__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

Brabants Jaargang 7, nummer 4, maart 2021

Kwartaalblad over Brabanders en hun taal

Guus Meeuwis en de Gruffalo Bossche stripverhalen Tullepetaone Joewkelum


Brabants nummer 28 Inhoud

14 Jan van Nassau: Tullepetaon, van scheldwoord tot carnavalsnaam

3 Van de redactie 4 Jos Swanenberg: Guus Meeuwis en de Gruffalo 6 Van de redactie: Een prachtig boek vol twijfels: Wel of nie? Ge wit ’t nie.

20 Henk Janssen: Fietsen in lichtende verhalen

21 Brabantse humor 22 Jos Swanenberg: Wosterouts leesplangeske 15 Jacques van Gerven: Zalle we, of zalle we nie?

8 Jos Swanenberg: Dialectwerk­ groep Overloon: Wie wá bewaart

20 Jan Luysterburg: Ben van Hoof bezingt zijn Putse jeugd

16 Cor Swanenberg: Museum Dansant en Museum Soet & Vermaeck

8 Rensz Gorisse: As d’n immel kleurt 9 Riny Boeijen: Spellekes van vruuger (5)

22 Nico van Kruisbergen: De lach van… Bert Stevens (Breda, 1926 - Waalwijk, 2009) 23 De Witte wit wir wè 24 Wim van Gompel: Zwoelie, poelie, toelie en andere vloeistoffen 25 Johan Boenie: Woensdrechtse woordjes. Bekaant nieks doen

10 Van de redactie: Brabantse limericks (2)

25 Jaarverslag 2020 26 Junt: Rijbewiês 27 Riny Boeijen: Ikke en ons Jentje…

11 Van de redactie: Beeld-Spraak 12 Cor Swanenberg: Mira Ficq– Weijnen, begaan met Brabants

Brabants nummer 28 - maart 2021

18 Cor Swanenberg: Ton van den Bergh en zijn Bossche stripverhalen

28 Jan Luysterburg: Vasten­ avondliedjes in Krabbegat


VAN DE REDACTIE

Hoop

29 Henk Janssen: ’t Jobcenter in Mee:ge

30 Ed Schilders: Joewkelum

31 Jan Luyster­burg: Rosé Lokhoff zegt: ‘(H)oudoe …’

32 Frans Nefs: Wir niks 32 Hás van de Zande: Rontelum de winter 34 Anton van der Lee: Zò’n vèùl, geniepig amtenèrke… 34 Toine Nooijens: Vurruit mee de geit! 35 De luisterbox 35 Ad van Schijndel: Opgespoarde mèjzoentjes 35 Colofon 36 Voorjaarsprent van Cees Robben

Voor veel mensen was 2020 een jaar met veel verdriet en ellende. Het ziet er echter naar uit dat 2021 het jaar van de hoop wordt. Het voorjaar komt eraan, we mogen een nieuwe Tweede Kamer kiezen, de VS hebben een nieuwe president en bovenal: er zijn vaccins! Nog enkele maanden de kiezen stevig op elkaar en volhouden, en dan hopelijk op naar het ‘oude normaal’, zover dat dan nog mogelijk is. Ook de redactie van Brabants heeft te kampen gehad met de gevolgen van de coronacrisis. Wij konden het hele jaar niet fysiek bij elkaar komen om te overleggen. Hopelijk heeft de kwaliteit van ons kwartaalblad hier niet onder geleden. We zijn in elk geval steeds blijven zoeken naar interessante, taalgerelateerde initiatieven en bevlogen mensen. Daarbij houden we de spreiding over de hele provincie in het oog en hopen tot een mooi totaalbeeld te komen. Guus Meeuwis en de Gruffalo is een verrassende opening omdat de zanger van de zachte G wel over Brabant, maar nooit in het Brabants zingt. De Dialectwerkgroep Overloon komt aan bod en Rensz Gorisse met zijn Wosterouts leesplangeske. We zijn getuige van het ontstaan van een nostalgisch liedje in het dialect van Putte, geschreven door Ben van Hoof. We kijken terug op Bert Stevens die in het Waalwijks schreef en zong. Mira Ficq-Weijnen blijkt erg begaan met Brabants al sprak ze het nooit (evenmin als haar beroemde vader). De Van Laarhovens hunkeren naar betere tijden; zij zijn de gedreven mensen achter het Museum Dansant en Museum Soet & Vermaeck. Ton van den Bergh brengt humor en vrolijkheid met fantastische Bossche stripverhalen. De vijfde aflevering van Spellekes van vruuger zal vaak een glimlach van herkenning teweeg brengen. Riny Boeijen laat u kennismaken met de Bèrgse jeugd in Ikke en ons Jentje en hij ontdekt samen met Ed Schilders weer veel interessants in Beeld-Spraak. Schilders kijkt bovendien terug op zijn oorsprong in Heukelom of Enschot of Berkel. De literaire fietstocht Eindhoven, geschreven door vakvrouw Han Roijakkers, is gebaseerd op de boeken van de Geldropse schrijver A.F.Th. van der Heijden. Carnaval dit jaar staat in de slaapstand, maar het artikel over de Vastenavendliedjes van het Krabbegat wil de lezer oppeppen. Daarom doet ook Roosendaler Jan van Nassau ons het een en ander uit de doeken over Tullepetaone. Wim van Gompel behandelt enkele raadselachtige vloeistoffen, zoals zwoelie, poelie en toelie. Er wordt stilgestaan bij het overlijden van Rosé Lokhoff die erg belangrijk is geweest voor de Brabantse dialecten. De redactie heeft fraaie limericks ontvangen (en ook vele die niet voldoen aan de regels). Natuurlijk besteden we uitgebreid aandacht aan het Brabants boekske 2021 dat de titel Wel of nie? Ge wit ’t nie. heeft. We presenteren hieruit alvast enkele juweeltjes. Henk Janssen put hoop uit de religie en gaat in zijn verhaal te rade bij ’t Bruurke van Megen. Onze vaste rubriekschrijvers zijn weer present: Junt, Hás van de Zande, de Witte en Johan Boenie. Ad van Schijndel heeft zijn meizoentjes opgespaard en hoopt op een lentelijke ontlading. Misschien kijkt u wel het eerst naar de achterkant van ons blad, omdat u weet dat daar een prent van Cees Robben staat. Er wordt een winderig voorjaar verbeeld, maar er bloeit al één bloempje! Dat moet de voorbode zijn van een warmer seizoen en geeft hoop op betere tijden. Heeft u genoten van dit alles? Dan is er ook nog onze luisterbox. Al met al zoveel dat wij hopen dat u niet alleen zelf geniet, maar ons blad ook aanbeveelt bij vrienden en kennissen. En vergeet vooral niet: hoop doet leven! Brabants nummer 28- maart 2021


JOS SWANENBERG

Guus Meeuwis en de Na het verschijnen van een kinderboek, waarover ik straks meer vertel, sprak ik met Guus Meeuwis. De uitgever had op mijn verzoek met zijn manager contact opgenomen en gevraagd of ik hem kon interviewen. Dat werd uiteraard een telefonisch gesprek. Toen dit in november plaatsvond, zaten we namelijk ‘in de piek van de tweede golf van de crisis’ (woorden die we voor 2020 nooit zo in een zin gezegd hebben). Onvermijdelijk: Brabant Als je in gesprek gaat met Guus Meeuwis is Brabant onvermijdelijk. Voor Brabanders en iedereen die dat ook wel zou willen zijn, is Guus vooral geliefd om zijn lied Brabant. ‘Want daar brandt nog licht’, ‘ik mis zelfs het zeiken op alles om niets’, en ‘was men maar op Brabant zo trots als een Fries’ behoren tot de meest geciteerde zinnen uit een liedtekst over onze provincie. Nadat hij de band Vagant had verlaten, betekende de meezinger uit 2003 de doorbraak voor zijn solocarrière. Het succes van Brabant kwam precies op het juiste moment. En dat terwijl het nummer niet eens als single bedoeld was. Het werd het officieuze, en in 2007 zelfs bijna het officiële, volkslied van Noord-Brabant. ‘Maar beter van niet, de geuzentitel vind ik veel mooier dan de officiële titel! Het is ook niet bedoeld als volkslied. Ik schreef Brabant uit heimwee, toen ik alleen in Moskou was, de tegenstelling tussen oost en west zag, de armoede, zwervers op straat, dat was zo mistroostig.’ Juist omdat Brabant echt uit emotie is geschreven, kon het onbedoeld een hit worden, ‘het is oprecht en er is niets aan gelogen. De beste liedjes gaan namelijk over de emoties van jezelf.’

4

Groots met een zachte G Een andere succesformule die naar Brabant of in elk geval naar ‘beneden de grote rivieren’ verwijst, is de concertreeks Groots met een zachte G. De concerten begonnen in 2006 in het stadion van PSV in Eindhoven, maar waren ook te beleven als Groots met een zachte G Uit & Thuis, in het Abe Lenstra-stadion in Heerenveen, op Curaçao en in Amsterdam. Ook daar werd vooral geroepen om Brabant. Want Brabant is niet alleen voor Brabanders. ‘Nee, het gaat over het gevoel van thuis, de plek waar je vandaan komt, en dat is voor iedereen en overal herkenbaar.’ Toch was er iets met Uit & Thuis: ‘ik merkte dat men in het Noorden na de eerste keer zei: “leuk dat je weer komt, maar ik ben al eens geweest”.’ Dit in tegenstelling tot Brabant waar je een vaste fanschare opbouwt. Brabanders maken overal een feestje van, en dan ook meteen een traditie: volgend jaar weer! Dat lijkt in de volksaard te zitten. Misschien is dat wel het succes van Brabant als merk, de Brabantse humor werkt ook goed buiten de provinciegrens. ‘Brabantse humor is meteen eigen, voor iedereen, onder meer omdat Brabants goed te verstaan is. Ik heb in Meerssen in Zuid-Limburg gewoond en daar is de taal veel minder makkelijk te verstaan.’ We zitten in Brabant tussen landrand en Randstad en we schakelen makkelijk naar een taal tussen dialect en Nederlands in. Modestus en Mariahout De aanleiding voor dit interview was de verschijning van het kinderboek De Gruffalo in ‘het Brabants van Guus Meeuwis’. Het gaat hier om een vertaling van een beroemd kinderboek van schrijfster Julia Donaldson en illustrator Axel Scheffler. Guus laat op voorhand weten geen specialist te zijn als het gaat om vertalen naar het Brabants. ‘Het was heel moeilijk. Want welk Brabants moet je kiezen? Brabants is overal weer net even anders. En welk dialect uit mijn leven in Brabant moet ik na al die verhuizingen dan kiezen?’ Guus is opgegroeid in Lieshout en geboren in Mariahout, in het klooster van de Zusters van Barmhartigheid. De zusters bewoonden dat klooster in Mariahout vanaf 1949 en verzorgden er het onderwijs. Het kloostergebouw met kapel heet Mariënhof. In 2019 namen de twee laatste zusters afscheid. De bijzondere geboorteplek van Guus is te danken aan de geplande verhuizing van zijn ouders naar Lieshout. Guus werd al geboren voordat het nieuwe huis in Lieshout klaar was. Zijn ouders vonden tijdelijk onderdak bij de zusters. Barmhartigheid, jazeker. Gustaaf Stephanus Modestus Meeuwis dankt zijn twee-


Gruffalo

de en derde naam aan zijn verblijf bij de zusters. De congregatie van de Zusters van Barmhartigheid is namelijk gesticht door de Vlaamse priester Modestus Stefanus Glorieux. Het management- en productiehuis van Guus heet Modestus (dat betekent ‘bescheiden’ en past goed bij de Brabantse mentaliteit), u weet nu waarom. Na vijf maanden ging het gezin dan toch naar Lieshout en Guus groeide op met de taal van dat dorp. Zijn ouders zijn afkomstig uit Roosendaal. Na de lagere school ging Guus naar het Lorentz Casimir Lyceum in Eindhoven. Op zijn veertiende verhuisde het gezin naar Meerssen in Limburg, maar op zijn twintigste kwam Guus terug naar Brabant. Hij ging toen in Tilburg studeren. Daar begon zijn muzikale carrière, en woont hij nu weer. Jouw taal, jouw Brabants Zo werd het moeilijk kiezen bij het vertalen. Hij was ingegaan op het verzoek omdat hij een grote fan van de Gruffalo is. Misschien minder als vader die zelf de kinderen voorgelezen heeft, dan als vader die voor ‘een stroom van letters in huis voor de kinderen’ heeft gezorgd. In eerste instantie heeft Guus de tekst heel letterlijk vertaald en liep hij (wie niet?) tegen allerlei spellingsproblemen aan. De redacteur hielp met ‘we lezen jou nog niet. Het moet jouw taal worden’. Zo kwamen de worstebrooikes en de koekwaus in het boek terecht en werd de taal een mengeling gevormd door het leven van Guus: van Lieshout en Eindhoven tot Tilburg en plaatsen met een kleinere rol. Hij bouwde zijn vertaling om van een puristisch Brabantse naar een veel vrijere Brabantse tekst die goed past bij zijn eigen levensweg, maar ook bij de diversiteit in onze provincie. Dat was weer even thuiskomen. ‘Zet me maar overal op de wereld neer, ik zal er aarden. Maar zodra ik een Brabantse tongval hoor, dan is dat weer vertrouwd en warm.

Dan ben ik meteen weer bij de basis.’ Maar mag het soms niet wat uitbundiger in Brabant? ‘We zijn bescheiden, dat is mooi, maar ook wel eens te bescheiden. Je moet hier eerst iets gepresteerd hebben voordat je wat mag roepen.’ Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg? ‘Brabant mag zich best wat beter in de markt zetten.’ De Gruffalo De Gruffalo. In het Brabants van Guus Meeuwis is een van de dertien streektaalvertalingen. Het idee hiervoor is bij uitgeverij Lemniscaat ontstaan door een uit de hand gelopen 1 aprilgrap: op een bericht over de verschijning van De Gruffalo(ot) in het Rotterdams, ontving Lemniscaat talloze bestellingen. Daarom besloot Lemniscaat écht een vertaling van de De Gruffalo uit te geven; in het Rotterdams door Dave von Raven, de zanger van The Kik. Hierop volgden nog twaalf streektaalvertalingen: het Twents van Herman Finkers, Utrechts van Herman van Veen, Zeeuws van Katinka Polderman, Limburgs van Frans Pollux, Drents van Daniël Lohues, Gronings van Marlene Bakker, Amsterdams van Huub van der Lubbe, Haags van Sjaak Bral, Gents van Daan Hugaert, WestVlaams van Flip Kowlier, Antwerps van Tourist LeMC en het Brabants van Guus Meeuwis. Op de vraag of de kinderen van Guus de Brabantse Gruffalo kunnen lezen, zegt hij: ‘ja, natuurlijk! Ze praten ABN maar ze appen bijvoorbeeld vaak in het Brabants. Als het antwoord op de vraag wat we vanavond eten ze bevalt, dan appen ze: “dan rij ik wel ekkes laangs!”’   De Gruffalo. In het Brabants van Guus Meeuwis. Uitgeverij Lemniscaat, info: www.lemniscaat.nl/de-gruffalo/ Foto William Rutten

Brabants nummer 28- maart 2021

5


VAN DE REDACTIE

Brabantse limericks (2) Twee edities geleden deden we een oproep: Kwartaalblad Brabants wil in de komende afleveringen graag limericks opnemen die een link hebben met Brabant en Brabants dialect. De vraag aan u, lezer, luidt: schrijf een dergelijke limerick, of meerdere, en stuur die naar de redactie: corswanenberg@ziggo.nl of Milrooyseweg 109, 5258 KG Berlicum. De beste inzendingen worden opgenomen in de komende afleveringen. Bij de beoordeling zal de redactie er streng op letten dat de limericks de juiste vorm hebben. Het rijmschema van vijf regels is een voorwaarde: A A B B A. Ideaal is het aantal lettergrepen per regel van 9-9-6-6-9, maar hierop mag gevarieerd worden als regel 1, 2, en 5 maar evenveel lettergrepen hebben, en regel 3 en 4 in verhouding korter zijn dan regel 1, 2, en 5. Vernuftige overtredingen van deze regels worden echter ook zeer gewaardeerd. We kregen tot ons genoegen prachtige respons. Hier presenteren we de tweede selectie. Wordt vervolgd. De oproep blijft van toepassing.

Geriffermeerd D’n dominee van Sprang Capelle heej lang nie alles te vertelle, want de lingerieshop haolt vur hum de neus op. Hij wil zwarte kouse bestelle. Marja van Trier, Loon op Zand.

Schèrpe D’r waar unne mèijer in Ette, die zaat ’r z’n zèssie te wette. Zoo rustte-n-ie mee èn ’t schèrpte de snee, zoo zòttie’r gin ted mi verlette. Nillus Gurtjes, Kruisstraat.

Passend kadoow? De lóngarts kón ’m gezónd verklâre no weeke óp de inténsif câre. Hèij genoot inténs, wâr ’n gelukkig méns. Hèij gaf de lóngarts ’n doos siegâre. Gerard de Laat, Nuenen.

Roomse blijheid ’n Pastoor die ’n meisje ontmoette, verweet haar heur twee bloote voete. Waorop zij toen sprak: ‘zo he’k ’n heel pak en doet u de paus mar de groete!’ Jo van den Eijnden, Zegge.

Van de kweekschool ’ne Mèster die werkt in de Reek die kijkt nao ’ne schooldag duk bleek. Z’n vrouw zè dan: ‘Jan, da kumt ’r nou van, schei uit toch mi al oe gekweek.’ Arnold Zegers, Zeeland.

Dronke ’n Ventje oit ’t Helmundse Hauwt Ha al hil wa burrelkes verstauwt. Hij skommelde nar hois. Mar dor war ’t nie plois. Z’n vrouw hi echt nie gefieliefauwt! Chris van der Heijden, Mierlo-Hout.

Nijver nèèister ’n Nijvere nèèister ùit Waspik, Zee: ‘as ik de zeúm van ne jas stik, dan drink ik nooit koffie, bescherm zó m’n kloffie, want anders, op zeker, dan bras ik.’ Jacques van Gerven, Valkenswaard. Hopeloos D’r stonnen in Liempd ’s twee koeien in ’n wei naor ’nen os toe te loeien. ‘Ach, hou mar op,’ spraak d’n os. ‘Bè mèn is alles total loss. Wè g’ok doet, ’k ben nie mer te boeien.’ Jan van der Heijden, Liempde.

Tilburgse medjes Soms drôom ik van Tilburgse medjes. Die zen in ’t echt echt hêel netjes, mar nao twaalve dan ist in men drôome grôot fist in die Tilburgse medjes d’r bedjes. Quirijn Stok, Tilburg.

10

Brabants nummer 28 - maart 2021

Waajwaoter D’r was ’s ’ne Wjeeldrechtse paoter Die ad wir ’s last van ’ne kaoter IJ stong in ’n waaj En riep toen jeel blaaj: ‘Nou pies ik potdoome waajwaoter!’ Jan Luysterburg, Hoogerheide.

Pimpelmees D’r waar ’s ’n jong meesken in Oss, dè leefde d’r heel lustig op los. Z’n vòdder wier kood èn klaagde z’ne nood. ’n Pimpelmees is alt ok de klos. Bert van Hezik, Vorstenbosch. De pestoor en de Strôôtese guld ’ne Pestoor, goed in geest’leke zake, die d’n bôôm vre:j van geeste moes make, skôôt ’n gat in de lucht en hij zi mi ’ne zucht: ‘’k ben better in Misse dan rake.’ Clara van Esch – van Hout, Oirschot.   Illustraties Nelleke de Laat


VAN DE REDACTIE

Beeld-Spraak Wetenschappers benoemen de gewoontes, het gedrag, en de geluiden van dieren al lange tijd als een ‘taal’. Van meer recente datum zijn de onderzoeken waarin wordt vastgesteld dat er binnen een soort niet alleen sprake is van een taal maar ook van dialecten. Beeld-Spraak maakte een keuze uit recente berichten daarover. (Illustraties Mathilde Artwork) De bij Verschillende bijensoorten dansen in hun eigen dialect wanneer ze soortgenoten informeren over waar er precies voedsel te halen valt. In de jaren veertig van de vorige eeuw stelde Nobelprijswinnaar Karl von Frisch voor dat honingbijen weleens dansdialecten konden hebben.

Onderzoekers hebben nu onomwonden vastgesteld dat hij gelijk had: verschillende soorten bijen houden er écht een eigen ‘dansdialect’ op na. Ze communiceren met elkaar over de locatie van voedsel door te dansen. Deze danstaal is een unieke vorm van symbolische communicatie in het dierenrijk. De witkeelgors In Canada gaat een nieuw lied viraal onder witkeelgorzen, een veelvoorkomende zangvogel ter grootte van een mus. De gorzen in het oosten zingen ineens allemaal een lied dat van 3.300 kilometer verderop blijkt te komen. ‘Hoewel bekend is dat sommige vogelsoorten soms hun lied veranderen, vinden deze culturele evoluties binnen lokale populaties plaats en worden daarom eerder regionale

In deze rubriek verzamelt de redactie humoristische afbeeldingen, korte teksten en wetenswaardigheden in en over dialecten en vreemde talen.

dialecten dan de nieuwe norm. Voor zover we weten is dit ongekend,’ zegt de Canadese onderzoeker Ken Otter.

De kip Taalwetenschapper Mark Dingemanse onderzocht de manier waarop we dieren wegjagen of juist lokken. Zo ontdekte Dingemanse dat overal ter wereld bij het verjagen van kippen een sisklank wordt gebruikt. Hij vond een dergelijk woord in zeventien talen uit elf verschillende taalfamilies. ‘De talen zijn onafhankelijk van elkaar tot ongeveer hetzelfde wegjaagwoord gekomen, steeds met een sisklank,’ stelt Dingemanse. Kippen hebben blijkbaar een hekel aan die sisklank.

Papegaai Crissy ‘Crissy slapie, slapie,’ zegt de vogel bijvoorbeeld, of ‘jekke sjup’ (letterlijk: gekke schop; gek, dwaas) in het Kerkraads dialect. Hij kan praten, heeft een eigen speelhoek en rijdt op een miniskateboard. ‘Als hij daar zin in heeft,’ haast Monique Paulus (45) uit Kerkrade zich te zeggen.

pleegouders, zogenoemde hispaniola-amazones, en die hanteren een ander dialect. Daarom worden vogels die op de lijst staan om te worden vrijgelaten nu eerst een tijdje op een plek gezet waar ze kunnen kijken en luisteren naar hun toekomstige groepsgenoten. Bovendien worden hispaniola-amazones niet meer ingezet als pleegouders, omdat er inmiddels voldoende Puertoricaanse amazones zijn die hun kuikens hun eigen dialect kunnen leren.

De koe Het onderzoek naar koeientaal door hoogleraar Leonie Cornips is nog in een vroeg stadium. Het koeienexperiment duurt nu een jaar. Twee boeren werken mee: één die zijn koeien in een traditionele stal houdt, één waar de koeien in een meer open stal staan. Maar het is veelbelovend: behalve het groeten, heeft ze andere aanwijzingen voor complexe communicatie tussen de dieren. De vorkstaartkoningstiran De vorkstaartkoningstiran ‘ratelt' in een eigen dialect met zijn vleugels, zo hebben onderzoekers vastgesteld. Ze verdringen al ratelend indringers uit hun territorium, en communiceren zo ook agressief met hun mannelijke soortgenoten. Houdoe

Papegaaikuikens uit Puertorico Een fokprogramma met Puertoricaanse papegaaikuikens leek succesvol, totdat de uitgezette vogels op een taalprobleem stuitten. Ze zijn als kuiken namelijk verzorgd door Brabants nummer 28- maart 2021

11


JAN VAN NASSAU

Tullepetaon, van scheldwoord tot carnavalsnaam

Het Woordenboek van de Brabantse Dialecten vermeldt tulpetaan (o.a. gespeld als tulpetaon, tullepetaon, tullepetoan, tullepetaen, tuleputaan) als benaming voor het parelhoen in het dialect van een achttal plaatsen in West-Brabant: Bavel, Dinteloord, Hoogerheide, Huijbergen, Klundert, Oud Gastel, Roosendaal en Rucphen. Het betreft overwegend in 1997 gescoorde antwoorden op vraag 6 van vragenlijst nr. 100 van de Nijmeegse dialectcentrale: ‘Hoe noemt u in uw dialect de witgespikkelde grijze tamme vogel met gekleurde kop, die niet vliegt en enigszins op een kalkoen lijkt maar het formaat van een kip heeft (parelhoen, poelepetaat)?’ Hoe zijn die acht respondenten uit 1997 aan hun antwoord gekomen? Hebben ze de benaming van huis uit meegekregen? Zelf heb ik het woord tullepetaon geleerd van mijn vader. Toen hij me wilde leren figuurzagen en zei dat ik voorzichtig moest zijn, bleef ik prompt een paar keer kort na elkaar met een gebroken zaagje staan, waarop hij mij in zijn ergernis toevoegde: ‘Wa zijde toch ’ne tullepetaon, ee!’ Wat hij daarmee bedoelde, heb ik toen niet aan hem gevraagd, maar de gevoelswaarde maakte me duidelijk dat ik het woord ergens moest plaatsen op de schaal tussen ‘kluns’ en ‘kwibus’ in. Later, toen er buiten op de stoep voor ons huis twee buurvrouwen een hele tijd hoor-

14

Brabants nummer 28 - maart 2021

baar met elkaar stonden te kletsen, hoorde ik mijn vader zeggen: ‘Staon die tullepetaone daor nou nog?’ Wat bedoelde hij daar dan weer mee? Ik heb het hem niet gevraagd, maar ik denk dat ik er met ‘kakelaars’ en ‘kletswijven’ niet ver vandaan zit. Ik wist pas dat tullepetaon eigenlijk een vogelnaam was, toen ik het woord voor het eerst tegenkwam in een artikel in de krant. Dat moet begin 1967 het geval zijn geweest: de carnaval zit er duidelijk aan te komen wanneer het Brabants Nieuwsblad 1 onder meer het volgende laat weten: ‘Na Prinse-, Narren-, Kwakkel-, Tiener- en Restjesbal komt er nu met carnaval ook een Tullepetaonebal’. Hoe men aan die naam komt, wordt uitgelegd in het hierbij afgebeelde stukje uit de krant. Het is voor zover ik het na heb kunnen gaan de eerste c.q. de oudste publicatie van het woord tullepetaon als benaming voor het parelhoen, met bijkomend een carnavaleske toepassing in de, door Grootste Boer Leo Suijkerbuijk gelanceerde, naam Tullepetaonebal. Belangrijk om te weten daarbij: het was amper een jaar geleden dat Leo het woord informeel in de mond nam als schimpnaam. Prins, nar en gevolg waren erbij toen Leo bij een treffen met het voltallige bestuur van Stichting Carnaval Roosendaal in tenue (smoking, blauwe cape en blauwwitte steek) zich liet ontvallen: ‘Aòch kek, de tullepetaone zijn d’r ok!’ Carnavalssingle Vanaf dat moment is het woord tullepetaon in de Roosendaalse carnavalsgelederen en daarbuiten een eigen leven gaan leiden. Allereerst werd aldus de naam Tullepetaonebal ingevoerd. Vervolgens gaf men op het label en op de hoes van de carnavalssingle te kennen: ‘dur wor gespeult dur den ofkapel mee gekwèk van de tullepetaone’. Verder voegde men aan het protocol op carnavalsdinsdag een tullepetaon (van papier-maché) toe als een ‘soort symbool van de carnaval: een verklede kip mét een kop’ 2. Er zullen intussen maar weinig faunakenners zijn die in deze en latere uitbeeldingen van het carnavalssymbool meteen een parelhoen c.q. de numida meleagris zullen herkennen. Het gaat kennelijk om een carnavaleske vari-


JACQUES VAN GERVEN

Zalle we, of zalle we nie?

ant, die uiterlijk weinig gemeen heeft met het parelhoen, maar desondanks toch de aard van het beest volgt. Daarmee is tullepetaon op dat moment nog geen breed gedragen carnavalsnaam, maar dat zal gauw veranderen. Eind 1969 beoordeelt een jury de zestien inzendingen voor het carnavalslied van 1970 3. Uiteindelijk valt de keus op een lied dat gemaakt is vanuit de gedachte dat tullepetaon een goeie carnavalsnaam zou kunnen zijn voor een Roosendaler. Andere schimpnamen leken daarvoor minder geschikt. De inzender (ene Jan) had alvast ook een ontwerp-platenhoes meegeleverd met het opschrift ‘Uit ‘t rijk der tullepetoane’. Niet lang daarna doopte Prins Jan I van Roosendaal al zijn onderdanen om tot Tullepetaone en benoemde burgemeester Jan Godwaldt de scheidende prins tot Vorst van Tullepetaonestad, als blijvende titel in carnavalsdagen. De beginregel van het winnende lied luidde immers: ‘Tu-tu-tullepetaone, ziede gij alleen mee carnaval!!!’ Noten 1. Brabants Nieuwsblad wo. 4 jan. 1967: Carnavalsthermometer begint langzaam op te lopen Tullepetaonebal 2. Kwakkelkraant, vr. 2 februari 1968: Tullepetaan doet mee op kinderfeest 3. Brabants Nieuwsblad ma. 1 dec. 1969: Tullepetaon; Dagblad de Stem ma 1 dec. 1969: Tullepetoane ziede gij alleen mee carnaval 

Kareltje: Zalle we? Friedje: Wa vènde gij? Kareltje: Ik vraog ’t òn jou. Friedje: Óh, dan mag ik de kneúp wir durhakke netuurlijk. Kareltje: Gij hoeft niks dur te hakke, gewóón zegge of we zalle of nie! Friedje: Laote we ’r over stemme. Kareltje: Hoezó stemme! We zen mee z’n tweeje! Zeg ’t nou mèr. Friedje: Ik wil stemme, en dan ok nog ’s annoniem. Kareltje: Ik geleúf nie dè ge ze nog allemòl op ’n rèèike het Friedje. Friedje: Rèèike of nie, ik wil stemme. Kareltje: En hoe hadde dè dan vur oe gezien? Friedje: We schrève op ’n pepierke wa we wille. Kareltje: En wa schrèèf ik dan op? Friedje: Dan schrèèfde op, óf ‘Nee, we zalle’. Óf, ‘Ja, we zalle nie.’ Kareltje: ‘Néé, we zalle’, óf ‘Ja, we zalle nie’. Ik hoop dè ik ’t begrèèp. Friedje: Nog vraoge? Kareltje: Gin vraoge. Friedje: Hoe schrèèfde annoniem? Kareltje: Dè gòdde’r toch nie onder zette. Friedje: Wurrum nie? Kareltje: Dan weet ik toch metéén dè ’t jouw briefke is! Friedje: Dur hèdde ’n punt. Dan zet ik ’r wel niks onder. Kareltje: Bende klaor? Friedje: Gèf mèr hier dè briefke van jou, dan lèès ik d’n ùitslag vur. Kareltje: Lòt hurre. Friedje: Briefke één. Hier stòt: Ja, we zalle nie. Kareltje: Briefke twéé? Friedje: Hier stòt, ……… hillemòl niks!!! Kareltje: Ik heb me van stemming onthóúwe. Friedje: Wor slòt dè nou op! Kareltje: Gewóón. Dè mag bij stemme. Friedje: Mèr nou zen we nog ginne stap verder. Ik wil wete wa gij wilt! Of we zalle, of nie. Kareltje: Zeg nie dè ’t òn mij ligt. Friedje: Néé, òn ons Tonna, zalle we zegge! Kareltje: Barst toch gaaúw gij. Ik vertrek. Friedje: Dè moete doen! Hoúdoe! Kareltje: Lòt ’r dè hoúdoe mèr vanaf. Friedje: We zien mèrrege wel verder. Kareltje: Wa zien we wel verder? Friedje: Of we zalle, of nie. Kareltje: Tjonge, jonge, jonge. Hèdd’t ooit zu zóút gevrete. ‘Néé, we zalle’, of ‘ja, we zalle nie!’   < In het dialect van Valkenswaard > Uit: Wel of nie? Ge wit ’t nie. Brabants boekske 2021 Brabants nummer 28- maart 2021

15


COR SWANENBERG

Ton van den Bergh en zijn Bossche stripverhalen te afnemers weg. Ondertussen kwam het pensioen al in zicht en Ton deed het mooi rustig aan. De grote verandering kwam in 2015.

Illustrator-striptekenaar Ton van den Bergh is van 1953. Dit multitalent is geboren in Den Bosch en woont in Engelen in een riant pand met uitzicht op de Dieze en Kasteel Meerwijk. Hij heeft zich onder meer bekwaamd in perspectieftekeningen van toekomstige gebouwen voor makelaars. Hij is ook een verdienstelijk muzikant en schrijft eigen liedjes. Engelen Toen hem ter ore kwam dat in 2015 Engelen 1200 jaar bestond en dat grootscheeps wilde gaan vieren, maakte hij een paar lofliedjes op zijn geliefde woonplaats en omgeving. Zoals Engelen zus en engelen zo, waaruit we hier het refrein citeren: Je hebt engelen zus en engelen zo En engelen van Michelangelo Er zijn engelen hier en engelen daar, Maar er is er maar een van 1200 jaar. 1200 jaar, 1200 jaar, 1200 jaar… Loopbaan Zijn opleiding bestond uit ulo en daarna de kunstacademie, afdeling Illustratieve Vormgeving. Hij voelde zich nooit echt kunstenaar en ging verkooptekeningen voor huizen maken. Later heeft hij nog even gewerkt op reclamebureaus, maar kreeg het al snel zo druk met het maken van tekeningen voor bouworganisaties dat hij voor zichzelf begon. Hij maakte tevens cartoons voor bedrijven (voor mailing en magazines.) Maar toen de computer met tekenprogramma’s kwam, vielen veel vas-

18

Brabants nummer 28 - maart 2021

Strips ‘Wij hebben hier het maandblad de Tweeterp en ik kreeg het idee om daarin een jaar lang een striptekening te maken over de geschiedenis van Engelen.’ Ton ging nauwkeurig te werk. Twee jaar werkte hij aan dit project. Alle details moesten kloppen. Het verhaal is fictie, maar het decor is wel realiteit. De strip De Geschiedenis van Engelen volgt de historie vanaf de steentijd tot en met de toekomst. Het werk zit vol humor die zich uit in heerlijk getekende kwinkslagen. Het eerste historische stripboek werd een succes. Het is een staaltje vakmanschap waarbij de actuele realiteit en fantasie virtuoos vermengd worden. Dialectgebruik is in het eerste stripboek maar mondjesmaat aanwezig. Dat wordt anders in de twee volgende stripverhalen. Het succes heeft zo stimulerend gewerkt dat in 2018 De Graal van Bloemendaal verschijnt. Fantastisch! Adeltuit Bartholomeus Bloemendaal en zijn knecht Hannes van Slagharen verwijzen overduidelijk naar Don Quichot en Sancho Panza, de antihelden uit het wereldberoemde werk van Miguel de Cervantes (1605). Prachtig is de keuze van Hannes van Slagharen die natuurlijk op een minipony zit en verslingerd is aan Bossche bollen. Dorus Dump, Gemene Rik en Harrie de Pruik behoren tot de vaste inventaris van de komische verhalen. Mientje de moerasdraak (die Bosch praat) en de engel fungeren als een soort deus ex machina en dat maakt deze strips bijzonder leuk. Fantasie maakt alles mogelijk. Er is volop te genieten van geestig taalspel in de dialogen en geleidelijk aan komt de Bossche volkstaal meer op de proppen. Daardoor wordt het verhaal ongetwijfeld rijker.


is Amadorus geworden, Knillus werd Dorus en ’t befaamde café ’t Pumpke is veranderd in ’t Dumpke. Trump (Dorus Dump) krijgt de hoofdrol. Peter Paul Rubens en Attilla de Hun komen voorbij en heel attente lezers zien zelfs de Zweedse milieuactiviste Greta Thunberg passeren. ‘De jongste verhalen ontwikkelden zich al doende en dat was veel gemakkelijker dan mijn eerste. Het is een creatief proces. Ik wil van alles verzinnen en dat verweven met de actualiteit, maar het mag nooit kwetsend zijn.’

Verrassingen Het abrupte open einde van het verhaal van de graal vraagt om een vervolg. In 2020 volgt Het Geheim van de Moerasdraak met grotendeels dezelfde hoofdfiguren. Het verhaal speelt zich weer af in de stad Den Bosch van de zeventiende eeuw. De Spanjaarden zijn verdreven en de Ollanders hebben het voor het zeggen. In het dorpje Engelen halen de vrienden Rommelkruid en Nagelgruis (vaste ingrediënten voor balkenbrij) herinneringen op aan het spannende avontuur van Bloemendaal en Hannes. Zij doen dat in het plaatselijke dialect. Het is de aftrap voor het tweede stripverhaal. Ton heeft veel research moeten doen; veel gelezen over de gebouwen van Den Bosch, om herkenbaar en natuurgetrouw te blijven. De strips grossieren in rake tekeningen van Bossche gebouwen en geslaagde karikaturen waardoor je de onverwacht opgevoerde BN’ers meteen herkent! We ontmoeten druipsnor Johan Derk­ sen, brompot Maarten van Rossem, ego-coach Louis van Gaal, speurneus Peter R. de Vries, minister Ferd Grapperhaus, politici Klaas Dijkhoff, Jesse Klaver, Theo Hid­dema en acteur Frank Lammers. Ergens staat Marco Kroon te pissen en de secure kijker komt in volksbuurt De Pijp zelfs Prins Bernhard tegen in een flagrante, overspelige pose. Bossche figuren als de tweetalige Manus, de man van de Sint-Jan (Janus Kiep), priester Antoine Bodar, voormalig burgemeester Rombouts, huidig burgemeester Mikkers, kroniekschrijver Eric Alink, marktkoopman Bertie ’t probleem van de week, Nol Roos van TV73, modekoning Addy van den Krommenacker en voormalig landelijk verslaggever Theo Verbruggen spelen een bescheiden rol, evenals de bekende Bossche en Oeteldonk-figuren Zoete Lieve Gerritje en De Peer... Carnavalsprins Amadeiro

Zijn er nog plannen voor een vervolg? ‘Ik wil nog wel eens een nieuwe strip maken over de Zwanenbroeders. Ik laat de vrouw van Bloemendaal dan zeggen: “’t Wordt tijd da gij uw eigen ook ’s aanmeldt bij die Zwanenbroeders.”’ (De Zwanenbroederschap is het Bossche genootschap Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. Opgericht in 1318 ter ere van Maria, allengs veranderd in een oecumenische sociëteit met het imago van een gesloten herenclub met veel mysterie.) ‘Het Begijnhof dat ooit op de Parade bestond, is een mooi gegeven dat daarmee in verband gebracht zou kunnen worden. Jeroen Bosch blijft natuurlijk ook een mooi onderwerp waarvan we zo weinig weten dat het in een verhaal over hem alles mogelijk maakt… Het mag nooit over de top gaan. Mijn vrouw kijkt en denkt altijd mee. Ik ga weer maandelijkse verhaaltjes tekenen in de plaatselijke Tweeterp!, getiteld De avonturen van Rommelkruid en Nagelgruis.’ Ton houdt van carnaval, maar niet van het starre regiem van de Oeteldonkse Club. ‘D’n draak steken met carnaval zelf is in Den Bosch niet meer mogelijk. Dat ik Trump (alias Dorus Dump) tot Prins Amadorus heb gepromoveerd in mijn strip wordt misschien niet in dank afgenomen…’ Mijn top 10 van Bossche woorden: Heel typisch voor Den Bosch zijn de scheldwoorden braoierd en koekwaus, vooral als ze tegelijk als liefkozing gebruikt worden, zoals dat ook met kutje gebeurt. (Héé kutje, hoe ist mee jou?) Kutjanus is ook leuk. Klagen doen de Bosschenaren ook gère, als ze ginnen aord hebbe en wennen èrremoei wor verzuchten of ochèrrum zeggen. Afijn, ook meepessant en ginterwijd horen erbij. En natuurlijk houdoe! Op ’n rijke dus: 1 Braoierd, 2 Koekwaus, 3 Ginterwijd, 4 Kutje, 5 Scheet en Bellekes (Drogist Van Beek en Schellekens), 6 Kutjanus, 7 Ochèrrum, 8 Èrremoei, 9 Meepesant en 10 Houdoe war. De drie stripboeken zijn door Ton van den Bergh in eigen beheer uitgegeven. Ze kosten € 12,00 per stuk exclusief portokosten. Contact: anthonievandenbergh@ home.nl en 073-6311920  Brabants nummer 28- maart 2021

19


JOS SWANENBERG

NICO VAN KRUISBERGEN

Wosterouts Leesplangeske

22

Op 2 december 2020 schreef de burgemeester van Oosterhout, Mark Buijs, in een van zijn corona-nieuwsberichten op de gemeentelijke website: ‘Iedere week hoop ik dat ik jullie een beetje dichter bij elkaar kan brengen. Ik hoop vooral de groep die anders denkt over het virus of de aanpak - wat natuurlijk mag - toch mee te krijgen in de maatregelen. Maar soms lijkt het alsof we een andere taal spreken. Zeker toen ik de reacties onder mijn laatste column zag op Facebook van een aantal ontevreden inwoners over de maatregels. Ik spreek als burgervader graag de taal die ons kan verbinden. Soms ben ik op zoek naar de woorden die inhoudelijk en emotioneel de verbinding kunnen leggen. Zo ook deze week. En ik moet zeggen dat ik het heel even kwijt was door de felheid en toon van hun reacties. Tot ik deze week het Wosterouts Leesplangeske kreeg aangeboden. U moet het echt eens bekijken, wat mooi gedaan! Peter Nuijten heeft de verbeelding van de woorden gemaakt en Rensz Gorisse de Oosterhoutse vertaling van het woord. Voordat ik het kreeg aangeboden hield Rensz een prachtige verhandeling over de Oosterhoutse taal. Over hoe het Brabants in het algemeen, en dus ook het Oosterhouts, als de meest lieflijke, gemoedelijke en aantrekkelijke taal wordt gezien in Nederland. Maar het allerbelangrijkste was misschien wel dat het Oosterhouts ons verbindt. Dames en heren, ik kan u vertellen dat ik naast het Brabants van mij, hard bezig ben met het plankje in mijn hand om het Oosterhouts nog beter te kunnen leren. Ik hoop dat het lukt om deze taal een beetje te kunnen spreken, maar belangrijker nog: goed te verstaan.’ Mooie woorden van de burgemeester!

woorden. Onder de woorden op dit Wosterouts Leesplangeske vinden we baok, geïllustreerd met een doormidden gesneden perzik. Het wordt gezegd voor de pit van een steenvrucht en is heel typisch voor deze regio, waar de Langstraat overgaat in de Baronie van Breda. Dat geldt ook voor broekannik, de Wosteroutse naam van de gaai. Andere woorden op het plankje zijn echt West-Brabants, bijvoorbeeld klokkebaaien (bosbessen) en frak (jasje), terwijl terreweps (wesp) juist heel lokaal is. In het Woordenboek van de Brabantse Dialecten wordt het behalve voor Oosterhout enkel voor buurdorpen Dongen en Oosteind gegeven. Een raadselachtige tekening is die van de drie stokken waar het woord patterelille bij hoort. In een (nog?) niet uitgegeven woordenverzameling van het Oosterhouts vond ik pattelille voor een spel met een lang en een kort houtje. In Roosendaal wordt tijdens carnaval een vergelijkbaar spel gespeeld met een vergelijkbare naam, pattelulle. Meer informatie over dit spel is te vinden op Wikipedia onder het woord ‘tiepelen’. Zoals vermeld zijn de woorden op dit leesplankje afkomstig van Rensz Gorisse die zich al vele jaren voor het dialect van Oosterhout inzet. Op https://techtewerk.nl/ zijn Rensz’ meest recente activiteiten te bewonderen. ’t Wosterouts Leesplangeske is te koop in de webshop www.oosterhoutsedingen.nl  

Van baok tot broekannik Het Wosterouts Leesplangeske is een fraai exemplaar in de verzameling leesplankjes van Brabantse dialect-

Bron: https://www.oosterhout. nl/inwoners/coronavirus/coronanieuws-inwoners/nieuwsbericht/ beste-oosterhouters-eigen-taal

Brabants nummer 28 - maart 2021

Bert Stevens was docent gezinstherapie. Hij bracht zijn jeugd deels in Waalwijk door. Na zijn huwelijk vestigde hij zich er definitief. Hij werd in de Langstraat vooral bekend door zijn boekjes Koffie mee sekraai (1978) en Gère nog ’n bakske koffie mee sekraai (1980). Bert was redactielid van het tijdschrift De Klopkei. Stevens was geïnteresseerd in het Waalwijkse dialect en verzamelde liedjes en verhalen uit de streek. Die liedjes en verhalen vertolkte hij later, gekleed als minnestreel. Hij bezong onder meer D’n heer van ’t bruin kasteel. Humor stond in zijn voorstelling hoog in het vaandel. Een van zijn oude, wijze zegslieden vertelde dat de mensen humor nodig hadden om in barre tijden hun evenwicht te kunnen bewaren. Bert trad op in het Literair Café van Carel Swinkels in De Odyssee in Den Bosch en bij de Brabantse Avonden in Berlicum. Een paar anekdoten die Bert graag vertelde in zijn Wolks: Kerkbezoek Die gistelijken, die zijn precies as aandere meensen, dè zoude nie geleuven, mar ’t ies werkelijk zo. Ik ging op ’ne zondag ies naor de mies en daor aon de kerk zie ik de pestoor en die zee tegen mij: gij zijt een van de trouwe bezoekers. De kerk sprikt oe klaorblijkelijk nog altijd aon. Nou, meneer pestoor, zin ik, ik kom eigenlijk nie zozeer veur de kerk. Waor komde dan veur, zeetie. Ik zee: hier kaande nog ies ’n uur op oew gemak zitten, ’t kost mar twee kwartjes, d’r wordt nie gewaauweld, behalve èfkes onder de preek en dan val ik altijd in slaop, d’r wor nie gerokt en ge krijgt d’r nog meziek graotis bij. As ik naor ’t kefee gaoj dan ben ik al ’nen riksdaolder kwijt veur ik de deur open doei.


MRINUS DE WITTE

De lach van… Bert Stevens (Breda, 1926 Waalwijk, 2009)

Bert Stevens als minnestreel. Schilderij Tonnie Konings Geluk We waaren ammel effe èèrm. En dan ston de pestoôr vroeger op de prikstoél te preeke. Mistal waar dè ’ne preek oover de liefdaodigheid. D’r moes geld komme, war. Daor kwaam dan ok nie zo veul van terèèchte. En dan ha-tie’t ’r oover dè de èèrmste meense de gelukkigste meense waare. En dan hadde daor vroeger – ik kan gruust naome noeme, want de meense zen tòch doôd en we zegge d’r gin kwaod van – daor hadde Nort de Knoers. De pestoôr ha wir ies ’ne keêr geprikt, dè de èèrmste meense de gelukkigste waare en daor konne we’t dan wir ’n hil week meej doén. En nou kwaam de pestoôr dur de week Norte teegen en-ie vroeg: ‘Hoe gòg ’t, Nort?’ ‘Och, meneêr pestoôr,’ zeej Nort, ‘ik wor meej d’n dag gelukkiger.’ 

De Witte wit wir wè ‘Wilde iets geveegd krijge (voor elkaar krijgen), dan moette vandaag oew gemak haawe.’ Nee, dit is niet mijn huisarts, maar mijn schoonmoeder die in ’t Bèrgs (het dialect van Berghem) gratis en niet geheel vrijblijvend advies verstrekt. Dat doet ze alle daag en al jaren. Behalve op zondag, want dan is er geen krant en dus geen horoscoop. Ja, ik heb er wat voor over gehad om in d’n aard te kômme (in de familie te komen). Haar raadgevingen zijn gen laacheswèèrek (een serieuze zaak) en ze verwacht dan ook van mij dat ik er als zodanig mee omga, anders krijg ik kijves (een zedenpreek). ‘Ik ha toch gezeet dè ge mi hum beeter nie geschorre kunt zijn (beter niet mee om kunt gaan). Zô ge ’t makt, zoewe hedde ’t.’ (je hebt het zelf in de hand) Jammer genoeg ben ik blijkbaar onder een slecht gesternte geboren, want de voorspellingen duiden veelal op hel en verdoemenis. Ik noem het niet voor niets de horrorscoop. Maar volgens mijn schoonmoeder krispendeert-ie alt (komt altijd overeen) met de realiteit. ‘Dè strééjde mijn nie af.’ (daar ben ik van overtuigd) Vorige week waarschuwde ze me nog: ‘D’r stö dè ge oewèège vandaag nie moet loa-

te kulle.’ (bij de neus laten nemen) Dus toen ik de volgende dag klaagde over een hoge garagerekening, kreeg ik meteen de wind van voren. ‘Ha’k ’t nie gezeet? Hedde oewèège d’r wir onder loate trekke (af laten zetten). Ge zet ok alt teegen ’t geweld in.’ (tegendraads) Afgelopen zaterdag werd me in het dorp gratis een landelijke krant aangeboden. Thuis aan de keukentafel viel mijn oog op de horoscoop van die dag. Toch even lezen, dacht ik en raadpleegde de voorspelling voor het sterrenbeeld van mijn schoonmoeder. ‘Beste Kreeft, vandaag is het een mooie dag om de kinderen te verrassen met een extraatje.’ Met die ‘voorspelling’ in gedachten gingen die van ons èn ikke sanderdaags naar mijn schoonmoeder om koffie te drinke (het nuttigen van een broodmaaltijd). Toen we ôn’t opwaasse waare (de afwas doen), leek het me een goed moment om over haar horoscoop te beginnen. Dat bleek geen succes. ‘Niks vur niks èn wènnig vur ’n bietje, jonge. (alles heeft zijn prijs). Dan moete mar nie zô ônschiejtèèchtig (inhalig) zijn. Mar ja, doar bende dan ok unne Lauw (Leeuw) vur.  Illustratie Mathilde Artwork

(Uit: Koffie mee sekraai, 1978)

Brabants nummer 28- maart 2021

23


ANTON VAN DER LEE

Zò’n vèùl, geniepig amtenèrke… Eên van de vremste dinge die ik in de meêr es suvventig jaor dè’k es amateur in ’t archeeolóogisch wèèreldje meejdraai ies in de Patio in Den Bosch vurgevalle. Ik gaaf daor in niggentién-zeuven-en-suvventig vur de Geolóogische Kring ’n leezing oover de vraog, hoe de vurhiestoorische meense d’r steêne werktèùge mòkte en nao afloôp daorvan kwaam ie nòr me toe, dè aauw schriél amtenèrke van ’t provinciehuis. Hij zeej meej z’n fleêmende stem det-ie ok nog wel ’n pòr van die steên haj en dè’k die wel kon krèège es ik wies wè dè-t was. Wè-tie meej dè leste bedoelde ha’’k toen nog nie deur. Ik spraak meej ’m aaf dè-k de volgende maond trug zù koome, want dan wier ’r tóch ’n leezing gehaauwe die’k wilde hèùre. De maond dòrnao kwaam ie in de pauze van de leezing ònzette meej zo’n twinteg man aachter ’m aon. Die ha’tie bij mekaare getrommeld en gezeed: ‘Jonges dè wordt laache. Ik heb drie steên bij me, die’k van m’n zuster ùt Canada heb gekreege. Die woônt ’ne mèèl of tién van ’t Eeriemeer vandaon. Ik heb diejen archeoloog van vurrige mònd beloófd dè-tie die krèègt ès ie wit wè-t ies, mer daor zit-ie netuurlijk zo wèèd langs es ’nen haos TOINE NOOIJENS

VURRUIT MEE DE GEIT! 't Is zund, mar 't is nog nie tenne, al blienkt gienderwijd wel wa licht. Want strak meude wir 't jin en 't aander; zen zaoke nie langer mjeer dicht. Zon virus kan 't vrjeet begaoie. Dad emme we nou meegemokt. Veul kreegen 't zwaor te verdure en zen in d'r art díep gerokt! 't Zal nog wel gèf wa tijd vraoge, vur alles zen gang wir kan gaon. Mar ier gel toch wòk: wòp doe leeve en gaon we Corona verslaon! Ik nim vast m'n pet af vur zullie, die klaor stonne, waor da mar kon! Want witte: ze bleeve mar zörge en wiere vur zuvvel de zon!... We motte mar nie mörmereere. Ge wit, da ge 't strak beeter krijt! Jees emme we saome gewonne. Dus, kop op, vurruit mee de geit!... < In het dialect van Etten-Leur >

34

Brabants nummer 28 - maart 2021

op ’ne zoomersen dag kan loôpe. Hij zal wel meej zoiets ònkoome van: ‘Ze heûre bij de huunebeddecultuur’ of zo en dan vat ik ze wir gaauw trug, want dan wit-ie d’r niks van.’ Hij leej de vonste bij mèn op ’t tòffeltje en ik vroég waor ze vandaon kwaame, mer dè wò-tie nie zegge want ik was immers d’n ekspèèr. Ik vertelden ’m meteên dè de minste informaosie die ge krèègt es ge steên moet deetermineere ies, waor ze vandaon koome en dè’k dòrrom es ik m’n verstaand gebrùkte verder gin woord meêr zù zegge. Ik zaag twinteg gezichte betrekke: vandaog wir gin lol. Ik zeg: ‘Nou jao, goéd, ik wil ’r dan nog wel iéts van zegge. ’t Zen pèèlpunte. In Amerika noeme ze dè indiaonepèèlpunte, mer ze zen veul aauwer dan de indiaone zo es wij die kenne en es ik ze moes gòn zuúke dan zocht ik ze erreges in de streék tusse Canada en de Vereênigde Staote, in de buurt van ’t Eeriemeer.’ De glèù­perd keek me aon of ie wòtter zaag braande: z’n oôge rolde zoowè ùt d’r kasse. Hij kon ’t nie ontkenne, want hij ha-get teege al die twintig man die d’r bij stonne nou immaol gezeed. Hij kon alleên nog mer ùtbrenge: ‘Hoe witte gij dè?’ Die vraog was best zinnig, mer ik waar zoo kwaod op dieje vent die geprebeerd ha om men vur twinteg man in de zèèk te zette dè’k ’m antwoordde: ‘Ge hed m’n ekspertiése geheûrd en daorbij wil ik ’t verder laote.’ Ik moes m’n best doén om ’t ’n bietje hoôghartig te laote klinke. Ze droope eên vur eên stiekem aaf en op ’t lest zaat ik in m’n eêntje aachter ’t tòffeltje mee drie pèèlpunte vur me. Ik staak ze toen mer in m’ne zak. Hoe waar ik nou tot zò’n haorscherpe determinaosie gekoome? Toevallig ha’k ’n jaor tevurre ’n ooverzichtstentoônstelling van Amerikaonse vonste bekeéke in kesteêl Hoensbroek, en daorbij bleék dè ellek gebiéd daor zoo z’n èège modelle van pèèlpunte haj. M’n geheuge was toen nog prima – nou werk’t nie veul langer meêr es van twaolef uure tot de middeg – en vur diejen aord van dinge he’k bekaant ’n fotograofisch geheuge. Daor kom nog bij dè ge steun het aon steênsorte, menier van bewerke, groôtte en zoo. En netuurlijk ok ’ne groôten hoôp ervaoring op dè gebiéd. Daor hoefde ooveriges nie groôts op te gaon, want ervaoring is alleên mer ’t totaol van de foute die-ge oôt gemòkt hed. De spitse waare èègenlijk wel ’nen aonwinst vur m’n vurzaomeling en ik heb ze dan oók in de vitrine geleed bij de aander Amerikaonse spulle. D’n oudste van de drie, ok de groôtste, is zò’n vèèfduuzend jaor oud, de twee aander ’n bietje jonger. Ze zen best wel bizunder, mer iedere keêr es ik ze zie ligge, dan erger ik m’n èège toch nog aaltij òn dè menneke meej z’n onte streék. Die zal wel nie òn z’n zuster verteld hebbe hoe dè-tie meej men gevaoren ies…  < In het dialect van Loon op Zand >


Luisterbox Brabants 28

Colofon: Brabants, jaargang 7, nummer 4, maart 2021 Brabants verschijnt vier keer per jaar; in juni, september, december en maart Redactie: Riny Boeijen, Jan Luysterburg (hoofdredacteur), Ed Schilders, Cor Swanenberg, Jos Swanenberg Redactiesecretariaat: Cor Swanenberg, Milrooijseweg 109, 5258 KG Berlicum, tel. 073-5031879

De volgende door de auteurs ingesproken teksten zijn te beluisteren op de website: Mira Ficq-Weijnen: De mooiste Brabantse woorden (Vught) 1.29 Rensz Gorisse: As d’n immel kleurt (Oosterhout) 1.25

Aan dit nummer werkten mee: Johan Boenie, Jo van den Eijnden, Clara van Esch - van Hout, Jacques van Gerven, Wim van Gompel, Rensz Gorisse, Nillus Gurtjes, Chris van der Heijden, Jan van der Heijden, Bert van Hezik, Henk Janssen, Junt, Nico van Kruisbergen, Gerard de Laat, Anton van der Lee, Jan van Nassau, Frans Nefs, Toine Nooijens, Ad van Schijndel, Quirijn Stok, Marja van Trier, Mrinus de Witte, Hás van de Zande en Arnold Zegers.

Henk Janssen: ’t Jobcenter in Mee:ge (Heesch) 6.54

Foto omslag: William Rutten. Tenzij anders vermeld zijn de foto’s in dit blad van Henk Janssen.

Cris van Laarhoven: Mooie Brabantse woorden (Hilvarenbeek) 1.14

Vormgeving: Meyer Grafische Vormgeving – Asten (www.meyergrafischevormgeving.nl)

De geluidsopnamen zijn gemaakt door Frans van den Bogaard en geredigeerd door Cor Swanenberg. De luisterbox is te vinden op de audiopagina van www.stichtingbrabants.nl en op www.cubra.nl/brabants/Brabants_Audio.htm 

Druk: Grafisch Atelier Blaricum – Blaricum (www.drukkerijblaricum.nl)

AD VAN SCHIJNDEL

OPGESPOARDE MÈJZOENTJES Woar de bluumkes al monde héél skon bloeien, moet ik gundureges bons de heggen snoeien, mar ’t lèkker samen stoeien mag ons nog altet nie boeien. We moeten overal gruwelek wijt uit mekare, en ik heb al m’n mèjzoentjes al driej mónd moete spoare totdè d’n himmel hopelek dalek wer begint te kloare!   < In het dialect van Heeswijk >

Uitgever: Stichting Brabants, Missiezusterslaan 51, 5405 NL Uden, tel. 06-51158839. KvK-nummer 60585412. RSIN 8539.72.199. ISSN 1572 – 1612. Bankrekening ABN-AMRO IBAN: NL73 ABNA 0545 3581 75 (BIC Code: ABNANL2A) Website: www.stichtingbrabants.nl E-mailadressen: Algemeen: info@stichtingbrabants.nl Redactie: redactie@stichtingbrabants.nl

Abonnementen: Bestellingen, opgave en mutatie van jaarabonnementen uitsluitend via de uitgever, stichting Brabants. Een jaarabonnement kost € 24,50. Losse nummers € 8,95 inclusief portokosten in Nederland. Voor abonnementen in het buitenland wordt de prijs van het jaarabonnement verhoogd met de van toepassing zijnde verzendkosten. Voor het buitenland is Brabants evenwel ook in pdfbestand verkrijgbaar. De prent op de achterzijde is van Cees Robben. Dank aan de Cees Robben Stichting. Brabants nummer 28- maart 2021

35

Profile for Brabants Magazine

Brabants magazine nr. 28  

Kwartaalblad over Brabanders en hun taal

Brabants magazine nr. 28  

Kwartaalblad over Brabanders en hun taal

Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded