Page 1

Lien De Vos

Het onderwijs voor iedereen gelijk? De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen La chance d’avoir du talent ne suffit pas. Il faut encore le talent d’avoir de la chance. Hector Berlioz

Volgens het Verdrag inzake de Universele Rechten van het Kind heeft elk kind recht op onderwijs, en dat onderwijs moet gericht zijn op de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, de talenten en de geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind. De school heeft daarin een belangrijk aandeel: ze draagt in onmiskenbare mate bij aan de persoonlijkheidsvorming en ontwikkeling van elk kind. Ze moet dan ook aan elk kind goed en aangepast onderwijs verlenen, rekeninghoudend met ieders capaciteiten en talenten. Maar hoe haalbaar is dat eigenlijk? Ik verwijs naar het inleidend citaat: volstaat het om talent te hebben, of is er ook geluk nodig? Niet zelden hebben sommige kinderen al van bij hun geboorte een achterstand tegenover andere kinderen, simpelweg omdat ze geboren worden in een omgeving die arm is. En daar knelt het schoentje: wat als de kansen op maximale ontplooiing van je eigen persoonlijkheid gefnuikt worden omwille van je lage socio-economische achtergrond? Wat als datgene dat in wezen voor iedereen gelijk hoort te zijn, eigenlijk sociale ongelijkheid – willens nillens – bestendigt of zelfs verscherpt?

In theorie zou iedereen via onderwijs de kans moeten krijgen om zijn plaats in te nemen in de maatschappij, zichzelf te ontplooien en te vormen zonder remmingen of beperkingen. In werkelijkheid blijkt dat kinderen die in armoede leven sterk benadeeld zijn door de manier waarop scholen vandaag de dag werken (Geerts et al 2013). In deze paper wil ik graag een licht werpen op die sociale ongelijkheid in het onderwijs en nagaan in welke mate onderwijs een hef boom kan zijn om kinderen uit (kans)arme milieus integraal te laten participeren en ook aan hen de mogelijkheid kan bieden zich volledig te ont-

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen 83


plooien. Eerst en vooral schets ik de status quaestionis,, gevolgd door een aantal (onder meer door de Vlaamse Onderwijsraad vooropgestelde) aanbevelingen voor scholen en leerkrachten. Daarna zal ik dieper ingaan op onder meer de rol van het OCMW inzake de fi nanciële ondersteuning, om tot slot over te gaan tot een bespreking van wat mijns inziens onontbeerlijk is in de strijd tegen kinderarmoede: samenwerking.

Kinderarmoede en onderwijs in Vlaanderen Het is een navrante vaststelling dat we er maar niet in slagen kinderarmoede in Vlaanderen afdoende te bestrijden: de Armoedebarometer 2013 geeft aan dat in Vlaanderen 9,7% van de kinderen in een kansarm gezin wordt geboren. Even schrijnend is de vaststelling dat dit ook op school de harde realiteit is: enkele maanden geleden nog trokken de stad Gent en de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) aan de alarmbel omdat steeds meer kinderen naar school komen met een lege maag en dito brooddoos. En ondanks de invoering van een maximumfactuur nemen heel wat leerlingen niet deel aan een uitstap omwille van de (vaak bijkomende) kosten. Armoede is echter meer dan een tekort aan geld en de rechtstreekse implicaties die dat met zich meebrengt. Het gaat om een netwerk van sociale uitsluiting – zich uitstrekkend over meerdere, zoniet alle gebieden van het individuele en collectieve bestaan – in die mate zelfs dat mensen in armoede gescheiden worden van de algemeen aanvaarde leefpatronen van de samenleving. En dat heeft ook repercussies in het onderwijs: onderzoek heeft al veelvuldig gewezen op het verband tussen de socio-economische status van ouders en het schoolse presteren van hun kinderen. Reeds van in de kleuterschool lopen kinderen met een kansarme achtergrond een hoger risico op leerachterstand, een achterstand die veel hardnekkiger blijkt dan de achterstand veroorzaakt door de (niet-Nederlandse) thuistaal (VLOR 2013). Nog frappanter is dat kansarme kinderen vijf tot zes keer meer kans hebben om te worden doorverwezen naar het buitengewoon onderwijs. Daarenboven komt 85% van de leerlingen in het beroepssecundair onderwijs uit een lager sociaal-economisch milieu. Een dergelijk cijfer is te hoog om ervan uit te kunnen gaan dat andere factoren deze keuze in diezelfde mate hebben beïnvloed. Dat is ook genoegzaam bekend: een van de doelstellingen van het Masterplan voor de hervorming van het secundair onderwijs, is ervoor te zorgen dat de school- en studiekeuze berust op inzicht, interesse en capaciteiten van de leerling, en dus onafhankelijk van sociaal-economische en sociaal-culturele status. Dat is een nobel voornemen, maar in de praktijk zal dit mogelijk stuiten op een aantal – al dan niet overbrugbare – hindernissen.

84

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen


Armoede niet met geld te koop: wat de school kan doen Uit een recente publicatie van de VLOR blijkt dat de integratie van kinderen uit kansarme gezinnen een structureel probleem is, dat vaker niet dan wel met geld kan worden opgelost. Terwijl CD&V ervoor pleit de sociale ongelijkheid blijvend op de voorgrond te stellen in het onderwijs, en op zoek te gaan naar talent in die groepen waar dat talent vandaag ‘onderbenut’ blijft, vraagt de implementatie van incentives die dit probleem ten gronde aanpakken, doorgedreven hervormingen in zowel de vorming van leerkrachten als het schoolbeleid. We moeten zowel scholen als hun onderwijzend en opvoedend personeel ondersteunen en versterken met het oog op een betere aanpak van kinderarmoede. Het ontbreekt leerkrachten namelijk vaak aan vaardigheden om op een passende manier om te gaan met kinderen in armoede: het vraagt specifieke kennis over armoede, over de leefwereld van die kinderen, over hoe bepaalde gedragingen te interpreteren. Als die kennis ontbreekt, dan worden signalen misschien verkeerd geïnterpreteerd. Kinderen in armoede hebben bijvoorbeeld vaker concentratieproblemen, die in een bepaalde mate veroorzaakt worden door onder meer onevenwichtige voeding en stress. Leerkrachten zouden dit echter kunnen interpreteren als gebrek aan interesse of motivatie, wat de ongelijkheid dan weer verscherpt. Kansarme kinderen vertonen dikwijls ook gedragsproblemen omdat ze merken dat ze niet zijn zoals andere kinderen: ze zijn vaker teruggetrokken of agressief, bouwen moeilijker een vertrouwensrelatie uit met de leerkracht, zijn impulsiever, geraken vlugger ontmoedigd en verwachten minder van hun eigen prestaties. Naast aandacht voor deze gedragsproblemen – en een specifieke aanpak ervan – is ook het leerklimaat van belang (VLOR 2013). Zo zijn kansarme kinderen gebaat bij het krijgen van voldoende instructies en hebben ze nood aan focus op de inhoud (veeleer dan een focus op rust en orde in de klas). Ook klasgrootte (geen te grote klassen) en voldoende afwisseling in de groepsvorm (belang van groepswerk) zijn zaken die kunnen bijdragen aan het welzijn en de schoolse prestaties van kinderen met een lage sociaal-economische achtergrond (VLOR 2013).1 Dit alles vraagt om een adequate aanpak: de rol van de school en leerkrachten als tegengewicht ten opzichte van de nadelige implicaties van een lage sociaal-economische status mag niet worden onderschat. Ze kunnen wel degelijk een positieve impact hebben op de schoolprestaties én het welbevinden van kinderen uit kansengroepen. Het is dan ook zeer belangrijk om leerkrachten hierin beter te ondersteunen door aangepaste vorming, zowel binnen de opleiding tot leraar als tijdens de loopbaan. Dergelijke nascholingen bestaan weliswaar al: zo organiseren zowel het katholiek als het gemeen-

Daarmee is uiteraard niet gezegd dat andere kinderen bij zulke zaken geen baat hebben. Echter voor kansarme kinderen kunnen dergelijke maatregelen zeer effectief en welzijns- en prestatiebevorderend zijn..

1

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen 85


schapsonderwijs vormingsdagen of trajecten op school met als doel inzichten inzake kinderarmoede aan te reiken en leerkrachten te sensibiliseren over wat armoede betekent voor de dagelijkse klaspraktijk. Maar zulke initiatieven zijn misschien te vrijblijvend. Als we willen inzetten op het wegwerken van sociale ongelijkheid dan moeten we gericht investeren in zij die daarin een belangrijke rol kunnen spelen. Doorgedreven vorming inzake kinderarmoede zou bijvoorbeeld geïntegreerd kunnen worden in de lerarenopleiding. Een hervorming van de lerarenopleiding, zoals in de Innestocongresteksten van CD&V voorgesteld, met onder meer het trainen van leerkrachten vanuit een brede maatschappijvisie met oog voor de diversiteit in de samenleving – waarbij de leerling en het leerproces centraal staan, naast het vak en de leerinhoud – lijkt mij in dat opzicht een goed begin. Maar ook het schoolbeleid moet in die mate worden aangepast dat het ruimte laat en kansen geeft aan alle kinderen met eender welke achtergrond. Scholen zouden daarbij voldoende aandacht moeten besteden aan sociaal-emotionele aspecten en het creëren van een warm schoolklimaat waarin elk kind zich thuis voelt (VLOR 2013). Zowel de school als de leerkrachten moeten ervan overtuigd zijn dat ze wel degelijk het verschil kunnen maken en de leerlingen effectief kunnen helpen om beter te presteren en op die manier los te komen van de negatieve repercussies van hun sociaal-economische achtergrond. Bovendien zorgt dit er ook voor dat kinderen de school en de leraren meer als een vertrouwenspersoon zullen beschouwen, en hun problematiek zullen durven aankaarten of hulp vragen. Terwijl kinderen het meest baat hebben bij onderwijs met een sociaal inclusief schoolklimaat, ondersteunende relaties met leeftijdsgenoten en goede resultaten met een laag stressniveau, blijkt de meerderheid van kinderen die in armoede leven niet graag naar school te gaan (VLOR 2013). Scholen sensibiliseren om kinderen uit kansengroepen volledig te integreren, daarbij gebruik makend van een goede omkadering, moet dan ook een prioriteit zijn in de strijd om sociale ongelijkheid te elimineren. Vanzelfsprekend kan het niet de bedoeling zijn om nog meer druk te leggen op de schouders van school en leerkrachten, want zij staan heden ten dage al voor zo veel complexe uitdagingen. Maar het is wel de plicht van scholen om onderwijs te garanderen dat voor iedereen gelijk is. En gezien de verregaande impact die (fi nanciële) deprivatie heeft op het leven, het welzijn en de toekomst van kinderen, kunnen we niet anders dan veeleisend zijn. Toch kunnen we dit probleem niet zonder meer toevoegen aan de ongetwijfeld lange lijst van aandachtspunten die scholen en leraren in acht zouden moeten nemen: we moeten hen daarin ondersteunen, stimuleren en vormen. Dat kan onder meer door de scholen als het ware terug te geven aan de directies en leerkrachten: door

86

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen


hen te ontlasten van (onnodige) administratieve beslommeringen, kan er ruimte worden gecreëerd om te focussen op de kinderen, en ook kinderarmoede de nodige aandacht te geven.

“Geld strijkt alle oneffenheden glad” (Fjodor Dostojevski) Hoewel armoede méér is dan een gebrek aan geld, is dat laatste vaak wel de oorzaak van heel wat ongelijkheid, zelfs in het onderwijs dat in wezen kosteloos zou moeten zijn. Het is niet alleen schrijnend maar eveneens stuitend dat kinderen soms naar het buitengewoon onderwijs worden geadviseerd, als alternatief wanneer de ouders geen beroep kunnen doen op buitenschoolse hulp. In het buitengewoon onderwijs is die hulp – bijvoorbeeld logopedie – inbegrepen en hoeven ouders niet bijkomend te betalen, wat soms als argument voor een oriëntatie wordt aangewend (Van Den Eede 2012). Alle kinderen met specifieke onderwijsbehoeften hebben nood aan en recht op een actief zorgbeleid, maar recent is gebleken dat bijvoorbeeld GON- of ION-begeleiding vooral wordt aangewend voor kinderen uit de middenklasse (Petry et al 2013)2 . Zoiets is onaanvaardbaar. Niet alleen de zware fi nanciële belasting van buitenschoolse hulp maar ook de voor kwetsbare ouders ingewikkelde toegankelijkheid van informatie inzake (verhoogde) tegemoetkomingen van onder meer het ziekenfonds, zorgen ervoor dat deze vorm van hulpverlening tekortschiet daar waar ze doorgaans zeer hard nodig is. Een sociale toeslag in de kinderbijslag en het integreren van studietoelagen, zoals CD&V voorstelt, zijn maatregelen die in deze problematiek zeker efficiënt zouden kunnen zijn. Ook OCMW’s hebben bepaalde subsidies voorhanden: sinds 2003 krijgen zij subsidies van de federale overheid om de culturele, sportieve en sociale participatie van hun cliënten te bevorderen. Die subsidie werd in 2010 aanzienlijk verhoogd in het kader van kinderarmoedebestrijding. De bedoeling ervan is dat de mensen die voor deze subsidies in aanmerking komen, kunnen deelnemen aan cultuur, sport en informatieen communicatietechnologie, wat dan een opstap kan betekenen naar een volwaardige deelname aan de samenleving. In het kader van kinderarmoede wordt de subsidie ook aangewend voor een aantal andere zaken zoals de aankoop van schoolmateriaal of pedagogische hulpmiddelen en spelen, of psychologische en paramedische ondersteuning (psychotherapie, logopedie etc.). Kinderen uit kansengroepen krijgen op die manier de mogelijkheid om op een zo normaal mogelijke manier kind te zijn: ze kunnen net zo goed bij de jeugdbeweging, een sportclub, of naar een theatervoorstelling als andere kinderen. 3 En bijkomende hulpver-

2 GON staat voor geïntegreerd onderwijs waarbij de leerling hetzelfde traject volgt als de andere leerlingen - mits extra begeleiding. ION staat voor inclusief onderwijs, waarbij leerlingen eigen doelstellingen krijgen. 3 Want ook de toegang tot spel, vrije tijd en ontspanning is een belangrijke hefboom in de strijd tegen kinderarmoede.

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen 87


lening als logopedie hoeft geen fi nanciële drempel meer te impliceren. Vlaanderen zet sterk in op kostenbeheersing in het basis- en secundair onderwijs, door scholen meer middelen toe te kennen en bovendien een maximumfactuur op te leggen. Zo mag een basisschool voor zogenaamde ‘extraatjes’ als uitstappen, een tijdschrift, een museumbezoek, etc. maar 20 euro per jaar en per leerling aanrekenen voor kleuters en 60 euro per jaar per leerling voor leerlingen uit het lager onderwijs. De school kan wel nog geld vragen voor diensten zoals opvang, maaltijden, drankjes enz. indien ouders daarvan gebruik maken. In het secundair onderwijs kan de schoolrekening aanzienlijk oplopen, met een gemiddelde van 978 euro per leerling per jaar.4 Ook hiervoor kunnen cliënten van het OCMW een beroep doen op fi nanciële tussenkomsten, afkomstig van die federale subsidie. 5 Echter niet alle kansarme kinderen en gezinnen zijn cliënt van het OCMW. Ze lijken dan misschien wel in staat schoolfacturen te betalen en te voorzien in bepaalde behoeften, maar dat gaat vaak ten koste van andere uitgaven, die zij noodgedwongen uitstellen of vermijden. Er is mijns inziens dus nog ruimte om de manier waarop die subsidies aangewend worden, structureel te verbeteren. In kleine(re) gemeenten wordt dikwijls vastgesteld dat de huidige subsidies volstaan om de noden te lenigen. De gebruikers behorend tot de doelgroep zijn doorgaans goed op de hoogte van het bestaan ervan, maar toch blijft het gebruik van de subsidies dikwijls beperkt tot een relatief kleine groep cliënten.6 Er zijn ongetwijfeld veel mensen die geen hulpvraag stellen, doch ook nood hebben aan een duwtje in de rug. Net in die kleine(re) gemeentes vormt dat een onderdeel van het probleem: de anonimiteit is veel beperkter of onbestaande, en de drempel om naar een instelling als het OCMW te stappen – zelfs al gaat het enkel om beperkte tussenkomsten – blijft een horde die voor velen moeilijk te nemen is. Aankloppen bij het OCMW vergt bovendien enigszins het opzijzetten van hun trots, een van de waarden die zij – dikwijls net omwille van hun moeilijke situatie – hoog in het vaandel dragen. Vanuit mijn ervaring als raadslid weet ik dat het OCMW en de gemeente proberen zo goed mogelijk te communiceren met scholen en CLB’s, omdat zij dicht(er) bij kansarme leerlingen staan en dus een beter inzicht hebben in kansarmoede. Toch blijkt die vraag om kansarme gezinnen door te verwijzen opdat zij gepaste hulp kunnen krijgen niet altijd even effectief, zonder hierbij de school of pakweg het CLB met de vinger te willen wijzen. Het is nu eenmaal allerminst gemakkelijk om kinderen – en dan vooral de ouders – van wie men vermoedt dat ze in een fi nancieel penibele situatie zitten, te

Bron: www.ond.vlaanderen.be. Via de Vlaamse subsidies (beheerd door de gemeente, doch in samenspraak met het OCMW) wordt ook tussengekomen in schoolfacturen, hoewel eerder beperkt. 6 Het is natuurlijk bijzonder moeilijk om een inschatting te maken van het aandeel dat deze gezinnen uitmaken in het totaal van kansarme gezinnen in een gemeente. 4 5

88

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen


wijzen op het bestaan van dergelijke subsidies. Detectie van kinderarmoede is allesbehalve evident, wat maakt dat de problematiek in kleine(re) gemeentes daarom nog meer verdoken en moeilijker aan te pakken is7. Een geïntegreerde aanpak, gestoeld op een samenwerking tussen de verschillende lokale actoren (cf. volgende paragraaf ), zou dan ook soelaas kunnen brengen.

Samenwerking: een onontbeerlijke troef Wat van onmiskenbaar belang lijkt te zijn, is dus een degelijke en gedragen samenwerking tussen verschillende betrokken instanties. Verschillende (lokale) instanties beschikken wel over cijfers met betrekking tot armoede, maar informatie is dikwijls versnipperd waardoor een globale visie en doelstelling ontbreken. Het is nochtans zeer belangrijk om een zo breed mogelijk draagvlak te creëren: een goed functionerend netwerk is een belangrijke voorwaarde in de strijd tegen kinderarmoede. En zowel lokaal als bovenlokaal zijn er heel wat actoren actief die een significante meerwaarde kunnen betekenen. Een overlegplatform kan daartoe een zeer effectief middel zijn: het maken van afspraken, ontwikkelen van een gezamenlijke visie en doelstellingen en bespreken wat zal worden uitgevoerd en door wie (Geerts et al 2012). De recent toegekende subsidies ter ondersteuning van lokale overlegplatformen voor de preventie en ondersteuning van kinderarmoede, zullen volgens mij dan ook – hoewel ze nog geëvalueerd zullen worden – hun nut bewijzen. 8 Een overlegplatform moet leerkrachten en zorgverstrekkers ervaringen laten delen, advies geven en concreet ondersteunen bij individuele en collectieve problemen. Het moet partners binnen de gemeente sensibiliseren over armoede en informeren over de lokale hulpverlening. Een initiatief rond kinderarmoede maakt namelijk pas echt kans als genoeg mensen overtuigd zijn van de noodzaak ervan en als het initiatief door genoeg individuen en organisaties wordt gedragen. Er zijn talloze voorbeelden van samenwerkingsverbanden, onder meer de zogenaamde Huizen van het Kind: een kwaliteitsvol partnerschap tussen verschillende lokale organisaties, met uiteenlopende diensten voor ouders en kinderen. Een huis dat per regio kan verschillen en dat niet per se overal hetzelfde aanbod heeft, maar wel telkens dé lokale informatie- en ondersteuningsplaats voor ouders wordt. Er is dan bijvoorbeeld plaats voor een consultatiebureau, een kinderopvanginitiatief, een babysitdienst, de plaatselijke Gezinsbond, een opvoedingswinkel, lezingen, workshops, etc. Een ander voorbeeld is het concept van ‘brede school’: een brede school is een samenwerkingsverband tussen verschillende sectoren waaronder één of meer

7 Niet toevallig probeert ook Welzijnszorg plattelandsarmoede onder de aandacht te brengen met de campagne ‘Armoede (op den) buiten’. 8 Bron: www.mi-si.be.

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen 89


scholen die samenwerken aan een brede leer- en leefomgeving op school en in de vrije tijd met als doel maximale ontwikkelingskansen voor alle kinderen en jongeren. Een allesomvattende strategie in de strijd tegen kinderarmoede hoeft geen onhaalbare kaart te zijn, zo bewijst de gemeente Zottegem. Het OCMW van Zottegem neemt het voortouw om de krachten, de expertise en de middelen te bundelen met het oog op een daadkrachtigere en efficiëntere aanpak. Samen met een aantal zogenaamde sleutelpartners (CAW Aalst en CKG Zonneheuvel) en netwerkpartners (onder meer Kind & Gezin, de CLB’s en de voorzitters van het netoverschrijdend scholenoverleg) schuift het een kinderrechtenplan naar voren – acties voor zowel kinderen als ouders – dat vijf belangrijke doelstellingen beoogt. Tot die doelstellingen behoren onder meer het benaderen van de armoedeproblematiek vanuit de volledige gezinscontext waarbij het belang van het kind steeds centraal staat, en diverse gezins- en opvoedingsondersteunende initiatieven om te zorgen voor een breed draagvlak voor het plan en om de diverse werkingen op elkaar af te stemmen. Deze doelstellingen worden dan omgezet naar een compleet plan van aanpak: het recht op een veilige (t)huisomgeving, het recht op onderwijs, het recht op vrijetijdsparticipatie en het recht op gezondheid. Inzake onderwijs voorziet het OCMW bijvoorbeeld een aanbod van huiswerkbegeleiding en opvoedingsondersteuning aan huis. De Zottegemse basisscholen, CLB’s en netwerkpartners leiden de gezinnen met kinderen in de derde kleuterklas en basisschool naar de maatschappelijk werker van het OCMW, die dan op zijn of haar beurt de gezinnen bezoekt en het aanbod voorstelt. Een doeltreffende strategie werkt dus op meerdere domeinen tegelijk. Een geïntegreerde, alomvattende en multidimensionale strategie doorkruist idealiter verschillende niveaus (het gezin, de bredere leefomgeving en de organisatorische omgeving) en de verschillende beleidsdomeinen (werkgelegenheid, uitkeringen, toegang tot een kwaliteitsvolle woning, gezondheidszorg en sociale dienstverlening, kinderopvang, toegang tot onderwijs, vrijetijdsbesteding, gezinsondersteuning etc.). Een sleutelrol lijkt mij hierin weggelegd voor het OCMW, dat gezien zijn expertise en mogelijkheden, het geschikte profiel heeft om een belangrijke (coördinerende) functie te vervullen. De scholen zijn hierin bij uitstek de geschikte partner, omdat ze door het dagelijkse contact met de kinderen het dichtst bij de problematiek staan en dikwijls de eersten die de kinderarmoede (zouden moeten) kunnen detecteren.

Tot slot Kinderarmoede zal – helaas – niet afnemen door een onderwijs aan te bieden dat beter is afgestemd op de specifieke noden van kansarme kinderen. Binnen verschillende beleidsdomeinen moet worden samengewerkt aan een geïntegreerde aanpak. Maar dat

90

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen


neemt niet weg dat we er toch naar kunnen streven van de school een plek te maken waar alle kinderen zich goed voelen. En bovenal gelijkwaardig. Enkel op die manier kunnen we kinderen versterken, door hen de mogelijkheid te geven zichzelf te ontplooien en hun talenten te benutten, in de hoop generatiearmoede te doorbreken. Haud facile emergunt quorum virtutibus obstat res angusta domi. (Niet gemakkelijk werken zij zich op, die met ongunstige huiselijke omstandigheden te maken hebben) Hector Berlioz

[Lien De Vos was lid van de CD&V Politieke Academie 2013, een intern vormingstraject voor jonge politici. Haar paper werd, samen met die van Neal Van Loock, door een vakjury gekozen als beste paper. Lien De Vos is doctoranda in Taal & Letteren aan de Université de Liège en OCMW-raadslid voor CD&V in Hamme] lien.devos@ulg.ac.be | Twitter: @liendevos

Literatuurlijst: Geerts, Anneline, Danielle Dierckx en Lief Vandevoort. 2012. Elk kind telt. Informatie en inspiratie voor lokale actoren in hun strijd tegen armoede. Petry K., Ghesquière, P., Jansen, D. & Vanhelmont, L. 2013. GON en ION anno 2012 (OBPWO 10.01) beleidssamenvatting. Teller, Michel. 2012. Kinderarmoede in België. Een gids voor schenkers. Van Den Eede, L. 2012. Perceptie van onderwijsactoren op de doorverwijzing van kansarme kinderen naar het buitengewoon onderwijs. VUB. Vlaamse Onderwijsraad. 2013. Advies over kinderen in armoede.

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen 91

Jg2 nr3 devos  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you