Tegel 48

Page 1

TEGEL 48



TEGEL 48/2020


Stichting Vrienden Nederlands Tegelmuseum Bestuur

Bestemmingsfonds

Tegel

Lejo Schenk (voorzitter) Tel.: 06 51556065 lejoschenk@gmail.com Marianne Florschütz (secretaris) Tel.: 06 11051893 marianne.florschutz@kpnmail.nl Mark van Veen (penningmeester) Tel.: 06 47132192 vanveen.mark@gmail.com Leo van Druten Tel.: 06 16564240 astoriaarts@yahoo.com Frans Klein Tel.: 06 51753909 frans.a.klein@gmail.com

Van uw extra bijdragen aan het fonds worden o.m. bijzondere aankopen gedaan voor de museumcollectie. Hiervoor gelden dezelfde rekeningnummers als voor de contributie.

© Niets uit deze uitgave mag worden overgenomen zonder toestemming van de uitgever.

Secretariaat

Marianne Florschütz p.a. Eikenzoom 12, 6731 BH Otterlo https://vriendennederlandstegelmuseum.nl/

Begunstigersbijdrage

De jaarlijkse bijdrage is minimaal 7 35,per persoon. Als begunstiger heeft men onder andere recht op gratis toegang tot het Nederlands Tegelmuseum samen met 1 introducé. Begunstiger voor het leven 7 500,Overmaken t.n.v. Stichting Vrienden Nederlands Tegelmuseum, NL24 INGB 0001696700 (BIC INGBNL2A)

Verschijning

ISSN: 0920 - 4539

Ereleden Jan Pluis Wilhelm Joliet Redactie Tegel Jaap Jongstra (redactiesecretariaat) Tel.: 06 53560397 jr.jongstra@chello.nl Johan A. Kamermans (eindredactie) Tel.: 06 13500153 johan.kamermans@nederlandstegelmuseum.nl Michiel Overhoff Tel.: 06 55696550 michieloverhoff@gmail.com Lejo Schenk Tel.: 06 51556065 lejoschenk@gmail.com Francine Stoffels Tel.: 020 6229998 francina@stoffels.one

4

DNT: Bij beschrijvingen van tegels wordt soms een codering gegeven voorafgegaan door de afkorting DNT. De coderingen verwijzen naar hetzelfde type tegel zoals beschreven in Jan Pluis e.a., De Nederlandse Tegel, decors en benamingen 1570-1930, derde, herziene en vermeerderde druk, Leiden 2013. Bijbelse voorstellingen op tegels zijn aangeduid met een code, bestaande uit een O of een N, voor het Oude en Nieuwe Testament, en een nummer, ontleend aan het totaaloverzicht in Jan Pluis, Bijbeltegels. Bijbelse voorstellingen op Nederlandse wandtegels van de 17e tot de 20e eeuw, Münster 1994, 153-171.

English Summaries The summary following each article has been translated into English by Francine Stoffels and Bill Molloy. Vormgeving Caroline Hogervorst Tel.: 06 28164366 choge@upcmail.nl www.ch-ontwerp.nl

Nieuwe begunstigers

Nieuwe begunstigers kunnen zich aanmelden bij het secretariaat (zie hierboven).

Tegel is een uitgave van de Stichting Vrienden Nederlands Tegelmuseum en verschijnt eenmaal per jaar.

Druk

Hassink Drukkers Haaksbergen

Omslag: Tegel met spittende man en opschrift FAC ET SPERA, 132 x 128 x 12 mm (coll. Van Druten, foto Paul Combrink).


TEGEL

Inhoud

6

Fac et spera – Doe en hoop

Het verhaal achter een Leids boekdrukkersmerk op tegels

Leo van Druten en Lejo Schenk 13 Antieke bouwwerken uit het oude Rome op tegels Jan Pluis 25 De betegelde badkamer van Rambouillet Johan Kamermans 30 Tegeltableaus met dieren van Gebr. Ravesteijn/Westraven naar litho’s van Joseph Scholz

Jan Pluis 39 Winkelpuien in bouwaardewerk door De Porceleyne Fles: De Gruyter, BOKA, Zijlstra en Albert Heijn

Bart Verbrugge

met los bijgevoegde bijlage: tabel 2

53 Vader Cees en zoon Arno van Sabben: over het familiebedrijf van een leraar en een danser

Lejo Schenk 62 Nederlands Tegelmuseum

The summary following each article has been translated into English by Francine Stoffels and Bill Molloy

48/2020


Fac et spera - Doe en hoop H et

verhaal achter een

L eids

boekdrukkersmerk op tegels

Leo van Druten en Lejo Schenk 1 Ingrid

W.L. Moerman, Geleend Goed, Tegelcollectie G. de Goederen, Leiden 1980, 50 (cat.nr. 370).

2

T.L. Korporaal, Als een lelie onder de doornen, beschrijving van de kerkzegels van de Nederlandse Hervormde Kerk, Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer, 1996, 87. De in dit boek gepubliceerde foto van het oudste zegel is helaas niet geschikt voor reproductie, daarom is gekozen voor de gravure in de collectie van Erfgoed Delft.

3

Patricia Fleming, ‘Fac et Spera’, in: Mara R. Wade (red.), Emblem Scholars, Emblematica Online, University of Illinois, 2013. https://emblematicaonlineuiuc. wordpress.com/researchresults/research-papers-2/facet-spera/. Geraadpleegd op 25 oktober 2020.

6

Als tegelliefhebbers elkaar ontmoeten is er altijd wel iemand die een mooie aanwinst wil delen en bespreken. Zo ging het ook ditmaal, in de marge van een bestuursvergadering van de Vrienden. Leo van Druten toonde een tegel op zijn smartphone die hij tot zijn vreugde uit een particuliere collectie had kunnen kopen (afb. 1). Tot zijn vreugde, omdat hij de afbeelding eerder had gezien, en die altijd in zijn hoofd was gebleven. Het was in 1980, toen Museum De Lakenhal voor het eerst de tegelverzameling van G. de Goederen aan het publiek toonde. Daar waren twee (gerestaureerde) blauw-witte tegels bij met een centrale afbeelding van een spittende man, in een ovaal gevormd door twee halve kransen, mogelijk een olijftak en korenaren voorstellend.1 Boven het hoofd van de man staat de tekst fac et spera. Naast de drie genoemde tegels bevindt zich in ieder geval nog een vierde exemplaar in een particuliere collectie. Dit laatste is aan de achterzijde voorzien van een monogram dat nog niet met een schilder of werkplaats verbonden kan worden (afb. 2). De vier tegels zijn onmiskenbaar met eenzelfde spons gemaakt. Gezien de specifieke voorstelling ligt het voor de hand dat een prent als voorbeeld heeft gediend. Samen met de redactie van Tegel werd het onderzoek voortgezet.1

E mblemata

O

nderzoek naar het beeldmotief van een spittende man doet ons allereerst belanden bij een reeks kerkzegels van de Hervormde Gemeente Delft. Ook hier een spittende man in een cirkel, die vooral in de oudste versie uit 1589 sterke gelijkenis vertoont met de graver op de tegel (afb. 3).2 Het randschrift is interessant: delft na dien verborgen schat, Matth 13. Delven, een synoniem van graven, wordt hier gekoppeld aan de stad. Rondom het hoofd van de graver lezen we regnum caelorum, rijk der hemelen, het koninkrijk Gods. Dat is het waar

de graver naartoe moet werken. En dat werk is gezegend. Deze zegen daalt in de beeltenis op de graver neer uit een wolk waarin in Hebreeuwse medeklinkers het tetragram JHWH is weergegeven, de aanduiding voor de (nooit uitgesproken) naam van God. Verder onderzoek brengt ons bij een Amerikaanse publiciste die zich (met anderen) heeft beziggehouden met emblemata.3 Emblemataboeken zijn in Nederland zeer bekend, denk bijvoorbeeld aan de prenten van Jan en Caspar Luiken, of aan de moraallessen van Jacob Cats. Een emblema


Afb. 1 Tegel met spittende man en opschrift FAC ET SPERA, 132 x 128 x 12 mm (coll. Van Druten, foto Paul Combrink).

bestaat uit een prent(je) met een motto of spreuk, en een toelichtende tekst met de moraal, meestal in poëzievorm. De literaire vorm is ontstaan in Italië, waar de jurist Alciato in 1531 zijn Emblematum Liber publiceerde. Emblemata bevatten soms politieke boodschappen, of richtten zich op specifieke groepen. Voor de middenklasse waren liefdesthema’s populair, zeker in Nederland. Vrijwel alle belangrijke schrijvers, onder wie Hooft en Roemer Visscher, hebben zich met het genre beziggehouden. De emblemataboeken hebben van de zestiende tot aan misschien wel de twin-

Afb. 2 Achterkant van een tegel met FAC ET SPERA, met monogram (coll. Kramer, Amsterdam).

Afb. 3 Kerkzegel Hervormde Gemeente Delft omstreeks 1600, een gravure uit de achttiende eeuw (collectie Erfgoed Delft, Beeld en Geluid, inv.nr. 73963, https://hdl. handle.net/21.12115/... NL-DtAD42102256, geraadpleegd op 2 november 2020).

7


4

Annette de Vries, Ingelijst werk. De verbeelding van arbeid en beroep in de vroegmoderne Nederlanden, Zwolle 2004, 31.

Afb. 4 Embleem 7 uit Centuria Secunda van Gabriel Rollenhagen, 1613 (coll. Universiteit Utrecht, http://hdl.handle. net/1874/39347).

tigste eeuw een niet geringe invloed uitgeoefend op de mentaliteit en moraal van de Nederlanden. Ze zijn een belangrijke bron voor kunst- en sociaalhistorisch onderzoek, al moet men voorzichtig zijn met al te directe interpretaties. De vroegste vermelding van de door ons gezochte spreuk ‘Fac et spera’ vonden wij in het emblemataboek Centuria Secunda, een werk uit 1613 van de Duitse toneelschrijver Gabriel Rollenhagen (1583-1619). Zijn zevende embleem draagt in 8

het randschrift van de afbeelding de tekst fac et spera (afb. 4). Uitvoerende kunstenaars van de prenten zijn Crispijn van de Passe (I) en Jan Janszoon (I). In de voorstelling zien we een elegante, sterke vrouwenfiguur die een spade in de grond steekt, in dezelfde houding als de spitters op de tegel en op het kerkzegel. De zonnestralen uit het Hebreeuwse tetragram beschijnen ook haar, terwijl op de achtergrond een man het land bewerkt. De betekenis van de tekst, te vertalen als: ‘Doe en Hoop’ is duidelijk tweeledig. Welvaart wordt behaald door hard te werken, maar ook door het geloof dat God je werk met opbrengst zal zegenen. Het is het Hebreeuwse tetragram dat de prent van Rollenhagen verbindt met het Delftse kerkzegel. Dat laatste was er al in 1589, maar er zijn waarschijnlijk oudere grafische bronnen. De spittende man blijkt al heel lang een populair motief. We vinden hem vooral als de Bijbelse Adam die, na de bittere verdrijving met Eva uit het aardse paradijs, in het zweet zijns aanschijns moet werken voor zijn brood. De uitbeelding van deze grimmige beslissing van hun Schepper ontwikkelt zich echter in de loop van de zestiende eeuw tot relatief idyllische voorstellingen. Dit heeft te maken met een omslag in het denken over arbeid. Door een meer humanistische benadering verandert de visie op arbeid: aanvankelijk vooral een Goddelijke straf, dient arbeid nu meer en meer de ontplooiing van de mens.4 We zien dit onder andere in een prent van


Afb. 5 Claes Jansz. Visscher naar Abraham Bloemaert, Als Adam spitt en Eva span, ongedateerd, gravure (coll. Graphische Sammlung Albertina, zie https://sammlungenonline. albertina.at/?query= search=/record/ objectnumbersearch=[H/ II/12/13].

de bekende zeventiende-eeuwse graveur Claes Jansz. Visscher (afb. 5). Zich baserend op een eerder werk van Abraham Bloemaert, heeft hij een voorstelling gemaakt van een spinnende Eva en een spittende Adam, met als onderschrift: Als Adam spitt en Eva span Waer was doen den Edelman. Dit intrigerende volksrijmpje blijkt dan weer sterk sociaal-kritische wortels te hebben. In het Engeland van de veertiende eeuw komt dit rijmpje ook voor: ‘When Adam delved and Eve span, who was then a gentleman?’ Het wordt toegeschreven aan John Ball, een prediker die

in 1381 de boeren steunde, die, woedend over hun uitbuiting door de aristocratie, naar Londen trokken. De toenmalige koning Richard II deed concessies om de rust te laten wederkeren, maar richtte vervolgens een slachting onder de boeren aan. Ook bij de boeren die in de vijftiende eeuw in Duitsland in opstand kwamen werd hun versie van de spittende volksheld Adam een religieusrevolutionaire slogan. In een traditionelere, religieuze context vinden we Adam met zijn schop en Eva met haar spintol ook weer terug op, bijvoorbeeld, een raamontwerp van Dirk Crabeth (ca. 1505-1574, zie afb. 6). 9


5

DNT A.03.12.08.

6 R.

Breugelmans, Fac et Spera, Joannes Maire. Publisher, Printer and Bookseller in Leiden, 1603-1657, Leiden 2003.

Afb. 6 Dirk Crabeth, ontwerp voor een raam, 1550 (coll. Rijksmuseum Amsterdam, https://www. rijksmuseum.nl/en/ collection/RP-T-1936-6, geraadpleegd op 2 november 2020).

10

J oannes M aire We keren nu terug naar de tegel die hier centraal staat. Ze blijkt ook al te zijn gedocumenteerd door Jan Pluis in De Nederlandse Tegel.5 Hij noemt daar ‘Fac et spera’ als het drukkersdevies van de uitgever Saverij te Dordrecht. Dit brengt ons in de drukkerswereld. De boekhistoricus R. Breugelmans schreef een studie over de zeventiende-eeuwse Leidse drukker en boekverkoper Joannes Maire, die eveneens ‘Fac et spera’ als devies gekozen had.6 Deze Joannes Maire (ca. 1576/1578-1660), telg uit een Waalse protestantse familie die om religieuze redenen vanuit Brugge naar de Noordelijke Nederlanden was gekomen, had van zijn vader Antoine het vak van uitgever geleerd. In 1603 nam hij in Leiden de boekhandel en uitgeverij van zijn vader over. In zijn uitgeversbestaan gaf hij meer dan vijfhonderd werken uit, onder meer van nu wereldberoemde auteurs als Hugo de Groot, Desiderius Erasmus en René Descartes. Het in die tijd als schokkend ervaren Discours de la méthode, dat in Frankrijk niet uitgegeven kon worden, werd door Maire wel geaccepteerd (afb. 7). Hij durfde risico’s te nemen waar anderen voor terugschrokken. Op de drukkersmerken van Maire komen zowel de spittende man, als het ‘Fac et spera’, als het tetragram voor. De eerste uitvoeringen toonden een vrouwenfiguur in een ovaal met de tekst ‘Fac et spera’. Later werd dit de Adamfiguur, zoals we die nu van de tegel kennen, maar soms met de tekst ‘Labore’ (werk), in plaats van ‘Fac et spera’. Waarschijnlijk nam Maire deze beide varianten


als reeds bestaande, ook door anderen gebruikte beeltenissen over. De auteur meldt dat wanneer Maire in 1626 ook een eigen drukkerij begint, hij steeds zelf nieuwe ontwerpen laat maken. In 1633 wordt de spitter geflankeerd door een lansier en een vrouwenfiguur met een pilaar, die samen de kransen rond hem vasthouden. En rond 1642 zijn die weer vervangen door twee vrouwenfiguren, de ene met een anker en een olijftak, de andere met korenaren en een hoorn des overvloeds. Een tijdlang verdwijnt ook het tetragram, maar het motto ‘Fac et spera’ houdt stand. Het moet een speciale betekenis voor hem gehad hebben en mogelijk was het zelfs zijn persoonlijke devies. In 1604 kocht hij namelijk

een huis in de Pieterskerkkoorsteeg, dat door een eerdere eigenaar of door hemzelf ‘De werckende hoope’ is genoemd, een toepasselijke vertaling van ‘Fac et spera’. Bij zijn overlijden bevatte zijn boedel verder nog een schilderij of prent (‘een stucgen’) met als titel ‘Fac et spera’. Hoewel ook anderen de spittende man als beeldmerk hebben gebruikt, heeft Johannes Maire er het langst en het meest actief mee heeft gewerkt.

H et

7

Ibidem, Pl. III-9, Device 18.

8

Met dank aan conservator drs. Prosper de Jong van Museum De Lakenhal voor zijn medewerking.

tegelvoorbeeld

Het is zeer aannemelijk dat een door Maire in zijn vele boeken gebruikt drukkersmerk met de spittende man tot voorbeeld heeft gediend van de hier besproken tegel. Even aannemelijk is het dan ook dat deze tegels in opdracht voor Maire zijn vervaardigd. Het dichtst bij de voorstelling op de tegel komt de variant die tussen grofweg 1633 en 1642 is gebruikt (afb. 8).7 De schuine onderlijn van de mansrok op deze prent en het krullend kruisen van de twee gebogen takken, komen het meest overeen met de afbeelding op de tegel. Toch kunnen we, zelfs met deze Leidse drukkersconnectie in het achterhoofd, niet met zekerheid zeggen of de tegels in Leiden zijn geproduceerd, dan wel daar zijn toegepast. Van de twee tegels uit de collectie De Goederen heeft De Lakenhal de oorspronkelijke handgeschreven bestandskaarten voor ons bekeken. Er zijn helaas geen notities aangetroffen.8

Afb. 7 Titelblad van de eerste druk van Discours de la Méthode uit 1637 door Descartes (coll. Bibliothèque nationale de France, département Réserve des livres rares, RESM-R-76, https:// gallica.bnf.fr/ark:/12148/ btv1b86069594/f5.image. Geraadpleegd op 25 oktober 2020).

11


Afb. 8 Een van de latere door Maire gebruikte drukkersmerken, die mogelijk als voorbeeld voor tegel (en spons) hebben gediend.

Fac et Spera – Do and Hope The Story behind a Leiden Printer’s Mark on Tiles A curious tile showing a man digging, surrounded by

Rollenhagen, the image having been designed by Crispijn

two half garlands – possibly an olive branch and ears

van de Passe the Elder and Jan Jansson the Elder. The

of wheat – and the text fac et spera, is discussed

motto not only has religious connotations, it also refers

Over de auteur

in some detail. A comparable motif appears on the

to the humanist notion of labour as an opportunity for

Lejo Schenk (1949) is tegelverzamelaar, voorzitter van de Stichting Vrienden Nederlands Tegelmuseum en redacteur van Tegel. Na een studie journalistiek werd hij programmamaker en directeur van de omroep IKON. Van 2000-2012 was hij directeur van het Tropenmuseum in Amsterdam.

seal of the Dutch Reformed Church in Delft, an early

man to develop himself. A print with caption by Claes

impress of which from 1589 is known. On this seal

Jansz. Visscher after Abraham Bloemaert also allows

the man digging (who might be seen as Adam after his

for a socio-critical interpretation of this digging Adam.

expulsion from the Garden of Eden) is depicted with

The motto in question is encountered as the device of

the Tetragrammaton JHWH, but without the motto

various publishing houses. The illustrious Leiden printer

‘Fac et Spera’.

Joannes Maire (1576/1578-1660) used this device the

The first occurrence of the motto is found in the

longest. He may very well have commissioned the tiles.

12

emblem book Centuria Secunda from 1613 by Gabriel


Antieke bouwwerken uit het oude Rome op tegels Jan Pluis In enkele achttiende-eeuwse series met landschappen komen elementen van Romeinse en Italiaanse architectuur voor.1 Op sommige tegels zijn de monumenten goed te herkennen, zoals de zuil van Trajanus met de Santa Maria di Loreto en de kerk van San Bernardo alle Terme. De tegels zijn gemaakt in Rotterdam, al in de tijd van Cornelis Boumeester, en korte tijd later ook in Amsterdam. De Utrechtse tegelfabriek Gebr. Ravesteijn heeft eind negentiende eeuw de oude serie ontwerpen in bezit en voert die opnieuw uit.

T

al van kunstenaars uit Noordwest-Europa trokken vanaf de zestiende eeuw over de Alpen. Zij gingen voor kortere of langere tijd naar Italië en legden hun indrukken van de ruïnes van het oude Rome vast.2 De daar gemaakte tekeningen werden niet alleen als voorbeeld voor hun schilderijen gebruikt maar ook veel voor prenten. Door deze afbeeldingen van de monumenten en oudheden raakte de klassieke vormentaal ook in het moederland bekend. Bij het herkennen van de Romeinse gebouwen op Nederlandse tegels zijn de etsen van de Italiaanse architect, ontwerper en graficus Giovanni Battista Piranesi (1720-1778) zeer behulpzaam geweest. Hij is een van de bekendste kunstenaars die Romeinse stadsgezichten maakte en gaf tussen 1748 en 1774 een reeks van 135 etsen uit onder de naam Vedute di Roma (veduta = stadsgezicht). Deze etsen in groot formaat zijn zeer gedetailleerd en betrouwbaar. Behalve de Vedute kwamen nog meer series van Piranesi op de markt die ook andere kunstenaars inspireerden. Zijn etsen (uit de tweede helft van de achttiende

eeuw) zijn weliswaar te jong om als voorbeeld voor de tegels gediend te hebben, maar zijn wel van belang voor een goed beeld van de gebouwen in het oude Rome.

1

Met dank aan Reinhard Stupperich voor zijn waardevolle adviezen. Zie verder Reinhard Stupperich, ‘Antike Motive auf niederländischen Fliesen in Ostfriesland’, in: Niederländische Wandfliesen in Nordwestdeutschland, Bramsche 1984, 89-110, met name afbeelding V.1.

2

Bijvoorbeeld Étienne du Pérac (ca. 1525-1601/1604, in Rome van 1554 tot 1578/1581), Aegidius Sadeler II (1568–1629, in Rome en verder door Italië van 1593-1594), Jan Brueghel (I) (1568-1625, in Rome 15921594, in Italië van 1590-1596), Guilliam van Nieulandt II (15841635, in Rome van 1601-1604), Gabriël Perelle (1620-1695) en J. Ossenbeeck (ca. 1624-1674, in Rome van 1644-1655).

Afb. 1 De kerk Santa Maria di Loreto in achtkant met lof, tegelbakkerij aan de Delftsevaart, Rotterdam, ca. 1720, geschilderd door Cornelis Boumeester (foto Wilhelm Joliet).

13


3

F. Coarelli, Rom. Ein archäologischer Führer, Freiburg 1975, 117 e.v.

4

Zie bijdrage van Johan Kamermans over Rambouillet in dit jaarboek, 23-27.

Afb. 2 Zuil van Trajanus en Santa Maria di Loreto, prent in Abgebildetes Neues Romm, Arnhem 1662 (foto Bayerische Staatsbibliothek, München).

D e zuil van T rajanus M aria di L oreto

met de

S anta

Op Nederlandse tegels worden vanaf ongeveer 1720 voorstellingen met herkenbare bouwwerken uit zowel de oudheid als de zestiende eeuw aangetroffen. De vroegst bekende tegel met een monument uit Rome is van de hand van de

Rotterdamse tegelschilder Cornelis Boumeester (1652-1733). De voorstelling is toegepast in kasteel Rambouillet (ca. 1730), zowel in een landschap heel over als in een achtkant met lof (afb. 1).4 De tegel geeft een beeld van de kerk Santa Maria di Loreto vlakbij de zuil van Trajanus. Maar op de plaats waar de zuil zou

Zuil van Trajanus

14

De zuil is opgericht ter herinnering aan de oorlogen

van Trajanus, bekroond met een adelaar, werd in 113

die keizer Trajanus voerde om Dacië (globaal het

ingewijd. Toen Trajanus in 117 overleed werd de zuil

huidige Roemenië) te onderwerpen.3 Deze veldtochten

zijn grafmonument en werd de adelaar vervangen

zijn als een doorlopend verhaal verbeeld in een mar-

door een zes meter hoog standbeeld van hem. In

meren fries met een lengte van 180 meter, die zich

1587 werd hier een standbeeld van de heilige Petrus

in een spiraal rondom de zuil wentelt. De zuil

geplaatst (afb. 2).


Afb. 3 Zuil van Trajanus en de kerk Santa Maria di Loreto, landschap in achtkant met cupido’s (DNT B.12.00.05), Rotterdam, ca. 1735 (coll. Nederlands Tegelmuseum, inv.nr. 00364-00367). Afb. 4 Zuil van Trajanus en de kerk Santa Maria di Loreto, landschap in spitse accolades met kwartrozet (DNT A.03.01.71), Rotterdam, ca. 1740 (coll. Museum de 5000 Morgen, Hoogeveen). 3

4

Afb. 5 Zuil van Trajanus en de kerk Santa Maria di Loreto, landschap in dubbel gebogen achtkant met geparelde rand, hoekmotief kwartrozet (DNT A.03.01.34), Rotterdam, ca. 1730-1740 (coll. Keramiekmuseum Princessehof, Leeuwarden, inv.nr. NO 08922.C). Afb. 6 Zuil van Trajanus en de kerk Santa Maria di Loreto, landschap heel over (DNT A.03.01.09), Amsterdam, ca. 17401750 (coll. Rijksmuseum, Amsterdam, inv.nr. BK-1955-348-A).

5

Santa Maria di Loreto De Santa Maria di Loreto is een kerk aan de westkant van het Forum van Trajanus. Op de resten van een vroegere kerk werd in 1507 de huidige gebouwd door Antonio di Sangallo. Zeventig jaar later werd de koepel toegevoegd (afb. 2).

6

moeten staan heeft Boumeester twee cipressen geschilderd. Al vrij snel ontstaat in Rotterdam een tegelontwerp waarop de zuil wel geschilderd is (afb. 3). Deze tegels lijken niet door Boumeester zelf te zijn geschilderd, maar door iemand uit zijn naaste omgeving. Op de prent in het in 1662 door Johann Friederich Haagen uitgegeven boek 15


Afb. 7 Zuil van Trajanus en de kerk Santa Maria di Loreto, landschap in cirkel, hoekmotief anjer (DNT A.03.01.28), Amsterdam, ca. 1760 (uit een pand in De Rijp). Afb. 8 Zuil van Trajanus en de kerk Santa Maria di Loreto, landschap in cirkel, hoekmotief anjer (DNT 03.01.28), d'Oude Prins, Anjeliersstraat, Amsterdam, ca. 1780, geschilderd door Gerrit de Graaf (coll. Rijksmuseum, Amsterdam; BK-1955-308-A).

5

Antonio Bosio en Albert Reimarus, Abgebildetes Neues Romm: darinnen die heute verhandene Kirchen, H. Leiber, Reliquien, Ablaß, Klöster, Hospitäle, BehtCapellen, Societäten der Weldt-Personen, Collegia, Hohe-Schulen, Palläste, Gebäwe, Gemählde oder Schildereyen ..., uitgegeven door Johann Friederich Haagen, Arnhem 1662, met 82 gravures, zie http:// mdz-nbn-resolving.de/ urn:nbn:de:bvb:12-bsb109 19411-0 scan 948 (fol. 754).

6

Het Rijksmuseum te Amsterdam bezit twee grote velden met landschappen heel over, zowel van Boumeester uit Rotterdam, als Amsterdamse tegels door elkaar (BK-1955-348-A, B).

16

7

8

Abgebildetes Neues Romm, staat de zuil van Trajanus prominent in het midden en zijn op de achtergrond cipresvormige bomen te zien (afb. 2). Mogelijk was dat de inspiratiebron voor de keuze die Boumeester maakte.5 Opvallend is de boom rechts naast de Santa Maria di Loreto; die is niet op de prenten aangetroffen, maar komt wel op alle bekende tegels voor. In de oude collectie van notaris Nanne Ottema, de oprichter van Keramiekmuseum Princessehof te Leeuwarden, bevindt zich een paarse uitvoering (afb. 5). Kort na 1740 wordt de voorstelling met de zuil van Trajanus ook geschilderd in beide tegelbakkerijen in Amsterdam, De Twee Romeinen aan de Prinsengracht en d’Oude Prins in de Anjeliersstraat (afb. 6). Daarop is de zuil bekroond met het standbeeld van Petrus, dat ontbreekt in de oudere Rotterdamse versie.6 De opzet van het ontwerp blijft daarna ongewij-

zigd en is tot het einde van de achttiende eeuw in gebruik. In een smuiger in De Rijp komt de voorstelling voor in een uitvoering van omstreeks 1760 (afb. 7). Iets later, rond 1770-1780, werd dezelfde voorstelling geschilderd door Gerrit de Graaf (1732-1794), die vanaf circa 1764 werkzaam was in de tegelbakkerij d’Oude Prins aan de Anjeliersstraat (afb. 8). Tenslotte duikt de voorstelling ruim honderd jaar later op in Utrecht, zij het dat de monumenten nu aan een oever lijken te liggen (afb. 9). In het Tresoar te Leeuwarden worden sponsen bewaard die Friese tegelbakkers in het begin van de twintigste eeuw overnamen uit Utrecht, en daarbij hoort een serie die oorspronkelijk afkomstig was van de tegelbakkerij aan de Delftsevaart te Rotterdam en deels (14 sponsen) nog door Cornelis Boumeester is gebruikt. Voor een deel zijn die voorstellingen omstreeks 1890 opnieuw getekend op calqueerpapier en doorgeprikt; dit


Afb. 9 Zuil van Trajanus en de kerk Santa Maria di Loreto, landschap heel over, Gebr. Ravesteijn, Utrecht, ca. 1890 (foto David Jenkinson). Afb. 10 Spons op calqueerpapier van de zuil van Trajanus en de kerk Santa Maria di Loreto, Gebr. Ravesteijn, Utrecht, ca. 1890 (coll. Tresoar, Leeuwarden). 9

10

geldt ook voor de zuil van Trajanus met de kerk (afb. 10).

in 1670 die de koepel grotendeels aan het gezicht onttrok. De situatie na de verbouwing is op de prent van Giuseppe Vasi te zien, met het nieuwe dak. Het voorbeeld voor de tegels moet dus een prent zijn van vóór 1670. De architectuur van de ingang, zoals Vasi die weergeeft, komt wel meer overeen met de tegels; die moet dus tot het oudere of oorspronkelijke ontwerp van de kerk behoren. Opvallend is dat op een negentiendeeeuwse Bijbeltegel met de inwijding van de tempel van Salomo een vergelijkbaar gebouw met een ronde koepel te zien is (afb. 14).

S an B ernardo

alle

T erme

Op enkele tegels lijkt de kerk San Bernardo alle Terme te zijn afgebeeld, al is er niet een eenduidig prentvoorbeeld gevonden. De prenten van Battista Mercati (afb. 11), Israel Silvestre (afb. 12) en Giuseppe Vasi (afb. 13) geven een goed beeld van deze kerk. De prent van Israel Silvestre toont een koepel zoals op de tegels, maar de kerk is nog vrij laag, vóór de verhoging van de buitenmuren

San Bernardo alle Terme De kerk San Bernardo alle Terme is een rondbouw

(eind derde eeuw n.Chr.). De kerk is genoemd naar

(vergelijk het Pantheon), die in 1598 voor een

de heilige Bernardus van Clairvaux (1090-1153),

afsplitsing van de cisterciënzer kloosterorde werd

een belangrijke abt uit het begin van de cisterciënzer

gebouwd op de fundamenten van de noordwesthoek

orde. In 1670 werd de antieke buitenmuur verhoogd

van de door keizer Diocletianus gebouwde thermen

in barokstijl (afb. 11-13).

17


Afb. 11 Thermen van Diocletianus met de San Bernardo alle Terme te Rome, ets door Giovanni Battista Mercati (1591– 1645), 1629. Nog met het oude dak van vóór 1670 (coll. Rijksmuseum, Amsterdam, inv.nr. RP-POB-36.480). Afb. 12 San Bernardo alle Terme, ets van Israel Silvestre (1621-1691) (coll. Wellcome Library, inv.nr. 22477i).

11

12

Ravesteijn te Utrecht in de productie gekomen, voor een deel opnieuw getekend op calqueerpapier (afb. 19 en 20).

Afb. 13 Kerk San Bernardo alle Terme, prent van Giuseppe Vasi (17101782), 1756 (foto https:// www.artsy.net/artwork/ giuseppe-vasi-chiesa-dis-bernardo-alla-terme-emonastero-dei-monaci-delmedisimo-santo-2-stradapia, geraadpleegd op 19 juli 2020).

De tempel van Salomo Een overeenkomst van de San Bernardo met weergaven van de tempel van Salomo is misschien niet helemaal toeval. Vanaf de zestiende eeuw is er door architecten en geleerden diep nagedacht over het uiterlijk van de tempel van Jeruzalem, en veel 13

De oudst bekende weergave van de San Bernardo alle Terme op een tegel is van Amsterdamse herkomst, ca. 1730-1740 (afb. 15). Verder zijn er verschillende Amsterdamse anjertegels bekend (ca. 1730-1750, zie bijvoorbeeld afb. 16), tegels met een ossenkop (ca. 1760, afb. 17) en tenslotte de fijne anjertegels van Gerrit de Graaf (ca. 1770-1780, afb. 18). Op Rotterdamse tegels is deze voorstelling niet aangetroffen. Net zoals bij de eerder beschreven voorstellingen van de zuil van Trajanus en de Santa Maria di Loreto is ook dit Amsterdamse decor ruim honderd jaar later (ca. 1890) bij de Gebr. 18

architecten ontwierpen hun kerkgebouwen zoals ze dachten dat de tempel eruit had gezien. Jacob van Campen keek bijvoorbeeld voor zijn kerken in Hoge Zwaluwe (1639) en Renswoude (ook 1639) naar de reconstructie die Villalpando in 1604 van de tempel van Jeruzalem gemaakte had (maar dat was dan weer geen rondbouw). Daar tegenover staat dat de vorm van de San Bernardo was bepaald door Romeinse fundamenten, en daardoor wellicht minder door theorieën over de tempel. Meer hierover in Jeroen Goudeau, Denken in steen; een kleine geschiedenis van het architectuurboek, Nijmegen 2016, 72-81 over de Bijbelse architectuur.


14

15

16

Afb. 14 De inwijding van de tempel van Salomo, 1 Kon. 8:22-23, Bijbelse voorstelling (O-206) met tekst in cirkel, hoekmotief anjer, 130 x 130 x 7 mm, Utrecht, ca. 1820. Afb. 15 Kerk San Bernardo alle Terme, landschap in cirkel, hoekmotief anjer, 128 x 128 x 7 mm, Amsterdam, ca. 1730-1740. Afb. 16 Kerk San Bernardo alle Terme, landschap in cirkel, hoekmotief ossenkop, 128 x 128 x 7 mm, Amsterdam, ca. 1730-1750. Ravesteijn, Utrecht, ca. 1890. Afb. 17 Kerk San Bernardo alle Terme, landschap in cirkel, hoekmotief anjer, Amsterdam, ca. 1760. 17

18

Afb. 18 Kerk San Bernardo alle Terme, landschap in cirkel, hoekmotief anjer, d'Oude Prins, Anjeliersstraat, Amsterdam, ca. 1770-1780, geschilderd door Gerrit de Graaf (coll. Rijksmuseum, Amsterdam, BK-1955-308-A). Afb. 19 Spons op calqueerpapier van de kerk San Bernardo alle Terme, Gebr. Ravesteijn, Utrecht, ca. 1890 (coll. Tresoar, Leeuwarden). Afb. 20 Kerk San Bernardo alle Terme, landschap in cirkel, hoekmotief anjer, 130 x 130 x 7 mm, Gebr. Ravesteijn, Utrecht, ca. 1890.

19

20

19


Afb. 21 De Dioscurentempel op het Forum Romanum met een bron als drinkplaats voor dieren, landschap in cirkel, hoekmotief anjer, Amsterdam, ca. 1750. Afb. 22 Gezicht op het Forum Romanum, ets van Giovanni Battista Piranesi (1720-1778) met de tempel van Castor en Pollux. In de achttiende eeuw meende men dat dit de tempel van Jupiter Stator was, zoals uit de legenda van deze prent blijkt, 377 x 592 mm (coll. Rijksmuseum, Amsterdam, inv.nr. RP-P-1941-621).

21

O verige

22 monumenten

Er zijn meer tegelvoorstellingen van het oude Rome die af en toe voorkomen op Amsterdamse of Utrechtse tegels. Afbeelding 21 toont drie hoge zuilen met hun verbindende hoofdgestel, heel kenmerkend voor de resten van de tempel van Castor en Pollux op het Forum Romanum. Op de prent van Piranesi (afb. 22) zien we ook de drinkplaats voor dieren met fontein, destijds nabij de zuilen gelegen.

Dioscurentempel Castor en Pollux De tempel voor de tweeling Castor en Pollux, ook wel de Dioscuren genoemd, zou in 484 v.Chr. zijn gebouwd op het Forum Romanum als dank voor hun hulp bij de slag bij het meer van Regillus. De huidige ruïne is van de tempel die tijdens de regering van keizer Augustus werd gebouwd door 7

Coarelli, Rom, 82 e.v.

20

zijn opvolger Tiberius.7

Veel andere tegels met een klassieke bron of tempel kunnen nog niet gekoppeld worden aan bestaande monumenten in Rome (afb. 23 en 24). Sommige ruïnes doen denken aan de gravure met de tempels van Saturnus en van Vespasianus en Titus op het Forum Romanum, maar de tegelschilder ging er erg vrij mee om en plaatste deze in een typisch Hollands landschap, met een kerktoren en bootjes (afb. 25-27). Afbeelding 25 toont een zeldzaam vroeg voorbeeld van een Romeinse tempel op een tegel. Fascinerend is de tegel met een klassiek beeld op een hoge sokkel, met een havengezicht op de achtergrond (afb. 28 en 32). Mogelijk gaat het hier om een van de beelden van de Fontana dei Dioscuri, met Castor en Pollux, die elk een paard bedwingen (afb. 29). Op de tegel zijn de standbeelden van de Quirinaal niet echt duidelijk te zien. Er is er maar één, spiegelbeeldig weer-


Afb. 23 Paar bij een bron, daarachter een tempel, landschap in cirkel, hoekmotief anjer, Amsterdam, ca. 1760. Afb. 24 Paar bij een bron, landschap in cirkel, hoekmotief ossenkop, Amsterdam, ca. 1760 (Sabil-kuttab van Sultan Mustafa III, Cairo, een Koranschool gebouwd in 1758-1760, foto Jaap Jongstra). 23

24

gegeven, waarbij het paard verkeerd geïnterpreteerd is: van het hoofd is een druiventros gemaakt. De voorstelling op de tegel lijkt ook op het beeld van Perseus met het hoofd van Medusa van Benvenuto Cellini. Zolang niet het prentvoorbeeld van de tegelschilder gevonden is, blijft de voorstelling onduidelijk.

21


Afb. 25 Tempelruïne van Vespasianus en Titus (?), hoekmotief spin, Utrecht, ca. 1690. Afb. 26 Tempelruïne van Saturnus (?), landschap in achtkant op gesprenkeld fond met uitgespaarde kwartrozet (DNT A.03.01.47), Utrecht, ca. 1740. 25

26

Afb. 27 Forum Romanum. Tempel van Saturnus (links) en de Tempel van Vespasianus en Titus, anonieme gravure, naar Aegidius Sadeler (1680), naar Etienne Dupérac (1575) (coll. Rijksmuseum, Amsterdam, BI-1924-263-3). 27

22


28 29

Tempel van Saturnus

Fontein van Castor en Pollux

De tempel van Saturnus, een van de oudste in

De Quirinaal is een van de zeven heuvels van het

Rome, volgens overleveringen al uit 497 v.Chr., is

oude Rome. Hier staat het Quirinaalpaleis, in de

verschillende malen verwoest en gereconstrueerd,

zestiende eeuw gebouwd als zomerresidentie voor

tot in de vierde eeuw n.Chr. (afb.

31).8

de paus. Thans is het de officiële residentie van de Italiaanse president. Een prent van Piranesi

Tempel van Vespasianus en Titus

(afb. 29) toont als hoofdmotief de Fontein van

De tempel ter ere van de vergoddelijkte keizers

Castor en Pollux voor het Quirinaalpaleis. Bij de

Vespasianus en Titus was, eind eerste eeuw n.Chr.,

fontein staan twee standbeelden op een sokkel

de eerste grote toevoeging aan het Forum Roma-

met elk een man die een paard beteugelt. Daarom

num sinds de tijd van keizer

Augustus.9

De oudste

heette de heuvel vanaf de middeleeuwen ook wel

prenten laten zien dat de basis van de zuilen

Monte Cavallo (Paardenheuvel). Het gaat hier

in de zestiende eeuw onzichtbaar was door de

om de mythologische tweeling Castor en Pollux,

eeuwenlange ophoging en sedimentatie van het grondniveau.

Afb. 28 Fontein van Castor en Pollux bij het Quirinaalpaleis (?), Amsterdam, ca. 1730 (coll. Nederlands Tegelmuseum, collectie Dingeman Korf, DK00470). Afb. 29 Fontein van Castor en Pollux bij het Quirinaalpaleis, ets van Giovanni Battista Piranesi, 1748-1778 (coll. Rijksmuseum, Amsterdam, RP-P-2009-637).

8

Ibidem, 74.

ook de Dioscuren genoemd. Deze beelden zijn

9

Ibidem, 75.

oorspronkelijk gemaakt voor de Thermen van

10

keizer Constantijn en in 1585 verplaatst naar het Piazza del Quirinale.10

Stefan Geppert, ‘Die monumentalen Dioskurengruppen in Rom’, in: Antike Plastik 25 (1996) 33-147.

23


30

31

Afb. 30 Kerk San Bernardo alle Terme, Amsterdam, ca. 1760 (coll. Museo Catedralicio, Cádiz).

Afb. 31 Zuil van Trajanus en de kerk Santa Maria di Loreto, Amsterdam, ca. 1760 (coll. Museo Catedralicio, Cádiz).

11

Wilhelm Joliet, ‘Niederländische Fliesen des 18. Jahrhunderts im Museum der Kathedrale von Cádiz '(Spanien)‘, in: Die Geschichte der Fliese, www.geschichte-der-fliese.de/ catedra.html (geraadpeegd op 22-5-2020). Zie ook https:// www.catedraldecadiz.com/ casa-de-la-contaduria/.

In het museum van de kathedraal te Cádiz (Museo Catedralicio - Casa de la Contaduría) bevinden zich twee kasten die aan de binnenkant betegeld zijn met onder andere landschappen uit

32

Afb. 32 Fontein van Castor en Pollux bij het Quirinaalpaleis (?), Amsterdam, ca. 1760 (coll. Museo Catedralicio, Cádiz).

Amsterdam van omstreeks 1760.11 Daarbij zijn ook drie van de hier besproken voorstellingen uit het oude Rome, oude toepassingen die hier samen voorkomen (afb. 30-32).

Antique Monuments from Ancient Rome on Tiles Some eighteenth-century landscape series show features

Maria di Loreto and the church of San Bernardo alle

of Roman and Italian architecture. Starting in the

Terme. The tiles were made in Rotterdam, as early as in

sixteenth century, many artists from north-west Europe

Cornelis Boumeester’s time, and shortly afterwards in

crossed the Alps. Their depictions of monuments and

Amsterdam as well. The Ravesteijn Bros. Tile Factory

antiquities made the classical style known in their

in Utrecht possessed the original designs at the end of

Over de auteur

home countries. On some tiles the monuments are

the nineteenth century and made a new set of tiles from

Zie pagina 36.

easily recognizable, such as Trajan's column with Santa

them.

24


De betegelde badkamer van Rambouillet Johan Kamermans Op de woelige baren drijft een overboord geslagen tonnetje met de letters CBM, de signatuur van de Rotterdamse tegelschilder Cornelis Boumeester (afb. 1). Deze is aangebracht op twee tableaus met uitzicht op de havens van Rotterdam en Amsterdam (afb. 2 en 3). Deze tableaus bevinden zich, met vier grote, veelkleurige tableaus van bloemvazen en een duizendtal Rotterdamse landschapstegels, in de badkamer van de graaf van Toulouse, in het kasteel Rambouillet (afb. 4). Het ensemble geldt als een van de juwelen van de Nederlandse tegelexport in de achttiende eeuw.1

D

e tegelkamer is in de afgelopen eeuw meermaals uitgebreid beschreven, vooral door jonkvrouw dr. C.H. de Jonge in 1959 en Bruno Bentz in 1993.2 Wilhelm Joliet heeft uitvoerige documentatie en toeschrijvingen op zijn website gepubliceerd.3 Afgelopen jaar verscheen een nieuw artikel in het jaarboek van de Vrienden van het Franse nationale keramiekmuseum in Sèvres, door Renaud Serrette. Hij werkt als onderzoeker voor het Centre des monuments nationaux en publiceert met name over de grote kastelen en landhuizen van de zeventiende en achttiende eeuw. Na uitgebreid bronnenonderzoek brengt hij in zijn artikel enkele verrassende vondsten boven water; tegelijkertijd heeft hij belangrijke recente Nederlandse literatuur gemist. Bij elkaar reden om in Tegel aandacht te besteden aan de badkamer en het nieuwste onderzoek. De badkamer is aangelegd voor Lodewijk Alexander van Bourbon, graaf van Toulouse (16781737), Admiraal van Frankrijk, een erkende

zoon van koning Lodewijk XIV bij zijn maîtresse Madame de Montespan. Hij verwierf het middeleeuwse kasteel Rambouillet in 1706 en liet dit vanaf de jaren twintig uitgebreid verbouwen, nadat hij zich min of meer uit het publieke leven had teruggetrokken en een geheim huwelijk had gesloten met de jonge weduwe Marie-Victoire de Nouailles. Bij de verbouwing hoorde, zoals in veel koninklijke paleizen uit die tijd, een badkamer. Deze werd aangelegd op de begane grond van een aangebouwde vleugel, aan de tuinzijde, onder de grafelijke appartementen, en was via een trap rechtstreeks bereikbaar vanuit het appartement van de gravin. In de administratie bleef alleen het totaalbedrag voor de aanleg van de badkamer bewaard, 3.637 livres en 15 sols in de jaren 1730-1736.4

1

Bespreking van Renaud Serrette, ‘La salle des bains du Comte de Toulouse à Rambouillet’, in: Sèvres. Revue de la Societé des Amis du musée national de Céramique, 28 (2019) 34-51.

2 C.H.

de Jonge, ‘Hollandse tegelkamers in Duitse en Franse kastelen’, in: Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 10 (1959) 125-209; Bruno Bentz, ‘Rambouillet’, in: Bruno Bentz (ed.), Châteaux de Faïence. XIV-XVIII siècle, Marly-le-RoiLouveciennes 1993.

3

Website Wilhelm Joliet, http:// www.tegels-uit-rotterdam.com/ rambouillet_beeld.html, gezien op 25 maart 2020.

4

Serrette, ‘La salle des bains’, 34-36.

Afb. 1 Signatuur van Cornelis Boumeester op een havengezicht van de stad Amsterdam, in kasteel Rambouillet, detail van afbeelding 3, zie p. 25 (© reproductie Benjamin Gavaudo / Centre des monuments nationaux (CMN), BGW16-0255).

25


5

Ibidem, 40-41.

6

Ibidem, 44.

Afb. 2 Havengezicht van de stad Rotterdam, in kasteel Rambouillet (© reproductie Benjamin Gavaudo / CMN, BGW16-0254).

Een detail, dat Bentz overigens ook al kende, is de aankoop in 1732-1733 van 24.100 tegels uit Valencia, waarvan er vierduizend nadrukkelijk voor Rambouillet bestemd waren. Deze werden gebruikt als vloertegels en de meeste zijn in de loop der tijd wegens schade vervangen door replica’s. De resterende originele vloertegels bevinden zich langs de randen van de badkamer. Deze vloertegels werden in de afgelopen eeuw achtereenvolgens toegeschreven aan werkplaatsen in Rouen, Lisieux, Nevers en Saint-Cloud. De kostprijs voor de Spaanse tegels lag ongeveer op een kwart van die van de Franse tegels, en als Admiraal van Frankrijk kon de graaf van Tou26

louse zijn vracht kosteloos over de zee en rivieren laten transporteren.5 De meest opmerkelijke vondst van Serrette betreft een rekening voor de aankoop en het zetten van de vier bloemvaastableaus (afb. 5): eerst een paar tableaus in 1778, en vervolgens een ander, qua ontwerp afwijkend paar in 1779, samen 411 tegels.6 Een verklaring voor die koop kan zijn dat een deel van de oorspronkelijke betegeling onherstelbaar beschadigd was. Deze tableaus zijn namelijk aangebracht op de houten toegangsdeuren naar de badkamer. Wat er voorheen zat is onbekend, maar vermoedelijk ging het om vergelijkbare bloemvaastableaus.


7

Ingrid de Jager en Nora Schadee (red.), Tegels uit Rotterdam 1609-1866, Zaltbommel/Rotterdam 2009, over Boumeester zie 94-103; Jan Pluis en Prosper de Jong, ‘Tegels en tegeltableaus van Cornelis Boumeester’, in: Tegel 41 (2013) 13-35, over Rambouillet zie 28-29.

Afb. 3 Havengezicht van de stad Amsterdam, in kasteel Rambouillet (© reproductie Benjamin Gavaudo / CMN, BGW16-0255).

De tableaus die in 1778 en 1779 ter vervanging verworven werden, waren destijds niet nieuw en moeten tweedehands verkregen zijn. Stilistisch zijn ze zeker aan de jaren voor 1730 toe te schrijven. De hertog van Penthièvre, zoon van de graaf van Toulouse, wilde misschien geen stijlbreuk of modernisering in zijn herstel van de badkamer en heeft passende, oude materialen laten uitzoeken. In de afgelopen twintig jaar zijn verschillende overzichtswerken en artikelen verschenen over de Rotterdamse tegelbakkers, en over de tegelschilder Cornelis Boumeester.7 Met name Jan Pluis en Prosper de Jong hebben aangetoond dat Boumeester niet alleen grote tableaus schilderde,

maar ook series tegels met Bijbelse voorstellingen en landschappen. Daarbij hebben zij de kenmerkende details van zijn stijl in kaart gebracht, en de verschillen met minstens één andere goede, naamloze Rotterdamse schilder uit zijn tijd. Het nieuwe inzicht dat een groot deel van de landschappen in Rambouillet (de typen ‘landschap heel over’ en ‘landschap in achtkant met lof’, afb. 6 en 7) ook door Boumeester zelf geschilderd is, is niet gesignaleerd door Serrette, en dat is eigenlijk een gemiste kans in zijn overzichtsartikel. Heel recent gepubliceerd, en in het algemeen nog te weinig opgemerkt, is de vondst door Jaap 27


08

Jaap Jongstra, ‘Delfts blauw: van imitatie tot wereldmerk’, in: Karin Gaillard (red.), Made in Holland. Het wereldsucces van Nederlandse keramiek, Zwolle/Leeuwarden 2018, zie 24-25 en voetnoot 30.

09

De Jonge, ‘Hollandse tegelkamers’, 200-207.

10

Wilhelm Joliet, ‘De haan en de papegaai op bloemvaastableaus’, in: Tegel 27 (1999) 30-31.

Afb. 4 De badkamer van de graaf van Toulouse (foto Chatsam 2017, CC BYSA 3.0, https://commons. wikimedia.org/w/index. php?curid=64594153).

28

Jongstra van twee advertenties die de Rotterdamse tegelbakker Hendrick Schut in augustus 1714 plaatste in de Opregte Haerlemsche Courant. Hij prijst zijn waren aan, gemaakt in zijn tegelbakkerij aan de Delftsevaart, met onder meer ‘nieuw geinventeerde Bloem-Vasen, levensgrootte, met veelderley Bloemen en fraeye Vogels, alles in sijn couleuren playsierig geschildert, (…) Alles door een braef meester konstig geschildert’.8 Vroegere generaties waren er altijd van overtuigd dat de veelkleurige bloemvazen alleen een Delfts product konden zijn. Jonkvrouw De Jonge probeerde omstandig aan te geven welke samen-

werkingsverbanden er voor Rambouillet al niet bestaan konden hebben tussen Rotterdamse en Delftse bedrijven, want de signatuur van Boumeester op de havengezichten was onloochenbaar.9 Joliet toonde later aan dat de landschapstegels uit Rotterdam komen, en dat de nummering op de achterkant van een bloemvaastableau uit het Rijksmuseum eveneens overeenstemt met die op bekende Rotterdamse tableaus.10 De advertentie die Hendrick Schut plaatste levert een nog overtuigender bewijs van de herkomst van het tegelwerk in Rambouillet, en het artistieke belang van de ‘braef meester’ Cornelis Boumeester.


Afb. 5 Bloemvaastableau, veelkleurig, geschilderd door Cornelis Boumeester, Rotterdam, ca. 1720-1730, geplaatst in kasteel Rambouillet ca. 1778-1779 (© reproductie Benjamin Gavaudo / CMN, BGW16256). Afb. 6 Landschap heel over, burcht met vuurbaak, in kasteel Rambouillet (© reproductie Benjamin Gavaudo / CMN, BGW160240). Afb. 7 Landschap in achtkant met lof, boerderij met vee, in kasteel Rambouillet (© reproductie Benjamin Gavaudo / CMN, BGW160247).

Over de auteur

The Tiled Bathroom at Rambouillet Castle The 2019 Yearbook of the French National Ceramics

the article, establishes that the flowerpot pictures were

Museum at Sèvres contains a well-documented article

acquired second-hand for restoration purposes in the

about the bathroom at Rambouillet Castle. The Count

years 1778-1779. There is also a tiled floor for which

of Toulouse had it constructed in the years 1730-1736

the tiles were commissioned in Valencia. Unfortunately

for himself and his wife with sumptuous tile-clad walls:

the author failed to consult recent Dutch literature

over a thousand landscape tiles, four polychrome

indicating that not only the harbour scenes, but also

flowerpot tile pictures, and two harbour scenes signed

the polychrome flowerpot pictures and the numerous

by Cornelis Boumeester. Renaud Serrette, the author of

landscape tiles were painted by Boumeester himself.

Johan Kamermans (1966) is conservator van het Nederlands Tegelmuseum (sinds 1999) en redactielid van Tegel. Hij heeft economische en sociale geschiedenis alsook mediëvistiek gestudeerd aan de Universiteit Utrecht en is gepromoveerd in Wageningen op een onderzoek naar de materiële cultuur in de Krimpenerwaard in de zeventiende en achttiende eeuw.

29


Tegeltableaus met dieren van Gebr. Ravesteijn/ Westraven naar litho’s van Joseph Scholz Jan Pluis 1

Met dank aan Kees Bazuine voor zijn medewerking.

Omstreeks 1900 is er door de Utrechtse tegelfabriek Gebr. Ravesteijn (vanaf 1908 Westraven) een reeks dierentableaus aan het aanbod toegevoegd. Deze tableaus zijn geschilderd naar litho’s van de Duitse uitgeverij Jos. Scholz te Mainz. De vondst van twintig litho’s die afkomstig zijn uit de voormalige fabriek Westraven, met gebruikssporen, was aanleiding om de tot nu bekende tableaus (dertien voorstellingen) onder de loep te nemen.1

D

e nieuwe dierentableaus zijn omstreeks 1900 vooral aangebracht in boerderijen te Rouveen en Staphorst. Veelal zijn ze verspreid opgenomen in een wit betegelde wand. Meestal hebben deze tableaus geen omlijsting, anders dan een zwarte en gele lijn. Soms is er alleen een lijst van losse randtegels en anders een geïntegreerde omlijsting (afb. 1 en 2).

Afb. 1 Tegelwand in een boerderij te Rouveen met enkele Utrechtse dierentableaus (linksmidden: duiven; boven de kastdeuren: eenden). Het tableau van vier tegels met een paard boven de deur is vervaardigd door de gleibakkerij Jan van Hulst te Harlingen (foto’s auteur, tenzij anders aangegeven).

30

De veelkleurige tableaus zijn zes, negen of twaalf tegels groot. Alle tegels van een tableau zijn aan de achterzijde gemerkt met dezelfde letter en een nummering die oploopt van linksonder naar rechtsboven (afb. 3). De voorstellingen kunnen ook gespiegeld voorkomen. Vergelijk bijvoorbeeld de sint-bernardshond van afbeelding 4 met het interieur van afbeelding 2 of de bijlage, afb. 15b.


Bij een paar gespiegelde tableaus met patrijzen is het ene gemerkt met een enkele letter K, en het spiegelbeeld met een dubbele letter (afb. 3).

U itgeverij J os . S cholz Joseph Scholz (1768-1813) was de oprichter van een groothandel in schrijfbenodigdheden in Wiesbaden.2 Zijn zoons bouwden het bedrijf uit tot een uitgeverij, die in 1830 van Wiesbaden naar Mainz verhuisde. Van 1832 – 1835 waren de jongste zoons Christian en Anton samen eigenaar van het bedrijf, vanaf 1835 was Christian Scholz (1806-1880) de enige eigenaar. Onder zijn leiding groeide het bedrijf uit tot een succes-

volle, internationale onderneming, aanvankelijk door het produceren van lithografieën voor verschillende doeleinden. Vanaf circa 1840 ontwikkelde het bedrijf zich tot een van de eerste en grootste uitgeverijen van kinderboeken van Duitsland. Tal van prentenboeken, kleurplaten, bordspellen, kinder- en jeugdboeken werden uitgegeven. Het bedrijfsarchief is in 1945 in de oorlog verloren gegaan. In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd het bedrijf opgeheven.

L itho ’ s

2

Zie artikel over Christian Scholz (Verleger) op Wikipedia, https://de.wikipedia.org/wiki/ Christian_Scholz_(Verleger), geraadpleegd op 28-3-2020.

3

Met dank aan Tom Mensink, beheerder van de website www.verzamelinginbeeld.nl, waarop ongeveer 30.000 unieke schoolplaten te zien zijn uit binnen- en buitenland.

van dieren

Vanaf 1870 werd aan het grote assortiment een serie van 67 dierenplaten toegevoegd, waarschijnlijk met als doel mensen de grote rijkdom van het dierenrijk beter te leren kennen.3 Om een

Afb. 2 Tegelwand in een boerderij te Rouveen met enkele Utrechtse tableaus (Paardenmarkt ‘Landmans Welvaart’, boer met paard en boerin met koe, katten en sint-bernardshond). Afb. 3 Twee kolommen van het tableau patrijzen (zie bijlage, afb. 11b). De linkerkolom is omgedraaid zodat de nummering zichtbaar is. De tegel linksonder is 1, de tweede rij begint met 4, de bovenste rij met 7.

31


Afb. 5 Signatuur C. Weigand en het jaartal 1873, detail van de litho met een ijsbeer, nummer 28a (coll. Rijksmuseum, Amsterdam; RP-P OB-201.054/ permalink http://hdl.handle.net/10934/RM0001. COLLECT.534032, geraadpleegd op 29-3-2020).

Afb. 6 Signatuur AK, detail van de litho met schapen (nummer 36, zie bijlage, afb. 5a). Afb. 4 Sint-bernardshond, Utrecht, 2 x 3 tegels, omlijst door randtegels (DNT A.14.06.04). Uit een op 30 mei 1995 gesloopt tegelinterieur van een boerderij te Staphorst (vergelijk met bijlage, afb. 15b).

4

5

I n de collectie van het Rijksmuseum, Amsterdam, bevinden zich de ijsbeer van C. Weigand en vier dieren van P. Scotti (lama 45n, haas 45a, olifant 47, wolf 49n). De signatuur AK is te vinden op litho’s uit de collectie van Westraven (sint-bernardshond 730, schapen 36, kalkoen 26, katten 734 en geit 732; ook de litho varken 781 is gesigneerd door AK). Christa Piekse, Bilder für jedermann, Wandbilddrucke 1840-1940, Berlin 1988, 58; Nico Boerma, Aernout Borms, Alfons Thijs en Jo Thijssen, Kinderprenten, Volksprenten, Centsprenten, Schoolprenten, Populaire grafiek in de Nederlanden, 1650-1950, Nijmegen 2014, 29.

32

zo groot mogelijke doelgroep te bereiken werd de naam van de diersoort op de plaat er in vijf talen onder gezet, van links naar rechts: Frans, Engels, Duits, Italiaans, Nederlands. Een deel van de platen heeft een nummer onder de 100, deze zullen uit de jaren zeventig dateren; latere platen kregen een nummer boven de 700. Sommige platen zijn gesigneerd en gedateerd, bijvoorbeeld door C. Weigand in 1873 (afb. 5), P. Scotti of AK (afb. 6).4 Van deze tekenaars zijn verder geen gegevens bekend. De litho’s van Jos. Scholz zijn gemerkt, de oudste serie met JS (afb. 7), de latere serie met als merk een op de punt staande driehoek met de letters JSM (Joseph Scholz Mainz) en een posthoorn (afb. 8 en 9). De litho’s, met het weinig gangbare formaat van

33 x 45 cm, werden als blad verkocht en kwamen ook als schoolplaat op de markt. De losse bladen konden worden ingelijst en dienden op scholen als wanddecoratie, als lesmateriaal, of om aan kinderen te geven als beloning.5

D ierentableaus W estraven

van

G ebr . R avesteijn /

Recent werd een set van twintig litho’s uit deze serie met dieren te koop aangeboden, afkomstig van de voormalige tegelfabriek Gebr. Ravesteijn/ Westraven. Bij de sluiting van het bedrijf in Utrecht is het bedrijfsarchief grotendeels verloren gegaan. Kees Bazuine, wiens vader en grootvader hier bedrijfsleiders waren in de periode 19321960, heeft in de afgelopen vijfentwintig jaren veel moeite gedaan om enigszins verantwoorde gegevens en bronnen te vinden. Er hebben zich


7

9

8

ook wel oud-werknemers van Westraven bij hem gemeld, die hem in de gelegenheid stelden om verspreid geraakte archiefstukken of gegevens te kopiëren. Door deze litho’s met gebruikssporen

kunnen de Utrechtse dierentableaus met zekerheid aan Westraven worden toegeschreven. Aan de achterzijde van alle litho’s van Gebr. Ravesteijn/Westraven is het getal 85 gesjabloneerd, vermoedelijk een oud serienummer (afb. 10). Op de litho met het hert staat met potlood aan de voorzijde geschreven 550658 (serie 55, zes tegels, 58 staat voor de voorstelling: Beesten, zie bijlage, afb. 22a). Dat is dus een latere nummering; de serie bleef blijkbaar lang in het aanbod, tot ver in de jaren twintig.6 Eén voorstelling komt twee keer voor, de haas, waarvan er een is doorgeprikt, zodat de set uit negentien verschillende voorstellingen bestaat. Twaalf van de twintig platen zijn doorgeprikt en zijn dus voorbereid om er een tableau naar te schilderen. Er zijn tot nu zeven tableaus gedocumenteerd met voorstellingen die op deze twintig platen zijn gebaseerd, en daarnaast ook nog zes tableaus die op een van de andere litho’s van Scholz gebaseerd zijn. Hij had immers een assortiment van 67 verschillende dieren. De productie van tableaus zal groter geweest zijn, er zijn zeker zes doorgeprikte litho’s waarvan nog geen tableau gedocumenteerd is. Toch is het totaal aantal gedocumenteerde tableaus vrij bescheiden, wat doet vermoeden dat er uiteindelijk toch geen heel grote vraag ontstond. In de bijlage staan de afbeeldingen van alle litho’s die afkomstig zijn van de voormalige tegelfabriek Gebr. Ravesteijn/Westraven met namen en nummers, en de daarop gebaseerde tableaus, aangevuld met enkele litho’s die in andere collecties bewaard zijn gebleven.

Afb. 7 Bedrijfsmerk Jos. Scholz omstreeks 1870, met de letters JS in ligatuur en nummer 43.a (detail van de litho met hert, zie bijlage, afb. 8a). Afb. 8 Bedrijfsmerk van Jos. Scholz, met de letters J.S.M en een posthoorn in een driehoek, en No. 36 (detail van de litho met schapen, zie bijlage, afb. 5a). Afb. 9 Bedrijfsmerk van Jos. Scholz met de letters J.S.M en een posthoorn in een driehoek, en No. 740 (detail van de litho met konijnen, zie bijlage, afb. 20a).

6

Vergelijk met getypte prijscourant van Westraven met de benamingen van de tableaus van de series 11 tot 61, jaren 1920-1930.

Afb. 10 Achterkant van de litho met patrijzen, doorgeprikt om als spons te kunnen gebruiken, met het gesjabloneerde nummer 85 (zie bijlage, afb. 11a).

33


bijlage:

L itho ’ s

van

J oseph S cholz

en dierentableaus van

G ebr . R avesteijn /W estraven

*Zie pagina 36

1a Tijger, nr. onbekend, 430 x 350 mm (coll. Fries Museum, Leeuwarden, inv.nr. C03620).

1b 2 x 3 tegels, uit een boerderij te Staphorst (coll. Nederlands Tegelmuseum, Otterlo, inv.nr. 03926-B).*

5a Schapen, nr. 36, signatuur AK, 327 x 417 mm.

2a Kalkoen, nr. 26, signatuur AK, 327 x 415 mm.

2b 3 x 3 tegels.

6a Ganzen, nr. 37, 325 x 415 mm, doorgeprikt.

3a Schapen, nr. 27, 277 x 350 mm (coll. Philographikon - Galerie Rauhut te Rottenbuch)*

4a Eendvogels, nr. 28, 327 x 415 mm, doorgeprikt.

3b 2 x 3 tegels plus randtegels, in een boerderij te Staphorst.

4b 2 x 3 tegels

7a Patrijs, nr. 41n, signatuur AK, 350 x 430 mm (coll. Rijksmuseum, Amsterdam, inv.nr. RP-POB-201.032).

8a Herten, nr. 43a, 349 x 430 mm (coll. Rijksmuseum, Amsterdam (RP-P-OB-201.028).


9a Vos, nr. 44, 328 x 417 mm.

7b 2 x 3 tegels plus randtegels, in een boerderij te Staphorst.

10a Leeuw, nr. 48, 327 x 417 mm, doorgeprikt.

10b 2 x 3 tegels, uit een boerderij te Staphorst (coll. Nederlands Tegelmuseum, Otterlo, inv.nr. 03926-A).*

11a Patrijs, nr. 52, 332 x 438 mm, doorgeprikt.

11b 3 x 3 tegels, uit een boerderij te Rouveen.

35 8b 2 x 3 tegels, in een boerderij te Staphorst.

12a Haas, nr. 53, 327 x 428 mm, doorgeprikt.


13a Duif, nr. 725, 327 x 428 mm, doorgeprikt.

13b 3 x 3 tegels, in een boerderij te Rouveen.

14a Paard, nr. 727, signatuur AK, 330 x 433 mm, doorgeprikt.

15a Hond, nr. 730 (foto www.verzamelinginbeeld.nl, SNE-PO-[DI]-05).

17a Katten, nr. 734, 327 x 428 mm.

18a Ooievaar, nr. 738, 330 x 433 mm.

15b 2 x 3 tegels. Komt ook voor op negen tegels.

19a Pauw, nr. 739, 237 x 415 mm, doorgeprikt.

36 16a Geit, nr. 732, signatuur AK, 330 x 431 mm.

20a Konijnen, nr. 740, 327 x 430 mm.


17b 2 x 3 tegels, in een boerderij te Staphorst. Ook op negen tegels bekend.

21a Eekhoorn, nr. 741, 330 x 432 mm, doorgeprikt.

21b 3 x 4 tegels.

22a Hert, nr. 742, 327 x 423 mm, doorgeprikt, midden boven met potlood: 550658.

23a Olifant, nr. 745, 33 x 42 cm (foto www. verzamelinginbeeld.nl, SNE-PO-DI-63).

23b 3 x 3 tegels.

37 24a Ree, nr. 757, 327 x 417 mm, doorgeprikt.


toelichting op de bijlage: De litho’s zijn afkomstig van de voormalige tegelfabriek Gebr. Ravesteijn/Westraven, tenzij anders vermeld.

* opmerkingen: Afb. 1b: Komt ook voor op tableaus van twaalf tegels.

25a Kakatoe en papegaai, nr. 774, 330 x 430 mm. Alleen de papegaai is doorgeprikt.

Afb. 3a: Gezien op https://philographikon.com/ sheepwool.html. Afb. 10b: Komt ook voor op tableaus van negen en twaalf tegels. Het tableau is niet geheel overeenkomstig de doorgeprikte litho.

Over de auteur

Jan Pluis (1937) is een gerenommeerd tegelspecialist en auteur van verschillende standaardwerken op het gebied van tegels en Fries aardewerk. In 2010 is hij benoemd tot Officier in de Orde van OranjeNassau. Op de jaardag van 2013 is de herziene derde editie van De Nederlandse Tegel: decors en benamingen, 1570-1930 verschenen. In 2017 heeft de Vriendenstichting een extra nummer van het jaarboek gepubliceerd, Tegel 45-II, ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag, met onder meer een laudatio van Gerard Rooijakkers, enkele nieuwe artikelen en een bibliografie. In 2020 verscheen het boek Nederlandse tegels uit de 20ste eeuw met Chinese en Japanse voorstellingen.

38

Tile Pictures of Animals Made by Ravesteijn/Westraven Bros. after Lithographs by Joseph Scholz In about 1900 the Ravesteijn Bros. Tile Factory in

Scholz in Mainz. The discovery of twenty lithographs

Utrecht (known after 1908 as Westraven) added a

from the former Westraven factory, some of them

range of animal pictures to their assortment. These

pricked to make sponsen, led to a closer look at the

were based on lithographs by the German publisher Jos.

currently known tile pictures (thirteen images).


Winkelpuien in bouwaardewerk door De Porceleyne Fles: De Gruyter, BOKA, Zijlstra en Albert Heijn Bart Verbrugge Dit artikel gaat over de onderpuien van bouwaardewerk die De Porceleyne Fles maakte voor de firma De Gruyter en enkele andere winkelketens, namelijk BOKA, Zijlstra en Albert Heijn.1 Aan de hand van een vrijwel complete inventarisatie van De Gruyters winkelpuien die tussen 1918 en 1940 werden gerealiseerd, wordt duidelijk gemaakt dat deze niet alle dezelfde vormgeving hadden, maar dat er sprake was van een interessante stijlkundige evolutie.2 Ook zal blijken dat ongeveer de helft van de in deze periode gerealiseerde winkels was voorzien van de kenmerkende winkelpui van blauw geglazuurde keramiek. Dit artikel is vooral gebaseerd op archiefmateriaal van De Porceleyne Fles, bestaande literatuur en tevens op artikelen in kranten en tijdschriften.3

D e P orceleyne F les ,

N

producent van bouwaardewerk ,

adat Joost Thooft in 1876 de laatste nog bestaande plateelbakkerij in Delft, De Porceleyne Fles, had aangekocht en Abel Labouchere in 1883 zijn associé was geworden, ging de eerste jaren alle aandacht uit naar de technische vervolmaking van de productie van sieraardewerk met een Delfts blauw decor. Vanaf 1881 werd het assortiment uitgebreid met de vervaardiging van wandtegels. In 1900 werd de sectieltegel op de markt gebracht, in 1902 gevolgd door de eerste producten van sculpturaal bouwaardewerk. De Nederlandse architecten hadden aanvankelijk reserves over dit sculpturale bouwaardewerk.

1

De familienaam wordt geschreven als De Gruijter, voor het gemak is bij de bedrijfsnaam gekozen voor De Gruyter.

2

In de bestaande literatuur wordt niet ingegaan op deze stilistische ontwikkeling. Zie Roger Miellet, Honderd jaar grootwinkelbedrijf in Nederland, Zwolle 1993; Kees van de Oord, De Gruyter - De geschiedenis van een kruideniersimperium, Zwolle, 2000; Peter Sprangers, De kunst van De Gruyter – Handel en keramiek in Utrecht en elders, Utrecht, 2010; Frans van Gaal en Niek van der Donk, De fabriek in de etalage – De Gruyter: opkomst, bloei en ondergang van een systeem, ’s-Hertogenbosch 2012.

3

Divers archiefmateriaal van De Porceleyne Fles en tegelhandel De Lint is in bezit van de auteur. Veel dank gaat uit naar de heer Will Porrio, die een uitgebreid archief heeft bijeengebracht over alle Nederlandse De Gruyter-winkels. Dankzij zijn genereuze hulp konden veel gegevens worden verbeterd en aangevuld.

1902-1977

De eerste opdrachten voor bouwaardewerk kwamen vanaf 1907 dan ook uit Duitsland en pas vanaf 1912 uit Nederland. Voorbeelden daarvan zijn het winkelpand Cadena Habana aan de Prinsestraat 47 in Den Haag (1912,

Afb. 1 Fabriekscomplex van De Porceleyne Fles, luchtfoto omstreeks 1925.

39


Afb. 2 Ovenruimte van De Porceleyne Fles, gouache door Leon Senf, 1924. Afb. 3 Advertentie uit 1931 met overzicht van alle 27 De Gruyter-filialen in Den Haag, Scheveningen en Rijswijk; acht daarvan met een onderpui van bouwaardewerk. 4

Enkele jaren eerder had Mauser in het oude fabrieksgebouw aan het Oosteinde een prototype gebouwd. Vrijwel zeker was dit de eerste tunneloven in de Nederlandse aardewerkindustrie.

5

D elftsche Courant, 28 augustus 1915. Deze twee nieuwe ovens werden continu gestookt; de eerste oven werd periodiek gestookt.

6

De wandtegels die tot circa 1905 werden geproduceerd, werden nog wel twee keer gestookt (biscuitbrand en gladbrand). Vanaf die tijd werd voor tegels die waren bestemd voor toepassing in buitengevels een greskleimassa gebruikt die bij een hogere temperatuur werd gestookt en daardoor duurzamer was. Deze massa bestond voor circa 25% uit 'Cornwall stone' en circa 15% kaolien.

40

architecten Hoek en Wouters) en het winkelpand Citroen aan de Kalverstraat 1 in Amsterdam (1917, architect H.Th. Wijdeveld). De wandtegels, effen en met gesjabloneerde decoraties in art-nouveaustijl, die De Porceleyne Fles leverde (met sjabloondecors vanaf 1902), werden al direct zeer goed verkocht. Hierdoor was meer productiecapaciteit nodig, waarvoor geen plaats meer was in het fabriekscomplex aan het Oosteinde, in de Delftse binnenstad. Daarom werd er in 1907 een nieuw bedrijfsgebouw in gebruik genomen aan de Rotterdamseweg, gelegen in de tot 1921 zelfstandige gemeente Vrijenban (afb. 1). Hier werd vanaf 1907 gestookt in een grote tunneloven, die was geconstrueerd door H.W. Mauser sr., technisch directeur bij De Porceleyne Fles (afb. 2).4 Enkele jaren later werden er twee tunnelovens bijgebouwd die met cokes werden gestookt.5 Omstreeks 1940 werd een nieuwe, elektrische tunneloven gebouwd. Vanaf het moment dat de eerste tunneloven in

gebruik werd genomen, werd het bouwaardewerk eenmaal hoog gestookt, bij circa 1.200 °C; er was dus geen aparte biscuitbrand.6 De standaardtegels hadden een dikte van 15-17 mm en werden gevormd in tegelpersen; de speciale vormstukken werden gegoten in gipsmallen. Een van de belangrijkste opdrachtgevers in de periode 1918-1940 was de firma De Gruyter.

O ver

de firma

D e G ruyter

Piet de Gruijter (1795-1867) begon in 1818 in ‘s-Hertogenbosch met een door paarden aangedreven grutmolen, een bedrijf voor de verwerking van peulvruchten, zaden en granen. Zijn zoon Louis (1833-1911) nam de onderneming over. De klanten waren vooral boeren in de omgeving van ’s-Hertogenbosch, en eind negentiende eeuw werden de eerste winkels in deze stad geopend. Vanaf het begin van de twintigste eeuw werd de directie van De Gruyter gevoerd door de derde generatie, de broers Lambert (1873-1951)


en Jacques de Gruijter (1875-1940). Lambert hield zich voornamelijk bezig met de productieafdelingen, zoals de maalderijen in ’s-Hertogenbosch. Jacques, die duidelijker extraverter en meer commercieel ingesteld was dan Lambert, opende op 1 september 1896 een eerste winkelfiliaal in Utrecht, en in 1902 het eerste in Amsterdam. Deze uitbreidingen waren mogelijk dankzij financiële hulp van vader Louis. De volgende decennia was Jacques zeer succesvol met de verdere groei van het aantal winkelfilialen, verspreid over heel Nederland. Anderzijds zorgde Lambert voor de uitbreiding van de productie; zo werd in 1912 gestart met het branden van koffiebonen. In 1917 werd het bedrijf omgezet in de N.V. Industrie- en Handelsonderneming P. de Gruyter & Zoon. De margarinefabrikant Anton Jurgens (later Unilever) nam in stilte een aandeel van bijna vijftig procent, met de afspraak dat De Gruyter andere bedrijven zou inlijven. Jurgens had namelijk als doel ‘den detailhandel in Holland te beheerschen’.7 In 1913 bestonden er naast De Gruyter (44 filialen) nog enkele andere winkelbedrijven die ongeveer even groot waren, namelijk Albert Heijn (47 filialen), Zijlstra (33 filialen) en Simon de Wit (29 filialen). In de jaren daarna zou De Gruyter, mede dankzij de kapitaalinjectie door Jurgens, sterker groeien dan de concurrenten:

• • • •

1913: 1930: 1940: 1960:

44 175 270 550

winkels winkels winkels winkels

7

Zie ook: J.L. de Jager, Arm en Rijk kunnen bij mij hun inkopen doen, Baarn 1995, 55.

Den Haag was voor De Gruyter een belangrijke vestigingsplaats. Vrijwel ieder jaar werden er een of meer nieuwe filialen geopend. In 1931 waren er in Den Haag, Scheveningen en Rijswijk in totaal 27 winkels (afb. 3). Verder werden er in deze stad vanaf 1918 BOKA-winkels geopend, een formule voor het goedkopere segment. BOKA staat voor boter en kaas (afb. 4). In totaal werden er 25 gerealiseerd, met de familie De Gruijter als grootste aandeelhouder. De Gruyter breidde ook in Duitsland en België uit. Zo werden al in 1912 in Düsseldorf, na de Städte-Ausstellung, drie filialen onder de naam De Gruyter geopend. Verdere expansie vond

Afb. 4 BOKA-winkel, Hoefkade 233, Den Haag , foto circa 1925 (coll. Haags Gemeentearchief, foto 6.03579).

41


8

Dit wordt vermeld in het Kostenboekje De Porceleyne Fles, in bezit van de auteur.

9

Zie voetnoot 2.

plaats in 1918 met de overname van de Belgische firma Etablissements Winandy S.A. met het hoofdkantoor in Luik, die in Wallonië ongeveer veertig winkels had. Een volgende overname in 19191920 betrof de firma Butter Reichelt GmbH in Duitsland met 143 winkels, vooral gevestigd in het Rijnland.

D e winkels van D e G ruyter en de winkel puien van bouwaardewerk

Jacques de Gruijter had een duidelijke visie op het winkelbedrijf. Zijn winkels moesten zich onderscheiden door producten van goede en constante kwaliteit. Dit liet hij tot uitdrukking komen door veel aandacht te besteden aan de vormgeving van zijn winkels, die een beschaafde luxe moesten uitstralen. De firmanaam P. de GRUYTER & Zn werd daarom met gouden letters boven de winkelpui aangebracht. De meeste winkels van De Gruyter stonden op een opvallende plaats, ofwel als hoekpand, ofwel op de as van een drukke zijstraat, waardoor deze van grote afstand goed zichtbaar was (afb. 5).

Afb. 5 Gasthuisring 5, Tilburg (foto Bart Verbrugge). Afb. 6 Ontwerptekening van een modelwinkelinterieur van De Gruyter, circa 1914.

42

Vanaf 1906 liet hij het interieur van veel nieuwe winkelpanden voorzien van rijk gedecoreerde wandbetegelingen (afb. 6). Dit bepaalde het karakteristieke De Gruyter-interieur, samen met het marmeren blad op de toonbanken, de donkerbruine houten kasten, roodgelakte koffiemaalmachine, veel glimmend koper en kroonluchters. Daarnaast was er altijd de onmiskenbare geur van versgemalen koffie. Van 1906 tot 1916 werden de tegelbekledingen uitgevoerd door de Tegelfabriek “Holland” in Utrecht, in totaal voor circa dertig De Gruyter-filialen. Daarna leverde van 1916 tot circa 1935 de Plateelbakkerij “Zuid-Holland” in Gouda tegelwerk voor circa honderd filialen. Vanaf ongeveer 1935 werden de tegelbekledingen voor het interieur ook uitgevoerd door De Porceleyne Fles.8 Er bestaan al diverse publicaties over de winkels van De Gruyter waarin aandacht wordt besteed aan deze interieurbetegelingen.9


D e ‘ huisarchitecten ’

van

D e G ruyter

Voor het ontwerp van de circa 130 winkelpuien van bouwaardewerk tussen 1918 en 1940 voor De Gruyter waren twee architecten verantwoordelijk, namelijk W.G. Welsing (1858-1942) en T.P. Wilschut (1905-1961). Ze zijn verantwoordelijk voor circa vijftig respectievelijk tachtig winkelpuien. Willem Gerhardus Welsing is geboren in Arnhem als zoon van een timmerman (afb. 7). Hij kreeg een bouwkundige opleiding in Duitsland en werkte vanaf 1880 als chef de bureau bij het architectenbureau G.B. en A. Salm in Amsterdam. In 1891 vestigde hij zich als zelfstandig architect te Amsterdam en in 1896 verhuisde hij naar zijn geboortestad Arnhem. In 1906 ontwierp Welsing zijn eerste winkelpand voor De Gruyter op de hoek van de Roggestraat en de Beekstraat in Arnhem. Dit pand was gebouwd in een mengvorm van jugendstil en historische stijlelementen. Deze gestileerd uitgevoerde stijl was de basis voor de vormgeving van de vele nieuwe winkels die Welsing daarna zou ontwerpen voor De Gruyter. Vanaf 1915 was het bouwbureau van De Gruyter ondergebracht in het architectenbureau van Welsing, die daarmee de rol kreeg van huisarchitect. In 1925 nam De Gruyter Welsings architectenbureau over, inclusief kantoorpand, inboedel en personeel,

en verhuisde het bureau naar de Orthenstraat in Den Bosch. Welsing was vanaf toen niet langer zelfstandig architect, maar werknemer van De Gruyter. In de jaren van 1915 tot 1928 was Welsing verantwoordelijk voor het ontwerp en de bouwbegeleiding van vele winkels, de fabrieksgebouwen in Den Bosch en villa’s voor de familie. In 1928 - Welsing was toen al zeventig jaar oud - kwam de jonge architect Teunis Wilschut in dienst van De Gruyter. Welsing bleef tot 1933 als adviseur verbonden aan de firma. T.P. (Teunis) Wilschut was opgeleid aan de MTS in Rotterdam, waar hij in juli 1928 zijn diploma behaalde (afb. 8). De Rotterdamse MTS en de daaraan verbonden Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen boden een degelijke en nogal traditionele opleiding. Maar tijdens de studie van Wilschut doceerden

Afb. 7 Willem Welsing op tachtigjarige leeftijd, in 1938. Afb. 8 Teun Wilschut (tweede van links) en zijn collega’s van het Bouwbureau De Gruyter, circa 1929.

43


10

Yvonne Brentjens, Piet Zwart – vormingenieur, Zwolle 2008.

11

Mondelinge mededeling van zijn dochter Annie Dana Wilschut (geb. 1933), d.d. 28 september 2019.

12

Ir. Mattheus Carel August Meischke (1893-1973) was omstreeks 1918 afgestudeerd aan de Technische Hogeschool in Delft, en was van 1923 tot circa 1940 hoofdleraar Bouwkunde aan de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam, als opvolger van zijn vier jaar oudere broer Johan Coenraad Meischke (1889-1966), die eveneens architect was in de regio Rotterdam.

13

De fabriekshallen kregen daglicht dankzij een moderne sheddakconstructie. Dit gebouwencomplex aan de Veemarktkade is nu ingericht als bedrijfsverzamelgebouw De Gruyter-complex.

14

Deze vestiging werd in 1938 gesloten. Het pand is gemeentelijk monument en eigendom van de Vereniging Hendrick de Keyser.

Afb. 9 Beeklaan 303, Den Haag (foto Bart Verbrugge, 2019).

44

hier ook enkele belangrijke vertegenwoordigers van moderne vormgeving: Jac. Jongert, Gerard Kiljan, Dirk Roosenburg, Paul Schuitema en Piet Zwart. Piet Zwart was vanaf 1916 tot zijn gedwongen ontslag in 1933 docent en verzorgde iedere dinsdagavond het college ‘Geschiedenis van Stijl- en Ornamentleer’.10 We mogen zeker aannemen dat de jonge Teun Wilschut bij zijn opleiding volop in aanraking is gekomen met de nieuwste ontwikkelingen op gebied van architectuur en design, en deze ook toepaste in zijn eigen ontwerpen. Kort na zijn diplomering werd hij door Jacques de Gruijter aangesteld als opvolger

van W.G. Welsing. Volgens familieoverlevering had een van de docenten van de MTS de jonge Wilschut aanbevolen, omdat hij een van de beste leerlingen was van dat jaar.11 Dit was wellicht de hoofddocent bouwkunde ir. M.C.A. Meischke.12 De eerste jaren richtte Wilschut zich vooral op de modernisering van bestaande winkelpanden en bleef Welsing nog betrokken bij het ontwerpbureau. Maar Wilschut kreeg al snel belangrijke zelfstandige opdrachten, zoals het ontwerpen van een groot nieuw fabriekscomplex dat vanaf 1934 verrees naast het Veemarktterein in Den Bosch.13 Hij bleef tot zijn overlijden in 1961 hoofd van de Afdeling Bouwwerken van De Gruyter. In die periode werden onder zijn verantwoordelijkheid in Nederland ongeveer driehonderd winkels geen verbouwd.

D e G ruyter - winkels met winkelpui van bouwaardewerk van D e P orceleyne F les In 1918 bestond de firma De Gruyter honderd jaar en werd het predicaat ‘Koninklijke’ toegekend. In datzelfde jaar verrees aan de Beeklaan 303 in Den Haag de eerste De Gruyterwinkel met een pui van bouwaardewerk van De Porceleyne Fles (afb. 9).14 De winkelpui bestaat uit twee smalle penanten, als pilasters vormgegeven muurstijlen ter weerszijden van de pui, die aan de bovenzijde worden afgedekt door een bekroond cartouchemotief. Tussen beide penanten is een paneel met het opschrift P. de GRUYTER & Zn in gouden kapitalen. De rest van de bouwkeramiek is bedekt met een helderblauw glazuur, met een enigszins vlekkerig effect,


typerend voor de speciale loop- en gekristalliseerde glazuren die vanaf circa 1900 door H.W. Mauser sr. waren ontwikkeld. De combinatie van blauw met gouden letters werd de standaard voor de gevelbekledingen van de De Gruyterwinkels, enige uitzonderingen daargelaten. Dit type onderpui werd, in drie varianten, toegepast in de jaren 1918 tot en met 1924 (types 1, 1a en 1b in tabel 1, blz. 48). In dat laatste jaar werden ook al nieuwe, moderne varianten gerealiseerd naar ontwerp van Welsing, zoals een abstract hoekmotief dat te zien is bij de Admiraal de Ruijterweg 73 in Amsterdam (type 2). Een ander, weinig toegepast, ontwerp met maiskolven in het hoekornament (type 3) is onder meer te zien bij de Hooge Steenweg 8 in Den Bosch. In enkele gevallen werd een unieke oplossing gecreëerd met ornamenten die eenmalig werden toegepast, bijvoorbeeld bij hoekpanden (aangeduid met ‘speciaal’ in tabel 2, zie inlegvel). Een dergelijke unieke vormgeving kwam onder meer in 1927 tot stand in Hoensbroek. Het betreft een hoekwinkel die onderdeel was van een complex woon- en winkelpanden, gerealiseerd in opdracht van De Staatsmijnen. In deze winkelpui geen hoekstukken met cartouchemotief, maar twee fraai gestileerde Hermesfiguren (afb. 10). De verdere vormgeving van de keramische bekleding is zeer strak, bijna kubistisch. Deze periode was een duidelijke opmaat naar de modieuze art-decostijl die in de periode 1927-1933 opgeld deed, met name bij het hoekornament. Directeur Jacques de Gruijter speelde daarbij een belangrijke rol door de ontwerpen aan zijn visie op de

‘branding’ van het De Gruyter-merk te toetsen. Van een aantal realisaties in 1928 en 1929 is het niet duidelijk wie de architect was, mogelijk Jan Keulemans (zie tabel 2). In de jaren 1927 en 1928 en wellicht ook nog enkele jaren daarna was hij ‘Hoofd van de afd. Bouwwerken’ bij De Gruyter.15 Welsing zelf had in deze periode vrijwel zeker alleen een adviserende rol; bij de winkelpuien vanaf 1930 was Wilschut hoogstwaarschijnlijk de ontwerper.

15

In 1927 was Jan Keulemans (1893-?) betrokken bij het ontwerp van het prestigieuze filiaal Leidsestraat 54 in Amsterdam en in 1928 ondertekende hij de bouwaanvraag voor het pand Nieuwsteeg 11, hoek Nieuwe Noord in Hoorn. In de jaren daarna bleef hij werkzaam bij het Bouwbureau; andere medewerkers waren P. Nap en Walter van Son (bron: Paul Kriele, De Gruyter’s snoepje van de week, Den Bosch 1992).

De meest uitgesproken art-decostijl zien we bij de onderpuien van de typen 6a en 6b, bijvoor-

Afb. 10 Akerstraat Noord 180, Hoensbroek (foto Jaap Zwart voor https:// vriendennederlandstegelmuseum.nl/onderzoek/tegelsop-locatie).

45


16

Een vereenvoudigde vorm van dit hoekornament is toegepast bij het Hugo de Grootplein 1 in Amsterdam (1934).

Afb. 11 Korenmarkt 1-2 en 3, Weert (foto Mark Ahsmann, 2014 - CC BYSA 4.0, https://commons. wikimedia.org/w/index. php?curid=38214216).

46

beeld de winkel Steentilstraat 2 in Groningen (1931). Vooral de art-decovormgeving van het hoekornament van het winkelpand in Tilburg is zeer geslaagd, maar was desondanks eenmalig.16 De complete set bestektekeningen en het bestek van dit pand zijn bewaard gebleven. De gehele onderpui is getekend op een schaal van 1:5; het bijzondere hoekornament is zelfs levensgroot uitgetekend op een apart blad. Ook van de tegelverdeling van de binnenwanden en de tegelvloer is een aparte tekening gemaakt. Het is aannemelijk dat het bouwbureau van De Gruyter van alle winkelpanden dergelijke detailtekeningen heeft vervaardigd, die vervolgens naar De Porceleyne Fles werden gestuurd. Deze zullen voor een groot deel verloren zijn gegaan. Vanaf 1934 zien we winkelpuien in een sobere, modernistische stijl. Wilschut paste alleen nog

vlakke tegels toe en de decoratie bleef beperkt tot een of meer gouden biezen (type 7); vanaf 1937 vervielen ook deze biezen (type 8). Het formaat van de tegels werd daarbij steeds groter, tot wel 25 x 43,5 cm. Bovendien was het blauwe glazuur niet meer vlekkerig, met duidelijke kleurverschillen tussen de verschillende tegels, maar egaal. Waar hij een geheel pand kon ontwerpen, koos Wilschut aanvankelijk voor een modernistische vormgeving, met platte daken en slank gedetailleerde stalen ramen, zoals bij de hoekpanden Gasthuisring 5 in Tilburg uit 1933 en Korenmarkt 1-2 in Weert uit 1935 (afb. 5 en 11). Maar enkele jaren later is de vormgeving meer behoudend, met een steile kap, zoals bij het hoekpand Herenstraat 1 in Rijswijk uit 1939. De versobering die in de jaren dertig optrad was het gevolg van de slechte economische situatie en de


opkomst van het modernisme in architectuur en vormgeving. Ook de tegeldecoraties in het interieur werden vanaf het begin van de jaren dertig aanzienlijk versoberd (afb. 12). Omdat het assortiment sterk toenam, en de winkelinterieurs daardoor voller kwamen te staan met producten, koos Wilschut voor een andere benadering van de interieurbetegelingen. In de jaren dertig verbouwde Wilschut vele bestaande winkels en werden de betegelingen vervangen door nieuwe, die bovendien hoger werden geplaatst. De voorstellingen van deze nieuwe ontwerpen waren eenvoudiger en uitgevoerd in gedempte kleuren tegen een crème achtergrond. Vanaf circa 1935 werden deze ook uitgevoerd door De Porceleyne Fles. In de jaren 1918 – 1940 was De Gruyter in omvang

zonder twijfel de belangrijkste opdrachtgever voor De Porceleyne Fles. Toenmalig directeur J.G. Adriani memoreerde in 1955 dat ‘de talrijke puibekledingen (…) een aanzienlijk deel van de omzet in bouwaardewerk hebben uitgemaakt’.17

D e G ruyter - winkels

na

17

J.G. Adriani, Herinneringen en ervaringen uit mijn dienstjaren aan “De Porceleyne Fles”, 17 juli 1911 – 4 mei 1955, ongepubliceerd typoscript, 1966-67, 12, Erfgoed Delft, toegangsnummer 174, Archief van De Porceleyne Fles, inv.nr. 296.

1945

Tijdens de Tweede Wereldoorlog lagen de bouwactiviteiten vrijwel stil. Na de bevrijding ging eerst alle aandacht uit naar de wederopbouw van de vele verwoeste winkels, daarna naar nieuwe winkelvestigingen in de uitbreidingswijken die in heel Nederland verrezen. Tot circa 1960 was De Gruyter in omvang de grootste winkelketen van Nederland. In de belangrijke winkelstraten waren de circa 130 blauwe keramische winkelpuien van veraf duidelijk herkenbaar. Maar na 1945 werden er weinig of geen winkelpuien met

Afb. 12 Interieur Gasthuisring 5, Tilburg (foto Frater Victoricus (Karel) van Gisbergen, na 1936, Regionaal Archief Tilburg, https:// hdl.handle.net/21.12103/ b874c3a3-cbd5-4840-91f1c4a8039de4e1).

47


18

Het doel van deze regeling was om werkgelegenheid te creëren voor zelfstandig werkende kunstenaars. Zij kregen opdracht om een kunstobject te vervaardigen in een nieuw gebouw. Dit gebeurde veelal in nauw overleg met de betreffende architect.

19

Henk Tieman (1921-2001) was een keramisch kunstenaar die in dienst was van De Porceleyne Fles.

20

Dit buitenpaneel is in 1967 verplaatst naar de nieuwe De Gruyter supermarkt aan de Pieter Calandlaan 118-120 in Amsterdam en in de winkel aangebracht. Tegenwoordig is dit een vestiging van Albert Heijn.

21

De exacte datum is niet duidelijk doordat bronnen elkaar tegenspreken.

blauwe tegels meer gerealiseerd. Wel werden enkele belangrijke winkelpanden voorzien van een keramische decoratie, in de vorm van een wandpaneel of losstaand object, vergelijkbaar met de monumentale wandkunst die in die jaren in veel overheidsgebouwen werd gerealiseerd op basis van de zogenaamde ‘eenprocentsregeling’.18 Een voorbeeld is een paneel in sgraffitotechniek naar ontwerp van Henk Tieman uit 1956 (afb. 13).19 Eveneens in Amsterdam was er aan de Osdorper Ban 90 een groot mozaïekpaneel naar ontwerp van de zelfstandig werkende Friese kunstenaar Joop Sjollema uit circa 1960.20 In de jaren vijftig werden de winkels geleidelijk

verbouwd en geschikt gemaakt voor het Amerikaanse systeem van zelfbediening. Het assortiment werd uitgebreid en bij de uitgang kwamen kassa’s te staan. Daarnaast werden op beperkte schaal de eerste supermarkten geopend. In 1965 had De Gruyter circa twintig supermarkten, aanzienlijk minder dan Albert Heijn. Dit zeer behoudende beleid was uiteindelijk de oorzaak dat het bedrijf achterliep op de concurrentie en vanaf 1967 verliesgevend werd. In 1970 werd de SHV de nieuwe eigenaar, maar nieuwe investeringen mochten niet meer baten en in 1977 volgde het faillissement. Het winkelbestand werd verkocht aan de Verenigde Distributiebedrijven/Spar, die de winkels in 1991 doorverkocht aan Unigro. Het kolossale hoofdkantoor aan de Orthenstraat in Den Bosch werd in 1980 gesloopt.

W inkelpuien in bouwaardewerk BOKA en R eichelt

Afb. 13 Mercurius, keramisch tegelreliëf van Henk Tieman, Burgemeester Roëllstraat 40, Amsterdam.

48

van

In 1918 richtte De Gruyter in Den Haag een aparte winkelketen op onder de naam BOKA. Het assortiment was beperkter dan in de winkels van De Gruyter: boter, kaas en eieren evenals koffie, thee en andere kruidenierswaren. Er waren in 1924 in totaal 25 BOKA-winkels; tien daarvan waren voorzien van een winkelpui van vlekkerig groene bouwkeramiek uitgevoerd door De Porceleyne Fles (afb. 14). De vormgeving lijkt sterk op die van het winkelpand Beeklaan 303 van De Gruyter (zie afb. 9). In 1925 of 1926 ging de firma BOKA failliet.21 Enkele winkelpanden werden verbouwd tot een De Gruyter-winkel. Archiefgegevens wijzen uit dat De Porceleyne Fles


vanaf circa 1930 ook bouwkeramiek leverde voor circa twintig winkels van Reichelt in Duitsland. Aangezien veel van deze winkels verloren zijn gegaan, ontbreken precieze gegevens hierover. Nader onderzoek zou hier nog interessante zaken aan het licht kunnen brengen.

W inkelpuien in bouwaardewerk Z ijlstra en A lbert H eijn

van

Behalve De Gruyter waren er in Nederland nog enkele andere winkelketens die in dezelfde periode sterk uitbreidden, met winkelfilialen verspreid over een regio, of over het hele land. De firma J. Zijlstra Hzn. groeide ieder jaar met een à twee winkels en de firma Albert Heijn maakte vanaf circa 1930 een sterke groei door. Beide firma’s voorzagen ook een deel van hun winkelpanden van een onderpui van bouwaardewerk.

A lbert H eijn In 1927 bestond Albert Heijn veertig jaar en mocht het zich voortaan Hofleverancier noemen. Er waren toen 107 filialen. In 1930 was dat aantal gegroeid tot 119 winkels en twaalf chocolaterieën, en in 1940 waren er 235 winkels en vijf chocolaterieën. In de jaren rond 1930 werden enkele winkelpanden voorzien van een onderpui van bruingevlekte bouwkeramiek (afb. 15).22 Deze puien, met kussenvormige tegels, zijn uitgevoerd door De Porceleyne Fles, maar er zijn ook onderpuien met tegels van de Utrechtse tegelfabriek Westraven bekend. Zowel in het archief van De Porceleyne Fles als van Westraven zijn vermeldingen te vinden van de vervaardiging van winkelpuien voor Albert Heijn.23 Vanaf 1931 werden de puien uitgevoerd met vlakke tegels, formaat circa 15 x 30 cm,

22

Zie ook: www.albertheijnerfgoed.nl.

23

Vermeld in: Marcel Hermens, Faïence- en tegelfabriek Westraven 1844-1994, Vianen 2004, 114. In een van de bewaard gebleven glazurenboeken van deze fabriek is er een vermelding van een glazuurrecept, vlak voor juni 1926.

Afb. 14 Voormalige BOKAwinkel aan de Zoutmanstraat 14a, Den Haag (foto Bart Verbrugge, 2019). Afb. 15 Van Galenstraat 41, Den Helder (foto Marion Golsteijn, 2016, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index. php?curid=48298527).

49


TABEL 1 Periode Welsing 1918-1921

1919-1924

1920-1924

1924-1931

1924-1928

Type 1 historiserend

Type 1a historiserend

Type 1b historiserend

Type 2 moderne varianten/ art deco

Type 3 maïskolf

Den Haag, Beeklaan 303

Utrecht, Oude Gracht 6

Haarlem, Zijlweg 42

Maastricht, Brusselsestraat 9

Rotterdam, Katendrechtse Lagedijk 494

Periode Wilschut 1930-1934

1930-1931

1931

1933

1934-1940

1934-1941

Type 4 art deco

Type 5 art deco

Type 6a art deco

Type 6b art deco

Type 7 modernisme

Type 8 modernisme

Amsterdam, Groen van Prinstererstraat 60

Delft, Choorstraat 51

Steentilstraat 2, Groningen

Tilburg, Gasthuisring 5

Weert, Korenmarkt 1-2

Amsterdam, Haarlemmerdijk 63

50


met een donkerbruin glazuur. In totaal kwamen er circa 25 winkelpuien van bouwaardewerk tot stand.

De Gruyter. Drie Zijlstra-puien zijn behouden gebleven, alle drie met hetzelfde reliëfelement, vermoedelijk een gestileerde fuchsiabloem (afb. 16).

Z ijlstra - winkels De firma J. Zijlstra Hzn. is opgericht in 1883 in Zwolle. Het bedrijf was in 1923 onder de naam N.V. Handelsonderneming J. Zijlstra Hzn. uitgegroeid tot een grote winkelketen met 73 kruidenierswinkels boven de grote rivieren, vooral buiten de grote steden.24 Al in 1918 had de firma P. de Gruyter & Zoon de meerderheid van de aandelen van Zijlstra. In de daaropvolgende jaren werden er Zijlstra-winkels gesloten of omgezet in De Gruyter-winkels. Een aantal winkels had een winkelpui met reliëftegels, in een vormgeving die was afgeleid van de Amsterdamse School. Vanaf 1960 werden veel winkels gesloten en in 1966 gingen ook de laatste 22 Zijlstra-winkels dicht. In de periode van circa 1920 tot 1940 beschikte het bedrijf over een eigen bouwbureau, onder leiding van de architect A. Serné. Uit inventarisatie blijkt dat in de periode 1920-1940 ruim tien Zijlstra-winkelpanden werden voorzien van een keramische pui. Het lijkt er sterk op dat dit gebeurde in navolging van de winkels van

V erval ,

24

Voor meer informatie over de firma J. Zijlstra Hzn., zie: www.nostalgiekrant.nl/zijlstra_ winkels_en_speelgoed.htm.

25

www.pietdegruyter.nl.

behoud en herstel van kerami -

sche winkelpuien

Na het faillissement van het De Gruyter-concern in 1977 kregen alle winkels een nieuwe eigenaar. Vrijwel overal werd het fries met de naam afgedekt door een nieuw paneel of werd de onderpui zelfs geheel verwijderd. Vanaf omstreeks 2000 ontstond er belangstelling voor de fraai geglazuurde winkelpuien. Op een website wordt vanaf circa 1990 een inventarisatie gemaakt van alle nog behouden De Gruyter-winkels.25 Anno 2020 zijn er circa vijftig keramische puien van De Gruyter bewaard gebleven en worden

Afb. 16 Klarendalseweg 137, Arnhem (foto Wouter Hagens, CC BYSA 4.0, https://commons. wikimedia.org/w/index. php?curid=52194740).

51


Afb. 17 Choorstraat 51, Delft. De onderpui is gerestaureerd in 2017 (foto Bart Verbrugge, 2019).

deze met regelmaat in oude luister hersteld, zoals bij Choorstraat 51 in Delft (afb. 17). Over de auteur Ir. Bart Verbrugge (1959) is bouwkundig ingenieur en voornamelijk werkzaam in de uitgeverswereld. Hij is (mede)auteur van diverse publicaties over architectuur en toegepaste kunst, onder andere over art-nouveau- en art-decowandtegels en architect Johannes Mutters (18581930). Hij bewoont een monument met sectieltegels van De Porceleyne Fles (Delft) in de gevel, tegels van De Distel (Amsterdam) in de vestibule, en van Regout (Maastricht) en De Porceleyne Fles in de toiletten.

52

Shop Fronts in Architectural Ceramics Made by De Porceleyne Fles for De Gruyter, BOKA, Zijlstra and Albert Heijn Between 1918 and 1940 De Porceleyne Fles Pottery

were carried out in a sober modernistic style. Two other

(currently Royal Delft) made about 130 shop fronts

grocery retailers, Zijlstra and Albert Heijn, had their

in architectural ceramics for De Gruyter, a major

shop fronts executed in architectural ceramics, too, as

grocery retailer of the day. G. Welsing (1858-1942),

well as BOKA, a more downmarket De Gruyter shop.

their in-house architect, designed 55 of these shops till

Some of them were also produced at De Porceleyne

1928. He was succeeded by the architect T.P. Wilschut

Fles Pottery. The fashion for architectural ceramic

(1905-1961). The majority of the shop fronts consisted

shop fronts disappeared after 1945. Many old shop

of mottled bright blue glazed tiles, with the company’s

fronts were demolished after De Gruyter's bankruptcy

name in gold. Up to and including the year 1924

in 1977, and only about fifty have been preserved, as

they were executed in a stylized historicizing style,

well as five Albert Heijn and three Zijlstra ceramic shop

afterwards in Art Deco style. From 1934 the shop fronts

fronts.


Vader Cees en zoon Arno van Sabben: over het familiebedrijf van een leraar en een danser Lejo Schenk Menige tegelliefhebber zal in de afgelopen kwarteeuw weleens een bezoek hebben gebracht aan het Zuid-Hollandse dorp Oud-Beijerland. Hetzij om op een van de veilingen, of uit de handelsvoorraad, een tegel aan te schaffen bij het veilingbedrijf Van Sabben, hetzij voor het laten verwijderen, schoonmaken, of (her)plaatsen van tegels. Het werk dat de 88-jarige Cees van Sabben ooit begon, is inmiddels overgenomen door zijn jongste zoon Arno (afb. 1-2). Reden om ze voor Tegel op te zoeken. Op de bekende locatie aan de Ooststraat, in de woonkamer annex showroom van Cees, komt Arno aanschuiven. Met zijn gezin is hij in hetzelfde complex komen wonen. Cees zit kaarsrecht, met heldere blik, maar kwetsbaar ogend in het midden van zijn favoriete bank. Arno, zorgzaam voor pa, en uw interviewer beiden in een fauteuil ernaast. Hoe staan de zaken ervoor, in de breedst mogelijke zin, is mijn vraag …

C

ees steekt rap van wal en heeft, naar gaandeweg blijkt, eigenlijk geen vragen nodig. ’Ik ben na alles wat ik in mijn leven heb meegemaakt, en na de dood van mijn rots in de branding Mary, misschien wel aan mijn vierde leven bezig.’ Cees’ vrouw is zeven jaar geleden overleden. Ze kreeg alzheimer en was binnen een jaar dood. Zij was de bindende figuur in het gezin geweest, had de administratie gedaan en ook in andere opzichten meegewerkt in het bedrijf. Cees had Mary ontmoet als collega in het onderwijs; Cees was hoofd van een lagere school in Oud-Beijerland. Mary werkte als onderwijzeres voor een meisjesschool die er bij hoorde. Ze trouwden in 1961 en kregen drie kinderen. Arno, de jongste, werd als nakomertje geboren in 1970. Zijn broer en zus zijn zes en acht jaar ouder. De leergierige vader Cees

haalde in zijn vrije tijd meerdere onderwijsaktes, waarmee hij later kon overstappen naar het voortgezet onderwijs. Daar was hij onder meer geschiedenisleraar. ‘Uit wat voor gezin kwam u zelf?’ Cees: ‘Ik ben een kind uit een arm gezin. Mijn moeder was weduwe met vier kinderen. Mijn vader stierf op zijn 28-ste. Ik was toen zeven jaar. We woonden in Haarlem, en ik herinner me nog precies hoe een agent vanuit het Diaconessenziekenhuis aan de deur kwam.’ Op dat moment onderbreekt Arno hem, en kijkt mij aan: ‘Mijn vader heeft een fotografisch geheugen. Ik ben nog steeds vaak verbaasd wat er allemaal in dat hoofd zit opgeslagen. Daarom kon hij ook zo makkelijk leren, en teksten onthouden. Dat zul je nog wel merken.’ Cees hervat: ‘Mijn eigen vader was ook breed geïnteresseerd, hij schreef 53


Afb. 1 en 2. Cees van Sabben (1932) en Arno van Sabben (1970). Tenzij anders vermeld zijn alle foto’s bij dit artikel van Dick Sleiffer.

54

in diverse bladen. Maar hij overleed dus in 1939 aan een maagkwaal. En toen begon de oorlog. Ik hoor die Hitler nog schreeuwen op de distributieradio. We leefden in grote armoede, mijn moeder was afhankelijk van de kerk en de familie. Mijn broertje en ik moesten tijdelijk naar boeren in Eibergen (Achterhoek), om aan te sterken. Dat gebeurde in 1942, en in ’43 en ’45 opnieuw. Met die boerenfamilie heb ik mijn hele leven al contact; dat is wederzijds familie geworden. In de oorlog gebeurden vreselijke dingen; ik heb herinneringen aan bijvoorbeeld de executie van acht gevangen verzetsstrijders waar voorbijgangers verplicht naar moesten kijken. Ze werden op de Jan Gijzenbrug met een kapje voor hun ogen door de Duitsers neergeschoten. ‘Toen ik in 1945 weer terugkwam naar Haarlem

was mijn moeder hertrouwd. Met een stiefvader uit duizenden!! Ik ging naar de mulo en mocht door naar het Kennemer Lyceum. Rond mijn negentiende jaar kreeg ik mijn eerste baan als jeugdleider in een Rotterdamse instelling voor straatjongeren. Daarna ben ik via particuliere opleidingen en een mentor in het onderwijs terecht gekomen. Als leraar werd ik uitstekend betaald; een opslag van tien tot twaalf procent was in sommige jaren heel normaal ... Jaja, zo is het jongetje Cees de armoede aardig ontgroeid.’

H et

tegelgebeuren

Alsof hij mijn vraag voor wil zijn praat hij gedreven door: ‘Rond mijn 52-ste stapte ik uit het onderwijs. Ik vond het niet leuk meer, het werd steeds administratiever. Eerder had ik voor de


gezinsrecreatie een klein boerderijtje aangeschaft op Zuid-Beveland, in Driewegen. Daar zaten duizend tegels in, Rotterdamse paarse, en dat was het begin van dit hele gebeuren hier.’ De tegels werden verkocht en vormden het aanvangskapitaaltje voor een nieuwe carrière: de tegelhandel. Geschiedenisleraar Van Sabben, die niets van tegels wist, begon met hamer en beitel. Door te tikken met gevoel, en goed te luisteren naar de holtes kreeg hij zijn tegels onbeschadigd van de wanden. En benjamin Arno mocht mee op pad, deed klussen en gaf zijn ogen goed de kost. Arno becommentarieert: ‘Vroeger hadden mensen een veel betere tiktechniek. En vooral meer geduld. Tegenwoordig moet alles snel, anders is het te kostbaar. Als het niet mechanisch op te lossen is haakt de moderne mens af.’ Ook Cees liet evenwel door een technisch bureau apparaten verbouwen om tegels gaaf van de muur te krijgen. Die apparaten schafte hij in meervoud aan, zodat hij door kon als er iets kapot ging. Overigens deelde hij de opbrengst van die tegels met zijn broer Piet. Samen kochten ze een andere, grotere vakantieboerderij in Nieuwdorp, niet ver van Driewegen. En zoals Cees in tegels ging handelen, deed Piet dat in antieke prenten. Het groeide uit tot het nog bestaande veilinghuis in affiches: Van Sabben Poster Auctions in Hoorn, later verkocht aan Udo Boersma. Cees voerde naast de tegelhandel, waar hij als bijvangst vaak antiquiteiten kon kopen, nog een antiekwinkel in Rockanje.

D ansen Als ik Arno vraag wat voor vader Cees was, zegt hij: ‘Heel druk! Altijd verbouwen, werken, handelen. Hij was geen knuffelaar. Heel rationeel. Altijd doen, doen. Maar naast spelen, ravotten en zeilen op het Veerse Meer met onze boot was ik altijd om hem heen, in de ondersteuning.’ Cees neemt over: Arno danste al. Ik zag daar niet zo veel in. Ik leerde hem over tegels, en de techniek, zoals het uitzagen van witjes.’ Arno licht toe: ‘Ik was inderdaad sterk geïnteresseerd in klassieke dans, en heb twee en een half jaar op de Rotterdamse Dansacademie gezeten. Niet afgemaakt, want ik werd uitgenodigd door het Amsterdamse Scapinoballet om in hun matineeballetten te dansen. Daar heb ik nog mogen werken met de grote choreograaf Hans van Maanen zelf!’ En toch bleef Arno uiteindelijk doorgaan in het bedrijf van vader Cees. Na het overlijden van moeder Mary was er familieberaad. Arno’s zus, fysiotherapeute van professie, wilde iets voor dementerenden doen. En Arno nam op zijn 27-ste formeel de activiteiten over waar hij al zo veel jaren zijn sporen in had verdiend. Het veilinggedeelte van het bedrijf was toen vanwege de hoge kosten en de afnemende omzet al een slapende activiteit geworden, zodat oprichter Cees zich kon beperken tot het beheren van de overgebleven handelsvoorraad. Ik vraag Arno of hij zijn brood niet had kunnen verdienen met zijn passie

Afb. 3 Arno aan het werk bij de opbouw van de Oxenaarwand voor het Nederlands Tegelmuseum, in 2009 (foto Johan Kamermans).

55


Afb. 4 Idyllisch landschap met rijtuig en rustende boeren, op de achtergrond worden de akkers geploegd. Paars tegeltableau, Rotterdam, eind achttiende eeuw, afkomstig uit een boerderij in Zeeuws-Vlaanderen.

56

voor de dans. Arno: ‘Met commercieel werken, bijvoorbeeld op beurzen, had dat gekund. Een mooie passende baan op dat gebied, in Berlijn, ging helaas niet door. En waar het werk artistieker is, in het theater, blijkt er minder geld beschikbaar en is het moeilijk om er een gezinsinkomen uit te halen. Maar ik heb er toch veel aan overgehouden! Je moet in de dans onder andere leren je kracht goed te gebruiken, bijvoorbeeld bij het hoog optillen van de ballerina, zonder haar blauwe plekken te bezorgen. Daar heb ik nu vaak plezier van als ik met heel zware machines heel subtiel werk moet verrichten.’ ‘En weet je inmiddels genoeg van tegels?’ ‘Voor dit werk zeker. Ik herken wat ik onder handen heb en wat het is. Trouwens, ik heb ook nog kunstgeschiedenis gestudeerd in Leiden,

maar niet afgerond. Voor tegels is daar geen belangstelling. Het is kunstnijverheid, is de opvatting. Er staat geen handtekening onder, dus niet interessant. Die tweedeling tussen hogere kunst en kunstnijverheid bestaat nog steeds. Ik heb niettemin een scriptie over tegels gemaakt. Nou, die werd afgefakkeld.’ Cees: ‘We maakten de gekste dingen mee als we op pad waren. We kwamen overal, bij rijk en arm, boeren en adel.’ Arno: ‘Zelfs in kraakpanden.’ Cees: ‘De beste herinneringen heb ik aan de adel. We deden eens een klus bij een gravin. Ze schonk zelf de koffie en wenste een echt gesprek met ons te voeren. Wat een verschil met de nouveaux riches en wannabe’s die zich vaak hoog verheven voelen.’ Arno: ‘Bij Frits Philips bijvoorbeeld, waar ik de tegelverzameling mocht wegzagen, wisten de zonen de volgende keer nog precies wie ik was. Bij de beheerders daarna was dat wel anders. Jammer trouwens dat Cees ze niet mocht veilen. Het was een geweldige collectie, maar die ging naar een groot veilinghuis.’ Cees: ‘Een van de ergste was een kakmadam, rijk van dubieuze praktijken, bij wie ik een keuken moest zetten met antieke tegels. Op de vierde verdieping. Maar ik mocht niet door het huis, moest de brandtrap nemen. Het gebruiken van het toilet was ook ongewenst, dat moest ik maar buiten in het bos doen. Ik ben geen schorem, dus ik bedankte voor de eer. Via de architect wel te verstaan, want zij sprak niet direct met mij, ik bleef werkvolk. Door bemiddeling van de architect konden we uiteindelijk toch door het huis, zij het onder begeleiding. Toen we klaar


waren vond ze het niet mooi geworden en wilde ze dat we het opnieuw deden. Toen zei ik: dat kan, maar er wordt vooraf betaald. Dat deed ze zowaar. En al die tijd stond de architect er met uitgestoken hand bij, met de suggestie: wat zit er voor mij aan?’

V eilen Met zijn tegelaanbod ging Cees ook op beurzen staan. Eerst regionaal, later de grotere, zoals de PAN en Breda Turfschip. Maar in 1996 organiseerde hij zijn eerste tegelveiling, geïnspireerd door broer Piet met zijn posters. Die vond plaats in hotel Lion d’Or in Haarlem. Hij kwam dik uit de kosten. Met naast eigen inbreng die uit particuliere en notariële bronnen. De eigen

inbreng bestond onder meer uit een groot aanbod van tegels in Amsterdamse Schoolstijl, afkomstig uit de Dr. De Visserschool aan de Vondellaan te Utrecht. Na een tweede veiling in Haarlem volgde er nog een reeks in Oud-Beijerland, in de eigen gebouwen. ‘Hebt u bij het veilen te maken gehad met kongsi’s, het niet openbaar samenwerken van groepjes kopers?’ Cees: ‘Jarenlang hebben wij zo gewerkt dat het niet kon. Maar het blijft ook zo dat als er eentje in de zaal voor meerdere anderen staat te bieden, je niks kunt doen. Schriftelijk blind laten bieden werkte wel. Maar uiteindelijk werd het te ingewikkeld, wat we bedachten.’ Arno: ‘Daar kwam bij dat het ons niet alleen veel tijd kostte, maar dat het naar mijn idee ook de prijs drukte. In de zaal, met de emotie van het willen hebben van een bepaald stuk, jagen mensen elkaar toch meer op.’ Cees: ‘Maar ik heb wel een keer plezier gehad toen een interessante collectie de aandacht had van een rijke Amerikaanse jurist, die deze partij tot elke prijs bij elkaar wilde houden. De prijs heb ik toen moeten opvoeren tot 108.000 gulden. Niemand snapte er wat van, en iedereen kwam kijken wat er toch zo bijzonder aan die partij was. De hoogste prijs voor een enkele tegel die ik heb gehaald was trouwens voor een Bart van der Leck, die 16.000 gulden opbracht.1 Een tweede, die iets minder was, ging naar 12.000. De tegels waren

1

Dit betrof Van Sabben Tile Auctions 6 op 9 september 2000. Lot 102, met de afbeelding van een vogel, stond voor 7.000 gulden getaxeerd, lot 101, een bijenkorf, voor 5.000.

Afb. 5 Cees met twee Utrechtse dierentableaus (zie ook het artikel van Jan Pluis, op blz. 25-36 in dit nummer).

57


Afb. 6 Machinaal geperste tegels, Victoriaans geïnspireerd, met op de achterzijde een reliëf dat verwijst naar de Japanse tegelfabriek M.S. Tile Works (Mieken Sanagunchou), eerste helft twintigste eeuw. Afb. 7 Amsterdamse Schooltegel met fruitverkoopster, 24 x 16 cm, eerste helft twintigste eeuw.

58

gesigneerd en gedateerd, en kwamen van een vrouw die de tegels van de kunstenaar zelf, haar buurman, had gekregen.’ ‘Is het veilen van tegels door Van Sabben nu definitief verleden tijd?’ Cees: ‘Arno heeft de zaak overgenomen, maar handelt niet. Er wordt nooit meer geveild. Wel heb ik nog zo’n 130 kleine tableaus van die Utrechtse school, en ongeveer vijfhonderd tegels in voorraad. De antiekwinkel is eigenlijk nooit gestopt. Privé verkoop ik hier nog wel, want de btw is betaald. Maar ik ontvang niet meer dan twee klanten tegelijk.’ Arno: ‘De zaak die ik nu run draait heel goed. Cees doet nog wel taxaties. We krijgen werk van meerdere soorten opdrachtgevers: Vaak van overheden of overheidsinstanties, en meestal is de Vereniging Heemschut daar de aanjager

in. Verder van tegelhandelaren, en van particulieren. Ook de Kunstwacht zet mij af en toe in. Die beheert kunst in de openbare ruimte. Ik pak eigenlijk alles aan waar de aannemer geen raad mee weet, wat breekbaar is, verankerd, of te hard in de cement zit. Tegels, bouwkeramiek en mozaïeken, die ik in reepjes eraf haal. Mijn meerwaarde is dat ik achterlangs kan zagen. Arbo-technisch kan dat eigenlijk niet; vanwege de ketenaansprakelijkheid ben ik dan ook weleens weggestuurd. Mijn werk vraagt soms het accepteren van een gecalculeerd risico, en dat wordt door een groot systeem vaak niet getolereerd. Maar totaal risicovrij bestaat niet. Anderzijds kan ik wel ongewone oplossingen bieden. Het meeste werk heb ik van de gesubsidieerde kunstwerken die in de twintigste eeuw via de eenprocentsregeling overal zijn aangebracht. Het is niet allemaal even hoogstaand, en het meeste gaat in de depots van de gemeenten, zonder enig idee wat ermee moet. Want niemand wil de verantwoordelijkheid voor het kapot maken van een kunstwerk. Het zijn vaak nabestaanden die een bedreiging van zo’n werk aanzwengelen, en daar door Heemschut of de Rijksdienst Cultureel Erfgoed in gesteund worden.’ Niet onvermeld mag blijven dat het bedrijf Van Sabben heel veel projecten voor het Nederlands Tegelmuseum heeft uitgevoerd. Zo is het redden en verdelen van de tegels uit de Utrechtse De Visserschool een belangrijk samenwerkingsproject geweest. Maar ook in de restauratie en plaatsing van de grote Oxenaarwand in de voortuin van het museum, of die van de ‘Gelukkige Olifant’ heeft Arno een


sleutelrol gespeeld. ‘Ja,’ zegt hij gekscherend, ‘als ik door dat vierkante boek over de Tegelmuseumcollectie van Johan Kamermans ga, dan heb ik een groot deel daarvan onder mijn handen gehad’ (afb. 3).

R ijk

in stenen

‘Zou je net als je vader ook willen handelen?’ vraag ik Arno. ‘Nee, ik mis het gen daarvoor. Ik weet dat ik zelf failliet zou gaan. Bovendien heb ik er moeite mee dat tegels tegenwoordig in de markt zo weinig waard zijn. Terwijl de echte waarde soms het viervoudige is van wat er geboden wordt. De eigenaar krijgt te weinig van die waarde, ik ben daar niet voor in de wieg gelegd.’ ‘Je vader en jij zouden dat wel eens niet met elkaar eens kunnen zijn?’ Arno: ‘O ja, volledig. Maar ik zit hier dan ook in een klein huisje, naast Pa, en hij op een hoop bezit.’ Cees beaamt dat. ‘Zeker, ik ben rijk. Rijk in stenen.’ Een deel van dat stenen vastgoed is inmiddels dus getransformeerd tot appartementen voor alzheimerpatiënten. Zijn dochter regelt de zorg aan de bewoners. ‘Zijn jullie ook rijk met tegels, zijn jullie verzamelaars?’ Cees: ‘Ik koop nog wel af en toe iets, als het bijzonder is.’ En hij wijst om zich heen. ‘Dat tableau hier, zo zou de wereld moeten zijn.’ De vinger priemt naar een paars tableau met een landelijke scène (afb. 4). ‘Kijk ook die dierentableaus daar eens (afb. 5). Niet heel oud, maar best fraai geschilderd. En in de vitrine hiernaast liggen schitterende jugendstiltegels. Erg mooi

vind ik die met de twee vogels, een partijtje dat ik ooit vanuit Indonesië kreeg aangeboden (afb. 6). Ja, als je in deze wereld zit krijg je overal je contacten.’ Arno vult aan: ‘Nou, echt een verzamelaar is Cees niet. Nooit geweest ook. Dan ben je een dief van je eigen portemonnee, zei je toch altijd tegen mij, Pa? Veertig jaar lang heb je me verteld: je moet het niet willen hebben. Dus ik moet niet kopen.’ Cees weer tegen mij: ‘Maar ja, als Arno een mooi tableautje moet uitzagen dat mij aantrekt, dan ga ik voor de bijl, ook al blijft vrijwel alles te koop.’ Toch treft uw verslaggever op het salontafeltje in de slaapvertrekken twee tegels aan die voor Cees echt onverkoopbaar zijn. Een Amsterdamse Schooltegel met een fruitverkoopster die door zijn geliefde tweede vader, met nog zeven andere, in de oorlog gevonden is in het puin van gesloopte huizen in de duinen bij Haarlem (afb. 7). Pa verdeelde ze onder zijn kinderen. En in een Overijsselse boerderij waar hij 1.200 eenvoudige paarse landschapstegels moest weghalen, vond hij welgeteld één bijzondere curiositeit: in het paars staan blauwe lijnen … (afb. 8). Maar ook Arno kan het niet helemaal laten. In zijn smaakvol ingerichte woning hangt

Afb. 8 Paarse landschapstegel, met unieke details in blauw, Utrecht, eerste helft negentiende eeuw.

59


2

Deze dichtregels zijn van de hand van André van Sabben, een broer van Cees, die verdienstelijke poëzie heeft gepubliceerd.

Afb. 9 Tegelplaat, mogelijk van Duitse origine, 34,5 x 20 cm, eind zeventiende, begin achttiende eeuw?

60

een tegelplaat met spelende cupido’s. Hij kocht het uit de eigen veiling, en gebruikte de afbeelding als geboortekaartje bij zijn tweeling. Hij is er erg aan gehecht (afb. 9). Tegelijk is hij ook gecharmeerd van het fijne schilderwerk op de Amsterdamse anjertegels, eveneens uit het eigen bedrijf gekocht. Een blokje daarvan siert het hart van zijn keuken (afb. 10).

S lapen

gaan

‘Wat zijn jullie ambities?’ Beiden in koor: ‘Geen.’ Arno zegt dat hij geen behoefte heeft aan bouwen naar iets groots. ‘We houden het liever in eigen hand hier. Het werk blijft, en ik kan baas zijn in mijn eigen agenda.’ Cees vult aan: ‘Arno en zijn vrouw, ze is lerares, zijn schatrijk. Ze hebben drie prachtige kinderen, alle drie op de middelbare school nu. Zelf heb ik ook veel geluk gehad. En daar kun je niks van plannen. Ik hoop vooral nog een tijdje gezond te blijven, en te kunnen volgen hoe het met de kinderen en kleinkinderen gaat.’ In januari kreeg Cees na zeventien jaar een tweede kunstheup. De chirurg die hem moest opereren durfde het aan omdat hij de basis: hart, longen en geest, in orde vond. Hij deed de suggestie dat Cees zich maar moest inschrijven voor de club van honderdjarigen. De operatie lukte, maar Cees

kreeg nabloedingen en moest daardoor tot in maart wachten met de revalidatie. Dus vraag ik hem tot slot hoe hij zijn dagen doorbrengt. Cees: ‘Ik doe om te beginnen al geen middagslaapjes, want ik ben geen avondmens. Ik heb zielenrust, en blijf het leven zien als een avontuur. Elke dag gebeuren er onverwachte dingen. Over twee maanden kan ik alles weer, dat kunnen er niet veel me nazeggen. Ik heb een paradijselijk leven, ik geniet van de kleinkinderen, de drie meisjes van Arno (de oudste is veertien en de tweeling is twaalf) wonen hiernaast. Kinderen zijn gek op verhalen, en ik ben een verhalenverteller. Ik lees veel, er staan hier zeker vijfduizend boeken, veelal klassiekers. Het nieuws volg ik, maar ook de spielerei en de reuring waardeer ik. Ik heb gesprekken met kleinkinderen en volwassenen in onze hechte familie, ik geef raad, ik doe taxaties, en praat over het verleden.’ ‘Mijn lievelingsschrijvers, waar u straks naar vroeg? Daar kan ik er meerdere van noemen. Simone de Beauvoir bijvoorbeeld, Tous les hommes sont mortels. Dat kan ik spellen. Onze Godfried Bomans, met Erik en Pa Pinkelman. Annie M.G. Schmidt: kent u dat mooie gedicht ‘Aan een klein meisje’ van haar? Die laatste regels: “ Dit is het land, waar grote mensen wonen… Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.” Prachtig hè? Dan zal ik u ook nog het kortste gedicht voordragen dat ik ken: “ Bang zijn voor het slapen gaan Niet het slapen, maar het gaan.”’ 2


Afb. 10 Veld van negen fijn geschilderde landschappen in cirkel, hoekmotief anjer, Amsterdam, tweede helft achttiende eeuw.

Cees van Sabben and his Son Arno: the Family Firm of a Teacher and a Dancer Tegel editor Lejo Schenk meets 88-year-old Cees van

young age and decided to continue his father’s business.

Sabben and his youngest son Arno. Cees swapped his

Currently the emphasis is on preserving large ceramic

teaching post for a career as a dealer in antique tiles,

objects from the twentieth century, which are often

even running a specialized auction for many years.

threatened with demolition. Father and son both talk

At his clients’ request, he started removing tiles from

frankly about their work, their outlook on life and – of

buildings and placing them in other premises. Arno,

course – about tiles.

who was a talented classical dancer, helped him from a

Over de auteur

Zie pagina 10.

61


Nederlands Tegelmuseum Museum van de Nederlandse tegelcultuur vanaf de zestiende eeuw

Moreske uitgespaard op blauw fond, ca. 1580-1600 (DNT A.01.05.84). Verworven door schenking in 2019.

Nederlands Tegelmuseum, Eikenzoom 12, 6731 BH Otterlo Tel.: 0318-591519, Fax: 0318-592000 e-mail: info@nederlandstegelmuseum.nl www.nederlandstegelmuseum.nl Directeur: Eric Mackay Conservator: dr. Johan A. Kamermans

62

Openingstijden: dinsdag t/m vrijdag van 13.00 - 17.00 uur, zaterdag, zondag en feestdagen 13.00 - 17.00 uur. Op maandag, Eerste Kerstdag en Nieuwjaarsdag gesloten. Buiten de openingsuren bestaat de mogelijkheid het museum te bezoeken in groepsverband.


63


S TichTiNG V riENdEN N EdErLaNdS T EGELmuSEum 64