__MAIN_TEXT__

Page 1

Brabants Jaargang 7, nummer 3, december 2020

Kwartaalblad over Brabanders en hun taal

Frits van Eerd Brabantse limericks Digitale dialectenbank


Brabants nummer 27 Inhoud

16 Cor Swanenberg: Chris van Haandel en de Újese dialectgroep

25 Hás van de Zande: Vogelvolk

3 Van de redactie 4 Cor Swanenberg: Frits van Eerd: ‘Jumbo is zo Brabants als het groot is.’ 7 Van de redactie: Brabantse limericks 8 Jan Luysterburg: Het Adolphine Toneel speelt altijd in dialect

19 Ed Schilders: De varkensblaas, van slachtmaand tot vastenavond

9 Jos Swanenberg: Bij wijze van… za’k mar zegge

26 Nico van Kruisbergen: De lach van… Drik de Bruyn (Rijsbergen, 1908 - 2001) 27 Johan Boenie: Woensdrechtse woordjes Kiepe 27 Van de redactie: ‘Oprotte gij’

10 Van de redactie: Beeld-Spraak

22 Henk van Eert: Os moeder war vroedvrouw 11 Riny Boeijen: Spellekes van vruuger (4)

23 Jan Luysterburg: Vliegend Museum Seppe

12 Jan Luysterburg: Een nieuw standaardwerk: Brabantse humor

14 Junt: Sinterreklös

Brabants nummer 27 - december 2020

29 Thieu Mertens: Eegiptiesen Dèèk (winnend Brabants kerstgedicht 2019) 29 Toon Hoefnagels: Sonnet vur Sint Jòzef

13 Jos Swanenberg: Miet 14 Peer Verbruggen: Samen naar een digitale, provinciale dialectenbank. Wie wa bewaort…

28 Van de redactie: Over ‘Lachspiegelingen rond de koffiepot’ van Johan Biemans

24 Wim van Gompel: Doddie, schabbie en zwiksie; van ‘e’ naar ‘ie’


VAN DE REDACTIE

Cultuur

29 Ans van Kessel: We zó’n mî kerst… 30 Henk van Beek: Van dwers? Hillemol nie! 31 De Witte wit wir wè 31 Mientje Wever: Geschreve verzet 32 Hás Hartzeer: Och Sjannie, ge moest ’s weete...

33 Jan de Liefde: ‘t Bangeske 34 Anton van der Lee: Dialect, ge kunt ’r wel ’ns pleziér van hebbe 35 Luisterbox 35 Ad de Laat: Suja néne kieneke 35 Colofon 36 Prent van Robben

Al aan het begin van de coronacrisis kreeg Ingrid van Engelshoven, onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de kritiek dat ze te weinig geld beschikbaar stelde om de cultuursector in Nederland overeind te houden. Gezondheid en economie gingen voor. Bij de vorming van het nieuwe provinciebestuur in Noord-Brabant was de meest voorkomende klacht: er is geen cultuurportefeuille meer. Ook de meeste Brabantse gemeenten hebben het stimuleren en in stand houden van cultuur niet erg hoog in het vaandel staan. Zijn wij op weg om cultuurbarbaren te worden? Het is te hopen van niet. Gelukkig zijn er altijd wel mensen en instanties die op landelijk, provinciaal of lokaal niveau hun cultuur koesteren. Zo is ook de Stichting Brabants, uitgever van onder andere Brabants en het jaarlijkse Brabants boekske, er zeer veel aan gelegen om althans een belangrijk deel van onze cultuur, te weten de taal en het taalgebruik, te bevorderen. De medewerkers van Brabants doen daar enthousiast aan mee. Maar ook u, als abonnee, bent daarbij een factor van belang. En als we er nou eens samen in zouden slagen om het aantal abonnees uit te breiden, dan kunnen we nog beter onze gezamenlijke idealen verwezenlijken. De redactie van Brabants heeft in elk geval weer haar uiterste best gedaan om u als abonnee een aangename en tevens informatieve cultuurschotel voor te zetten. Wij geven hier enkele voorbeelden. Cor Swanenberg laat u kennismaken met Frits van Eerd, topman van het zeer Brabantse Jumbo. Tevens introduceert hij bij u Chris van Haandel en de Újese dialectgroep. Jan Luysterburg bezocht voor u het Vliegend Museum Seppe, het Adolphine Toneel (waar alleen maar in dialect wordt gespeeld) en de presentatie van Brabantse humor, het nieuwe standaardwerk van Cor Swanenberg. Ed Schilders vult op meeslepende wijze onze middenpagina’s met het onderwerp Tussen slachtmaand en vastenavend. Daarbij neemt hij de blaos onder de loep. Riny Boeijen boeit ons weer met zijn Spellekes van vruuger en, samen met Ed Schilders, met de populaire rubriek Beeld-Spraak. We hebben verrassende verhalen van Junt, Henk van Beek, Anton van der Lee en Henk van Eert. Ook bieden we u, zoals elk jaar, de winnende gedichten van de Brabantse Kerstgedichtenwedstrijd die in 2019 voor het eerst plaatsvond in Lith. De lach van … Drik de Bruyn wordt toegelicht door Nico van Kruisbergen. Wim van Gompel heeft het raadselachtig over Doddie, schabbie en zwiksie. Erfgoed Brabant doet ook een flinke duit in het zakje. Jos Swanenberg bespreekt de rol van het radioprogramma Bij wijze van ...za’k mar zegge en Miet, de klankkast, Peer Verbruggen pleit voor het provinciaal vastleggen van alle Noord-Brabantse dialecten. De redactie was aangenaam verrast door de creatieve respons van de lezers op de limerick-oproep die daarom zeker nog een vervolg gaat krijgen. En dit zijn nog slechts enkele krenten in de cultuurpap. Wij wensen u veel lees- en luistergenot. Tevens hopen we dat u op zorgenvrije en gelukkige wijze kunt genieten van de komende feestdagen en de jaarwisseling. Tot volgend jaar! Brabants nummer 27 - december 2020


COR SWANENBERG

Frits van Eerd: ‘Jumbo is zo Voor het vraaggesprek met de CEO van de Jumbo Groep Holding BV werden wij (onze fotograaf en ik) verwacht op het Veghelse hoofdkantoor. Het werd een aangenaam en geanimeerd gesprek. Godefridus Franciscus Theodorus van Eerd (Veghel, 1967) is voorzitter van de raad van bestuur en mede-eigenaar van een van de grootste Nederlandse supermarktketens. Een zakenman dus, maar ook Brabander en gevoelsmens. Hoe Brabants is Jumbo? ‘Jumbo is een typisch Brabants bedrijf. Het DNA van waaruit het bedrijf vertrokken is, moet je nooit meer willen veranderen. Je dient de Brabantse cultuur te blijven voelen. Waarom komen de mensen naar Jumbo toe? Er zijn supermarkten zat, maar bij Jumbo is het gezellig. De kleur geel straalt warmte uit. Iedereen zegt mekaar goedendag. Wij beginnen graag met koffie en een quukske. Dat wij-gevoel moet zo blijven, maar is er op veel plaatsen in ons land niet. Daarmee wil ik niet zeggen dat we soft zijn. We kunnen keihard zakendoen en willen het ook fijn hebben met elkaar. En als ik dat gevoel niet heb, heb ik geen zin in een gesprek of deal. Voor ons Brabanders de normaalste zaak van de wereld. Toch?’ Hoe sterk is dat Brabantse DNA verankerd in de familie Van Eerd? ‘De Van Eerds hebben generaties lang molens gehad in deze omgeving, onder andere in Zof­ felt en Zijtaart. Mijn overgrootvader was nog molenaar in Dinther.’ Wie is Frits van Eerd? ‘Geboren en getogen in Veghel. Na de basisschool en de middelbare school, wilde ik heel graag in het buitenland gaan studeren. Het werd de International Business School in Londen. Dat bleek veel te veel een clubje van buitenlanders in Engeland. Ik wilde opgenomen worden in de cultuur van het land en ben daarom naar Orlando in de Verenigde Staten vertrokken. Nooit meer terug naar het bekrompen en bemoeizuchtige Nederland, was mijn gedachte. Ik spiegelde me aan de vele emigranten uit Brabant, maar wilde niet in de agrarische sector terechtkomen, want voelde me handelaar

4

Brabants nummer 27 - december 2020

en ondernemer. Maar ik miste mijn vrienden: de Gouden Leeuw, de Brabantse saamhorigheid en gezelligheid en slappe klets. Daarom kwam ik terug, werd zelfstandig handelsondernemer en ging daarnaast bedrijfskunde studeren in Utrecht. Het studentenleven was geweldig, zoveel vrijheid. Ik kwam er toen eigenlijk pas achter hoe vrij we zijn in Nederland en hoe mooi en warm het is in Brabant. Mijn carrière begon in 1992 bij Van Eerd Groothandel. In 1996 werd ik general manager, samen met mijn vader Karel. Ik was van meet af aan voorstander van direct contact met de consument via de fysieke winkel en heb om die reden onze formule gewijzigd. Aansluitend hebben we in 2002 onze naam veranderd in Jumbo. (Die naam kwam van beleveringsklant Van Meurs uit Tilburg, wiens zaak mijn vader overnam.) Op mijn vijfentwintigste was ik dus klaar met mijn studie en besloot thuis de zaak in te gaan. Mijn ouders hebben bij mij ingewoond tot mijn eenendertigste. (Ik draai dat altijd om.) Ik heb zeven dagen in de week dag en nacht


Brabants als het groot is.’ Is het niet moeilijk de maatschappelijke rol te bepalen? ‘Dat is moeilijk en misschien wel het lastigste van allemaal. Ik werk vanuit de simpele basis; bouw je bedrijf rond je klanten. Wij staan als supermarkt midden in de samenleving en voelen ons daar verantwoordelijk voor. We willen goed voor de wereld zorgen. Voor de klant wordt duurzaamheid ook steeds belangrijker. Daarom zijn we ook van een duurzame boodschap. We leggen zoveel mogelijk producten in onze winkels die met respect voor mens, dier en milieu zijn gemaakt. Gezond en lekker eten moet voor iedereen bereikbaar en betaalbaar zijn. Logisch, vinden wij. Te veel verpakkingsmateriaal en voedselverspilling gaan wij actief tegen. We werken aan nu voor later. Ook willen we bijdragen aan het prettiger maken van de buurten waarin we actief zijn.’

gewerkt en wilde een huis in de bossen. Maar dat was in mijn geboorteplaats niet te vinden. Daarom werd het een huis niet ver van Veghel. In 2003 trouwde ik met Famke. We hebben drie zonen: Karel, Driek en Harry.’ ‘In 1996 introduceerde Jumbo een nieuwe supermarktformule gebaseerd op: de laagste prijs, het grootste assortiment, de beste service. Lekker en gezond is het streven. We willen dat klanten met plezier hun boodschappen bij ons doen.’ Sinds 2002 is Frits van Eerd algemeen directeur van het familiebedrijf dat steeds groter werd door overnames van Super de Boer, C1000, La Place, Emté en Agrimarkt. Jumbo is nu een van de grootste winkelketens van het land. Er zijn in Nederland ruim 680 Jumbo supermarkten. Kenmerkend voor die groei is de in 2013 gelanceerde Jumbo Foodmarkt, in 2017 gevolgd door Jumbo City (binnenstedelijke gemakswinkels). Jumbo is in 2014 gestart met een eigen webwinkel en app. Op het eind van 2020 zal Jumbo zo’n 100.000 medewerkers tellen!

Sportsponsor Jumbo als sportsponsor is een gelukkige combinatie gebleken: de zwart-gele trein in de Tour leek als eindstation de gele trui te gaan behalen. Veel dag­ successen. En de schaatsploeg mag er ook zijn… ‘Ja, de reden waarom we dit doen, heeft alles met ons DNA te maken. Ons motto is ‘samen ondernemen en winnen’. Dat komt bij ons overal in terug. Iedereen bij ons is even belangrijk. We gaan voor het beste idee. Samenwerken is openstaan voor nieuwe initiatieven. Goed luisteren naar elkaar, de hiërarchie zo plat mogelijk maken en daarna beslissingen nemen. Ondernemen is ook achter de horizon kijken. Nooit rusten op je lauweren. Ben bereid iedere dag een beetje te veranderen als dat wenselijk is. De consument verandert iedere dag en als je je bedrijf rond die consument bouwt, zul je mee moeten veranderen. En winnen… In wat we doen, willen we graag de beste zijn. Dat klinkt arrogant, maar is niet zo bedoeld. Probeer jezelf te overtreffen als mens. Voor dat winnen hebben wij de sport nodig. Winnen symboliseren wij met die sport.’ Men verwacht dat jij golft… ‘Mijn ouders zijn golffanaten die een eigen golfcourse hebben opgezet in Nistelrode, maar met die sport heb ik niks.’   Brabants nummer 27 - december 2020

5


VAN DE REDACTIE

Beeld-Spraak ’t Komt goed

In deze rubriek verzamelt de redactie humoristische afbeeldingen, korte teksten en wetenswaardigheden in en over dialecten en vreemde talen.

beelden: aakliksma (akelig persoon), ûnnoazelsma (onnozel persoon), typ­ stra (typisch persoon) en kloatstra (bijna hetzelfde als kloat: nalatig of onhandig persoon), jatstra (dief, in de Tweede Wereldoorlog ook een Fries scheldwoord voor Adolf Hitler) en knypstra (persoon die knypt, anderen afzet). Bron: www.neerlandistiek.nl Blikvanger Deze bijzondere blikvanger is te bewonderen aan de Hoogstraat in Sint-Michielsgestel. Cor Swanenberg moest twee keer kijken voor hij wist wat er stond.

‘Op onze dagelijkse fietstochten komen we soms aardige Beeld-Spraakverschijnselen tegen, zoals hier onder de rook van de Sint-Jan op de hoek Sint-Janskerkhof en Hinthamerstraat,’ zo laat Cor Swanenberg weten. Service De rechtbank in Groningen heeft een man uit Veendam veroordeeld wegens brandstichting. De man leefde in onmin met zijn ex en dacht dat de auto die hij in brand stak van haar was. Maar het was de auto van de buurman. De rechtszaak werd grotendeels in het Gronings gevoerd, omdat de verdachte alleen dialect spreekt. De officier van justitie werd bijgestaan door een justitiemedewerker die - net als een van de rechters - het Groninger dialect machtig is. Naammakersma Friese familienamen eindigen vaak op ‘a’. In de negentiende eeuw zijn zelfs nieuwe familienamen gevormd die niet helemaal etymologisch verantwoord waren. Er is echter nog iets interessanters met -sma en -stra. Die achtervoegsels hebben er een functie bij gekregen: je kunt ze achter een naamwoord plakken om een woord te vormen met de betekenis ‘persoon met een bepaalde eigenschap’. Voor-

10

Brabants nummer 27 - december 2020

de uit 1997 en was aan modernisering toe, zowel inhoudelijk als qua uitstraling.

In plaats van tekeningen werden nu foto(montage)s gebruikt. Tilburgers konden hun favoriete woord inleveren met een suggestie voor de afbeelding.

Uiteraard ontbrak houdoe niet onder de circa vijfhonderd inzendingen. Onderstaande tekening kwam van een jeugdig talent. Het kreeg helaas geen plòtje op het plengske. Vuggelkes Binnenkort verschijnt onder redactie van Peter Meininger het boek Avi-fauna Zeelandica, over de fauna van de provincie Zeeland. De vogelnamen zijn in het westelijk ZeeuwsVlaams dialect. Enkele voorbeelden van Zeeuwse vuggelkes: . Duumpje - winterkoninkje . Poepuil - steenuil . Mestpitwachtertje - witte kwikstaart . Marolle - meerkoet . Stekker, klamper – sperwer Leesplengske Op initiatief van de Stichting Tilburgse Taol, de bibliotheek en het stadsmuseum, kreeg Tilburg in 2020 een nieuw leesplengske. Het oude dateer-

Houdoe


RINY BOEIJEN

Spellekes van vruuger (4) ‘In de voorgaande drie afleveringen heb je enkel geschreven over spellekes vur jonges. Komt er ook nog iets over spellekes vur mèskes?’ vroeg een trouwe lezer van Brabants. Een terechte vraag. Aangezien ik die spelervaring mis - ik waar nou emmôl genne mèijdegèk - heb ik mijn oor te luisteren gelegd bij het andere geslacht. Een van de eerste spellekes die werd genoemd, is hinkelen. Dit spel wordt nog steeds beoefend, hoewel de hinkelbaan vroeger aanzienlijk eenvoudiger was dan tegenwoordig. Destijds bestond het parcours uit een zevental vlakken die samen - tot grote tevredenheid van de pes­ toewr - een kruis vormden. De hinkelbaan werd met een krijtje op een stoep getekend of met een stokje in het zand. De laatste variant had als voordeel dat er gen orrèns kon worre gedôn (vals gespeeld), want door de schoenafdruk in het zand was het bewijs of een speler op of buiten de lijn had gehinkeld onomstotelijk. Degene die mocht beginnen, gooide een steentje (of krijtje) in het eerste vak en begon te hinkelen. Het vak waarin het steentje lag, moest worden overgeslagen. Kwam je bij het hinkelen op of buiten de lijnen dan was je ‘af’. Het middelste vak was om even uit te rusten. Geen overbodige luxe, want op de terugweg moest - staande op één been - het steentje worden opgeraapt en bovendien over het vak gesprongen. Was het parcours zonder fouten afgelegd, dan werd het steentje in het tweede vak gegooid en mocht er verder worden gehinkeld. Belandde het steentje naast of in het verkeerde vak dan was je ‘af’. Degene die ‘het kruis’ als eerste had gerond, was de winnaar. In, spin, … Touwtje springen mag in deze aflevering natuurlijk niet ontbreken. Dit spel kon je in je eentje doen of met meer. Dat laatste was natuurlijk het leukste. Twee meisjes draaiden het springtouw terwijl een derde sprong. Als een tweede meisje wilde meespringen, gaf ze dat zingend te kennen: ‘In, spin, de bocht gaat in…’ En als een van de springers wilde stoppen, dan zong ze: ‘Uit, spuit, de bocht gaat uit…’ Degene die bij het (in- of uit-)springen het touw raakte waardoor het spel stopte, was ‘af’ en moest als boetedoening het touw draaien. Een ander typisch mèijdespelleke was koatseballe (vertaald: kaatseballen, maar dan niet volgens Van Dale die uitsluitend verwijst naar de Friese balsport kaatsen). Kaatseballen deed je met twee of drie ballen (qua grootte iets kleiner dan een tennisbal) tegen een muur of in de lucht. Meisjes die erg bedreven waren, jongleerden met vier of zelfs vijf ballen. De moeilijkheidsgraad van het spel werd verhoogd door afwisselend bovenhands en onderhands te gooien, onder je benen door of tussendoor in je handen te klappen. Maar je kon ook tijdens het kaatseballen een liedje zingen waarbij extra handelingen moesten worden uitgevoerd.

Karel 1 brak zijn been (1x hinken) Karel 2 sprong over de zee (2x springen) Karel 3 had een drieling op zijn knie (rechterknie optillen en 3x aantikken) Karel 4 dronk vier glazen bier (4x met de hand naar mond) Karel 5 sloeg zijn wijf (5x op de borst slaan) Karel 6 stampte de kurk op de fles (6x stampen) Karel 7 wachtte even (7x om je heen kijken) Karel 8 stond op wacht en schopte een steentje in de gracht (8x over de grond schoppen) Karel 9 moest zijn voeten vegen (9x voeten vegen) Karel 10 kuste juffrouw Josefien al in een  vliegmachien (10x kus op de hand). Kaajbaande Voor het laatste spelleke gaan we iets minder ver terug in de tijd. De tijd waarin er al stoepranden zijn, want hiermee wordt - samen met een bal - het gelijknamige spel gespeeld. Enkele dialectsynoniemen van stoepranden: kèntjebutse, kaajbaande, keibande en stoepbonke. Voor dit spel moet je met minstens twee personen zijn en in een straat wonen waar trottoirbanden liggen. Bij de bekendste varianten worden punten gegeven wanneer een speler met de bal de stoeprand aan de overkant van de straat raakt. Springt de bal terug, dan levert dat extra punten op en mag er nog een keer worden gegooid. Bij een tweede variant probeert de speler de overkant te bereiken door naar de terugspringende bal te rennen en die te vangen. Lukt het, dan levert dat extra punten op. Mist ze, dan mag de tegenspeelster proberen haar met de bal te raken en gaan de punten over. Stoepranden wordt nog steeds gespeeld. Niet meer op straat, maar op aangelegde speelplekken en zelfs in competitieverband. In 2019 streden meer dan 8.000 kinderen uit dertig gemeenten voor een finaleplek tijdens het Nederlands Kampioen Stoepranden in Amersfoort. De Brabantse jongens speelden ook wel eens stoepranden, maar op eigen wijze en dat duurde meestal slechts even. Zij trapten namelijk met de bal in plaats van te gooien en verdienden extra punten door een bal over een passerende auto te knallen. Tot de pliessie kwaam…  Illustratie Mathilde Artwork

Brabants nummer 27 - december 2020

11


PEER VERBRUGGEN

Samen naar een digitale, provinciale dialectenbank Wie wa bewaort … Het Brabants is een prachtig dialect. Maar eigenlijk weet ik helemaal niet of je wel kunt spreken van ‘het Brabants’. Misschien is deze variëteit juist wel het mooiste. Om de verschillende soorten ‘Brabants’ te kunnen registreren en beter te kunnen vergelijken, heeft Erfgoed Brabant samen met gebruikers van Brabant Cloud gezocht naar mogelijkheden om dialecten digitaal te ontsluiten. Het grote doel is om samen een digitale, provinciale dialectenbank op te zetten. Memorix Maior Meer dan een kwart van de Brabantse heemkundekringen maakt al gebruik van het collectieregistratiesysteem Memorix Maior. Aangezien zij zich vaak ook bezighouden met het lokale dialect lag het voor de hand om bij het digitaliseren van dialect gebruik te maken van de mogelijkheden die dit systeem biedt. Om niets over het hoofd te zien, hebben we een pilot gestart waarin we, samen met enkele heemkundigen en dialectkenners, gekeken wat er belangrijk is bij het vastleggen en het presenteren van dialectgegevens.

D'n aop vloije: het belang van uniforme metadatering Het is belangrijk dat fragmenten van verschillende instellingen op dezelfde manier worden ingevoerd. Wanneer iedereen zijn gegevens op dezelfde manier invoert, krijgen de data aan de voorkant meer betekenis. Daarbij moet het niet uitmaken of deze geregistreerd worden door een heemkundekring of museum en of het nu West- of Oost-Brabants is. Bij het werken met de pilotgroep kwamen we bijvoorbeeld verschillende spreekwoorden over apen tegen. Zowel in Woensdrecht als in Lieshout was er sprake van ‘de aap vlooien’ (respectievelijk De n'aop vlwooie. En gij meu te pwootjes vastouwe en Haj is d'n aop vloije en gaj mugt z'n startje vààsthaauwe) als spreekwoord. Toch zie je hier al verschillen. Niet alleen in het dialect (vastouwe/vààsthaauwe), maar ook in het woordgebruik (pwootjes/startje) en situatie (als antwoord op ‘Wat doe je?’/‘Waar is hij?’). Wanneer verschillende instellingen voor dezelfde trefwoorden kiezen, zijn deze twee voorbeelden eenvoudig te vinden - bijvoorbeeld op het trefwoord ‘apen’ - en met JUNT

Sinterreklös

Gedurende de pilot kwamen we er bijvoorbeeld achter dat het niet mogelijk is een uniforme metadatering te maken voor alle dialectdata. Een dialectwoord vraagt om een andere metadatering dan een dialectlied. Waar een lied of verhaal een auteur kan hebben, heeft een woord dit natuurlijk niet. Daarom hebben we voor diverse soorten dialectfragmenten aparte handleidingen gemaakt. In deze handleidingen wordt stap voor stap uitgelegd hoe je een bepaald dialectfragment vastlegt.

14

Brabants nummer 27 - december 2020

Let op! Kiek oêt!! Hawt ow hân op ow knipbeurs want ’t is wer bekant december. In de lêste mónd van ’t jaor wurd er van alle kânten geprobeerd um unnen hoeëp gêld oet ow tês te kloppen. De mat achter de veurdeur is höst nemmer te zeen van al die krântjes, folderkes en bukskes die binnen gegoid wèren. En al die krântjes, folderkes en bukskes stön vol me apperaatjes en smeerselkes en flêskes me ruuk wovan eech ’t bestaon nog gen ens ne wis. Maer wovan de winkeliers vinnen dae ’t lèven ne vêrder kan gaon as eech die neet in hoês hêb. Eech en ozze Sjang hêmmen bie ós toês alzelèven al unnen helle goeie tillefoon gehad. Die hangt bie ós aen de muur in de gânk. Dao kunnen willie alleman me bêllen en ge kunt ze goe verstaon, zêlfs al bellen willie hellemaol nao meensen in Eindhoven. Maer volleges die bukskes moet eech dien tillefoon wegsmiêten en unnen ândere koeëpen. Unne Samsung X481 prepay of unne Nokia gsm 6233. Dao zitten volleges die bukskes dan óch nog us mp3 en polyfone beltonen in! Asjeblief, dae bedoel ich maer. En as ge dae niks vindt dan kunde er óch


elkaar te vergelijken. Ook hiervoor bieden de eerdergenoemde handleidingen een uitkomst. Zij geven voor sommige velden aan uit welke termen je kunt kiezen en welke velden gebruikt kunnen worden, of juist overgeslagen mogen worden. Zo hebben we ervoor gekozen om elk dialectfragment de collectienaam Dialect mee te geven en een uniforme schrijfwijze te gebruiken bij het toekennen van trefwoorden. Op deze manier kun je gegevens eenvoudig naast elkaar leggen en met elkaar vergelijken.

Digitale, provinciale dialectenbank Hoe meer instellingen aan de slag gaan met het vastleggen van dialect, hoe meer data er beschikbaar komen. Op het moment van schrijven zijn er pas 58 fragmenten online gezet. Hier is natuurlijk nog niet veel informatie aan te ontlenen. We kunnen wel al zien dat er vier dood-

nog ’s over naodeenken of dae unne Sony Ericson Z53oi me face wrap-functie iets vur ooch is. En mende dae ge me die zeik-apperaatjes bèter of vêrderweg kunt bêllen? Zieje gêk, hellemaol ne! Allemaol flauwekul wo dae ge niks aen hêt. Gèld oet de têsklopperij! Ozze tillevisie is volleges die bukskes óch hellemaol oet d’n tiêd. ’t Moet vórt unne Philips plasma 42PF9631 me Pixel plus2 HD en Ambilight zien. Zou op dien tillevisie Bigbrodder bèter te zeen zien? Ich deenk ’t neet. Wa eech mich trouwes tiggeworig afvraog is, wurrum dae al die neej spullen in ’t Engels genuumd moeten wèren. Eech bedoel, willie wonen toch hiê in Buul. Die winkeliers die al die blaaikes in ós brievenbus goien, zullen toch wel wieëten dae er hiê in Buul gewoon Buuls gepröt wurd. Of Nederlands neturluk as er bevobbeld dêftige meensen oet Maores op bezeuk zien. Maer willie hiê in Buul, praoten toch zeker gen Engels? Now dan! Dan moeten ze in hun folders óch neet alles in ’t Engels opschriêven, want dao snapt ozze Sjang gen hout van, en eech eigeluk óch neet. Dao zien óch winkeliers hiê in Buul die mènen dae willie meensen oet Buul ne hellemaol goe wiês zien. Haje gillie dae blaaike van d’n Etos gezeen? D’n Etos is genne spulgoeëdweenkel en óch genne kluutjesweenkel. Eech

doeners online staan, en dat we zowel drie spreekwoorden hebben over armoede als over apen. Dit is natuurlijk te verklaren doordat de instellingen bij het invoeren van hun spreekwoordenboek beginnen bij de A. Wanneer er meer gegevens online komen, zullen er natuurlijk ook meer conclusies aan de data te verbinden zijn. Misschien spelen apen wel een ontzettend grote rol in Brabantse spreekwoorden of kent men in Oost-Brabant significant meer dooddoeners dan in West-Brabant.

Zelf aan de slag Ben je al deelnemer van Brabant Cloud en wil je ook aan de slag met de digitalisering van dialect? Dan vind je de handleidingen voor het vastleggen van dialect op www. brabantcloud.nl/help. Mocht je vragen hebben over het vastleggen van dialect, of meer informatie willen over Memorix Maior? Neem dan contact op met helpdesk@brabantcloud.nl. 

bedoel, ’t is toch genne kinderweenkel. Maer wa stet er in hunne folder me gröte letters geschreven? ‘De Sint shopt graag bij Etos.’ Wannen onzin! Wanne kwats! Ment dien mins van d’n Etos now wêrkeluk dae willie allemaol gêk zien? Hij zal toch zeker óch wel wieëten dae Sinterreklös ne bestet? Of zou hij ne wieëten wie Jèn Adams is? En as dien mins van d’n Etos ós dan vur de gêk wil hawwen, wurrum dan neet gewoon in ’t Buuls of Nederlands? Wurrum neet ‘Sinterklaas doet zijn boodschappen bij de Etos’. As winkeliers in ’t Engels beginnen moeie oêt gôn kiêken en op gôn passen. En toch wil eech vur ozze Sjang ’n kedootje zörgen vur ziene Sinterreklös. Eech twiefel nog of dae eech ’n paor doonkerblauw zök vur hum zal breien of dae eech bie d’n Etos ’n flêske Burberry Brit for men edt 30 ml vur € 22.99 zal gôn shoppen. Eech deenk dae ’t doonkerblauw, zelfgebreide zök wèren! Door al die Engelse woorden en door al dien gêkke praot râken de meensen de weg kwiêt in hun lèven. Maer ich geluuëf dae ze dao óch al wer apperaatjes vur hêmmen… ’t Is ongepermeteerd!

< In het dialect van Budel > Brabants nummer 27 - december 2020

15


Vrouwke ’t is vastenavond ik kom niet thuis voor ’s avonds ’s avonds in de manenschijn als vader en moeder naar bed toe zijn. Hier unne stoel en daar unne stoel Op elke stoel een kussen Vrouwke houdt oe kinnebak toe of ik gooi er inne tussen oe neus en tussen oe kin daar kan nog wel unne pannekoek in. Boven in de schouwen daar hangen de worsten aan touwen. Boven in de schoorsteen daar hangen de worsten met lange been. Snij mar diep, snij mar diep, mar ene vinger diep. Ik heb gezongen en niks gehad gif me ’n stuk van ’t vèrreke z’n gat. Rommelerij, rommelerij, gif me unne cent dan ga’k voorbij, gif me unnen appel of ’n peer dan kom ik ’t hele jaar nie meer.

18

Brabants nummer 27 - december 2020


Ed Schilders

De varkensblaas, van slachtmaand tot vastenavond Het hiernaast afgebeelde vriendelijke vastenavondzangertje dat zichzelf begeleidt op een rommelpot, is een met potlood en krijt op perkament getekende prent uit 1637, vervaardigd door een zekere Anna van N.H. Ik heb daar de tekst van een in Brabant populair vastenavondliedje aan toegevoegd, dat de jeugd tot in de tweede helft van de twintigste eeuw nog heeft gezongen als ze op vastenavond van deur tot deur trok en met dit bedelliedje om een cent vroeg, en als dat te veel was gevraagd: om een appel of een peer. Wie een rommel- of foekepot wilde maken, had een varkensblaas nodig, en daarin kon worden voorzien tijdens de varkensslacht aan huis, meestal in slachtmaand november.

De afbeelding hierboven is een detail uit een schilderij van Jan Victors uit 1678. Dergelijke genrestukken zijn vaak een soort collage van samenhangende elementen. Hier zien we links de huisvrouw die de slachter (met een bijl in de hand) een glas bier schenkt als extra beloning voor zijn werk. Op de voorgrond zien we één helft van het ‘afgekapte’ varken. Het is al van de ladder gehaald die in de achtergrond staat. Rechts heeft Victors twee kinderen afgebeeld, waarvan de jongen de varkensblaas opblaast. Bernard van Dam schrijft daarover in Oud-Brabants Dorpsleven: ‘[De blaas werd] door middel van een pijpensteel strak opgeblazen en daarna in de schouw gehangen en gedroogd om met Vastenavond dienst te kunnen doen op de rommelpotten.’ Het gat kussen De varkensblaas was slachtafval dat vooral door de, bij de slacht aanwezige, jeugd werd begeerd. In Herinneringen aan de varkensslacht (www.cubra.nl) schrijft Harrie de Rooij: ‘Het was vast gebruik om de jongste kinderen uit te dagen wie als eerste het gat van het geslachte varken durfde te kussen en dan als beloning de eigenaar van de blaas te worden. De grootste durfal klom dan aan de achterkant van de ladder omhoog om bij het bewuste

onderdeel te komen en dit dan te kussen.’ Mieke Hendriks-van Oorschot herinnert zich de slacht van het varken van haar opa, ‘rond de bevrijding van Vught’. Bij opa woonde ook een neef in: ‘Die was er rap bij, en kuste vlug de kont van het varken, en kreeg de blaas. Tot op de dag van vandaag vind ik dit nog oneerlijk, want het varken was van ons!’ Zo gemakkelijk werd de overwinning echter niet altijd behaald. De werkelijke toedracht is wat onduidelijk, maar meerdere bronnen bevestigen dat er ook huisslachters waren die voor de jongelui een verrassing in petto hadden. Doruske, pseudoniem van Theo van Doorn, vertelt in zijn herinneringen aan zijn jeugd in Mill hoe de slachter hem aanspoorde om ‘de kont’ te kussen. Vorig jaar had zijn oudere broer de blaas bemachtigd. Moeder kwam echter meteen tussenbeide: ‘Daar komt niets van in, slager. Ik ben niet van plan hem daarna helemaal te wassen en verschonen.’ En broer Harri moet bekennen: ‘Het vorig jaar ben ik er ingestonken. Toen ik kuste, viel de slager met zijn knie op de buik van het varken en ik zat vanonder tot boven vol; de meiden hebben me met emmers water uit de regenput schoon gespoeld.’ Dat dit geen incident was, mogen we afleiden uit een berijmde tekst van Hás van de Zande: Brabants nummer 27 - december 2020

19


VAN DE REDACTIE

Over ‘Lachspiegelingen rond de koffiepot’ van Johan Biemans Op zijn 87e verjaardag verscheen er al weer een boek van Johan Biemans uit Bergeijk. Deze ‘verhalenprofessor’ een predicaat dat hij opgeplakt kreeg van Erfgoed Brabant – weet voorlopig van geen ophouden, en waarom zou hij ook! Dat de verhaaltjes met plezier geschreven zijn, is overduidelijk. Het zijn bovendien hoogst interessante stukjes in fraai B’rgaaiks die met humor en taalgevoel zijn samengesteld. De ondertitel van het boek luidt: vertelsels voor Omroep Brabant en lokale/regionale omroepen. De teksten zijn dus ook allemaal ingesproken door de auteur en uitgezonden binnen de provinciegrenzen. Johan is een van de pioniers van dialectvertolking op Omroep Brabant. Hij was bij de provinciale radio de opvolger van Thieu Sijbers en de voorloper van Willem Iven en Ad Dams in de succesvolle rubriek Bij wijze van spreken. Biemans verzorgde honderdvijftig uitzendingen voor den Brabantsen draadloze. Deze bijdragen uit de periode 1977 – 1980 waren nog verhalen die enkele minuten mochten duren. Ze werden gebundeld in de delen II en III Over bij wijze van spréke gesproken. (Deel I was verzorgd door Thieu Sijbers.) ‘Jammer dat het populaire programma door Omroep Brabant in 2005 werd wegbezuinigd’ lezen we. (…) ‘De hoofdredactie bij Omroep Brabant heeft in het najaar van 2005 veel trouwe luisteraars – na 28 jaar Bij wijze van spréke – teleurgesteld, toen dit veel beluisterde programma als een bliksem bij heldere hemel uit de ether geschoten werd. Maar onze redactie van zes ging niet bij de pakken neerzitten.’ Verderop in het boek wordt de kritiek op de provinciale radio vervolgd: ‘Voor de ontelbare fijnproevers van onze Brabantse dialecten was 2012 een rampjaar. Om maar ergens mee te beginnen… Wij, als redactie van Bij wijze van spréke, kregen van Omroep Brabant te horen dat het gedaan moest zijn met die prietpraat.’ Het meest Brabantse radioprogramma werd zomaar de nek omgedraaid. Maar ‘we lieten ons niet kisten’, schrijft de bejaarde jongeling strijdvaardig en vertelt dat Piet Pels zorgde voor opvolging door alle lokale omroepen te benaderen. In 2013 ging het programma Bij wijze van za’k mar zegge van start dat in 2020 nog altijd te beluisteren is. Vijftien omroepen verlenen trouw hun medewerking en ‘dat geeft gevoel van waardering voor allen die zich belangeloos Brabantbreed inzetten voor ons muzikaal gesproken erfgoed.’ Johan neemt geen blad voor de mond in zijn kritiek op Omroep Brabant. Het nieuwe boek bestaat uit drie bedrijven en beslaat ruim 170 pagina’s. De introducties van de drie hoofd-

28

Brabants nummer 27 - december 2020

stukken die de historie van het ontstaan van zijn verhalen beschrijft, is steeds in het Nederlands gesteld. Daarna volgen telkens tientallen oer-Brabantse verhalen: veertig Bergeijkse kwartierkes worden opgevolgd door bijna veertig bijdragen aan Bij wijze van spréke en ruim vijftig bijdragen aan Bij wijze van za’k mar zegge. Dit is een bundel om meermaals ter hand te nemen. Hij biedt veel lering en verstrooiing. Wanneer men dit werk kan lezen zonder te lachen, is het raadzaam de huisarts te raadplegen. De schrijver zelf noemt zijn nieuwe boek een document van ongerept Brabants dialect en als zodanig is het zeker een belangrijke bijdrage aan Brabants rijke cultuur. Lachspiegelingen rond de koffiepot is een uitgave in eigen beheer (Apicultor).  ISBN 978-90-811269-6-0 Info: www.johanbiemans.nl


THIEU MERTENS

EEGIPTIESEN DÈÈK

snaags moes blèève pitte; lulde over ‘de voorplanting van de meikever’ as ik smèèreges bè ’tonbèèt aon d’r tòffel mocht gaon zitte.

Of ik er ’n gedicht wô schrèève. ’t nuuwe jaor komteral wîr aon. Tis nie dek dè nie wil mar ik zèè nog te begaon meej de gedaagte dè de moeder van m’n lief niemer bè de stal zal staon.

Vleej week wast: ‘doe mar zôoas ge denkt det goed is jonge.’ Wè moete we meej durre kerststal? Dè plotje van d’r aauw hèùs. Maag dè vurtaon bè men gòn staon? Zôo dek avventoe rond Kerst maag kèèke hoeget afgelôope jaor d’r dochter is vergaon

Zisser assetwaore zelf in geboore, moeders bedstee laag zôwè d’r nòst. Teegesworreg zodder nie in paasse swelsdè zij zon honderd jaor geleeje daor op d’n Eegiptiesen Dèèk bè Haopert d’r leeve in d’r lèfke kreeg gevreeje. Ze heejter tien jaor over gedaon vur desse men zaag zitte. Ik waar ôk zonne maf die

< In het dialect van Tilburg > Winnend gedicht Brabantse Kerstgedichtenwedstrijd 2019

TOON HOEFNAGELS

ANS VAN KESSEL

SONNET VUR SINT JÒZEF

WE ZÓ’N MÎ KERST…

Stil en bildig stit-ie daor te kiejke Want veul anders kan ie toch ôk nie Zin gedachten lijken wel versteend Mar hij vuult jeuk, as ie ’t Kiendje zie Z’n traone hawt ie moedig binnen Nie zô moeiluk mi die gipse kop Z’n herses vörmen zachtjes zinnen En hij denkt dur, ’t hawt nie op Noit hit’ie ne spijker schif geslâge Noit ’n streep te kort gezaagd Altijd wô-t-ie iedereen behage Mar hij wis zeker, ongevraogd, Want hij vuulde in zin gips-cement: ‘’t Zijn de riggels van ’t Testament’

Veul te vaak wùrdt ’r gezit dè’t nie zó’n vaart zal loope mar we zien en heure daag’lijks wir, dè mènse die op drift zen ’t mî d’n dóód moete bekoope terwijl ze al wééke van te vurre van hullie laotste cènte bé smokkelaars de vrijheid hê’n gekocht en nao ’n bange oovertocht, de zee mar amper ooverlééft, ès herringe op mekaar gepropt tusse wâ vlis en brokke ijs ’t laotste stukske van de reis gaon maake zoo, mî z’n alle ingeblikt, gin lucht gin licht, op klaoren dag, gelijk gestikt. We zó’n mî kerst aon de verlosser kunne vraoge of hij ’r vur wil zùrge dètter ruimte wùrdt gemakt dè ôrlog enkel nog ’n woord zal zen van wijd trug in d’n tijd zódè we vrede kunne viere zónder angst heel stemmig zinge en stillekes verzuchte, wanneer kùmt oit dè mooi moment dè gin mèns mer hoeft te vluchte. 

< In het dialect van Asten > Tweede prijs Brabantse Kerstgedichtenwedstrijd 2019 Anoniem, Aanbidding der Herders, rond 1650, Westfries Museum

< In het dialect van Vorstenbosch > Derde prijs Brabantse Kerstgedichtenwedstrijd 2019

Brabants nummer 27 - december 2020

29


ANTON VAN DER LEE

Dialect, ge kunt ’r wel ’ns pleziér van hebbe Es ge vier Braobanders bij mekaare zet meej eênen Hollaander d’rbij, dan zulle die vier minstes prebeere om Neederlaands te praote, al ies’t meej moeite. Doe-de dèzelfde meej vier Limbùrgers, dan gòn die aachter mekaare Limbùrgs kalle. Toen ik in zeuvenenvèftig ès rekruut bij de Limbùrgse Jaogers op ’n kaomer terèèchte kwaam meej dertig Limbùrgers en twee Braobanders – waorvan de twidde òk nog nò drie weeke afgekeurd wier - kon ik oftewel m’ne mond haauwe of mi gang Limbùrgs leêre. D’n eêrsten dag den beste was ’t al raok: ‘Heej, jung, heb-se schwèègele?’ ‘Pardon??’ ‘Heb-se gein schwèègele?’ Ik nie te beroerd: ‘Zeg dèt ies in blokletters.’ Antwoord: ‘Lucifers.’ ‘Oh,’ zeg ik, ‘die kan ik oe veul laote zién, mer gin schwèègele.’ ’t Ies al heêl wè jaore geleeje dè ’ne vriend ùt Rósmaole me ’t verhaol vertelde, hoe dè-se daor Hollaanders meej d’r oôre konne laote klappere dur saome expres volslaoge onbegrèèpelijk Rósmolles dialect te gòn praote. Ze ginge dan meej ’n man of drie-vier die daor goéd in waare ’t hebbe oover ‘merketuuters vange’. Nou bestòn die beêstjes himmaol nie, mer wit zo’nen Hollaander veul. Ze ginge mekaare dan goeie raod geeve, hoe dè-ge de beste rizzultaote kont boeke. Eêrst waar netuurlijk al de vraog waor ge ze moest gòn zuúke en dèt alleên al was ’n heêl opgaove. Mer wè zu-de dèènke van: op locht gescheld stoppellaand en dan liefst nog tèène de voor? Dè waar nou immaol d’r vurkeursplekske. Al wies-te waor ze zaate, dan hadde ze nog zoo mer nie te pakke. D’n eêne vond dè ge ze onder ’n stùlpmaand moest zien te krèège, mer d’n aandere ha beeter ervaoringe meej ’ne schaamppaol waor-tie ze meej aachter d’r oôre sloég en d’n derde wies nóg iets beeters: ge kont ze totaol verraase dur ’n hòrgetaauw nor d’ren tiest te mietere, want daor konne ze mer slèècht teege. En es ge wijs waart dan spande-ge òk nog ’n reêllent om ze overheene te laote stùlpere. Lekker waare ze in ieder geval wél, want eên van de vangers ha-t’r z’n èège ’n schof geleeje nog ongaans òn gegeete. Den Hollaander ston ’r te lange leste net zoo weezeloôs bij te kèèke es ’n verreke dè in ’t stroôi stò te piese en aachteraaf wier d’r netuurlijk nog veul om gelaache. Dan hedde plezier van en om oew dialect.

34

Brabants nummer 27 - december 2020

In de jaore zeuventig en begien taggetig waare we iedere zaoterdag meej ’n man of twintig beezig meej ’n opgraoving in Westelbeers. Dè heej twaolef jaor geduurd, want alles gebeurde heêl secuur meej ’n trèùfeltje en dòrnao moes al ’t zaand nog dur ’n fèèn zeef. ’t Waar èègelijk de irste volleedig gekompjoeteriseerde opgraving van Neederlaand: vur ieder steêntje dè we vonde moes-te tachtig sèèfers op ’ne lijst invulle om alle gegeeves d’rvan vaast te legge en die wiere dan laoter meej ponskaorte in ’ne kompjoeter gestopt. ’t Vergde zoveul van de amateurs dè de miste ’t mer ’n enkeld jaor volhieve, mer dan kwaame d’r aaltij wel wir aander gekke vur in de plòts. Zelf was ik eên van de vier die hil de opgraoving hee meej­ gedaon, mer jao, ’t ies krek wè d’n beroemde prefesser Jules Bogaers oôt zeej: ‘Het is niet noodzakelijk dat een archeoloog gek is, maar áls hij het is dan heeft hij daar gemak van!’ Ùtèèndelijk, nao zesendertigduuzend vondste en drie publikaosies hebbe we ’r de panne op gegoôid en ies de groep opgeheeve. Eên van de trouwste graovers van ammaol was Mitzi, ’n jong medje van zoo mer ’ne klomp groôt, meej aaltij goeie zin en waor iedereên veul meej op ha. ’t Waar ooveriges ’n echt haffelkatje: ze deej niks liever es stoeie meej de jonges, waoronder ’n heêl stel middelbaore schooliere. Dè waar alleên mer speulsighèd, daor zùrgde d’n opgraovingsleider Jan Groels wel veur, want die ha-t’r bij die jongelui goéd de wend onder. Eêne keêr drèègden ’t toch wè fout te loôpe, toen dè jong manneke ùt Walloonië nòr de opgraoving kwaam kèèke. Hij wier alsmer vrijposteger en Mitzi begon ’r ’nen gruweleken heekel òn te krèège, mer ze ha jammer genòg gin Fraans in d’r pakket en dòrrom wies ze nie hoe dè-se van ’m aaf moes zien te koome. Ze kwaam bij mèn om raod vraoge. Hoe gifde zò`n medje in noôd dan ’ne spoedcursus Fraans? Nou, dan hedde tóch wir plezier van oew dialect. Ik zeg: ‘Ge roept mer ’ns goéd vals teegen ’m: ‘Vat aon!’ Dè beteêkent in ’t Fraans nie wè gij denkt, mer presiés ’t teegegestelde: ‘Flikker op!’ (Va t’en!). En ’t werkte meraokels goéd: hij taaide meteên aaf.  < In het dialect van Loon op Zand >


Luisterbox Brabants 27

Colofon: Brabants, jaargang 7, nummer 3, december 2020 Brabants verschijnt vier keer per jaar; in juni, september, december en maart Redactie: Riny Boeijen, Jan Luysterburg (hoofdredacteur), Ed Schilders, Cor Swanenberg, Jos Swanenberg Redactiesecretariaat: Cor Swanenberg, Milrooijseweg 109, 5258 KG Berlicum, tel. 073-5031879

De volgende door de auteurs ingesproken teksten zijn te beluisteren op de website: Frits van Eerd: De mooiste Brabantse woorden (Veghel) 2.06 Thieu Mertens: Eegiptiesen Dèèk (Tilburg) 1.26 Toon Hoefnagels: Sonnet vur Sint Jòzef (Asten) 0.55 Ans van Kessel: We zó’n mî kerst… (Vorstenbosch) 1.28 De geluidsopnamen zijn gemaakt door Frans van den Bogaard en geredigeerd door Cor Swanenberg. De luisterbox is te vinden op de audiopagina van www.stichtingbrabants.nl en op www.cubra.nl/brabants/Brabants_Audio.htm 

AD DE LAAT

SUJA NÉNE KIENEKE Suja néne kieneke, kiendje in de stal, ès ge skreuwt dan weet ik nie, wè ’k vur oew haole zal. ’m Burdje pap, of chocomel, misschien ’nen botteram. Stil nou mar, ik vroog ’t wèl, dan mag dè van ons mam. Suja néne kieneke, kiendje in ’t stroi, ge bibbert zo, is ’t van de kaauw? Dan is dè nie zo mooi. Ge kregt m’n muts en ok ’nen das en bove in de kaast, door lì nog wèl ’nen dikke jas. Ik hoop mar dè-t-ie paast. Suja néne kieneke, kiendje in de naacht, ik breng m’n èige liedje mee, dè hadde nie gedaacht. ’t Is nie veul, dè weet ik wèl, mar ès ik groot zal zen, dan vroogt mar noit òn niemes niks. Dan kred ’t wèl van men. < In het dialect van Nistelrode >

Aan dit nummer werkten mee: Henk van Beek, Johan Boenie, Nelleke Castellijns, Frits van Eerd, Henk van Eert, Jo van den Eijnden, Jacques van Gerven, Wim van Gompel, Nillus Gurtjes, Hás Hartzeer, Chris van der Heijden, Bert van Hezik, Toon Hoefnagels, Henk Janssen, Junt, Ans van Kessel, Nico van Kruisbergen, Anton van der Lee, Jan de Liefde, Thieu Mertens, Quirijn Stok, Marja van Trier, Peer Verbruggen, Mrinus de Witte en Hás van de Zande. Foto omslag: Henk Janssen. Tenzij anders vermeld zijn de foto’s in dit blad van Henk Janssen. Vormgeving: Meyer Grafische Vormgeving – Asten (www.meyergrafischevormgeving.nl) Druk: Grafisch Atelier Blaricum – Blaricum (www.drukkerijblaricum.nl) Uitgever: Stichting Brabants, Missiezusterslaan 51, 5405 NL Uden, tel. 06-51158839. KvK-nummer 60585412. RSIN 8539.72.199. ISSN 1572 – 1612. Bankrekening ABN-AMRO IBAN: NL73 ABNA 0545 3581 75 (BIC Code: ABNANL2A) Website: www.stichtingbrabants.nl E-mailadressen: Algemeen: info@stichtingbrabants.nl Redactie: redactie@stichtingbrabants.nl Abonnementen: Bestellingen, opgave en mutatie van jaarabonnementen uitsluitend via de uitgever, stichting Brabants. Een jaarabonnement kost € 24,50. Losse nummers € 8,95 inclusief portokosten in Nederland. Voor abonnementen in het buitenland wordt de prijs van het jaarabonnement verhoogd met de van toepassing zijnde verzendkosten. Voor het buitenland is Brabants evenwel ook in pdfbestand verkrijgbaar. De prent op de achterzijde is van Cees Robben. Dank aan de Cees Robben Stichting. Brabants nummer 27 - december 2020

35

Profile for Brabants Magazine

Brabants magazine nr. 27  

Een kwartaalblad over Brabanders en hun taal

Brabants magazine nr. 27  

Een kwartaalblad over Brabanders en hun taal

Advertisement