Brabants Magazine nr. 35

Page 1

Jaargang 9, nummer 3, december 2022 JW Roy zoekt vrijheid Oodesuis èn de Sirene Hedde gij en zijde gij Van hier
Brabants Kwartaalblad over Brabanders en hun taal

Van de redactie

Cor Swanenberg: JW Roy gedijt in vrijheid

JW Roy: Hier is 't goed

Dialectgenootschap De Berregse Kamer schreef:

Jan Luysterburg: “Ei! Gade mee dweile?” Het verdriet van Krabbegat

Junt: ’t Kumt er aon!

Nico van Kruisbergen: De lach van Mari de Bijl

Jan Luysterburg: Een viertalige hit van Hein Augustijn

Henk Janssen: Alleen nog wat ik leuk vind

Rensz Gorisse: Wè waar ik blij

Cor Swanenberg: Ons Kèrsmisse waren alt zalig

Jacques van Gerven: Kerstbroek

Mientje Wever: Van dizzen tied

Loek van Laarhoven: Feliz navidad

Ed Schilders: Spraak-beeld

Cor Swanenberg: Jan van den Boom, vergeten schrijverschilder (Breda, 1904- Den Bosch, 1970)

Ton van den Bergh: De avonturen van Rommelkruid en Nagelgruis

Henk Janssen: De Sint-Anna kapel op de Kolluk

Riny Boeijen: Zoeme

Ad Louwers: De uurste en de leste

Yoïn van Spijk: Hedde gij en zijde gij

Van de redactie: Jaske Leenderts, Ollands glorie (1923 -2022)

Wim van Gompel: Betjoeft en betjoecht. Woordparen met ft en cht

Riny Boeijen & Ed Schilders: Oodesuis èn de Sirene

Brabants nummer 35 - december 2022
3
4
7
7
8
9
12
13
21
22
23
24
25
26
27
28
14
15
Brabants nummer 35 Inhoud
10
16
16
17
17
18

29 Henk Janssen: Bèrge kan ’r gruts op zén 29 Paul Asselbergs: Boere n’in Brabant 30 Hás van de Zande: Goeie kost 31 Anton van der Lee: ‘Ik ween om liefde die niet is ontloken’ 32 Johan Boenie: Woensdrechtse woordjes: Kiepe, aone en aajers 33 Jan Strick: Borreltijd 34 Toine Nooijens: Knikkere 34 Ans van Kessel: De zin is wir trug

Borgen en doorgeven

Geen enkel weldenkend mens zal het ontkennen: we moeten zuinig zijn op ons waardevolle erfgoed, zowel het materiële als het immateriële. Dat maakt dat wij, met z’n allen samen, een tweevoudige taak hebben. Om te beginnen moeten we al het waardevolle dat we willen behouden, zeker stellen, veilig stellen, borgen. Als we er zeker van zijn dat ons erfgoed goed geborgd is volgt onze tweede taak: we moeten het doorgeven aan de volgende generaties.

Als we het hebben over immaterieel erfgoed, denken we aan zaken als het verenigingsleven, tradities en gewoonten, maar ook aan onze dialecten.

Ons dialect is belangrijk cultureel erfgoed. Het verbindt de generaties met elkaar, het bevordert het gemeenschapsgevoel en de gemeenschapszin, het is de taal die we van ons moeder hebben meegekregen, de taal waarin we ons het beste kunnen uitdrukken, onze gevoelens onder woorden brengen, daarbij gebruik makend van de aloude woorden en klanken die ons dialect ons te bieden heeft. Dialect is immers een belangrijk en onlosmakelijk deel van onze identiteit.

De redactie van Brabants spant zich dan ook al vele jaren in om de Brabantse dialecten te beschrijven, beschermen, bevorderen en promoten.

Het is de bedoeling dat op 1 juli 2023 in elke Nederlandse gemeente de Omgevingsvisie in werking treedt. Die omvat het totale pakket aan gemeentelijke wetten, regels, voorschriften en richtlijnen, gebundeld tot één geheel. Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de landelijke overheid dat zoveel mogelijk burgers over de Omgevingsvisie meedenken en meepraten. Participeren heet dat.

Naar alle waarschijnlijkheid zal de inwerkingtreding voor de zoveelste keer worden uitgesteld. Dat geeft u, als inwoner van uw gemeente, nog even extra de tijd om na te gaan, hoe het in uw gemeente is gesteld met de plannen voor het borgen en doorgeven van waardevol cultureel erfgoed en met name de dialecten. Trek de stoute schoenen aan en informeer ernaar. En laat u horen als uw gemeentebestuur naar uw oordeel onvoldoende presteert op dit terrein. Het gaat om onze toekomst en die van onze nakomelingen.

In de laatste maand van het jaar is men geneigd terug te kijken en bij het begin van het nieuwe jaar worden vaak goede voornemens gemaakt. Ons dunkt dat het bovenstaande daarom zeer wel past in deze tijd op deze plaats.

Brabants nummer 35 - december 2022
VAN DE REDACTIE
35 Luisterbox 35 35 Rectificatie 35 Colofon 36 Prent van Robben

JW Roy gedijt in vrijheid

Ons interview met singer-songwriter Jan Willem Roy was vast gelegd op begin september. Locatie: de Parade bij de Sint-Jan. De ontmoeting dreigde op het laatst niet door te gaan vanwege een staking die het railverkeer in Utrecht lamlegde. Een peperdure taxi redde de bijeenkomst alsnog.

JW Roy wordt vanouds in de hoek van americana geplaatst en wij wilden weleens weten hoe Brabants hij is.

Jan Willem Roy (Eindhoven, 1968) wordt als jong wielren nertje getroffen door het rock-’n-rollvirus. Zijn openings album Round Here is van 1997 en zijn eerste vier pla ten zijn Engelstalig, maar in 2005 neemt de zanger een wending naar het land van oorsprong. De liedjes in zijn verrassende nieuwe album Laagstraat 443 hebben dan wel een country-flavour, maar ze worden in Brabants di alect gezongen. Deze switch wordt alom geprezen. Roy gaat door in het Nederlands en het Brabants. Hij wordt op zijn albums bijgestaan door onder meer Ilse DeLan ge, BLØF, Freek de Jonge en Guus Meeuwis. Met Gerard van Maasakkers maakt hij het lied As ge ooit, een ver taling van Broken Wings van zijn album Deeper Shades uit 1999 In 2015 brengt Roy met Diggy Dex het nummer Treur Niet (Ode aan het leven) uit en wint daarmee de SENA Performers Award.

In 2011 maakt JW de titelsong Soms is het beter voor de film De Bende van Oss. Vijf jaar later speelt hij mee bij Groots met een zachte G van Guus Meeuwis. In 2017 viert onze hoofdpersoon in een uitverkochte Effenaar in Eind hoven zijn 20-jarig artiestenbestaan onder de naam Van Slagerszoon tot Songsmid. Samen met gasten als Ruud van den Boogaard, Guus Meeuwis, Diggy Dex, Gerard van Maasakkers, Frank Lammers en Lea Kliphuis brengt hij een onvergetelijke avond met muziek van zijn albums. Vooral van zijn platen JW Roy (2008) en Acht Zaligheden / Ach, Zalig Man uit 2010.

In 2020 komt het coronavirus en alle shows worden ge canceld. De leegte overvalt hem, maar herinnert hem ook aan de ruimte en rust van zijn jeugd. Na de achtertuin in Knegsel begon een uitgestrekt bos. Dat terugdromen geeft een goed gevoel. Het zaadje is geplant voor een prachtig project: ‘Kouwe Kermis, een muziekalbum in een boek met lichtvoetige memoires.’

Op zijn website staat: ‘Ruim twintig jaar is hij al prof. In die tijd is hij gegaan van schrijven en zingen in het Engels zoals op zijn debuutplaat Round Here uit 1997, naar lied jes in het Nederlands en zelfs Brabants dialect, tot weer terug naar het Engelstalige repertoire. Het past hem alle maal, maar als full-blooded americana-man ligt dat laat ste hem het best.’

De switch van Engels naar Nederlands en Bra bants typeert jouw werk wel, hè? ‘Ja, ik wil niet altijd maar hetzelfde. Ik moet kunnen veranderen en me vrij voelen. Afwis seling tussen Amerika en Brabant komt mijn muziek ten goede.’

Een refrein uit jouw autobiografische lied Ronde van Steensel van de cd Ach, Zalig Man die in woont bij het boek Acht Zaligheden luidt: ‘Een jongen uit Knegsel wint de Ronde van Steen sel

Hij reed de stenen haast uit de grond Een jongen uit Knegsel wint de Ronde van Steensel Had de beste benen van het hele peloton.’

Heeft die prestatie van toen nog nawerkingen ge kregen?

‘Jazeker! Ik heb inmiddels ook De Kei van Steensel gekregen en luister maar eens naar de cd De Willibrord wielersessies. Mijn lied Het leven is een kermiskoers, gezongen door Frank Lammers en Joost Prinsen, staat daar onder meer op.

Wie is JW Roy eigenlijk en hoe kwam hij in de muziek terecht?

‘Mijn achternaam spreek je eigenlijk uit als het Franse roi (‘koning’). Ik ben de zoon van Wim en Gerda en broer van Jeroen. Opgegroeid in Knegsel. Mijn vader opende daar een eigen sla gerij. Ik heb een fijne jeugd gehad in Knegsel. Heb daar bij het jeugdtoneel gezeten. Ik was geen liefhebber van school. Ik wist al op mijn dertiende dat ik de muziek in wilde. Dat kwam door klasgenoot Ruud van den Boogaard, met wie ik nog altijd muziek maak. Ruud hield een spreekbeurt over de gitaar in onze zesde klas. Ik heb daarna op de Don Bosco Mavo in Meerveldhoven gezeten, maar heb die niet af gemaakt. Op mijn zestiende ben ik thuis in de slagerswinkel gaan werken en toen heb ik nog de tweejarige slagersvakopleiding in Tilburg gedaan. Ik ben gediplomeerd slagersgezel. Ik heb in slachterijen gewerkt en op de camping in Eersel tot ik kon leven van de muziek. Ik ben in Utrecht gaan wonen, want daar zaten de jongens met wie ik muziek maakte. Ik zong er als straatmuzikant op Hoog Catharijne. Ik stond in de tunnel naar de bussen en dat klonk hard en mooi. Daar heb ik mijn hele eerste cd

4 Brabants nummer 35 - december 2022 COR SWANENBERG

vaak uit mijn hoofd gespeeld en pas later opge nomen. Ik verdiende er ongeveer zeven en een halve gulden per uur mee en dat was niet veel minder dan het tientje in de kippenslachterij.

De zekerheid dat ik kon leven van mijn mu ziek, had ik echt nodig. Dat gaf mij vrijheid. Dat bezing ik ook in mijn eerste liedje Laat het leven maar zweven, over de zweefmolen op de kermis in Knegsel van mijn jongste cd Kouwe Kermis: “Hoog, los, licht, geen begin en geen eind. Enkel en alleen maar vrij”.’

Wat zijn de hoogtepunten in jouw muzikale loop baan tot nog toe?

‘Dat zijn de vier nummer-één-hits met Guus Meeuwis en één met Gerard van Maasakkers (As ge ooit nog ’s terugkomt). En de tour Ach, Za lig Man met Frank Lammers, waarbij alle zalen in de Kempen waren uitverkocht, waanzinnig mooi! Dat was zo klein en zo fijn dat het daar door echt groot werd. Een mens uit de Zalighe den werd gespeeld door Frank en ik zong een liedje over dat dorp. Dat zou je overal kunnen doen, maar die menselijke kleine beschouwin gen, die ik leerde van Roy Clark, spreken ge weldig aan. En Tranen gelachen met Guus moet ik zeker ook vermelden.

Mijn echte hoogtepunt blijft het feit dat ik kan bestaan van wat ik graag wil doen. Ik ben vader van vier kinderen en die weten nog niet wat ze willen worden, maar als je weet wat je wilt, kan er heel veel. Volg je dromen.’

Je woont nu in Diemen. Hoe ben je daar terecht gekomen?

‘Door de liefde. Ik werd verliefd op een jon gedame uit Amsterdam. En ik woon daar nu al 25 jaar. Ik wilde weg uit Knegsel. Ik moest de wereld en de muziek ontdekken. Ik ben in 1994 naar de hoofdstad van de livemuziek ge gaan, Austin in Texas, en daar heb ik heel veel geleerd. Ik heb er nergens opgetreden omdat ik dat gewoonweg niet durfde. Die bands wa ren zo goed. Ik fietste elke dag naar concerten. Dat was mijn beste opleiding. Die heb ik zelf betaald met mijn overuren in de kippenslach terij.’

In het boek Kouwe Kermis schrijf je: ‘De mees te kinderen die bij mij in de klas hebben gezeten, gingen het dorp niet uit om te studeren of iets der gelijks, maar bleven in Knegsel wonen. Of in elk geval in de buurt. Ze vonden daar hun geluk. Ik niet. Ik was rond mijn dertiende jaar verslingerd geraakt aan de muziek en dacht op dat vlak heel groot. Nationaal, internationaal zelfs. Dus ik wist al vroeg dat deze omgeving het niet zou worden voor mij, niet voor altijd in ieder geval.’ Hoe be langrijk is voor jou als kunstenaar je Brabantse achtergrond nu? ‘Mijn filosofie is: ik hoef niet in Brabant te wo nen om Brabander te zijn. Ik ben niet zo chau vinistisch; ik kan een wedstrijd van Ajax en van PSV leuk vinden, maar van de andere kant ben ik volbloed Brabander. Ik werk met veel artiesten van dezelfde Brabantse bloedgroep. Toen ik in Utrecht kwam wonen, verstonden ze mij niet omdat ik zo plat Brabants praatte.

35
december 2022 5
Brabants nummer
-
12 Brabants nummer 35 - december 2022 TON VAN DEN BERGH

De Sint-Annakapel op de Kolluk

In het noordoosten van Brabant, tussen Berghem en Herpen, ligt de buurtschap Koolwijk of Kolluk in het lokale dialect. Aan een driesprong staat daar sinds de late middeleeuwen een kapel die aan Sint-Anna is toegewijd. In een kerkelijk register uit 1520 is sprake van de ‘Capella S. Annae in Coelbeeck’. Het beeld van Anna te drieën in de kapel dateert zelfs uit circa 1490. Het is dus ouder dan het gebouw en dat duidt op een al langer bestaande de votie. Aanvankelijk staat er een kleine eenbeukige kapel, die in de zeventiende eeuw door een grotere wordt ver vangen. In 1820 wordt die met twee zijbeuken vergroot en in 1936 vindt opnieuw een ingrijpende verbouwing plaats met goeddeels de huidige gedaante als resultaat. De kapel staat geregistreerd als rijksmonument.

Anna en Joachim, de grootouders van Jezus, zijn in we zen apocriefe figuren. Ze komen in de bijbel niet voor. Natuurlijk heeft Maria, de moeder van Jezus, een moe der gehad. Maar of ze werkelijk Anna heette, blijft in een plooi van de geschiedenis verborgen. Omdat Sint-Anna, zo wil het verhaal, pas op latere leeftijd moeder is ge worden, wordt ze de heilige bij uitstek voor onvrucht bare vrouwen. Ook vrouwen die geen huwelijkspartner kunnen vinden, wenden zich tot haar. Vele eeuwen blijft deze devotie het doel van individuele pelgrimage, van be devaarten en processies.

Het verhaal staat in onze familie intussen te boek als grijsgedraaide plaat maar ik wil de anekdote ondanks de lange baard hier toch niet onvermeld laten. In het hu welijk van mijn Osse grootouders blijven immers kin deren aanvankelijk lang uit. Ze behoren in Oss tot de parochie die door de karmelieten bediend wordt. Op ad vies van pater rector, die het adagium weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u nauwgezet volgt, besluit mijn opa een kaars te branden in de Koolwijkse Sint-Annakapel. En ziedaar: er worden maar liefst elf kinderen geboren. Als mijn vader, de jongste van het stel, in de wieg ligt, komt pater rector feliciteren. Hij treft het niet want mijn opa is niet thuis. ‘Is de baas er niet?’ ‘Nee, Eerwaarde,’ ant woordt mijn opoe, ‘die is nòr de Kolluk um oew kars mar ’s out te gòn blaoze.’ Het is aldus bij elf kinderen Janssen gebleven. Hoe anders is dat bij mijn andere grootou ders, waar er, onder het toeziend oog van dezelfde pater

rector – en bij mijn weten zonder kaars – zestien ter wereld komen.

Een opmerkelijk deel van de geschiedenis van de mo numentale kapel speelt tussen circa 1640 en 1672. De Meierij komt onder calvinistisch bestuur en de katho lieke eredienst wordt verboden. Koolwijk ligt echter in het autonome Land van Ravenstein, dat bestuurd wordt door een katholieke, Duitse vorst. De Sint-Annakapel is opeens een grenskapel. De katholieken uit Oss en het aangrenzende Maasland komen gedurende deze jaren in groten getale hier hun godsdienst belijden en bezoe ken er de missen die door Osse pastoors worden gece lebreerd.

Nog altijd is er in de Sint-Annakapel plaats voor deze liturgie. Met name op de feestdag van Sint-Anna (26 juli) dan wel op de zondag erna is er een hoogmis in de open lucht. Ieder jaar trekt dit Sint-Annafeest veel pelgrims. Oud-inwoners beleven het bovendien als een soort jaar lijkse reünie. Een andere activiteit betreft de opstelling van een bewegende kerststal. Gedurende de kersttijd kan men er een kerststal bewonderen die vooral kinde ren aanspreekt. Het is een traditie die al ruim vijftig jaar veel bezoekers trekt. Het is raadzaam om tevoren via in ternet de openingstijden na te gaan, mocht u tijdens de kerstperiode de Sint-Annakapel willen bezoeken.

Donaties voor het beheer zijn welkom bij:

Stichting Vrienden van Sint Annakapel IBAN: NL81 RABO 0352140607

Brabants nummer 35 - december 2022 13 HENK JANSSEN
Sint-Annakapel Marianne Castenmiller, koster

Oodesuis èn de Sirene

Ik zing oe de lof èn de roem van Oodesuis, die op stap waar èn z’n vrouw allennig thuis.

Ze hiette Penelopèèje èn waar zô beeldschôn dè al ’t máánsvolk d’r mi nor bed wô gôn.

Die lage mi durren allen in de buskes beneje, mar gennen enne há al oit mi d’r gevreje.

Ze zaat ôn d’r wééfgetaaw op d’r gemèkske èn woof vur d’r vôdder ’n begraffenispèkske.

Dè pèkske moes af zijn vurdè ze ging traawe mar ze kos de drööj nie mer uit mekare haawe. Die vrêêjers krege dè al gaawèèchtig deur èn zinne: ‘Hee mèske, bekent nou ’s kleur.

Ge kunt ’r toch ok enne van ons uitkiejze?’ Mar Penelopèèje wô durre mens nie verliejze. Ze daacht: ‘Was-ie mar hier, dan zug ’t ’r krulle,’ mar Oodesuis zaat bê de Faiaken te lulle.

Hij zaat te zwètse over wèt-ie ha meegemakt èn de Faiaken waren onder d’n indruk gerakt. Ik vertel oe iejn van die verhale, dè is beroemd. ’t Gö over zingende mèijde, Sirene genoemd.

Ze wônden op ’n eiland mi durren twed ’n hán hiejl de scheepvaart op zunne kop gezet. Dè kömt, ze ware nie alliejn gruwelek schôn mar zonge zô ès nog noit iemes há gedôn.

Ès de schippers dè hörde, wörde ze knètter èn sloeg durren boewt op de rotse te plètter. Ze verginge mi durren alle, mi man èn muis genne enne kwaam oit nog léévend thuis.

Gelukkeg há Kierkee Oodesuis gewarschaawd: ‘Ès ge mar zörgt dè ge de kop ’r bê haawt. Lôt oewèège nie kulle èn doet oew orre dicht, zú dè ge strakke nie ès botten op dè eiland ligt.’

Oodesuis zin: ‘Lôt ze mar kômme mi d’r gemaaw want ze make mijn de zèèk nie laaw.’ Hij riejp al z’n matroze op ’t dek bê mekare, nèt vurdè ze langs dè eiland zun gôn vare.

‘Manne,’ zin-ie, ‘luistert nor wè ik oe vertel. Ge ziet strakke unnen himmel, mar ’t is de hel. Twieje mèijde um oew vingers bê af te lèkke èn ze zinge ok nog ès ’n lijster, dè’s ’t gèkke.

18 Brabants nummer 35 - december 2022 RINY BOEIJEN EN ED SCHILDERS

Mar ès ze ons tot luisteren hebbe verlèèjd, worre we nôdderhaand gruwelek genèèjd. Onzen boewt zal op de rotse in stukke slôn Èn we zun allemôl nor de filestijne gôn.

Dus ligge d’r ’n por karse vur öllie kloar. Smeert dè vèt in oew orre, nie in oew hoar. Dan nimde mijn mee nor de groewte máást, èn doar bijnde me mi’n taaw strak ôn váást.

Makt me noit los, wè’k ok loewp te kwèèke, want dan lôtte oewèège in oew tèsse zèèke.’ Èn hij zaat nog nie váást of de stuurman riejp dèt ’r ’n schôn vrôllie langs de kustlijn liejp.

Ze zong: ‘Oodesuis, lôt oewèège toch nie kenne, Kômt mar ’s dist op ôn èn ik zal oe verwenne.’ Oodesuis spètte: ‘Stikte gê mar de moord, Mijn krijde mi dè gefleem èch nie van boord.’

Toch gave de Sirene d’r èège nog nie gewonne èn hán zoewe wir ’n nêêj uitmaksel verzonne. ‘Ge meugt ons beminne, krijgt zakke vol knake, we zullen oe baas over ’t hiejl spulleke make.’

Oodesuis waar um èn begos ôn ’t taaw te trekke, schrekte tege z’n matroze: ‘Lôt me nie verrekke.’ Hij kronkelde um de máást ès unne vètten oal, z’n vèl spètten ope, d’r kwaam bloed ôn de poal.

De matroze begosse d’r maawes op te struujpe èn roeide mi ’n vaartje van wel zes knuujpe al wè’t kan um ’t eiland èn de rotsen hene. Èn zoewen ontsnapte Oodesuis ôn de Sirene.

’t Is mar goewd dè ’t taaw nie is losgerakt, anders hán ze unne zak botte van ’m gemakt. Dus lôt oe noit verlèèje dur lust èn gèèl gezang, want dan zulde moete boete, ’n hiejl lééve lang.

Boeijen (2022)

Hoe Odysseus niet aan zijn einde kwam in Ravenstein

Na het overlijden in 2005 van Frans van Dooren, de be genadigde vertaler van Dantes Divina Commedia en veel andere klassieke teksten en Italiaanse dichters uit de late middeleeuwen, publiceerde het tijdschrift Brabant Cul tureel in 2005 enige ‘Nagelaten gedichten’. Daaronder bevindt zich ook een dialectvers met de Latijnse titel: Ex codice Ravensteiniensi: Ulixes et Sirenes. De vertaling werd erbij geplaatst: Uit het Ravensteinse manuscript: Odysseus en de mok[kels]. Van Dooren wilde zijn lezers doen gelo ven dat zijn tekst niet van zijn hand was, maar dat die in een in Ravenstein gevonden Latijns handschrift stond opgetekend, en dat hij daarvan de vertaler was. Deze tekst behandelt hoofdzakelijk een van de vele avonturen die Odysseus beleeft als hij in de Odyssee van Homerus na de Trojaanse oorlog probeert huiswaarts te keren. De vertelling in de zogenaamde Codex Ravensteiniensi be perkt zich hoofdzakelijk tot twee omstandigheden.

Penelope en Sirenen Odysseus, de koning van Ithaca, opvolger van zijn va der Laërtes, was al gehuwd met Penelope voordat hij ten strijde trok naar Troje. Ondanks zijn afwezigheid van bij na twintig jaar blijft Penelope hem trouw. Een prestatie

die des te standvastiger is aangezien zich rond het hof van Penelope een groot aantal ‘vrijers’ heeft verzameld, lokale edelen die van mening zijn dat het tijd wordt dat Penelope hertrouwt, liefst met een van hen. Het eerste deel van Het Ravensteins handschrift gaat daarover. Daar na vertelt de tekst over twee onderdelen van de Odyssee Eerst hoe Odysseus door de halfgodin en tovenares Circe wordt gewaarschuwd voor de Sirenen, twee beeldschone creaturen, half vogel half vrouw, met verleidelijke stem men. Wie aan die verleiding toegeeft zal echter de dood vinden op het eiland waar zij heersen. Daarna volgt de wijze waarop Odysseus en zijn bemanning aan de Si renen en hun verlokkende zangen ontsnappen. Dit is een van de bekendste episodes uit de Odyssee. De aan de mast van zijn boot vastgebonden held is talloze keren door kunstenaars en illustrators verbeeld.

Niet compleet De zogenaamde vertaling van Frans van Dooren eindigt in de scène waarin Odysseus weerstand biedt aan de Si rene(n). In de laatste regel voegt hij zijn verleidelijke be laagsters de woorden toe: ‘Krijg mar de klere, stik mar de moord.’ Op zich geen slecht einde. Bovendien zijn oude

Brabants nummer 35 - december 2022 19

Alleen nog wat ik leuk vind

In 2012 gaat een eerdere versie van het blad Brabants na negen jaargangen ter ziele. De toenmalige uitgever kan het niet langer bolwerken. Cor Swanenberg, Jan Luysterburg en Henk Janssen steken na dit echec de koppen bij elkaar. Een doorstart moet toch mogelijk zijn, zo is de gedachte. Vrij snel krijgt dat idee vaste vorm. Aan artikelen, verhalen en gedichten geen gebrek, maar hoe moet het project gefinancierd worden en in welke jasje moet het verschijnen? Met een donatie en een lening wordt de financiële hob bel genomen en een zoektocht op internet brengt ons naar Asten. Naar Rinie Meyer van Meyer Grafische Vormgeving. Op 1 juni 2014 verschijnt een fris, nieuw blad, dat al meteen voldoende abonnees trekt om levensvatbaar te zijn. We zijn nu negen jaargangen verder en nog altijd is Rinie Meyer onze vormgever en ziet het blad er zeer verzorgd, aantrekkelijk en stralend uit.

Grafisch vakman

Hoog tijd om Rinie, onze creatieve steun en toeverlaat, eens aan u voor te stellen. Hij wordt in 1951 in Helmond geboren. In een arbeiders gezin met drie broers en een zus. Hij stapt na zijn schooltijd al op vijftienjarige leeftijd het werkende leven in. Via een relatie van zijn moeder komt hij in dienst bij Drukkerij Hel mond. Het wordt een leer-werktraject, hoewel hij daarvoor na een toelatingstest in Amster dam vanwege het onderdeel Nederlandse taal wordt afgewezen. Te veul Hellemonds. Dankzij leermeester Roel van Eerden, die bij de directie voor hem pleit, gaat een en ander toch door en wordt het vier dagen in de drukkerij en weke lijks een dag naar de grafische school in Roer mond. Hij leert in die periode nog het puur ambachtelijke letterzetten met loodzetsel. De opleiding verlaat hij met lof en met een pres tigieuze landelijke prijs: de Gerrit-Jan Thieme prijs. Hij heeft zijn draai gevonden en gaat ver volgens gedurende vier jaren naar de Grafische School in Eindhoven. Hij volgt er met goed gevolg de opleiding grafisch ontwerper/vorm gever. Bij Drukkerij Helmond is hij inmiddels naar de ontwerpafdeling verhuisd. Rinie: ‘Ik had opeens veelvuldig klantencontact en ont wierp bladen en periodieken. Het was echt een leuke, veelzijdige baan.’ Drukkerij Helmond, operationeel sinds 1887, is een groot bedrijf met zo’n honderdzeventig personeelsleden. Vanwege de opkomst van nieuwe procedés en technieken en een moordende concurrentie uit het buitenland valt het bedrijf in 1982 om en raakt de gehele staf werkloos.

Revolutie in de techniek Voor Rinie Meyer betekent het faillissement een kans om zijn creatieve en organisatori sche kwaliteiten nog meer dan voorheen aan de man te brengen. Hij treedt als eerste me dewerker in dienst bij een ontwerpbureau in Kessel. Veertien jaar lang bouwt hij samen met de directeur-eigenaar aan de groei van de on derneming, die uiteindelijk uit acht personen bestaat. Hij maakt er een complete transitie van zijn vak mee. In 1984 wordt voor opmaak en ontwerpen de Aesthedes geïntroduceerd, een grafisch computersysteem van Nederland se makelij. Rinie: ‘Ik zag het voor het eerst op de Drupa in Düsseldorf, de grootste grafische beurs in Europa. Het systeem was voor ons te groot en te complex. Maar in die jaren kwamen ook de eerste Apple-computers op de grafische markt. De doodsteek voor de Aesthedes, en een revolutie voor ons vakgebied. Apple hebben we destijds aangeschaft en daar heb ik me in be kwaamd. Ik heb mijn vak gaandeweg radicaal zien veranderen. Letterlijk ging ik van loden letter naar de huidige digitale wereld.’ Na het

22 Brabants nummer 35 - december 2022 HENK JANSSEN
Rinie Meyer. Bonuszoon Niels maakte de foto.

ontwerpbureau treedt hij als hoofd van de af deling vormgeving en prepress in dienst van Drukkerij van Lieshout in Horst. Als gevolg van de mondiale financiële crisis in 2008 worden daar de werkzaamheden afgebouwd en stopt hij dientengevolge met deze activiteit. Al eer der heeft Rinie overwogen om ‘voor zichzelf’ te beginnen. Persoonlijke omstandigheden, zoals een relatief lange periode van ernstige ziekte en het overlijden van zijn echtgenote op 46-jarige leeftijd, de tijd dat zijn beide zonen studeren – het zijn evenzovele beletsels om dat voornemen tot uitvoering te brengen.

Meyer Grafische Vormgeving

In september 2010 wordt de stap echter gezet en is Meyer Grafische Vormgeving een feit. Hij bestrijkt met zijn activiteit veel terreinen. Het ontwerpen van een huisstijl, een logo, de op maak van brochures en folders, periodieken, boekproducties, webdesign, interactieve en dy namische bedrijfs- en productpresentaties, het is bij Rinie Meyer in deskundige handen. ‘Om dat ik altijd op zo’n breed terrein werkzaam ben geweest en een grote interesse in nieuwe ontwikkelingen heb,’ zegt hij, ‘ga ik geen op dracht uit de weg. Ik houd de vakliteratuur bij, volg alle updates en houd mezelf dus scherp en op de hoogte. Wel is het zo, daar moet ik eerlijk in zijn, dat ik sinds mijn pensionering eigenlijk alleen nog doe wat ik leuk vind, zoals het tijdschrift Brabants.’ ‘Zo kom ik ook toe aan mijn grote hobby, het wandelen in de bergen. Samen met mijn beide zonen, Maico (jurist, 44 jaar) en Rens (ict-con sultant, 42 jaar), heb ik al heel wat avontuurlij ke trektochten gemaakt. In de Alpen van hut naar hut, maar ook in de Noord-Afrikaanse Atlas, op IJsland, in Georgië en het Schot se Highland. Zelfs in Tibet en Nepal hebben we gelopen.’ Een paar jaar geleden is Rinie getrouwd met Monique Kremers. Samen vor men zij een hechte basis voor hun kinderen en kleinkinderen, die maar wat graag het (groot) ouderlijke honk met regelmaat bezoeken. Dat is niet bijzonder, zo hebben ook wij ervaren, want bij Rinie en Monique en bij Meyer Grafi sche Vormgeving kom je graag. Wij van Brabants hopen er in elk geval nog vele jaren welkom te zijn.

Wè waar ik blij

Eindelijk, as of ’t vekaansie was, zo voelden ’t, ge kon wir gewoon effe ’n bakske koffie gaon drinke. Naor bin ne gaon en wachte tot ge kon bestellen. Effe geniete. Aon ’t taofeltje neffe mijn zaat ’nen mins wè naor buite te kijke. Een aand aon z’n kommeke, d’aanderen op z’ne wandelstok, bietje vuroverhangend. Ik mot ’m wel eel gek aongekeken ebbe, want zonder ’t te vraoge begont ie z’n veraol. ’t Was net oftie commentaor zaat te geve bij z’nen eige film, oftie d’n uitleg bij de foto’s op z’n tijdlijn vurlaas:

Neej, ik ad ’t zelf ok nie aon zien komme. Agge wèd ouwer wordt dan vergitte nou immaol wel ’ns wa, mar dees was toch aanders. En de kindere zeejen ’t ok al. Jao, dan gaode mar ’ne keer laangs bij d’n dokter. En dan duur ’t nog wel ’n endje vurdè g’t zeker wit, mar dan nog kom ’t ard aon.

Ze lachte nog iederen dag, dè was wel ’n geluk, mar ’t was veul in d’r eige. Wèt ’r om d’r henne gebeurde in teresseerde d’r ok nie mir zo. En zo was’t nog eel lang goed om te doen. Mar d’r kwam toch ’nen dag dèd’t nie mir ging. Eigenlijk zoow ik motte zegge dèd’t al lang nie mir ging en dè ik ’t nie mir kon, mar dè wilde nie gauw toegeve. Ge doet ’r per slot van rekening alles aon om ze zo lang mogelijk bij oe t’ouwe, tege beter weten in.

Ier in uis was’t wel stil ineens, daor wende zo mar nie aon. Mar ik ad geluk, meej nog gin tien minute lope waar ik ’r al, ik ging d’r iederen dag naor toe. En al zaat ze vort in ’ne rolstoel, ze kon nog altij lache: ‘Ooh, ’k ben blij dè ge d’r wir bent!’ Of ge al in gin jaore gewiest waar.

Eur afdeling was op ’t derde verdiep, van daoruit zaag ze ’t nie goed mir op straot. De zusterkes adde nog wel geprobeerd meej zonne tablet, mar daor snapte ze niks van. Toen wies ik ’t ok nie mir, wè kande dan nog?

En of ik blij waar, ik moog wir gewoon langskomme. Mar dè viel zwaor tege, ik denk achteraf dèd’t net wè te lang ad geduurd. In de plek van ‘Ooh, ’k ben blij dè ge d’r wir bent!’ was ’t nou: ‘Van wie bende gij d’r ene?’

< In het dialect van Oosterhout >

Genomineerd verhaal Brabants Dialectenfestival 2022

Brabants
35
december 2022 23
nummer
-

Hedde gij en zijde gij

In 1987 verscheen Hedde gij, zedde gij. Edde gij, zijde gij. Een bonte staalkaart van de Brabantse dialecten. Het boek heeft niet voor niets die titel: woordvormen als hedde en zijde ervaren we als typisch Brabants. Dat je ze ook in de Noord-Limburgse en Vlaamse dialecten tegenkomt, doet daar niets aan af. Wat vormen als hedde bijzonder maakt is het stukje -de. Dat betekent ‘je’: hedde is ‘heb je’. Voeg je gij toe, dan krijg je hedde gij en dat betekent ‘heb jij’. Waar komt dat -de vandaan? In dit artikel nemen we zijn oorsprong onder de loep. We duiken de geschiedenis in en scheiden de feiten van de fabels

De du-vorm?

Je hoort weleens zeggen dat -de van du komt. Het staat zelfs op Wikipedia. Maar klopt het wel? Nee: het is een hardnekkige mythe.

De du-vorm was onze oorspronkelijke jij-vorm. In de zestiende eeuw was hij in Holland en Brabant al zo goed als verdwenen. Hij was namelijk vervangen door gij. Een laatste restje van het bezittelijk voornaamwoord van du zit nog in het mijn en het dijn.

Du had zijn eigen werkwoordsvormen. In Middelneder landse werken vinden we die nog volop, zoals in het Egi diuslied van rond 1400:

Egidius, waer bestu bleven? Mi lanct na di, gheselle mijn Du coors die doot, du liets mi tleven

‘Egidius, waar ben je gebleven?

Ik verlang naar jou, mijn vriend Jij koos de dood, je liet mij het leven.’

Dit fragment bevat drie du-vormen. Alle drie hebben ze een -s: bestu (du bes(t) maar dan andersom), du coors (te genover wi coren) en du liets. Dat is geen toeval: op enkele uitzonderingen na had de du-vorm de uitgang -s

Hevestu en bestu

Bestu heeft weinig gemeen met bende – en al helemaal niets met zijde (en regionale varianten als zaide en zed de). Ook de du-vorm van het werkwoord hebben had een -s: du heves of du heefs. Draaide je de woorden om, dan kreeg je hevestu of heefstu. Dat lijkt in de verste verte niet op hedde (en het westelijke edde). In talen die hun even knie van de du-vorm bewaard hebben, tref je nog steeds een -s aan. Neem de Limburgse dialecten, met biste en höbste, het Fries, met bisto en hasto, en niet te vergeten het Duits, met bist du en hast du.

In hedde, zijde en bende zit geen spoor van een -s. Dat komt doordat het Middel nederlandse du simpel weg niets met ons -de te maken heeft. Het enige wat in sommige Brabantse dialecten van du bewaard is, zijn verwensingen als Doewen uil! ‘Jij uil!’ en Doese vuil sloerie! ‘Jij vuile sloerie!’. Hadden we de du-vorm wél behouden, dan waren bestu en hevestu in Brabant waarschijnlijk veranderd in beste ‘ben je’ en heeste ‘heb je’. Vergelijk si hevet: dat werd zij hee(t)

Waar komt -de dan wel vandaan? We hoeven niet ver te zoeken: het is ont staan uit een samensmelting van de werkwoordsuitgang en de voorloper van gij.

Van ‘jullie’ tot ‘jij’ Oorspronkelijk was gij een meervoudsvorm: het bete kende ‘jullie’. Het is dan ook verwant aan het Duitse ihr Vergelijk bijvoorbeeld gij waart en gij vloogt met het Duit se ihr wart en ihr flogt. In het Middelnederlands werd gij ook een beleefde u-vorm, net als het Franse vous. Met de Limburgse evenknie geer gebeurde hetzelfde. Geer bete kent nog altijd ‘jullie’ én ‘u’.

Bij ons in het Brabants ging de ontwikkeling later nog verder. Gij verloor zijn status als beleefdheidsvorm en werd de informele jij-vorm die gij, gai, gaë, gé, gi en geej in de Brabantse dialecten nog altijd zijn. Die woorden verdrongen du helemaal.

Hebdi en sidi

De voorloper van gij zijt is het Middelnederlandse ghi sijt. Draaide je die twee woorden om, dan kreeg je niet sijt ghi. De verouderde Nederlandse schrijftaalvorm zijt gij is dan ook een latere uitvinding. De Middelnederlandse omkering van ghi sijt was sidi. Neem bijvoorbeeld deze zin uit Van den Vos Reynaerde (13e eeuw):

‘Heere Tybeert, Ghi sijt wijs ende wel gheleert, Al sidi niet groet.’

26 Brabants nummer 35 - december 2022 YOÏN VAN SPIJK

Mijnheer Tybeert, U bent wijs en hooggeleerd, Al bent u niet groot.

Sidi lijkt veel op zijde en dat is geen toeval: het is er de directe voorloper van. De voorloper van hedde vinden we in het Middelnederlands ook terug: hebdi. En zo kunnen we nog even door gaan: ghevedi ‘geef je’ veranderde via gheefdi in gifde, en hopedi ‘hoop je’ werd via hoopti uitein delijk hopte.

-De en -te komen dus van -di. Maar waar is dát op zijn beurt dan van afkomstig? -Di is al heel vroeg ontstaan uit een samensmelting van de voorloper van de uitgang -t met de voorloper van gij. In het Germaans had gij namelijk nog geen g- maar een j-. Daardoor vinden we in sidi niet de g- die wel in gij zit.

Hedde (gij) en zijde (gij)

Typisch is dat je aan vormen als hedde en zijde het woord gij kunt toevoegen: hedde gij en zijde gij. Dat doe je bijvoorbeeld om nadruk op gij te leggen. Hedde dè gedaon? kan namelijk alleen maar ‘Heb je dat gedaan?’ betekenen. Om te vragen ‘Heb jij dat gedaan of Bram?’ moet je gij toevoegen: Hedde gij dè gedaon of Bram? Hoe is dat zo gekomen?

Hebdi was in het Middelnederlands nog multi functioneel: het betekende niet alleen ‘heb je’ maar ook ‘heb jij’. Later werd de i een doffe e: hebdi werd hedde. Dat leverde een probleem op: zo’n doffe e kun je namelijk niet benadruk ken. Je kunt niet zeggen: Hedde dè gedaon of Bram? Om toch nadruk te kunnen geven werd er een extra gij toegevoegd: Hedde gij.

Als je bedenkt dat hedde van zichzelf al ‘heb je’ betekent, is hedde gij dus eigenlijk dubbelop: ‘heb je jij’. Gelukkig heeft dat er onze voor ouders niet van weerhouden om hedde gij en zijde gij te gaan zeggen. Zelfs Brabanders die nauwelijks nog dialect spreken, laten zich wel eens een hedde gij ontvallen, en buiten Brabant herkennen ze ons eraan. Zoals we bij ons in Drunen zeggen: Daor kande grôts op zèèn!

Illustratie: omslag Hedde gij, zedde gij. Edde gij, zijde gij

Jaske Leenderts, Ollands glorie (1923-2022)

Olland verloor zijn markantste inwoner op 6 augustus 2022: Jaske Leenderts. Hij werd 99 jaar. Jaske (doopnaam Adrianus) was een markant oer-Bra bants manneke. Een ware Ollander: oprichter van de beugelbaan en aanjager van de Ollandse dorpskapel. Hij maakte zijn eigen Spellekesbos voor de kinderen uit Ol land en wijde omgeving, was een van de initiatiefnemers voor Beugelclub De Lustige Spelers, kartrekker van de Ol landse toneelvereniging De Lustige Boertjes en drijvende kracht achter de plaatselijke carnavalsactiviteiten. Bij de Papgatse Prinsenzittingen in Rooi was hij een graag gezie ne tonpraoter. Jaske was een dorpsfiguur vol humor en levenslust. Hij was altijd gesteld op buurten en zocht de mensen op. Hij was graag van de partij als er iets te doen was. Met zijn Spellekesbos en Beugellied timmerde hij ge dreven aan de weg als promotor van de ludieke mens. Hij straalde vrolijkheid en tevredenheid uit. Toch had hij harde klappen te verwerken gekregen: een dochter en een zoon overleden op jonge leeftijd (18 en 20) en zijn vrouw, moeder van zes kinderen, stierf toen ze 67 was. Jaske Leenderts woonde zijn hele leven lang op de plek waar hij geboren werd, aan de Pastoor Smitsstraat. Hij was schilder van beroep, maar eigenlijk werkte hij veel liever in het bos. Van jongs af was hij met hout en bomen bezig. Vader was boerke en houthandelaar. Hij stierf toen Jaske 22 was. Jaske had geen papieren om vaders zaak over te nemen en werd schilder, maar wer ken met hout is hij blijven doen, naast zijn ambacht. Hij ging ook altijd op hout. Hij liep tien keer de Vierdaagse op klompen! Wilde worren oud, stikt oew voeten in ’t hout, was zijn leuze. Zijn uitvaart was bijzonder. De afscheidsdienst vond plaats in zijn Spellekesbos schuin tegenover zijn huis en hij werd begraven in een reuzenklomp. Het idee voor die kist in de vorm van een klomp kwam uit eigen ko ker. Een van zijn kleinkinderen maakte die klomp naar grootvaders wens.

Foto: Gijsje Schellings

Brabants
35 - december 2022 27 VAN DE REDACTIE
nummer

KNIKKERE

’t Is gek, mar wie t’r mee begon, wies niemand te vertelle. Gin mès kon ’r wa teege dóen; injees waar ’t zo wijd! ’t Spel wier fannetiek gespuld, da móógde rusteg stelle en kende gin begien of ènd… ’t Naam z’n eige tijd!

Ik rolde smorges uit m’n bed, zoas op aandre daoge en wèrkte rap n’n bottram weg. Ik waar wir ’s te laot! Mar da waar gwòn m’n eige schuld, dus aar ik niks te klaoge. Ik schóót de deur uit, slóóg ’m dicht en rende óver straot.

Injees ston ’k stil, stijf as ’n plaank en gopte nor twee gaste. Ze zate op d’r ukke op de stoep, vlak aon de meet; n’ knikker klem vur d’rren duim, die as gegóte paste. ’n Oeps-gevoel króóp laast m’n vel; iets leutegs, zogezeed!

Ik ston daor, schat ik, jin menuut, vurdad ’t dur wou drienge. Toen viel de frang; ’k sprong in de lucht. Oera, ’t waar knikkertijd! M’n art waar echt gelijk van slag; begon spontaon te zienge. ‘Nao schóól dan ziede mijn wir trug en rokte mijn nie kwijt!’

’k Aar mee n’n eekel aon de klas, aon mjeesters en aon ljeere. Ik moes mee gaank ommes nor uis. M’n knikkers lage klaor! Gereegeld aon keek ’k op de klok, meschient wel duzend kjeere. ‘Och, schiet toch op! Ge knikkert toch mar jinne kjeer in ’t jaor!’

Gelukkeg, eindlijk gong de bel. Ik waar mekaant al buite en efkes lotter pakte ik n’ volle knikkerzak mee waotertille, vlienderkes. Ik gong ’r gwòn van fluite! ’t Waar knikkertijd! Wie gong ’r daorvan nou nie uit z’n dak?

Gin vijf menute lotter laa ’k al slangsuit op de teegels en schóót m’n jiste vlienderke in jin streep van de meet! Blij wòrde ik ’m stuitere; volmokt, volges de reegels… Te kort! Gemiest! As iemand, die t’r nog gin kijk op eet!

Oelang die raoge raosde, da waar moeilijk te vurspelle. ’n Week of drie, meschient ’n maond; dan waar ’t injees gedaon en konde, mee verdriet in ’t art, oe leste tille telle. Mar zeeker waar, da kommend jaor ’t wòk wir zo zou gaon!

< In het dialect van Etten-Leur >

DE ZIN IS WIR TRUG…

’t Waar bekant lente en’t virus van de vastenaovond liejp hossend dur de dùrpe en hî ons gereegelde leeve ontreegeld

gin brùlluft of festivals en nerges mer chille tot ’t onheil zó keere han we niks mer te wille mar vandaag meugde oew klirre ùt de mottezak haole, ópgelucht laote luchte want in steej en gehuchte hangt hóóp in de wólke

de zin is wir trug um de zómmer te viere de meulewieke drèije de róuw stand vurbê en de wirreld lî olling wir oope, m’n durre ontsloote onzen buurman kùmt ók wir ge wóón aachterum doch ’t móiste van al is, dè’k óuw mèrgevruug in livvende lijve gao zien en spon taan zal meuge begroete, m’n èrem um oew hinne we telle gin daag mer mar koeste re d’n tijd ès vanouds, zulle al wá ons deerde vergeete um vól goeie moewd opnijt te beginne.

< In het dialect van Vorstenbosch > Genomineerd gedicht Brabants Dialectenfestival 2022

34 Brabants
TOINE NOOIJENS ANS VAN KESSEL
nummer 35 - december 2022

Luisterbox Brabants 35

Colofon: Brabants, jaargang 9, nummer 3, 1 december 2022 Brabants verschijnt vier keer per jaar: in juni, september, december en maart.

Redactie: Jan Luysterburg (hoofdredacteur), Ed Schilders, Yoïn van Spijk (eindredacteur), Cor Swanenberg, Jos Swanenberg.

Redactiesecretariaat: Cor Swanenberg, Milrooijseweg 109, 5258 KG Berlicum, tel. 073-5031879.

De volgende door de auteurs ingesproken teksten zijn te beluisteren op de website:

Riny Boeijen: Zoeme (Berghem) 6.49

Jacques van Gerven: Kerstbroek (Valkenswaard) 0.51

Loek van Laarhoven: Feliz Navidad (Maren-Kessel) 1.08

Mientje Wever: Van dizzen tied (Boxmeer) 1.10

De geluidsopnamen zijn gemaakt door Frans van den Bogaard en Cor Swanenberg. De luisterbox is te vinden op de audiopagina van www.stichtingbrabants.nl.

Rectificatie

Tot onze grote spijt is er een vervelende fout geslo pen in ons vorige nummer.

Het verhaaltje Eijer op pagina 27 is abusievelijk toe gekend aan Chris van Haandel. Het stukje werd ech ter geschreven door Chris van der Heijden. Excuses voor de persoonsverwisseling.

Een Zalige Kerstmis en Zalig Nieuwjaar

De redactie en het bestuur van de Stichting Brabants wensen u fijne feestdagen en een goede jaarwisseling.

Aan dit nummer werkten mee: Paul Asselbergs, Ton van den Bergh, Mari de Bijl, Riny Boeijen, Johan Boenie, Jacques van Gerven, Wim van Gompel, Rensz Gorisse, Henk Janssen, Junt, Ans van Kessel, Nico van Kruisbergen, Loek van Laarhoven, Anton van der Lee, Ad Louwers, Toine Nooijens, JW Roy, Roel Soffers, Jan Strick, Mientje Wever en Hás van de Zande. Foto omslag: Henk Janssen. Tenzij anders vermeld zijn de foto’s in dit blad van Henk Janssen. Vormgeving: Meyer Grafische Vormgeving, Asten (www.meyergrafischevormgeving.nl).

Druk Grafisch Atelier Blaricum, Blaricum (www.drukkerijblaricum.nl).

Uitgever: Stichting Brabants, Missiezusterslaan 51, 5405 NL Uden, tel. 06-51158839. KvK-nummer 60585412. RSIN 8539.72.199. ISSN 1572 – 1612. Bankrekening ABN-AMRO IBAN: NL73 ABNA 0545 3581 75 (BIC-code: ABNANL2A)

Website: www.stichtingbrabants.nl

E-mailadressen: Algemeen: info@stichtingbrabants.nl Redactie: redactie@stichtingbrabants.nl

Abonnementen: Bestellingen, opgave en mutatie van jaarabonnementen uitsluitend via de uitgever, stichting Brabants. Een jaarabonnement kost € 24,50. Losse nummers € 8,95 inclusief portokosten in Nederland. Voor abonnementen in het buitenland wordt de prijs van het jaarabonnement verhoogd met de van toepassing zijnde verzendkosten. Voor het buitenland is Brabants evenwel ook in pdfbestand verkrijgbaar. De prent op de achterzijde is van Cees Robben. Dank aan de Cees Robben Stichting, Goirle.

Brabants
35 - december 2022 35
nummer