Issuu on Google+

Respons: Chris Serroyen

Voorpaginatoets of spelregels? De bijdrage vanuit VKW zet iedereen die hoge verwachtingen koesterde ten aanzien van het maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), met de voeten op de grond. Niks te verantwoorden, lijkt de onderliggende boodschap. Je moet niet zozeer hetgeen je als onderneming doet achteraf verantwoorden naar de stakeholders toe en in functie daarvan bijsturen, maar veeleer omgekeerd: in dialoog treden met de stakeholders, om op die basis autonoom je eigen waardepatroon te ontwikkelen en er vervolgens naar te handelen. Met dan als toetssteen niet zozeer de stakeholder, maar de “voorpaginatoets van de krant”. Kortom, niet de inspraak maar het imago. Wat dat waardepatroon betreft, is ondernemen op zich al niet genoeg? Bedrijven vervullen behoeften, betalen belastingen, stellen mensen tewerk, zorgen voor tweederde van de staatsinkomsten (tweederde van de belastingen zelfs, al rekenen ze dan wel de lasten op loonarbeid mee). Is dat alles niet voldoende waardevol? Sterker: “de vrijheid te ondernemen, zijn visie en strategie te bepalen” is op zich “een belangrijke waarde in onze maatschappij”. Ondernemen naar waarde? Ondernemen ìs waarde. Met als onderliggende boodschap naar de politieke beleidsmakers: stop de regelneverij, beperk u tot de essentie. En naar politici, vakbonden en publieke opinie: stop de kritiek op de ondernemingen. Je mag blij zijn dat we er nog zijn.

Het is ongetwijfeld voer voor bijzonder hoogdravende debatten over de meest zinvolle invulling van het concept van Corporate Social Responsability (CSR). Al kan me dat weinig boeien. Vanuit de vakbeweging zijn we altijd koele minnaars geweest van dat concept. Het werd immers te veel misbruikt om noodzakelijke regelgeving af te houden, zoniet af te bouwen. En het strookte totaal niet met de syndicale benadering van afdwingbare rechten voor de werknemers – de rights based approach in het jargon − en van gehandhaafde verplichtingen voor de ondernemingen. Al reikt de VKW-bijdrage ook bijzonder interessante denksporen aan voor een aantal meer down-to-earth-debatten. Laat me vier ervan kort overlopen. Fraude is diefstal van de staat. Zo staat het er. En terecht. Het is een verademing dit te mogen lezen uit werkgevershoek. Omdat we van die kant uit al te veel vergoelijking horen

50

Voorpaginatoets of spelregels?


van fiscale, bijdrage- en loonfraude. Al zou ik wat verder gaan. En is het ook een diefstal te noemen van eerlijke burgers, die wel correct hun belastingen betalen, maar die door de fraude van anderen meer moeten betalen? Fraude dus als belasting op eerlijke mensen. Alleen wordt die kwalificatie als diefstal hier enkel opgedist om de vraag te stellen waarom diefstal van de staat zo nodig zwaarder wordt aangepakt dan diefstal van de buurman? Als dat zo is, dan zou dat inderdaad bijzonder erg zijn. Maar omgekeerd ook natuurlijk. En ik vrees dat het eerder omgekeerd is. Niet enkel omdat de pakkans veel kleiner lijkt. Maar ook omdat witteboordcriminelen ook veel meer met fluwelen handschoenen worden aangepakt, als het al ooit tot een veroordeling komt. Lezing van het (ondergesneeuwde) parlementaire rapport over de grote fiscale fraudedossiers, zegt genoeg. Hoe dan ook nodigt de VKW-stelling uit tot een (politiek) debat ten gronde over de aanpassingen die wettelijk, reglementair en bestuurlijk noodzakelijk zijn om fraude op dezelfde wijze te behandelen als elke andere vorm van diefstal. Daarbij komen we ongetwijfeld ook, zoals Steven Vanackere recentelijk al aangaf, tot de conclusie dat fiscale amnestie immanent onethisch is. Wat telt is de lange termijn. In de VKW-bijdrage wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het bedrijfsbeleid gericht op winstmaximalisatie op korte termijn en dat gericht op het “voortbestaan van he bedrijf over een langere termijn”. Dat onderscheid is inderdaad extreem belangrijk. Al lijkt het hier vooral te moeten dienen om recente sluitingen, zoals die van Ford Genk, als intrinsiek waardevol te moeten verheerlijken. En om politici en vakbeweging op hun plaats te zetten als ze menen daar ook maar één opmerking over te moeten maken. Los daarvan, nodigt het uit tot een grondige reflectie over de hefbomen die kunnen worden ingezet om het shorttermism, gericht op zoveel mogelijk winst op korte termijn, aan banden te leggen. Tegenstanders van overheidsregulering zullen uiteraard stellen dat je dat aan de bedrijfswereld zelf moet overlaten. Maar het zou al een mooi begin zijn eens te onderzoeken hoe de overheid die obsessie voor de korte termijn, de beurskoers- en bonusgedreven greed, zelf in de hand werkt, bijvoorbeeld via het genereuze fiscale en parafiscale statuut voor stock options. Of door ternauwernood op te treden tegen de ontsporingen van de bonuscultuur. De invoering, met de begroting 2013, van een volwaardige persoonlijke bijdrage op collectieve bonusplannen, heeft als neveneffect hopelijk enige afremming ervan en dus ook van het streven van bedrijven om werknemers mee te nemen in dat kortetermijndenken, ter maximalisatie van de individuele bonussen van het topmanagement. Maar in elk geval zal meer nodig zijn. Vrouwen in bestuursorganen: niet forceren. Tot de waarde vrij te kunnen ondernemen, behoort ook te bepalen wie men daarvoor het meest geschikt vindt om te besturen, stellen de auteurs. Het moet dan wel zijn dat die vrije ondernemers personen van vrouwelijke kunne hoogst onkundig vinden, te oordelen naar het zeer lage aantal vrouwen in bestuursorganen. Europees Commissaris Viviane Reding kwam laatst uit met cijfers dat slechts 13,5% van de zitjes in bestuursorganen bezet wordt door vrouwen. Neem je enkel de voorzitters, dan wordt het 2,5%. Het European Professional Women’s Network kwam voor België in 2010 uit op 11,1% vrouwen in bestuursorganen, tegenover bijvoorbeeld Noorwegen met

Voorpaginatoets of spelregels? 51


37,9% vrouwen. Niet dat kwalificaties veel zeggen over de intelligentie, maar je zou er meer begrip voor opbrengen mocht het lage aandeel van vrouwen zijn verklaring vinden in hun lagere opleidingsniveau. Nochtans doen vrouwen het almaar beter in het initiële onderwijs dan mannen. Dus moet er toch wel iets spelen als een glazen plafond. Het was de aandrijving voor de jarenlange strijd van Sabine de Bethune om ook hier in België quota’s op te leggen aan overheidsbedrijven en beursgenoteerde ondernemingen. In Noorwegen bleek dat in elk geval bijzonder effectief en zonder dat het de concurrentiekracht van de Noorse economie lijkt te hebben geschaad. Uiteraard hebben quota’s altijd een geforceerd karakter. Maar beschouw het vooral als een antwoord op het beleid van pappen en nathouden. De voorstanders van zelfdiscipline hebben immers hun kans gemist. Gelooft trouwens iemand dat de nieuwe aanbeveling vanuit de Belgische Commissie voor Corporate Governance begin 2011 om tegen 2018 drie op tien vrouwen te hebben in de bestuursorganen – overigens als tegenzet tegen de parlementaire Sturm und Drang op dit gebied − substantiële vooruitgang gaat opleveren? Gelijk speelveld. De auteurs hebben geen probleem met regelgeving opgelegd aan bedrijven, op voorwaarde dat bedrijven in het buitenland aan gelijkaardige regels zijn onderworpen. De onderliggende boodschap is me niet echt duidelijk. Betekent dat afbouw van die regels die in het buitenland ongebruikelijk zijn? Maar welk buitenland dan? Of is het een uitnodiging om internationaal een level playing field te creëren voor duurzaam ondernemen? Ik hoop dat het laatste wordt bedoeld. En niet enkel Europees, maar ook internationaal. Dat hoort bij een geglobaliseerde economie. Daartoe bestaan al heel wat aanzetten, waaronder de OESO-richtlijnen voor MNO (multinationale ondernemingen) en de IAO (Internationale Arbeidsorganisatie). Maar ze mankeren afdwingbaarheid. Met de conventies van de IAO gaan we een stap verder. Neem nog vorig jaar die prachtige conventie voor het huispersoneel, waarin het ACV, samen met zuster Jeanne Devos, een voortrekkersrol heeft gespeeld. Maar ook daar blijf je afhankelijk van de goodwill van landen om te ratificeren en zich bij vaststelling van overtredingen te gedragen naar de wijsheid van de IAO-Commissie voor de toepassing van de normen of het Comité voor de Syndicale Vrijheid. Het dwingt tot een debat, ook met de Vlaamse en Belgische werkgevers, over hoe we kunnen vermijden dat bedrijven die echt duurzaam willen ondernemen daarin worden afgeremd door het wangedrag van buitenlandse beunhazen. [Chris Serroyen is hoofd van de ACV-studiedienst]

52

Voorpaginatoets of spelregels?


CDR-nr2-Serroyen