Issuu on Google+

Christen-Democratische Reflecties - jg.2 - nr. 3 - mei 2014

Tussen markt & staat

Met bijdragen van o.m. Wouter Beke, Marcia De Wachter, Luc Sels, Koenraad Debackere, Hans Naudts, Bruno Peeters, Sien Winters, Lien De Vos & Neal Van Loock


CDR – Christen-Democratische Reflecties jg.2, nr.3, mei 2014 Redactieraad Wouter Beke Jan De Maeyer Niko Gobbin Frank Judo Annemie Lemahieu Jürgen Mettepenningen Maxime Penen Jan Smets Ingrid Vanden Berghe

Abonnement Jaarabonnement (3 nummers): leden CD&V: € 15, niet-leden: € 25 Apart nummer: leden CD&V: € 10, niet-leden: € 20 Website http://ceder.cdenv.be ISSN 2034-6964 Verantwoordelijke uitgever Niko Gobbin, Directeur CEDER, Wetstraat 89, 1040 Brussel


Inhoud p. 5

Editoriaal

p. 7

Wouter Beke De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D. Overkoepelende respons op de bijdragen in dit nummer

p. 25

Marcia De Wachter De concurrentiekracht in BelgiĂŤ/Vlaanderen in Europees en wereldperspectief.

p. 35

Luc Sels Prioriteiten voor het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid.

p. 45

Koenraad Debackere Vlaanderen, een stevige Europese hub voor innovatie.

p. 55

Hans Naudts De Belgische spread

p. 63

Bruno Peeters Is er behoefte aan een fundamentele hervorming van het Belgisch belastingstelsel? Enkele bedenkingen over de personenbelasting.

p. 73

Sien Winters Het Vlaamse woonbeleid na de 6de staatshervorming: nood aan geleidelijke, maar duidelijke koerscorrectie.

CD&V Politieke Academie 2013 p. 83 Lien De Vos Het onderwijs voor iedereen gelijk? De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen. p. 93 Neal Van Loock Vaste benoeming in het onderwijs: breng heuveltjes en Alpen aan in de loopbaan van de leerkracht. Respons door Paul Delva p. 105

Boekbesprekingen

p. 111

Aankondigingen Inhoud


Editoriaal Beste lezer, We staan aan de vooravond van belangrijke verkiezingen, Europees, federaal en Vlaams. Op 25 mei worden de kaarten verdeeld voor de volgende vijf jaar. Vijf jaar waarin antwoorden nodig zijn op een aantal cruciale sociaal-economische en maatschappelijke uitdagingen. Het zal in grote mate van die antwoorden afhangen of we ons ook in de komende decennia in het koppeloton kunnen handhaven. Of we werk kunnen maken van een sterker Vlaanderen en een sterker land. We hebben er daarom voor gekozen om in dit nummer van CDR het woord te laten aan een aantal experten. Waar staan België en Vlaanderen vandaag? Waar moeten we naartoe? Wat zijn de obstakels op het pad dat voor ons ligt? Uit de verschillende bijdragen komen een aantal elementen naar voor. Ten eerste: goed beleid doet er wel degelijk toe. Zelfs in een sterk geglobaliseerde wereld zijn we meer dan de speelbal van de internationale markten. Dit is op zich een positieve conclusie (we kunnen het verschil nog maken) maar ook een extra verantwoordelijkheid (we moeten dat ook doen). In het verleden hebben we al bewezen dat christendemocraten in staat zijn om die verantwoordelijkheid te dragen. Ten tweede: we beschikken over heel wat troeven. Wie even over de landsgrenzen heen kijkt, kan niet anders dan concluderen dat er geen reden is tot groot pessimisme. Neen, we zijn niet het kneusje van de Europese klas. Op het vlak van bv. innovatiebeleid zijn we zelfs toonaangevend. Ten derde: succes op één gebied mag ons niet blind maken voor uitdagingen elders. Op de arbeidsmarkt, in het energiebeleid, in het woonbeleid en in het onderwijs zijn bijsturingen noodzakelijk. Niet om alles wat goed is in vraag te stellen, wel om antwoorden te formuleren op een omgeving die in verandering is. En soms betekent dat ook de boodschapper durven zijn van onpopulair nieuws. Ten vierde: hervorming en verandering mogen geen synoniem zijn voor instabiliteit. Er moet voldoende oog zijn voor de overgangsfase. Goed bedoelde hervormingen kunnen heel wat ‘onschuldige slachtoffers’ maken. Van christendemocraten mag verwacht worden dat ze niemand in de kou laten staan. We starten dit nummer met een bijdrage van Wouter Beke. Hij schetst de krachtlijnen van het sociaal-economisch programma van CD&V en verwijst daarbij veelvuldig naar de analyses van de experten. Daarna volgt de bijdrage van Marcia De Wachter die stelt dat de lagere groeiverwachtingen van de wereldeconomie ons exportmodel onder druk zetten en dat de kost van energie minstens even belangrijk geworden is als de loonkost. Tegelijk betoogt ze dat we nu volop de vruchten moeten kunnen plukken van ons innovatiebeleid. Een boodschap die in de (vierde) bijdrage van Koenraad

Editoriaal 5


Debackere nog verder wordt uitgediept. De derde bijdrage van Luc Sels schetst de uitdagingen op onze arbeidsmarkt. Hij houdt een pleidooi voor opleiding als nieuw sociaal recht en pleit onomwonden voor selectieve loonkostvermindering voor lage lonen, in combinatie met lage scholing. Hans Naudts analyseert de evolutie van het verschil tussen de rente op Belgische en op Duitse overheidsschuld. Hij toont overtuigend aan dat rentebewegingen niet enkel het gevolg zijn van Europese evoluties maar ook van het beleid in eigen land. Bruno Peeters pent in de zesde bijdrage enkele bedenkingen neer bij de broodnodige hervorming van onze personenbelasting. Sien Winters roept op om de 6de staatshervorming in te zetten als hef boom voor een ander Vlaams woonbeleid. Geen bruuske koerscorrectie, maar een geleidelijke bijsturing zodat het ‘recht op wonen’ uit de Vlaams wooncode nog beter invulling kan krijgen. In dit nummer van CDR vindt u ook de bijdragen van de twee laureaten van onze Politieke Academie, Lien De Vos en Neal Van Loock. Beiden focussen op het onderwijs. De eerste op de kansen van kansarme kinderen, de tweede op de loopbaan van leerkrachten. Vlaams parlementslid Paul Delva, lid van de jury van de Politieke Academie, zorgt voor de respons. Heel wat interessante informatie dus om op 25 mei met nog meer overtuiging het juiste bolletje rood te kleuren.

Jan Smets, hoofdredacteur CDR Niko Gobbin, directeur CEDER

6

Editoriaal


Wouter Beke

De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D. Deze ‘CDR-verkiezingsspecial’ ziet er een beetje anders uit. Eerder dan op elke bijdrage een respons te laten volgen, werd gekozen voor één overkoepelende ‘respons’ die de antwoorden van CD&V weergeeft op de door de experts geschetste uitdagingen. Dit leek de meest geschikte formule, daar tal van aangehaalde uitdagingen bijzonder nauw met elkaar verbonden zijn en dus een geïntegreerd antwoord verdienen. Daarnaast maakt Wouter Beke van deze bijdrage gebruik om nog enkele andere, niet aangehaalde, uitdagingen aan te stippen. Voor het volledige CD&V-verkiezingsprogramma en het 3D-plan kan u zich wenden tot www.cdenv.be/verkiezingsprogramma2014.

Elke uitdaging is een kans die gegrepen moet worden: het 3D-plan van CD&V Verschillende gezaghebbende auteurs stellen in deze ‘verkiezingsspecial’ van CDR de uitdagingen die op Vlaanderen, België, Europa en de wereld afkomen scherp. Of het nu gaat over arbeidsmarkt, concurrentiekracht, fi scaliteit, gezinsbeleid, woonbeleid, de toekomst van onze sociale zekerheid of het onderwijs: de uitdagingen komen met rasse schreden op ons af. CD&V kiest voor een positieve houding. Elk probleem, elke uitdaging, is een kans die wacht om gegrepen te worden. Mirakeloplossingen bestaan niet. Als die wél zouden bestaan, waren ze al lang beslist en uitgevoerd. Wél is het tijd voor realistische en duidelijke antwoorden. En die hoeven niet per se ‘extreem’ of ‘hard’ te zijn om effect te hebben. Beleid voeren is geen kwestie van de ene straffe maatregel na de ander de wereld insturen. Een duidelijk beleid waakt ook over het vertrouwen van gezinnen en ondernemers. Want vertrouwen is de motor van onze samenleving.

Wouter Beke: De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D. 7


CD&V presenteerde zijn oplossingen in februari, bij de lancering van ons 3Dplan. Het is een 3D-plan omdat het verwoordt wat voor ons essentieel is: het economische én het sociale – twee communicerende vaten –, geschraagd op een sterke, maatschappelijke onderbouw. Voor CD&V zit de kracht van een sterk sociaal-economisch model in de samenhang tussen het economische luik en het sociale luik. Economische strategie en sociale strategie zijn elkaars hef bomen, ze versterken elkaar. Geen welzijn zonder welvaart. Welvaart creëert immers de budgettaire ruimte om welzijn voor eenieder mogelijk te maken. Maar evenmin welvaart zonder welzijn. Een maatschappij die enkel op welvaart en economische groei focust, is een samenleving die riskeert niet iedereen aan boord te houden. Het is ook een 3D-plan omdat de maatregelen die wij voorstellen altijd een drievoudige toets doorstaan. Elk voorstel is duidelijk, doelgericht en duurzaam. Het is geen plan enkel voor morgen, het is een plan voor het volgende decennium. De laatste betekenis van ons 3D-plan zijn de drie assen waarop we prioritair inzetten de komende jaren en waar onze keuzes op gericht zijn: lastenverlagingen, sociale vooruitgang en investeringen. En het is aan de hand van deze drie prioriteiten dat ik enkele van onze voorstellen naast de bijdragen van de auteurs zal leggen.

Onze eerste prioriteit: lasten verlagen om kansen te verhogen Lastenverlagingen voor werknemers Laat me beginnen met de grote groep werknemers in ons land. Ons uitgangspunt is eenvoudig: wie meer merkt moet netto meer overhouden. Het verschil tussen werken en niet werken moet groter. Mensen moeten zich beloond weten indien zij een tandje bijsteken. Het verschil tussen de loonkost en het nettoloon – de loonwig – moet afnemen. In ons 3D-plan trekken we daar 3 miljard euro voor uit. Dat geld willen we prioritair inzetten in de personenbelasting. De personenbelasting moet eenvoudiger en transparanter, zonder dat de progressiviteit afgezwakt wordt. Dat wordt deskundig uiteengezet in de bijdrage van prof. Bruno Peeters. Een eenvoudig belastingstelsel heeft veel voordelen: het is makkelijker te begrijpen, de rechtszekerheid neemt toe, administratie verloopt efficiënter en de kans op fraude neemt af. Op federaal niveau willen we het kluwen aan belastingvoordelen grondig evalueren. Bereiken alle fi scale voordelen nog wel hun doel? Zijn er meer efficiënte tools beschikbaar? De realiteit is immers dat veel voordelen hun doel voorbijschieten. Ze komen vooral ten goede aan een groep die het fi scale steuntje in de

8

Wouter Beke: De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D.


rug net niet nodig heeft (Mattheüseffect). Uitzonderingsregimes moeten afgebouwd worden waar ze hun doel voorbij schieten. Maar, en ik kom terug bij een van onze uitgangspunten, steeds zonder sociale af braak. De individuele situatie van de belastingplichtige (bv. kinderen, een beperking, alleenstaande, wettelijk samenwonend of gehuwd, etc.) blijven relevante criteria die een verschillende behandeling rechtvaardigen. Een vereenvoudiging van de personenbelasting volgens die principes laat toe om het vrijgestelde minimum – het deel van het inkomen dat niet belast wordt – te verhogen. CD&V wil dat minimum, de zgn. ‘belastingvrije som’, verhogen tot op het niveau van het leefloon van een alleenstaande: van 6.990 euro naar 9.808 euro. Dat komt neer op een maximaal belastingvoordeel van iets meer dan 700 euro per persoon.1 Voor een gezin betekent dat ruim 1.400 euro extra nettoloon. De voorgestelde maatregel pakt bovendien twee problemen aan. Ten eerste de werkloosheidsval. Die ontstaat door beroepsinkomsten zwaarder te belasten dan werkloosheidsuitkeringen. Belastingplichtigen met een netto-inkomen dat enkel bestaat uit werkloosheidsuitkeringen tot een referentiebedrag (AJ 2014: 17.477,08 euro), betalen vandaag geen personenbelasting. Door de belastingvrije som te verhogen van 6.990 euro naar 9.808 euro, verkleint het belastingvoordeel voor niet werken ten aanzien van werken. Een belastingplichtige met uitsluitend werkloosheidsuitkeringen betaalt nog steeds geen personenbelasting, terwijl een belastingplichtige met uitsluitend beroepsinkomsten minder personenbelasting betaalt (AJ 2014: 2.826 euro2, i.e. een vermindering van 696 euro). Ten tweede de zgn. ‘promotieval’. Die ontstaat door de toekenning van belastingvoordelen tot bepaalde inkomensgrenzen. Als de belastingplichtige een loonsverhoging krijgt ten gevolge van een promotie en de inkomensgrenzen overschrijdt, wordt een deel van zijn loonsverhoging (para)fi scaal afgeroomd. Concreet gaat het om de af bouw van de verhoging van de belastingvrije som (AJ 2014: 280 euro), indien het belastbare inkomen een grensbedrag (AJ 2014: 25.990 euro) overstijgt. Door de belastingvrije som te verhogen van 6.990 euro naar 9.808 euro, wordt deze promotieval weggewerkt. 3 De voorgestelde maatregel is ook een sociale maatregel. Iedere belastingplichtige met een volwaardig beroepsinkomen geniet volop van de verhoging van de belastingvrije som, ongeacht zijn inkomen. De ingreep gebeurt immers aan de onderzijde van het 1 Het belastbaar inkomen van 6.990 euro tot 8.590 euro valt binnen de inkomensschijf onderworpen aan 25% belasting, het belastbaar inkomen van 8.590 euro tot en met 9.808 euro valt binnen de inkomensschijf onderworpen aan 30% belasting, met als resultaat: (8.590 – 6.990) * 25% + (9.808 – 8.590) * 30% = 400 + 365,40 = 765,40 euro belastingvoordeel per belastingplichtige (AJ 2014). 2 Belastbaar inkomen – belastingvrije som: 17.477,08 – 9.808 = 7.669,08 euro, waarvan 2.412 euro onderworpen aan 30% belasting en 5.257,08 euro onderworpen aan 40% belasting, met als resultaat: 330 + 1.089 + 2.102,83 = 3.521,83 euro. 3 Bestaande belastingvrije som en verhoging belastingvrije som is kleiner dan nieuwe belastingvrije som: 6.990 + 280 = 7.270 euro < 9.808 euro.

Wouter Beke: De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D. 9


belastingsysteem. Dergelijke maatregel is veel socialer dan het verbreden van belastingschijven of het afschaffen van belastingtarieven, zoals voorgesteld door andere partijen. Dergelijke alternatieve maatregelen om de belastingdruk op beroepsinkomsten te doen dalen, komen een beperktere groep belastingplichtigen ten goede, namelijk diegene met een inkomen vanaf de benedengrens van de gerealiseerde verbreding of de afgeschafte schijf. Hoe hoger het tarief dat wordt afgeschaft, of hoe hoger de inkomensschijf waarin de verbreding wordt gerealiseerd, hoe minder belastingplichtigen voordeel genieten. Bovendien bieden dergelijke alternatieve maatregelen geen oplossing voor de werkloosheids- en promotieval, zoals hierboven beschreven.

Lastenverlaging voor werkgevers Belgische bedrijven worden doorgaans geconfronteerd met hogere loonkosten voor hun werknemers dan in gelijkaardige bedrijven of vestigingen in andere landen. Dit heeft als resultaat dat België voor veel (internationale) bedrijven minder aantrekkelijk is om in te investeren, dat zij zoveel als mogelijk besparen op personeel en meer investeren in machines en kapitaaluitrusting en dat de Belgische producten duurder zijn en daardoor moeilijker verkocht raken in het buitenland. Dat is dan weer slecht voor onze concurrentiekracht en onze export (cf. bijdrage Marcia De Wachter). Dat verschil in loonkost met onze buurlanden is de zgn. ‘loonkosthandicap’. Sinds de ‘Wet tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen’ van 1996 wordt ook expliciet bepaald dat de Belgische loonkosten vergeleken worden met deze in Duitsland, Frankrijk en Nederland. Dit zijn onze belangrijkste handelspartners met een belangrijke rol voor onze export. Zowel Marcia De Wachter, als prof. Luc Sels, als Hans Naudts wijzen er in hun bijdragen op. De loonkosthandicap is een groot probleem voor onze ondernemingen. Het is niet de enige uitdaging die voor ons ligt en we mogen ons er niet op blindstaren, maar het is wel een belangrijke. Selectieve, duidelijke en duurzame keuzes dringen zich op. CD&V wilt de loonkosthandicap opgebouwd sinds het referentiejaar 1996 wegwerken tegen 2018. We zijn er van overtuigd dat met de maatregelen die we voorstellen, we in 2019 zelfs een kleine voorsprong kunnen nemen. De aanpak van de loonkosthandicap is een stappenplan. De eerste stappen zijn al gezet. In 2013-2014 zijn de lonen bevroren en werd het indexmechanisme aangepast. De index houdt nu o.m. rekening met soldenprijzen. Uit cijfers van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven blijkt dat deze ingrepen de handicap terugbrachten tot 3,8%. Het competitiviteitspact dat onder impuls van Kris Peeters werd gesloten eind 2013 – verschillende auteurs verwijzen er naar – was een tweede cruciale stap. We willen echter nog verder gaan. Zo gaan we voor specifieke lastenverlagingen voor groepen die het moeilijk hebben op de arbeidsmarkt:

10

Wouter Beke: De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D.


-30-jarigen en 55+’ers. Het aanwerven van jongeren en ouderen wordt zo significant goedkoper voor de werkgever. Wanneer we de optelsom maken van de maatregelen voor het wegwerken van de loonkosthandicap die reeds doorgevoerd zijn, degene die afgesproken zijn in het competitiviteitspact en tot slot de extra inspanning die CD&V voorstelt in haar 3D-plan, komen we op een globale inspanning van 6 miljard euro (fi guur 1 – in miljoen euro)

De evolutie van de loonkosthandicap hangt af van wat onze buurlanden doen. Recent bleek de verhoging van de Duitse lonen heel wat lager dan voorspeld. Het gevolg: een grotere handicap. Om dit te vermijden wilt CD&V de reeds vermeldde wet van 1996 herzien. Deze wet defi nieert het kader voor de loononderhandelingen tussen de sociale partners. Ons voorstel: in de loononderhandelingen moet teruggekeken worden naar de vorige periode(s). Als, om welke reden dan ook, de handicap in die periode(s) toenam, moet dit automatisch de marge voor toekomstige loonstijgingen beperken. De wet zoals die nu is, is te vrijblijvend. Het geld moet natuurlijk van ergens komen. We beperken ook de groei van de belastingvoordelen en verhogen de inspanningen in de strijd tegen fi scale fraude. We bepleiten een algemene lastenverschuiving van arbeid naar indirecte belastingen en ecofi scaliteit. Dit houdt o.m. een harmonisering van de btw in, met minder uitzonderingen en een grotere focus op arbeidsintensieve diensten voor de lagere tarieven. We gaan voor duidelijke scheidslijnen. Drie verschillende tarieven op gelijkaardige prestaties kunnen niet meer. Uit een barometer die de OESO jaarlijks berekent, blijkt dat in België op elke 100 euro aan verkochte goederen en diensten, waarop in een zuiver btw-systeem 21 euro btw zou gelden, de consument gemiddeld slechts 10 euro btw betaalt. In andere Europese landen is deze verhouding beduidend hoger. Daarnaast blijkt uit een recent, in opdracht van de Europese Commissie uitgevoerde, studie dat in België maar liefst 16%

Wouter Beke: De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D. 11


van de potentiële btw-ontvangsten niet naar de schatkist vloeit. Fraude is een belangrijke oorzaak, naast faillissementen, statistische fouten en uitgestelde betalingen. We denken ook aan een vergroening van de accijnzen op brandstoffen, via een cliquetsysteem. Het is volstrekt onlogisch dat de meest vervuilende brandstof, diesel, het goedkoopste is. De gezondheidsproblematiek van het fijn stof dwingt ons om de brandstoffi scaliteit te herbekijken. Ook uit een hervorming van de tabaksaccijnzen halen we geld op. Dat is trouwens in lijn met wat het IMF, de OESO, de Europese Commissie en de Hoge Raad voor Financiën aanbevelen. In een aanbeveling van de Europese Raad van 19 juni 2013 lezen we bijvoorbeeld: “Establish concrete and time-specific proposals for shifting taxes from labour to less growth-distortive tax bases, notably by exploring the potential of environmental taxes, for example on diesel, heating fuels and the taxation of the private use of company cars. Simplify the tax system by reducing tax expenditures in income taxation, increasing VAT efficiency and improving tax compliance by closing existing loopholes.”

Een energienorm: broodnodig Een belangrijk onderdeel in de balans van bedrijven en gezinnen is de energiekost. Vaak wordt dit onderbelicht. In de bijdrage van Marcia De Wachter wordt duidelijk aangegeven wat de impact daarvan is. Met name Vlaanderen heeft veel energie-intensieve activiteiten, de petrochemie voorop. Voor zulke bedrijven is de energiekost minstens zo belangrijk, soms zelfs belangrijker, dan de loonkost. Een bedrijf als Nyrstar gebruikt bv. elektriciteit om zink uit erts te halen en staat in rechtstreekse concurrentie met vestigingen in Nederland en Frankrijk. 40% van de operationele kost gaat er naar elektriciteit, 30% naar lonen. Ze betaalden in februari aan elektriciteitsnevenkosten nog 10 euro/MWh meer dan de concurrentie in Nederland. Uit een studie van Deloitte van maart 2013 blijkt dat onze bedrijven 12% tot 45% meer voor elektriciteit betalen dan hun collega’s in onze buurlanden. De energieprijs voor energie-intensieve industrie is echt wel cruciaal voor de concurrentiepositie van onze bedrijven. CD&V wilt een energienorm invoeren, naar analogie met de loonnorm. Het pleziert ons natuurlijk dat nagenoeg alle partijen ons daar in zijn gevolgd. Het doel is ervoor zorgen dat de nevenkosten op energie (bv. distributie, transport, sociale openbare dienstverplichtingen) voor internationaal concurrerende bedrijven niet hoger liggen dan het gemiddelde in de buurlanden. Indien de maatschappelijke kosten de norm overschrijden, zullen de meerkosten verminderd (eerste keus) of uit de algemene middelen betaald worden (ultimum remedium). Let wel: het verlagen van het energieverbruik, zo-

12

Wouter Beke: De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D.


wel bij gezinnen als bij bedrijven, is uiteraard prioriteit nummer één. Maar zij die beweren dat daar het grote probleem zit, dwalen. Onze energie-intensieve industrie behoort al tot de wereldtop qua energie-efficiëntie.

Onze tweede prioriteit: sociale vooruitgang Ik zei het reeds: geen welzijn zonder welvaart en geen welvaart zonder welzijn. Van de welvaartskant van de piramide stipte ik hierboven al enkele zaken aan. Maar voor CD&V is de welzijnskant minstens even belangrijk.

Kinderbijslagen Als eerste zou ik een onderwerp willen aanstippen dat niet expliciet aan bod kwam in een van de bijdragen maar voor CD&V wel een belangrijk strijdpunt is: de kinderbijslagen. Uiteraard willen we niet af van de kinderbijslagen, wel integendeel. Voor ons is de kinderbijslag immers een recht van het kind, verbonden aan het kind-zijn. Wél zetten we in op een modernisering van de kinderbijslagen: aangepast aan de samenleving van vandaag, budgettair houdbaar en sterk vereenvoudigd. Vandaag is het recht op kinderbijslag in principe gebaseerd op een beroepsactiviteit als werknemer in België of een daarmee gelijkstaande situatie. CD&V ziet kinderbijslag als een recht van het kind. Dit betekent dat elk kind woonachtig in Vlaanderen recht heeft op kinderbijslag. De band met de ‘beroepsactiviteit’ van een ouder verdwijnt in ons plan volledig. Aangezien elk kind gelijk is, heeft elk kind recht op eenzelfde basisbijslag. In onze oefening bedraagt deze ca. 135 euro per kind per maand4. Deze basisbijslag wordt verhoogd met een leeftijdstoeslag. Deze neemt toe per leeftijdscategorie (0 tot en met 5 jaar, 6 tot en met 11 jaar, 12 tot en met 18 jaar, 18 tot 25 jaar). De logica hierachter is eenvoudig: een kind in het hoger onderwijs is duurder dan bv. een peuter. Gemiddeld komen we aan een bedrag van 164,69 euro basiskinderbijslag per kind. We kiezen ervoor om een stevige universele kinderbijslag te behouden, in tegenstelling tot sommige andere partijen, omdat we vinden dat de opvoedingskost van kinderen niet volledig ten laste van de gezinnen moet gelegd worden, omdat de kinderbijslag voor middeninkomens een wezenlijke bijdrage levert om kinderen de kansen te geven die ze verdienen en omdat we het draagvlak voor ons solidair systeem behouden willen zien.

4 Dit bedrag is berekent op basis van een clean cut; dit bedrag houdt geen rekening met de kost voor overgangsmaatregelen en eventueel noodzakelijke bijsturingen om kinderarmoede niet te laten stijgen.

Wouter Beke: De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D. 13


Naast de basiskinderbijslag voorzien we in aanvullende, sociale toeslagen. Vandaag moet je aan twee voorwaarden voldoen om voor zo’n aanvullende toeslag in aanmerking te komen. Je moet tot een welomschreven doelgroep behoren en aan een bijkomende inkomensvoorwaarde voldoen. CD&V wilt dit vereenvoudigen op basis van een zuiver inkomenscriterium. Sociale toeslagen zullen in de toekomst enkel worden toegekend op basis van het bruto belastbaar gezinsinkomen. Dat is fair: we kijken immers naar het reële inkomen. Met een boutade: iemand die drie eigendommen verhuurt, moet geen aanspraak kunnen maken op een sociale toeslag. Uiteraard moduleren we naar gezinssamenstelling: we houden rekening met het aantal personen dat van een gezinsinkomen moet leven. Door sociale toeslagen toe te kennen op basis van een zuiver inkomenscriterium zullen mensen die dat vandaag niet kunnen, rechten kunnen doen gelden. Goed om weten: onze oefening is budgetneutraal. Er is geen meerkost ten opzichte van de door de Rijksdienst voor Kinderbijslagen geraamde reële uitgaven voor 2015. Gezinnen met één kind (44% van de gezinnen) zullen er substantieel op vooruitgaan. Ter illustratie: één kind onder de zes jaar krijgt vandaag 90,28 euro per kind per maand, in de toekomst zal dit 135 euro zijn. Ook gezinnen met twee kinderen (37% van de gezinnen) maken progressie. Een gezin met een kind van vier jaar en een kind van acht jaar krijgt vandaag 273 euro (90,28 basis eerste kind + 167,05 basis tweede kind + 15,73 leeftijdstoeslag oudste kind). In de toekomst zal dit 285 euro zijn.

Pensioenen Aan het andere uiterste van de leeftijdslijn vinden we de pensioenen. Uit allerhande opiniepeilingen en enquêtes die in de aanloop naar de verkiezingen van 25 mei worden gepubliceerd, blijkt dat de Vlaming, jong zowel als oud, inzit met zijn pensioen. Gaan de pensioenen verlagen? Ga ik überhaupt nog wel een pensioen hebben tegen dat ik op pensioen mag? En wanneer mag ik op pensioen? Eerst de feiten. Door de daling van het geboortecijfer en de toenemende levensverwachting, verandert de samenstelling van de bevolking. In verhouding komen er meer oudere en minder beroepsactieve mensen bij. Door de stijgende levensverwachting groeit de groept 80+’ers spectaculair. Dat wilt zeggen dat een steeds groter wordende groep aanspraak maakt op een wettelijk pensioen, terwijl een steeds kleinere groep moet instaan voor de fi nanciering van dat pensioen. Op zich is dat al een geweldige uitdaging voor het beleid. Maar tegelijk zien we ook dat de wettelijke pensioenen van vandaag niet altijd beschermen tegen armoede. Het armoederisico bij 65+’ers bedraagt 20,2%. Bij zij die jonger zijn dan 65 jaar is dit 14,4%.

14

Wouter Beke: De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D.


Stappen werden al gezet. De minima werden gericht opgetrokken. Maar meer is nodig. Vaak is een laag pensioen het gevolg van een korte of een onvolledige loopbaan. Het streefdoel moet dus zijn: meer mensen aan de slag krijgen, in gemiddeld langere loopbanen. Dit kan uiteraard slechts indien dit ook werkbare, aangepaste loopbanen zijn. CD&V kiest uitdrukkelijk voor een pensioenloopbaan, eerder dan voor een pensioenleeftijd. De term beklemtoont dat een pensioen in de allereerste plaats gebaseerd is op bijdragen die gebeurden tijdens de actieve loopbaan. Wat telt voor het pensioen is het aantal jaren dat iemand werkt en bijdraagt. Wij streven naar volledige carrières van 45 loopbaanjaren als benchmark voor een 100%-pensioen. De wettelijke pensioenleeftijd houden we op 65 jaar. Dat is het ogenblik waarop desgevallend rechten kunnen geopend worden, maar uiteraard mag dit geen drempel zijn voor wie langer aan de slag wilt blijven. Dit betekent natuurlijk wel dat we vervroegde uittredingen tot een minimum beperken. De wettelijke pensioenleeftijd ligt dan wel op 65 jaar, de reële pensioenleeftijd ligt op 59,5. Dat is te laag en daar moeten we eerlijk in zijn. Uittreden voor de leeftijd van 60 jaar zal in de toekomst slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen. En ja, zware beroepen zullen altijd een uitzondering zijn. Wie terechtkomt in een systeem van werkloosheid met bedrijfstoeslag zit in een situatie van werkloosheid en moet dus zo snel als mogelijk opnieuw geactiveerd worden (o.m. via bij/herscholing, begeleiding op maat en de al eerder aangehaalde verlaagde werkgeversbijdragen voor de aanwerving van 55+’ers). Dit alles is cruciaal om ons sociaal systeem in het algemeen en de pensioenen in het bijzonder te vrijwaren. Bovendien blijkt een uitstap uit de arbeidsmarkt op te jonge leeftijd een vergiftigd geschenk voor de betrokkene: er wordt ingeteerd op het spaargeld, waardoor het risico op armoede op latere leeftijd toeneemt. ‘Langere loopbanen’ betekent ook ‘andere loopbanen’. De loopbaan moet meer werkbaar worden. Zonder er in het kader van dit stukje te diep op in te gaan, stip ik graag enkele zaken aan die hiertoe kunnen bijdragen. Flexibele arbeidsvormen zoals telewerken, thuiswerken en glijdende uren moeten alle steun krijgen. We zetten in op meer leeftijdsgebonden arbeidsprocessen. Het moet mogelijk zijn om binnen een bedrijf een oudere werknemer een taak, aangepast aan zijn mogelijkheden te geven. Permanente vorming en loopbaanbegeleiding moeten een evidentie en een mentaliteit worden, ook bij oudere werknemers. En ook rustpauzes tijdens de loopbaan moeten mogelijk zijn. Maar ook hier past eerlijkheid. Gelijkstellingen in de pensioenopbouw kunnen helpen om langere effectieve loopbanen te bereiken. Met name de periodes van werkonderbreking om een zorgtaak met werk te kunnen combineren, willen we beschermen. Maar daarbuiten dringen keuzes zich op. Het spreekt voor zich dat gelijkstellingen meer haalbaar zijn naarmate de loopbaan langer is.

Wouter Beke: De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D. 15


Het mogelijk maken van langere loopbanen betekent ook dat we verschillen tussen pensioenstelsels evalueren. Die zijn immers vaak een rem op arbeidsmobiliteit en bij uitbreiding dus op langere loopbanen. Niet-objectiveerbare verschillen tussen pensioenstelsels (werknemer, zelfstandige, ambtenaar) moeten verkleinen en uiteindelijk uitdoven. De negatieve gevolgen van een gemengde loopbaan moeten we wegwerken. Laat me dat illustreren met een voorbeeld. Een professionele brandweerman – ambtenarenstatuut – komt op een bepaalde leeftijd tot de vaststelling dat de interventies fysiek niet meer zo vlot gaan. Waarschijnlijk zal je wel enkele van de brandweermannen in zo’n situatie kunnen gebruiken om jonge collega’s op te leiden. Maar één-op-één zal dit niet mogelijk zijn. Maar diezelfde brandweerman zou net zo goed – mits een bijscholing – in de privésector, pakweg bij een verzekeringsfi rma, aan de slag kunnen als bv. brandexpert. In de huidige organisatie van onze arbeidsmarkt en ons pensioenstelsel zou hij wel ‘goed gek’ zijn dit te doen. Een gemengde loopbaan wordt immers, op z’n zachtst uitgedrukt, niet beloond. Dat kan en moet anders. Tot slot: om het risico op armoede te voorkomen, laten we de minima, door middel van een welvaartskoppeling, mee evolueren met de levensduurte. De tweede pensioenpijler willen we doen evolueren tot een volwaardige aanvulling op de eerste, wettelijke pijler. Een uitkering in de vorm van rente wordt aangemoedigd. Alle gepensioneerden moeten een levensstandaard boven de Europese armoededrempel kunnen handhaven. Ook wie al even met pensioen is, mag niet in armoede eindigen.

Werkloosheid In januari 2014 kende België 672.643 vergoede werklozen. De werkloosheidsgraad steeg, deels ten gevolge van de economische crisis, van 7,2% in 2011 tot 8,5% in 2013. In totaal besteedt de overheid in België ongeveer 6,5 miljard aan werkloosheidsuitkeringen in al hun varianten. Deze cijfers, gekoppeld aan de sterke bijdrage van prof. Luc Sels, stellen de uitdagingen meteen op scherp. Zeker als we deze problematiek koppelen aan het betaalbaar houden van ons sociaal systeem (zie bv. hierboven voor pensioenen). Simpel gesteld: er moeten meer mensen aan de slag. En dat is nog zonder de specifieke problematiek van o.m. jeugdwerkloosheid en werkloosheid bij 50/55+’ers gerekend. Om ons welvaartsniveau op peil te houden, moeten we meer dan ooit streven naar een situatie van volledige tewerkstelling. CD&V streeft ernaar de werkzaamheidsgraad in Vlaanderen tegen 2020 naar 76% te brengen. Dat wilt zeggen dat 76% van de mensen op arbeidsleeftijd ook beroepsactief zijn. Ter illustratie: thans ligt die in Vlaanderen op iets meer dan 70%. Dat is een grote uitdaging, rekening houdend met een nieuwe situatie op de arbeidsmarkt. Bedrijven en overheid stevenen af op een krimpend arbeidsaanbod. Dat is zeker het geval in Vlaanderen omdat de werkgelegenheidsgraad er

16

Wouter Beke: De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D.


hoger en de werkloosheid lager is, en de impact van de vergrijzing sneller te voelen zal zijn dan in o.m. Brussel en Wallonië. Om het einddoel te bereiken, pleit CD&V voor een ambitieus banenpact met de sociale partners rond vijf grote luiken: opleiding, stages en werkervaring, strijd tegen jeugdwerkloosheid, langere loopbanen en kansengroepen. Daarnaast blijven we inzetten op lokaal, op maat gesneden arbeidsmarktbeleid. In geval van werkloosheid zetten we in op een snelle begeleiding en intense opvolging. De werkloze zo snel mogelijk naar nieuw werk leiden: dat is het doel. Zo moeten ontslagpremies een opstap naar nieuw werk betekenen. CD&V wilt dat een deel van de premie verplicht naar opleiding gaat, zoals dat ook in Duitsland het geval is. Een ontslag is inderdaad een soort eindpunt, maar moet vooral een nieuw begin betekenen. Wij pleiten voor een activerend ontslagrecht. Met een veralgemeend recht op outplacement, een sterkere begeleiding en een nauwe opvolging van werklozen, komen we al een heel eind. Voor de volledigheid en omdat het tegenwoordig een onderwerp is dat ‘er vlot in gaat’: CD&V pleit niet voor een beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd. De degressiviteit van de uitkeringen hebben we in de federale regering mee goedgekeurd, maar ze tot nul herleiden: daar passen wij voor. Een beperking van de uitkering in de tijd is immers niets meer dan een verschuiving van het probleem. Als mensen na pakweg twee of drie jaar zonder uitkering vallen, verdwijnen zij immers niet. Zij komen terecht bij het OCMW voor een leefloon. Ook dat leefloon moet uiteraard betaald worden met belastingsgeld. Het beperken van de werkloosheidsuitkering in de tijd voorstellen als een besparing is dus fout. Het is een vestzak-broekzakoperatie. Permanente opvolging en begeleiding zijn veel betere alternatieven. Wie zal immers durven beweren dat de ongeveer 650 (oudere) werknemers van Opel Antwerpen die na twee jaar nog geen nieuwe job vonden zonder uitkering moeten vallen? Profiteren van het sociaal systeem doen zij alvast niet. Hen op een leefloon zetten is hen quasi defi nitief afschrijven voor de arbeidsmarkt en bovendien vernederend. Daar passen wij voor. Voor oudere werknemers, we haalden het al meermaals aan, zetten we ook in op lagere werkgeversbijdragen. Dat maakt het aanwerven van een oudere werknemer goedkoper voor de werkgever. Tot slot nog iets over de strijd tegen jeugdwerkloosheid. Het stuk van prof. Luc Sels staat er uitgebreid bij stil. Eerst een nuance. Met een jeugdwerkloosheidsgraad van 12,8% doet Vlaanderen het op Europese schaal nog zeer goed, dat is de Europese kopgroep. In Wallonië (27,1%) en in Brussel (36,4%) is de situatie echter dramatisch. Het zijn nog geen Spaanse of Griekse toestanden, maar elke jongere zonder werk is er één te veel. In Vlaanderen zijn dit er vandaag 41.831.

Wouter Beke: De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D. 17


De oplossingen situeren zich op een aantal verschillende assen. Eerst en vooral in het onderwijs. Een werkervaring is een geschikt middel om competenties op te bouwen en de juiste arbeidsattitudes te verwerven. Bedrijven en onderwijs moeten wat dat betreft veel nauwer samenwerking. De tweede en derde graad van het middelbaar onderwijs moeten meer afgestemd worden op het beroepsleven. Er is nood aan een geintegreerd beleid van werkplekleren en stageperiodes. Niet alleen in de technische richtingen, ook in de meer abstracte richtingen. We willen ook een eenvormige attestering en internationale erkenning voor het herkennen, erkennen en valideren van verworven ervaring en competenties. De leertijd is een opleidingsvorm die we willen opwaarderen. Het stelsel Leren-Werken is voor ons een speerpunt in de strijd tegen jeugdwerkloosheid. CD&V gaat voluit voor een jeugdgarantieplan. Dat betekent dat elke jongere beneden de 25 jaar, binnen de vier maanden na inschrijving, die al vier maanden geen werk of opleiding meer had een aanbod op maat krijgt van opleiding, baan en/of vorming. We kijken naar het specifieke profiel van elk van die jongeren en gaan gericht te werk. Wie niet de juiste competenties heeft voor de jobs die beschikbaar zijn, krijgt de nodige herscholing om meer kansen te maken op de arbeidsmarkt. Wie nog werkattitudes mist, bieden we een stage aan om zo ervaring op te doen. Tegelijk stimuleren we werkgevers om jongeren kansen te geven. Wie een jongere tewerk stelt, moet minder werkgeversbijdragen betalen (zie boven). Hiervoor hebben we 125 miljoen euro extra uitgetrokken in het kader van het competitiviteitspact en we gaan op dit elan door in ons 3D-plan. En neen: wij wensen niet te raken aan de inschakelingsuitkering (vroeger â&#x20AC;&#x2DC;wachtuitkeringâ&#x20AC;&#x2122;). Het principe dat men een risico loopt om de uitkering te verliezen, is een element in het verhogen van het zoekgedrag. Opnieuw: snelle begeleiding op maat, daar gaan wij voor. Uitsluitingen zijn de allerlaatste stok achter de deur, voor mensen die echt te weinig moeite doen om aan een job te geraken. Stel uzelf de vraag: zou u willen dat uw kind dat volgende maand afstudeert op niets aanspraak zou kunnen maken? Meteen een leefloon moet aanvragen? De vraag stellen is ze beantwoorden.

Onze derde prioriteit: investeringen Het past niet om de mensen in budgettair moeilijke tijden de hemel op aarde te beloven of voor te spiegelen dat de budgettaire bomen tot in de hemel groeien. De budgettaire middelen zijn beperkt. Ook in het investeringsbeleid moeten dus keuzes worden

18

Wouter Beke: De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D.


gemaakt. CD&V gaat voor investeringen in 3D: in mensen, in innovatie, onderzoek en ontwikkeling en in infrastructuur. Het zou ons te ver leiden hier alle aspecten van het 3D-plan aan te raken, maar ik wens wel even stil te staan bij een aantal domeinen die aangeraakt werden door de auteurs.

Investeren in innovatief ondernemerschap Prof. Debackere wijdde er een heel artikel aan, ook Marcia De Wachter stipte het aan. Op de website van De Tijd publiceerde prof. Jozef Konings er recent een opiniestuk over. 5 Misschien vat de titel van dat opiniestuk nog het beste samen wat het 3D-plan naar voren schuift en wat ik wil zeggen: “Alleen innovatie en meerwaarde kunnen de industrie redden.” Om met duurzame economische groei de welvaartsstaat te vrijwaren, willen we innovatie en ondernemerschap als de economische grondstroom in Vlaanderen en België versterken. Enkel zo kunnen we uitmunten als innovatieve en economische groeiregio. Innovatie en ondernemerschap leveren een dynamiek van groei op in een internationaal competitieve omgeving. We hebben op dit vlak een goede startpositie. 62% van de Vlaamse bedrijven zijn innovatief volgens Eurostat. Daarmee bevinden we ons in de Europese top drie. De voorbije jaren investeerden overheid en bedrijfsleven, ondanks de crisis, verder in onderzoek en ontwikkeling (O&O). Ondertussen besteden we 2,4% van ons BBP aan O&O. Dat is goed, maar niet zo goed als de Scandinavische landen en Duitsland. We moeten meer doen en verder gaan. Onze voornaamste grondstoffen zijn kennis en hoogtechnologische niche-expertise. Er verder in investeren is cruciaal voor onze economische groei. Het innovatiebeleid moet resoluut gericht worden op de transformatie van het (oude) industriële weefsel en de groei van onze KMO’s. Volgens ons – en het doet goed de twee aangehaalde professoren ons daarin te horen bijvallen – moet het innovatiebeleid de samenstelling van clusters in Vlaanderen stimuleren. In clusters werken complementaire bedrijven, samen met kennisinstellingen (universiteiten, hogescholen) en de overheid, aan vernieuwende, kwalitatieve producten en diensten. Dat is slim specialiseren, dat is onze eigen niches af bakenen waarin we uitblinken in een concurrentiële wereld. De overheid moet hier niet de lead nemen, dit moet bottom-up verlopen. Ondernemers en kennisinstellingen moeten de dans leiden. De overheid moet faciliteren en belemmeringen wegnemen. Goede voorbeelden zijn bv. de micro- en nanotechnologie, de fotonica en de industriële biotechnologie. http://www.tijd.be/dossier/mobiliteit/Alleen_innovatie_en_meerwaarde_kunnen_de_industrie_redden.9496732-2336.art.

5

Wouter Beke: De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D. 19


Industriële vernieuwing, onderzoek en ontwikkeling zijn de beste stimulans voor jonge, nieuwe Vlaamse bedrijven. Het is op die schaal dat zich de beste nichespelers ontwikkelen. Daarom moet het innovatiebeleid van de overheid ook – en meer dan vandaag – KMO’s begunstigen. Zo willen we dat KMO’s met een minimum aan rompslomp een eerste studie of project door het Instituut voor Wetenschap & Techniek (IWT) gesubsidieerd kunnen krijgen. Verder willen we investeringen van KMO’s in innovatie-infrastructuur fi nancieel ondersteunen en de bescherming van intellectuele eigendom door KMO’s vergemakkelijken. We zijn ook voorstander van een verruiming van de steunmaatregelen voor onderzoekers. Die steun moet minder afhankelijk zijn van het diploma van de werknemer en breed gelden voor alle onderzoeksactiviteiten. Dat is KMO-gericht beleid. Ook de link tussen onderwijs en de kenniseconomie moet verder versterkt worden. Ik sluit dit stukje graag af met een citaat uit het opiniestuk van prof. Konings: “Dat het Europese beleid steeds meer wordt afgestemd op de Vlaamse aanpak en dat zestien van de meest industrieel vernieuwende regio’s Vlaanderen daarin gevolgd zijn, bewijst dat die omslag in het industrieel beleid de juiste weg is. De voorbeelden van groei in de nieuwe Vlaamse industriële clusters tonen aan dat er zoiets bestaat als nieuw industrieel ondernemen. Het is de weg bij uitstek om de teloorgang van de oude industrie op te vangen met een nieuwe dynamiek. We moeten beseffen dat de meeste banen die in de oude industrie verloren gaan, voorgoed verloren zijn. Alleen een nieuwe industrie, die in de eerste plaats competitief is door innovatie en meerwaarde, zal banen en welvaart opleveren.” Het is zo’n beleid dat CD&V mee wilt voeren.

Investeringen in slimme netwerken & infrastructuur Een tweede speerpunt die CD&V naar voren schuift in het investeringsbeleid: slimme netwerken en infrastructuur. Ik zou het hier specifiek willen hebben over het subthema mobiliteit. Voor de onderdelen energie, kringloopeconomie, etc. verwijs ik u graag naar het CD&V-verkiezingsprogramma. Mobiliteit is het bindmiddel tussen onze dagelijkse activiteiten. We verplaatsen ons naar het werk of naar school, om te winkelen, op bezoek te gaan of te reizen. Tal van goederen moeten van en naar hun bestemming gebracht worden. We verplaatsen ons bovendien meer en meer. En liefst van al verlopen al die verplaatsingen vlot, veilig en duurzaam.

20

Wouter Beke: De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D.


Enkele cijfers: bij ongewijzigd beleid zal het personenvervoer in België tegen 2030 met 30% gestegen zijn tegenover 2005. Het vrachtvervoer met zomaar even 60%. De gemiddelde snelheid zou dalen met 31% tijdens de spits en met 17% tijdens de daluren. Zonder maatregelen zou dat een bijna permanente gridlock betekenen. Twee op de drie verplaatsingen van de Vlaming gebeurt met de auto. Zelfs voor korte ritjes kiest de helft de wagen. Zeker in stedelijke omgeving is nog veel verschuiving mogelijk van autogebruik naar de fiets en het openbaar vervoer. Een toekomstgerichte visie op mobiliteit kan je niet beperken tot ‘meer wegen’. Ons verkiezingsprogramma bevat dan ook een zeer uitgebreid luik mobiliteit waar wordt ingezet op het ondersteunen en stimuleren van alternatieve vervoersmodi. Maar gerichte infrastructuurwerken zijn wel degelijk een deel van het antwoord. De Nederlandse ervaring heeft dat intussen aangetoond. Door fi legevoelige plaatsen aan te pakken, is het fi leleed daar substantieel verminderd. Specifiek voor de investeringen in infrastructuur willen we de Europese draaischijf voor logistiek en transport blijven. De belangrijke economische poorten van ons land moeten dus goed bereikbaar blijven. Dat zorgt immers voor welvaart en werkgelegenheid. De verdere uitbouw van een efficiënt, veilig en duurzaam mobiliteitsnetwerk is dan ook cruciaal, incl. de ontsluiting van onze havens, luchthavens, de hoofdstad en de centrumsteden. Nooit eerder werd zoveel geïnvesteerd in mobiliteit en openbare werken als de voorbije legislatuur. In 2013 en 2014 bedroeg het budget telkens meer dan 3 miljard euro. Het klaverblad in Lummen werd heraangelegd, op cruciale plaatsen werden spitsstroken aangelegd. De Kempense Noord-Zuidverbinding, de R4 in Gent en de noordelijke ontsluiting van de luchthaven in Zaventem werden gerealiseerd. Ook het openbaar vervoernetwerk werd uitgebreid met het Brabo 1-project, de doortrekkingen van de tramlijnen Mortsel-Boechout, Deurne-Wijnegem en het Livan-project in Antwerpen. De investeringen in dynamisch verkeersmanagement werden verzesvoudigd en het budget voor fietsinfrastructuur werd van 60 miljoen euro opgetrokken tot meer dan 100 miljoen euro per jaar. Het resultaat: 1.750 kilometer nieuwe fietspaden. Extra inspanningen zijn echter nodig, we moeten verder op het ingeslagen pad. Ons 3D-plan voorziet daarvoor in de nodige middelen. De resterende missing links willen we wegwerken. In Antwerpen gaan we voor de integrale uitvoering van het Masterplan Antwerpen 2020. We vervolledigen de Ring met het Oosterweeltracé, met de A102 en de R11bis als belangrijkste schakels. De overkapping van de Ring blijft mogelijk met de Oosterweelverbinding. Rond Brussel wordt de Ring geoptimaliseerd: meer verkeersveiligheid en een vlottere doorstroming. In Limburg staat de realisatie van het

Wouter Beke: De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D. 21


SALK voorop en de sneltramlijnen. In Oost-Vlaanderen staan de R4 rond Gent en de expressweg N49 bovenaan het lijstje. Voor West-Vlaanderen zijn de A11 en de N49 tussen Damme en Maldegem prioriteit. We blijven investeren in slimme mobiliteitstechnieken voor betere doorstroming, zoals digitale communicatie om bij fi les alternatieven aan te moedigen of mobiele fi ledetectie- en beveiligingssystemen bij werven van grote wegenwerken.

Investeringen in mensen: een versterkt onderwijsaanbod Last but certainly not least: het onderwijs. We hebben sterk onderwijs in Vlaanderen en zijn er terecht trots op. Dat blijkt keer op keer uit internationaal vergelijkend onderzoek (zoals PISA). Uit datzelfde onderzoek blijkt echter ook dat de voorsprong verkleint. We moeten blijven investeren in onderwijs om onze toppositie te vrijwaren. Alert blijven is de boodschap. De verborgen kampioenen – hidden champions ¬– van morgen zitten vandaag op de schoolbanken. Elke leerling moet de kans krijgen het beste uit zichzelf te halen en voorbereid het hoger onderwijs en/of het beroepsleven in te stappen. CD&V heeft in het 3D-plan en in de rest van het verkiezingsprogramma een uitgekiend plan klaar om ons onderwijs te versterken, in al zijn facetten. Leerlingen, leerkrachten, directies en schoolbesturen moeten versterkt worden. Onderwijs is de hoeksteen van ons sociaal-economisch programma. Zonder onderwijs is er niets. Sterk onderwijs is noodzakelijk voor Vlaanderen als innovatieve groeipool, sterk onderwijs is noodzakelijk om de jeugdwerkloosheid tot een minimum te beperken, is nodig om jongeren warm te maken voor ondernemerschap, is de enige weg richting bv. hernieuwbare energie, is de grondstof voor innovatie. Meer dan ooit hangt de toekomst van Vlaanderen, van welvaart én welzijn, af van de manier waarop we omgaan met ons onderwijs, met onze talenten. Voor al onze plannen voor het onderwijs, verwijs ik opnieuw naar ons verkiezingsprogramma.6 In het kader van het luik investeringen van het 3D-plan wil ik nog even stilstaan bij de schoolinfrastructuur en de hoge noden op dat vlak. Iedere Vlaamse school is een warme en veilige plek die het leer- en leefproces stimuleert. Leerlingen krijgen kansen om competenties te verwerven in het deeltijds kunstonderwijs, door werkplekleren of door een engagement in het gemeenschapsleven. De brede school van morgen blijft verbonden met haar lokale en regionale omgeving, maar ook met Europa en de wereld.

6

22

www.cdenv.be/verkiezingsprogramma2014.

Wouter Beke: De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D.


De school van de toekomst moet kunnen rekenen op moderne infrastructuur en een goede didactische en ICT-uitrusting. In ons 3D-plan voorzien we daartoe ook de nodige middelen. We verbeteren en versoepelen de regelgeving voor een meer duurzame en meer toegankelijke scholenbouw. CD&V engageert zich om zo vlug als mogelijk een denktank op te richten van beleidsverantwoordelijken, onderwijsactoren en fi nanciële experts die oplossingen en fi nancieringsmogelijkheden aanreikt en een langetermijnaanpak mee vorm geeft. Gelet op de omvang van de noden en de beperkte middelen is een enkele wonderformule op het vlak van infrastructuur niet realistisch. Daarom voorzien we overheidsmiddelen en PPS-formules die ontspruiten uit de lokale realiteit. We willen de mogelijkheden verkennen van formules zoals de volkslening voor scholenbouw, de mogelijkheid van crowd funding en de fi scale aftrek voor giften aan scholen. Voor (nijverheids)technische en beroepsgerichte opleidingen in het secundair onderwijs voorzien we middelen voor didactische uitrusting. Nieuwe schoolinfrastructuurprojecten komen best in een campusgedachte tot stand. Ook gemeenschapsvoorzieningen van andere sectoren (bv. welzijn, cultuur, sport) hebben er een plaats. Maar ook woningen kunnen erin verwerkt worden. Zo’n projecten bestaan al, o.m. in Brasschaat. Infrastructuur kan zo optimaal ingezet, benut en herbestemd worden. Bestaande schoolgebouwen stemmen we af op de in de buurt aanwezige infrastructuur. Dit mondt uit in een wisselwerking waar de school haar infrastructuur ter beschikking stelt van de buurt en de buurt haar infrastructuur deelt met de school. Ook de herbestemming van bestaande (leegstaande) panden moet bijdragen tot het lenigen van de noden. Het oplossen van het infrastructuurprobleem bij scholen is dus geen of/of-verhaal, maar een verhaal van heel veel ‘en’.

Tot slot: het momentum grijpen CD&V is ervan overtuigd dat Vlaanderen op een kruispunt staat. De voorbije maanden trokken we massaal ‘de boer op’ om ons oor te luisteren te leggen. Een Vlaams topindustrieel zei me: “Wij hopen nu maar dat wat er in deze legislatuur bereikt is, niet gefnuikt wordt. Want nu is er de opportuniteit van een matuur beleid in een matuur Vlaanderen.” En de man had gelijk. De 6 de staatshervorming hevelt de nodige bevoegdheden en middelen over om zo’n beleid mogelijk te maken. En het begin van economisch herstel is er, het plantje van onze economie kan stilaan terug groeien. Het is nog broos en verdient dus alle zorg die het kan krijgen, als in een serre. Het is nu niet het moment om het broze plantje in onvoorspelbaar stormweer buiten te plaatsen.

Wouter Beke 23


We hebben in het verleden al vaak moeilijke maar juiste keuzes gemaakt. We hebben niet gewacht, maar aangepakt. Ondernemen en besturen zit in ons DNA. In overleg hebben we de crisis de ergste wapens uit handen geslagen en realiseerden we de grootste staatshervorming ooit. We willen nu, ook in moeilijke tijden, mensen zekerheid bieden. De zekerheid dat ze niet in de steek gelaten worden als ze pech hebben. En dat zij die het goed hebben alle kansen krijgen om zichzelf te ontplooien. We besparen, ja. Maar niet ten koste van de kleinsten, de jongsten of zij die hulp- of zorgbehoevend zijn. Dat zit in ons DNA, dat maakt deel uit van onze ideologie. Nooit zullen wij de intermenselijke solidariteit loslaten. We staan op een kruispunt. Op federaal niveau zullen weldoordachte aanpassingen in de sociale zekerheid, de fi scaliteit en het arbeidsrecht moeten doorgevoerd worden. De auteurs in dit nummer schrijven erover, wij hebben het voorzien in ons 3D-plan. In Vlaanderen staat de inkanteling van de 6de staatshervorming op stapel, een gigantische operatie waar we het komende decennium zoet mee zullen zijn. Voor Vlaanderen is dat een momentum. We hebben nu baat bij een constructief klimaat van samenwerking. Het is tijd om de krachten te bundelen om Vlaanderen, BelgiĂŤ, Europa en de wereld sterker te maken dan ooit te voren. CD&V doet een duidelijk aanbod aan de kiezer. Wij gaan voor economische groei ĂŠn sociale vooruitgang, als elkaars hef bomen. Het een niet zonder het ander. Iedereen moet aan boord. Zij die het goed hebben, moeten de vleugels kunnen spreiden, zij die het moeilijk hebben kunnen op onze steun rekenen. Steun van een overheid die zal optreden waar het moet, maar ook zal terugtreden waar het kan, waar ze niet moet zijn (bv. minder regeldrift in het onderwijs). Geniet u van dit rijkelijk gestoffeerde nummer. Deze CDR zet het belang van 25 mei nog wat meer in de verf. [Wouter Beke is algemeen voorzitter van CD&V, burgemeester van Leopoldsburg en Limburgs CD&V-lijsttrekker voor de Kamer van volksvertegenwoordigers op 25 mei 2014.] info@wouterbeke.be | Twitter: @wbeke

24

Wouter Beke


Marcia De Wachter

De concurrentiekracht in België/ Vlaanderen in Europees en wereldperspectief De opeenvolgende financiële crisissen die sinds 2008 het Europese continent teisterden – de bankencrisis met daarbovenop de soevereine crisis, gevolgd door acuut fragmentatiegevaar in de eurozone – hebben in het eurogebied hun tol geëist in de vorm van ‘zeven magere jaren’ met zeer bescheiden economische groeiperspectieven, hoge schuldgraden bij gezinnen1, ondernemingen en overheden en een ontrafeling van de sociale cohesie.

Een wereld in transitie China mag dan al het eurogebied economisch voorbijgestoken zijn als tweede wereldnatie, toch zetten ook de opkomende landen, en meer specifiek de BRIC-landen, dalende groeicijfers neer. Een eenmalige verklaring daarvoor is de conjuncturele terugval na een periode van uitzonderlijk krachtige groei in die landen, gekoppeld aan paniekreacties op de aankondiging tot tempering van het zeer soepele Amerikaanse monetair beleid. Maar structurele factoren zijn ongetwijfeld de trage of zelfs negatieve bevolkingsaangroei, ondermeer in China en Rusland, een schromelijk gebrek aan broodnodige hervormingen in hun financiële-, arbeids en productenmarkten en overcapaciteit in vastgoed en infrastructuur. Ook die landen schakelen door het afkalven van hun industrieel ontwikkelingsmodel naar een lagere versnelling. In de komende periode moeten de Belgische exporteurs daarom rekening houden met een structureel lager wereldgroeipotentieel en een veranderende exportmarkt ook naar de opkomende landen. In Euroland levert de weerslag van de financiële crisis een zeer verscheiden economisch landschap op met een bescheiden en erg ongelijkmatige groei: licht positief in de kernlanden, negatief in de rest van het eurogebied. Perifere landen zoals Portugal, Ierland, Italië, Griekenland en Spanje boekten sinds 2007 aanzienlijke competitiviteitsverbeteringen omdat ze de door de Trojka van ECB, EC en IMF opgelegde herstrucNvdr: Deze hoge schuldgraden zijn inderdaad een fenomeen op het geheel van de eurozone, maar niet per se toepasbaar op België. Het is een probleem dat zich veel acuter stelt in o.m. Griekenland, Spanje, Portugal en Ierland.

1

Concurrentiekracht 25


tureringsmaatregelen vrij strikt uitvoerden, met lagere lonen en hoge werkloosheid als gevolg, en daardoor betere netto exportprestaties en positieve betalingsbalansen realiseerden. Dat betekent ook dat goed opgeleide arbeidskrachten uit die landen hun diensten tegen aanzienlijk voordeliger loonvoorwaarden aanbieden in hun thuisland of wegtrekken richting Europese kernlanden op zoek naar beter betaalde banen. In de Verenigde Staten hebben ondertussen innovatieve extractietechnieken een ware schalieolie en -gasrevolutie ontketend die de energiekosten van dat continent tot slechts een derde van de Europese en Aziatische hebben herleid en van de VSA vanaf 2016 een energie exportland zal maken. Dit creëert niet alleen miljoenen banen in de energiesector zelf maar ook in de infrastructuurproductie en andere toeleveringsbedrijven en in de energie intensieve sectoren zoals chemie, farmaceutica en staalindustrie. Kortom, aan de ene kant heeft de Grote Financiële Crisis 2008-2013 en de mondiale weerslag ervan het Belgische en a fortiori het Vlaamse exportgedreven groeimodel bemoeilijkt. Aan de andere kant geeft de fors toegenomen internationale concurrentie op gebied van lonen, arbeidskrachten, energieprijzen en producten, zowel vanuit de Europese perifere landen als vanuit de VSA, een ferme ‘wake up call’ aan de Belgische en Vlaamse competitiviteitspositie.

De spiegel van de concurrentiekracht Tijdens de afgelopen vijftien jaar is het saldo van onze lopende betalingsbalans, ook wel de ‘spiegel van onze concurrentiekracht’ genoemd, geëvolueerd van een comfortabel overschot van ruim 5% van het BBP in de periode 1997-1999 naar een tekort van circa 2% van het BBP in 2011-2013. Met dat cijfer bevindt ons land zich op het Franse niveau en scharen we ons bij de kleine groep eurolanden die een tekort op de lopende betalingsbalans vertonen. Het valt op dat de afkalving van onze goederen en dienstenbalans zich vooral vanaf 2003 scherper heeft doorgezet. Grafiek 1 leert dat deze negatieve evolutie hoofdzakelijk is toe te schrijven aan de gevoelige verslechtering van onze goederenbalans.

26

Concurrentiekracht


Onze dienstenbalans vertoont immers continu een overschot van om en bij de 2 procent van het BBP en groeit de laatste jaren zelfs nog omwille van ‘diamanten’ waarover ons land beschikt. Eén daarvan is Brussel, de hoofdstad van Europa. De dienstverlening aan de talloze Europese instellingen en internationale organisaties, gekoppeld aan multinationals die hun hoofdzetel naar ons land gebracht hebben, is jaarlijks goed voor een miljardenoverschot op onze dienstenbalans. Tweede ‘diamant’ is onze geografische ligging aan de Noordzee die maakt dat Vlaanderen met zijn drie zeehavens en uitgebreid haveninterland een wereldspeler is in logistieke overslag.

Kostencompetitiviteit Helaas kan het overschot op de dienstenbalans het oplopend tekort in de goederenbalans niet compenseren. Dit omwille van twee factoren. Een daarvan is het verloop van de importkosten van minerale brandstoffen. In 1995 vertoonde die import slechts een tekort van 1% van het BBP, maar vanaf 2003 is dat gestaag opgelopen tot een dieptepunt van maar liefst -5% van het BBP in 2011 en nadien licht afgenomen tot 4,6% van het BBP in 2013. Die verslechtering heeft alles te maken met de exploderende wereldenergieprijzen die tussen 1995 en 2013 meer dan verviervoudigden. Tussen 2005 en 2011 ging het om prijsstijgingen van gemiddeld 9% per jaar.

Concurrentiekracht 27


Aangezien de Belgische economie structureel energie intensiever is dan die van de drie buurlanden (tabel 1) hebben die prijsstijgingen bijzonder zwaar doorgewogen, ondanks onze veel energiezuinigere productie en consumptie. Tabel 1

Energie intensiteit per eenheid toegevoegde waarde in procent BelgiĂŤ

Duitsland

Frankrijk

Nederland

Industrie

11 %

4%

5%

8%

Totaal

4%

1%

2%

2,2%

Hoewel de regering werk heeft gemaakt van matigingsmechanismen in de energieprijzen, door o.m. loskoppeling van de gas en elektriciteitsprijzen van de olieprijzen, grotere concurrentie tussen producenten enz. blijft de energiekost hoger dan bij de drie buurlanden, zowel voor burgers als voor bedrijven. Een coherent energie en bevoorradingsbeleid is zeker een uitdaging voor de volgende legislatuur. Een tweede verklarende factor van het goederentekort is het verlies van een deel van de automobielassemblage industrie in Vlaanderen. Hierdoor werd ons land nettoimporteur van transportmateriaal. De chemische, de farmaceutische en de transportsector hebben vooral te kampen met sterk gestegen energieprijzen, nog verergerd door het schaliegasvoordeel in de VSA. Het verlies aan marktaandeel en productiepotentieel in gemakkelijk imiteerbare goederen zoals in de maakindustrie moet in verband gebracht worden met de stijgende loonkosten. Uit een vergelijking van het relatief belang van die kostenstijgingen (tabel 2) blijkt echter dat tussen 2005 en 2011-2012 de energieprijzen veel sneller gestegen zijn en daarom sterker gewogen hebben op de af brokkeling van de goederenbalans dan de loonkosten. Tabel 2

1

Kostenstijging van energie en lonen 2005 2012 in procent Relatief belang in productiekost 2005

Relatieve kosten- Verschil in relatief stijging 2005 2012 kostenbelang

Energie

4,9

+ 54%

+2,7

Lonen

38,0

+ 2,4%

+1,0

1

Loonkost per eenheid product.

De gemiddelde loonhandicap per eenheid product die ons land sinds 1996 cumulatief heeft opgelopen ten opzichte van de drie buurlanden bedroeg in 2013 nog 12,6%. Het probleem stelt zich vooral sinds de eeuwwisseling in Duitsland, als gevolg van de zgn. Hartzmaatregelen (grafiek 2). Drukt men die loonkloof uit in termen van uurloonkosten in de private sector, dan bedraagt die volgens de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven 4,8%.

28

Concurrentiekracht


Onder impuls van minister president Kris Peeters werd een competitiviteitspact afgesloten om de loonkloof in de private sector tegen uiterlijk 2019 te dichten (tabel 3). Tabel 3

Overheidsmaatregelen en competitiviteitspact â&#x20AC;&#x201C; periode 2013-2019 Impact 1.

Voor 2013 en 2014 bevriezing van de lonen boven indexering en baremastijgingen

0,9%

2.

Maatregelen die de stijging van het indexcijfer matigen

0,4%

3.

Vermindering van de patronale bijdragen aan de sociale zekerheid

1,0%

4. Loonsubsidies uitsluitend ter verbetering van de internationale concurrentiekracht (via vermindering bedrijfsvoorheffing)

1,8%

4,1%

Loonkloof private sector met drie buurlanden in 20131: 4,8% 1

Bron: CRB.

Een loonbevriezing gedurende twee jaar, maatregelen die het indexcijfer matigen, drie verlagingen van de patronale bijdragen van de sociale zekerheid ten belope van telkens 450 miljoen euro, in totaal goed voor 1% van de loonsom in de private sector, en loonsubsidies via lagere bedrijfsvoorheffingen en een gerichte loonkostenverlaging langs Vlaamse zijde, maken deel uit van dat pact. In totaal zal de loonhandicap daarmee worden teruggedrongen met 4,1% van de private loonsom, of 85 % van de loonkloof zoals vastgesteld in 2013.

Concurrentiekracht 29


Zoals het Globaal Plan Dat maatregelenpakket doet sterk terugdenken aan het fameuze ‘Globaal Plan’ dat in 1993 door de regering-Dehaene werd beslist. Ook toen was de nominale loonkost per werknemer in de privésector in vergelijking met 1987 ten opzichte van de drie voornaamste handelspartners met circa 3% gestegen. De ‘Groep van Wijzen’ die in de zomer van 1993 het globaal plan uittekende, voorzag twee onderdelen: een budgettair saneringsluik met een overheidstekort beneden 3% van het BBP, een ombuiging van de overheidsschuldratio en financiële leef baarheid van de sociale zekerheid, en een tewerkstellingsluik gebaseerd op een verbetering van het concurrentievermogen. Concreet werden volgende modaliteiten voorgesteld: een verlaging van de werkgeversbijdragen over de periode 1994-1996 ten belope van 1,2% van de loonmassa in de privésector en een loonindexering vanaf 1/1/1994 op basis van de zgn. gezondheidsindex. Het gezondheidsindexcijfer berekend vanaf 1/1/1993 lag in 1994 1,4% lager dan het algemeen indexcijfer. Voor de jaren 1995 en 1996 werd de totale weerslag hiervan op de loonmassa op 1,9% geraamd. Voor de periode 1994-2008 bedroeg de uiteindelijke weerslag van de gezondheidsindex 3,9% loonmatiging. Daarnaast werd beslist tot een blokkering in 1995 en 1996 van alle reële loonsverhogingen boven de ‘wage drift’. Aangezien in de periode 1990-1993 de jaarlijkse CAO loonstijgingen gemiddeld 1,9% bedroegen, werd de impact van de loonblokkering 1995-1996 op 3,8% geraamd. De patronale bijdrageverlaging, de gezondheidsindex en de loonblokkering leverden voor de periode 1994-1996 uiteindelijk een loonmatiging van 6,9% op per werknemer in de privésector. De twee episoden 1987-1993 en 2005-2012 leren dat de loonkosten in België moeilijk in bedwang kunnen gehouden worden in perioden van sterk stijgende energieprijzen en dat de overheid de sociale partners moet ter hulp komen om een gepaste looncorrectie te realiseren. In een nieuwe competitiviteitswet zou hieraan een structurele oplossing moeten worden gegeven.

Marktaandelen en banen Niettemin is het verlies aan marktaandeel dat vooral acuut was in 2010, tot stilstand gekomen en omgeslagen in verovering van nieuwe markten (grafiek 3).

30

Concurrentiekracht


Hoewel de goederenbalans nog niet uit de rode cijfers is, vooral omwille van de energieprijzen, is er een gunstige ontwikkeling in de netto uitvoer van goederen en diensten naar volume. Vlaanderen is met zijn aandeel van 83% in de Belgische totaaluitvoer de economische motor van ons land. De grote prioriteit die de minister president geschonken heeft aan het buitenlands beleid en de exportpromotie naar de vijf continenten heeft resultaat geboekt. Opvallend is daarbij de nieuwe Afrikastrategie die een exportgroei van maar liefst 18% heeft opgeleverd en die de mindere groei van de BRIC-landen ruimschoots heeft gecompenseerd. Toch heeft de loonkostenhandicap gewogen op de privésector, want sinds 2007 zijn nieuwe banen vrijwel uitsluitend in de overheidsdiensten, non-profit of met dienstencheques gecreëerd, terwijl in de buurlanden een derde van de nieuwe banen in de private sector gecreëerd werd. Dat wijst niet alleen op het loonkloofprobleem in onze private sector, maar ook op een mismatch van arbeidskrachten. In sommige Vlaamse regio’s is nu al sprake van een tekort aan arbeidskrachten terwijl het economisch herstel nog bescheiden is. Naarmate de loonkloof afgebouwd wordt, biedt de 6de staatshervorming en de pensioneringsgolf bij de federale ambtenaren een ‘window of opportunity’ om arbeidskrachten beschikbaar te stellen voor de private sector en de globale overheidssector slanker en efficiënter te maken. Dit moet kaderen in de verdere uitrol van de pensioen en arbeidsmarkthervormingen waarmee de regering gestart is. Uittredingen moeten de uitzondering worden en het geleidelijk optrekken van de effectieve pensioenleeftijd een verdedigbaar objectief.

Concurrentiekracht 31


Naar een kenniseconomie Competitiviteit wordt vanzelfsprekend niet alleen in termen van kosten uitgedrukt, maar ook in termen van een waaier aan elementen die ‘s lands innovatiekracht beïnvloeden: infrastructuur en mobiliteit, uitgaven aan O&O, innovatieprestaties, ondernemerschap en factoren die dat beïnvloeden, bv. administratieve en fiscale verlichting en voldoende toegang tot risicokapitaal en krediet. Gemiddeld gesproken scoren België en a fortiori Vlaanderen goed tot zeer goed op die indicatoren en enkele uitschieters daartussen verdienen in de kijker gezet te worden. Doordat vier Centers of Excellence gecreëerd zijn in hoogtechnologische domeinen, nl. IMEC, VITO, iMinds en VIB, is er een formidabel vruchtbare kruisbestuiving op gang getrokken tussen die onderzoekscentra en hun universiteiten en hogescholen, tussen talloze innovatieve ondernemingen en spin-offs, en de overheid. Die ‘triple helix’ maakt dat Vlaanderen wereldnichespeler geworden is in o.m. nanotechnologie, life sciences, maakindustrie en audiovisuele technologie, clean tech en logistiek. Het Nieuw Industrieel Beleid van de Vlaamse regering, gekoppeld aan de waaier van innovatiebevorderende projecten gebundeld in Vlaanderen in Actie, heeft onze ondernemingen impulsen gegeven om aan continue product en procesinnovatie te doen. De helft van onze ondernemingen zijn op dat vlak innoverend, meer dan in Nederland en Frankrijk (grafiek 4), ruim 10% boven het Europees gemiddelde. Het heeft ertoe geleid dat de technologie intensiteit in onze business sector met 20,2% sterk aansluit bij die van Duitsland met 29,3% tegenover slechts 13,7% en 14,8% voor Nederland en Frankrijk.

32

Concurrentiekracht


Ook qua hoogtechnologische en kennisintensieve diensten ligt ons aandeel op een iets hoger niveau dan dat van Duitsland (27%) (grafiek 5).

Vlaanderen heeft als innovatieve motor van België alle ingrediënten om een succesvolle transformatie naar een kenniseconomie te maken. Ruim 550.000 kenniswerkers zijn al actief in ons land, 100.000 meer dan bij de eeuwwisseling. Dat is 12,2% van de werkende bevolking. Elke kenniswerker brengt vier nieuwe banen met zich mee in de toeleverende sectoren. Het komt er nu op aan zowel de kostencomponenten in onze private sector duurzaam in lijn te brengen met de drie buurlanden en de vruchten van onze ‘stille innovatiegolf ’ en van onze ‘stille kampioenen’ uit te dragen over de vijf continenten. [Marcia De Wachter is directeur van de Nationale Bank van België.] marcia.dewachter@nbb.be | Twitter: @mdewachter2

Concurrentiekracht 33


34

Concurrentiekracht


Luc Sels

Prioriteiten voor het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid In deze nota lijsten we enkele aandachtspunten op voor het Vlaamse arbeidsmarktbeleid. We starten met enkele algemene aandachtspunten in het kader van de zesde staatshervorming. We schetsen vervolgens de wellicht grootste uitdaging, namelijk het stimuleren van de werkzaamheid. We gaan daarbij ook in op het belang van selectieve loonkostverlaging als middel om de werkzaamheid weer wat aan te trekken. We sluiten af met enkele reflecties over de strijd tegen de jeugdwerkloosheid en de instrumenten ter ondersteuning van levenslang leren.

Een pleidooi voor transparantie De 6 de staatshervorming geeft de regioâ&#x20AC;&#x2122;s ruimte voor een bijsturing van hun arbeidsmarktbeleid. Vanzelfsprekend moet zoâ&#x20AC;&#x2122;n bijsturing vertrekken vanuit een visie op activering en inzetbaarheid en op de balans tussen flexibiliteit en zekerheid. Het moet gericht zijn op aftopping van extreme ongelijkheid in kansen en uitkomsten, maar ook durven belonen wie meer inspanning levert voor de economie en (dus) voor anderen. Het nieuwe arbeidsmarktbeleid moet passen bij de ambities van het nieuwe industriebeleid. Maar de ontwikkeling van een visie is niet voldoende. Er moet ook dringend meer rekening gehouden worden met criteria zoals doeltreffendheid, doelgerichtheid en transparantie. Een maatregel is doeltreffend als de geleverde inspanningen en de daarmee gepaard gaande uitgaven echt bijdragen aan de realisatie van het beoogde doel. Oog hebben voor doeltreffendheid impliceert dat we stoppen met wat niet werkt, in de plaats van onszelf wijs te maken dat het wĂŠl werkt. We kunnen dit, zuiver exemplarisch, toepassen op opleidingscheques. De cheques worden veel vaker ingezet door degenen die er

Prioriteiten voor het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid 35


financieel minder nood aan hebben (Mattheüseffect). Heel vaak worden er opleidingen mee gesubsidieerd die ook zonder de cheque gevolgd zouden zijn (deadweight). De opleidingscheque wordt zo een blanco cheque. Ook doelgerichtheid is van belang. Bij de invoering van een nieuwe maatregel moeten de doelen scherpgesteld en de doelgroep afgelijnd zijn. De doelen moeten vertaald zijn in meetbare evaluatiecriteria. Maatregelen worden te vaak in leven gehouden omdat we niet over de methode beschikken om hun effecten tijdig vast te stellen. Zo beveelt het Rekenhof de RVA in haar Boek 2013 over de Sociale Zekerheid aan om de brede waaier van activeringsprogramma’s “te evalueren en de mogelijke effecten van substitutie tussen de verschillende maatregelen in kaart te brengen. Het pleit er bovendien voor bij toekomstige activeringsmaatregelen niet alleen de doelgroep te definiëren maar ook duidelijke doelstellingen in verband met het aantal werknemers en de uitgaven te formuleren”. Het is pijnlijk om vast te stellen dat dit blijkbaar geen evidenties zijn. Een derde criterium is transparantie. Als ik me in een wegwijzer zoals www.aandeslag.be identificeer als werkgever uit de privésector, krijg ik een overzicht van niet minder dan 109 tewerkstellingsmaatregelen. Ook het arsenaal van maatregelen om de opleidingsdeelname van werkenden te stimuleren, is tot de nok gevuld. De ironie wil dat we in 2013 van de Vlaamse overheid de opdracht kregen om in kaart te brengen welke stimuleringsmaatregelen bestaan en wat hun bereik is. Het toont aan dat intransparantie afhankelijkheid creëert. Werkgevers worden afhankelijk van sociale secretariaten, werknemers en werkzoekenden van loopbaanbegeleiders en werkwinkels, de overheid van onderzoekers. Intransparantie leidt vaak tot gebrek aan doelgerichtheid en doeltreffendheid. Ze vloeien voort uit bureaucratische overproductie en gebrek aan transversaal beleid. Ze worden ook gevoed door incrementalisme. We schrikken terug van enkele grote, zorgvuldig geplande wijzigingen en geven de voorkeur aan vele kleine intuïtieve veranderingen en een focus op acute problemen. Hopelijk geeft de 6 de staatshervorming ruimte en draagvlak voor gedurfde maatregelen.

Een pleidooi voor focus op werk Doorheen de verschillende domeinen van het arbeidsmarktbeleid moet het vizier gericht blijven op een centraal doel: de verhoging van de werkzaamheid. Die aandacht verslapt wat vandaag, terwijl de meest recente projecties ronduit zorgwekkend zijn. In tabel 1 geven we de reële werkzaamheidsgraad in 2012 en de projecties voor 2020 voor

36

Prioriteiten voor het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid


de vier Vlaamse en de drie Belgische populaties waarvoor 2020-doelstellingen werden bepaald (zie Theunissen & Herremans, 2013).

Tabel 1. Werkzaamheidsgraden (Vlaams Gewest en België): reële graden (2012), geprojecteerde graden (2020), doelstellingen (2020) en afstand in aantallen werkenden. Regio

Populatie

Vlaams Gewest

mv 20-64

71,5%

76,0%

72,0%

153 300

mv 50-64

54,6%

60,0%

58,5%

20 600

mv 55-64

40,5%

50,0%

47,1%

26 800

v 20-64

66,2%

75,0%

68,3%

126 800

België

Reële graad 2012

Doelstelling 2020

Projectie 2020

Afstand in aantallen werkenden

mv 20-64

67,2%

73,2%

67,9%

356 500

mv 55-64

39,5%

50,0%

46,0%

62 000

v 20-64

61,7%

69,1%

63,7%

183 400

Bron: Projectiemodel werkzaamheid (Steunpunt WSE, oktober 2013).

Volgens deze scenario’s komen we in Vlaanderen uit op een werkzaamheidsgraad van 72% in 2020: een vooruitgang met amper een half procentpunt t.o.v. 2012. De projectie voor de 20- tot 64-jarigen (72,0%) strandt op vier procentpunten van de Vlaamse hoofddoelstelling die vooropstelt dat 76% van de Vlamingen op arbeidsleeftijd in 2020 aan het werk is. Dit stemt overeen met een geprojecteerd tekort van 153.300 werkende Vlamingen in 2020. Voor de Vlaamse 55-plussers bedraagt het verschil tussen doelstelling (50%) en projectieresultaat (47,1%) 2,9 procentpunten of 26.800 werkenden. De Vlaamse streefcijfers voor de 20- tot 64-jarigen, zeker het 75%-objectief voor vrouwen, lijken nog nauwelijks haalbaar binnen de vooropgestelde termijn. Ook de werkzaamheidsgraden die we voor België anno 2020 projecteren, liggen 4 tot 5,4 procentpunten onder de doelstellingen. Deze projecties geven in elk geval het signaal dat er dringend extra en ingrijpende maatregelen nodig zijn om de werkzaamheid van zoveel mogelijk leeftijdsgroepen in de bevolking op arbeidsleeftijd gevoelig op te drijven. De projecties van de economische afhankelijkheidsratio (zie Theunissen en Herremans, 2012) leren dat we hier weinig keuze hebben. De economische afhankelijkheidsratio geeft de verhouding weer tussen het aantal niet-werkenden (op en buiten arbeidsleeftijd) en het aantal werkenden. In 2012 bedroeg deze ratio 135,3, een lichte stijging t.o.v. 2011 (ratio van 133,5). Gaan we uit van de geprojecteerde 72%

Prioriteiten voor het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid 37


werkzaamheid in 2020, dan levert dit onder de nu geldende bevolkingsvooruitzichten een ratio op van 141,9. Ten opzichte van 2012 impliceert dit een toename van bijna zeven niet-werkenden voor elke honderd werkenden. De geprojecteerde stijging in werkzaamheid is dus veel te beperkt om de door vergroening en vooral vergrijzing gestuwde opmars van de economische afhankelijkheid te counteren. Wensen we de economische afhankelijkheid te handhaven op het niveau van 135,3 (de waarde voor 2012, maar ook het gemiddelde over de voorbije tien jaar), dan is in 2020 een werkzaamheid van 74,0% vereist. Minder ambitieus dan 76,0%. Maar misschien nog een realistische target richting 2020.

Een pleidooi voor selectieve loonkostreductie Achter het algemene beeld van een haperende werkzaamheidsgroei, gaat een grote scholingskloof schuil. Bij de 25- tot 49-jarige Vlamingen is 93% van de hooggeschoolden, 88% van de middengeschoolden en slechts 69% van de laaggeschoolden aan het werk. Ook bij de jongeren is de wig breed. Voor zij die ongekwalificeerd het onderwijs verlaten, is de intrede op de arbeidsmarkt de start van een calvarietocht. De hoge inactiviteit en werkloosheid bij laaggeschoolden ondermijnt maatschappelijke integratie. Meer inspanning aan de onderkant van de arbeidsmarkt is hard nodig. Deze thematiek raakt het hart van het loonkostendebat. Niemand hoeft overtuigd te worden van het belang van een algemene lastenverlaging. De vraag is echter of de ruimte daartoe voldoende groot is in een periode waarin ook het streven naar een begroting in evenwicht van belang is. In de huidige situatie, waarin de potentiële arbeidsreserve zich vooral situeert bij laaggeschoolden en personen van niet-Europese origine, is een selectieve gerichtheid naar de lage lonen wellicht meer aangewezen. Sceptici stellen zich wel eens de vraag of dit zinvol is in een economie die het moet hebben van innovatiejobs. Moretti stelt in zijn New Geography of Jobs immers dat uit elke nieuw gecreëerde innovatiejob meerdere nieuwe jobs in het lagere segment van de lokale diensteneconomie groeien. Wil je jobs aan de onderkant, investeer dan (ook) aan de bovenkant. Akkoord, maar dit multipliereffect zal pas volop spelen als de prijs van arbeid aan die onderkant gedrukt wordt. Een lagelonenkorting is een hef boom voor jobcreatie, want de vraag naar arbeid is aan de onderkant van de loonwaaier het meest prijsgevoelig. Om dat te doen zou Vlaanderen met het geld dat met de staatshervorming overkomt een extra korting op lage lonen kunnen invoeren. De formule die collega’s Dejemeppe en Van der Linden (UCL) daartoe uitwerkten, krijgt bijval ten zuiden én

38

Prioriteiten voor het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid


ten noorden van de taalgrens. Hun voorstel ziet er als volgt uit. Ken een drastische korting van 28% toe op brutolonen die zich op of onder het gewaarborgd minimumloon situeren. Verklein de korting gradueel met oplopende (lage) lonen en laat ze uitdoven bij een bruto maandloon van 1.957 euro. Het daartoe benodigde budget kan gevoed worden met de huidige RSZ-kortingen voor oudere werknemers, laaggeschoolde jongeren en langdurig werklozen. De voorgestelde techniek is transparant. Het bereik is ook maximaal. Zo mis je met een loonkostsubsidie voor pakweg de aanwerving van langdurig werklozen de grote groep van inactieven. Een korting op lage lonen geldt voor elke job, ongeacht of ze bemand wordt door een voorheen werkende, werkloze of inactieve. De techniek kan in het kader van een competitiviteitspact overigens eenvoudig verruimd worden naar iets hogere lonen. Zo zou men de voorgestelde bovengrens kunnen optrekken door regionale en federale middelen samen in te zetten. Het voorstel is bovendien inclusief. Ook de jeugdwerkloosheid concentreert zich immers bij de laaggeschoolden, die mee kunnen genieten van een lagelonenkorting. Ook de lage werkzaamheid van 50- en 55plus is gelinkt met scholing. Boven 50 jaar is slechts 39% van de laaggeschoolden aan het werk (31% bij de vrouwen). Bij de midden- en hooggeschoolden daarentegen komt de werkzaamheid met 59%, respectievelijk 70% stilaan op een toonbaar niveau. Ook hier mikken we met een korting op (wat hoger gedefinieerde) lage lonen op het segment met de ruimste progressiemarge. De voorgestelde maatregel is echter niet doelgroepgericht en botst dus met de spelregels die bij de staatshervorming zijn afgesproken. Dat is jammer. In arbeidsmarktbeleid zouden argumenten van doeltreffendheid, doelgerichtheid en transparantie het moeten halen van juridische spitsvondigheid. Een structurele korting leidt nu eenmaal tot betere effecten dan veel van de huidige doelgroepmaatregelen. Het alternatief van loonkostsubsidies voor laaggeschoolden is vrij absurd, want met wat geluk kunnen die best veel verdienen. De enige uitweg is hier wellicht om de lagelonenkorting enkel toe te kennen binnen de groep van de laaggeschoolden, waardoor de structurele korting toch weer doelgroepgericht wordt.

Een pleidooi voor integratie van onderwijs- en arbeidsmarktbeleid Jeugdwerkloosheid vertaalt zich in langere financiĂŤle afhankelijkheid en tragere uitbouw van een eigen gezin. Aanhoudend gebrek aan werk op jonge leeftijd leidt ook tot een hoger risico op inactiviteit eens de dertig voorbij. Maar de langetermijneffecten van jeugdwerkloosheid zijn minder dramatisch dan vaak gedacht. Littekens zijn er, maar die zijn er bij langer durende werkloosheid altijd. Vergelijkend onderzoek leert dat jobver-

Prioriteiten voor het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid 39


lies bij dertigers en veertigers veel meer littekens nalaat dan jeugdwerkloosheid. Dat is logisch. Dertigers en veertigers dragen beduidend meer financiële verantwoordelijkheid. De risico’s van werkloosheid zijn daarom veel groter. Terwijl jonge werklozen omringd blijven door jeugdvrienden, betekent verlies van werk voor dertigers en veertigers vaak ook verlies van netwerk. Dat neemt niet weg dat de thematiek veel aandacht verdient. De strijd tegen de jeugdwerkloosheid is er een op vele fronten. Zo zijn de minimumlonen voor jongeren een discussie waard. De sociale partners zijn overeengekomen om de verlaagde minimumlonen voor jonge werknemers van 18 tot minder dan 21 jaar die werken met een arbeidsovereenkomst geleidelijk af te schaffen. Hierdoor dreigen echter nieuwe barrières voor de intrede in de arbeidsmarkt te ontstaan, met name voor laagen ongekwalificeerden. Daarnaast moet ook het sluitend maatpak (jeugdwerkplan) gecontinueerd en versterkt worden. Een snelle knipperlichtscreening, een snel bemiddelings- en/of begeleidingstraject en een hoog bereik zijn daarbij de cruciale parameters. Een fundamentele vraag in dit verband is of we er verstandig aan doen om de beroepsinschakelingstijd alsmaar te verlengen, en of we de inschakelingsuitkering niet beter vervangen door een beperkte forfaitaire werkloosheidsuitkering, in combinatie met een veel frequentere monitoring op het zoekgedrag. Dit kan jongeren meer onafhankelijk maken van hun thuismilieu dat niet zelden ook deel is van het probleem, en hen ook sneller in een volwaardige werkzoekendenwerking betrekken. In de strijd tegen de jeugdwerkloosheid verdient de groep vroegtijdige schoolverlaters en vervroegde uitstromers bijzondere aandacht. Bekijken we de Vlaamse vroegtijdige schoolverlaters op de leeftijd van 35 jaar, dan zien we dat ze meer tijd in werkloosheid spenderen, minder verdienen, minder gezondheidsbevorderend gedrag vertonen, meer op ziekteverlof zijn, en meer ‘evasieve’ vrijetijdsbesteding vertonen (Lamote e.a., 2013). Voor deze specifieke groep zijn de gevolgen op termijn wél tastbaar en verontrustend. Ten aanzien van deze groep volstaan actieve monitoring en bemiddeling niet, maar is ook aandacht nodig voor een snelle ‘kwalificatieplicht’ wanneer het zoekgedrag te lang zonder resultaat blijft, bijvoorbeeld via (tweedekans) onderwijs of (begeleide) werkervaringsgarantie. Vooral met het vizier op deze groep zijn ook aanpassingen in het secundair onderwijs nodig. We denken aan het inperken van het zittenblijven en het reduceren van de in Vlaanderen en België comparatief hoge niveaus van schoolachterstand. Maar ook aan het uitstellen van de keuze voor het studietraject naar een wat latere leeftijd. Verder

40

Prioriteiten voor het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid


moet dringend gewerkt worden aan een opwaardering van duale leerwegen zoals ‘Leren en Werken’. Deze duale leerweg combineert een opleiding in een bedrijf of organisatie met enkele dagen scholing. Diverse landen tonen aan dat deze duale leervormen een krachtig onderwijsconcept vormen voor technisch en beroepsgeoriënteerd onderwijs. Wij zien duaal leren echter vooral als ultimum remedium voor schoolmoeë jongeren, als bekken helemaal onderaan de waterval. Schrijnend is dat veel jongeren in dit traject er zelfs niet in slagen een werkplek te vinden, terwijl de regisseurs van de arbeidsmarkt die wellicht met gemak kunnen aanleveren. Meer in het algemeen moeten we de arbeidsmarkt wat meer ‘in het onderwijs’ durven trekken. In het secundair onderwijs probeert de VDAB zich al jaren een weg te banen als intermediair. De VDAB wil de trajectbepaling naar en op de arbeidsmarkt tijdens de schoolfase op gang brengen en jongeren in samenwerking met de onderwijspartners begeleiden in de studie- én beroepskeuze. Met het lessenpakket “De start van een loopbaan” wil VDAB onder meer de leerkrachten wijzen op hun ondersteunende rol bij de eerste stappen richting arbeidsmarkt. De respons van de leerkrachten blijft echter bijzonder lauw. Dat is jammer. Hier is werk aan de winkel.

Een pleidooi voor een slim uitkeringsstelsel De ideeën over activering van werkzoekenden kunnen niet los gezien worden van een meer globale visie op de werkloosheidsuitkering. Het is vandaag bon ton om te stellen dat die veel sneller moet dalen en ophouden. Want, helping the unemployed, begets more unemployed. Die slogan is helder en overtuigend. Maar effectstudies zijn lang niet unisono. Er wordt wel een positief verband vastgesteld tussen de duurtijd van de uitkering en de werkloosheidsgraad. Maar oorzaak en gevolg zijn moeilijk te ontrafelen. Het effect van een snellere daling of vroegere stopzetting van uitkeringen op de uitstroom van werkloosheid naar werk, is eerder bescheiden. Men mag overigens niet uit het oog verliezen dat een genereuze werkloosheidsvergoeding de werkbereidheid van niet-actieven kan aanscherpen. Om in aanmerking te komen voor die uitkering moeten ze immers eerst gewerkt hebben. Maar de vraag die écht telt, is of een beperking in de tijd veel zal veranderen op een Vlaamse arbeidsmarkt met een al bij al beheersbaar niveau van werkloosheid, een bemiddelingsdienst die zijn activeringsaanpak sluitend maakt en een reserve aan werklozen die snel vergrijst of kampt met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Belangrijk is ook de vraag: wat nadien? We moeten voorkomen dat nieuwe leefloners meteen als niet-

Prioriteiten voor het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid 41


werkwillig of onbemiddelbaar worden gelabeld. Activering moet ook na het einde van de werkloosheidsuitkering de standaard zijn ĂŠn in handen blijven van de expert terzake, de VDAB. Natuurlijk in samenspel met lokale overheid, OCMW en sociale economie. Of het in de tijd beperken van uitkeringen een succes wordt, hangt af van de hoogte van de uitkering en de graad van degressiviteit. Stel nu eens dat we met hoge uitkeringen starten, bijvoorbeeld op 80% van het laatst verdiende loon (geplafonneerd) en ze vervolgens stapsgewijs verlagen (eventueel variabel volgens aantal dienstjaren). Dit zou de impact van ontslag verzachten en voorkomen dat ongewenste loopbaanwendingen meteen tot inkomensonzekerheid leiden. Verder zou het goed zijn te evolueren naar een vergoeding met twee componenten. De eerste component is de uitkering als vervangingsinkomen (hoog bij de start van de werkloosheid, afnemend met de duurtijd), de tweede de uitkering als activeringspremie (laag bij de start, oplopend met de duurtijd). Deze tweede component wordt slechts uitgekeerd als de werkloze deelneemt aan opleidings- of werkervaringsprojecten of in de context van mutual obligation een bijdrage levert aan de maatschappij (in jobs die aan marktvoorwaarden onuitgevoerd blijven of in het zwarte circuit verzanden). In pleidooien voor het in de tijd beperken van uitkeringen wordt vaak met vaste termijnen gegoocheld. De ene zegt ĂŠĂŠn jaar, de andere vier. Doorgaans weet geen van beiden precies waarom. Maar waarom zouden we die duurtijd niet laten mee-ademen met de stand van de conjunctuur. Bijvoorbeeld door de duurtijd van de uitkering te verlengen zodra de langdurige werkloosheid over een bepaalde drempelwaarde klimt. De werkloosheidsverzekering speelt dan haar rol op momenten waarop dat heel erg nodig is. Zonder daarbij de activeringsinspanningen te ondermijnen. De voorbeelden geven aan dat mits een juiste invulling van de modaliteiten een beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd activerend kan werken zonder dat daarbij voor velen een onleef bare situatie ontstaat.

Een pleidooi voor opleiding als een sociaal recht Nu loopbanen langer en medewerkers wat ouder worden, groeit de zorg voor kwalificatieveroudering. Schattingen in Duitsland, Finland en Nederland geven aan dat meer dan een kwart van de 30-55-jarige werkenden ermee kampt. De gevolgen laten zich raden: tanende inzetbaarheid, verlies van productiviteit, werkonzekerheid, einde rit. Kwalificatieveroudering groeit zo uit tot een nieuw sociaal risico. Economische kwalificatieveroudering vormt wellicht het grootste risico. Ook al ben je expert(e) in overlocken, surjeteren of riverteren, de economische waarde van al dat kunnen daalt als de confectie massaal de-

42

Prioriteiten voor het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid


lokaliseert. Jobs komen, gaan en veranderen ook aan alsmaar hoger tempo. De houdbaarheidsdatum van onze competenties kort daardoor in. Ook atrofie is een gevaar. Atrofie treedt op als competenties te weinig gebruikt worden. Langere werkloosheidsperiodes en onderbrekingen van de loopbaan leiden tot meer atrofie. Ook al kan niet elke vorm van kwalificatieveroudering geremedieerd worden met opleiding en ontwikkeling, toch is een loopbaanlange focus op her- en bijscholing één van de belangrijkste antidota. Als we kwalificatieveroudering erkennen als een sociaal risico, dan moeten we zoeken naar systemen die verzekeren tegen dat risico. Men kan denken aan een competentieverzekering die tijd creëert middels een loopbaanrekening en middelen genereert via een leerrekening. Een loopbaanrekening zorgt voor een krediet aan beschikbare tijd, onder meer voor her- en bijscholing, dat tijdens de actieve loopbaan wordt opgebouwd en aangewend. De rekening bestaat uit een sokkel met een aantal automatisch uitoefenbare rechten zoals ouderschaps- of moederschapsverlof plus een bovenbouw die aangroeit met het aantal gewerkte jaren. Wie meer/langer werkt, heeft zo ook meer intermezzo’s die toelaten om de competenties grondig te ‘onderhouden’. Wat op zijn beurt het langer werken faciliteert. De middelen voor her- en bijscholing komen uit een leerrekening die zowel door werkgever als werknemer wordt gespijsd en waaraan de overheid minstens de geldinleg met een fiscaal gunstregime stimuleert. Gezien de omvang van het risico, blijft zulke verzekering best niet beperkt tot een zuiver vrijwillig verzekeringssysteem. We zien vele voordelen. De vrijblijvendheid van opleidingsdeelname wordt in vraag gesteld en kwalificatieveroudering wordt erkend als sociaal risico. Competentieontwikkeling wordt gekaderd in een loopbaanperspectief en we krijgen een rugzak met meeneembare rechten. Werknemers worden geresponsabiliseerd en hun verantwoordelijkheid wordt ook financieel ondersteund. Maar in deze prille fase is de uitwerking van het concept belangrijker dan de bepaling van de modaliteiten. Er stellen zich immers nog teveel praktische vragen. Wat als de goed gespijsde leerrekening niet aangesproken wordt? Gaan de middelen dan over naar een (tweede) pensioenpijler? Zal dat werknemers er niet toe aanzetten alles op te sparen voor de oude dag? Hoe wordt de leerrekening gevoed? Is het denkbaar, gegeven de aard van het risico, dat in het inter-professioneel overleg een deel van onderhandelde loonsverhoging geïnvesteerd wordt in zulke verzekering? En hoe verhoudt een individuele competentieverzekering zich tot de huidige solidarisering in sectorale opleidingsfondsen? Vele vragen, die aangeven dat we hier geen instant implementeerbaar alternatief hebben, maar wel een idee die toekomstgericht de lijnen uitzet. Het kan een basis bieden voor het

Prioriteiten voor het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid 43


realiseren van een nieuwe opleidingscultuur, waarbij niet alleen de overheid, maar ook werkenden en werkgevers zich wapenen tegen kwalificatieveroudering. [Luc Sels is bedrijfssocioloog en decaan van de faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen van de KU Leuven.] luc.sels@kuleuven.be | Twitter: @LucSels

Literatuurlijst: Lamote, C., Van Damme, J., Blommaert, M., & Meyer, J. (2013). Wanneer de school geen optie meer is. Een studie naar de langetermijneffecten van vroegtijdig schoolverlaten op de latere beroepsloopbaan en andere levensdomeinen. Over.Werk, 23(4), 86-93. Moretti, E. (2012), The new geography of jobs. Houghton Mifflin Harcourt. Sourbron, M., Herremans, W. & Sels, L. (2013). De potentiĂŤle arbeidsreserve in Vlaanderen in kaart gebracht. Leuven, Steunpunt WSE. Theunissen, G., & Herremans, W. (2012). Kan een hogere werkzaamheid de economische afhankelijkheid onder controle houden? Over.Werk, 22(4), 43-53. Theunissen, G., & Herremans, W. (2013). De Vlaamse arbeidsmarkt in 2020. Projecties van werkzaamheid en vervangingsvraag. Over.Werk, 23(4), 41-51.

44

Prioriteiten voor het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid


Koenraad Debackere

Vlaanderen, een stevige Europese hub voor innovatie Sinds het baanbrekend werk van economisten als Joseph Schumpeter en Robert Solow weten we hoe belangrijk innovatie is in het economisch gebeuren. Uiteraard zijn we steeds vernieuwend bezig geweest. Sinds de tijd van de piramidebouwers ligt het menselijk vernuft aan de basis van verrassende doorbraken en vernieuwingen. Het was echter wachten tot de tijd van de Verlichting en de doorbraak van het gestructureerd wetenschappelijk en technologisch denken, vooraleer op een systematische en empirisch onderbouwde manier natuurwetenschappelijke kennis werd ontwikkeld, systematisch opgebouwd en ook aangewend. De industriële revolutie en de opkomst van de wetenschap gingen dus hand in hand. Alhoewel wetenschap, techniek en industriële revolutie niet steeds in een logisch, causaal pad van voortgang kunnen worden gezien, toch is hun samenhang onmiskenbaar en heeft deze samenhang de laatste decennia geleid tot het uitdenken, uittekenen en uitvoeren van een doordacht innovatiebeleid in landen en regio’s waar ook ter wereld. Na de Tweede Wereldoorlog werd deze evolutie heel zichtbaar. Eerst in de Verenigde Staten en vervolgens ook in verschillende Europese landen en Japan. De laatste twintig jaar heeft het gestructureerd wetenschaps-, technologie- en innovatiebeleid (verder afgekort als WTI-beleid) dan ook zowat in de ganse Westerse wereld een hoge vlucht genomen. Dit WTI-beleid staat al lang niet meer los van het economisch beleid (E). Vandaar het nu vaak gebruikte acroniem ‘WTI’-beleid. Waarbij de schaal van en de onderlinge samenwerking tussen de betrokken actoren uit de zogenaamde ‘Triple Helix’ (i.e. de academische wereld, het bedrijfsleven en de overheid) alleen maar zijn toegenomen. Niet enkel bij de economische grootmachten zoals de Verenigde Staten, Duitsland, Japan en meer recent ook China, maar ook bij de kleinere dynamische open economieën zoals Denemarken, Finland, Nederland, Zweden en uiteraard ook bij ons in Vlaanderen.

Vlaanderen, een stevige Europese hub voor innovatie 45


WTI-beleid in Vlaanderen sinds de jaren 90: basisgegevens Kijken we naar Vlaanderen, dan kunnen we stellen dat de Vlaamse overheid sinds 1995 een uitgesproken stimuleringsbeleid gevoerd heeft inzake WTI-activiteiten. De eerste Vlaamse regeringen onder leiding van toenmalig minister-president Luc Van den Brande hebben dit beleid geconcipieerd en stevig op spoor gezet. Vervolgens werd het met enthousiasme en zin voor actualisering steeds verder ontwikkeld door de daaropvolgende Vlaamse regeringen. De inhaalbeweging die in 1995 werd ingezet, heeft ervoor gezorgd dat de Vlaamse overheidskredieten voor onderzoek en ontwikkeling (verder afgekort als O&O) beduidend zijn toegenomen. Dit heeft ertoe geleid dat Vlaanderen anno 2012 een ratio van 2,42% (berekend op gewestniveau) van het Bruto Binnenlands Product per regio besteedt aan O&O-activiteiten, waarbij deze laatste naast onderzoek en ontwikkeling uiteraard ook een belangrijke innovatiecomponent bevatten. Daarmee scoort Vlaanderen duidelijk boven het Europees gemiddelde. Aan de kant van de overheid merken we daarbij een continue en consistente stijging van de geleverde inspanningen. Aan de kant van de bedrijfsuitgaven voor O&O is de trend de laatste jaren, na enkele jaren van stagnatie, eveneens stijgend. De Vlaamse overheid is er dus in geslaagd haar inspanningen op peil te houden, al was de verdere groei de laatste jaren niet evident gelet op de economische en financiĂŤle uitdagingen waarmee ook de Vlaamse regio geconfronteerd werd. Niettegenstaande die uitdagingen, heeft de Vlaamse besliste de Vlaamse overheid in 2011 om het O&Ogroeipad verder te zetten, getuige de toenames van de publieke O&O-budgetten ten belope van 65 miljoen euro in 2011, gevolgd door een verdere stijging met 60 miljoen euro in 2012, 20 miljoen euro in 2013 en het engagement van 45 miljoen euro aan competitiviteitbevorderende innovatiemaatregelen in 2014. Deze engagementen zijn recurrent en cumulatief. Er blijven uiteraard nog extra inspanningen te leveren op de weg naar de Europese 3%-norm voor O&O, doch de Vlaamse overheid is zich daarvan ten volle bewust en zet er zich voluit voor in.

Trends en aandachtspunten in Actie voor Vlaanderen Onderzoek, innovatie en welvaart zijn sleutelbegrippen geworden in het beleid van elk land of regio. Innovatie wordt daarbij eenvoudig en eenduidig gedefinieerd als de succesvolle transformatie van creativiteit en kennis in economische waarde. Innovatie is vandaag de centrale hef boom tot waardecreatie. Waar het economisch weefsel in het Westen zich tot bijna het eind van de vorige eeuw kon handhaven door te differentiĂŤren op basis van productiviteit, kwaliteit en flexibiliteit, is dit vandaag zonder meer uitgesloten. Uiteraard zijn deze drie sleutelfactoren nog steeds van groot

46

Vlaanderen, een stevige Europese hub voor innovatie


belang, doch het zijn nodige voorwaarden tot competitiviteit en groei geworden. Volstaan doen ze al een tijdje niet meer. Innovatie en internationalisatie zijn de echte welvaartsdifferentiatoren geworden. Vlaanderen heeft gedurende de laatste twintig jaar dan ook hard gewerkt aan het ondersteunen van deze transformatieprocessen. Vandaag wordt daarom meer dan ooit de kritische vraag gesteld of we, naar de toekomst toe, niet nog ‘beter’ kunnen met ons WTI-beleid. Dit ‘beter’ kent een eenvoudig maar belangrijk bijkomend beoordelingscriterium: welke resultaten worden behaald? De tijd van ‘input-denken’ is immers aan actualisering toe: ‘output-denken’ moet de komende jaren nieuwe inzichten brengen die ons helpen WTI-aandachtsgebieden en keuzes nog scherper te stellen. Bij dit ‘output-denken’ staan zowel de economische als de maatschappelijke finaliteit van het Vlaamse WTIE-beleid centraal. Innovatietrajecten waarbij economische en maatschappelijke finaliteiten elkaar versterken, bieden immers een sterke, positieve wissel op de toekomst van de regio. In dit kader dient de trekkende rol van Vlaanderen in het OESO-beleid rond slimme specialisatiestrategieën gezien. In dit kader dient ook het Europese Vanguard-consortium, dat er kwam op initiatief van de Vlaamse minister-president, gezien. Het betreft een initiatief waarbij een tiental dynamische Europese regio’s krachten op vlak van innovatie en economische groei bundelen vertrekkend vanuit een coherente visie op slimme specialisatie. Daarmee is Vlaanderen pionier in toekomstgericht en vernieuwend Europabreed innovatiedenken. De nood om input en output van het WTI-beleid duidelijker en intenser economisch-maatschappelijk te koppelen, is immers de kern van het slim specialisatiebeleid dat vandaag op internationaal niveau vorm krijgt (zie ook OESO, 2013, Report on Smart Specialisation). Het Vlaamse WTI-beleid draagt daartoe bij dankzij de volgende aandachtspunten en bouwblokken. Ten eerste creëert het beleid aanzienlijke ruimte voor ‘bottom-up’-initiatieven. Dit zijn initiatieven die vanuit de onderzoekswereld (op initiatief van de vorser) of vanuit het bedrijfsleven (eigen O&O-projecten) zelf ontstaan. Ze zijn de resultante van de inzichten en inzet van ondernemers en onderzoekers. Significante hoeveelheden middelen zijn beschikbaar voor dergelijke projectfinanciering. We vinden deze in grote mate terug bij het IWT, het FWO-Vlaanderen en het Bijzonder Onderzoeksfonds (het zogenaamde BOF) van de universiteiten. Ze vormen een essentiële bouwsteen van wat het slim specialisatiebeleid een ‘ondernemend zoekproces’ (entrepreneurial discovery process) noemt. Ten tweede heeft het Vlaamse WTI-beleid op gezette tijdstippen de nood herkend en erkend om voor bepaalde, toekomstgerichte speerpuntdomeinen een voldoende concentratie aan middelen te voorzien. Op regelmatige ogenblikken zijn er dus meer ‘top-down’ gerichte interventies die de vrijheidsgraden voor ‘bottom-up’-onderzoek en -ontwikkeling aanvullen, integreren en bundelen tot meer slagkracht. Getuige hier-

Vlaanderen, een stevige Europese hub voor innovatie 47


van zijn de vier grote strategische onderzoekscentra: IMEC (op het vlak van nano- en micro-elektronica), VITO (op het brede vlak van technologisch onderzoek), VIB (op het vlak van biotechnologie) en iMinds (het vroegere IBBT, op het vlak van breedbandtechnologie). Deze concentratie is nagenoeg steeds het gevolg geweest van succesvolle ‘bottom-up’-inspanningen en excellente resultaten door de onderzoekswereld, zowel de academische als de industriële. Deze onderzoekscentra verwerven naast hun dotatie van de Vlaamse overheid, significante hoeveelheden middelen uit samenwerkingsprojecten met de industrie (nationaal en internationaal) en uit andere, competitieve financieringsbronnen (nationaal en internationaal). In diezelfde sfeer dienen we ook de strategische onderzoeksinitiatieven rond materialen en translationele biomedische innovatie te situeren. Meer bepaald door de oprichting in 2009 van het SIM (Strategisch Initiatief Materialen) en het CMI (Centrum voor Medische Innovatie), met de expliciete steun van de Vlaamse overheid. In 2011-2012 werd dit gevolgd door het FISCH-initiatief voor de ontwikkeling van een duurzame industriële chemie. Daarnaast zijn er de sterk vraaggedreven, innovatiegerichte middelenconcentraties en platformen, de zogenaamde lichte structuren, met als doel het bedrijfsweefsel maximaal te ondersteunen met kennistoepassingen op een specifiek thematisch domein. Deze lichte structuren worden telkens voor een (groot) deel van hun werking door de Vlaamse overheid gesubsidieerd, terwijl ze de rest van hun middelen uit andere, competitieve financieringsbronnen en bedrijfsbijdragen halen. We vermelden hier de lopende initiatieven van gerichte technologieontwikkeling voor de automobielindustrie (Flanders’ Drive), voor de mechatronica-industrie (Flanders’ Mechatronics), voor het ondersteunen van de toepassing van geavanceerde methodologieën voor materiaalkundig onderzoek (Flanders’ Materials Research Centre of FLAMAC, dat in 2009 werd geïntegreerd in het SIM-initiatief ), voor de voedingsindustrie (Flanders’ Food), voor de chemische industrie (FISCH), voor de design industrie (Flanders’ InShape), voor de kunststoffenindustrie (PlasticVision), voor de logistieke sector (Vlaams Instituut voor de Logistiek – VIL), voor de sector van de mobiliteit (Vlaams Instituut voor de Mobiliteit – VIM), op vlak van waterkwaliteit (VLAKWA), en voor de ontwikkeling van innovatieve arbeidsorganisaties (Flanders’ Synergy). Tevens werd in 2009 het concept van de proeftuinen geïntroduceerd waarbij de verschillende kennisactoren rond een thematische infrastructuurcomponent samenwerken, bijvoorbeeld de proeftuin elektrische voertuigen en de recente zorgproeftuinen in het kader van de werking van Flanders’ Care. Ook het initiatief iCTV (Cleantech Vlaanderen) dat een coördinatie beoogt van de verschillende Vlaamse cleantechinitiatieven verdient hier vermelding. Bij de ontwikkeling van de lichte structuren valt ook de tendens op om niet enkel aandacht te hebben voor innovaties met economische finaliteit, doch ook voldoende aandacht en middelen te besteden aan het stimuleren van innovatie op de doorsnede van economische en maatschappelijke finaliteit. De grote toekomstgerichte uitdagin-

48

Vlaanderen, een stevige Europese hub voor innovatie


gen (zoals energiebevoorrading, materiaalschaarste, veroudering, gezondheid & zorg), en derhalve ook opportuniteiten, situeren zich allemaal op deze doorsnede van wat vandaag in de innovatieliteratuur shared value wordt genoemd. Het Flanders’ Careinitiatief van de Vlaamse regering dat sinds 2010-2011 operationeel is en opereert op het kruispunt van zorginnovatie en zorgbeleid, situeert zich voluit op de economische en maatschappelijke snijvlakken eigen aan ‘shared value’-innovatie. Ook de oprichting in 2012 van de lichte structuur de ‘Sociale Innovatiefabriek’ is een voorbeeld en een instrument voor de creatie en ondersteuning van ‘shared value’-innovatie. De laatste jaren is bovendien, dankzij de oprichting van de Hercules Stichting, een gestructureerde aanpak ontwikkeld die het belang van een goede onderzoeksinfrastructuur expliciet op de voorgrond plaatst. Deze onderzoeksinfrastructuur is zowel voor het bedrijfsleven als voor de kennisinstellingen van groot belang wil men internationaal competitief in de frontlinie blijven meespelen. Het Herculesinitiatief voor de financiering van middelzware en zware apparatuur kent daarom een gecombineerd aanbod- en vraaggericht karakter. Ten derde hebben de Vlaamse O&O-actoren, zowel uit de publieke sector als uit de private sector, ruim aandacht besteed aan de verscheidenheid en complementariteit aan acties die noodzakelijk zijn om een voldoende verweven en tegelijk toegankelijk Regionaal Innovatiesysteem te creëren. Dit heeft geleid tot het herkennen en erkennen van de nood aan netwerking en coördinatie op verschillende niveaus van het WTI-beleid. Het IWT speelt hierin een centrale rol. De creatie (en verlenging in 2010) van vijf regionale innovatiecentra, als een joint venture tussen het IWT en het Agentschap Ondernemen (AO) kadert in dit doelgericht regionaal beleid, naast andere vraaggedreven samenwerkings- en stimuleringsverbanden (o.a. via de zogenaamde VIS-trajecten). Ten vierde kan een Vlaams WTI-beleid onmogelijk plaatsvinden in een vacuüm. Toetsing van en alertheid voor de Vlaamse aanwezigheid in de Europese kaderprogramma’s en sinds een aantal jaar ook bij de ERC-grants (naast de andere veelheid en diversiteit aan andere EU-initiatieven), evenals bij de verschillende acties en programma’s van de Belgische federale overheid, zijn en blijven dan ook aandachtspunten van het Vlaams WTI-beleid. Vlaanderen presteert de laatste jaren meer dan behoorlijk in deze Europese arena van hoge kwaliteit en sterke competitie. Het pas gestarte Horizon2020-kader, met zijn toename van beschikbare middelen tot 2020, biedt een uitstekende kans om de reeds sterke positie van Vlaanderen in Europa verder uit te bouwen en aldus nog te versterken. Ten vijfde is de positie die Vlaanderen vandaag verworven heeft qua WTI-performantie mede het gevolg van de significante en eveneens toegenomen bedrijfsinvesteringen voor O&O. De rol van de private sector in het Vlaams WTI-systeem mag

Vlaanderen, een stevige Europese hub voor innovatie 49


absoluut niet worden onderschat. Innovatie is en blijft immers in eerste instantie een zaak van het bedrijfsleven. Het zijn ondernemers en bedrijven die creativiteit en kennis transformeren tot marktresultaten en daarbij waarde creëren. De recente O&Oenquêtes tonen trouwens op overtuigende wijze aan dat het Vlaamse bedrijfsleven de uitgaven voor O&O-activiteiten de laatste jaren fors heeft opgedreven (tot meer dan 1,6% van het Vlaamse BBP). En, daarbij gaat het niet enkel om inspanningen die geleverd worden door ‘grote’ bedrijven of door multinationale spelers. Ook het Vlaamse KMO-weefsel heeft de laatste jaren zijn inspanningen voor O&O en innovatie beduidend doen toenemen. Gelet op de structuur en textuur van het Vlaams bedrijfsweefsel is dit een welkome en heel positieve evolutie. Ten zesde, heeft de Vlaamse overheid de laatste jaren expliciet aandacht besteed aan de verhoging van de mobiliteit en diversiteit in de onderzoekspopulatie. Zo zijn maatregelen genomen om beloftevolle, zeer performante onderzoekers uit het buitenland naar Vlaanderen te halen (bv. het Odysseus-programma) en om excellente onderzoekers voldoende financiële armslag te geven voor continuïteit in hun onderzoeksagenda’s (bv. het Methusalem-programma). Ook de mobiliteit van de Vlaamse universiteiten en kenniscentra met het bedrijfsleven (via het Baekeland-programma) wordt structureel aangemoedigd. Naar de toekomst toe zal deze mobiliteit, zowel intersectorieel als internationaal, alleen maar toenemen. Vlaanderen is ervoor gewapend en moet dus verder bouwen op het aanwezige elan. Ten zevende, de omzetting van onderzoek in innovatie vereist een grote, niet aflatende inzet van financiële middelen. De Vlaamse overheid heeft dan ook niet nagelaten om via de Participatiemaatschappij voor Vlaanderen (PMV) de nodige financiële hef bomen te creëren onder de vorm van de investeringsvehikels Arkimedes en VINNOF (het Vlaams Innovatiefonds). Tevens werd sinds 2011 het SOFI-fonds opgericht, met als doel investeringsmiddelen ter beschikking te stellen van de Strategische Onderzoekscentra om op die manier hun spin-off beleid nog verder te stimuleren. Sinds 2013 kan datzelfde SOFI-fonds ook investeren in de spin-offs afkomstig van de instellingen voor hoger onderwijs in Vlaanderen. Sinds de goedkeuring van het Witboek Nieuw Industrieel Beleid in 2011, kan het TINA-fonds (het Vlaamse Transformatie en InnovatieAcceleratie-fonds) in totaal 200 miljoen euro aan investeringsmiddelen mobiliseren voor een innovatiegedreven industrieel transformatiebeleid. Op die manier zorgt de Vlaamse overheid voor een coherent geheel aan investeringskanalen ter bevordering van de economische dynamiek van de Vlaamse regio. Vanuit die optiek heeft Vlaanderen zich ten volle ingeschakeld in het slimme specialisatiekader dat op OESO- en EU-niveau werd ontwikkeld. Naar de toekomst toe zullen deze investeringskanalen fungeren als essentiële hef bomen in de

50

Vlaanderen, een stevige Europese hub voor innovatie


‘nieuwe’ collaboratieve financieringsinstrumenten die vandaag o.a. op impuls van de Europese Commissie worden ontwikkeld en opgestart. Ten achtste, naast subsidiemaatregelen, is er de laatste tien jaar ook een beduidende en structurele toename van fiscale stimuli voor onderzoek en innovatie in België. Meer bepaald verdient de gedeeltelijke vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers, in de kennisinstellingen en het bedrijfsleven, meer dan een gewone vermelding. Het is een maatregel met een significante financiële impact voor alle betrokken actoren. Bovendien is de maatregel ook beleidsmatig heel toekomstgericht omdat hij aantoont dat de stimulering van onderzoek en innovatie hoe dan best bestaat uit een mix van (meer generieke) fiscale stimuli en meer specifieke subsidiestimuli. Met andere woorden, de ‘policy mix’ verandert hierdoor vrij ingrijpend. In die context is het, naar het bedrijfsleven toe, eveneens relevant om te verwijzen naar de fiscaal stimulerende behandeling van het economisch gebruik octrooien in ons land. Ten negende, heeft de Vlaamse overheid oog voor innovatieve beleidsinstrumenten ter stimulering van O&O. Zo verwijzen we heel expliciet naar de maatregelen die genomen worden om innovatief aanbesteden mogelijk te maken en op die manier, door de creatie van een markt voor innovatie, het innovatiegedrag van de Vlaamse ondernemingen verder stimuleren. Zo’n aanpak kan in de toekomst ingebed worden in maatregelen van innovatief aanbesteden die zich op Europees niveau verder zullen ontwikkelen. Het is daarom belangrijk dat deze aanbestedingshef boom, na enkele jaren van experimenteren, nu voluit op de agenda komt. Tot slot, en meer algemeen: de Vlaamse overheid heeft bij de regionalisering steeds oog gehad voor het opdrijven van de O&O-intensiteit in Vlaanderen. In 1995 werd daartoe een eerste significante inhaalbeweging opgestart. Deze werd sindsdien verder gezet en geactualiseerd, conform de uitvoering van het Innovatiepact, dat voor Vlaanderen het streven naar en het bereiken van de zopas vermelde 3% O&O-norm moet onderbouwen. Gelet op deze inhaalbeweging, en derhalve de aanzienlijke middelen die de Vlaamse overheid inzet voor innovatie en economische ontwikkeling, besteedt de Vlaamse overheid de laatste jaren alsmaar meer aandacht aan het op een valide en transparante wijze in kaart brengen van de resultaten van deze investeringen en inspanningen. Deze volgehouden resultaatsgerichtheid kan de effectiviteit van het WTIE-beleid in de toekomst enkel ten goede komen. Samengevat: het geheel aan innovatie-inspanningen is een centraal aandachtspunt in de uitvoering van het Pact 2020 van de Vlaamse regering dat samen met het Vlaanderen in Actieprogramma sinds 2010 een dynamisch toekomstbeleid voor Vlaanderen uitgetekend heeft rond zes grote doorbraken (de open ondernemer, de lerende Vla-

Vlaanderen, een stevige Europese hub voor innovatie 51


ming, het medisch centrum Vlaanderen, het groen stedengewest, de slimme draaischijf Europa en een slagkrachtige overheid) die aan de basis liggen van de 13 ViA-transities die momenteel op de agenda voor 2020 staan. Kordaat volhouden en waar wenselijk en nodig de vermelde hef bomen verder versterken, stroomlijnen en bundelen (zoals nu zal gebeuren bij het initiatief rond het Strategisch Onderzoekscentrum voor de Maakindustrie) is daarom wellicht de voornaamste boodschap voor de komende jaren.

Conclusie: een WTIE-beleid op weg naar slimme innovatie Slimme specialisatie zal en moet in de toekomst leiden tot slim innoveren. Slimme specialisatie is het nieuw economisch concept dat opportuniteiten creëert om de regionale economische groei en werkgelegenheid te versterken via verbeteringen aan de analyse- en selectiemethodes die gebruikt worden om innovatieve bedrijfsontwikkelingen te ondersteunen. Het is geen planningsdoctrine waarbij een regio zich in een bepaalde industrie moet specialiseren. Integendeel, het is een recept voor een innovatiegedreven economisch beleid waarbij het ondernemend gedrag van bedrijven en onderzoeksinstellingen centraal staat. Slimme specialisatie zoekt daartoe naar betrouwbare en transparante instrumenten om de economische activiteiten, bijvoorbeeld op regionaal niveau, te identificeren die al sterk innovatiegedreven zijn en/of die baat hebben bij een verdere versterking van het O&O- en innovatieweefsel. Dus, veeleer dan een methode om uit te maken of een hypothetische regio een ‘sterkte’ heeft in bepaalde activiteiten (bv. toerisme en visserij) gaat het om de cruciale vraag of die regio baat zou hebben bij en zich zou moeten specialiseren in O&O en innovatie voor die specifieke activiteiten. Dit betekent dat slimme specialisatie zich richt tot de ontbrekende of zwakke schakels tussen enerzijds de O&O- en innovatiemiddelen en -activiteiten van een land of regio en anderzijds de sectorgebaseerde structuur van de economie. Kortom, slimme specialisatie stimuleert een intelligent samenspel tussen het beleid op vlak van wetenschap (W), technologie (T), innovatie (I) en economie (E). De belangrijkste grondgedachte bij slimme specialisatie is de beleidsmakers een methode aan te reiken om een geloofwaardig innovatie- en industrieel beleid uit te bouwen en hiermee een positief antwoord te bieden op de problemen van regio’s die zich op middellange en lange termijn in hun groei en werkgelegenheid bedreigd weten. De slimme specialisatie aanpak is daarbij ook begaan met op vlak van innovatie minder gevorderde regio’s. Een ommekeer van regionale innovatietekorten in die regio’s zou niet alleen op lokaal vlak gewenst zijn, doch ze zou ook tot meer efficiëntie leiden bij de

52

Vlaanderen, een stevige Europese hub voor innovatie


toewijzing van middelen op systeemniveau (zowel op het niveau van de lidstaat als op niveau van de EU). Daarom juist zijn er verschillende types slimme specialisatiestrategieën nodig, zoals strategieën voor modernisering, diversificatie, transformatie en radicale vernieuwing. Om die slimme specialisatie doelgericht te voeden is het nodig om enerzijds op regelmatige basis vooruit te kijken naar wat de grote trends zijn die maatschappelijk-economisch op ons afkomen (de zogenaamde verkenningsstudies) en anderzijds (grensoverschrijdende) clustervorming rond bepaalde toekomstgerichte economische activiteiten actief te stimuleren en te ondersteunen. Beide voedingsbronnen zijn in Vlaanderen aanwezig. Enerzijds zijn er de verkenningsstudies die de VRWI op regelmatige basis uitvoert (vandaag loopt zo’n studie met de blik gericht op 2025) en die valabele input leveren tot zowel het innovatiebeleid als het nieuw industriebeleid. Thema’s die daarbij centraal staan zijn energiebeschikbaarheid en materialenschaarste, een geavanceerde maakindustrie en ‘open manufacturing’ benaderingen, gezondheid, voeding, digitalisering e.a. Anderzijds zijn er de belangrijke clusters die zich in Vlaanderen sinds eind de jaren 90 ontwikkeld hebben, maar continu verjongen, vernieuwen en aangevuld worden met nieuwe clusters. Denken we maar aan de bio-lifecluster, de cluster rond nieuwe materialen, de mechatronicacluster etc., en recent ook de clusters die groeien rond materiaalbeheer en recyclage, rond zorg, rond geavanceerde productiemethodes (zoals additive manufacturing) en rond de bio-based economy. Ook het grensoverschrijdend karakter van deze clusters wordt niet uit het oog verloren. We denken daarbij, bij wijze van voorbeeld, aan de Eindhoven-Leuven-Aken driehoek, het zogenaamde ELAt. Kortom, Vlaanderen beschikt over vele en sterke troeven. Vlaanderen beschikt over veel talent. Laat ons daarom het ondernemerschap koesteren, bij onze bedrijven en kennisinstellingen, dat die veelheid aan talent en innovatie transformeert tot een gestadige, gezonde en noodzakelijke groei van de Vlaamse economie. Om op die manier de welvaart te creëren die Vlaanderen verder transformeert tot een open en warme samenleving, steeds met de blik gericht op Europa en de wereld. [Koenraad Debackere is hoogleraar verbonden aan de faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen van de KU Leuven en gespecialiseerd in innovatiebeleid.] koenraad.debackere@kuleuven.be

Vlaanderen, een stevige Europese hub voor innovatie 53


54

Vlaanderen, een stevige Europese hub voor innovatie


Hans Naudts

De Belgische spread Kan ‘goed bestuur’ het verschil maken voor ons land? Of drijven we vooral mee op internationale golven? In deze bijdrage tracht ik een antwoord te formuleren op die vraag door te bekijken wat het verschil in evolutie van de rente op onze overheidsschuld kan verklaren ten opzichte van andere landen.

Er is de afgelopen jaren een heus debat geweest over de factoren die de Belgische spread – het verschil tussen de rentes op Belgisch en op schuldpapier van andere landen – beïnvloeden. Dat verschil weerspiegelt onder andere het verschil in risico dat beleggers zien tussen beide beleggingen. De regeringspartijen beweerden dat de Belgische spread na de regeringsvorming daalde, mede dankzij het regeringsbeleid dat die risico’s sterk had verminderd, terwijl sommige politieke commentatoren erop wezen dat de Belgische spread gewoon de ontwikkelingen in de eurozone volgde. Waarom is de spread zo belangrijk? Een verhoging van de spread gedurende één jaar met één procentpunt kost de begroting ongeveer 550 miljoen euro (ca 0,15% BBP) en die extra kost wordt meegesleept totdat de schuld geherfinancierd wordt (na gemiddeld zeven jaar). Dit artikel tracht een en ander systematisch te bekijken, ook naar aanleiding van enkele recente goed onderbouwde blogs over het onderwerp (bv. Verstegen 2014). We doen beroep op statistische methodes om tot onderbouwde conclusies te komen. In het artikel duikt daarom soms statistisch jargon op, al reserveren we de technische aspecten zoveel als mogelijk voor de voetnoten.

Noord versus Zuid? Vooreerst is het nodig om de ontwikkelingen in de eurozone op een goede manier samen te vatten. Afhankelijk van het land waarmee je vergelijkt kan je immers tot verschillende conclusies komen. Om tot een beter inzicht te komen wordt de methode van

De Belgische spread 55


de principale componenten gebruikt. Deze gaat op basis van statistische methodes, op zoek naar een (lineaire) combinatie van een groot aantal variabelen, waarmee de variabiliteit vervat in al die variabelen het best kan samengevat worden1. Concreet, wordt de principale component analyse gebruikt om de informatie in de dagelijkse spreads van de tienjarige overheidsobligaties ten opzichte van de tienjarige Duitse bond van Oostenrijk, België, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Nederland, Portugal en Spanje samen te vatten een beperkt aantal indexen, of ook principale component genoemd. Elke index is een (lineaire) combinatie van de individuele spreads. Deze aanpak werd eerder gebruikt door onderzoekers van de Italiaanse en Belgische centrale bank (Di Cesare et al 2012 en Boeckx en Dewachter 2012). Indien we alles willen samenvatten in slechts één index kunnen we 83% van alle informatie samenvatten. De eerste index is een (lineaire) combinatie van de individuele spreads waarbij de individuele spreads ongeveer even hard doorwegen. Deze index geeft dus de gemeenschappelijke beweging van alle spreads weer in de eurozone, zonder onderscheid tussen gezonde en zwakkere landen.Met twee indexen kunnen we 94% van alle informatie in deze tien dagelijkse spreads samenvatten. De bijkomende index kan gezien worden als een differentiatie tussen de ontwikkelingen in de perifere landen en de kernlanden. Griekenland heeft daarbij een sterk negatieve weging terwijl Finland en Nederland een sterk positieve weging hebben. Het is daarbij interessant te zien dat ook België een licht positieve weging heeft – en dus eerder geassocieerd wordt met de kernlanden - en Frankrijk een licht negatieve weging heeft. De belangrijkste conclusie is echter dat de 1ste index die de gemeenschappelijke beweging van de spread weergeeft belangrijker is dan de 2de index die differentieert op basis van de sterkte van de landen. Kortom: indien je in dezelfde euro-boot zit is het dan ook contraproductief om te zeggen vanuit het Noorden van de boot dat het Zuidelijke deel van de boot aan het zinken is.

België of de eurozone? Vervolgens wordt nagegaan hoeveel informatie van de Belgische spread in verband kan gebracht worden met de indexen die de beweging in de eurozone samenvatten. Uit een regressievergelijking blijkt dat 93% van de evolutie in de Belgische spread verklaard kan worden door deze indexen. 2 Figuur 1 toont de evolutie van de Belgische spread en de voorspelde spread gebaseerd op de regressie. Hieruit kunnen we concluderen dat de Belgische spread in grote mate verklaard wordt door ontwikkelingen in de eurozone. Voor meer uitleg over de methode, zie http://support.sas.com/publishing/pubcat/chaps/55129.pdf. Zowel de spread en de principaal componenten vertonen aspecten van niet-stationnairiteit –hoewel dit economisch gezien op lange termijn uiteraard niet houdbaar is. Om de robuustheid verder te testen werden technieken van nietstationnaire tijdsreeksen toegepast. Hieruit blijkt dat er een co-integratierelatie is tussen de spread en de principaal componenten. De bovenstaande regressie kan dan ook opgevat worden als de langetermijnsrelatie tussen de Belgische en de Europese spreads. Een geschat Vector-Error Correction Model heeft een verklaringskracht van 75%. De residuen zijn moeilijker interpreteerbaar maar hebben een hogere variabiliteit tijdens de periode van de regeringsvorming. 1

2

56

De Belgische spread


Figuur 1 Belgische spread versus voorspelde spread

Deze ‘verklaring’ is relatief aangezien een verklaring normaal de waarom-vraag beantwoordt terwijl dit verband tussen Belgische spread en ontwikkelingen in de eurozone meer vragen dan antwoorden biedt. Tot op zekere hoogte zijn er economische en financiële verbanden tussen de landen van de eurozone die dit gemeenschappelijke verband rechtvaardigen. Het feit dat er een gemeenschappelijke monetair beleid door de Europese Centrale Bank wordt gevoerd, is daarbij uiteraard een belangrijke factor. Het gevoerde monetaire beleid en de strategie van de outright monetary transactions zorgen immers voor een daling van de spreads in heel Europa in de laatste twee jaren.Tot op zekere hoogte is het gelijklopende patroon in de eurozone echter ook gedreven door ‘contagion’ en perceptie. Onafhankelijk van de oorzaak van deze Europese connectie, is het echter zeer belangrijk dat de volgende regeringen onverkort een voortrekkersrol nemen in het debat over de toekomst van de muntunie. In de vorige jaren is er reeds belangrijke vooruitgang geboekt op het vlak van de bankenunie en het versterken van het economische en budgettaire toezicht maar met name in de domeinen van de economische unie, de begrotingsunie en de versterking van de sociale en democratische unie is verdere integratie noodzakelijk. Het verhaal stopt hier echter niet. Het verschil tussen de Belgische spread en de voorspelde spread, is de spread die niet door gemeenschappelijke Europese gebeurtenissen verklaard wordt. Figuur 2 geeft de Belgisch-specifieke spread weer sinds 22 april 2010.

De Belgische spread 57


Figuur 2 België specifieke spread over de periode 22/4/2010 tot eind 2014

In een eerste periode tot begin januari 2011 is er een stijgende tendens van de Belgisch specifieke trend terwijl de politieke onderhandelingen aanslepen. Vanaf begin januari 2011 tot eind juni 2011 is er een dalende tendens. De kentering begin in januari 2011 en valt samen met de aankondiging van de regering in lopende zaken dat een begroting zou opgesteld worden. Vanaf dan nam de regering in lopende zaken een actievere houding aan en werd niet enkel een begroting opgesteld maar ook een loonnorm opgelegd, na het afspringen van het interprofessioneel akkoord. Achter de schermen werd onder impuls van premier Leterme ook een charmeoffensief opgezet naar internationale opiniemakers, investeerders en ratingagentschappen toe. De boodschap was dat België goede fundamentals had en de regering in lopende zaken de noodzakelijke maatregelen kon nemen ter vrijwaring van de economische belangen van de burgers en bedrijven. Vanaf juli 2011 is er echter een duidelijke knik die samenvalt met een verdere downgrade van de kredietwaardigheid van Dexia door het ratingagentschap Moody’s en de perikelen rond de formateursnota van Di Rupo, waar de N-VA de onderhandelingen verlaat na meer dan één jaar. Vanaf juli 2011 tot november 2011 is de Belgisch specifieke spread verhoogd. De Belgisch-specifieke spread piekt in november 2011. Dit is de maand waarin de grote ongerustheid over de gevolgen van het opbreken van Dexia samenviel met het opbreken van de budgettaire regeringsonderhandelingen. Dit culmineerde in de downgrade door Standard & Poors op vrijdag 25/11/2011. Op deze dag werd de hoogste Belgisch-specifieke spread in 10 jaar tijd bereikt – met een theoretische België-specifieke premie van 1,25%. De maandag erop werden er effectief tienjarige obligaties geveild aan een rente van 5,7% met een Belgisch-specifieke premie van 1,05%. Er werd die dag wel slechts 450 miljoen euro opgehaald op die termijn. Onmiddellijk erna daalde de Belgisch-specifieke spread snel – zonder echter onmiddellijk volledig terug te vallen. Deze daling valt samen met de regeringsvorming, waarin structurele hervormingen, begrotingsmaatregelen en de krachtlijnen van de staatshervorming

58

De Belgische spread


vervat waren maar ook met het ontegensprekelijke succes van de Leterme-bons. Deze operatie toonde aan dat het spaarvermogen van de Belgen gemobiliseerd kon worden ter financiering van de overheid, tenminste wanneer het aangeboden rendement aantrekkelijk is. Tussen begin december 2011 en begin januari 2012 blijft de Belgisch-specifieke spread tamelijk hoog. Dit is de periode waarin de Europese Commissie de Belgische begrotingsmaatregelen onder het licht hield en de regering onder impuls van minister van Financiën Steven Vanackere zich engageerde tot bijkomende begrotingsmaatregelen. Na januari 2012 daalt de Belgisch specifieke spread onder het nulpunt. Dit betekent dat de Belgische spread lager is dan wat op basis van Europese bewegingen te verantwoorden is en kan geïnterpreteerd worden als het dividend van de regering-Di Rupo. Het is echter niet mogelijk om na te gaan of het beleid van de regering of het bestaan van de regering hierin de doorslag geeft. In het eerste geval, zouden de verbeterde fundamentals ook na de verkiezingen doorwerken. Het vergelijken van de gemiddeldes over de verschillende periodes lijkt dat de bevestigen. Voor 22/4/2010 was de Belgisch specifieke spread gemiddeld 0,01%, tijdens de periode van lopende zaken was de Belgisch specifieke spread gemiddeld +0,16% en tijdens de regering Di-Rupo was de Belgisch specifieke spread -0,14%. Of dramatischer uitgedrukt, van de piek op 25 november tot eind 2012 daalde de Belgische spread met 3%, 1,6% daarvan is te wijten aan de Belgische specifieke-spread en 1,4% aan gemeenschappelijke factoren in de eurozone. Allemaal goed en wel, maar hoe robuust is deze analyse? Is het bovenstaande wel degelijk de Belgisch-specifieke spread? In hoeverre is de Belgisch-specifieke spread nog gecorreleerd met bijvoorbeeld de specifieke spread in Frankrijk? De correlatie van de Belgisch-specifieke spread met de Frans specifieke spread – op éénzelfde manier berekend – is -12% (zie figuur 3), terwijl de correlatie tussen de Belgisch spread en de Franse spread over éénzelfde periode 80% is. Kortom, de Belgisch specifieke spread heeft een compleet ander patroon dan de Frans specifieke spread. Sterker nog, terwijl de correlatie tussen de Belgische en de Nederlandse spread over de periode 59% is, is de Belgische specifieke spread negatief gecorreleerd (-67%) met de Nederlands specifieke spread (zie figuur 4). De visuele analyse van Figuur 3 en Figuur 4 bevestigt bovenstaande analyse. Gedurende de eerste fase van de regeringsvorming is de specifieke spread al wat hoger dan deze in Frankrijk en Nederland. De laatste fase van de regeringsvorming zorgde specifiek in België voor een duidelijk verhoogde spread en niet in Nederland en nog minder in Frankrijk. Eenmaal de regering goed gevormd was daalt de Belgisch-specifieke spread terwijl de Frans-specifieke spread tamelijk stabiel blijft en de Nederlands-specifieke spread ietwat stijgt.

De Belgische spread 59


Figuur 3 Evolutie van de Belgisch specifieke versus de Frans-specifieke spread

Figuur 4 Evolutie van de Belgisch specifieke versus de Nederlands-specifieke spread

De suggestie dat de Belgische spread enkel afhangt van de ontwikkelingen in de eurozone is dus niet correct. Deze conclusie bleek al gedeeltelijk in het werk van Boeckx en Dewachter (2012). Ook recent academisch onderzoek van Dewachter et al (2014) is in deze relevant met de bevinding dat de economische fundamentals van BelgiĂŤ de belangrijkste bron zijn ter verklaring van de evolutie van de Belgische spread op een ho-

60

De Belgische spread


rizon van meer dan één jaar. Voor korte termijn fluctuaties in de spread zijn gemeenschappelijke euro-zone factoren zoals Europese beleidsonzekerheid, marktvolatiliteit en liquiditeit belangrijker.

Conclusies: de spread in perspectief Zoals ik in de inleiding al aangaf, is de spread belangrijk voor onze begroting. Het zou echter onverstandig zijn om gans het beleid te herleiden tot dat ene cijfer. Een stijging van de werkloosheid met één procentpunt kost de begroting gemakkelijk 1,7 miljard en treft het welzijn en geluk van de burger. De structurele concurrentiepositie van de Belgische economie, onze schuldgraad, het verhogen van de werkgelegenheidsgraad en het verhogen van de levenstandaard van de gemiddelde Vlaming zijn uiteraard belangrijkere problemen dan een spread die een procent punt hoger gaat. Het zijn echter complexe problemen, die niet in één cijfer weer te geven zijn, waarover de data soms met meer dan één jaar achterstand beschikbaar worden en waarvan tendensen soms pas na vijf jaar echt duidelijk worden. De spread daarentegen kan dagelijks gemeten worden en geeft op elk moment het waardeoordeel en perceptie van de financiële markten weer over de economische toestand en de verwachtingen van een land. In een media die focust op nieuwswaarde en hapklare informatie maar doorwrochte analyses schuwt, krijgt zulke variabele dan ook veel aandacht. De spread als irrelevant afdoen is echter kort door de bocht. Het is niet vanzelfsprekend voor financiële experts dat een land met een schuldgraad van meer dan 95%, met een probleembank zoals Dexia, in het midden van een existentiële crisis van de eurozone zonder regering zit. Dit vertaalde zich in een oplopende spread. Ook de economische, financiële, sociale en budgettaire problemen van Griekenland, Ierland, Spanje en Portugal waren problematisch. De bovengeschetste problemen vinden echter vaak hun oorsprong in het beleid van de jaren 2000 toen er geen vuiltje aan de lucht was en de spreads met de Duitse Bund onbestaande waren. De markten reageerden toen de boel ontplofte en droegen daarbij bij tot een acceleratie van de crisis - zowel door spillovereffecten tussen landen als door vicieuze cirkels tussen overheden en de financiële sector - die op haar beurt overheden dwong om hun credibiliteit te bevestigen door op korte termijn grote saneringen en structurele hervormingen aan te kondigen. De spread is dan ook eerder een aanleiding of symptoom dan de oorzaak van problemen. Het is dan ook gezond boerenverstand dat voorkomen beter is dan genezen. In dat kader moet ook de nieuwe macro-economische onevenwichtsprocedure van de Europese Commissie gezien worden. Voor België wordt daarbij gewezen op de hoge

De Belgische spread 61


overheidsschuld maar het voornaamste onevenwicht is de erosie van de externe competitiviteitspositie van België (DG ECFIN, 2014). Voor dit laatste zijn zowel niet-kostencompetitiviteitsfactoren –bijvoorbeeld de productmix, het innovatiepotentieel, het aanboren van nieuwe afzetmarkten - en de loonkost verantwoordelijk en dient een globaal beleid uitgestippeld te worden waaraan alle actoren meewerken. Samenvattend: Enerzijds, beweegt de Belgische spread mee op de golven van de ontwikkelingen in de eurozone. Anderzijds, zorgen Belgische specifieke evenementen wel degelijk tot een bijkomende premie of discount in de Belgische spread. Enkel focussen op de spread is verkeerd omdat de spread te laat alarm slaat over de economische toestand en op zich beschouwd niet het meest dwingende economische probleem is. Tot slot, heeft België nood aan goed bestuur op Europees, federaal en regionaal niveau. [Hans Naudts was economisch adviseur van eerste ministers Herman Van Rompuy en Yves Leterme en minister van Financiën Steven Vanackere. Hij is momenteel werkzaam als economisch analist voor de eurozone bij de Europese Commissie. De inzichten in deze paper verbinden enkel de auteur en komen niet noodzakelijk overeen met deze van de Europese Commissie.] hansnaudts@hotmail.com | Twitter: @HansNaudts

Literatuurlijst: Boeckx, J. en Dewachter, H. (2012) Contagion in Euro Area Sovereign Bond Markets, Bank en Financiewezen 2012/4. Dewachter, H., Iania, L., Lyrio,M., Perea, M. (2014): A Macro-Financial Analysis of the Euro Area Sovereign Bond Market, Journal of Banking and Finance, forthcoming. Di Cesare, A., G. Grande, M. Manna and M. Taboga (2012): Recent estimates of sovereign risk premia for euro area countries, Banca d’Italia Occasional Paper No 128. DG ECFIN, Europese Commissie (2014) Macro-economische onevenwichtigheden België 2014, European Economy. Occasional Papers. 172. March 2014. Verstegen, K. (2014) De regering en onze financieringskost: part II, blogartikel van 11/3/2014 http://kurtverstegen.wordpress.com/2014/03/11/de-regering-enonze-financieringskost-part-ii/

62

De Belgische spread


Bruno Peeters

Is er behoefte aan een fundamentele hervorming van het Belgisch belastingstelsel? Enkele bedenkingen over de personenbelasting â&#x20AC;&#x153;Reforming the tax system may not be easy or popular in the short term, but it holds out the prospect of significant economic gains and hence the promise of higher living standards in the long term1â&#x20AC;?.

Situering Belastingbeleid is een continu proces van reflectie om fiscale regelgeving zoveel als mogelijk aansluiting te doen vinden bij de voortdurend wijzigende inzichten over mens en samenleving. Een belastingsysteem dat mogelijk ideaal was voor het midden van de 20 ste eeuw, is dit daarom niet meer voor de 21ste eeuw. Politici dienen zich daarom periodiek te bevragen over het geldende belastingstelsel en na te gaan of voor dit stelsel het maatschappelijk draagvlak (nog) voldoende is. De integriteit van een belastingsysteem is immers in belangrijke mate afhankelijk van het respect dat de burgers tonen voor de beginselen en waarden die aan dit stelsel ten grondslag liggen. Sinds de Tweede Wereldoorlog heeft de overheid zich geleidelijk aan ontpopt als de primair verantwoordelijke instantie voor sociale zekerheid, onderwijs, huisvesting, mobiliteit en nog vele andere maatschappelijke voorzieningen. Naast herverdelende belastingen kwamen er inkomensafhankelijke overheidsvoorzieningen en tal van toelagen bij die tot doel hebben de burgers een minimumlevensstandaard te verzekeren. Dit alles heeft geleid tot de verzorgingsstaat zoals we die vandaag kennen. Voor alle problemen (groot en klein) van de steeds complexer geworden samenleving wordt van de

J. Mirrlees et al., Tax by Design, Institute for Fiscal Studies, Mirrlees Review, Introduction, 2011, p. 2 (http://www.ifs.org.uk/mirrleesreview/design/ch1.pdf). 1

Is er behoefte aan een fundamentele hervorming in het Belgisch belastingstelsel? 63


overheid een oplossing verwacht. Deze ontwikkeling heeft ook een belangrijke invloed op de vormgeving van het belastingstelsel, niet enkel vanuit budgettair oogpunt maar ook vanuit instrumenteel oogpunt. Belastingen worden immers steeds meer aangewend om maatschappelijk gewenst en ongewenst gedrag van burgers en ondernemingen te bevorderen, resp. te ontmoedigen. De laatste decennia heeft dit in België geleid tot een intense fiscale regeldrift waarbij het kortetermijnperspectief een meer vertrouwenswekkende langetermijnvisie vertroebelt. Samen met een – internationaal vergeleken – hoge belastingdruk heeft dit de legitimiteit van het belastingstelsel op nationaal niveau onder grote spanning geplaatst. Belastingplichtigen hebben het steeds moeilijker om de logica en de achterliggende waarden van het ingewikkelde belastingsysteem te doorgronden. Zij dreigen hierdoor in toenemende mate te vervreemden van het fiscaal regime waaraan zij worden onderworpen en kunnen steeds minder begrip opbrengen voor het nut van de forse financiële inspanning die jaarlijks van hen wordt verwacht. Dit leidt tot het zgn. ‘nalevingstekort’ waarbij belastingplichtigen steeds minder bereid zijn om de fiscale regelgeving te eerbiedigen, wat op zijn beurt leidt tot aanzienlijk gemiste belastingopbrengsten (de zgn. tax gap). Genoemd vervreemdingsproces wordt nog bijkomend uitvergroot doordat belastingplichtigen zich niet meer kunnen terugvinden in het democratisch besluitvormingsproces. Is er in België nog wel sprake van een trias politica? Enkel de rechterlijke macht en de uitvoerende macht lijken nog de werkelijke macht uit te oefenen. Het zwaartepunt van de wetgevende macht berust de facto bij de regering. Wij staan daarin niet alleen. In Nederland spreekt men openlijk van een duas politica. 2 De diverse crisissen bij het begin van deze eeuw hebben bovendien aangetoond dat het sturende vermogen van de overheid zijn beperkingen kent. Zo gaan steeds meer stemmen op – ook in de ons omringende landen – om de verzorgingsstaat te herijken naar een zgn. participatiemaatschappij3 of naar een zgn. actieve welvaarstaat (‘Social Investment Welfare State’) 4. Een herijking van de verzorgingsstaat heeft echter ook belangrijke consequenties voor het fiscale beleid en voor het daarmee na te streven evenwicht tussen rechtvaardigheid en doelmatigheid. Nog los van de Europese dimensie

2 R.H. HAPPÉ, ‘Van trias politica naar duas politica, Een verkenning van een nieuw evenwicht’, in: Belastingrechtspraak in een veranderende wereld, Den Haag, Sdu Uitgevers, 2001, p. 13-37. 3 Cf. voor Nederland: L. Stevens, “Naar een solidaire participatiemaatschappij. Belastingbeginselen en fiscale instrumenten als concretiseringsmogelijkheden, Kluwer, Deventer, 2008, p. 24 (een participatiemaatschappij “die durft vertrouwen op het zelfredzame vermogen van de samenleving en die zich concentreert op het faciliteren in plaats van alles zelf te willen doen”. 4 Towards a social investment welfare state? Ideas, policies and challenges, N. Morel, B. Palier en J. Palme (eds.) Bristol, Policy Press, 2012, 386 p.

64

Is er behoefte aan een fundamentele hervorming in het Belgisch belastingstelsel?


van deze problematiek5, komt daarbij voor België nog de complicerende factor van de onderscheiden staatshervormingen en de daaraan verbonden verkaveling van de fiscale besluitvorming over de federale, regionale en lokale bestuurslagen6 . De legitimiteitscrisis van het belastingstelsel voltrekt zich niet enkel op nationaal niveau doch ook in een internationale context. Dit is het gevolg van het toegenomen spanningsveld tussen enerzijds hoofdzakelijk nationaal georganiseerde belastingautoriteiten waarvan het actieterrein territoriaal beperkt is (territorialiteitsprincipe) en anderzijds belastingplichtigen (inz. (grote) ondernemingen en zeer vermogende particulieren (de Zvp’ers) die mondiaal opereren en erg mobiel zijn. Zij zijn in staat zich eenvoudig te onttrekken aan de jurisdictie van landen met een hoge belastingdruk. In een bedrijfscontext wordt dit BEPS genoemd (base erosion and profit shifting). Het gaat om ondernemingen die door middel van o.m. zetelverplaatsingen en transfer pricing er naar streven zo weinig mogelijk belastingen te betalen. Dit (al dan niet legaal) belastingontwijkend gedrag heeft tot gevolg dat nationale belastingautoriteiten geen greep meer krijgen op hun beweerde ‘ fair share’ in de mondiale opbrengst van belastingen7. Voor landen met een groot overheidsbeslag komt dit hard aan en leidt dit tot onevenwichten in de overheidsfinanciën. In reactie tegen deze ontwikkeling trachten de nationale belastingautoriteiten zich te organiseren, zowel op supranationaal niveau inz. op EU-niveau, als op internationaal niveau (G20, OESO). Omdat de democratische besluitvorming op deze niveaus nog niet voldoende is ontwikkeld in vergelijking tot de besluitvorming op nationaal niveau, is ook hier sprake van een ‘legitimiteitsvraagstuk’ 8 . Al deze factoren verantwoorden een fundamentele bezinning over het huidige belastingstelsel in al zijn facetten.

Een overzicht van de verschillende recente belastinghervormingen in de EU-lidstaten het verslag van de Europese Commissie: “Tax reforms in EU Member States 2013.Tax policy challenges for economic growth and fiscal sustainability, 5/2013,116 p. http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/european_economy/2013/pdf/ee5_en.pdf. 6 België staat daarin evenwel niet alleen. Zie hierover het OESO rapport over ‘Fiscal Federalism 2014: making decentralization work’. De OESO geeft aan dat een goede samenwerking tussen de verschillende bestuurslagen noodzakelijk is om de overheidstekorten terug te dringen, de efficiëntie van het belastingstelsel te verbeteren en om de belastingdruk evenwichtig te spreiden. (Hansjörg Blöchliger (Ed) Fiscal Federalism 2014: making decentralization work, OECD, 2 December 2013 http://www.keepeek.com/Digital-Asset-Management/oecd/governance/fiscal-federalism-2014_9789264204577-en#page1 ). 7 Zie J.L.M. GRIBNAU, “Ethische aspecten van tax planning”, Ars Aequi, maart 2014, p. 173-183. 8 Zie hierover: A.C.G.A.C. De Graaf, “Excessieve gedragingen en internationaal fiscaal beleid”, Sdu Uitgevers, Den Haag, 2013, 45 p. ; C. Peters, The faltering legitimacy of international tax law., doctoraal proefschrift, 2013, Universiteit Tilburg, 326 p. 5

Is er behoefte aan een fundamentele hervorming in het Belgisch belastingstelsel? 65


Hervormingsinitiatieven in andere landen België is niet alleen met de vraag naar een fundamentele hervorming van zijn belastingstelsel. Nog los van de problematiek van de meer gelaagde besluitvorming, worden vergelijkbare initiatieven genomen in andere landen. Het meest bekende voorbeeld is wellicht de zgn. ‘Mirrlees Review’ in het Verenigd Koninkrijk waar onder impuls van Nobelprijswinnaar John Mirrlees, een groep van vooraanstaande academici uitvoerig wetenschappelijk onderzoek heeft verricht naar de kenmerken van een belastingstelsel aangepast aan de noden van een samenleving in de 21ste eeuw 9. Een ander voorbeeld is Nederland waar op 18 juni 2013 de Commissie-Dijkhuyzen haar finaal rapport heeft voorgesteld voor een hervorming van het Nederlands inkomstenbelastingstelsel.10 Deze commissie had tot doel voorstellen te formuleren voor een “eenvoudig, solide en fraudebestendig belastingstelsel dat bijdraagt aan de concurrentiekracht van Nederland ”.11 In haar rapport vraagt de Commissie ook aandacht “voor misschien wel de belangrijkste waarde van een belastingstelsel, namelijk dat het door de overgrote meerderheid van de belastingplichtigen gezien wordt als een fair stelsel gebaseerd op het vertrouwen dat er zorg voor wordt gedragen dat iedereen die belasting moet betalen, dat ook doet en dat toeslagen niet ten onrechte worden verstrekt. Een eenvoudiger stelsel met lagere tarieven, minder - soms moeilijk te controleren - aftrekposten en toeslagen en een effectief controleapparaat kunnen daaraan een belangrijke bijdrage leveren. Als de belastingmoraal in een land vermindert, is dit kostbaar en erg moeilijk te herstellen”.12

Hervormingsdebat in België Een grondige hervorming veronderstelt dat eerst een voldoende groot maatschappelijk draagvlak wordt gecreëerd over de basisopties waarrond het uit te werken fiscaal regime wordt opgebouwd. De opmaak van dit globale grondplan veronderstelt evenwel dat voorafgaand, op een wetenschappelijk verantwoorde wijze, diepgaande voorstudies worden gemaakt over de diverse deelaspecten van de door te voeren hervorming. Deze voorstudies vergen op hun beurt een multidisciplinaire aanpak. Overwegingen van ethische, juridische, economische, sociologische en politicologische aard moeten bij de opmaak van deze voorstudies zorgvuldig tegenover elkaar worden afgewogen. Het is een complexe operatie die een grondige voorbereiding vergt waarin in eerste instantie

See http://www.ifs.org.uk/mirrleesReview. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2013/06/18/eindrapport-commissieinkomstenbelasting.html 11 Cf ibid. p. 6 12 Cf. ibid. p. 6. 9

10

66

Is er behoefte aan een fundamentele hervorming in het Belgisch belastingstelsel?


een optimaal samenspel moet worden georganiseerd tussen de beoefenaars van voormelde wetenschapsdomeinen. Op grond van de door hen opgestelde voorstudies – die wellicht de optie voor verschillende varianten open houdt – moet dan een debat worden georganiseerd tussen de wetenschappers en de politiek verantwoordelijken. Daarbij moet worden gestreefd naar een zo groot mogelijke coherentie tussen enerzijds het globale grondplan en de diverse deelaspecten. Finaal is het aan de politiek verantwoordelijken om vanuit hun democratisch gelegitimeerde macht tot overeenstemming te komen over de fundamentele krijtlijnen van het nieuwe, c.q. hervormde belastingstelsel. Een eerste (bescheiden) stap tot een dialoog tussen deskundigen en politici is in België gezet toen in uitvoering van de regeringsverklaring13 op 24 april 2013 een gemengde parlementaire commissie werd geïnstalleerd belast met de fiscale hervorming. De opdracht van de Commissie bestond er o.m. in “een diepgaande reflectie op te starten over de modernisering en de hervorming van ons fiscaal systeem, binnen een institutionele context in volle ontwikkeling, om het billijker te maken door de belastingbronnen in balans te brengen en dat systeem aansluiting te laten vinden bij een op groei, jobcreatie en duurzaamheid gerichte strategie”. Het definitief verslag van de commissie werd goedgekeurd op 24 februari 201414. Alle verslagen van de hoorzittingen met de deskundigen zijn integraal elektronisch te raadplegen op de website van de Kamer van volksvertegenwoordigers15. De commissie heeft zich beperkt tot ‘ fact finding’, het houden van hoorzittingen en het opstellen van een synthese van de door de deskundigen aangereikte voorstellen. Tot algemeen aanvaarde conclusies is ze niet gekomen. Bij een grondige hervorming van een belastingstelsel is het aangewezen alle aspecten ervan de revue te laten passeren, zowel de inhoudelijke aspecten van het stelsel16 , als de formele aspecten ervan. Hoe kunnen de voorbereiding en ontwikkeling van het fiscaal beleid en van de belastingwetten in ons land beter worden georganiseerd? Is het niet aangewezen om de verhouding tussen de fiscus en de belastingplichtigen ook in ons land – naar Nederlands voorbeeld17 – meer te oriënteren op een op vertrouwen

Handelingen Kamer, CRIV 53 PLEN 112, blz.11 en Handelingen Senaat, 21 november 2012, nr. 5-79, blz.7): Uittreksel uit de Federale Regeerverklaring van 21 november 2012: “Daarnaast wil de regering onze fiscaliteit actualiseren. De minister van Financiën zal u binnenkort voorstellen voorleggen om de fiscale procedures en regels te vereenvoudigen. In een tweede fase zal de regering samen met het Parlement nadenken over een grondige hervorming van ons fiscaal systeem. Onze fiscaliteit heeft immers nood aan een modernisering. In een evoluerende institutionele context moet de fiscaliteit beter bijdragen aan de creatie van werkgelegenheid en groei, sociale rechtvaardigheid en duurzaamheid. Het evenwicht in ons fiscaal systeem moet verschuiven om de lasten op arbeid te verlichten.” 14 Parl.St. Kamer, 2013-2014, 53/ 3343/01 en Parl.St. Senaat, 2013-2014 5-2272/1. 15 http://www.dekamer.be/kvvcr/showpage.cfm?language=nl&section=/comm/fiscreform&story=fiscreform.xml 16 Zoals o.m. de verdeling van de belastingdruk (tax shift) en de aanwending van belasting voor niet-fiscale doeleinden enz. 13

Is er behoefte aan een fundamentele hervorming in het Belgisch belastingstelsel? 67


gerichte horizontalisering in plaats van een haast uitsluitend op wantrouwen en strafrechtelijke beteugeling gerichte verticale gezagsrelatie? Het is niet mogelijk om in het korte bestek van deze bijdrage op al deze aspecten dieper in te gaan. Hierna wordt enkel ingezoomd op enkele krijtlijnen die bij een hervorming van de Belgische personenbelasting, best in acht worden genomen.

De personenbelasting De voornaamste doelstelling van de inkomstenbelastingen en van de personenbelasting in het bijzonder, is haar financiële of budgettaire functie (i.e. het bekomen van inkomsten om de algemene overheidsuitgaven te dekken)18 . Deze budgettaire doelstelling is gediend met eenvoud. Vereenvoudiging is evenwel geen doelstelling op zich, maar wel een belangrijk uitgangspunt bij de hervorming, wil men budgettaire efficiëntie bereiken. De personenbelasting is in essentie een op draagkracht georiënteerde, herverdelende belasting19. Alle andere niet-fiscale functies die men de personenbelasting toedicht (het zgn. ‘instrumentalisme’), zijn in principe van die aard om het systeem te verstoren. Daarom verdient het aanbeveling om dit ‘instrumentalisme’ in de personenbelasting zoveel als mogelijk terug te dringen. Een vergaand instrumentalisme ondermijnt immers de kwaliteit van de wetgeving en bemoeilijkt de naleving ervan (‘compliance’) door de belastingplichtigen. Zij maakt bovendien het belastingstelsel nodeloos ingewikkeld, onoverzichtelijk en gelet op de vele aanpassingen, weinig stabiel. De vele codes die zijn voorzien voor het aangifteformulier, zijn hiervan de stille getuigen. Wanneer men wil belasten naar draagkracht, terwijl tevens allerlei aftrekken worden toegestaan, los van die draagkracht, wordt de coherentie van het systeem doorkruist. Fiscale stimuli in de personenbelasting leiden vaak ook tot ongewenste Mattheüseffecten. Zo bijvoorbeeld komen fiscale voordelen voor de isolatie van woningen doorgaans meer ten goede aan belastingplichtigen die een groot huis bewonen, dan aan zij die klein behuisd zijn. Instrumentalisme heeft ook voor gevolg dat de burger zich

17 Commissie Horizontaal Toezicht Belastingdienst, Fiscaal toezicht op maat. Soepel waar het kan, streng waar het moet, Den Haag, juni 2012, 128 p. http://www.rijksoverheid.nl/bestanden/documenten-en-publicaties/rapporten/2012/06/20/rapport-van-de-commissie-stevens-over-horizontaal-toezicht-bij-de-belastingdienst/rapportvan-de-commissie-stevens-over-horizontaal-toezicht-bij-de-belastingdienst.pdf). 18 Institute for Fiscal Studies, Mirrlees Review, Reforming the tax system for the 21th century, Tax by Design, Chapter 20. Conclusions and recommendations for reform, http://www.ifs.org.uk/mirrleesreview/design/ch20.pdf, p. 471: “A good tax system should be structured to meet overall spending need. Earmarking of revenues for particular purposes should be avoided.” 19 Wat de herverdelende functie betreft, is de personenbelasting erg verwant aan de sociale zekerheid. Een hervorming van de personenbelasting kan bijgevolg niet worden gezien los van de sociale zekerheid. Op dit aspect wordt hier niet verder ingegaan.

68

Is er behoefte aan een fundamentele hervorming in het Belgisch belastingstelsel?


gaat manifesteren als een op belastingminimalisatie calculerende belastingplichtige. Deze belastingontwijkende attitude die de belastingplichtige vaak wordt verweten, wordt echter door de ‘instrumentalistische’ wetgever zelf in de hand gewerkt. Tenslotte is de economische effectiviteit van al deze fiscale instrumenten, waarvan de doelstellingen vaak niet helder zijn geformuleerd, niet bewezen. Een preventieve afweging van fiscale beleidsinstrumenten tegenover andere beleidsmiddelen zoals reglementering, subsidiëring of andere (inz. indirecte) belastingen, ontbreekt veelal en tot een a posteriori evaluatie van het instrument komt men vaak ook al niet. Een bijkomende reden voor het de-instrumentaliseren van de personenbelasting is dat deze belasting – als gevolg van de verschillende staatshervormingen – steeds meer is uitgegroeid tot een belangrijke inkomstenbron voor meerdere bestuurslagen, inzonderheid de federale overheid, de gewesten en de gemeenten. Zij hebben er alle belang bij dat de personenbelasting een stabiele, betrouwbare inkomstenbron is waaraan zo weinig mogelijk wijzigingen worden aangebracht. Om de herverdelende functie van de personenbelasting zo goed mogelijk te realiseren, moet aan het uitgangspunt, nl. de draagkracht van de belastingplichtige, een centrale rol worden toebedacht. Een cruciale vraag is evenwel wat onder draagkracht moet worden verstaan. In het licht van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, verdient het aanbeveling het draagkrachtprincipe zo verfijnd als mogelijk te omschrijven. Daarbij rijzen de volgende vragen: beperkt de draagkracht zich tot de draagkracht geput uit inkomen (ongeacht de oorsprong ervan: arbeid of vermogen)? Moet ook rekening worden gehouden met het volledige vermogen van de belastingplichtigen, ook als dat geen inkomen genereert? Moet bij de vaststelling van de draagkracht naast het inkomen en/of vermogen eventueel nog rekening worden gehouden met andere factoren (bv. koppeling van draagkracht aan cognitieve capaciteiten)? Hoewel door bepaalde economen (o.m. de Nederlandse Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen) ooit een belasting op talent werd gesuggereerd 20, wordt de notie draagkracht doorgaans om praktische redenen niet zo ruim opgevat. Hoe dient draagkracht gerelateerd aan talenten te worden becijferd? Bovendien geldt de overweging dat het (optimaal) benutten van talenten doorgaans ook resulteert in een hogere belastbare (materiële) draagkracht, terwijl een onderbenutting van talenten met eventueel daaraan gekoppeld een ongerechtvaardigd gebruik van sociale voorzieningen, kan worden bijgestuurd door een kritische houding bij de openstelling van deze voorzieningen.

J. TINBERGEN, “Belasting op Bekwaamheid”, Intermediair, 1970, 30, (6), 1-3; aangehaald door B. JACOBS, Een economische analyse van een optimaal belastingsysteem voor Nederland, Essay Studiecommissie belastingsysteem, 2010, (49 p), inz. p. 8 (http://people.few.eur.nl/bjacobs/studiecommissie_belastingsysteem_finaal.pdf).

20

Is er behoefte aan een fundamentele hervorming in het Belgisch belastingstelsel? 69


Als principe kan worden vooropgesteld dat de draagkracht in de regel functie is van het inkomen (s.l.)21, ongeacht de oorsprong ervan: arbeid of vermogen, recurrent (bv. interesten, dividenden) of occasioneel (bv. meerwaarden), beroepsmatig behaald of in de privésfeer verworven. Dit impliceert dat de verschillende bestanddelen van de (mogelijke) belastinggrondslag onder een gelijke belastingdruk komen te staan. Vanuit de herverdelende functie van de personenbelasting is het eveneens aangewezen dat de personenbelasting niet draagkrachtafstotend werkt en moet bijvoorbeeld worden vermeden dat personen met veel draagkracht het stelsel ontlopen. Hoe meer (draagkrachtige) personen zich kunnen vinden in het belastingregime, hoe vlotter de herverdelende functie ervan zich kan voltrekken. De overheid observeert weliswaar het inkomen s.l. (draagkracht), maar dit inkomen is het resultaat van zowel inzet (‘effort’) als talent (‘ability’). Een performante personenbelasting zou daarom rekening moeten houden met de verdeling én de inzet van talent. Zo zal bijvoorbeeld ten aanzien van belastingplichtigen met hoge inkomens een afweging moeten worden gemaakt tussen enerzijds hoge aanslagvoeten bedoeld om vanuit herverdelend oogpunt (relatief ) meer inkomsten te genereren, en anderzijds de mogelijk remmende invloed van hoge marginale aanslagvoeten op de productieve inzet van de meest talentrijke belastingplichtigen. Volgens recente studies vormt dit een valabel argument tegen al te progressieve inkomstenbelastingen. In de mate de draagkracht – zoals hiervoor beschreven – geen correcte aanduiding is van de reële draagkracht, moet de fiscale wetgeving wel voorzien in gepaste ‘draagkrachtcorrigerende’ maatregelen. Zo kan bijvoorbeeld worden gedacht aan correcties voor personen met een fysische en/of mentale handicap, voor personen met kinderlast, voor werkelijk alleenstaanden. Deze correcties kunnen de vorm aannemen van belastingaftrekken (bv. (verhoogd) belastingvrij minimum, belastingverminderingen, belastingkredieten) en zouden betrekking kunnen hebben op het globale inkomen van de belastingplichtige. Het spreekt voor zich dat de keuze van de juiste techniek in overeenstemming zal moeten zijn met de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en de gewesten na de 6 de staatshervorming. De personenbelasting zou ook samenlevingsvormneutraal moeten zijn. Samenlevingsvormen kunnen een concrete invloed hebben op de reële draagkracht van de betrokkenen (feitelijke samenwoning, wettelijke samenwoning, huwelijk). Hiermee dient rekening te worden gehouden door te voorzien in een fiscale correctie voor de ‘economische’ handicap waarmee werkelijk alleenstaande belastingplichtigen vanuit het oogpunt van draagkracht bekeken, te kampen hebben (gebrek aan schaalvoordelen). Vgl. Richard A. MUSGRAVE,” In defense of an income concept”, 81 Harv. L. Rev. , pp. 44-62 (1967-1968) op pp. 45, 46.; K. TIPKE, Steuergerechtigkeit in Theorie und Praxis, OttoSchmidy Verlag, Köln (1981) op 59.

21

70

Is er behoefte aan een fundamentele hervorming in het Belgisch belastingstelsel?


Bij het uitwerken van een personenbelasting naar draagkracht is een belangrijk uitgangspunt ook de (principiële) neutraliteit naar oorsprong van het inkomen (“een euro is een euro”). Dit betekent in principe dat er in de personenbelasting geen reden is om de verschillende inkomsten, inbegrepen de arbeidsinkomsten, uiteenlopend te belasten. Grote verschillen in fiscale druk tussen arbeidsinkomsten en andere inkomsten, dienen zoveel als mogelijk worden uitgevlakt (zgn. tax shift). Taxatie naar draagkracht verhindert in beginsel ook beperkingen op de globalisering van belastbare inkomsten. In beginsel, want het invoeren van bepaalde categorieën van afzonderlijk belastbare inkomsten kan immers verantwoord zijn vanuit het draagkrachtprincipe. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk meerwaarden die over een langere periode zijn opgebouwd, aan een afzonderlijk tarief te belasten om rekening te houden met het tijdspad waarin zij werden opgebouwd. Wel is essentieel is dat waar mogelijk, wordt belast naar reële draagkracht. Door de reële draagkracht centraal te stellen wordt ook aangegeven dat waar mogelijk het gebruik van forfaitaire benaderingen/ramingen alsook afwijkingen van het zgn. ‘nettoprincipe’ moeten worden vermeden. Dit betekent dat uitsluitingen van bepaalde aftrekbare kosten en verliezen, maar ook het gebruik van forfaits, heel kritisch moeten worden beoordeeld. Het centraal stellen van de ‘reële’ draagkracht houdt eveneens in dat men zo veel mogelijk rekening houdt met de werkelijke inkomsten, met uitsluiting van schijnwinsten die het gevolg zijn van muntontwaarding, met uitsluiting van fictieve of vermoede inkomsten en met uitsluiting van slechts vastgestelde, niet-verwezenlijkte inkomsten. Dit laatste houdt o.m. verband met de problematiek van het al dan niet belasten van vastgestelde meerwaarden. Uitzonderlijk, bijvoorbeeld om grote compliancekosten te voorkomen of nog, omdat het becijferen van werkelijke inkomsten niet echt mogelijk is, kan met (weerlegbare) ‘vermoedens’ of andere bewijsmiddelen, gebruik worden gemaakt van geraamde inkomsten Een laatste belangrijk aandachtspunt bij het hervormen van de personenbelasting is de rechtsvormneutraliteit. Het is immers niet aan de fiscale wetgever om keuzes inzake rechtsvorm enkel fiscaal te sturen. Zo zou het bijvoorbeeld vanuit fiscaal oogpunt geen verschil mogen uitmaken of een ondernemingsactiviteit wordt verricht als natuurlijke persoon onderworpen aan de personenbelasting, dan wel in het kader van een vennootschap onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Het belastingsysteem zou daarom zo moeten worden geconcipieerd dat het rechtsvormneutraal is. Allerlei technieken zijn denkbaar om dit te bereiken.

Is er behoefte aan een fundamentele hervorming in het Belgisch belastingstelsel? 71


Slotbedenking Ten slotte moet, wanneer men aan een fundamentele belastinghervorming begint, ook aandacht gaan naar passende overgangsmaatregelen die draagkrachtrespecterend zijn. Zo kunnen grote verschillen in fiscale druk tussen de verschillende generaties worden vermeden. Belastingplichtigen die in het verleden geruime tijd onderworpen zijn geweest aan een hoge(re) fiscale druk op arbeidsinkomen, dreigen anders in de herfst van hun leven geconfronteerd te worden met een verhoogde belasting op de inkomsten uit hun vermogen dat zij - in voorkomend geval - met hun inkomen uit arbeid hebben opgebouwd. De eerbiediging van al deze principes kan ertoe leiden dat de personenbelasting qua concept opnieuw voor iedereen eenvoudig en bevattelijk wordt en aldus ook aan legitimiteit wint. De conceptuele vereenvoudiging die ermee gepaard gaat, gaat echter niet noodzakelijk samen met een vereenvoudiging van de administratieve verplichtingen. Of zoals Albert Einstein het verwoordde: “Everything should be made as simple as possible, but not simpler”. Andere uitgangspunten kunnen immers leiden tot verhoogde administratieve verplichtingen voor de belastingplichtigen, inzonderheid voor particulieren, die hiervoor vaak niet zijn uitgerust. Een oplossing hiervoor moet echter niet worden gezocht in draagkrachtdoorkruisende remedies (zoals (her)invoering van forfaits e.d.), maar veeleer in het herdenken van de verhouding tussen de fiscus en de belastingplichtigen (cf. horizontalisering). Zo zou o.m. kunnen worden gedacht aan het fiscaal faciliteren van de tussenkomst van erkende ‘compliance officers’. Dit zijn tussenpersonen die zowel het vertrouwen van de overheid als van de belastingplichtige genieten en bijvoorbeeld kunnen worden gerekruteerd uit de geleding van de. accountants of belastingadviseurs. Zij kunnen de belastingplichtigen (ook particulieren) bijstaan bij het vervullen van hun fiscale administratieve verplichtingen. De fiscale facilitering zou o.m. kunnen bestaan in de fiscale aftrekbaarheid van het (evt. door de overheid met de beroepsgroep overeengekomen) ereloon dat voor deze tussenkomst wordt aangerekend. Deze vorm van ‘instrumentalisme’ wordt verantwoord door de nood aan een correcte opvolging door elke belastingplichtige van zijn fiscale verplichtingen. Ook dit is in lijn met het uitgangspunt om iedereen effectief, doch correct te belasten naar zijn draagkracht.

[Bruno Peeters is gewoon hoogleraar aan de faculteit Rechten van de Universiteit Antwerpen en voorzitter van de Antwerp Tax Academy.] bruno.peeters@uantwerpen.be

72

Is er behoefte aan een fundamentele hervorming in het Belgisch belastingstelsel?


Sien Winters

Het Vlaamse woonbeleid na de 6de staatshervorming: nood aan geleidelijke, maar duidelijke koerscorrectie Vlamingen beschouwen een eigen woning als een goede financiĂŤle investering voor de toekomst en als een vorm van pensioen. Een eigen woning biedt grote woonzekerheid, vrijheid, privacy en kansen om te tonen wie men is en hoe men in het leven staat. Het merendeel van de Vlamingen geniet deze voordelen, als eigenaar-bewoner. Van wie nog geen eigenaar is, droomt de helft er van dit ooit te mogen worden. De overheid heeft veel middelen veil om deze droom te helpen realiseren. De grootste en meest bekende voordelen zijn de woonbonus en de voorloper(s) daarvan, gekend als hypotheekaftrek, intrestaftrek, bouwsparen, enz. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de overheveling van de bevoegdheid voor de woonfiscaliteit die is voorzien in de zesde staatshervorming en de mogelijkheid dat hieraan gesleuteld zal worden, enige ongerustheid teweeg brengt. Toch moeten we vragen durven stellen. Moet de Vlaamse overheid na de overheveling van de fiscale voordelen voor de eigen woning hetzelfde pad blijven bewandelen? Of dringen zich andere keuzes op? En hoe verhoudt de woonbonus zich tot andere beleidsinstrumenten? In deze bijdrage maken we een bondige evaluatie van het woonbeleid, om van daaruit te pleiten voor een geleidelijke, maar duidelijke koerscorrectie.

Wonen in Vlaanderen De gestage opgang van het eigen woningbezit is een van de opvallendste evoluties op de woningmarkt sedert de Tweede Wereldoorlog. Waar in 1947 nog maar goed 40% van de huishoudens een eigen woning bezat en 60% huurde, waren in 1970 deze verhoudingen al omgekeerd. Vandaag bewoont 73,5% van de Vlaamse huishoudens een eigen woning, zijn er 17,7% private huurders en 6,2% sociale huurders1 (Heylen & Winters, 2014) 1

2,6% woont gratis. Het Vlaamse woonbeleid na de 6de staatshervorming 73


Of de eigen woning in de toekomst ook nog betaalbaar blijft, is een vraag die velen bezig houdt. De felle prijsstijgingen die woningen de afgelopen decennia hebben gekend (figuur 1), voeden deze discussie. Sedert 1996 zijn de (nominale) prijzen voor woningen dan ook meer dan verdriedubbeld. In de periode voor de crisis zagen we ook in andere Europese landen de woningprijzen sterk stijgen. In de internationale literatuur is er consensus dat de voornaamste factoren voor deze prijsstijgingen te vinden zijn bij vraagfactoren: toegenomen inkomens, dalende intrestvoeten en subsidies. Ook de verbeterde toegang tot woningkredieten en de flexibilisering van de hypotheekmarkt worden gezien als verklaringen. Toen in 2007 de financiĂŤle crisis haar intrede deed, stortten in veel Europese landen de prijzen in. BelgiĂŤ vormde een uitzondering op de prijsdalingen: enkel een lichte stabilisering van de prijzen was zichtbaar en vanaf 2009 zette de prijsstijging zich opnieuw in. Deze uitzonderlijke positie is onder meer te danken aan voorzichtig ontlenersgedrag, een strenge hypotheekwetgeving en een duidelijk minder speculatief investeringsgedrag dan in andere landen (Dol et al, 2010). Maar vermoedelijk heeft ook de woonfiscaliteit de prijzen mee opgedreven. De toegenomen koopkracht heeft zich vertaald in een hogere prijs (Vastmans & Buyst, 2012).

Bronnen: woningprijzen ADSEI, private huurprijzen Vastmans & De vries (2012)

Het wekt verbazing dat de prijsontwikkeling op de huurmarkt geen gelijke tred hield met de koopmarkt. In een goed werkende markt zou men verwachten dat de stijging van de woningprijzen zich ook zou doorzetten in de huurprijzen. In Vlaanderen stegen de huurprijzen echter slechts lichtjes meer dan de inflatie. Verklaringen daarvoor moeten we zoeken bij de verschillende evolutie die de huur- en de eigendomsmarkt de afgelopen decennia hebben door gemaakt. Terwijl een gestegen inkomen een van de factoren is achter de stijging van de woningprijzen, zorgde een daling van het inkomen van huurders vermoedelijk voor een rem op de stijging van de huurprijzen. Wie het

74

Het Vlaamse woonbeleid na de 6de staatshervorming


zich in Vlaanderen kan permitteren, werd eigenaar en de private huurmarkt ging een toenemend aandeel lage inkomensgroepen huisvesten. De kwaliteit van private huurwoningen is ook duidelijk minder goed dan van andere woningen. Relatief lage directe rendementen op verhuringen ontmoedigen nieuwe investeringen, vooral in het lagere marktsegment. Een belangrijk deel van de verhuurders zegt bovendien huurders te ‘selecteren’, om zeker te zijn van de inkomsten (Heylen et al, 2007). Mede als gevolg van toenemende administratieve lasten en de mogelijkheid om in een periode van sterke prijsstijgingen winsten te boeken bij verkoop, trokken vele private verhuurders zich terug uit de markt. Op basis van de geschetste prijsevolutie kan het enige verwondering wekken dat de betaalbaarheid van een eigen woning de afgelopen decennia niet sterk is achteruit gegaan. Gestegen inkomens en gedaalde intrestvoeten hebben er voor gezorgd dat meer kon worden geleend en dat de prijsstijgingen zich maar beperkt hebben vertaald in hogere af betalingen. Het beslag dat deze legden op het inkomen nam daardoor maar beperkt toe. Voor de private huurmarkt daarentegen evolueerde de betaalbaarheid wel negatief, en dit vooral als gevolg van een negatief evoluerend inkomen (Winters & De Decker, 2009). In 2013 gaf bijna een op de twee private huurders (48,6%) meer dan 30% van het inkomen uit aan huur, tegenover een op vier (25,6%) van de eigenaars met een lopende hypotheek. Of anders uitgedrukt: na betaling van de huur houdt 31,6% van de private huurders niet voldoende over om menswaardig te leven, bij de eigenaars met een hypotheek is dit 10,4% (Winters & Heylen, 2014). Op vlak van woningkwaliteit viel de laatste decennia algemeen een sterke verbetering te noteren. Waar in 1981 nog 29% van alle woningen ‘klein comfort’ mankeerde (water in de woning, een toilet met waterspoeling en een badkamer of douche), komen deze woningen vandaag nauwelijks nog voor. De kwaliteitsverbetering kan in belangrijke mate worden toegeschreven aan verhoogde dynamiek op de secundaire markt. Jaarlijks wisselen in Vlaanderen een 80.000 woningen van eigenaar. In de helft van de gevallen volgt op zo’n aankoop een grondige verbouwing (Winters & De Decker, 2009). Ook internationaal gezien is onze woningkwaliteit gemiddeld goed. Toch woont nog 13% van de Vlaamse bevolking in een woning waarvan de bewoner meent dat er een vochtprobleem is, zoals een lekkend dak, vochtige muren of rottende deuren of ramen (tegenover 16% in Europa). Vochtproblemen komen veel meer voor op de private huurmarkt (22%) dan op de eigendomsmarkt (10%) en de sociale huurmarkt (13%) (Winters & Elsinga, 2011). Opvallend is ook dat de Pact2020-indicator voor de periode 2004-

Het Vlaamse woonbeleid na de 6de staatshervorming 75


2011 niet wijst op een afname van problemen met de fysische kwaliteit van de woning 2 . Er lijkt dus een harde kern van slechte woningen te blijven bestaan. Dergelijke slechte huisvestingssituatie komt vaker voor bij private huurders, bij leden van eenoudergezinnen, bij gezinnen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt, bij de laagste inkomensgroepen en bij niet-EU-burgers (Studiedienst Vlaamse Regering, 2013).

Het Vlaamse woonbeleid De Vlaamse Wooncode (decreet van 15 juli 1997) omschrijft in artikel 3 de algemene beleidsdoelstellingen van het Vlaamse woonbeleid: “Iedereen heeft recht op wonen. Daartoe moet de beschikking over een aangepaste woning, van goede kwaliteit, in een behoorlijke woonomgeving, tegen een betaalbare prijs en met woonzekerheid worden bevorderd ”. Artikel 4 stelt dat het Vlaamse woonbeleid daarbij bijzondere aandacht heeft voor de “meest behoeftige gezinnen en alleenstaanden”, een logisch uitvloeisel van het grondwettelijk recht op wonen. Om deze doelstellingen te realiseren heeft de Vlaamse overheid een breed spectrum aan beleidsinstrumenten ter beschikking. Voor het begrotingsjaar 2011 bedroegen de totale Vlaamse overheidsuitgaven voor wonen 865,2 mio euro. Van deze uitgaven kan 60% worden toegewezen aan ondersteuning van eigenaars, 35% aan sociale huur en 5% aan private huur (Heylen & Winters, 2012). De grootste uitgavenposten betroffen de sociale huur (298 mio euro) en kortingen op het registratierecht (304 mio euro). De private huurmarkt geniet nauwelijks steun. Het belangrijkste instrument is hier de huursubsidie, begroot op 34 mio euro in 2011. Hoewel de verantwoordelijkheid voor wonen op Vlaams niveau ligt, vinden we de grootste uitgaven federaal. De geraamde uitgave van 1.397 mio euro voor fiscale voordelen voor wonen3 komt nagenoeg volledig ten goede van eigenaars. Bij wie komen al deze subsidies voor wonen terecht? Vooreerst blijkt dat de sociale huur sterk gericht is op zwakke bewoners. Van het totaal aan geraamde subsidies komt 94% terecht bij de 40% laagste inkomens. Dit is het gevolg van de redelijk lage inkomensgrens voor toegang tot de sociale huisvesting en van de inkomensgebondenheid van de huurprijs. De gemiddelde subsidie van 232 euro per maand (voor 2008) levert voor sociale huurders een aanzienlijke bijdrage tot de betaalbaarheid (Heylen & Winters, 2012). Verder zijn sociale woningen in Vlaanderen doorgaans van een erg goede

2 VHet aandeel van de bevolking dat woont in een huis met kwaliteitsproblemen aan het dak, de ramen, deuren en muren, zonder adequate verwarming, met een gebrek aan elementair comfort of met een gebrek aan ruimte steeg van 18,8% in 2004 naar 23,8% in 2011. 3 Een klein deel hiervan gaat naar verhuurders van woningen via het langetermijnsparen, de rest gaat naar eigenaarsbewoners. Niet ingerekend: btw-verlaging voor renovatie en onderhoud.

76

Het Vlaamse woonbeleid na de 6de staatshervorming


kwaliteit. Voor de 140.000 begunstigde huishoudens maakt de sociale woning dus een serieus verschil met privaat huren. Het grootste knelpunt van de sociale huur blijft het tekort. Zo’n 180.000 huishoudens op de private huurmarkt ondervinden problemen met betaalbaarheid en kwaliteit en zouden gebaat zijn bij een sociale woning, maar kunnen er niet terecht (Winters et al, 2007). Voor deze groep zou een huursubsidie ook een oplossing kunnen bieden. Hoewel dergelijk instrument algemeen is in de meeste Europese landen, geniet in Vlaanderen maar een heel kleine groep er van. De inkomensgrens ligt nog een stuk lager dan voor sociale huur en ook de maximale huurprijs vormt een rem op het systeem. Eind 2012 beheerde Wonen-Vlaanderen 10.344 actieve huursubsidiedossiers. De gemiddelde subsidie bedroeg 182 euro per maand. Momenteel wordt de huursubsidie geïntegreerd in de ‘huurpremie’, een tegemoetkoming in de huurprijs voor wie minstens vier jaar wacht op een sociale woning. In 2012 werd in 2.912 dossiers een huurpremie toegekend. Het gemiddelde bedrag was 132 euro per maand (Wonen-Vlaanderen, 2013). Bij de Vlaamse instrumenten gericht op eigenaars vertegenwoordigen de kortingen op het registratierecht de grootste uitgave. Het kadastraal inkomen (KI) bepaalt of men recht heeft op ‘klein beschrijf ’. Dit KI is echter sedert 1975 niet meer aangepast en weerspiegelt slechts ten dele de marktwaarde. Een hervorming van het registratierecht zou dan ook meer dan terecht zijn, maar wordt best bekeken in samenhang met een mogelijke heroriëntatie van andere fiscale maatregelen (zie verder). Een algemene verlaging van het registratierecht is te overwegen omdat dit de woon- en arbeidsmobiliteit bevordert. Hoewel op het eerste zicht sociale leningen een weinig selectief instrument zijn (80% van de huurders valt onder de inkomensgrens), komt 75% van de subsidies terecht bij de 40% laagste inkomens (Heylen & Winters, 2012). Dit komt omdat de intrestvoet lager is naarmate het inkomen lager is en omdat de intrest stijgt als in de loop van de af betaling het inkomen omhoog gaat. Dergelijke inkomensgebondenheid van het voordeel vinden we niet bij de sociale koopwoningen. Nochtans is het voordeel daarvan (geraamd op 30.000 tot 50.000 euro per woning) aanzienlijk (Heylen, 2013). Wie kans krijgt een van de zeshonderd woningen te kopen die jaarlijks worden gebouwd, en hier bovendien ook nog een sociale lening voor kan krijgen, trekt dus wel een uitzonderlijk lot. Ook hier is een kritische reflectie gepast. Kijken we ten slotte naar de premies voor woningverbetering, dan stellen we vast dat de Vlaamse renovatiepremie een aanzienlijke premie is met een redelijk groot doelgroepbereik. In 2012 werden er 21.589 renovatiepremies uitbetaald, met een gemid-

Het Vlaamse woonbeleid na de 6de staatshervorming 77


delde premie van 5.284 euro (Wonen-Vlaanderen, 2013). De eigenaar moet echter een belangrijk deel van de kosten zelf ophoesten, wat vermoedelijk de reden is waarom de premie vooral bij middengroepen terecht komt (Heylen & Winters, 2012). De verbeterings- en aanpassingspremie valt gemiddeld veel kleiner uit (zo’n 1.000 euro) en is gericht naar de armere eigenaars. Voor deze premies werden in 2012 12.895 aanvragen gehonoreerd, met een gemiddelde subsidie van 992 euro (Wonen-Vlaanderen, 2013). Van de totale voordelen komt 80 à 90% bij de 40% laagste inkomens terecht (Heylen & Winters, 2012). Getuigen sommige Vlaamse beleidsinstrumenten van een sterke selectiviteit en doelgerichtheid en andere iets minder, dan is dit helemaal niet het geval voor het stelsel van de fiscale voordelen in de personenbelasting, die gelden voor elke ‘enige’ eigen woning. Omdat het fiscale voordeel wordt toegekend aan marginale aanslagvoet, ontvangen hogere inkomens zelfs een groter voordeel dan lagere inkomens. In het oude stelsel van hypotheekaftrek (voor 2005) kwam zo 75% van de subsidies terecht bij de 40% hoogste inkomens. De woonbonus, ingevoerd in 2005, heeft deze averechtse herverdeling niet sterk veranderd. Vooral de hoogte van het voordeel nam toe. In het inkomstenjaar 2010 bedroeg het gemiddelde voordeel van 1.307 euro per belastingplichtige (Vlaamse Woonraad, 2012). Het aantal begunstigden stijgt jaar op jaar en zal bij ongewijzigd beleid tot een sterke expansie van het budget leiden (Vlaamse Woonraad, 2013). Economisten zijn het er grotendeels over eens dat mede omwille van de brede toepassing dit voordeel zich in zeer belangrijke mate (volgens sommige volledig) vertaalt in de woningprijs. M.a.w. wat de fiscus betaalt aan de koper, verschuift via een hogere prijs naar de verkoper en heeft daarmee nauwelijks of zelfs geen impact op de betaalbaarheid van een eigen woning.

Nood aan een nieuwe koers voor het Vlaamse woonbeleid Met de 6 de staatshervorming krijgt de Vlaamse overheid de bevoegdheid om de fiscale voordelen voor eigenaars mee vorm te geven. Dit lijkt een goed moment voor reflectie. Met dezelfde overheidsmiddelen kan veel meer kan worden bereikt. De voordelen moeten vooreerst sterker worden gericht op wie daar het meest nood aan heeft en op investeringen die spontaan onvoldoende tot stand komen (bv. energie-investeringen). Niet alleen omdat wonen een grondrecht is en in een zo welvarende samenleving de zwaksten ondersteuning verdienen. Ook omdat op die manier schaarse middelen meer effecten kunnen genereren. Voor wie al voldoende heeft, zal het fiscaal voordeel immers niet zo’n grote invloed hebben. Het is vooral voor wie op eigen kracht geen eigenaar kan worden of niet de nodige renovatiewerken kan uitvoeren, dat overheidssteun het ver-

78

Het Vlaamse woonbeleid na de 6de staatshervorming


schil kan maken. Het effect op betaalbaarheid en kwaliteit, maar ook op bouw- en verbouwactiviteit zal dan groter zijn. Dergelijke meer gerichte toekenning van voordelen zal de druk op de woningprijzen doen afnemen. Men moet dus niet bezorgd zijn dat zo de betaalbaarheid zal verminderen. Verder moet de overdracht van de bevoegdheid worden aangegrepen om de private huurmarkt meer zuurstof te geven. Hoeft het verwondering te wekken dat er weinig wordt geïnvesteerd in private huur als een huurwoning fiscaal veel minder gunstig wordt behandeld dan een eigen woning? Niet alleen het fiscale voordeel verschilt, ook de belasting op inkomen uit de woning verschilt. Sinds 2005 zijn de inkomsten uit een eigen woning vrijgesteld in de personenbelasting. Een huurwoning bleef wel belast, op het KI verhoogd met 40%. Als men de huurmarkt wil stimuleren, is het veel logischer de ongelijkheid in fiscale behandeling te verminderen dan nieuwe instrumenten daarvoor in het leven te roepen. Europa dringt er op aan huurwoningen niet langer te belasten op het KI, maar op hun effectieve huurinkomsten. Ook voor eigendomswoningen zou het redelijk zijn een belasting te heffen op de echte huurwaarde. Dit past in het pleidooi voor een verschuiving van belasting op inkomen naar belasting op vermogen. De eigen woning vormt daarvoor bij uitstek een goede belastingbron omdat ze ‘onroerend’ is: kans op vlucht naar het buitenland is minder groot dan voor andere vormen van vermogens. Een belasting op woningbezit kan extra inkomsten genereren voor een algemene lastenverlaging op arbeid, een verlaging van de registratierechten en/of een gerichte besteding voor woondoeleinden. Wat het laatste betreft, kan bovenstaande evaluatie handvaten bieden. Vooral meer investeringen in sociale huur (eventueel in combinatie met huursubsidies) zijn gewenst. Dergelijke heroriëntering kan niet van vandaag op morgen. Een te snelle omschakeling zou tot te plotse en te sterke prijsdalingen leiden. De onzekerheid zou een rem kunnen zetten op investeringen. Ook de doorstroming in de markt zou kunnen stilvallen. Wie recent een woning heeft gekocht en deze wenst te verkopen, bijvoorbeeld bij gezinsuitbreiding, krijgt immers te maken met verlies. Een minder goede aansluiting van de woningen bij de woonbehoeften kan dan het gevolg zijn. Een heroriëntering dient dus zorgvuldig te gebeuren en over voldoende lange termijn te worden gespreid. Naast de nood aan een heroriëntering van de fiscale voordelen en het verhogen van de doelgerichtheid van sommige Vlaamse instrumenten liggen er nog tal van andere uitdagingen voor het toekomstige woonbeleid. Denken we maar aan de verwachte aangroei van de bevolking en de nood om deze te huisvesten in een schaarser wordende

Het Vlaamse woonbeleid na de 6de staatshervorming 79


ruimte, de toenemende mobiliteitsproblemen, de enorme energie-investeringen die het klimaatbeleid vraagt, de wijzigende behoeften van de verouderende bevolking, enz. Ook andere beleidsinstrumenten komen dan in beeld, zoals ruimtelijke ordening, mobiliteit, energie, welzijn… Binnen het bestek van deze bijdrage konden we dit niet allemaal aan de orde stellen. We sluiten ons op dit punt aan bij het pleidooi van Ryckewaert et al (2012), die stellen dat het traditionele Vlaamse woonmodel aan een grondige herdenking toe is.

Besluit Met de 6 de staatshervorming dient zich voor Vlaanderen een historische kans aan om van koers te veranderen. In januari 2013 gooide de Vlaamse Woonraad een knuppel in het hoenderhok met het ‘Advies over de regionalisering van de woonbonus’. De hevige en emotionele reacties die dit losweekten, maakten duidelijk dat Vlaanderen erg verknocht is aan eigen woningbezit en aan de fiscale steun daarvoor. Er aan sleutelen raakt een gevoelige plek. De dominante visie van de burger en belangenorganisaties is dat het fiscaal voordeel nodig is om een eigen woning betaalbaar te blijven maken. In deze bijdrage hebben we proberen aan te tonen dat dit geen juiste redenering is en dat een heroriëntering kan bijdragen tot een meer effectieve besteding van schaarse middelen. [Sien Winters is onderzoeksleidster Wonen bij HIVA-KULeuven. Tevens is zij coördinator van het Steunpunt Wonen.] sien.winters@kuleuven.be

Literatuurlijst: Dol K., van der Heyden H. & Oxley M. (2010), Crisis and policy interventions in Western European housing markets: do specific housing systems reduce the impact of the crisis? Comparative housing research: approaches and policy challenges in a new international era, Delft University of Technology, OTB Research Institute for Housing, Urban and Mobility Studies, Delft, The Netherlands, March 24-25 Heylen K. (2013), Subsidies bij sociale koopwoningen in Vlaanderen, Steunpunt Wonen, Leuven Heylen K., Le Roy M., Vanden Broucke S., Vandekerckhove B. & Winters S. (2007), Wonen in Vlaanderen; De resultaten van de woonsurvey 2005 en de Uitwendige Woningschouwing 2005. Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, Woonbeleid, Brussel 80

Het Vlaamse woonbeleid na de 6de staatshervorming


Heylen K. & Winters S. (2012), De verdeling van de subsidies op vlak van wonen in Vlaanderen, Steunpunt Ruimte en Wonen, Leuven. Heylen K. & Winters S. (2014), Eerste resultaten GWO2013 bevestigen zwakke positie van de private huurmarkt. Perstekst 18 maart 2014, Steunpunt Wonen, Leuven. Ryckewaert M., De Decker P., Winters S., Vandekerckhove B., Vastmans F., Elsinga M. & Heylen K. (2011), Een woonmodel in transitie. Toekomstverkenning van het Vlaamse wonen, Garant, Antwerpen â&#x20AC;&#x201C; Apeldoorn. Studiedienst Vlaamse Regering (2013), Pact2020 Kernindicatoren, Studiedienst Vlaamse Regering, Brussel. Vastmans F. & Buyst E. (2012), Huurprijzen en richthuurprijzen. Deel V: De relatie tussen huur- en woningprijzen, Steunpunt Ruimte en Wonen, Leuven. Vastmans F. & De Vries P. (2012), Huurprijzen en richthuurprijzen. Deel IV: Een huurprijsindex voor Vlaanderen, Steunpunt Ruimte en Wonen, Heverlee. Vlaamse Woonraad (2012), Advies over de regionalisering van de woonbonus. Vlaamse Woonraad, Brussel. Winters S., Elsinga M., Haffner M., Heylen K., Tratsaert K., Van Daalen G. & Van Damme B. (2007), Op weg naar een nieuw Vlaams sociaal huurstelsel. Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, Woonbeleid, Brussel, 240 p. Winters S. & De Decker P. (2009), Wonen in Vlaanderen: over kwaliteit, betaalbaarheid en woonzekerheid, in L. Vanderleyden, M. Callens & J. Noppe (ed.), De sociale staat van Vlaanderen 2009, Studiedienst Vlaamse Regering, p. 199-234. Winters S. & Elsinga M. (2011), Wonen in Vlaanderen in internationaal perspectief. Noppe J., Vanderleyden L. & Callens M., De sociale staat van Vlaanderen 2011, Studiedienst Vlaamse Regering, Brussel, p. 216-256. Wonen-Vlaanderen (2013), Jaarverslag 2012, Wonen-Vlaanderen, Brussel.

Het Vlaamse woonbeleid na de 6de staatshervorming 81


82


Lien De Vos

Het onderwijs voor iedereen gelijk? De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen La chance d’avoir du talent ne suffit pas. Il faut encore le talent d’avoir de la chance. Hector Berlioz

Volgens het Verdrag inzake de Universele Rechten van het Kind heeft elk kind recht op onderwijs, en dat onderwijs moet gericht zijn op de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, de talenten en de geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind. De school heeft daarin een belangrijk aandeel: ze draagt in onmiskenbare mate bij aan de persoonlijkheidsvorming en ontwikkeling van elk kind. Ze moet dan ook aan elk kind goed en aangepast onderwijs verlenen, rekeninghoudend met ieders capaciteiten en talenten. Maar hoe haalbaar is dat eigenlijk? Ik verwijs naar het inleidend citaat: volstaat het om talent te hebben, of is er ook geluk nodig? Niet zelden hebben sommige kinderen al van bij hun geboorte een achterstand tegenover andere kinderen, simpelweg omdat ze geboren worden in een omgeving die arm is. En daar knelt het schoentje: wat als de kansen op maximale ontplooiing van je eigen persoonlijkheid gefnuikt worden omwille van je lage socio-economische achtergrond? Wat als datgene dat in wezen voor iedereen gelijk hoort te zijn, eigenlijk sociale ongelijkheid – willens nillens – bestendigt of zelfs verscherpt?

In theorie zou iedereen via onderwijs de kans moeten krijgen om zijn plaats in te nemen in de maatschappij, zichzelf te ontplooien en te vormen zonder remmingen of beperkingen. In werkelijkheid blijkt dat kinderen die in armoede leven sterk benadeeld zijn door de manier waarop scholen vandaag de dag werken (Geerts et al 2013). In deze paper wil ik graag een licht werpen op die sociale ongelijkheid in het onderwijs en nagaan in welke mate onderwijs een hef boom kan zijn om kinderen uit (kans)arme milieus integraal te laten participeren en ook aan hen de mogelijkheid kan bieden zich volledig te ont-

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen 83


plooien. Eerst en vooral schets ik de status quaestionis,, gevolgd door een aantal (onder meer door de Vlaamse Onderwijsraad vooropgestelde) aanbevelingen voor scholen en leerkrachten. Daarna zal ik dieper ingaan op onder meer de rol van het OCMW inzake de fi nanciële ondersteuning, om tot slot over te gaan tot een bespreking van wat mijns inziens onontbeerlijk is in de strijd tegen kinderarmoede: samenwerking.

Kinderarmoede en onderwijs in Vlaanderen Het is een navrante vaststelling dat we er maar niet in slagen kinderarmoede in Vlaanderen afdoende te bestrijden: de Armoedebarometer 2013 geeft aan dat in Vlaanderen 9,7% van de kinderen in een kansarm gezin wordt geboren. Even schrijnend is de vaststelling dat dit ook op school de harde realiteit is: enkele maanden geleden nog trokken de stad Gent en de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) aan de alarmbel omdat steeds meer kinderen naar school komen met een lege maag en dito brooddoos. En ondanks de invoering van een maximumfactuur nemen heel wat leerlingen niet deel aan een uitstap omwille van de (vaak bijkomende) kosten. Armoede is echter meer dan een tekort aan geld en de rechtstreekse implicaties die dat met zich meebrengt. Het gaat om een netwerk van sociale uitsluiting – zich uitstrekkend over meerdere, zoniet alle gebieden van het individuele en collectieve bestaan – in die mate zelfs dat mensen in armoede gescheiden worden van de algemeen aanvaarde leefpatronen van de samenleving. En dat heeft ook repercussies in het onderwijs: onderzoek heeft al veelvuldig gewezen op het verband tussen de socio-economische status van ouders en het schoolse presteren van hun kinderen. Reeds van in de kleuterschool lopen kinderen met een kansarme achtergrond een hoger risico op leerachterstand, een achterstand die veel hardnekkiger blijkt dan de achterstand veroorzaakt door de (niet-Nederlandse) thuistaal (VLOR 2013). Nog frappanter is dat kansarme kinderen vijf tot zes keer meer kans hebben om te worden doorverwezen naar het buitengewoon onderwijs. Daarenboven komt 85% van de leerlingen in het beroepssecundair onderwijs uit een lager sociaal-economisch milieu. Een dergelijk cijfer is te hoog om ervan uit te kunnen gaan dat andere factoren deze keuze in diezelfde mate hebben beïnvloed. Dat is ook genoegzaam bekend: een van de doelstellingen van het Masterplan voor de hervorming van het secundair onderwijs, is ervoor te zorgen dat de school- en studiekeuze berust op inzicht, interesse en capaciteiten van de leerling, en dus onafhankelijk van sociaal-economische en sociaal-culturele status. Dat is een nobel voornemen, maar in de praktijk zal dit mogelijk stuiten op een aantal – al dan niet overbrugbare – hindernissen.

84

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen


Armoede niet met geld te koop: wat de school kan doen Uit een recente publicatie van de VLOR blijkt dat de integratie van kinderen uit kansarme gezinnen een structureel probleem is, dat vaker niet dan wel met geld kan worden opgelost. Terwijl CD&V ervoor pleit de sociale ongelijkheid blijvend op de voorgrond te stellen in het onderwijs, en op zoek te gaan naar talent in die groepen waar dat talent vandaag ‘onderbenut’ blijft, vraagt de implementatie van incentives die dit probleem ten gronde aanpakken, doorgedreven hervormingen in zowel de vorming van leerkrachten als het schoolbeleid. We moeten zowel scholen als hun onderwijzend en opvoedend personeel ondersteunen en versterken met het oog op een betere aanpak van kinderarmoede. Het ontbreekt leerkrachten namelijk vaak aan vaardigheden om op een passende manier om te gaan met kinderen in armoede: het vraagt specifieke kennis over armoede, over de leefwereld van die kinderen, over hoe bepaalde gedragingen te interpreteren. Als die kennis ontbreekt, dan worden signalen misschien verkeerd geïnterpreteerd. Kinderen in armoede hebben bijvoorbeeld vaker concentratieproblemen, die in een bepaalde mate veroorzaakt worden door onder meer onevenwichtige voeding en stress. Leerkrachten zouden dit echter kunnen interpreteren als gebrek aan interesse of motivatie, wat de ongelijkheid dan weer verscherpt. Kansarme kinderen vertonen dikwijls ook gedragsproblemen omdat ze merken dat ze niet zijn zoals andere kinderen: ze zijn vaker teruggetrokken of agressief, bouwen moeilijker een vertrouwensrelatie uit met de leerkracht, zijn impulsiever, geraken vlugger ontmoedigd en verwachten minder van hun eigen prestaties. Naast aandacht voor deze gedragsproblemen – en een specifieke aanpak ervan – is ook het leerklimaat van belang (VLOR 2013). Zo zijn kansarme kinderen gebaat bij het krijgen van voldoende instructies en hebben ze nood aan focus op de inhoud (veeleer dan een focus op rust en orde in de klas). Ook klasgrootte (geen te grote klassen) en voldoende afwisseling in de groepsvorm (belang van groepswerk) zijn zaken die kunnen bijdragen aan het welzijn en de schoolse prestaties van kinderen met een lage sociaal-economische achtergrond (VLOR 2013).1 Dit alles vraagt om een adequate aanpak: de rol van de school en leerkrachten als tegengewicht ten opzichte van de nadelige implicaties van een lage sociaal-economische status mag niet worden onderschat. Ze kunnen wel degelijk een positieve impact hebben op de schoolprestaties én het welbevinden van kinderen uit kansengroepen. Het is dan ook zeer belangrijk om leerkrachten hierin beter te ondersteunen door aangepaste vorming, zowel binnen de opleiding tot leraar als tijdens de loopbaan. Dergelijke nascholingen bestaan weliswaar al: zo organiseren zowel het katholiek als het gemeen-

Daarmee is uiteraard niet gezegd dat andere kinderen bij zulke zaken geen baat hebben. Echter voor kansarme kinderen kunnen dergelijke maatregelen zeer effectief en welzijns- en prestatiebevorderend zijn..

1

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen 85


schapsonderwijs vormingsdagen of trajecten op school met als doel inzichten inzake kinderarmoede aan te reiken en leerkrachten te sensibiliseren over wat armoede betekent voor de dagelijkse klaspraktijk. Maar zulke initiatieven zijn misschien te vrijblijvend. Als we willen inzetten op het wegwerken van sociale ongelijkheid dan moeten we gericht investeren in zij die daarin een belangrijke rol kunnen spelen. Doorgedreven vorming inzake kinderarmoede zou bijvoorbeeld geïntegreerd kunnen worden in de lerarenopleiding. Een hervorming van de lerarenopleiding, zoals in de Innestocongresteksten van CD&V voorgesteld, met onder meer het trainen van leerkrachten vanuit een brede maatschappijvisie met oog voor de diversiteit in de samenleving – waarbij de leerling en het leerproces centraal staan, naast het vak en de leerinhoud – lijkt mij in dat opzicht een goed begin. Maar ook het schoolbeleid moet in die mate worden aangepast dat het ruimte laat en kansen geeft aan alle kinderen met eender welke achtergrond. Scholen zouden daarbij voldoende aandacht moeten besteden aan sociaal-emotionele aspecten en het creëren van een warm schoolklimaat waarin elk kind zich thuis voelt (VLOR 2013). Zowel de school als de leerkrachten moeten ervan overtuigd zijn dat ze wel degelijk het verschil kunnen maken en de leerlingen effectief kunnen helpen om beter te presteren en op die manier los te komen van de negatieve repercussies van hun sociaal-economische achtergrond. Bovendien zorgt dit er ook voor dat kinderen de school en de leraren meer als een vertrouwenspersoon zullen beschouwen, en hun problematiek zullen durven aankaarten of hulp vragen. Terwijl kinderen het meest baat hebben bij onderwijs met een sociaal inclusief schoolklimaat, ondersteunende relaties met leeftijdsgenoten en goede resultaten met een laag stressniveau, blijkt de meerderheid van kinderen die in armoede leven niet graag naar school te gaan (VLOR 2013). Scholen sensibiliseren om kinderen uit kansengroepen volledig te integreren, daarbij gebruik makend van een goede omkadering, moet dan ook een prioriteit zijn in de strijd om sociale ongelijkheid te elimineren. Vanzelfsprekend kan het niet de bedoeling zijn om nog meer druk te leggen op de schouders van school en leerkrachten, want zij staan heden ten dage al voor zo veel complexe uitdagingen. Maar het is wel de plicht van scholen om onderwijs te garanderen dat voor iedereen gelijk is. En gezien de verregaande impact die (fi nanciële) deprivatie heeft op het leven, het welzijn en de toekomst van kinderen, kunnen we niet anders dan veeleisend zijn. Toch kunnen we dit probleem niet zonder meer toevoegen aan de ongetwijfeld lange lijst van aandachtspunten die scholen en leraren in acht zouden moeten nemen: we moeten hen daarin ondersteunen, stimuleren en vormen. Dat kan onder meer door de scholen als het ware terug te geven aan de directies en leerkrachten: door

86

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen


hen te ontlasten van (onnodige) administratieve beslommeringen, kan er ruimte worden gecreëerd om te focussen op de kinderen, en ook kinderarmoede de nodige aandacht te geven.

“Geld strijkt alle oneffenheden glad” (Fjodor Dostojevski) Hoewel armoede méér is dan een gebrek aan geld, is dat laatste vaak wel de oorzaak van heel wat ongelijkheid, zelfs in het onderwijs dat in wezen kosteloos zou moeten zijn. Het is niet alleen schrijnend maar eveneens stuitend dat kinderen soms naar het buitengewoon onderwijs worden geadviseerd, als alternatief wanneer de ouders geen beroep kunnen doen op buitenschoolse hulp. In het buitengewoon onderwijs is die hulp – bijvoorbeeld logopedie – inbegrepen en hoeven ouders niet bijkomend te betalen, wat soms als argument voor een oriëntatie wordt aangewend (Van Den Eede 2012). Alle kinderen met specifieke onderwijsbehoeften hebben nood aan en recht op een actief zorgbeleid, maar recent is gebleken dat bijvoorbeeld GON- of ION-begeleiding vooral wordt aangewend voor kinderen uit de middenklasse (Petry et al 2013)2 . Zoiets is onaanvaardbaar. Niet alleen de zware fi nanciële belasting van buitenschoolse hulp maar ook de voor kwetsbare ouders ingewikkelde toegankelijkheid van informatie inzake (verhoogde) tegemoetkomingen van onder meer het ziekenfonds, zorgen ervoor dat deze vorm van hulpverlening tekortschiet daar waar ze doorgaans zeer hard nodig is. Een sociale toeslag in de kinderbijslag en het integreren van studietoelagen, zoals CD&V voorstelt, zijn maatregelen die in deze problematiek zeker efficiënt zouden kunnen zijn. Ook OCMW’s hebben bepaalde subsidies voorhanden: sinds 2003 krijgen zij subsidies van de federale overheid om de culturele, sportieve en sociale participatie van hun cliënten te bevorderen. Die subsidie werd in 2010 aanzienlijk verhoogd in het kader van kinderarmoedebestrijding. De bedoeling ervan is dat de mensen die voor deze subsidies in aanmerking komen, kunnen deelnemen aan cultuur, sport en informatieen communicatietechnologie, wat dan een opstap kan betekenen naar een volwaardige deelname aan de samenleving. In het kader van kinderarmoede wordt de subsidie ook aangewend voor een aantal andere zaken zoals de aankoop van schoolmateriaal of pedagogische hulpmiddelen en spelen, of psychologische en paramedische ondersteuning (psychotherapie, logopedie etc.). Kinderen uit kansengroepen krijgen op die manier de mogelijkheid om op een zo normaal mogelijke manier kind te zijn: ze kunnen net zo goed bij de jeugdbeweging, een sportclub, of naar een theatervoorstelling als andere kinderen. 3 En bijkomende hulpver-

2 GON staat voor geïntegreerd onderwijs waarbij de leerling hetzelfde traject volgt als de andere leerlingen - mits extra begeleiding. ION staat voor inclusief onderwijs, waarbij leerlingen eigen doelstellingen krijgen. 3 Want ook de toegang tot spel, vrije tijd en ontspanning is een belangrijke hefboom in de strijd tegen kinderarmoede.

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen 87


lening als logopedie hoeft geen fi nanciële drempel meer te impliceren. Vlaanderen zet sterk in op kostenbeheersing in het basis- en secundair onderwijs, door scholen meer middelen toe te kennen en bovendien een maximumfactuur op te leggen. Zo mag een basisschool voor zogenaamde ‘extraatjes’ als uitstappen, een tijdschrift, een museumbezoek, etc. maar 20 euro per jaar en per leerling aanrekenen voor kleuters en 60 euro per jaar per leerling voor leerlingen uit het lager onderwijs. De school kan wel nog geld vragen voor diensten zoals opvang, maaltijden, drankjes enz. indien ouders daarvan gebruik maken. In het secundair onderwijs kan de schoolrekening aanzienlijk oplopen, met een gemiddelde van 978 euro per leerling per jaar.4 Ook hiervoor kunnen cliënten van het OCMW een beroep doen op fi nanciële tussenkomsten, afkomstig van die federale subsidie. 5 Echter niet alle kansarme kinderen en gezinnen zijn cliënt van het OCMW. Ze lijken dan misschien wel in staat schoolfacturen te betalen en te voorzien in bepaalde behoeften, maar dat gaat vaak ten koste van andere uitgaven, die zij noodgedwongen uitstellen of vermijden. Er is mijns inziens dus nog ruimte om de manier waarop die subsidies aangewend worden, structureel te verbeteren. In kleine(re) gemeenten wordt dikwijls vastgesteld dat de huidige subsidies volstaan om de noden te lenigen. De gebruikers behorend tot de doelgroep zijn doorgaans goed op de hoogte van het bestaan ervan, maar toch blijft het gebruik van de subsidies dikwijls beperkt tot een relatief kleine groep cliënten.6 Er zijn ongetwijfeld veel mensen die geen hulpvraag stellen, doch ook nood hebben aan een duwtje in de rug. Net in die kleine(re) gemeentes vormt dat een onderdeel van het probleem: de anonimiteit is veel beperkter of onbestaande, en de drempel om naar een instelling als het OCMW te stappen – zelfs al gaat het enkel om beperkte tussenkomsten – blijft een horde die voor velen moeilijk te nemen is. Aankloppen bij het OCMW vergt bovendien enigszins het opzijzetten van hun trots, een van de waarden die zij – dikwijls net omwille van hun moeilijke situatie – hoog in het vaandel dragen. Vanuit mijn ervaring als raadslid weet ik dat het OCMW en de gemeente proberen zo goed mogelijk te communiceren met scholen en CLB’s, omdat zij dicht(er) bij kansarme leerlingen staan en dus een beter inzicht hebben in kansarmoede. Toch blijkt die vraag om kansarme gezinnen door te verwijzen opdat zij gepaste hulp kunnen krijgen niet altijd even effectief, zonder hierbij de school of pakweg het CLB met de vinger te willen wijzen. Het is nu eenmaal allerminst gemakkelijk om kinderen – en dan vooral de ouders – van wie men vermoedt dat ze in een fi nancieel penibele situatie zitten, te

Bron: www.ond.vlaanderen.be. Via de Vlaamse subsidies (beheerd door de gemeente, doch in samenspraak met het OCMW) wordt ook tussengekomen in schoolfacturen, hoewel eerder beperkt. 6 Het is natuurlijk bijzonder moeilijk om een inschatting te maken van het aandeel dat deze gezinnen uitmaken in het totaal van kansarme gezinnen in een gemeente. 4 5

88

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen


wijzen op het bestaan van dergelijke subsidies. Detectie van kinderarmoede is allesbehalve evident, wat maakt dat de problematiek in kleine(re) gemeentes daarom nog meer verdoken en moeilijker aan te pakken is7. Een geïntegreerde aanpak, gestoeld op een samenwerking tussen de verschillende lokale actoren (cf. volgende paragraaf ), zou dan ook soelaas kunnen brengen.

Samenwerking: een onontbeerlijke troef Wat van onmiskenbaar belang lijkt te zijn, is dus een degelijke en gedragen samenwerking tussen verschillende betrokken instanties. Verschillende (lokale) instanties beschikken wel over cijfers met betrekking tot armoede, maar informatie is dikwijls versnipperd waardoor een globale visie en doelstelling ontbreken. Het is nochtans zeer belangrijk om een zo breed mogelijk draagvlak te creëren: een goed functionerend netwerk is een belangrijke voorwaarde in de strijd tegen kinderarmoede. En zowel lokaal als bovenlokaal zijn er heel wat actoren actief die een significante meerwaarde kunnen betekenen. Een overlegplatform kan daartoe een zeer effectief middel zijn: het maken van afspraken, ontwikkelen van een gezamenlijke visie en doelstellingen en bespreken wat zal worden uitgevoerd en door wie (Geerts et al 2012). De recent toegekende subsidies ter ondersteuning van lokale overlegplatformen voor de preventie en ondersteuning van kinderarmoede, zullen volgens mij dan ook – hoewel ze nog geëvalueerd zullen worden – hun nut bewijzen. 8 Een overlegplatform moet leerkrachten en zorgverstrekkers ervaringen laten delen, advies geven en concreet ondersteunen bij individuele en collectieve problemen. Het moet partners binnen de gemeente sensibiliseren over armoede en informeren over de lokale hulpverlening. Een initiatief rond kinderarmoede maakt namelijk pas echt kans als genoeg mensen overtuigd zijn van de noodzaak ervan en als het initiatief door genoeg individuen en organisaties wordt gedragen. Er zijn talloze voorbeelden van samenwerkingsverbanden, onder meer de zogenaamde Huizen van het Kind: een kwaliteitsvol partnerschap tussen verschillende lokale organisaties, met uiteenlopende diensten voor ouders en kinderen. Een huis dat per regio kan verschillen en dat niet per se overal hetzelfde aanbod heeft, maar wel telkens dé lokale informatie- en ondersteuningsplaats voor ouders wordt. Er is dan bijvoorbeeld plaats voor een consultatiebureau, een kinderopvanginitiatief, een babysitdienst, de plaatselijke Gezinsbond, een opvoedingswinkel, lezingen, workshops, etc. Een ander voorbeeld is het concept van ‘brede school’: een brede school is een samenwerkingsverband tussen verschillende sectoren waaronder één of meer

7 Niet toevallig probeert ook Welzijnszorg plattelandsarmoede onder de aandacht te brengen met de campagne ‘Armoede (op den) buiten’. 8 Bron: www.mi-si.be.

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen 89


scholen die samenwerken aan een brede leer- en leefomgeving op school en in de vrije tijd met als doel maximale ontwikkelingskansen voor alle kinderen en jongeren. Een allesomvattende strategie in de strijd tegen kinderarmoede hoeft geen onhaalbare kaart te zijn, zo bewijst de gemeente Zottegem. Het OCMW van Zottegem neemt het voortouw om de krachten, de expertise en de middelen te bundelen met het oog op een daadkrachtigere en efficiëntere aanpak. Samen met een aantal zogenaamde sleutelpartners (CAW Aalst en CKG Zonneheuvel) en netwerkpartners (onder meer Kind & Gezin, de CLB’s en de voorzitters van het netoverschrijdend scholenoverleg) schuift het een kinderrechtenplan naar voren – acties voor zowel kinderen als ouders – dat vijf belangrijke doelstellingen beoogt. Tot die doelstellingen behoren onder meer het benaderen van de armoedeproblematiek vanuit de volledige gezinscontext waarbij het belang van het kind steeds centraal staat, en diverse gezins- en opvoedingsondersteunende initiatieven om te zorgen voor een breed draagvlak voor het plan en om de diverse werkingen op elkaar af te stemmen. Deze doelstellingen worden dan omgezet naar een compleet plan van aanpak: het recht op een veilige (t)huisomgeving, het recht op onderwijs, het recht op vrijetijdsparticipatie en het recht op gezondheid. Inzake onderwijs voorziet het OCMW bijvoorbeeld een aanbod van huiswerkbegeleiding en opvoedingsondersteuning aan huis. De Zottegemse basisscholen, CLB’s en netwerkpartners leiden de gezinnen met kinderen in de derde kleuterklas en basisschool naar de maatschappelijk werker van het OCMW, die dan op zijn of haar beurt de gezinnen bezoekt en het aanbod voorstelt. Een doeltreffende strategie werkt dus op meerdere domeinen tegelijk. Een geïntegreerde, alomvattende en multidimensionale strategie doorkruist idealiter verschillende niveaus (het gezin, de bredere leefomgeving en de organisatorische omgeving) en de verschillende beleidsdomeinen (werkgelegenheid, uitkeringen, toegang tot een kwaliteitsvolle woning, gezondheidszorg en sociale dienstverlening, kinderopvang, toegang tot onderwijs, vrijetijdsbesteding, gezinsondersteuning etc.). Een sleutelrol lijkt mij hierin weggelegd voor het OCMW, dat gezien zijn expertise en mogelijkheden, het geschikte profiel heeft om een belangrijke (coördinerende) functie te vervullen. De scholen zijn hierin bij uitstek de geschikte partner, omdat ze door het dagelijkse contact met de kinderen het dichtst bij de problematiek staan en dikwijls de eersten die de kinderarmoede (zouden moeten) kunnen detecteren.

Tot slot Kinderarmoede zal – helaas – niet afnemen door een onderwijs aan te bieden dat beter is afgestemd op de specifieke noden van kansarme kinderen. Binnen verschillende beleidsdomeinen moet worden samengewerkt aan een geïntegreerde aanpak. Maar dat

90

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen


neemt niet weg dat we er toch naar kunnen streven van de school een plek te maken waar alle kinderen zich goed voelen. En bovenal gelijkwaardig. Enkel op die manier kunnen we kinderen versterken, door hen de mogelijkheid te geven zichzelf te ontplooien en hun talenten te benutten, in de hoop generatiearmoede te doorbreken. Haud facile emergunt quorum virtutibus obstat res angusta domi. (Niet gemakkelijk werken zij zich op, die met ongunstige huiselijke omstandigheden te maken hebben) Hector Berlioz

[Lien De Vos was lid van de CD&V Politieke Academie 2013, een intern vormingstraject voor jonge politici. Haar paper werd, samen met die van Neal Van Loock, door een vakjury gekozen als beste paper. Lien De Vos is doctoranda in Taal & Letteren aan de Université de Liège en OCMW-raadslid voor CD&V in Hamme] lien.devos@ulg.ac.be | Twitter: @liendevos

Literatuurlijst: Geerts, Anneline, Danielle Dierckx en Lief Vandevoort. 2012. Elk kind telt. Informatie en inspiratie voor lokale actoren in hun strijd tegen armoede. Petry K., Ghesquière, P., Jansen, D. & Vanhelmont, L. 2013. GON en ION anno 2012 (OBPWO 10.01) beleidssamenvatting. Teller, Michel. 2012. Kinderarmoede in België. Een gids voor schenkers. Van Den Eede, L. 2012. Perceptie van onderwijsactoren op de doorverwijzing van kansarme kinderen naar het buitengewoon onderwijs. VUB. Vlaamse Onderwijsraad. 2013. Advies over kinderen in armoede.

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen 91


92

Politieke Academie: Onderwijs: De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen


Neal Van Loock

Vaste benoeming in het onderwijs: breng heuveltjes en Alpen aan in de loopbaan van de leerkracht Al van bij de aankondiging in het voorjaar van 2013 van de stellingen die ter discussie zouden voorliggen op het CD&V Innestocongres in november 2013, was een van de vaakst terugkerende thema’s in de media het uitdoven van de vaste benoeming. Ter illustratie enkele dagblad- en magazinetitels: “CD&V wil vaste benoeming laten uitdoven”, “Gedaan met de vaste benoemingen van ambtenaren”, “Schaf de vaste benoeming af” en “Verdwijning van het vast ambtenarenstatuut raakte niet door het congres”. Het is duidelijk: het al dan niet afschaffen van de vaste benoeming was in de aanloop naar en ook gedurende het congres een heet hangijzer. Tijdens het VRT-journaal van 16 november 2013 moest nationaal voorzitter Wouter Beke echter toegeven dat “men nog niet klaar is voor het uitdoofscenario”. Ook als werd geen consensus bereikt om tot een uitdoving te komen, het is duidelijk CD&V bereid is om de discussie over de vaste benoeming aan te gaan. Tijdens de plenaire vergadering van het congres werd dit vervolgens geformuleerd als “evolueren naar één volwaardig statuut voor iedereen”. Een ander thema dat bij CD&V steevast hoog op de prioriteitenlijst staat is onderwijs. Of, zoals minister-president Kris Peeters het verwoordde: “Onderwijs is te belangrijk om het aan anderen over te laten.” In dit artikel komen deze twee items samen en wordt de aandacht gericht op de vaste benoemingen in het onderwijs, met enkele ‘Innestojaanse’ voorstellen die misschien een inspiratiebron kunnen vormen voor de volgende minister van Onderwijs (een CD&V’er?).

Politieke Academie: Vaste benoeming in het onderwijs 93


Zegen of vloek? De discussie of vaste benoemingen in het onderwijs nu een zegen of een vloek zijn, omvat heel wat facetten die onmogelijk allemaal in dit artikel aan bod kunnen komen. Zo is het wel duidelijk dat de tijdelijke contractuelen in het onderwijs een allesbehalve benijdenswaardig statuut bezitten, terwijl het ambtenarenstatuut niet meer van deze tijd is en het moeilijk maakt om een modern personeelsbeleid te voeren (zie o.a. verschillende studies onder leiding van prof. Ria Janvier). Het doel van dit artikel is niet zozeer een strijd te voeren tegen de vaste benoeming – al is deze stelling wellicht de ganse tijd op de achtergrond aanwezig en voelbaar – maar vooral een aantal pijnpunten bloot te leggen die het gevolg zijn van de vaste benoeming in het onderwijs. Om deze pijnpunten weg te werken worden enkele innoverende ingrepen voorgesteld waardoor de werkcontext van het onderwijzend personeel wijzigt in positieve zin en het streven naar een vaste benoeming misschien niet meer aan de orde hoeft te zijn. Iedere onderwijsvorm (basisonderwijs, secundair onderwijs, hoger onderwijs, volwassenen onderwijs) heeft zijn specifieke kenmerken, noden en behoeften. Bij de zoektocht naar oplossingen voor de problemen die de vaste benoeming veroorzaakt is het vervolgens opportuun om deze oplossingen op maat van iedere onderwijsvorm te maken. In deze bijdrage staat het hoger onderwijs en de lectoren en docenten die hierin actief zijn centraal.

Hét gevaar van de vaste benoeming: afnemende motivatie en het gevaar van de vlakke loopbaan Het stereotiepe argument contra de vaste benoeming in het onderwijs is het gebrek aan motivatie, het gebrek aan een drijfveer om te presteren eens de vaste benoeming op zak is. Een stereotiep is natuurlijk niet zomaar een stereotiep: er zit altijd een grond van waarheid in. In zowat iedere hogeschoolomgeving is wel een minder gemotiveerde vastbenoemde lector te vinden die minder zijn best doet dan de ‘onbegrensd gemotiveerde’ (vaak jonge) tijdelijke onderwijskracht die uiteindelijk eind augustus te horen krijgt dat hij of zij moet opkrassen, terwijl de vastbenoemde lector zonder enig probleem aan de slag kan blijven.

94

Politieke Academie: Vaste benoeming in het onderwijs


De oorzaak van die kelderende motivatie ligt in vele gevallen bij de vlakke loopbaan. Dag na dag, week na week, maand na maand en jaar na jaar, twintig uur per week hetzelfde verhaal herkauwen. Jaren na elkaar zitten dezelfde, niets veranderende opleidingsonderdelen in de lesportefeuille vervat. Geen variatie, geen stimulansen en geen inspiratie: niet van die aard om gemotiveerd te blijven.

Zorg voor een heuvelachtig parcours: minimum 10% van de tijd verplicht variërende taken uitvoeren Een verplichting om minimaal 10% van de tijd te spenderen aan andere taken dan onderwijsactiviteiten voor de aula of de klas kan een oplossing zijn om de eentonigheid te doorbreken. Hierbij kan gedacht worden aan activiteiten zoals instaan voor de interne communicatie, het opnemen van een rol als mentor van startende leerkrachten, het organiseren van het jaarlijkse galabal, het in goede banen leiden van de proclamatie van de laatstejaarsstudenten, trekker zijn van een redactieraad van een schoolblad. Door 10% van de tijd met andere aspecten van het schoolleven bezig te zijn dan zuiver lesgeven, komt er plots heel wat variatie in de dagdagelijkse bezigheden van lectoren en leerkrachten, waardoor ze scherp en fris blijven. Bij het toekennen van de verschillende taken is het aangewezen om het personeel zelf te betrekken bij de beslissing, waarbij zoveel mogelijk rekening kan gehouden worden met de talenten en interesses van de betreffende lesgevers. Het onderwijzend personeel zal snel ondervinden dat de verplichting om andere, variërende taken uit te voeren eigenlijk geen plicht, maar een voorrecht is. Na inburgering van dit systeem zal er, fi guurlijk, gevochten worden om extra inspirerende, variërende en stimulerende taken op zich te mogen nemen en zo boven 10% van de tijdsbesteding uit te stijgen. Plots krijgt de job een dynamisch boost. De eerste heuveltjes in het carrièrelandschap van de leerkracht zijn aangebracht.

Laat lectoren nu en dan een Alp beklimmen: bekwaamheidsattesten verwerven via korte stages in een privé- en/of overheidscontext Een vaak gehoord argument ter verdediging van de vaste benoeming is de mogelijkheid om zorgeloos enkele jaren de job in het onderwijs in te ruilen voor een baan elders om nadien, eventueel, naar het onderwijs terug te keren. In het overheidsapparaat is een dergelijke uitstap een fenomeen dat nu en dan al eens opduikt, maar in het onderwijs is een dergelijke (tijdelijke) carrièreswitch eerder zeldzaam.

Politieke Academie: Vaste benoeming in het onderwijs 95


En kan iemand ze ongelijk geven? Neem nu een lector aan een hogeschool die reeds tien jaar hetzelfde vak doceert. Zijn ganse thuissituatie is georganiseerd om een perfecte mix te vinden tussen werk en gezin, waarbij de voordelen van een job in het onderwijs snel duidelijk zijn. Na tien jaar voor de aula is ervaring opdoen in het werkveld geen overbodige luxe, misschien zelfs een noodzaak. Maar is het ook maar enigzins onlogisch dat zo iemand niet plots kiest om twee jaar zijn gemoedelijke gezinsleventje overhoop te gooien om eventervaring op te doen en voornamelijk avond- en weekendwerk te verrichten? Creëer liever de mogelijkheid, en zelfs de plicht, om minstens elke vijf jaar voor een kortere periode van één week tot maximaal één semester een bedrijfsstage te lopen in de privésector of elders. Dit kan heel wat voordelen met zich meebrengen. Ten eerste zorgen deze bedrijfsstages voor extra klimkilometers om zo de vervlakking van de loopbaan te voorkomen en variatie tijdens de loopbaan te realiseren. Ten tweede frist de lector op deze manier zijn of haar voeling met de arbeidsmarkt op, waardoor de inhoud van de cursus beter zal aansluiten bij de praktijk. Hiervan zullen eveneens de studenten intensief profiteren en dat is toch nog altijd het ultieme doel, niet? Ten derde is dit een ideaal instrument om werkzekerheid op langere termijn te ‘verdienen’. In ruil voor een hoge mate van werkzekerheid, verplicht men onderwijzend personeel om iedere vijf jaar een bepaalde hoeveelheid bekwaamheidsattesten te verzamelen door middel van dergelijke bedrijfsstages. Zo ontvangen de lectoren niet alleen de rechten van een lange termijn werkzekerheid, maar stellen ze er ook een bepaalde daad tegenover waar iedereen beter van wordt. In een latere fase kunnen dergelijke bekwaamheidsattesten ingezet worden om een belonings- en/of verloningssysteem op te starten voor lectoren die extra inspanningen leveren.

En ja, er is een voedingsbodem om vaste benoemingen af te schaffen Het is duidelijk dat er nog bruggen gebouwd moeten worden vooraleer een uitdoofscenario van de vaste benoeming in het onderwijs uitgevoerd zal worden. Tegelijkertijd lijkt er toch heel wat bereidheid te zijn om het bespreekbaar te maken. In de verschillende lerarenkamers weten veel lesgevers niet altijd of ze nu ‘voor’ of ‘tegen’ de vaste benoeming moeten zijn. Deze twijfel kan geïnterpreteerd worden als een bewijs dat iedereen op de werkvloer beseft dat er iets moet wijzigen aan het statuut van vastbenoemden en ze bereid zijn hierover in debat te gaan.

96

Politieke Academie: Vaste benoeming in het onderwijs


Bovendien staan de leerkrachten van morgen meer dan ooit open om de uitdoving op de onderhandelingstafel te leggen. Het is geen toeval dat net JONGCD&V de uitdoving van de vaste benoeming vurig verdedigde tijdens het Innestocongres. Hoe staan de toekomstige leerkrachten hier tegenover? De boodschap van de Vlaamse Vereniging van Studenten is klaar en duidelijk: herbekijk het systeem van de vaste benoemingen. Het is surreëel om te denken dat ook maar één eerstejaarsstudent in een lerarenopleiding zou aangeven deze opleiding te volgen omdat hij of zij een vaste benoeming nastreeft. Het zijn integendeel intrinsieke drijfveren die jongeren ertoe aanzetten om zich te vormen tot leerkrachten om met ‘volle goesting’ voor de klas te gaan staan en niet een mogelijke vaste benoeming. De strijd om een vaste benoeming te versieren start pas op de werkvloer als lesgevers enkele jaren meedraaien en ze merken dat collega’s rondom hen al eens vaker bij de directie passeren om die vaste benoeming te bemachtigen. Vanaf dan is de strijd, met het nodige ellebogenwerk onvermijdelijk, met heel wat (vaak onuitgesproken) frustraties in het korps als gevolg. Deze laattijdige honger naar een vaste benoeming geeft aan dat de benoeming in eerste instantie allesbehalve een must is voor leerkrachten en lectoren. Een uitdoving zou dergelijke frustraties alleszins wegnemen.

Conclusie: creëer een dynamische werkcontext en de vaste benoeming wordt een non-issue De frustraties die bestaan ten aanzien van de vaste benoeming lijken te passen binnen een christendemocratisch kader van rechten en plichten. De vastbenoemden hebben heel wat rechten, terwijl het nakomen van en de controle op het naleven van de plichten (lees: steeds op een gemotiveerde en geëngageerde manier voor de klas staan) net de belangrijkste discussiepunten vormen. Er is met andere woorden binnen het systeem van de vaste benoeming geen evenwicht tussen rechten en plichten. In dit artikel zijn twee voorstellen geopperd om de dalende motivatie die al eens optreedt als gevolg van de vaste benoeming, te counteren. Hoewel deze voorstellen geformuleerd zijn als een plicht, zullen de lectoren ongetwijfeld snel inzien dat het een voorrecht is en tevens een garantie op een gevarieerde en boeiende loopbaan. Het invoeren van dergelijke incentives countert het gevaar van ongemotiveerde personeelsleden in het onderwijs en zorgt voor een gelijklopende motivatie bij lesgevers, ongeacht hun statuut. Dit serene klimaat zal de discussie ‘pro’ een eengemaakt statuut voor onderwijzend personeel, dat geënt is op de noden en behoeften van de arbeidsmarkt, faciliteren.

Politieke Academie: Vaste benoeming in het onderwijs 97


Hierdoor kan de Innesto-omschrijving “evolueren evolueren naar één volwaardig statuut voor iedereen” snel gerealiseerd worden. [Neal Van Loock was lid van de CD&V Politieke Academie 2013, een intern vormingstraject voor jonge politici. Zijn paper werd, samen met de paper van Lien De Vos, door een vakjury verkozen als winnende paper. Hij is lector in marketing- en eventvakken aan de KH Leuven en lid van CD&V Tremelo] nealvanloock@hotmail.com

Literatuurlijst: De Gendt, M. Vaste benoemingen. Dertien, mei 2010. Geen auteur. Innestovoorstellen over afschaffi ng vaste benoeming personeel openbare sector en tot inperking van de rol van de overheid ronduit onaanvaardbaar. ACV Open Brief, geen datum. Geen auteur. CD&V wil vaste benoeming laten uitdoven. De Tijd, 3 mei 2013. Geen auteur. Laat alleen sterkste studenten leraar worden. Klasse, 19 september 2013. Geen auteur. Gedaan met de vaste benoemingen van ambtenaren. Het Nieuwsblad, 2 oktober 2013. Geen auteur. Schaf de vaste benoemingen af. Knack, 13 november 2013. Geen auteur. Het laten verdwijnen van het vast ambtenaren statuut raakte niet door het congres. De Standaard, 18 november 2013. Michiels, F. 6 hervormingen die de ambtenarij op z’n kop zullen zetten. Vacature Magazine, 9 februari 2013. Soenens, D. De 7 (schrijnende) verschillen tussen statutairen en contractuelen. Vacature Magazine, 30 oktober 2010. Van Hecke, M. Hoe verbeteren we de loopbaan van de leerkracht? De Morgen, 31 augustus 2011.

98

Politieke Academie: Vaste benoeming in het onderwijs


WV. Helft vastbenoemde ambtenaren wil statuut inruilen voor meer loon. Jobat, geen datum. Het Journaal, EĂŠn, 13u, 16 november 2013. Het Journaal, EĂŠn, 19u, 16 november 2013. http://www.vvs.ac/standpunt-loopbaandebat-leraren-27-06-2013

Politieke Academie: Vaste benoeming in het onderwijs 99


Respons: Paul Delva

Enkele maanden geleden kreeg ik de aangename vraag om in de jury van de Politieke Academie van CD&V te zetelen. Tal van beloftevolle, geëngageerde CD&V’ers schreven als sluitstuk van het werkjaar een paper waarin ze hun visie op een maatschappelijke topic weergaven. De papers rond onderwijs, die ik doornam en waarover ik vragen mocht stellen tijdens de afsluitende sessie, waren alle op hun eigen manier waardevol en interessant. Jonge en frisse ideeën zijn consequent nodig om een gezonde vinger aan de pols te kunnen houden op belangrijke thema’s. Het deed me warm aan het hart te zien dat zoveel jonge CD&V’ers met hart en passie over het onderwijs, de scholen, de leerkrachten en de leerlingen hun (vaak innovatieve) ideeën neerpenden. Voor deze respons herlas ik de twee winnende onderwijspapers: een van de hand van Lien De Vos, over hoe onderwijs een hefboom kan zijn voor kinderen en jongeren in kansarmoede, en de andere geschreven door Neal Van Loock, over de pro’s en contra’s van de vaak gecontesteerde vaste benoemingen in het onderwijs.

De quote waarmee Lien De Vos haar paper opent is scherp en duidelijk: “La chance d’avoir du talent ne suffit pas. Il faut encore le talent d’avoir de la chance” (H. Berlioz). Maar al te vaak worden we geconfronteerd met de slechte resultaten voor ons land en voor Vlaanderen, wat betreft de kloof tussen arm en rijk. Dit is helaas niet anders voor de schoolresultaten: de kloof tussen de goede leerlingen en de zwakste leerlingen (deze laatsten komen vaak uit kansarme gezinnen) blijft schrikbarend hoog. Steeds opnieuw wordt deze ‘gap’ bevestigd door de internationale PISA-onderzoeken. Enerzijds behoren onze leerlingen tot de besten van de Europese onderwijsklas. Anderzijds tellen we in Vlaanderen en Brussel teveel zwakke leerlingen die blijvend achterop hinken, en vaak de school verlaten zonder enig diploma of getuigschrift. Schrijnend. We slagen er dus niet in aan al onze leerlingen dezelfde kansen voor de toekomst te bieden. In Brussel en andere (centrum)steden worden we vaak met de neus op de feiten gedrukt: er is een groep van leerlingen die – ondanks gigantische inspanningen van leerkrachten en directies – afhaakt. Meer dan ooit moet het onderwijs dus een hef boom zijn die kinderen vooruithelpt, ongeacht wat hun thuissituatie ook moge zijn. Wat in deze problematiek van essentieel belang is, is de ondersteuning van onze leerkrachten. Zij zijn het die het moeten waarmaken in de klas. Zij mogen allerminst

100

Politieke Academie: Respons Paul Delva


de indruk hebben dat ze deze zware taak alleen moeten dragen. De lerarenopleiding is hier cruciaal, maar ook een continue bijsturing van leerkrachten met ervaring mag niet ontbreken. Zoals in de paper aangehaald wordt, kan het niet de bedoeling zijn om leerkrachten te overladen met bijkomende ondersteunende taken. Het is wel essentieel dat leerkrachten goed voorbereid zijn voor de verschillende achtergronden waarmee kinderen in hun klassen binnenkomen. Een degelijke ‘kindkennis’ is met andere woorden onontbeerlijk. De taak is heikel en kan niet onderschat worden: leerkrachten moeten – naast al hun andere taken – kunnen omgaan met (kans)armoede, met diversiteit, met soms hachelijke thuissituaties. Aandacht voor deze thema’s in de lerarenopleiding en in nascholingen zijn een must. Daarnaast kan ook het stelsel van ‘team teaching’ in sommige gevallen soelaas brengen. Wanneer, een paar uur of enkele dagen per week, twee leerkrachten in de klassen kunnen staan, kan één van hen zich specifiek richten op kinderen die het niet onder de markt hebben. Maar los van de individuele leerkrachten, moeten ook concrete, ondersteunende factoren verder uitgebouwd worden. Een concreet voorbeeld: wanneer in een grootstad als Brussel gewerkt wordt aan capaciteitsuitbreiding om nieuwe scholen en schoolplaatsen te creëren, dan moet daar onmiddellijk de uitbouw van ondersteunende organisaties zoals het ‘Onderwijscentrum Brussel’ aan gekoppeld worden. De demografi sche expansie van de grootsteden (waarbij het aantal kinderen uit kansarme milieus sterk toeneemt, heeft op onderwijsvlak dus zeker niet alleen ‘kwantitatieve’ consequenties. Kinderen die in kansarme situaties opgroeien bezitten evenveel talenten als anderen, maar ze worden minder makkelijk aangesproken. Ze hebben door een vaak beperkte leer- en leefomgeving een minder brede kennis van de wereld. Het is aan het onderwijs (niet alleen aan de individuele leerkracht, maar ook aan directies, de CLB’s, ondersteunende organisaties en vzw’s) om hen die kennis te bieden, maar dan wel wel op een manier waarop ze aanknopingspunten vinden bij hun eigen omgeving. Het heeft geen zin deze kinderen vol te proppen met informatie die ze niet kunnen koppelen aan wat ze al kennen. Wanneer de achterstand waarmee deze kinderen vaak op school toekomen niet voldoende aandacht krijgt, zal de kloof met kansrijke leerlingen groter worden. Het is die kloof die naarmate leerlingen ouder worden minder snel afneemt… Het thema dat Lien De Vos in haar paper aankaart, is dus van zeer groot maatschappelijk belang. De manier waarop leerkrachten met kansarmoede in hun klas omgaan is individueel verschillend, want elke klascontext is een andere context. Toch hebben bijkomende opleidingen nut. In Scandinavische landen moeten leerkrachten verplicht een

Politieke Academie: Respons Paul Delva 101


aantal bijscholen per jaar volgen. Het houdt de geest scherp en laat ook toe om aan intervisie te doen met collega’s. Het uitwisselen van zogeheten good practices is wat mij betreft in een onderwijscultuur een enorme meerwaarde. Ik denk dat we in Vlaanderen hier nog werk voor de boeg hebben. Deze vaststelling sluit aan bij wat Neal Van Loock in zijn paper neerpent. Leerkrachten met veel ervaring doen er goed aan om deze te delen met collega’s, hetzij met nestors in het vak, hetzij met nieuwe scheuten die er nog aan moeten beginnen. Het voorstel in de paper om ‘heuveltjes’ aan te leggen op het parcours van leerkrachten vind ik op zich interessant, maar het kan niet de bedoeling zijn om de taak van leerkrachten te verzwaren. Leerkrachten kunnen, ondanks het feit dat lesinhouden weinig of niet veranderen over de jaren, wel op een originele manier met hun lesmateriaal omspringen. Het is ook hun verantwoordelijkheid om niet jaar na jaar dezelfde lessen te geven, of de handleidingen van a tot z te volgen. Een gemotiveerde leerkracht straalt dit uit op de kinderen die in de klas zitten. De intrinsieke motivatie die kinderen kunnen ontwikkelen is in grote mate afhankelijk van de leerkracht. Die maakt het zo interessant en boeiend als hij of zij wil. Ook hier weer: de uitwisseling van praktijkvoorbeelden is de meest efficiënte manier om iedereen ad rem te houden. De maatschappij heeft een snel evoluerend karakter en het is – ook in deze – niet goed om niet mee te evolueren. Ik weet niet of de “10%”-regel die Neal Van Loock voorstelt, waarbij 10% van de werktijd aan andere zaken dan ‘voor de klas staan’ gespendeerd moet worden, de meest efficiënte manier is om leerkrachten bij de les te houden. Het is vooral belangrijk dat leerkrachten zich in hun leerkrachtenteam thuis voelen en dat bijkomende taken, zoals het organiseren van activiteiten of het begeleiden van nieuwe leerkrachten als groep kunnen worden opgenomen. Hier speelt de directie een belangrijke rol: het is immers zij die moet waken op de productiviteit en constructieve houding van het leerkrachtenkorps.

Besluit Beide onderwijspapers geven terecht aan dat de leerkrachten onvervangbare ankerpunten in het onderwijs en de scholen. Hun taak is van het grootste belang, want de kinderen vandaag tekenen de samenleving van morgen. In grootsteden maar ook in meer landelijke gebieden, groeien steeds meer kinderen op in moeilijke thuissituaties: relationeel, fi nancieel… Leraren komen dagdagelijks met die leerlingen in contact. Daarom moet in de volgende legislatuur verder werk gemaakt worden van een beleid waarin de leerkrachten (i) gewaardeerd én (ii) gevaloriseerd worden. Opdat, zoals Lien De Vos terecht stelt, de leerkrachten beter voorbereid kunnen omgaan met kinderen en jongeren

102

Politieke Academie: Respons Paul Delva


die met ongelijke kansen aan hun schoolloopbaan beginnen. En omdat, zoals Neal Van Loock correct aangeeft, leerkrachten alleszins gebaat zijn met een loopbaan die blijvend uitdagingen en vernieuwingen aan elkaar koppelt. [Paul Delva is Vlaams parlementslid voor CD&V en een van de onderwijscommissarissen van de partij. Hij zetelde in de vakjury van de CD&V Politieke Academie 2013.] paul.delva@vlaamsparlement.be | Twitter: @Paul_Delva

Politieke Academie: Respons Paul Delva 103


104

Politieke Academie: Respons Paul Delva


Boekbesprekingen Geert Schuermans

Politieke Ruimte Brugge, die Keure, 2013, 166p.

Het boek ‘Politieke Ruimte’ is een initiatief van Samenlevingsopbouw Vlaanderen. Het past in hun ambitie om een nieuw pact te sluiten omtrent de functie van het middenveld en zijn plaats in de democratie. Aan de hand van maar liefst eenentwintig bijdragen (een afwisseling van korte essays en interviews) analyseert en documenteert de organisatie de toestand van het middenveld en de kansen en bedreigingen die er vandaag zijn voor dat middenveld. Doorheen de bijdragen komen een aantal stellingen naar voor. Het middenveld moet politiserend werken. Dit vooral door de mensen goed te informeren zodat ze zelf politiek actief worden. Een belangrijk aspect in die informatierol is het doorprikken van de ‘pensée unique’ in de samenleving. Zo wijzen een aantal betrokkenen op de dominantie van het neoliberalisme als economisch gedachtegoed, van het integratiedenken in onze samenleving, van de zinsnede “er is geen geld om …”. Wat voorgesteld wordt als een evidentie, is dat vaak niet. Het is aan het middenveld om de juiste vragen te blijven stellen. Het middenveld wordt gedefinieerd op basis van drie woorden: autonoom, kritisch en emanciperend. De meeste betrokkenen zijn het ook eens dat het middenveld vooral de minst mondigen een stem moet geven. De blijvende strijd tegen en het actief aanklagen van ongelijkheid is een kernopdracht. Middenveld en politici zijn het op het eerste gezicht eens dat de overheid er belang bij heeft om een kritisch middenveld in stand te houden, onder andere via subsidies. Maar omtrent de impact van die subsidies is minder eensgezindheid. De meeste politici wijzen op de noodzaak van legitimiteit en van transparantie. Het middenveld moet bewijzen dat er een meerwaarde is, moet verantwoording afleggen omtrent de aanwending van middelen. Vanuit het middenveld zelf wordt gewezen op het gevaar van politieke inmenging. Uit vrees voor het verlies van subsidies kan het middenveld haar kritische rol niet meer opnemen. Deze discussie is indirect ook verbonden aan verschillende visies omtrent de te verkiezen strategie. Moet het middenveld kiezen voor dialoog met de overheid, of voor

Boekbesprekingen 105


confrontatie? Een opvallende stelling in het boek is dat wie activiteiten ondersteunt gericht op sociale cohesie, helpt om ongelijkheid beheersbaar (en dus in stand) te houden voor de politieke wereld, terwijl het echte doel moet zijn om de ongelijkheid te problematiseren. Enkel de voorzitter van Groen stelt duidelijk dat het primaat van de politiek een probleem is. Alle andere voorzitters wijzen er op dat enkel verkozen politici beslissingen kunnen nemen. Want de kiezer kan enkel hen verantwoordelijk stellen. Goed beleid moet wel altijd rekening houden met de kritische stemmen in de samenleving. In het boek komt ook meermaals het spanningsveld naar voor tussen het klassieke, ‘verzuilde’ middenveld en dat wat ‘het nieuwe middenveld’ genoemd wordt. Hoewel niemand een pleidooi houdt voor een terugkeer naar de zuilen, is de aanpak en de verhouding tot de overheid toch duidelijk verschillend. Het beeld met betrekking tot de media is uitgesproken negatief. De ontzuilde media richt zich volledig op de kijkcijfers, op commerciële belangen. Dat zorgt er onder meer voor dat ze zich richt op de uitzondering, niet op de structurele evoluties in de samenleving. Kortom: het beeld in de media strookt niet meer met de werkelijke wereld. Op die manier ontmoedigt de media mensen ook om de wereld te begrijpen. Opvallend is wel dat het middenveld er niet in geslaagd is om zich aan te passen aan de evoluties in de media: de ontzuiling heeft de band met politieke partijen maar ook met de media doorgeknipt. Daardoor krijgt het middenveld de eigen thema’s amper nog op de agenda. Waardoor finaal ook de irrelevantie dreigt. Het boek is onderverdeeld in vijf grote delen: het belang van politisering, stemmen uit het sociocultureel middenveld, de visie van werkgevers en werknemers, de rol van de hedendaagse media en een aantal inspirerende praktijkvoorbeelden. Daar is dan nog eens een rode draad door geweven via interviews met de voorzitters van de meeste democratische politieke partijen. Het voordeel van deze aanpak is dat het beeld volledig is en goed gestructureerd. Het nadeel is dat de diepgang er soms wat bij inboet. Sommige bijdragen mochten een stuk langer, andere voegen dan weer weinig toe. De selectie van de bijdragen is toch wel wat onevenwichtig. In het boek komen te weinig critici aan bod. Indirect treedt de editor dus het eerste gebod van het middenveld met de voeten: geef ook een forum aan kritiek. Bovendien – en misschien een gevolg van die eerste vaststelling – zijn er maar weinig aanzetten tot antwoord op een aantal cruciale vragen (bv. naar legitimering). Er zijn duidelijke uitdagingen voor het middenveld, maar hoe pakken ze die dan best aan? Dit boek blijft nog iets teveel hangen bij de stelling dat het middenveld belangrijk is en dus heel wat politieke ruimte moet krijgen. De relevantere stelling is misschien wel dat het middenveld belangrijk is en dus moet zorgen dat het die politieke ruimte verwerft. [Niko Gobbin] 106

Boekbesprekingen


Guy Verhofstadt et al.

Een beter België Antwerpen, De Bezige Bij, 2014, 224p.

De ondertitel van het boek – een federale toekomst voor ons land – verraadt de inhoud: zeven eminente auteurs, in meer of mindere mate met een liberale stempel, laten hun licht schijnen op de federale staatsstructuur. Guy Verhofstadt bijt de spits af met zijn gekend pleidooi voor de Verenigde Staten van Europa. Hij verwerpt tussendoor in duidelijke bewoordingen het confederalisme. Dat is geen stabiel staatsbestel: ofwel is het een tussenstap naar separatisme, ofwel naar federalisme. Voorbeelden van duurzame confederaties zijn er niet. Erwin Mortier argumenteert dat volwassen federale staten ook een federaal cultuurbeleid hebben. In België wordt dit pleidooi beschouwd als een terugkeer naar ‘La Belgique à papa’. Dat is problematisch, zowel voor de ontwikkeling van de betrokken instellingen als voor de ontwikkeling van Brussel als hoofdstad. Bart Somers stelt dat nationalisten kiezen voor een confederaal model dat per definitie gebaseerd is op consensus, niet op beslissingen bij meerderheid. Daarmee kunnen ze bewijzen dat noodzakelijke beslissingen niet meer haalbaar zijn en de volledige splitsing de enige uitweg is. Hij merkt ook op dat voor het eerst in de wereldgeschiedenis een meerderheid van een bevolking vrijwillig zou kiezen voor afsplitsing en dus voor macht over een kleiner grondgebied. De belofte van een Vlaanderen met meer gemeenschappelijk draagvlak voor beslissingen en een minder scherp politiek debat verwijst hij naar het rijk der fabels. Zijn alternatief is de keuze voor een offensieve federale strategie waarbij meer dan vandaag op basis van de meerderheid beslist wordt. De confederale elementen in ons federaal systeem – zoals de meerderheid in elke taalgroep en de alarmbelprocedure – moeten sterk aangepast of volledig geschrapt worden. Emmanuel Vandenbossche gaat uitvoerig door op die laatste piste. Hij presenteert een aantal mogelijke aanpassingen aan ons federaal systeem om tot een betere werking te komen: constitutionele autonomie voor de deelstaten, de aanpassing van artikel 195 Grondwet aan de hedendaagse realiteit, de invoering van een federale kieskring, een versterking van het overlegcomité, het afschaffen van belangenconflicten, een ruimer takenpakket voor het Grondwettelijk Hof. Hij pleit ook voor een veel ruimer substitutierecht: als een gewest een EU-doelstelling niet haalt, dan moet de federale staat kunnen optreden in plaats van de gewesten. Tot slot betwist hij dat het communautaire

Boekbesprekingen 107


kader de belangrijkste reden is voor onze trage besluitvorming / compromispolitiek. Ook de verzuiling heeft een grote rol gespeeld, net als het zwaar belang dat we hechten aan het sociaal overleg en ons evenredig kiesstelsel met een lage drempel. Rolf Falter wikt en weegt de voor- en nadelen van Vlaamse onafhankelijkheid. Hij concludeert dat het grote voordeel voor Vlaanderen het wegvallen van de transfers is. Wallonië zou omgekeerd zeer zwaar verliezen: tot 15% van de huidige middelen. Dit impliceert natuurlijk dat onderhandelingen zeer zwaar zullen zijn. Splitsing is geen doemscenario voor Vlaanderen, maar er zullen zeer veel tijdelijke onzekerheden zijn met een kost. Dave Sinardet gaat uitvoerig in op het model van de consensusdemocratie en bekijkt of België hiervan inderdaad een schoolvoorbeeld is. Hij merkt op dat dit type democratie normaal gericht is op verzoening van sterk verdeelde samenlevingen, maar in België eerder polariserend werkt. Het is de politieke elite die het communautair conflict creëert. Het feit dat er geen federale partijen bestaan, is een probleem, zeker in bipolaire situaties. In bv. Tsjecho-Slowakije, Pakistan en Nigeria heeft dit zelfs geleid tot splitsing of oorlog. De federale kieskring kan een begin van oplossing bieden: terug federale debatten in plaats van gescheiden debatten. Best wordt dit gekoppeld aan een kiesdrempel die behaald moet worden in elk gewest afzonderlijk. De laatste bijdrage is van de hand van Paul De Grauwe. Hij betoogt dat staatshervormingen niet hebben bijgedragen tot meer groei in Vlaanderen. Met deze bijdrage doet hij zichzelf oneer aan: een goede wetenschappelijke onderbouw voor zijn besluit is afwezig. Niemand betwist dat de kwaliteit van het onderwijs in Vlaanderen is toegenomen na de bevoegdheidsoverdracht en dat onderwijs cruciaal is voor groei. Het is ook niet omdat Vlaanderen niet sterker groeit dan Wallonië dat er geen impact is: ook Wallonië is waarschijnlijk beter af door de hervormingen. Bovendien: je verwacht op basis van economische theorie eerder dat Wallonië een inhaalbeweging maakt op Vlaanderen net omdat het een achterstand heeft. Tot slot is het natuurlijk zo dat er veel belangrijkere verklaringen zijn voor de groei in Vlaanderen dan de staatshervorming, denk maar aan de internationale conjunctuur. De Grauwe zondigt tegen de wetten van de logica: het is niet omdat het statistisch bewijs voor een positieve impact op groei nog niet eenduidig geleverd is, dat die impact niet bestaat. Het tegendeel is immers ook nog niet aangetoond. De kwaliteit van de bijdragen in dit boek is uiteenlopend. De bijdragen van Verhofstadt en De Grauwe zijn overduidelijk haastwerk. De bijdrage van o.a. Vandenbossche is wel stevig uitgewerkt. Dat sommige auteurs hun teksten vermengen met een oppositiediscours tegen de Vlaamse regering of andere Vlaamse partijen is niet verrassend gegeven hun voorgeschiedenis, maar vermindert de kwaliteit van de analyse sterk. Het

108

Boekbesprekingen


is ook spijtig dat er geen stemmen vanuit Franstalig België zijn opgenomen: hoe kijken zij bv. aan tegen een bestuursmodel met overwegend meerderheidsbeslissingen? Meer dan een objectieve analyse lijkt dit boek een OpenVLD-manifest om te motiveren waarom ze recent afgestapt zijn van het confederalisme. [Niko Gobbin]

Geert Janssens

De Muizenval Davidsfonds Uitgeverij, 2014, 107p.

Waarom hebben economen de financiële crisis niet zien aankomen? Het antwoord volgens Geert Janssens, de hoofdeconoom van VKW Metena: omdat hun modellen slechts beperkte voorspellingskracht hebben. Ze zijn immers gebaseerd op een verkeerde hypothese: ze gaan uit van een immer rationeel handelende mens. De fictie van de ‘homo economicus’ die enkel beslissingen neemt goed voor het eigen belang. Kunnen we een nieuwe crisis uitsluiten? Neen, net omdat de mens veelal niet rationeel handelt, is dat vooral wishful thinking. Geert Janssens presenteert de lezer met dit boek een beknopte inleiding tot de gedragseconomie: die tak van de economische wetenschap die inzichten uit de biologie en de psychologie integreert. Centraal in zijn betoog staat het onderscheid tussen systeem 1- en systeem 2-denken. Systeem 1-denken sluit nauw aan op onze reflexen, onze intuïtie. Het gaat om ongecontroleerd denken, vaak gebaseerd op – op het eerste gezicht – logische verbanden. Dit denkproces gebeurt onbewust. Het grote voordeel is snelheid. Systeem 2-denken is veel lastiger. Het gaat om een denkproces gebaseerd op strakke regels. Een proces dat ook veel trager verloopt. Aan de hand van heel wat voorbeelden uit de gedragseconomie toont de auteur aan dat het systeem 1-denken erg dominant is. Erger nog: we zijn ons er onvoldoende van bewust dat dit het geval is. En we hebben ook nog eens de neiging om achteraf logische verbanden te zien in wat we vooraf niet zagen aankomen. We trachten ook keer op keer het – vaak zeer grote – belang van toeval te minimaliseren. Want een bedrijf is natuurlijk nooit zomaar succesvol, het is – uiteraard – omdat de CEO over uitzonderlijke kwaliteiten beschikt. Eén voorbeeld uit het boek is het belang dat mensen hechten aan referentiebedragen. De meeste mensen zullen gedurende de rest van hun leven de waarde van een

Boekbesprekingen 109


huis inschatten aan de hand van de aankoop van hun eerste woning. Of de prijs toen te hoog of te laag was, speelt daarbij geen rol meer. Ze kunnen ook maar moeilijk corrigeren voor de impact van inflatie sinds hun aankoop. De aankoop van het eigen huis is ook het voorbeeld bij uitstek om de hypothese van de ‘homo economicus’ in vraag te stellen. Want hoe kan iemand een idee hebben van de ‘juiste’ waarde van een huis? Hij laat zich leiden door de prijs van andere huizen in de straat. Maar zijn die dan wel juist geprijsd? Hij laat zich leiden door wat een bank aan krediet wil geven. Enz. Wat op het eerste gezicht een rationele aankoop lijkt, is het eigenlijk niet. Tal van factoren spelen een rol in de waardebepaling. Het buikgevoel is sterk aanwezig. Geert Janssens argumenteert dat het systeem-1 denken een zeer belangrijke rol gespeeld heeft in de crisis. Hij start zijn boek dan ook met het ontkrachten van alle mogelijk complottheorieën. De crisis was niet het gevolg van een perverse strategie van sommige speculanten of financiële instellingen. Want dat zou betekenen dat er rationeel handelen aan de basis lag. De crisis is wel veroorzaakt door een overwicht aan systeem-1, instinctmatig handelen. Kunnen we dan niks doen om de kans op een crisis te verminderen? Toch wel. Maak dat mensen altijd een voldoende groot deel van hun eigen vel riskeren (‘skin in the game’) als hun acties verkeerd uitdraaien. Banken moeten failliet kunnen gaan en de aandeelhouders en obligatiehouders moeten dit voelen. Bonussen moeten altijd omkeerbaar zijn als succes niet duurzaam blijkt. Maak ook dat elementaire vuistregels in ere hersteld worden. Laat banken dikkere stootkussens aanleggen. Zorg dat mensen niet meer dan 60% van de waarde van hun huis kunnen lenen. Dit boek is impliciet ook een meervoudige aanklacht. Een aanklacht tegen een stroming van economen die de werkelijkheid oververeenvoudigt in wiskundige modellen en vervolgens de uitkomst van die modellen als waarheid poneert. Een aanklacht tegen beursgoeroes, traders en CEO’s allerhande die zich even zeer laten meeslepen door reflexmatig handelen, maar de indruk wekken (of toch in stand houden) dat ze over superieure vaardigheden beschikken (en dus hun grote bonus waard zijn). Een aanklacht tegen de overheid die aan de ene kant de illusie in stand houdt dat via wetgeving crises vermeden zullen worden, maar zich aan de andere kant laten overtuigen om elementaire veiligheden in ons economisch systeem op te geven voor een onhoudbare belofte van meer groei. Een aanklacht tegen de simplistische houding van Duitsland ten opzichte van de Zuid-Europese lidstaten waarbij vergeten wordt dat de Duitse banken mee ten onder konden gaan, en Duitsland profiteert van een zeer lage rente als ‘veilige haven’. [Niko Gobbin]

110

Boekbesprekingen


Aankondiging

Volgend nummer CDR November 2014: “Recht & rechtvaardigheid” Het volgende nummer van CDR is voor het najaar van 2014 en zal het eerste nummer van onze derde jaargang betekenen. Auteurs kunnen we u nog niet definitief voorleggen. Het thema echter al wel. Onder “Recht en rechtvaardigheid” willen een aantal prangende vragen over en rondom justitie behandelen. Enerzijds voorzien we in een aantal inleidende bijdragen. Drie vragen staan daarbij voorop: - “Hoe verhouden recht en rechtvaardigheid zich tot elkaar?” - “Kan een snel evoluerende samenleving een voorspelbaar recht hebben?” - “Kan een complexe samenleving een eenvoudig recht hebben?” Die vragen bekijken we zowel met een rechtsfilosofische, een rechtspsychologische als een rechtssociologische bril. Daarnaast gaan in op enkele concrete thema’s. Daarbij o.m. “Zin en onzin van procedureregels”, “Justitie buiten justitie: bemiddeling, mediatie & administratieve sancties”, “Recht in een digitale samenleving” en “Familie- en erfrecht anno 2014”. Zoals steeds gaan we voor een lijst van scherpe en gezaghebbende auteurs. Tot slot lichten we al een tipje van de sluier i.v.m. de andere nummers van de derde jaargang. Een van de drie nummers zal gewijd worden aan de uitdagingen van ‘Grootsteden & Platteland’. Het laatste nummer zal een aantal ethische thema’s behandelen.

Aankondiging 111


CDR

digitaal

Als aanvulling op de gedrukte versie van CDR willen we onze lezers via digitale weg van enkele extra’s voorzien. Het digitale luik van CDR vervolledigt zo als het ware de gedrukte versie. Via http://ceder.cdenv.be hebt u toegang tot het volgende: • Digitale versies van alle bijdragen, recensies en kronieken. • Onze abonnees krijgen een login en een paswoord waarmee ze de volledige nummers kunnen nalezen en downloaden. Niet-abonnementhouders kunnen per nummer één volledige bijdrage en de bijhorende reactie raadplegen. • Gedetailleerde inhoudstafel per nummer met vermelding van de verschillende bijdragen en hun auteurs zodat u weet waar zich aan te verwachten. • Mogelijkheid tot reageren (zie onder) • Actualiteitsitems en nieuwsberichten. • Abonneren via invulformulier. • Individuele nummers bestellen via invulformulier. Reageren? We maken u er graag attent op dat het steeds mogelijk is te reageren op CDR-bijdragen. Reacties kunnen steeds ingediend worden via de website http://ceder.cdenv.be en/of via cdr@cdenv.be. Na controle door de redactie, worden ze op onze website gepost onder het desbetreffende artikel. Een warme oproep om uw korte of iets langere reacties te delen met ons.

CDR digitaal 113


Inhoud p. 5

Editoriaal

p. 7

Wouter Beke De antwoorden van CD&V op de uitdagingen van morgen. Antwoorden in 3D. Overkoepelende respons op de bijdragen in dit nummer

Inhoud

p. 25

Marcia De Wachter De concurrentiekracht in BelgiĂŤ/Vlaanderen in Europees en wereldperspectief.

p. 35

Luc Sels Prioriteiten voor het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid.

p. 45

Koenraad Debackere Vlaanderen, een stevige Europese hub voor innovatie.

p. 55

Hans Naudts De Belgische spread

p. 63

Bruno Peeters Is er behoefte aan een fundamentele hervorming van het Belgisch belastingstelsel? Enkele bedenkingen over de personenbelasting.

p. 73

Sien Winters Het Vlaamse woonbeleid na de 6de staatshervorming: nood aan geleidelijke, maar duidelijke koerscorrectie.

CD&V Politieke Academie 2013 p. 83 Lien De Vos Het onderwijs voor iedereen gelijk? De integratie en ontplooiing van kansarme kinderen. p. 93 Neal Van Loock Vaste benoeming in het onderwijs: breng heuveltjes en Alpen aan in de loopbaan van de leerkracht. Respons door Paul Delva p. 105

Boekbesprekingen

p. 111

Aankondigingen


Cdr mei2014 definitief druk