__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

Brabants Jaargang 7, nummer 1, juni 2020

Kwartaalblad over Brabanders en hun taal

Patrick Timmermans, man van verhalen Willem Ivenprijs voor Jacques van Gerven Vlasserij- & Suikermuseum Mooier dan Rome: Bakel


11 Jacques van Gerven: Boerezwaluwe

3 Van de redactie

12 Riny Boeijen: Spellekes van vruuger (2)

21 Van de redactie: Nieuw boek Jan Luysterburg

Jan Luysterburg (1944) spant zich al meer dan 25 jaar in om dialecten vast te leggen en te promoten. Hij heeft de leiding over de werkgroep Dialecten van

‘T KOM D’AMMEL GOED

Brabants nummer 25 Inhoud

Heemkundekring Het Zuidkwartier. Daarnaast is hij al vanaf het begin hoofdredacteur van het

tijdschrift Brabants. Samen met Cor Swanenberg

voert hij sedert 2013 de redactie over het Brabants

boekske. Sedert enkele jaren is hij medeorganisator van het West-Brabants Dialectcafé. Hij doet zijn

6 Jan Luysterburg: Anton van Duinkerken wordt in ere gehouden 8 Jan Luysterburg: Gastvrij, interessant en leerzaam Nationaal Vlasserij- & Suikermuseum

door Jan Luysterburg

uiterste best om ook het westelijk deel van onze

13 Johan Boenie: Woensdrechtse woordjes Aope n’en uile 14 Wim van Gompel: Vooropplaatsing van de ‘n’

provincie enthousiast te krijgen voor allerlei dialectevenementen. Hij heeft bovendien o.a. een veelgelezen column in de Halsterse Krant & de Zuidwestkrant.

door Jan Luysterburg

4 Cor Swanenberg: Eeuwig op zoek naar verhalen, altijd spelend met taal

’ t Kom d ’ammel goed

15 Van de redactie: Beeld-Spraak

22 Ingezonden: Martien van den Boom: Herinneringen án de Ruuwenbèrg

16 Ed Schilders: Mooier dan Rome: Bakel

23 Van de redactie: ’t fist van nijntje

18 Piet Heerkens: De Bakelse mol en andere verhalen uit vervlogen tijden over de domheid van de inwoners van Bakel

24 Nico van Kruisbergen: Al veertig jaar ’t Boekels Kwartierke

25 Johan Bax: Mevrauw Snoef 10 Van de redactie: Jacques van Gerven wint de Willem Ivenprijs 2020

20 Hennie de Groot: D’n Dikke Bòtterham 20 Marja van Trier: Ik zit in m’n aachterwèèrk 21 Van de redactie: Brabants Dialectenfestival 2020 gaat niet door

25 Van de redactie: Dialect in een kinderboek 26 Hás van de Zande: Boomen over beum

Brabants nummer 25 - juni 2020


VAN DE REDACTIE

Troost

26 Marian Verberkt: Zestig en ègewies 27 Jos Heijmans: Junkskes van virtien 28 Jos Swanenberg: Nico Sprenger de Rover Oude aantekeningen over dialect 31 Junt: Smokkel 32 Ben van Dam en Nard Jansen: Brabants Dorpsleven: ruim 3.000 pagina’s cul­­­tureel erfgoed 33 De Witte wit wir wè 34 Henk Janssen: Van Jan van Rijthoven naar Cees Robben 34 Zo kunt u het abonnement betalen 34 Ties Verhoeven: Wè motte aanders! 35 Luisterbox

35 Johan Biemans: Dement? Dä mènde nie ? 35 Colofon 36 Prent van Robben!

Sinds enkele maanden is de wereld in de greep van het coronavirus. Als dit nieuwe nummer van Brabants bij u op de mat valt, zal in deze situatie waarschijnlijk nog niet veel zijn gewijzigd. We realiseren ons dat het abonneebestand van Brabants voor een groot deel onder de zogenoemde risicogroep valt. Dat betekent dat onderlinge contacten met familie, vrienden en andere geliefden niet verloopt zoals u dat gewend was. Daarom hopen we dat Brabants op een prettige manier voor enkele momenten van noodzakelijke afleiding kan zorgen en een ‘troostblad’ kan zijn. Daar hebben we in elk geval allemaal ons uiterste best voor gedaan. Ooit overheersten vlas en suikerbieten in het kleigebied van West-Brabant. De afspiegeling daarvan kan men nog bewonderen in het gastvrije Nationaal Vlasserij- & Suikermuseum in Klundert. Jacques van Gerven werd bekroond met de Willem Ivenprijs tijdens de presentatie van ’t Brabants boekske in Lith. Ed Schilders bespreekt de humoristische traditie over de vermeende domheid van het dorpje Bakel, en relativeert een en ander. Ter illustratie koos hij vier van de ‘Bakelse gedichten’ van pater Piet Heerkens. Anton van Duinkerken en Bernard van Dam verdienen blijvende waardering en krijgen die ook postuum. Op veelvuldig verzoek heeft Spellekes van vruuger een vervolg gekregen. Het blijkt nog steeds mogelijk: een kinderverhaal in een Brabants dialect. Heemkundekring De Vlasselt realiseerde het. Ook ’t fist van nijntje verscheen, de Brabantse versie van het kinderboekje van Dick Bruna. Maar corona speelde ons wel parten. Vanwege de rondwarende besmettelijke ziekte moest Cor Swanenberg zijn interview met Patrick Timmermans vanaf anderhalve meter realiseren. (Daarvan is (hopelijk) niets te merken.) Het is triest dat in sommige opzichten ons ook de bekroning wordt afgepakt door de pandemie. Zo is het veertiende Brabants Dialectenfestival in Lieshout in juni 2020, waarover we uitgebreid wilden berichten, komen te vervallen. Het is het belangrijkste en grootste evenement voor het Brabantse dialect. Nu wordt het een jaar opgeschoven. Over de bijbehorende Schrijfwedstrijd wordt nog nagedacht. Dat veel Brabanders zich gepassioneerd bezighouden met dialect blijkt wel uit de drieëntwintig ijzersterke kandidaten die zijn voorgedragen voor de provinciale Zachte G-prijs. De uitreiking hiervan is eveneens voor onbepaalde tijd uitgesteld. Het gemis van deze ongekroonde hoogtepunten maken we goed met mooie verhalen en gedichten, onze vaste rubrieken Beeld-Spraak, De Witte wit wir wè, Woensdrechtse woordjes en Hás van de Zande, onze muziekrubriek met ’t Boekels Kwartierke en wetenschappelijke artikelen van Wim van Gompel en Jos Swanenberg. Op verzoek van de Stichting Brabants attenderen wij u er ten slotte op dat het abonnementsjaar van Brabants loopt van 1 juni tot en met 31 mei. Wij verzoeken u dan ook vriendelijk de kosten van uw jaarabonnement zo spoedig mogelijk over te maken. Wij danken u bij voorbaat, want u begrijpt dat zonder uw financiële steun het verschijnen van Brabants onmogelijk wordt. Wij wensen u alle goeds! Brabants nummer 25 - juni 2020


COR SWANENBERG

Eeuwig op zoek naar verhalen, altijd spelend met taal Patrick Timmermans (’s-Hertogenbosch, 1964) is historicus en directeur van Erfgoed Brabant. Hij werd in de Bossche wijk ’t Zand geboren, gedoopt in de Sint-Leonarduskerk en verhuisde al jong naar de Slagen in Den Bosch-Noord. Na de lagere school ging hij naar het Jeroen Bosch College, gymnasium A, waar hij onder meer les kreeg van classicus en filosoof Cornelis Verhoeven. Een gouden tijd, noemt hij dat achteraf. Patrick overwoog klassieke talen te gaan studeren, maar het werd geschiedenis aan de universiteit van Utrecht (met de bijvakken filosofie en bouwkunst.) Later studeerde hij nog restauratiekunde in Delft. Timmermans is getrouwd met Monique Giesselink en heeft drie zonen: Emil, Guus en Sjors. In zijn werk legt hij de nadruk op de regionale identiteit. ‘Wij kennen mekaar nog!’ Hij wil een verbinding leggen tussen verzamelingen en de gemeenschappen. ‘De spullen die ons nagelaten zijn en die we erfgoed noemen, en de verhalen die dat erfgoed in zich draagt, zijn belangrijk. Leg de verhalen van de mensen van toen en de mensen van nu vast, stimuleer de vele Brabanders die zich bekommeren om het in stand houden en doorgeven van dat erfgoed. Het ondersteunen van erfgoedwerkers en de waardering van erfgoed bij het brede publiek zijn mijn hoofdtaken. Niet de stenen, maar de mensen, daar gaat het om. En dat gaat goed; weet je dat er op een gemiddelde zaterdag in Brabant meer mensen met erfgoed bezig zijn dan er leden van de KNVB op de voetbalvelden staan!?’ Loopbaan Op onze vraag hoe Brabants hij eigenlijk is, begint zijn Bossche bloed sneller te stromen. Zijn spraakzaamheid en humor laten zijn Brabantse inborst stralen. ‘Ik ben door en door Bosch en zit niet om woorden verlegen.’ In de waterval van woorden passeren tal van Bossche taferelen de revue. Patrick bleef zelfs in zijn studententijd in Den Bosch wonen. Hij vertelt over zijn werk ‘met de handjes’ bij de Praxis, over zijn scriptie over de Bouwloods van de Sint-Jan in de negentiende eeuw die hij mede dankzij Monique tot een goed einde bracht, over het bomen in rondvaartbootjes op de Dieze. Over zijn werk bij het Centraal Medisch Archief van het Gròòt (het Groot Ziekengasthuis) via een uitzendbureau, over zijn rubriekjes in

4

Brabants nummer 25 - juni 2020

het weekblad de Bossche Omroep… Allemaal om vooral te illustreren dat hij ondanks twijfel altijd Bosschenaar in hart en nieren is gebleven, al woont hij sinds jaren in Sint-Michielsgestel. In 1994 begon hij aan de Parade bij de BRG (stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening) als medewerker redactie (onder meer voor het tijdschrift Brabants Heem, het Noordbrabants Historisch Nieuwsblad en de reeks Brabantse Biografieën). Dat was mede te danken aan zijn contact met Jan van Oudheusden die vroeger een jaar zijn leraar geschiedenis is geweest. Patrick was in 1994 ook nauw betrokken bij de vijftigjarige bevrijdingsherdenking met evenementen, publicaties en een reizende tentoonstelling. Arnoud-Jan Bijsterveld en Gerard Rooijakkers zaten met hem in de redactie van het Noordbrabants Historisch Nieuwsblad. ‘En dit jaar hebben we 75 jaar bevrijdingsherdenking; ik ben dus al een kwart eeuw actief in het Brabantse erfgoedveld!’ In 2008 kwam hij bij de provincie in dienst als beleidsmedewerker en in 2011 volgde hij Jules Verschuuren op als directeur van Erfgoed Brabant dat uit de fusie van de stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, de Brabantse Museumstichting en Stichting het Brabants in 2009 ontstaan was. Bekend In de afgelopen 25 jaar werkte hij als redacteur en presentator mee aan regionale televisieproducties als De Wandeling, Spoorzoeker, Brabant 900, Brabants Landgoed, Goud van Brabant en Brabantse Helden, een serie over historische Brabanders die elders in de wereld groot zijn geworden. ‘Sommige Brabanders zijn in den vreemde heel beroemd geworden, maar in Brabant niet of nauwelijks meer gekend.’ Timmermans plaatst deze bijzondere Brabanders alsnog op een voetstuk. ‘Biografieën bieden vaak prachtige verhalen, hoewel niet altijd even heldhaftig. Maar dat maakt de mensen nog meer mensen van vlees en bloed.’ De radiorubriek De Kalender van Ooit op Omroep Brabant, waarin hij vertelt over bijzondere gebeurtenissen uit de Brabantse geschiedenis gekoppeld aan een specifieke datum, nadert zijn 366ste en laatste aflevering. ‘Zeven jaar


de zachte g. Maar er zijn ook mensen die zich schamen voor hun Brabantse accent, omdat ze de zachte g als minderwaardig beschouwen. Wij moeten juist gruts gaan op ons Brabants. Maar de dialectbeoefening moet geen pakhuis van de geschiedenis worden; we moeten wel blijven spelen met taal. Bij Erfgoed Brabant noemen we onze programma’s niet voor niets wel eens Café met de Zachte G of Theater met de Zachte G. Een van Brabants meest succesvolle zangers noemt zijn reeks concerten Groots met een zachte G. Wij hebben J.W. Roy, Björn van der Doelen en Frans van der Meer al eens uitgenodigd om op te treden in ons Theater met de Zachte G. Dialecten zijn een belangrijk deel van erfgoed. Peer Verbruggen en Jos Swanenberg, mijn collega's bij Erfgoed Brabant, zijn nu bezig met geluidsopnamen om Brabants dialect ook op digitale wijze toegankelijk te maken. En jonge singer-songwriters zouden worden uitgedaagd om nieuwe Brabantse liedjes te schrijven met minimaal één zachte g, totdat het coronavirus ook dat tegenhield.’

werk, meer dan 24 uur radio, eind mei 2020 stop ik ermee.’ Erfgoed Brabant is het kennis- en expertisecentrum voor erfgoed in Noord-Brabant. Erfgoed Brabant ondersteunt en verbindt erfgoedgemeenschappen met het onderwijs en met beleidsmakers in het verkennen, behouden en doorgeven van het veelzijdige verhaal van Brabant. En maakt dat verhaal vervolgens ook bekend bij het brede publiek. Patrick gelooft in de Brabantse regio: ‘De regio is groot genoeg (De Wandeling bereikte bijvoorbeeld zo’n drietot vierhonderdduizend kijkers) en klein genoeg (de mensen kennen mekaar nog). Regio is trouwens een anagram van groei.’ Timmermans is graag met taal bezig. Wat doet Erfgoed Brabant voor de Brabantse dialecten? ‘Daarvoor hebben we onder meer de Zachte-G Prijs, de streektaalprijs van Noord-Brabant. Die zou uitgereikt worden in maart, maar helaas heeft corona dat geblokkeerd. Het meest opvallende kenmerk van de Brabantse taal is

Wat is tot nu toe je mooiste project geweest? ‘Evenementen als de Drie Historische Dagen in 1996 waren mooi en enerverend en het maken van boeken, tentoonstellingen en televisie is prachtig, maar het werken met mensen is natuurlijk het allermooiste. Voor mijzelf staat Spoorzoeker bovenaan. ‘History as it happens! Lóón onder ’t Zand!’ De serie Spoorzoeker dateert uit 2003 en 2004. Het was een prachtige coproductie van Erfgoedhuis Noord-Brabant, de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek en Omroep Brabant TV die resulteerde in interessante films over Brabants verleden. Tot slot wilden we graag weten wat de tien favoriete Brabantse woorden van Patrick zijn. Hij gaf een vlotte opsomming met uitleg die ook op de luisterbox te volgen is. Buurte, vruuger, bróód-gróót-dóód (met de ontspannen lange Bossche óó), sjekladenbol, ge kun’t ok nie doen, kuus, quukske (knipoogwoordje), ons moeder, gruts en houdoe! 

www.erfgoedbrabant.nl www.erfgoedbrabantacademie.nl www.brabantserfgoed.nl

Brabants nummer 25 - juni 2020

5


VAN DE REDACTIE

Jacques van Gerven wint de Willem Ivenprijs 2020 ma aanbieden. Zeven auteurs waren uitverkoren om hun bijdrage aan het boek voor te dragen. Daarnaast bracht Hein Augustijn een aantal nummers van zijn nieuwste cd Brabo Mundo ten gehore. Brabants dialect met een Latijns-Amerikaans ritme.

Jacques van Gerven kreeg uit handen van wethouder Thijs van Kessel de Willem Ivenprijs 2020 uitgereikt. Foto Frans van den Bogaard De publieke belangstelling voor het Brabants boekske wordt elk jaar groter. De goedgevulde zaal van De Snoeck in Lith was hiervan het levende bewijs tijdens de presentatie van de vijftiende editie van het boekske op zondag 1 maart jl. Ditmaal was het motto De kont teege de krib en zo’n vijftig Brabantse dialectschrijvers en -dichters hadden zich hierdoor laten inspireren tot het schrijven van een aandoenlijk (Hans Lakwijk), gevoelig (Jos Heijmans), zielig (Brigit Bakx-Hermans), triest (Jacques van Gerven), absurd (Jan van Elzakker), fantastisch (Nillus Gurtjes), grappig (Henk Janssen) of vrolijk (Riny Boeijen) gedicht of verhaal. Cor Swanenberg en Jan Luysterburg, de redacteuren van het Brabants boekske, konden de aanwezigen dan ook een gevarieerd program-

10

Brabants nummer 25 - juni 2020

Hoogtepunt Natuurlijk was het hoogtepunt van de middag de bekendmaking van de laureaten van de Willem Ivenprijs. De jury, bestaande uit de afscheidnemende voorzitter Leo Hoeks, Rina Michielsen en Piet Vos, was unaniem van mening dat de kwaliteit van de inzendingen hoog was. Het kiezen van een winnaar was dan ook ‘een zware bevalling’. Op de derde plaats eindigden twee inzenders ex aequo, te weten Jos Heijmans met het verhaal Junkskes van virtien en Riny Boeijen met het hilarische verhaal Rits. Op de tweede plaats, na veel wikken en wegen en met slechts een plusje verschil, eindigde Nillus Gurtjes met zijn autobiografische verhaal Dè’t toch gelijk verrèkt. De winnaar van de haan (gemaakt door Jenny Derksen en beschikbaar gesteld door de gemeente Oss) werd Jacques van Gerven met Boerezwaluwe, een driedelig verhaal over een generatieconflict. ‘Beeldend en poëtisch geschreven,’ aldus de jury, ‘hoogstaand verwoord en de stijl is van bijzondere kwaliteit.’ Jacques van Gerven (67) uit Valkenswaard is zeker geen onbekende in Brabants dialectland. De trotse auteur/dichter/theatermaker schrijft al vanaf 1979 teksten in zijn moedertaal, onder andere voor De Sjawi’s. Tegenwoordig trekt hij met een eigen theaterprogramma door het land. Op 12 september gaat zijn nieuwe show Zottekot in zijn woonplaats in première. Het bestuur van de Stichting Brabants kan tevreden terugzien op een geslaagde middag, waarbij tevens veel exemplaren van De kont teege de krib over de toonbank gingen. Het boekske is echter op dit moment nog niet volledig uitverkocht. Het is verkrijgbaar bij de Stichting Brabants en via de boekhandel. Het ISBN nummer is 978-90-70545-43-7. De prijs bedraagt € 14,95 en u krijgt er de prachtige tekeningen van Iris Bongers gratis bij. 


JACQUES VAN GERVEN

Boerezwaluwe Z’n vuist ròkte ’m midde op z’n wang, ’n grijs-zwart stoppelveld onder óóge die ’m verbaasd hadde òngekeke. De klap moes òngekomme zen as d’n doffe bons wormee, gistere nog, de vlucht van ’n hóutdúif abrupt was afgebroke dur ’t keukeraom bove d’n ònrècht, woròn zenne vòdder wankelend hoúvaast had gezocht. Ondanks z’n bleinde woede, had ie gezien dè nie de kracht van de stomp op zèèn norse bakkes ’m ùit èèvewicht had gebròcht, mer irder ’t onverwòchte van d’n urste keer. Tot dan was ’t anderzum geweest. Vòdder sloeg zoon. Um niks, ùit ’t niks. ’t Was in ’t gareel lóópe, of in ’t gareel slòn. Dikkels had ie ’t gevuul dè zunnen oúwen heer ’m ’t liefst had wille oormèèreke, net as z’n koei. In alle twéé z’n orre ’n plastic gèèl plòtje worop stond: Johan - 11-06-1975 - dwarsklippelige puber, èigegerèèid stuk frèète, tegendroadse klotzak. Vurdè Johan sr had kenne reagere, was ie nur bùite gerend en op zunne fiets gespronge. De donkerte in. 2. ’t Is opgehouwe mee rèègene en de volle maon komt schuchter aachter de donkere wolleke vandòn, bleekt ’t wòtter van ’t kanaol en de poppeliere langs de kánt. ’n Hallef uur lang had ie de weind in tweeje getrapt, sloeg de striemende rèègen in z’n gezicht en had ie z’n èige bùiten òjum gefietst, net zu lang tot ie duizelig wier. Geboge over ’t stuur, zunne kop gebroke wirspiegeld in de plas onder ’m, had ie stòn schreuwe, was de koùw in z’n lijf gekrope. Rillend was ie in ’t gras gòn zitte. Hij zou nooit mir nur huis gòn. Nie nao wa ’r dieje middag, toen ie thuis van school kwam, gebeurd was. Hij was ’t èèref op komme fietse en had zoas altijd d’n hond geroepe. De Mechelaar kwam dan steevaast op ’m afgerend, kwispelend, blèèij. Deze keer bleef ’t stil. ’t Innige wa ie hurde was ’t voerhek van de koei in de stal, ’t bekende geluid van metaol op metaol. Toen ie binnekwam, stond vòdder dur ’t keukeraom te kèke. Vurdèttie iets kon vraoge, drèèide senior zich um en zee: ‘Ik heb unne kogel dur zunne schichtige kop geschote. Ik wil ne waokhond, gin schijtlijster.’

3. Mee zunne fiets òn de háánd komt ie òngelóópe. D’n horizon stroit róód en oranje in zunne rug. In de verte ziet ie z’n boerderèèij stòn, en daorvur, onder de lèèilindes, z’n moeder in hurre fleurige zommerjurk, as ’n eenzaome goudsbloem in de mèèrgestond. Vur heur gòt ie terug. Ze zal alléén mer zegge: ‘Och jonge toch.’ Ze zal ’m dur z’n haor strèèke en ’m tege zich òn drukke. Hij zal hurren hartslag vuule die verròòit hoe bezùrgd ze was. As ze ’m váásthoúdt, ziet ie over hurre schoúwer de kwetterende boerezwaluwe jaoge op de vliégende insecte. Voer vur de pasgeborrene, die ’t gemetselde nèst blaúwzwart kleure. Binnekort zalle de jong veugelkes ùitvliége, zal de zwaluwfemilie zich opmaoke vur de reis nur ’t Zúije. Nog èfkes, en ok ik zal vertrekke, denkt ie.  < In het dialect van Valkenswaard > Dit verhaal won de Willem Ivenprijs 2020 Uit De kont teege de krib, Brabants boekske 2020 Illustratie Gurt Swanenberg Brabants nummer 25 - juni 2020

11


WIM VAN GOMPEL

Vooropplaatsing van de ‘n’ In Brabants, jaargang 6, nummer 1 hebben we gezien dat een woord de begin-n kwijt kan raken, zoals het Oerlese achtergaal dat uit nachtegaal ontstaan is. Het omgekeerde proces komt ook voor: er komt een ‘n’ voor een woord. De oorzaak is hetzelfde. In het Gemerts Woordenboek van Wim Vos komt najs ‘bekomst, zin, verlangen’ voor. De auteur neemt terecht aan dat najs uit ajs ontstaan is. Het oorspronkelijke z’nen ajs werd geïnterpreteerd als z’ne najs, waardoor het woord najs ontstond. De grens tussen twee woorden wordt dus verkeerd gelegd, waardoor een nieuw woord ontstaat. En dat heeft niet noodzakelijk iets met de ‘n’ te maken. De Noord-Franse plaatsnaam Rijsel is ontstaan doordat het oorspronkelijke Ter IJsel werd uitgelegd als Te Rijsel. Maar in dit artikel staat de ‘n’ centraal. (Alle dialectwoorden komen uit het Woordenboek van de Brabantse Dialecten, tenzij anders vermeld.) Voor de, buiten de muur uitstekende, dakrand van een boerderij die ervoor moet zorgen dat de muren niet nat worden, bestaat in onze provincie een hele reeks woorden, zoals euze/neuze, euzel/neuzel, euzendrop/ neuzendrop. De vormen zonder ‘n’ zijn het oudste. Dat blijkt als we oudere vormen bekijken: Gotisch ubizwa ‘portaal’, Oudhoogduits obasa ‘voorhal’. De oudste vorm in ons taalgebied is dertiende-eeuws: uevese ‘buiten de muur uitstekende dakrand’. Deze woorden zijn allemaal afgeleid van het Germaanse *ußa ‘onder’. Nere ‘bedrijfsgedeelte van het boerenhuis, koestal, dorsvloer’ komt op grote schaal voor. Daarnaast komt de vorm zonder ‘n’ ere voor. De vormen zonder ‘n’ zijn primair. Van Bakel maakt in zijn publicatie Dorsvloerbenamingen (1997) aannemelijk dat ere teruggaat op Latijn area ‘open plaats, dorsvloer’. Dit woord heeft ons evenals andere, vroege Romaanse leenwoorden als muur, kamer, tegel, venster, zolder via Noord-Italië en de Rhône/Rijn-route bereikt. Vanuit de omgeving van Keulen is ere via Limburg (waar het woord ook voorkomt) naar Oost-Brabant doorgereisd. Narcht Nonkel ‘oom’ komt voor in Baarle-Nassau. Dit woord komt natuurlijk van het Frans mon oncle ‘mijn oom’, waarbij de ‘n’ van mon aan oncle is vastgeplakt. Heel vaak heb ik in allerlei dialecten uitdrukkingen ge-

14

Brabants nummer 25 - juni 2020

hoord als goeie naord hebben, van goeie naord, van kaoie naord, enzovoort. Uiteraard is naord uit aord ontstaan. Je komt naord zelden tegen in dialectwoordenboeken, wel bijvoorbeeld in Het Helmonds Woordenboek van Wim Daniëls. In ditzelfde woordenboek vinden we ook narcht ‘aanrecht’, waarvan we de ontwikkelingsgang als volgt zouden kunnen schetsen: d’n anrecht > de nanrecht > narecht > ­narcht. Nuster ‘veerbalans, pocket balance’ ken ik alleen in het Kempenland. Het is door n-voorvoeging ontstaan uit uster dat ook buiten dit gebied voorkomt. Dit woord is weer ontstaan uit unster dat in de dertiende eeuw voorkomt als unser. Met het achtervoegsel –er is unser afgeleid van het Middelnederlands unce ‘gewicht, twaalfde deel van een pond’. Dit woord is – waarschijnlijk via het Frans – ontleend aan Latijn uncia ‘een twaalfde deel van een pond, een voet, enzovoort’. Niepekonter Nevel ‘zuurdeeg’ (Aarle) is ontstaan uit hevel met dezelfde betekenis. Eigenlijk zou het nhevel moeten zijn, maar de ‘h’ laat zich hier moeilijk uitspreken en zal daarom verdwenen zijn. Hevel ‘zuurdeeg’ is vooral Kempenlands, Noord-Meierijs en Tilburgs. Het is verwant met Oudhoogduits hevil ‘zuurdeeg’. Hevel is een afleiding bij het werkwoord heven ‘heffen’ met het achtervoegsel –el. De betekenis is eigenlijk ‘dat wat het deeg doet rijzen’. Herik ‘Sinapis arvensis’ is een vrij algemeen woord. Het is een akkeronkruid dat op koolzaad lijkt. De bloemen zijn geel, de stengels en bladeren zijn behaard. Het woord is afgeleid van hederik. Hederik wordt wel verklaard uit Latijn hederaceus ‘klimopachtig’. Uit herik is in Beek, Hoeven en Huijbergen nerik, nirk ontstaan. Ook in dit geval is de ‘h’ verdwenen nadat de ‘n’ voorop geplaatst werd. De Bont geeft voor Oerle het woord niepekonter ‘zwartkijker’. Ook hier is sprake van verlies van de begin-h, want het woord is ontstaan uit Frans hypocondre ‘zwaarmoedig persoon’< Laatlatijn hypochondria dat aan het Grieks ontleend is. Volgens de klassieke geneeskunde is neerslachtigheid toe te schrijven aan een ziekte van het onderlijf. Het Griekse hupochondrion betekent ‘onderlijf, ingewanden’. Het Griekse voorvoegsel hupo betekent ‘onder’. 


VAN DE REDACTIE

Beeld-Spraak Verbod

Van de fietsendieven wordt blijkbaar verwacht dat ze enig dialect spreken. Maar of het helpt? Schoolverzuim In Taaltumult van Ewout Sanders (Atheneum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 2002) vonden we een achttal dialectische benamingen voor heimelijk schoolverzuim uit 1936: . schuilen maken (Breda) . fieteren (Den Bosch) . achter de heg lopen (Oudenbosch) . sliepertje maken (Arnhem) . hooikes ketsen (Gorkum) . zwenzelen (Maastricht) . de halster zetten (Almelo) . krammetjes lopen (Dordrecht). Voorrang

Dit spandoek hing tijdens een carnavalsviering bij de toiletten in theater Podium Azijnfabriek in Den Bosch. De toiletjuffrouw werd aldus verkwikt en gelaafd, terwijl de theeschenker met hoge nood zo op voorrang kon rekenen.

In deze rubriek verzamelt de redactie humoristische afbeeldingen, korte teksten en wetenswaardigheden in en over dialecten en vreemde talen.

Verbroedering De regionale kranten in het Nedersaksische taalgebied zochten ‘een dialectlied dat verbroedert in deze dagen van corona’. De lezers kozen voor Warkende Helden van de band Mooi Wark. (Te beluisteren op YouTube - Mooi Wark - Warkende helden). Wij van Beeld-Spraak hadden na het beluisteren van het eenregelige refrein toch enige twijfel over die verbroedering: ‘Warkende helden ze zorgt veur zich zelf.’

Vreemde taal Tijd om de boekenkast eens op te ruimen, meende Helmi Janssen, inwoonster van Hilversum. In winkelcentrum Riebeeck Galerij is een hoekje met een boekenkast, waar de letterkundige afdankertjes op leenbasis een tweede leven beginnen. Er is zelfs een vrijwilligster die voor ordening zorgt. Romans bij romans, thrillers bij thrillers enzovoort. ‘Waar laat ik dit boekje, mevrouw?’ ‘Wat is het?’ ‘Oe toch, van Gerard Ulijn uit Brabant.’ ‘Uit Brabant? Oh. Zet maar bij de vreemde talen.’

Aardappelen In Tilburg eet men èèrepel, in Loon op Zand aarappels, in Oss erpel, in Heesch èrpel en in Berghem elleper. In Schijndel, Hooge Mierde en Middelrode echter eet men piepers; volgens Van Veen en Van der Sijs, Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden: ‘een kleine, jonge aardappel’. Aan de Schijndelse exemplaren zijn blijkens de foto bijzondere krachten toegekend. Rotterdeutsch ‘Wie had das erwarted, hè? Van ein normales mens naar ein cartoon. Das ist toch supergeil? Ja, toch?’ Stadgids Jenny van As, in en rond Rotterdam bekend door haar Rotterdeutsch; Duits met een Rotterdams dialect. In samenwerking met illustrator Richard Bijloo wordt nu een serie cartoons over Jenny en haar quotes gemaakt. Ze zullen online verschijnen. Schön toch? Houdoe

Langstraatklanken Yoïn van Spijk heeft een videoserie samengesteld waarin de Brabantse Langstraatdialecten en de veranderingen hierin worden besproken; met audiovoorbeelden van authentieke dialectsprekers. (Te zien en te horen op YouTube - De klanken van het Langstraats).

Brabants nummer 25 - juni 2020

15


PIET HEERKENS – ILLUSTRATIES DOOR TIJS DORENBOSCH

En andere verhalen uit vervlogen tijden over de domheid van de inwoners van Bakel

De mol van Baokel De Baokelsche boeren die ha’n nog noot ’ne mol gezien, toen Klaoske de Groot ’ne leevende mol vond op z’nen ekker; hij riep den slachter, hij riep den bekker, riep al de boeren toe ver in et rond om ’t ondier te zien: et laag op den grond in z’n piloowe pekske te vruuten, te vringen mee hendjes en vuutjes, zó’n vremde dingen...

Den eene die zee: ‘et Is ’n soort meensch, mar dan ’ne mislukte!’ Ze waren ’t nie eens; ’nen aandere zee: ‘’t Is ’n olliefantje!’ mar den dieë kreeg weer van den derde ’n standje: ‘Zeg, bende naa staopel, et is ’n jong verke,

18

Brabants nummer 25 - juni 2020

dè kunde aon z’n doen en z’n laoten wel merke!’ Den börgermeester die kwaam daor al aon, mee heel z’ne raod om ’m bij te staon;

ze keken en keken en gongen beraojen: ze zouen et ondier mar op laote laoien en ’t gaa gaon verzuipen in ’n ven of ’ne sloot! Of zummet verbraande?! Dè-d-ondier mót dood! ‘Ik zal et wel slachten,’ zee Jan, de slachter, ‘en worst er af maoken!’ mar Piggen, den pachter, zee: ‘Börgermeester, dè noot van z’n leeve! we kunnen et beter vergift ingeve; misschien is ’t den duuvel in eige persoon!’ Toen zee den börger op plechtigen toon: ‘We zullen et ondier ter plaotse begraoven!’

En al de boeren begossen te draoven om schuupen te haolen, en spaoiden terstond een graf veur den mol op Klaoske z’ne grond. En op dè graf kwaam ’ne zerk van cement, waorop ge kost lezen:

‘N.N. - Onbekend. Hier lee begraoven, leevend en wel, een ondier, blend, en mollig van vel!’


De boeren van Baokel

De kerk verdouwd

Wè waren die boeren van Baokel toch dom! Zo dom waren nergens de boere! Ik heurde d’r zetten en ’k laagde me krom; naa slao ik van rommeldebom op de trom en ik zing van die Baokelsche toeren!

De Baokelsche kerk stond te dicht bij de straot; ‘’n fout van den dommen pastoor’, waar de praot. ’t Waar geenen tut-tut om ’n nuuwe te bouwe; Jan Voets wies wel raod: ‘Ons kerkske verdouwe! Want douwe kost niks, dus we douwen ons kerkske ’n end van den weg aaf!’ ‘Dè krijgen we verrig,’ zee Tinuske Oomen, ’n lid van den raod, ‘as de boere mar komen!’ ‘We doen ’t,’ zee den börger in naom van den raod, ‘we douwen ons kerkske ’n end van de straot!’ De boere van Baokel die kwamen bijeen en ze trokken d’r jassen al uit om meteen aon ’t douwen te gaon,

Ge weet wel waor Baokel in Brabant lee: et lee aon den uitersten kaant, en ’t bestao mar uit enkelde boerestee, wè haai en wè waaie, - de weerelt, o jé, is er toegestesseld mee kraante! Ons taante Keeke, - dè weete gij wel, die wier geboren in Baokel; z’is laoter getrouwd mee ’nen Tilburgsche kel; d’r harses die werkte nie als te fel, mar vertelle, dè kos ze miraokel!

Al wè’k van d’r weet over Baokels verlee, dè zal ik van boven toe onder aon öllie vertellen in ’t lang en in ’t bree, lijk taante Keeke ’t me veurverteld hee: hoe lomper en plomper, hoe schoonder!

mar Jan Voets, dus de köster, dieën slimme, die zee ‘’k Heb ’n veurstel, dus löster: we leggen ons jassen aon d’aandere zij vlak tegen de kerkmuur, dan zien we of wij wè vordere mee al ons sjouwen en douwen!’ De boeren begossen d’r haand’ te bespouwen... ‘een-twee-húup! een-twee-húup!’ én gedouwd as er wier!... Mar aachter et kerkske ree Toddeman Lier en die zaag daor die jassen en laoide ze gaaw op z’n waogeltje... Sassen, den Dikke, den börger, die gong zoo ’s louwen of ’t kerkske verschoof bij dè roepen en douwen... Toen kwaam ie geloopen en bölkte: ‘’n Wonder!

De jassen die liggen er ammaol al ónder! Haaw op! Haaw op! Wè zijn me toch sterk!’ Toen stond ze vort góéd, die Baokelsche kerk!

‘Baokel’ Toen Baokel in de Peel nog lang geen ‘Baokel’ hiette, en d’eerste kerk in ’t dörp al op begos te schieten, jao, haost al verrig waar, toen kuierde den Dikke, den Börger van et dörp vol slimme dommerikken, ’ns rond die kerk en zaag et gras al volop groeien op ’t dak en in de geut... ‘Goei voeier veur de koeie,’ zoo mompelde den baos, ‘mar laastig om te maaie; ik zal er dus et best ’n koei op laote waaie; die zal d’r al dè gras wel mee plezier afgraoze!’ Den Dikke, nie veur niks den börger van die dwaozen, liet dus ’n koei omhoogkatrollen deur Van Dooren, de metseleer van ’t dörp (...)

mar toen de koei ’n endje omhoog geheeschen waar, toen maokte ze spektaokel en bölkte, erg benauwd: ‘Bao-bao-bao-baoke-Baokel!’ En al et slim geboert riep: ‘Stop, want aanders stikt ze!’ ‘Laot stikken!’ riep den baos van ’t dörp, ‘mar zuiver spreekt ze den naom van ’t dörpken uit: we noemen et vort ‘Baokel!’ Zoo wierd et leste woord van ’t koeike een miraokel! (...) want Baokel héé z’n kerk, dè’s al ’n heel miraokel, en ’t dörpke héé ’ne naom, ge moet ’m loeie: ‘Baokel!’  Brabants nummer 25 - juni 2020

19


HÁS VAN DE ZANDE

Boomen over beum D’n boom hi b’ons ’t meervoud beum en ’t verklèinwoord bumke. Daor wille we hier nou ginnen boom over opzette, mar in Ost-Brabant kenne we meer van die reij­ kes: paol, peul, pulleke; draod, dreuj, dreujke; stoewl, stuul, stuleke en steen, steen, stintje… Ge wit da hog beum veul wend vange, mar witte ok wa wèijbeum zen? Da is d’n aauwe naam vur kannidasse die ok wel as klompehout te boek stòn. Op beum komde noit ùitgekeeke. In ’t vurjaor kreijge de wulg, hazelaar en els kètjes en sliertjes. ’t Zen èchte wendbloeiers die wèijend bestove worre, mar op zonnige daag ziede’r ok al hommels en biejen op vliege. Niks is t’r zó schón as bloesemende fruitbeum; kriek (kleine, rode pruim), prùim, kèrs, spirzek (perzik), peer en appel! Ze geeve wolke van blomme en mar hope da d’r ginne vries de pret kùmt bedèrve. D’n esdorre (esdoorn), de kestaan (kastanje), de mèijdorre (de meidoorn) en d’n ijsdorre (acacia) kommen in volle glorie. Die witte blomtrosse brengen ons trug nor vruuger; ze rooke zó vergimmes goewd, mar teege de zuujte geur van de lendenboom (linde) kosse ze nie op. In al die beum wiese wij ok veugelkes wone en die kosse zó hog nie getimmerd hebben of we klomme d’r bij. Wij dinne de èijer ùitblaoze en òn unne krans reijge die as ’n trofee op de slópkamer boven ons bed kwaamp te hange. Wij wiesse welke veugelkes nuttig ware. Die moegde noit ùithaole… De lendes stonne vruuger bekant overal vur de boerehuize. Ik zal noit vergeete hoe wij as klèin jong boven op d’n hoiwage moege zitten en ons zó hog verheeve vuulde bove de wirreld da we bekant de toppe van de beum langs de weeg òn kosse rake! Bij de bloeiende lendebeum waar ’t zaak ùit te keijke, want die bloeiende beumtoppe zoemden òlling van de bieje en ge wót toch liever nie gestoke worre. Bij hogzommer hong ’t mastebos vol van de lèkkere reuk van de sparre. Waar ’t te heet, dan zate we gèire op de bank in de schadoew van de lendenboom vur’t haus of aachter onder de notenboom. Van dieje lesten boom wier gezeed da ge daor nie dur de mugge gestooke wiert. In ’t nòjaor verschote de beum van kleur. D’n Ammirrikaansen èik en de krint kriege dik vlammend rooi klurre, de blaojer van de aander beum verkleurde nor geel en bruin. As de beum kaol wiere, zaagde de neste van veugelkes wor ge tevurre gin weet van hat gehad. Ok in ’n winterbos zaat volop vogelleeve. Ge kriegt de kans um spèchte en boomkrùiperkes ’s goewd te zien. In de elze zaagde de sijskes en in d’n bèrk de biemisterkes (koolmeesjes) en ossekùpkes (staartmezen). In ons jeugd gonge wij proppe (dennenappels) rapen in ’t mastbos. Da waar ’t stookgoewd wormi ons moeder ’t fornuis en de kachel ònmakte. As we as jong doende ware mi ’t sprokkelwèrk, rapte we ok kestane en buukenutjes (beu-

26

Brabants nummer 25 - juni 2020

kenootjes) die we op de kachel dinne róstere. Da roek wel zó vergimmes lèkker! Ge kost kèrsetakke binne zette um ze rond Kèrsemis in bloei te kreijge. As ge die op de vierden dizzèmber af­ dint, moegde ze Barbaratakke noeme. D’n boom hi ok vur ùitdrukkinge gezùrgd: ‘Wor d’n boom velt daor bleijve de spònders’ (’t stèrfhuis gif de grótste èrfenis) en ‘ik goi mi aow knoke de note nog ùit d’n boom,’ zegge we as we denke da we iemes wijd gòn overleeve. ‘Bumke groot, planterke dood’ is mistal ’n worrend as ’n koew, krèk as ‘jong beum snoeide groot, aauw beum snoeide dood’.  Aquarel Nelleke de Laat MARIAN VERBERKT

ZESTIG EN ÈGEWIES Zudde dè wel doen, heur ik duk zegge. En altied probeer ik ’t dan uut te legge. Ik vien ’t zo fijn en ’t vuult zo goed. Mar iedere keer ontneme ze mien de moed. Gej mi ôw zestig jaor, wa het ’t vur zin? En ge mot ôk dinke an de minse um ôw hin. De kiender van ullie, zitte die hierop te wachte? Mar zullie snappe niks van die eenzame nachte. As ’t kou en lèèg is in mien bedje. En alleen an tôffel is ôk al gèn pretje. Trouwens, waor bemoeit iedereen zich mit? Ik maak zèllef uut mit wie ik op de bank zit. Ik bin wèr verliefd op mienen ouwen dag. Môi dèt ik dèt nog eens belève mag. Dus tège alle goeibedoelde advieze ien. Doej ik toch lekker mien ège zin. Ik loop geërmd mit miene nèje vriend dur de stad. En wie ’t nie bevalt, die het pech gehad. < In het dialect van Boxmeer > Uit: De kont teege de krib. Brabants boekske 2020. Illustratie Iris Bongers


JOS HEIJMANS

Junkskes van virtien Ik waar ’n paor maond gelejen mè munne schônzoon bè de Kersouwe in Hiswijk. Daor spulde De Kik liedjes van Boudewijn de Groot. Liedjes ùt d’n ted dè ’k ’n bietje begos te puberen, dè’k nie inder wô zen en zeker nie zoe wô worren es ons vaoder en moeder. Zoe keiburgerlijk en saai, bevorbild elke zondaag netjes naor de kerk en zoe mir. Nee, ik wô anders zen. De Kik spulde de twidde en de durde elpee van Boudewijn de Groot. Voor de Overlevenden, en d’n andere waar Picknick. ’t War zoe es ik al zin wir krèk es vruuger. Ik docht wir an al die gemiste kansen mè de mèdjes ùt de buurt, en an al die dingen die’k toen nie dorste te doen. Toen de provo’s in Amsterdam weggejaogd wiere dur de mariniers waar ons vaoder ’t daor hillemaol mi ins. ‘’t Is mar ’s goed dè dè langhaorig werkschouw tuig wurdt angevat,’ zin ie. Die gasten han witte spijkerboksen en witte spijkerjeskes an en toen ik vur d’n urste kir zelf kleer ha ùtgekozen ( ja, ja ’n wit spijkerpak) waar ’t hek van d’n dam. Ons moeder zin nog tegen ’m dè’t modern waor, wè’k ha, mar ons vaoder zin dè’k d’n hille handel subiet naor d’n winkel trug moes brengen. En dè laotste waor ik dus echt nie van plan. ’n Half jaor laoter, ha’k ’t veur d’n irste kir an. Ons vaoder zin niks. M’n haor waar ondertussen lang zat geworren, um ’r ’n stèrtje in te kunne leigen, maor… dè wô’k onze pap nie andoen. Daor docht ik allemaol an trug toen De Kik ‘Er komen ander tijden’ spulde. Toen ze ’t nummerke Naast jou spulden, moes ik denken an m’n urste vriendinneke dètter echt toe din. Ik waar virtien… zè waor ’n jaor ouwer. Ik ha gin idee, werkelijk waor nie. Tja we zoenden mekaor (stiekum in ’n aachteraf gengske), maor veul wijer kwaam ik nie, èn zè ôk nie. En zoe ging ’t in Hiswijk eigelijk d’n hille aovend dur. Bij elk nummerke dè De Kik spulde, kwamen d’r wir herinneringen naor boven. Es ge nog zoe jong zèt, dan hedde idealen, dan moet alles anders. Dan bende unne rebel, (althaans dè denkte) en dan wilde tegen alles anschuppen (misschien wel omdè ge ’t allemaol nog nie zoe goed begrept). Ge zet dwars umdè ge alles anders wilt, maor ge wit eigelijk ôk nie hoe’t dan wel moet. Daor komde pas laoter aachter. En nie allien dur oe urste liefdesverdriet, maor vurral dur ’t leven zelf te

leven en te ondergaon. Es ge jong zet, dan ziede niks es ’n verplichting en wilde vurral vrij zen. Maor, hoe schôn die liedjes ôk zen van De Groot en Nijgh, ’t zen nie mir es plaotjes vol mè jonges­ droemen. Ik drei die nummerkes nog wel ’s. Testament… of Verdronken Vlinder. Die liedjes die heuren nou inmael bè menne jeugd. Toen mènde ik echt dè’k unne rebel waar, mar eigelijk waar ’t nie mir as unne zuukende puber van virtien mè ’n haandvol idealen, dils eiges bedoacht en verzonnen, dils ontlind an de plaotjes die’k toen dreide. Ik zè unne groete fan van Leonard Cohen… en ik hè ’n tedje trug zunne biografie gelezen. Witte… mistal zen droemen vul schônner dan de werkelijkhed. Maor wè is ’t fantastisch es de mensen van oe denken de ge echt zo zèt, zoe es ge dur oezelf in de liedjes wurd bezongen. Maor… niks is zoe fantastisch es ’t hebben van twie kleinkeinder (twie mènnekes) die over ’n antal jaore tussen de rommel op zolder tussen mèn ouw elpee’s die van Boudewijn de Groot zullen veinen, en dan tegen elkaar zeigen; ‘Witte, daor waar onze opa fan van. Zun we ’t ’s streamen? Die ouwe meuk hen ze vast nog wel op Spotify.’ En dè ze daorna dan tegen elkaor zeigen: ‘snapte gè dè nou, dettie di mooi vond.’ (Maor dè ze dan wel diejen ouwe meuk laoter toch wir ’s opnijt lousteren). Dan is ’t gegaon zoe es ’t dient te gaon. Want elke jongen of meid moet iets te droemen hebben vurdè ze volwassen worren en ’t liefste natuurlijk d’r eigentedse gefantaseerde droemen. Want vurdè ge ’t wit, bende dur oewe jeugd vurgoed ingehaold en is diejen onbezùrgde ted vurgoed veurbè . En dan, es dan al die rebellen en dwarsdenkers ùt oewe kop zen verdwenen, dan witte ’t zeker, dan zedde vort volwassen. En wè ins idealen en droemen ware, zen dan nie veul mir es de (zute) herinneringen van ’n junkse van virtien… ’n Junkse dè bè ’t heure van Beneden Alle Peil mè unne glimlaach trugdenkt an diejen urste kus van dè medje dètter ôk nie veul mir van wist dan hij.  < In het dialect van Oss > Uit De kont teege de krib, Brabants boekske, 2020 Illustratie Iris Bongers Brabants nummer 25 - juni 2020

27


HENK JANSSEN

Van Jan van Rijthoven naar Cees Robben Het is nu twee en een half jaar geleden dat Jan van Rijthoven, de creatieve geest achter de kostelijke prenten die onder de fictieve naam Van Hepscheuten onze achterpagina sierden, na een operatie vanwege een aneurysma op 23 december 2017 aan hartfalen kwam te overlijden. Dankzij de welwillendheid van zijn echtgenote, Marga van Rijthoven, mochten wij zijn cartoons belangeloos blijven gebruiken. Spijtig genoeg hebben we de bodem van die schatkist vol humoristische prenten bereikt. Wij hebben u met deze prachtige verzameling maar liefst zes jaargangen lang een vermakelijke achterpagina mogen voorschotelen. En ook in de voorganger van dit onder dezelfde naam verschijnende blad hebben de Van Hepscheuten’s voor menige glimlach gezorgd. Het is jammer dat we nu, eenvoudigweg omdat we door de voorraad heen zijn, achter deze onnavolgbare creativiteit van Jan van Rijthoven en zijn tekenaar Kees Wouters een punt moeten zetten. Met veel dank aan Marga van Rijthoven. Gelukkig kreeg onze redacteur Ed Schilders van de Cees Robben Stichting toestemming om met ingang van de nieuwe jaargang, die voor onze abonnementen op 1 juni begint, voor de achterpagina voortaan gebruik te maken van de prenten van Cees Robben (1909-1988). Een begenadigd tekenaar en columnist van het dagelijkse leven en de dagelijkse zorgen. Cees Robben is de man van de Prent van de Week, die onder meer in het Nieuwsblad van het Zuiden, tegenwoordig Brabants Dagblad, verscheen. In totaal maakte hij maar liefst 1.627 prenten. Hoewel zijn laatste prent op 12 februari 1988 verscheen, is het opmerkelijk dat veel van zijn kostelijke creaties ruim dertig jaar na dato niet of nauwelijks aan geestigheid hebben ingeboet. Wij zijn dus heel gelukkig dat we, met dank aan de Cees Robben Stichting, vanaf deze nieuwe jaargang opnieuw een achterpagina kunnen presenteren die bij onze lezers in de smaak zal vallen. Dat Nelleke de Laat van de Stichting toestemming kreeg om de prenten kleur te geven in de stijl en het coloriet van de oorspronkelijke kunstenaar is extra verheugend voor ons blad Brabants. 

Zo kunt u het abonnement betalen Het abonnement op het tijdschrift Brabants loopt steeds van 1 juni tot en met 31 mei van een jaar. U treft om die reden de factuur voor het abonnementsjaar 1 juni 2020 tot en met 31 mei 2021 in deze envelop met de juni-editie aan. Hoewel onze kosten licht gestegen zijn, zijn wij er andermaal in geslaagd om het bedrag ongewijzigd te laten. Daarin toont zich weer het voordeel dat wij met het uitgeven van dit blad geen commercieel oogmerk hebben. Wij verzoeken u vriendelijk om de betreffende € 24,50 binnen twee weken over te maken naar de bankrekening van Stichting Brabants: NL73 ABNA 0545 3581 75. Het is belangrijk om bij uw betaling het factuurnummer te vermelden. En vergeet alstublieft niet om deze betaling meteen af te werken. Het sturen van kostbare herinneringen willen wij graag voorkomen. Als u wilt weten wat wij met uw abonnementsgeld allemaal doen, dan verwijzen wij u graag naar de website van onze stichting: www.stichtingbrabants.nl. Daar publiceren wij elk jaar ons jaarverslag en beleidsplan. Wilt u tot slot zo goed zijn, om potentieel geïnteresseerden op ons blad te wijzen? Nieuwe abonnees zijn zeer welkom. 

TIES VERHOEVEN

WÈ MOTTE AANDERS! Teegesworreg teegendròds zèèn, teege ’t regeur ingaon is riskaant, veul meense waoge daor dur èège niemer aon Ieder wôrdje wort gewooge a-ge-n bietje krities zèèt èn oe èège afvraogt zèn wèj aaf en toe de weg nie kwèèt. ‘t Is te gek um los te lôope, wègge ammòl heurt en ziet Hêel vernuuwent, middeleuws hòst, mar verstaandig dikkels nie. Rillek denke, dwèrs mist teege, wè gelêûft wordt, iis naaw schaand, dan gaon meense prakkezeere en dan krèègde trammelaant Vruuger toen belaandde iemes, die zô dòcht op ’t schevot, naaw mòkt hier ’t nuuwe gis’lek, ketters ‘t liefst mentaol kepot. Leej dur iemes dwèrs dan maoke, zèj hum ööt vur vööle vis, gunne hum naaw amper ’t lêeve, laoter de verdommenis. Kwa menier van doen hôogstkwòllek, mar ’t rizzeltaot dè telt. Dwèrse liede dööke onder, kieze èèjer vur d’r geld. En zôdoende heure wèj naaw, ’t-aaltèèj indere gelööd, meej as ondertôon wè goed is, maoke wèj vur ullie ööt. Dè doe zeer, dè’s zô klènnêerend, zörgt vur zonne hôop sjachrèèn dè-’k allêen al um die reeje, vèèn dè-’k toch mar dwèrs mot zèèn. Meug’lek schiet ôot ’ne verdwaosde zielepôot mèn overhôop, mar dè’s bêeter dan dè’k zwèègend, in de kudde hier meejlôop.  < In het dialect van Oisterwijk > Uit: De kont teege de krib, Brabants boekske 2020

34

Brabants nummer 25 - juni 2020


Luisterbox Brabants 25

Colofon: Brabants, jaargang 7, nummer 1, juni 2020 Brabants verschijnt vier keer per jaar; in juni, september, december en maart Redactie: Riny Boeijen, Jan Luysterburg (hoofdredacteur), Ed Schilders, Cor Swanenberg, Jos Swanenberg Redactiesecretariaat: Cor Swanenberg, Milrooijseweg 109, 5258 KG Berlicum, tel. 073-5031879

De volgende door de auteurs ingesproken teksten zijn te beluisteren op de website: Brigit Bakx-Hermans: Zonder dwarsleggers gin rils (Bergen op Zoom) 5.45 (De tekst van dit verhaal staat in Brabants 24) Jacques van Gerven: Boerezwaluwe (Valkenswaard) 4.28 Jos Heijmans: Junkskes van virtien (Oss) 5.05 Patrick Timmermans: Mijn tien mooiste Brabantse woorden (Den Bosch) 5.11 Marian Verberkt: Zestig en ègewies (Boxmeer) 1.08 De geluidsopnamen zijn gemaakt door Frans van den Bogaard en geredigeerd door Cor Swanenberg. De luisterbox is te vinden op de audiopagina van www.stichtingbrabants.nl en op www.cubra.nl/brabants/Brabants_Audio.htm

JOHAN BIEMANS

DEMENT? DÄ MÈNDE NIE. Zegt gé mär wa ik moet zegge. Ik heb alles al gezeed. Wa moet ik toch verzinne, umdä ik niks mir weet. Ge moet me mär nie vraoge of ’t zon- of maon- of zondag is. As ’k ’r over nao mos denke, kos ’t zèn dä ik me vergis. Wa is ’r nog van me over, nou ik mezèlf nie ens mir ken, En ik alleman ziej kééke… of ik iemes anders ben. Zij ik meskien verslete? Heb ik ’t vôrt gehad? Wor is m’ne stok gebleve? Wie hi m’n pet gevat? Al wa ’k ôit wist, dä zij’k vergete. Wos dä vruug of wos dä laot? Ik zal vôrt moete zwéége… en dä is andere praot. 

Aan dit nummer werkten mee: Brigit Bakx-Hermans, Johan Bax, Johan Biemans, ’t Boekels Kwartierke, Johan Boenie, Ben van Dam, Jacques van Gerven, Wim van Gompel, Hennie de Groot, Jos Heijmans, Nard Jansen, Henk Janssen, Junt, Nico van Kruisbergen, Marja van Trier, Marian Verberkt, Ties Verhoeven, Mrinus de Witte en Hás van de Zande. Foto omslag: Henk Janssen. Tenzij anders vermeld zijn de foto’s in dit blad van Henk Janssen. Vormgeving: Meyer Grafische Vormgeving – Asten (www.meyergrafischevormgeving.nl) Druk: Grafisch Atelier Blaricum – Blaricum (www.drukkerijblaricum.nl) Uitgever: Stichting Brabants, Missiezusterslaan 51, 5405 NL Uden, tel. 06-51158839. KvK-nummer 60585412. RSIN 8539.72.199. ISSN 1572 – 1612. Bankrekening ABN-AMRO IBAN: NL73 ABNA 0545 3581 75 (BIC Code: ABNANL2A) Website: www.stichtingbrabants.nl E-mailadressen: Algemeen: info@stichtingbrabants.nl Redactie: redactie@stichtingbrabants.nl Abonnementen: Bestellingen, opgave en mutatie van jaarabonnementen uitsluitend via de uitgever, stichting Brabants. Een jaarabonnement kost € 24,50. Losse nummers € 8,95 inclusief portokosten in Nederland. Voor abonnementen in het buitenland wordt de prijs van het jaarabonnement verhoogd met de van toepassing zijnde verzendkosten. Voor het buitenland is Brabants evenwel ook in pdfbestand verkrijgbaar. De prent op de achterzijde is van Cees Robben. Dank aan de Cees Robben Stichting.

< In het dialect van Bergeijk > Brabants nummer 25 - juni 2020

35


Profile for Brabants Magazine

Brabants magazine nr. 25  

Een kwartaalblad over Brabanders en hun taal

Brabants magazine nr. 25  

Een kwartaalblad over Brabanders en hun taal

Advertisement