Issuu on Google+

Toegepaste Christendemocratie: het

Rijnland model


This is a joint publication of the Centre for European Studies and the CD&V. This publication receives funding from the European Parliament. The Centre for European Studies, CD&V and the European Parliament assume no responsibility for facts or opinions expressed in this publication or any subsequent use of the information contained therein. The author is solely responsible for the content of this publication. Š2010

2


Woord vooraf Deze tekst is een discussietekst. Het is het

België is geen eiland in de wereld. De Chris-

startpunt, niet het eindpunt van een proces

tendemocratie in Vlaanderen staat niet los

van debat, meer debat en nog meer debat. Een

van de Christendemocratie op andere plaat-

verzameling van ideeën en bedenkingen die

sen in Europa. Heel wat van de uitdagingen

geenszins de pretentie heeft om ‘dé waarheid’

waar wij voor staan, vinden we ook terug in

te zijn. Eerder dan kant en klare antwoorden

andere Europese lidstaten. Daarom kaderen

te formuleren, gaan we op zoek naar de juiste

we deze oefening ook in een samenwerking

vragen.

met het ‘Center for European Studies’ (CES), de denktank van de EVP. Dat kan het debat al-

De tekst neemt ook wat afstand van het dag-

leen maar rijker maken.

dagelijkse beleid. Al te snel verliezen we de voeling met het bredere kader door een zeer specifieke focus op een zeer specifiek dossier. Standpunten worden soms nogal ad hoc ingenomen. Omdat er zich een gebeurtenis voordoet en op basis van de informatie die op dat moment voorhanden is. Al te vaak gaan we achteraf pas op zoek naar de rode draad in beslissingen om het kader weer duidelijker af te lijnen. De directe aanleiding voor deze denkoefening was de evaluatie na de verkiezingsnederlaag van juni 2010. Het ontbreken van een duidelijk lange termijn verhaal kwam

n den Koen Va

Heuvel,

bbin, Niko Go ghe, Bart Oo donck, n Raem Kurt Va rt, Reynae Frederic ons, Wim So neycken Sven Va

daarin als één van de zwakke punten naar voor. Met deze tekst knopen we aan met de christendemocratische principes in het sociaaleconomisch beleid. We geven ze meteen ook een actuele invulling. Deze geactualiseerde principes zouden de leidraad moeten zijn in onze besluitvorming. De dagelijkse toepassing van die principes, zeg maar. In de tekst nemen we bewust geen beleidsaanbevelingen op. ‘First things first’. Eerst de lijnen uitzetten, en dan pas beginnen met de inkleuring.

3


‘Never waste a good crisis’ pag. 6


Naar een ander Rijnlandmodel?


De financieel-economische crisis van het na-

werkt ook niet. Dat bewees het falen van het

jaar van 2008 was met voorsprong de zwaar-

socialistisch model.

ste sinds het midden van de vorige eeuw. Ons financieel systeem balanceerde op de rand

Impliciet vertrekt het Rijnlandmodel van de

van de afgrond. Onze economie kraakte in

band tussen welzijn en geluk enerzijds en

haar voegen. Intussen is de hemel weer wat

welvaart anderzijds. We beseffen dat die band

opgeklaard. Toch zou zomaar terugkeren

helemaal niet zo evident is. Een gebrek aan

naar ‘business as usual’ ronduit onverstandig

welvaart maakt mensen meestal ongelukkig.

zijn. Niet alleen omdat de budgettaire gevol-

Maar meer en meer welvaart, betekent zeker

gen van de crisis en de kostprijs van het anti-

niet meer en meer geluk. De overheid kan via

crisisbeleid nog lang zichtbaar zullen zijn in

een goed sociaal beleid zorgen dat welvaart

de begroting. Een schok van dergelijke om-

en welzijn samen evolueren. Maar dan nog

vang verplicht ons om grondig na te denken

kunnen alleen mensen ‘geluk maken’. Het

over de fundamenten van ons sociaalecono-

Rijnlandmodel kadert in een totaalvisie op de

misch model. Was dit een (extreem) ‘accident

maatschappij. Een maatschappij die mensen

de parcours’ of is er meer aan de hand.

ondersteunt in hun zoektocht naar meer geluk. Waar mensen elkaar daar ook in bijstaan.

Zo’n bezinningsmoment maakt snel duidelijk

De economie is een zeer belangrijke schakel

dat de crisis niet de oorzaak is van alle proble-

in de keten. Maar het zou totaal verkeerd zijn

men. Door een aantal zaken op scherp te stel-

om de keten te herleiden tot die ene schakel.

len, kan ze wel resulteren in een versnelling

Net zoals het totaal verkeerd zou zijn om de

van de broodnodige hervormingen. Ook hier

schakel er uit te halen.

geldt de wijsheid ‘never waste a good crisis’. Het Rijnlandmodel heeft in België, net als in andere continentaal Europese landen, sinds Wereldoorlog II bijgedragen tot een periode van ongekende welvaartscreatie en stabiliteit sinds. Dit model vertrekt vanuit het inzicht dat welvaart en welzijn per definitie over een lange termijn bekeken moeten worden. Winstbejag op korte termijn wreekt zich altijd op de langere termijn. Een les die nogmaals bewezen werd door de vernietigende gevolgen van de wanpraktijken in de financiële wereld. Aan de basis van duurzame welvaart ligt een brede maatschappelijke consensus. Een consensus die daarnaast ook garant staat voor evenwicht en stabiliteit. De individuele aanpak van het neoliberalisme kan op korte termijn zeer succesvol lijken, maar het is een conflictmodel en geen duurzaam recept. Maar het volledig miskennen van individuele verwachtingen en motieven

6


Zeven principes In zijn boek ‘Het Rijnland model: voor een duurzame en sociale welvaart’ lijst Yves Leterme zeven principes op die het Rijnlandmodel kenmerken: Een sterk geloof in de vrije markt om welvaart te creëren. Maar overheidstussenkomst is essentieel om tot een faire uitkomst te komen. Privé-initiatief moet steeds samen gaan met persoonlijke verantwoordelijkheid. Het tripartiete overleg (werknemers, werkgevers, overheid) draagt in belangrijke mate bij tot de welvaartsgroei. De overheid organiseert zelf sociale voorzieningen, maar stimuleert tegelijkertijd het privé-initiatief in de uitvoering (de social-profit). Subsidiariteit is een leidend principe. Stabiliteit inzake publieke financiën, groei, sociaal klimaat, enz. wordt nagestreefd. Er bestaat een langetermijnvisie op waardecreatie met oog voor de belangen van alle stakeholders.

7


Het is meteen duidelijk dat sommige princi-

De stappen die intussen werden gezet om het

pes flagrant genegeerd werden in de aanloop

toezicht op de financiële wereld aan te scher-

naar de voorbije crisisperiode. Soms was

pen, hebben de slinger weer wat laten terug-

er overduidelijk nood aan ‘meer Rijnland’.

keren. De crisis heeft – alvast tijdelijk – een

Wanneer banken spaargeld ophalen om te

einde gemaakt aan de roep naar almaar meer

investeren in abstracte producten en de lo-

liberalisering, zelf- en deregulering.

kale economie links laten liggen, dan past dit

Toch zijn het niet de staat, niet de markt,

overduidelijk niet in het Rijnlandmodel. Van

maar de bankiers en aandeelhouders zelf die

een duurzaam evenwicht tussen belangen

door zich verantwoordelijk op te stellen en

van spaarders, consumenten, ondernemers,

niet inhalig te willen zijn, het vertrouwen

banken en de staat was geen sprake. Individu-

echt kunnen herstellen. Ook dat gegeven van

ele vrijheid werd totaal ontkoppeld van per-

verantwoordelijkheidsbesef staat centraal

soonlijke verantwoordelijkheid.

in het Rijnlandmodel. In die zin is de snelle terugkeer van de bonuscultuur een verontrustend signaal. Winst is goed, maar zonder maatschappelijke verantwoordelijkheid wordt het hebzucht. Een evaluatie van het Rijnlandmodel gaat natuurlijk verder dan het aanvinken van principes op een checklist. Vragen of het Rijnlandmodel vandaag nog dienst kan doen als onze economische GPS, is in eerste instantie ook vragen in welke mate deze principes nog relevant zijn. En vervolgens kijken naar de vertaling van die principes in het beleid. Zonder de fundamenten van het Rijnlandmodel in vraag te stellen, kunnen we ernstige bedenkingen formuleren bij de concrete toepassing ervan. Ook op stevige funderingen kan een bouwvallige constructie geplaatst worden.

8


Een belangrijke vaststelling is dat de omge-

We kunnen niet anders dan vaststellen dat het

ving anno 2010 niet meer dezelfde is als de

Rijnlandmodel zoals wij het in de voorbije zes

omgeving in 1950. De maatschappij is zeer

decennia hebben ingevuld niet altijd strookt

grondig veranderd. Denken we maar aan de

met het christendemocratische idee van rent-

globalisering van de economie en de demo-

meesterschap. Iedere nieuwe generatie heeft

grafische ontwikkelingen. Veranderingen die

de wereld slechts tijdelijk in beheer en heeft

niet zonder gevolgen blijven voor het beleid.

de plicht om ze in goede staat door te geven

Vaak ligt de oplossing voor nieuwe proble-

aan de volgende generatie. Maar er bestaat tot

men niet in de oplossingen van het verleden.

op vandaag een ‘suprematie van het sociale’

Meer zelfs: die oplossingen hebben op hun

in de concrete invulling van de principes van

beurt nieuwe problemen gecreëerd.

het Rijnlandmodel. Duurzaamheid werd en wordt zeer snel naar de achtergrond geduwd.

Dat is zeer duidelijk het geval op het vlak van

Heel wat schade aan het leefmilieu is intussen

de impact op het leefmilieu. Zoals we reeds

onomkeerbaar. Net als in de financiële wereld

opmerkten, heeft het Rijnlandmodel altijd

moeten we ons de vraag stellen of dit wel een

als hoofddoelstelling gehad om alle mensen

houdbare strategie is. De klimaatverandering

te laten delen in de welvaart en op die ma-

leidt nu reeds tot een verarming van de be-

nier ook hun welzijn te verhogen. Hetzij via

volking in sommige derde wereldlanden. En

participatie aan de arbeidsmarkt, hetzij via

het risico is groot dat ze ook bij ons tot een

een zeer goede sociale bescherming voor wie

verarming zal leiden van de toekomstige ge-

niet kan werken. Die doelstelling werd vooral

neraties die genoodzaakt zullen zijn om nog

bereikt door het instrument van de economi-

drastischer in te grijpen.

sche groei. Welvaart creëren om te kunnen verdelen. Daarbij werd onvoldoende rekening gehouden met de negatieve effecten op het leefmilieu. Het leefmilieu staat vandaag zeer zwaar onder druk door economische en maatschappelijke activiteiten. Vlaanderen is een productieve en geïndustrialiseerde, energie-intensieve, materiaalintensieve, dicht bevolkte, dicht bebouwde, verkeersintensieve en landbouwintensieve regio. Bij uitbreiding geldt die vaststelling voor heel wat ontwikkelde regio’s in Europa en de wereld. Die regio’s veroorzaken heel wat ecologische overlast, ook buiten de eigen grenzen.


Niet bijsturen

Optie 1

staat dan ook haaks

We wijzen economische groei af. De limieten

op de principes van het Rijnlandmodel. De reactie kan dubbel zijn:

van wat de aarde kan verdragen zijn bereikt en reeds overschreden. Dus moeten we afkicken van onze verslaving aan economische groei. Een stelling die vooral bij de ecologische partijen een voedingsbodem vindt. Maar die stelling is niet vrijblijvend. Er moet ook een duidelijk antwoord komen op de vraag welk model van sociale bescherming daar tegenover staat. Hoe verdelen we welvaart, zonder ze te creÍren? In zo’n model zullen er overduidelijk winnaars en verliezers zijn: de taart wordt immers niet groter, maar wordt anders verdeeld. Of kiezen we nu voor een duidelijke suprematie van het ecologische op het sociale? Eerst ecologie en dan pas herverdeling.

10


Optie 2 We kiezen voor een andere, groenere groei. ‘Verstandig groen’ als leidraad. De overheid corrigeert de uitkomst van de vrije markt. Maar niet alleen inzake inkomensverdeling. Economische en menselijke activiteiten oefenen een druk uit op het leefmilieu en brengen het leefmilieu derhalve schade toe. Net zoals de markteconomie op sociaal vlak faalt, faalt ze op ecologisch vlak. De taak van de overheid strekt zich er dan ook toe om het leefmilieu te beschermen door een leefmilieucorrectie uit te voeren. De overheid kan daartoe verschillende types van beleidsinstrumenten gebruiken. Via fiscale en sociaaleconomische instrumenten (zoals subsidies) kan je zorgen voor de nodige impulsen om tot een nieuw gedrag over te gaan. Normatieve instrumenten (zoals energieprestatienormen) hebben dan weer een dwingend karakter. We erkennen dat een negatieve impact van de economie op het leefmilieu onvermijdelijk is. Maar we beperken die wel zoveel als mogelijk en maken een correcte afweging van maatschappelijke kosten en baten, met inbegrip van de ecologische aspecten.

11


De tweede optie sluit nauw aan bij het con-

Europa kiest met haar strategie EU2020 – de

cept van duurzame ontwikkeling ofwel die

opvolger van de Lissabonstrategie – alvast

ontwikkeling die voorziet in de behoeften

voor de tweede optie. Via een toename van de

van de huidige generatie zonder daarmee

werkgelegenheidsgraad met kwaliteitsvolle

voor toekomstige generaties de mogelijkhe-

jobs en versterking van de kenniseconomie,

den in het gedrang te brengen om ook in hun

streeft de EU naar een sterke sociale samen-

behoeften te voorzien. Haar verwezenlijking

hang. Meer jobs betekent immers minder

vergt een veranderingsproces waarin het ge-

armoede en meer middelen voor sociale be-

bruik van hulpbronnen, de bestemming van

scherming. Tegelijk wil Europa een voortrek-

investeringen, de gerichtheid van technolo-

ker blijven in de internationale aanpak van de

gische ontwikkeling en institutionele struc-

klimaatproblemen. Onder andere door in te

turen worden afgestemd op zowel toekom-

zetten op hernieuwbare energie, meer ener-

stige als huidige behoeften. Ze impliceert

gie-efficiëntie en minder uitstoot van scha-

ook een andere hiërarchie op het vlak van

delijke stoffen.

doelstellingen. De sociale correctie mag niet langer systematisch domineren op de ecologische correctie zoals in het verleden de facto het geval was. Soms zullen er keuzes nodig zijn: ecologische correcties zijn niet altijd sociaal. Zo rijden arme gezinnen met meer vervuilende wagens rond of wonen ze in slecht geïsoleerde woningen. Duurzame ontwikkeling sluit naadloos aan bij de basis van het Rijnlandmodel. Daarin werd economische groei niet gezien als een motief voor uitbuiting van de werknemers door de kapitalisten. Maar wel als een opportuniteit om iedereen te laten delen in de welvaart. Ook nu kan groei bijdragen aan het realiseren van meer duurzaamheid. Het grote potentieel van de zogenoemde ‘groene sectoren’ illustreert dit zeer duidelijk.

12


Hoewel de zeven principes van het Rijnlandmodel volgens ons meer dan ooit relevant zijn, is de correcte omzetting ervan naar beleid dus cruciaal. Die vertaling moet gebeuren op een wijze die rekening houdt met de aanzienlijke maatschappelijke veranderingen van de voorbije decennia. Behouden van wat we hebben is niet hetzelfde als behouden van het beleid van het verleden. In het resterende gedeelte van deze discussienota gaan we dieper in op drie belangrijke thema’s: de rol van de overheid in de economie, de evolutie naar een moderner sociaal overleg en de uitdagingen voor de sociale zekerheid en de arbeidsmarkt. Op het einde van de tekst lijsten we een aantal pertinente vragen op voor het debat.

13


Welke overheid willen we? Een overheid die zoveel mogelijk aan de kant gaat staan en alle ruimte laat aan het private initiatief? Een overheid die zich beperkt tot het bewaken van eigendomsrechten? Een overheid die alleen maar tussenkomt om branden te blussen, zoals in de recente bankencrisis? Of een overheid die toch maar zelf het roer in handen neemt op zoveel mogelijk domeinen?


Overheid en economie


Kortom: het Rijnlandmodel biedt aan een overheid een leidraad om na te denken Het Rijnlandmodel erkent de meerwaarde van een overheid die een actieve rol opneemt in de economie en de samenleving. Maar die tegelijk ook goed beseft wat ze niet kan of moet doen en daar ook naar handelt. Een overheid die zoekt naar de sterktes in het economisch weefsel en die volop durft uitspelen. Een overheid die niet blind is voor de zwaktes, maar integendeel helpt zoeken naar gepaste remedies. En ervoor zorgt dat de re-

over de invulling van de eigen kerntaken. Maar het eindresultaat zal in ieder land verschillend zijn.

medies ook gekend zijn. Dat impliceert ook dat iedere overheid ver-

Die overheid is in het Rijnlandmodel geen

schillend zal handelen. Elk land, elke regio

statisch begrip. De bestaansreden van de

heeft een aantal eigen kenmerken. België is

overheid is rechtstreeks gebonden aan haar

klein, open en centraal gelegen. Een goede

capaciteit om de welvaart van de mensen

logistiek is dus logischerwijs een troef, maar

duurzaam te verhogen. De Rijnland-overheid

ook een noodzaak. Hoge belastingen zijn dan

is een dienstbare overheid. Dat vereist een

weer minder evident: de buurlanden zijn

overheid die waakzaam blijft voor verande-

nooit veraf. Zowel om te winkelen, als om te

ringen en daar ook snel op kan inspelen. De

ondernemen. Scandinavische landen hoe-

uitdagingen van vandaag zijn niet altijd de-

ven daar net iets minder van wakker te lig-

zelfde als de uitdagingen van 60 jaar geleden.

gen. Nochtans zal in een open economie de

De overheid van vandaag kan dan ook niet de-

maatschappelijke vraag naar goede sociale

zelfde zijn als 60 jaar geleden.

bescherming (en dus ook herverdeling) vaak groter zijn: de economie is immers sterk onderhevig aan schommelingen van de internationale conjunctuur. België heeft ook amper grondstoffen. We kunnen dus niet anders dan inzetten op scholing en innovatie. België heeft een kleine thuismarkt: internationalisering ligt voor de hand.

16


Wat moet de overheid niet doen? Het is niet de overheid die onderneemt. De overheid is niet de motor van de economische groei. Ondernemende mensen, in de rol van bedrijfsleider of werknemer, creëren de welvaart. Maar de overheid kan hen daarin wel ondersteunen. Het is ook niet aan de overheid om te kiezen welke sectoren ontwikkeld worden. Het is aan ondernemers om in te spelen op de kansen die zich aandienen. De overheid legt zich vooral toe op het creëren van een goede omgeving voor dat privé-initiatief. Niet vanuit een ivoren toren, maar luisterend naar en in overleg met wie een onderneming wil bouwen op die fundamenten. De overheid kan (start)kansen creëren of stimuleren in waardevolle domeinen waar het privé-initiatief niets of te weinig onderneemt. En bij gebrek aan enig initiatief, kan ze uitzonderlijk zelf een aanzet geven. Maar de overheid kan en moet sectoren ondersteunen door een antwoord te helpen zoeken op hun concrete problemen. Net zoals de overheid op zoek kan gaan naar de bestaande sterke punten om daar vervolgens nog meer op in te spelen. Een overheid moet steeds ruimte laten voor eigen initiatief en creativiteit. Ze mag het denken van individuen nooit in een bepaalde richting dwingen. Ze mag ook niet de verwachting scheppen dat ze alle problemen kan oplossen: dit leidt onvermijdelijk tot ontgoocheling en zelfs wantrouwen.

17


Wanneer moet de overheid tussenkomen? Indien de markt faalt. Dat de overheid krachtdadig, zowel curatief als preventief, moet tussenkomen als de markt faalt, werd door de financiële crisis nogmaals in de verf gezet. Onvolledige, onduidelijke en vaak ronduit foutieve informatie in de financiële sector hebben de volledige economie aan de rand van de afgrond gebracht. Regulering en controle door de overheid zijn onmisbaar als de markten onvoldoende transparant zijn. Ordehandhaving en een justitioneel ingrijpen dat het gevoel van straffeloosheid bestrijdt, zijn cruciaal. Hetzelfde geldt voor een goede inning van belastingen en een effectieve strijd tegen fraude. Dit zijn de ‘superkerntaken’ van een overheid. Een goede uitvoering ervan is essentieel voor het vertrouwen binnen de samenleving. Ook de arbeidsmarkt kan falen als vraag en aanbod elkaar niet vinden of dat slechts doen tegen een te hoge of te lage prijs.

18


Indien

een

grote

speler

de

Indien de maatschappelijke ba-

markt domineert. Ook wanneer een

ten (kosten) sterk afwijken

grote speler de markt domineert of verschil-

van de private baten (kosten).

lende spelers de markt vervalsen, kan de over-

Een mooi voorbeeld is het onderwijs: wan-

heid maar beter een oogje in het zeil houden.

neer elke ouder zelf zou moeten instaan voor

Een stevig mededingingsbeleid behoort zeker

de organisatie, zouden heel wat kinderen on-

tot de economische kerntaken. De overheid

voldoende geschoold worden. En een goedge-

moet ook zorgen dat nieuwe intrede niet

schoolde bevolking is duidelijk een troef voor

ontmoedigd maar integendeel gestimuleerd

een economie. Dergelijke positieve externe

wordt.

effecten spelen ook op het vlak van ondernemerschap en innovatie. Individuele bedrijven houden te weinig rekening met zogenoemde netwerkeffecten. De activiteiten van een bedrijf zijn vaak positief voor andere ondernemers of voor de maatschappij in haar geheel. Denken we ook aan innovatie inzake cleantech en medische onderzoek. De overheid zal ondernemerschap en innovatie moeten stimuleren als ze een optimale uitkomst voor de samenleving wil bereiken. Te meer omdat investeringen in innovatie vaak zeer conjunctuurgevoelig zullen zijn. Een negatief voorbeeld vinden we terug in het klimaatdebat. Individuele producenten zullen onvoldoende rekening houden met de klimaatgevolgen van hun productie. De overheid kan ook een belangrijke rol spelen in het verspreiden van innovatie. Bijv. via ondersteuning van ‘open innovatie’ of via de incubatiecentra waar bedrijven wegwijs gemaakt worden in nieuwe technieken. Pas wanneer innovatie breed verspreid wordt, zullen de externe baten voor de maatschappij maximaal zijn. Ook dat is een belangrijk element: de overheid steunt bedrijven niet omdat ze meer winst zouden kunnen maken. Ze doet dat omdat de baten voor de maatschappij zo groot mogelijk zouden zijn.

19


Voor het welzijn van de mensen. De marktuitkomst is niet altijd fair. Een belangrijke doelstelling van het Rijnlandmodel is de graad van welzijn en geluk van de bevolking te handhaven en liefst nog te verhogen. Niet iedereen heeft dezelfde kansen. Niet iedereen kent evenveel geluk tijdens het leven. In eerste instantie moet de overheid preventief optreden. Door goede scholing voor iedereen toegankelijk te maken, wordt toekomst belangrijker dan afkomst. Door levenslang leren mogelijk te maken, kunnen mensen hun kansen gaaf houden tijdens de loopbaan. Maar dan nog zullen ‘ongelijke mensen’ nooit perfect gelijke kansen hebben. Fysieke en intellectuele capaciteiten zijn nu eenmaal ongelijk verdeeld. Gelijke kansen zijn geen garantie op een gelijke uitkomst. Daarom moet de overheid ook bijsturen via de sociale zekerheid en de belastingen. Zonder evenwel de individuele verantwoordelijkheid weg te nemen. Iedereen is verantwoordelijk voor de uitbouw van de persoonlijke en de maatschappelijke welvaart. Herverdeling mag daaraan niks veranderen. Een overheid herverdeelt niet om mensen te helpen die hun kansen niet grijpen en vooral rekenen op de inzet van anderen, maar om mensen te ondersteunen die wel maximaal hun talenten uitspelen.

20


Hoe moet de overheid tussenkomen ?

De overheid als bewaker van de kerntaken waakt over de kwaliteit van de eigen dienstverlening, en zorgt voor stabiele publieke financiën. Kerntaken die zo efficiënt mogelijk georganiseerd worden op lokaal, provinciaal, regionaal, federaal of Europees niveau. Subsidiariteit blijft ook vandaag een erg belangrijk uitgangspunt. De publieke dienstverlening hoort thuis op het

Minstens even belangrijk als weten wanneer de overheid (niet) moet tussenkomen, is het besef hoe ze dat best doet.

juiste bestuursniveau, in de nabijheid van de bevolking en het bedrijfsleven. Ongeacht of deze nabijheid gecreëerd wordt door ‘fysische’ subsidiariteit van bestuursniveaus of elektronisch door e-governement applicaties, het vertrekken vanuit het standpunt van de betrokkene is van belang. Doel is niet alleen een overheid die de dingen goed doet, maar die de goede dingen doet. Wat die goede dingen zijn, vergt permanente actualisering en bijsturing. Diezelfde permanente actualisering is nodig om te bepalen op welk bestuursniveau een bevoegdheid zich het best bevindt. Problemen die vóór het tijdperk van de globalisering perfect op nationaal niveau aangepakt konden worden, worden nu soms beter benaderd op het Europees niveau. In bepaalde dossiers is een intensievere coördinatie zelfs een noodzaak om een ‘race-to-the-bottom’ te vermijden. En als dat het geval is, moeten we ook bereid zijn om bevoegdheden af te staan. Omgekeerd moeten we de vraag durven stellen of beleidsniveaus nog wel voldoende meerwaarde hebben: weegt de extra kost van het in stand houden van een beleidsniveau nog wel op tegen de baat van de bevoegdheid weg te houden van een ander niveau? In de voorbije decennia waren er wel degelijk verschuivingen van belangrijke bevoegdheden, denken we maar aan de Europese integratie. Maar het volledig schrappen van een bestaand beleidsniveau werd nauwelijks overwogen. Het

21


volstaat niet dat een bestuurslaag ‘goed werk

ënt mogelijk organiseert. Dat staat niet ge-

verricht’. De relevante vraag is of ze daartoe

lijk aan een pleidooi voor de ‘minimal state’.

ook het best geplaatst is. Het Rijnlandmodel

In landen met een Angelsaksische traditie

verwerpt een overheid die vooral handelt om

wordt te vaak alleen maar gefocust op de in-

zichzelf in stand te houden. Een overheid is

putzijde. Het Rijnlandmodel hanteert een

altijd een instrument, geen doel op zich.

meer evenwichtige benadering en kijkt ook

Het Rijnlandmodel zet resoluut in op subsidiariteit. Bevoegdheden moeten aan het juiste beleidsniveau toegewezen worden.

naar de outputzijde: de overheid mag belastingmiddelen inzetten om haar kerntaken op een kwaliteitsvolle manier te kunnen uitvoeren. Zolang ze daarbij zo efficiënt mogelijk te werk gaat. De overheid kiest voor haar eigen werking en binnen haar eigen organisaties voor een aanpak die zuinig omspringt met de beschikbare middelen. Een moderne overheid voert een verstandig, doordacht en toekomstgericht budgettair-, IT- en personeelsbeleid. Ze maakt gebruik van een efficiënte personeelsplanning en zet werkkrachten in waar ze nodig zijn. Ze vervangt de ambtenaren die op pensioen gaan niet zomaar. Ook laat ze de concurrentie spelen waar mogelijk.

Zoveel mogelijk bevoegdheden moeten toe-

Uiteraard dient de overheid wel te beschikken

gekend worden aan het lokale niveau, de

over de noodzakelijke toekomstgerichte com-

meest nabije bestuurslaag. Hiervoor zijn be-

petenties om blijvend als strategische partner

stuurskrachtige gemeentebesturen nodig.

te kunnen optreden. Haar positie in een krap-

Hoe meer taken we aan de lokale besturen

pe arbeidsmarkt en een kenniseconomie mag

doorschuiven, hoe krachtiger die besturen

niet onder druk komen, zo niet zal de dienst-

moeten zijn. Schaalvergroting en soepelere

verlening daaronder lijden. Ook hier moet ge-

procedures voor intergemeentelijke samen-

zocht worden naar een duurzaam evenwicht

werkingsverbanden dringen zich dan ook op.

met de private sector.

Sterkere lokale besturen zullen de vraag naar de bestaansreden van intermediaire bestuurslagen scherper stellen. Sterke lokale/nabije besturen en efficiëntiewinsten kunnen en moeten samengaan. Het spreekt voor zich dat een intensieve samenwerking over de grenzen van de bestuursniveaus heen een noodzaak is. Stabiliteit in publieke financiën dient op een doordachte en verstandige wijze bekomen te worden. Een eerste stap daarin is alvast dat de overheid de eigen kerntaken zo effici-

22


De overheid als regelgever hoedt zich voor overdreven regulering. Ondernemen moet mogelijk blijven. Het is verleidelijk om regels op te stellen die ieder misbruik uitsluiten. Maar vaak verhinderen die ook beloftevolle nieuwe initiatieven. We moeten een juiste afweging durven maken omtrent hoeveel het de samenleving mag kosten om het laatste beetje risico weg te nemen. 100% uitsluiten dat er ooit een nieuwe bankencrisis zal voorvallen, is onmogelijk tenzij we de banksector willen herleiden tot het louter omzetten van spaargeld in leningen. Maar dan betalen we daar een zware prijs voor: financiĂŤle innovatie was in het verleden een krachtige stimulans voor ondernemerschap, ook al bleken bepaalde financiĂŤle activiteiten niet altijd voldoende duurzaam te zijn. Een goede regulering moet de kans dat een nieuwe crisis optreedt drastisch verkleinen en financiĂŤle activiteiten een duurzamer karakter geven, zonder een te zware hypotheek te leggen op de dynamiek van de banksector. Hetzelfde geldt voor het milieubeleid: een verstandig groen beleid kan heel wat meer vruchten afwerpen dan blinde regulering. Het is beter om een correcte prijs te zetten op vervuiling, dan om zeer beperkende wetgeving te installeren die in de praktijk niet controleerbaar is. Een overheid die betere regels maakt met minder administratieve lasten, versterkt de concurrentiepositie van ons land en van onze bedrijven. De overheid mag ook geen excuus zijn om persoonlijke verantwoordelijkheid af te wijzen. Het is niet omdat de overheid iets toelaat of niet bestraft, dat het ook maatschappelijk aanvaardbaar is.

23


De overheid als partner kan

De overheid als sociale be-

een extra duwtje in de rug ge-

schermer zorgt ervoor dat

ven. Bijvoorbeeld door te waken over de

mensen een risico kunnen en

band tussen onderwijs en bedrijfsleven. Maar

durven nemen. Zonder dat ze in ar-

ook hier kiest de overheid beter voor een

moede vervallen als het verkeerd uitdraait. De

plaats in de tweede lijn. Duidelijke doelstel-

overheid werkt mee aan een sociaal vangnet

lingen (bijv. inzake ondernemerschap) wor-

dat fungeert als springplank; niet als hang-

den gekoppeld aan financiering en gerichte

mat. Herverdelen is een wezenlijk kenmerk

ondersteuning. De overheid als financier

van het Rijnlandmodel. Dit omvat o.a. orga-

van private projecten stelt duidelijke criteria

nisatie van sociale zekerheid, minimale ar-

voorop. Geen financiering zonder beloftevol

beidsvoorwaarden, minimumlonen, ‌

en levensvatbaar project. Financiering door

Tegenover sociale bescherming staat de in-

de overheid is geen synoniem van subsidiĂŤ-

dividuele plicht om te willen bijdragen aan

ring. Vooral projecten omgeven door grote

onze welvaart.

onzekerheid, zoals hoogtechnologische starters, kunnen een actieve participatie door de

Ook het principe van de rechtvaardige over-

overheid vergen. De overheidsinvestering ge-

heid moet bewaakt worden. Effectieve in-

beurt altijd met het oog op een exit: eens de

spectiediensten, een doorgedreven strijd

onzekerheid afneemt, moet de private sector

tegen de sociale en fiscale fraude, enz. zijn

de rol van financier kunnen overnemen.

noodzakelijk om het vertrouwen in die overheid en in de sociale bescherming hoog te houden. Landen waarin dit vertrouwen hoog is, zoals de Scandinavische landen, presteren economisch ook sterker.

24


De overheid als gesprekspart-

De overheid als consument/

ner neemt actief deel aan het

trendsetter neemt een voor-

sociaal overleg. Al ligt de eerste

beeldrol op als maatschappe-

verantwoordelijkheid bij de sociale partners.

lijk verantwoord werkgever.

Goede arbeidsomstandigheden, permanente

De overheid moet een voorbeeldfunctie op

vorming, investeringen in innovatie zijn zon-

zich nemen als grootste consument van de

der meer een gedeelde verantwoordelijkheid.

Belgische economie. Een kwaliteitsvolle over-

De overheid handelt niet alleen, maar in sa-

heid kan geen facturen onbetaald laten (of

menspraak met alle stakeholders en betrok-

laattijdig betalen). Een duurzame overheid

kenen. Een breed maatschappelijk draagvlak

moet het voorbeeld geven door bijvoorbeeld

voor overheidsbeleid (waarvan het sociaal

zijn werknemers en (politieke) vertegenwoor-

overleg slechts een onderdeel is ) vergroot de

digers met milieuvriendelijke wagens te laten

kans op een goede uitkomst.

rijden. Door innovatief aan te besteden, creĂŤert ze ook een markt voor vernieuwende ondernemingen. De overheid garandeert gelijke kansen voor iedereen die deelneemt aan een selectie voor een overheidsjob. Als attractieve werkgever promoot ze een krachtig en leeftijdsbewust personeelsbeleid.

25


Sociaal overleg en het Rijnlandmodel zijn zo goed als synoniemen. Terwijl andere economische organisatiesystemen vertrekken van het primaat van de politiek of van een strijd tussen de klassen, is het sociaal overleg tussen werkgevers en werknemers de basis van economische en sociale organisatie in het Rijnlandmodel. Werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties trachten gemeenschappelijke belangen te vinden en bereiken. In plaats van een compromis waarbij iedereen iets verliest, is het de bedoeling om een win-win situatie tot stand te brengen.


Sociaal overleg


In BelgiĂŤ komt het sociaal overleg op drie niveaus tot uiting: Inspraak van de werknemers in individuele ondernemingen. Overleg over loon- en arbeidsvoorwaarden op sectoraal en interprofessioneel vlak, en in mindere mate ook op regionaal en Europees vlak. Medebeheer door de sociale partners van de instellingen van sociale zekerheid.

Het overleg op ondernemingsniveau werd recent uitgebreid naar kleine ondernemingen, het beheer van de instellingen van sociale zekerheid werd geprofessionaliseerd door de introductie van beheersovereenkomsten. Vandaag is vooral het interprofessionele overleg aan een modernisering toe.

28


Botst het soci a a l overleg op haar limieten?

Doorheen al die jaren bleef de rode draad dat werknemers en werkgevers samenwerkten in dit model van sociaal overleg op alle niveaus om collectieve economische vooruitgang te bereiken. De afgelopen jaren kreeg het klassieke overlegmodel het steeds moeilijker. Dit hangt samen met de toenemende globalisering en het bereiken van limieten inzake productiviteitswinsten, of toch de vertraging ervan. Ongetwijfeld spelen er ook bredere maatschap-

In de eerste decennia na Wereldoorlog II was

pelijke ontwikkelingen zoals het tanend

de basis voor ieder akkoord een afruil tussen

draagvlak voor solidariteit, of het gebrek aan

productiviteitsverhogingen, inkomensver-

vertrouwen in de hervormingskracht van de

hogingen en versterkingen van de sociale

sociale en politieke instellingen.

zekerheid. Aan de basis lag het ‘ontwerp van overeenkomst tot sociale solidariteit’ uit 1944.

Het verleden leert ook dat akkoorden vooral

Zeer opmerkelijk daarin is de tekstpassage:

tot stand komen wanneer er financiële mar-

“de weg te openen naar sociale vooruitgang

ges zijn, terwijl geen of slechts zeer beperkte

die tegelijk moet voortvloeien uit de econo-

akkoorden mogelijk zijn als het economisch

mische bloei van een tot vrede teruggekeerde

slecht gaat. Dit illustreert nogmaals dat eco-

wereld en uit een rechtvaardige herverdeling

nomische groei tot op heden het instrument

van het inkomen uit een toenemende produc-

bij uitstek was om de doelstellingen van het

tie”. Dit verwoordt het hele paradigma van

Rijnlandmodel te realiseren.

een zichzelf voedende en sociale groei die het economische succes uitmaakte van de naoor-

Het klassieke interprofessionele onderhan-

logse periode.

delingsmodel heeft in recente jaren ingeboet aan geloofwaardigheid en efficiëntie. Recente

Vanaf midden jaren ’70 begon dit model te

akkoorden waren weinig ambitieus en weinig

stokken onder druk van de petroleumcri-

effectief. Ze werden bovendien cash betaald

sis. Ondernemingen werden toen ook vra-

door de belastingbetaler. De competitiviteit

gende partij voor akkoorden, maar dan om

van onze ondernemingen herstelde nauwe-

de competitiviteit te vrijwaren. Dit mondde

lijks. Gebrekkige jobcreatie maakt het onmo-

uiteindelijk uit in de wet van 1996 over het

gelijk om lasten op arbeid substantieel te ver-

concurrentievermogen. Naast kwalitatieve

lagen zonder de factuur door te schuiven naar

kaderafspraken over o.a. werkgelegenheid,

de volgende generaties. Bovendien leidt de

vorming en de gelijke behandeling van vrou-

combinatie van minder jobs en meer uitke-

wen, waren er sindsdien steevast kaderaf-

ringen tot een weinig rooskleurig financieel

spraken over de loonontwikkeling, rekening

plaatje voor de sociale zekerheid. Onderne-

houdend met de evolutie in de buurlanden.

mingen, werknemers en staat zijn schijnbaar terecht gekomen in een klassieke ‘lose-loselose’ situatie.

29


Het kader dat de wet van 1996 schetst, lijkt te beperkt en te beperkend. Het debat is verengd tot een loonnorm, terwijl er geen globale strategie ontwikkeld wordt inzake werkgelegenheidsevolutie, vorming, sociaal beleid, onderzoek en ontwikkeling, enz. De wet van 1996, de globalisering en de economische ontwikkeling hebben de werknemers en bedrijven laten wennen aan een defensieve opstelling. Iedereen verdedigt de eigen positie ten opzichte van de ander, langs de frontlijn van de loonvorming. Beide zijden verliezen zo te vaak uit het oog dat we terrein verliezen op tal van andere vlakken. Een offensieve, gemeenschappelijke strategie zou snel vruchten kunnen afwerpen voor alle partijen. Het sociaal overleg houdt zich ook zeer sterk aan de nationale grenzen, terwijl de concurrentie hoe langer hoe internationaler wordt. Terwijl de bewegingsruimte van de nationale sociale partners door de internationale druk verkleint, is er geen sociaal overleg op internationaal niveau. Dit brengt een negatieve spiraal op gang, vergelijkbaar met het protectionisme dat aan vroegere economische vooruitgang een einde maakte. Is een duurzame economische groei mogelijk met dalende lonen, lage rentevoeten, monetaire conflicten en internationale onevenwichten ?

•

30


Naar een modern soci a a l overleg?

Internationaliseren

van

het

sociaal overleg. De internationale concurrentie neemt voortdurend toe, ook op markten die daar totnogtoe immuun voor waren. Er is voor heel wat problemen geen internationale aanpak, met als ultiem voorbeeld het loonoverleg. Dit leidt voor ieder land tot een aantal externe factoren waar men in een TINA-model (‘there is no alternative’) opgesloten geraakt. Noch de nationale so-

Ondernemingsconflicten

an-

ciale partners, noch de nationale overheid

ders aanpakken. We stellen een toe-

houden beleidskeuzes over. Wie weerstand

name vast van het aantal ondernemings-

biedt, betaalt een hoge prijs aan verliezen van

conflicten waar aan beide zijden overdreven

marktaandeel of werkgelegenheid. Wie geen

reacties tot stand komen. Ondanks duide-

weerstand biedt, bouwt zijn sociaal model

lijke afspraken (het ‘Herenakkoord’ uit 2002)

af, maar wint misschien wel wat aan werk-

stappen werkgevers vaker naar de rechtbank

gelegenheid. Ultiem wordt de internationale

om een staking te breken. Wilde stakingen

inkomensongelijkheid zo ‘geïmporteerd’. Het

of ongeoorloofde stakingspraktijken zoals

aantal verliezers is hoog. Is het daarom niet in

gijzelingen komen frequenter voor. Sociaal

ieders belang om een Europees gericht over-

bemiddelaars zouden een actievere en meer

legmodel op te starten? In een eerste fase kan

preventieve rol kunnen opnemen om deze

gestreefd worden naar Europese sociale mi-

praktijken tegen te gaan. Er is ook nood aan

nima (bijv. op vlak van arbeidsduur en mini-

een verzoening van het stakingsrecht met

mumlonen). Ook de aanpak van herstructu-

persoonlijke verantwoordelijkheid. Acties

reringen van multinationals kan beter op een

bij bijv. het openbaar vervoer resulteren bijna

gecoördineerd Europees vlak gebeuren, om

automatisch in grote maatschappelijke en

te vermijden dat landen tegen elkaar worden

economische schade. En vaak lijkt het motief

uitgespeeld.

voor die acties niet in verhouding te staan tot die schade. Een duurzaam sociaal overleg

Sociaal overleg op Belgisch,

vereist dat een evenwicht wordt gevonden

Vlaams of Europees niveau?

tussen de rechten van de actievoerders en de

Naarmate bevoegdheden meer versnipperd

belangen van de samenleving.

geraken, wordt een ‘centraal’ sociaal overleg een vreemd begrip. Dit levert ook onderhandelingstechnische problemen op: enerzijds zijn de mogelijkheden beperkt door de internationalisering, anderzijds is een klassieke ruil moeilijker, doordat de ‘ruilmiddelen’ zich op een ander niveau bevinden dan waar het overleg plaatsvindt. Het vraagstuk van de subsidiariteit duikt dus ook op in het sociaal overleg.

31


Uitbreiding van de thematiek.

Duidelijke prioriteiten en meer

Vandaag is het interprofessioneel, maar ook

ambitie. De afgelopen jaren is het sociaal

sectoraal sociaal overleg vaak beperkt tot een

overleg al te vaak een ‘verdelingsconferentie’

loonoverleg. Kwalitatieve thema’s als oplei-

geweest, waar de ter beschikking gestelde

ding of procedurele aspecten van het arbeids-

middelen een bestemming kregen. Achter

recht komen wel aan bod, maar het blijft

die verdeling zat niet altijd een visie. Laat

meestal bij algemene aanbevelingen. Andere

staan een gemeenschappelijke visie van de

thema’s als innovatie, duurzaamheid, enz.

sociale partners over het te voeren sociaal- of

worden helemaal stiefmoederlijk behandeld.

arbeidsmarktbeleid. In tegenstelling tot de buurlanden spraken de sociale partners nooit

Een

actievere

rol

voor

de

een gemeenschappelijke ambitie uit over de

overheid. In een steeds internationalere

noodzakelijke structuurhervormingen. Dit

en complexere samenleving, zal een overleg

vormt een grote handicap voor de onderhan-

dat zich beperkt tot werkgevers en werkne-

delingen. Met gemeenschappelijke doelstel-

mers nooit het gewenste resultaat opleveren.

lingen en een gemeenschappelijke ambitie is

De overheid moet als volwaardige partner

vaak veel meer mogelijk. Net die consensus

aanschuiven. En niet alleen in de rol van fi-

zou de sterkte van het Rijnlandmodel moeten

nancier zoals in het recente verleden het ge-

zijn.

val was. Naar een nieuw type loonoverleg. Onderhandelingen over een klassieke interprofessionele loonnorm kunnen ook vandaag nog verlopen met het oog op een ‘win win win’ situatie op de lange termijn. Maar het is belangrijk dat we dat kader verduidelijken en moderniseren. Twee premissen zijn essentieel: ten eerste worden de lastenverlagingen die de competitiviteit moeten herstellen vervangen door belastingverminderingen die mogelijk worden eens de competitiviteit is hersteld. Zowel het instrument als de chronologie worden dus omgedraaid. Ten tweede moet de overheid door dit systeem een volwaardige partner worden van het interprofessioneel akkoord. Dit wil zeggen: niet diegene die de factuur op het einde betaald, maar wel de facilitator en diegene die de return van de investering van de partners in termen van hogere competitiviteit waarborgt. Echte loonmatiging dus. Met een garantie dat de werknemers de vruchten plukken van de extra jobs die zo gecreëerd worden. Zo wordt tegelijk vermeden dat steeds meer productiviteitswinsten nodig

32


zijn om netto loonsverhogingen mogelijk te maken. Productiviteitswinsten zijn immers moeilijker geworden in de huidige economische realiteit. Dienstensectoren, die aan relatief belang winnen in onze economie, lenen zich daar minder toe dan de industrie. Bovendien moet de productiviteit vooral verhoogd worden door eigen innovatie. De marge voor imitatie van betere technologieĂŤn uit het buitenland is sterk afgenomen. Ook de ambitie om ook mensen met een lagere productiviteit in te schakelen in het arbeidsproces, zet een rem op productiviteitsstijgingen. Van defensief naar offensief overleg. Met een focus op loonmatiging richten we al jaren de energie en de middelen op het beschermen van bestaande werkgelegenheid in bestaande sectoren met bestaande producten. Het kost steeds meer energie en geld om die inspanning succesvol te laten zijn. Structurele arbeidsmarkthervormingen en strategieĂŤn voor economische innovatie kunnen sneller tot een hoger rendement leiden. Op voorwaarde dat ze breed gedragen worden door de sociale partners.

33


Het Rijnlandmodel heeft als finale doelstelling om alle mensen te laten delen in de welvaart.


Sociale zekerheid en arbeidsmarkt


Het Rijnlandmodel heeft als finale doelstelling om alle mensen te laten delen in de welvaart. Hetzij via participatie aan de arbeidsmarkt. Een arbeidsmarkt met kwaliteitsvolle jobs. Hetzij via het toekennen van menswaardige uitkeringen. Er bestaan belangrijke linken tussen de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid. Sociale bijdragen op arbeid staan in voor het gros van de inkomsten voor de sociale zekerheid. Arbeid opent vaak ook het recht op een uitkering. Bovendien staat in het Rijnlandmodel het principe voorop dat een goede sociale bescherming vereist dat mensen er geen onnodig gebruik van maken. Iedereen moet zich integendeel maximaal inspannen om een bijdrage te leveren aan de creatie van welvaart. Met andere woorden: sociale zekerheid vangt vaak een ‘gebrek aan arbeid’ op.

De economische rol van arbeid is in het Rijnlandmodel dus duidelijk dubbel. Niet alleen zorgt arbeid voor een inkomen voor het individu en voor de productie en de toegevoegde waarde van een onderneming, arbeid is daarnaast ook essentieel als financieringsbron van de sociale zekerheid. Meer mensen aan het werk is dus een middel om de welvaart van de werkenden ĂŠn de welvaart van de niet-werkenden te verhogen. Arbeidsmarkthervormingen kunnen dus ook best die beide benaderingen van arbeid (de intrinsieke welzijnscomponent en de economische component) integreren. Zo bevorderen we het welzijn en de welvaart van de individuele werkende en van de samenleving. In het licht van de vergrijzing van de bevolking, de lage participatie aan de arbeidsmarkt van heel wat groepen en de krapte die nu reeds bestaat op de arbeidsmarkt voor bepaalde beroepen en sectoren is het duidelijk dat een versterking van het arbeidsaanbod zich opdringt. Zonder die versterking zullen we nooit in staat zijn om onze economische groei op peil te houden. Eventueel kan ook gerichte migratie een oplossing zijn voor bepaalde knelpuntvacatures. Maar ook de bestaande migratiestromen moeten meer dan vandaag ingepast worden in de ontwikkeling van onze welvaart. Migratie wordt vaak vernauwd tot de problematiek van asielzoekers en een verhaal van solidariteit alleen. Maar participatie van migranten op de arbeidsmarkt draagt ook bij aan welvaartscreatie. De overheid moet dit proces begeleiden via een actief arbeidsmarktbeleid en door het bestrijden van discriminatie. In het publieke debat moet dit rechten en plichten verhaal weer meer op de voorgrond komen. Dat zal de maatschappelijke verdraagzaamheid ten aanzien van migratie (in al haar vormen) ten goede komen.

36


Arbeid mag natuurlijk niet herleid worden tot de pure economische kwaliteiten. Menselijk contact, individuele ontplooiing, menselijke waardigheid, solidariteit en samenwerking met anderen zijn slechts enkele waarden die het hebben van een job met zich meebrengt. De werknemer, zelfstandige of ambtenaar is dus nooit enkel een economische factor, hij is ook steeds een mens die door zijn arbeid bijdraagt aan de verwezenlijking van persoonlijke, ethische en maatschappelijke doelstellingen. Welvaartscreatie zonder welzijnscreatie is een te schrale invulling van arbeid en economie.

In wat volgt gaan we vooral dieper in op de organisatie van de sociale zekerheid. Maar daarbij overschrijden we meermaals en zonder schroom de grenzen van het arbeidsmarktbeleid. Want in het Rijnlandmodel zijn die twee onlosmakelijk met elkaar verbonden.

•

37


Omgeving en risico’s in beweging

belastinggeld nu reeds goed voor ruim 1/3de van de middelen. Dit betekent ook dat sociale zekerheid niet langer een zaak is van de sociale partners alleen. Ook de overheid is een volwaardig aandeelhouder geworden. Sociale bescherming is ook ruimer dan sociale zekerheid. Buiten de sociale zekerheid

Onze sociale zekerheid werd na Wereldoorlog

om werden een aantal bijstandsmechanis-

II stap voor stap ontwikkeld in antwoord op

men ontwikkeld die volledig gefinancierd

een aantal risico’s. In essentie moest de socia-

worden vanuit de schatkist: de inkomensga-

le zekerheid zorgen voor voldoende financiële

rantie voor ouderen (IGO), het leefloon, de

zekerheid, ook wanneer mensen met pech en

tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden

overmacht af te rekenen hebben.

(THAB), … Ook in het onderwijs zijn er sociale tegemoetkomingen via de studiebeurzen.

Enerzijds via inkomensvervangende uitke-

Vaak zijn die tegemoetkomingen buiten de

ringen die een verlies aan loon compense-

sociale zekerheid om ook onderhavig aan een

ren. Een pensioen bood een antwoord op het

voorafgaande inkomenstoets. Hetzelfde geldt

risico dat iemand door grote ouderdom niet

voor het aanbod van gesubsidieerde diensten

meer in staat is om een inkomen te verdienen

zoals kinderopvang en rusthuizen.

uit arbeid. De pensioenleeftijd werd daarom van bij de start vastgelegd op 65 jaar wat amper afweek van de gemiddelde levensverwachting. Ook het risico op inkomensverlies door ziekte, arbeidsongeschiktheid of verlies van werk werd ondervangen. Anderzijds via kostencompenserende uitkeringen als een aanvulling op het loon zodat vermeden werd dat de (vaak onvoorspelbare) kosten verbonden aan het opvoeden van kinderen of aan geneeskundige verzorging zouden resulteren in een leven in armoede. Bij de start werd expliciet gekozen voor een sociale zekerheid met een duidelijke band tussen enerzijds de opbouw van sociale rechten en anderzijds werk. Dit in tegenstelling tot o.a. het Verenigd Koninkrijk waar universele sociale rechten het uitgangspunt waren. Maar de band tussen arbeid en opbouw van sociale rechten is zeker niet één-op-één. Kinderbijslag en gezondheidszorgen zijn bijv. universele rechten. Aan de inkomstenzijde is

38


De specificiteit van onze sociale zekerheid heeft ook te maken met een aantal omgevingsfactoren. Omgevingsfactoren die niet altijd stabiel gebleven zijn over de laatste decennia.

te hebben voor de overgangsproblemen. Veel meer dan vandaag het geval is, waren jobs voor het leven. Vandaag zijn gemengde loopbanen en jobwissels de regel eerder dan de uitzondering. Dit betekent dat er nood is aan een sociale zekerheid die arbeidsmobiliteit niet bemoeilijkt. Dat geldt in het bijzonder voor internationale loopbanen (o.a. expats

Nieuwe generaties waren in het ver-

leden systematisch groter dan hun voorgan-

en grensarbeiders) die ook almaar frequenter voorkomen.

gers. Financiering via repartitie lag dan ook voor de hand. Door de hyperinflatie na WO

De concurrentie op de wereldmark-

II werd repartitie een noodzaak: reeds opge-

ten was al bij al beperkt waardoor lasten op ar-

bouwde kapitalen waren niks meer waard.

beid minder problematisch waren. Bovendien

Momenteel zetten vergrijzing en denataliteit

domineerde de industrie de economische ac-

de financiering via repartitie zwaar onder

tiviteit, waardoor er ook heel wat jobs waren

druk. Over enkele jaren staat tegenover elke

voor laaggeschoolden. Maar de globalisering

persoon die actief is op de arbeidsmarkt, ie-

vertaalt zich in een grotere neerwaartse druk

mand die dat niet is. Gekoppeld aan lage en

op de lonen, en dus een moeilijkere financie-

relatief voorspelbare inflatiecijfers heeft dit

ring van de sociale zekerheid. Dat geldt in het

geleid tot een hernieuwde interesse in kapita-

bijzonder voor de jobs voor laaggeschoolden.

lisatie.

Naarmate we onze economie richten op producten met een hogere toegevoegde waarde -

De typische gezinssituatie na We-

reldoorlog II, het zogenoemde kostwinners-

waar prijsconcurrentie minder speelt - wordt scholing nog belangrijker.

model, staat centraal in de constructie van de sociale zekerheid. De man ging werken, de

De Europese integratie laat zich

vrouw stond in voor de zorg voor het gezin.

voelen. Met de invoering van de Vlaamse

Dit verklaart de keuze voor de afgeleide soci-

zorgverzekering werd die impact zeer zicht-

ale rechten zoals het gezinspensioen en het

baar. Sociale zekerheidsregelingen mogen

overlevingspensioen. Gezinsvormen zijn nu

het vrij verkeer van werknemers, goederen en

meer divers en minder stabiel. Mensen kun-

diensten niet belemmeren. Sociale zekerheid

nen ook minder terugvallen op de solidariteit

beperken op basis van (sub)nationaliteit is

binnen het gezin. Dit heeft o.a. geleid tot een

bijv. niet mogelijk.

vraag naar individuele en opgesplitste rechten: sociale rechten die opeisbaar zijn los van de rechten van de partner.

Een gemiddelde loopbaan was re-

delijk stabiel. Men begon als werknemer in de privĂŠ-sector, zelfstandige of ambtenaar en bleef dat tot aan het pensioen. Dat liet toe om parallel verschillende stelsels van sociale bescherming te ontwikkelen, zonder echt oog

41


De omgeving anno 2010 verschilt fundamen-

Door de brede verspreiding van

teel van deze net na WO II. Toch zijn de ‘oude

betrouwbare anticonceptiva zijn de kosten

risico’s’ nog steeds aanwezig. Mensen willen

verbonden aan het opvoeden van kinderen

zich indekken tegen inkomensverlies en te-

minder onvoorspelbaar dan vroeger. Boven-

gen een aantal omvangrijke en onvoorspel-

dien dekt kinderbijslag verre van alle kosten

bare kosten.

verbonden aan het opvoeden van kinderen.

Maar kunnen we de oude risico’s nog wel adequaat afdekken in de gewijzigde omgeving?

Dit voorbeeld toont aan dat een permanente monitoring van doelstellingen, input en output van onze sociale zekerheid noodzakelijk is. Waar dat nodig is, moet het systeem ten gronde gewijzigd worden om de gewenste sociale bescherming te behouden.

Onze sociale zekerheid (en sociale

bescherming in het algemeen) slaagt er onvoldoende om bepaalde groepen, zoals de één-oudergezinnen en mensen die langdu-

De visie op het pensioen is funda-

rig van een vervangingsuitkering moeten le-

menteel veranderd. Oorspronkelijk ging men

ven, uit de armoede te houden. Zetten we de

uit van een gemiddelde beroepsloopbaan ‘tot

schaarse middelen onvoldoende gericht en

aan de dood’. Het pensioen was een buffer

onvoldoende selectief in?

ingeval ouderdom dit scenario doorkruiste. Vandaag verwachten we veel meer van dat zelfde pensioen. Een pensioen moet mensen in staat stellen om hun levensstandaard vol te houden gedurende heel wat jaren na een actieve loopbaan. De pensioenleeftijd is onveranderd gebleven, terwijl de levensverwachting door de vooruitgang van de medische wetenschap zeer sterk is toegenomen. De loopbaanduur werd dus relatief heel wat korter. Relatief minder inkomsten staan zo tegenover relatief meer uitgaven. Gekoppeld aan de vergrijzing en denataliteit zet dit de financiering van de pensioenen in het bijzonder, en de sociale zekerheid in het algemeen, zwaar onder druk. Doelstellingen van de sociale zekerheid moeten onvermijdelijk weer in lijn komen met de middelen.

40


Naast de ‘klassieke’ risico’s zagen ook een aantal nieuwe risico’s het licht:

Wie laag of verkeerd geschoold is,

geraakt maar moeilijk (terug) aan de slag. En wie lang werkloos blijft, loopt een sterk verhoogd risico op armoede. De evolutie naar een kenniseconomie maakt dat werknemers over andere vaardigheden moeten beschikken (evolutie van handen- naar hoofdarbeid, doorgedreven informatisering). Met andere woorden: gebrek aan (gepaste) scholing is een nieuw risico.

De combinatie van gezinstaken met

werk is heel wat lastiger geworden. Er zijn almaar meer tweeverdieners / alleenstaande ouders. Gebrek aan tijd is een nieuw risico. Een risico dat reeds gedeeltelijk ondervangen wordt door de thematische verloven en het tijdskrediet.

41


Solidariteit zonder grenzen? Wanneer de realisaties niet meer voldoende beantwoorden aan de verwachtingen worden mensen kritischer t.a.v. de sociale zekerheid. Het draagvlak kalft geleidelijk af. Dat blijkt ook uit de zeer sterke aangroei van private verzekeringen (pensioen, hospitalisatie). De solidariteit komt zo onder druk. Het begrip ‘solidariteit’ vergt wel wat toelich-

De solidariteit in de sociale zekerheid speelt zich af op een aantal niveaus:

Solidariteit tussen hoge en lage in-

ting. Het is bijv. niet zo dat het uitkeren van

komens. Deze solidariteit volgt vooral uit het

een werkloosheidsuitkering of een ziekte-uit-

feit dat bijdragen op de lonen onbegrensd

kering automatisch betekent dat we solidair

zijn, maar er wel een plafond bestaat voor

zijn met werklozen of zieken. Solidariteit is er

de berekening van de uitkering. In de feiten

pas wanneer mensen bereid zijn om een deel

vertaalt zich dat in een relatief klein verschil

van hun bijdrage aan de sociale verzekering

tussen de minima en de maxima.

om te zetten in rechten voor andere mensen (en dus te verzaken aan eigen rechten). In een

Solidariteit ten aanzien van ge-

private verzekering bestaat er geen ‘pure’ so-

zinnen met (en zonder) kinderen. Iedereen

lidariteit omdat er een directe band bestaat

draagt bij aan de financiering van de kinder-

tussen de bijdrage die betaald wordt en de

bijslagen. Het gezinspensioen is ook hoger

uitkering die volgt als bijv. het huis afbrandt.

dan dat van alleenstaanden (zelfs als de bij-

Wie niks betaalt, krijgt ook niks terug. Wie

dragen tijdens de loopbaan identiek waren).

veel betaalt, wordt in verhouding uitbetaald. In de sociale zekerheid is dat anders. Dat be-

Solidariteit tussen mensen met een

tekent ook dat de aanvullende verzekeringen

normale beroepsloopbaan en mensen met

(2de en 3de pijler pensioenen, hospitalisatie)

een korte beroepsloopbaan.

niet thuishoren onder de noemer sociale zekerheid. De ‘private sociale zekerheid’ is een contradictio in terminis.

42


Solidariteit is niet altijd gewenst. Een eerste vorm van ongewenste solidariteit kan volgen uit een gebrek aan controle. Wanneer werklozen bijv. onvoldoende inspanningen zouden leveren om een nieuwe job te verwerven, dan creëren ze ook vermijdbare uitgaven. En dus een hogere premie voor de anderen. Hetzelfde geldt voor mensen die zich schuldig maken aan sociale fraude. Sociale zekerheid is niet onvoorwaardelijk. Sociale rechten staan tegenover sociale plichten. De regels van het spel moeten door iedereen gerespecteerd worden. Maar soms staan ook de spelregels zelf ter discussie. Ook de ‘pure’ solidariteit is niet altijd meer gewenst. Grote groepen mensen vinden dat ze zeer veel betalen en te weinig terugkrijgen. De eindeloopbaan problematiek illustreert dit duidelijk. Wie op jonge leeftijd uit de arbeidsmarkt stapt, draagt minder bij aan de sociale zekerheid en zal gedurende langere periode een uitkering trekken. Dit vertaalt zich ten dele in het pensioenbedrag: een pensioen op basis van een onvolledige loopbaan is lager dat een pensioen op basis van een volledige loopbaan. Maar het verschil blijft vaak redelijk beperkt. Dit probleem wordt zeer duidelijk in geval van het brugpensioen: niet alleen is de maatschappij solidair door een werkloosheidsuitkering tot aan de leeftijd van 65 jaar te financieren, er worden over gans die periode ook nog volledige pensioenrechten opgebouwd. De solidariteit die gevraagd wordt aan mensen die op de arbeidsmarkt blijven, is zeer groot. Is dit nog verdedigbaar wanneer de gemiddelde uitkeringen zwaar onder druk staan?

43


Naar een modernere sociale zekerheid Een sociale zekerheid die meer

Mensen moeten ook afstappen van het idee

arbeidsgericht is. Sociale bescher-

dat een job voor het leven is. Chirurgen zul-

ming moet een stevige onderbouw hebben.

len op hun 65ste misschien niet meer de

We kunnen geen welvaart verdelen, zonder

vaste hand hebben die nodig is voor een pre-

ze eerst te creëren. De organisatie van de so-

cisieoperatie. Net zomin als bouwvakkers op

ciale zekerheid moet werken aanmoedigen.

hun 65ste nog kunnen zeulen met bakstenen.

Daarmee draagt ze bij aan haar eigen lange

Maar is dat een reden om mensen reeds op

termijn houdbaarheid. Werken moet ook in-

hun 55ste op non-actief te plaatsen? Mis-

zake sociale rechten, in het bijzonder het pen-

schien is het de gemakkelijkste oplossing,

sioen, meer renderen dan niet werken. Door

maar ze is niet houdbaar als we een sociale

het verschil tussen een belasting en een so-

bescherming op hoog peil willen behouden.

ciale bijdrage weer op scherp te stellen, vrij-

Meer dan vandaag moeten carrièreverande-

waren we ook het maatschappelijk draagvlak.

ringen overwogen en zelfs permanent voor-

Bovendien mag de sociale zekerheid geen

bereid worden. Een grotere professionele en

aanleiding geven tot werkloosheids- of inac-

geografische mobiliteit kunnen hier zeker toe

tiviteitsvallen. Mensen mogen niet financieel

bijdragen.

ontmoedigd worden om opnieuw voor een job te kiezen.

De sociale zekerheid kan zelf ook bijdragen tot die langere loopbaan via een verstandige

De werkloosheid is een brug naar werk. Daar-

aanwending van verlofstelsels. Dit sluit aan

om maken we beter een onderscheid tussen

op de flexizekerheidbenadering: de werkne-

de werkloosheidsuitkering als tijdelijke over-

mer is zeker dat hij kan terugvallen op een

gangsuitkering en de werkloosheidsuitkering

goede sociale bescherming én op kwaliteits-

als bescherming tegen armoede voor wie lang-

volle jobs. De werkgever kan arbeid flexibeler

durig zonder werk blijft. Al moeten beide sys-

inzetten, maar ook de werknemer krijgt tijd

temen erop gericht zijn om mensen terug aan

voor zijn of haar gezin.

de slag te krijgen. Ook ontslagbescherming kan omgebouwd worden tot een instrument

Tegelijk moeten we erkennen dat niet ieder-

voor loopbaanzekerheid. De manier waarop de

een is in staat om mee te draaien in de ‘gewo-

ontslagbescherming vorm krijgt, moet de ex-

ne’ economie. De verdere uitbouw van de so-

werknemer kansen geven op opleiding en out-

ciale economie is daarom noodzakelijk. Ook

placement. Een opzegtermijn wordt dan geen

dat draagt bij aan het draagvlak.

wachtperiode tot aan de werkloosheid, maar een ‘herlanceringsperiode’.

44


Meer uniformiteit nastreven.

Transparantie en verant-

Gemengde loopbanen zijn almaar meer de re-

woordelijkheid als kern-

gel. Grote verschillen tussen de verschillende

begrippen. Mensen kunnen pas verant-

stelsels van sociale zekerheid verhinderen een

woordelijk gesteld worden voor hun keuzes,

vlotte arbeidsmobiliteit. Hetzelfde geldt voor

als ze de implicaties ervan correct kunnen

het achterhaalde onderscheid in het arbeids-

inschatten. Informeren draagt ook bij aan het

recht tussen arbeiders en bedienden.

besef dat een goede sociale bescherming geen evidentie is maar inspanningen vergt van iedereen. Maar de vraag naar transparantie leidt ook naar lastiger vragen: draagt een roker zelf verantwoordelijkheid voor bepaalde aandoeningen? Kunnen mensen verantwoordelijk gesteld worden voor armoede? M.a.w. waar eindigt de individuele en waar start de maatschappelijke verantwoordelijkheid? De transparantie kan ook verbeterd worden aan de kant van de financiering: het tweepijler systeem waarbij enkel arbeidsgerelateerde risico’s nog gefinancierd worden via bijdragen op arbeid zou het wezen van de sociale zekerheid opnieuw scherper stellen. Dit impliceert ook dat ook andere inkomstenbronnen dan arbeid aangesproken worden om de sociale zekerheid te financieren. De transparantie kan ook verbeterd worden door de sociale zekerheid te beperken tot de echte sociale risico’s.

45


Een sociale zekerheid op maat

Preventie

van alle gezinsvormen. Eén vraag

De tijd dat sociale zekerheid synoniem was

staat daarbij altijd voorop: wat is de maat-

voor uitkeringen ligt achter ons. We moeten

schappelijke verantwoordelijkheid? In welke

vermijden dat mensen (langdurig) afhanke-

situaties willen we als samenleving solidair

lijk worden van een uitkering. Dit betekent

zijn? Een vraag die bijv. pertinent is in ge-

o.a. een versnelling van de beweging richting

val van pensioenrechten van beide partners:

dienstverlening. Bijv. permanente vorming

moet de maatschappij bijbetalen als één van

maakt dat het risico op werkloosheid op la-

de partners zelf geen rechten opgebouwd

tere leeftijd drastisch verkleind wordt. Ook

heeft, of is dat de (gedeelde) verantwoorde-

loopbaanbegeleiding, loopbaan advies, coa-

lijkheid van de partner?

ching, outplacement, … horen in dit rijtje van

en

dienstverlening thuis.

46

ondersteuning.


Realisme in de verwachtingen is nodig. Noch de sociale zekerheid, noch de overheid kan alle problemen van de mensen oplossen. Als mensen én gezin én werk én sport én cultuur én reizen én … willen combineren, zullen er nooit genoeg verloven zijn. Hetzelfde geldt voor de gezondheidszorgen: onderzoek leidt tot nieuwe therapieën en medicamenten. Vaak met een omvangrijk prijskaartje. Is het haalbaar om deze uitgaven te blijven verhalen op de sociale zekerheid? Meteen dringen zich zeer moeilijke vragen op: wat is een aanvaardbare kostprijs voor een extra levensjaar? Liever middelen inzetten op een grote groep patiënten dan op aandoeningen die zelden voorkomen? Of kiezen we voor meer selectiviteit, bijv. via het mechanisme van de maximumfactuur?


48


Start van het debat … Om de discussie aan te trekken, eindigen we deze bijdrage met vijfentwintig vragen. Misschien zijn het niet de meest dringende en zeker niet de enige. Ze zijn vooral bedoeld ‘ter inspiratie’.

Hoe staan we tegenover de opna-

me van een milieucorrectie als een nieuw principe in het Rijnlandmodel? Hoe ver willen we daar in gaan? Willen we een voortrekker zijn als dit op korte termijn extra kosten betekent of een competitief nadeel met zich brengt?

49


Hoe vermijden we meer sociale

Zijn we bereid en in staat om be-

ongelijkheid bij het doorvoeren van leefmi-

leidsniveaus op te geven die geen duidelijke

lieucorrecties? Moet het sociale altijd pri-

meerwaarde meer hebben? Zijn we ook be-

meren op het ecologische?

reid om bevoegdheden af te staan als een ander niveau die beter kan aanwenden?

Dient de overheid aan sectorbe-

Willen we een ‘zero-risk’ maat-

leid te doen? Met andere woorden: waar

schappij tegen gelijk welke kost? Hoe moet

liggen de grenzen van sectorkeuze en sec-

een overheid het verminderen van risico

torondersteuning?

afwegen tegen de stijging van de maatschappelijke kost?

50


Welke taken die de overheid mo-

Waar ligt de grens tussen be-

menteel zelf uitvoert, zou ze beter niet lan-

scherming van de privacy en de plicht van

ger als taak opnemen?

de overheid om fraude actief te bestrijden?

Op welke domeinen dient de overheid net

Waar ligt de grens tussen therapeutische

meer initiatief te nemen?

vrijheid van een arts en controle op het voorschrijfgedrag in het kader van een zuinig beleid?

Mag een overheid winst maken

Dient de overheid de bonussen

met de economische activiteiten die ze op-

in de privĂŠ-sector aan banden te leggen?

zet? Mag een overheid inkomsten blijven

Kan ze rechtstreeks ingrijpen in de hoogte

genereren via de energiefactuur?

van de vergoedingen of enkel in de toekenningscriteria (toespitsen op de lange termijn)? Is een internationale aanpak nodig?

51


Wat is de rol van het financieel

Moet de overheid een minimum-

stelsel in onze economie? Dient het financi-

doelstelling aanhouden inzake investeringen

eel stelsel enkel om ondernemers kapitaal

in innovatie? Ook als dat ten koste gaat van

te verschaffen of kan dat stelsel ook zelf

de budgetten voor sociale voorzieningen?

bepaalde

nevenactiviteiten

ontwikkelen

(zoals beursspeculatie)?

Wat is de rol van de overheid in

Moet de overheid een grotere rol

het financieel stelsel? Laat de overheid

spelen of opeisen in het sociaal overleg, en

de markt spelen en hanteert zij correcties

niet vooral de akkoorden helpen financie-

wanneer die markt faalt of treedt ze pro-

ren?

actief op om onevenwichtigheden in het financieel stelsel te voorkomen?

52


Is langer werken voor eenzelfde

Gaan we verder op het pad van het

loon een middel om de competitiviteit van

sociaal Europa? Bijv. via sociale minimum-

onze economie te verhogen?

rechten en een Europees sociaal overleg.

Is er een nieuwe consensus nodig

Willen we de solidariteit met de

inzake ondernemingsconflicten? Kunnen

korte beroepsloopbanen inperken? Zijn we

manieren gevonden worden om met res-

bereid om mechanismen van vervroegde

pect voor het stakingsrecht acties niet te

uittreding op de arbeidsmarkt (zoals brug-

laten uitmonden in te grote maatschappe-

pensioen) maximaal te ontmoedigen of he-

lijke en economische schade?

lemaal af te schaffen?

53


Hoe kunnen we het arbeidsaan-

Hoe kunnen we de rechten en

bod versterken? Kan dat ook door niet-

plichten van de sociaal verzekerde terug

werken minder aantrekkelijk te maken en/

scherper stellen?

of werk meer te laten lonen?

Kan een goede ontslagbescher-

Hoever willen we gaan in de ge-

ming synoniem zijn van een ontslagbe-

lijkschakeling van de sociale stelsels (werk-

scherming die werklozen ook activeert?

nemer, zelfstandige en ambtenaar)?

54


Is er nood aan meer solidariteit in

de samenleving?

Waar liggen de grenzen aan de so-

lidariteit in de gezondheidszorgen. Wat kan de samenleving financieren? Waar geldt de persoonlijke verantwoordelijkheid?

Hoe kunnen we een antwoord

Is het nuttig om naar Duits voor-

bieden op het zeer hoge armoederisico bij

beeld een ‘schuldenrem’ in te schrijven in de

eenoudergezinnen?

grondwet: een beperking van de schuld die een overheid mag aangaan?

55


Vormgeving: echgoed.be

Niko Gobbin, Wetstraat 89, 1040 Brussels

Verantwoordelijke uitgever / Responsable editor:


Het Rijnlandmodel