Page 1


Colofon Productie Branding Topics, Helmond Vormgeving en opmaak Anita Smits Tekst Joost van Sluijters Illustraties Saskia van Gerven Drukker Drukkerij Claessens Š Branding Topics


Waar zal ik mijn verhaal beginnen? Bij die stoere middeleeuwse stad met zijn sterke muren? Bij de dappere ridder Willem die deze stad altijd verdedigt? In het prachtige groene bos bij de bron van een beekje? Of bij Kobus, de keizer die nooit genoeg land lijkt te hebben en die steeds meer steden en landen verovert? Nee, laten we dit wonderlijke verhaal beginnen bij twee kinderen, die uit kunnen groeien tot helden: Wouter en Wiesje.

A

Een open poort

Als Wouter en Wiesje zich zorgen maakten, liepen ze meestal de stad uit. Vandaag maakten ze zich zorgen. Dus liepen ze in het fraaie groene bos net buiten de stad, waar je altijd vogels hoort fluiten en vaak mooie bloemen en vlinders ziet. Daar, tussen die grote bomen in de frisse lucht dachten ze altijd vanzelf aan andere dingen. En dat was fijn. Want thuis was hun vader veel aan het mopperen dat hij te weinig werk had. Hij is pottenbakker en hier in de stad gaan er maar weinig potten stuk. ‘Viel er maar eens een vreemd leger de stad binnen. Met paarden, woest zwaaiende zwaarden en een hoop paniek. Dan gaan er veel dingen kapot en heb ik weer werk’ zuchtte vader vanochtend. En zo was het. Maar in deze stad vielen nooit legers binnen, wisten broer en zus. Want deze stad heeft heel erg dikke muren. Als er ooit een ander leger bij de stad aankwam, en dat gebeurde nog wel eens, dan vluchtten de boeren met hun koeien, varkens en kippen de stad in en gingen de dikke deuren in de stadspoort stevig op slot. Daarna konden ze dan rustig wachten tot de vijand verdwenen was.


In de stad was ook op die momenten eten genoeg. Veel mensen hadden een tuintje met groenten, de kippen leverden dan eieren, de koeien melk en de varkens zorgden voor vlees. Een helder klaterend beekje, dat hier in dit mooie bos zijn bron had, liep dwars door de stad en zorgde voor fris water. Het leven was goed in de stad. Zelfs als de dikke poort op slot moest. ‘Als er hier weer een vijand bij de stad komt, moeten we ’s nachts de deuren stiekem open zetten’ zei Wouter. ‘Voor papa.’ Wiesje keek hem verschrikt aan ‘Nee, dat mag niet! Jij moet gewoon een stoere broer zijn en de stad helpen beschermen. Dan ben ik trots op je. En papa, papa...’ Wiesje was even stil omdat ze het ook niet wist, ‘Ehh, papa moet gewoon geduld hebben.’ Ze liepen nog wat verder door het bos en kwamen bij de heldere waterbron. Daar dronken ze wat voor ze verder drentelden. Het was mooi, schoon en stil hier. Hoewel... stil nu even niet. Want Wiesje kletste veel en Wouter deed of hij luisterde maar was met zijn gedachten heel ergens anders. In gedachten zag hij hoe in de straten gevochten werd en hoe daarbij marktkramen vol met kruiken gevuld met olie zouden sneuvelen. ‘Vind je ook niet?’ hoorde hij Wiesje ineens zeggen en hij zei van schrik maar ‘Ja’. ‘Oké, dan lopen we naar huis en gaan we mama helpen met koken’ zei Wiesje opgewekt. Daar had hij dus ‘ja‘ tegen gezegd. Hij liep met Wiesje mee, stak voor zijn moeder het vuur aan, at mee van de stoofschotel en ging al vroeg slapen op zijn strozak. Hij droomde verder waar zijn gedachten gestopt waren en brak in gedachten heel wat potten en kruiken die nacht.


Koeien Wouter had slecht geslapen en was nog heel erg moe toen hij de volgende ochtend wakker werd van het geloei van koeien. Koeien? Koeien! Dat kon maar één ding betekenen. Er was afgelopen nacht een ander leger bij de stad aangekomen en de boeren waren de stad in gevlucht. Wouter gooide de luiken op zijn kamertje open en keek de straat in. Hij zag vrolijke varkens, scharrelende kippen, heel veel mensen en koeien. Iedereen was opgewonden en sprak over Kobus. Wouter kende geen Kobus. ‘Papa, papa, de stad zit op slot. De vijand staat voor de poort we moeten de stad verdedigen’ riep Wouter terwijl hij opgewonden naar beneden rende. ‘Ik ben een pottenbakker, geen soldaat’ zei zijn vader, maar dat vond Wouter maar een rare gedachte. We moesten nu immers met elkaar de stad gaan verdedigen. ‘Wiesje! Mama! We moeten de stad verdedigen’ riep Wouter in de woonkamer, maar ook Wiesje en zijn moeder wilden gewoon thuis blijven. ‘Gisteren wilde je de poort nog open gaan zetten voor papa en nu moeten we ineens allemaal gaan vechten van jou’ zei Wiesje terecht. Maar Wouter leek het al niet meer te horen en hij was door alle drukte op straat op weg naar het plein waar ook het stadhuis met de grote vierkante toren stond. Daar hoopte hij Willem te vinden, ridder Willem, de baas van de soldaten. Het was druk op het plein en op de trap van het stadhuis stond Willem inderdaad. Hij was de taken aan het verdelen. Sommige mannen moesten wachtlopen.


Anderen moesten de poorten beschermen en weer anderen moesten keien uit de straat halen om die straks van boven op de muur naar beneden te gooien. ‘We gaan het leger van Kobus buiten de stad houden’ riep Willem, terwijl hij zijn vuist in de lucht stak en alle mannen riepen ‘Ja’. Hij heet dus Kobus, dacht Wouter, en hij wilde Kobus graag buiten zijn stad houden. Tussen alle lange benen door schoof Wouter steeds een stukje naar voren tot hij voor Willem stond. ‘Zal ik helpen om takken naar boven te slepen, zodat we brandende takkenbossen voor de voeten van Kobus en zijn mannen kunnen gooien?’ vroeg hij enthousiast en hij bedacht dat hij tijdens dat slepen met takken dan misschien wel ‘per ongeluk’ een paar potten in de straat kon breken. ‘Wouter je bent tien’ zei Willem. ‘Het is heel fijn dat je wilt helpen, maar dit is werk voor échte mannen. Ga jij je vader maar helpen in de pottenbakkerij, wij zorgen er voor dat Kobus buiten de stad blijft.’ Wouter was boos. Heel boos. Alsof hij geen echte man was. Alsof er bij zijn vader iets te helpen viel. Die had zelf al niets te doen. Hij voelde dat hij tranen in zijn ogen kreeg van woede of verdriet. Dat wist hij eigenlijk niet. Gauw liep hij een klein steegje in, zodat niemand hem zag. Echte mannen huilen immers niet. En wat moest hij nu thuis vertellen? Wiesje ging hem waarschijnlijk uitlachen. En dat snapte Wouter ook wel een beetje. Misschien was Willem nog wel stommer dan Kobus.


E

ijsheid ‘En?’ riep Wiesje toen ze Wouter aan zag komen lopen. ‘Mag je vanavond wachtlopen op de stadsmuren? Word jij een stoere soldaat broertje van me? Aan de manier waarop ze het vroeg, kon Wouter al horen dat dit geen échte vragen waren. Ze was hem eigenlijk nu al aan het pesten.

‘Nou...’ zei Wouter. ‘Willem heeft andere plannen met mij. Hij wil niet dat ik mijn tijd verspeel met sjouwen of vechten. Hij ziet in mij meer een denker. Een GROOT denker. Iemand die nadenkt over hoe we de vijand verslaan. En dat denken, dat mag ik gewoon hier thuis doen.’ Wouter was trots op wat hij verzonnen had en Wiesje trots op hem: haar broer was de denker van de stad.


‘Dan denk ik met je mee Wouter. Kom, ik haal er wat fris water bij en dan gaan we samen zitten denken op jouw kamer. Ik heb wel zin in denken.’ Wiesje pakte een kruik uit de werkplaats van haar vader en liep naar het beekje dat dwars door de stad loopt en waar je het water uit de bron buiten de stad kan drinken. Een kwartiertje later was ze terug bij Wouter op de kamer. ‘En wijze Wouter; al wat verzonnen?’ riep ze lachend. Maar Wouter had nog niets verzonnen en toen het die avond donker begon te worden, was dat eigenlijk nog steeds zo. Ja, ze hadden verzonnen dat je ook met ijspegels zou kunnen werpen als het winter was... maar ja, dat was het niet. En ze hadden bedacht dat je vaten bier naar buiten zou moeten gooien, zodat de mannen van Kobus dronken zouden worden... Maar ook over dat plan hadden ze twijfels. ‘Ik ga mijn denkhoofd op het kussen leggen’ zei Wouter al vroeg die avond, maar dat was niet helemaal waar. Want toen zijn zus en ouders ook gingen slapen, glipte Wouter nog even het huis uit. Hij liep naar de stadspoort waar je met een smalle trap tot boven op de muur kan komen. Vanuit de schaduw van de poort keek hij toe hoe zijn stoere stadsgenoten wacht liepen op de stadsmuren. Hij kon nu ook buiten de muren kijken, maar daar waren helemaal geen soldaten van Kobus te zien. Wat raar. Ja heel in de verte, bij de rand van het bos, zag hij een kampvuur en wat mensen. Maar er werd niet gevochten.


In het zachte schijnsel van de maan liep Wouter naar huis en sloop richting zijn kamer. In de gang kwam hij Wiesje tegen. ‘Wat doe jij hier Wouter? Je moet slapen! Dan kun je beter nadenken morgen.’ ‘Ik ehh, ehh, ik kan beter denken als ik wat rondloop’ fluisterde Wouter. ‘Maar kom, we gaan slapen, dan zijn we morgen weer fris.’


Kobus

D

De soldaten van Keizer Kobus waren niet te genieten. Ze stonden nu al tien dagen aan de poort van de stad en nog steeds had Kobus geen enkele poging ondernomen om de stad aan te vallen. De mannen verveelden zich en maakten vooral onderling wat ruzie over verloren kaartspelletjes. Niemand snapte wat ze hier deden en eerlijk gezegd snapte Keizer Kobus dat ook niet zo goed. Direct toen hij was aangekomen bij de stad had hij gezien dat het onmogelijk was om deze stad te veroveren. Hij had nu al tien lange dagen nagedacht over een plan, maar nog steeds niets kunnen verzinnen. In de elfde nacht kwam er echter een idee: hij zou gaan doen alsof hij wegging. Dan ging de stadpoort weer open en zou hij met zijn snelste paarden terugkeren en gewoon de stad in rijden. Een verrassingsaanval. Dat was de enige kans meende hij. Hij liep in de vroege ochtend zijn tent uit om dat plan aan zijn mannen te vertellen, toen hij daar tegen een zenuwachtige stalmeester opbotste. ‘Aan de kant. Ik moet belangrijke zaken gaan bespreken’ riep Kobus. Maar zijn stalmeester ging niet aan de kant. Die had immers zijn eigen belangrijke ding. ‘Keizer Kobus ik heb slecht nieuws’ zei de stalmeester. ‘Het spijt me om het te moeten zeggen Keizer, maar de paarden zijn ziek. Alle vijftig. Ze kunnen niet meer op hun benen staan en liggen in hun eigen poep. U kunt zeker niet meer op ze rekenen voor deze belangrijke strijd.’


Keizer Kobus was even stil. Ook zijn nieuwste plan leek hiermee voorlopig niet door te kunnen gaan. Hij herhaalde de woorden van zijn stalmeester in zijn hoofd nog een keer en vroeg: ‘Poep?’ Die middag liet Keizer Kobus al zijn verbaasde mannen poep oprapen bij de paarden. Vieze poep, vol met alle ziektemakers waar zijn paarden zo ziek van waren geworden. Honderden emmers vol liet hij leegkiepen in een platte wagen en met die stinkend vieze wagen reed hij hoogstpersoonlijk het bos in naar het sprankelende bronnetje waar de beek ontspringt die dwars door de stad loopt. ‘Gooi het hier maar neer’ lachte Kobus. En hij wees op de heldere bron waar het water uit komt dat Wouter, Wiesje, Willem en alle mensen in de stad verderop drinken. ‘Reken maar dat ze die de poort straks open zetten’ riep Kobus. ‘Ze worden doodziek of, als ze niet drinken, zo dorstig dat ze de poort zullen open doen om naar drinkwater te zoeken. Scheppen mannen, scheppen.’ Kobus ging nu eigenhandig poep in het schone water gooien, wat direct bruin kleurde en zelfs iets ging schuimen. Een vieze stroom water liep door het mooie bos, door de groene weilanden en richting de stadswal om daar door een stevig traliewerk stinkend en schuimend de stad in te stromen.


ater van vandaag Wouter en Wiesje misten hun wandeling door het bos van de bron wel een beetje. Ze waren nu al elf dagen de stad niet uit geweest. Maar thuisblijven zagen ze vandaag ook niet zitten. Hun vader had deze hele week geen klant gehad en was zo hard aan het mopperen, dat ze echt blij waren toen ze hun straat uitliepen. ‘De eerste dagen als de poorten op slot gaan, vind ik het altijd wel leuk’ zei Wiesje. ‘Maar na een dag of tien ben je gewend aan de koeien, kippen en varkens en dan mis ik het wandelen in het bos heel erg. Wat zou ik vandaag graag vlinders gaan tellen...’ ‘Laten we op de markt gaan horen of Willem al een plan heeft om Kobus weg te jagen’ zei Wouter. Ze liepen door de kleine steegjes naar de markt en troffen daar inderdaad Willem aan, die er fris, maar ook verward uitzag. Hij was een groep soldaten aan het toespreken. ‘De vijand is helemaal geen vijand’ riep hij. ‘We staan nu al elf nachten op wacht, maar er gebeurt helemaal niets.’


‘Uhh, als er tóch niets gebeurt, zou ik dan wellicht wacht kunnen lopen?’ probeerde Wouter nog maar eens, maar Willen hoorde hem niet eens. ‘We hebben elke nacht twintig man op de muren klaar staan om Kobus en zijn mannen af te schrikken. Ik slaap nu al bijna twee weken met mijn harnas aan. Maar Kobus doet niets; helemaal niets.’ Willem had geen idee hoe zeer hij zich vergiste. Want terwijl de echo van zijn laatste woorden nog over de markt galmde, kwamen er heel veel vrouwen het marktplein opgerend. Boos, angstig en in paniek een beetje. ‘Willem, Willem, we hebben problemen! Ons water smaakt raar en ruikt vies!’ Wouter en Wiesje hoorden Willem zeggen dat we niet in paniek moesten raken. We zaten midden in een vreemde strijd met Kobus en dan moet je niet gaan zeuren als het water even iets minder lekker smaakt. De vrouwen mopperden nog wat, maar begrepen ook wel dat de strijd om de stad belangrijker is, dan de smaak van water... Wouter en Wiesje liepen via het beekje naar huis. Ja; het water rook wat raar en de smaak was anders, merkte Wouter ook, toen hij een slokje van het water proefde. Maar ze vonden dat Willem verstandige dingen gezegd had...


Drie uur later dacht Wouter daar heel anders over. Hij had buikpijn. Niet een beetje buikpijn, maar echt het gevoel alsof Kobus met zijn zwaard dwars door zijn buik aan het steken was. Hij lag op zijn strozak te kermen toen Wiesje binnen kwam... Ze schrok. ‘Haast iedereen lijkt ziek in de stad. Jij dus ook al. Ik heb zieke koeien gezien, zieke soldaten, zieke paarden, zieke kinderen en oma’s. Ik weet écht niet wat er is.’ ‘Heb jij vandaag water gedronken?’ vroeg Wouter haar. ‘Ja een heleboel’ zei Wiesje, ‘Misschien wel een hele kruik.’ Omdat hun vader pottenbakker was, hadden ze veel kruiken en hielden ze soms water op voorraad. ‘Dat was water van gisteren’ wist Wouter. ‘Ik denk dat we allemaal ziek zijn van het water van vandaag.’


Grote gedachten

T

Toen Wouter zich later die dag iets beter voelde ging hij samen met Wiesje de stad in om te kijken hoe erg het was. Aan mensen die ziek waren vroeg hij welk water ze gedronken hadden en al gauw bleek dat iedereen die water van deze dag had gedronken nu ziek op bed lag. Ze zagen ook veel van de stoere mannen die eerder nog met Willem op het plein hadden gestaan, nu krom van de pijn op de straten liggen.

‘We moeten geen water meer drinken,’ zei Wouter. Maar Wiesje snapte direct dat dát niet de oplossing was. ‘Als we geen water drinken gaan we dood van de dorst. We hebben nu nog melk van de koeien en bier uit de brouwerij, maar als de brouwer geen water krijgt en de koeien geen water krijgen dan houdt dat ook op.’ ‘Het komt vast door die Kobus,’ zei Wouter. ‘Die heeft ons water vast vies gemaakt en die staat nu lachend buiten te wachten tot dat wij naar buiten komen.’ ‘Nou moet JIJ iets verzinnen,’ zei Wiesje ‘Jij bent toch Willem zijn grote denker...’


Wouter begreep dat hij inderdaad moest gaan denken, dat het belangrijk was en ook dat hij maar beter zijn zus erbij kon hebben, want die had vaak een goed idee. ‘Help je mee Wies? Misschien lukt het ons samen.’ Broer en zus kwamen die middag tot grote gedachten. Ze kregen een plan waar wij vandaag nog steeds plezier van hebben. Door heel goed na te denken... ‘Waar komt het water vandaan?’ vroeg Wiesje. ‘Uit de beek,’ zei Wouter. ‘Waar komt het water uit de beek vandaan?’ vroeg Wiesje. ‘Uit de bron,’ zei Wouter. ‘Waar komt het water uit de bron vandaan?' vroeg Wiesje. ‘Uit de grond!’ riep Wouter. ‘Er zit water in de grond en als we hier op het plein diep genoeg graven, komen we dat vast en zeker tegen...’ wist Wiesje. ‘Grondwater!’ riep Wouter enthousiast.


‘Maar dan moeten we nog zorgen dat het op al die plekken komt waar nu de beek langs loopt,’ wist Wiesje en ook daar bedachten ze samen een plan voor. ‘Zullen we het samen aan Willem gaan vertellen?’ riep Wouter. ‘Nee, doe jij maar,’ zei Wiesje. Niet omdat ze zo bescheiden was, maar omdat ze wist hoe belangrijk het voor Wouter was om als ‘groot denker’ gezien te worden door ridder Willem. En dat was heel lief van haar natuurlijk.


Juichen en klappen ‘Willem, Willem luister!’ schreeuwde Wouter toen hij het plein op rende. Maar Willem luisterde niet, hij vertelde juist. ‘In dit hele grote biervat zit nog een beetje bier. Als het leeg is zijn we verloren,’ vertelde Willem tegen de paar mensen die er nog wel waren op het plein. De rest lag ziek op bed. ‘Nee, als dat leeg is gaan we juist beginnen,’ zei Wouter. Maar nog steeds luisterde Willem niet. ‘We kunnen ons maar beter overgeven aan Kobus, voor er hier mensen dood gaan van de dorst,’ sprak Willem. ‘Of heeft er iemand een beter plan?’ ‘Ja IK!’ schreeuwde Wouter en alle mensen op het plein keken hem aan. Eindelijk. ‘We moeten het vat gauw leegmaken,’ vertelde Wouter. ‘Dan hijsen we het vat naar boven in de toren hier.’ De mensen keken hem verbaasd aan. ‘Dan gaan we graven, heel diep graven. Want hier onder het plein moet water zitten. Regenwater van heel, heel lang geleden dat door het zand naar beneden is gesijpeld. Doordat het door de zandkorrels naar beneden


is gegaan, is het helemaal schoon geworden. Dat schone grondwater halen we straks met emmers omhoog. Niet omhoog naar het plein hier, maar omhoog naar het vat boven in de toren. Dat vat gaan we eerst vullen met schoon zand Zo maken we van het vat niet alleen een voorraadvat maar ook een filter, dat ons water nog weer schoner maakt. Het wordt een waterzuivering en een watertoren.’ ‘En dan...’ Wouter voelde dat zijn hart nu harder ging bonzen. ‘Dan maken we onder aan dat vat een kruik van mijn vader vast. Papa gaat kruiken maken zonder bodem. Dus aan die kruik maken we met klei weer een nieuwe kruik vast. Weer zonder bodem. En daaraan weer een nieuwe en daaraan weer een nieuwe... Zo maken we een lange buis die naar de stallen gaat om schoon water bij de koeien te brengen, die naar de brouwer gaat voor zijn bier, die naar de mensen gaat die dorst hebben en naar de tuintjes waar de planten groeien. Het water wil wel, want dat wil omlaag.’ ‘De mensen op het plein waren eerst nog even stil, maar begonnen toen te juichen en te klappen.’ Iedereen die niet ziek was of die zich een beetje beter voelde, ging aan het werk. Mannen die gisteren nog wacht liepen voor een vijand die maar steeds niet kwam, waren nu een gat aan het graven in het plein en toen de maan opkwam kon je in het schijnsel zien hoe een enorm vat de toren op werd gehesen dat met schoon zand werd gevuld. Aan de muren van de stad was weer geen strijd die nacht. Kobus was rustig aan het afwachten.


T

Gered

Twaalf mannen en vrouwen hadden de hele nacht doorgegraven en werden de volgende dag vervangen door twaalf uitgeslapen anderen. Iedereen in de stad was ineens druk. Maar één man was het allerdrukst: de papa van Wouter en Wiesje. Die draaide aan de lopende band kruiken zonder bodem die dan door Wiesje in de oven werden gelegd en door Wouter naar het plein gebracht. Hun papa maakte in één nacht meer kruiken dan in het hele jaar ervoor. Toen Wouter rond de middag weer twintig kruiken kwam brengen naar het plein klonk daar gejuich. Diep onder het plein hadden mannen inderdaad grondwater gevonden en het smaakte geweldig. ‘En nou het grote vat gaan vullen’ riep Wouter, die zag hoe er inmiddels een buis van boven naar beneden liep en hoe deze buis al een eind richting de brouwerij en de wasplaats doorliep. Zijn meesterlijk plan leek te gaan lukken: het water uit de emmers werd nog schoner als het door het zand in het vat sijpelde en het liep daarna kraakhelder de kruikenbuis in. Voor het donker werd was het vat zelfs al vol en liep de lange kruikenbuis tot aan de stallen waar het heldere water met blij geloei van de koeien ontvangen werd. Er was zoveel water in het vat dat iemand midden op het plein zelfs een klein gaatje in de buis had gemaakt, waardoor er een klein fonteintje was ontstaan. Willem, Wouter en Wiesje stonden erbij te kijken.


‘We zijn gered Wouter,’ zei Willem, ‘We zijn gered. De stad kan weer drinken dankzij jou kleine man.’ Wouter glom van trots, al wist hij maar al te goed dat hij die trots moest delen met zijn lieve zus. De koeien werden beter en mochten voortaan niet meer op de markt komen, omdat ze met hun poep de nieuwe bron van het drinkwater niet vies mochten maken. En ook de soldaten voelden zich al gauw weer sterk worden en je hoorde in het straatje achter de kleine kerk iemand heel vrolijk fluiten: de vader van Wouter en Wiesje. Die had waarschijnlijk nog jaren werk, want nu iedereen zag hoe handig dit werkte, wilde iedereen wel een buis naar zijn huis. En buiten de stad was nóg iemand heel druk. Daar in het bos bij de bron was Kobus inmiddels zijn twaalfde platte wagen met paardenpoep aan het uitladen, met zweet op het voorhoofd en een lach op zijn gezicht: hij wist zeker dat zijn meesterlijk plan ging werken.


Open

H

Het was een mistige ochtend een kleine week later. Willem stond op de dikke muur bij de poort. Toen de zon wat sterker werd en de mist optrok zag hij daar Kobus staan met zeker tweehonderd soldaten. Geen paard te zien. Kobus zag Willem nu ook staan en maakte van zijn handen een toeter om zich verstaanbaar te maken.

‘Willem, geef je over. Doe de poort maar open. Ik heb kruiken vol met heerlijk koel water hier voor jullie slappelingen.’ ‘Kruiken?’ riep Willem terug ‘Wij drinken hier gewoon uit de buis!’ Maar daar snapte Kobus natuurlijk helemaal niets van. ‘Jullie zijn dorstig, jullie zijn ziek en het enige wat je moet doen, is nu de poorten open zetten, dan stroomt er vanmiddag al weer schoon water door de beek.’ ‘Dat is goed,’ schreeuwde Willem terug en zo hadden ze het afgesproken. Op dat moment gooiden ze beneden hem de stadpoort open en stormden alle soldaten, bewoners, koeien, varkens, kippen, paarden én Wouter de poort uit. Haast als een kraan die open wordt gezet.’


Kobus en zijn mannen werden volledig verrast. Zij dachten hier een stad vol zieke en dorstige mensen aan te treffen, maar in plaats daarvan draafde de hele stad nu woedend hun kant op. ‘Val aan’ riep Kobus nog vertwijfeld, maar toen hij omkeek zag hij dat al zijn mannen al weg aan het vluchten waren en het leek hem heel verstandig dan maar hetzelfde te doen. Hij had zo’n haast om weg te komen, dat de glimmende helm die hij ophad van zijn hoofd viel en er was een jongen van pakweg tien die deze helm al heel gauw opraapte. ‘De stad is VRIJ,’ schreeuwde Willem. ‘De stad is vrij,’ riep ook Wouter die de veel te grote helm inmiddels op had gezet. Iedereen, behalve de boeren met hun vee, liep weer de stad in om dat te gaan vieren rond de fontein. Kobus is nooit meer terug geweest bij de stad die hij waterloos had willen maken. En in de geschiedenisboekjes vinden we zijn verloren strijd terug als ‘de slag bij Waterloos’.


Tot slot

E

Er werd een windmolen gebouwd om het vat voortaan te vullen en Wouter... die werd uiteraard de held van de stad. Dus toen een maand later een nieuwe magistraat (dat is een soort van burgemeester) voor de stad moest worden gekozen, koos iedereen voor Wouter: een jongen van tien; een held van tien. Wouter wilde dat best worden, maar dan alleen samen met zijn zus. Want hij wist hoe belangrijk zij was geweest. En zo werd deze stad van het helder water, niet alleen de eerste stad met een heuse waterleiding, maar ook de eerste stad met niet één maar twee magistraten... Brabant Water is Wouter en Wiesje nog altijd dankbaar. Want nog steeds wordt het water voor Brabant uit de grond gehaald, gefilterd en dan door lange buizen naar de huizen gebracht. Net als in de tijd van Wouter en Wiesje. Daarom heeft Brabant Water de straat waaraan haar hoofdkantoor staat, de Magistratenlaan genoemd. Als een heel groot ‘dank je wel’.

Wouter & Wiesje  

Een spannend verhaal over Wouter en Wiesje die ons leren dat schoon drinkwater eigenlijk heel bijzonder is.

Wouter & Wiesje  

Een spannend verhaal over Wouter en Wiesje die ons leren dat schoon drinkwater eigenlijk heel bijzonder is.