Page 7

je Kingston, en we deden de deur niet open en namen de telefoon niet op als die toevallig ging. We maakten lange wandelingen op tijden wanneer de mensen binnenshuis bezig waren. Af en toe gingen we de stad in en zaten dan in een restaurantje uit het raam naar voorbijgangers te kijken, waarbij we probeerden uit te stralen dat we in elkaars gezelschap opgingen, om zo aandacht af te weren. De enige aan wie we ons voorstelden, was priester Mel van Saint Mark’s, een hardstenen kapelletje aan het water. ‘Goeie hemel,’ zei hij toen hij ons zag. ‘Dus jullie zijn eindelijk gekomen.’ We mochten priester Mel graag, omdat hij geen vragen of eisen aan ons stelde; hij sloot zich simpelweg bij ons aan in het gebed. We hoopten dat onze subtiele invloed in het stadje er na verloop van tijd misschien toe zou leiden dat de mensen weer aansluiting zochten bij hun spiritualiteit. We verwachtten niet van hen dat ze elke zondag naar de kerk gingen, maar we wilden hun vertrouwen herstellen en hun leren geloven in wonderen. Zelfs als ze op weg naar de supermarkt alleen maar even de kerk in gingen om een kaarsje aan te steken, dan zouden we al blij zijn. Venus Cove was een slaperig strandstadje, zo’n plek waar nooit iets verandert. We genoten van de rust en maakten er een gewoonte van langs het strand te wandelen, meestal rond etenstijd, als er verder niemand was. Op een avond liepen we helemaal naar de pier, om te kijken naar de boten die daar afgemeerd lagen. Ze waren zo kleurig beschilderd dat ze op een ansichtkaart leken te horen. We waren al aan het einde van de pier toen we de jongen opmerkten die daar in zijn eentje zat. Hij kon niet ouder zijn dan zeventien, maar in hem was al de man te zien die hij op een dag zou worden. Hij droeg een cargobroek tot op de knie en een wijd, wit t-shirt met afgeknipte mouwen. Zijn gespierde benen hingen over de rand van de pier. Hij was aan het vissen, en naast hem lagen een jutezak vol aas en een verzameling vismolentjes. We bleven abrupt staan toen we hem zagen en wilden ons onmiddellijk weer omdraaien, maar hij had ons al gezien. ‘Hallo,’ zei hij met een open glimlach. ‘Mooie avond voor een wandeling.’ Mijn broer en zus knikten enkel en bewogen zich niet. Ik besloot dat het onbeleefd was om niet te reageren en stapte naar voren. ‘Ja, inderdaad,’ zei ik. Ik denk dat dit het eerste teken van mijn zwakte was; mijn menselijke nieuwsgierigheid trok me naar voren. We 14

Halo  

Venus Cove is niet meer dan een slaperig stadje. Daar komt verandering in wanneer vanuit de hemel drie engelen naar het stadje worden gestuu...

Halo  

Venus Cove is niet meer dan een slaperig stadje. Daar komt verandering in wanneer vanuit de hemel drie engelen naar het stadje worden gestuu...

Advertisement