoe de type specifieke berichten zijn onderverdeeld bij de verschillende kranten.

Wat opvalt is dat nieuwsberichten veruit het meeste voorkomen, namelijk van de 52 artikelen zijn 41, oftewel 79% nieuwsberichten. Dagelijks dienen zich honderden nieuwsfeiten aan waaruit een selectie moet worden gemaakt. De meeste kranten hanteren daarom ook een aantal selectiecriteria. Criteria die dienen om te bepalen of iets nieuws is. Volgens Kussendrager en van der Lugt (2007) zijn dat; conflict, actualiteit, belang voor de lezer, bekendheid en afwijking. Als men ervan uit gaat dat iets pas nieuwswaardig is als er sprake is van een conflict, en afwijkt is het aannemelijk dat de nieuwsberichten over schizofrenie vaak negatief zijn en gaan over geweld en moord. Zij voldoen dan immers aan de selectiecriteria van nieuws. Dit gegeven heeft wel negatieve gevolgen voor de beeldvorming van de aandoening.  

39  


In de cirkeldiagram hieronder is te zien hoe bovenstaande grafiek in percentages is verdeeld. De percentages gelden voor alle vier de kranten:

Opvallend is dat maar twee artikelen, oftewel vier procent, uit de specifieke categorie refereren naar de populaire cultuur. Een artikel in het Eindhovens Dagblad en een artikel in de Telegraaf. In tegenstelling tot de andere categorieën; metaforisch (21%) en zijdelings (tien procent) is dit lager. Dit kan verklaard worden door het feit dat in de artikelen de aandoening of een persoon met de aandoening centraal staan en niet een film, boek of muzieknummer. In het volgende gedeelte zal worden gekeken naar het brongebruik in de artikelen en wordt er, zoals geformuleerd in deelvraag 2, gekeken naar het gebruik van subjectieve of objectieve woordkeuzes door deze bronnen. In 22 artikelen, oftewel 42%, wordt gebruik gemaakt van subjectieve woordkeuzes. Dat wil zeggen dat woorden als ‘schizofreen’ en ‘schizofrene’ aan bod komen. Dit percentage ligt iets hoger dan bij de zijdelingse categorie (34%). Er mag worden aangenomen dat het objectief vermelden van de term in deze categorie belangrijk is omdat de aandoening centraal staat. In 30 artikelen, oftewel 58%, is gebruik gemaakt van objectieve woordkeuzes. Je kunt hierbij denken aan ‘schizofrenie’ of ‘de persoon met schizofrenie’ of ‘schizofrene patiënten’. In onderstaande cirkeldiagram is te zien welke beroepsgroepen de bron zijn in de verschillende artikelen. De percentages gelden voor alle vier de kranten:

 

40  


In de tabel hieronder is te zien welke bronnen (beroepsgroepen) verantwoordelijk zijn voor subjectieve of objectieve woordkeuzes. De resultaten gelden voor alle vier de kranten:

Wat meteen opvalt is dat de journalisten, net zoals bij de zijdelingse categorie veruit het vaakst de bron zijn. Echter gebruiken zij in de specifieke categorie relatief veel vaker subjectieve termen dan de andere beroepsgroepen. Zij zijn de enige die meer subjectieve termen noemen dan objectieve termen. Psychologen en wetenschappers maken, zoals te verwachten, in verhouding het meest gebruik van objectieve termen. In het artikel Rechtbank; tbs voor moord op moeder in de Telegraaf van 5 augustus staat en voorbeeld van hoe de subjectieve woordkeuze wordt gebruikt door de journalist:

 

41  


De schizofrene Paul zat voor de moord al niet lekker in zijn vel, hij was alcohol- en drugsverslaafd en hoorde stemmen. Nadat zijn vader naar Gouda was gereden om kalmerende middelen voor zijn zoon te halen, kwam Paul op het idee om zelfmoord te plegen. Wanneer een bron objectieve woorden gebruikt heeft dit geen negatieve consequenties voor de beeldvorming van de aandoening (Catthoor, de Hert & Peuskens, 2003). Zo is te zien in het NRC Handelsblad van 14 juli: Van der V., die al jaren leed aan paranoïde schizofrenie, begon in 2008 wapens te verzamelen. Korpschef Jan Stikvoort erkende maandag tijdens een persconferentie over het onderzoek naar de schietpartij, dat de informatie over Tristans gedwongen opname in elk geval had moeten worden ‘meegewogen’ bij de verstrekking van de wapenvergunning. In het theoretisch kader is besproken dat het verstrekken van juiste achtergrond en/of aanvullende informatie over de aandoening kan bijdragen aan een positief beeld dat de lezer heeft van schizofrenie (Catthoor, de Hert en Peuskens, 2003). Zoals in deelvraag drie geformuleerd zal worden gekeken naar de frequentie en samenstelling waarmee dit in de artikelen gebeurd. Barrowclough et al. (1987) rapporteerde dat familieleden of vrienden van mensen met schizofrenie die meer over de aandoening weten aanzienlijk minder kritisch zijn ten opzichte van de patiënt. Volgens Lee (2002) blijkt dat een negatieve houding en stigmatisering wordt veroorzaakt door een gebrek aan kennis. Ook is het belangrijk dat informatie wordt verstrekt over de persoon met schizofrenie. Wanneer interpersoonlijke relaties, hobby’s en karaktereigenschappen worden gedefinieerd krijgt de lezer een menselijker beeld van de persoon met schizofrenie (Barrowclough et al. 1987). Er is in dit onderzoek gelet op de aard van de kenmerken die zijn genoemd. Zijn de karaktereigenschappen die worden vermeld bijvoorbeeld positief of negatief en zijn de hobby’s van de persoon met schizofrenie gevaarlijk of niet. Denk hierbij aan het lid zijn van de schietvereniging van Tristan van der Vlis. Onderstaande resultaten gelden voor het Eindhovens Dagblad. In zes artikelen, oftewel 50%, wordt er juiste achtergrond en/of aanvullende informatie gegeven over  

42  


de aandoening. In vijf artikelen worden symptomen en kenmerken van de aandoening genoemd. In slechts twee artikelen wordt informatie of gegevens van hulpdiensten en/of instanties uit de geestelijke gezondheidszorg aangeboden en in één artikel wordt er iets geschreven over de behandelmethodes van schizofrenie. In drie van de twaalf artikelen wordt de vorm van schizofrenie genoemd, in alle gevallen is dat paranoïde schizofrenie. Volgens Francis et al. (2004) moet het artikel ook informatie en/of contactgegevens bieden. Dit gebeurt maar in acht procent van de gevallen. In zes artikelen, oftewel 60%, wordt er achtergrond informatie gegeven over de persoon met schizofrenie4. In vier artikelen is deze achtergrond informatie negatief van aard; het gaat hierbij om het vermelden van negatieve eigenschappen (gewelddadig), psychoses of drugsverslavingen. In twee artikelen worden positieve kenmerken en hobby’s genoemd. Zoals in het Einhovens Dagblad van 15 november: Het bevat interviews met patiënten die op een positieve manier met hun ziekte omgaan. Een van de geïnterviewde is Deurnenaar Henk Dreissen. Hij zal gedichten, columns en korte verhalen voordragen. In het Leidsch Dagblad wordt in één van de artikelen de vorm van schizofrenie vermeld, namelijk paranoïde schizofrenie. In twee artikelen wordt er achtergrond informatie gegeven over de aandoening, namelijk over de symptomen en kenmerken. In één van die artikelen wordt ook iets geschreven over de behandelmethodes van schizofrenie. Zoals is te lezen in het Leidsch Dagblad van 12 november: Als mensen stemmen horen die er niet zijn, wordt dat waarschijnlijk losgemaakt door herinneringen. Dat stelt de Utrechtse neurowetenschapper Kelly Diederen. Zeventig procent van de schizofreniepatiënten hoort wel eens stemmen, maar het komt ook voor bij gezonde mensen. Voor driekwart van de schizofreniepatiënten werkt anti psychotische medicatie. Voor de rest moet nog een passende behandeling gevonden worden.

                                                                                                                4

In twee van de artikelen was geen sprake van een bepaalde persoon met schizofrenie maar

ging het over de aandoening in het algemeen. Die worden bij de berekening niet meegeteld.

 

43  


In vier artikelen, oftewel 67%5, wordt er achtergrond informatie gegeven over de persoon met schizofrenie. In alle gevallen gaat het om negatieve eigenschappen zoals gewelddadigheid, drugsverslavingen en psychoses. In het NRC Handelsblad wordt in acht artikelen de specifieke variant van schizofrenie genoemd. Namelijk; paranoïde schizofrenie. In 45% (negen artikelen) wordt er juiste achtergrond en/of aanvullende informatie over de aandoening gegeven. Van de 20 artikelen in de specifieke categorie geven alle artikelen die te maken hebben met een persoon met schizofrenie, namelijk zeventien6 (85%), achtergrond informatie over desbetreffend persoon. In zestien artikelen, oftewel 94%, gaat het om negatieve kenmerken, hobby’s en eigenschappen als psychoses en drugsverslaving. Zo ook in het artikel ‘Wie wapen wil moet aantonen stabiel te zijn; Onderzoeksraad voor Veiligheid” in het NRC Handelsblad van 29 september: Van der V. Leed aan schizofrenie en kampte met suïcidale neigingen. In 2006 werd hij gedwongen opgenomen in een psychiatrische kliniek. Deze informatie is niet gebruikt bij de beoordeling van de wapenvergunningsaanvraag in 2008…..Uit het rapport van de raad blijft dat Van der V. Voor een semiautomatisch wapen, een van de drie wapens die hij bij de schietpartij gebruikte, geen vergunning had mogen krijgen. In twee artikelen is de genoemde achtergrond informatie over de persoon positief. In een van de artikelen staan daarnaast ook negatieve kenmerken beschreven. In de Telegraaf wordt in één artikel de paranoïde variant van schizofrenie aangehaald. In vier andere artikelen noemt de Telegraaf een nieuwe vorm die in de andere kranten niet is terug te vinden. Namelijk: chronische schizofrenie. Dat betekent dat in 39% van de artikelen de variant van schizofrenie wordt genoemd. Wat gelijk opvalt is dat de Telegraaf maar in één artikel achtergrond en/of aanvullende informatie geeft over de aandoening. In twaalf van de dertien artikel, oftewel 92%, wordt er geen informatie verschaft. Wel worden in acht artikelen kenmerken genoemd van de                                                                                                                 5

In één van de artikelen was geen sprake van een bepaalde persoon met schizofrenie maar ging het over de aandoening in het algemeen. Die wordt bij de berekening niet meegeteld. 6 Drie artikelen hebben niet direct iets te maken met een persoon met schizofrenie maar met bijvoorbeeld de aandoening in het algemeen.

 

44  


persoon met schizofrenie. 100% van de informatie dat over de persoon met schizofrenie wordt gegeven is negatief. Zo worden negatieve eigenschappen aan Breivik toegedicht in het artikel ‘Psychoot Breivik leidt aan grootheidswanen’ in de Telegraaf van 30 november: Volgens de twee psychiaters die het onderzoek verrichtten, lijdt Breivik al langere tijd aan paranoïde schizofrenie en heeft hij onder andere grootheidswanen. Zo beschouwt Breivik zichzelf als de komende regent van Noorwegen, verlossen van het Westen en eigent hij zich het recht toe om te beslissen wie er mag blijven leven en wie er moet sterven. Er moet hierbij een kanttekening worden geplaatst. Het is aannemelijk dat wanneer er over Anders Breivik wordt bericht dit soort negatieve eigenschappen aan bod komen omdat deze nu eenmaal gebaseerd zijn op feiten. In dit onderzoek is puur gekeken naar de frequentie waarmee dit soort negatieve eigenschappen aan de aandoening worden toegedicht in verhouding tot positieve eigenschappen. In de overige vier artikelen van de Telegraaf gaat het niet specifiek over een persoon met schizofrenie maar over de aandoening in het algemeen7. Samenvattend vermelden achttien artikelen, oftewel 35%, de specifieke variant van de aandoening; paranoïde of chronische schizofrenie. Met name paranoïde schizofrenie is de meest heftige vorm van de aandoening (Duckworth et al. 2003). De ‘lichtere’ varianten van schizofrenie worden in geen enkel artikel genoemd. Dit kan verklaard worden doordat voornamelijk paranoïde schizofrenie een variant is waarbij de persoon zeer afwijkend gedrag vertoont en gepaard gaat met geweld en moord. De andere varianten zijn ‘milder’ van aard en zijn daarmee, volgens Kussendrager en van der Lugt (2007) minder nieuwswaardig. Achttien artikelen (35%) geven achtergrond en/of aanvullende informatie over de aandoening. Dat betekent dat 65% van de artikelen geen achtergrond informatie over de aandoening verstrekt. Bij het vermelden van deze informatie gaat het voornamelijk om symptomen en kenmerken van de                                                                                                                 7

In een artikel speelt een persoon met schizofrenie geen rol. Het gaat hierbij om de aandoening in het algemeen.

 

45  


aandoening. Een enkele keer wordt de behandelmethode genoemd of gegevens van hulpdiensten of instanties uit de geestelijke gezondheidszorg gedeeld. In onderstaande cirkeldiagram is een overzicht te zien van de aard van de achtergrond informatie dat over de persoon met schizofrenie wordt gegeven in het artikel. De resultaten gelden voor alle vier de kranten en de percentages zijn alleen gebaseerd op artikelen die

te maken hebben met een persoon (35 artikelen in totaal) met

schizofrenie en dus niet gaan over de aandoening in het algemeen8.

In 78% van de artikelen wordt er wel achtergrond informatie of andere kenmerken van de persoon met schizofrenie gegeven. Volgens Rukuvina et al., (2011) kan het noemen van eigenschappen van de persoon met schizofrenie een positieve uitwerking hebben op het beeld wat het publiek heeft van deze personen omdat deze dan ‘menselijker’ wordt afgeschilderd. Daarentegen als deze eigenschappen voornamelijk negatief zijn heeft dit weer een negatieve uitwerking op de perceptie van het publiek. Van alle artikelen waarin er achtergrond informatie wordt gegeven (35) is 89% negatief. Uit onderzoek blijkt dat mensen met schizofrenie aanmerkelijk kunnen herstellen en zelfs in staat zijn om een zinvol en vruchtbaar leven te leiden (Goei, Plooy & Weeghel, 2006). Mensen met schizofrenie kunnen redelijk tot goed zelfstandig functioneren (Boke et al. 2007). Deze gegevens, zo is gebleken uit onderzoek, zijn vaak niet algemeen bekend. Mensen denken voornamelijk dat schizofreniepatiënten ten alle tijden onder toezicht staan of opgesloten zitten in een psychiatrische instelling                                                                                                                 8

 

Dit zijn namelijk 7 artikelen.

46  


en er weinig tot geen behandelingsmogelijkheden zijn. Wanneer individuen op de hoogte worden gesteld van patiënten die redelijk tot goed zelfstandig kunnen leven kan stigmatisering verminderd worden (Penn et al. 1994). Zoals geformuleerd in deelvraag vier zal worden gekeken in hoeverre dit naar voren komt in de artikelen. Hoe en op welke manier wordt er geschreven over mogelijke behandelingen en herstel van patiënten met schizofrenie? De uitkomsten kunnen laten zien in hoeverre het stigma ‘onbekwaam’ in de artikelen naar voren komt. Onderstaande resultaten gelden voor zowel het Eindhovens Dagblad als het Leidsch Daglbad samen. In vrijwel alle artikelen wordt iets geschreven over het functioneren van de persoon met schizofrenie. In sommige artikelen worden een aantal aspecten uitgelicht. In de meeste gevallen wordt er vermeld dat de persoon met schizofrenie in een instelling zit of er naar zal moeten gaan (42%). Ook wordt er vaak bij vermeld dat de persoon met de aandoening ontoerekeningsvatbaar (32%) en gevaarlijk (58%) is. In vier artikelen, oftewel 21%, wordt duidelijk dat de persoon met schizofrenie redelijk tot goed zelfstandig kan functioneren en dat hij of zij positief omgaat met de aandoening. Dit laatste heeft een positieve uitwerking op de associatie die men heeft bij de aandoening. De verhouding positieve (21%) en negatieve (79%) informatie over het functioneren van personen met schizofrenie in de maatschappij is niet in verhouding met de feitelijke cijfers (de Goei, Plooy & Weeghel, 2006). In het Leidsch Dagblad van 10 december is een voorbeeld te vinden van een artikel dat een negatieve weergave geeft van de persoon in kwestie. Uit het artikel blijkt geen kans op mogelijk herstel of normaal functioneren van de persoon met schizofrenie: De Haarlemse rechtbank acht Dennis medio 2010 schuldig aan moord, maar vindt hem volledig ontoerekeningsvatbaar. Hij krijgt daarom geen straf. Deskundigen achten de kans op herhaling groot en daarom wordt hij veroordeeld tot tbs met dwangverpleging. In het artikel “Niet iedereen zit op hulp te wachten” uit het Eindhovens Dagblad van 8 oktober staat een van de weinige voorbeelden van een persoon die positief met de aandoening omgaat:

 

47  


De 35-jarige Helmonder is schizofreen sinds zijn 18e en heeft veel en langdurige opnames achter de rug. “Ik was de juiste persoon voor in het gekkenhuis”, lacht hij. Hij woont nu zelfstandig met begeleiding van Fact en hoefde het laatste halfjaar nog maar één keer opgenomen e worden. Zijn rijtjeshuis is opgeruimd en kleurrijk ingericht, de parkietsjes in de keuken kwetteren vrolijk. “Ik vind het fijn dat ze zo vaak komen kijken hoe het met me gaat”. Zes keer wordt het type behandeling genoemd in de artikelen van de regionale kranten. Het vermelden van het type behandeling kan een positieve uitwerking hebben op de houding die de lezer tegenover de aandoening heeft. Wanneer behandelmethodes worden vermeld wordt benadrukt dat de aandoening, in ieder geval gedeeltelijk tot goed te genezen is (Penn et al. 1994). Onderstaande resultaten gelden voor het NRC Handelsblad en de Telegraaf. In 26 van de 33 artikelen, oftewel 79%, wordt iets geschreven over het mogelijk herstel of type behandeling van de aandoening. Dit hoge percentage is te danken aan de informatie die wordt gegeven over het functioneren van de persoon. Dit gebeurt namelijk in 21 artikelen, oftewel 81%. Dertien keer wordt er iets over een psychiatrische instelling geschreven. De persoon met schizofrenie zit in de instelling of moet er naar toe. Dat de persoon met schizofrenie ontoerekeningsvatbaar is wordt twaalf keer genoemd en er wordt negen keer benadrukt dat de persoon met schizofrenie gevaarlijk is. In zeven artikelen wordt er niks geschreven over het functioneren van de persoon met schizofrenie. In drie artikelen stond de aandoening centraal en niet een persoon met de aandoening. In slechts twee artikelen (negen procent) wordt benadrukt dat de persoon met schizofrenie redelijk tot goed zelfstandig kan functioneren. In vijf van de 33 artikelen, oftewel negentien procent, wordt het type behandeling genoemd. Net zoals beschreven bij de regionale kranten kan het vermelden van de behandeling een positieve uitwerking hebben. In onderstaand cirkeldiagram wordt bovenstaande informatie samengevat. Meerdere gegevens kunnen voorkomen in één artikel.

 

48  


De laatste deelvraag van de specifieke categorie heeft als doelstelling de laatste stereotypen/stigma’s van schizofrenie bloot te leggen. Hiermee wordt bedoeld bepaalde typeringen die meerdere malen in de artikelen terug keren, die mensen met schizofrenie over één kam scheren en waarbij subjectieve termen een rol spelen. De meest bekende stigma’s van mensen met schizofrenie zijn dat ze gevaarlijk, onvoorspelbaar en onbekwaam zijn (Penn e.a. 1994, Nugter & Dijker 2004). Het stigma ‘onbekwaam’ is al aan bod gekomen bij de beantwoording van deelvraag vier. De stigma’s ‘gevaarlijk’ en ‘onvoorspelbaar’ zijn nog niet uitgebreid behandelt. In dit onderzoek is er gelet op het aantal artikelen die indirect of direct te maken hebben met een geweldsincident. Daarbij is ook gelet op de rol die de persoon met schizofrenie aanneemt. Is hij of zij dader of slachtoffer van geweld? 33 artikelen, oftewel 64%, gaan over een geweldsincident waarbij de persoon met schizofrenie dader is. In onderstaande cirkeldiagram is in percentages te zien hoeveel artikelen te maken hebben met een geweldsincident en hoe vaak deze refereert naar een bekende dader. Daarbij is er onderscheid gemaakt tussen Tristan van der Vlis, Anders Breivik en relatief onbekende personen met schizofrenie. De resultaten zijn berekend op grond van artikelen waarbij de persoon met schizofrenie de dader is. Wanneer hij slachtoffer is wordt deze niet tot een geweldsincident artikel gerekend omdat deze niet bijdraagt aan stigmatisering van personen met schizofrenie; namelijk dat zij gevaarlijk zijn.

 

49  


In geen enkel artikel is de dader met schizofrenie een vrouw. In het Eindhovens Dagblad hebben zeven artikelen, oftewel 58% te maken met een geweldsincident of een vervolg daarop. In zes van de zeven artikelen is de persoon met schizofrenie de oorzaak van het geweld9. In een artikel uit het Eindhovens Dagblad van 15 juni is de persoon met schizofrenie slachtoffer van geweld. Dit is ook meteen het enige artikel gerelateerd aan een geweldsincident in het Eindhovens Dagblad waarbij de persoon geen dader is: Hun jongste zoon (toen 31) en mijn broer waren vermoord en met cement overgoten gevonden in het Henry Dunantpark. Roel was schizofreen, hoorde stemmen en verkeerde vaak in psychoses. Roel werd het slachtoffer van zijn buren. Twee op drift geraakte tien jaar jongere mannen. In vijf artikelen vermoord de dader zijn slachtoffers. In twee artikelen pleegt hij daarna zelfmoord10. In één artikel is de persoon met schizofrenie gewelddadig. Alle artikelen die het Leidsch Dagblad publiceerde hebben te maken met een geweldsincident waarbij de persoon met schizofrenie de oorzaak is van het geweld. Zo ook in het artikel “Procedure voor wapenvergunning deugt niet” in het Leidsch Dagblad van 18 juli:                                                                                                                 9  Twee  van  de  zeven  artikelen  gaan  over  Tristan  van  der  Vlis.  Een  artikel  over  Anders  

Breivik.   10  Deze  twee  artikelen  gaan  over  Tristan  van  der  Vlis.  

 

50  


De Alphenaar schoot op zaterdagmiddag 9 april zes mensen en zichzelf dood in winkelcentrum De Ridderhof. Zeventien mensen raakten gewond. Uit onderzoeken blijkt dat hij leed aan schizofrenie en psychoses had. In vier artikelen vermoord de persoon met schizofrenie zijn slachtoffer(s) en pleegt vervolgens zelfmoord 11 . In één artikel dood de persoon met schizofrenie zijn slachtoffer en doet een poging tot zelfmoord en in het laatste artikel begaat de dader een moord en vertoont agressie jegens een object. Het NRC Handelsblad publiceerde veertien artikelen (70%) die te maken hebben met een geweldsincident of een gevolg artikel op een geweldsincident. In alle artikelen was de persoon met schizofrenie de dader. In twee artikelen heeft de dader zijn slachtoffer(s) vermoord en in twaalf artikelen pleegde hij vervolgens zelfmoord12. Tot slot zijn acht van dertien artikelen (62%) van de Telegraaf gerelateerd aan een geweldsincident. In zeven artikelen is de persoon met schizofrenie de oorzaak van geweld. In vijf artikelen vermoord de dader zijn slachtoffers. In twee artikelen is de persoon met schizofrenie gewelddadig naar een ander persoon. In twee artikelen is de persoon met schizofrenie slachtoffer van geweld13. Van de 52 specifieke artikelen hebben 34 te maken met een direct of indirect geweldsincident. Bij drie van de artikelen heeft de persoon met schizofrenie niets te maken met het geweld of is zelf slachtoffer. In totaal hebben dus 60% van alle specifieke artikelen te maken met een geweldsincident of een vervolg daarop waarbij de persoon met schizofrenie de oorzaak is van geweld. Met een indirect geweldsincident worden vervolg berichten op bijvoorbeeld de Alphen aan de Rijn of Utoya

schietingen

bedoeld.

Ook

is

een

categorie

relatief

onbekende

geweldsincidenten toegevoegd. Van de 34 artikelen gaan 24 artikelen, oftewel 70%, over een bekend geweldsincident. Respectievelijk Tristan van der Vlis (83%) of Anders Breivik (zeventien procent). Tien artikelen (30%) gaan over een relatief                                                                                                                 11  Alle    vier  de  artikelen  gaan  over  Tristan  van  der  Vlis.     12  Alle  12  artikelen  gaat  over  Tristan  van  der  Vlis.  De  overige  twee  gaan  over  

respectievelijk  Anders  Breivik  en  een  onbekende  dader.   13  In  één  artikel  is  de  persoon  met  schizofrenie  zowel  slachtoffer  als  dader.  

 

51  


onbekend geweldsincident. In onderstaande grafiek is te zien hoe de artikelen zich verhouden door de maanden heen. In het geval van dit onderzoek gaat het dus om artikelen over de Alphen aan den Rijn schietingen met Tristan van der Vlis), schietingen op het eiland Utoya met Anders Breivik of een relatief onbekend geweldincident.

Er is duidelijk een piek in juli te zien. Dit komt omdat toen bekend werd dat Tristan een wapenvergunning had gekregen terwijl justitie bekend met hem was. Het hoge gehalte aan terugkerende berichten over Tristan van der Vlis of Anders Breivik veroorzaakt ook een negatiever beeld omdat deze personen nou eenmaal verantwoordelijk zijn voor gruweldaden. Wanneer alle artikelen over Tristan van der Vlis als één type artikel worden gecodeerd heeft dit grote gevolgen voor de resultaten van dit onderzoek. Echter is er nu niet gekozen om de artikelen samen te voegen maar deze als aparte items te analyseren. De eerste controlevraag is opgesteld aan de hand van de codering van Henson et al. (2010). Er is daarbij gekeken naar het totaal beeld dat het artikel weergeeft. Deze controlevragen zijn alleen van toepassing op de specifieke categorie omdat de mogelijkheden die de codering aangeeft niet representatief zijn voor de metaforische en zijdelingse categorie. De codering is als volgt opgebouwd:

 

52  


a. Positief; burgers of prominente personen die met de aandoening normaal functioneren in de maatschappij b. Neutraal’; wetenschappelijke bevindingen of overheidszaken c. Negatief; mensen met schizofrenie zijn gevaarlijk, onvoorspelbaar en ongecontroleerd d. Gemengd; een of meer van bovenstaande waarderingen

In onderstaande cirkeldiagrammen wordt duidelijk hoe deze waarderingen zich onderling verhouden:

In het Eindhovens Dagblad wordt 59% van de artikelen negatief gewaardeerd. Relatief gezien is dit nog het laagste percentages. In het NRC Handelsblad wordt 70% negatief gewaardeerd. In het Leidsch Dagblad 86% en in de Telegraaf 92% negatief gewaardeerd.

 

53  


Tot slot is er door middel van het PICMIN model van Rukavina et al. (2011) gekeken of de artikelen de-stigmatiserend, neutraal, stigmatiserend of gemengd zijn. De bepaling daarvan is gedaan aan de hand van een aantal criteria. Met de-stigmatiserend worden artikelen bedoeld waarin individuen met schizofrenie weer normaal functioneren in de maatschappij en onderwerpen met betrekking tot genezing van schizofrenie, positieve uitwerking en/of sociale activiteiten rond de psychische aandoening. Ook hebben verhalen van individuen die openlijk praten over schizofrenie en educatieve, informatieve feiten gebaseerd op het leren omgaan met schizofrenie een de-stigmatiserend effect op de aandoening. Een artikel is stigmatiserend volgens het model van Rukavina et al. (2011) wanneer het aan één van de volgende criteria voldoet: individuen met schizofrenie worden geassocieerd met geweld, agressie en criminaliteit, mythes en vooroordelen worden benoemd met betrekking tot schizofrenie [gespleten persoonlijkheid, nooit meer normaal kunnen functioneren in de maatschappij], personen met schizofrenie zijn afhankelijk van hulp, zijn werkeloos of zitten opgesloten in een psychiatrische instelling en elk type misbruik van de term. De neutrale artikelen bevatten informatie gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek. Een artikel wordt gemengd gecodeerd wanneer het meerdere criteria uit verschillende categorieën bevat. Deze resultaten zijn een indicatie maar geven geen gespecificeerd beeld van de artikelen. Daarom is er in dit onderzoek voor gekozen dit model als controle vraag te implementeren.

 

54  


In het Eindhovens Dagblad worden twee artikelen als de-stigmatiserend gecodeerd en twee als neutraal. De overige artikelen, 67%, worden als stigmatiserend gecodeerd. Het Leidsch Dagblad publiceerde één neutraal artikel. De overige zeven artikelen werden als stigmatiserend gecodeerd. In NRC Handelsblad is één artikel als destigmatiserend gecodeerd en één artikel als gemengd. Vier artikelen zijn neutraal van aard en de overige veertien artikelen zijn als stigmatiserend gecodeerd. De Telegraaf heeft één neutraal artikel gepubliceerd en de andere twaalf zijn als stigmatiserend gecodeerd. In onderstaande cirkeldiagram is de totale codering van alle kranten te zien:

Om de vraagstelling van dit onderzoek zo volledig mogelijk te kunnen beantwoorden worden bovengenoemde resultaten samengebracht en uitgewerkt in de conclusie.

 

55  


Hoofdstuk 5. Reflectie Ten aanvulling van dit onderzoek is gekozen de resultaten voor te leggen aan een aantal journalisten. Deze resultaten zijn verwerkt in een vragenlijst van negen vragen waar de journalisten op konden reflecteren. De antwoorden zorgen voor een interessante dimensie aan dit onderzoek omdat de brug naar praktijk wordt geslagen. Echter voor een representatieve uitkomst van dit onderdeel zouden meer journalisten op de resultaten moeten reflecteren. Gezien de omvang van deze scriptie is er gekozen voor een kleine selectie van vier journalisten. Getracht is de selectie van journalisten zo divers mogelijk te houden maar dit was afhankelijk van de mate van respons. Landelijke krant de Telegraaf heeft als enige dagblad niet gereageerd. De vragenlijst en de afzonderlijke interviews zijn in de bijlage te vinden. Wat duidelijk naar voren komt is dat de meeste journalisten zich wel bewust zijn van het gegeven dat metaforisch gebruik geen positieve gevolgen heeft voor de beeldvorming van de aandoening. Zij gebruiken dan ook zelden schizofrenie als beeldspraak om iets uit te drukken. Maar wat te doen wanneer een geïnterviewde gebruik maakt van schizofrenie als beeldspraak? De meningen zijn erover verdeeld hoe men daarmee moet omgaan. Frank Beijen van het Leidsch Dagblad zegt daarover het volgende: Ik ben me er wel bewust van. Ik zou het zelf niet zo snel zo opschrijven maar ik zou het wel overnemen als het een treffend citaat is. Wanneer ik het gevoel krijg dat de geïnterviewde het woord verkeerd gebruikt zou ik dat wel veranderen. Ook Peter Scholtes van het Eindhovens Dagblad laat het van de context afhangen. Hij zou het woord ook anders omschrijven in het artikel wanneer de geïnterviewde het woord op een verkeerde manier gebruikt. Hein van Dooren van het Eindhovens Dagblad heeft daarover een andere mening: Ik interview volwassen personen. Ik ben geen kindermeisje. Coen van Zwol van het NRC Handelsblad is het duidelijk met Hein van Dooren eens:

 

56  


Het is, zo lijkt me, heel normaal, zelfs positief dat een woord in de taal meerdere betekenissen heeft. Zonder dat zou er geen literatuur zijn. Dus kan schizofreen een accurate medische term zijn, en een metafoor ‘onwerkelijk’ of ‘onlogisch’ (een schizofrenie situatie, schizofreen gedoe). Niks mis mee. Ik vind het een typisch symptoom van moderne overgevoeligheid, die voor de personen in kwestie zelfs lichtelijk beledigend kan zijn. Journalist Peter Scholtes van het Eindhovens Dagblad heeft een interessante opmerking omtrent de subjectieve en objectieve woordkeuzes van schizofrenie: De keuze voor bepaalde varianten van schizofrenie en of dat nadelige gevolgen heeft hangt in mijn mening helemaal af van de context waarin het woord wordt gebruikt. Een schizofrene situatie is voor mij hetzelfde als een situatie met een dubbel gezicht. Als het gaat om de persoon zou ik niet schrijven de schizofrene Jan Klaassen of Jan Klaassen is een schizofreen. Wel: Jan Klaassen heeft schizofrenie of Jan Klaassen is schizofreen. In die gevallen is het niet als subjectief gebruikt maar als feit. Hij heeft daarmee in zekere zin gelijk. Wel noemt hij ‘dubbel gezicht’ en dat is nou juist waar het probleem ligt. Wanneer schizofrenie als beeldspraak wordt gebruikt doelt dit meestal op een gespleten persoonlijkheid. Hier ontstaat verwarring bij de lezer omdat hij denkt dat mensen met schizofrenie een gespleten of dubbele persoonlijkheid hebben. Het advies van dit onderzoek is daarom ook dat journalisten daar absoluut rekening mee houden. Coen van Zwol van het NRC Handelsblad geeft daarover zijn ongezouten mening: Wat ik uit dit gedoe proef, is de typische misvatting dat je problemen uit de wereld helpt door ze een andere naam te geven. Het probleem is, zo schijnt me toe, dat schizofrenie ene nare ziekte is, die vaak tot zichtbaar afwijkend of bizar gedrag leidt. Hoe dan ook, het wijkt af dus wordt het ook gebruikt als metafoor en als scheldwoord, want zo zijn mensen. Het is duidelijk dat journalisten er een eigen optiek op na houden. Wat zij vergeten is dat het stigma waar bovengenoemde factoren aan bijdragen belemmerende gevolgen  

57  


heeft voor mensen met schizofrenie. Bepaalde aspecten mogen genuanceerd worden en de nuchtere kijk van journalisten heeft ook zijn voordelen. Toch wordt duidelijk dat er door middel van bijvoorbeeld anti-stigma campagnes meer bewustzijn moet worden gecreëerd. Alle journalisten zijn het ermee eens dat het vermelden van de aandoening in de populaire media belangrijk is. Het maakt het onderwerp impliciet bespreekbaar en daardoor ontstaat er meer begrip voor de aandoening. Filmjournalist Coen van Zwol zegt daarover het volgende: Zelf ben ik filmjournalist: er zijn prachtige, ontroerende films gemaakt over mensen met schizofrenie – of autisme – die het begrip voor die aandoeningen en clichés bestrijden. Dus ja, lijkt me helder. Meer dan de helft van de journalisten vindt het lastig om in nieuwsberichten extra informatie te vermelden. Hein van Dooren zegt daarover: Alles is op Internet te vinden. Peter Scholten van het Eindhovens Dagblad vreest dat veel journalisten het in de praktijk overbodig zullen vinden maar wanneer hij erover nadenkt vindt hij een uitleg wel op z’n plaats. 64% van de artikelen waar schizofrenie een belangrijke rol is speelt zijn gerelateerd aan een geweldsincident. Op de vraag of journalisten bewust op zoek zouden gaan naar een aanleiding om een keer een artikel te schrijven met een andere invalshoek antwoorde Coen Zwol van het NRC Handelsblad: Zo’n stuk kan geen kwaad, en wordt zo nu en dan ook wel gepubliceerd. Wellicht niet vaak genoeg, maar een krant is geen postbus 51; we zijn er niet om positieve of negatieve propaganda te bedrijven voor een bepaalde bevolkingsgroep…. Schizofrenie maakt een gewelddaad wellicht ‘interessanter’, maar dat geldt ook voor andere motieven – als de geweldpleger onder invloed van drugs is of autistisch of gewoon stink jaloers - de lezer wil weten waarom iemand iets gruwelijks doet.  

58  


Ook journalist Frank Beijen van het Leidsch Dagblad vindt niet dat hij diegene is die daar iets aan kan veranderen: Ik ga niet zomaar iets schrijven over schizofrenie. Als er iets belangrijks is gebeurd kan ik daar wel op verder gaan. Als er bijvoorbeeld een nieuw behandelcentrum is voor schizofreniepatiĂŤnten zou ik daar over kunnen schrijven. Hoewel het dan eerder zou gaan over het gebouw en de behandelingen dan over de aandoening in het algemeen. Frank Beijen vindt wel dat er iets gedaan kan worden aan de verdeling positieve/negatieve artikelen over schizofrenie. Hij zegt daarover het volgende: Er kan best wel eens een portret worden gemaakt van een persoon met schizofrenie die positief met de aandoening omgaat. Samenvattend komt het erop neer dat journalisten niet bewust genoeg zijn van de consequenties die de artikelen die zij schrijven met zich meebrengen. Ook zijn de journalisten geneigd de oorzaak of schuld bij een ander neer te leggen en alles te nuanceren. In de interviews bleek al snel dat ze in bepaalde omstandigheden, bereikwillig zijn rekening te houden met bepaalde facetten maar het is moeilijk iets te veranderen aan gebeurtenissen in het dagelijkse leven die zij moeten veslaan of bijvoorbeeld de kenmerken van het nieuwsbericht. Iets is nieuws wanneer het afwijkend is dus ontkom je er niet aan dat er negatieve berichten verschijnen over mensen met schizofrenie wanneer deze afwijken. Het is duidelijk dat journalisten zich bewuster kunnen zijn van de effecten van hun artikelen. Wanneer de meningen worden genuanceerd kan dit uiteindelijk bijdragen aan het verminderen van het negatieve beeld dat de krantenlezer krijgt van de aandoening. Verdere aanbevelingen staan uitgeschreven in de conclusie.

 

59  


Hoofdstuk 6. Conclusie In dit hoofdstuk zal getracht worden de vraagstelling van dit onderzoek zo volledig en helder mogelijk te beantwoorden, namelijk op welke manier wordt de aandoening schizofrenie neergezet in de Nederlandse geschreven berichtgeving en welk beeld krijgt de Nederlandse krantenlezer daardoor van schizofrenie? Ook zullen er uitspraken worden gedaan aan de hand van de opvallendste resultaten. Uit (internationaal) onderzoek is gebleken dat media vaak negatieve beelden en stereotypen genereren, en dat er een relatie is tussen deze berichtgeving en de reactie van de overheid en de politiek op issues in de geestelijke gezondheidszorg. Sommigen geven de schuld aan de media voor het voortbestaan van stigmatisering, anderen menen dat media gebeurtenissen, ontwikkelingen en maatschappelijke reacties ‘registeren’, weer anderen wijzen op de positieve rol van de media bij de achtergrondinformatie over cliënten, patiënten en behandelingen in de geestelijke gezondheidszorg. Hoe zit dat bij de Nederlandse berichtgeving als het gaat om schizofrenie. Om die reden is dit onderzoek gestart en is er gekeken hoe de Nederlandse geschreven berichtgeving rapporteert over deze aandoening. Uit dit onderzoek blijkt dat de gemiddelde krantenlezer regelmatig met de aandoening wordt geconfronteerd. De aandoening komt gemiddeld 4.4 keer per week voor in de vier kranten. De lezer van Het NRC Handelsblad heeft het meeste kunnen lezen over de aandoening. De lezer van het Leidsch Dagblad het minste. Volgens de Boer & Brennecke (2003) spelen de media een belangrijke rol in het bepalen en vormen van onze perceptie van de wereld waarin wij leven. Wanneer de media schizofrenie bewust of onbewust in een negatief daglicht ‘framed’ kan dat van grote invloed zijn op de perceptie die de bevolking heeft van de aandoening. De aandoening wordt in dertien procent van de gevallen genoemd als beeldspraak. De regionale krantenlezer krijgt in vijftien procent van de gevallen te maken met metaforisch gebruikt en de landelijke krantenlezer in slechts negen procent van de gevallen. Deze uitkomst is minder hoog dan in de studie van Duckworth et al. (2003) maar om generaliserende uitspraken te doen als ‘schizofrenie is de nieuwe

 

60  


metaforische ziekte’ moet er vergelijkend onderzoek worden gedaan met bijvoorbeeld het metaforisch gebruik van het woord ‘kanker’ in de Nederlandse berichtgeving. Desalniettemin stimuleert het metaforisch gebruik van schizofrenie verdere stigmatisering van de aandoening (Duckworth et al. 2003). In vergelijking met het onderzoek van Duckworth et al. (2003) waarbij in 28% van de artikelen schizofrenie als beeldspraak werd gebruikt en in het onderzoek van Boke et al. (2007) waar het percentage op bijna 50% ligt gebruiken de Nederlandse kranten minder vaak schizofrenie als beeldspraak. Uit het onderzoek van Boke et al. (2007) is gebleken dat het gebruik van de aandoening als beeldspraak negatieve gevolgen heeft voor de associatie die men heeft met schizofrenie. Dit onderzoek adviseert journalisten hier bewust mee om te gaan en wanneer mogelijk een ander woord te gebruiken om een bepaalde situatie, houding of gedrag te beschrijven. Wanneer zij een persoon interviewen en hij of zij schizofrenie als beeldspraak gebruikt hangt het af van de optiek van de journalist wat hij daarmee doet. Heeft de journalist daarin een registerende of een sturende rol? Daarin verschillen de journalisten van mening blijkt uit de verschillende interviews gehouden voor dit onderzoek. De Nederlandse krantenlezer zal door het metaforische gebruik te minimaliseren mogelijk positiever tegenover de aandoening staan en verdere stigmatisering wordt voorkomen. Uit onderzoek van onder andere Lee (2002) is gebleken dat het vermelden van de aandoening in de populaire cultuur het taboe kan doorbreken. Uit dit onderzoek is gebleken dat in negen van de 106 artikelen een verband wordt gelegd met de populaire cultuur. In één artikel wordt er specifiek verwezen naar een personage in de film Black Swan waarin zij letterlijk een dubbele persoonlijkheid heeft. Dit artikel kan bijdragen aan een bekend stigma van schizofrenie, namelijk dat mensen met schizofrenie meerdere persoonlijkheden hebben (Rosenstock, 2003). De overige artikelen waarin de aandoening wordt gekoppeld aan de populaire media kunnen het taboe wellicht doorbreken en het onderwerp bespreekbaar maken. Slechts vier van de 40 artikelen waarbij de aandoening zijdelings wordt genoemd hebben te maken met een geweldsincident. Wat deze categorie betreft is dit een positieve uitkomst. Volgens het onderzoek van Nawkova et al. (2011) blijkt in een groot deel van de artikelen een direct verband te bestaan tussen de aandoening en agressief gedrag. Zij concluderen dat het beeld dat de media uitdraagt de attitude  

61  


jegens schizofrenie negatief beïnvloed. In eerste instantie blijkt uit dit onderzoek dat er geen sprake is van een duidelijk verband tussen agressie en schizofrenie. Wat vervolgens opvallend is, is dat in 23 artikelen waarbij er zichtbaar woorden zijn gerelateerd aan de aandoening in twaalf artikelen deze woorden negatief van aard zijn. In geen enkel artikel stonden positieve of opbouwende woorden in relatie tot het vermelden van de aandoening. Hiermee schetsen de zijdelingse artikelen toch een negatief beeld van de aandoening aangezien de krantenlezer geen enkele keer een positieve associatie met de aandoening krijgt. In 49% van alle artikelen staat de aandoening of een persoon met schizofrenie centraal. Dit betekent dat de lezer duidelijk te maken krijgt met de aandoening en deze artikelen zijn daarmee als specifiek gecodeerd. Deze artikelen hebben daarom ook de meeste invloed op de beeldvorming van de aandoening. De Nederlandse krantenlezer leest relatief het meest over schizofrenie in nieuwsberichten (50%). De aandoening komt veel minder vaak voor in achtergrondverhalen en interviews. Een van de kenmerken van een nieuwsbericht is dat zij meestal niet de ruimte bieden aan de journalist om uitgebreid in te gaan op het onderwerp met als gevolg dat er geen achtergrond of aanvullende informatie wordt gegeven over de aandoening. In dit onderzoek geven 35% van de artikelen achtergrond en/of aanvullende informatie over de aandoening. Dit betekent dat 65% van de artikelen gecodeerd als specifiek dat niet doen. Henson et al. (2010) benadrukken in hun onderzoek het belang van uitgebreide informatie over psychische aandoeningen in nieuwsberichten. Dit is noodzakelijk om negatieve beeldvorming te voorkomen. Volgens onderzoek van de Goei, Plooy en Weeghel (2006) is een effectieve strategie om stigma te voorkomen de combinatie van contact en voorlichting in artikelen waar mensen met schizofrenie zelf aan het woord worden gelaten. Dergelijke voorlichting werkt het beste wanneer zij gericht is op specifieke informatie voor specifieke doelgroepen (de Goei, Plooy & Weeghel, 2006). In artikelen waar er ruimte voor is zou de journalist een aantal feiten op een rij kunnen zetten over de symptomen of behandelmogelijkheden. Ook kan een journalist ervoor kiezen bijvoorbeeld een link van een internetwebsite te plaatsen onderaan het artikel waar meer informatie over de aandoening op te vinden is. Of bijvoorbeeld een link naar een gerelateerd artikel over schizofrenie wat wel positief van aard is. Journalist  

62  


Hein van Dooren benoemd een aantal keer tijdens zijn interview dat het Eindhovens Dagblad meerdere opbouwende achtergrondartikelen heeft gepubliceerd over de schizofrenie. Deze zouden dan bijvoorbeeld nogmaals genoemd of aangehaald kunnen worden in het meest recente artikel. Dit kan leiden tot een vollediger beeld. Ook zou de journalist ervoor kunnen kiezen een aantal feiten over schizofrenie erbij te vermelden in een klein kader. Volgens Boke et al. (2007) en Wolff, Pathara en Craig (1996) kan het vermelden van menselijke eigenschappen bijdragen aan een positiever beeld van mensen met schizofrenie. Uit dit onderzoek blijkt dat dit gebeurt in 78% van de artikelen. Wanneer dit gebeurt blijken het echter in 89% van de gevallen te gaan om negatieve eigenschappen als agressief en onvoorspelbaar of negatieve hobby’s als het spelen van gewelddadige videogames en lid zijn van een schietvereniging. Hiermee verdwijnt het positieve effect van het vermelden van achtergrond informatie over de persoon en is het beeld dat de Nederlandse krantenlezer over mensen met schizofrenie krijgt bij het lezen van specifieke berichten in dit opzicht negatief en ‘onmenselijk’. Mensen met schizofrenie kunnen aanmerkelijk herstellen en zijn in staat een zinvol en vruchtbaar leven te leiden. Zelfs meer dan vijftien procent herstelt volledig en de resterende 85% laat een heel divers beeld zien (van Kerkhoff, 2009). Schizofrenie is in een bepaald opzicht niet volledig te genezen omdat de kwetsbaarheid blijft bestaan maar de aandoening kan wel goed behandeld worden (Byrne, 2001). Uit dit onderzoek wordt slechts in zes procent van de artikelen iets geschreven over personen met schizofrenie die redelijk tot goed zijn herstelt en daarom normaal kunnen functioneren in de maatschappij. In meer dan de helft van de artikelen wordt benadrukt dat de persoon met schizofrenie in een psychiatrische instelling zit en ontoerekeningsvatbaar is. De Nederlandse krantenlezer krijgt daarom niet het idee dat schizofrenie een behandelbare ziekte is waarbij mensen goed kunnen herstellen. Zoals al eerder in de conclusie aangehaald blijkt uit het onderzoek van Nawkova et al. (2011) dat een groot deel van de krantenberichten duiden op een direct verband tussen de aandoening en agressief gedrag. Uit het onderzoek van Lee (2002) blijkt dat ondanks het feit dat het tegendeel wetenschappelijk is bewezen, mensen met psychische  

aandoeningen

(waaronder

schizofrenie)

onberekenbare

tikkende 63  


tijdbommen zijn die elk moment kunnen exploderen. In dit onderzoek hebben 60% van alle specifieke artikelen te maken met een geweldsincident of een gevolg daarop. Het aantal artikelen waarin een geweldsincident centraal staat is in verhouding hoog. Daarmee is het beeld dat deze artikelen uitdragen van mensen met schizofrenie, net zoals in de onderzoeken van Nawkova et al. (2011) en Lee (2002), dat zij agressief en gevaarlijk zijn. Om dit beeld te ‘verzachten’ zouden journalisten actief op zoek kunnen gaan naar aanleidingen om bijvoorbeeld een achtergrondverhaal te schrijven over mensen met schizofrenie die wel normaal kunnen functioneren in de maatschappij en geen gevaar zijn voor zichzelf of hun omgeving. De vraag blijft of de-stigmatisering in de praktijk überhaupt mogelijk is. Zoals de journalisten in de verschillende interviews laten blijken zijn zij gebonden aan de regels die het nieuws, de media en hun artikelen met zich meebrengen. 46% van de artikelen die gaan over een geweldsincident hebben te maken met Tristan van der Vlis (38%) of Anders Breivik (acht procent). Dit zijn gevaarlijke personen en het is daarom niet meer dan logisch dat er negatief over wordt bericht. Het gaat echter om de verhouding van die artikelen die tegenover andere neutrale of positieve artikelen staan. Dit onderzoek benadrukt dat journalisten zeker niet volledige verantwoordelijk zijn voor een negatief beeld van de aandoening. Coen van Zwol van het NRC Handelsblad merkt terecht op: Als iemand een huis in brand steekt omdat stemmen hem daartoe aanzetten, zou je ook een bericht in de krant moeten zetten over een schizofreen die vrijwilliger is op een kinderboerderij? Dacht ik niet. Wij zijn ervoor om nieuws te melden: dat er een huis is afgebrand namelijk. Aan gebeurtenissen waarin personen met schizofrenie verantwoordelijk zijn kan niet veel aan veranderd worden. Althans dat ligt niet bij de media of de journalisten. Maar zij kunnen zich wel bewust worden van de consequenties en daarmee worden aangespoord volledigere en juiste informatie te verstrekken over schizofrenie of het onderwerp vanuit een ander perspectief benaderen.

 

64  


Van te voren werd aangenomen dat het Leidsch Dagblad met een hogere frequentie artikelen over schizofrenie zou publiceren dan de andere drie dagbladen. Aangezien zij in dezelfde regio als de Alphen aan den Rijn schietingen zitten. Dit bleek niet het geval. Als verklaring geeft journalist Frank Beijen van het Leidsch Dagblad daarop: Veel artikelen die wij hebben gepubliceerd van Tristan van der Vlis zijn ook in andere kranten verschenen. Ik heb geen significante toename gezien in het aantal berichten over de aandoening schizofrenie na het voorval. Wat je wel ziet is dat er een soort van mediahype ontstaat; net zoals bij de snelwegschutter; wanneer iemand over één sterretje in een autoruit bericht gebeurt dit vervolgens nog een keer en heeft plotseling iedereen een sterretje in z’n ruit. Net zoals met Tristan van de Vlis, wanneer enge toestanden met personen met schizofrenie leiden weer tot meer enge toestanden. Uit dit onderzoek blijkt dat journalisten veruit het vaakst gebruik maken van subjectieve woordkeuzes. Dat gebeurt in bijna de helft van de artikelen (43%). Uit de interviews met journalisten blijkt dat zij zich hier wel bewust van zijn maar niet altijd de schadelijke effecten ervan inzien. Niet alle resultaten en kenmerken zijn zo schadelijk als ze in eerste instantie lijken. Subjectieve woordkeuzes zijn bijvoorbeeld interpretatief. Zoals journalist Peter Scholtes terecht opmerkte: ‘Jan Klaassen heeft schizofrenie of Jan Klaassen is schizofreen. In die gevallen is het niet als subjectief gebruikt maar als feit’. Ook is een journalist gebonden aan de ‘regels’ van het nieuws. Zoals Kussendrager en van der Lugt (2007) beschreven moet iets wat nieuwswaardig is voldoen aan een aantal criteria, onder andere conflict en afwijkend. Het is voor een journalist moeilijk over een persoon met schizofrenie te schrijven wanneer daar geen aanleiding voor is. Gebaseerd op de codering van Henson et al. (2010) is het algemene beeld dat de krantenlezer van de artikelen krijgt grotendeels negatief (75%). Dit tegenover acht procent positief en dertien procent neutraal. Daarmee zou gesteld kunnen worden dat het beeld dat de Nederlandse krantenlezers krijgen van schizofrenie negatief is en bekende stigma’s als gevaarlijk, onvoorspelbaar en onbekwaam verder in de hand werken. Net zoals in het onderzoek van Rukavina et al. (2010) wordt duidelijk dat de media vandaag de dag, bewust of onbewust bijdragen aan verdere stigmatisering  

65  


mensen met schizofrenie. Het is belangrijk daarbij op te merken dat de media niet volledig verantwoordelijk zijn voor het beeld dat er wordt geschept. Daarbij moet worden opgemerkt dat het vrijwel onmogelijk is volledig ‘stigma-vrij’ over een aandoening te schrijven wanneer de feiten zich zou eenmaal zo voordoen. In veel gevallen heeft de media en haar journalisten slechts een registrerende rol. De media kan juist ook een potentieel kanaal zijn om heersende stigma’s te genezen (Lee, 2002). Wel zouden bepaalde effecten beperkt kunnen worden door bijvoorbeeld geen gebruik te maken van schizofrenie als beeldspraak, subjectieve woordkeuzes of door het verschaffen van juiste achtergrond informatie. Tot slot zouden journalisten zich vaker kunnen concentreren op positieve verhalen van mensen met schizofrenie met een nieuwswaardig gehalte. Bovengenoemde resultaten moeten in perspectief worden geplaatst. Het is moeilijk met de vinger de wijzen naar de schuldige als het gaat om stigmatisering van de aandoening schizofrenie en vaak spelen meerdere factoren een rol. De media vormen een filter van de realiteit. Van journalisten wordt verwacht dat zij gebeurtenissen in context plaatsen en een realistisch beeld van de werkelijkheid geven. Uit de interviews kwam duidelijk naar voren dat journalisten vinden dat niet zij maar de aandoening an sich en mensen als Tristan van der Vlis verantwoordelijk zijn voor het negatieve beeld dat mensen hebben van schizofrenie. Wel kan worden gezegd dat het beeld wat de Nederlandse krantenlezer krijgt van de aandoening, wanneer hier heel kritisch naar wordt gekeken niet representatief is voor de werkelijkheid en kan bijdragen aan verdere stigmatisering van de aandoening. Wanneer journalisten zich bewust zijn van de feiten kunnen zij hiermee rekening houden in hun artikelen. Het is belangrijk bewustzijn te creëren en daarmee samen aan een positiever beeld van de psychische aandoening schizofrenie te werken.

 

66  


Hoofdstuk 7. Discussie In deze paragraaf zullen een aantal punten ter discussie worden gesteld. Wat zijn de zwakke punten van dit onderzoek? Daarnaast zullen suggesties voor vervolg onderzoek worden gedaan. Ten eerste zou het interessant zijn dit onderzoek ook te betrekken op audiovisuele media om zo een algemeen beeld te krijgen van schizofrenie in de Nederlandse media. Ook zou het van waarde kunnen zijn meerdere kranten voor langere tijd te analyseren. Zo zou bijvoorbeeld beter onderzocht kunnen worden hoe het zit met het metaforisch gebruik van de aandoening. Ook zou dit onderzoek zich kunnen uitbreiden door andere beroepsgroepen erbij te betrekken als psychiaters, psychologen en andere specialisten. Volgens onderzoek van Satorius (1999) worden mensen met schizofrenie sneller opgevangen in een dorp doordat het sociale netwerk als controleorgaan fungeert. Een toenemende mate van urbanisatie van de maatschappij is volgens hem een reden voor de toenemende intolerantie tegenover de aandoening. Voor vervolg onderzoek kan het interessant zijn kranten te analyseren uit enerzijds dorpen en anderzijds grote steden. Zit hier een verschil in het beeld dat deze kranten uitdragen? Dan wat betreft de inhoudsanalyse van dit onderzoek; er is in dit onderzoek getracht de artikelen zo objectief mogelijk te analyseren. Sommige artikelen waren moeilijker te coderen. Het was lastig te bepalen of ze onder de zijdelingse of specifieke categorie vielen. Wat dan doorslaggevend was, was wat de lezer te weten zou komen over de aandoening bij het lezen van het artikel. Toch is het niet 100% uit te sluiten dat een andere onderzoeker exact de juiste keuze zou maken bij deze twijfel gevallen. Nadat de resultaten bekend waren, zijn deze voorgelegd aan een aantal journalisten uit verschillende dagbladen. Namelijk het Eindhovens Dagblad, het Leidsch Dagblad en het NRC Handelsblad. Vanuit de Telegraaf kwam geen respons. De algehele respons was relatief laag en daarmee hebben maar vier journalisten kunnen reflecteren op de resultaten. Voor een vervolg onderzoek is aan te raden het aantal te verhogen zodat er

 

67  


generaliserende uitspraken over kunnen worden gedaan. De interviews zijn per email verstuurd. Het zou kunnen dat de antwoorden daardoor ook beïnvloed zijn. Wanneer een telefonisch interview plaat vindt kunnen bepaalde vragen verder worden toegelicht of aangescherpt met feiten. Ik krijg het idee dat sommige journalisten genuanceerder zouden antwoorden en daarmee meer begrip zouden tonen wanneer zij de informatie over de stigmatiserende werking van de media direct zouden krijgen. Dit zou ook een aanbeveling zijn voor vervolg onderzoek. Zoals al even genoemd in de conclusie moeten sommige constateringen en aanbevelingen van dit onderzoek worden genuanceerd. Een van de journalisten die is geïnterviewd merkt terecht het volgende op: Als het gaat om de persoon zou ik niet schrijven, de schizofrene Jan Klaassen of Jan Klaassen is een schizofreen. Wel: Jan Klaassen heeft schizofrenie of Jan Klaasen is schizofreen. In die gevallen is het niet als subjectief gebruikt maar als feit. In principe heeft hij gelijk. In dit onderzoek is alleen gekeken naar het type woord maar niet in welke context het ‘subjectieve’ woord is gebruikt. Ook is er niet gekeken naar vervangende subjectieve woorden als ‘de gek’, ‘gestoorde’ of andere scheldnamen. In een volgend onderzoek zou het interessant zijn dit element nader te onderzoeken. Dit onderzoek heeft gekeken naar de frequentie waarmee de aandoening werd gekoppeld aan de populaire cultuur. Het gaat hierbij om artikelen die gaan over een film, een boek of een bekend persoon die te maken heeft met schizofrenie. Voor vervolg onderzoek zou het interessant kunnen zijn hier dieper op in te gaan. Dus voor langere tijd populaire media als films, boeken en muziek te analyseren en te kijken hoe de aandoening daarin voor komt. In het begrip ‘schizofrenie’ kan al een stigma verborgen liggen. Volgens hoogleraar psychiatrie Jim van Os (Universiteit Maastricht) moet het stigma van de medische diagnose worden aangepakt. Het grootste bezwaar wat hij tegen het begrip heeft is dat het elke wetenschappelijke basis ontbeert. ‘Dat rare Griekse begrip suggereert dat schizofrenie een echte hersenziekte is die als zodanig in de natuur voorkomt. Maar

 

68  


niets is minder waar. Daarbij strookt het doemscenario dat de meeste schizofreniepatiënten bij hun diagnose voorgeschoteld krijgen, niet met de lang termijn onderzoeken. Sowieso hersteld rond de 15% van de patiënten compleet en de resterende 85% laat een heel divers beeld zien.’ Het zou interessant kunnen zijn voor vervolg onderzoek de werking van het begrip schizofrenie te onderzoeken en in welke mate het veranderen van de term zou bijdragen aan een positiever beeld van de aandoening. Dit onderzoek heeft hopelijk duidelijkheid kunnen verschaffen over het beeld wat de Nederlandse geschreven media uitdraagt naar haar lezers. Conclusies zijn er om te worden aangevochten. De wetenschappelijke kennis over stigma door de media is nog verre van compleet. Er is nog veel onderzoek noodzakelijk, net name op het gebied van effectieve anti-stigma strategieën (de Goei, Plooy & Weeghel, 2006) en richtlijnen voor journalisten, redacteuren en andere schrijvers hoe zij het beste kunnen omgaan met het onderwerp. Toch hoop ik met dit overzicht ondersteuning en duidelijkheid te kunnen bieden aan mensen die in de toekomst artikelen over schizofrenie willen of gaan schrijven voor de media.

 

69  


Er is slechts één verschil tussen de gek en mij. De gek denkt dat hij bij zijn verstand is. Ik weet dat ik gek ben. Salvador Dalí

 

70  


Literatuurlijst Arnold, J. & Weinerth, N. (2001). Challenging Stereotypes. An action Guide. U.S Department of health and human services. www.samhsa.gov. Akdede, B.B.K., Alptekin, K., Topkaya, S.O., Belkiz, B., Nazli E., Ozsin, E., Piri, O., Sarac, E. (2004). The rank of stigma of schizophrenia among young people. Yeni Symposium, vol. 42,113-117. Angermeyer M., Beck, M., Matschinger, H. (2003). Determinants of the Public Preference for Social Distance from People with Schizophrenia. Canadian Journal of Psychiatry, vol. 48(10), 663-8. Barrowclough, C., Tarrier, N., Watts, S., Vaughn, C., Bamrah, J.S., Freeman, H.L. (1987). Assessing the functional value of relatives knowlegde about schizophrenia: A preliminary report. British Journal of Psychiatry, vol 151, 1-8. Belleghem, S. Van (2004). Gewoon meedoen aan de maatschappij. Hoe gaan mensen met schizofrenie om met stigmatisering. Een kwalitatief onderzoek (Doctoraal Vrije Universiteit) Amsterdam. Boer, C. De & Brennecke, S. (2003). Media en publiek: theorieën over media-impact. Boom Lemma Uitgevers, Den Haag. Boke, O., Aker, S., Alptekin, A., Sarisoy, G., Sahin Rifat, A. (2007) Schizophrenia in Turkish newspapers. Retrospective scanning study. Social Psychiatry Psy Epidemiologic, vol. 42, 457-461. Boumans, J., Oderwald, A. (2009). De waan van de dag. Een beschouwing over de beeldvorming van psychiatrische patiënten in televisiebeelden. MGv. Breemer, A., van den (2010). Schietincidenten in de Bijlmer: een inhoudsanalyse naar stereotypering (Scriptie Duale Master Journalistiek en Media) Amsterdam. Byrne, P. (2001). Psychiatric Stigma. The British Journal of Psychiatry. Vol, 178, 281-284.

 

71  


Catthoor, L., de Hert, M., Peuskens. (2003) Stigma bij schizofrenie. Een literatuuroverzicht. Tijdschrift voor psychiatrie, vol. 45, 87-96. Denscombe, M. (2007). The Good Research Guide; for small-scale social research projects. Open University Press, Buckingham, Philadelphia. Duckworth, K., Halpern J., Schutt R., Gillespie C. (2003). Use of Schizophrenia as a Metaphor in U.S. Newspaper. Psychiatric Services, vol. 54,1402-1404. Francis C., Pirkis, J, Warwich Blood R., Dunt D., Burgess P., Morley B., Steward, A., Putnis P. (2004). The portrayal of mental health and illness in Australian non-fiction media. Australian and New Zealand Journal of Psychiatry, vol. 38, 541-546. Gerbner, G. (1993). “Images that Hurt: Mental Illness in the Mass Media.” The Journal of the California Alliance for the Mentally ill, vol. 4.1, 17-20. Goei, de L., Plooy A., Weeghel van, J. (2006). Ben ik goed in beeld? Handreiking voor de bestrijding van stigma en discriminatie wegens een psychische handicap. Goffman, E. (1963). Stigma: Notes on the management of spoiled identity. Simon & Schuster Inc; New York, America. Grinfeld, M, J. (1998). Psychatry and metal illness: Are they mass media targets? Psychiatric Times, vol. 15(3). http://www.psychatrictimes.com. Hannigan, B. (1999). Mental health care in the community: An analysis of contemporary public attitudes towards, and public representations of, mental illness. Journal of Mental Health, vol. 8, 431-440. Hayward, P. & Bright, J.A. (1997). Stigma and mental illness: A review and critique. Journal of Mental Health, vol. 6, 345-354. Henson, C., Chapman, S., Mcloed, L., Johnson, N., McGeechan, K. & Hickie, I. (2009). More us than them: positive depictions of mental illness on Australian television news. Australian and New Zealand Journal of Psychiatry, vol. 43, 554-560.

 

72  


Hüttner, H., Rechkstorf, K., Wester, F. (2001). Onderzoekstypen in de communicatiewetenschap. Kluwer. Kerkhof, van M. (2009). Adieu Schizofrenie. Schizofrenie is wetenschappelijk onhoudbaar. PSY, #11. Kerlinger, F.N. (1986). Foundations of Behavioral Research. New York: Holt, Rinehart & Winston. Kussendrager, N., van der Lugt, D. (2007) Basisboek Journalistiek; achtergronden, genres, vaardigheden. Wolters-Noordhoff, Groningen. Lee, S. (2002). The stigma of Schizophrenia: a transcultural problem. Current Opinion in Psychiatry, vol. 15, 37-41. Lexicon; International Media Guide for Mental Health. (2008). www.forum4 mentalhealth.com/lexicon. Link, B., Cullen, F., Struening, E. & Shrout, P. (1989). A modified labeling theory approach to mental disorders: An empirical assessment. American Sociological Review. Vol. 54, 400423. Monahan, J. (1992). Mental disorder and violent behaviour. Perceptions and evidence. American Psychologist, vol. 47, 511-521. Nawková, L., Nawka, A., Adámková, T., Rukavina, T., Holcnerová, P., Kuzman, M., Jovanović, N., Brborović, O., Bednárová, B., Žuchova, S., Miovský, M., Raboch, J. (2011) The picture of Mental Health/Illness in the printed medfia in three central European countries. Journal of Health Communication, vol. 0, 1-19. Nugter, M.A., Dijker, A.J., (2004). Stigmatisering in de wijk. Cognitieve en emotionele determinanten van stigmatisering van psychiatrische patiënten. Maandblad Geestelijke Volksgezondheid. Ono, Y., Satsumi, Y., Kim, Y., e.a. (1999). Schizophrenia: is it time to replace the term? Psychiatry and clinical Neurosciences, vol. 53, 335-341.

 

73  


Penn, D., Guyman, K., Daily, T., William, D., Spaulding, C., Garbin, P., Sullivan, M. (1994). Dispelling the stigma of schizophrenia: what sot of information is best? Oxford Journals, vol. 20(3), 567-578. Pleijter, A.J.R. (2007). Typen en logica van kwalitatieve inhoudsanalyse in de communicatiewetesncahp. Proefschrift, Radbout Universiteit Nijmegen. Rosenstock, J. (2003). Beyond a Beautiful Mind: Film choices for teaching schizophrenia. Academic Psychiatry, vol. 27(2), 117-122. Rukavina, T., Nawka, A., Brborović, O., Jovanivić, N., Kuzman, M., Nawkovà, L., Bednárová, B., Žuchová, S., Hrodková, M., Lattová, Z. (2011). Development of the PICMIN (picture of mental illness in newspapers): instrument to assess mental illness stigma in print media. Soc Psychiatry Psychiatr Epidemiol. Sartorius, N. (1999). Waarom ten strijde trekken tegen de stigmatisatie van schizofrenie. In J. Peuskens & M. De Clercq (Red.), Schizofrene. Gent: Academia Press. 63-67. Scheff, T. (1966). Being Mentally Ill: A Sociological Theory. Chicago: Aldine. Swaab, D. (2011). Wij zijn ons brein. Van baarmoeder tot alzheimer. Amsterdam: Uitgeverij Contact. Vonk, R., Westering, v.d. B. & Niermeyer, N. (1998). De erfelijkheid van psychiatrische aandoenignen. Recente ontwikkelingen deel II: bevindingen bij schizofrenie, stemmingsstoornissen en de ziekte vna Alzheimer. Tijdschrift voor psychiatrie, vol. 40, 8294. VVGG & Similes, (2000). Tips voor journalisten in verband met de berichtgeving over psychisch ziek zijn. EPO. Wolff, G., Pathara, S., Craig, T. (1996). Community knowledge of mental illness and reaction to mentally ill people. British Journal of Psychiatry, vol. 168, 191-198.  

 

74  


Bijlage 1; waarnemingsinstrument 1. Identificeerbare Categorie (Voor het rangschikken van de artikelen) 1. Naam Krant 2. Kop van het artikel 3. Datum publicatie 4. Katern (indien van toepassing) 5. Aantal woorden 6. Auteur (indien van toepassing) 2. Analytische Categorie (Analyse van de inhoud van de artikelen) Binnen welk van de 3 algemene type berichten valt het artikel? 

Metaforisch; gebruik van de term schizofrenie, of een variant daarvan als beeldspraak. Vaak doelend op het gebruik als metafoor voor gespleten persoonlijkheid.

Zijdelings; wanneer schizofrenie alleen maar als aandoening wordt genoemd in het artikel. VB. Schizofrenie staat in opsommingsrijtje naast andere psychische ziektes of wordt enkel genoemd ter illustratie van een bepaald voorbeeld.

Specifiek; kijkend naar de betekenis van het woord in het artikel. De psychische aandoening is de aanleiding voor het schrijven van het artikel of is van toevoegende waarde op de inhoud van het artikel. Dit kan ook het geval zijn wanneer de aandoening slechts in een alinea van het artikel wordt genoemd. Wanneer meerdere alinea’s over de aandoening gaan is het artikel ook als specifiek te categoriseren.

Vragen voor Type Artikel A; metaforisch 1) Wat is de vorm van het artikel? a. Nieuwsbericht b. Achtergrondverhaal/Reportage c. Interview d. Recensie/Column/Opinie e. Overige

 

75  


2) Is het woord gebruikt door de schrijver van de tekst? a. Ja (ga naar vraag 2A en sla 3A over) b. Nee (ga door met vraag 3A) 3) Welk beroep beoefent de schrijver van de tekst? a. Schrijver/Journalist b. Wetenschapper/onderzoeker c. Artiest/bekend persoon d. Politicus e. Patiënt en/of familielid f.

Overige

4) Wie gebruikt het metafoor in het artikel? a. Een andere schrijver/journalist b. Wetenschapper/onderzoeker c. Artiest (Bekend persoon) d. Politicus e. Patiënt en/of familielid f.

Overige

5) Welke vorm van het woord schizofrenie wordt gebruikt in de tekst? a. Enkel objectieve woordkeuzes (zoals de persoon met schizofrenie/aandoening, schizofrenie) b. Subjectieve woordkeuze. Namelijk: i. Schizofreen ii. Schizo iii. Schizofrene iv. Overige 6) Is er een link naar de populaire cultuur? Hieronder vallen grofweg popmuziek, film en televisieamusement. Maar een populair boek kan ook. a. Ja namelijk: i. Een film ii. Een boek iii. Muziek iv. Een bekend persoon v. Overige b. Nee, er is geen link naar de populaire cultuur

 

76  


7) Waar refereert het metafoor naar in de tekst? a. Situatie b. Gebeurtenis c. Houding d. Gedrag e. Een object f.

Overige

8) Op welke betekenis slaat het metafoor terug? a. Op de ‘gespletenheid’ van de aandoening b. Overige Vragen voor Type Artikel B; zijdelings 1. Van  wat  voor  type  artikel  is  er  sprake?   a. Nieuwsbericht   b. Achtergrondverhaal/reportage   c.

Interview  

d. Recensie,  column  of  opinie   e. Overige     2. Door  wie  wordt  de  term  zijdelings  aangehaald?   a. Journalist   b. Een  auteur   c.

Persoon,  personen  met  schizofrenie  

d. Familielid  of  vriend  van  de  patiënt   e. Wetenschapper  of  onderzoeker   f.

Politie,  rechter  of  advocaat  

g. Politicus   h. Overige     3. Welke  vorm  van  het  woord  schizofrenie  wordt  gebruikt  in  het  artikel?   a. Enkel  objectieve  woordkeuzes  (persoon  met  schizofrenie,  schizofrenie)   b. Subjectieve  woordkeuzes.  Namelijk:   i. Schizofreen  

 

77  


ii. Schizofrene(n)   iii. Overige     4. Hoe  wordt  schizofrenie  in  context  geplaats  in  het  artikel?   a. Als  opsomming  tussen  andere  psychologische  ziektes   b. Als  psychische  aandoening  van  een  patiënt(en)   c.

Als  oorzaak  van  bepaalde  kenmerken  en  eigenschappen  

d. De  aandoening  wordt  als  voorbeeld  gebruikt   e. Overige     5. Beschrijft  het  artikel  ene  geweldsincident  of  een  gevolg  daarop?   a. Ja,  het  artikel  beschrijft  een  geweldsincident  of  een  gevolgd  daarop   b. Nee,  het  artikel  heeft  niets  te  maken  met  een  geweldsincident   99.  Niet  van  toepassing     6. Is  er  een  link  naar  de  populaire  cultuur?  Hieronder  vallen  grofweg  popmuziek,   film,  boeken  en  televisieamusement.   a. Ja  namelijk:   i. Een  film   ii. Een  boek  (geen  wetenschappelijke  boeken)   iii. Muziek   iv. Een  bekend  persoon   7. Welke  woorden    staan  in  dezelfde  zin  of  zijn  gerelateerd  aan  de  aandoening  in   het  artikel?   a. Negatieve  woorden;  moord,  geweld,  dood,  agressief,  wapens   b. Positieve  woorden;  herstel,  sociale  omgang,  verbetering   c.

Neutrale  woorden;  wetenschappelijke  termen  

99.  Niet  van  toepassing  

Vragen voor Type Artikel C; specifiek

  1) Wat is de vorm van het artikel? a. Nieuwsbericht b. Achtergrondverhaal, reportage c. Interview

 

78  


d. Recensie, column of opinie e. Overige 2) Binnen welk van onderstaande terreinen kan het artikel geplaatst worden? a. Sociale structuur, samenleving b. Politiek c. Economie d. Wetenschap en onderzoek e. Zorgsector f.

Cultuur en media

g. Justitie 3) Wat is de hoofdzakelijke aanleiding van het artikel? Meerdere antwoorden mogelijk: a. De aandoening schizofrenie in het algemeen b. Een geweldsincident of een vervolg op een geweldsincident c. Het gedrag of de omstandigheden van een persoon of personen met schizofrenie d. Resultaten/uitkomsten van een onderzoek of rapport e. Uitspraken van een instelling, psychiater of andere specialist f.

Overige

4) Wie doet in het artikel uitspraken over schizofrenie? Meerdere antwoorden mogelijk: a. Een persoon/personen met schizofrenie b. Familielid of vriend van persoon met schizofrenie c. Psycholoog, psychiater of andere specialist d. Wetenschapper of onderzoeker e. Politie, rechter, advocaat f.

Politicus

g. Journalist h. Overige 5) Is er een link naar populaire cultuur? Hieronder vallen grofweg popmuziek, film en televisieamusement en populaire boeken. a. Ja, namelijk: i. Een film ii. Een boek iii. Muziek

 

79  


iv. Een bekend persoon v. Overige b. Nee

Wanneer de indirecte of directe aanleiding van het artikel een geweldsincident is beantwoord de vragen 7 t/m 10. Wanneer dit niet het geval is kunnen de vragen met ‘niet van toepassing [99] worden beantwoord. 6) Is de aanleiding van het artikel een direct geweldsincident of is het artikel een vervolg op een reeds gebeurd geweldsincident? a. De aanleiding is een direct geweldsincident b. Het artikel is een vervolgartikel op een eerder gebeurd geweldsincident 99. Niet van toepassing 7) Refereert het artikel naar een relatief bekend geweldincident? a. Ja namelijk: i. De Alphen aan den Rijn schietingen ii. Anders Breivik in Utoyga en Oslo b. Nee, naar een relatief onbekend geweldincident 99. Niet van toepassing 8) Welke rol neemt de persoon (personen met schizofrenie aan met betrekking tot agressie? a. Persoon is oorzaak van geweld b. Persoon is slachtoffer van geweld c. Zowel antwoord A als B d. Persoon heeft niets te maken met het geweld e. Persoon is schuldig aan psychisch geweld 99. Niet van toepassing 9) Welk van onderstaande vormen van agressie heeft betrekking op de actie van de persoon met schizofrenie? Meerdere antwoorden mogelijk: a. Zelfmoord b. Poging tot zelfmoord c. Moord d. Geweld tot een ander persoon

 

80  


e. Agressie jegens een instantie of object f.

Seksueel misbruik

g. De persoon met schizofrenie is slachtoffer van geweld/moord h. Stalken, uitschelden, bedreigen of intimideren 99. Niet van toepassing

10) Wordt een specifieke vorm van schizofrenie in het artikel genoemd? a. Ja, namelijk: i. Katatone schizofrenie ii. Gedesorganiseerde schizofrenie iii. Paranoïde schizofrenie iv. Schizofrene resttoestand v. Chronische schizofrenie b. Nee 11) Welke vorm of vormen van het woord schizofrenie worden gebruikt in het artikel? Meerdere antwoorden mogelijk: a. Enkel objectieve woordkeuzes (persoon met schizofrenie/schizofrenie/schizofreniepatiënt) b. Subjectieve woordkeuzes: i. Schizofreen ii. Schizo iii. Schizofrene(n) iv. Overige 12) Wordt er juiste achtergrond en/of aanvullende informatie over de aandoening in het artikel gegeven? Meerdere antwoorden mogelijk: a. Ja, namelijk over: i. De geschiedenis van de aandoening ii. Symptomen en kenmerken van de aandoening iii. Behandelmethodes iv. Informatie of gegevens van hulpdiensten en/of instanties uit de geestelijke gezondheidszorg v. Overige b. Nee, er wordt geen achtergrond en/of aanvullend informatie over de aandoening gegeven

 

81  


c. Nee, er wordt feitelijke onjuiste achtergrond en/of aanvullende informatie over de aandoening gegeven 13) Wordt er aanvullende informatie gegeven over de persoon met schizofrenie? Meerdere antwoorden mogelijk: a. Ja namelijk: i. Karaktereigenschappen [positief of negatief] ii. Interpersoonlijke relaties iii. Hobby’s en bezigheden [positief of negatief] iv. Drugsverslaving, psychotische toestand of depressies v. Overige b. Nee 99. Niet van toepassing [wanneer een persoon geen rol speelt in het artikel]

14) Wordt er in het artikel iets geschreven over het functioneren van de persoon of personen met schizofrenie? a. Ja, namelijk: i. De persoon zit of moet naar een psychiatrische instelling ii. De persoon krijgt aanvullende zorg maar kan redelijk zelfstandig functioneren iii. De persoon kan weer volledig zelfstandig functioneren iv. De persoon is ontoerekeningsvatbaar v. De persoon gaat positief om met de aandoening vi. De persoon is agressief en onvoorspelbaar b. Nee 99. Niet van toepassing [wanneer een persoon geen rol speelt in het artikel] * Met positieve karaktereigenschappen worden kenmerken bedoeld die niet gewelddadig zijn of daarmee in relatie staan; geduldig, zorgzaam, aandachtig e.d. Met negatieve karaktereigenschappen worden gewelddadige karaktereigenschappen genoemd; agressief, kort lontje, onvoorspelbaar e.d. Hetzelfde geldt voor de hobby’s en bezigheden. Met negatieve hobby’s wordt gedoeld op schieten, het spelen van insinuerende videogames e.d. 15) Wordt er iets geschreven over het herstel of mogelijke behandelingen van schizofrenie? Meerdere antwoorden mogelijk: a. Ja namelijk:

 

82  


i. De persoon met schizofrenie kan nooit meer zelfstandig leven ii. Het type behandeling wordt in het artikel genoemd iii. De persoon met schizofrenie is redelijk herstelt iv. De persoon met schizofrenie is goed herstelt b. Nee Controle vragen Deze dienen als extra vragen om het algemene oordeel van het artikel te toetsten en te beoordelen of er sprake is van stigmatisering. De resultaten van bovenstaande vragen kunnen dat ook al bevestigen en daarom zijn deze vragen bedoelt als extra onderdeel. De controlevragen zijn gebaseerd op ontwikkelde modellen van Rukavina et al. 2011 en Henson et al. 2010) en gelden alleen voor de categorie C; specifiek omdat schizofrenie een rol moet spelen in het artikel om de controle vragen te kunnen beantwoorden.   B. Algemene  waardering  van  het  artikel  gebaseerd  op  codering  van  Henson  et  al   (2010):   a. Positief;  burgers  of  prominente  personen  die  met  de  aandoening   normaal  functioneren  in  de  maatschappij   b. Neutraal’;  wetenschappelijke  bevindingen  of  overheidszaken   c.

Negatief;  mensen  met  schizofrenie  zijn  gevaarlijk,  onvoorspelbaar  en   ongecontroleerd  

d. Gemengd;  een  of  meer  van  bovenstaande  waarderingen     C. Algemene  waardering  stigmatisering  in  het  artikel  gebaseerd  op  het  PICMIN   model  van  Rukavina  et  al.  (2011)14:   a. Positief  [de-­‐stigmatiserend]   b. Negatief  [stigmatiserend]   c.

Gemengd  

d. Neutraal   De-stigmatiserend (tenminste 1 criteria moet overeen komen):

                                                                                                                14  Criteria

voor het beoordelen van stigmatisering van schizofrenie door het artikel gebaseerd

op het PICMIN model. Het model is verder aangepast aan de hand van theorie over schizofrenie en bijbehorende stigma’s zodat het model louter betrekking heeft op schizofrenie.  

 

83  


o

Individuen met schizofrenie functioneren heel goed in de maatschappij (net zoals personen zonder schizofrenie)

o

Onderwerpen met betrekking tot genezing schizofrenie, positieve uitwerking en/of sociale activiteiten rond de psychische aandoening.

o

Verhalen over individuen die openlijk praten over schizofrenie (bijv. Bekende personen)

o

Educatieve, informatieve en/of op feiten gebaseerd op het leren omgaan met schizofrenie.

Neutraal (beide criteria moeten voor komen): o

Artikel bevat informatie gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek. Bevat geen subjectieve aanbevelingen of behandelwijze de psychische aandoening.

o

Beschrijft de feiten objectief, zoals ze zijn gebeurd. Duidt niet op informatie om het perspectief van de lezer te beïnvloeden.

Stigmatiserend (tenminste 1 criteria moet voor komen): 

Individuen met schizofrenie worden geassocieerd met geweld, agressie en criminaliteit

Mythes en vooroordelen worden benoemd met betrekking tot schizofrenie (gespleten persoonlijkheid, nooit meer normaal kunnen functioneren in de maatschappij).

Personen met schizofrenie zijn sociaal incapabel. Ze zijn afhankelijk van hulp, werkeloos en opgesloten in een psychiatrische instelling.

Misbruik en over gebruik van de term en daaraan gerelateerde woorden.

Gemengd (tenminste 1 criterium van beide codes moet voorkomen) Het artikel bevat zinnen/alinea’s met zowel stigmatiserende als de-stigmatiserende verklaringen

 

84  


Bijlage 2; Interviews met Journalisten Onderstaande vragen dienen als reflectie en aanvulling op de resultaten die uit het scriptieonderzoek: Een beschouwing over de beeldvorming van Schizofrenie in de Nederlandse geschreven Media; op welke manier wordt de aandoening Schizofrenie neergezet in de Nederlandse geschreven berichtgeving en welk beeld krijgt de Nederlandse krantenlezer daardoor van de aandoening? 1. Welke woorden komen als eerste in u naar boven wanneer u denkt aan mensen met schizofrenie? 2. In 14% van alle artikelen komt schizofrenie als beeldspraak voor. Dat wil zeggen dat het woord niet direct relateert aan de aandoening maar wordt gebruikt om een bepaalde houding of situatie aan te dikken. Uit onderzoek is gebleken dat dit zeer nadelige gevolgen heeft voor de beeldvorming van de aandoening. Hoe kijkt u daar tegenaan? En heeft u wel eens gebruikt gemaakt van een psychische aandoening als beeldspraak in een artikel? 3. Vind u dat, wanneer schizofrenie als beeldspraak wordt gebruikt door een geïnterviewde deze er door de journalist bewust uit moet worden gehaald of vervangen voor een ander woord? Moeten journalisten een registrerende of sturende rol vervullen? 4. In artikelen waar schizofrenie zijdelings wordt vermeld [d.w.z als opsomming of ter illustratie als voorbeeld] komen er in 11 artikelen subjectieve woordkeuzes van schizofrenie voor. Journalisten zijn veruit de grootste groep die gebruik maken van subjectieve termen. Dat wil zeggen dat er gekozen is voor de variant ‘schizofrene’ of schizofreen’ in plaats van de persoon met schizofrenie. Ben u zich bewust van de effecten van zo’n subjectieve woordkeuze? Zou u daar rekening mee houden? En hoe heeft u dat zelf gezien? 5. Wat vindt u van de stelling; hoe meer de aandoening voorkomt in de populaire cultuur [films, boeken & muziek] hoe beter dat is voor de aandoening. Daarbij moet u denken aan taboes doorbreken/bespreekbaar maken. 6. Artikelen waar de aandoening schizofrenie centraal staat zijn bijna altijd nieuwsberichten. (een enkele keer een achtergrondartikel of interivew). Nieusberichten zijn vaak, wanneer zij over schizofrenie gaan negatief omdat deze afwijkend en conflict moeten bevatten. Heeft u wel een nagedacht een reportage te maken over een persoon met schizofrenie die wel goed in de maatschappij fungeert?

 

85  


7. Wanneer u een nieuwsbericht of ander soort artikel schrijft waar de aandoening schizofrenie in voorkomt; denkt u dan aan het vermelden van extra informatie over de aandoening of vindt u dat overbodig? [Denk hierbij aan het vermelden van symptomen of andere feiten van schizofrenie of het vermelden van contactgegevens van psychiatrische instellingen]. 8. 64% van alles artikelen die gaan over schizofrenie hebben te maken met een geweldsincident. Dit gegeven kan bijdragen aan het heersende stigma van schizofreniepatiënten. Namelijk dat zij gevaarlijk en onvoorspelbaar zijn. Het merendeel van mensen met schizofrenie zijn helemaal geen gevaar voor anderen. Er bestaat slechts een 0.001% kans dat u geweld wordt aangedaan door een persoon met schizofrenie. Ben u geïnteresseerd om een keer een artikel te schrijven over iemand die positief omgaat met de aandoening of eventueel bij een artikel wat negatief getint is dit soort cijfers erbij te vermelden? 9. Slechts 21% van de artikelen die specifiek met de aandoening of met een persoon met schizofrenie te maken hebben wordt als positief of neutraal gecodeerd. Dat wil zeggen dat het hierbij gaat om positieve verhalen of wetenschappelijke uitkomsten. Vindt u deze uitkomsten onvermijdelijk omdat het over kranten/nieuws gaat? Zou er, in uw optiek iets gedaan kunnen worden aan de verhouding tussen positieve en negatieve artikelen over de aandoening?

 

86  


Interview 1 Naam: Peter Scholtes Krant: Eindhovens Dagblad Onderstaande vragen dienen als reflectie en aanvulling op de resultaten die uit het scriptieonderzoek: Een beschouwing over de beeldvorming van Schizofrenie in de Nederlandse geschreven Media; op welke manier wordt de aandoening Schizofrenie neergezet in de Nederlandse geschreven berichtgeven en welk beeld krijgt de Nederlandse krantenlezer daarvoor van de aandoening? 1. Welke woorden komen als eerste in u naar boven wanneer u denkt aan mensen met schizofrenie? Lastig voor henzelf en voor anderen, hebben recht op zorg 2. In 14% van alle artikelen komt schizofrenie als beeldspraak voor. Dat wil zeggen dat het woord niet direct relateert aan de aandoening maar wordt gebruikt om een bepaalde houding of situatie aan te dikken. Uit onderzoek is gebleken dat dit zeer nadelige gevolgen heeft voor de beeldvorming van de aandoening. Hoe kijkt u daar tegenaan? En heeft u wel eens gebruikt gemaakt van een psychische aandoening als beeldspraak in een artikel? Of ik het wel eens in die zin heb gebruikt, weet ik niet maar dat zou best kunnen in de zin van een situatie met een dubbel gezicht, dubbel gevoel. Dat heeft voor mij geen negatieve bijklank. 3. Vind u dat, wanneer schizofrenie als beeldspraak wordt gebruikt door een geïnterviewde deze er door de journalist bewust uit moet worden gehaald of vervangen voor een ander woord? Moeten journalisten een registrerende of sturende rol vervullen? Hangt er vanaf in welke context het woord wordt gebruikt. Zoals boven omschreven lijkt me niet onjuist. Als ik het idee heb dat een geïnterviewde een woord op een verkeerde manier gebruikt of anders bedoelt te zeggen, zal ik dat in de tekst van een artikel anders omschrijven. Juist registreren betekent ook eventueel een ander woord gebruiken dan de geïnterviewde zelf. 4. In artikelen waar schizofrenie zijdelings wordt vermeld [d.w.z als opsomming of ter illustratie als voorbeeld] komen er in 11 artikelen subjectieve woordkeuzes van schizofrenie voor. Journalisten zijn veruit de grootste groep die gebruik maken van subjectieve termen. Dat wil zeggen dat er gekozen is voor de variant ‘schizofrene’ of schizofreen’ in plaats van de persoon met schizofrenie. Ben u zich bewust van de effecten van zo’n subjectieve woordkeuze? Zou u daar rekening mee houden? En hoe heeft u dat zelf gezien? Hangt er naar mijn mening dus vanaf in welke context het woord is gebruikt, een schizofrene

 

87  


situatie is voor mij hetzelfde als een situatie met een dubbel gezicht. Als het gaat om de persoon zou ik niet schrijven de schizofrene Jan Klaassen of Jan Klaassen is een schizofreen. Wel: Jan Klaassen heeft schizofrenie of Jan Klaassen is schizofreen. In die gevallen is het niet als subjectief gebruikt maar als feit. 5. Wat vindt u van de stelling; hoe meer de aandoening voorkomt in de populaire cultuur [films, boeken & muziek] hoe beter dat is voor de aandoening. Daarbij moet u denken aan taboes doorbreken/bespreekbaar maken. Ben ik het mee eens: als je weet wat schizofrenie met iemand kan doen, heb je meer begrip. 6. Artikelen waar de aandoening schizofrenie centraal staat zijn bijna altijd nieuwsberichten. (een enkele keer een achtergrondartikel of interview). Nieuwsberichten zijn vaak, wanneer zij over schizofrenie gaan negatief omdat deze afwijkend en conflict moeten bevatten. Heeft u wel eens nagedacht een reportage te maken over een persoon met schizofrenie die wel goed in de maatschappij fungeert? Is niet zo mijn aandachtsgebied op de redactie. In zijn algemeenheid is dat bij nieuws sprake is van afwijking, en dat meestal in negatieve zin. Goed nieuws doet het meestal minder goed. Maar als we hier dit onderwerp zouden krijgen aangedragen (in bredere zin, meerdere personen die op een bepaalde wijze goed in de maatschappij functioneren), zouden we dat niet uit de weg gaan. 7. Wanneer u een nieuwsbericht of ander soort artikel schrijft waar de aandoening schizofrenie in voorkomt; denkt u dan aan het vermelden van extra informatie over de aandoening of vindt u dat overbodig? [Denk hierbij aan het vermelden van symptomen of andere feiten van schizofrenie of het vermelden van contactgegevens van psychiatrische instellingen]. Ik vrees dat we het in de praktijk overbodig zullen achten. Maar als je er over denkt, zou uitleg wel op zijn plaats zijn. 8. 64% van alles artikelen die gaan over schizofrenie hebben te maken met een geweldsincident.

Dit

gegeven

kan

bijdragen

aan

het

heersende

stigma

van

schizofreniepatiënten. Namelijk dat zij gevaarlijk en onvoorspelbaar zijn. Het merendeel van mensen met schizofrenie zijn helemaal geen gevaar voor anderen. Er bestaat slechts een 0.001% kans dat u geweld wordt aangedaan door een persoon met schizofrenie. Ben u geïnteresseerd om een keer een artikel te schrijven over iemand die positief omgaat met de aandoening of eventueel bij een artikel wat negatief getint is dit soort cijfers erbij te vermelden? Het gaat in de journalistiek wat mij betreft om het zo goed mogelijk weergeven van de werkelijkheid, met alle handicaps zoals benodigde beknoptheid, begrijpelijkheid voor een groot lezerspubliek en dergelijke waar we mee te maken

 

88  


hebben. Zo’n toevoeging moet wel een relatie hebben met de grote lijn van het nieuwsbericht. Voor wat zo’n reportage betreft: zie boven, er is een journalistieke aanleiding nodig, een verhaal van één persoon zal niet snel de krant halen als het op zich moet staan. 9. Slechts 21% van de artikelen die specifiek met de aandoening of met een persoon met schizofrenie te maken hebben wordt als positief of neutraal gecodeerd. Dat wil zeggen dat het hierbij gaat om positieve verhalen of wetenschappelijke uitkomsten. Vindt u deze uitkomsten onvermijdelijk omdat het over kranten/nieuws gaat? Zou er, in uw optiek iets gedaan kunnen worden aan de verhouding tussen positieve en negatieve artikelen over de aandoening? Wat is stigmatiserend?: het gaat om het beschrijven van de werkelijkheid en die is zoals die is. Misbruik van de term in een artikel zou niet mogen of kan niet de bedoeling zijn. Zoals eerder betoogd: voor een positief (ervaren) artikel moet journalistiek aanleiding zijn, net zoals voor een negatief (ervaren) artikel.

 

89  


Interview 2 Naam: Hein van Dooren Krant: Eindhovens Dagblad Onderstaande vragen dienen als reflectie en aanvulling op de resultaten die uit het scriptieonderzoek: Een beschouwing over de beeldvorming van Schizofrenie in de Nederlandse geschreven Media; op welke manier wordt de aandoening Schizofrenie neergezet in de Nederlandse geschreven berichtgeven en welk beeld krijgt de Nederlandse krantenlezer daarvoor van de aandoening? 1. Welke woorden komen als eerste in u naar boven wanneer u denkt aan mensen met schizofrenie? Psychiatrische problemen. 2.

In 14% van alle artikelen komt schizofrenie als beeldspraak voor. Dat wil zeggen dat het

woord niet direct relateert aan de aandoening maar wordt gebruikt om een bepaalde houding of situatie aan te dikken. Uit onderzoek is gebleken dat dit zeer nadelige gevolgen heeft voor de beeldvorming van de aandoening. Hoe kijkt u daar tegenaan? En heeft u wel eens gebruikt gemaakt van een psychische aandoening als beeldspraak in een artikel? Zelden. Als rechtbankverslaggever citeer ik uit onderzoeksrapporten van psychologen en psychiaters. 3.

Vind u dat, wanneer schizofrenie als beeldspraak wordt gebruikt door een geïnterviewde

deze er door de journalist bewust uit moet worden gehaald of vervangen voor een ander woord? Moeten journalisten een registrerende of sturende rol vervullen? Ik interview volwassen personen. Ik ben geen kindermeisje. 4.

In artikelen waar schizofrenie zijdelings wordt vermeld [d.w.z als opsomming of ter

illustratie als voorbeeld] komen er in 11 artikelen subjectieve woordkeuzes van schizofrenie voor. Journalisten zijn veruit de grootste groep die gebruik maken van subjectieve termen. Dat wil zeggen dat er gekozen is voor de variant ‘schizofrene’ of schizofreen’ in plaats van de persoon met schizofrenie. Ben u zich bewust van de effecten van zo’n subjectieve woordkeuze? Zou u daar rekening mee houden? En hoe heeft u dat zelf gezien? Ik begrijp het wel maar vindt het niet relevant genoeg om aan te passen. 5.

Wat vindt u van de stelling; hoe meer de aandoening voorkomt in de populaire cultuur

[films, boeken & muziek] hoe beter dat is voor de aandoening. Daarbij moet u denken aan taboes doorbreken/bespreekbaar maken. In rechtbankartikelen wordt vaak uit de doeken gedaan waarom iemand als gevolg van schizofrenie niet verantwoordelijk kan worden

 

90  


gehouden voor zijn daad. Daarmee wordt de aandoening impliciet bespreekbaar gemaakt. 6.

Artikelen waar de aandoening schizofrenie centraal staat zijn bijna altijd

nieuwsberichten. (een enkele keer een achtergrondartikel of interview). Nieuwsberichten zijn vaak, wanneer zij over schizofrenie gaan negatief omdat deze afwijkend en conflict moeten bevatten. Heeft u wel een nagedacht een reportage te maken over een persoon met schizofrenie die wel goed in de maatschappij fungeert? Onlangs publiceerde het Eindhovens Dagblad een interview met de moeder van een schizofrene jongen. Dit naar aanleiding van de moord op Jan Smets. 7.

Wanneer u een nieuwsbericht of ander soort artikel schrijft waar de aandoening

schizofrenie in voorkomt; denkt u dan aan het vermelden van extra informatie over de aandoening of vindt u dat overbodig? [Denk hierbij aan het vermelden van symptomen of andere feiten van schizofrenie of het vermelden van contactgegevens van psychiatrische instellingen]. Op internet is alles te vinden. 8.

64% van alles artikelen die gaan over schizofrenie hebben te maken met een

geweldsincident.

Dit

gegeven

kan

bijdragen

aan

het

heersende

stigma

van

schizofreniepatiënten. Namelijk dat zij gevaarlijk en onvoorspelbaar zijn. Het merendeel van mensen met schizofrenie zijn helemaal geen gevaar voor anderen. Er bestaat slechts een 0.001% kans dat u geweld wordt aangedaan door een persoon met schizofrenie. Ben u geïnteresseerd om een keer een artikel te schrijven over iemand die positief omgaat met de aandoening of eventueel bij een artikel wat negatief getint is dit soort cijfers erbij te vermelden? Ook dit soort verhalen zijn gepubliceerd door het Eindhovens Dagblad. De bereidheid is er dus. 9.

Slechts 21% van de artikelen die specifiek met de aandoening of met een persoon met

schizofrenie te maken hebben wordt als positief of neutraal gecodeerd. Dat wil zeggen dat het hierbij gaat om positieve verhalen of wetenschappelijke uitkomsten. Vindt u deze uitkomsten onvermijdelijk omdat het over kranten/nieuws gaat? Zou er, in uw optiek iets gedaan kunnen worden aan de verhouding tussen positieve en negatieve artikelen over de aandoening? Nieuws laat zich niet leiden. Ik ga ervan uit dat de artikelen die u stigmatiserend vindt, pure nieuwsberichten zijn. Dat zijn doorgaans korte artikelen waar precieze uitleg zal ontbreken. Zoals eerder gezegd blijkt uit de praktijk dat het Eindhovens Dagblad bereid is achtergronden te verstrekken die te maken hebben met schizofrenie.

 

91  


Interview 3 Naam: Frank Beijen Krant: Leidsch Dagblad Onderstaande vragen dienen als reflectie en aanvulling op de resultaten die uit het scriptieonderzoek: Een beschouwing over de beeldvorming van Schizofrenie in de Nederlandse geschreven Media; op welke manier wordt de aandoening Schizofrenie neergezet in de Nederlandse geschreven berichtgeven en welk beeld krijgt de Nederlandse krantenlezer daarvoor van de aandoening? 1. Welke woorden komen als eerste in u naar boven wanneer u denkt aan mensen met schizofrenie? Psychische aandoening, kwetsbare mensen. 2.

In 14% van alle artikelen komt schizofrenie als beeldspraak voor. Dat wil zeggen dat het

woord niet direct relateert aan de aandoening maar wordt gebruikt om een bepaalde houding of situatie aan te dikken. Uit onderzoek is gebleken dat dit zeer nadelige gevolgen heeft voor de beeldvorming van de aandoening. Hoe kijkt u daar tegenaan? En heeft u wel eens gebruikt gemaakt van een psychische aandoening als beeldspraak in een artikel? Ik ben me er wel bewust van. Ik zou het zelf niet zo snel zo opschrijven maar ik zou het wel overnemen als het een treffend citaat is. Ik zou er niet al te zwaar aan tillen en over het algemeen wel het citaat erin laten. 3.

Vind u dat, wanneer schizofrenie als beeldspraak wordt gebruikt door een geïnterviewde

deze er door de journalist bewust uit moet worden gehaald of vervangen voor een ander woord? Moeten journalisten een registrerende of sturende rol vervullen? Wanneer ik het gevoel krijg dat de geïnterviewde het woord verkeerd gebruikt zou ik dat wel veranderen in het interview. 4.

In artikelen waar schizofrenie zijdelings wordt vermeld [d.w.z als opsomming of ter

illustratie als voorbeeld] komen er in 11 artikelen subjectieve woordkeuzes van schizofrenie voor. Journalisten zijn veruit de grootste groep die gebruik maken van subjectieve termen. Dat wil zeggen dat er gekozen is voor de variant ‘schizofrene’ of schizofreen’ in plaats van de persoon met schizofrenie. Ben u zich bewust van de effecten van zo’n subjectieve woordkeuze? Zou u daar rekening mee houden? En hoe heeft u dat zelf gezien? Eerlijk gezegd begrijp ik heel goed dat psychologen objectiever praten en journalisten directer. Voor mijn gevoel betekent het, hetzelfde. Een journalist moet zo weinig mogeiljk woorden gebruiken. Sommige mensen vinden het eng om ‘de jood’ te zeggen en zeggen

 

92  


dan ‘de joodse man’. Dat klinkt als een verzachting maar in principe betekent dat hetzelfde. 5.

Wat vindt u van de stelling; hoe meer de aandoening voorkomt in de populaire cultuur

[films, boeken & muziek] hoe beter dat is voor de aandoening. Daarbij moet u denken aan taboes doorbreken/bespreekbaar maken. Dat ligt genuanceerd. Als er een lachfilm komt over iemand die schizofreen is en een enorme versimpeling is van de aandoening dan is dat negatief. Als er een film komt die het hele spectrum belicht dan gaan daar meer mensen over praten en neemt de kennis rond de aandoening toe. 6.

Artikelen waar de aandoening schizofrenie centraal staat zijn bijna altijd

nieuwsberichten. (een enkele keer een achtergrondartikel of interview). Nieuwsberichten zijn vaak, wanneer zij over schizofrenie gaan negatief omdat deze afwijkend en conflict moeten bevatten. Heeft u wel een nagedacht een reportage te maken over een persoon met schizofrenie die wel goed in de maatschappij fungeert? Ik denk dat je daar niet teveel van moet verwachten. Allereerst zit je als journalist met aardse omstandigheden, moet je, je verhaal in een hoekje passen. Daarnaast past het niet zo in mijn genre. Ik zie zo’n uitgebreid achtergrondverhaal eerder in een damesblad dan in de krant. Als je een portret maakt over Tristan van der Vlis dan heb je de ruimte om wat dieper in te gaan op het onderwerp. Ik denk dat besef belangrijk is bij journalisten. 7.

Wanneer u een nieuwsbericht of ander soort artikel schrijft waar de aandoening

schizofrenie in voorkomt; denkt u dan aan het vermelden van extra informatie over de aandoening of vindt u dat overbodig? [Denk hierbij aan het vermelden van symptomen of andere feiten van schizofrenie of het vermelden van contactgegevens van psychiatrische instellingen]. Nee ik vind dat niet nodig bij een nieuwsbericht. 8.

64% van alles artikelen die gaan over schizofrenie hebben te maken met een

geweldsincident.

Dit

gegeven

kan

bijdragen

aan

het

heersende

stigma

van

schizofreniepatiënten. Namelijk dat zij gevaarlijk en onvoorspelbaar zijn. Het merendeel van mensen met schizofrenie zijn helemaal geen gevaar voor anderen. Er bestaat slechts een 0.001% kans dat u geweld wordt aangedaan door een persoon met schizofrenie. Ben u geïnteresseerd om een keer een artikel te schrijven over iemand die positief omgaat met de aandoening of eventueel bij een artikel wat negatief getint is dit soort cijfers erbij te vermelden? Een aanleiding moet iets nieuws zijn. Ik ga niet zomaar iets schrijven over schizofrenie. Als er iets belangrijks is gebeurd dat kun je er wel weer op verder gaan. Ik zou dan wel eerder de neiging hebben te schrijven over specifieke psychologische omstandigheden of een persoon met schizofrenie en niet over de aandoening in het

 

93  


algemeen. Als hier een nieuw behandelcentrum voor schizofreniepatiënten komt zou ik daar bijvoorbeeld over kunnen schrijven. Hoewel het dan eerder zou gaan over het gebouw en de behandelingen dan over de aandoening. 9.

Slechts 21% van de artikelen die specifiek met de aandoening of met een persoon met

schizofrenie te maken hebben wordt als positief of neutraal gecodeerd. Dat wil zeggen dat het hierbij gaat om positieve verhalen of wetenschappelijke uitkomsten. Vindt u deze uitkomsten onvermijdelijk omdat het over kranten/nieuws gaat? Zou er, in uw optiek iets gedaan kunnen worden aan de verhouding tussen positieve en negatieve artikelen over de aandoening? Ja dat vind ik wel. Het is alleen lastig om over de aandoening in het algemeen te schrijven. Maar er kan best wel eens een portret worden gemaakt van een persoon met schizofrenie die positief met de aandoening omgaat. Maar nieuws blijft nieuws, het moet afwijkend zijn.

 

 

94  


Interview 4 Naam: Coen van Zwol Krant: NRC Handelsblad Onderstaande vragen dienen als reflectie en aanvulling op de resultaten die uit het scriptieonderzoek: Een beschouwing over de beeldvorming van Schizofrenie in de Nederlandse geschreven Media; op welke manier wordt de aandoening Schizofrenie neergezet in de Nederlandse geschreven berichtgeven en welk beeld krijgt de Nederlandse krantenlezer daarvoor van de aandoening? 1. Welke woorden komen als eerste in u naar boven wanneer u denkt aan mensen met schizofrenie? Zieke personen, psychiatrische instellingen, zorg. 2.

In 14% van alle artikelen komt schizofrenie als beeldspraak voor. Dat wil zeggen dat het

woord niet direct relateert aan de aandoening maar wordt gebruikt om een bepaalde houding of situatie aan te dikken. Uit onderzoek is gebleken dat dit zeer nadelige gevolgen heeft voor de beeldvorming van de aandoening. Hoe kijkt u daar tegenaan? En heeft u wel eens gebruikt gemaakt van een psychische aandoening als beeldspraak in een artikel? Ik zit daar niet erg mee. Laatst werd me verweten dat ik in een stuk iemands gedrag als ‘bijna autistisch’ had omschreven. Dat vond de lezer in kwestie heel kwetsend. Ik kon haar slechts antwoorden dat mijn eigen zoon autistisch is, en ik desondanks het probleem niet zie. Het is, zo lijkt me, heel normaal, zelfs positief dat een woord in de taal meerdere betekenissen heeft. Zonder dat zou er geen literatuur zijn. Dus kan schizofreen een accurate medische term zijn, en een metafoor ‘onwerkelijk’ of onlogisch’ (een schizofrene situatie, schizofreen gedoe) Niks mis mee. Ik vind het een typisch symptoom van moderne overgevoeligheid , die voor de personen in kwestie zelf lichtelijk beledigend kan zijn. ‘Ze zijn zo zielig dat je het woord moet vermijden, laat staan er grapjes over maken.’ Je maakt ze met dit soort omstandig gedoe juist tot zielenpoten. Schizo’s onderling gaan ongetwijfeld met meer humor om met hun aandoening. Wat dat onderzoek over ‘negatieve beeldvorming’: klinkt me in de oren als zo’n typisch sociaalpsychologisch, nutteloos Diederik Stapel-onderzoek. 3.

Vind u dat, wanneer schizofrenie als beeldspraak wordt gebruikt door een geïnterviewde

deze er door de journalist bewust uit moet worden gehaald of vervangen voor een ander woord? Moeten journalisten een registrerende of sturende rol vervullen? Uit het voortgaande zult u begrijpen: nee, nee, nee!!!!

 

95  


4.

In artikelen waar schizofrenie zijdelings wordt vermeld [d.w.z als opsomming of ter

illustratie als voorbeeld] komen er in 11 artikelen subjectieve woordkeuzes van schizofrenie voor. Journalisten zijn veruit de grootste groep die gebruik maken van subjectieve termen. Dat wil zeggen dat er gekozen is voor de variant ‘schizofrene’ of schizofreen’ in plaats van de persoon met schizofrenie. Ben u zich bewust van de effecten van zo’n subjectieve woordkeuze? Zou u daar rekening mee houden? En hoe heeft u dat zelf gezien? Mag ‘schizo’ ook? Vind ik wel geinig klinken. Nee, maar serieus: wat ik uit dit gedoe proef, is de typische misvatting dat je problemen uit de wereld helpt door ze een andere naam te geven. Discriminatie van zwarten bijvoorbeeld. Kijk, ooit noemden we zwarten nikkers, kaffers of roetmoppen. Dat mocht uiteraard niet, en maar goed ook. Maar nu blijkt negers ook niet meer te mogen. Oké, noemen we ze zwarten. Maar hoe lang voordat de taalpolitie dat ook verbiedt? Het probleem is, zo schijnt me toe, dat schizofrenie een nare ziekte is, die vaak tot zichtbaar afwijkend of bizar gedrag leidt. Hoe dan ook - het wijkt af. Dus wordt het ook gebruikt als metafoor en als scheldwoord, want zo zijn mensen. Dus dan moet er een nieuw woord komen, omdat het oude belast voelt, als een scheldwoord. Tot het nieuwe, neutrale woord na enige tijd ook weer als scheldwoord voelt – zoals met het woord neger is gebeurt. En we weer iets nieuws vinden. Maar hoe je het ook noemt: een schizofreen blijft zich in de ogen van de meerderheid vaak mal gedragen, en de neger blijft in een blanke samenleving opvallen om zijn huidskleur. De tendens, zo merk ik, is in dergelijke gevallen naar steeds lange, onmogelijkere woorden. In Amerika wordt ‘negro’ tot African American. Een mongooltje wordt een persoon met Down Syndroom. In Nederland wordt schizofreen tot ‘persoon met schizofrenie’. Ik vind dat nutteloze taalvervuiling. 5.

Wat vindt u van de stelling; hoe meer de aandoening voorkomt in de populaire cultuur

[films, boeken & muziek] hoe beter dat is voor de aandoening. Daarbij moet u denken aan taboes doorbreken/bespreekbaar maken. Is wat voor te zeggen. Zelf ben ik filmjournalist: er zijn prachtige, ontroerende films gemaakt over mensen met schizofrenie – of autisme – die het begrip voor die aandoeningen vergroten en clichés bestrijden. Dus ja, lijkt me helder. 6.

Artikelen waar de aandoening schizofrenie centraal staat zijn bijna altijd

nieuwsberichten. (een enkele keer een achtergrondartikel of interview). Nieuwsberichten zijn vaak, wanneer zij over schizofrenie gaan negatief omdat deze afwijkend en conflict moeten bevatten. Heeft u wel een nagedacht een reportage te maken over een persoon met

 

96  


schizofrenie die wel goed in de maatschappij fungeert? Ik ben momenteel een filmjournalist, dus nee, daar denk ik niet zo over na. Overigens worden dat soort stukken mondjesmaat best wel geschreven, in de ‘human interest’ hoek van de krant. Ik kan me althans wel stukken herinneren in de trant van ‘worsteling met schizofrenie’ of ‘leven met schizofrenie’ etc. Negatieve nieuwsberichten over schizofrenie lees ik eigenlijk niet zo vaak, of je moet doelen over stukken over mensen die iets gruwelijks doen omdat ze stemmen horen. Tsja, als zoiets gebeurt moet je daar verslag over doen. En ik geloof niet dat media verplicht zijn tegen elk negatief bericht waarbij een schizofreen is betrokken een positief bericht te zetten. Als iemand een huis in brand steekt omdat stemmen hem daartoe aanzetten, zou je ook een bericht in krant moeten zetten over een schizofreen die vrijwilliger is op een kinderboerderij? Dacht ik niet. Wij zijn ervoor om nieuws te melden: dat er een huis in afgebrand namelijk. 7.

Wanneer u een nieuwsbericht of ander soort artikel schrijft waar de aandoening

schizofrenie in voorkomt; denkt u dan aan het vermelden van extra informatie over de aandoening of vindt u dat overbodig? [Denk hierbij aan het vermelden van symptomen of andere feiten van schizofrenie of het vermelden van contactgegevens van psychiatrische instellingen]. Te algemene vraag. Hangt volledig van de opzet en het doel van het artikel in kwestie af of dit relevant is of niet. 8.

64% van alles artikelen die gaan over schizofrenie hebben te maken met een

geweldsincident.

Dit

gegeven

kan

bijdragen

aan

het

heersende

stigma

van

schizofreniepatiënten. Namelijk dat zij gevaarlijk en onvoorspelbaar zijn. Het merendeel van mensen met schizofrenie zijn helemaal geen gevaar voor anderen. Er bestaat slechts een 0.001% kans dat u geweld wordt aangedaan door een persoon met schizofrenie. Ben u geïnteresseerd om een keer een artikel te schrijven over iemand die positief omgaat met de aandoening of eventueel bij een artikel wat negatief getint is dit soort cijfers erbij te vermelden? Nee, over dat soort onderwerpen schrijf ik momenteel niet. Maar zo’n stuk kan geen kwaad, en wordt, zoals gezegd, nu en dan ook wel gepubliceerd. Wellicht niet vaak genoeg, maar een krant is geen Postbus 51; we zijn er niet om positieve of negatieve propaganda te bedrijven voor een bepaalde bevolkingsgroep. Wat betreft geweldsincidenten: de denkfout hier is dat de krant in dat soort gevallen niet over schizofrenie schrijft, maar over geweld. En dat je vervolgens de oorzaak of motivatie wil kennen als lezer. Schizofrenie maakt een gewelddaad wellicht ‘interessanter’’, maar dat geldt ook voor andere motieven – als de geweldpleger onder invloed van drugs is, of autistisch, of stink jaloers, of geld wilde hebben voor een nieuwe scooter. De lezer wil gewoon weten waarom iemand iets gruwelijks doet. En dat we gefascineerd zijn door

 

97  


moord en doodslag - If it bleeds, it leads, zo is het gezegde in de krantenwereld – is treurig – maar wellicht kijkt u zelf ook wel eens naar een thriller, actiefilm of detective? 9.

Slechts 21% van de artikelen die specifiek met de aandoening of met een persoon met

schizofrenie te maken hebben wordt als positief of neutraal gecodeerd. Dat wil zeggen dat het hierbij gaat om positieve verhalen of wetenschappelijke uitkomsten. Vindt u deze uitkomsten onvermijdelijk omdat het over kranten/nieuws gaat? Zou er, in uw optiek iets gedaan kunnen worden aan de verhouding tussen positieve en negatieve artikelen over de aandoening? Ik ken uw codering niet. Maar heel in het algemeen: schizofrenie lijkt me een nare aandoening, waarom moet daarover dan positief geschreven worden? Ik vermoed dat ook autisme, kanker of tbc negatief worden gecodeerd. Het zijn syndromen, ziektes. Moeten we daar van tralalala of ‘kanker, ja gezellig!’ over doen? En als schizofrenie dan zo fijn en positief is, waarom acht u dan het woord ‘schizofreen’ als beledigend, een soort scheldwoord? Er zit een diepe, diepe contradictie in uw denken, die ik bijna als schizofreen zou willen bestempelen. (-;

 

 

98  


Afstudeeronderzoek N.Pierson