Page 12

BDW 1397 PAGINA 12 - DONDERDAG 10 OKTOBER 2013

Corneel kocht een coupon voor Aken, maar stapte uit in Brussel-Noord. “Ik heb een klein jaar rondgezworven in de buurt, ik sliep onder de trappen van het station.”

© IVAN PUT

er voor mij geen plaats meer aan tafel. Ik was niet meer welkom omdat ik zou scheiden.”

CORNEEL VERHUISDE 26 JAAR GELEDEN HALSOVERKOP NAAR BRUSSEL

Een pak Princekoeken

‘Niemand kan alleen zijn’ BRUSSEL – Corneel* leefde in het Pajottenland, toen hij 26 jaar geleden wegens familiale problemen halsoverkop naar Brussel vluchtte. Zonder valies, zonder geld. Eén jaar lang overleefde hij op straat. Een verhaal over vallen en opnieuw opstaan, opgetekend voor de campagne Armoede (op den) buiten van Welzijnszorg vzw.

‘H 

et Pajottenland is eigenlijk een beetje een achterlijke buurt, al mag ik dat niet zeggen (lacht). We woonden aan de rand van het dorp. Thuis konden ze me niet helpen met mijn huiswerk, al is dat geen verwijt. Ik zou het zelf ook niet kunnen uitleggen aan mijn kinderen. Ik heb mijn diploma van het lager middelbaar gehaald. Ik had niet de moed om verder te studeren. Tegenover ons huis was er een drukkerij. Daar kon ik aan de slag als papiersnijder. Mijn moeder zei me: “Doe een hemd en een das aan, de mensen mogen niet weten dat je met je handen gaat werken.” Dat is typisch voor het platteland van toen. Dat werk heb ik enkele jaren gedaan. Daarna ben ik in dienst gegaan bij mijn vader, die bij de ‘spaarkas’ werkte.” “Ik ben vrij laat getrouwd, ik was al 31 jaar. De zaken gingen goed. Ik deed mijn werk graag.

Niet veel later is mijn vader gestorven. Daarop moest ik bij de directeur langsgaan – ik wou hetgene wat mijn vader had opgebouwd, niet verloren laten gaan. Ik heb hem gevraagd om zo snel mogelijk een vervanger van mijn vader aan te stellen. Daarop heeft de directeur mij benoemd. Ik had ook een secretaresse nodig. De directeur heeft er toen niets beter op gevonden dan mijn vrouw aan te stellen. Dat bleek helaas een grote vergissing.”

Spelletje kaarten “In mijn contract stond dat het zakencijfer er jaarlijks met tien procent op vooruit moest gaan. We waren maar met twee beroepskrachten en het werd ieder jaar moeilijker en moeilijker om dat cijfer te halen. Dat bracht veel stress met zich mee, waardoor er ook spanningen in het huwelijk kwamen. Als je overdag

werkt, stop je normaal om vijf uur. Daarna kan de boel ontploffen. Bij ons was dat niet het geval. Wij moesten heel vaak ’s avonds doorwerken. Na een tijdje ben ik ergens troost gaan zoeken, omdat ik nergens terecht kon met mijn problemen. Dat had ik natuurlijk niet mogen doen.” “Het nieuws deed snel de ronde in het dorp en de bom is gauw gebarsten. We zaten ’s ochtends aan tafel en de jongste van mijn twee kinderen zei: “Papa, we gaan verhuizen.” Mijn vrouw had iets gevonden om te huren, ze wou van me scheiden. We hadden net een mooie villa gekocht en ik had in een stommiteit een papier getekend dat ik alle schulden op mij zou nemen. Het ging over zes miljoen Belgische frank, veel geld in die tijd. Scheiden was toentertijd een grote zonde en ik voelde goed hoe ik met de vinger werd nagewezen. De emotionele armoede joeg me weg van het platteland. Ik kon er niet meer blijven. Op de zondag voor Pasen, op Palmzondag, heeft de pastoor mij de communie geweigerd. Na de mis gingen we traditiegetrouw een spelletje kaarten in het plaatselijke café. Opeens was

“Toen is het snel gegaan. ’s Anderendaags heb ik om vier uur ’s ochtends mijn valiesje gemaakt, een briefje achtergelaten en de trein genomen. Ik had een coupon gekocht voor Aken, maar ben uitgestapt in Brussel-Noord. Ik heb een klein jaar rondgezworven in de buurt, ik sliep onder de trappen van het station. Tijdens de eerste nacht kwam een bewaker naar me toe. Hij zei: “Je bent hier nieuw, zeker? Een goede raad: doe nooit je schoenen uit als je slaapt, want dan worden ze gepikt.” Ik heb nu terug last van mijn voeten, want die rotten letterlijk weg als je op straat leeft.” “Ik sprak geen woord Frans. De eerste weken beleefde ik als in een roes: je kan je niet wassen, je kan niet eten. Toen ik vertrok, had ik 200 Belgische frank op zak, maar dat geld was snel op. Ik heb zelfs nog gebedeld. Dat is heel erg zwaar: ik ben ermee gestopt en vond een ander middel om aan een inkomen te geraken. Je had in die tijd bagagekarretjes die je aan het station kon nemen. Niemand zette dat karretje terug, dus deed ik dat. Dan had ik telkens vijf of twintig frank.” “Van op straat te leven, heb ik een dikke buik gekregen. Je kan niet naar de supermarkt gaan, want je stinkt heel erg. Dus met dat beetje geld ging ik naar een of andere lokale winkel om een pak Princekoeken te kopen. Dat kost niet veel geld en suiker neemt de honger weg. Zo voelde ik me even voldaan. Ik heb gelukkig nooit gedronken. Natuurlijk wel frisdrank – geen cola, want die was te duur – en zo had ik weer wat suiker binnen.” “Na een tijdje leer je andere mensen kennen die in hetzelfde schuitje zitten. Dat zijn geen kameraden, maar lotgenoten. Af en toe deel je iets, of vertel je aan elkaar waar je je gratis kunt wassen, bijvoorbeeld in Sint-Gillis ach-

BDW - editiei 1397  

Brussel Deze Week van 9 oktober 2013

BDW - editiei 1397  

Brussel Deze Week van 9 oktober 2013

Advertisement