Issuu on Google+

Marcia De Wachter

De concurrentiekracht in België/ Vlaanderen in Europees en wereldperspectief De opeenvolgende financiële crisissen die sinds 2008 het Europese continent teisterden – de bankencrisis met daarbovenop de soevereine crisis, gevolgd door acuut fragmentatiegevaar in de eurozone – hebben in het eurogebied hun tol geëist in de vorm van ‘zeven magere jaren’ met zeer bescheiden economische groeiperspectieven, hoge schuldgraden bij gezinnen1, ondernemingen en overheden en een ontrafeling van de sociale cohesie.

Een wereld in transitie China mag dan al het eurogebied economisch voorbijgestoken zijn als tweede wereldnatie, toch zetten ook de opkomende landen, en meer specifiek de BRIC-landen, dalende groeicijfers neer. Een eenmalige verklaring daarvoor is de conjuncturele terugval na een periode van uitzonderlijk krachtige groei in die landen, gekoppeld aan paniekreacties op de aankondiging tot tempering van het zeer soepele Amerikaanse monetair beleid. Maar structurele factoren zijn ongetwijfeld de trage of zelfs negatieve bevolkingsaangroei, ondermeer in China en Rusland, een schromelijk gebrek aan broodnodige hervormingen in hun financiële-, arbeids en productenmarkten en overcapaciteit in vastgoed en infrastructuur. Ook die landen schakelen door het afkalven van hun industrieel ontwikkelingsmodel naar een lagere versnelling. In de komende periode moeten de Belgische exporteurs daarom rekening houden met een structureel lager wereldgroeipotentieel en een veranderende exportmarkt ook naar de opkomende landen. In Euroland levert de weerslag van de financiële crisis een zeer verscheiden economisch landschap op met een bescheiden en erg ongelijkmatige groei: licht positief in de kernlanden, negatief in de rest van het eurogebied. Perifere landen zoals Portugal, Ierland, Italië, Griekenland en Spanje boekten sinds 2007 aanzienlijke competitiviteitsverbeteringen omdat ze de door de Trojka van ECB, EC en IMF opgelegde herstrucNvdr: Deze hoge schuldgraden zijn inderdaad een fenomeen op het geheel van de eurozone, maar niet per se toepasbaar op België. Het is een probleem dat zich veel acuter stelt in o.m. Griekenland, Spanje, Portugal en Ierland.

1

Concurrentiekracht 25


tureringsmaatregelen vrij strikt uitvoerden, met lagere lonen en hoge werkloosheid als gevolg, en daardoor betere netto exportprestaties en positieve betalingsbalansen realiseerden. Dat betekent ook dat goed opgeleide arbeidskrachten uit die landen hun diensten tegen aanzienlijk voordeliger loonvoorwaarden aanbieden in hun thuisland of wegtrekken richting Europese kernlanden op zoek naar beter betaalde banen. In de Verenigde Staten hebben ondertussen innovatieve extractietechnieken een ware schalieolie en -gasrevolutie ontketend die de energiekosten van dat continent tot slechts een derde van de Europese en Aziatische hebben herleid en van de VSA vanaf 2016 een energie exportland zal maken. Dit creëert niet alleen miljoenen banen in de energiesector zelf maar ook in de infrastructuurproductie en andere toeleveringsbedrijven en in de energie intensieve sectoren zoals chemie, farmaceutica en staalindustrie. Kortom, aan de ene kant heeft de Grote Financiële Crisis 2008-2013 en de mondiale weerslag ervan het Belgische en a fortiori het Vlaamse exportgedreven groeimodel bemoeilijkt. Aan de andere kant geeft de fors toegenomen internationale concurrentie op gebied van lonen, arbeidskrachten, energieprijzen en producten, zowel vanuit de Europese perifere landen als vanuit de VSA, een ferme ‘wake up call’ aan de Belgische en Vlaamse competitiviteitspositie.

De spiegel van de concurrentiekracht Tijdens de afgelopen vijftien jaar is het saldo van onze lopende betalingsbalans, ook wel de ‘spiegel van onze concurrentiekracht’ genoemd, geëvolueerd van een comfortabel overschot van ruim 5% van het BBP in de periode 1997-1999 naar een tekort van circa 2% van het BBP in 2011-2013. Met dat cijfer bevindt ons land zich op het Franse niveau en scharen we ons bij de kleine groep eurolanden die een tekort op de lopende betalingsbalans vertonen. Het valt op dat de afkalving van onze goederen en dienstenbalans zich vooral vanaf 2003 scherper heeft doorgezet. Grafiek 1 leert dat deze negatieve evolutie hoofdzakelijk is toe te schrijven aan de gevoelige verslechtering van onze goederenbalans.

26

Concurrentiekracht


Onze dienstenbalans vertoont immers continu een overschot van om en bij de 2 procent van het BBP en groeit de laatste jaren zelfs nog omwille van ‘diamanten’ waarover ons land beschikt. Eén daarvan is Brussel, de hoofdstad van Europa. De dienstverlening aan de talloze Europese instellingen en internationale organisaties, gekoppeld aan multinationals die hun hoofdzetel naar ons land gebracht hebben, is jaarlijks goed voor een miljardenoverschot op onze dienstenbalans. Tweede ‘diamant’ is onze geografische ligging aan de Noordzee die maakt dat Vlaanderen met zijn drie zeehavens en uitgebreid haveninterland een wereldspeler is in logistieke overslag.

Kostencompetitiviteit Helaas kan het overschot op de dienstenbalans het oplopend tekort in de goederenbalans niet compenseren. Dit omwille van twee factoren. Een daarvan is het verloop van de importkosten van minerale brandstoffen. In 1995 vertoonde die import slechts een tekort van 1% van het BBP, maar vanaf 2003 is dat gestaag opgelopen tot een dieptepunt van maar liefst -5% van het BBP in 2011 en nadien licht afgenomen tot 4,6% van het BBP in 2013. Die verslechtering heeft alles te maken met de exploderende wereldenergieprijzen die tussen 1995 en 2013 meer dan verviervoudigden. Tussen 2005 en 2011 ging het om prijsstijgingen van gemiddeld 9% per jaar.

Concurrentiekracht 27


Aangezien de Belgische economie structureel energie intensiever is dan die van de drie buurlanden (tabel 1) hebben die prijsstijgingen bijzonder zwaar doorgewogen, ondanks onze veel energiezuinigere productie en consumptie. Tabel 1

Energie intensiteit per eenheid toegevoegde waarde in procent BelgiĂŤ

Duitsland

Frankrijk

Nederland

Industrie

11 %

4%

5%

8%

Totaal

4%

1%

2%

2,2%

Hoewel de regering werk heeft gemaakt van matigingsmechanismen in de energieprijzen, door o.m. loskoppeling van de gas en elektriciteitsprijzen van de olieprijzen, grotere concurrentie tussen producenten enz. blijft de energiekost hoger dan bij de drie buurlanden, zowel voor burgers als voor bedrijven. Een coherent energie en bevoorradingsbeleid is zeker een uitdaging voor de volgende legislatuur. Een tweede verklarende factor van het goederentekort is het verlies van een deel van de automobielassemblage industrie in Vlaanderen. Hierdoor werd ons land nettoimporteur van transportmateriaal. De chemische, de farmaceutische en de transportsector hebben vooral te kampen met sterk gestegen energieprijzen, nog verergerd door het schaliegasvoordeel in de VSA. Het verlies aan marktaandeel en productiepotentieel in gemakkelijk imiteerbare goederen zoals in de maakindustrie moet in verband gebracht worden met de stijgende loonkosten. Uit een vergelijking van het relatief belang van die kostenstijgingen (tabel 2) blijkt echter dat tussen 2005 en 2011-2012 de energieprijzen veel sneller gestegen zijn en daarom sterker gewogen hebben op de af brokkeling van de goederenbalans dan de loonkosten. Tabel 2

1

Kostenstijging van energie en lonen 2005 2012 in procent Relatief belang in productiekost 2005

Relatieve kosten- Verschil in relatief stijging 2005 2012 kostenbelang

Energie

4,9

+ 54%

+2,7

Lonen

38,0

+ 2,4%

+1,0

1

Loonkost per eenheid product.

De gemiddelde loonhandicap per eenheid product die ons land sinds 1996 cumulatief heeft opgelopen ten opzichte van de drie buurlanden bedroeg in 2013 nog 12,6%. Het probleem stelt zich vooral sinds de eeuwwisseling in Duitsland, als gevolg van de zgn. Hartzmaatregelen (grafiek 2). Drukt men die loonkloof uit in termen van uurloonkosten in de private sector, dan bedraagt die volgens de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven 4,8%.

28

Concurrentiekracht


Onder impuls van minister president Kris Peeters werd een competitiviteitspact afgesloten om de loonkloof in de private sector tegen uiterlijk 2019 te dichten (tabel 3). Tabel 3

Overheidsmaatregelen en competitiviteitspact – periode 2013-2019 Impact 1.

Voor 2013 en 2014 bevriezing van de lonen boven indexering en baremastijgingen

0,9%

2.

Maatregelen die de stijging van het indexcijfer matigen

0,4%

3.

Vermindering van de patronale bijdragen aan de sociale zekerheid

1,0%

4. Loonsubsidies uitsluitend ter verbetering van de internationale concurrentiekracht (via vermindering bedrijfsvoorheffing)

1,8%

4,1%

Loonkloof private sector met drie buurlanden in 20131: 4,8% 1

Bron: CRB.

Een loonbevriezing gedurende twee jaar, maatregelen die het indexcijfer matigen, drie verlagingen van de patronale bijdragen van de sociale zekerheid ten belope van telkens 450 miljoen euro, in totaal goed voor 1% van de loonsom in de private sector, en loonsubsidies via lagere bedrijfsvoorheffingen en een gerichte loonkostenverlaging langs Vlaamse zijde, maken deel uit van dat pact. In totaal zal de loonhandicap daarmee worden teruggedrongen met 4,1% van de private loonsom, of 85 % van de loonkloof zoals vastgesteld in 2013.

Concurrentiekracht 29


Zoals het Globaal Plan Dat maatregelenpakket doet sterk terugdenken aan het fameuze ‘Globaal Plan’ dat in 1993 door de regering-Dehaene werd beslist. Ook toen was de nominale loonkost per werknemer in de privésector in vergelijking met 1987 ten opzichte van de drie voornaamste handelspartners met circa 3% gestegen. De ‘Groep van Wijzen’ die in de zomer van 1993 het globaal plan uittekende, voorzag twee onderdelen: een budgettair saneringsluik met een overheidstekort beneden 3% van het BBP, een ombuiging van de overheidsschuldratio en financiële leef baarheid van de sociale zekerheid, en een tewerkstellingsluik gebaseerd op een verbetering van het concurrentievermogen. Concreet werden volgende modaliteiten voorgesteld: een verlaging van de werkgeversbijdragen over de periode 1994-1996 ten belope van 1,2% van de loonmassa in de privésector en een loonindexering vanaf 1/1/1994 op basis van de zgn. gezondheidsindex. Het gezondheidsindexcijfer berekend vanaf 1/1/1993 lag in 1994 1,4% lager dan het algemeen indexcijfer. Voor de jaren 1995 en 1996 werd de totale weerslag hiervan op de loonmassa op 1,9% geraamd. Voor de periode 1994-2008 bedroeg de uiteindelijke weerslag van de gezondheidsindex 3,9% loonmatiging. Daarnaast werd beslist tot een blokkering in 1995 en 1996 van alle reële loonsverhogingen boven de ‘wage drift’. Aangezien in de periode 1990-1993 de jaarlijkse CAO loonstijgingen gemiddeld 1,9% bedroegen, werd de impact van de loonblokkering 1995-1996 op 3,8% geraamd. De patronale bijdrageverlaging, de gezondheidsindex en de loonblokkering leverden voor de periode 1994-1996 uiteindelijk een loonmatiging van 6,9% op per werknemer in de privésector. De twee episoden 1987-1993 en 2005-2012 leren dat de loonkosten in België moeilijk in bedwang kunnen gehouden worden in perioden van sterk stijgende energieprijzen en dat de overheid de sociale partners moet ter hulp komen om een gepaste looncorrectie te realiseren. In een nieuwe competitiviteitswet zou hieraan een structurele oplossing moeten worden gegeven.

Marktaandelen en banen Niettemin is het verlies aan marktaandeel dat vooral acuut was in 2010, tot stilstand gekomen en omgeslagen in verovering van nieuwe markten (grafiek 3).

30

Concurrentiekracht


Hoewel de goederenbalans nog niet uit de rode cijfers is, vooral omwille van de energieprijzen, is er een gunstige ontwikkeling in de netto uitvoer van goederen en diensten naar volume. Vlaanderen is met zijn aandeel van 83% in de Belgische totaaluitvoer de economische motor van ons land. De grote prioriteit die de minister president geschonken heeft aan het buitenlands beleid en de exportpromotie naar de vijf continenten heeft resultaat geboekt. Opvallend is daarbij de nieuwe Afrikastrategie die een exportgroei van maar liefst 18% heeft opgeleverd en die de mindere groei van de BRIC-landen ruimschoots heeft gecompenseerd. Toch heeft de loonkostenhandicap gewogen op de privésector, want sinds 2007 zijn nieuwe banen vrijwel uitsluitend in de overheidsdiensten, non-profit of met dienstencheques gecreëerd, terwijl in de buurlanden een derde van de nieuwe banen in de private sector gecreëerd werd. Dat wijst niet alleen op het loonkloofprobleem in onze private sector, maar ook op een mismatch van arbeidskrachten. In sommige Vlaamse regio’s is nu al sprake van een tekort aan arbeidskrachten terwijl het economisch herstel nog bescheiden is. Naarmate de loonkloof afgebouwd wordt, biedt de 6de staatshervorming en de pensioneringsgolf bij de federale ambtenaren een ‘window of opportunity’ om arbeidskrachten beschikbaar te stellen voor de private sector en de globale overheidssector slanker en efficiënter te maken. Dit moet kaderen in de verdere uitrol van de pensioen en arbeidsmarkthervormingen waarmee de regering gestart is. Uittredingen moeten de uitzondering worden en het geleidelijk optrekken van de effectieve pensioenleeftijd een verdedigbaar objectief.

Concurrentiekracht 31


Naar een kenniseconomie Competitiviteit wordt vanzelfsprekend niet alleen in termen van kosten uitgedrukt, maar ook in termen van een waaier aan elementen die ‘s lands innovatiekracht beïnvloeden: infrastructuur en mobiliteit, uitgaven aan O&O, innovatieprestaties, ondernemerschap en factoren die dat beïnvloeden, bv. administratieve en fiscale verlichting en voldoende toegang tot risicokapitaal en krediet. Gemiddeld gesproken scoren België en a fortiori Vlaanderen goed tot zeer goed op die indicatoren en enkele uitschieters daartussen verdienen in de kijker gezet te worden. Doordat vier Centers of Excellence gecreëerd zijn in hoogtechnologische domeinen, nl. IMEC, VITO, iMinds en VIB, is er een formidabel vruchtbare kruisbestuiving op gang getrokken tussen die onderzoekscentra en hun universiteiten en hogescholen, tussen talloze innovatieve ondernemingen en spin-offs, en de overheid. Die ‘triple helix’ maakt dat Vlaanderen wereldnichespeler geworden is in o.m. nanotechnologie, life sciences, maakindustrie en audiovisuele technologie, clean tech en logistiek. Het Nieuw Industrieel Beleid van de Vlaamse regering, gekoppeld aan de waaier van innovatiebevorderende projecten gebundeld in Vlaanderen in Actie, heeft onze ondernemingen impulsen gegeven om aan continue product en procesinnovatie te doen. De helft van onze ondernemingen zijn op dat vlak innoverend, meer dan in Nederland en Frankrijk (grafiek 4), ruim 10% boven het Europees gemiddelde. Het heeft ertoe geleid dat de technologie intensiteit in onze business sector met 20,2% sterk aansluit bij die van Duitsland met 29,3% tegenover slechts 13,7% en 14,8% voor Nederland en Frankrijk.

32

Concurrentiekracht


Ook qua hoogtechnologische en kennisintensieve diensten ligt ons aandeel op een iets hoger niveau dan dat van Duitsland (27%) (grafiek 5).

Vlaanderen heeft als innovatieve motor van België alle ingrediënten om een succesvolle transformatie naar een kenniseconomie te maken. Ruim 550.000 kenniswerkers zijn al actief in ons land, 100.000 meer dan bij de eeuwwisseling. Dat is 12,2% van de werkende bevolking. Elke kenniswerker brengt vier nieuwe banen met zich mee in de toeleverende sectoren. Het komt er nu op aan zowel de kostencomponenten in onze private sector duurzaam in lijn te brengen met de drie buurlanden en de vruchten van onze ‘stille innovatiegolf ’ en van onze ‘stille kampioenen’ uit te dragen over de vijf continenten. [Marcia De Wachter is directeur van de Nationale Bank van België.] marcia.dewachter@nbb.be | Twitter: @mdewachter2

Concurrentiekracht 33


Jg2 nr3 dewachter