Issuu on Google+

editie 3, jaargang 4, juni 2008, Checks & Balances van studievereniging Clio

Balances

De onmogelijkheid in Mensveiligheid & Minister van der Hoeven over Nederlands energiebeleid


Steun haar. Ga naar vrouwenstaansterker.nl


3

Inhoud

Clio.nl

Bestuurlijk

6

Wie wordt Olympisch kampioen moralisme?

7

Als gastland van de Olympische Spelen deze zomer zijn alle ogen op China. De kritieken die geuit worden vanwege de schendingen van de mensenrechten zijn niet van de lucht maar de politiek houdt zich op de vlakte. Bard Sibon stelt de vraag: Is dit terecht?

Een leven na IO/IB

9

Net afgestudeerd en aan de slag als Junior Consultant bij de Verenigde Naties… de droombaan voor de IB-student of een kans die je eigenlijk wel kan laten schieten? Hiske Hoekstra stond voor die keus.

Dagboek van een docent: Hans Vedder

10

We kennen hem als docent Europees Recht, maar verder zien IB-studenten weinig van de juridische sectie. Daarom vroeg Checks & Balances Hans Vedder om deze vaste rubriek invulling te geven en hij neemt daarbij geen blad voor de mond.

Column: Silvio’s grote bezem

11

Afrika in de 21ste eeuw:

12

Verschillende Afrikaanse landen domineren de internationale pagina’s op het moment. Tsvangirai en Mugabe in Zimbabwe, Kibaki in Kenia… in hoeverre kan democratie zich vestigen op het Afrikaanse continent?

Bewogen leven: Ian Smith

13

Een korte uiteenzetting over de voorganger van Mugabe en zijn leven als beschermer van het blankenbestuur als heerser van Rhodesië.

Stage: Hare Majesteits Ambassade Washington DC

14

Wat doet Amerika in november is de vraag waar hele analyses op los worden gelaten in de media. Door haar stage in Washington weet Anna Arian te vertellen wat de Amerikanen nou eigenlijk zoeken in kandidaten

Briefwisseling

16

Verschillende inzichten over de politieke lading van energie zijn nog niet uitgeput. Hierover is met Jos Hessels, twee experts van de IAEA en niemand minder dan de Minister van Economische Zaken Maria van der Hoeven gecorrespondeerd.

Op de cover De internationale organisatie die er al bijna anderhalve eeuw in slaagt om met toestemming van een staat te voorzien in mensveiligheid, is het Internationale Comité van het Rode Kruis. Mensveiligheid is een relatief onbekend begrip, ondanks dat het veertien jaar geleden al voor het eerst werd gebruikt in de het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties. Kort gezegd gaat het om de individuele rechten op zekerheden als voedsel en gezondheid. Het waarborgen hiervan staat echter op gespannen voet met staatssoevereiniteit. Meer hierover is te lezen in deze editie.

Max Westerman over Amerika

20

In samenwerking met Max L. Snijders heeft Clio een lezing georganiseerd met de correspondent van RTL in New York. Checks & Balances sprak met Max Westerman over acht jaar Bush, de media en uiteraard zijn visie op de verkiezingsstrijd.

Clio agenda

21

Schrijfster Jung Chang over Mao Zhedong

22

Na haar bestseller ‘Wilde Zwanen’ beschrijft haar tweede boek het leven van en onder één van de grootste dictators van de twintigste eeuw.

Studeren in…

23

Joeri Deelstra vertelt over haar leven als student aan Queens University in Kingston gelegen in het prachtige Canada.

Cartoon

25


&

Colofon

Checks & Balances is een uitgave van studievereniging Clio. C&B verschijnt vier keer per academisch jaar. Redactie Anna Alberts Esther Gonner Jan Erik Visscher Jasper Smit Sam Trompert Sarah Haaij Suzanne Klein Schaarsberg

De onmogelijkheid in mensveiligheid

26

Waar veiligheid in het geding is, lijkt ontwikkeling alle prioriteit te verliezen. Is veiligheid van het individu de verantwoordelijkheid van de staat of van de internationale gemeenschap? Met de term mensveiligheid legt Ella Westerhof de altijd aanwezige spanning tussen staatssoevereiniteit en een internationaal veiligheidsregime bloot.

Minister van Middelkoop in Groningen

28

Het blijft de centrale vraag in het debat rondom de missie in Uruzgan. Minister van Middelkoop was in Groningen en legde daar nogmaals uit wat ‘onze jongens’ daar doen en hoe lang nog.

Een terugblik op Die Neue Ostpolitik.

29

Nog niet zo heel lang geleden was ons buurland nog gespleten door de ideologieën van Oost en West. Willy Brandt die Duitsland weer tot eenheid bracht, heeft hiervoor binnenlandse en buitenlandse tegenstellingen moeten overwinnen. Hoog politiek spel met die Neue Ostpolitik.

Conflict op het water

32

Het gevaar van water schuilt niet alleen in droogte of watersnood. De wateren van Somalië bijvoorbeeld blijken niet veilig voor toeristische scheepvaart. De vele conflicten die omtrent water ontstaan, vormden de basis voor een interessant Cliocongres, waarvan Sarah Haaij verslag brengt.

Recensie

33

De burgeroorlog in Darfur laait steeds weer op. De grootste slachtoffers in deze strijd zijn ook hier duizenden kinderen. Het boek ‘Wat is de wat?’ beschrijft het leven op de vlucht van één van deze kinderen en hoe niet Ethiopië, maar Amerika de veilige haven bleek.

Eindredactie Eva Bik Erik van Doorn

Groninga Caput Mundi

Hoofdredactie Astrid Dunselman

Redactioneel

Freelance Anna Arian Joeri Deelstra Hiske Hoekstra Bard Sibon Ella Westerhoff Cartoon Quin Genee Vormgeving Jasper Smit Druk Giethoorn ten Brink Oplage 1300 stuks Redactie-adres Checks & Balances Oude Kijk in ‘t Jatstraat 26 9712 EK Groningen E-mail: check@clio.nl Website: www.Clio.nl

34

Beste lezer, Met wellicht nog een enkel tentamen is dan toch de vakantie in het vooruitzicht. Het belooft een spannende zomer te worden. De oranjegekte houdt nog aan aangezien in Peking tientallen topsporters weer voor eeuwige Olympische roem zullen strijden en in de Verenigde Staten maken Democraten en Republikeinen zich op voor de partijcongressen die het startsein voor de eindsprint naar het Witte Huis zullen betekenen. De redactie van Checks & Balances staat ook niet stil. Een blik in de colofon maakt duidelijk dat er de afgelopen maanden aardig wat veranderingen hebben plaatsgevonden. Drie nieuwe redacteuren mag ik verwelkomen in dit eerste redactioneel van mijn hand. Anna Alberts zal zich ontfermen over de advertentieruimte in Checks & Balances, veel van de foto’s die u in deze editie vindt heeft Suzanne Klein Schaarsberg al verzameld en Sam Trompert is als tweede journalist aangetrokken om de scherpste vragen te stellen in de interviews. Ik heb voor deze editie de hoofdredactie voor mijn rekening genomen en zal dat de komende maanden doen voor een heel speciaal nummer van Checks & Balances, gewijd aan het thema van de Clio’s Lustrumweek in november: Classified… You have no right to remain silent. Over de inhoud mag ik nu natuurlijk nog niets verklappen maar in samenwerking met de Lustrumcommissie belooft het een prachtig nummer te worden! Omwille van de datum van de Lustrumweek, kunt u de volgende editie van Checks & Balances dan ook tegen het einde van oktober verwachten. Namens de redactie wens ik u veel leesplezier en een heerlijke zomer toe. Astrid Dunselman

5


6

Beste lezer, Lopende door Amsterdam denk ik terug aan het afgelopen jaar. Het was een mooie Tour met veel uitdagingen, mooie beklimmingen en vliegensvlugge afdalingen, maar boven alles was het een geslaagd Clio-jaar. Er heeft een breed scala aan activiteiten plaatsgevonden en de verschillende commissies hebben elk hun eigen successen behaald. Zo is bijvoorbeeld het alumnibestand met ruim zestig alumni uitgebreid en heeft de forumcommissie met een lezing door Max Westerman de Aula weten te vullen. Het was een jaar waar het bestuur met een tevreden blik op terug kijkt. Terwijl ik verder wegdroom, vertelt een oud-rechercheur over zijn werk rondom de Warmoesstraat in de zeventiger jaren. Mijn aandacht wordt gegrepen wanneer deze vertelt over ene Gerrie Banaan. De heer Banaan is een crimineel die zijn eigen club heeft in de beruchte Warmoesstraat. Een goedgezinde crimineel zou je denken wanneer je hoort dat deze het plaatselijke voetbalteam van de politie sponsort. Echter komen ondertussen in zijn pand topcriminelen zoals Klaas Bruinsma en Charlie da Silva samen om louche zaken te bespreken. Corrupt, zo zou het een en ander ook bestempeld kunnen worden. Geïntrigeerd luister ik naar dit verhaal en andere ‘classified’ informatie. Al ruime tijd is de lustrumcommissie bezig met de organisatie van een fantastische lustrumweek. Van 10 tot en met 15 november zal het lustrum gevierd worden door middel van verscheidene activiteiten variërend van een groot feest tot aan masterclasses. Deze week zal geheel in het teken staan van het thema ‘Classified’. De schaduwkant van de internationale betrekkingen zal uitgelicht worden en je krijgt als IB/IO’er de kans om meer te weten te komen over vaak onderbelichte onderwerpen. Het belooft een geweldige week te worden die geen Clio’er mag missen! Het lustrumthema is bekend gemaakt tijdens het eindfeest ‘Diva’s en Daklozen’, dat een mooie afsluiting vormde van het jaar. Meerdere

Clio-leden gingen origineel verkleed en de algehele sfeer was goed. Eerder al vond de carrièredag plaats. Door middel van interactieve workshops kregen IB/IO’ers de kans om kennis te maken met diverse potentiële werkgevers. Tevens heeft het jaarlijkse Clio-congres plaatsgevonden met als thema ‘Water: een bron van conflict?’. Het was een geslaagd congres met inhoudelijk zeer sterke lezingen. Tijdens de Batavierenrace konden Clio-leden hun sportieve kant laten zien. Het was een goed weekend met topprestaties en veel gezelligheid. De jaarlijkse Clio-reis ging dit jaar naar Krakau. Voor de vijftig deelnemers was een divers programma samengesteld variërend van raften tot aan een bezoek aan de zoutmijnen. De activiteiten gingen gepaard met veel plezier en het was een zeer geslaagde reis. Eerder organiseerde Checks & Balances een interessante workshops over de zogenaamde ‘blogosfeer’ en heeft ClioMind studenten verder geholpen door middel van een workshop ‘timemanagement’. Al met al hebben er weer veel activiteiten plaatsgevonden die dit Clio-jaar tot een succes hebben gemaakt. Inmiddels is het tijd om af te gaan sluiten. Het jaar zit er voor ons als bestuur helaas alweer op. Een nieuw bestuur is inmiddels aangetreden en staat klaar om het roer over te nemen. Gelukkig kunnen wij met een gerust hart het stokje overdragen. Wij hebben namelijk alle vertrouwen in onze opvolgers en geloven in opnieuw een succesvol Clio-jaar. Wij hopen dat zij net zo gaan genieten als wij het afgelopen jaar gedaan hebben. Namens het Clio-bestuur 2007/2008 wil ik iedereen bedanken voor zijn/haar inzet voor de vereniging en iedereen een fijne vakantie toewensen. Nu is aan mij de eer om het woord te geven aan mijn opvolgster: Hanna van Schie!

Met vriendelijke groet, Dieuwertje Nelissen Voorzitter Clio-bestuur 2007/2008

Beste lezer, In Rusland neemt de jongeling Medvedev na acht jaar Poetin het heft in handen. In Cuba is het broer Raúl die de macht van revolutionair Fidel overneemt. Tegelijkertijd wacht de wereld in spanning op de verkiezingsuitslagen in Zimbabwe. Ook in het pittoreske Groningen is er sprake van een wisseling van de wacht. Na het bestuur 2007/2008 is het nu aan ons de taak een prachtig Clio jaar op ons naam te zetten. Tijd om bestuur 2008/2009 voor te stellen. Laten we beginnen met Ellen Ringnalda. Na zich een jaar lang volledig te hebben ingezet voor Clio als voorzitter van ClioMind zal zij dit jaar de rol van secretaris innemen. Jaap Dansen zal zich als penningmeester over de financiën van Clio ontfermen. Door zijn ervaring als commissaris PR bij de Alumnicommissie en als commissaris externe contacten bij het IRSP, loopt Jaap al even mee bij Clio en is hij de geknipte persoon voor deze taak. Marga Veeneman heeft zich twee jaar met veel enthousiasme voor Clio ingezet als commissaris acquisitie bij de Activiteitencommissie en als commissaris evenementen bij de Lustrumcommissie. Marga zal dit jaar de professionele uitstraling van Clio hooghouden als commissaris PR & Publicaties. Na haar zaakjes dit jaar piekfijn voor elkaar te hebben gehad als commissaris acquisitie in de Almanakcommissie, zal Inge Wijnja de acquisitie van Clio voor haar rekening nemen. Tenslotte zal ik mijzelf introduceren. Na ervaring te hebben opgedaan als commissaris PR in de Forumcommissie ben ik dit

jaar als sprekerscoördinator verantwoordelijk geweest voor het organiseren van de formele activiteiten in de Lustrumcommissie. Dit jaar zal ik, Hanna van Schie, de functie van voorzitter vervullen. Vol bruisende nieuwe ideeën en met een berg enthousiasme zien wij ons bestuursjaar tegemoet. Binnen Clio is er alle ruimte om geweldige dingen te organiseren, je ideeën kwijt te kunnen en vooral ook veel te leren op allerlei gebieden. Mocht je hier een graantje van mee willen pikken, schroom dan vooral niet om te solliciteren voor een van onze commissies! Voor jullie: nog even aan de studie en dan twee maanden de tijd om de internationale betrekkingen in de praktijk te onderzoeken. Geniet! Met vriendelijke groet, Hanna van Schie Voorzitter Clio-bestuur 2008/2009


Wie wordt Olympisch kampioen moralisme? Westerse kritiek op mensenrechtensituatie blijft op onbegrip China stuiten

Door Bard Sibon

De Chinese draak roert zich wederom. Alle kritiek en burgerinitiatieven om de aankomende Olympische Spelen vanwege wijdverbreide mensenrechtenschendingen te boycotten, lijken weinig effect te hebben. Beijing bijt nog immer hard van zich af en politieke leiders over de hele wereld doen niet veel meer dan de gemoederen sussen en de Chinezen zoveel mogelijk te vriend houden. De verwoestende aardbeving in de provincie Sichuan heeft de aandacht ondertussen weggenomen van het mensenrechtendebat, maar vraag blijft waarom de Chinezen schijnbaar minder waarde hechten aan de voor ons zo belangrijke, zelfs fundamentele mensenrechten? En zal een boycot daadwerkelijk zin hebben? Van Muiswinkel: “China gaat de Spelen uitbaten, net zoals Hitler dat in 1936 deed.” ‘Verrader van de Olympische geest’ werd hij ineens genoemd. Steven Spielberg bedankte voor de regie van openingsceremonie van de Spelen en de Chinese media verklaarden hem zowat persona non grata. Ook de Britse prins Charles gaf aan verstek te zullen laten gaan als protest tegen de Chinese betrokkenheid bij de crisis in Darfur. Vanwege oliebelangen investeert Beijing miljarden in de Soedanese economie, onder andere in de vorm van wapenverkoop. Soedan zet deze wapens in in de door geweld verscheurde regio Darfur. Tel de ophef over het hardhandig neerslaan van de opstand van Tibetaanse monniken van een paar weken terug hierbij op, en een boycot van de Spelen door ‘alle landen die de mensenrechten hoog in het vaandel hebben staan’ ligt in het verschiet. De werkelijkheid is anders. Hoewel uit verschillende politieke hoeken kritiek klinkt, is het in Nederland vooralsnog alleen cabaretier Erik van Muiswinkel die openlijk harde actie voert. “China gaat de Spelen uitbaten”, waarschuwt hij, “net zoals Hitler dat in 1936 deed.” Vooral deze laatste vergelijking wordt hem niet in dank afgenomen. Ook de sportkoepel NOC*NSF heeft aangegeven niets te zien in een boycot. Voorzitter Erica Terpstra, zelf zowel Chinaliefhebber als bewonderaar

van de Dalai Lama, is van mening dat een boycot nog nooit geholpen heeft en dat Van Muiswinkel de sport misbruikt voor zijn eigen politieke doel. Terpstra lijkt met deze uitspraak haar historische gelijk te halen. Slechts een keer eerder bleven de Nederlandse sporters weg van de Spelen, namelijk tijdens die van 1956 in Melbourne vanwege de Russische inval in Hongarije. In 1980 pleitte premier Van Agt voor een boycot van de Spelen in Moskou om ‘het lijdende Afghaanse volk’ moreel te steunen. Hiermee refereerde hij aan de Sovjetinval in Afghanistan dat jaar, maar het NOC legde deze oproep naast zich neer en besloot alleen de openingsceremonie te mijden. In beide gevallen maakten de tanks van het Rode Leger geen rechtsomkeert, ondanks dat in 1980 wel tientallen andere landen wegbleven. Terughoudendheid Ook nu durft de politiek zijn vingers eigenlijk niet te branden. Minister Verhagen van Buitenlandse Zaken noemt het “geen verplicht nummer dat Nederland de mensenrechten verdedigt”. Tijdens een rondetafelconferentie met betrokken partijen wees hij

7


8

een boycot van de hand. Dit terwijl hij in een eerdere beleidsnota mensenrechten tot uitgangspunt van het Nederlandse buitenlands beleid had verklaard. Volgens hem leveren contacten met de Chinezen tijdens zo een groot evenement meer op dan een boycot door enkele topsporters. Zelfs Amnesty International riep de minister enkel op om met de Europese lidstaten meer druk uit te oefenen.

“De boycot van 1980 heeft noch de Berlijnse Muur naar beneden gekregen, noch de situatie in het Oostblok verbeterd.” Verhagens buitenlandse collega’s trekken net zo min hard van leer. De Franse president Nicolas Sarkozy noemde al tijdens zijn verkiezingscampagne wegblijven bij de Spelen “absurd”. Twee van zijn ministers benadrukten dat “de boycot van 1980 de Berlijnse Muur ook niet naar beneden kreeg noch de situatie in het Oostblok verbeterde.” Hoewel de Duitse bondskanselier Angela Merkel de mensenrechten tot topthema heeft verklaard – zij ontving vorig jaar september en onlangs nogmaals zelfs de Dalai Lama, tot grote ergernis van Beijing – heeft de Bondsdag aangegeven niet over te zullen gaan tot een boycot. Wel hebben Sarkozy en Merkel aangegeven niet aanwezig te zullen zijn bij de openingsceremonie, zo ook de Britse premier Gordon Brown en zelfs secretaris-generaal van de VN Ban Ki-moon, een Koreaan. Wat verklaart deze relatieve politieke terughoudendheid? Was het niet het vrije Westen dat na het bloedig neerslaan van de studentenprotesten op het Tiananmenplein in 1989 nog eensgezind met een veroordeling en harde sancties kwam? Een belangrijke verklaring hiervoor ligt in de sterk veranderde positie van China in de wereld. Met de onstuimige economische groei van de afgelopen decennia is het land niet alleen economisch maar ook militair en politiek een partij van betekenis geworden. Dat China in 2001 de Spelen kreeg toegewezen is dan ook allereerst een bevestiging van de status als grote mogendheid en zorgde voor een hernieuwd zelfbewustzijn van de Chinezen. Veel landen zagen, naast de angst de boot mis te lopen in de grote economische vooruitzichten, de Spelen juist als een goede mogelijkheid om invloed uit te oefenen op het mensenrechtenbeleid. Daarmee ligt meteen de kern bloot van het verschil in opvatting tussen het Westen en China. Beijing doet wel degelijk zijn best een positiever imago te creëren wat betreft mensenrechten. Iets wat daadwerkelijk ook tot gevolg heeft gehad dat de situatie verbeterd is, zelfs Amnesty onderschrijft dit. Goed voorbeeld van het positieve effect van de gevoerde ‘stille diplomatie’ zijn de toenaderingspogingen tussen de Chinese regering en de Dalai Lama van de afgelopen weken. Deze laatste onderschreef bij zijn recente – in China wederom omstreden – bezoek aan Berlijn “een duidelijke wijziging in de houding van China: helderder, opener en doorzichtelijker.” Weinig wortels Wat in de huidige discussie echter nog steeds weinig naar voren komt is dat in China fundamentele mensenrechten anders omschreven en gewaardeerd worden dan in de westerse wereld. Mensenrechtenactivist Hu Jia legt uit dat “de Chinese definitie van mensenrechten vooral sociaal is.” Eten, onderdak en werk zijn belangrijker dan vrijheid van meningsuiting en democratische verkiezingen. Dit is overigens niet alleen de mening die de Chinese regering toegedaan is. Uit een recent onderzoek is gebleken dat ook het overgrote deel van het Chinese volk prioriteit geeft aan sociale orde en stabiliteit boven

meer vrijheid. Hoewel de propaganda van de regering de burgers zeker beïnvloedt, ligt bij velen de chaos zoals die ten tijde van het Tiananmen-incident in 1989 nog vers in het geheugen. Ook het voorbeeld van de uiteengevallen Sovjet-Unie is voor veel Chinezen een rampscenario en het bewijs dat democratie zo zijn keerzijden kent. Daarentegen zijn de Chinezen intensief bezig met hun economische positie. Vooral de rijke bovenlaag en de middenklasse zijn grotendeels gefocust op het vergroten van de economische welvaart en het grootmaken van China in de wereld. “Werk hard en word rijk (…) en denk nooit aan jezelf, stel alles in dienst van de maatschappij” is het devies. Democratie zou alleen maar een last leggen op de fabelachtige economische groei van China. Vaak wordt de vergelijking gemaakt met India, de grootste democratie van de wereld. Dit land is weliswaar ook een zogenaamde groei-economie, maar vergeleken met China blijft het land achter op dit punt. Voorbeeld nemen ze graag aan landen als Singapore en Maleisië die ook economische successen boekten zonder volledig te democratiseren. Een ander belangrijk aspect is dat het concept mensrechten überhaupt weinig wortels in de Chinese cultuur heeft, vooral wat betreft individuele rechten. In China staat de maatschappij al sinds de oudheid als een organisch geheel boven het individu: families zijn belangrijker dan de individuele leden ervan, de mens bestaat bij de gratie van de staat en niet andersom. Harmonie en gehoorzaamheid prevaleren boven typisch westerse waarden als gelijkheid en eerlijkheid. Deze overtuiging zit diep geworteld in de Chinese maatschappij en komt voort uit het Confucianisme, de dominante levensleer in China. De westerse kritiek op de mensenrechtensituatie wordt dan ook afgedaan als irrelevant voor de Chinese situatie, als jaloezie op de snelle opkomst van China op het wereldtoneel zelfs. “Geen enkel land is perfect, dus niemand heeft het recht op ongegronde bemoeienis met de situatie in China. Zeker niet onder het motto van de Olympische gedachte”, aldus Jiang Yu van het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken. Doemscenario Duidelijk is dat de Chinese visie op mensenrechten niet strookt met de algemene Westerse opvattingen hierover. De toenemende welvaart brengt vooralsnog een zekere tevredenheid van het volk met zich mee, maar de leiders in Beijing zien ook in dat deze situatie uiteindelijk zal veranderen en de roep om democratisering sterker zal worden. De vrees is dat wanneer dit concept omarmd wordt, de stabiliteit in het land zal verdwijnen. Problemen in afvallige provincies als Tibet zijn slechts een voorbode van een mogelijke escalatie als Beijing de teugels laat vieren. Dit doemscenario heeft de Chinese regering dan ook voor ogen als het de huidige buitenlandse kritiek resoluut van de hand wijst. Van Muiswinkel mag dan feitelijk gelijk hebben in de discussie, niemand ontkent immers dat de mensenrechten geschonden worden in China, moreel gezien is zijn overtuiging sterk cultureel bepaald, waardoor hij meer polariseert dan daadwerkelijk begrip oogst aan Chinese zijde. De politiek heeft deze spanning ogenschijnlijk beter in het achterhoofd en houdt zich omwille van de vele belangen die op het spel staan dan ook op de vlakte. Met dusdanig verschillende benaderingen van het mensenrechtenvraagstuk valt er nu eenmaal geen Olympisch kampioen moralisme aan te wijzen. I&

Dit artikel kwam mede tot stand gedurende de collegereeks van het minorvak ‘Journalistiek-2: Publieksgericht Schrijven’ onder begeleiding van mw. drs. I. Noordhoff en het kernvak ‘China en de Wereld’ onder begeleiding van dhr. dr. J.F Meijer. Met dank.‘


Een leven na IB Door Hiske L.M. Hoekstra

Soms kom je na je studie op een plek terecht, waar je van te voren nooit had gedacht je carrière te zullen beginnen. Tot ongeveer vijf maanden geleden, wist ik vrij zeker dat ik een positie als tijdelijk consultant bij het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) zou aannemen. Op het moment van schrijven ben ik net een maand werkzaam als trainee General Management Insurance bij ING Bank. Geen Genève maar Rotterdam. Niet in de non-profit maar in de profit branche. Een stage bij de VN In de laatste fase van mijn studie, terwijl ik mijn scriptie schreef, kreeg ik via via een vacature voor een stage bij het Bureau for Crisis Prevention and Recovery (UNDP, BCPR) in Genève doorgestuurd. Het idee een tweede stage te lopen, sprak mij niet direct aan, maar het was natuurlijk wel een mooie kans om een kijkje in de keuken van de Verenigde Naties (VN) te nemen. Nadat ik eind augustus mijn scriptie had ingeleverd en mijn doctorandus titel binnen was, verdween ik in september voor drie maanden naar Zwitserland. Uiteraard had ik gedurende mijn studie de verhalen over de bureaucratie wel gehoord en mijn voorstelling van de dagelijkse praktijk in een grote Internationale Organisatie als de VN was dan ook niet bepaald rooskleurig... Hoewel ik de ervaring voor geen goud had willen missen, is mijn beeld van de VN van ‘niet bepaald rooskleurig’ wel veranderd in ‘vrij grijs’. De effectiviteit van een orgaan als de UNDP lijkt veelal belemmerd te worden door de machtspolitiek binnen en tussen de verschillende afdelingen. Wat mij vooral verbaasde was het gebrek aan idealisme bij een groot gedeelte van de werknemers. Vanwege de zeer aantrekkelijke salarissen, waarover geen belasting hoeft te worden betaald, blijven veel mensen zitten, de passie voor hun werk lijkt met de tijd te zijn vervaagd. Mede door de enorme bureaucratie raakte ik redelijk snel gefrustreerd. Processen nemen enorm veel tijd in beslag en het beleid dat op Headquarter (HQ) niveau wordt uitgestippeld, blijkt in de praktijk veelal niet goed te implementeren. Er wordt zoveel papier van het ene bureau naar het andere bureau geschoven, dat de organisatie haar maximale slagkracht onbenut laat.

De keuze voor het bedrijfsleven Na lang wikken en wegen besloot ik het over een andere boeg te gooien en verder te solliciteren. Het idee van een baan in het bedrijfsleven was gedurende mijn stage bij de VN steeds meer gaan spelen. Nog tijdens mijn studietijd, had ik op een Clio Carrièredag kennis gemaakt met ING Bank. Het was een leuk gesprek geweest en ik besloot me toentertijd op te geven voor de Masterclass van ING in mei 2007. Hoewel de financiële dienstverlening vrij ver afstond van waar ik tot dan toe mee bezig was geweest, was mijn interesse wel gewekt, vooral ook vanwege de vele opleidingsmogelijkheden die het bedrijf bood. Na een succesvolle masterclass heb ik in maart dit jaar de vervolgrondes van het sollicitatieproces doorlopen en ben nu sinds een maand werkzaam bij Nationale-Nederlanden in het kader van het ING traineeship General Management Insurance. Is het wennen? Absoluut... het is een nieuwe wereld en als IO-er kom je natuurlijk met andere bagage binnen dan de economie of bedrijfskunde studenten. Dit houdt echter niet in dat het daardoor niet doenlijk is, al levert het zo nu en dan wel komische verwarringen op: ondanks dat ik bij de drie letters PMC in het begin aan Private Military Company dacht, weet ik nu dat hier in het bedrijfsleven eerder ‘Product Markt Combinaties’ mee bedoeld wordt. Zelf vind ik het een uitdaging om nu in zo een andere wereld werkzaam te zijn en het brede perspectief dat ik binnen IO/IB heb geleerd in deze omgeving toe te passen. Met name de resultaatgerichtheid van het bedrijfsleven spreekt me erg aan. Waar binnen de UNDP de verantwoordelijkheden nogal eens afgeschoven werden, is men hier gewoon aansprakelijk voor wat men doet. Bovendien is de zelfstandigheid die je als trainee krijgt meteen groot. Hierdoor is het af en toe stretching maar heb ik in deze ene maand bij ING meer kunnen leren dan in drie maanden bij de VN. Daarnaast krijg ik volop de mogelijkheid om me door middel van trainingen verder te ontwikkelen en ben ik ervan overtuigd dat wat ik hier in de komende jaren ga leren, uiterst bruikbaar zal zijn in de toekomst... zowel aan de profit, als de non-profit kant!

De effectiviteit van een orgaan als de UNDP lijkt veelal belemmerd te worden door de machtspolitiek binnen en tussen de verschillende afdelingen. Voor een starter is ontwikkeling enorm afhankelijk van de directe baas. Het is maar afwachten of er mogelijkheden ontstaan om echt verder te komen op HQ niveau als je je carriere niet via het Junior Professional Officer programma begint. Waarschijnlijk zijn die kansen binnen een Country Office iets groter. Toen ik aan het einde van mijn stage een aanbod kreeg om voor minimaal zes maanden terug te komen als Junior Consultant heb ik dan ook lang getwijfeld. Aan de ene kant is het idee van een eerste baan bij de VN natuurlijk wel heel aanlokkelijk. Mijn ervaringen van de drie maanden daarvoor, deden mij echter inzien dat er nauwelijks garanties zijn voor doorgroeimogelijkheden, laat staan voor interessante trainingen. Ook de vooruitzichten voor het werk als Junior Consultant binnen HQ bleven vrij monotoon en weinig uitdagend.

Omdat het IO/IB bloed kruipt waar het niet gaan kan en mijn idealisme nog niet gedoofd is, ben ik actief geworden bij één van de sociale projecten van ING: Chances for Children, een initiatief in samenwerking met Unicef. Hier kan ik me naar hartelust uitleven met de vele acties om zoveel mogelijk kinderen in ontwikkelingslanden naar school te laten gaan. Ook binnen Nederland is Chances for Children actief op achterstandscholen, waar met sociale projecten getracht wordt om jongeren een kans op een goede toekomst te geven. Al met al bleek de stage na mijn afstuderen een waardevolle ervaring te zijn, vooral omdat ik er achter ben gekomen wat ik niet wilde! Gelukkig blijkt dat je als IO-er ook in het bedrijfsleven prima terecht kunt. I&

9


10

Dagboek van een docent

Hans Vedder

Hoe heilig is docent Europees recht Mr. Dr. Hans Vedder? Lees zijn dagboek en oordeel zelf.

Maandag Maandag, dinsdag en vrijdag zijn mijn ‘onderwijsdagen’, en dat zal ik deze maandag weten. In feite begint de werkdag al als ik om 7 uur naar het journaal luister en een Europeesrechtelijk nieuwtje hoor. Even onthouden en wellicht verwerken in een college. Vandaag begint de dag op het kantoor met een scriptiebespreking. Het is een mooie scriptie over een interessant onderwerp en mijn commentaar beperkt zicht tot wat aanwijzingen over bronnen, methodologie en tekstuele puntjes. Vervolgens spreek ik om 9:30 nog een student over een werkstuk dat hij bij me schrijft, maar dit is wat problematischer. Ik geef hem te kennen dat er echt meer structuur in moet en dat een opdreunen van regels en samenvattingen van arresten en wetgeving weinig toevoegt aan hetgeen we al weten. Dit is volgens mij niet voldoende en daar is de student het mee oneens. Hij geeft aan dat duidelijk is dat hij er tijd in heeft gestoken en dat het zeker tien pagina’s zijn; een inspanning die beloond mag worden. Ik geef hem aan dat de hoeveelheid pagina’s of woorden geen enkele indicatie van kwaliteit is, en dat ik kwaliteit beloon, niet kwantiteit. Het gesprek wordt wat onplezierig en loopt ook uit. Uiteindelijk verlaat hij om 10:05 mijn kamer, terwijl de onderwijsassistenten al staan te wachten. Met een man of zeven bespreken we de casusoplossingen en hoe we de feedback gaan vormgeven. Voor we het weten is het 11 uur en staat er alweer een scriptiestudent op de gang. Deze student wil graag een scriptie schrijven, maar heeft nog geen idee van een onderwerp en vraagt

of ik niet iets weet. Het is mijn uitgangspunt dat goede wetenschap begint met nieuwsgierigheid en nieuwsgierigheid vooronderstelt het stellen van vragen. Als iemand anders de vragen voor je stelt, dan ben je eigenlijk bezig met het bevredigen van andermans nieuwsgierigheid en dat is geen goede basis voor de afsluiting van een wetenschappelijke opleiding. Ik heb dus geen lijstje van onderwerpen. Uiteraard ben ik bereid mee te denken over het verdere uitwerken van een onderzoeksvraag, maar de nieuwsgierigheid moet van de student komen. Ik vermoed dat deze student op zoek gaat naar een collega die wel een lijstje met scriptieonderwerpen heeft. Jammer, want dat scheelt weer onderwijslast, en daarmee formatie. Na een snelle lunch stap ik om 12:40 uur op de dienstfiets om naar Paddepoel te fietsen. Met name het laatste stuk van de rit verbaast me iedere keer weer. Als jurist met een ‘technische hobby’ kijk ik graag naar de bouwput achter de collegehal, om me iets later te verbazen over het gemak waarmee hele volksstammen hun fiets op het pad naar de collegehal parkeren terwijl er fietsenstalling is. Het mooie weer is het enige dat me ervoor behoedt door de modder te moeten lopen. Het college gaat prima, maar op de een of andere manier heb ik bij het vrijdagcollege meer

“Vanwaar die onzinnige voorkeur voor kwantiteit boven kwaliteit?” het gevoel dat er een ‘klik is’ (ik kan het ook niet beter omschrijven) met de studenten. Omdat ik om 15:15 weer een bespreking heb met een student haast ik me naar het harmoniecomplex. Uiteindelijk sluit ik mijn kamer om 16 uur. Op de maandag probeer ik iets eerder naar huis te gaan om Sigrid niet al te lang op de naschoolse opvang te laten zitten. We eten om 18 uur en van 19:30 tot 20:30 schrijf ik de feedback voor de casus uit. Ik bedenkt me dat dit het enige is dat ik die dag heb geschreven, de mails moeten wachten tot morgen. Dinsdag Deze dinsdag kan ik eindelijk weer op de fiets naar het werk. Heerlijk fris en met een hoofd vol met ideeën zet ik de PC aan om 8:30 om eerst maar eens twintig spamberichten weg te gooien. Na beantwoording van de eerste mails geeft ik een werkgroep Mededingingsrecht. Deze begint me tegen te staan, maar al te vaak komt er geen enkele respons uit de groep en de studenten wekken de indruk de casus niet heel erg goed te hebben voorbereid. Na twee keer drie kwartier waarin ik nog het meeste praat (als het niet stil is omdat ik wacht op een antwoord) is dit klaar. Vorige jaren ging dit veel beter, ook met dezelfde casus en dan vraag je je toch af wat er aan de hand is. Na een goede bespreking met een scriptiestudent is er lunch. We bespreken de plannen van het kabinet over de kinderopvang en constateren dat een zwalkend beleid (niet alleen ten aanzien van


kinderopvang) vele malen erger is dan een slecht beleid. De rest van de dinsdag is voor het beantwoorden van de overige mails, het bijwerken van nestor, het uitwerken van het college van volgende week en het schrijven van een projectvoorstel voor onderwijsvernieuwing en ICT. Woensdag en donderdag Deze twee dagen werk ik thuis en probeer ik onderzoek te doen. Als Sigrid naar school is ga ik verder met een onderzoeksvoorstel voor het NWO. Thom vermaakt zichzelf en gaat om 9 uur weer slapen. Eerlijk gezegd word ik er wel wat moedeloos van het werken aan het onderzoeksvoorstel. Je steekt veel tijd in zo’n voorstel terwijl je weet dat je hoogstwaarschijnlijk een briefje zult krijgen waarin slechts een regel ertoe doet: “uw aanvraag is als minder kansrijk beoordeeld onder meer omdat u niet of in mindere mate voldoet aan de criteria voor toekenning”. Dan druk ik studenten nog zo op het hart dat ze moeten motiveren en onderbouwen en dan presteert het NWO het om met zo’n totaal gebrek aan redenering af te wijzen. Alsof je tegen een man zegt dat hij geen vrouw is omdat hij niet voldoet aan de lichaamskenmerken van een vrouw! Het vooruitzicht dat ik dit voorstel om twee uur ’s nachts zal moeten indienen om maar een kans te maken bij de eerste zestig aanvragers te horen, maakt me nog moedelozer en eigenlijk ook bozer. Als dit het niveau is waarop in Nederland de wetenschap mogelijk wordt gemaakt, dan kunnen we die kenniseconomie wel vergeten. Tijdens het middageten staat de radio aan en hoor ik een spotje van ABN-AMRO over het aantal academici in China. Ik kan het niet laten een sneer te maken die ik later ook naar de China-desk van de ABN mail. In mijn – uiteraard volstrekt anekdotische ervaring – zijn de meeste Chinese studenten onverstaanbaar Engels murmelende, weinig originele studenten die bovengemiddeld vaak plagiaat plegen. Een paar weken ervoor had ik er weer eentje en iedere keer weer wordt ik woedend. Vanwaar die onzinnige voorkeur voor kwantiteit boven kwaliteit? Ik hou het NWO-voorstel voor wat het is, en leg de laatste hand aan een artikel. De donderdagochtend brengt veel mailtjes en het merendeel betreft onderwijszaken. Voor ik het weet is het tien uur en heb ik nog geen letter geschreven aan een nieuw artikel. De rest van de donderdag kan ik wel besteden aan het schrijven van een artikel en het bijhouden van de literatuur. Donderdag ’s avonds lees ik nog twee scripties. Vrijdag Ook deze dag begint met een scriptiebespreking (een steengoede scriptie), het schrijven van twee aanbevelingsbrieven en het bijwerken van nestor. Om 10:30 uur op de fiets naar Paddepoel voor het IO-college. Ik weet wie dit leest, en het is geen geslijm, maar dit is werkelijk het leukste college. Studenten stellen vragen en er is interactie. Ondanks de achterstand op het terrein van de juridische kennis en vaardigheden ten opzichte van rechtenstudenten kan ik in dit college soms een hoger niveau bereiken. Heerlijk! Ik besluit het college over burgerschap wat uit te wijden, dan loop ik maar wat vertraging op, maar het vergezicht dat deze materie biedt op de Europese integratie is vele malen interessanter. Hier komen alle lijnen samen: het Verdrag, het Hof, nationale overheden, actieve burgers, politiek, economie en recht. Een dergelijk college is wel op het randje en voor mij ook vermoeiend, je moet twee zinnen vooruit denken en het overzicht behouden op een lang en moeilijk verhaal. Die middag hou ik me bezig met de ‘administratie’ en heb een gesprek met een tweede scriptiestudent. Ik kijk nog even of het Hof interessante arresten heeft gewezen en zie er twee om te printen. Om 16 uur ga ik weer naar huis. Zondag Op de zondagavond beantwoord ik alvast wat mails. Ik lees nog drie papers. Één van de arresten van afgelopen donderdag blijkt wel erg interessant en ik overweeg er een artikel over te schrijven. Als ‘opwarmer’ begin ik met een annotatie bij deze zaak, die kan ik later mooi in dat artikel verwerken. Om 22:00 uur is het welletjes. Nog een rondje door de tuin, dan op bed en weer een nieuwe week.

Silvio’s grote bezem Door Willem Boersma Zomerse temperaturen zorgen voor een zomerse stank in Napels. Al sinds het voorjaar van 2007 is het gebied rond de derde stad van Italië een grote rottende vuilnisbelt. En het houdt maar niet op, want iedere dag wordt er weer ruim 7000 ton afval geproduceerd. In en rond Napels moeten de burgers zien te leven tussen de ongeveer 50.000 ton vuilnis die op straat blijft liggen. In december 2007 kondigden de wanhopige lokale vuilnismannen aan dat ze het afval nergens meer kwijt konden. Nu de warme zomermaanden weer zijn aangebroken, is voor veel Napolitanen de stankgrens bereikt. De aanhoudende afvalcrisis in Napels wordt veroorzaakt door slecht bestuur in de regio. Bovendien zamelt slechts 10 procent van de inwoners het afval gescheiden in. Het enorme gebrek aan stortplaatsen is voornamelijk te wijten aan de Napolitaanse maffia, de Camorra, die de ‘afvalbranche’ in handen heeft. Jarenlang kon de Camorra ongestoord illegaal vuilnis dumpen om daar grof geld mee te verdienen. De vele illegale maffia-vuilnisbelten zorgen echter voor een forse vervuiling van de aardbodem en het grondwater. Ook zijn er burgers die ten einde raad hun vuilnis verbranden, waardoor er giftige dioxine-dampen vrijkomen. Volgens een recent onderzoek is de kans dat inwoners van het gebied kanker krijgen dertig keer groter dan voor andere Italianen. Gelukkig is de langverwachte redding van Napels nabij nu Silvio Berlusconi terug is als aanvoerder van zijn Italiaanse rijk. Volgens Silvio’s rotsvaste overtuiging is er maar één geschikte premier voor Italië: zijn eigen ego. Berlusconi werd onlangs opnieuw verkozen, voornamelijk vanwege zijn grote bezem die alle problemen in Italië uit de weg zou gaan ruimen. De teruggekeerde premier smeedde in recordtempo de vierde centrumrechtse coalitie die onder zijn bezielende leiding zal werken. Om te laten zien dat het hem menens was met de afvalcrisis, riep hij in mei zijn eerste ministerraad samen in Napels. Silvio’s politiek heeft soms illusionistische trekken, want vlak voor zijn bezoek aan Napels was er plotseling geen vuil meer te vinden in het stadscentrum. Silvio’s grote bezem maakte niet alleen de Napolitaanse straten in een oogwenk weer schoon, voorlopig althans, maar veegt ook de vloer aan met de stroom van immigranten. De andere grote speerpunt van het nieuwe regeringsbeleid is namelijk het aanpakken van de vele Roemeense (illegale) immigranten en Oost-Europeaanse zigeuners die de rasechte Italiaanse burgers het leven zuur zouden maken. De criminele buitenlanders zijn namelijk de doorn in het oog van de brave hardwerkende Italiaan, zo weet Berlusconi. Na het Napolitaanse beraad kwam Silvio’s regeringsploeg met een genadeloos pakket van maatregelen naar buiten. Het stadje Chiaiano en negen andere locaties zijn aangewezen om er desnoods met steun van het Italiaanse leger tonnen Napolitaans afval te kunnen storten. Voorts is er een speciale staatssecretaris benoemd om de afvalcrisis te bezweren. Mensen die in de stadjes rond Napels wonen hebben echter geen trek om een immense vuilnisbelt in hun achtertuin te zien verschijnen. Dit ongenoegen leidde in een opvlieging van Italiaans temperament zelfs tot ongeregeldheden. Desondanks is met premier Berlusconi ook het grote aanpakken terug in de binnenlandse politiek van Italië. Om Italië weer veilig voor de Italianen te maken wordt illegale immigratie spoedig bestraft met een gevangenisstraf van maximaal vier jaar. Een illegaal die wordt veroordeeld tot twee jaar cel of meer wordt zelfs onmiddellijk uitgezet. Het is duidelijk: dankzij Silvio’s grote bezem zullen alle rasechte Italianen weer fris, vredig en onbezorgd kunnen leven. Net als vroeger.

11


12

Afrika in de 21 eeuw: ste

De titanenstrijd tussen dictatuur en democratie Door Jan Erik Visscher

Op één dag kunnen de Internationale Betrekkingen volkomen veranderen; denk aan elf september of de bombardementen op Pearl Harbor. Een uitspraak over de toekomstige politieke wereld is daarom zelden een accurate voorspelling maar het is niet onmogelijk. Het dictatoriale verleden van Afrika is bekend. De mondiale democratiseringsgolf van de afgelopen decennia is echter niet aan het continent voorbijgegaan. De vraag is nu of deze zich zal ontwikkelen tot een vloedgolf of geneutraliseerd zal worden door een tegengolf. Het Zimbabwe van Robert Mugabe geeft enkele handvaten om tot een algemeen antwoord te komen.

Toch waren er vanaf het begin tekenen die toekomstig onheil aankondigden. Onrusten in de provincie Matabeleland gaven een eerste impressie. Aan het begin van de jaren tachtig stuurde Mugabe hier zijn door Noord-Korea getrainde speciale eenheden op af met duizenden doden tot gevolg. Zijn politieke koers was ook geen zekerheid. Hij barstte in onblusbare woede uit toen zijn voorstellen tot verzoening door de blanken werden afgewezen. Hij zou zich later wreken door zijn zwarte onderdanen op te roepen hun landerijen in bezit te nemen. Het Westen was lange tijd niet bereid deze gebeurtenissen te onderschrijven. Vurig zag het uit naar een succesverhaal te midden van alle brandhaarden op het continent. Ook de katholieke kerk, tegenwoordig een geduchte tegenstander van Mugabe, bleef de door missionarissen geschoolde president lange tijd steunen.

“Een monster, ik?”

Het Zimbabwe van vandaag is synoniem voor chaos en corruptie. De reputatie van Harare als de meest rustige en veilige stad van Afrika behoort tot het antieke verleden. Een derde van de Zimbabwaanse bevolking leeft in Zuid-Afrika. Zij worden van harte aangemoedigd geld naar huis te sturen om hun familie en vrienden te helpen overleven en daarmee ook het regime. Inflatie wordt uitgedrukt in duizendtallen en de schappen zijn overal leeg. Enkel de zwarte markt voorziet in basisproducten als kookolie en zeep. Vrijwel iedereen is werkloos. Mugabe leek tien jaar geleden al afgeschreven maar is keer op keer onderschat. De president is namelijk niet alleen machtwellustig, hij is ook sluw en gewiekster dan zijn tegenstander Morgan Tsvangirai. Een nieuwe Mandela?

‘Good old Bobby’ wordt ‘ugly old Robert’ Mugabe was de Nelson Mandela van de jaren tachtig. Hij had tien jaar in de cel gezeten omwille van zijn oppositie tegen het blanke minderheidsregime van Ian Smith (zie “Bewogen leven”) en maakte een gedegen indruk. Hij had zijn gevangenschap gebruikt om meerdere universitaire titels te vergaren en stond bekend als gedisciplineerd en ingetogen. Eenmaal aan de macht voerde hij een verzoenende politiek. Smith werd bijvoorbeeld minister zonder portefeuille. Het Westen had zich lang geschaamd voor het racistische Rhodesië en ontving de president met open armen. Zimbabwe was in deze tijd de graanschuur van zuidelijk Afrika en de economie draaide relatief goed. Mugabe zette het beleid naar alle redelijkheid voort. Donoren waren makkelijk te vinden. De voormalige vrijheidsstrijder was een rijzende ster.

Tsvangirai is een dappere oppositieleider met een vredelievende agenda. De voormalige vakbondsleider voert een eindeloze strijd tegen Mugabe zonder ooit naar de wapens te grijpen. Hij is geschopt, geslagen, gevangengezet en beroofd van meerdere verkiezingsoverwinningen. Het doet denken aan de strijd die Mugabe in zijn tijd voerde tegen Ian Smith. Maar de vergelijking gaat verder. De partij van Tsvangirai, The Movement of Democratic Change (MDC), is in tweeën gesplitst. De onenigheid ontstond over de vraag of de partij mee moest doen aan de verkiezingen in 2005. Een kleine meerderheid van stemmen bepaalde wel mee te willen doen maar Tsvangirai negeerde de uitkomst. Twee dozijn senatoren werden vervolgens uit de partij gezet. De afsplitsers beschuldigen Tsvangirai ervan de democratische principes van de MDC verraden te hebben. Velen vinden hem te autocratisch. Het is


verleidelijk om de onderhuidse geruchten en de gebeurtenissen binnen de oppositie te negeren. En inderdaad, Mugabe laat zich moeilijk overtreffen. Het Westen heeft alle reden om Tsvangirai met open armen te ontvangen. Tegelijk is er nu geen reden tot verrassing wanneer the golden boy een monster blijkt te zijn. Dat ligt bijna in de lijn der verwachting. Mugabe is immers maar een voorbeeld van de transformatie die mensen in machtsposities kunnen doormaken. Hij is echter niet de enige, Afrika telt er veel meer. En deze traditie gaat terug op de founding fathers van het Afrikaans nationalisme. “Long live Macbeth” Het eerste land beneden de Sahara dat onafhankelijk werd was Ghana. Kwame Nkrumah werd de eerste president en gold als voorbeeld voor vele onafhankelijkheidsbewegingen in heel Afrika. Nog geen tien jaar later werd hij afgezet omwille van wanbeleid en corruptie. Milton Obote was de eerste president van Oeganda. Tegen de tijd dat legerleider Idi Amin hem het land uitgooide, haalde iedereen opgelucht adem. Tot Amin een nog groter monster bleek te zijn. De trend loopt als een rode draad door naar het heden. Neem de Ethiopische president Meles Zenawi. Democratisch gekozen, goed geschoold en vol ideeën. Zijn strijd tegen hongersnood wierp enkele vruchten af en gaf hem faam in het Westen. Toen kwamen de verkiezingen in 2006. De oppositie beklaagde zich over de uitslag en begon demonstraties te organiseren. Deze werden verboden en vervolgens bestreden. Tweehonderd doden waren het gevolg. Een ander voorbeeld is Nigeria. Daar werd Olusegun Obasanjo in 1999 tot president gekozen. In 2003 zou hij wellicht weer gewonnen hebben. Hij was daar zelf echter niet zo zeker van want zijn partij bleek in sommige districten zowaar honderd procent van de stemmen te hebben gekregen. Andere schoolvoorbeelden zijn president Museveni in Oeganda en Kibaki in Kenia, maar het punt is duidelijk. Zelfs in Zuid- Afrika, het land van Mandela en de Waarheidscommissie is democratie niet verzekerd. Het African National Congress is daar zo populair dat het tweederde van de zetels in het parlement op haar naam heeft staan. De oppositie is te verwaarlozen. Tot zover de checks and balances waar een parlement voor bedoeld is. People power Nu wil dit niet zeggen dat democratie geen vruchtbare aarde vindt in Afrika. De presidenten van Botswana houden zich keurig aan de gestelde termijnen en zijn in de regel betrouwbaar. Liberia heeft dictator Charles Taylor op het vliegtuig gezet en de eerste vrouwelijke presidente van het continent gekozen. De overheden worden ook meer aansprakelijk en transparant. Zo is de president van Tanzania bereikbaar per sms. Sommigen krijgen zelfs een berichtje terug. Toch is het opmerkelijk hoe Afrika worstelt om haar dictatoriale verleden achter zich te laten. In Zuid- Amerika implodeerden de dictaturen vrijwel gelijktijdig met de Muur in Berlijn. Een sigaarrokende Cubaan met een baard is de uitzondering die de regel bevestigd. In Azië zijn Taiwan, ZuidKorea, Indonesië en Maleisië allemaal opgenomen in de vaart der volkeren. Afrika zal niet achterblijven. Tenminste, uiteindelijk. Of de huidige democratische vloedgolf die over Afrika spoelt haar dictatoriale tegenhelft de baas blijft is onzeker. De Afrikaanse Macbeth-scenarios zijn echter uitgespeeld. Vrijwel alle heersers in Afrika proberen zich tegenwoordig te legitimeren op basis van democratische principes. Nu alleen nog wachten op principiële staatslieden. I&

Bewogen Leven Door Jan Erik Visscher

Ian Smith, voormalig premier van de rebellerende kolonie Rhodesië, is overleden in de leeftijd van 88 jaar. Ian Smith was niet bang voor een uitdaging. Halverwege zijn studie nam hij dienst in het Engelse leger en werd piloot in the Royal Air Force. Hij vloog veelvuldige missies in Afrika en ZuidEuropa. Twee keer stortte hij neer; de eerste keer zo ernstig dat zijn gezicht opgelapt moest worden doormiddel van plastische chirurgie; de helft zou permanent verlamd blijven. De tweede keer belande hij met zijn parachute aan de grond en vocht de daaropvolgende maanden zij en zij met Italiaanse partizanen. Hij zou er later nooit over opscheppen. Eenmaal terug in Rhodesië werd hij het jongste lid ooit in het Parlement. Als parlementariër verzette hij zich tegen de nationalistische golf die over Afrika spoelde en Groot- Brittannië deed besluiten haar koloniën los te laten. Toen het tij voor velen onafwendbaar leek nam hij het roer over en riep Rhodesië unilateraal uit tot onafhankelijke natie. De vader van Ian Smith behoorde tot de eerste blanke kolonisten van Rhodesië. De blanke bevolking zou nooit meer dan vijf procent van de totale bevolking uitmaken maar zwaaide er wel de scepter. Smith wenste dat zo te houden: “voor wel duizend jaar”. De zwarte bevolking was volgens hem simpelweg niet klaar om zelfbestuur aan te kunnen. Met argusogen keken de blanken naar voormalige koloniën die zich vanaf dag een in de afgrond storten. Chaos en wanbeleid, corruptie en Communisme moesten worden bestreden en “good old Smithy was de juiste man om de klus te klaren. De rebelerende kolonie had het politieke tij vanaf het eerste levenlicht tegen en heeft het onafwendbare dan ook enkel kunnen uitstellen. In het begin bleef het relatief rustig. Robert Mugabe en anderen werden in de nor gepropt en iedereen probeerde de VNboycot en uitblijvende internationale erkenning zoveel mogelijk te negeren. Maar de druk nam vanaf het begin van de jaren zeventig toe. Vanuit Zambia en Mozambique werd een guerrillaoorlog gevoerd en zelfs Zuid- Afrika keerde haar betere helft de rug toe. Aan het begin van de jaren tachtig trad Smith af en gaf de teugels over aan Mugabe; Afrika kende een nieuwe democratie: Zimbabwe. Smith heeft nooit spijt betuigd; hij wist zich door de recente geschiedenis enkel bevestigd in zijn rotsvaste overtuiging. In het begin van Mugabe’s regeerperiode nam hij nog deel aan het kabinet. Na enige tijd ontstond er verbittering en trok hij zich terug. Hij zou met de jaren een uitgesproken tegenstander worden van Mugabe; een man die hem gevangenisverlof had geweigerd toen diens driejarige zoontje werd begraven. Voor Smith waren de huidige ontwikkelingen in Zimbabwe enkel een bevestiging van wat hij altijd al geprofeteerd had: “zwart Afrika is niet klaar voor zelfbestuur”. Smith heeft ongestoord kunnen genieten van zijn pensioen op zijn landgoed nabij Harare. Hij onderhield enkele goede contacten met gekleurde mensen en geloofde dat velen terugverlangden naar de “goeie ouwe tijd”. Wellicht inderdaad een enkeling. Maar als een voormalige regering zich moet legitimeren op basis van de wanprestaties van haar opvolger, dan wringt het toch ergens. I&

13


14

Stage in het hart van de wereldpolitiek:

Hare Majesteits Ambassade Washington DC Om een beter begrip te krijgen van de bilaterale betrekkingen tussen de VS en Nederland is een stage in Washington DC bijzonder interessant. Daarnaast zit je in deze stad dicht bij het politieke vuur: van Obama tot Madelaine Albright; ze komen allemaal voorbij. Deze stage en stad zijn zeker de moeite waard voor een IB/IO student(e) die geïnteresseerd is in de wereldpolitiek, in het bijzonder in de Amerikaanse perceptie daarop en het politieke systeem van de VS. De stad zelf is ook fantastisch, omdat elke dag iets nieuws brengt en je allerlei verschillende soorten mensen vanuit diverse landen en werkterreinen en met uiteenlopende achtergronden ontmoet. Door Anna Arian Stage lopen bij de Nederlandse Ambassade in DC Inmiddels loop ik iets meer dan drie maanden stage bij de Politieke Afdeling (PA) op Hare Majesteits Ambassade (HMA) te Washington DC. Op het moment van schrijven, heb ik nog twee maanden te gaan alvorens ik weer terugkeer naar Nederland waar het schrijven van mijn Master scriptie op mij wacht. Als stagiaire bij de PA neem ik een kijkje in de diplomatieke keuken en ondersteun ik de afdeling. Om de PA goed te kunnen ondersteunen, en daarmee de diplomaten op de afdeling bij te staan in het dagelijkse werk, ga ik naar lezingen van verschillende denktanks in DC, naar relevante hoorzittingen van het Congres en naar conferenties over verschillende internationale vraagstukken. De belangrijkste dossiers waaraan ik een bijdrage lever zijn China, Afrika en Latijns –Amerika. Daarnaast houd ik mij ook bezig met een tal van andere onderwerpen, zoals de Amerikaanse presidentsverkiezingen, mensenrechten en de naleving ervan door de VS. Verder staan de uitbreiding van de NAVO en de Boekarrest Conferentie, de trans- Atlantische betrekkingen, Noord-Korea en mensenhandel, vredesmissies van de VN, de verkiezingen in Pakistan en de bilaterale betrekkingen tussen de VS en verschillende landen (waaronder India, Zuid-Korea, Taiwan, Turkije, Kenia en dies meer) op de agenda. Het is interessant om met zulke uiteenlopende onderwerpen bezig te zijn. Het stelt je in staat om de verschillende visies op en dimensies van een bepaald vraagstuk waar te nemen. Hoewel soms bepaalde vraagstukken op het eerste gezicht niet met elkaar verbonden lijken te zijn, wordt je na verloop van tijd verrast door de patronen van interdependentie tussen de verschillende vraagstukken. De theorieën van de Leer der Internationale Betrekkingen en de aannames ervan blijken vaak van toepassing te zijn in de dagelijkse politieke praktijk in de VS. Het inwinnen van informatie is een van de belangrijkste taken van de diplomaten van de PA in Washington. Wat vindt de Amerikaanse regering van een bepaalde internationale politieke gebeurtenis, gaan zij zelf actie ondernemen of laten ze dat andere landen en/ of internationale organisaties doen? Hadden ze op een bepaalde uitkomst geanticipeerd of niet, hoe kijkt het Witte Huis ertegenaan

en wat zegt het Congres? Wat vindt het Pentagon en hoe beziet het State Department het voorval? Wat zegt de media en wat vindt de Amerikaanse bevolking? Dit soort vragen zijn belangrijk voor Den Haag, want hoe je het went of keert, het buitenlandse beleid van de VS heeft op veel terreinen effect op het Nederlandse buitenlandse beleid en Nederlandse belangen in de rest van de wereld. Tijdens het proces van informatie verwerven, neem je tevens vanaf de zijlijn het Amerikaanse politieke besluitvormingsproces waar en de verschillende percepties die binnen de Amerikaanse regering leven ten aanzien van een bepaald onderwerp. Tot slot tracht de PA - soms in samenwerking met andere EU-lidstaten - bepaalde onderwerpen waar Nederland veel waarde aan hecht op de Amerikaanse politieke agenda te zetten teneinde beleidsveranderingen en een verandering van ideeën bij de Amerikaanse regering aan te moedigen. Verder wordt het Nederlandse buitenlandse beleid uitgedragen en zijn we op de PA en de rest van de afdelingen op de HMA actief bezig om de Nederlandse belangen hier in de VS te behartigen. De Nederlandse ambassade huisvest hier bijna alle ministeries en er werken ruim honderd mensen op deze post. De HMA in DC is dan ook de grootste bilaterale ambassade van Nederland. Clinton, McCain en Obama en de binnenlandse problemen: Mijn inschattingen na drie maanden Washington Het zijn spannende tijden voor de VS waar thans de voorverkiezingen tussen de senators Clinton en Obama plaatsvinden. Aan de Republikeinse zijde is al gekozen voor McCain: hij kan zich nu rustig op de achtergrond voorbereiden op de echte race in september, terwijl de strijd tussen Clinton en Obama ‘bitterhard’ doorgaat. Zowel Clinton als Obama zijn vastberaden. Ik verwacht dat Clinton niet uit de race zal stappen totdat de Democratische Conventie in augustus definitief de knoop doorhakt. Hoewel Obama vanuit financieel oogpunt op Clinton voorop loopt en meer staten heeft binnengehaald, wil dit nog niet zeggen dat Obama ook de presidentskandidaat zal gaan worden. Media en experts voorspellen de ene dag dat hij de kandidatuur wel zal binnenslepen en de andere dag is dat weer niet zeker. Het kan dus nog alle kanten opgaan.


Tegelijkertijd is het gooien met modder een gegeven geworden tussen de twee senatoren. Dit is niet beperkt gebleven tot wie van de twee bekwamer is om de Amerikaanse bevolking te kunnen dienen of wie wat gestemd heeft in het verleden in het Congres. Ras en etniciteit zijn ook een wezenlijke rol gaan spelen en een eigen leven gaan leiden in de verkiezingen. De leiders van de Democratische Partij maken zich met recht zorgen over de gevolgen van het huidige gevecht tussen Clinton en Obama. De bezorgdheid wordt vormgegeven door de gedachte dat wanneer in juli de voorverkiezingsstrijd wordt bepaald en bijvoorbeeld Clinton als winnaar uit de bus komt, de Obama kiezers in november niet op Hillary zullen stemmen en McCain dan uiteindelijk het presidentschap binnenhaalt. Dit scenario is evenzeer denkbaar wanneer Obama in augustus de presidentskandidaat van de Democraten wordt. Er zijn daarentegen ook experts die het tegendeel beweren en veronderstellen dat de Democraten zonder twijfel het Witte Huis opnieuw in zullen trekken medio januari 2009. De gedachte hierachter is dat tegen september 2008 het Amerikaanse electoraat weer is vergeten wat er gezegd is tussen Clinton en Obama en dat de wonden weer zijn geheeld. Het valt nog te bezien in hoeverre een kern van waarheid in deze gedachte schuilgaat. Maar het beticht het Amerikaanse electoraat wel enigszins van vergeetachtigheid en kan dus ook als een belediging aan het adres van Amerikanen worden gezien. Hoewel de koers van de verkiezingen niet met zekerheid kan worden voorspeld, staan een de volgende zaken redelijk vast: de VS kampen met talloze binnenlandse problemen. Allereerst maakt de Amerikaanse bevolking zich terecht grote zorgen over de eigen economie. De hypotheekcrisis, een lage dollarkoers, hoge olieprijs, werkeloosheid, het begrotingstekort, immigratie en vrijhandelsakkoorden zijn, onder anderen, punten van zorg. Het is maar de vraag of een van de drie kandidaten überhaupt in zijn/haar eentje opgewassen is tegen deze

lange lijst van economische problemen. Daarnaast zijn de Amerikanen oorlogsmoe en willen graag dat de VS zich terug trekken uit Irak. Zij hebben echter wel de wens dat dit netjes gebeurt en Irak niet verzandt in een burgeroorlog. Hoewel Clinton en Obama op deze sentimenten inspelen, is het maar de vraag of zij de Amerikaanse troepen straks echt volgens het huidige voorgestelde tijdschema zullen terug trekken. McCain is, mijn inziens, hierin veel realistischer en is niet van plan om de VS-troepen op korte termijn terug te trekken. Tevens wil de bevolking dat de regering meer geld investeert in het publieke onderwijs, dat hier een dramatisch slechte kwaliteit kan hebben. Een ander punt van zorg is het ziektekostenstelsel: ruim 47 miljoen Amerikanen zijn onverzekerd. De renovatie van infrastructuur – vooral wegen – is ook hard nodig. De gaten in de geasfalteerde wegen hier zijn soms erger dan in bepaalde ontwikkelingslanden. Al met al hebben de VS genoeg binnenlandse problemen die oplossingen behoeven. Hoe langer deze problemen onopgelost blijven, hoe meer de VS geleidelijk aan als land zullen verpauperen. Daarnaast kunnen deze problemen ook de politieke en economische stabiliteit van het land zelf ondermijnen. De geest van optimisme waar de VS altijd om bekend hebben gestaan, is op het moment soms ver te zoeken door de genoemde problemen. De ‘hope and change’ boodschap van Obama mag dan misschien wel de harten van bepaalde Amerikanen vullen met optimisme, feit blijft wel dat noch senator Obama, noch Clinton of McCain deze problemen alleen kunnen oplossen. Samenwerking en overeenstemming tussen de Republikeinse en Democratische partij is een vereiste om deze kwesties op te lossen, want zonder bipartisan efforts zullen wetsvoorstellen niet het Congres doorstaan. Mijn inziens heeft niet alleen de volgende president een aantal zware taken in het vooruitzicht, maar ook de VS als land zelf. Het is dan ook hoogtijd voor de feniks om uit de as te herrijzen. I&

15


16

Briefwisseling Geachte heer/ mevrouw,

Deze brief schrijf ik u namens Checks & Balances (C&B), het magazine van studievereniging Clio, de grootste letterenvereniging van Nederland. Checks & Balances informeert ruim dertienhonderd studenten van de opleiding Internationale Betrekkingen en Internationale Organisatie (IB/IO) door het schrijven van kritische artikelen, interviews en verslagen. De briefwisseling is een vaste rubriek in C&B en wordt deze editie gewijd aan de energieproblematiek. Met dit schrijven wil ik u uitnodigen deel te nemen aan de discussie. Binnen de internationale betrekkingen speelt het waarborgen van energievoorraden een grote rol. China is in het afgelopen decennium een grote speler op het Afrikaanse continent geworden, de Verenigde Staten richten hun aandacht op het olierijke Midden- Oosten en Nederland negeert de donkere kanten van de Russische regering om het eigen land van licht te voorzien. Ondertussen wordt er naarstig gezocht naar nieuwe energiebronnen en nieuwe technieken van energieopwekking. Kernenergie lijkt weer tot de mogelijkheden te behoren en de energieleveranciers overspoelen de consumenten met biobrandstof en ‘groene stroom’. Binnen dit brede spectrum van energie zijn studenten IB/IO uiteraard geïnteresseerd in de gevolgen van deze ontwikkelingen voor de internationale betrekkingen.

Daarnaast achten wij het interessant om meer te weten te komen over wat de verschillende energiebronnen werkelijk betekenen als reële alternatieven voor de energievoorziening. Verschillende vragen komen hierbij naar boven. Bent u bijvoorbeeld van mening dat de te ontginnen olievelden toereikend zijn om te voorzien in de almaar stijgende vraag? In hoeverre zijn de verschillende energiebronnen alternatieven voor olie? Hoe veilig is kernenergie anno 2008? En hoe schoon is het eigenlijk? Naar aanleiding van het bovenstaande wil ik u vragen uw mening in een betoog van zes- tot achthonderd woorden uiteen te zetten. U bent vrij een keuze te maken uit de verschillende kanten van het vraagstuk of een ander aspect ervan aan te dragen. Ik zie uit naar uw reactie en ben zeer benieuwd naar uw visie op de problematiek. Met vriendelijke groet,

Astrid Dunselman Namens de redactie van Checks & Balances

Energiebeleid: internationaal én duurzaam Energie staat hoog op de politieke agenda. Enerzijds vanwege de groeiende zorg over de negatieve effecten van het gebruik van energie op het milieu. Anderzijds bestaat er zorg over de energievoorzieningszekerheid en de betaalbaarheid. Hieronder zet ik mijn beleid ten aanzien van deze vraagstukken uiteen. Energietransitie Het langetermijndoel van het Nederlandse energiebeleid is de “energietransitie”: de overgang naar een duurzame energiehuishouding die veel minder afhankelijk is van fossiele brandstoffen. Dit garandeert energievoorzieningszekerheid en leidt tot minder uitstoot van broeikasgassen. Het kabinet geeft deze ambitie o.a. vorm in het project Schoon en  Zuinig, waarin verschillende ministeries samenwerken aan het realiseren van een duurzamere energiehuishouding. Een van de initiatieven is bijvoorbeeld het project Energietransitie, waarin bedrijfsleven, overheid, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties samenwerken aan de verduurzaming van de energievoorziening. Concrete resultaten van deze succesvolle aanpak zijn: levering van industriewarmte aan woonwijken, energieproducerende kassen en (op termijn) CO2-neutrale woningen. Daarnaast heb ik een nieuwe subsidieregeling SDE ingesteld, gericht op windmolens

op land, biogasproductie en kleinschalige biomassa, maar ook voor zonnepanelen op huizen. Voorzieningszekerheid Ondanks de inspanningen op het gebied van duurzame energie blijft ons land voor de afzienbare toekomst nog steeds voor een groot deel afhankelijk van fossiele brandstoffen. In Europees verband is afgesproken dat in 2020 er 20% van het totale energieverbruik afkomstig moet zijn uit hernieuwbare energiebronnen. Dit betekent dat 80% nog steeds uit fossiele brandstoffen komt. Deze zullen als gevolg van onze afnemende eigen gasvoorraden voor een steeds groter deel geïmporteerd moeten worden. In 2030 is de EU voor 94% afhankelijk van import van olie en voor 81% van import van gas. Voor de komende decennia zijn er wereldwijd nog voldoende winbare voorraden olie, gas en kolen. Technologische ontwikkelingen, in combinatie met de hoge olieprijzen van nu, brengen steeds meer moeilijk winbare reserves (in poolgebieden, of in zeer diepe zee) binnen bereik. Achterblijvende investeringen in de productiecapaciteit hebben echter geleid tot een krappe markt voor gas en olie. Energievoorzieningszekerheid is daardoor geen vanzelfsprekendheid meer.


17

“Het belangrijkste probleem van de internationale olie- en gasmarkt is niet een gebrek aan voorraden, maar het niet tijdig op de markt komen van die voorraden.”

Het belangrijkste probleem van de internationale olie- en gasmarkt is in mijn optiek niet een gebrek aan voorraden, maar het niet tijdig op de markt komen van die voorraden, als gevolg van een suboptimaal investeringsklimaat. Dit onderwerp stel ik aan de orde in internationale gremia zoals onder andere het Internationaal Energie Agentschap, het Internationaal Energie Forum en het Energiehandvestverdrag. Nederland onderhoudt daarnaast goede bilaterale relaties met de belangrijkste energieleverende landen (uit het Midden-Oosten, Rusland, Centraal-Azië en Noord-Afrika), gebaseerd op wederkerigheid. Een eenzijdige afhankelijkheidsrelatie met de leverende landen dient te worden voorkomen, om een onafhankelijk buitenlands beleid te kunnen voeren. Nederland wil behalve een vragende ook een biedende partij zijn. Daarom organiseer ik regelmatig handelsmissies naar deze landen, waarbij de Nederlandse kennis en technologie op het gebied van energie centraal staat. Ook bevorder ik actief de belangen van het Nederlands bedrijfsleven. Nederland wil de gasrotonde van West-Europa worden. Door goede aansluiting van ons land op de internationale transportroutes voor gas blijven we een voornaam gasland, dat de West-Europese energiemarkt kan bedienen met diensten op energiegebied, zoals bijvoorbeeld opslag van gas en CO2. Een recent voorbeeld is de aansluiting van ons land op de Nordstream gaspijpleiding uit Rusland.

Een  interessante ontwikkeling vormt kernfusie. Ik steun lopende projecten om de   mogelijkheden van kernfusie voor (rendabele) opwekking van elektriciteit aan te tonen. Hier zijn miljardeninvesteringen mee gemoeid, maar als het ons lukt wordt hier wel wereldgeschiedenis op energiegebied geschreven!  Daarom werken heel veel landen van over de gehele wereld samen aan deze ontwikkeling. Een energiebron volgens het principe van de zon, zonder uitputting van grondstoffen en met overzienbare afvalstromen. Hopelijk lukt het om voor het jaar 2050 over een betrouwbare kernfusiereactor te beschikken.   Het energiebeleid dient altijd rekening te houden met drie doelstellingen: schoon, betrouwbaar en betaalbaar. Soms kan er onderlinge tegenstelling bestaan tussen deze doelstellingen. Vaak echter is er ook synergie mogelijk. Schoon, zuinig en duurzaam  draagt bij aan zowel de energievoorzieningszekerheid van onze economie als aan het milieu. Bovendien vormt duurzaamheid ook nog eens een interessante groeimarkt en schept het vele nieuwe kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven. Reden waarom ik hier vol op blijf inzetten

Op Europees niveau maakt Nederland zich sterk voor een krachtig beleid waarin het interne marktbeleid coherent samenhangt met het externe energiebeleid. Nederland is groot voorstander van een geïntegreerde energiemarkt. In een goed draaiende energiemarkt is het de markt die de voorzieningszekerheid versterkt. Geïmporteerde energie is toegankelijk voor alle lidstaten. De EU moet daarom een steviger energiebeleid gaan voeren om de interne en externe doelstellingen te halen. Kernenergie Een vergroting van de eigen energieproductie is eveneens een aandachtspunt voor het kabinet. De regering heeft besloten dat er in deze kabinetsperiode nieuwe kolencentrales gebouwd kunnen worden. Investeringen in kolencentrales zijn onvermijdelijk vanuit leveringszekerheidperspectief, maar ook vanuit betaalbaarheidsperspectief.  Door actief te werken aan het mogelijk maken van de afvang en opslag van CO2 kunnen in de toekomst de negatieve milieugevolgen van kolencentrales sterk worden gereduceerd. En dan kernenergie. Kernenergie kan bijdragen aan een schone, betrouwbare en betaalbare en betrouwbare energiehuishouding. Ik realiseer me dat kernenergie ook problemen als onveiligheid, afval en proliferatie met zich mee brengt die serieuze aandacht verdienen. Daarom vind ik ook dat we door moeten gaan met het onderzoek naar hoe deze knelpunten kunnen worden opgelost. Tijdens deze kabinetsperiode zullen geen kerncentrales gebouwd worden in Nederland.  Maar dat betekent niet dat het denken over kernenergie stil moet staan. De rol die kernenergie zou kunnen spelen als antwoord op de energievragen, zou niet bij voorbaat moeten worden uitgesloten.

M. J. A. van der Hoeven, Minister van Economische Zaken


18

Een wereld vol energie De veertigers van deze tijd herinneren het zich nog heel goed: het kaarsje in de vorm van een wereldbol, dat dreigde op te branden. Het was het beeld van de eerste energiebesparingscampagne uit de jaren zeventig en het maakte op mij als basisschoolleerling erg veel indruk. Vreemd genoeg is het beeld van de oprakende voorraden enkele decennia niet zo actueel geweest, maar de laatste jaren staat een duurzaam energiebeleid weer volop in de schijnwerpers. De Nederlandse overheid probeert een voorbeeldrol in Europa te spelen op het gebied van duurzaamheid. Op sommige punten lukt dat goed (energiebesparing, CO2-terugdringing), op andere punten iets minder (aandeel duurzame energie). Het is een uitdaging om de sterke punten vast te houden en de iets zwakkere te versterken. Het kabinet Balkenende IV heeft belangrijke stappen gezet om dit te realiseren. Wat voorop staat bij goed energiebeleid is realisme. Mensen, die zeggen dat er niets aan de hand is, hebben een flinke plank voor hun kop. Mensen, die roepen dat uitsluitend op duurzame energie ingezet moet worden, doen aan luchtfietserij. De tweede categorie behoeft misschien enige toelichting. Een brede meerderheid in de Nederlandse politiek pleit voor zoveel mogelijk duurzame energie. Het probleem zit echter in het woord “mogelijk”. We hebben in Nederland momenteel zo’n 5% écht duurzame energie. We willen dat binnen twaalf jaar verviervoudigen. Dat is – op zijn zachtst gezegd – nogal ambitieus. Anders gezegd: ik betwijfel of we dat halen. Maar we gáán ervoor. Als je geen ambitie hebt, bereik je niks. Wat je wel gerust kunt zeggen, is dat die 20% in 2020 het absolute maximum is. Dat heeft niets te maken met geld of goede wil, maar alles met technische haalbaarheid. Een voorbeeld: windturbines zijn voor de eerstkomende vijf jaar uitverkocht. Als je al zou willen, er kan er geen enkele meer bij. Een tweede voorbeeld: de funderingen voor wind-op-zee kunnen slechts gemaakt worden van één speciale staallegering. Dat staal wordt gefabriceerd bij één fabriek. Er is genoeg voor 200 molens per jaar. Nu weet ik ook wel dat de economie in dit soort gevallen zichzelf corrigeert, maar die marktcorrectie blijft op zo’n korte termijn beperkt. Die 20% is dus het maximum voor 2020. Daarna gaan we natuurlijk wel verder. Er blijft dan dus 80% over. Uiteraard moeten we een uiterste inspanning leveren om minder energie te gebruiken, maar dat zit al in de percentages opgesloten. Die 80% halen we nu vooral uit gas. Maar ons gas raakt op. Zal dat het geval zijn in 2030 of in 2040? Ik weet het niet, maar de laatste restjes moeten we reserveren voor onze huishoudens, die immers via een uniek wijdvertakt netwerk allemaal op het aardgasnet zijn aangesloten. Ik pas ervoor om geheel afhankelijk te zijn van Rusland, Algerije of Iran. Een deel importeren is prima, maar we mogen niet afhankelijk worden van welk buitenland dan ook. Om onze baseload te garanderen, blijven dan over kolencentrales en kernenergie. Mijn voorkeur gaat dan uit naar de laatste optie. Kernenergie is – tenminste in de productie – CO2neutraal, het is veilig en het afval blijft binnen de perken (anderhalve kuub per jaar voor de gehele kerncentrale van Borssele). Bij een keuze voor kolen – zelfs bij CO2-opslag – hink je toch op twee gedachten. Uiteindelijk moeten we toewerken naar zoveel mogelijk duurzame energie en op de lange termijn naar exploitatie van de nu nog slechts op laboratoriumschaal toegepaste kernfusie. Dat laatste is een uitstekend voorbeeld van internationale samenwerking. De miljarden, die nodig zijn voor onderzoek naar kernfusie, zijn bijeen gebracht door vele

landen en de proefreactor in de Pyreneeën wordt door evenzoveel landen in de lucht gehouden. Energiebeleid is sowieso geen lokaal of nationaal fenomeen. Elk land heeft zijn eigen sterke punten, of het nu om voorraden gaat of om mogelijkheden om duurzame elektriciteit op te wekken. Nederland heeft het initiatief genomen om op Noordwest Europese schaal een pentalateraal (Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland) overleg op energiegebied op te starten. Dit is een goed begin voor een verdergaande samenwerking. Tenslotte zal volop ingezet moeten worden op verdere uitbouw van de mogelijkheden van duurzame energie. Ik zie grote kansen voor zonne-energie. Nieuwe technologieën leiden tot meer rendement en goedkopere productiemethoden (dat hangt natuurlijk samen!) Windenergie – en dan zeker wind-op-zee – biedt veel mogelijkheden, mits de technische belemmeringen uit de weg worden geruimd. En dan zijn er nog de nieuwe technieken op basis van algen of bacteriën, die ook in een flinke behoefte zouden kunnen voorzien. Het CDA werkt nauw samen met de regering om deze doelstellingen te realiseren. Maar voorop staat realisme. Als we ijzer met handen willen breken verliezen we de steun van de publieke opinie en verdwijnt het brandende kaarsje weer uit ons beeld. Het is maar de vraag of we dan op tijd weer tot inkeer komen. Jos Hessels Energiewoordvoerder CDA Tweede Kamerfractie


19 Dear Astrid,

There are 439 nuclear power reactors in operation worldwide, which provide about 15% of the world electricity supply. In recent years, the interest in new nuclear power plants has been rising again in many parts of the world, after two decades of quasi stagnation in most of the nuclear power countries. US utilities announced planned license applications for approximately 25 new reactors, of which two have been firmly ordered. In Canada, two site preparation applications were submitted. A major energy review by the UK concluded that new nuclear power stations would make a significant contribution to meeting the UK’s energy policy goals. Globally, 34 plants are under construction in China (8 reactors including 2 in Taiwan), India and Russian Federation (6 reactors each), Republic of Korea (3 reactors), Bulgaria and Ukraine (2 reactors each), and Argentina, Finland, France, Iran, Japan, Pakistan, and USA (1 reactor each), and many more countries are in various stages of planning. China plans a five-fold increase in nuclear power by 2020, while India plans an eight-fold increase by 2022. Japan, Pakistan, the Russian Federation and the Republic of Korea announced plans for significant expansion of their nuclear power programmes. Nearly 30 new countries are considering introducing nuclear power. Utilities from Estonia, Lithuania and Latvia launched a joint feasibility study of a new nuclear power plant to serve all three countries, and Belarus, Egypt, Indonesia, Nigeria, Thailand and Turkey, among others, made announcements of steps they are taking toward building their first nuclear power plants. There are several reasons for today’s rising expectations for nuclear power. Securing energy supply is becoming an important concern due to: increased volatility of international prices, depletion of low cost resources, and anticipated long-term and rapid growth in energy demand. As a result, the availability of energy at desired quantities and prices can neither be taken for granted nor guaranteed. This is not a new issue, though the current high level of world oil prices and vulnerability of natural gas supplies to political intervention in Europe have focussed new attention on it. One response to this concern is to diversify energy supply sources, which in turn, highlights the role of nuclear power for its advantageous supply stability in particular. Uranium resources are geographically more evenly distributed, largely in geopolitically stable regions. In addition, building up nuclear power fuels as strategic stocks is easier, as it requires much less space for producing the same amount of electricity compared with other fuels for electricity generation. A major environmental concern for sustainable development is the build-up of greenhouse gases (GHGs) in the atmosphere and the danger of climate change. Nuclear power emits only 1-6 grams of carbon per kilowatt-hour for the full nuclear fuel chain (including construction of facilities), about the same as wind and solar power, and one to two orders of magnitude below gas- and coal-fired power. In the past, nuclear power’s advantage of low GHG emissions has been invisible to investors, as the virtual absence of restrictions or taxes on GHG emissions has meant there has been little economic value to their avoidance. However, with the Kyoto Protocol’s binding limits on emissions, the economic competitiveness of nuclear power is further improved. There are also engineering factors that contribute to rising expectations for nuclear power. Nuclear power technology could become more accessible to developing countries due to the recent technology advances in small and medium size reactors (SMRs). Unlike previous SMR designs which were merely reduced images of larger reactors, hence

with adverse economies of scale and poorer economic performance, new SMR designs make use of advantages provided by smaller reactor size, such as reduced design complexity and simplified operation and maintenance requirements as well as various passive safety features. Another important engineering aspect is that in the existing nuclear power countries, the operating performance and safety records are excellent compared with other energy producing technologies. It is this strong safety record that is now the basis for countries considering constructing new nuclear power plants. This has been the result of a “safety culture” of constant improvement, introduced after the 1986 Chernobyl accident, thorough analysis of experience and sharing of best practices, which have been facilitated by international organizations including the IAEA. Finally, one of the most fundamental driving forces behind the rising expectations for nuclear power is the rapidly growing energy demand especially in populous and fast growing developing countries. Even the most conservative estimates project a doubling of the world’s energy needs in the next half century. In meeting such booming demand, local air pollution could become a major problem in developing countries unless bulk quantities of electricity are generated as cleanly as possible. Nuclear power reactors emit virtually none of the traditional air pollutants associated with fossil fuel combustion, principally sulphur dioxide (SO2), nitrogen oxides (NOx) and suspended particulate matter (PM). Energy is a primary engine for economic development, particularly for industrialisation and for reaching and maintaining modern living standards. Roughly 1.6 billion people still lack access to modern energy services. Besides, few aspects of development — whether related to living standards, health care or industrial productivity — can take place without the requisite supply of energy; ‘connecting the unconnected’ will be a major key to progress. Nuclear is not a ‘fix-all’ option. It is a choice that has a place among the mix of solutions. For those countries interested in making nuclear power part of their sustainable development strategies, it is important that the nuclear power option be kept open and accessible. Ismael Concha and Asami Miketa Planning and Economic Studies Section (PESS) Department of Nuclear Energy International Atomic Energy Agency (IAEA)


20

Max Westerman over de Verenigde Staten “Als Amerika Amerika niet was, stuurden we het IMF erop af.” Door Sam Trompert en Astrid Dunselman

Op uitnodiging van Clio en Max L. Snijders gaf Max Westerman, oud-correspondent voor RTL in de Verenigde Staten (VS) en Amerika-kenner, een lezing voor een volle aula gevuld met studenten IB/IO en Journalistiek. Voor aanvang van de lezing sprak Checks & Balances met hem over het Amerika van vroeger, het Amerika van nu en over het Amerika van de toekomst. In zijn boek ‘Max in alle staten’, dat vorig jaar verscheen, is Westerman kritisch ten opzichte van het land van de onbegrensde mogelijkheden. Dit was echter niet de opzet: “Ik ben in principe pro-Amerikaans en ben echt gek op dat land maar in de afgelopen dertig jaar heb ik Amerika een heel verkeerde kant op zien gaan. Zo is de Republikeinse Partij overgenomen door een stel rechts-extremistische christenen die een zeer duidelijk stempel hebben gedrukt op de Amerikaanse politiek. De kloof tussen arm en rijk is enorm gegroeid en vooral onder Bush heeft de Amerikaanse burger zichzelf blut geleend, waardoor veel mensen diep in de schulden zitten. Als je nagaat dat de gemiddelde Amerikaan zeven creditcards heeft, begrijp je waarom. Men heeft zich ernstig misdragen.”

Met een nieuwe president ziet hij de toekomst echter rooskleuriger in. Die overtuiging put hij uit de voorspelling dat Barack Obama de volgende president van de VS wordt. De grote interne strijd in de Democratische Partij, die volgens velen erg schadelijk is voor de uiteindelijke campagne in november, ziet hij juist als een voordeel. “Het feit dat Hillary zo lang heeft meegedaan, heeft van Barack Obama een veel betere kandidaat gemaakt. De schandalen, zoals de extreme uitspraken van zijn vroegere dominee Jeremiah Wright, zijn door Hillary al uitgekauwd. John McCain kan hem daar in de ‘echte’ campagne niet meer mee bestoken. Daarnaast zijn de Democraten nu veel actiever in het werven van nieuwe kiezers. Sinds Romney uit de strijd om de nominatie is gestapt, staat de campagne van McCain op een laag pitje, terwijl tijdens de primaries in Pennsylvania


en Arizona 300.000 nieuwe democratische kiezers zijn geregistreerd!” Dit laat dan ook zien dat het Amerikaans electoraat inmiddels sterk ontwikkeld is. Men is niet meer zo gemakkelijk met goedkope oneliners en gebakken lucht om de tuin te leiden. Obama is de eerste presidentskandidaat sinds tijden die zijn kiezers aanspreekt als volwassen mensen in plaats van kinderen. Dat werkt volgens Westerman enorm in zijn voordeel. “Om nog maar te zwijgen over het feit dat de 71-jarige John McCain de – volgens historici – slechtste president uit de Amerikaanse geschiedenis zou moeten opvolgen,” aldus de oud-correspondent. Het etiket ‘slechtste president aller tijden’ heeft Bush volgens Westerman, behalve aan de ‘eindeloze en hopeloze oorlog in Irak’ te danken aan zijn economische onkunde: “De economie heeft er nog nooit zo belabberd voorgestaan. Bush erfde het grootste overschot in de geschiedenis maar laat een enorm tekort achter. Als Amerika Amerika niet was, stuurden we het Internationaal Monetair Fonds eropaf! Dat doen we niet, omdat er nog steeds een zeer groot vertrouwen in de VS bestaat. Maar als grootste schuldenaar ter wereld, verliezen de VS veel van dat vertrouwen. We moeten niet vergeten dat Bush meer heeft geleend dan al zijn zevenenveertig voorgangers bij elkaar!” Max Westerman verwacht dat de economische situatie van Amerika het belangrijkste thema van de komende verkiezingen zal zijn. Bij een slecht draaiende economie wisselt het Witte Huis van partij. Verder is economie een thema waarin John McCain naar eigen zeggen niet echt in is geïnteresseerd. Het lijkt dus haast een gelopen race voor Obama maar voorspellingen blijven voorspellingen, zegt Westerman die toegeeft dat hij in 2000 voorspelde dat Al Gore zou winnen en in 2004 John Kerry. “Maar eigenlijk had ik in 2000 wel gelijk,” voegt hij toe, “Gore hád veruit de meeste stemmen.” Behalve een slecht economisch beleid kenmerkt de regeringsperiode van Bush zich ook door het unilaterale beleid met betrekking tot het buitenland. Dit echter is in de jaren negentig al ontstaan, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Door de eenzame supermachtstatus die het land toen heeft gekregen, is Amerika na 9/11 een enorme solospeler geworden. “De gebeurtenissen met de Twin Towers in combinatie met de eenzame supermachtstatus hebben geleid tot de cowboydiplomatie van Bush. Eeuwig zonde.” Unilateralisme deed het altijd goed bij de Republikeinse achterban maar door de voortdurende strijd bij de Democraten is er een hernieuwde interesse in het buitenland en internationale samenwerking gekomen. Westerman voorspelt dus een breuk met het unilaterale Bush-beleid. De massamedia, zoals FOX News, hebben ook een aandeel gehad in het creëren van steun voor deze unilaterale wereldvisie. De conservatieve pers is erg machtig in de VS maar toch wil Westerman de Amerikaanse pers niet als eenzijdig en subjectief beschouwen. “Natuurlijk geeft de media in Amerika niet altijd een volledig beeld maar in Nederland krijgen we dat ook niet.” Naar de mening van Westerman zijn de Nederlandse media eigenlijk veel te veel op Amerika gericht. Amerika wordt steeds meer een verlengstuk van Nederland. “Als correspondent in New York was het makkelijker mijn items te slijten dan voor mijn collega in Berlijn, terwijl Duitsland voor Nederland veel belangrijker is!” In de grote massamedia in Nederland krijgt het buitenland echter steeds minder aandacht. “In mijn ogen wordt er dus te negatief gedaan over de Amerikaanse pers. De New York Times is de beste krant ter wereld en het NBC Nightly News beluister ik dagelijks via mijn iPod. Dat is één van de meest professionele nieuwsprogramma’s op radio en televisie.” Max Westerman is zelf weer op televisie te zien vanaf september met een nieuw programma waarin de verschillen en overeenkomsten tussen Nederland en de Verenigde Staten ter sprake komen. Daarna is het aftellen tot 4 november, wanneer we zullen zien of de voorspelling van Westerman dit keer uitkomt. I&

21

Clio Agenda Augustus 25/8: Waar: Hoe laat:

Facultaire introductiedag Academie en Harmonie 9.00 uur

29/8-31/8: Introductiekamp Waar: Bakkeveen Hoe laat: ’s Middags

September 1/9: Waar:

Boekverkoop Door ClioMind en Bestuur Weberfoyer

2/9: Waar:

Boekverkoop Door ClioMind en Bestuur Weberfoyer

Oktober 10/11- 15/10 Thema:

Clio-lustrum

‘Classified’


22

Schrijfster

Jung Chang over

Mao Zhedong

Op uitnodiging van Studium Generale hield Jung Chang, schrijfster van de bestseller ‘Wilde Zwanen’, een lezing over haar later gepubliceerde boek ‘Mao: the untold story.’ In ‘Wilde Zwanen’ vertelt ze aan de hand van de levensverhalen van haar grootmoeder, haar moeder en haarzelf de geschiedenis van China. Chang werd drie jaar nadat Mao aan de macht kwam geboren. Na Mao’s dood kon ze in 1978 met een beurs in het Verenigd Koninkrijk studeren. Samen met enkele anderen waren zij de eersten in een generatie die het land verlieten. Ze promoveerde en besloot te blijven. Toen haar moeder aan het eind van de jaren tachtig op bezoek kwam, vroeg Chang haar wat te vertellen over vroeger. Haar moeder begon en kon niet meer ophouden. Ze doorbrak haar zwijgen en al het verborgene kwam aan het licht. ‘Wilde Zwanen’ was het gevolg. Door Jan Erik Visscher en Esther Gonner

Mao’s rug Tijdens haar lezing vertelt Chang verschillende anekdotes. Zo zou zij als veertienjarige naar Peking zijn gegaan om Mao te zien. Chang: “Op het plein in Peking aangekomen moesten we lang wachten voordat de paradestoet eindelijk in zicht kwam. Ik was met duizenden jonge mensen en iedereen zat geduldig en gedisciplineerd uren te wachten. Toen de stoet eenmaal voorbij kwam, stond iedereen op om Voorzitter Mao te zien. Door de drukte en hysterie zag ik niets. Uiteindelijk kon ik hem nog net met zijn rug naar mij toe in de auto zien staan. Toen was het voorbij. Ik was zo teleurgesteld dat ik overwoog om zelfmoord te plegen,” zegt Chang lachend. Een bijzondere ontmoeting Tijdens de tien jaar waarin zij met haar echtgenoot onderzoek heeft gedaan voor het boek ‘Mao: The untold story’, heeft Chang verschillende mensen geïnterviewd. Veel van deze mensen waren personen die tot de inner circle van Mao behoorden; zijn staf, familie en vrienden maar ook buitenlandse regeringsleiders die Mao gekend hebben. Chang: “Sommige interviews kwamen op een heel bijzonder manier tot stand, waaronder die met Mobutu Sese Seko. Samen met mijn echtgenoot logeerde ik in een hotel toen mijn man ontdekte dat de oud- dictator van Zaïre daar eveneens de nacht doorbracht. Mijn echtgenoot wilde een poging doen om hem te interviewen maar ik voelde me te moe. In plaats daarvan ging ik naar de haarsalon om me te laten vertroetelen. Tot mijn verbazing trof ik daar Mobutu aan. Hij zat op nog geen drie

meter afstand met een lange sliert katoenpluksel om zijn voorhoofd gewonden onder een droogkap. Hij kon geen kant op en stemde toe mijn vragen over Mao te beantwoorden.” Erger dan Hitler Volgens Chang valt Mao zelfs op temidden van de andere monsters van de twintigste eeuw. Zowel in ambitie, wreedheid als in het aantal slachtoffers is hij voor Chang de meerdere van Stalin en Hitler. “Mao’s ambitie was niets minder dan wereldheerschappij,” aldus Chang. Om dit te bereiken wilde hij van China een nucleaire macht maken en daarvoor moest China industrialiseren. Chang: “Dat dit proces, bekend als De Grote Sprong Voorwaarts ten koste ging van zijn eigen volk, liet hem volledig koud. Tijdens de hongersnood die het gevolg was zijn miljoenen mensen omgekomen. Wat er nog aan oogst werd binnengehaald, exporteerde Mao voor een deel naar Rusland en Oost-Europa in ruil voor steun en militaire technologie. Toen Mao op een gegeven moment de atoombom in bezit had, kon hij er echter niet zo veel mee. Zijn raketten waren niet in staat de landsgrenzen te overschrijden.” Mao’s wreedheid kwam ook tot uiting door een systeem waarin iedereen bang was voor iedereen. Chang: “Ouders vertelden hun kinderen alleen dat wat de partij uitdroeg uit angst dat de kinderen hen zouden verklikken. Mao riep kinderen zelfs op om elke autoriteit aan de kaak te stellen. Leraren, partijbeambten, ouders en ieder ander met enig gezag werd op een zeker moment


23 onderworpen aan ‘aanklachtbijeenkomsten’. Mao gebruikte de jongeren, de Rode Gardes, als machtsinstrument; ze luisterden enkel naar hem. Alle intellectuelen en invloedrijke personen vreesden de gardes. Literatuur was verboden; enkel het geschreven woord van Voorzitter Mao was toegestaan. Mao was zelf dol op lezen.De helft van zijn bed lag altijd bezaaid met stapels boeken. Hij was ook gek op klassieke Chinese theaterstukken maar ook die verbood hij. Door middel van deze Culturele Revolutie werd elke rivaal uit de weg geruimd en bleef Mao tot zijn dood oppermachtig. Martelingen, die vaak op willekeur gebaseerd waren, vonden publiekelijk plaats. Dit in tegenstelling tot de martelingen onder Hitler of Stalin. Onder hen kwam ook veel marteling voor maar meer in het verborgene, door geselecteerde mensen.” De voornaamste reden waarom Chang Mao onderscheid van Hitler en Stalin is diens privéleven. “Bij Stalin en Hitler viel in deze sfeer een zekere menselijkheid te bespeuren,” aldus Chang. “Ze hadden vrienden, werden verliefd en speelden met kinderen. Mao stond zijn kinderen af aan een straatarme dorpsbewoner en trok verder op de Lange Mars. Toen zijn derde vrouw gewond raakte tijdens een bombardement, weigerde hij haar op te zoeken waarop ze stierf in eenzaamheid.” “Mao had wel vrienden,” aldus Chang, “maar de vriendschap was niet wederzijds”. “Zhou Enlai was zo’n toegewijde vriend. Wanneer Mao zalf of oogdruppels nodig had, probeerde Zhou het middel eerst uit op zichzelf. Hij proefde diens soep om te zien of het vergiftigd zou zijn. Maar toen er bij Zhou kanker geconstateerd werd, stond Mao hem geen behandeling toe. Zhou was een gezond man en de kanker was in een vroeg staduim ontdekt. Hij hoefde er niet door te sterven. Maar Mao wilde niet dat hij ouder zou worden dan hij. Zhou stierf binnen negen maanden.”

“Political power grows out of the barrel of a gun.” Het publiek bestond uit een gevarieerd gezelschap waaronder een groep kritische Chinese studenten. Eén van hen beklaagde zich over de vooringenomen houding van de schrijfster wat betreft de slechte kanten van Mao. Ze reageerde op een karakteristieke wijze, vriendelijk maar beslist: “Als u vindt dat de wereld op de hoogte gebracht moet worden van Mao’s goede kanten dan kunt u daar een boek over schrijven. Ik heb werkelijk niets goeds over hem kunnen vinden.” Een Vietnamees vroeg haar over de rol van Mao in de Vietnamoorlog. Chang: “Mao wilde maar al te graag troepen sturen om de Vietnamese soldaten bij te staan. Hij zag het als een kans om zijn doel, wereldheerschappij tot uitvoering te brengen. De Vietnamezen vreesden echter gedomineerd te worden en hielden Mao op afstand. Zij zagen ook grote voordelen in het beeld van een klein volk dat de grote Amerikaanse Adelaar probeert te verjagen. Dat beeld konden ze vergeten als duidelijk werd dat China mee deed in de strijd.” Toekomst Chang eindigt haar lezing met een blik op de toekomst. “Mao is dood maar hij bevind zich nog steeds in het hart van China. Zijn lichaam ligt in het mausoleum op het Plein van de Hemelse Vrede; de plek waar ook zijn reusachtige portret nog altijd hangt. De Chinese Communistische partij en haar leiders zijn ontegenzeggelijk anders dan Mao. Toch legitimeren zij hun macht door naar hem te verwijzen. Er heerst alom taboe rond de horror van zijn schrikbewind; mijn boeken zijn er natuurlijk verboden. Daarom is de dag dat het portret van Mao naar beneden komt, de eerste dag waarop China aan een nieuwe periode in haar geschiedenis kan beginnen.” I&

Canada, een half jaar Canadese cultuur Door Joeri Deelstra

Canada, een van de G8 landen, is een land dat zich graag onderscheid door middel van haar multiculturele samenleving. Een land dat tot in de jaren ‘80 van de vorige eeuw geen officieel eigen volkslied had en pas met de Constitution Act van 1982 echt onafhankelijk werd. Tegelijkertijd een land dat zich heeft aan te passen aan haar buurland, als ‘kleine buur’ van de Verenigde Staten (VS), terwijl de Canadese oppervlakte die van de VS verreweg overtreft. Door deze reusachtige oppervlakte heeft het te kampen met grote regionale verschillen. Dat zijn op zich al genoeg redenen om een paar maanden in Canada te verblijven. En dan heb ik de immense natuur, de extreme winters en de ontzettend aardige bevolking nog niet genoemd. Op 2 januari 2008 vertrok ik naar Canada met het vooruitzicht om een semester te studeren aan de Queens University te Kingston, Ontario. De semesters in Canada zijn kort maar zeer krachtig. De studielast is veel hoger dan in Nederland en het wordt uitwisselingsstudenten dan ook afgeraden om een volledige studielast op zich te nemen. Door het studeren in Canada ontdekte ik mijn vooroordelen, mijn eurocentrische blik en zag ik in dat alle clichés over studeren in het buitenland waar zijn. Door de week ging ik voornamelijk om met mijn Canadese medestudenten maar aangezien deze ook in het weekeinde hard studeren en er een hechte uitwisselingsstudenten gemeenschap is, heb ik veel studenten van buitenlandse afkomst leren kennen.

Op het gebied van de studie IB/IO en de vorm van de studie hier is er een verschil wat mij erg verraste. Voor Regionale Geschiedenis heb ik twee vakken over het Midden-Oosten gevolgd en voor mijn vrije ruimte heb ik de vakken Canadese Politiek en Chinese Politiek gevolgd. Ik had verwacht, en ook wel stiekem gehoopt, op een Amerikaans perspectief op deze zaken. Nu bleek echter dat dit geenszins het geval is. Sterker nog; de professoren slaagden er in om elk onderwerp objectief te benaderen. Er werden debatten gehouden tijdens colleges en zoveel mogelijk experts met allerlei achtergronden ingeschakeld om een totaalbeeld van de situatie te verschaffen. Tijdens deze colleges drong het pas goed tot mij door hoe eurocentrisch de studie IB/IO is en hoe


24

Europees mijn blik is op de Internationale Betrekkingen. Natuurlijk is dit niet uit te bannen maar het is wel goed om dit te realiseren. In een gesprek over dit onderwerp met mijn professor Salzmann, gespecialiseerd in het Midden-Oosten, verklaarde zij dat de reden voor zo een objectieve kijk ontstaan is in veel relatief oude Canadese universiteiten omdat alle studenten als het ware immigranten zijn. Met deze verschillende herkomsten moeten alle ideeën wel weerspiegeld worden in de manier van lesgeven. Dit is denk ik een heel sterk punt van Canadese universiteiten. Zeker voor een studie als Internationale Betrekkingen. Wat betreft Canadese politiek en Canadese betrokkenheid in politiek, moet ik stellen dat er ontzettend weinig belangstelling is. De Canadezen hebben een groot vertrouwen in de politiek en geloven dat alles wel goed geregeld wordt waardoor er zeer weinig kritiek wordt geuit en er misschien niet altijd kritisch genoeg naar de regering wordt gekeken. Sinds het ontstaan van Canada wordt de regeringstrijd bepaald door twee partijen. de Conservatieven en de Liberalen. Voornamelijk namelijk de Liberalen winnen. Ik volgde het vak Canadese Politiek en het is haast niet voor te stellen hoe weinig politicologiestudenten van hun Canadese politiek afweten. Een van onze instructeurs was bezig met een onderzoek naar de politieke kennis van studenten en bij het invullen van de enquête bleek dat ik zelfs meer wist van de politiek dan veel Canadezen. Dit lag echt niet aan mijn grote kennis. In discussies kwam naar voren dat de oorzaak lag bij de grote aandacht die de Amerikaanse politiek kreeg in de lokale media, waardoor de Canadese politiek enigszins overschaduwd werd. De afgelopen maanden was dit extreem met de democratische kandidaatsverkiezingen in de VS. De VS hebben een dubbele invloed op dit land. Aan de ene kant heeft deze grootmacht een grote invloed in Canada op het gebied van cultuur maar aan de andere kant probeert Canada zich af te zetten tegen haar buurland. Canadezen zijn trots op hun lage

geweldspercentage en grote gelijkwaardigheidsgevoel. Het maakt niet uit wat voor mening een Canadees heeft over homo’s; ze zijn er trots op dat in Canada het homohuwelijk is toegestaan. Ook zijn Canadezen trots op hun multiculturele samenleving en zien het mozaïekpatroon als superieur ten opzichte van het melting pot idee in de VS waar alle immigranten hun achtergrond opgeven en Amerikaans worden. Toch heerst er het minderwaardigheidscomplex van Canadezen ten opzichte van Amerikanen. Veel Canadezen voelen alsof ze in het internationale speelveld totaal geen invloed hebben hoewel ze toch een G8-land zijn. De Canadese politicologie richt zich op dit probleem. Veel theorieën gaan er van uit dat dit complex de reden is van Canada’s lage invloed in de internationale wereld. Met mijn achtergrond probeerde ik vaak een gesprek te beginnen over internationale betrekkingen en de ideeën die medestudenten hier over hadden. Er kwam echter niet veel uit. Opnieuw speelt de VS hier een grote rol in en opnieuw blijkt er een grote mate van desinteresse te zijn. Dit zijn politicologieof geschiedenisstudenten die wel interesse hebben in het Midden-Oosten en andere gebieden. In tegenstelling tot deze landen hebben ze het gevoel hebben dat het ‘thuis’ wel goed geregeld is en ze hier niets aan kunnen of hoeven te veranderen. Canada volgt de VS nu eenmaal op het gebied van internationale betrekkingen. Toch was er een onderwerp dat wel in de belangstelling stond: de verlenging van de missie in Afghanistan. Veel Canadezen en zeker Canadese studenten zijn niet zo zeer tegen het beleid van de VS in het Midden Oosten maar veel meer tegen het idee dat Canada haar buurland zo lijdzaam volgt. Dat de Canadese regering niet zomaar zonder meer toegaf om langer te blijven, kreeg dan ook veel goedkeuring van de Canadezen. Misschien zegt het gegeven dat het nationale symbool van Canada een Mountie is, de politieagent, ook wel genoeg over het vertrouwen in overheidsgezag. I&


25


26

Wereldgezondheid:

De onmogelijkheid in mensveiligheid Door Ella Westerhoff

Het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) sprak in haar rapport van 1994 over mensveiligheid. Bedreigingen voor de mensveiligheid worden genoemd in zeven categorieën. Gezondheid is er daar één van. Als eerste worden bedreigingen voor de economische en voedselzekerheid genoemd. Na gezondheid komen milieu- en klimaatgerelateerde, persoonlijke, gemeenschaps- en politieke veiligheid. Deze breedgenomen definitie van wat een ontwikkelingsrapport blijft, heeft zich ontwikkeld en het begrip mensveiligheid heeft zich opgesplitst en samengevat in de volgende sloganachtige term: “Freedom from Fear and Freedom from Want”.1 Wereldgezondheidsproblemen passen zowel in de ‘angst’-categorie als in de ‘noden’-categorie en bieden daarmee een dergelijke uitdaging voor het concept dat de bruikbaarheid in problemen brengt. Als gezegd is het begrip mensveiligheid opgesplitst in een zogenaamde ontwikkelingsdimensie en een veiligheidsdimensie. Vrijheid van noden dient gegarandeerd te worden door middel van ontwikkeling. Vrijheid van angst door middel van bescherming en daarbij wordt speciaal gekeken naar de mens en niet naar de staat. In academia wordt dan ook gesproken van een mogelijke verschuiving van de traditionele focus op de staat wat betreft veiligheidsaangelegenheden. Immers, de bedreigingen voor individuele veiligheid die al sinds het begin der beschaving bestaan worden benoemd als veiligheidsproblemen op internationaal niveau en worden daarmee (met het waarmerk ‘veiligheid’) een hogere prioriteit toegekend. Belangrijk is het verschil te zien tussen wat bekend is als individuele veiligheid, gewaarborgd door de staat en slechts op aandringen van de internationale gemeenschap; en wat hier bedoeld wordt met mensveiligheid gepositioneerd tegenover staatsveiligheid. 2 In het laatste geval is theoretisch namelijk sprake van een verschuiving van de directe verantwoordelijkheid voor de mensveiligheid van de staat naar de internationale gemeenschap. Ik neem hier nadrukkelijk deze uiterste definitie van het begrip. Problematisch wordt het wanneer we verder kijken naar de ontwikkelingsdimensie. Door deze dimensie toe te voegen aan mensveiligheid komt de wederzijdse relatie tussen vrede en ontwikkeling naar voren en breidt het begrip zich verder uit. Er wordt uitgegaan van ‘veiligheid voor ontwikkeling’. Met andere woorden: ontwikkeling krijgt geen prioriteit boven veiligheid. Simpel gezegd, wanneer een actor dus een veiligheidsargument naar voren brengt, zij het mensof staatsveiligheid, verliest het ontwikkelingsargument dat slechts in ‘latere instantie’ tot vrede leidt. We zien hier duidelijk de scheiding tussen angst en noden. De vraag is of deze scheiding wel terecht is en of deze niet totaal aan het begrip voorbij gaat. De wederzijdse relatie van ontwikkeling, vrede en veiligheid vertroebelt de scheiding tussen angst en noden en maakt aldus het begrip mensveiligheid onhandig breed. Meer cynisch of sarcastisch zouden we misschien spreken van ‘handig breed’; zo kunnen de machthebbers naar hartelust alles onder de noemer mensveiligheid brengen. Gelukkig heeft het begrip mensveiligheid nog niet een dergelijk gewicht in het beleidsdebat. Hiermee komen we tegelijk op de vraag die kleeft aan de keerzijde van deze opmerking: waarom heeft het begrip mensveiligheid niet dat gewicht? Dit is omdat het, voor al het andere, gaat om staten. We spreken immers van een begrip dat gebezigd wordt op het internationale

niveau. Een contradictio in terminis lijkt zich voor te doen. Niets is minder waar want de focus ligt op het gedrag van staten maar is slechts op het gedrag gericht, voor het doel van mensveiligheid. Met andere woorden: de internationale gemeenschap beoogt er op toe te zien dat staten zich gedragen ten dienste van mensveiligheid. De beroemde Responsibility to Protect en de Millennium Ontwikkelingsdoelen passen in dit kader. Is het dan zo dat, door de mens via de veiligheidsprioritering dermate centraal te stellen, staten zich via de internationale gemeenschap laten vastleggen in een soort van wereldregering? Nee. Theoretisch klinkt het goed maar laten we naar de praktijk kijken. Mensveiligheid tast de centrale plaats van de staat aan in de internationale betrekkingen? Het Rode Kruis heeft zich teruggetrokken uit Tsjaad. Het verspreiden van condooms wordt in veel landen belemmerd. Artsen Zonder Grenzen blijven in Tsjaad, ongeacht de regering, omdat zij meer moed en overtuiging hebben? Kortom, laat het zo zijn dat staatssoevereiniteit en territoriale integriteit ingeboet hebben ten behoeve van mensenrechten, minderhedenkwesties, good governance, internationale handel, internationale organisaties en de oorlog tegen het terrorisme. Het is niet zo dat de mens het van de staat wint op het internationale niveau waarop wereldgezondheidsvraagstukken worden besproken. De aanmerking van HIV/AIDS als veiligheidsprobleem door nota bene de Veiligheidsraad in 2001 bijvoorbeeld heeft immers ook het uitdelen van condooms in Afrika niet vergemakkelijkt. Er lijkt dus een probleem te bestaan met de machtsbasis van mensveiligheid, waardoor een als belangrijk onderdeel genoemde ‘gezondheidsveiligheid’ geen doorwerking lijkt te hebben voor in dit geval het Rode Kruis. De veiligheidssituatie liet het niet langer toe om in Tsjaad te blijven. Mensveiligheid staat centraal maar mensen blijven verdeeld over staten. Werknemers van het Rode Kruis zijn niet meer mens dan Tsjadische vluchtelingen maar zijn ‘niet Tsjadisch’. De machtsbasis voor mensveiligheid ligt op staatsniveau. Gezondheidsveiligheid is voor alle mensen een gelijk recht, zo stelt de WHO. (“Health, my right.”) Voor Tsjadische burgers is deze dus in principe net zo belangrijk, ware het niet dat over actie wat betreft mensveiligheid wordt besloten door staten (het gedrag tot doel van mensveiligheid) en het Tsjadisch burgerschap dus compliceert. Gezondheid van de bevolking, of in ieder geval de individuen die de bevolking vormen, heeft dus niet het gewicht dat het begrip mensveiligheid het lijkt te geven.


Tot hoe ver gaat de verantwoordelijkheid van de staat dan? Waar legitimiteit van een regering bijvoorbeeld voor een belangrijk deel bepaald wordt door het democratische karakter en de mate waarin burgerbelangen gegarandeerd worden, heeft gezondheid van de bevolking niet een dergelijk gewicht. Natuurlijk kan een staat niet verantwoordelijk worden gehouden voor de gezondheid van haar burgers maar denk in dit kader aan de Europese wetgeving voor rokers. Het is ook om deze reden dat gezondheid, universeel gewaardeerd in alle samenlevingen, een goede test biedt voor de haalbaarheid van mensveiligheid. Kort gezegd: het opwaarderen van het begrip mensveiligheid, met daarin gezondheid, naar het veiligheidsdebat is een te grote uitdaging voor veiligheidspolitiek. De eerdergenoemde Responsibility to Protect is een ander verhaal. Dat gaat om internationale verantwoordelijkheid voor de burgers van de wereld in het geval van staatfalen. Mensveiligheid gaat om veiligheid van individuen, of zogezegd wereldburgers. Responsibility to Protect past wel in het huidige systeem, mensveiligheid niet. Zolang er geen wereldregering is, kan er geen sprake zijn van wereldburgers, precies om het feit dat het wel degelijk verschil maakt of je uit staat A of B komt en onder wiens directe verantwoordelijkheid je in eerste instantie valt. Dit geldt ongeacht of het nu gaat om de zogezegd universele waarde van gezondheid of democratie bijvoorbeeld. Immers democratie, veel minder duidelijk universeel gewaardeerd, heeft zich wel als internationale norm weten op te werken. Is democratie een voorwaarde voor ontwikkeling en daarmee veiligheid? Of zou veiligheid meer gezien moeten worden als het bieden van een veilige omgeving ten behoeve van ontwikkeling en daarmee ruimte geven voor mensenrechten? Om wiens veiligheid gaat het dan? Een probleem wordt tot veiligheidsprobleem verklaard door het als zodanig te benoemen op het hoogste veiligheidsniveau; de Veiligheidsraad in het geval van de internationale samenleving en de regering in het geval van de staat. Bepalend voor succes in uitwerking is dat het niveau waarop een norm wordt vastgesteld en waarop deze moet worden verdedigd gelijk zijn. Zo hebben de regeringen van Canada en Noorwegen mensveiligheid als eerste expliciet in hun buitenlands beleid opgenomen als kernwaarde en zijn zij daarmee met Zweden en Japan de enige regeringen als belangrijke voorvechters.

Kortom, er bestaan verschillende problemen met het concept van mensveiligheid, in casu mondiale en individuele gezondheidkwesties. Allereerst is er het probleem met het integreren van wereldgezondheidsvraagstukken in de agenda van mensveiligheid. Het gebruiken van de mensveiligheidsagenda voor wereldgezondheid heeft niet alleen nog een lange weg te gaan voor het enig resultaat op zal leveren; het zal de mensveiligheidsagenda dusdanig verbreden dat resultaat uit zal blijven. Simpel gezegd, als alles veiligheid is, wat heeft veiligheidsprioritering dan nog voor zin? Zelfs met de wetenschap dat gezondheid van de bevolking een wezenlijke veiligheidsfactor is, lijkt het inzetten van veiligheidsmiddelen tot het gezondheidsdoel een averechts effect te hebben. Ten tweede is er het probleem met de vraag over de haalbaarheid van het begrip mensveiligheid in zichzelf. Waar individuen zich organiseren in groepen en waar er altijd tegenstrijdige belangen zullen bestaan, zullen daar niet altijd kostenen-baten-afwegingen op het niveau van de normbepalende instantie de uitkomst bepalen? Zolang mensveiligheid dus een aangelegenheid van de Verenigde Naties is en staten beslissen over het uitzenden van troepen - voor welk doel dan ook - zal het concept onhaalbaar zijn, in ieder geval in zijn volledige uitwerking. Hier past enige nuancering. Het gaat niet om staten die hun macht moeten overdragen naar de internationale gemeenschap waar het gaat om individuen en hun veiligheid in al haar zeven dimensies maar juist om staten die hun macht moeten inzetten ten behoeve van mensveiligheid. Het schijnbaar paradoxale recept voor mensveiligheid wijst dan ook in de richting van het terugbrengen van de focus naar de staat. De internationale verantwoordelijkheid beperkt zich dan strikt tot het beschermen van individuen in hun relatie tot de eigen staat. I& Noten: 1)Zie vele Rapporten online beschikbaar onder de titel Mensveiligheid, er bestaat een ‘Human Security Commission’ op VN niveau, de regering van Canada heeft denktanks in het leven geroepen en de WHO neemt mensveiligheid ook op in de Wereld Gezondheids rapporten. 2)Niet iedereen is het eens over de verschuiving van staat naar mens als gegeven, ik neem het hier ter simplificatie aan. Verdere informatie 1) Boer, Monica den, J.H.de Wilde, The Viability of Human Security (Amsterdam University Press, 2008). 2) Chen, Lincoln, Jennifer Leaning en Vasant Narasimhan (ed.) Global Health Challenges for Human Security (Harvard University Press, Global Equity Initiative Asia Center, 2003). 3) International Commission on Intervention and State Sovereignty, ‘Responsibility to Protect’ (2001) online available: www.responsibilitytoprotect.org (24 februari 2008). 4) UNDP Development Report (1994) Joint Programme on Integrating AIDS into PRSPs, Review on Round 1, Bureau for Development Policy, HIV Group (New York) online available: www.UNDP.org/hiv/ 5) UNGA, In Larger Freedom: Towards Development, Security and Human Rights for All, Report of the Secretary-General (21 maart 2005). 6) World Health Report 2007, ‘A Safer Future: Global Public Health Security in the 21th Century’

27

© Jakob Dall/International Federation of Red Cross and Red Crescent Societies


28

Een minister in Groningen:

Uruzgan en de Westerse wilskracht Door Jan Erik Visscher en Esther Gonner

Op uitnodiging van het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken (NGIZ) gaf minister van Defensie Eimert van Middelkoop (ChristenUnie) een lezing over de Nederlandse missie in Uruzgan.

“De strijd tegen de Taliban is een test van de wil.”

De krijgsmacht in haar context De heer van Middelkoop kwam iets na tienen in de morgen de Bruinszaal binnen waar een bescheiden groepje studenten hun opwachting maakten. Het programma bepaalde dat de minister een minuutje of twintig zou spreken om vervolgens ruimte te geven voor vragen. Van Middelkoop gebruikte zijn tijd om de ontwikkelingen te schetsen die de krijgsmacht heeft doorgemaakt sinds de val van de Muur. Begin jaren ‘90 is de krijgsmacht omgevormd van een leger van dienstplichtigen, tot een beroepsleger. Volgens de minister heeft de krijgsmacht nu profijt van deze herstructurering: “Hierdoor kan het worden ingezet in bijvoorbeeld Uruzgan.” Van Middelkoop gaat verder: “Hoewel de krijgsmacht prominent aanwezig is in Afghanistan, is het niet alleen een militaire missie. Zo wordt er ook geïnvesteerd in

netwerken met de plaatselijke bevolking. Daarnaast bestaat er een nauwe samenwerking met diplomaten en ontwikkelingswerkers.” De minister spreekt in dit verband over de samenwerking van de drie “D’s”: Defence, Diplomacy and Development. Dit vertaalt zich bij de Nederlandse samenwerking in de drie namen van van Middelkoop (Defensie), Verhagen (Buitenlandse Zaken) en Koenders (Ontwikkelingssamenwerking). “Ik zou ook Justitie willen toevoegen voor het opleiden van politiemensen en rechters maar daar heb ik nog geen ‘D’ voor bedacht,” grapt van Middelkoop. Het gelijktijdig bezoek van de drie ministers aan Uruzgan in maart 2007 was bedoeld om deze driehoekssamenwerking te onderstrepen. “Vanuit veiligheidsoverwegingen was het misschien iets minder verstandig,” aldus een lachende minister.


Van de vlakten der Veluwe naar de bergen van Uruzgan Elk lidstaat van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) die deelneemt aan de missie in Afghanistan heeft haar eigen redenen en overwegingen om mee te doen. Van Middelkoop: “Voor de Verenigde Staten (VS) is de oorlog tegen het terrorisme de belangrijkste drijfveer. Voor de meeste Europese landen spelen humanitaire redenen een grote rol. Alle lidstaten zijn het er echter over eens dat als Afghanistan aan haar lot wordt overgelaten, het wederom een broeinest voor terrorisme zal worden.” “En welke nobele intenties brengen Nederland in het Verre Oosten?,” aldus een vraag uit het publiek. “Ontwikkelingswerk,” volgens de minister. “Dat is ook de reden waarom we er nog eens twee jaar willen blijven.” Nederland is in vergelijking met andere landen erg actief in Afghanistan. “Dat komt omdat de politieke wil er is,” stelt de minister. “De strijd tegen de Taliban is een test van de wil; sterker zijn we wel maar hebben we de bereidheid te blijven tot de klus geklaard is?” Een tweede reden voor de actieve deelname van Nederland is volgens de minister de uitstekende krijgsmacht. “Het zou toch belachelijk zijn om militairen te trainen voor een missie en dan op de Veluwe te blijven zitten.”

“We mogen blij zijn als Afghanistan zich over tien jaar op een vergelijkbaar welvaartspeil bevindt als Bangladesh.” Er wordt in Uruzgan veel samengewerkt met de aanwezige nongouvernementele organisaties. “De samenwerking is erg divers. Zo wenst het Rode Kruis onder alle omstandigheden neutraal te blijven. Zij willen op geen enkele wijze door ons ondersteund worden. Andere organisaties geven aan onze bescherming wel te willen.” Volgens de minister is het een moedige stap van de verschillende organisaties om een kantoor te houden in Afghanistan. “Tot voor kort waren er alleen militairen aanwezig; nu zijn er tal van ontwikkelingsorganisaties actief. Dat geeft hoop voor de toekomst,” aldus de minister. Results please Afghanistan is een lange termijn project. “Naar Afghaanse maatstaven is er al immens veel bereikt. Bovendien worden de inzet en de verbeteringen gewaardeerd door de bevolking,” stelt van Middelkoop. “Maar wij, het Westen, wensen snel resultaten te zien. Het is echter moeizaam om ontwikkelingen te starten. Afghanistan heeft voor het eerst vrije verkiezingen gehouden. Misschien voldeden die niet aan de Nederlandse maatstaven maar ze waren voor Afghaanse begrippen wel degelijk democratisch.” Afghanistan heeft sinds deze verkiezingen een gekozen president en een volksvertegenwoordiging. Dat is gezien de Afghaanse geschiedenis inderdaad niet gering. Wat niet wegneemt dat het proces van wederopbouw pijnlijk langzaam verloopt. “We mogen blij zijn als Afghanistan zich over tien jaar op een vergelijkbaar welvaartspeil bevindt als Bangladesh vandaag de dag,” aldus de minister. Over twee jaar is de missie volgens Van Middelkoop definitief ten einde. De NAVO zal het gat dat Nederland achterlaat opvullen. “Is het niet jammer dat op die manier alle kennis en opgebouwde netwerken verloren gaan?,” luidt een vraag uit het publiek. “Dat is onvermijdelijk. Het moet ook een keer afgelopen zijn. Uiteindelijk moeten de Afghanen natuurlijk zelf orde op zaken gaan stellen,” antwoordt de minister. Met deze woorden wordt de lezing beëindigd. Het is inderdaad te hopen dat de Afghanen ooit in staat zullen zijn hun eigen huis te bestieren. Wat betreft de beëindiging van de missie over twee jaar, was dit twee jaar geleden ook al niet het officiële bericht van de minister van Defensie? Of deed de toenmalige minister Henk Kamp dit enkel om de kamer over te halen de missie met twee jaar te verlengen? I&

29

Kanselier Willy Brandt:

vader van

de Duitse eenwording

Bijna twintig jaar geleden werden de Bondsrepubliek Duitsland (BRD) en de Duitse Democratische Republiek (DDR) herenigd; het herenigingsproces was echter al veel eerder begonnen onder de gedurfde leiding van Kanselier Willy Brandt. Een terugblik op Die Neue Ostpolitik. Het begrip Ostpolitik stamt uit de tijd van het Derde Rijk; Hitler doelde met de benaming op zijn Lebensraumpolitiek. Zij die vóór Brandt de Kanselarij bestierden, hadden ook een Ostpolitik maar het werd pas een begrip toen Brandt kanselier werd. Brandt koos ervoor te breken met de politiek van confrontatie en te beginnen met een politiek van detente, ofwel ontspanning. Een beleidsverandering met immense implicaties voor de toekomst. Alvorens hier dieper op in te gaan is het echter belangrijk te kijken naar de spanningen die aan de detentepolitiek voorafgingen. Een terugblik Vanaf de beginjaren van de BRD hebben Duitse politici, onder leiding van Kanselier Adenauer, twee uitgangspunten voor ogen gehouden: enerzijds het waarborgen van de veiligheid, anderzijds het herwinnen van de autonomie. Adenauer stelde dat dit het beste kon worden bereikt door nauwe banden te onderhouden met de Verenigde Staten. Door de BRD onmisbaar te maken als bondgenoot zou het ook de grootst mogelijke autonomie verwerven. Deze autonomie zou Adenauer gebruiken om de complexe kwestie van de verdeelde Duitse natie tot een goed einde te brengen. WestDuitse politici zagen de DDR als illegitiem, ondemocratisch en als een product van Sovjetmilitarisme. De houding van de BRD ten opzichte van de DDR werd onder het Kanselierschap van Adenauer gekarakteriseerd door de Hallsteindoctrine. Deze doctrine beoogde de DDR diplomatiek te isoleren om het zo te verzwakken. Onder de Hallsteindoctrine verbrak de BRD elke band met een land, behalve de Sovjet-Unie (SU), dat diplomatieke betrekkingen aanging met de DDR. Hiermee wilde de overheid van de BRD bereiken dat alleen zij erkend zou worden als vertegenwoordiger van de Duitse natie.


30

De eerste socialistische Kanselier van de BRD Brandt geloofde niet in de Hallsteindoctrine en pleitte vanaf het eerste uur voor een politiek van toenadering. In 1969 vormde hij een regering met de Vrije Democratische Partij (FDP) en sloot daarmee de Christelijke Democratische Unie (CDU) uit de coalitie. Als eerste stap zocht Brandt toenadering tot de Sovjet- Unie. Er werd een overeenkomst gesloten waarin beide partijen stelden geen territoriale disputen met elkaar te hebben. De BDR eiste niet langer de enige regering te hebben die kon spreken namens het Duitse volk en stond andere staten toe de DDR te erkennen. Verder werd afgesproken de economische en culturele banden met de DDR aan te halen. De overeenkomst met de Sovjets, het verdrag van Moskou, maakte ruimte voor bilaterale verdragen met de landen waar het eigenlijk om ging: de DDR, Polen en Tsjecho-Slowakije. Het succes van de verschillende verdragen zou nog bekroond worden met een verdrag tussen de twee Duitslanden. Staatsbezoeken van weerszijden resulteerden op 8 november 1972 in het Grunlagenvertrag. Hierin erkenden de Duitslanden dat er twee Duitse staten bestonden op Duitse bodem: erkenning waar de DDR lang naar had uitgezien. Beide staten konden nu lid worden van de Verenigde Naties. Brandt van zijn kant, verzekerde zich van het standpunt dat de DDR onafhankelijk was, maar geen soevereine buitenlandse natie. Dit uitte zich bijvoorbeeld in de uitwisseling van diplomatieke staf: er werden “vertegenwoordigers” uitgewisseld, geen ambassadeurs. Verder bleef de BDR weigeren het staatsburgerschap van de DDR te erkennen.. Brandt ging met al deze overeenkomsten verder dan zijn voorgangers. Hij kon dit ook doen door het gunstige politieke klimaat in de internationale betrekkingen.

Brandt in de internationale arena Het succes van de Neue Ostpolitik is te verklaren aan de hand van verschillende externe voorwaarden. De belangrijkste voorwaarden hebben betrekking op de twee grootmachten. Zonder de toewijding van de twee grootmachten aan het proces van détente, de SU enerzijds en de Verenigde Staten (VS) anderzijds, was er geen Ostpolitik geweest. Elk van de twee grootmachten had eigen redenen om de spanningen in de internationale betrekkingen te willen reduceren. Voor de SU was het de juiste tijd voor onderhandelingen, omdat het door een immense opbouw van haar wapenarsenaal op voet van gelijkheid stond met de VS. Brezjnev had enorm geïnvesteerd om een inhaalslag met de VS te maken maar de kosten waren op lange termijn ondragelijk voor de economie. Naast de kosten liep de SU achter op het Westen in het ontwikkelen van technologie. Met de technologische voorsprong van de VS wist het de grotere hoeveelheid Sovjetsoldaten te marginaliseren. Door een intensivering van de handel met het Westen zou de SU toegang krijgen tot deze technologie en de achterstand kunnen inhalen. De Sovjets maakten zich ook zorgen over een eventuele verbetering van de SinoAmerikaanse betrekkingen. Brezjnev hoopte een alliantie tegen de SU te voorkomen door zelf betere betrekkingen met de VS aan te gaan. De VS hadden eigen redenen ontspanning na te streven. De oorlog in Vietnam had ernstige gevolgen voor de Amerikaanse economie. De onpopulariteit van de oorlog maakte tegelijk duidelijk dat een interveniërende buitenlandse politiek niet meer op steun van het electoraat kon rekenen. De geloofwaardigheid van de Amerikanen als hoeder van de Westerse wereld werd hierdoor ernstig aangetast. Ontspanning bood een uitkomst voor beide problemen. President Nixon wilde daarom de wapenwedloop beteugelen. Hij deed dit door te stellen dat een toereikende hoeveelheid kernwapens voldoende was om de SU af te schrikken. Voorheen was er altijd gestreefd naar

superioriteit. Nixon stelde dat een verbetering in de relatie met de Sovjets de oorlog in Vietnam zou beëindigen. Hij hoopte dat de SU haar steun aan Noord-Vietnam zou verminderen waardoor deze gedwongen zou zijn te onderhandelen. De VS hoopten de Sovjets nog meer in te dammen door toenadering te zoeken tot de Chinezen. Ontspanning zou een stuk dichterbij komen wanneer China van een vijandelijke staat in een bondgenoot zou veranderen. De dynamiek van de Internationale Betrekkingen. Tegelijk zijn er verschillende interne voorwaarden geweest die de Neue Östpolitik mogelijk maakten. Zo was de Hallsteindoctrine niet langer een instrument waarmee de BRD de DDR isoleerde, het begon zich tegen de BRD zelf te keren. Een staatsbezoek van DDR-leider Ulbricht aan Egypte resulteerde in de erkenning van de DDR door een dozijn Arabische staten. Dit zou betekenen dat de BRD de betrekkingen met deze landen zou moeten verbreken. Naast de teloorgang van deze doctrine is de Kanselier als persoon erg belangrijk geweest. Willy Brandt was in de jaren dertig en gedurende de oorlog een uitgesproken tegenstander van het Nationaal Socialisme geweest. Hij was in 1933 al uitgeweken naar Noorwegen omdat de Nazi’s hem wilden arresteren. In het naoorlogse Duitsland werd hem dit nog altijd door vele mensen kwalijk genomen; in het buitenland was Brandt de personificatie van het “andere Duitsland”, het deel van de Duitsers dat de opkomst van Hitler had verafschuwd en zijn neergang had bejubeld. De lange verbanning in Noorwegen gaf Brandt evenwel de kans een internationaal perspectief op de politiek te ontwikkelen. Founding father van de hereniging: Brandt of Kohl? De Neue Ostpolitik vormde een radicale breuk met het buitenlandbeleid van voorgaande regeringen. Het belang van deze politiek is door Gorbatsjov onderstreept: “Zonder die Neue Ostpolitik had zich geen hereniging voorgedaan”. Zonder het vertrouwen wat door de samenwerking was ontstaan zou hij het groene licht niet gegeven hebben. Ofwel, er had geen eenwording plaatsgevonden. Helmut Kohl besefte dit terdege. Hij deed niets zonder overleg maar nam vanaf het eerste uur de leiding ferm in handen. Terwijl zijn collega staatslieden zich beraadslaagden over de nieuwe situatie koerste Kohl met volle vaart richting de eenwording. Hij heeft zo kunnen afmaken wat zijn socialistische voorganger begon. Brandt heeft geluk gehad Kanselier te worden op het moment dat de internationale betrekkingen rijp waren voor zijn ideeën. Hij was de juiste man die op het juiste moment met de juiste ideeën een nieuwe buitenlandse politiek begon. I&

“Het is tijd voor iets nieuws, of niet Dick”?


32

Conflict op het water Door Sarah Haaij

Het Clio-congres stond dit jaar in het teken van water. Naast olie en gas is water een steeds kostbaardere natuurbron. Het is misschien wel de belangrijkste hulpbron die de mens tot zijn beschikking heeft. Want zonder water kan niemand. Veel landen kampen met waterschaarste en zoeken naar manieren om dit op te lossen. Maar waar olie en aardgas in de nabije toekomst vervangen kunnen worden, bestaat er voor water geen alternatief. Deze problematiek bracht de congrescommissie tot de volgende vraag: is water een bron van conflict? Spelen de oorlogen van de toekomst zich af rondom waterkwesties? Op het congres van 24 april is deze vraag door verschillende waterexperts besproken. Hier bleek onder andere dat de conflicten zich niet alleen om water afspelen maar ook op het water.

Aan water, zo blijkt, is geen tekort. De verdeling van water vormt het probleem. Veel sprekers benadrukten dat duurzaam waterverbruik en nieuwe technologieën de oplossing vormen. Een aantal rijke landen waaronder Singapore, dat zich als de waterhub van Azië profileert, nemen het voortouw in deze technologische ontwikkeling. Singapore houdt zich bijvoorbeeld druk bezig met methodes om rioolwater te zuiveren. Een concept dat volgens professor Cees Buisman in Europa niet snel zal aanslaan. Zijn werkgever Paques zoekt de oplossing in andere, meer smakelijke, oplossingen. Het meest creatieve voorbeeld hiervan is een rugzak bedekt met zonnecellen die waterstof uit de lucht direct omzetten in water en zo langzaam een flesje doen voldruppelen. Geef elke vluchtelingkampbewoner zo’n rugzak en de heer Eelko Brouwer van het Rode Kruis zou een stuk minder zorgen hebben bij zijn werk in crisis gebieden. Deze technische snufjes zijn gericht op het water van de toekomst. Welke rol water op dit moment speelt in de internationale betrekkingen komt naar voren in de workshop van majoor-generaal Kees Homan. Hier wordt duidelijk dat the hottest issue about water in de internationale fora op dit moment schunnige, ouderwetse piraterij is. Water zelf, zo blijkt uit het slotdebat, vormt volgens de sprekers nu nog niet direct een bron van conflict, het conflict ligt op het water. In een maand tijd haalde maar liefst drie piratenacties het nieuws. Met de kaping van het Franse luxe jacht voor de kust van Somalië, de beschieting van een Japans tanker bij de Hoorn van Afrika en de Somalische entering van een Spaans vissersboot staat piraterij sinds kort bovenaan de internationale wateragenda.

Het romantische beeld van de zeepiraat met gouden tand, ooglap en doodshoofdvlag boven het kraaiennest kan hierbij overboord worden gezet. De piraat van vandaag is vaak Aziatisch of Afrikaans en beschikt over hightech apparatuur. Op de kleine speedbootjes waarmee zij de zeeën onveilig maken bevinden zich raketwerpers, machinegeweren en geavanceerde navigatiesystemen.

van maritiem terrorisme, dat geen privémaar politieke doeleinden nastreeft. Tevens behoren daden die binnen de territoriale wateren van een land worden gepleegd niet tot de piraterij. Het Internationaal Maritiem Bureau (IMB) hanteert dan ook een veel uitgebreidere definitie waarbij ook de territoriale wateren van een land zijn betrokken.

Waar het vroeger meteen duidelijk was wanneer men van piraterij kon spreken, de vlag met doodskop hing immers in de mast, is er vandaag de dag een internationale definitie voor nodig. Het Zeerechtverdrag van de Verenigde Naties, UNCLOS, heeft er in ieder geval een artikel aan gewijd. Volgens artikel 101 is piraterij elke criminele daad van geweld, detentie of plundering die wordt gepleegd voor privédoeleinden door de bemanning van een privéboot of vliegtuig op `open zee`. Hiermee onderscheidt piraterij zich dus

Hoewel er verschillende doemscenario’s bestaan, is het maritiem terrorisme niet echt in trek. Slechts twee procent van alle terroristische acties vindt plaats op het water. Toch is men bang dat ideologisch gedreven terroristen de zeeën als doelwit zullen gebruiken. Grootste vrees is dat een terroristisch zelfmoordteam een schip met explosieven kaapt en dit in een haven tot explosie brengt. Tot nu toe heeft zo’n aanslag zich nog niet voorgedaan en komt de grootste dreiging op zee van de op financiële winst beluste piraten.

© Department of National Defence Canada


Schepen lijken steeds frequenter het slachtoffer te worden van deze vaak goed georganiseerde criminele netwerken. Volgens het IMB zijn in 2007 264 aanvallen van piraterij gerapporteerd. Homan laat weten dat deze cijfers in werkelijkheid nog veertig tot zestig procent hoger liggen. Officiële rapportage van piraterij betekent vertraging van het transport en dus verlies van omzet voor de rederijen. Daarnaast zijn de havenautoriteiten van de kuststaten niet altijd te vertrouwen. Voornamelijk in Zuidoost-Azië, waar in de straat van Malakka veelvuldig aanvallen plaatsvinden, zijn de banden tussen piraten en havenpolitie nauwer dan wenselijk is. Regionale samenwerking was tot nu toe het s

leutelwoord in de bestrijding van piraterij. In Zuidoost-Azië lopen in Indonesië, de Filippijnen, Singapore en Maleisië verschillende gezamenlijke (en succesvolle) programma’s. Het Nederlandse beleid, en ook dat van andere Europese staten, heeft zich voornamelijk gekenmerkt door een ad hoc beleid. Voorbeeld vormt de Hr. MS. Evertsen, het fregat dat door de Nederlandse marine is ingezet om schepen van het Wereld Voedsel Programma te beschermen tegen piraten voor de kust van Somalië. Met de recente ontwikkelingen gaan steeds meer stemmen op om ook op internationaal niveau actie te ondernemen. Op dit moment ligt er een nog goed te keuren resolutie bij de VN

Door Sarah Haaij

Wat is de Wat vertelt de geschiedenis van een door burgeroorlog verscheurd Soedan. Door de ogen van de jonge Achak Deng bechrijft Eggers het tragische, maar bij vlagen ook verrassend hilarische verhaal van duizenden Soedanese kinderen. Een verhaal dat met de ontwikkelingen in Darfur naar de achtergrond dreigt te geraken. Het is 1983, in een klein dorpje in het zuiden van het dan even vredige Soedan. Valentino Achak Deng, zoon van de gerespecteerde koopman Deng Arou, zit met zijn vader en diens handelspartners in een kring bij het vuur. Onder de mannen bevinden zich zowel Dinka, een etnische Zuid-Soedanese stam als Baggara Arabieren. Die avond vermaakt Deng Arou zijn gasten met een oude Dinka-legende, het verhaal over het begin van de tijd. In dit scheppingsverhaal roept God als eerst de Dinka in het leven (of Monyang, zoals de Dinka zichzelf noemen) “en hij maakte hem de grootste en sterkste van alle volkeren onder de hemel”. Ook krijgen

Veiligheidsraad waarin wordt voorgesteld om landen het recht te geven binnen de territoriale wateren van Somalië piraten op te sporen en te arresteren. Duurzaam waterverbruik en nieuwe technologieën moeten voorkomen dat water een bron van conflict zal vormen. Zonder vergaande ontwikkeling op watergebied is eerlijke verdeling van deze natuurbron niet gewaarborgd. Maar voor het zover is, lijken landen zich nu vooral zorgen te maken om de problemen die zich op het water afspelen. Piraterij dat vooral voor westerse handel een bedreiging vormt houdt de internationale watergemoederen bezig. I&

de Dinka een geschenk mee; de stam mag kiezen tussen het bezit van koeien of ‘de Wat’. Maar wat is de Wat? Deze vraag weigert God te beantwoorden. Volgens de legende verkiezen de eerste man en vrouw het vee boven de onbekende Wat. Deze keuze blijkt de juiste. De Dinka tonen tevreden te zijn met dat wat zij hebben en doorstaan hiermee Gods beproeving. Die avond eindigt het verhaal met de woorden: “Wat de wat is weten we niet, dat weet niemand. Achak is trots op zijn vader. Hij weet dat in de officiële versie God de Wat aan de Arabieren geeft, ``en dat dit de reden is waarom de Arabieren minder waard zijn dan Dinka”. Achaks vader heeft zijn Arabische gasten deze `natuurlijke hiërarchie’ niet onder de neus willen wrijven. Het verhaal over het begin van de tijd, treft de verhouding tussen de twee Soedanese bevolkingsgroepen in het hart. ‘’Baggara en Dinka strijden sinds mensenheugenis om graasgebieden en andere kwesties.’’ Met de onafhankelijkheid van Soedan in 1956 en de Arabische overheersing vanuit Khartoum die daarmee gepaard ging, staan de verhoudingen constant op scherp. Ditis niet alleen het geval tussen Baggara en Dinka maar tussen de verschillende Arabische stammen uit het noorden en de etnische stammen die in het zuiden van Soedan leven. De strijd om onafhankelijkheid van het olierijke zuiden heeft twee bloedige burgeroorlogen ten gevolge gehad. Het is deze tweede burgeroorlog die eind 1983 op de loer ligt en Deng Arou doet besluiten zijn verhaal die avond aan te passen. Met deze oorlog begint het verhaal van Valentino Achak Deng zoals opgetekend door Dave Eggers. Achak is pas zeven wanneer de president van Soedan, Gaafar Nimeiry, een in 1972 getekend vredesverdrag opheft en door het gehele land de Sharia wetgeving laat implementeren. Veel te jong om de gevolgen van deze daad voor hem, zijn familie en zijn land te kunnen bevatten. Maar waarschijnlijk had niemand begin jaren tachtig kunnen voorzien welke ellende Nimeiry over zijn land afriep. Zijn handelen wakkerde de onafhankelijkheidsgevoelens van de Zuid-Soedanesen aan. De overwegend natuurgodsdienstige en ook christelijke bevolking voelde zich overheerst door Khartoum. Gevoelens van onlust verankerde zich in het Soedanese Volksbevrijdingsleger, de SPLA, dat onder aanvoering van John Garang de strijd tegen het noorden aanging. Door de ogen van Achang Deng beleef je als lezer de verschrikkingen van de burgeroorlog. Wanneer Achak zeven jaar oud is wordt het dorp aangevallen door Arabische milities. Deze murahaleen zijn bewapend door Khartoum dat in de beginjaren van de oorlog nog tracht de eigen handen schoon te houden. De murahaleen, bestaande uit de rivalen van de Dinka, de Baggara Arabieren, krijgen de vrije hand. Ze plunderen, moorden, verkrachten en steken daarna de huizen in brand. Het dorp

33


34

van Achak, dat wordt verdacht te sympathiseren met de SPLA, is al snel aan de beurt. Achak weet aan de moordlustige ruiters te ontkomen, maar niet voordat hij ziet hoe zijn beste vriend Moses wordt neergeschoten en zijn grote liefde, samen met de andere meisjes van het dorp, achterop een paard van een Arabier wordt gebonden en in een grote stofwolk voorgoed verdwijnt. Samen met andere gevluchte jongens begint Achak aan een voettocht van duizenden kilometers, op weg naar buurland Ethiopië. Deze jongens zullen later in de pers als `de Lost Boys’ worden bestempeld, naar de weeskinderen uit Peter Pan. Maar van de Afrikaanse versie is het sprookjesachtige aspect ontnomen. Waar Peter Pan zijn jongens de dagen slijten met hutten bouwen en krijgertje spelen worden de Soedanese Lost Boys geteisterd door leeuwen, vijandige milities, bommenregens en honger. De ontberingen die de groep jongens te verduren krijgt, worden door Dave Eggers tot in de huiveringwekkendste details geschetst. Zelfs de luchtige schrijfstijl, die soms bijna kinderlijk aandoet, kan de zwaarte van deze geschiedenis niet wegnemen. Zij die de tocht overleven en Ethiopië bereiken vinden daar niet het paradijs waarover tijdens de uren lopen zo vaak is gedroomd. De betrekkelijke veiligheid van het vluchtelingenkamp blijkt als snel schone schijn. Niet de vijand maar de eigen mensen, hier de soldaten van de SPLA, vormen een bedreiging voor weeskinderen zoals Achak. “Overdag was het kamp van de VN, dan stond alles in het teken van scholing en voeding”. Maar ‘s nachts, wanneer de westerse hulpverleners sliepen, gold het recht van de SPLA. Dan werden er lijfstraffen uitgedeeld, jonge jongens gerekruteerd en namen de soldaten `hun deel` van de voedselhulp in. Na de Amerikaanse inval in Koeweit in 1990 waren veel Zuid-Soedanesen ervan overtuigd dat de Verenigde Staten (VS) nu ook snel Soedan van haar moslimdictatorschap zou komen bevrijden. Had Saddam Hoessein immers niet ook Khartoum van geld, zenuwgas en wapens voorzien? Het is het uitblijven van westerse bemoeienis dat maakt dat de SPLA naar steeds verdergaande methoden grijpt om haar leger op de been te houden. “De SPLA at haar eigen mensen op”. Ook wanneer Achak al bijna achttien jaar oud is en het vluchtelingenkamp Kakuma in Kenia bewoont, is de politieke situatie nog even uitzichtloos. Maar dan gebeurt er iets dat het leven van veel Lost Boys verandert. Inmiddels hebben de beelden van uitgehongerde negerkindjes en wezenloos voor zich uit starende moeders ook de westerse media bereikt. De VS zijn anno 1999 niet bereid een kruistocht tegen islamitische dictators te beginnen, zoals veel Soedanesen hopen, maar willen wel een duizendtal Soedanese weeskinderen in hun land opnemen. En zo gebeurt het dat Achak Deng 2001 in een vliegtuig naar Amerika zit. Het dorre niemandsland van Noord-Kenia achter zich laat en een leven als Soedanees in een hem totaal onbekende maatschappij tegemoet vliegt. Het is dit onderdeel van het boek waarmee Wat is de Wat zich onderscheidt van andere vluchtelingverhalen. Hier blijkt dat de wildernis van een Soedanees vluchtelingenkamp soms niet veel verschilt van de wildernis die een middelgrote Amerikaanse stad met zich meebrengt. Natuurlijk is het veiliger in Atlanta is er genoeg te eten en zelfs luxeartikelen als een mobieltje, maar het racisme en de competitiedrift die de Amerikaanse samenleving rijk is vormen een zware uitdaging voor jongens zoals Achak. De manier waarop Eggers deze twee werelden met elkaar heeft weten te vervlechten is indrukwekkend. Moeiteloos loodst hij de lezer van de ontberingen van Kakuma naar de drukke straten van Atlanta. Wat is de Wat is een boek dat je bewust maakt van de uitzichtloze situatie waarin veel Afrikaanse vluchtelingen zich bevinden. Het toont de kwetsbaarheid van de bewoners van deze kampen en de verschillende krachten die daar soms ongezien hun macht uitoefenen. Tegelijkertijd toont het boek ons een kijkje in eigen keuken, door de ogen van een buitenstaander. Dan blijkt dat ook hier, in onze westerse maatschappij, het ideaal nog lang niet is bereikt. I&

Groninga Caput Mundi “Country of absurdity” Voorbij Nordrhein-Westfalen, Istrië en Dalmatië, over spoor, weg, water en wolkendek, doemen voorbij een Kroatische grenspost donkere beboste bergen op uit de ochtendmist. Gesponsord door de Europese Unie leidt een kronkelende bergweg de jongste aanwinst onder de onomwonden natiestaten binnen. Hoeveel van het sponsorgeld werd geasfalteerd en welk deel aan de strijkstok van geïnstitutionaliseerde en -centraliseerde corruptie bleef hangen is moeilijk te zeggen. Een land waarin salarisstroken niet genoeg zijn, is een paradijs voor corruptie en de Montenegrijnse mannen aan de macht praten Brusselse bureaucraten feilloos naar de mond. Twee decennia van ongebreideld regeren, werpt zijn rotte vruchten af voor de zogeheten Democratische Partij. Benadrukt de Europese Unie het belang van onafhankelijke media, dan staat daarvoor in Montenegro een raad voor twee derde bestaande uit Partijleden garant. Toegegeven: aan de Uniekant van de Adriatische Zee staat het er wat onafhankelijke en kritische media als onmisbaar onderdeel van de democratie ook niet best voor. Maar wat te denken van een geheime dienst als professionele organisatie? “Prominent party members formally got rid of their membership and were therefore allowed to function as officials.” Witwaspraktijken? “An agency was set up, but just for showing to the EU.” En op tape vastleggen hoe burgers met 100.000 door de Partij voor de verkiezingen geïmporteerde en gesponsorde pennen hun stem uitbrengen? De leider van de liberale oppositie geeft behalve voorbeelden ook een verklaring van de voortzetting van Tito’s “sophisticated autocracy.” De instituties bestaan wellicht, maar ontbreekt het aan democratische inhoud: “Tito’s followers just changed their clothes and took from both communism and capitalism only the worst parts.” Waarom de Oostbloklanden niet in deze fase van het politieke en economische transitieproces bleven steken? “Because intellectuals and the middle class after 1989 accepted routing out communism to the end. Tito’s middle class lived much better than that in the rest of Eastern Europe and Tudjman, Izetbegovic and Milosevic all had their obedient intellectuals.” Hoewel de oppositie schermt met educatie en emancipatie van de bevolking als oplossing voor de problemen, kan een land waarin de rechtelijke macht wordt gekenmerkt door nepotisme en “alot of people are above the law, do not need to fear criminal investigation” enkel door revolutie vooruitgang boeken, aansluiting vinden bij de zo begeerde “democratic family of the European Union” en ontsnappen aan de politieke absurditeit die het klein, maar adembenemende land onwaardig is.

MC


Beeld: Š Jakob Dall/International Federation of Red Cross and Red Crescent Societies


Checks & Balances jaargang 4, editie 3