Page 1

&

Checks&Balances I jaargang 6, editie 4, 2010

‘From Gold Coast to Coke Coast’ How cocaine is changing the face of West Africa

Watergevecht met echte geweren De schaarste van zoet water: conflict of samenwerking?

De scherpe visie van Europakenner

Frits Bolkestein


De Masters Public Administration en European Studies volg je natuurlijk aan de Universiteit Twente Universiteit Twente. Dat is menswetenschappen en technologie. High tech and human touch. Onderwijs en onderzoek verbonden aan actuele maatschappelijke vraagstukken. Nieuwe technologie als aanjager voor verandering, vernieuwing en vooruitgang in de samenleving. Universiteit Twente, de ondernemende universiteit.

Public Administration (MSc)

European Studies (MSc)

De opleiding met de langste historie van Nederland. Al jaren een

Internationaal georiënteerde opleiding. Ontstaan uit de oudste en

veelzijdige en kwalitatief sterke opleiding. Aandacht voor complexe

excellent beoordeelde Bestuurskunde opleiding van Nederland.

bestuurlijke vraagstukken in een veranderende wereld. Hoe steken

Gericht op Europa en de uitdagende interactie met de rest van de

ze in elkaar en wat kan er aan worden gedaan? Praktijkgericht, met

wereld. Europese maatschappelijke vraagstukken vanuit verschillende

wortels in de wetenschap. Hoogleraren in de vakgebieden economie,

invalshoeken. Namelijk: economie, recht, politicologie en sociologie.

politicologie, recht en sociologie. Alumni die nationaal en internationaal

Het Centre for European Studies (CES) coördineert mede deze opleiding.

het verschil maken in een samenleving. Daar staan we voor.

Talrijke mogelijkheden: uitzonderlijke gastlezingen en discussies met (internationale) specialisten, leerzame excursies naar de EU en andere

De volgende 1-jarige specialisaties zijn mogelijk. Startdatum september

internationale organisaties en zeer actuele onderzoeksresultaten.

en februari:

Bovendien heeft CES een omvangrijk netwerk, waar jij van profiteert!

- Policy and Governance

Deze master biedt een aantal unieke mogelijkheden:

- Public Safety - Higher Education

- Een 1-jarige master (start in september) en de eventuele keuze voor

- Environment & Sustainability

de “Regulation Module”. Hierbij ga je meer in op de regulering van

- Publiek management - Recht en Bestuur (grotendeels Nederlands)

Europa. of - Een 1,5-jarige master (start in september of april) aangeboden

Meer informatie vind je op master.utwente.nl/pa

en onderwezen door de Universiteit Twente en de Westfälische Wilhelms-Universität Münster. Heel bijzonder, want je ontvangt na afloop meteen twee diploma’s: een Nederlands en een Duits diploma. Meer informatie vind je op master.utwente.nl/mes

Nieuwsgierig? Bezoek de voorlichtingsavond op 24 november 2010


Checks&Balances In deze editie HOOFDARTIKEL

6 14

Frits Bolkestein over de Europese Unie

foto: henk weltevreden

‘De Europese Unie doet te veel’, aldus Bolkestein. We spraken met hem over zijn scherpe visie op de grenzen, de bestuurbaarheid en de toekomst van Europa ARTIKELEN 6

De Amnokbrug Een fragment uit het boek van Noord-Koreakenner Henk Weltevreden

26 11

Goed geld verdienen? De plussen en minnen van maatschappelijk verantwoord ondernemen

Foto: danzo08

13 ‘Hungerwinter’ 1946/1947 Humanitaire ramp in het naoorlogse Duitsland 17

Bellen dankzij rebellen Grondstoffen voor electronische apparatuur dragen bij aan geweld in Congo

11

22

Eigenbelang3? Drie potentiële wereldmachten slaan de handen ineen: motief onbekend

26

Watergevecht met echte geweren

Foto:ugaldew

Zullen conflicten over watervoorzieningen met oorlog worden beslecht? English section 30

Diary of...

32 ‘From Gold Coast to Coke Coast’ 17

34

Peculiar IO’s

34

Column

foto: julien harneis

RUBRIEKEN 4 Redactioneel 5 Bestuurlijk 9 Stageverslag 13 Bewogen leven 20 Studeren in het buitenland 21 IB &... 24 What the vak?! 19 Leven na IB 25 Recensie 28 Versus 30 Diary of... 34 Peculiar IO’s 34 Column

24

CARTOON

3


Redactioneel Colofon

Beste lezer, De vakantie is voorbij, het gewone leven is weer begonnen en ook de media zijn weer terug van hun zomerreces. Pauw & Witteman zitten elke avond weer klaar om hun gasten het vuur aan de schenen te leggen, Matthijs van Nieuwkerk gaat weer als een speer bij het voorlezen van de autocue en we hebben kennisgemaakt met het politiek incorrecte PowNews. Maar nog veel belangrijker: Checks & Balances is weer gestart! Vanaf deze editie ziet Checks & Balances er anders uit, we hopen beter dan voorheen. Ten eerste introduceren we een groter aanbod aan Engelstalige artikelen. Deze artikelen zullen vanaf nu in iedere editie de laatste pagina’s beslaan, zodat ze voor iedereen snel en gemakkelijk te vinden zijn. Daarnaast zijn er twee nieuwe rubrieken, genaamd ‘What the Vak?!’ en ‘Peculiar IO’s’. Johan van der Bruggen geeft deze editie de aftrap voor de rubriek ‘What the Vak?!’, hij vertelt over zijn ervaringen betreffende het vak ‘conflictpreventie’. Lezen over zijn belevenissen op de kazerne van de Militaire Academie in Breda? Blader dan snel door naar pagina 24! Binnen de rubriek ‘Peculiar IO’s’ zal iedere editie een nieuwe, vreemde, grappige of ondergewaardeerde Internationale Organisatie de revue passeren. Deze Engelstalige rubriek is te vinden op pagina 34.

Checks & Balances is een uitgave van studievereniging Clio. C&B verschijnt vier keer per academisch jaar. Redactie Jessica van der Meij Kees Blom Lennart Noten Lisa van Wageningen Maaike Slotema Marijn Korndewal Marjon Op de Woerd Niels Goet Victor Kuijpens Eindredactie Gerbrich Salverda Kenneth Jhinkoe Sanne Maas Sophie Beelaerts Hoofdredactie Marjon Op de Woerd Freelance Karsten J. Kip Dirk Jan Wolffram

Oud-politicus en Europakenner Frits Bolkestein siert deze editie de cover. Deze oude rot in het vak ontvangt Checks & Balances in zijn kantoor in hartje Amsterdam en spreekt openhartig met ons over zijn scherpe visie op de bestuurbaarheid, de grenzen en de toekomst van Europa. Het interview is te lezen vanaf pagina 14. Noord-Koreakenner Henk Weltevreden is één van de weinigen ter wereld die het gelukt is meerdere malen het gesloten NoordKorea te bezoeken. Binnenkort verschijnt zijn boek ‘De Stralende Ster van Paek-du’ waarin hij onder de dekmantel van ‘docent volksmuziek’ Noord-Korea bezoekt en ervaart. Vanaf pagina 6 lees je een exclusieve voorpublicatie van het eerste hoofdstuk van dit intrigerende verhaal. U ziet wel: ook deze editie is weer goedgevuld en absoluut het lezen waard! Maar er is meer; daar waar het magazine stopt, gaat de website verder. Surf snel naar www.checks.clio.nl voor een schriftelijk interview met Maxime Verhagen waarin hij terugblikt op zijn ministerschap, een uitgebreidere versie van het interview met Frits Bolkestein en het tweede hoofdstuk van Weltevreden zijn boek over de reis door Noord-Korea met daarbij een prachtige fotoreportage.

Goossen Hoenders Ineke Palm Karim Boussak Jojanne van Andel Johan van der Bruggen Cartoon Dave Hoogakker Vormgeving Lisa van Wageningen Druk Thieme Groningen Oplage 1350 stuks Adresgegevens Checks & Balances Oude Kijk in ‘t Jatstraat 26 9712 EK Groningen E-mail: checks@clio.nl www.checks.clio.nl

Namens de gehele redactie wens ik u ook deze keer weer heel veel leesplezier, Marjon Op de Woerd Hoofdredacteur P.S. Denk mee en laat ons weten wat u van Checks & Balances vindt! Voor vragen, ideeën en/of opmerkingen kunt u altijd terecht op onze website www.checks.clio.nl.

4

Abonnement vier edities per academisch jaar voor €12,50 Aanmelden mogelijk via de website of het versturen van een e-mail naar de redactie


Bestuurlijk Beste lezer, Ten tijde van dit schrijven heerst er een stilte voor de storm. Groningen is leeg, maakt zich op voor een nieuw collegejaar en de terugkeer of aankomst van haar studenten. Wanneer de KEI-week aanvangt zal Groningen weer opleven, barst de storm los. Maar niet alleen in Groningen heerst een verwachtingsvolle stilte. Den Haag zwijgt rondom de kabinetsformatie die in volle gang is. Welke storm zal er straks losbarsten als er een regeerakkoord wordt bereikt en wanneer? Wanneer dit blad uitkomt, hebben de studenten zich gesetteld in het eerste semester en het nieuwe collegejaar. De KEI-week is voorbij, de reünies met studievrienden na de zomer verleden tijd. We zitten weer met zijn allen in de UB en op donderdagavond in de kroeg. Maar niet voor alle studenten is deze gang van de UB naar de kroeg een gebaand pad. Elke nieuwe student begint met een wervelwind van onbegrijpelijke roosters, lastige colleges, niet te vinden locaties en nieuwe gezichten. Misschien wat moeizaam in het begin, maar gelukkig hebben jullie honderden mede-eerstejaars. Hopelijk hebben ook de eerstejaarsstudenten nu hun draai gevonden aan de universiteit. Ik voel me dit jaar weer een beetje eerstejaarsstudent. Het studentenleven heb ik na een aantal jaren wel zo’n beetje onder de knie, maar om ineens een bestuursfunctie bij één van de grootste en natuurlijk leukste studieverenigingen van Groningen te vervullen is andere koek. Het is weer wennen, een wervelwind van onbegrijpelijk beleid, lastige gesprekken, niet te vinden constitutie borrels en nieuwe gezichten. Maar waar ook ik moet wennen aan de overgang, ben ik er zeker van dat wanneer jullie dit lezen, de rest van het bestuur en ik ons helemaal thuis voelen op de Clio-kamer. De vergelijking tussen het begin van je studenten- of bestuurstijd en een net gevormde regering kan gemakkelijk worden gemaakt. Ook zij moet haar weg vinden, komt in een storm terecht. En met die nieuwe regering staat ook Nederland aan het begin van een volgende periode. Ik kan alleen maar hopen dat er een regeerakkoord getekend is wanneer dit blad voor jullie ligt. Wat de uiteindelijke uitkomst ook wordt, Nederland staat aan het begin van een nieuw tijdperk. Wat dit betekent voor ons land? Geen idee, vraag het je medestudenten, je docenten of lees dit blad, iedereen zal een beter onderbouwde mening hebben dan ik op dit moment. Wel weet ik dat voor je het weet de stilte voor de storm van het volgende collegejaar weer begint, dus geniet van dit jaar zolang het kan. Ik wens jullie allemaal heel veel succes in je studie en hoop jullie allemaal snel te zien bij een Clio-activiteit. Met vriendelijke groet, Namens het Clio bestuur, Martine van Kessel Voorzitter v.l.n.r. Marloes Weidema, Tessa de Roo, Martine van Kessel, Bram Onck en Marijn Korndewal

5


De Amnokbrug

Een fragment uit het boek van Noord-Koreakenner Henk Weltevreden TEKST: Henk Weltevreden

Schrijver en wereldreiziger Henk Weltevreden is een van de weinige mensen die er in geslaagd is om meerdere keren het gesloten Noord-Korea te bezoeken. Binnenkort zal over een van deze reizen een boek verschijnen, waarbij hij met de dekmantel van ‘docent volksmuziek’ een zoektocht begint naar zijn voorvader Jan Janse Weltevree. Dit is waarschijnlijk de eerste westerling die in 1626 in (Noord-)Korea achterbleef en adviseur werd van de koning. Weltevreden maakt deze reis in het gezelschap van de Sri Lankaanse minister van Transport en diens staatssecretaris Walathara, een aanhanger van de Noord-Koreaanse staatsideologie Juche. Checks & Balances plaatst een voorpublicatie.

FOTO: henk weltevreden

I

k sta op het uiterste puntje van het perron in het Chinese Dandong, de grensplaats met Noord-Korea. Vanaf hier is het zwart gravel, vervuild toiletpapier, een snuffelende hond vol zweren, het landschap van roestige rails en afval. De Amnok is goed te zien. Ik schat zo’n vijfhonderd meter. Aan de overkant van de rivier ligt het. Eindelijk heb ik mijn eerste echte beeld van Noord-Korea. Er schommelt een vrachtbootje langs de Chinese oever. Vlak voor de Chinese stalen brug lopen mensen met een knapzak. Rechts van de spoorbrug staan kale pilaren in de rivier, twee aan twee in een lange rij tot aan de oever van Kims Rijk, de restanten van de oude Koreaanse brug, gebombardeerd door de Amerikanen in de Koreaanse oorlog. Pyongyang heeft het bouwwerk nooit gerepareerd, op sommige pilaren krult het verwrongen staal omhoog, een monument vol wraak, alsof de oorlog in 1952 nog in volle gang is en ik de Amerikaanse Sabre F-86 straaljagers hoor.

6

Aan de andere kant van de Amnok beweegt niets. Ik zou graag mensen zien, een auto, een vrachtwagen. De eerste NoordKoreaan in het land zelf. Niets. Er varen geen schepen aan de Koreaanse zijde. Lage grijze flats, weinig rook uit de schoorstenen. In Sinuiju, de eerste Noord-Koreaanse stad aan de overkant, is het bij nacht absoluut donker. Een enorm contrast met deze zijde, in het Chinese Dandong raast het verkeer tot in de late uren, grote neons op de daken, winkels en drukbezochte hotels, flirtende vrouwen met extra lange filtersigaret, armen over elkaar, leunen op de hoek van een straat, kijken plagend langs je heen, hun hoge hakschoen half uitgetrapt. Ik stel me voor hoe de komende dagen zullen zijn, geketend aan ‘n gids. Wat mag ik zien? Waar kan ik over praten? Mijn rol als docent volksmuziek moet ik vanaf hier volhouden. Foto’s nemen, geluid opnemen, een verhaal meenemen. Het is allemaal verboden. Maar wat als ik nou te ver ga en me verspreek?


‘Joehoe! Mister Holland!’ Het is Walathara. Hij wenkt en komt naar me toe. We staan nu al meer dan een uur op dit station. Onze medepassagiers, de Noord-Koreanen die naar Pyongyang gaan, zitten gehurkt bij elkaar, in een cirkel, wachtend op dit vrijwel lege perron. Ze roken. De vrouwen staan, ze houden hun tassen vast. Direct na aankomst moest iedereen de trein uit, ook Walathara en de minister van Transport. Onze wagon werd losgekoppeld en reed, met alle bagage, ineens naar een rangeerterrein een paar honderd meter terug. Mijn paspoort ligt in een Chinees kantoor, ergens in een van deze stationsgebouwen. Ik heb alleen nog een plastic tas met een halve fles water en een notitieboekje. Ik voel me naakt. Dit is wachten.

Een flinke schok, onze wagon blijft op zijn plaats. De locomotief is terug, een zwarte machine van vreemde makelij. ‘Dat is de Pulgungi,’ zegt Walathara, ‘de Rode Vlag, een eigen product...’ Hij wijst naar de voorkant van onze trein. ‘Koreaans?’ vraag ik. ‘Koreaans? Noord-Koreaans! Democratic People’s Republic of Korea. Ons eigen product.’ Even later trekt de locomotief ons naar de brug. Walathara zit precies in het midden van de bank, een bos bloemen in de hand. Blote voeten in zijn schoenen. Zijn stropdas zit recht. Hij is klaar voor de oversteek. ‘Heeft u een visum?’ vraag ik. Hij pakt zijn paspoort, vouwt een papier open en wijst naar twee rode stempels en een handtekening. Walathara neemt iedere vraag serieus. ‘Gaat u direct naar de Mansudae, vanavond nog? Met

7


die bloemen naar het Grote Beeld?’ ‘Ik denk het,’ zegt Walathara, ‘maar de gids beslist, hij kent het programma.’ Ik loop naar de minister op het gangpad. We verlaten het drukke China, de claxons in Dandong verstommen achter de laatste gebouwen. Langzaam rijden we op de Amnok-spoorbrug Noord-Korea binnen. Het Grote Water over, daar waar die andere wereld begint. Het is alsof ik vertraagd per trein naar Rotterdam-Zuid ga, ritmisch bonkend over de Nieuwe Maas, maar dan wel een drie keer zo lange oversteek, langs die stalen bogen van de oude Willemsbrug en de Hef. Alleen is hier overal verroest staal, losgeschoten klinknagels en langs de reling een wirwar van elektriciteitsdraden op porseleinen houders. Het smalle voetpad links op de brug lijkt onbegaanbaar, er loopt niemand, alsof deze grens permanent onder stroom staat. In het midden van de rivier raast een patrouilleboot met rode vlag. Ik ruik het witte gordijntje dat mijn raam half bedekt. Een stoffige zware sigarettengeur. De Noord-Koreanen zijn ineens stil als we de Amnok oversteken. Iedereen staat in het gangpad, hun Kim Il Sung speld goed zichtbaar opgespeld. Zelfs de man die vannacht in een open overhemd met flessen drank heen en weer liep kijkt zwijgend uit het raam, het ronde speldje van Kim zit keurig rechts op zijn colbert, het rood-blauw van zijn vaderland, een geglazuurd vlaggetje met een rode ster in een witte cirkel. Er zit een grote kras in de ruit voor me, de werkelijkheid wordt vertekend, juist op dit moment, als ik de Amnok oversteek. Vanaf hier mag ik geen foto’s maken. Aan de Noord-Koreaanse kant spelen kinderen op een zwartbruin strandje. Vrouwen wassen er kleren. Ze kijken niet op. De kinderen zwaaien. Het eerste gebouw in de DPRK is een fabriek, een afvoerpijp naar de Amnok, drie rokende schoorstenen. Achter een rij bomen, aan de oever van de rivier, pal naast het spoor een totaal verroeste kermis. Er loopt niemand op het terrein. De draaimolen staat naast zijn as. Kleine, ooit fleurig geverfde vliegtuigjes liggen neergestort in het zand. De stangen waarmee ze rondjes draaiden, verbonden aan een stalen raket in het midden, zijn verbogen. Houten paarden staan stil op een rond plateau. Hier zijn geen kinderen. Het is zondagochtend. Bij het fabrieksterrein zit een man op zijn knieën. Hij plukt onkruid weg tussen de witte kiezels van de rails. Twee vrouwen duwen een lege wagen met grote houten wielen langs het fabrieksspoor, ze lopen op blote voeten, de trage gang van een vastgelopen economie. Onze trein schuift er remmend langs, we stoppen. Dit zijn de eerste sporen van een uitgeteerd land, een land dat gelooft in autarkie, dat denkt genoeg te hebben aan zichzelf, en vrijwel geen handel drijft met het buitenland en weinig tot

8

geen communicatie heeft met de gevreesde buitenwereld; contact is bemetting. Rond de neus van een groene vrachtwagen met open laadbak staan mannen met gereedschap en een stuk touw. Twee man houden de motorkap omhoog. Het is een bolle cabine, hier en daar een deuk, de ruitenwisser is boven het raam bevestigd. Dit is zo’n 5-tonner, een Juche Product uit eigen land waarvan de Noord-Koreanen er hooguit een paar duizend hebben gemaakt. De meesten staan nu langs de kant van de weg en zijn opgegeven na het eeuwige repareren. ‘We zijn thuis!’ roept Walathara vanuit de coupé, ‘welkom in Noord-Korea...’ Het is zondag 4 juli. Independence Day in Washington. ‘Moet de klok terug?’ vraag ik aan de minister. ‘Een uurtje, meer niet.’ ‘Het is 4 juli,’ zegt Walathara. Hij staat ineens vlak achter me. ‘Zondag 4 juli Juche 88.’ Dat is waar. De Noord-Koreaan start 1912, het geboortejaar van Kameraad Kim, dit is direct het jaar 1. Niets geen jaar 0. Vanaf vandaag, vanaf dit punt leef ik in het jaar Juche 88. Ik ben in een ander tijdperk, in een land dat voorlopig geen millenniumprobleem heeft. Op een paar honderd meter van de rivier is een station. We moeten de trein uit. Minstens twee uur, volgens Walathara. Op dit perron, in Sinuiju, blijven de Koreaanse mannen rechtop staan. Niemand hurkt. Midden op het perron laat een man zijn broek zakken tot op zijn knieën. Niemand kijkt er van op, niemand vindt dit vreemd. Hij trekt zijn hemd recht, schuift die in zijn onderbroek en hijst dan zijn broek weer omhoog. Even later doen andere mannen hetzelfde. De Noord-Koreaan is thuis. Ik sta achter een lage muur op het station van Sinuiju. Voor me een enorm plein. Het is vrijwel leeg, een enkele fietser, soms een auto. De Koreaan gaat te voet. Vlak bij de rivier het eerste standbeeld van Kameraad Kim Il Sung, ik schat tien meter hoog, goudkleurig brons. Het begin van de megalomanie, de grootheidswaanzin. In keurige rijen loopt een groep mensen naar het beeld. Ze wachten, leggen hun bloemen voor de voeten van de Grote Leider en lopen dan terug, opnieuw in het gareel. Op de meeste gebouwen hangt een groot bord met felrode Koreaanse tekens, berichten voor het volk, achter iedere leuze een uitroepteken. Geïntrigeerd door het reisverhaal van Henk Weltevreden? Surf naar www.checks.clio.nl voor het vervolg van dit verhaal en een fotoreportage van Noord-Korea. Het boek van Henk Weltevreden is getiteld De Stralende Ster van Paekdu en zal binnenkort verschijnen. Voor meer informatie, ga naar www.henkweltevreden.nl .


Stage Bij de Coalition for the International Criminal Court in New York City TEKST: Karim Boussak

In Midtown Manhattan – op loopafstand van de Verenigde Naties – bevindt zich het kantoor van de Coalition for the International Criminal Court. Een mooie locatie en een leuk kantoor met interessant werk voor een stage in het kader van de master IBIO.

I

n mijn zoektocht naar een stage stuitte ik op een advertentie van de Coalition for the International Criminal Court (CICC of Coalition). De Coalition is een non-gouvernementele organisatie die 2500 organisaties over de hele wereld omvat die zich inzetten voor het versterken van de internationale samenwerking met het Internationaal Strafhof, voor het verzekeren dat het Internationaal Strafhof eerlijk, efficiënt en onafhankelijk is en voor het promoten van sterkere nationale wetten die gerechtigheid bieden aan de slachtoffers van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide. Het betrof een zeer korte stage in Den Haag, gedurende de Assembly of States Parties of the International Criminal Court. Ik had begrepen uit onderzoek van een collega-student in het kader van het onderzoekscollege over de Verenigde Naties (VN) dat de CICC een belangrijke rol had gespeeld bij de onderhandelingen voor het oprichten van het Internationaal Strafhof. Dit was duidelijk een voorbeeld van interactie tussen civil society en regeringen om te verzekeren dat een internationaal mechanisme, namelijk het Internationaal Strafhof, naar wens zou functioneren. Tijdens de vergadering was ik erg onder de indruk geraakt van het werk van de CICC, wat mij deed besluiten om te solliciteren voor een stage op hun kantoor in New York. In eerste instantie vreesde ik dat ik niet de juiste opleiding had gedaan voor een dergelijke stage, of in ieder geval onvoldoende kennis van het internationaal recht zou hebben. Toen ik echter aan het einde van de korte stage in Den Haag aangaf

geïnteresseerd te zijn in een stage voor langere tijd op hun kantoor in New York, werd ik aangespoord om te solliciteren. Vanwege mijn interesse in het Midden-Oosten en mijn overtuiging dat de toepassing van internationaal recht in die regio een route naar vrede zal zijn, koos ik voor een stage bij de afdeling Midden-Oosten van de Coalition. De Coalition bood mij zelfs de mogelijkheid om mijn stageplaats op te splitsen tussen de afdelingen Midden-Oosten en Afrika. De toevoeging van Afrika leek me zeer interessant vanwege het feit dat de meeste situaties die het Internationaal Strafhof onderzoekt in Afrika zijn. Zodoende begon ik mijn stage bij de afdelingen Midden-Oosten en Afrika van de CICC in New York. Mijn stage in New York bleek een fantastische en zeer leerzame ervaring. De mogelijkheid om de stage te verdelen over de twee afdelingen gaf veel variatie. De werkzaamheden waren zeer uitdagend, boeiend en divers. Het betrof onder andere het notuleren en rapporteren van vergaderingen, op kantoor en op de VN, en het samenvatten en analyseren van rapporten en onderzoeken van de VN en het Internationaal Strafhof. Een vaardigheid die ik heb opgedaan tijdens mijn stage is het bedrijven van diplomatie. Voor, na en zelfs tijdens de vergaderingen bij de VN met betrekking tot het Internationaal Strafhof vonden informele overleggen plaats waarbij bepaalde standpunten werden besproken. Mijn begeleider probeerde door middel van deze informele overleggen met vertegenwoordigers van staten de standpunten van de Coalition te bespreken in de hoop dat ze zouden worden overgenomen door de staten.

9


Deze drie maanden van stagelopen brachten nog een bijzondere ervaring met zich mee, namelijk het leven in New York. Ik woonde tijdens mijn stage in een kamer in Harlem – een gezellige buurt, waar duidelijk sprake is van het Jordaan-effect. Naast mijn stage was er geen tijd voor verveling, want ik was immers in New York City: the city that never sleeps. Bovendien vond ik al gauw aansluiting bij een grote groep Nederlandse en internationale stagiairs en voetbalde ik met het Nederlandse team in de VN competitie. Niet alleen voelde ik me een onderdeel van de New Yorkse samenleving, ook heb ik vele mensen leren kennen die er onderdeel van waren. Deze mensen kwamen uit verschillende regio’s van de wereld en gaven mij nieuwe inzichten in het leven en in het internationale politieke leven in het bijzonder.

FOTO: CICC

Mijn ervaring als stagiair bij de CICC ging dus verder dan slechts werk op het kantoor zelf. Ik moest namelijk vergaderingen bij de VN, bijeenkomsten van verschillende non-gouvernementele organisaties en de inaugurele vergadering van de adviescommissie van de Coalition bijwonen en rapporteren. Dit waren buitengewone ervaringen en vooral de laatstgenoemde vergadering, die plaatsvond tussen een aantal vooraanstaande personen (zie foto), zal mij nog lang heugen. Bovendien was de sfeer op kantoor altijd zeer collegiaal en kon ik het goed vinden met mijn begeleider, de medestagiairs en de andere collega’s. Al met al kan ik wel zeggen dat ik elke werkdag met plezier naar kantoor ging.

Karim, zittende links achter Kofi Annan, is druk bezig met notuleren tijdens de vergadering van de adviescommissie van de Coalition

10


Goed geld verdienen? De plussen en minnen van maatschappelijk verantwoord ondernemen TEKST: Victor Kuijpens

Inhalige bankiers, snelle short sellers en bonusbietsers: ze zijn de zwarte schapen van de crisis. Bedrijven die gemakkelijk kosten willen besparen maken zich schuldig aan kinderarbeid, gifdumpingen en uitstervende pinguïns. De jacht op winst lijkt een constante factor in al het negatieve nieuws dat we voor de kiezen krijgen. Toch lijkt het kapitalisme het universele geloof te zijn geworden en worden bedrijven steeds grotere spelers op het wereldtoneel. De kracht van de markt is dus niet te ontkennen. Zou het dan niet mogelijk zijn om die kracht juist ten goede te gebruiken?

A

ls je gelooft in maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) luidt het antwoord: ‘ja’. Deze bedrijfsstrategie draait om balans tussen drie P’s: Profit, Planet en People. De dialoog aangaan met alle ‘stakeholders’ van een onderneming levert uiteindelijk een meer duurzame winst op, zeggen voorstanders van MVO. Die stakeholders bestaan niet alleen uit werknemers en consumenten, maar ook uit omwonenden en maatschappelijke organisaties. Naar aanleiding van die samenspraak kunnen ondernemingen hun bedrijfsvoering verbeteren. Dat kan bijvoorbeeld door energie te besparen, te investeren in de gemeenschap of te controleren of leveranciers geen kinderarbeid gebruiken.

MVO is de laatste twee decennia steeds verder geïntegreerd in het bedrijfsleven. Zeker nu klimaatverandering deel van het publieke debat is geworden, proberen bedrijven zich als duurzaam en verantwoordelijk te profileren. Grote multinationals doen zich vaker voor als liefdadigheidsinstellingen dan als commerciële bedrijven. Zo wil AkzoNobel in 2015 dertig procent van de omzet verdienen aan ‘eco-efficiënte oplossingen’ en verstrekt ING microkredieten in India. Het Midden- en Kleinbedrijf komt echter ook steeds vaker met verrassende initiatieven. Een cateraar geeft les aan schoolkinderen over gezonde voeding en een fabrikant van grafzerken probeert de arbeidsomstandigheden in zijn Indische steengroeven te verbeteren. Aan voorbeelden geen gebrek: MVO is hot.

Zo hot zelfs dat steeds meer bedrijven van MVO hun hoofdactiviteit maken. Naast de traditionele commerciële doelstelling hebben deze bedrijven dus een ideële doelstelling. Een goed voorbeeld hiervan is ontwikkelingsbank FMO. Deze bank streeft ernaar de economie in ontwikkelingslanden te stimuleren. Dat doet ze door projecten te financieren die commerciële banken nog te riskant vinden, maar die cruciaal zijn om de lokale economie op te bouwen. Zo investeert FMO in lokale banken die beginnende ondernemers startkapitaal verstrekken. Belangrijk is dat er niet alleen geld wordt geïnvesteerd, maar ook de benodigde expertise voor een goedlopende bank. Dat komt samen neer op een combinatie van ontwikkelingswerk en bankieren.

Hoe serieus is een bedrijf dat duizend euro geeft en voor miljoenen vervuilt? Het dilemma van die dubbele doelstelling is echter dat je soms harde keuzes moet maken. Om de financiering constant en omvangrijk te houden moet FMO ook streng zijn. Dat betekent dat soms een goedbedoeld project geen geld krijgt omdat het financieel niet te verantwoorden is. Deze eisen zorgen ervoor dat bedrijven geleerd wordt op eigen benen te staan. Een scherp contrast met de conventionele hulp waarvan ontwikkelingslanden afhankelijk blijven. Zo zorgt de kracht van de markt in ontwikkelingshulp niet alleen voor meer geld maar ook voor een efficiëntere besteding daarvan. Het is immers survival of the fittest.

11


FOTO: Tiidewater muse

Oude techniek in een nieuw jasje: de vlieger die dit schip voortrekt kan vijfentwintig procent van de brandstof besparen

Een dubbele doelstelling hoeft overigens niet altijd een verzwakking te zijn: het kan een bedrijf ook versterken. Duurzame banken als Triodos en ASN hebben zeer goed gedraaid tijdens de crisisjaren. Zij groeiden toen traditionele banken flinke imagoschade opliepen door het uitkeren van exorbitante bonussen en het verkopen van dubieuze financiële producten. Duurzaamheid verkoopt. Bovenop het voordeel van dat verantwoorde imago zorgt MVO ook voor een betere relatie met werknemers. Mensen werken nou eenmaal liever en beter voor een werkgever die geeft om zijn omgeving. Tenslotte noemen voorstanders MVO een kans voor innovatie. Als je gaat nadenken over nieuwe manieren om je bedrijf duurzamer te maken, is de kans groot dat je ook op winstgevende ideeën stuit. Zo experimenteert het Duitse Skysails nu met het plaatsen van grote vliegers op vrachtschepen om brandstof te besparen. Met de stijgende brandstofprijzen is dit goed voor milieu én portemonnee. Toch lijkt die portemonnee in veel bedrijfsculturen nog steeds de heilige graal te zijn waarvoor alle normen overboord mogen worden gegooid. Een veelgehoorde zorg over MVO is dat de meeste bedrijven het slechts voor de show doen en niet uit oprechte maatschappelijke betrokkenheid, het zogenaamde greenwashing. Hoewel British Petroleum (BP) tegenwoordig ‘Beyond Petroleum’ heet, verhinderde dat niet de grootste olieramp in de geschiedenis. De grondstoffenhandelaar Trafigura heeft weliswaar een liefdadigheidsorganisatie opgericht, maar ze deed dit pas nadat ze tonnen giftig afval had laten dumpen in Ivoorkust. Hoe serieus kunnen we de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven nemen als ze een paar duizend euro aan een basisschool geven, voor honderdduizenden euro’s ermee adverteren en vervolgens voor miljoenen vervuilen?

12

Is het dan een oplossing om MVO te verplichten? Aan de ene kant maakt het voor iedereen duidelijk wie wat behoort te doen. Maar aan de andere kant verliest MVO dan de creativiteit van de vrije markt. Je kunt creativiteit immers niet afdwingen, alleen aanmoedigen. De oplossing moet dus gezocht worden in een andere manier van motiveren. Een verschil in erkenning tussen een echt maatschappelijk verantwoorde organisatie en een greenwasher zou kunnen helpen. Een dergelijke ‘MVO certificering’ is nog niet in zicht. Er zijn wel verschillende internationale standaarden opgesteld voor MVO, zoals die van de Organisatie voor Economische en Sociale Ontwikkeling (OESO). Deze lenen zich echter moeilijk voor certificering, door de grote brug tussen theoretische principes en praktische maatregelen. Daarnaast zijn er inmiddels zoveel duurzaamheidkenmerken dat de consument door de bomen het bos niet meer ziet. De enige controle op de maatschappelijke verantwoordelijkheid is voorlopig die door de maatschappij zelf. In Nederland hebben grote bedrijven sinds dit jaar de plicht om aan hun financieel jaarverslag een ‘MVO-verslag’ toe te voegen. Het napluizen van deze verslagen, het naming & shaming door NGO’s en pers, een kritische houding van consument en werknemer: we zullen met zijn allen de bedrijven op het rechte pad moeten houden. Met een beetje marktdarwinisme is het onverantwoordelijke bedrijf vervolgens zo uitgestorven. Wedden dat de pinguïn het nog mag meemaken?


‘Hungerwinter’ 1946/1947 Humanitaire ramp in het naoorlogse Duitsland TEKST: Lisa van Wageningen

De bevriezingsdood is ellendig. De lichaamstemperatuur daalt tot onder de vijftien graden, het lichaam raakt in een stadium van bewusteloosheid en spier- en gewrichtsverstijving volgt. Dit duurt voort tot de afkoeling de hartspier aantast en uiteindelijk tot een hartstilstand leidt.

D

e Hongerwinter van `44-`45 kennen we allemaal. Van de Duitse ‘Hungerwinter’ van `46-`47 hebben echter slechts weinigen gehoord. Het was de koudste winter van de afgelopen eeuw. Het waren niet zozeer de lage temperaturen die deze winter kenmerkten, maar de lengte van die winter die haar karakteriseerde. Tussen oktober en midden maart kwam het kwik in Duitsland zelden boven het vriespunt uit. In de zomer van 1945 vond de conferentie van Potsdam plaats. Hier werd door Churchill, Truman, Stalin en later Attlee besloten hoe Duitsland moest worden geregeerd. Het hoofddoel was om te verhinderen dat Duitsland ooit weer een bedreiging voor de wereldvrede kon vormen. De drie d’s stonden in het te voeren beleid centraal: denazificatie, demilitarisering en democratisering. De verhoging van de levensstandaard stond niet op het lijstje.

Toen kwam de kou. Huizen waren niet geïsoleerd en hadden soms geen ramen. Tegen december was het grootste gedeelte van de brandstof op. De stroomtoevoer was schaars, men kon rekenen op ongeveer twee uur stroom per dag. Het spoorwegennet was dichtgevroren, dus het vervoer van levensmiddelen en kolen verliep moeizaam. Ook het eten was schaars. Er waren wel voedselbonnen, maar die voorzagen niet in de vraag naar voedsel. In sommige regio’s was het te ontvangen voedsel in kilocalorieën onder de duizend per dag, soms zelfs onder de zeshonderd. De Duitse bevolking probeerde zich te redden door op het land te gaan hamsteren, of door de zwarte markt op te gaan. Sigaretten waren hier vaak meer waard dan de Reichsmark. Ook ruilden veel meisjes ‘liefde tegen brood’. Het aantal geslachtszieken nam met de dag toe. Herbert Hoover, president van de Verenigde Staten tussen 1929 en 1933, was gespecialiseerd in voedselhulpprogramma’s en bezocht Duitsland op 22 februari 1947. Tijdens zijn verblijf deed hij de volgende uitspraak: ‘De grote meerderheid van de Duitse bevolking is, wat voeding, verwarming en woningen betreft, op de laagste stand gekomen die men sinds honderd jaar in de westerse civilisatie kent.’ In maart vonden in verschillende Duitse steden demonstraties plaats, ‘Wir haben Hunger!’. Pas nu besloten de westerse bezetters dat de situatie onhoudbaar was. Ze waren door de demonstraties gealarmeerd en waren bang dat Duitsland in de handen van de communisten zou vallen. De enige weg om dit te vermijden zou het opvoeren van de productie en de levensstandaard zijn. Het duurde nog een paar maanden tot het Marshallplan zou worden uitgevoerd.

Duitsland was na afloop van de oorlog een puinhoop. Steden waren verwoest, bruggen gebombardeerd en meer dan de helft van de huizen was onbewoonbaar. Een bijkomend probleem was dat Duitsland meer dan tien miljoen vluchtelingen moest herbergen die uit de voormalige Duitse gebieden kwamen. Naast te weinig woonruimte was er ook te weinig eten. Het stimuleren van landbouw was geen prioriteit van Hitler geweest en het voornaamste deel van bijvoorbeeld de aardappeloogst kwam uit de voormalig Duitse gebieden die na de oorlog weer Pools en Sovjet gebied waren.

Hoewel er geen exacte cijfers bekend zijn, wordt het aantal doden in deze paar maanden op ongeveer 400.000 geschat. Veel overlevenden hebben er traumatische ervaringen aan overgehouden. Kinderen hebben vaak geen jeugd gehad omdat ze de taken van de afwezige ouders op zich hebben genomen. ‘Uns ging es bloβ ums überleben.’

Daarnaast waren vele gezinnen ontwricht. Mannen waren gestorven, vermist of nog in krijgsgevangenschap. Een kwart van de kinderen werd alleen door hun moeder opgevoed, als ze die überhaupt nog hadden. Soms kwam de vader terug van gevangenschap, maar was dan vaak psychisch en lichamelijk gebroken. Hij kon thuis de nieuwe situatie moeilijk aan. De zelfmoord- en scheidingsaantallen zijn in deze periode ongekend hoog.

Het meest opmerkelijke van deze periode in de geschiedenis is dat deze verschrikkelijke winter altijd verzwegen is. Pas nu, nu de overlevenden langzaam uitsterven, begint men erover te praten. Want waarom zouden ze klagen, ze hebben het toch over zichzelf afgeworpen? Zij zijn immers de oorlog begonnen. Het grote schuldgevoel dat aan de oorlog ten grondslag ligt, doet Duitsland de verschrikkingen van de winter van `46-`47 verzwijgen.

13


‘De Europese Un Frits Bolkestein over de Europese Unie TEKST: Lisa van Wageningen & Niels Goet

We reizen af naar Amsterdam en worden daar hartelijk ontvangen door oud-politicus en Europakenner Frits Bolkestein. Hij beschikt over een indrukwekkend curriculum vitae: als Nederlandse politicus was hij onder andere staatssecretaris van Economische Zaken en minister van Defensie, fractievoorzitter van de VVD en eurocommissaris van de interne markt. Tegenwoordig is hij voorzitter van de Teldersstichting (de liberale denktank gelieerd aan de VVD) en lid van de Raad van Toezicht van De Nederlandsche Bank. We troffen hem op zijn eigen kantoor: ‘Kantoor Bolkestein’, gelegen in hartje Amsterdam en spraken met hem over zijn scherpe visie op de grenzen, de bestuurbaarheid en de toekomst van Europa.

U

hebt verscheidende boeken geschreven over Europa, waaronder het boek ‘De grenzen van Europa’. Waar liggen deze grenzen van Europa volgens u? ‘Dat kun je opvatten in overdrachtelijke zin en in letterlijke zin. In overdrachtelijke zin betekent het dat de Europese Unie zich moet beperken tot haar kerntaken. In letterlijke zin betekent het natuurlijk waar we moeten ophouden. Zoals u misschien weet ben ik tegen de toetreding van Turkije. Niet zozeer omdat het geen Europees land is, maar meer om de gevolgen. Wat voor argumenten heb je als je Turkije toelaat om de Oekraïne niet toe te laten? De Oekraïne komt dan natuurlijk niet alleen, maar met Wit-Rusland, Moldavië en de Kaukasische republieken. We hebben al heel wat te verhapstukken met de opvolgerstaten van Joegoslavië. Als we Turkije toe laten treden, kunnen we er weinig meer klaarmaken.’ Had u niet hetzelfde gevoel bij de toetreding van Polen? ‘Nee, Polen is wel echt een Europees land, kleiner, en het ligt dichter bij ons. De Oekraïne is echt een Slavisch land. Dan kun je zeggen: ‘Pools is een Slavische taal’; maar er is toch een verschil tussen Polen en de Oekraïne.’ U legt het onderscheid op het culturele vlak? ‘Als u praat over het onderscheid tussen de Oekraïne en Polen dan zeg ik: ‘Ja, het culturele vlak’. Wat betreft Turkije is mijn twijfel cultureel gemotiveerd, maar het gaat hoofdzakelijk over de gevolgen van de toetreding.’ U hebt het dan over de bestuurbaarheid van de Unie? ‘Ja. Als het die kant opgaat, hebben we een Unie van zo’n veertig lidstaten. Dan wordt het een beetje een grote markt, zoals we nu hebben, maar ik vraag me af hoe die zal functioneren. Het hart van de Europese Unie is de eenvormige markt, de handelspolitiek en natuurlijk het mededingingsbeleid. Als dat in gevaar wordt gebracht door overijlde, althans te grote uitbreiding, dan zullen wij de gevolgen daarvan moeten dragen.’

14

Binnen de VVD heerst de mening dat de Unie op het sociale vlak minder zou moeten doen. Wat is uw mening daarover? ‘De Europese Unie doet veel te veel, aangemoedigd door het Europarlement. Ze hebben twee keer een blauwtje gelopen, in Frankrijk en in Nederland, met het referendum over die zogenaamde grondwet en ze hebben het nog steeds niet begrepen. Men denkt in Brussel dat het komt doordat het nooit goed is uitgelegd. Als het maar beter was uitgelegd dan had iedereen wel voor gestemd. Ze begrijpen niet waar de irritatie van de Nederlanders en met name van de Fransen vandaan komt. De Europese Commissie doet nu weer domme dingen en ze bereidt zich voor om weer met de kop tegen de stenen muur te lopen.’ In welke zin? ‘Ze hangen het subsidiariteitsbeginsel in theorie aan, maar in de praktijk niet.’ U hebt het over kerntaken waar de Unie zich mee bezig moet houden. Wat houden die kerntaken in? ‘De commissie Prodi waar ik toe behoorde heeft twee keer vergaderd over kerntaken. Twee keer was de conclusie dat 95,5 procent van wat we deden een kerntaak was. Dat is natuurlijk onzin. De reden is dat het wordt beschouwd als een onvriendelijke daad, als Jantje tegen Pietje zegt: ‘Wat jij daar doet is geen kerntaak’. De mensen zeggen het dus gewoon niet. Wat mij betreft zijn er drie kerntaken. In de eerste plaats het wegnemen van belemmeringen op het economische verkeer: de eenvormige markt. De tweede kerntaak is het aanpakken van grensoverschrijdende problemen: bijvoorbeeld milieuvervuiling. De derde kerntaak is het gebruik maken van schaalvoordelen.’


nie doet te veel’ Wat zou, gezien deze drie kerntaken, het eindstation van de Europese Unie moeten zijn? ‘Dat weet niemand. Ik zou het ook niet weten. Wat betreft de geografische omvang wel, dat heb ik net gezegd. We kunnen de opvolgerstaten van Joegoslavië er net bij hebben. Ik zie geen eindstation. Maar heel veel dingen kunnen beter gebeuren dan nu. De EU moet doorgaan met het vervullen van die kerntaken, maar dan veel beter, want het gebeurt nu ontzettend inefficiënt. De subsidiariteit moet ook beter in het oog worden gehouden, want de Commissie doet veel te veel voorstellen waarvan ik zeg: ‘Dat kunnen we ook zelf wel’. Dat komt doordat er te veel leden in de Commissie zitten. Je kunt het werk van de Commissie doen met twaalf commissarissen. Die hebben het dan druk en hebben geen tijd om flauwekulletjes uit te voeren. Mijn voorstel is dat de grote lidstaten allemaal voortdurend één commissaris krijgen, een beetje het model van de Veiligheidsraad, en de andere wisselen.’ Ander onderwerp: het gaat momenteel niet goed met de euro, Griekenland, Portugal en Spanje hebben grote schulden. In hoeverre is het Stabiliteitspact nog werkbaar? ‘Prodi heeft in 2004 over het Stabiliteitspact gezegd: ‘Het is een idioot pact.’ Ik heb me daartegen verweerd en heb op de Nederlandse televisie gezegd dat ik het niet eens was met Prodi. Toen ik de dag erna in de trein zat naar Brussel heeft hij me in de trein opgebeld en gezegd dat ik hem beledigd had en dat hij een verklaring wilde. Ik heb gezegd: ‘Romano, ik heb je helemaal niet beledigd, ik heb gezegd dat ik het er niet mee eens was. Mocht jouw opvatting over het Stabiliteitspact het beleid van de Commissie worden, dan heb ik geen alternatief dan om op te stappen.’ Toen is hij er niet verder op teruggekomen en is het Stabiliteitspact een beetje verwaterd. Sindsdien hebben de grote lidstaten het gewoon naast zich neer gelegd. Dat is niet onbelangrijk, want toen het Stabiliteitspact werd uitgevaardigd was dat een plechtige verklaring, waarin iedereen zei zich er stipt aan te houden. Maar als aan dit pact al niet de hand werd gehouden, aan welk pact kun je dan nog wel geloof hechten? Wat betekent het woord van de Europese Unie nog? Wat betekent dat nog, als de Europese Unie iets zegt?’ Nou dat hebben we nu weer gezien met Griekenland. Er staat in het verdrag: ‘no bailing out’, en wat doen we? ‘Bailing out’. Het is natuurlijk niet goed dat de Europese Unie één ding zegt en het andere doet.’

15


Interview

‘Dat kan niet iedere politicus zeggen, dat hij de voorpagina van l’Humanité haalt’

U hebt een keer gezegd dat het idealisme in de begintijd van de EU een rol speelde, maar dat we nu in een ander parket zitten. Wat is de rol van het idealisme in het huidige Europa? Speelt het nog een rol? ‘Jawel, vooral bij de diensten van de Commissie. Voor de Belgen speelt het ook nog een rol, omdat ze nog steeds een federaal Europa willen. De Belgen houden niet van hun eigen staat, daarom denken ze: ‘Uitweg: federaal Europa’. Het idealisme speelde vroeger een hoofdrol, nu eigenlijk niet meer. In de tijd van Schumann en Monnet was men vervuld van idealisme, daar moet je niet te gering over denken. Dat is vervaagd.’ Als ik u goed begrijp is de Europese Unie ook niet praktisch geworden in plaats van idealistisch. Wat is er voor dat idealisme in de plaats gekomen? ‘Een gevecht. Een maandelijks gevecht om geld, macht, en invloed.’ Met de Bolkestein richtlijn werd er gestreefd naar één markt voor diensten. Hoe kijkt u terug op de creatie van de richtlijn? ‘De maatregel is unaniem door de Commissie aanvaard. Unaniem. Laten de Fransen dat goed onthouden. Frankrijk was tegen terwijl Frankrijk een grote exporteur is van diensten: de tweede of derde van de wereld. Je zou zeggen dat ze baat hebben bij een open markt in Europa voor hun diensten. Nee hoor, dan krijgen ze concurrentie van de Poolse loodgieter. Men zegt zelfs dat door mijn voorstel het referendum (over de Europese grondwet, red.) negatief heeft uitgepakt maar dat geloof ik niet. Ik vind het heel leuk om mezelf erg machtig te vinden, maar ik geloof er niets van.’

16

De richtlijn heeft destijds nogal wat voeten in de aarde gehad met protesten, etc. ‘Jazeker. Hele optochten. Ik zal u de voorpagina van l’Humanité laten zien. Ik ben er erg trots op, dus ik heb het ingelijst. Voorpagina, tweede pagina, derde pagina van l’Humanité, zoals u weet is dat een communistisch blad. Un missile nommé Bolkestein. Dat kan niet iedere politicus zeggen, dat hij de voorpagina van l’Humanité haalt.’ Hoe ziet u de positie van Nederland in Europa in de toekomst? ‘Tja. Weet u. Wat mij altijd opvalt bij al die internationale vergelijkingen over koopkracht of over werkloosheid in Europa, is dat Nederland daar nooit in voorkomt. Dat betekent, naar mijn inzicht, dat we niet zo veel aandacht trekken. Dat is helemaal niet zo onverstandig, want wij gaan toch stilletjes onze eigen gang. Natuurlijk hebben wij problemen, dezelfde soort problemen als andere staten. Maar: de werkloosheid is minder groot dan in andere landen, de schuldenpositie van de overheid is minder slecht dan elders. Dat betekent niet dat er niets te verbeteren valt, maar als je het vergelijkt met andere doet Nederland het aardig goed. Wij moeten daarmee doorgaan. In het bijzonder moeten wij rustig en weloverwogen onze sterke kanten versterken en onze zwakke kanten neutraliseren – als dat mogelijk is.’ Wil je meer lezen over de visie van Frits Bolkestein op de Europese Unie? Surf dan naar www.checks.clio.nl!


Bellen dankzij rebellen Grondstoffen voor elektronische apparatuur dragen bij aan geweld in Congo TEKST: Kees Blom

W

e gebruiken dagelijks mobiele telefoons, laptops of macs, iPods en digitale camera’s. De ontwikkelingen op dit gebied kunnen ons niet snel genoeg gaan. Zelf merk je er niets van, maar misschien zouden we hier anders over denken als we wisten dat elke keer dat onze telefoon trilt, we een bijdrage leveren aan gruwelijke conflicten in de Democratische Republiek Congo.

Congo is het paradijs op aarde voor veel technologische bedrijven zoals Apple. De grondstoffen die nodig zijn voor accu’s (tantalium), trilfuncties (wolfraam), printplaten (tin) contactpunten (goud) en condensatoren (coltan) zijn hier in grote hoeveelheden te vinden. Het zijn echter vooral gewapende groeperingen die er met de opbrengst, ongeveer 180 miljoen dollar per jaar, vandoor gaan. Hiermee kunnen ze een jarenlange strijd blijven financieren. De huidige conflicten in Congo maken deel uit van de Tweede Congolese oorlog tussen Congo en Rwanda. Deze oorlog wordt ook wel de Eerste Afrikaanse Wereldoorlog genoemd, omdat naast Rwanda en Congo ook Oeganda, Burundi, Angola, Zimbabwe, Namibië, Soedan, Tsjaad en Libië hebben meegevochten. De strijd, die reeds aan miljoenen mensen het leven kostte, eindigde

officieel in 2003 maar van vrede is nog steeds geen sprake. Het huidige geweld speelt zich vooral af in Oost-Congo, het gebied waar ook de grondstoffen worden gewonnen voor technologische apparaten. De meeste strijd wordt geleverd door het Congolese leger, de Rwandese rebellenbeweging FDLR, de rebellenbeweging CDLR die binnen het Rwandese leger opereert en de Mayi-Mayi, een organisatie bestaande uit lokale volksmilities die zich hebben verenigd en een gezamenlijk doel nastreven. De verschillende groeperingen die de macht hebben over de winning van de waardevolle stoffen, zijn vaak bijzonder gewelddadig en wreed. Er is in deze gebieden nauwelijks sprake van een centraal gezag om burgers tegen deze strijders te beschermen. Er lijkt verbetering in zicht. Veel mensenrechtenorganisaties strijden al jaren voor ‘eerlijke’ elektronische apparaten en bescherming van mensenrechten in gebieden waar de grondstoffen voor deze apparaten gewonnen worden. Veel bedrijven hebben het gebruik van grondstoffen die het geweld in Congo financieren afgezworen, al blijft met name Apple een mikpunt van kritiek. Een financiële hervormingswet die in juli van dit jaar in de Verenigde Staten werd aangenomen, bevat een bepaling dat bedrijven voortaan de herkomst van hun grondstoffen moeten kunnen verantwoorden. Hoewel dit een aanzienlijke stap vooruit is, gaan organisaties als ‘Enough Project’ door met hun eigen strijd in Congo en met het verspreiden van kennis over ‘foute’ apparaten. Zolang er nog kinderen worden gedwongen te werken bij het delven van deze grondstoffen, groepen mensen worden uitgemoord en vrouwen worden verkracht als gevolg van grondstofwinning, zien zij nog geen reden tot juichen.

- Advertentie -

17


- Advertorial -

Beter bestand tegen natuurgeweld Natuurrampen komen steeds vaker voor en richten meer schade aan. Vaak zijn vooral arme mensen het slachtoffer van natuurgeweld. Hun huizen zijn bijvoorbeeld gebouwd in kwetsbare gebieden en de gebruikte bouwconstructies laten te wensen over. Aan Wageningen University kun je je verdiepen in de effecten van natuurrampen op sociale systemen. Master studente International Development Studies Laura Roverts doet onderzoek voor de leerstoelgroep Disaster Studies en probeert in kaart te brengen hoe de samenleving in Guatemala na een verwoestende orkaan plannen maakt om zulke rampen in de toekomst beter aan te kunnen.

L

aura: ‘Ik studeer International Development Studies aan Wageningen University en heb gekozen voor het aandachtsgebied Disaster Studies. Voor mijn stage ben ik een tijd in Sierra Leone geweest waar ik samen heb gewerkt met voormalig kindsoldaten. De oorlog is een humanitaire ramp en de gevolgen voor die kinderen zijn niet te overzien. Nu richt ik me op natuurgeweld. Mijn master thesis doe ik in Guatemala. In 2005 heeft de orkaan Stan onder andere in Guatemala heel veel schade aangericht. In de hooglanden hadden mensen te maken met mudslides: grote hoeveelheden water met modder die als een lawine naar beneden gleden. De huizen van de armsten zijn gebouwd op de steilste hellingen. Door de intense regens gleden met de modder ook de huizen naar beneden. Aan de kust overstroomden de rivieren en kwamen hele gebieden onder water te staan. Vooral het armste deel van de bevolking werd getroffen door deze ramp, omdat zij in de gebieden wonen waar de risico’s het hoogst zijn.’

Laura: ‘Ik vergelijk twee gebieden, Tacaná en Ocós, om te kijken hoe er na de orkaan hulp werd geboden in de beide gebieden. Ik let er met name op wat er wordt gedaan om de risico’s in de toekomst te verminderen en wat de bevolking goede oplossingen vindt indien zij zelf niet de capaciteiten bezitten om concreet actie te ondernemen. De mensen kennen hun gebied, weten veel van de lokale situatie en hebben dus in de meeste gevallen wel ideeën over hoe rampen voorkomen kunnen worden. Naast observaties in de gebieden zelf en een literatuuronderzoek, houd ik me bezig met het interviewen van gemeenschappen en organisaties in de twee gebieden. Uiteindelijk hoop ik de hulpverlening in de gebieden te kunnen vergelijken en wellicht samen met de mensen een plan te maken zodat er in de toekomst beter met dit soort rampen om gegaan kan worden. Nu wetenschappers verwachten dat natuurgeweld vaker zal voorkomen en in intensiteit zal toenemen is deze informatie hard nodig!’ Meer informatie over de studie van Laura:

De kans dat een dergelijke ramp zich in de toekomst weer voordoet is aanwezig. Laura: ‘Daarom probeer ik uit te zoeken welke capaciteiten de mensen hebben om de kwetsbaarheid en risico’s te verminderen.’ Naast de mensen in de dorpen zelf, spelen ook externe actoren zoals de overheid, NGO’s en kerken een rol.

18

www.mid.wur.nl

MSc International Development Studies

www.disasterstudies.wur.nl

leerstoelgroep Disaster Studies

MSc Open Dag Wageningen University 9 december 2010


Leven na IB

Eén kans voor de beroemde elevator pitch TEKST: Goossen Hoenders - programma manager; Save the Children Nederland

Begin 2002 attendeerde mijn afstudeerbegeleider, Dr. Joost Herman, mij op de éénjarige Europese Master Network on Humanitarian Assistance (NOHA). Tsja, dacht ik toen, dat kan natuurlijk ook in plaats van mezelf te begeven op een moeilijke arbeidsmarkt. Dat laatste zag ik toen, in het voorjaar van 2002, nog niet echt zitten. Verder leek het me ook een uitgelezen mogelijkheid om mezelf verder te specialiseren en daarmee interessanter te worden voor werkgevers. Ik moest nog solliciteren, maar werd gelukkig aangenomen en begon in september 2002 aan deze Master.

H

et laatste onderdeel van de Master bestond uit een verplichte stage. Deze heb ik gedaan op de afdeling Humanitaire Hulp van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van juni tot december 2003. De stage verliep naar tevredenheid en werd zelfs verlengd met twee maanden, maar uitzicht op een ‘echte’ baan leek er niet te zijn. Aan het einde van de stage werd er daarom uitgebreid afscheid van mij genomen aangezien iedereen, inclusief ikzelf, ervan uitging dat de dag voor kerst 2003 echt de laatste dag zou zijn. Dat pakte echter anders uit! Op de voorlaatste dag van de stage hoorde ik dat ik naar voren was geschoven om voor een periode van zes maanden een collega, die tussentijds een nieuwe baan had gevonden, te vervangen. Een erg leuk kerstcadeau! Niet lang nadat ik was begonnen bleek dat een collega zwanger was en werd ik gevraagd om later dat jaar haar zwangerschapsverlof in te vullen. Het werd een interessante tijd aangezien de tsunami toen plaatsvond. Als gevolg van de grote hoeveelheid werk die deze natuurramp met zich meebracht ben ik nog een kleine maand langer toegevoegd aan de afdeling. Ik had er toen twee tijdelijke contracten op zitten, maar was natuurlijk op zoek naar een vaste baan. Daarom had ik gesolliciteerd voor het ‘klasje’ van Buitenlandse Zaken. Nadat ik vier ronden (brief, eerste gesprek, talentest en assessment) doorlopen had zat ik in de laatste ronde samen met 32 anderen. Deze ronde bestond uit twee individuele gesprekken en één gesprek met de voltallige aanstellingscommissie. Na afloop van de gesprekken was ik positief gestemd. Het liep echter anders; ik zat niet bij de laatste zestien mensen die de baan kregen. Dat was een grote teleurstelling, zeker ook omdat ik deze uitslag niet had verwacht en geen alternatief meer achter de hand had. Mijn tijdelijke contract verliep namelijk kort daarna. Gelukkig kwam er toch een nieuwe mogelijkheid. Bij de afdeling Vredesopbouw en Goed Bestuur kon ik opnieuw een zwangerschapsverlof invullen. Hoewel ik erg blij was met deze tijdelijke baan was het duidelijk voor mij dat ik nu verder moest gaan zoeken buiten het ministerie. Het vinden van een vaste baan bleek onverminderd moeilijk. In plaats van een baan ging ik daarom voor een andere mogelijkheid. Ik werd aangenomen voor een traineeship bij het

onderdeel van de Europese Commissie dat zich met humanitaire hulp bezighoudt (DG ECHO). Deze interessante traineeship duurde vijf maanden en is zeker een aanrader om je te verbreden. Het was dus snel tijd om verder te kijken en weer te solliciteren. Gemakkelijk ging dit niet, want vaak was ik één van de vele (soms wel driehonderd) geïnteresseerden. Het is dan lastig om op te vallen als je verder geen contacten hebt. Het kan natuurlijk ook anders. Ik kreeg één kans voor de beroemde elevator pitch. Het hoofd programma’s van Save the Children Nederland was op bezoek bij DG ECHO en kende mij nog van mijn tijd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Na afloop van zijn onderhoud met een collega begeleidde ik hem naar de uitgang van het gebouw. In de lift had ik heel kort de tijd om aan te geven dat ik geïnteresseerd was in een positie bij Save the Children. Bij de uitgang aangekomen zei hij dat ik contact moest opnemen bij terugkeer in Nederland. Een week later stuurde ik mijn CV op en mocht op gesprek komen. Een gesprek met een positieve uitkomst. Twee weken later begon ik, we schrijven april 2006, als programme manager voor Save the Children Nederland. Ik werk vooral aan subsidieaanvragen voor de Europese Commissie en het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor programma’s van Save the Children in Afghanistan, Soedan en tot 2008 de Palestijnse Gebieden. Dit betekent meeschrijven aan een voorstel, wanneer deze is goedgekeurd de uitvoering monitoren en rapporteren naar de donor over de voortgang van het project. Sinds 1 januari 2010 ben ik ook de noodhulpcoördinator wat onder andere inhoudt dat ik betrokken ben bij onze activiteiten bij rampen zoals de aardbeving in Haïti en de recente overstromingen in Pakistan. Bij deze diverse functies en sollicitaties heb ik op verschillende manieren profijt gehad van mijn studie IB. In een nieuwe functie moet je het nodige inleeswerk verrichten gezien de vaak specialistische onderwerpen waar je mee bezig gaat. De kennis die je bij IBIO hebt opgedaan kun je vaak niet direct gebruiken. Echter dankzij IB is de kans wel aanwezig dat je in grote lijnen iets van een onderwerp weet en waar je meer specialistische kennis vandaan moet halen. Daarnaast heb ik veel profijt van de vaardigheden (o.a. schrijven en presenteren) die ik heb geleerd.

19


Studeren in Parijs

Van studeren in historische bibliotheken tot champagne bij zonsonderg TEKST: Jojanne van Andel

Beste lezer: Ik hoop jullie met mijn verhaal enthousiast te maken voor een verblijf in het buitenland. Ik heb namelijk een geweldige tijd gehad: van middagjes studeren in historische bibliotheken tot de champagne bij zonsondergang op het dakterras van Printemps. Inmiddels heeft mijn leven zich honderdtachtig graden gedraaid en ben ik nu terug in Nederland. Jojanne op het centrale plein van de grootste kantorenwijk van Europa, het Parijse La Défense

H

et is alweer meer dan een jaar geleden toen ik hoorde dat ik een Erasmusbeurs kreeg om geschiedenis te studeren aan de Sorbonne. Parijs was mijn eerste keus, want ik wilde het Frans dat ik tijdens IBIO geleerd had graag in de praktijk brengen. Daarnaast leek het me wel wat om in zo’n grote stad te wonen. Ik was dan ook erg enthousiast toen ik hoorde dat ik echt geplaatst was en vol goede moed stapte ik een jaar later uit de TGV. Natuurlijk was het wel even wennen, alleen in een nieuwe stad en een studie aan een andere universiteit. De methodes van lesgeven aan de Sorbonne zijn namelijk heel anders dan hier: de colleges waren niet zo interactief en er zijn geen vaste boeken die je moet lezen. Op zich best een prettig systeem, maar in het begin kostte het Frans me wat moeite en dan is het toch best verwarrend. Daarnaast zijn de vooroordelen over de Franse slag ook niet helemaal ongegrond. Een andere instelling en het cultuurverschil zijn echt dingen waar je aan moet wennen maar toen ik dit eenmaal had gedaan begon ik het Parijse leven echt te waarderen.

20

De universiteit staat midden in Quartier Latin, het bruisende centrum van de stad. Als je door het historische gebouw naar je colleges loopt, waan je je twee eeuwen terug in de tijd. Ik studeerde daar geschiedenis, en zo’n omgeving werkt dan natuurlijk wel inspirerend! De stad zelf is ook geweldig want er is zoveel te doen. Ik was er eerder als toerist geweest, maar naast alle “dingen die je gezien moet hebben” is er nog veel meer te ontdekken. Er zijn genoeg toeristloze pleintjes en leuke winkeltjes die je als toerist nooit gezien zou hebben. Omdat Parijs zo’n grote stad is, komt er ook van alles naar toe, zoals exposities en bandjes. Soms kom je spontaan dingen tegen die je dag weer wat mooier maken, bijvoorbeeld als je in de metro zit en er mensen spontaan een theaterstuk gaan opvoeren. Er gaat geen dag voorbij dat er niets gebeurd en een eenvoudige wandeling naar de universiteit kan een heel andere dimensie krijgen als je opeens midden in een filmset blijkt te staan… Ik heb ook veel geluk gehad met mijn kamer want ik woonde namelijk midden in Bastille. Dat is een hele levendige wijk met allerlei restaurantjes en barretjes en het is ook één van de cen-


IB & Seks TEKST: Maaike Slotema

I

FOTO: regierung online

gang

trale punten van de stad. Vanaf mijn venstertje op zeven hoog zag ik regelmatig demonstraties en optochten langskomen. Ook kon ik een tijdje mijn boodschappen haast niet doen omdat er een staking was van werkloze illegalen die het plein voor de Opéra Bastille bezet hadden. Ik had nog nooit in zo een grote stad gewoond en dit was dus nieuw voor mij, maar ik vond het tof om mee te maken! Natuurlijk heeft dit ook een keerzijde, zo liep ik elke ochtend op weg naar college langs zwervers die in de metro hadden geslapen. Op een gegeven moment kwam zelfs een jongen van achttien bij me bedelen. Dat is heel wat anders dan in Groningen. Wat ik opvallend vond aan mijn tijd in Frankrijk was dat, hoewel ik in Parijs zat, mijn uitwisseling ook een duidelijke internationale kant had. De meeste van mijn vrienden waren namelijk geen echte Parijzenaars, maar ook internationale studenten. Ik heb velen van hen leren kennen bij een opfriscursus Frans die ik aan het begin van het semester heb gevolgd. Dat was erg fijn, want je bent allemaal nieuw en het is prettig om ervaringen uit te wisselen. Daarnaast kende ik natuurlijk ook veel Franse mensen, waardoor ik meer te weten kwam over de Parijse manier van doen. Maar omdat je met alle buitenlanders ergens tijdelijk zit en je dat van elkaar weet, ben je ook veel meer bereid om het maximale uit deze tijd te halen. Bij een Erasmus uitwisseling horen natuurlijk ook mooie feestjes en reisjes, en samen met de andere étrangers hebben we heel wat mooie dingen meegemaakt. Achteraf praten is altijd makkelijk, maar mijn tijd in Parijs was één van de aller leukste periodes van mijn studie tot nu toe. Ik heb zoveel geleerd, heb mijn vakken gehaald en veel nieuwe mensen leren kennen. Het is echt een ervaring geweest die mij als persoon heeft doen groeien. Studeren in het buitenland is een uitdaging die je verrijkt en je grenzen verlegd. Een studieperiode in het buitenland, en in Parijs in het bijzonder, kan ik daarom iedereen aanbevelen!

did not have sexual relations with that woman, Miss Lewinsky.’ We kennen allemaal de woorden van de Amerikaanse president Clinton toen hij ontkende een buitenechtelijke seksuele relatie te hebben met de toen 22-jarige Monika Lewinsky. Wie denkt aan de (internationale) politiek en seks komt al snel uit bij bijvoorbeeld de seksschandalen van Clinton, het billen incident van Lubbers of Jack de Vries met zijn jonge blondine. Maar worden overheden en internationale organisaties bij hun beleidsontwikkeling ook beïnvloed door seks? Wanneer je de woordcombinatie IB en seks leest zal je in eerste instantie denken dat dit, los van een aantal spraakmakende politici die hun handjes niet thuis wisten te houden, weinig met elkaar te maken heeft. Toch zal je versteld staan op hoeveel manieren seks de internationale betrekkingen weet te beïnvloeden. Cynthia Enloe is een feministische wetenschapster die zich bezig houdt met de invloed van geslacht en seks op de internationale betrekkingen. In haar boek Bananas, Beaches and Bases beschrijft ze hoe vrouwen de internationale politiek beïnvloeden. Haar boek gaat zowel over vrouwen van diplomaten als over vrouwen op een bananenplantage, vrouwen die zich bevinden in het sekstoerisme op stranden en vrouwen als sekswerkers op een militaire basis. Ze concludeert dat alledaagse vrouwen (vaak onbewust) een veel grotere invloed hebben op de internationale betrekkingen dan wordt gedacht. Een ander belangrijk voorbeeld van de invloed van seks op de internationale politiek is de aidsproblematiek en de controverses die hier over bestaan. Zo verzekerde Mbeki, de voormalige president van ZuidAfrika, de wereld in 2000 dat aids niet door het hiv-virus werd veroorzaakt. Derhalve verklaarde hij dat de bestrijding van armoede meer zou helpen om aids tegen te gaan dan het verspreiden van medicijnen en anticonceptie. Dit leidde tot een golf van internationale kritiek tegen Mbeki. Naar aanleiding van deze controverse publiceerden vijfduizend wetenschappers de Verklaring van Durban, waarin zij stelden dat het hiv-virus wel degelijk de oorzaak van aids is. Bovendien werd door de Verenigde Naties in 1996 het UNAIDS (joint United Nations Programme on aids) opgericht. Een minder bekend verschijnsel is hoe seks, voornamelijk in Afrikaanse landen, als middel gebruikt wordt bij oorlogsvoering en het uiten van macht. Tijdens oorlogen in bijvoorbeeld Darfur en de Democratische Republiek Kongo waren systematische verkrachtingen en het gebruik van seksueel geweld onderdeel van de meest machtige wapens van oorlogsvoering. In de Democratische Republiek Kongo werden vrouwen en zelfs kinderen massaal verkracht door rebellengroepen omdat deze dit als effectief middel zagen om families, stammen en gehele dorpen te ontwrichten. Over dit fenomeen is weinig bekend omdat er veel schaamte heerst bij de getroffen families. Verkrachting wordt door de rebellen bovendien als een volledig legitieme vorm van oorlogsvoering gezien. Kortom, aids, geslacht, en systematische verkrachtingen hebben een grote invloed op de internationale betrekkingen. Desalniettemin worden deze onderwerpen in de media volkomen ondergesneeuwd door sensationele seksschandalen van te oude politici met te jonge werkneemsters.

21


Eigenbelang³ ? Drie potentiële wereldmachten slaan de handen ineen: motief onbekend TEKST: Lennart Noten

De wereld zoals wij die kennen wordt al lange tijd gedomineerd door het mondiale Noorden, met de Verenigde Staten van Amerika op kop. Dat aan deze dominantie vroeg of laat een einde gaat komen lijkt, gelet op de opkomst van het sterke China, onvermijdelijk. Er zijn echter meer landen die graag aanspraak willen maken op een belangrijke plaats op het toekomstige wereldtoneel. Enkele van deze landen hebben besloten samen te werken.

B

razilië, India en Zuid-Afrika - de landen in kwestie werden lange tijd onder de ontwikkelingslanden geschaard, maar maken door hun sterke economieën kans om nieuwe wereldmachten te worden. Zij besloten enkele jaren geleden niet langer de degens te kruisen, maar de handen ineen te slaan. In 2003 resulteerde dit in de oprichting van de ‘India, Brazil and South Africa Trilaterale’ (IBSA). Dient deze trilaterale coöperatievorm werkelijk voor het creëren van de zogenaamde Zuid-Zuidsamenwerking? Of hadden de regeringsleiders toch vooral hun eigenbelang voor ogen bij de oprichting van dit samenwerkingsverband? De IBSA Trilaterale

Tijdens de eerste top van de IBSA Trilaterale in de Braziliaanse hoofdstad Brasilia werden de doelstellingen vastgesteld. Men sprak bezorgdheid uit over het feit dat een groot deel van de wereld niet mee deelt in de voordelen van globalisering. Brazilië, India en Zuid-Afrika zouden, als de belangrijkste opkomende economieën van de drie continenten van het mondiale Zuiden (Zuid-Amerika, Azië en Afrika), daarom moeten streven naar een hechte samenwerking. Hiervoor werd de term ‘Zuid-Zuidsamenwerking’ in het leven geroepen. Door deze samenwerking zouden onder andere de handelsmogelijkheden moeten worden uitgebreid. Handelsbeperkingen tussen de drie landen werden daarom opgeheven. Bovendien zou, om de positie van het mondiale Zuiden te versterken, alle import vanuit het mondiale Noorden vervangen moeten worden door import uit het mondiale Zuiden. Er bestaan echter redenen om te betwijfelen of het welzijn van de ontwikkelingslanden in het mondiale Zuiden echt de voornaamste reden voor deze samenwerking is. Individuele belangen

Wanneer iets dieper wordt ingegaan op dit samenwerkingsverband, valt op dat het de drie landen wel erg goed uitkomt om samen te werken. Neem nou bijvoorbeeld India. We leven in een tijd waarin energiebronnen schaarser worden. Dit kan een groot probleem worden voor steeds groter groeiende

22

landen zoals India, waar de vraag naar energie alleen maar toeneemt. Het wordt dan ook tijd voor India om naar andere vormen van energievoorziening te zoeken, en daarmee ook naar andere energie-exporterende landen. Zo is Brazilië één van de grootste producenten van de alternatieve brandstof ethanol en heeft Zuid-Afrika grote uraniumreserves, die gebruikt kunnen worden voor het opwekken van nucleaire energie. Voor het toekomstbeeld dat India voor ogen heeft, komt een samenwerking met Brazilië en Zuid-Afrika om die reden bijzonder goed uit. Een ander voorbeeld is Brazilië, één van de snelst groeiende economieën op dit moment. Er is dan ook maar één ding dat de regering van president Lula wil: zich scharen onder de groten der aarde. Brazilië is zichzelf duidelijk naar de voorgrond van de internationale politieke arena aan het manoeuvreren. Zo is het een belangrijke initiatiefnemer van de bijeenkomsten van de BRIC, een coalitie van Brazilië, Rusland, India en China. Door ook nog eens een samenwerking aan te gaan met – wederom – India en Zuid-Afrika ziet Brazilië zijn geloofwaardigheid als onafhankelijke internationale speler groeien bij huidige grootmachten als de Verenigde Staten en de Europese Unie. Dit komt Brazilië goed uit, aangezien het ernaar streeft om een permanente plek te krijgen binnen de VN Veiligheidsraad. Hervorming van de VN Veiligheidsraad is overigens een ander item waarin de drie landen elkaar vinden. De IBSA-leden zijn van mening dat vertegenwoordiging van landen uit ZuidAmerika, Afrika en Azië als permanente leden noodzakelijk is. Door samen te werken hopen Brazilië, India en Zuid-Afrika extra gewicht te geven aan de aanspraak die ze maken op een permanente zetel. Hier schuilt echter ook een mogelijk probleem: de drie landen willen elk een permanente zetel binnen de Veiligheidsraad. Wat als er slechts één zetel beschikbaar wordt gesteld voor het mondiale Zuiden? Dat zou nog wel eens kunnen leiden tot strubbelingen binnen de IBSA Trilaterale.


Deelnemers aan de eerste top in 2006: (v.l.n.r.) Premier Singh van India, toenmalig president Mbeki van Zuid-Afrika en de Braziliaanse president Lula

Amerikaanse zorgen?

Een samenwerking van drie sterke landen die de Veiligheidsraad willen hervormen. Zou Amerika zich hier zorgen om maken? De kans is groot dat deze vraag instemmend beantwoord zal worden. Het is echter de vraag of een eventuele hervorming van de Veiligheidsraad het grootste punt van zorg is voor Amerika. Brazilië, India en Zuid-Afrika onderhouden namelijk ieder erg goede relaties met Iran, één van de grootste vijanden van de Verenigde Staten. Zo hebben India en Iran erg sterke vriendschappelijke handelsrelaties. De handel tussen beide landen heeft jaarlijks een waarde van ongeveer 13 miljard Amerikaanse dollar. Daarnaast zorgt de export van ruwe olie door Iran ervoor dat Zuid-Afrika op zowel economisch als politiek vlak warme relaties heeft met Iran. Ten slotte is Brazilië veruit de belangrijkste handelspartner van Iran in ZuidAmerika. De politieke relaties zijn met de groeiende handel en economische samenwerking ook steeds sterker geworden. Wat Amerika in het bijzonder tegen het zere been zal stoten, is het feit dat de IBSA-landen op gebied van kernenergie de kant van Iran lijken te kiezen. Zo spreken zij zich alle drie sterk uit tegen de sancties die Amerika via de VN wil instellen tegen Iran. Volgens hen moet Iran de mogelijkheid hebben om nucleaire technologieën te ontwikkelen voor vreedzame doeleinden. Niet geheel toevallig hebben de landen zelf ook de

beschikking over nucleaire technieken en nucleaire voorraden. India heeft zelfs kernwapens tot zijn beschikking. Het is dus niet in het belang van deze landen om in te stemmen met sancties tegen een land dat claimt zijn nucleaire technologieën slechts voor vreedzame doeleinden te gebruiken. Wederom een reden om te denken dat een samenwerking tussen de drie landen misschien toch vooral uit eigenbelang tot stand is gekomen. Kans van slagen

Of er nu wel of geen sprake is van eigenbelang, het is nog maar de vraag of de IBSA Trilaterale een succes zal zijn. De drie landen blijven als industrielanden namelijk concurrenten van elkaar. Ze doen alle drie nog altijd meer zaken met Westerse landen dan met elkaar. Sterker nog, in de top vijf van belangrijkste handelspartners van elk van de IBSA-leden staat geen enkel ander IBSA-lid. Daarnaast doet president Lula van Brazilië niet meer mee tijdens de volgende verkiezingen, waardoor de winst naar Jose Serra lijkt te gaan, de centrumrechtse gouverneur van de staat São Paulo. Met hem als president lijkt de kans vrij groot dat Brazilië een minder actieve rol gaat spelen op het wereldtoneel en zeker minder enthousiast zal zijn over Zuid-Zuid relaties. Hoe veelbelovend de IBSA Trilaterale momenteel ook lijkt, haar toekomst is nog erg onzeker.

23


Cartoon

What the Vak?! Conflictpreventie TEKST: Johan van der Bruggen

A

ltijd al willen weten wat de mooiste minors of vreselijkste vrije ruimtevakken zijn? In ‘What the Vak?!’ vertellen medestudenten jou alles over hun ervaringen met inspirerende docenten, creatieve colleges of tenenkrommende tentamens.

Februari jongstleden begon ik met het vak conflictpreventie. Dit vak wordt via het ministerie van Defensie aan de RUG gefaciliteerd en richt zich op conflictpreventie en de rol van de krijgsmacht in conflictgebieden. De vorm van onderwijs is anders dan alle andere universitaire vakken. De colleges zijn iedere maandag van 09:00 tot 16:00 uur en iedere week heeft een eigen thema. Zo ging het bijvoorbeeld een week over de rol van NGO’s in conflicten en een andere week over de koppeling tussen Defensie en het bedrijfsleven. Per collegedag kwamen er verschillende gastdocenten spreken, hierdoor kwamen meerdere perspectieven en invalshoeken aan bod. Tijdens de colleges was er veel ruimte voor vragen en discussie, hierdoor waren de colleges erg interactief.

24

Wat het vak zo speciaal maakte waren de uitstapjes die we met de werkgroep maakten. Zo gingen we in maart naar een militaire basis waar we naast colleges over Uruzgan en bermbommen, ook fysiek op de proef werden gesteld. We gingen over de stormbaan, waarbij we moesten rennen, klimmen, kruipen en opdrukken. Daarnaast mochten wij ook zelf in een YPR (pantserwagen) rijden. De laatste colleges van de reeks waren op de Militaire Academie in Breda, hier kregen wij colleges over zeer uiteenlopende onderwerpen. Zoals bijvoorbeeld over hoe het thuisfront de uitzending van een militair ervaart, maar ook ging een college over de veteranenmotorclub. We sliepen hiervoor twee nachten op de militaire kazerne midden in Breda, vanuit hier konden we het nachtleven van de stad goed ontdekken. Het vak wordt getoetst aan de hand van een aantal zaken. Ten eerste schrijf je samen met een partner een notitie over een bepaald conflict. Mijn partner en ik dienden een notitie te schrijven over het conflict in Oost-Timor, dit is erg interessant want op deze manier kom je veel te weten over een niet zo bekend conflict. Het vak werd afgesloten met een rollenspel, waar we een oplossing moesten vinden voor het conflict in Tsjetsjenië. Al met al kan ik zeggen dat dit vak het leukste vak is wat ik heb gevolgd tijdens mijn studie. Er wordt veel meer ingegaan op de (militaire) praktijk, zo wordt het conflict in Afghanistan niet uitgelegd vanuit een theorie, maar door de militairen en mensen die daar geweest zijn. Hierdoor denk ik dat dit vak een goede en informatieve afwisseling is met het huidige IBIO programma.


Recensie

Strijden tegen het stigma Hoe goed ken jij Oost-Europa? TEKST: Victor Kuijpens

Waarom noemen we een Spanjaard een Spanjaard, maar een Slowaak een Oost-Europeaan? Waarom klinkt ‘made in Germany’ niet bij stil, maar we weten verrassend weinig over Oost-Europa. Bovendien is wat we dénken te weten doorgaans niet positief. Ten onrechte, meent de Sloveense ambassadeur Leon Marc, want OostEuropa is niet langer ‘lesser Europe’.

I

n zijn boek What’s so Eastern about Eastern Europe laat Marc zien dat het onderscheid tussen Oost en West achterhaald is. Tegelijkertijd geeft hij een stoomcursus OostEuropa voor beginners. Aan de hand van persoonlijke anekdotes raast Marc door de geschiedenis van Oost-Europa. Hij vertelt dat de culturele en politieke scheiding tussen Oost en West een moderne uitvinding is. Culturele en religieuze verschillen werden namelijk al vroeg overschaduwd door de gemeenschappelijke Grieks-Romeinse cultuur en de bekering tot het christendom. Langzaamaan ontstond er echter een scheiding tussen OostEuropa en het opbloeiende Westen. De Balkan, Centraal-Europa en het Oost-Europese achterland kwamen onder respectievelijk Ottomaanse, Oostenrijkse en Russische overheersing, waar vooral onder het eerste rijk weinig ruimte was voor de renaissance en verlichting. Hierdoor mistte Oost-Europa een cruciale economische en sociale ontwikkeling ten opzichte van West-Europa en ontstond in de achttiende eeuw het romantische beeld van een achtergesteld en duister Oosten. Dit minderwaardige beeld van Oost-Europa zorgde ervoor dat de regio na de Tweede Wereldoorlog kon worden uitgeleverd aan Stalin. De Koude Oorlog bevestigde het negatieve westerse beeld van Oost-Europa en maakte de culturele scheiding nu ook politiek. Toch was zelfs het Oostblok niet zo eentonig en duister als het leek. Ondanks de totalitaire onderdrukking, die ook de familie Marc ondervond, waren er ook lichtpuntjes. Zo was Slovenië begin jaren negentig rijker dan het ‘Westerse’ Griekenland en Portugal, en werd er tussen Italië en Joegoslavië intensief gehandeld en gewinkeld. Tegenwoordig zijn er nog steeds Oost-Europeanen die nostalgisch terugkijken naar de communistische zekerheid van gratis gezondheidszorg en huisvesting.

bron: oldcastle books

betrouwbaar maar ‘product of Slovenia’ niet? Misschien sta je er

Dat nostalgische verlangen heeft te maken met de teleurstellende postcommunistische transitie. Hoewel de democratische ‘revolutie’ grotendeels vredig verliep is zij bij lange na niet voltooid. Een old boys network van oude communisten en nieuwe oliebaronnen handhaaft economische stagnatie en veroorzaakt sociale onrust. Dat dezelfde mensen de mooie baantjes verdelen, is niet bevorderlijk voor het vertrouwen in het politieke systeem. Bovendien zijn de psychologische littekens die het communisme heeft nagelaten nog niet geheeld. Gebrek aan zelfvertrouwen en motivatie zijn inherent aan een systeem waarin individualiteit niet wordt erkend en men niet wordt beloond voor zijn kwaliteiten. Wat misschien het grootste probleem is voor Oost-Europa, is dat het die naam nog draagt. Zolang Oost-Europa synoniem staat voor uniforme armoede, folklore en andere stereotypen zal het nooit geaccepteerd worden als deel van Europa. Zolang mensen geen moeite doen om Oost-Europese landen of individuen los van elkaar te zien, krijgen zij geen kans om uit te blinken. Verandering in deze misvattingen moet volgens Marc van twee kanten komen. Uiteraard moeten de Oost-Europeanen zelf bewijzen dat zij ‘toegevoegde waarde’ hebben. Daarentegen moeten West-Europeanen hen die kans ook geven, door open te staan voor Oost-Europese ideeën, producten en mensen. Alleen zo kan Europa veilig en welvarend blijven. Het pleidooi van Marc voor meer belangstelling en meer nuance richting Oost-Europa is misschien het intrappen van een open deur, maar wel een deur die nog binnengegaan moet worden. Hoewel in theorie studenten IBIO altijd open staan voor het onbekende, en we binnen onze studie zien hoe groot de valkuil is om landen over één kam te scheren, doen we in de praktijk dat laatste vaak wel. Volgens Marc is de beste remedie tegen stereotypen een reis naar Oost-Europa: vorm je eigen beeld. Maar als een last minute er voorlopig niet in zit, is What’s so Eastern about Eastern Europe een goed begin om je kennis van Oost-Europa bij te spijkeren. Leon Marc. 2009. What’s so Eastern about Eastern Europe? Harpenden: Oldcastle Books.

25


Watergevecht met Zullen conflicten over watervoorzieningen met oorlogen worden TEKST: Kees Blom

Het is het ware levenselixer: water. Leven zonder water is simpelweg onmogelijk. Op onze planeet is genoeg water te vinden: ongeveer zeventig procent van het aardoppervlak wordt er mee bedekt. Echter, slechts 0,3 procent hiervan is zoet water, beschikbaar in rivieren en meren en geschikt voor dagelijks gebruik. Zoet water is onmisbaar, schaars en ongelijk verdeeld over de wereld; alle ingrediënten die nodig zijn voor een hoogoplopend conflict tussen volken. Maar is dit ook de realiteit? Zullen landen hun legers inzetten om in hun waterbehoefte te voorzien of zullen staten samen kunnen werken? Te hoge kosten

W

aterconflicten zijn vaak bijzonder gecompliceerd. Water wordt niet alleen gebruikt om te drinken, maar ook voor persoonlijke hygiëne, landbouw, transport en energieopwekking. De veelzijdigheid van water heeft niet alleen veel voordelen, maar brengt ook extra dimensies rondom potentiële conflicten met zich mee die het vinden van een passende oplossing bemoeilijken. Daarbij is het bij veel meren en rivieren, die meerdere staten doorkruisen, vaak niet duidelijk wie het recht heeft op het beschikbare water.

Een ander probleem is dat geen enkele situatie als twee druppels water op een andere situatie lijkt. In sommige conflicten gaat het om slechts twee betrokken landen, in andere gevallen gaat het om een rivier die negen landen doorkruist, zoals de Zambezi in zuidelijk Afrika. Rivieren gaan soms maar een klein stuk door een land, soms gaat het om een groot gebied. In het ene gebied veroorzaakt een rivier droogteproblemen, in een ander gebied zorgt zij jaarlijks voor overstromingen. De verschillende betrokken partijen hebben vaak zeer uiteenlopende belangen. De unieke geografische ligging bepaalt in grote mate de macht van een land in een conflictsituatie. Dit maakt het zeer lastig om een blauwdruk te ontwerpen voor een oplossing omtrent waterconflicten. Bovendien zijn het vaak ontwikkelingslanden waar zich de meest complexe gevallen voordoen. Dit zijn juist de landen die het meest gebaat zijn bij een stabiele zoetwatervoorziening, maar het ontbreekt deze overheden vaak aan diplomatieke, politieke, economische of technische middelen om tot een duurzame oplossing te komen. Dan dreigt al snel het recht van de sterkste.

26

Volgens veel kenners zal het zo’n vaart echter niet lopen. Volgens hen gaan conflict en samenwerking vaak samen. Op regeringsniveau kan het zo zijn dat een bewindspersoon agressieve retoriek bezigt, terwijl men op lagere niveaus bezig is om tot een vreedzame oplossing te komen. Wanneer men echter alleen de vijandige woorden van regeringsfunctionarissen hoort, kan het idee ontstaan dat een oorlog nabij is. Mocht die oorlog er toch van komen, dan is water volgens deze experts niet de enige reden voor het uitbreken van gewelddadigheden. Zo vormt waterschaarste al een tijd lang een probleem in het Midden-Oosten, een regio die ook om andere redenen instabiel is. Het probleem van de verdeling van water kan aan deze instabiliteit bijdragen, maar kan moeilijk worden gezien als hoofdreden voor het uitbreken van een oorlog. Het is echter wel zo dat in een verhitte regio als het Midden-Oosten een conflict over een minder vooraanstaand probleem de druppel kan zijn die de emmer doet overlopen. In andere regio’s zal oorlog waarschijnlijk uitblijven, al was het maar omdat veel staten simpelweg niet de middelen hebben om hun belangen succesvol te behartigen in een oorlog. Oorlog is immers een dure hobby en veel staten hebben de middelen niet om een wateroorlog te winnen en op lange termijn het gewenste gebied te behouden. Zelfs landen die wel over voldoende middelen beschikken, zullen deze waarschijnlijk niet aanwenden voor oorlog, omdat ze de kosten (zowel economische als menselijke) en de represailles van de internationale gemeenschap als te hoog inschatten ten opzichte van de mogelijke winst. Zelfs het gebruik van niet-militaire middelen dat als vijandelijk kan worden gezien, zoals het bouwen van grote dammen of het veranderen van de loop van een rivier ten nadele van een stroomafwaarts gelegen staat, kan zulke hoge kosten met zich meebrengen dat een staat hier van af zal zien.


echte geweren beslecht? Duurzame samenwerking

Samenwerking omtrent gedeelde zoetwatergebieden lijkt een logisch middel om gewelddadige conflicten tussen staten te voorkomen. Het is hierbij echter wel van belang dat de samenwerking daadwerkelijk iets toevoegt. Veelal worden er halfzachte verdragen tussen staten gesloten die voornamelijk de schijn moeten ophouden dat men bereid is de handen ineen te slaan en om deze vervolgens uit de mouwen te steken. Deze verdragen worden echter spoedig in een archiefkast gelegd. Juist dit gedrag kan het conflict intensiveren, wanneer van beide kanten met ergernis wordt gezien dat de ander zijn verplichtingen niet nakomt. Het is dus noodzakelijk dat samenwerking substantiĂŤle vormen aanneemt om succesvol te zijn; anders zal het effect averechts zijn. Er wordt op het gebied van samenwerking inzake waterproblemen gelukkig wel progressie geboekt. Hoewel de cases zeer ingewikkeld zijn, is de expertise in het onderhandelen de laatste decennia toegenomen. Een belangrijke rol kan daarbij weggelegd zijn voor een onafhankelijke derde partij die als bemiddelaar optreedt. Tevens kan de internationale gemeenschap druk uitoefenen op staten om tot een vreedzame oplossing te komen, zeker wanneer het ontwikkelingslanden betreft die voor een groot deel afhankelijk zijn van buiten-

landse donoren. In 1997 werd bovendien de UN Convention on the Law of Non-Navigational Uses of International Water Courses aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Hoewel dit verdrag, waarin richtlijnen staan opgesteld hoe er met waterconflicten omgegaan dient te worden, nog niet door veel landen is geratificeerd, zijn de bepalingen wel een belangrijke ontwikkeling geweest in het omgaan met waterconflicten. Ook technologische ontwikkelingen dragen bij aan een geweldloze oplossing voor dit soort problemen. Nieuwe methoden om effectiever met water om te gaan kunnen wat druk van de ketel halen en het probleem minder urgent maken. Oorlog kan worden gezien als een politiek middel dat door staten kan worden gebruikt om belangen te behartigen, maar het lijkt erop dat conflicten omtrent watervoorzieningen niet met wapens beslecht zullen worden. De kosten zullen als te hoog worden ingeschat en er worden steeds meer en betere vreedzame alternatieven ontwikkeld. Desalniettemin betekent het uitblijven van oorlog niet dat er geen conflict bestaat, dus dienen waterconflicten met veel aandacht behandeld te worden om in de toekomst erger te voorkomen.

foto: suburbanbloke

Door extreme droogte kan zelfs water een bron voor conflict zijn

27


Versus

Patiënt o

Patiënt; belang volksgezondheid staat voorop TEKST: Ineke Palm, epidemioloog en lid van het Wetenschappelijk Bureau van de SP

Elke dag overlijden meer dan 5400 mensen aan aids. Wereldwijd hebben 9,5 miljoen mensen aidsremmende middelen nodig, maar ruim zestig procent van hen krijgen die medicijnen niet. Zij gaan dood vanwege het falen van de markt. Dat terwijl een van de millenniumdoelstellingen, door 189 landen afgesproken, stelt dat in 2015 iedereen met hiv/ aids hiervoor de juiste medicijnen krijgt, en dat de verspreiding van andere grote ziekten is gestopt. Willen we deze doelstelling werkelijk halen, dan zullen private belangen zoals patentrecht ondergeschikt gemaakt moeten worden aan het belang van de volksgezondheid.

E

en van de belangrijkste oorzaken van het feit dat veel mensen uit arme landen geen toegang hebben tot essentiële geneesmiddelen is de hoge prijs van nieuwe geneesmiddelen vanwege de patentbescherming. Deze bescherming is vastgelegd in het TRIPS (Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights) Agreement van de Wereldhandelsorganisatie. Vanaf 2005 zijn ook ontwikkelingslanden verplicht met de strenge westerse patentwetgeving te werken. Tot dan konden alle nieuwe middelen ‘nagemaakt’ worden, de zogenaamde generieke geneesmiddelen. Vooral India was een belangrijke producent van goedkope geneesmiddelen, maar ook Brazilië, Thailand en Zuid-Afrika produceren generieke aidsgeneesmiddelen. Sinds 2005 gelden voor al deze landen de nieuwe patenten en dus hoge prijzen. Hierdoor dreigen nieuwe medicijnen lange tijd onbereikbaar te blijven voor grote delen van de bevolking. Dat terwijl op korte termijn drie miljoen mensen in ontwikkelingslanden een nieuwe aidstherapie nodig hebben omdat oudere middelen niet meer werken. Als producenten hun prijzen niet laten zakken, kan een overheid een dwanglicentie afgeven. Een andere fabrikant mag het medicijn dan goedkoper maken en moet aan de patenthouder een vergoeding (royalty) betalen. Deze dwanglicenties zijn afgedwongen bij de TRIPS om de openbare gezondheidszorg te kunnen waarborgen. Voor veel landen zijn deze dwanglicenties echter een te sterke hobbel omdat ze ingebouwd moeten worden in de nationale patentwetgeving en als te zwaar middel worden gezien. Bovendien pakken de farmaceuten die landen vaak stevig aan, bijvoorbeeld via rechtszaken. Je zou daarom kunnen denken aan het internationaal invoeren van dwanglicenties. Door Ellen ten Hoen van Artsen zonder Grenzen is gepleit voor patentpools, een verzamelplaats waar patenten tegen betaling beschikbaar zijn voor ontwikkelingslanden zodat deze goedkope generieke medicijnen kunnen maken. De UNITAID startte in 2010 met zo’n patentpool en riep farmaceutische fabrikanten op hieraan deel te nemen. Een patentpool is een tijdelijke oplossing en bovendien vrijblijvend. We moeten zoeken naar een fundamentele oplossing. Bijvoorbeeld door de verplichte werking van het TRIPS-verdrag voor ontwikkelingslanden te schrappen zodat zij zelf kunnen kiezen of en wanneer zij een (strenge) patentwetgeving willen invoeren.

28

Patentbescherming en hoge prijzen zouden nodig zijn vanwege de hoge ontwikkelingskosten van nieuwe geneesmiddelen. Maar in feite blijken deze kosten voor research en development (R&D) lager dan de winsten en marketingkosten. De fabrikanten zijn hierover weinig transparant. Bovendien worden slechts weinig echt nieuwe medicijnen ontwikkeld. Van de nieuwe geneesmiddelen is 75 procent zogenaamd me-too geneesmiddelen: een kleine variatie op een bestaand product zorgt voor een nieuw patent, waarna heel veel geld gaat naar marketing om het nieuwe product in de markt te zetten. Het meeste innovatiegeld gaat naar onderzoek naar middelen die commercieel interessant zijn, voor veel voorkomende ziekten in rijke landen. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gaat nog geen één op de tien onderzoeken uit naar ziekten die meer dan negentig procent van de wereldbevolking treffen. Te weinig wordt geïnvesteerd in de ontwikkeling van geneesmiddelen voor ziekten in arme landen zoals TBC en malaria. Datzelfde geldt voor de ontwikkeling van aidsmedicijnen voor kinderen. Omdat hiv in rijke landen nog weinig voorkomt, voelen fabrikanten er niet veel voor specifieke aidsmedicijnen voor kinderen te ontwikkelen. Van de twee miljoen kinderen die lijden aan hiv/aids krijgt minder dan tien procent de nodige medicijnen. De vrije markt faalt, want het patentsysteem leidt tot gebrekkige toegang tot geneesmiddelen in ontwikkelingslanden en belemmert de ontwikkeling van geneesmiddelen waar ze het meest nodig zijn – voor ziekten in arme landen. Daarom is een fundamenteel andere benadering nodig, we moeten naar een systeem van R&D dat meer is gebaseerd op zorgbehoefte. Een voorbeeld is het opzetten van een zogenaamd Prize Fund Model zoals de Intergovermental Working Group on Public Health van de WHO propageert. Hierbij wordt de prijs bepaald op basis van de werkelijk toegevoegde gezondheidswaarde. Te denken valt ook aan een internationaal publiek geneesmiddelenfonds, met bijdragen vanuit de farmaceutische bedrijven. Private belangen zoals patentrecht moeten ondergeschikt worden gemaakt aan het volksgezondheidsbelang. Op basis van internationale mensenrechten en het recht op zorg voor iedereen moeten we belangrijke en soms levensreddende geneesmiddelen als publiek goed beschouwen en niet via patentbescherming aan het private belang overlaten.


f patent?

Versus

Patent; essentieel voor innovatie en verbetering TEKST: Prof. Dr. W. Frijlink, Hoogleraar Farmaceutische Technologie en Biofarmacie, Rijksuniversiteit Groningen

Het patentrecht op geneesmiddelen is noodzakelijk om innovatie bij bedrijven en individuen te stimuleren. Het patentrecht zorgt er namelijk voor dat de gigantische investeringen die het ontwikkelen van een geneesmiddel vraagt ook door de uitvinders of hun bedrijven terugverdiend kunnen worden. De schrijnende situatie van de publieke gezondheid in veel derdewereldlanden vraagt om buitengewone maatregelen en die moeten ook getroffen worden. Maar het geheel of gedeeltelijk afschaffen van het patentrecht biedt voor deze problemen geen oplossing en zal al op korte termijn juist een verslechtering van de gezondheidssituatie van de allerarmsten in de wereld veroorzaken.

V

oor de innovatieve farmaceutische industrie zijn patenten van levensbelang. Er is geen enkele industrietak waarin de vereiste investeringen om een innovatie naar de markt te brengen zo hoog zijn en de ontwikkelingstrajecten zo lang. Het ontdekken van een nieuw geneesmiddel en dit ontwikkelen tot een product wat naar de markt gaat kost een half tot één miljard euro per geneesmiddel. Onvermijdbare kosten die gemaakt moeten worden om te voldoen aan de maatschappelijke vraag naar het bewijs van effectiviteit en veiligheid van het nieuwe middel. Wanneer het octrooirecht op geneesmiddelen zou verdwijnen, zou geen bedrijf meer bereid zijn de vereiste financiële middelen te investeren, onderzoek en ontwikkeling vallen stil en er komen geen nieuwe geneesmiddelen meer op de markt. Ook niet tegen aandoeningen die voornamelijk in de derde wereld voorkomen zoals aids, malaria of TBC.

Nu heeft dit verhaal natuurlijk ook een ander kant: de gezondheidssituatie in een aantal landen in sub-Sahara Afrika is schrijnend. Het is niet te verteren dat er dagelijks duizenden mensen overlijden aan ziekten waartegen effectieve geneesmiddelen bestaan, zoals aids, TBC, malaria of mazelen. Ieder weldenkend mens begrijpt dat daar wat aan gedaan moet worden. Vanuit dit perspectief is onder meer het voorstel gelanceerd om het patentrecht op geneesmiddelen voor deze landen niet van toepassing te verklaren. De vraag is echter of met deze maatregel de toegang tot de essentiële geneesmiddelen tegen bovengenoemde ziekten inderdaad zou verbeteren. Dat is niet het geval, want de patenten op geneesmiddelen zijn meestal niet de oorzaak van de beperkte toegankelijkheid tot het geneesmiddel. Op veel middelen tegen aandoeningen zoals TBC of malaria rust al lang geen patent meer. Toch zijn deze middelen niet beschikbaar voor grote delen van de bevolking in Afrika. Simpelweg omdat falende overheden niet in staat zijn om de inkoop, distributie en toepassing van deze middelen te organiseren. Dat heeft dus niets met de patenten op deze geneesmiddelen te maken,

want die zijn er niet. In 2008 en 2009 brak er in Zimbabwe een ernstige cholera-epidemie uit. Op vrijwel geen enkel middel tegen cholera rust nog een patent, toch overleden er ruim vierduizend mensen tijdens deze epidemie. Jaarlijks sterven er in Afrika 12,5 duizend vrouwen aan postnatale bloedingen. Deze bloedingen kunnen effectief bestreden worden met het middel oxytocine waar al decennialang geen patent meer op rust. Het hittegevoelige medicijn bereikt helaas de patiënt niet en een hittebestendige variant van het middel bestaat (nog) niet of is te duur. Ook daar waar wel patenten op geneesmiddelen rusten wordt actie ondernomen. In het TRIPS-verdrag uit 2005 is de zogenaamde “afgedwongen licentie” geregeld die het overheden in de derde wereld mogelijk maakt om kosteloos generieke versies te maken van geneesmiddelen die essentieel zijn voor de volksgezondheid. Ook stellen inmiddels bedrijven zoals GlaxoSmithKline hun aidsremmers tegen kostprijs beschikbaar in Afrika. Daarnaast is er een reeks aan private- en overheidsinitiatieven die er op gericht is om ook gepatenteerde geneesmiddelen in Afrika beschikbaar te maken en nieuwe, betere medicijnen voor tropische ziekten te ontwikkelen. Internationaal zijn uiteraard de programma’s van de Gates Foundation bekend, maar ook in Nederland lopen initiatieven. Zo lopen er bijvoorbeeld binnen het Top Instituut Pharma een aantal onderzoeksprojecten die specifiek gericht zijn op middelen tegen tropische ziekten of het hittestabiel maken van essentiële geneesmiddelen. Dit soort initiatieven biedt werkelijk perspectief op het verbeteren van de gezondheidssituatie in sub-Sahara Afrika en zij verdienen steun. Het afschaffen van de patenten op geneesmiddelen is naïef, ondoordacht en contraproductief. Zonder de mogelijkheid om een patent te verwerven zal er geen nieuw geneesmiddel meer ontwikkeld worden en blijven medische noden in de derde wereld zoals malaria, aids of TBC voor altijd een probleem. Dat kan en mag niet de bedoeling zijn.

29


Diary of…

Dirk Jan Wolffram TEXT: Dirk Jan Wolffram

Monday, June 7.

Luckily I am an early riser, as I have to be in Utrecht in time to participate in the first meeting of a selection committee of the Netherlands Research Organisation (NWO). We must choose fifteen PhD’s from a total of forty candidates, nominated by the faculties of the humanities of all Dutch universities. It is always fun to be spending three million Euros. We compare a lot of hardcore linguistics with art history, philosophy, international relations etcetera. The committee consists of five professors from different disciplines and universities but I have never met the other members before. It becomes clear to me that the other committee-members are as open-minded and committed to quality as I am, so I don’t have to put up a fight to promote my own discipline (history) and the University of Groningen. Today we will make a pre-selection of 28 candidates who will be invited for an interview next week.

Tuesday and Wednesday, June 8 and 9.

Examination time in the history department. Today and tomorrow we will take freshman oral exams in modern history. Topics range from the causes of the French Revolution to the Versailles Treaty and the Spirit of Locarno, which are very familiar to students of international relations as well. In the evening the examiners have dinner together and discuss the ignorance and wit of the students. On Wednesday, quite a number of students do not show up. A no-show is a familiar phenomenon; ill-prepared students would rather avoid a oneon-one confrontation with the examiner. For me it results in loss of time: What could I accomplish in only fifteen minutes?

na o v er

ffram r y of G l o mes . J. W e Histo i D T . th e rn . Dr n d i of o r r :P esso in M of s me r c a i P N : olit P itle T d an Job 30

nce


Thursday, June 10.

Today brings several other aspects of academic life. A master-student, who still has to hand in an essay, has found an interesting document in the colonial archives in The Hague. It deals with corruption in the Dutch Indies. I warmly welcome his proposal; it is always good if history students want to work with source material. I also envy him. Presently I can hardly find the time to pay an occasional visit to the National Archives. And doing research based on primary sources is the nec plus ultra of historians (and the nightmare of many students of international relations). In the afternoon I have to oppose a dissertation, written in the Faculty of Spatial Sciences. The combination of author and subject is most unusual; the topic being the traffic circulation plans of Groningen, and the author Japanese! A PhD-thesis defence is always a special occasion, with all the pomp and circumstance of the academic ceremonial. The eight professors wear their gowns and caps, and the beadle leads them into the big Auditorium. We are surprised and slightly embarrassed: over 300 seats are empty; we even outnumber the audience, which consists of a few staff members and PhD’s. PhD Shinji Tsubohara comes well prepared and appears to find some inspiration in my question why he did not pay any attention to the history of Dutch political culture in his dissertation. After a speedy visit to the post-defence reception I hurry back to my office to receive some students who are eager to finish their studies before the holiest of deadlines: September 1.

Friday June 11.

I should supervise the written IRIO-freshman exam in the History of International Relations, but my colleague Ine Megens generously offers to take over my obligations. This enables me to chair selection interviews for the Research Master Modern History and International Relations. Our research master has established a solid reputation. 39 Students from Dutch and foreign universities compete for a maximum of thirty places. Not all of them will be interviewed: quite a few convince us of their excellence through their results and the written work they submitted. Others clearly lack the right motivation or the necessary skills.

After the interviews I must hurry to catch a train to attend the inaugural address of Huub Wijfjes, who has become professor in Television History in Amsterdam. Lots of colleagues from Groningen are present. I seize the opportunity to accompany Gerrit Voerman on the return trip, to discuss some business and gossip on academic life. Gerrit is director of the Documentation Centre Dutch Political Parties. He also starred in the diary of Nelleke van de Walle in the previous issue of Checks & Balances. I arrive in my home town of Assen, just in time to make it to the annual dance performance of my son and youngest daughter. Complicated street dance and elegant modern ballet. The weekend is dedicated to family life, preparation of the interviews on Monday with the NWO-PhD-applicants and running the half marathon of Assen. I take it easy and finish after a modest 2 hours and 4 minutes.

31


‘From Gold Coas How cocaine is changing the face of West Africa TEXT: Niels Goet

International anti-trafficking efforts have long focused on the narcotics industries in the Latin Americas. Not surprisingly so, since countries like Colombia and Mexico pop into mind when thinking about drugs trade. Columbia has long been the world’s cocaine cradle and Mexico is not exactly the place to be either, unless you are looking to get into deep, ehm, let’s say ‘trouble’. Oddly enough, more than a quarter of the drugs that pour into European markets comes from West Africa. A vast trading network has expanded from the Latin Americas towards the Dark Continent, ploughing into Europe. This is the story of how narcotics are changing the face of the West African subcontinent – transforming it from the Gold Coast to coke coast.

A

frica has always played quite a limited role in the global drugs trade – something which has changed recently. According to a 2007 report of the United Nations Office on Drugs and Crime (UNODC), West Africa has a strong position as an intermediary in the cocaine trade between Latin America and Europe. Since then, international media have devoted ample attention to the issue. Esteemed historian Stephen Ellis however claims that the roots of the current collaboration between drug traders in these two sub-continents in fact date back for more than a decade. Even more so, he suspects that the subcontinent plays a role in the transit of smaller amounts of heroin shipped from Asia to North America. Cannabis and arguably amphetamines find their origin in the subcontinent. The UNODC estimates that a quarter of European cocaine, with a value of around $1.8 billion, currently transits via West Africa, making its role not quite so peripheral as before. Needless to say the drugs economy is making its mark on local economies. As Ellis explains, South American drug dealers formerly focused on North America. In recent years drug conglomerates have turned their attention towards the European market. Apparently, the Americans are adequately supplied, but the US market also became better protected due to more stringent anti-narcotics measures. Some European countries, like the

32

UK and Spain, are well on their way to outstrip the US in per capita cocaine consumption – a rather doubtful honour. West Africa provides drug syndicates with a perfect transit point for the European market, with conducive political environments and effective smuggling routes. What is more, South American cocaine dealers actually move to West Africa, attracted by the congenial environment. Local law enforcement officers are concerned that the drugs industry is becoming intertwined with political life and might thus strongly influence local politics. In turn, the West is concerned that the subcontinent is adapting to the Mexican model – which is not to say that the locals will be celebrating their birthdays with piñata’s, but more so that drug gangs are starting to dominate much of day-to-day business. Africa’s first narco-state South American drug cartels got a foothold in West Africa with incredible speed. Between 1998 and 2003, around 600 kg of cocaine was seized each year; by 2008, this figure had risen to a staggering 5.6 tonnes. The UN felt the need to issue a warning, stating the drug problem bred corruption and bad governance. In Africa’s very first narco-state, Guinea-Bissau, haciendas and South American drug barons dominate the affluent quarters. In less than three years, Colombian drug syndicates have taken over the world’s fifth poorest country,


foto: un office on drugs and crime

st to Coke Coast’

‘Those resisting the coup are silenced by paramilitaries and death squads.’

Narcotics are changing the face of West Africa’s cities

where there are as few prisons as police officers to run them. Drug traffickers thrive in this type of failed state: officials can be bought off, people live in abject poverty and money can buy you anything. The police have no cars, no fuel, or even communication equipment. The navy has no boats to patrol the national waters and the thousands of small islands along its coast – just to name a few things that complicate anti-trafficking efforts. As a consequence, the total value of drug trafficking in Guinea-Bissau currently exceeds its gross domestic product, the UNODC reports.

The total value of drug trafficking in Guinea-Bissau exceeds its GDP Needless to say that the face of the small country, with a population of 1.5 million, is changing. Lavish clubs with beautiful women, expensive cars, and booze now dominate the country’s capital, Bissau. It is all there. Access however is limited: as one would expect, the locals do not profit from the new business. The government meanwhile denies any involvement in drug trafficking, while recognizing the danger it poses to

national security. A 19 million dollar security reform plan by the UNODC was met with inadequate funds by international donors. The proliferation of addiction is rapidly growing as well. The prospects for Africa’s first narco-state are not very favourable. West Africa has never known such a large influx of cocaine and other narcotics, as it is experiencing right now. Added to the weak state institutions and substandard living conditions in the region, it clearly shows the problems that affect the subcontinent. The UNODC’s executive director, Antonio Maria Costa, most eloquently phrased the problem as the transformation of ‘West Africa’s Gold Coast into the Coke Coast’. So while we are up in the deck chair – or at least some of us – West Africa suffers. Meanwhile, the UN has not exactly been passive, putting forward initiatives to improve information exchange on smuggling routes and to improve communications between airports in the region. Moreover, the Economic Community of West African States (ECOWAS) has adopted a regional plan to take strong action against cocaine trafficking in close collaboration with the UNODC. Let’s hope this will have effect, because in a region where good governance is not exactly the standard, the prevalence of drug syndicates is likely to have disastrous consequences.

33


Peculiar IO’s TEKST: Maaike Slotema

I

RIO is all about international organizations, most of them well-known like the European Union and the United Nations. There are some international organizations however that are more obscure - which is not to say that they are not important. Some are rather odd, peculiar or underestimated and certainly worth exploring. One of these organizations is CITES (Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora). CITES is an intergovernmental organization which aim is to ensure that international trade in wild animals and plants does not threaten their survival. The organization was founded in 1975 in Washington by 80 countries. Nowadays, the membership of CITES is up to 175 members. When a country becomes a member of CITES, it has to implement the rules of the convention. These do not replace national laws, but rather provide a framework for countries to adopt into their own domestic legislation. Every two or three years, all member states meet at a conference to review the implementation of the convention. The last conference was in 2007 in The Hague in the Netherlands. Over 5,000 species of animals and 28,000 species of plants are protected by CITES against overexploitation, whether they are traded as live specimens, fur coats or dried herbs. They are categorized in three different lists, according to the threat posed by international trade. The level of protection depends on what list they are on. The list extends from leeches to lions and from mussels to frogs. All trading of species covered by CITES has to be authorized through a licensing system. Each member state has to designate an authority which will administrate the licensing systems and which will monitor trade. An example of what CITES has accomplished during the last 35 years is the regulation of international trade in sturgeons and parts of derivatives thereof, like caviar. Caviar is thought of as a delicacy around the world and therefore a lucrative business. Because of this, there was unsustainable harvesting and over-exploitation. CITES designed a universal system for caviar labeling, to reduce trade. Nowadays, trading in caviar is only permitted with this special label. Not only companies are restricted in trading wildlife. Ordinary citizens are restricted by the CITES as well if they want to transport something to another country. In short, CITES is quite an unknown organization, but its rules can have profound consequences for you when you decide to bring a piece of coral with you after a nice holiday in Thailand!

34

A King, His Castle,

Column

and His Pirate Radio Station TEKST: Karsten J. Kip

W

hen asked to name the smallest country in the world, I reckon most people will answer: Vatican City. The seemingly anomalous country, measures slightly less than half a kilometre and is run by Roman Catholic clergy. Only few people would say Sealand, another miniscule state, not even one eight-hundredth of the Vatican’s comparatively colossal size, and ruled by the self-appointed “Prince Roy of Sealand”. Having said this, this miniature fiefdom only qualifies as a state if one were to accept a fortified tower situated in the Thames estuary as a “defined territory”. One would also have to interpret the requirement for a sovereign state to have any such thing as a “permanent population” rather liberally.

The history of, what was to become, the tiny statelet, started in World War II. A series of naval defence works were built in the Thames estuary to prevent German boats from laying mines in these vitally important shipping lanes . After the war had ended the fortresses were mostly decommissioned and deemed hazardous to the very ships they were initially intended to safeguard. After having been abandoned by the Royal Navy ,several of them however, most notably HM Fort Roughs, remained standing and unoccupied. The first new tenants to move into the tower were a group of pirate radio broadcasters in the late nineteen-sixties. They had been broadcasting from a nearby ship, but decided that they somehow preferred the more solid fortress. The country-to-be saw its first use of force since the war when a rival broadcaster, Roy Bates, forced out these proud new denizens. Considering that the platform was out in international waters, he declared it an independent absolute monarchy -quite a convenient form of government if you’re a country’s only inhabitantproclaiming himself its first sovereign. Though new British law, declared after the occupation of the fortress, prevented plans for a new pirate radio station , the claims to sovereignty have remained . After Bates and his son fired shots at a British navy vessel for trying to infiltrate his territorial waters, a British court ruled, much to everyone’s surprise, that the tower was indeed outside of British jurisdiction. This meant that no action could be taken against them (a ruling subsequently interpreted by the Principality as de facto recognition by the UK). The country also managed to fight a genuine civil war – an astonishing feat for a country whose population never exceeded a number of five – against a German national trying to usurp the nation’s throne. The war ended when a German diplomat intervened (also interpreted as de facto recognition). Later attempts to turn the country into a lawless digital data haven and even a casino have thus far proven fruitless and the future of this rarity remains uncertain.


Studeren duur?

Profiteer van de allerscherpste prijzen op je boeken. Clio biedt jou de mogelijkheid om onder zeer voordelige voorwaarden bij ons je studieboeken te bestellen. Profiteer van kortingen van 10 tot 20%!* Kijk op de website voor meer informatie.

www.clio.nl www.clio-international.nl

powered by *Volgens wet op de vaste boekenprijs


Voor al je kabels en pluggen surf je naar kabeltje.com en vul de kortingscode in. Code: 8GR2010 is geldig tot 1 december 2010

rMonster Cable rHQ products rKonig electronics

rAccell rVivanco rMarmitek

ED PAYM UR

T

EN

SEC

UR

T EN

SEC

rOehlbach rProfigold rHirschmann

E D PAY M

Checks & Balances editie 4, jaargang 6  

magazine van studievereniging clio, voor studenten Internationale Betrekkingen en Internationale Organisatie