Brabants Magazine nr. 34

Page 1

Brabants Jaargang 9, nummer 2, september 2022

Kwartaalblad over Brabanders en hun taal

Ina Adema thuis in Brabant De Zachte G-prijs Frans Hoppen­ brouwers Winnaars in Lieshout


Brabants nummer 34 Inhoud 3 Van de redactie 4 Cor Swanenberg: Ina Adema voelt zich thuis in Brabant

13 Jos Swanenberg: Brabanders en hun taal 14 Ton van den Bergh: De avonturen van Rommelkruid en Nagelgruis 15 Jan van Eijck: Een nieuw Gôols woord beschreven: baauw 15 Frans Oosterwaal: Blij dè ge d’r wir bent 16 Wouter Loeff: Het Brabants kwartiertje. Typisch Brabants?

6 Van de redactie: De Berregse Kamer wint de Zachte G-prijs 2022

21 Marianne Swinkels: Brabants Dialectenfestival 2022

18 Cor Swanenberg: Hommage aan Frans Hoppenbrouwers (19402013)

21 Van de redactie: De Schrijfwedstrijd 22 Bernard van Dam: Fragment uit Brabants Dorpsleven

8 Van de redactie: Tsjechof ontmoet Brabants dialect 10 Van de redactie: Groowt Újes diktee 20 jaar 11 Van de redactie: Een sprekend Sprang-Capels woordenboek 12 Ed Schilders: Spraak-beelden

22 Frank van Osch: Ge wit ooit nooit 19 Ed Schilders: Frans Hoppenbrouwers: Grootmeester in herinneren

23 Hás van de Zande: Van brusselkes, brood en breujkes 24 Hans Lakwijk: Droom 25 Henk Janssen: ’t Ézzengs kepèlleke

20 Frans Hoppenbrouwers: De veelvraat-renner 26 Junt: De jong

Brabants nummer 34 - september 2022


VAN DE REDACTIE

Het belang van podia voor dialectkunstenaars

27 Jos Swanenberg: Nieuw voorleesboek in dialect 27 Chris van Haandel: Eijer 28 Wim van Gompel: Wit in plantennamen 29 Johan Boenie: Woensdrechtse woordjes: Onde 30 Yoïn van Spijk: Daor hedde Dikke! 31 Nico van Kruisbergen: De lach van Dommelvolk

Er zijn weinig mogelijkheden om dialectkunst uit te dragen voor een breder publiek. Uitingen van Brabantse creativiteit in de eigen taal blijven vaak beperkt tot kleine kring. In de jaren zeventig was het Literaire Café van Carel Swinkels een gunstige uitzondering. Schrijver Carel, de organisator-presentator van het evenement, woonde in Nuland en had wel affiniteit met de Brabantse volkstaal. Hij nodigde vertellers en zangers uit om met eigen werk op te treden in de Bossche Odyssee en had zo veel succes dat hij dezelfde formule uitdroeg naar Rosmalen, Oss, Vught en zelfs Etten-Leur. Voor Carel wilde iedereen wel opdraven. Zo kwamen Willem Iven, Henriëtte Kegge, John van den Heuvel, Thieu Sijbers, Cor Swanenberg en Bert Stevens voor in het programma. Soms gebeurde dat in gezelschap van Jan Naaijkens, Cornelis Verhoeven, Jan Cartens, JACE van de Ven en Jasper Mikkers (alias Tymen Trolsky). Het dialectgerichte pionierswerk van Swinkels is later een beetje overgenomen door de Brabantse Avonden in Berlicum, die eveneens een grote respons hadden en al gauw werden gekopieerd in Den Dungen, Vinkel en Vlijmen. Daar is de laatste tijd lelijk de klad in gekomen. Alleen in Berlicum bleef het verschijnsel bestaan en ook daar heeft corona nu misschien wel de doodsteek gebracht. De dialectcafés floreren al decennialang in onze provincie, zeker ook in West-Brabant. De carnavaleske tonpraot moeten we eveneens vermelden.

32 Jan Strick: Ons oma 33 Noud Bongers: Schrijfwedstrijd Brabants Kerstgedicht 2022 33 Mientje Wever: Van duuster nô licht 34 Anton van der Lee: Hoe lang bestò de wèèreld? 35 Luisterbox 34 35 Harry van den Bergh: Hartekreet 35 Colophon 36 Prent van Robben

De jaarlijkse schrijfwedstrijd voor het beste Brabantse kerstgedicht begint aan zijn zesentwintigste editie, zoals u in dit nummer kunt lezen. En er is de jaarlijkse Willem Ivenprijs, die wordt toegekend aan het beste verhaal of gedicht dat verschijnt in het Brabants boekske. Nu verkeert deze jaarlijkse uitgave momenteel in moeilijke omstandigheden. De laatste uitgever heeft na jaren verlies moeten besluiten te stoppen met dit project. Hopelijk komen er snel nieuwe perspectieven voor deze unieke uitgave, die al zeventien jaar doorloopt met prachtige resultaten. De Willem Ivenprijs mag natuurlijk nooit verdwijnen. Natuurlijk zijn er de tweejaarlijkse Brabant brede evenementen: het Brabants Dialectenfestival in Lieshout, met bijbehorende schrijfwedstrijd en de toekenning van de Zachte G-prijs door Erfgoed Brabant. Prachtige podia. Jammer dat ze tweejaarlijks zijn. Het is vanzelfsprekend dat Omroep Brabant voor ons Brabantse taaleigen een belangrijke rol kan en moet spelen. Daarom is het hoopgevend te constateren dat er op de dag van het jongste Brabantse Dialectenfestival eindelijk weer een verslaggever was die – weliswaar te kort, maar toch – kond deed van het zomerse evenement vol taal en eigenheid uit onze hele provincie.

Brabants nummer 34 - september 2022


COR SWANENBERG

Ina Adema voelt zich thuis in Brabant Omdat de boeren ‘beloofden’ op 4 juli het land plat te leggen, waren fotograaf Henk Janssen en ik tijdig vertrokken naar het provinciehuis in Den Bosch, waar we de commissaris van de Koning, Ina Adema, mochten interviewen. Gelukkig was het rustig onderweg en waren we veel te vroeg voor onze afspraak. De wachttijd was geen probleem omdat we met warme drank en vriendelijkheid ontvangen werden in de indrukwekkende hal van het Maaskantgebouw. We werden begeleid door Arnoud Reijnen, de woordvoerder van de commissaris van de Koning, die ons na een kort gesprek naar de antichambre loodste. Na de hartelijke ontvangst gingen we meteen van start met ons vragenuurtje. U bent geboren in Amsterdam in 1968, maar daar niet getogen… ‘Nee, mijn vader was bij de politie in Amstelveen op dat moment. We hebben overal en nergens gewoond. Als je bij de politie was, moest je verhuizen als je een beetje loopbaan wilde hebben. We hebben in Scherpenzeel en Amersfoort gewoond en daarna zijn we teruggegaan naar Friesland, waar mijn beide ouders vandaan komen. De naam Adema komt uit Makkum. Ik ben later in Groningen gaan wonen, omdat ik daar rechten studeerde. En ik heb ook nog in Göttingen aan de beroemde universiteit in Duitsland gestudeerd. Toen ik ging werken, kwam ik in Deventer terecht, omdat ze daar een baan voor me hadden.’ Hoe zag het gezin eruit waarin u ter wereld kwam? ‘Een vader en een moeder. Drie jaar na mij kwam er nog een zusje.’ Zat de politiek al jong in de genen? ‘Mijn vader heeft een tijdlang lesgegeven op de politieschool, waar hij staatsrecht doceerde. Bij ons ging het thuis wel vaak over politiek en op de middelbare school ging het daar eigenlijk ook altijd over. De politieke oriëntatie in onze familie is nogal diffuus. Ik zat op een middelbare school in Leeuwarden waar je filosofie kreeg en dat beschouw ik als een groot voorrecht. Ik heb nog eindexamen in dat vak gedaan.’ Hebt u er als kind ooit van gedroomd om burgemeester te worden of zelfs commissaris van de

4

Brabants nummer 34 - september 2022

Koning? (Ik vraag het omdat u het zelf ooit een droombaan noemde.) ‘Nee, natuurlijk niet. Ik ben rechten gaan studeren en had altijd het idee dat ik in de advocatuur of de rechterlijke macht terecht zou komen. Toen ik jong was, wilde ik bij de bereden politie. Dat kwam natuurlijk door mijn vader, die bij de politie was, en ik hield van paardrijden. Dat kun je toch nergens mooier combineren dan in dat vak. Ik ben politiek actief geworden in 1989 in mijn studententijd in Groningen. Toen ik in Deventer kwam wonen, ben ik in 1999 in de gemeenteraad gekomen. Dat was een logisch vervolg op de dingen die ik al deed. Wethouder werd ik zomaar ineens. De gemeenteraad vond dat ik de vertrekkende wethouder, die burgemeester werd, moest opvolgen. Dat was een moeilijke keus. Ik had een aantrekkelijke baan in het bedrijfsleven: overnames en fusies, en ik had leuke collega’s. Het was vier maanden voor de verkiezingen en dat was best spannend, want bij een tegenvallende uitslag kon je zomaar je baan kwijt zijn. Maar dat ik nu hier zit, heb ik wel mede te danken aan mijn keuze van destijds. Ik was nog maar 33 en dacht: wat kan me nou eigenlijk echt gebeuren? Het was wel wennen, maar ik heb het wethouderschap als een prachtig vak ervaren omdat je echt van betekenis kunt zijn voor mensen uit de hele samenleving, vooral bij grote projecten zoals ruimte voor de rivieren. Na acht en een half jaar vroeg ik me af of ik nog een keer wethouder en lijsttrekker wilde zijn. Dat leek me niet verstandig, want je moet ook aan je eigen houdbaarheidsdatum denken. Ik wilde het openbaar bestuur helemaal niet uit: ik wilde iets voor mensen kunnen betekenen. Ik bleef gedreven om iets voor de samenleving te doen en daarom werd de volgende stap het burgemeesterschap. Ivo Opstelten vond dat ik burgemeester moest worden en PvdA gedeputeerde van Noord-Brabant, Annemarie Moons – we zaten samen in het Delta-programma – zei dat ik eens naar Veghel moest gaan, want daar kwam een burgemeestersvacature en die dynamische gemeente zou goed bij mij passen. Ik solliciteerde en de rest is geschiedenis.’


Na zeven en een half jaar burgemeester van Veghel te zijn geweest ging u naar Lelystad en toen dacht ik: die zijn we kwijt. Maar na vier jaar bent u gelukkig weer terug… ‘Ik moest uit Veghel weg door de herindeling die ik zelf mede in belangrijke mate had georganiseerd. Het leek me niet verstandig om een jaar waarnemend burgemeester van Meierijstad te worden en dan eventueel nog eens voor een zesjarige ambtstermijn te gaan. Ik besloot te kijken of ik ergens anders burgemeester kon worden. Ik heb gesolliciteerd op de vacature in Lelystad en heb daar zeker geen spijt van. Het is zo’n ongelooflijk interessante jonge gemeente. Heel complex; een stad met een geschiedenis van vijftig jaar. Het is een moeilijke stad, maar er is zo veel potentie. Maar toen kwam na vier jaar die spreekwoordelijke trein die ik niet mocht missen: Ik solliciteerde voor het ambt van commissaris van de Koning in Noord-Brabant!’

Kent u zelf ook Brabantse woorden of uitdrukkingen? ‘Ja, wij gebruiken ook weleens Brabantse woorden, zoals ekkes (even) en houdoe. Wat ik een hele mooie vind, is het woord ons. Dat vind ik wel het mooiste Brabantse woord. Het is natuurlijk ook een Nederlands woord maar de betekenis in het Brabants is zo veel breder. Als de mensen het hebben over onze burgemeester, dan zit het wel goed. Ik kan het Brabants goed verstaan en vind het mooi.’ U hebt een zware periode van ziekte achter de rug, maar lijkt prima hersteld. ‘Ja, ik heb kanker achter de rug en zit in de controles, en de laatste uitslag vorige maand was goed. So far, so good.’ Wat zijn uw hobby’s nu? Het was ooit roeien, turnen en paardrijden, las ik ergens. ‘Als u zich omdraait, ziet u het.’ (Aan de muur achter ons hangen een schitterende opname van een herfstbos vol warme tinten, gemaakt in Oisterwijk, en een prachtig sneeuwlandschap met een bevroren ijsvlakte, dat de Haarsteegse wiel blijkt te zijn, vlak bij waar ze woont.) ‘Fotograferen, wandelen en lezen. Wandelen is de manier om echt te zien waar je bent.’ Wat zijn op dit moment in uw ogen de grootste maatschappelijke problemen en belangrijkste uitdagingen voor Noord-Brabant? ‘De slag om de ruimte. Dat is de samenvatting van heel Brabants nummer 34 - september 2022

Ik hoorde recentelijk bij de opening van het Brabants Dialectenfestival in Lieshout nog warme, wijze woorden van u en vroeg me af: in hoeverre bent u eigenlijk ‘verbrabantst’? ‘Ik was niet teruggekomen als ik niet van Brabant was gaan houden. Ik voel me thuis in deze provincie. Mijn partner, Carolien Angevaren, afkomstig uit Den Haag, was altijd nog in Brabant gebleven. We hadden nog een appartementje in Den Bosch en ze had altijd nog haar sociale leven hier. Ja, we zijn zeker ‘verbrabantst’. Met carnaval kwam ik mijn voorganger, Wim van de Donk, tegen in Den Bosch. Hij zei tegen mij: “Dat appartement dat jullie hebben, zou ik nog maar aanhouden, want dat zou nog weleens van pas kunnen komen.” Er hebben veel mensen gesolliciteerd op de vacature van provinciebestuurder en het is helemaal niet zeker dat je

het wordt, maar ik dacht: deze kans krijg ik nooit meer. Ik was 52 en de meeste commissarissen gaan voor twee periodes. Ik vond het wel moeilijk, want vier jaar Lelystad was eigenlijk te kort.’

5


ED SCHILDERS

12

Spraak-beelden

In deze rubriek verzamelt de redactie afbeeldingen van geschreven dialect zoals het wordt aangetroffen als alles behalve papier. Deze keer: biermerken.

Van boven naar beneden van links naar rechts: Schôon mèd­je, witbier Tilburgs Bolleke. Grôote kwèèk, blond bier. De bierlijn van Ferry van de Zaande en Fred van Boesschoten, karakters van Frans Vermeer. Ne flierefluiter, ook wel Westelse tripel genoemd. Skuumkoppe vanaf Texel. Jéúneg

blondje, blond bier uit Tilburg. Rooie Stien, IPA; Stien is een legendarische Tilburgse volksfiguur die op de kermis graag meereed op de motoren van de steile wand. In haar handtas zou ze een baksteen meedragen voor het geval dat. Hieronder: Unne zieverzak, tripel uit Schaijk. 

Brabants nummer 34 - september 2022


JOS SWANENBERG

Brabanders en hun taal Bij het werk aan een nieuw streektaalbeleid voor Noord-Brabant (zie de website Erfgoed Brabant Academie) werd in 2019 nadrukkelijk de wens uitgesproken om de liefhebbers, kenners en andere betrokkenen bij het Brabants op nieuwe manieren met elkaar in contact te brengen en middels nieuwe podia bijeen te houden. Dat beleid dient volgens ons te gaan over de streektaal in het brede spectrum van het regionale accent tot en met de oude, lokale dialecten. Streektaal is belangrijk want zij verbindt groepen in onze samenleving met de geografische ruimte, wat wil zeggen: de streek of plaats waarmee die streektaal wordt geassocieerd. Een streektaalgemeenschap is met andere woorden gefundeerd op een sense of belonging, of in beter Brabants gezegd: hier heurde thuis. Het nieuwe streektaalbeleid richt zich op twee hoofddoelen: - versterking van het imago en het prestige van de Brabantse streektaal inclusief de lokale dialecten; - vergroting van de kennis van het Brabants en versterking van het onderliggend kennisnetwerk. Dat klinkt nog behoorlijk abstract. Hoe pak je zoiets aan? Een nieuwe gemeenschap In de concrete activiteit die hierop volgde, denken we behoorlijk te slagen in deze opzet. In mei 2021 zijn we met Brabanders en hun taal begonnen. Dat de naam overeenkomt met de ondertitel van het tijdschrift dat u nu leest, is

Geef een abonnement op Brabants cadeau! Voor slechts € 24,50 verras je iemand met een jaarabonnement op Brabants. Stuur een mailtje met de gegevens naar info@stichtingbrabants.nl en wij regelen het voor u. Voor familie of vrienden in het buitenland? Ook dat is mogelijk, zowel een papieren abonnement als een digitale versie. (Zie voor meer info het colofon achterin.)

niet toevallig. Brabanders en hun taal is op de eerste plaats een Facebook-groep. Leden kunnen zich inschrijven voor een nieuwsbrief over andere streektaalactiviteiten en er is een Twitter-account met dezelfde naam. Daarnaast organiseren we tweemaandelijkse sessies voor leden (maar de sessies zijn openbaar toegankelijk) waarin we thema’s bespreken als de waarde van je thuistaal, dialect en kunst, en het vastleggen van dialect. Sinds juni 2022 programmeren we daarbij ook lezingen; de eerste werd verzorgd door Yoïn van Spijk. Die sessies vinden online plaats via de applicatie Teams. Opbrengst Op het moment van schrijven heeft de Facebook-groep Brabanders en hun taal 560 leden die vragen over dialect, verhalen of gedichten in het dialect, nieuwsberichten, komische memes enzovoort met elkaar delen. Daaronder bevinden zich schrijvers, dichter, zangers, leraren en allerlei andere liefhebbers van het Brabants. Een fijne bijvangst is dat deze Facebook-groep ook bij uitstek geschikt is voor burgerwetenschap. Zo zijn we in de zomer van 2021 nagegaan of de deelnemers de dialectwoorden voor verschillende onderwerpen nog kennen. We legden ze foto’s voor en vroegen hoe het afgebeelde onderwerp wordt genoemd. Met die gegevens, die bestaan uit het antwoord (dialectwoord) en een plaatsnaam (lokalisering van het dialect), konden we een vergelijking maken met vroegere situaties die zijn afgebeeld op kaarten in de digitale Kaartenbank van het Meertens-Instituut. Over deze kleine studie heb ik gepubliceerd in het nieuwjaarsboek van 2022 van het Meertens-Instituut, maar het resultaat is ook te vinden op de website van Brabants Erfgoed. Zo maken we niet alleen kennis toegankelijk voor de gemeenschap maar gebruiken we ook de kennis die uit die gemeenschap zelf voortkomt. Brabanders en hun taal brengt een groot aantal mensen met gedeelde interesse – de taal – bijeen, biedt de deelnemers alle kansen om bij te dragen en mee te doen, en geeft een stimulans aan burgerwetenschap. Daarmee zijn we nog lang niet aan de doelstellingen van het streektaalbeleid maar hebben we alvast een mooie eerste slag gemaakt.  Brabants nummer 34 - september 2022

13


COR SWANENBERG

Hommage aan Frans Hoppenbrouwers (1940-2013) In het najaar van 2013 overleed Brabants Hij zal mij altijd bijblijven als een bijzongrootste dichter: Frans Hoppenbrouwers. der sympathieke, bescheiden mens, maar We hebben deze begenadigde schrijver vooral ook als een zeer veelzijdig schrijver. van nabij mogen meemaken in de redactie Wij deelden ons zwak voor de natuur, hielvan het ‘oude’ Brabants onder voorzitterden van Brabants dialect en wielrennen. schap van Michel de Koning en secretaNet als ik bedreef hij het schrijven als hobriaat van Jos Swanenberg. Ik was daarbij by naast zijn baan, die hem een volledige vooral aanwezig als medewerker voor de dagtaak bezorgde. bijbehorende cd die het blad in die dagen Frans was thuis in zijn Kempenlands als nog vergezelde. Frans schreef onder tal geen ander. Daar getuigt zijn prachtige van ­pseudoniemen: hij was onder meer bundel ’n Snee irluk brood ût de Kempe van, Izegrim, Houblon, Mark van Keersop en die in 1981 verscheen. Ik heb bijna al die Antonin Kova. Ik bewonderde hem: hij gedichten bij hem thuis opgenomen voor vertaalde gedichten, bedacht rubrieken en de cd’s bij tijdschrift Brabants en daarmee vervaardigde hoorspelen. Frans was bij- Frans Hoppenbrouwers. zijn warme stem bewaard. zonder meelevend en zachtaardig. Van mijn eerste bezoek aan Frans en Roos Foto: familiearchief We troffen elkaar ook regelmatig bij het staat me zijn verzameling bonzaiboomNoordbrabants Genootschap als redactieleden van Bra- pjes nog bij. Daar moest helaas danig in ‘gesnoeid’ worden bants Bloesem, de bloemlezing van gedichten in Brabants toen ze verhuisden naar de Valkenswaardse Hoogstraat en dialect die in 2013 verscheen. Daarvan heeft Frans de pu- op een appartement ‘boven de bomen’ gingen wonen. blicatie gelukkig nog net meegemaakt. Hij zocht altijd Frans was een van de dertien kinderen in het gezin Hopgevoel in gedichten en was allergisch voor rijmelarij. penbrouwers. Hij had op het seminarie gezeten tot de Ik kende Frans al eerder omdat wij in dialectzanger Ad hormonen begonnen op te spelen en hij de strijd moest de Laat een wederzijdse vriend hadden. Ze werkten bei- staken. Hij had er een gedegen opleiding aan overgehouden in het therapeutische vlak en hadden bewondering den. Die is hem zeker van pas gekomen bij het vervaardivoor elkaars werk. Frans schreef later een succesvolle gen van zijn meesterwerk Calendarium Poeticum, dat in vakgerelateerde dichtbundel over kinderen in instituten 1998 verscheen. Hij staat met liefst vier gedichten in de met de fraaie titel: Kinderen van de Keerzijde. beroemde bloemlezing De Nederlandse poëzie van de 19de

Cor Swanenberg maakt geluidsopnames met Frans Hoppenbrouwers, 2007. Foto: Jos Swanenberg

18

Brabants nummer 34 - september 2022

Foto van de redactie van het ‘oude’ Brabants: Jos Swanenberg, Frans Hoppenbrouwers en Michel de Koning, 2008. Foto: Cor Swanenberg


en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten van Gerrit Komrij! Frans vertrouwde me eens toe dat hij met zijn vriend, onderwijzer-musicus Harrie Franken uit Weebosch, graag wandelde in de Malpie en omgeving, en dat ze dan uren konden gaan zonder een woord te wisselen. Op het eind van de wandeling bleek dat ze qua natuurwaarneming steeds op één lijn hadden gezeten. Harrie was voor Frans een echte geestverwant, die veel te vroeg stierf. In 2006 verscheen een roman van Frans, getiteld Wolfsklauw. Dat leidde tot een reeks van vijf met: Slechtvalk, Monnikskap, Vrouwenmantel en Zomereik. Boeken die boeien door hun verhaallijnen en daarnaast bulken van kennis der natuur en gevoel voor historie. Frans was een van de pijlers van de reeks Kroniek van de Kempen, die tot twintig kloeke delen uitgroeide. Hij bleef tot het laatst een gedreven schrijver en redacteur. Terecht

werd hij de gemeentedichter van Valkenswaard. Triest dat hij niet meer mocht meemaken dat 26 van zijn gedichten over zijn woonplaats werden opgenomen in een poëtische wandelroute door de gemeente, met de naam Beleef het gedicht. Het was pijnlijk om Frans op het laatst te zien aftakelen. Hij was onder behandeling en de chemokuren ondermijnden zijn energie, maar hij hield zijn gedrevenheid tot het bittere einde. Hij bleef schrijven en publiceren tot de Laatste gedichten, een bundel die postuum uitkwam. Frans Hoppenbrouwers was een groot en veelzijdig woordkunstenaar. Wat hij schreef was van niveau. Het is ondoenlijk om in een kort bestek recht te doen aan zijn omvangrijke oeuvre. Wat is het goed dat bijna alles van zijn schitterende schrijverswerk op de onvolprezen site van CuBra te vinden is. 

ED SCHILDERS

Frans Hoppenbrouwers: Grootmeester in herinneren Ik weet nog precies wanneer ik Frans Hoppenbrouwers voor het eerst heb ontmoet. Dat was op 29 januari 2004, en dat was de laatste donderdag van de maand. Mogelijk wek ik nu de indruk begunstigd te zijn met een ijzeren geheugen, maar dat is beslist niet zo. ‘De laatste donderdag van januari’ staat sinds 2002 op de literatuurkalender als Gedichtendag, en in 2004 had het onvolprezen Tilburgse culturele podium Ruimte X een bijzondere poëzie-avond georganiseerd. Alle Brabantse dichters die door Gerrit Komrij waren opgenomen in zijn toonaangevende bloemlezing De Nederlandse Poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten, lazen op die avond voor uit hun werk. Het was uiteraard geen toeval dat één dag eerder de dertiende editie van die uitgave was verschenen. Jarenlang stond Komrijs bloemlezing bekend als ‘de dikke Komrij’. Wikipedia schrijft daarover: ‘Veel publicerende dichters ontlenen hun status aan het al dan niet vermeld staan in de Dikke Komrij (...). Met name het aantal geciteerde gedichten is statusverhogend.’ Ik herinner me – nu wel uit eigen geheugen – dat Cees van Raak, Jasper Mikkers, en Maarten van den Elzen voorlazen. En Frans Hoppenbrouwers. En als er nu iemand was die niets om ‘status’ gaf, dan was het Frans. Maar juist hij stond bovenaan in het Brabantse Komrij-klassement met vier opgenomen gedichten.

bundel Calendarium poeticum: Een galerij van dagen, die in 1998 werd gepubliceerd door uitgeverij SUN. Deze bundel wordt wel geschouwd als zijn magnum opus, en met 366 sonnetten is het dat in ieder geval zeker qua omvang. Drie van de vier gedichten die Komrij opnam staan in deze ‘kalender’; het vierde is uit de bundel Kinderen van de keerzijde. Zijn aandacht voor kinderen kwam voort uit zijn dagelijks werk als medewerker van een orthopedagogisch instituut in Boxtel, waar hij rapporten schreef over de daar opgenomen kinderen. In de bloemlezing De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten heeft Komrij drie gedichten van Hoppenbrouwers opgenomen. Ik hoorde op die avond een dichter voorlezen die ik blijkbaar over het hoofd had gezien, en die ik graag wilde leren kennen. Mogelijk zou Frans Hoppenbrouwers ook bereid zijn bij te dragen aan de website CuBra, waarvan ik redacteur was. Het contact was snel gelegd. Zoals alBrabants nummer 34 - september 2022

Calendarium Ik kende toen de poëzie van Frans niet, maar ik raakte op die avond in de ban van zijn heldere, vormvaste stijl en zijn zeggingskracht. Hij las voornamelijk voor uit de

Banner van de Digitale bibliotheek Frans Hoppenbrouwers op website CuBra.

19


HANS LAKWIJK

Droom Tenaacht heb ik oew weer gezien, môjer. En’t hî men goed gedaon. Neeje, ’t waar nie ès de leste kirres, dègge tusse die aander zibbedeeskes in’t verzörgingstehous in oewe luier zaat en menne naom nie meer kende. Mar wel lichtte d’r iets op van herkenning: ‘Gij bent dur men gebortepoort gekomme, dè zie ik an oew ooge!’ Ik verschoot van’t woord, mar hâ kunne wete, dègge zoiets hat bedocht. Neeje, ’t waar ok nie krek ès toen, toen we an weerskaante van die diepe ginnerasiekloof stonne. Gij hat oeweige vaastgebeten in oew geleuf, dè seks d’r enkelt – ungeleuflijk eiglijk! – waar um kiendjes te maoke. Hoe dègge oew eige schaomde, toen ge mî ’n uitgestulpten buik in verwochting waart, um daorum, dè alleman dan kos zien, dègge n’t gedaon hat. Och, wè waarde eenzaam, an ginne kaant, mî gin aander medestander ès ons pap, die dan toch mar diejen buik jaor nao jaor in staand wies te houwe. Laotter, veul laotter, konde men vertelle dègge bekke, zoès ons kijnder dè noeme, tongzoene, nog alt hil vies vond. Ochèrrum, môjer, wè hedde veul gemist! Ik zaag oe zelfs nie ès de môjer, die men ès menneke alt zin dè’k de wijste moes zen, um daorum dè’k d’n oudste waar. De aander kosse knap, rijk of lollig worre, ik moes wijs zen. Och, daor hè’k nog laast af. Ik zaag oew tenacht ès meske, ès maagd, nog veurdè’k oe kende. Ge stont hillemaol allenig mî’ne koffer op’t stesjon in Genua. Doodmuug van de lang reis vanuit Rotterdam, waor dègge nie dur oew ouwlui, mar dur die barse oudste bruur van oe op d’n trein waart gezet. Op weg naor Indië, mî ’t trouwbuukske in oew handtas. Ge waart immers mî d’n handschoen getrouwd mî omen Antoon, de bruur van ons pap, die ginderwijd, an d’n aandere kaant van de wirreld, zaat te wochten op dè goej katteliek meske, dèttie éne keer gezien hâ en toen mî brieven hâ ingepalmd. En gij hat, nao ’n noveen waorin dègge van bove gin tegenwoord hat geheurd, ‘ja’ gezeed. Och, wè moette oew eige allenig hebbe gevuuld, toen oew hil femillie oe gek verklaorde. Daor stonde, tussen al die vrimde, op dè stesjon, en ge wiest enkelt dètt’r ’nen boot in de have van Genua laag die zô vertrekke naor

24

Brabants nummer 34 - september 2022

Batavia. Aachter oew al ’t bekende en veur oew niks ès ’n pepiere belofte van ’ne mins die ge eiglijk nie kende. Ge hat diej uitdrukking van krek nog nie brulle, die’k laotter zo goed gekend heb. En: waor moeste nou naortoe? En toen ben ik in m’nen droom zuutjes langs oe gaon staon en ik heb m’nen èrrum um oew schouwers geleed. Ge herkende me nie, mar ge vertrouwde op men wijsheid. ‘Vraogt naor de porto, môjer, ’n haove hiet porto hier. Denkt mar an poort.’ En efkes kwaamp d’r weer die zekerhèd in oew weze dè’t goed waar, dè ge kost vertrouwen op oew eige, op oew geleuf. Ge viet oewe koffer op en dint op de taxies op in, mî ’t woord porto in oewe kop en op oew lippe. En mee dègge tussen ’t volk verdweent, wier ik wakker. ’k Ben blij dè’k oe gezien heb, môjer.  < In het dialect van Dinther > Winnend verhaal Brabants Dialectenfestival 2022 Foto: Frans van den Bogaard


HENK JANSSEN

’t Ézzengs kepèlleke In Esdonk – in de volksmond Ézzeng –, een buurtschap van de gemeente Gemert-Bakel, staat al sinds mensenheugenis een kapel die gewijd is aan Maria Magdalena. Al in 1562 luidt een tekst: ‘geheyten het capelleken van Marien Maghdalena’. Was de kapel toen nog uit leem opgetrokken, vast staat dat de huidige kapel in 1695 in baksteen gebouwd is op initiatief van Everardus Gillis van Sepperen, destijds de rentmeester van de Duitse Orde die op het kasteel van Gemert woont. Ik spreek over het bijzondere gebouw en de devotie die ermee verbonden is met Sjaak van Hoeij, voorzitter van de uit buurtbewoners samengestelde stichting die ’t kepèlleke sinds 1981 beheert, en met zijn buurtgenoot Peter van den Elsen, die de geschiedenis van dit juweel uit-en-ter-na kent. Samen met een grote groep vrijwilligers zorgen zij ervoor dat de kapel elke dag toegankelijk is en onderhouden wordt. ‘Vur al dees wèrk hén we zón tie:n kùsters, ’n enkelde durdewee:kse en ók sondusse.’ Op toerbeurt openen en sluiten zij de kapel en zorgen ze voor kaarsen en bloemen. Dat is nodig want de kapel trekt jaarlijks circa vijfentwintigduizend bezoekers. Dat zijn niet alleen passanten maar ook mensen die er op bèèvert komen. In het verleden kwamen er bijvoorbeeld veel Roma en Sinti, die een bijzondere devotie tot Maria Magdalena en haar dienares Sara kennen. Het verhaal gaat dat zij een van de spijkers waarmee Jezus Christus aan het kruis werd genageld, in bewaring namen. In een uitbouw van de kapel zie je een houten beeld van de gestorven Christus liggen met voor dat corpus een schaaltje met roestige spijkers. Door een rond gat in het raam van die uitbouw kun je er nog altijd zo’n roestige spijker offeren. Aanvankelijk, zo beluister ik bij Peter van den Elsen, werd op deze wijze genezing gezocht tegen zweren en puisten. Het waren met name de Roma die, barrevoets en zwijgend, met het offeren van zo’n spijker hun noveen tot Maria Magdalena en Sara afsloten. Om die reden heet het prachtige gebouwtje – inmiddels een rijksmonument – ook wel de Esdonkse Spijkerkapel. Een aantal keren per jaar staat ’t Ézzengs kepèlleke op een speciale manier in de belangstelling. Dat is bijvoorbeeld tijdens een eucharistieviering in de openlucht, die jaarlijks op de zondag net na of voor de feestdag van Maria Magdalena op 22 juli

’t Ézzengs spijkerkepèlleke.

Peter van den Elsen (l) en Sjaak van Hoeij (r). plaatsheeft. Dit jaar was dat op zondag 24 juli. En ook in de kersttijd komen er – als de wingd nie al te zoer is – duizenden bezoekers, die dan deelnemen aan de zogeheten Kapellekestocht, een wandeltocht in de griebelgraauw. Het is een tocht die in de schemering langs kapelletjes in het buitengebied van Gemert voert. Het is al jaren opvallend dat met name aan deze tocht ook veel jongeren deelnemen. Dat is dan weer een goed en veelbelovend teken om het beheer en het gebruik van deze fraaie kapel voor de toekomst veilig te stellen.  Brabants nummer 34 - september 2022

25


YOÏN VAN SPIJK

Daor hedde Dikke! ‘Waarom noem jij jouw man steeds dikke als je over hem praat?’ vroeg een Amsterdammer ooit aan een kennis van mij uit Sprang-Capelle. ‘Dat vind ik best grof.’ De Capelse was zich van geen kwaad bewust, want haar man heet gewoon Dik. Ze had hem geen bijnaam gegeven vanwege zijn buikomvang maar gebruikte een speciale vorm van de naam Dik. Ze zal zinnen uitgesproken hebben als Dè vrao’k wel ifkes aon Dikke en Mèèrge gò’k meej Dikke nòr de mert. Wat is hier precies aan de hand? Naamvallen De -e achter Dik is geen franje die je er zomaar aan kunt hangen. De vorm Dikke heeft namelijk een grammaticale functie. Je zegt bijvoorbeeld Daor komt Dik maar Daor hedde Dikke, en je kunt de vormen Dik en Dikke in die zinnen niet omdraaien. Het verschil ertussen is namelijk een naamvalsverschil. In de dialecten van Noord-Brabant hebben namen twee naamvallen: de gewone vorm (zoals Dik) en een verbogen vorm (zoals Dikke). Een naamval is een vorm van een woord die vertelt welke functie dat woord in een zin heeft. Als je de zin Hij zag haar niet verandert in Hem zag zij niet, krijgen hij en haar een andere naamval: hij wordt hem, en haar wordt zij. Daardoor weet je wie wie niet zag. Het verschil tussen de Brabantse naam-naamvallen kun je vergelijken met het verschil tussen hij en hem en tussen zij en haar. Het is bijvoorbeeld Hij is-t’r nie bij, dus het is ook Dik is-t’r nie bij. Met andere woorden: de gewone vorm gebruik je als onderwerp van de zin: (1) Dik wit dòr niks aaf. (Dik weet daar niets van.)

30

Brabants nummer 34 - september 2022

Je gebruikt hem ook als roepnaam: (2) Dik, gòdde gij ok meej? (Dik, ga jij ook mee?) De verbogen vorm gedraagt zich als hum en heur: je zegt bijvoorbeeld Hum hè’k hier al ’nen heêle tèèd nie mir gezíén, dus je zegt ook Dikke hè’k hier al ’nen heêle tèèd nie mir gezíén. Je gebruikt hem dus (3) als lijdend voorwerp, (4) als meewerkend voorwerp of (5) na een voorzetsel: (3) Ze zen Dikke himmel vergeete. (Ze zijn Dik helemaal vergeten.) (4) Gifde gij Dikke ok wè te drinke? (Geef jij Dik ook wat te drinken.) (5) Venaoved gòmme nòr Dikke toe. (Vanavond gaan we naar Dik toe.) In de middeleeuwen hadden ook lidwoorden naamvalsvormen. In de zin Die man en sach den coninc niet zag de man de koning niet, maar in Den man en sach die coninc niet is het andersom. Het was net als in het Duits: Der Mann sah den König nicht tegenover Den Mann sah der König nicht.

Je gebruikt de verbogen vorm ook (6) als bezitsvorm: (6) Dè is Dikke waoge himmel niej! (Dat is Diks auto helemaal niet!) Bij Tinies en bij Adte We hebben gezien dat Dik in de verbogen vorm een -e krijgt: Dikke. Dat is niet bij alle namen zo. Er zijn ook namen die er een -s bij krijgen. Tinie wordt bijvoorbeeld Tinies. De regels die daarachter zitten, vertonen verschillen tussen de dialecten. Hier volgen de regels uit mijn eigen dialect, het Midden-Brabantse Drunens. (Uitzonderingen laat ik even weg.) Na een medeklinker of een beklemtoonde klinker komt een -e: Truus ˜ Truuse, Huub ˜ Huupe, Dreej ˜ Dreeje. Na een onbeklemtoonde klinker krijg je een -s: Hannie ~ Hannies, Jantje ˜ Jantjes, Dooruske ~ Dooruskes. Ook namen op -el en -er doen mee (Christel ˜ Christels), evenals woorden voor familieleden die je als naam kunt gebruiken, zoals móéder, oopa en mamma: Gò mer ’s òn mammas laote zíén wè ge van oopas het gehad! Niet typisch Brabants Naam-naamvallen zijn niet typisch


NICO VAN KRUISBERGEN

In de verbogen vorm met een -e behoudt de eindmedeklinker zijn klank: Huub spreek je uit met een [p], dus het wordt niet Huube maar Huupe. Zo heb je ook Kees ˜ Keese en Ad ˜ Adte. Brabants. Je vindt ze ook in bepaalde dialecten in Zuid-Holland, de Neder-Betuwe en de Bommelerwaard. Ze komen ook niet in álle Brabantse dialecten voor. De Vlaamse provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant, waar ook Brabants wordt gesproken, kennen de naam-naamvallen niet of nauwelijks, op het gebied bij de staatsgrens na. De bezitsvorm die op een -e eindigt, gedraagt zich als bezittelijk voornaamwoord. Dat zie je aan de -n die erachter komt als er een mannelijk woord op volgt dat met een b, d, h, t of klinker begint. Het is bijvoorbeeld Dikken bríéf, net zoals je zegt heuren bríéf en oonzen bríéf. Gecompliceerd Over dialecten bestaan jammer genoeg nog steeds vooroordelen. Een daarvan is dat ze simpeler zouden zijn dan het Standaardnederlands. Grammaticale eigenschappen als de naam-naamvallen laten juist het tegendeel zien: de grammatica van dialecten is op bepaalde gebieden juist gecompliceerder. Probeer mensen die alleen Standaardnederlands spreken het naamvalssysteem maar eens aan te leren. De kans is groot dat ze fouten blijven maken, met zinnen als Moeders vond het maar niks tot gevolg. Moeders klinkt lekker Brabants, maar grammaticaal is die zin net zo fout als Haar vond het maar niks. Voor sprekers van een Brabants dialect gaat het kiezen tussen moeder en moeders vanzelf: de naamvallen zijn onderdeel van hun moedertaal. En op die moedertaal mogen ze best trots zijn.  Illustratie: Nelleke de Laat

De lach van… Dommelvolk Dommelvolk begon in 1977 als duo: Bert Spin en Jaap Oudesluijs. Ze speelden vooral middeleeuwse muziek en brachten een lp uit samen met folkgroep Crackerhash, getiteld Dommelbeschuit. Toen Ad van Genechten toetrad en de frontman werd, groeide Dommelvolk uit tot een volksmuziekgroep. Oudesluijs ging weg en violist Steeph Custers kwam erbij, evenals bassist Jitze Kopinga. Men richtte zich steeds meer op regiofolk. In 1979 kwam de lp Ptazzie uit; een hoogtepunt in het bestaan van de groep. De Brabantse liedjes van het kwartet waren vooral humoristisch. Dommelvolk groeide uit tot een befaamde Brabantse folkgroep, ooit zelfs de Brabantse Dubliners genoemd. In 1981 verscheen de plaat Nr. 100. Het vierde en laatste album, Van Mijn Kempenland, kwam in 1984 uit. Toen was het mooi geweest. De groep heeft nog wel een revival beleefd met verspreide optredens, waaronder een theatertour met de Tilburgse folkgroep Wè-nun Henk. In 2015 overleed Ad van Genechten helaas.

Dommelvolk stond bekend om de voorliefde voor eenvoudige muziek en humor. De teksten gaan over leven en sterven, moord en seks, en over poep en pies, en zijn vaak afkomstig uit het liedarchief van Harrie Franken. Die teksten werden dan wel op eigen wijze aangepast en uitgevoerd. Bekende liedjes van de groep zijn De Mierlosen boer, Woensel kermis, De moord te Loon op Zand en Ons verken, waarvan we hieronder de tekst laten volgen.

Ons verken is gestùrve Ons verken is gestùrve, ons verken is gestùrve, en da bist hi zo geschreid, faldera, um al die narigheid, faldera, da bist hi zo geschreid um al die narigheid. Waor ging ie dan kepot aon, waor ging ie dan kepot aon, van de vetzucht, beste man, faldera, daor sterve die bisjes van, faldera, van de vetzucht, beste man, daor sterve die bisjes van. Nou zulle we’m begraove, nou zulle we’m begraove Al in ’n graf van hout, faldera, in ’t midde van al da zout, faldera, Al in ’n graf van hout in’t midde van al da zout. Dan gòt ie nor d’n himmel, dan gòt ie nor d’n himmel, en d’n himmel is de pan, faldera, waorin ie braoie kan, faldera, en d’n himmel is de pan, waorin ie braoie kan. Nou zulle we gòn eete, nou zulle we gòn eete, Van ribbekes, zult en ham, faldera, op onzen botteram, faldera, Van ribbekes, zult en ham, op onzen botteram. Van de lp Ptazzie

Brabants nummer 34 - september 2022

31


ANTON VAN DER LEE

Hoelang bestò de wèèreld? Twinteg jaor geleeje bezocht ik ’t Archeon in Alfen òn de Rèèn. Ze han daor ok ’n hut ùt de middesteêntèèd nògebouwd en ik mòkte teege de tweej op z’n preehistories ùtgedòste gastvrouwkes ’n nogal technische opmerking oover ’n foutje in d’r naogemòkte steêne beltjes. Ze kreege in de gaote dè’k wies waor ik ’t oover hai en toen won ze ok weete wè dè’k vond van d’r hut. Nòr men mèèning vul te groôt. Zelf ha’k ’r zes meej opgegraove in Westelbeers en die waare de helft klender. ’t Wier ’n plezìèrige ideeje-ùtwisseling, mer onder die bedrèève kwaam ’r nog ’nen belangstellende bij; ’t kon ’nen boer van de Veeluwe zèèn en hij wo weete hoe oud dè die spulle moese vurstelle. ‘Negenduizend jaar, meneer,’ zeej eên van de vrouwkes vriendelijk. ‘Huh,’ zeej d’n boer minachtend, ‘wè’s dè vur onzin; toen bestond de wèèreld nog nie ins!’ ‘Meneer, zou u hem dat willen uitleggen?’ Ik deej m’n best om ’m dèùdelijk te maoke dè-che ’t Bèèbelboek Genesis nie letterlijk moest neeme, want dè’t nie es geschiedenisboek bedoeld waar, mer hij líét ùt z’n houding blèèke dè al wè’k zeej es teege ’ne muur trugkòtste. Toenie onverschillig wegbanjerde, dòcht ik bij m’n èège: ‘Ge hoeft nie òn ’nen boôm te hange om ’nen èèkel te zen.’ Ze waaren ’r dus nog aaltij, die zwaor gerifformeerde die de bereekeninge van d’n Iersen bisschop James Ussher (1581-1656) ònhinge. Die hai in z’n boek Annals of the World (1650) òn de haand van ’t Boek der Schepping ùtgereekend dè de wèèreld was geschaope op d’n drie-en-twintigsten oktoober van ’t jaor vierduuzend-envier vur Christus. Ik dòcht trug òn ’n vurval van ’n jaor of tíén daorveur. In de gemeênte Eede han amtenèère ’n nieuw cultuurplan opgesteld en daorin ston dè hullie grondgebíéd al vierhonderd-en-feftigduuzend jaor geleeje bewoônd was gewiest en dè-t’r virtienduuzend jaor geleeje ok jaogers rondlíépe. Mer de wethaauwer vur cultuur – hij ha zelfs Ir. vur z’ne naom staon – wèègerde daor z’n haandteêkening onder te zette omdè toen de wèèreld vòlges hum nog nie geschaope zu zen gewiest. Dè gaaf staampij, zeeker toen ’t Reformatorisch Dagblad z’n èège meej de kwestie ging bemoeie, want toen kon de NCRV netuurlijk nie aachterblèève. Ze naame contact op meej de Rèèksdienst vur ’t Oudhèèdkundig Boiemonderzuuk in Aomersfoort, of die ’ne christelijken archeoloog konne leevere die berèèd en in staot was om wirwoord te geeve òn de wethaauwer in ’n rechstreekse raadioo-ùtzending. Neeje, dè gong nie, mer hoe ze daortoe kwaame, weet ik ok nie: ze adviseerde om men daorveur te benaodere. Ik kreeg daor bericht van: de riddactriese van d’ren aktualitèèterubriek zu me belle en die zaat me rèùm ’n half uur dur te zaoge oover m’n gòdsdienstige en archeoloogische opvattinge.

34

Brabants nummer 34 - september 2022

Op d’n afgesprooken dag reej ik nòr Hilversum. Meteên ’ne teegevaller: m’ne teegestaander was nie koomen opdaoge! Hij zu wél in de ùtzending belle meej de prizzentaoter om z’n staandpunt toe te lichte. Dòrnao vróég die nòr men commentaor. Ik zeg: ‘Ik heb die problematiek noôt dèùdeleker heûre formuleere es dur ’nen invoudige mùlkboer ùt Loôn op Zaand, m’nen heemkundeleêrmister Pieterke van Beers. Die zeej: “Ge moet in d’n Bèèbel nie probeere te lèèze hoe de heemele gòn, mer hoe dè-che nòr d’n heemel gòt.” En ik legden èùt dè d’n Bèèbel noôt bedoeld was gewiest es ’n geschiedenisboek – es zodaonig leek ’t nerges op, zeeker nie ’t Boek der Schepping – mer om ’r nòrmen en wèèrde begrèèpelijk in vaast te legge. Hoe was ’t wèèreldbeeld bij de meense in de tèèd dè’t geschreeve wier? Ze dòchte dè de wèèreld ’n platte schèèf was die op ’t wòtter dreef. Ge moest nie tot ‘het uiteinde der aarde’ loôpe, want dan konde’r wel ’s afkiepere. D’r ston ’ne koepel boove en daorboove was ok wir wòtter. Soms lekte dè gewelf en dan rèègenden ’t. Ik zeej: ‘Stel nou dè Moozes precíés van God geheûrd zu hebbe dè de wèèreld rond was, om de zon draaide en zoo, en dè ok opgeschreeve ha, dan zun ze’m vur gek verklaord hebbe, niks van ’m geleûfd hebben en aachtermekaore d’n blauwe waoge gebeld hebbe om ’m af te voere.’ ‘Hoo-hoo’, zeej diejen dreûgkloôt, ‘die beston toen nog nie!’ Hij waar kennelijk nie vertrouwd meej de plastische menier waorop ’nen Braobander z’n èège ùtdrukt, vural in dialect… Toevallig ha’k van allebaai de vindplòtse ùt Eede matriaol in m’n verzaomeling en ik ha daor wè van meejgenoome om eeventueel nò afloôp te kunne bekèèke. De prizzentaoter was vol belangstelling, mer ik geleûf nie dè’k vur de wethaauwer de geschiedenis van de wèèreld heb kunne oprekke. D’r zen immers meense meej ’t staandpunt: ‘Men mèèning stò vaast; val me dòrrom asjeblief nie laastig meej fèète.’  < in het dialect van Loon op Zand >


Luisterbox Brabants 34

Colofon: Brabants, jaargang 9, nummer 2, 1 september 2022 Brabants verschijnt vier keer per jaar: in juni, september, december en maart. Redactie: Jan Luysterburg (hoofdredacteur), Ed Schilders, Yoïn van Spijk (eindredacteur), Cor Swanenberg, Jos Swanenberg. Redactiesecretariaat: Cor Swanenberg, Milrooijseweg 109, 5258 KG Berlicum, tel. 073-5031879

De volgende door de auteurs ingesproken teksten zijn te beluisteren op de website: Hans Lakwijk: Droom (Dinther) 4.17 Mientje Wever: Van duuster nô licht (Boxmeer) 1.01 De geluidsopnamen zijn gemaakt door Frans van den Bogaard en Cor Swanenberg. De luisterbox is te vinden op de audiopagina van www.stichtingbrabants.nl en op www.cubra.nl/brabants/Brabants_Audio.htm. 

Foto omslag: Henk Janssen. Tenzij anders vermeld zijn de foto’s in dit blad van Henk Janssen. Vormgeving: Meyer Grafische Vormgeving – Asten (www.meyergrafischevormgeving.nl) Druk: Grafisch Atelier Blaricum – Blaricum (www.drukkerijblaricum.nl)

HARRY VAN DEN BERGH

HARTEKREET

Uitgever: Stichting Brabants, Missiezusterslaan 51, 5405 NL Uden, tel. 06-51158839 KvK-nummer 60585412 RSIN 8539.72.199. ISSN 1572 – 1612 Bankrekening ABN-AMRO IBAN: NL73 ABNA 0545 3581 75 (BIC-code: ABNANL2A)

’n Bietje blond tiepke uit Uje, liever ’n mooi meid dan ’n muje, zin tegen d’re vent: ‘Lambal degge d’r bent, gòdde gij aachter de jong lope huje!’ < In het dialect van Vorstenbosch >

Aan dit nummer werkten mee: Harry van den Bergh, Ton van den Bergh, Johan Boenie, Noud Bongers, Jan van Eijck, Wim van Gompel, Chris van Haandel, Henk Janssen, Junt, Nico van Kruisbergen, Hans Lakwijk, Anton van der Lee, Wouter Loeff, Frans Oosterwaal, Frank van Osch, Jan Strick, Marianne Swinkels, Mientje Wever en Hás van de Zande.

Website: www.stichtingbrabants.nl E-mailadressen: Algemeen: info@stichtingbrabants.nl Redactie: redactie@stichtingbrabants.nl Abonnementen: Bestellingen, opgave en mutatie van jaarabonnementen uitsluitend via de uitgever, stichting Brabants. Een jaarabonnement kost € 24,50. Losse nummers € 8,95 inclusief portokosten in Nederland. Voor abonnementen in het buitenland wordt de prijs van het jaarabonnement verhoogd met de van toepassing zijnde verzendkosten. Voor het buitenland is Brabants evenwel ook in pdfbestand verkrijgbaar. De prent op de achterzijde is van Cees Robben. Dank aan de Cees Robben Stichting, Goirle.

’n Bietje blond tiepke uit Uje Illustratie: Nelleke de Laat Brabants nummer 28- maart 2021

35