Issuu on Google+

Dit werkboekje is van 1) ............................................ ............................................ 2) ............................................ ............................................ 3) ............................................ ............................................ 4) ........................................... ........................................... Klas: 5A

HOEKENWERK HET UITVOEREN VAN PROEFJES


Lees eerst dit! 1) Lees de opdracht.

2) Voer de opdracht uit:

- Hou de tijd in het oog! - Overleg met elkaar!

3) Vul het blaadje in.

4) Controleer:

- Zijn alle opdrachten uitgevoerd? - Is alles ingevuld? - Zijn er geen fouten gemaakt?

5) Nog tijd over? Dan mag je de extra oefeningen bekijken.

6) Ruim op:

- Leg alles netjes voor de volgende groep. - Liggen de voorwerpen terug op hun plaats?

7) Schuif door als het muziekje start.

Veel plezier!!! â˜ş

2


Hoek 1: Lucht Materiaal:

1 spuit, 1 ballon en 1 nauwkeurige weegschaal.

Vraag 1 (voer de proef nog NIET uit!): Kunnen we een spuit gedeeltelijk indrukken als we met onze vinger het gaatje afsluiten? Dus: Is lucht samendrukbaar? (Schrap wat NIET past.) ja

nee

Waarom denk je dat? ................................................................................................................................................. .................................................................................................................................................

Wat doen we? Voer de proef uit. -

Neem de spuit en hou je wijsvinger tegen het gaatje van de spuit zodat de lucht niet meer kan ontsnappen. Druk met je duim de spuit in.

Wat voel je? ................................................................................................................................................. .................................................................................................................................................

Wat gebeurt er als je jouw vinger van het gaatje doet? ................................................................................................................................................. .................................................................................................................................................

Is lucht nu samendrukbaar? ................................................................................................................................................. 3


Wat moet je doen als je klaar bent? Nu mag iedereen in de groep het proefje eens uitvoeren. De uitvoerders kunnen eventueel assisteren.

Vraag 2 (voer de proef nog NIET uit!): Heeft lucht een gewicht? (Schrap wat NIET past.) ja

nee

Waarom denk je dat? ................................................................................................................................................. .................................................................................................................................................

Wat doen we? Voer de proef uit. -

Neem een ballon en blaas hem flink op. Weeg de opgeblazen ballon op de zeer nauwkeurige weegschaal. Laat nu de lucht uit de ballon en weeg opnieuw. Vul hieronder aan.

Ballon met lucht: ..................................................................................................................... Ballon zonder lucht: ................................................................................................................

Heeft lucht een gewicht? .................................................................................................................................................

Vraag nu de correctiesleutel en verbeter.

Indien je nog tijd over hebt, mag je de tekst lezen op de volgende bladzijde.

4


De ene dag is het windstil terwijl het de volgende dag flink kan waaien. Waar komt die wind vandaan? De zon verwarmt de aarde, maar niet overal evenveel. Waar de aarde het meeste verwarmd wordt, krijgt de lucht daar vlak boven ook de meeste warmte. Warme lucht is lichter dan koude lucht en stijgt omhoog. Dat kun je thuis bijvoorbeeld ook boven de verwarming of de kachel zien. Daar is het plafond zwarter, door de meegevoerde stofdeeltjes, dan in de rest van de kamer. De koudere luchtlagen zijn zwaarder en schuiven onder de warme lucht door. Die verplaatsing van lucht noemen we wind. Vooral aan zee kun je dat goed voelen. Daar waait het bijna altijd omdat de koelere lucht boven de zee onder de warme, omhoogstijgende lucht boven het land schuift. Wind is dus lucht die van de ene naar de andere plaats trekt. Je kunt zelf ook wind maken als je met een stuk papier wappert of bijvoorbeeld met een Spaanse waaier.

5


Hoek 2: Stoffen verdampen en condenseren Materiaal:

Vul de naam van onderstaande voorwerpen in.

.................................................................................................................................................

Vraag (voer de proef nog NIET uit!): Wat denk je dat er gebeurt als we water opwarmen? .................................................................................................................................................

We plaatsen boven het warme water een spiegel. Wat denk je dat je zal zien op de spiegel? .................................................................................................................................................

Wat doen we? Voer de proef uit. -

Vul de waterkoker voor de helft met water. Plaats de stekker in het stopcontact. Zet de waterkoker aan. Wacht tot het water gekookt is. Doe dan het klepje van de waterkoker open. Neem een spiegel bij de hand en hou deze 10 seconden boven de waterkoker.

Wat gebeurt er? Duid aan.

 Er gebeurt niets.  De spiegel dampt aan.  De spiegel springt stuk. Hoe ziet de proef eruit? Teken.

6


Trek het stopcontact uit en doe het warme water buiten in de goot.

Het besluit: vul in. Kies uit volgende woorden: verdampen – water – waterdamp – condenseren. Als je water verdampt, dan wordt het ...................................................................................... Als je waterdamp afkoelt, dan wordt het ................................................................................. Water opwarmen, noemen we .................................................................................................. Waterdamp afkoelen, noemen we ............................................................................................

Enkele voorbeelden uit het dagelijkse leven. Kies uit volgende woorden: verdampen – condenseren. Beslaan van brillenglazen als je een gerecht uit een hete oven haalt. .................................................................................................................................................

Bereiden van groenten met behulp van een stoommandje. .................................................................................................................................................

Beslaan van de spiegel als je in bad gaat. .................................................................................................................................................

Vraag nu de correctiesleutel en verbeter.

Indien je nog tijd over hebt, mag je de tekst lezen op de volgende bladzijde.

7


Als het in de zomer erg warm is, zoek je vaak koelte in het bos. Waarom is het daar koeler, dan in de tuin onder een boom? In een bos is de schaduw meestal iets dieper dan onder een enkele boom. Toch is dit niet de oorzaak van de koelte in het bos. Die koelte komt vooral door de vochtige lucht. De bomen en de bosplanten nemen met hun wortels water op uit de grond. Dat water wordt door kanaaltjes naar het blad gebracht. Het blad laat het water verdampen. Voor het verdampen van vocht is warmte nodig. Bij warm weer wordt er meer water verdampt dan bij koud weer. Die warmte wordt aan de lucht onttrokken. In het bos, waar veel meer planten staan dan bij ons in de tuin, is het dan ook niet alleen vochtiger maar ook koeler.

Als het hard gevroren heeft, vind je vaak prachtige gevormde ijsbloemen op de ramen. Hoe worden die gevormd? De lucht in huis is vochtig. Er wordt ook een heleboel water verdampt. Dat komt door onze adem, door eten te koken, door de planten in huis en nog veel meer. Als het erg koud is, slaan die verdampte vochtdeeltjes in de lucht tegen de koude ruit neer en veranderen in water. Ze condenseren. Is de ruit bevroren, dan verandert het gecondenseerde water meteen in ijskristallen. Die vormen zich om in kleine stofdeeltjes, die op het raam zitten. Het hangt van de plaats van die stofdeeltjes af hoe de vorm van de ijskristallen wordt. Het worden soms prachtige ijsbloemen. Als je er een vinger tegenaan houdt, smelt het ijs door de warmte van je huid. Op die plaats wordt het dan weer water.

8


Hoek 3: Trillend geluid Materiaal:

1 ballon en 2 dezelfde flesjes.

Vraag 1 (voer de proef nog NIET uit!): Als je een radio heel luid zet, lijkt het net alsof de muziek door je lichaam heen gaat. Wat is geluid nu eigenlijk? Hoe komt het dat je het soms kan voelen? ................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................. .................................................................................................................................................

Wat doen we? Voer de proef uit. -

Neem de ballon en blaas hem op. EĂŠn uitvoerder legt de handen zachtjes tegen de ballon. De andere uitvoerder zet de lippen zachtjes tegen de ballon en praat tegen de ballon.

Wat voelt degene met de handen tegen de ballon? ................................................................................................................................................. .................................................................................................................................................

Kun je ook andere geluiden voelen? Welke? ................................................................................................................................................. .................................................................................................................................................

Besluit: Geluid bestaat uit een ...................................................................................... Wat moet je doen als je klaar bent? Nu mag iedereen in de groep het proefje eens uitvoeren. De uitvoerders kunnen eventueel assisteren.

9


Vraag 2 (voer de proef nog NIET uit!): Bestaat geluid werkelijk uit trillingen? (Schrap wat NIET past.) ja

nee

Wat doen we? Voer de proef uit. -

Hou één van de 2 gelijke flesjes bij je oor (er niet tegenaan). Praat zachtjes in het andere flesje.

Wat hoor je? ................................................................................................................................................. .................................................................................................................................................

Lukt het ook als iemand anders in het flesje praat? .................................................................................................................................................

Bestaat geluid nu echt uit een trilling? Denk goed na en probeer in te vullen. Geluid bestaat uit ……………………………… Door in de fles te …………………………... laat je de fles trillen. De fles waar je in praat gaat ……………………………… door het praten. Daardoor gaat de ……………………………… er omheen trillen. De lucht om de fles bij je oor gaat hierdoor ook ……………………………… De fles bij je oor trilt het liefst op die

manier

en

gaat

ook

………………………………

Daardoor

kun

je

de

……………………………… in de andere fles horen.

Wat moet je doen als je klaar bent? Nu mag iedereen in de groep het proefje eens uitvoeren. De uitvoerders kunnen eventueel assisteren.

Vraag nu de correctiesleutel en verbeter.

Indien je nog tijd over hebt, mag je de tekst lezen op de volgende bladzijde. 10


Een vliegtuig kun je vaak al zien aankomen voordat je het kunt horen. Wat is geluid hierbij? Als je aan de rand van stilstaand water staat, zie je soms een visje bovenkomen. Waar op dat punt het water bewogen is, verschijnt een kring. Die kring wordt steeds groter totdat hij aan de waterkant komt. De rimpels zelf worden wel steeds oppervlakkiger. Je kunt je geluid op bijna dezelfde manier voorstellen. Geluid bestaat uit trillingen van de lucht. Die trillingen moeten natuurlijk ergens vandaan komen. Dat is bijvoorbeeld de beweging van het vliegtuig. Het verplaatst de lucht en die luchtgolving zet zich steeds verder voort. Als de trillingen ons oor bereiken, ‘horen’ we het vliegtuig. Omdat het licht sneller is, kunnen we het vliegtuig eerder zien dan horen.

11


Hoek 4: Schoon geld Materiaal:

1 flesje citroensap, 1 glas, 2 munten van 1 cent en stromend water.

Chemie of scheikunde lijkt een beetje op toveren: allerlei stoffen mengen in buisjes en flesjes… Maar wist je dat de wereld rondom je uit chemie bestaat? Probeer het zelf maar eens uit.

Vraag (voer de proef nog NIET uit!): ‘Nieuwe’ geldstukken blinken altijd mooier dan gebruikte munten. Hoe komt dat, denk je? ................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................. .................................................................................................................................................

Wat doen we? Voer de proef uit. -

Doe wat citroensap in een glas. Doe 1 of 2 munten van 1 cent in het glas. Wacht nu 5 minuten. Lees de volgende opdrachten al en los ze op.

Wat gaat er volgens jou gebeuren? ................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................. .................................................................................................................................................

Hoe ziet de proef eruit? Teken.

12


Spoel na 5 minuten de munten af onder de kraan. Wat zie je? ................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................. .................................................................................................................................................

Lees onderstaande tekst. Munten van 1 cent zijn gemaakt van staal met daaroverheen een laagje koper. Zo’n munt wordt na verloop van tijd dof. Dat komt door de zuurstof die in de lucht zit. Die zuurstof tast het koper aan en vormt een laagje koperoxide. Je kunt dat vergelijken met roest. Een ander woord voor roest is ijzeroxide. Om dat doffe laagje weg te krijgen, heb je een zuur nodig (bijvoorbeeld: citroensap, azijn, cola, …).

Een weetje: Wist je dat poetsproducten gemaakt zijn op basis van een zuur? Daarom prikken zeer sterke producten je huid als je ze niet verdunt met water.

Nog een weetje: Waar komt het woord ‘munt’ vandaan? Romeinse munten werden geslagen in een tempel. De eerste muntstukken werden gemaakt in de zevende eeuw voor Christus. De bewoners van Lydië in Klein-Azië vonden toen in de rivieren een metaal dat zij ‘elektron’ noemden. hiervan liet de koning klompjes maken waarop een leeuwekop werd aangebracht. Die klompjes waren de eerste munten. De Griekse steden volgden het voorbeeld van Lydië, maar zij gebruikten zilver als muntmateriaal. De munten van de Romeinen werden geslagen in de tempel van Iuno Moneta in Roma. Van moneta naar ‘munt’ waar maar een kleine stap.

Vraag nu de correctiesleutel en verbeter.

Indien je nog tijd over hebt, mag je het kruiswoordraadsel oplossen op de volgende bladzijde. Daar worden vraagjes gesteld over bovenstaande tekst.

13


Los het kruiswoordraadsel op. Horizontaal: 1) Geef een synoniem voor het woord ‘roest’. 3) Waar ontstonden de eerste muntstukken? 4) Wat werd door de koning van Lydië op een klompje aangebracht? 7) Wat heb je nodig om het doffe laagje op muntstukken weg te krijgen?

Verticaal: 2) Wat werd door de Grieken gebruikt als muntmateriaal? 5) Uit welk materiaal is het bovenste laagje van een muntstuk van 1 eurocent gemaakt? 6) Geef hier een voorbeeld van een zuur product.

14


Hoek 5: Spiegels Materiaal:

Bijlage 1: Tekening Bijlage 2: Spiegelschrift 1 spiegel

Vraag 1 (voer de proef nog NIET uit!): Wat gebeurt er als ik in een spiegel kijk? ................................................................................................................................................. .................................................................................................................................................

Bekijk de tekening die op de bank ligt (bijlage 1) en vul de eerste kolom aan. Schrap wat niet past. Bekijk nadien de tekening in de spiegel en vul de andere kolom aan. De tekening

De gespiegelde tekening

De pukkel staat …

links/rechts

links/rechts

De kroon staat …

links/rechts

links/rechts

Het staartje staat …

links/rechts

links/rechts

De letter H staat …

links/rechts

links/rechts

De ring staat …

links/rechts

links/rechts

Vergelijk beide kolommen. Wat stel je vast? ................................................................................................................................................. .................................................................................................................................................

Vraag 2: Kun jij spiegelschrift lezen? (Schrap wat NIET past.) ja

nee

15


Neem het spiegelschrift dat op de bank ligt (bijlage 2) en schrijf hieronder de tekst. ................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................. .................................................................................................................................................

Vraag 3: Wat is een periscoop? Als je het niet weet‌ zoek je het op in de woordenboek! ................................................................................................................................................. .................................................................................................................................................

Vraag nu de correctiesleutel en verbeter.

Indien je nog tijd over hebt, mag je de tekst lezen op de volgende bladzijde.

16


Spiegelschrift Het beeld in de spiegel noemen we het spiegelbeeld. Het draait alles van links naar rechts of omgekeerd.

In een spiegel wordt je evenbeeld weerkaatst. Hoe worden spiegels gemaakt? De achterkant van het spiegelglas wordt met een heel dun laagje zilver bedekt. Dat zilver is vermengd met nog een aantal andere stoffen. Over het laagje zilver heen komt een dun laagje lak en vaak nog een laagje verf waarin geen olie zit. Dat is nodig om het zilveren laagje tegen krassen te beschermen. Als je in de spiegel kijkt, wordt het licht in het glas door het zilveren laagje erachter teruggekaatst.

17


Hoek 6: Communicatie Materiaal:

Bijlage 1: Morsealfabet Bijlage 2: Geheimschrift Bijlage 3: 8 pictogrammen Bijlage 4: Hiërogliefenalfabet 1 zaklamp, 1 spiegel

Vraag 1 (voer de proef nog NIET uit!): Kan jij communiceren met het morsealfabet? (Het morsealfabet is het alfabet van punt- en streeptekens). Lees de uitleg hieronder. (Schrap wat NIET past.) ja

nee

Om te communiceren heb je een zender, een boodschap en een ontvanger nodig. Dat heb je al geleerd. Natuurlijk heb je verschillende manieren waarop een boodschap verzonden kan worden. Wij leren vandaag wat meer over het morsealfabet. Met dit alfabet kunnen we letters, woorden en ook zinnen naar elkaar doorseinen, we kunnen dit doen met een zaklamp, een fluitje en ook schriftelijk. Dit alfabet zie hier 4 keer op de tafel liggen (bijlage 1). Je ziet dat elke letter wordt voorgesteld aan de hand van puntjes en streepjes. Een puntje wil zeggen dat we alles kort doen, een streepje wil zeggen dat we alles lang doen. Hieronder een proefje. Daardoor wordt dit zeker duidelijk.

Wat doen we? -

1 uitvoerder neemt de zaklamp en seint een letter door naar de andere 3 groepsleden. Deze groepsleden zoeken welke letter uitgebeeld werd. Uitvoerder: een ‘punt’ betekent kort schijnen, een ‘streepje’ betekent lang schijnen met de zaklamp. Jullie mogen nadien wisselen. Iedereen van het groepje mag eens aan de beurt komen.

-

Jullie zien op de tafel nog 4 bladen liggen (bijlage 2). Hier staat een geheimschrift op. Vergeet niet… elke schuine streep (/) betekent een nieuw woord. Probeer het zo snel mogelijk te ontcijferen. Werk op een apart blad. Wie eerst is, wint! Schrijf nadien de zin nog eens hieronder. ........................................................................................................................................... ........................................................................................................................................... ........................................................................................................................................... 18


Vraag 2 (voer de proef nog NIET uit!): Kan jij communiceren met pictogrammen? (Schrap wat NIET past.) ja

nee

Wat doen we? -

Je staat er misschien niet bij stil, maar elke dag communiceren wij ook met pictogrammen. Wat betekenen de pictogrammen die op jullie bank liggen (bijlage 3)? Bespreek in groep. 1) ....................................................................................................................................... 2) ....................................................................................................................................... 3) ....................................................................................................................................... 4) ....................................................................................................................................... 5) ....................................................................................................................................... 6) ....................................................................................................................................... 7) ....................................................................................................................................... 8) .......................................................................................................................................

-

Weten jullie het nog? Hoe noemt het schrift van de Egyptenaren ook alweer? Het ....................................................................................................................................

Lees onderstaande tekst aandachtig. Het schrift van de Egyptenaren noemen we ook wel het beeldschrift. Je kunt het vergelijken met pictogrammen. De ‘letters’ van de Egyptenaren waren afgeleid van een tekening van iets uit de omgeving. De naam ‘hiërogliefen’ is afgeleid van 2 Griekse woorden: ‘hiëros’ (heilig) en ‘glypho’ (in steen gebeiteld). Dit geschrift kunnen we dus eigenlijk vergelijken het ‘pictogrammenschrift’.

19


Wat staat hieronder geschreven? Maak gebruik van het hiërogliefen-‘alfabet’ dat jullie vinden in bijlage 4. Daar vinden jullie onderstaande hiërogliefen ook. Wie kan het woord als eerste ontcijferen?

........................................................................................................................................... ...........................................................................................................................................

Vraag nu de correctiesleutel en verbeter.

Indien je nog tijd over hebt, mag je nog wat communiceren met het morsealfabet. Probeer nu in plaats van letters woorden uit te beelden met de zaklamp.

20


Werkboekje techniek