Issuu on Google+

Respons: Henri Bogaert

Naar een hernieuwd intergenerationeel pact voor de sociale zekerheid Het rentmeesterschapsperspectief laat toe een ander licht te werpen op de toekomst van de sociale zekerheid. Hier beschouw ik ons allemaal, via de democratische besluitvormingsprocessen en het sociaal overleg, als de rentmeester van de sociale zekerheid. Ik wil hier wijzen op de noodzaak op een hernieuwd intergenerationeel pact aangaande de wijze waarop die rentmeester – wij allemaal dus – zorg blijft dragen voor de sociale bescherming van de huidige en toekomstige generaties. Een generatie kan worden omschreven als het geheel van leeftijdsgenoten waarvan de maatschappelijke idealen, verwachtingen en mogelijkheden gevormd zijn door gedeelde sociale omstandigheden en historische gebeurtenissen. Die idealen, verwachtingen en mogelijkheden geven hun levensloop en de wijze waarop zij tegen de wereld aankijken vorm. Hoewel de precieze indeling voor discussie vatbaar is, kunnen, in navolging van de Nederlandse socioloog Becker, volgende generaties worden onderscheiden. De vooroorlogse generatie (geboren tussen 1910 en 1930) heeft de economische crisis van de jaren 1930 en de desastreuze gevolgen van de Tweede Wereldoorlog meegemaakt. De stille generatie (geboren tussen 1930 en 1945) is opgegroeid in een periode van economische wederopbouw en ontwikkeling van de welvaartsstaat en socialezekerheidsvoorzieningen. Beide generaties worden door eerder traditionele waarden gekenmerkt die het mannelijk kostwinnersmodel als belangrijkste samenlevingsverband zien. De babyboomgeneratie (geboren tussen 1945 en 1955/60) is opgegroeid in een periode van hoogconjuctuur, waarbij waarden als zelfontplooiing in een stilaan ontzuilende samenleving meer op de voorgrond treden en het tweeverdienersmodel zich verspreidt. Generatie X (geboren tussen 1955/60 en 1970) is veelal hoogopgeleid. Echter, door de oliecrisis had ze meer moeite om een plek te verwerven op de arbeidsmarkt. De pragmatische generatie (geboren tussen 1970 en 1985), heeft van hun ouders (de babyboomers) alle kansen gekregen zich individueel te ontplooien en streeft dit ook na in het professionele leven. De generatie Y, geboren na 1985, staat aan het begin van haar loopbaan. Deze generatie is de eerste om op te groeien in een digitaal tijdperk waar de negatieve gevolgen van het heersende welvaartsmodel, zoals klimaatsverandering, zich laten voe-

30

Naar een hernieuwd intergenerationeel pact voor de sociale zekerheid


len. Hierbij mag echter niet uit het oog verloren worden dat binnen elk van deze generaties toch wel grote verschillen bestaan zowel op vlak van kansen als van risico’s. Het huidige uitgebreide stelsel van socialezekerheidsvoorzieningen met zijn onmiskenbare verwezenlijkingen op het vlak van sociale bescherming1, vloeit voort uit de consensus tussen vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers en de overheid, die halfweg het midden van de vorige eeuw is ontstaan. In de naoorlogse decennia hebben de vooroorlogse, de stille en de babyboomgeneratie gedurende hun beroepsactieve loopbaan bijgedragen tot de sociaal gecorrigeerde vrijemarkteconomie, die de socialezekerheidsvoorzieningen van de niet-actieve oudere generaties van die periode – dus zij geboren voor 1910 – financierde. De idealen en verwachtingen van de vooroorlogse, de stille en de babyboomgeneratie zijn dus mee vormgegeven door dit impliciet intergenerationeel pact, waarbij de actieve generatie zorg draagt voor de niet-actieve. Zolang de verhouding tussen beide generaties stabiel blijft en de loopbaan- en levensloopverwachtingen van de opeenvolgende generaties het al gekende patroon blijven volgen, wordt deze conventie niet fundamenteel op de proef gesteld. De veroudering van de bevolking – veroorzaakt door de verlenging van de levensverwachting 2 en het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de babyboomgeneratie – doet dit wel. Een toenemend deel van onze welvaart zal besteed moeten worden aan de financiering van de pensioenen en gezondheidsvoorzieningen van de vooroorlogse, de stille en hoe langer hoe meer de babyboomgeneratie. Volgens de Europese Commissie is die meerkost in België veruit één van de grootste van alle EU-landen. 3 De Belgische Studiecommissie voor de vergrijzing raamt de budgettaire kost van de veroudering op 6.1% van het BBP tussen 2011 en 2060. 4 Het is niet vanzelfsprekend dat generatie X, de pragmatische generatie en binnenkort generatie Y bereid blijven om voornoemd impliciet intergenerationeel pact na te komen omdat het de idealen en verwachtingen van die generaties niet in dezelfde mate mee heeft gevormd dan de generaties voor hen. Generatie X, de pragmatische generatie en generatie Y zijn geconfronteerd met het aanpassen van onze welvaartsproductie door o.m. de mondialisering van de economie en de klimaatsverandering. Ook lijkt hun vertrouwen te verminderen in de mate waarin de huidige socialezekerheidsvoorzieningen zullen kunnen instaan voor de zorgbehoeften en pensioenen van hun toekomstige oude dag. Niet voor niets zijn private aanvullende pensioenplannen en ziektekostenverzekeringen de laatste decennia tot ontwikkeling gekomen. Echter, dergelijke regelingen gaan uit van de idee van een werknemer die bewust zijn verdere levensloop- en loopbaan beheert, wat verschilt van de repartitielogica waarop de socialezekerheidsvoorzieningen oorspronkelijk zijn gebaseerd. Deze regelingen roepen bovendien niet alleen vragen op in het kader van de intergenerationele solidariteit maar vormen ook uitdagingen voor de toekomstige intragenerationele solidariteit. De zogenaamde driesporenstrategie van 2001 staat centraal in het Belgische en het Europese beleid om de budgettaire meerkost van de bevolkingsveroudering te be-

Naar een hernieuwd intergenerationeel pact voor de sociale zekerheid 31


heren. Die strategie beoogt 1) een beheersing van de kosten van de socialezekerheidsvoorzieningen, waaronder uitgaven in verband met technologische ontwikkelingen in de gezondheidszorg, 2) een vermindering van de overheidsschuld wat de mogelijkheid biedt te sparen voor toekomstige verouderingsgerelateerde meeruitgaven en ten slotte 3) een verhoging van de werkgelegenheidsgraad (vooral van oudere werknemers) en van de productiviteit, wat de welvaartscreatie moet aanzwengelen en de aangroei van de niet-actieve oudere bevolking moet temperen. In België neemt het derde spoor een prominente plaats in. Om zijn doel te bereiken moet er over gewaakt worden dat moeilijk bemiddelbare doelgroepen zoals laaggeschoolde medioren op een productieve wijze worden ingezet en dat inactiviteits- en werkloosheidsvallen hun arbeidsparticipatie – en dus ook de financiering van de sociale zekerheidsvoorzieningen zoals gesteld door Luc Cortebeeck – niet belemmeren. Mogelijke pistes zijn de bij- of omscholing van voornoemde doelgroepen naar (knelpunt) beroepen, inclusief een financiële incentive voor de werkgever en -nemer, om de milieudruk van de huidige productieprocessen te verminderen of om tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van alle eerder genoemde generaties. Het uittekenen van een dergelijk krachtdadig beleid wordt vandaag evenwel bemoeilijkt door aanslepende discussies over een verdergaande staatshervorming en de hiermee verbonden bevoegdheidsverdeling. Het rentmeesterschapsperspectief staat centraal in de ideologische herbronning van de CD&V. JongCD&V heeft dit begrip, dat zijn oorsprong vindt in een parabel uit de Bijbel, gebruikt in zijn Feniks Manifest van februari 2011. Vertrekkende van dit perspectief stelt Luc Cortebeeck zich een reeks vragen over de toekomst van de sociale zekerheid en de intergenerationele solidariteit. Het Federaal Planbureau benadrukt het belang van de gestelde vragen, die de voorbije jaren ook meermaals centraal stonden binnen zijn onderzoek en levert met zijn publicaties een bijdrage tot dit actuele en noodzakelijke maatschappelijke debat rond een vernieuwd intergenerationeel pact voor de sociale zekerheid. [Henri Bogaert is directeur van het Federaal Planbureau]

Voor socialezekerheidsoverdrachten (pensioenen buiten beschouwing gelaten) zou in 2009 26,7% van de bevolking met een armoederisico leven, na overdrachten daalt dit aandeel tot 14,6%. (Bron: FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, ADSEI).

1

De verlenging van de levensverwachting is op zich een gevolg van de verbeterde gezondheidszorg waartoe de sociale zekerheid in grote mate heeft bijgedragen. Ter herinnering, de

levensverwachting bij geboorte van mannen en vrouwen in 1946-49 bedroeg resp. 62 en 67 jaar. Dit is gestegen tot resp. 77 en 83 jaar in 2010. 3 EC (2012), The 2012 Ageing Report: Economic and budgetary projections for the 27 EU Member States (2010-2060), p. 35-36.

2

32

4 Studiecommissie voor de vergrijzing, Jaarverslag 2012.

Naar een hernieuwd intergenerationeel pact voor de sociale zekerheid


CDR Nr1 Bogaert