Issuu on Google+

Studiegids

Post - HBO Supervisorenopleiding De weg naar meesterschap op het gebied van leren en veranderen van professionals, vanuit persoonlijke ontwikkeling.

Auteur Francien Bruggink HenriÍtte Metsemakers Valentine Wijnen Inlichtingen T 088 481 96 93 E csw@hu.nl Datum maart 2012 Š Hogeschool Utrecht,


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

Inhoudsopgave Inleiding

Doelen

Doelgroep

3  Toelating 9  3.1  Toelatingscriteria ........................................................................................................ 9  3.2  Intakegesprek ............................................................................................................. 9  4  4.1  4.2  4.3  4.4 

Inhoud van de opleiding 10  MDS I ....................................................................................................................... 10  MDS II ...................................................................................................................... 11  Leersupervisie .......................................................................................................... 11  Werkstuk- of artikelbegeleiding................................................................................ 11 

Didactische uitgangspunten en werkwijze

12 

Docenten

13 

Toetsing

14 

Locatie

15 

Groepsgrootte

16 

10  Literatuur

17

11  Lesdagen

18 

Bijlage 1. HET COMPETENTIEPROFIELVAN EEN SUPERVISOR

21 

2/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

Inleiding Mensen zover krijgen dat ze hun eigen ontwikkeling in de hand nemen is niet alleen een vaardigheid het is een kunst. Persoonlijk meesterschap Meesterschap heeft te maken met de hoge graad van beheersing van de meestervakman. Mensen met een hoge graad van persoonlijk meesterschap zijn in staat om consistent gestalte te geven aan de ideeën die zij werkelijk belangrijk vinden – wat zij eigenlijk doen is hun leven aanpakken zoals een kunstenaar een kunstwerk. Dat doen ze door zichzelf op te dragen hun leven lang te leren. Van belang hierbij is jezelf te sturen in de zelf gekozen richting. Een supervisor is een meester op het gebied van leren en veranderen van professionals vanuit hun persoonlijke ontwikkeling. In supervisie kan men op zoek naar de persoonlijk-professionele ruimte en deze eigen kleur en vorm geven. Transitie Wanneer je supervisor wilt worden, ga je dus voor meesterschap in het mensen in beweging brengen. Supervisie brengt een transitieproces (veranderingsproces) op gang. De supervisor nodigt de supervisant uit om uit de comfortzone te stappen in de groeizone en voorkomt zo mogelijk dat deze in de paniekzone belandt. Iemand kan alleen leren wanneer hij bewust onbekwaam is én wanneer de situatie veilig is. Tijdens een veranderingsproces laat men het oude (gedrag, vaardigheid, overtuiging, identiteit) los om te experimenteren met het nieuwe (gedrag, vaardigheid, overtuiging, identiteit). De liminele fase, de fase waarin het oude wordt losgelaten terwijl het nieuwe nog niet vastligt, gaat gepaard met angst en spanning (leerweerstand). Door (h)erkenning, acceptatie, het creëren van een vrijplaats en het aanboren van zoveel mogelijk hulpbronnen kan de supervisor de supervisant ondersteunen in het proces en ruimte geven om te experimenteren. Dan is de liminele fase juist een fase van uitdaging, van mogelijkheden en creativiteit. Reflectie Leren in supervisie betekent leren in dialoog met medesupervisanten of individueel middels reflectie, onder begeleiding van een supervisor. Leren is individueel, maar kan nooit los gezien worden van de omgeving waarin de lerende zich beweegt. Reflectie wordt bevorderd door vragen vanuit andere perspectieven, juist een ander kan deze andere perspectieven goed belichten. Volgens Bateson moet een situatie minstens vanuit drie verschillende perspectieven bekeken worden om deze te kunnen beoordelen en er betekenis aan te kunnen geven. Vanuit deze nieuwe betekenis kan men meer mogelijkheden tot samen gaan, samen werken en effectiever handelen ontdekken.

3/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

Uitgangspunten Binnen onze opleiding wordt m.n. gewerkt vanuit het systeemdenken, het sociaal constructivisme, de narratieve benadering en het muzische. We vragen van jou, als supervisor in opleiding (sio), een onderzoekende houding. Onderzoekend naar je systeem van herkomst. Systeemdenken stelt ons in staat om patronen te zien en daardoor effectiever te veranderen, vanuit onszelf. Onderzoekend naar je achtergrond (socialisatie en 1e beroepssocialisatie): hoe socialisatie; cultuur en opvoeding, je heeft gekleurd en gevormd, voor het aan te leren tweede beroep (dat van supervisor). We nodigen je als sio uit om het eigen verhaal te onderzoeken: hoe jij je verhalen vertelt en welke taal je eigen is, je te verdiepen in hoe je anders bent en je eigen leerstijl en leer oriĂŤntatie te onderzoeken en deze onderzoekende houding door te geven aan je supervisanten. Ze uit te nodigen middels reflectie van de werkervaring te leren. Zo bied je ruimte voor eigen vorm en kleur. Onze supervisoren opleiding karakteriseert zich door kleur ontdekken, geven en bekennen.

4/27


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

1 Doelen Uit voorafgaande inleiding vloeit logischerwijs het hoofddoel van de opleiding, t.w.: Het opleiden van supervisoren tot persoonlijk meesterschap in het in dialoog, middels reflectie, laten leren van supervisanten van en aan hun beroep. In de opleiding tot supervisor vloeien de doelen voort uit en hangen samen met het competentieprofiel supervisoren zoals vastgesteld door de Landelijke Vereniging voor Supervisie en Coaching (LVSC)(bijlage 1), t.w.: Een bekwaam supervisor kan en zal ‌ waar nodig ‌ 1. samenwerking met supervisant(en) op een productieve wijze vormgeven; 2. omgaan met diversiteit van supervisanten; 3. faseren; 4. een krachtige leeromgeving scheppen; 5. de inbreng van een supervisant tot een supervisievraag ontwikkelen en houden en de begrensdheid daarvan bewaken; 6. werkcontext, supervisiecontext en andere relevante contexten hanteren; 7. het eigen handelen als supervisor expliciteren en verantwoorden; 8. zelfstandig de eigen professionele ontwikkeling als supervisor vormgeven; 9. De supervisor is in staat om fysieke ervaring als betekenisvolle bron voor eigen functioneren en als bron bij de supervisanten in te zetten in supervisie. Gespecificeerd naar concrete doelen, met gebruikmaking van het model van Bateson, zien bovenstaande doelen er in MDS1 en MDS2 als volgt uit:

5/27 Š Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

MDS1 Omgeving: wanneer, waar en met wie?

Inhoud Wat is de supervisie context?

Gedrag: wat doe je?

Wat doet de supervisor?

Competenties: wat kun je?

Welke vaardigheden en kwaliteiten heb je als supervisor en/ of wil je ontwikkelen?

Waarden en overtuigingen: wat vind je, waar geloof je in?

Wat zijn belangrijke waarden voor jou als supervisor. Wat zijn bevestigende en belemmerende overtuigingen? Hoe zie jij jezelf als supervisor, wie ben je als supervisor? Wat is je missie als supervisor, hoe wil je als supervisor bijdragen aan het grotere geheel?

Identiteit: Wie of wat ben je?

Betrokkenheid/ zingeving/missie: waartoe ben je, op welk grotere geheel voel jij je betrokken?

Doelen. De supervisor: toont inzicht in de manier waarop hij/zij contact maakt;  weet eigen wijze van contact maken flexibel af te stemmen op de supervi‐ sant met behoud van eigenaarschap van de supervisant;  3. kan contact maken, houden en afronden in elke fase van het supervisiepro‐ ces;  4. kan de kenmerken benoemen van supervisie en beschrijven hoe deze ver‐ schillen van andere begeleidingsvormen;  5. kan tot een contract komen met de supervisant en eventuele andere op‐ drachtgever, waarin de supervisiemethodiek recht gedaan wordt.  1. kan commitment  bewerkstelligen bij de supervisant;  2. brengt een proces van voortdurend reflecteren op gang bij de supervisant;  3. leest  ‘tussen de regels door’ en spiegelt op het juiste moment zijn/haar  observaties van het verbale en non‐verbale gedrag van de supervisant;  4. kent verschillende interventies en weet deze op de juiste wijze in te zetten  bij de supervisant.  1. hanteert de supervisiemethodiek; 2. heeft inzicht in wanneer te volgen en wanneer te sturen;  3. heeft inzicht in leerprocessen en hoe deze tot stand te brengen;  4. heeft inzicht in groepsprocessen en weet zijn / haar interventies  hierop af te  stemmen;  5. kan processen van overdracht en tegenoverdracht herkennen, erkennen ,  benoemen en hanteren;  6. kan (meta‐)communiceren;  7. kan conflicten hanteren;  8. kan omgaan met weerstand;  9. kan werken met metaforen;  10. kan evalueren en beoordelen.  1. kan voorkeursleerstijl onderkennen, aansluiten en ombuigen;  2. kan (indien aan de orde) socialisatieprocessen functioneel inzetten;  3. kan eigen referentiekader en dat van de supervisant bespreekbaar maken;  4. is zich bewust van (voor‐)oordelen en weet deze te hanteren;  5. heeft oog voor diversiteit en benut deze in het supervisieproces.  1. 2.

1. 2. 3. 4.

kan de verschillen tussen eigen basisberoep en beroep van supervisor  benoemen;  kan vaardigheden uit eigen basisberoep aanwenden voor supervisie;  kan voorkeur voor doelgroep expliciteren;  kan benoemen wat hem / haar maakt tot beginnend professional. 

1. 2. 3.

kan doelen van supervisie naleven;  heeft inzicht in eigen toekomstperspectief als supervisor;  heeft eigen visie ontwikkeld t.a.v. supervisorschap. 

6/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

MDS2 Omgeving: wanneer, waar en met wie?

Inhoud Wat is de supervisie context?

Gedrag: wat doe je?

Wat doet de supervisor?

1. 2.

Competenties: wat kun je?

Welke vaardigheden en kwaliteiten heb je als supervisor en/ of wil je ontwikkelen?

1. 2.

Wat zijn belangrijke waarden voor jou als supervisor. Wat zijn bevestigende en belemmerende overtuigingen?

1.

Waarden en overtuigingen: wat vind je, waar geloof je in?

1.

2.

3.

2. 3. 4.

5.

Identiteit: Wie of wat ben je?

Betrokkenheid/ zingeving/missie: waartoe ben je, op welk grotere geheel voel jij je betrokken?

Hoe zie jij jezelf als supervisor, wie ben je als supervisor?

Wat is je missie als supervisor, hoe wil je als supervisor bijdragen aan het grotere geheel?

1. 2. 3. 4. 1. 2. 3. 4.

Doelen. De supervisor: kent verschillen en overeenkomsten in vormen van supervisie (oplei‐ ding/instelling/in opdracht)en gebruikt dit in contractering en werk‐ wijze;  is zich bewust van de kracht en valkuilen van individuele‐ , triade‐, en  groepssupervisie en weet deze bewust in te zetten.  kan kleur en vorm geven aan een supervisiereeks;  kan werken aan, met en door de groep.  weet zichzelf te profileren als supervisor; kan interventies benoemen en verantwoorden  vanuit theoretische   en methodische kaders.  kan eigen kleur en vorm overdragen aan mede sio’s.  is zich bewust van zijn / haar grondhouding en hoe deze wordt  beïnvloed door eigen en gedeelde  waarden en normen;  handelt vanuit de gedragscode van de supervisor;  kan het eigen verhaal naast het verhaal van de supervisant laten  bestaan;  kan, vanuit gelijkwaardigheid, onthullingen doen over eigen gedach‐ ten, gevoelens en gedrag ten dienste van het leerproces van de su‐ pervisant;  kent basisprincipes van het beroep waarin gesuperviseerd wordt en  weet op adequate wijze de beroepscomponent in supervisie te han‐ teren.  onderkent en belicht eigenheid en diversiteit;  e e onderkent de 1  en 2  beroepssocialisatie van de supervisant en weet  de integratie hiervan te bevorderen;  kan de mogelijkheden en beperkingen die de rol van supervisor in  een organisatie met zich meebrengt hanteren;  kan zijn rol als supervisor expliciteren en verantwoorden.  levert een bijdrage aan ontwikkeling van supervisiebeleid en kan  daarin het belang van supervisie verantwoorden;  kan een eigen supervisiepraktijk vormgeven;  kent verschillende stromingen in supervisie en de eigen voorkeur  daarin.  kan zijn missie over het voetlicht brengen. 

7/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

2 Doelgroep De opleiding is bestemd voor mensen die met mensen werken in de zorg, hulpverlening, het onderwijs en/of het management.

8/27


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

3 Toelating 3.1 Toelatingscriteria Deze opleiding volgt de eisen zoals die gesteld zijn door de Beroepsvereniging LVSC.   

U heeft een afgeronde opleiding hbo, vo- of wo-getuigschrift, beschikt over vier jaar werkervaring op hbo- of wo-niveau, in een mensgericht beroep waar supervisie een relevante opleidingsmethode is. Daarnaast heeft u een supervisie gevolgd van tenminste tien zittingen, gegeven door een LVSC geregistreerde supervisor. Deze supervisie mag bij aanvang van de opleiding niet langer geleden zijn dan zes jaar. Voor de sio die niet voldoet aan deze ingangseis is voorsupervisie mogelijk. Aan Methodisch Didactische Scholing (MDS 2) kan worden deelgenomen, indien MDS 1 met goed gevolg is afgesloten. 3.2 Intakegesprek

Vóór de sio tot de supervisoren opleiding aan de HU wordt toegelaten is er een intakegesprek met één van de docenten supervisiekunde. In het intakegesprek wordt geïnventariseerd of aan de toelatingscriteria wordt voldaan en worden wederzijdse verwachtingen afgestemd. Op basis van het intakegesprek volgt een advies met betrekking tot eventuele op te vullen hiaten.

9/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

4 Inhoud van de opleiding De opleiding bestaat uit:  Methodisch didactische scholing (I en II).  Leersupervisie I(over twee supervisiereeksen).  Leersupervisie II (facultatief).  Werkstukbegeleiding (facultatief). Voor registratie bij de LVSC zijn de twee laatstgenoemde ( facultatieve ) onderdelen eveneens verplicht. Voor elk onderdeel waaraan voldaan is, ontvangt u een certificaat. 4.1 MDS I In Methodisch Didactische Scholing I (10 woensdagen van 10.00 - 17.00 uur): 1. Start u vanuit contractering. Contact is de basis voor elke start. Iedereen moet zich welkom voelen en het gevoel hebben zijn of haar doelen te kunnen behalen. 2. Kunt u onderscheid maken in de verschillende begeleidingsvormen die er gangbaar zijn, opdat u grenzen kunt bewaken en grijze gebieden kunt benoemen. En verkrijgt u inzicht in en begrip van leerprocessen. U bent zich bewust van uw procesmatig denken en handelen als begeleider. 3. Gaat het om leren werken door reflectie op werkervaringen. Omdat het om werkervaringen gaat betekent dit dat de integratie op het eerste niveau aangevuld moet worden met de integratie op het tweede niveau én omdat het om leren gaat moet reflecteren ook uitlopen op het problematiseren van werkervaringen tot leermateriaal. Daarnaast is het belangrijk dat u het reflecteren bij uw pupillen/studenten/leerlingen op gang kunt brengen en stagnaties weet te hanteren 4. Wordt u zich bewust en maakt u gebruik van socialisatieprocessen als deze zich binnen de gegeven ervaringen aandienen. Ook leert u projectie, overdracht en tegen overdracht herkennen en erkennen en hoe hiermee om te gaan. 5. Is voor de integratie in de persoon en het omgaan met verschillende doelgroepen diversiteit een belangrijk item om bij stil te staan. 6. Wordt het gebruik van andere middelen om leerprocessen op gang te brengen en gevoelens en emoties een plek te geven, verkend aan de hand van metaforen. 7. Is het bewust communiceren en omgaan met conflicten een vaardigheid die u niet kunt missen. 8. Zijn kennis, inzicht en vaardigheden t.a.v. fasen in groepsontwikkeling van belang; hoe u kunt werken aan en met de groep.

10/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

9. Is bewust positie innemen in leiderschap en hanteren van weerstand vanuit een positieve benadering verrijkend 10. Evalueert u, beoordeelt u en rond u af na een begrensd aantal bijeenkomsten. Tenslotte neemt u afscheid van en met elkaar op bij de groep behorende wijze. 4.2 MDS II In methodisch Didactische Scholing II (10 woensdagen van 10.00 - 17.00 uur)komen onderstaande thema’s uitgebreid aan bod: 1. Ethische uitgangspunten, beroepsethiek en het belang van supervisie in deze tijd. 2. Grondhouding, waarden en normen van de supervisor, gedragscode voor supervisoren. 3. Stromingen in supervisie en uw eigen profilering als supervisor. 4. Inzicht in de verhouding tussen beroepsuitoefening van de supervisant en supervisie, het hanteren van de beroepscomponent in supervisie. 5. Het organiseren van supervisie en het functioneren als supervisor in een organisatie. 6. Contexten van supervisie: organisatie- en beleidsvraagstukken rond supervisie. 7. Het ontwikkelen van supervisiebeleid en het verantwoorden daarvan. 8. Verschillende vormen van supervisie; individuele en groepssupervisie. 9. Eigenheid: integratie 1e en 2e beroepssocialisatie; de mededelende supervisor. 10. Het vormgeven van een eigen praktijk. 4.3 Leersupervisie Gedurende het volgen van MDS I en II, volgt u verplicht leersupervisie bestaande uit 15 zittingen met twee mede-supervisanten over de supervisies die u geeft. Voor de uiteindelijke registratie bij de LVSC moet u een tweede reeks leersupervisie volgen. 4.4 Werkstuk- of artikelbegeleiding Het laatste onderdeel om geregistreerd te kunnen worden bij de LVSC is het werkstuk of artikel (te publiceren of gepubliceerd) van tenminste 20 pagina’s, over een thema dat betrekking heeft op het geven van supervisie. Het heeft daarmee een open karakter. De sio laat hierin zien dat hij/zij in staat is om schriftelijk te communiceren over een supervisievraagstuk en de eigen praktijk en supervisietheorie betekenisvol met elkaar te kunnen verbinden.

11/27 Š Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

5 Didactische uitgangspunten en werkwijze Een praktijkgerichte aanpak staat centraal tijdens deze opleiding. Dat houdt in dat de theorie wordt gekoppeld aan de beroepspraktijk. Tijdens de opleidingsonderdelen geeft u ook zelf supervisie. Theoretische verdieping, vaardigheidstraining en discussies worden afgewisseld met werkinbreng van eigen ervaringen, oefenen met aangereikte tools, reflectie op het eigen leer – en werkproces en zelf in te vullen, organiseren en presenteren van workshops. Een en ander vraagt een didactisch, pedagogisch klimaat waarin bovenstaande tot zijn recht kan komen. Onze werkwijze kenmerkt zich dan ook door een diversiteit aan aanbod. Dit wordt onderbouwd met theoretische kaders vanuit onder andere Systemisch Werken, Neuro Linguistisch Programmeren (NLP), de Transactionele Analyse (TA) en oplossingsgericht werken. Naast de gesproken taal wordt aandacht besteed aan beeldtaal, metaforen, symbolen, klank, toon en lichaamstaal. De sio wordt hierbij zoveel mogelijk aangesproken op de rol van supervisor. In MDS 2 ligt het accent op wat u als sio uw mede cursisten te bieden heeft in de zoektocht naar een eigen kleur als supervisor. We scheppen voorwaarden om volgens het expeditiemodel (zie hoofdstuk 12 lesdagen, MDSII) te kunnen werken en creÍren ruimte voor het onderzoeken en (h)erkennen van de eigen en elkanders drijfveren, kwaliteiten, passies en waarden. Parallel aan MDS 1 en 2 loopt leersupervisie. Uitgangspunt in de opleiding is de wisselwerking tussen eigen supervisiepraktijk en de aangereikte inhoud. De werkvormen zijn: literatuurstudie; theorie en praktijk worden verbonden door: onderwijsleergesprek; training / praktische oefeningen; discussie; verwerkings- en reflectieopdrachten.

12/27


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

6 Docenten (Francien) Bruggink heeft de Lerarenopleiding gevolgd en studeerde vervolgens aan de Academie voor Beeldende Vorming. Zij heeft zich verder ontwikkeld in professionele communicatie, Transactionele Analyse, Systemisch werken en opstellingenwerk en is gecertificeerd trainer NLP. Zij is docent supervisiekunde (i.o.) , leersupervisor en hogeschooldocent Social Work aan de Hogeschool Utrecht. Hiernaast heeft ze sinds 1995 een eigen praktijk als (leer)supervisor, trainer en coach. Registratienummers LS1228H, S10592H/2. Drs. (HenriĂŤtte) Metsemakers studeerde andragologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht, afstudeerrichting samenlevingsopbouw. Daarnaast deed ze bijvakken docentenopleiding maatschappijleer, taalexpressie en opleidingskunde. Ze heeft zich middels bij- en nascholing verder toegelegd op krachtgericht en oplossingsgericht werken. Zij is leersupervisor, hogeschooldocent Social Work en als vertrouwenspersoon werkzaam binnen de Faculteit Maatschappij en Recht. Hiernaast heeft ze een eigen praktijk voor supervisie en leersupervisie. Registratienummers LS 1263, S 11535 H Drs. V.M. (Valentine) Wijnen studeerde sociale en organisatiepsychologie in Groningen, met als nevenrichting arbeid- en personeelspsychologie, vooraf gegaan door de hogere beroepsopleiding inrichtingswerk te EnschedĂŠ. Zij heeft zich geschoold in systemisch werken en werken met opstellingen. Zij is docent supervisiekunde (i.o.) en leersupervisor en als hogeschooldocent verbonden aan de opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH) van de Hogeschool Utrecht. Als supervisor is zij verbonden aan de opleidingen Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH) en Creatieve Therapie (CT) Registratienummers: S 11680 H en LS 1268.

13/27


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

7 Toetsing 1. Zelf assessment op kennis, attitude en vaardigheden n.a.v. de door de opleiding geformuleerde doelen. Door dit zelf assessment toont de sio aan welke competenties hij/zij al beheerst en selecteert de sio welke doelen voor hem/haar een accent moeten krijgen in de opleiding. Dit accent mondt uit in een door hem van te voren opgesteld plan van aanpak. 2. Drie videofragmenten: één aan het begin van de opleiding (0 meting), één aan het eind van MDS 1 en één aan het eind van MDS 2. De fragmenten worden uitgeschreven in een verbatum en geanalyseerd op kennis, attitude en vaardigheden die genoemd zijn in het plan van aanpak n.a.v. het zelf assessment en monden uit in alternatieven en ontwikkelpunten. Videofragment 1: Demonstratie van de beginsituatie van de sio; welke competenties krijgen accent om zich tot supervisor te ontwikkelen. Video fragment 2: Demonstratie van de ontwikkeling op de geformuleerde doelen n.a.v. fragment 1. Video fragment 3: Demonstratie van de ontwikkeling op de geformuleerde doelen n.a.v. fragment 2. 3. Proeve van meesterschap, waarin de sio vorm, klank en kleur geeft aan zijn/haar persoonlijk –professionele identiteit als supervisor.

Criteria:  Er is een analyse gemaakt op supervisiekundige kennis, attitude en vaardigheden van de aan het begin opgestelde leerdoelen in het plan van aanpak.  Er zijn ontwikkelpunten geformuleerd ten behoeve van de verdere profilering van de supervisor in opleiding.  Er zijn alternatieven geformuleerd gericht op het zo zelfstandig mogelijk leren van de supervisant binnen supervisie.  De eigen vorm, klank en kleur worden onderbouwd met een theoretisch kader.

14/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

8 Locatie De opleiding vindt plaats aan de Hogeschool Utrecht, Faculteit Maatschappij en Recht, Heidelberglaan 7, 3584 CS Utrecht.

15/27


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

9 Groepsgrootte De groep bestaat uit minimaal 10 tot maximaal 18 deelnemers.

16/27


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

10

Literatuur

Verplicht: Jagt, N., Leufkens, N. en Rombout, T. (2006). Supervisie praktisch gezien, kritisch bekeken. Houten: Bohnn Stafleu van Loghum. Praag- van Asperen, H. van en Praag, P. van (Eds.) (2001). Handboek supervisie en intervisie. Leusden: De Tijdstroom. Regouin, W. en Siegers, F. (2005). Supervisie in opleiding en beroep; Verzameling tijdschriftartikelen uit de periode 1983-2002. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum. Ruiters, M. (2007). Liefde voor leren; Over diversiteit van leren en ontwikkelen in en van organisaties. Deventer: Kluwer. Aanbevolen: Banning, H. en Banning-Mul, M. (2010). Narratieve begeleidingskunde; Hoe het gebroken verhaal professioneel te waarderen. Soest: Nelissen. Budde, E. (2008). Wat woorden niet kunnen zeggen. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum. KĂśrver, S. en Regouin, W. (Red.) (2007). Professionele begeleiding en spiritualiteit; Pastorale supervisie nader verkend. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum. Tjin A Djie, K. en Zwaan, I. (2010). Beschermjassen, transculturele hulp aan families. Assen: Koninklijke Van Gorcum.

17/27 Š Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

11

Lesdagen

MDS1 Dag  1. 

Datum  Thema  05‐09‐2012  Contact‐contract; afspraken, regels, procedu‐ res en materiaal; de startfase van een super‐ visieproces. 

tijd  10‐17 uur 

2. 

19‐09‐2012  Verschillende begeleidingsvormen, leren,  leerstijlen, leerprocessen leerklimaat schep‐ pen.  Procesmatig denken en handelen. 

10‐17 uur  

3. 

03‐10‐2012  Reflecteren op werkervaringen en problema‐ 10‐17 uur  tiseren tot leermateriaal.  Integratie op 1e en 2e niveau.  De leerweg in supervisie.    24‐10‐2012  Socialisatieprocessen, projectie,  identificatie,  10‐17 uur   parallel processen, overdracht en tegenover‐ dracht herkennen en erkennen.  De werking van het referentiekader van  supervisor en supervisant.   

Francien Bruggink, Henri‐ ëtte Metsemakers en  Valentine Wijnen 

5. 

07‐11‐2012  Diversiteit vanuit caleidoscopisch perspectief. 10‐17 uur  Omgaan met diversiteit binnen supervisie.   

6. 

21‐11‐2012  Gevoelens, emoties, lichamelijk gewaarzijn,  focussen.  Het gebruik van metaforen. 

7. 

05‐12‐2012  Bewust communiceren.  10‐17 uur  handelingsrepertoire als supervisor: luiste‐ ren, samenvatten, vragen stellen, leerklimaat  scheppen.   interactie in supervisie: sturen, volgen, con‐ fronteren, non‐verbale vormen, strategisch  en communicatief handelen en omgaan met  conflicten in de bemiddelingsrol.  19‐12‐2012  Fasen in groepsontwikkeling; het werken aan  10‐17 uur  en met de groep. 

Francien Bruggink, Henri‐ ëtte Metsemakers en  Valentine Wijnen  Francien Bruggink, Henri‐ ëtte Metsemakers en  Valentine Wijnen  Francien Bruggink, Henri‐ ëtte Metsemakers en  Valentine Wijnen 

4. 

8. 

10‐17 uur 

9. 

09‐01‐2013  Positie innemen en hanteren van weerstand.  10‐17 uur  De roos van Leary. 

10. 

23‐01‐2013  Evalueren, beoordelen en afsluiten. 

10‐17 uur 

Docent  Francien Bruggink, Henri‐ ëtte Metsemakers en  Valentine Wijnen  Francien Bruggink, Henri‐ ëtte Metsemakers en  Valentine Wijnen 

Francien Bruggink, Henri‐ ëtte Metsemakers en  Valentine Wijnen 

Francien Bruggink, Henri‐ ëtte Metsemakers en  Valentine Wijnen  Francien Bruggink, Henri‐ ëtte Metsemakers en  Valentine Wijnen  Francien Bruggink, Henri‐ ëtte Metsemakers en  Valentine Wijnen 

18/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

MDS 2 Tijdens MDS 2 hanteren we een werkwijze uitgaande van het sociaal constructivisme. “Leren volgens het sociaal constructivisme is het ontwikkelen van het eigen kennissysteem op basis van de interactie met de eigen omgeving. Kennis wordt door constructivisten gezien als een individueel en uniek bezit van ieder mens, dat zich voortdurend ontwikkeld op basis van de interactie met zijn omgeving.”1 De kerngedachte van het constructivisme is dat leren altijd begint met de verkenning, bewustwording en activering van eigen voorkennis en kijk op de beroepspraktijk. Dat leren vindt plaats wanneer iemand in een voor hem betekenisvolle situatie een frictie ervaart tussen de eigen voorkennis en percepties en die van anderen en vervolgens gemotiveerd is die frictie op te lossen door doelgericht te leren, samen met medestudenten en docenten. Deze vorm van leren is cumulatief en de student geeft zelf sturing aan zijn leerproces. Leren is een ontdekkingstocht waarin je stap voor stap verder komt, stil staat bij wat je ontdekt en daarmee rekening houdt op je verdere tocht. We spreken daarom wel van een expeditiemodel.2 Thema’s en onderwerpen die aan de orde zullen komen:  ethische uitgangspunten en beroepsethiek;  het belang van supervisie in deze tijd;  grondhouding, waarden en normen van de supervisor; gedragscode voor supervisoren;  stromingen in supervisie en uw eigen profilering als supervisor;  inzicht in de verhouding tussen beroepsuitoefening van de supervisant en supervisie, het hanteren van de beroepscomponent in supervisie;  het organiseren van supervisie en het functioneren als supervisor in een organisatie;  contexten van supervisie: organisatie- en beleidsvraagstukken rond supervisie; het ontwikkelen van supervisiebeleid en het verantwoorden daarvan;  verschillende vormen van supervisie; individuele en groepssupervisie;  eigenheid: integratie 1e en 2e beroepssocialisatie; de mededelende supervisor;  het vormgeven van een eigen praktijk. Hiernaast bieden we de mogelijkheid voor een ieder om zich verder te ontwikkelen in specifieke supervisiekundige vaardigheden en methoden. (Hierbij valt te denken aan focussen, TA, NLP, Opstellingenwerk, Mindfullness, Metaforisch werken, de Oplossingsgerichte en de Narratieve benadering, etc.)

1

 Gertjan Sinke http://www.competentonderwijs.nl/Anderslerenandersorganiseren.htm

  2

 Sanden, J.M.M. van der (2001) Opleiden vanuit een constructivistisch perspectief. In: Kessels, J.W.M. & Poell, R.F. (Red) Human Resource Development: organiseren van het leren, Uitgeverij Samson, pp. 53-66  

19/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

De ‘expeditie’ aanpak: Vooraf worden n.a.v. de thema’s vragen, behoeftes en wensen geïnventariseerd. Op basis daarvan worden bijeenkomsten en/of workshops/ateliers georganiseerd. De deelnemers worden uitgenodigd om deze te organiseren en hieraan deel te nemen. Daarin krijgt iedereen de gelegenheid zijn persoonlijke talenten te tonen en nieuwe ervaringen op te doen. Openheid, betrokkenheid, gedeelde verantwoordelijkheid en zelfsturing kenmerken de werksfeer, waarin speelruimte ontstaat voor dialoog en het uitwisselen van ervaringen in een informele en inspirerende sfeer. De workshops duren gemiddeld twee uur waarna de resultaten, producten en/of werkstukken op een centrale plek gepresenteerd kunnen worden. Desgewenst wordt een toelichting gegeven op het eigen werk of wordt er feedback gegeven op dat van een ander. Het ‘expeditie’ proces wordt per thema ondersteund door experts, gastdocenten en/of acteurs.

20/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

Bijlage 1. HET COMPETENTIEPROFIELVAN EEN SUPERVISOR3 Het beroepsprofiel van de supervisor is uitgedrukt in competenties. Het profiel benadrukt de contextafhankelijkheid en moet gelezen en begrepen worden in het licht van de omschrijving van supervisie, met als uitgangspunt ‘waardegebonden handelen’. Het profiel is hiermee/door onlosmakelijk verbonden aan de bijlage, waarin de omschrijving van supervisie en de verantwoording is opgenomen. In deze context kan het competentieprofiel begrepen, gebruikt en gedragen worden. Het supervisorschap kan als één samenhangende competentie weergegeven worden: een bekwaam supervisor kan zelfstandig op een professionele wijze supervisie geven. De kunst van het superviseren wordt hierbij opgevat als het bij voortduring behartigen van een achttal aspecten, die altijd in supervisie aan de orde zijn. Deze aspecten worden door de supervisor steeds op een bij de context passende wijze, meer op de voor- of juist meer op de achtergrond geplaatst. Aansluitend op bovenstaande omschrijving gaat het om de volgende deelaspecten die aan de samenhangende competentie 'supervisorschap' zijn te onderscheiden: Een bekwaam supervisor kan en zal … waar nodig … 1. samenwerking met supervisant(en) op een productieve wijze vormgeven 2. omgaan met diversiteit van supervisanten; 3. faseren; 4. een krachtige leeromgeving scheppen; 5. de inbreng van een supervisant tot een supervisievraag ontwikkelen en houden en de begrensdheid daarvan ook bewaken 6. werkcontext, supervisiecontext en andere relevante contexten hanteren; 7. het eigen handelen als supervisor expliciteren en verantwoorden; 8. zelfstandig de eigen professionele ontwikkeling als supervisor vormgeven. In het vervolg van deze paragraaf worden de competentieomschrijving en de onderscheiden deelaspecten verder toegelicht. Deze aspecten zijn vooral nodig bij het gesprek over de kwaliteit van een bepaald supervisoroptreden. Deelaspect 1. De supervisor kan samenwerking met supervisant(en) op een productieve wijze vormgeven. De supervisor kan functionele samenwerking – dwz. op een contract en kader gebaseerde interactie - tot stand brengen en onderhouden. De supervisor schept voor die samenwerking de passende werksfeer, waar nodig empatisch en waar nodig confronterend. Hij/zij creëert de benodigde condities, maakt expliciet hoe een heldere wederzijdse taakverdeling tussen supervisor en supervisant eruit ziet in deze context en zorgt voor een passende omgeving om de door de supervisant beoogde doelen te bereiken. De supervisor is – waar nodig – in staat om wat er relationeel tussen supervisor en supervisant(en) gebeurt aan de orde te stellen (metacommunicatie). De supervisor onderzoekt en stimuleert, waar nodig, het committment van de supervisant om aan het afgesprokene in het contract te (blijven) werken en ook de begrensdheid daarvan te respecteren. Hij/zij kan grenzen trekken wanneer samenwerking (nog) binnen een supervisiekader niet zinvol of haalbaar is en kan ook de eigen beperkingen aangeven om bepaalde supervisierelaties (contracten) al dan niet aan te gaan. Waar nodig kan de supervisor wat zich aandient in de hier-en-nu situatie van een supervisiebijeenkomst benutten om de supervisievraag te 3

(Bron http://www.lvsc.eu/)

  21/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

actualiseren (kan daarbij gebruik maken van mogelijkheden tot ‘parallelprocessen’). Het hanteren van interactionele opgaven behoort vaak ook tot de werkcontext en taak van de supervisant. De supervisor kan ingeval van groepssupervisie de interactie van de supervisanten onderling en met de supervisor inzetten ten behoeve van gestelde doelen t.a.v. de werkcontext en heeft daartoe zelf heldere sturingsregels ter oriëntatie. Een supervisor kan de eigen sturingsregels ook desgewenst in communicatie brengen (transparantie bieden). Voorbeelden waaraan bij dit deelaspect gedacht kan worden: De supervisor kan en zal waar nodig... • de taakverdeling van supervisor en supervisant verhelderen • contact maken, d.w.z. wisselend met zichzelf (introspectie) en met de supervisant • de verwachtingen en het contract verhelderen • de eigen grenzen aangeven • de dubbele contractering met supervisant en opdrachtgever hanteren • aangesproken worden - vooraf dan wel achteraf - op overwegingen, keuzes en handelen als supervisor (transparantie) • de eigen reflection in action als supervisor expliciet maken • gespreksvaardigheden inzetten (o.a. gebruikmaken van – uitnodigingen tot metacommunicatie) • afwisselend inzetten op bestendigen en nuanceren • structuur en ruimte bieden (soepelheid voor het onverwachte) • gebruikmaken van empathie • kunnen confronteren • selectief en authentiek teruggeven aan supervisanten wat ‘verschil kan maken, wat er toe doet’ gebaseerd op eigen gewaarwording van wat zich afspeelt in de interactie met supervisanten • de interactie gebruiken om de supervisievraag te bewerken • veelzijdige partijdigheid vormgeven • voorstellen doen en gelegenheid bieden aan supervisanten om mee te sturen • onderscheid maken tussen inhoud, procedure en betrekkingsaspecten • bij meerdere supervisanten de onderlinge interactie stimuleren, gericht op leren van werkervaringen • afwisselend kunnen luisteren en initiëren (receptief - actief) • samenvatten of de supervisant(en) daartoe zelf uitnodigen • relevante vragen stellen en ruimte bieden tot reflecteren op interactie • afstand en nabijheid hanteren • feedback geven en ontvangen • zelf afspraken nakomen en erop toezien/signaleren dat de supervisant dat ook doet • concepten over weerstand herkennen, bekritiseren en die fenomenen zelf hanteren • concepten over overdracht en tegenoverdracht herkennen, bekritiseren en die fenomenen zelf als supervisor hanteren • zelf model staan in interactie als het gaat om contact maken en de 'ontmoeting met de vreemde Ander'. Deelaspect 2. De supervisor kan omgaan met diversiteit van supervisanten De supervisor kan zijn/haar optreden variëren naargelang de individualiteit van supervisanten. Hij/zij kan de bijzonderheden, grenzen en mogelijkheden van supervisanten herkennen vanuit hun achtergrond naar cultuur, sekse, klasse, leerstijl, gender, leeftijdsfase, ervaring, religie/levensbeschouwing. Een supervisor kan supervisanten ook stimuleren zelf met deze diversiteitbril op te leren kijken en hun waarnemingen te verdisconteren in hun handelen. Een belangrijk onderscheid is ook het kunnen hanteren van het verschil tussen aandacht voor het individu en voor het functioneren van de groep als geheel binnen supervisie. 22/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

Voorbeelden waaraan bij dit deelaspect gedacht kan worden: De supervisor kan en zal waar nodig.. • onderscheid maken tussen individu en groep en de eigen dynamiek ervan herkennen • overeenkomsten en verschillen zien tussen supervisanten • manieren van omgaan met verschil en overeenkomst herkennen en hanteren • verschil in leerstijl, cultuur, sexe, klasse, generatie, levensbeschouwing/religie, ervaring, opleidingsniveau herkennen en hanteren • kunnen onderhandelen • verschillende belangen en standpunten naast elkaar laten bestaan • eigen grenzen aangeven • onderscheid maken in meningen, belangen en principes • meta-communiceren over verschillen • het verschil tussen debat en dialoog onderscheiden en hanteren • eigen mate van affiniteit met werkvelden en vraagstukken herkennen om met vragen van een supervisant wel of juist niet ‘in zee te gaan’. Deelaspect 3. De supervisor kan faseren De supervisor kan variëren naar gelang de fasen van het supervisieproces (begin, midden, eind). Zowel voor het supervisietraject als geheel als per bijeenkomst. Onderdelen daarvan zijn o.a. het structureren van de tijd en van het leerproces; dit loopt van de timing van de volgende bijeenkomst en het structureren van de afzonderlijke bijeenkomsten tot een samenhangend geheel, tot keuzen van thema’s en stappen die nu het beste gedaan kunnen worden om het beoogde resultaat te kunnen behalen. De bedoeling van dit alles is dat de supervisant het belang van deze structurering in de supervisiebijeenkomsten en ook in het eigen werk herkent en onderkent en steeds meer zelf ook voor zijn/haar rekening gaat nemen. Voorbeelden waaraan bij dit deelaspect gedacht kan worden: De supervisor kan en zal waar nodig... • de opgave wat er per fase te doen staat herkennen en hanteren • structuur geven (begin, midden en eind) aan het traject en per bijeenkomst • beginnen • de verbinding van de ene bijeenkomst naar de volgende maken • het ritme van bijeenkomsten bewaken • afronden • plannen en beslismomenten daarin markeren • onderscheid maken in langere en kortere termijn Deelaspect 4. De supervisor kan een krachtige leeromgeving scheppen Het is de taak van een supervisor om zoveel als mogelijk beoogde leerprocessen te faciliteren en daarnaast ook oog te hebben voor ‘ongezochte vondsten’ ( als resultaten van onbedoeld leren). De supervisor stimuleert het supervisieleren en daaraan zijn de volgende aspecten te onderscheiden. De supervisor… _ biedt waar nodig zijn/haar begeleidingsexpertise aan, om de supervisant(en) zinvol zijn doelen te kunnen laten expliciteren en aan relevante praktijkmomenten te kunnen koppelen, om van daaruit aan te kunnen laten werken _ kan de supervisant stimuleren om het eigen leerproces op een dominant ervaringsgerichte manier aan te pakken _ stimuleert zoveel als mogelijk de zelfregulering van de supervisant t.a.v. het eigen leren van werkervaringen en past daar de eigen externe sturing op aan _ houdt ook rekening met contextsturing die relevant is en is er op gericht dat de supervisant dit in toenemende mate ook steeds zelf voor zijn/haar rekening neemt als deze dat nog niet zelf doet 23/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

_ houdt het leren van de supervisant gericht op leren van diens werkervaringen met het oog op optimalisering van diens kwaliteit van professionele werkuitvoering. Een supervisor zoekt ook naar passende manieren om de supervisant uit te nodigen in zijn/haar eigen werkcontext het eigen functioneren te onderzoeken en nodigt uit om mogelijkheden te vinden om in die praktijk te oefenen met dat wat beoogd wordt om te leren _ stimuleert het leren van en aan anderen (in supervisie en werk) _ kan opties voorleggen voor een mogelijk passend ontwikkeltraject (ontwerpen van stappen) _ kan input leveren op het punt van nuttige werkvormen die bij het leerproces bruikbaar zijn _ kan waar nodig stimuleren tot ‘leren van binnen naar buiten’, dwz leren met behulp van reflectie middels vragen / confrontaties support etc. _ blijft met regelmaat aandacht schenken aan de leeractiviteiten van de supervisant om gaandeweg de ontwikkelroute te blijven evalueren, bijstellen en monitoren van de voortgang van het leren en van kwaliteitsverbetering van werken in de richting van het beoogde resultaat _ kan uitnodigen om in groepsverband de interactie in de supervisiesituatie zelf te benutten ten behoeve van het leren van alle betrokkenen (leren van elkaar bevorderen). Voorbeelden waaraan bij dit deelaspect gedacht kan worden: De supervisor kan en zal waar nodig... • werkvormen aandragen die uitnodigen tot leren • voorstellen doen om een leerweg in stappen te kunnen verdelen • reflectie richten op gender, waardenoriëntatie en multiculturaliteit • reflectie richten: op bijvoorbeeld persoonlijke normen en waarden, op eisen en verwachtingen vanuit de werksituatie en op druk en appel vanuit beroeps- en maatschappelijke ontwikkelingen • reflectie richten op het kritisch bekijken van eigen functioneren van de supervisant(en) op het maken van verantwoorde professionele keuzes • behulpzame oefeningen bedenken en voor leggen • de aandacht richten op het consolideren van leerresultaten • hulp bieden om leervragen smart te maken • het leren van fouten faciliteren • tegenslag hanteren • de wil tot veranderen en angst voor verandering er beiden laten zijn • leeractiviteiten van een supervisant onderkennen (o.a. de motor aanzetten) • een reflectieverslag lezen er mee werken en weet wanneer dit nodig is • verschil naar leerstijlen hanteren • variëren naar externe sturing gezien de mate van zelfsturing van de supervisant • voorbeeldgedrag laten zien • onderscheid maken naar single loop, double loop en triple loop leren en kan dat herkennen in de vraag van de supervisant • supervisie op leren gericht houden eventueel naast oplossingsgericht werken • beoogde resultaten concretiseren en werkbaar maken • teleurstellingen herkennen en functioneel maken • onderscheid maken tussen doelen/resultaten en processen • stimuleren van zelfsturing als belangrijk kenmerk van dat resultaat • een helder onderscheid maken tussen externe sturing als supervisor en zelfsturing van de supervisant • resultaten monitoren (controle op de voortgang, eventueel bijsturen) • evalueren en beoordelen • resultaten zichtbaar maken • onderscheid maken in resultaat en wijze waarop dat behaald wordt • hoofd- en bijzaken onderscheiden en daarop sturen • realistisch beoordelen wat haalbaar is. 24/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

Deelaspect 5. De supervisor kan de inbreng van de supervisant in een supervisiecontext tot een supervisievraag maken en houden Het gaat hier om het kunnen taxeren welke vraagstellingen gebaat zijn bij een benadering via de methode supervisie. De vraag van de (a.s.) supervisant moet gerelateerd worden aan supervisie en/of andere begeleidingsvormen. Als supervisie als begeleidingsvorm zinvol is of geboden is (vanuit de context) moet bewaakt worden dat de geboden begeleidingsvorm supervisie blijft en zeker niet onbereflecteerd een overgang gemaakt wordt naar andere vormen van begeleiding. Bewaken dat het gaat over werk en (ervaringsgericht) leren van werk en zelfregulering daarin door de supervisant zelf. Het is hierbij nodig dat de supervisor zelf helder voor ogen heeft staan hoe supervisie ten opzichte van andere vormen van begeleiding afgebakend wordt. Voorbeelden waaraan bij dit deelaspect gedacht kan worden: De supervisor kan en zal waar nodig... • herkennen of de vraag van een (potentiële) supervisant een vraag is die zinvol m.b.v. de methode supervisie valt te bewerken • als de context aangeeft dat supervisie geboden is, ervoor zorg dragen dat het ook supervisie blijft (grenzen aangeven en eventueel doorverwijzen) • voortdurende gericht zijn op het onderzoeken van de wijze van waarnemen en betekenisgeving van de supervisant en de invloed daarvan op diens professionele handelen • stimuleren dat de supervisant het onderzoek van het eigen ‘raster’ zelfstandig ter hand neemt en komt tot handelingsalternatieven die als een verbetering van het eigen professionele handelen kunnen worden gewaardeerd • de basiscondities van supervisie verzorgen, zoals frequentie, pendel tussen leren en werken, aantal bijeenkomsten en ervaringsgericht, werkgeoriënteerd en reflectiegericht leren van werkervaringen • eigen beperkingen en mogelijkheden als begeleider/supervisor inschatten en eventueel in gesprek brengen • omgaan met life-events en inschatten wat de plek daarvan kan zijn • uitleggen en laten ervaren wat supervisie is in vergelijking tot andere vormen van begeleiding. Deelaspect 6. De supervisor kan de werkcontext, de supervisiecontext en eventueel andere relevante contexten in de supervisie hanteren De supervisor betrekt - vanuit een onafhankelijke of meerzijdig partijdige positie – aspecten die in verschillende contexten meespelen bij het supervisieleerproces van de supervisant. Van groot belang is hier de functie/organisatie en beroepscontext van de supervisant(en). Hij/zij nodigt de supervisant uit deze contextgevoeligheid vooral ook zelf te ontwikkelen, gericht op de beroeps-, opleidings- en organisatiecontext en de politiek/maatschappelijke context van de supervisant en zijn werk. Mochten in de loop van het leerproces ‘uitstapjes’ naar de privé-context van de supervisant nodig zijn, dan starten die vanuit een gerichtheid op werk- en leerdoelen. De bewerking van deze niet-werkervaringen geschiedt ook met het oog op verheldering van het functioneren in de werkcontext en verbetering van het handelingsrepertoire daarin of op het behartigen van de leercondities in supervisie zelf. De supervisor dient ook supervisie te kunnen organiseren en daarvoor de benodigde randvoorwaarden te kunnen creëren. Tevens dient een supervisor een bijdrage te leveren aan het verankeren van supervisie in het organisatiebeleid. De supervisor ziet supervisie ook in zijn eigen context (contractering in relatie tot de opdrachtgever). Hij/zij heeft oog voor beleidsaspecten en randvoorwaarden wat betreft de inzet van begeleiding - in het bijzonder van supervisie - en is in staat die zaken onder de aandacht te brengen van beslissers. Het komt er op neer dat de supervisor… _ kan werken met het relevante beroepsprofiel in de werkcontext van een supervisant en de daarmee samenhangende ethische implicaties _ kan werken met het beroepsprofiel van een supervisor 25/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

_ oog heeft voor de discrepanties tussen het eigen ‘beroep van oorsprong’ en de invloed daarvan op het functioneren als supervisor en de invloeden daarvan kan hanteren _ oog heeft voor beoordelingscriteria op basis van opleidings- en/of functie dan wel beroepsprofielen _ de supervisant uitnodigt om de supervisievraag ook te plaatsen binnen diens totale omgeving (systematisch kijken). Dit laatste punt betekent o.a. dat de supervisant gestimuleerd wordt om - naast de eigen drijfveren, missies emoties, overtuigingen en normen/waarden - ook relevante omgevingsfactoren (organisatie, culturen, beroep en maatschappij) te betrekken bij de eigen waarneming en betekenisgeving en de implicaties voor feitelijk en gewenst professioneel handelen. De supervisor bewaakt ook dat er door middel van tussentijdse opdrachten geoefend wordt in de concrete werkcontext: de werkcontext als bron van te onderzoeken ervaringen en als oefenmogelijkheid met nieuw gedrag. Voorbeelden waaraan bij dit deelaspect gedacht kan worden: De supervisor kan en zal waar nodig... • organisatorische en maatschappelijke ontwikkelingen signaleren • een actorgerichte en systeemgerichte manier van kijken hanteren • oefenmogelijkheden in de werkpraktijk bedenken • randvoorwaarden zien om resultaat van supervisie te consolideren in de organisatie • adviseren aan beslissers in de organisatie met betrekking tot de inzet van begeleiding • de grens bewaken van begeleiding en leidinggeven • als professional acquisitie plegen • contracteren met supervisanten en opdrachtgever • rekening houden met posities, communicatielijnen en procedures • de supervisant niet in loyaliteitsconflict met de organisatie brengen • de rapportage van resultaat van supervisie (liefst door de supervisant zelf) stimuleren • randvoorwaarden voor supervisie organiseren. Deelaspect 7. De supervisor kan het eigen handelen expliciteren en verantwoorden De supervisor is bereid en in staat om zijn eigen intenties te onderzoeken en in staat om, waar nodig, gemaakte keuzes en interventies duidelijk te maken en te verantwoorden. De supervisor kan expliciteren en verantwoorden en daarbij variëren - in taal/referentiekader - naargelang de gesprekspartner. De transparantie geldt vooral in de richting van de supervisant, zodat deze de kans krijgt zo optimaal mogelijk mee te sturen op inhoud en vormgeving van het supervisietraject, maar transparantie is ook nodig naar opdrachtgevers, collega’s en het ‘forum van professionals’. Voorbeelden waaraan bij dit deelaspect gedacht kan worden: De supervisor kan en zal waar nodig... • uitgangspunten van het vakgebied betrekken bij keuzes en handelen • alertheid en sensitiviteit laten zien voor gevolgen van eigen handelen op anderen • overwegingen, keuzes en handelen voorleggen • vooraf en achteraf aanspreekbaar zijn op eigen handelen • eigen overwegingen en optreden verantwoorden • overwegingen expliciet maken passend bij de gesprekspartner • eigen ‘normatief professionele‘ keuzes expliciteren en verantwoorden • reflecteren • openstaan voor feedback • zorgvuldig omgaan met informatie • zich houden aan relevante codes • de eigen ‘organiserende principes’ benoemen.

26/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post - HBO Supervisorenopleiding

Deelaspect 8. De supervisor kan zelfstandig de eigen professionele ontwikkeling vormgeven De supervisor kan een reële zelfbeoordeling maken en is in staat om keuzes te maken omtrent de eigen ontwikkelpunten, daar zelfstandig een ontwikkelweg voor te ontwerpen en ook daadwerkelijk verbeteracties te ondernemen. De eigen ‘doorgroeibekwaamheid’ wordt hiermee vormgegeven. Naar de mate van senioriteit van de supervisor kan dit ook uitmonden in het leveren van een bijdrage aan de beroepsgemeenschap van supervisoren (methodiekontwikkeling). Een supervisor is ook in staat zelf actief te participeren in een intervisiegroep met collegasupervisoren. Hij/zij is in staat daar een positie als lerende in te nemen en voor collega’s een leerzame omgeving te bieden.Voorbeelden waaraan bij dit deelaspect gedacht kan worden: De supervisor kan en zal waar nodig... • tijd maken voor eigen ontwikkeling • eigen verwachtingen expliciet maken m.b.t. eigen ontwikkeling • een reële zelfbeoordeling maken • prioriteren m.b.t. de eerstvolgende stappen • concrete afspraken maken en die ook daadwerkelijk vormgeven • anderen, waar nodig, inschakelen (netwerken) • weloverwogen risico’s nemen • kritisch zijn t.a.v. eigen prestaties • een passende leeromgeving voor zichzelf scheppen • eigen ervaringen en die van anderen benutten voor ontwikkeling • vragen om feedback en daar iets mee doen • zich op de hoogte houden van relevante ontwikkelingen op zijn vakgebied • deelnemen aan een intervisiegroep van supervisoren.

27/27 © Hogeschool Utrecht, Maart 2012, Versie 1


Studiegids Post-hbo supervisorenopleiding