Issuu on Google+

instituut paramedische studies

de

praktijk, bron van inspiratie Samen werken aan excellente zorg en uitstekend onderwijs


de

praktijk, bron van inspiratie Samen werken aan excellente zorg en uitstekend onderwijs


Inhoud voorwoord

Theo Joosten Directeur IPS

4

uit de praktijk

Alma van Hoften Fysiotherapie

6

Sanne Diepeveen Logopedie

10

Mariska Dute Voeding & Diëtetiek

14

Sabine van Erp Ergotherapie

20

Femke Spikmans Voeding & Diëtetiek

24

Marie-Hélène Kurstjens Mondzorgkunde

28

Lianne Remijn Logopedie

32

Marjolein Thijssen Ergotherapie

36

Henk Nieuwenhuijzen Fysiotherapie

40

Henry van Heel Mondzorgkunde

44


voorwoord Theo Joosten Directeur IPS

Verhalen om te inspireren Bijna alle paramedische opleidingen zijn in de eerste helft van de vorige eeuw ontstaan. De doorontwikkeling van de verschillende beroepen is veroorzaakt door de soms grote uitdagingen waarvoor men zich gesteld zag. Zo zijn de twee wereldoorlogen sterk van invloed geweest op de ontwikkeling van zowel de fysiotherapie en ergo­ therapie als de logopedie. Gewonde soldaten en andere oorlogsslachtoffers moesten immers revalideren. Inzet hierbij was natuurlijk volledig herstel. Als dit echter niet meer mogelijk was, werd met de patiënt gezocht naar een andere manier om een betekenisvolle invulling te geven aan zijn leven. Inmiddels zijn de paramedische beroepen niet meer weg te denken in het totaal van zorg en welzijn; niemand in Nederland twijfelt dan ook aan het nut en de betekenis. De paramedische beroepspraktijk is uiterst gevarieerd en veelkleurig. Er wordt gewerkt in ziekenhuizen, verpleeg­ huizen, in de eerste lijn, op scholen, in de sport en meer. De same­n­­werking vanuit de eigen discipline is in toenemende mate interdisciplinair en op ‘evidence’ gebaseerd. Ons instituut herbergt vijf prachtige paramedische opleidingen, te weten Ergotherapie, Fysiotherapie, 6

Logopedie, Mondzorgkunde en Voeding & Diëtetiek. Deskundige en hooggekwalificeerde medewerkers zorgen elke dag voor toponderwijs. Onze studenten tonen zich leergierig en betrokken in een praktijkgerichte onderwijs­ context. Om het onderwijs optimaal aan te laten sluiten op de beroepspraktijk zijn levendige voorbeelden onmisbaar. Een docent die vanuit zijn ervaring enthousiast kan verhalen over de praktijk, kan rekenen op de onverdeelde aandacht van zijn ‘publiek’. Door de ervaringen van de docent begrijpen studenten hoe de praktijk van alledag eruitziet, wat cliënten in hun leven beweegt en hoe ze in hun vak daarop aan kunnen sluiten. En zo ontwikkelen ook studenten weer een eigen kijk op die praktijk. Dit boekje gaat over het verhaal achter ons onderwijs: de inspirerende praktijk, zoals onze docenten deze elke dag de opleiding binnen brengen, en het verhaal van de student, die zich tijdens zijn opleiding steeds meer een beeld vormt en een visie verwerft op die praktijk.


En, niet in de laatste plaats: het verhaal van ons onderwijs dat altijd in beweging is, dat steeds direct aanhaakt bij de ontwikkelingen in het paramedisch beroepenveld. Dit om maximaal te blijven voldoen aan alle eisen die je aan modern onderwijs mag stellen. Alle verhalen in dit boekje zijn bijzonder en uniek. Ze zijn bedoeld om te inspireren, zodat we nog effectiever en efficiënter de toekomst tegemoet kunnen treden, vanuit alle uitdagingen die er in het nu zijn. Heel veel leesplezier toegewenst.

‘Dit boekje gaat over het verhaal achter ons onderwijs.’

Theo Joosten Directeur Instituut Paramedische Studies (IPS) 7


uit de praktijk Alma van Hoften Fysiotherapie

Voor het laatst naar buiten kijken... Ik zal nooit vergeten dat ik een patiënt had met huidkanker, een jonge man met een gezin. Op een gegeven moment kreeg hij tumoren op zijn arm, dat waren net frambozen. Hij moest elke dag behandeld worden, want anders werd zijn arm enorm dik. Met een speciale massagetechniek kun je dan het vocht afvoeren, zodat die arm niet al te erg opzwelt. Ik ging tussendoor een weekje op vakantie en ik had vervanging geregeld. Het was een heel gezellig, spontaan gezin dat niet moeilijk deed, dus ik dacht dat het wel goed zou komen. Ik had de collega die me zou vervangen alles uitgelegd, maar toen bleek dat ze nog nooit zulke tumoren had gezien. Ze was zich rot geschrokken en had dat ook duidelijk laten merken. “Moet ik daar met mijn blote handen aankomen?” had ze gevraagd. Het ontroerendste was, dat deze doodzieke man het enorm met haar te doen had. Sinds dat is gebeurd, laat ik dit soort dingen nooit meer aan een vervanger over. Dan maar wat later op vakantie. Je krijgt zo’n nauwe band met stervende mensen, dat kun je niet uitleggen. De meeste fysiotherapeuten kiezen niet voor deze doelgroep; het moet je ook echt liggen. Het is ook iets

8

anders dan iemand helpen met een sportblessure, natuurlijk. Of iemand die zegt: “Als ik hier druk, doet het daar pijn.”

naar buiten kijken Ik begeleid regelmatig stervenden aan huis, dat heet palliatieve/terminale behandeling. Je doet dan ontspannings­ therapie, massage of ademhalingstherapie. Het is heel dank­baar werk; de mensen zijn heel blij met je komst. Soms raken ze in paniek en dan kun je ze rust geven door middel van een andere ademhaling of een massage. Je bent er vaak, op het eind zelfs in het weekend. Ze zijn aan jou gewend en je zit in dat proces; je kunt heel veel voor hen betekenen. Tot en met de laatste dag kun je zinnige behandelingen uitvoeren. Ik had eens een vrouw die al weken op haar sterfbed lag en het zou niet lang meer gaan duren. Ze wilde zo graag nog een keertje in haar stoel voor het raam zitten en naar buiten kijken. Ik heb haar partner toen geleerd hoe hij haar het beste in de stoel kon tillen, zodat hij haar kon helpen. Zo konden ze die laatste momenten nog samen iets doen.


‘Dan maar wat later op vakantie.’


uit de praktijk Alma van Hoften Fysiotherapie

‘Na het werk ga ik vaak naar de hei en loop ik alle boosheid of verdriet van me af, en dan pas ga ik naar huis.’ Alma van Hoften-Dick is docent Fysiotherapie. Ze is vijfendertig jaar werkzaam als fysiotherapeut, waarvan de meeste tijd bij een gezondheidscentrum in Gelderland. Zij heeft zich onder andere gespecialiseerd in het begeleiden van stervenden.

intensief Het samenwerken rond een stervende patiënt is heerlijk. Want iedereen die er mee bezig is, die kiest bewust voor dat vak. Het zijn meestal mensen met levenservaring. Je bent er heel intensief mee bezig en dan is het erg fijn als je veel bij elkaar kwijt kunt. Ik werk expres niet in de plaats waar ik woon, want ik wil wel afstand kunnen nemen. Na het werk ga ik vaak naar de hei en loop ik alle boosheid of verdriet van me af, en dan pas ga ik naar huis.

even binnenlopen Vijfendertig jaar ben ik nu werkzaam als fysiotherapeut, de meeste tijd in een gezondheidscentrum dat nu al ruim dertig jaar bestaat. Dat centrum was uniek binnen Gelderland. Het is een groot gebouw, met alle eerstelijnszorg onder een dak. Vroeger zaten de huisartsen in woonhuizen, wij fysiotherapeuten in een ander huis, en de wijkverpleegkundigen onder in een flat. Je kwam elkaar soms 10

pas tegen bij de patiënt als je iets wilde overleggen. Eer je iemand via de telefoon te pakken had, was er ook zo een week voorbij. Nu loopt de huisarts bij me binnen voor een patiënte met keelkanker, want ze weet dat het mijn specialisatie is. Ik doe onderzoek, geef advies, laat de mevrouw thuis oefenen, en na een paar weken lopen we bij mijn buurvrouw de logopedist binnen voor een sessie met z’n drieën. Normaal gesproken moet ik de logopedist bellen, mijn verhaal doen, de patiënt weer bellen, een afspraak maken, de huisarts weer bellen voor een verwijzing, etcetera. Als ik nu met een team bezig ben aan iemands sterfbed, dan loop je zo binnen bij elkaar. Je drinkt samen koffie of je praat even van je af tijdens de lunch. Je bent niet meer de dokter, de wijkverpleegkundige, de dit of de dat; je bent met zijn allen bezig met hetzelfde doel. Voorheen zaten we allemaal apart, en dan moet je het echt alleen doen. Nu doe je het allemaal samen, als een team. Dat zou veel meer moeten gebeuren.


Menno Pistorius Adjunct-directeur

Welkom in het Praktijkhuis! Het Praktijkhuis is een nieuwe interdisciplinaire leerwerkomgeving binnen de gezondheidsopleidingen van de HAN. Het Praktijkhuis is gevestigd in een aparte vleugel van het onderwijsgebouw. Het is opgericht in samenwerking met het Instituut Verpleegkundige Studies (IVS). Kleinschaligheid, ontmoeting en een eigen beroeps­sfeer gaan hier hand in hand met multidisciplinair leren en werken en innovatie van de zorg. De buitenwereld en de HAN komen er samen, onderzoek en onderwijs versterken elkaar daar. In het Praktijkhuis leren studenten samen te werken aan realistische praktijksituaties onder begeleiding van een docent. Zo worden beroepsvaardig­ heden geoefend en leren studenten alvast goed samen te werken met en voor de cliënt.

11


uit de praktijk Sanne Diepeveen Logopedie

Succesverhaal Een cliënt die me goed bijstaat is een jongetje van negen, laten we hem Mees noemen, die op heel jonge leeftijd zeer ernstig ziek is geweest. Gelukkig is hij daarvan genezen, maar helaas heeft zijn fijne motoriek zich niet goed ontwikkeld. Zijn spieren zijn verzwakt en hij kan niet goed schrijven. Tijdens de behandeling daarvoor door een ergotherapeut, bleek hij ook dyslectisch te zijn. De fouten die hij maakt, zijn dus niet alleen aan zijn motoriek te wijten.

gemotiveerd Mees komt uit een fijn gezin, dat erg gemotiveerd is. Dat is belangrijk, want de behandeling is erg intensief en vraagt veel inzet van ouders en omgeving. Zijn oudere zus van veertien is zijn ‘cotherapeut’, zoals dat heet. Zij zit er meestal bij als ik een afspraak met haar broertje heb. Dat werkt heel prettig, want zo ziet ze precies hoe ik het aanpak. Het is belangrijk dat zij dezelfde methode hanteert als ze zijn werk nakijkt. Ze bespreekt thuis zijn oefeningen met hem. Ze vraagt: “Kijk nog eens naar wat je geschreven hebt”, zonder te zeggen of het goed of fout was. Vervolgens vraagt ze: “Kijk eens naar de eerste lettergreep; is die goed?” en zo verder. Het bijzondere bij dit gezin, is dat de zus

12

waarschijnlijk ook dyslexie heeft. Ze vertelde me dat het oefenen met haar broertje haar geholpen heeft met haar taal. Ze heeft veel meer inzicht gekregen en maakt minder fouten. Het handschrift van Mees is door de problemen met zijn fijne motoriek zeer moeilijk leesbaar. Om die reden doet hij veel op de pc, zonder spellingscontrole uiteraard. Hij moet nog verder behandeld worden door de ergotherapeut, maar een dubbele behandeling is te heftig, dus zijn we daar even mee gestopt. Wel heeft de ergotherapeut me uitgelegd wat de beste schrijfhouding is en raadt ze het gebruik van een speciaal lijntjesschrift aan. Het is mooi als Mees dat alvast meeneemt.

afstemming met school Ook de school moet meewerken voor het beste resultaat. Na een behandeling of tien neem ik contact op met de leerkracht, zodat er schoolwerk meekomt naar onze behandelsessies. Soms spreek je af dat ik aan ‘pre-teaching’ doe. Dat wil zeggen dat ik alvast dingen oefen met de cliënt, voordat ze daar op school mee bezig zijn. Elke school gebruikt weer een andere methode, dus dat vergt veel afstemming.


‘Ze vertelde me dat het oefenen met haar broertje haar geholpen heeft met haar taal. ’


uit de praktijk Sanne Diepeveen Logopedie

‘Soms denken ze dat het al genoeg is als een kind logopedie krijgt, maar dan begint het pas.’ Sanne Diepeveen is naast docent ook logopedist en orthopedagoog in het dyslexiecentrum in Wijchen. Ze vertelt over haar cliëntje Mees.

14

Soms denken ze dat het al genoeg is als een kind logopedie krijgt, maar dan begint het pas. Mees en zijn zus kwamen laatst vragen wanneer de behandeling klaar was, want het werd ze te veel. Motivatie is het allerbelangrijkste, dus heb ik gevraagd wat hij leuk zou vinden om te doen als huiswerk. Na even praten, kwamen we op het maken van werkstukken. Zijn eerste werkstuk ging over keepen. Leuk, hè?

Het dyslexiecentrum Wijchen, waar ik werk, heeft ook een dependance in het gezondheidscentrum waar de ergotherapeut zit, dus het contact gaat gemakkelijk en informeel. We doen de jaarlijkse reanimatiecursus samen, en één keer per jaar hebben we ook met zijn allen een barbecue. Dat is met opzet zo afgesproken, om de informele samenwerking te bevorderen.

barbecue

succesverhaal

Het aantal behandelingen verschilt sterk per kind. Mees is de laatste tijd zo goed vooruit gegaan, dat hij binnenkort kan stoppen. Hij leest nu op het niveau van zijn klas, groep zes, en dat is heel knap. Ik heb afgesproken met zijn school dat ze een paar extra toetsen afnemen, die ik ook kan gebruiken. Het is de bedoeling dat er een soort overleg komt tussen de ergotherapeut en mij, want zij gaat weer verder met zijn fijne motoriek.

Meestal krijgt een cliënt nog een hele tijd een soort onderhoudsbehandelingen, maar Mees en zijn ouders en zus zijn zo gemotiveerd dat dat bij hem niet nodig zal zijn. Hij vindt het leuk om steeds beter te leren lezen en schrijven, dus hij zal echt wel doorgaan met oefenen. Ook voor zijn zus is het belangrijk dat ze ermee doorgaat. Voor het hele gezin is dit een soort succesverhaal geweest, en dat is mooi om te zien.


Annica Moll en Mareen Brösterhaus Studenten Logopedie Duitse afdeling

Soms maak je verschil Annica Moll (23) en Mareen Brösterhaus (22) zijn twee Duitse studenten die op de HAN sinds 2008 het speciale Duitse programma Logopedie volgden. Dit jaar hebben ze hun studie afgerond en gaan ze terug naar hun vaderland. Annica: “Voordat ik deze studie begon, dacht ik eigenlijk dat je als logopedist alleen met kinderen werkte. Toen kwam mijn eerste stage in een praktijk waar alles langskwam wat je zoal tegenkomt als logopedist, en leerde ik dus dat het vakgebied veel breder is. Toch kom ik uiteindelijk weer bij de kinderen uit, dat vind ik nu eenmaal het leukst. Hoewel ze tegen mij zeiden dat ik ook goed was in het motiveren van juist oudere mensen. Ik vind dat ik nu nog te weinig ervaring heb om bijvoorbeeld patiënten met dysfagie (slikproblemen) te behandelen. Daarom durf ik die verantwoordelijkheid niet aan. Met kinderen kun je ook dingen fout doen, maar dan heb je altijd ruimte om te corrigeren. Dan gaat het niet over het verschil tussen leven en dood …” Mareen: “Ik heb stage gelopen in een neurologische kliniek, in een gewone praktijk, en in de kinder- en jeugdpsychiatrie. In dit laatste vakgebied zou ik graag willen werken, maar er worden daar niet veel logopedisten gezocht, helaas. Tijdens mijn stage heb ik gewerkt met kinderen met bijvoorbeeld ADHD, of verwaarloosde kinderen. Die varieerden in leeftijd van vier tot achttien jaar.

Er was een jongetje van een jaar of acht, met een permanent slecht humeur en een zeer kleine woordenschat. Soms was hij agressief en gooide hij met spullen. Hij bleek erg gefrustreerd te zijn omdat zijn mogelijkheden om te communiceren zo beperkt waren, en ik kon hem daar echt mee verder helpen. En alleen al een uurtje aandacht; dat had hij nog nooit meegemaakt. Als zo’n jongen, die nooit lachte, ineens laat merken dat hij het fijn vindt bij je, dan doet je dat wel wat. Dan merk je dat je een verschil kunt maken, en dat motiveert. Ik hoop dat ik uiteindelijk een baan kan vinden in deze richting.” Annica: “De organisatie van de studie mag van mij nog strakker, maar verder is het goed bevallen.” Mareen: “Ik moest elke dag veertig minuten heen en veertig weer terug naar huis. Dat was wel zwaar. Maar de relatie met de docenten was goed, en de groep was ‘close’. Dat was gezellig.”


uit de praktijk Mariska Druten Voeding & Diëtetiek

‘Voor topsport moet je veel laten.’ Het waren grote, lompe kerels, waterpolospelers, die heel veel kunnen eten en dat ook deden. Te veel en te vet. Maar goede voeding is een sleutel voor succes. De verhouding koolhydraten/vetten is voor een wedstrijd heel belangrijk, dus moest ik ze als diëtist hun hamburgers met frieten gaan verbieden. Omdat het topsporters waren, wisten ze dat ze er iets voor over moesten hebben als ze goed wilden presteren. De trainer legde ze dat ook op. Toen dit semiprofessionele team (BZ&PC Borculo) een belangrijk Europees toernooi had in Spanje, vroeg hun fysiotherapeut aan mij of ik me met hun dieet kon bezighouden. Dat was voor mij een leuke uitdaging. Ik hoefde niet mee; als ik maar van te voren hun hele voedingsschema had vastgesteld. De trainer zou het uitvoeren in Spanje, zo belangrijk vond hij gelukkig de afgestemde voeding.

harde trappen Waterpolo is een zware sport. Vaak krijgen de spelers harde trappen onder water, en fysiotherapie is dan ook belangrijk voor een goed herstel van hun lichaam. Soms wordt daaraan voorrang gegeven ten opzichte van etenstijden, terwijl die volgens de diëtetiek juist cruciaal zijn. Je moet

16

bijvoorbeeld drie uur voor de wedstrijd je laatste grote maaltijd eten, anders is die niet verteerd en heb je er last van. De afstemming tussen de fysiotherapeut en de diëtist is dan ook erg belangrijk. Ook dingen als het meten van het vetpercentage en de lichaamssamenstelling worden soms aan de fysiotherapeut overgelaten, maar het is echt een vak apart. Ik vond het dan ook heel mooi dat ze mij in de arm hadden genomen. Waterpolo is nou niet echt een sport waar veel geld in omgaat, dus voor hetzelfde geld hadden ze geen diëtist ingehuurd. Ik heb achteraf van de trainer teruggehoord dat ze zich echt aan mijn schema gehouden hebben.

breed vak Mensen denken vaak dat je als diëtist standaard terechtkomt in de thuiszorg of in een ziekenhuis, maar het vak is veel breder dan dat. ‘Voeding’ is tegenwoordig zelfs in de politiek een hot item, denk maar aan de voorlichting over te dikke kinderen op scholen. Je kunt ook de kant op van de productontwikkeling, maar ik zoek het dus in de topsport. Dat komt omdat ik zelf ook een topsporter ben: ik loop marathons.


‘Mensen denken vaak dat je als diëtist standaard terechtkomt in de thuiszorg of in een ziekenhuis, maar het vak is veel breder dan dat.’ 17


uit de praktijk Mariska Druten Voeding & Diëtetiek

‘Het voelde ook een beetje als mijn overwinning.’ Mariska Dute is docent Voeding & Diëtetiek. Daarnaast heeft ze veel ervaring met topsport, als diëtist en als marathonloopster. Omdat ze zelf topsporter is, kan ze zich goed verplaatsen in de topsporters die ze adviseert.

topsport doet pijn In feite ben ik mijn eigen cliënt. Ik heb een prikkelbare darm. Om klachtenvrij te kunnen lopen, ben ik veel bezig met mijn eigen voeding. Ik heb zo’n beetje alles al uitgeprobeerd op mezelf, maar helaas blijf ik last houden. Topsport is nu eenmaal een zware aanslag op je lichaam, en marathon­lopen doet pijn. Het is alles of niets; als je wil presteren, moet je er iets voor over hebben. Ik kan dat heel goed begrijpen.

trainen voor sportdrank Ik heb ooit een andere marathonloper begeleid, Ron, die ook last had van maag- en darmklachten. Veel lopers zijn hier bekend mee, want al je zuurstof gaat naar je spieren tijdens het lopen. Het maagdarmstelsel is minder actief. Ron ging zonder training het eerste het beste sportdrankje drinken. Ja, het klinkt gek, maar het drinken van dat spul moet je dus trainen. Je lichaam moet eraan wennen. Dat weet de diëtist dan weer!

18

Ron was aan het trainen voor de marathon van Rotterdam. Hij had nog zes weken. Gelukkig zag hij op tijd het licht, en besloot zich door mij te laten begeleiden. Ik liet hem ‘oefenen’ met verschillende sportdrankjes en gelletjes (geconcentreerde sportdrank). Achteraf zei hij: “Ik dacht veel te weten over langeafstandslopen, maar ik heb nog heel veel bijgeleerd van jou.” Dat is dan natuurlijk prachtig om te horen. Daar haal ik als diëtist dan weer veel voldoening uit, als iemand iets doet met je aanwijzingen. Bovendien haalde Ron uiteindelijk een prachtig resultaat! Hij liep hem uit in drie uur en acht minuten; dat is heel goed voor een eerste keer. En, ook heel belangrijk: hij heeft alles zonder darmproblemen gelopen en daar had ik als diëtist natuurlijk wel een aandeel in. Ik stond dan ook te juichen bij de finish. Het voelde ook een beetje als mijn overwinning.


Dimphey van Meijeren Student Voeding & Diëtetiek

De scheikundige kant van de zaak Dimphey van Meijeren (21) zit in het tweede jaar van haar opleiding Voeding & Diëtetiek. Al weet ze nog niet precies wat de praktijk inhoudt, ze vindt voeding erg interessant. “Vorig jaar hadden we de onderwijseenheid ‘Samen Gezonder’. Dat was een samenwerkingsproject tussen studenten Fysiotherapie, Ergotherapie, Logopedie en ons. Je moest samen een fictief gezondheidscentrum opzetten, waar je in een team ‘cliënten’ behandelde. Dat waren papieren casussen, maar toch. Je moest rekening houden met de andere disciplines en continue kijken of het op elkaar aansloot. Dat was moeilijk! We hadden nog nooit behandeld en begeleid, dus dat was sowieso al spannend. Maar daarbovenop kwam het samenwerken wat ingewikkeld was. Je kon niet alleen aan je eigen behandeling denken. Dan had je bijvoorbeeld een cliënt die moest afvallen, en daarvoor had je een heel bewegingsprogramma in elkaar gedraaid. Maar volgens de fysio kon dat zo niet doorgaan, want ze had een enkelblessure. Dan moet je samen kijken op welke manier ze wel kan gaan bewegen. Je leert dus nu al dat de praktijk vaak weerbarstiger is dan je denkt. De werkelijkheid is altijd anders dan dat je in je hoofd hebt. In een ziekenhuis, waar ik mezelf straks misschien wel zie werken, moet je ook met heel veel verschillende mensen samenwerken. Dat kun je maar beter vast een keer geoefend hebben. Ik ben deze studie vooral gaan doen omdat ik erg geïnteresseerd ben in voeding, hoe de verschillende stoffen in je lichaam werken. De scheikundige kant van de zaak, zeg maar. Naarmate de studie vordert, kom ik dat ook steeds meer tegen. Het wordt steeds interessanter.”

19


20

Zij aan zij in mondzorg

Academische leerwerkplaats ZZG Herstelhotel

Agnes van Boxtel Hoofd opleiding Mondzorgkunde

Wienand Remkes Hoofddocent

In ons onderwijs werken studenten van Tandheelkunde en Mondzorgkunde steeds intensiever samen. De taak van de mondzorgkundige is vooral gericht op preventie en voorlichting, die van de tandarts (in spé) meer op ‘reparatie’. In het derde jaar staan beide studenten letterlijk zij aan zij in de patiëntenzorg in een onderwijseenheid die ‘Jeugdigen’ heet. In het vierde jaar werken ze onder andere samen in de Academische Kliniek voor Mondzorg Arnhem (AKMA) of in de kliniek gevestigd in het gebouw van Tandheelkunde van de Radboud Universiteit. Deze klinieken, een gezamenlijk initiatief van de subfaculteit Tandheelkunde en de HAN, zijn werkplaatsen voor het onderwijs waar echte patiënten zich voor aan kunnen melden. Een team van studenten in het laatste jaar van hun opleiding begeleidt en behandelt hen dan, gecontroleerd en bijgestaan door ervaren docenten. Er wordt hier veel tijd besteed aan voorlichting en uitleg aan de patiënten. We vinden het belangrijk dat onze studenten leren hoe je een kwalitatief goede, op wetenschappelijke evidentie gebaseerde behandeling moet opzetten en uitvoeren. We besteden echter ook steeds meer aandacht aan het logisch en efficiënt inrichten van het verwijsproces, waarbij we goede afspraken maken over wie welke patiënten op welk moment begeleidt. Mondhygiënisten nemen gelukkig in toenemende mate ook een belangrijk deel van het behandelproces in de mondzorg voor hun rekening. Ook in het onderwijs streven we ernaar dat studenten gedurende een langere periode verant­ woordelijk zijn voor de begeleiding en behandeling van bepaalde niet-complexe patiëntgroepen. Ze doen dan niet alleen ‘een losse klus’ maar zijn gedurende een langere tijd verantwoordelijk voor een goede mondzorg bij de patiënten.

Een academische leerwerkplaats is een plek waar de opleiding, de praktijk en het onderzoek elkaar stevig raken en versterken. Zo gaat IPS aan de slag in het ZZG Herstelhotel op Park Dekkerswald in Groesbeek. We verplaatsen hierbij als het ware een stuk van ons opleidingsinstituut naar een vooraanstaande zorginstelling in de regio! Voor studenten is het anders dan een normale stage: in een leerwerkplaats heb je veel minder de klassieke meestergezel­relatie. In de leerwerkplaats staan stagiaires samen aan het roer: zij houden na verloop van tijd de afdeling draaiende, moeten zelf met behandel- en verbeter­ voorstellen komen en moeten de behandeling vanzelf­ sprekend ook zelf uitvoeren. Natuurlijk altijd onder het toeziend oog van de professionals die in het vaste team van de instelling werkzaam zijn, dat spreekt voor zich! Naast een stageverlenende functie is de academische leerwerkplaats ook een onderzoeksomgeving waar studenten samen met professionals, docenten en lectoren praktijkgericht onderzoek verrichten. We hanteren hierbij een toekomstgerichte aanpak en richten ons onderzoek op zorgverbetering en op de ontwikkeling van nieuwe concepten in de zorg.


Ondernemen bij Voeding & Diëtetiek

Ergotherapie: leren ondernemen!

Elke Naumann Hoofd opleiding Voeding & Diëtetiek

Ineke Stijnen Hoofd opleiding Ergotherapie

In economisch mindere tijden, neemt ook de financiële druk op de gezondheidszorg toe. De vergoeding van diëtetiek stond al eerder ter discussie. Omdat een gezonde leefstijl en een goed eetpatroon echter van groot belang zijn om gezondheidsklachten te voorkomen, is het nodig dat binnen ons vak alternatieve ‘marktstrategieën’ aangewend worden. Het ontwikkelen van evidence, oftewel het achterhalen en toepassen van interventiemethoden die echt effectief zijn, én het goed in de markt zetten hiervan, zijn dus nog belangrijker dan voorheen! Studenten Voeding & Diëtetiek kunnen hier een bijdrage aan leveren. Er lopen diverse trajecten waarbij studenten stage lopen bij zelfstandig gevestigde diëtisten. Zij werken daar mee aan onderzoek, het schrijven van een ondernemersplan en het ontwikkelen van nieuwe producten. Zo ontwikkelen ze ook hun ondernemerschap. Als opleiding Voeding & Diëtetiek binnen IPS bereiden wij studenten voor op nieuwe ontwikkelingen in de zorg. Daarom is ondernemen een belangrijk onderdeel van het curriculum.

Ondernemen zit in de opleiding Ergotherapie door alle leerjaren heen verweven. Het gaat zowel om het opzetten van een eigen praktijk, als ook om het ontwikkelen van innovatieve beroepsproducten. Daarnaast is het hebben en uitdragen van een ondernemende houding ook van belang. In de opleiding wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan het ondernemen, zowel in de theorie als in de praktijk: door daadwerkelijk te gaan doen. Een mooi voorbeeld is de student company. Een bedrijfje, gerund door studenten Ergotherapie, met een eigen ondernemingsplan en alles wat daarbij komt kijken. Studenten werken vanuit hun rol als ondernemer producten uit voor het werkveld. Creatief denken, innovatief durven zijn en actie ondernemen, dat verwachten we van onze studenten.

21


uit de praktijk Sabine van Erp Ergotherapie

‘Ik wil gewoon naar huis.’ Mevrouw Elvina Hayati was nog jong toen ze een beroerte kreeg. Ze was altijd een verzorgde, actieve, onafhankelijke vrouw geweest; een echte bezige bij. Nu moest ze intern revalideren en daar had ze veel moeite mee, ook omdat ze erg dicht bij het revalidatiecentrum woonde. “Ik wil gewoon naar huis”, zei ze, maar dat kon niet. Ik ging dus kijken wat ervoor nodig zou zijn om haar naar huis te laten gaan. Tijdens de rolstoelpassing, waar we zo nodig altijd mee beginnen als iemand binnenkomt, had ik haar al geobserveerd. Ze leek minder aandacht te hebben voor de linkerkant, ze kon zich niet concentreren; ze bleef maar praten. Fysiek ging het al snel beter maar in cognitieve zin had ze een groot probleem: ze kon niet meer goed plannen en kon nergens haar aandacht meer bij houden waardoor ze een chaos maakte van alles wat ze deed.

lekker de stad in Ze had veel moeite met het accepteren van de situatie. Zij wilde gewoon haar oude leventje weer oppakken: een maaltijd koken, impulsief de stad in als ze daar zin in had, en lekker zelf naar haar eigen kapper op het moment dat het haar uitkwam. Ze functioneerde ook minder goed als ze

22

moe was, dus ze moest meer rust nemen. Maar ze bleef zich ertegen verzetten. Ze had er simpelweg het karakter niet voor; ze was altijd zo actief geweest.

thuis koken Ik besloot haar in haar eigen huis te gaan behandelen; ze woonde tenslotte vlakbij. We gingen met de bus. Ze praatte continu tegen me en wist dan niet meer wat we daar nou precies aan het doen waren. Ze had een verstoorde tijdsbeleving; ze had er geen idee van of we nou vijf of vijftien minuten op de bus stonden te wachten. Ook oversteken ging nog niet honderd procent, en dat was dus nog niet veilig. Daarom gaf ik haar het volgende advies: niet telefoneren en niet praten tijdens het oversteken. Bij haar thuis gingen we koken. Daarbij let ik ook op de veiligheid; laat ze het gas niet aanstaan, laat ze geen dingen overkoken. De eerste keer verliep dat zeker niet vlekkeloos! Ook hierbij bleef ze praten en kon ze zich niet concentreren. Als we op gingen schrijven wat ze allemaal moest doen en in welke volgorde, dan wist ze precies wat ze allemaal moest doen, maar als ze eenmaal bezig ging, was ze snel afgeleid en wist ze niet meer waar ze gebleven was.


‘Er kwam langzaam meer acceptatie voor haar situatie.’


uit de praktijk Sabine van Erp Ergotherapie

‘Een vriendelijke glimlach betekent niet altijd dat alles in orde is; daar kunnen grote problemen achter schuilgaan.’ Sabine van Erp is docent Ergotherapie. Daarnaast werkt zij sinds twaalf jaar als ergotherapeut in de neurorevalidatie. acceptatie

ergotherapeut en persoon

Door herhaling en regels kun je die handelingen inslijpen. Het is heel belangrijk dat iedereen dan hetzelfde advies geeft en op dezelfde dingen wijst. Haar partner was hierin van wezenlijk belang; hij kon veel thuis zijn en hij dacht altijd goed mee. Maar ze bleef erg impulsief en dat veroorzaakte problemen. Uiteindelijk heeft ze daarvoor psychische hulp gehad, en haar partner ook. Er kwam langzaam meer acceptatie voor haar situatie.

Met mevrouw Hayati had ik echt een klik. Na mijn studie ben ik een half jaar naar Indonesië geweest, en ik kende dus de cultuur waar ze vandaan kwam vrij goed. Een vriendelijke glimlach betekent niet altijd dat alles in orde is; daar kunnen grote problemen achter schuilgaan. Dat wist ik, en dat heeft me geholpen in onze relatie. Je gebruikt altijd dingen van jezelf in de behandeling. Je bent ergotherapeut, maar je bent ook een persoon. Ook herkende ik haar impulsiviteit en de behoefte er verzorgd uit te zien. Lekker de stad in, naar de kapper; ik kon me goed voorstellen dat ze dat graag wilde blijven doen. Dat zou ik zelf ook hebben. Ik liet ook een stukje van mezelf zien aan haar, en dat mag ook, vind ik. De patiënten moeten zichzelf altijd behoorlijk blootgeven; dan is het niet meer dan eerlijk dat jij jezelf ook een stukje laat kennen.

drie zoenen Ik heb haar thuisbehandeling uiteindelijk overgedragen aan de ambulante begeleiding. Wel bleef ik haar zien in het revalidatiecentrum. Via een schriftje hield iedereen die bij haar betrokken was contact met elkaar. Zo kon zij zelf ook teruglezen wat er met wie was afgesproken. Langzaam ging het beter met haar. Als ik haar nu tegenkom, dan krijg ik drie zoenen en vertelt ze hoe het gaat. Dat heb ik echt niet met alle cliënten.

24


uit de praktijk Femke Spikmans Voeding & Diëtetiek

‘U wilt toch gezond worden?’ In de Nijmeegse wijk Hatert woonde een mevrouw met ondervoeding en COPD, en ze rookte. De huisarts en wijkverpleging probeerden haar te laten stoppen met roken en in gewicht aan te laten komen, maar dat lukte niet. “U wilt toch gezond worden?” vroegen ze verbijsterd. Maar dat deed haar niks. Pas toen ze begonnen over haar geelgerookte gordijnen heeft ze kunnen stoppen met roken. Ze was heel proper op haar huisje: dit gaf haar een goed motief.

hatert gezond In Hatert komen naar verhouding meer problemen voor dan in de rest van Nijmegen. Er wonen mensen die bijvoorbeeld werkloos zijn, schulden hebben en last hebben van gezondheidsproblemen als COPD, overgewicht en alcoholisme. Gemeente Nijmegen is een tijdje geleden begonnen met een nieuwe wijkaanpak: wijkactieplan Ongedeeld Hatert. Er zijn verschillende projecten, bedoeld om bewoners op meerdere fronten te kunnen helpen. Maar als alle hulpverleners tegelijk naar die werkloze cliënt met overgewicht gaan om te helpen, is het niet raar als zo iemand niet verandert. Die denkt: “Eerst mijn geldzorgen.

26

Dat dieet komt later wel.” Ik heb daar een cursus Motivational Interviewing (MI) gegeven, om hulpverleners te leren omgaan met gedragsverandering bij mensen.

wat wil de cliënt? MI is een gespreksstijl waarbij je ervan uitgaat dat de cliënt zelf zal moeten veranderen; als hulpverlener kun je alleen ondersteuning bieden. Je gaat in gesprekken op zoek naar de drijfveer die de cliënt nodig heeft om te kunnen bereiken wat hij of zij wil bereiken, dat noem ik in de training het ‘haakje’. Bij die mevrouw met COPD waren het haar gordijnen, bij iemand die moet afvallen kan het bijvoorbeeld een jurk zijn die niet meer past. Ik heb deze stijl leren kennen bij het Voedingscentrum, waar ik samen met een groep anderen de opdracht had ‘dieetontrouw’ te laten afnemen door middel van MI. Het is voor diëtisten vaak erg moeilijk het gedrag van cliënten blijvend te veranderen, ook al is het nog zo belangrijk voor hun gezondheid. Andere hulpverleners zitten vaak met dezelfde problemen. Zelfs de studieloopbaanbegeleiders hier bij IPS konden deze stijl gebruiken bij hun studenten.


‘Pas toen ze begonnen over haar geelgerookte gordijnen heeft ze kunnen stoppen met roken. ‘ 27


uit de praktijk Femke Spikmans Voeding & Diëtetiek

‘De volgende keer bel ik jou gewoon!’ Docent Voeding & Diëtetiek Femke Spikmans kwam toen ze werkzaam was bij het Voedingscentrum in aanraking met de gespreksstijl Motivational Interviewing. Sindsdien traint ze diëtisten en andere geïnteresseerden hierin.

hulpverleners vinden elkaar Als trainer bij de Hatertse hulpverleners merkte ik, dat er een mooie ‘flow’ ontstond onder de huisartsen, wijkverpleegkundigen, fysiotherapeuten, re-integratie­medewerkers, etcetera. Binnen de kortste keren vonden ze elkaar. “Nu weet ik wie er in dat grijze gebouw van jullie zitten”, zeiden ze, of “De volgende keer bel ik jou gewoon!” Ik was onder de indruk van de passie die de meesten hadden voor hun vak en de mensen. Ze waren ook erg enthousiast over de MI-training. Hulp­ verleners hebben vaak gemeen dat ze hun vak zijn gaan uitoefenen omdat ze heel graag mensen willen helpen. Ze begrijpen vaak hun cliënten niet, als die zeggen dat ze niet kunnen of willen stoppen met gedrag dat niet goed voor hen is. Maar dat komt omdat de hulpverlener vaak al op de trein zit, als de cliënt nog op het perron staat, zoals je dat zou kunnen zeggen.

28

De uitdaging is, om als hulpverlener achterover te leunen op je stoel, en de cliënt aan het werk te zetten. Je gaat met volledig respect het gesprek aan over wat zij belangrijk vinden in het leven. Kleinkinderen zijn bijvoorbeeld vaak favoriet. Als je afvalt, kun je weer met ze spelen. Maar je hebt ook altijd iets lekkers in huis voor ze, waar het dan moeilijk afblijven is. Zo zie je hoe complex het soms kan zijn. Je moet goed zoeken naar het ‘haakje’.

valkuil In Hatert hadden we de cursus in een woonzorgcentrum waar veel hulpverleners ook werkten. Als er cliënten langskwamen, zag je zo’n hulpverlener opstaan, een praatje maken, een klopje geven op de hand; je zag zo dat ze echt heel erg betrokken waren bij zo iemand. Dat is prachtig, maar het is ook meteen de grootste valkuil. Je kunt mensen niet helpen; ze moeten zichzelf helpen. Jij moet als hulp­verlener niet aan het werk; die cliënt moet aan het werk!


uit de praktijk Marie-Hélène Kurstjens Mondzorgkunde

‘Kunt u hier ook iets aan doen?’

30

kinderen

goed kijken

In een klein dorpje in Brabant behandelde ik het dochtertje van een moeder die maar bleef beweren dat haar kind nooit zoetigheid kreeg en dat ze niet snapte waar al die gaatjes in haar gebit vandaan kwamen. Het kind werd bijna hysterisch en wilde geen tandenborstel uitzoeken en poetsen. Op een gegeven moment was ze zo boos, dat ze moest overgeven. En wat komt daar uit? Een knalroze, kleverige substantie … Ja, je maakt wat mee met die kinderen.

Dan zie je weer, dat je altijd goed naar het gedrag van een patiënt moet kijken. Vaak is er een aanwijsbare reden voor, en het is eigenlijk nooit aanstellerij. Soms hoort een bepaalde reactie gewoon heel erg bij een kind. Je moet energie steken in het maken van contact: dan kun je het vertrouwen winnen. Daarom werk ik ook graag met kinderen; de moeite die het soms kost om ze ‘stoelklaar’ te krijgen, vind ik juist een uitdaging.

Een ander meisje, twaalf jaar, durfde niet bij de tandarts op de stoel. Dat komt natuurlijk wel eens vaker voor, maar ze kromp echt in elkaar en verborg haar mond achter haar handen; hier was iets anders aan de hand dan de ‘gewone’, vaak leeftijdgebonden angst voor de tandarts. Ik werd erbij gehaald maar kon niet veel meer doen dan haar troosten en rechtop zetten. Toen liep ik naar de wachtkamer, waar haar moeder zat. We hadden een gesprekje, waarbij de moeder ineens vertelde dat ze ging verhuizen met haar dochter, omdat die misbruikt was door iemand uit de buurt. Sindsdien was ze bang voor mannen. Omdat onze tandarts een man is, mocht die niet bij haar in de buurt komen, en al helemaal niet in haar mond, natuurlijk. Achteraf gezien hadden we haar meteen door mij moeten laten behandelen, maar we wisten het niet.

volwassenen Maar ook met volwassenen steek ik energie in het maken van echt contact. Ik neem de tijd en vertel ook iets over mezelf. Als je contact hebt, komt je informatie ook beter over. Ik had bijvoorbeeld een keer een oudere patiënte, een keurige dame met een prima gebit. Dat vond ze erg belangrijk, dus liet ze het regelmatig door mij reinigen. Totdat ze ineens niet kwam opdagen op een afspraak. Niks voor haar. Later bleek dat ze een ongeluk had gehad. Ze kon haar tanden niet meer zelf poetsen omdat ze haar hand had bezeerd; dat deed haar man voor haar. Omdat wij zo’n goede relatie hadden, durfde ze haar man mee te nemen, om te vragen of ik wilde kijken of hij het goed deed. Ik heb haar trouwens later ook nog een andere tandenborstel aan kunnen bevelen, die ze wel zelf kon vasthouden.


Marie-Hélène Kurstjens is docent en heeft twintig jaar ervaring als kinder­ tandverzorgende op de dental car in Brabant. Met volwassenen werkt ze in een algemene tandartsenpraktijk.

samenwerking Als mondhygiënist werk je nauw samen met de tandarts. Je wordt zelfs min of meer samen opgeleid, je vult elkaar aan in het werk. Daarom zitten onze studenten ook met de tandartsen­opleiding van UMC St Radboud in een gebouw. Ik heb trouwens ook wel samengewerkt met een psycholoog. Er was een jongen die heel vreemd gedrag vertoonde; die ging echt door het lint. Maar de vader, die erbij zat, vervolgens ook! Hij gaf de jongen een klap in zijn gezicht waar ik bij stond. Dat accepteerde ik niet, en ik heb gezegd dat ik ze zo niet ging behandelen. Of ze de volgende week maar wilden terugkomen, als ze weer gekalmeerd waren. Ze zijn gelukkig gegaan, en hebben de keer daarop een psycholoog meegenomen. Het bleek dat daar thuis veel meer aan de hand was. Puur door aanwezig te zijn, zorgde de psycholoog toen voor rust tijdens de behandeling.

heel dichtbij Al met al denk ik dat vertrouwen het belangrijkste is in je relatie met de patiënt. Je werkt tenslotte bij ze in de mond; een van de gevoeligste plekken van het lichaam. Je komt heel dichtbij. Ik behandelde eens een Turks jongetje, behoorlijk uitgebreid, en ik had zo veel vertrouwen van zijn moeder gewonnen dat ze na de behandeling zijn broek naar beneden trok, en wijzend op de uitslag die daar zat vroeg of ik daar ook iets aan kon doen!

‘Al met al denk ik dat vertrouwen het belangrijkste is in je relatie met de patiënt.’ 31


Linking knowledge world studenten krijgen in hun beroepspraktijk steeds vaker te maken met cliënten uit andere culturen. deze cliënten hebben andere eetgewoonten, andere leefgewoonten. ook denken deze cliënten vaak anders over gezondheid en thema’s als bijvoorbeeld zelfmanagement. Om studenten hier gedegen kennis over bij te brengen en om internationale uitwisseling mogelijk te maken, heeft IPS mooie plannen voor de toekomst: goede studie­plekken in het buitenland, heldere procedures voor studenten, en niet te vergeten een internationale leer­omgeving voor studenten op de HAN. Want ons motto ‘Linking knowledge worldwide’ gebeurt niet alleen ver weg, maar juist ook @home.

vs

naar de HAN naar het buitenland

Binnen de opleidingen wordt steeds meer gewerkt met internationale kennis, Engelstalige literatuur en internationale protocollen. Studenten van de opleiding Ergotherapie werken bijvoorbeeld aan een internationale opdracht met buitenlandse studenten uit Oostenrijk en België. De studenten van de opleiding Logopedie krijgen een aantal lessen anatomie in het Engels. Binnen de opleiding Voeding & Diëtetiek zijn er uitwisselingen op de HAN met studenten uit België en de Verenigde Staten. Ondertussen vindt een flink aantal studenten de weg naar het buitenland voor een studieplek of afstudeeropdracht. Studenten van de opleiding Mondzorgkunde vertrekken bijvoorbeeld naar Australië en Suriname. Ook hebben we binnen IPS een klasje vol internationale studenten; een goede start voor een internationale leeromgeving binnen ons instituut!

Annemarie Nijhof Hoofddocent en coördinator Internationalisering IPS 32

Logopedie totaal 4

Ergotherapie totaal 7

Fysiotherapie totaal 21

Mondzorgkunde totaal 6

Voeding & Diëtiek totaal 28

suriname


dwide

Studenten mobiliteit 2011-2012 IPS - stage en studie - exclusief: Intensieve Programma’s en de uitwisselingen binnen de opleidingen

zweden

finland estland litouwen

oostenrijk denemarken zwitserland

belgië griekenland turkije

portugal nepal

cur acao

zuid afrik a (theewaterskloof)

zuid afrik a

austr alië

33


uit de praktijk Lianne Remijn Logopedie

Loes Loes was een leuk ogende, spontane peuter, die twee oudere zussen had. Ze had een neussonde omdat ze niet goed at. Volgens haar ouders had ze een duidelijk temperament en wist ze goed wat ze wilde. Ze maakte goed oogcontact, kwam ons speelgoed brengen, maar ze sprak niet. Bij ons rinkelden de alarmbellen meteen, want je zag dat ze van alles wilde, maar niets kon zeggen.

hulpvraag Loes was prematuur geboren. Enkele dagen na de geboorte ging het niet goed met haar. Ze herstelde, maar de voeding wilde niet op gang komen. Ze dronk te weinig en er werd een diëtist ingeschakeld voor sondevoeding. De sondevoeding kon na ongeveer zes maanden gestopt worden. Een jaar later had ze een groei- en gewichtsachterstand en werd de sonde weer aangebracht. Ze was tweeënhalf toen ze bij ons in het eetteam kwam. De hulpvraag van de ouders was om Loes vast voedsel te laten eten. Tijdens de intake werd de hele ontwikkeling van het eten doorgesproken, waarbij ook werd ingegaan op vervelende ervaringen in het mondgebied, zoals ernstig verslikken, intubatie of een sondeslang inbrengen. Ik keek naar de mondmotoriek en de vaardigheid om te eten van een lepel, te kauwen en uit een beker te drinken. De ouders van Loes lieten zien hoe het eten thuis verliep. Soms is het duidelijk dat er meer aan de hand is dan mondmotorische problemen. Ouders zijn bezorgd over de hoeveelheid voedsel die een kind eet. Een kind leert dat als hij voedsel weigert, zijn ouders hier veel aandacht aan

34

schenken. Een patroon tussen ouders en kind in relatie met het eten kan makkelijk ontstaan.

behandeling We stelden voor Loes op te nemen op de kinderafdeling voor een intensieve behandeling, opgedeeld in verschillende processen. Eerst het afbouwen van de sondevoeding, daarna pas het opbouwen van het vaste voedsel. De behandeling bestond uit een interventie met gedragstherapeutische principes en het verbeteren van de mondmotoriek. Dit werd door mij en een orthopedagoog/gedragstherapeutisch trainer uitgevoerd.

rol van de ouders Het afbouwen van de sondevoeding ging heel voorspoedig. Loes oefende vier keer per dag met de therapeut om een vaste hoeveelheid voedsel binnen een vastgestelde tijd te eten, en na tweeënhalve week was ze al van de sondevoeding af. Het doorslikken van een hap werd beloond en aan tegenwerking, zoals huilen, voedsel uit de mond laten lopen en kokhalzen, werd geen aandacht besteed. Ouders nemen een heel belangrijke rol in bij de behandeling. Het gaat er namelijk niet om of een kind bij de therapeut leert eten, maar hoe het kind dit in zijn eigen omgeving kan toepassen. De ouders van Loes kregen eerst een video te zien van de therapeut met hun dochter en leerden het weigergedrag te herkennen. Daarna mochten ze bij de eetsessie zitten. Loes reageerde heftig op de aanwezigheid van moeder. Ze schreeuwde om aandacht.


‘Bij ons rinkelden de alarmbellen meteen, want je zag dat ze van alles wilde, maar niets kon zeggen.’


uit de praktijk Lianne Remijn Logopedie

‘Ouders nemen een heel belangrijke rol in bij de behandeling.’ Lianne Remijn heeft tweeĂŤntwintig jaar ervaring als logopedist in de Sint Maartenskliniek, onder meer in een multidisciplinair team voor kinderrevalidatie. Zij is hoofd van de opleiding Logopedie.

Ouders namen de maaltijden onder begeleiding van de gedragstherapeutisch trainer over en ondertussen ging ik verder met de doelstelling om het kauwen te verbeteren. Na vier weken konden de ouders thuis verder. Helaas bleven de vorderingen op het gebied van het kauwen uit. Loes bleek niet goed in staat om de kauwbewegingen uit te voeren en regelmatig kokhalsde ze, waarbij ze de hele maaltijd overgaf.

mondmotoriek De mondmotoriek was dus nog steeds een groot probleem en zorgde voor frustratie bij Loes. In een poliklinische setting werd de behandeling twee keer per week voortgezet. Hierbij werd naast het eten ook gestart met spraaktraining. Dit verliep uiterst moeizaam. De aansturing van de spieren die Loes voor het kauwen, maar ook voor het spreken nodig had, bleek verstoord. De vraag is wat de oorzaak hiervan was. Was er misschien

36

in die eerste dagen na haar geboorte toch een kleine hersenbeschadiging ontstaan? Loes werd naar de neuroloog verwezen voor nadere diagnostiek. Intussen bleven we oefenen met de mondmotoriek, maar we zijn ook overgestapt op ondersteunende communicatie. Je leert het kind dan communiceren met een plaatjesboekje en gebaren.

macaroni Loes is ondertussen vijf jaar oud. Ze eet dagelijks haar voorgeschreven menu. Ze eet enkele boontjes, worteltjes, macaroni en een boterham. De rest van de maaltijden wordt gepureerd. Ze spreekt enkele verstaanbare woordjes. Ze volgt speciaal onderwijs voor kinderen met spraak- en taalproblemen. Ik was de eerste logopedist die met haar werkte, maar zeker niet de laatste. Loes zal ook de komende jaren nog regelmatig logopedische interventie hebben.


uit de praktijk Marjolein Thijssen Ergotherapie

Handzeep in het haar Neem bijvoorbeeld meneer van Dijk, een licht dementerende meneer. Hij heeft altijd veel aandacht aan zijn uiterlijk besteed, en dat wilde hij nu nog steeds. Op routine kon hij een heleboel zelf, maar er gingen de laatste tijd dingen mis. Handzeep in zijn haar, aftershave onder zijn oksel; hij haalde alle flesjes door elkaar. Ook schoof hij, gekleed in de meest wonderlijke combinaties, aan de ontbijttafel aan. Moest hij de ochtendverzorging voortaan aan iemand anders overlaten? Als ergotherapeut kijk je naar de persoon; je laat hem vertellen, je observeert, stelt vragen aan de mantelzorger. Je bent gericht op het handelen. Het glas is bij ergotherapeuten halfvol; we zijn gericht op mogelijkheden. De echtgenote gaf aan dat ze graag wilde dat hij er goed uit bleef zien, meneer wilde zijn kleding zelf uitzoeken, zelf de keuze kunnen maken. Je bespreekt met ze, hoe ze dat samen zouden kunnen oplossen. Ik neem samen met hen de situatie door, alsof er een filmpje draait en zij vertellen wat er in de film te zien is. Daar komt een hoop uit. Ik hoor onder andere dat de echtgenote ervoor zorgt dat de kleding schoon en gestreken in de kast komt te hangen. Dan kan ze bijvoorbeeld de goede combinaties op één hanger hangen, zodat meneer toch zelf kan kiezen hoe hij er die dag wil uitzien. Zo laat je ze beiden in hun waarde. 38

aandachtsgebied De ochtendverzorging is aandachtsgebied van zowel de verzorgenden als de ergotherapeut. De ergotherapeut is erop gericht de man te ondersteunen zodat hij zijn leven kan blijven leven op de manier die hij zelf belangrijk vindt. Maar de verzorgende wil deze man misschien zo snel mogelijk aankleden. Als je samenwerkt, dan weet je van elkaar waar je mee bezig bent. Dan kennen alle betrokken de voorkeur van deze man om zichzelf aan te kleden en weten ze waarom de kleding per combinatie is opgehangen.

ergotherapie bij dementie De samenwerking bij dementerenden gaat nu vaak niet verder dan ‘Jij doet dit, ik doe dat’, maar ik hoop dat we leren hoe de ander denkt; waarom de één dit doet en de ander dat. Je merkt dat er een overlap is tussen de vakgebieden. We moeten meer over de grenzen van elkaars gebied kijken; meer delen. Op dit moment weten de twee beroepsgroepen te weinig van elkaars werkwijze om elkaar goed te kunnen begrijpen. Om die reden heb ik samen met het ROC en Zorggroep Zuid Gelderland (ZZG) een cursus ontwikkeld waarin verpleegkundigen, verzorgenden en ergotherapeuten met en van elkaar leren op het gebied van ouderen met dementie en hun mantelzorgers. De cursus is vooral gericht op de verpleegkundigen/verzorgenden ‘met de handen aan het bed’ en de ergotherapeuten. Die komen


‘We moeten elkaar beter begrijpen. Dan kunnen we veel van elkaar leren.’


uit de praktijk Marjolein Thijssen Ergotherapie

‘Niet naast elkaar werken, maar met elkaar.’ Docent Ergotherapie Marjolein Thijssen ontwikkelt in samenwerking met het ROC Nijmegen een cursus waarbij verpleegkundigen, verzorgenden en ergotherapeuten samenwerken bij demente ouderen die nog thuis wonen. ‘We moeten elkaar beter begrijpen’, vindt ze. ‘Dan kunnen we veel van elkaar leren.’

elkaar tegen bij de oudere met dementie en hun mantelzorgers thuis.

al die flesjes Laten we dezelfde meneer van Dijk er weer bijnemen. Uit observatie blijkt dat hij nooit zo’n zorgvuldige kijker is geweest. Verschillend gekleurde stickertjes op de flesjes van de aftershave en de deodorant gaan dus niet werken want hij pakt meestal maar wat. Dus zet je bijvoorbeeld alleen maar de aftershave op de wastafel. Dan grijpt hij niet mis als hij zich heeft geschoren. De deodorant kan bij de douche staan. Als vervolgens de thuiszorg komt en denkt: wat onhandig, ik zet lekker alle spulletjes bij elkaar op de wastafel, dan zit je in elkaars vaarwater. Als je samenwerkt, wéét die verpleegkundige of verzorgende waarom er maar één flesje staat en kan die persoon zulke interventies zelf voortzetten. Deze samenwerking behelst meer dan afstemming. Het gaat dus over delen, leren van elkaar. Niet naast elkaar werken, maar met elkaar.

40

concurrentie Soms vragen vakgenoten of ik niet bang ben dat we als ergotherapeuten op deze manier gebied afstaan. Maar ik geloof dat de kwaliteit van beide beroepsgroepen zo alleen maar meer zichtbaar wordt. De verpleegkundige/ verzorgende heeft een signalerende rol, dus ik verwacht alleen maar meer verwijzingen te krijgen. Als ik de deur gesloten houd, kent niemand ons. Als ik hem open doe, kunnen we delen. Andersom mag de rol van de verpleegkundige/verzorgende ook groter worden in bepaalde gevallen. De paramedicus is gericht op therapie. Die mag best van kortere duur zijn, maar dan moet de thuiszorg eerder betrokken worden om interventies te continueren. Zij krijgen dan een meer begeleidende rol. Zo levert de samenwerking voor iedereen wat op. En de oudere en diens mantelzorger, om wie het tenslotte allemaal gaat, hebben er ook baat bij.


Eline Nijsten Student Ergotherapie

Het ligt me echt Student Ergotherapie Eline Nijsten (20) heeft haar eerste stage gelopen in een zorgcentrum in Apeldoorn. In deze ‘snuffelstage’ was het vooral de bedoeling om mee te kijken met de ergotherapeuten. “Ik ben ergotherapie gaan studeren omdat het uit een beroepskeuzetest kwam, en ik wilde graag mensen helpen. Ik wist van te voren eigenlijk niet precies wat het inhield. Je kunt veel meer kanten op met deze studie dan ik dacht. Je kunt werken met kinderen, ouderen, chronisch zieken … Mij lijkt werken met ouderen het leukst. Dat heb ik op mijn stage ook gedaan. Ze weten heel veel, hebben mooie ervaringsverhalen, en je kunt ze toch iets nieuws bieden. Iets leren waar ze wat aan hebben. In het zorgcentrum waar ik stage liep, kwam een oudere vrouw die een CVA had gehad. Eerst kon ze helemaal niks meer, maar op den duur leerde ze weer een klein beetje schrijven. Ik was in eerste instantie verbaasd te zien hoe blij ze daarmee was. Voor mij was het alleen maar slordig gekrabbel. En dat mensen bijvoorbeeld blij zijn als ze voor het eerst weer een aardappeltje schillen, terwijl het voor ons zo normaal is. Heel bijzonder om te zien. Mijn stage was dus interessant, bijzonder, en ergens heel vermoeiend door alle indrukken die je opdoet. Maar het heeft me wel duidelijk gemaakt dat ik met ouderen wil werken, straks. Ik zie mezelf dat wel doen; het ligt me echt.”

41


uit de praktijk Henk Nieuwenhuizen Fysiotherapie

 et is niet altijd H wat het lijkt … Een jonge vrouw kwam bij mij met hoofdpijnklachten. Ze had hier al jaren last van, was al bij diverse zorgverleners geweest en vroeg aan mij of ik het los kon masseren, dan ‘kon ze er weer even tegenaan’. Bij het onderzoek kwam ik erachter dat het probleem in haar tenen zat! Ze had twee aan elkaar gegroeide tenen waardoor er een drukplek was ontstaan. Daardoor zette ze haar voet naar binnen, waardoor haar knie naar binnen draaide en ze een relatief beenlengteverschil kreeg. Door dit lengteverschil stond haar bekken scheef, en kreeg ze een draaiing (scoliose) in de rug. Ze compenseerde dat in haar nek door de nekspieren te spannen die zo een zenuwtje afknepen bij de schedelrand. Dit gaf uiteindelijk de hoofdpijnklachten! Ik heb meteen contact opgenomen met de podotherapeut die in het pand naast ons zat. Binnen drie weken was deze vrouw van haar klachten af.

verder kijken dan je neus lang is Dit maakt ons vak zo boeiend en onderscheidend van bijvoorbeeld de medische beroepen. Waar zij het probleem vaak lokaal zoeken zie je als fysiotherapeut de mens als één geheel bewegend systeem. Klachten zijn zelden lokaal. Sterker nog; als ze zo lokaal zijn, gaan ze meestal ook wel vanzelf over en hoef je als fysiotherapeut ook niet of nauwelijks in te grijpen. In ons vak moet je altijd verder kijken dan je neus lang is. 42

te veel hulp Het gedrag van mensen kan ook een wezenlijke factor zijn. Zo kreeg ik via een huisarts een oudere vrouw door­ verwezen met wat onduidelijke en wisselende klachten. Ze kwam samen met haar man binnen, die haar liefdevol onder­steunde. Ze vertelde dat ze zo blij was dat haar man nog zo vitaal was en haar zo goed hielp. Tijdens de behandeling bleek dat de man, hoe liefdevol ook, deel van het probleem was. Bij de eerste klachten had hij namelijk alle taken van haar overgenomen. Ze deed bijna niets meer zelf en kon daardoor ook steeds minder aan. Een goed gesprek was voldoende om hun beeld over de klachten te veranderen en uit te leggen hoe ze die konden voorkomen. De vrouw moest blijven proberen zo veel mogelijk zelf te doen. Vanaf dat moment ging het al vrij snel een heel stuk beter en was mijn rol overbodig.

samenwerken Als fysiotherapeut heb je dus heel veel rollen, je bent niet alleen een behandelaar, maar ook onder andere een coach, motivator en voorlichter. Maar ondanks deze veelzijdigheid moet je ook weten waar je grenzen liggen en kun je niet zonder de specifieke hulp van andere specialisten, zowel binnen als buiten de praktijk. Vaak wordt een patiënt door meerdere therapeuten gezien.


‘Bij het onderzoek kwam ik erachter dat het probleem in haar tenen zat!’ Henk Nieuwenhuijzen is docent Fysiotherapie, maar werkt ook al elf jaar in een praktijk met zeven andere fysiotherapeuten. Hij is gespecialiseerd in KANS, voorheen RSI genoemd.

Ik behandel bijvoorbeeld veel mensen met RSI. Daarbij komt het regelmatig voor dat ze moeten leren ontspannen. Daarvoor stuur ik ze naar de ontspanningstherapeut. Of ik vind een bewegingsbeperking waar ik de manueel therapeut voor inschakel. Wij begeleiden ook suikerpatiënten en dat kan niet zonder de diëtist. Daarnaast zijn we bezig met een oefenprogramma voor mensen met chronische (rug)pijn­­klachten, samen met een psychologe.

kortere weg We zitten in een medisch centrum, op de St. Jacobslaan in Nijmegen, samen met twee huisartsen, een apotheek, psychologen en maatschappelijk werk. De huisartsen vragen regelmatig of we samen naar een patiënt willen kijken en dit gebeurt ook andersom. Door de korte afstand gebeurt dat vaak op het moment zelf. Op deze manier besparen we de patiënt vaak de lange weg van doorverwijzen; heel handig. 43


Barry Diteweg Student Fysiotherapie

Topsportklas Barry Ditewig (34) keepte ooit bij Heerenveen en Den Haag, en won dit jaar met zijn club Achilles’29 uit Groesbeek het algemeen amateurkampioenschap van Nederland. Daarnaast volgt hij de opleiding Fysiotherapie in de speciale topsportklas van de HAN. “In de topsportklas volg je lessen van elf tot drie, en heb je een jaar extra voor je studie. Zo heb je als topsporter voldoende tijd om te trainen, want het hoofddoel van de meeste mensen hier is toch wel hun sport. Ik ben als sporter over mijn hoogtepunt, dus ik richt me meer op de opleiding Fysiotherapie. Ik wilde op een gegeven moment gewoon meer weten over wat er allemaal in mijn lichaam gebeurde. Als topsporter denk je verder niet na over je lijf. Als er iets is, ga je naar de fysiotherapeut; en die lost het verder wel op. Als ik terugkijk, had ik de dingen toch iets anders aangepakt. Ik heb nu bijvoorbeeld veel geleerd over krachttraining; die kennis was toen handig geweest. Ik ben een jaar geblesseerd geweest, maar heb gewoon doorgevoetbald. Ik had mijn lijf nu beter verzorgd, meer rust gepakt. De meeste studenten hier willen straks in hun eigen sport aan de slag, maar ik wil niet meer in het topsportwereldje werken. Je bent zo vaak weg, en ik wil nu meer bij mijn gezin zijn. Ik weet het nog niet zeker, maar waarschijnlijk wil ik de oncologische kant op. Ik ben zelf van dichtbij in aanraking gekomen met kanker. Ook ben ik ambassadeur geweest van de stichting ‘Bewegen tegen kanker’. Door me als topsporter te verbinden aan de stichting, kon ik die ziekte meer onder de aandacht brengen. Ik heb meegelopen met patiënten die gingen sporten, en ik heb met mijn eigen ogen gezien dat als mensen fitter de chemobehandelingen ingaan, ze er ook fitter weer uitkomen. Als fysiotherapeut kan ik daar ook een rol in spelen. Maar dan moet ik eerst mijn propedeuse maar eens halen.”

45


uit de praktijk Henry van Heel Mondzorgkunde

‘Niet alleen een mond.’ Ooit had ik lange tijd een echtpaar in behandeling in mijn praktijk. Op een gegeven moment kreeg de vrouw kanker. Door de bestralingen die ze kreeg, had ze last van haar mond: en daar kon ik iets in betekenen. In haar laatste dagen is ze in een ambulance bij me langsgereden, om afscheid te nemen en me te bedanken. Een emotioneel verhaal, om te illustreren dat je echt relaties aangaat met patiënten.

de patiënt als mens Als je net begint met studeren, probeer je je alle technische vaardigheden eigen te maken. Dat is ook belangrijk, maar uiteindelijk gaat het om het contact van mens tot mens. Alleen als je de patiënt als mens ziet, en niet alleen als ‘mond’, dan kun je daadwerkelijk wat doen in ons vak. Het kan wel een jaar of tien in de praktijk duren, voor je dat echt goed kunt toepassen. Dan kun je je eigen handelen pas goed evalueren.

optimale samenwerking Kijk, als een tandarts een gaatje constateert bij een patiënt, gaat hij een vulling maken. Als die klaar is, heeft hij een

46

bevredigend resultaat. De behandeling is klaar. De volgende keer dat de patiënt bij hem komt, heeft hij weer een nieuw gaatje, en begint een nieuwe behandeling. Bij ons gaat het heel anders. Wij zijn afhankelijk van de samenwerking met de patiënt. Wij zijn in feite nooit klaar met een behandeling. Iemand komt bij ons met een probleem, bijvoorbeeld last van mondgeur, of bloedend tandvlees. Onze taak is het dan, om die persoon te begeleiden bij de dingen die hij moet doen om zijn probleem te verhelpen. En om te zorgen dat hij dat blijft doen. Ons ‘resultaat’ is, dat je ziet dat de patiënt vrij is van ontstekingen, geen last meer heeft van mondgeur, en dat hij doorheeft wat hij moet doen om klachtenvrij te blijven.

multidisciplinair Als mondhygiënist kun je ook samenwerken met andere disciplines. Zo trainen wij onze studenten op de samenwerking met tandartsen, in wat het ‘house of dental’ gaat heten. Later, in de praktijk, is het namelijk belangrijk dat we multidisciplinair communiceren. Omdat je als mondhygiënist niet alle competenties hebt, verwijs je met regelmaat door, en dat moet wel goed gebeuren. Je moet


‘Alleen als je de patiënt als mens ziet, en niet alleen als ‘mond’, dan kun je daadwerkelijk wat doen in ons vak.’ 47


uit de praktijk Henry van Heel Mondzorgkunde

‘Je kunt echt iets voor die mensen betekenen.’ Henry van Heel begeleidt studenten Mondzorgkunde, soms in teamconcept met die van Tandheelkunde. Sinds 1985 heeft hij ook een eigen praktijk.

48

precies weten wat binnen wiens competenties valt. Maar het is niet zo dat het eenrichtingsverkeer is. Wij zijn bijvoorbeeld parodontaal meer getraind. En op het gebied van Motivational Interviewing, een gesprekstechniek om mensen te motiveren, wordt door onze studenten ook goed geoefend. Ze zijn in staat MI toe te passen, bijvoorbeeld bij het achterhalen van de zorgvraag en het voorbereiden van de patiënt op de behandeling. We kunnen dus echt leren van elkaar.

Dat zijn leuke overleggen want je wordt er vanaf het begin bij betrokken. Je ziet meteen resultaat van de operaties. Je krijgt alle tijd om een relatie op te bouwen met de ouders en later met het kind zelf. Je kunt echt iets voor die mensen betekenen, en zelf blijf je op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen op het vakgebied. Bij hartoperaties worden we trouwens ook vaker betrokken om te zorgen dat de patiënt ontstekingsvrij is. Dan heb je ook een rol in het geheel.

schisisteam

paramedicus

Een andere vorm van multidisciplinaire samenwerking is het Schisisteam. Daarin zit een logopedist, een orthodontist, een kaakchirurg, een plastisch chirurg, een fysiotherapeut, een tandheelkundige en dus een mondhygiënist. Baby’s met een aangeboren spleet of groef in de bovenlip, de kaak of het gehemelte, worden na de operaties blijvend gevolgd. In eerste instantie gericht op de ouders, en later krijgen ze zelf bijvoorbeeld poetsinstructie.

Als mondhygiënist blijf je een paramedicus. Je moet je plek weten, vind ik. Om multidisciplinair te kunnen werken, moet je altijd oppassen en voorzichtig zijn. Op het moment dat je interventie niet gevraagd wordt, kun je je werk niet goed toepassen. Je kunt de patiënt dan niet helpen en schiet dus je doel voorbij. Maar gelukkig is de cultuur binnen de zorg de laatste jaren zo veranderd dat we vanaf het begin gelijkwaardig behandeld worden, als deel van een team.


Loes Strijbosch Student Mondzorgkunde

Het begint bij zelfzorg Loes Strijbosch is net klaar met de opleiding Mondzorgkunde. Ze heeft ervaring in een algemene praktijk en een parodontologiepraktijk. “Onze patiënten ervaren zelf niet altijd dat ze een probleem hebben, omdat bijvoorbeeld parodontitis (ontstekingen van de weefsels rondom tanden en kiezen) meestal geen pijn doet. Als ze daar uitgebreid aan behandeld worden, doet het soms pijn, terwijl ze van tevoren nergens last van hadden. Daarom vind ik het leuk dat onze werkzaamheden nu aangevuld zijn met het behandelen van primaire cariës (boren en vullen van gaatjes). Het maakt je werkzaamheden gevarieerder en je ziet meteen resultaat. Een persoonlijk leerdoel in mijn minor was Motivational Interviewing. Daarbij leer je de patiënt te motiveren zelf verantwoordelijk te zijn voor zijn eigen (mond)gezondheid. Ons vak begint bij de zelfzorg van de patiënt. Het liefst heb ik natuurlijk een gemotiveerde persoon in mijn stoel, maar ik merk wel dat ik steeds beter weet hoe ik mensen moet motiveren. Ik krijg steeds meer ervaring, en dat is leuk.”

49


Beroepsgericht Onderzoek hoort onderwijs: erbij praktijkcoaching Jan van Huet Hoofddocent Fysiotherapie Fysiotherapie is een echt praktijkvak. Het omvat alles wat met menselijk bewegen te maken heeft. Dat betekent veel en vaak oefenen in het praktisch handelen, uiteraard gebaseerd op een gedegen theoretische kennis. Eén van de sleutels om te bereiken dat studenten zich ontwikkelen tot competente beroepsbeoefenaars, is de praktijkcoaching. Praktijkcoaching betekent dat er een plek is waar altijd docenten beschikbaar zijn om vragen te beantwoorden, om adviezen te geven en om studenten te helpen. Naast de ruimte van de praktijkcoaches is permanent een oefenruimte beschikbaar, zodat studenten te allen tijde kunnen oefenen. Door dit alles is een echte ‘professional learning community’ ontstaan. Praktijkcoaching van de opleiding Fysiotherapie is een aantal jaren geleden van start gegaan omdat studenten, docenten en werkveld niet altijd tevreden waren over het behaalde competentieniveau. Een zestal docenten, samen het totale curriculum bestrijkend, heeft de taak gekregen om als praktijk­coach op te treden. Momenteel is de praktijk­coaching een bron van inspiratie en ideeën voor iedereen. Het kan niet gek genoeg, als het maar ten goede komt aan het onderwijs en motiverend werkt voor zowel studenten als docenten. Het resultaat is ernaar. De opleiding Fysio­therapie zit in de lift en behoort inmiddels tot de top­opleidingen Fysiotherapie van Nederland. De praktijkcoaching heeft inmiddels navolging gekregen. In het Praktijkhuis wordt nu ook voor de andere IPS-opleidingen deze vorm van coaching gerealiseerd. Dit alles betekent een degelijke basis voor een verdere succesvolle ontwikkeling van alle IPS-opleidingen. 50

Wietske Kuijer Hoofddocent en programmaleider Verbinding Onderzoek en Onderwijs Bij IPS gaan onderzoek en onderwijs hand in hand, ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Vandaar dat docenten, studenten en lectoraten samenwerken aan de verdere ontwikkeling van hun paramedisch vak door het doen van praktijkgericht onderzoek. Vanuit een onder­zoekende houding werken studenten mee aan het up-to-date houden van hun eigen vakkennis. Ze leren behande­lingen uit te voeren die gebaseerd zijn op de laatste professionele en wetenschappelijke inzichten. Door het doen van onderzoek dragen ze bovendien, samen met docenten en lectoren, bij aan de verdere professionalisering en wetenschappelijke onderbouwing van hun eigen beroep. Onderzoek hoort er dus gewoon bij!


Ontwikkelingsplan IPS 2013 -2016 Ivo Hendriks Projectleider Innovatie en Implementatie IPS vindt het belangrijk dat het onderwijs aansluit bij ontwikkelingen in het werkveld. We willen studenten afleveren die meteen prima aan de slag kunnen in de praktijk maar die ook de juiste bagage hebben om in te spelen op toekomstige ontwikkelingen. Dus is het voor de activiteiten van IPS van belang om de praktijk en de toekomstige ontwikkelingen goed in beeld te hebben. En natuurlijk om samen met de praktijk inhoud te geven aan het beste onderwijs! Om de juiste scholing aan te kunnen bieden aan onze studenten, gaan we regelmatig met professionals uit de praktijk in gesprek. Allereerst analyseren we dan samen de beweegrichting van onze omgeving. Denk aan maatschappelijke trends, demografische ontwikkelingen of het beleid van de rijksoverheid. Op dit moment zien we in het werkveld bijvoorbeeld de verschuiving van duurdere zorg in instellingen naar zorg in de wijk of aan huis. Of de toenemende eigen regie van de patiënt en de groeiende belangstelling voor preventie en het bevorderen van een gezonde leefstijl.

Vervolgens bespreken we dit soort trends met het werkveld, docenten en studenten: welke kant gaat de zorg in de toekomst op volgens hen? Welke ontwikkelingen voorzien we voor bijvoorbeeld het vak Logopedie, Voeding & Diëtetiek of Mondzorgkunde ? Waar moeten we dus op sturen bij het opleiden van de toekomstige professionals? De antwoorden op deze vragen zijn van invloed op de inhoud en organisatie van ons onderwijs. Eens in de vier jaar maken we, aan de hand van thema’s die zowel door de HAN zelf als door de praktijk zijn aangedragen, een instellingsplan voor het instituut. Aan de hand van dit plan ontwerpen we het onderwijs zodat dit steeds weer up-todate is en naadloos aansluit op de praktijk!

51


colofon Instituut Paramedische Studies (IPS) Kapittelweg 33, 6525 EN Nijmegen (024) 353 11 26 Opdrachtgever Theo Joosten, directeur IPS Projectleiding en redactie Sandra Jellema Miranda Vens | www.miracommunicatie.nl Interviews Mirjam van Zelst Fotografie Gema Pérez | www.gemasiul.com Shutterstock, pagina’s 7,13,15,25,39 Privéarchief, pagina’s 9,10,11,26,33 Vormgeving Bureau Ketel | www.bureauketel.nl

52



Praktijk als inspiratiebron