a product message image
{' '} {' '}
Limited time offer
SAVE % on your upgrade

Page 1

Brabants Jaargang 6, nummer 4, maart 2020

Kwartaalblad over Brabanders en hun taal

Robèrt van Beckhoven Brabants boekske Een roestpraatje Afscheid van Junt


Brabants nummer 24 Inhoud

3 Van de redactie 4 Cor Swanenberg: Robèrt van Beckhoven heeft het lekkerste beroep van de wereld

12 Riny Boeijen: Een gezellig avondje met Bernard Brands

22 Brigit Bakx-Hermans: Zonder dwarsleggers gin rils 23 Van de redactie: Beeld-Spraak

13 Jan Luysterburg: Razend spannende thriller van Willem de Weert 14 Riny Boeijen: Spellekes van vruuger

24 Jac. Biemans: ‘Nog enne kier dan’: Junt uit ‘Buul’ stopt

6 Van de redactie: Een boek vol dwarsigheid: De kont teege de krib 8 Cor Swanenberg: Kempenmuseum De Acht Zaligheden

15 Van de redactie: Hier meude laache 15 De Witte wit wir wè

10 Ed Schilders: Zoals Cees Robben zei… (slot) 11 Jan Luysterburg: De vastenavende van Paul Asselbergs 11 Tonny van de Graft: Ons moeder zé

Brabants nummer 24 - maart 2020

16 Nico van Kruisbergen: Van Leissel 3, de nieuwe cd van Gerard van Kol 17 Nard Jansen: ‘Brabants Dorpsleven’ van Bernard van Dam digitaal 18 H. Broeders: Een roestpraatje 20 Ed Schilders: Kakelbont gezwets en geradbraakte gallicismen

25 Ad Louwers: Gebed van ’ne geplaogden boer 26 Jos Swanenberg: Nieuw boek over de Waalwijkse taal 27 Elly Schepers-Corstjens: Zaandpad 27 Ad Boogers: De verlaote kender 28 Cor Swanenberg: De lach van… Gerard Korthout


VAN DE REDACTIE

Troef

29 Mathieu Bosch: Nie ligge soeliën 30 Wim van Gompel: Jiddische invloed op het Brabants 31 Gerard Ulijn: Teegekrùps 31 Henriëtte Vunderink: Dötse kèùlegraover 32 Junt: ’t Gevuul van Buul 33 Hás van de Zande: Arig jarig 33 Leo de Beer: Paosbôom 34 Johan Boenie: Woensdrechtse woordjes. Alleraande 34 Ruud van der Heijden: Den dwarsknuppel 35 Luisterbox 35 Ad de Laat: Zonde, Èrwtenman 35 Jaarverslag 2019 35 Colofon 36 Van Hepscheuten

Brabanders leggen over het algemeen graag een kaartje. Eén van de meest beoefende kaartspelletjes is waarschijnlijk wel rikken. Hierbij is het belangrijk om veel troeven in handen te hebben. Wij denken, dat u met deze editie van Brabants veel troeven in handen heeft. En wij kunnen u verzekeren, dat het in dit geval opnieuw gaat om harten troef, want wij maken elke editie met veel liefde. Liefde voor Brabant en de Brabanders, de Brabantse dialecten en de Brabantse cultuur. Een vluchtige blik op de inhoudsopgave (die er ook nu weer erg aantrekkelijk uitziet, vindt u niet?) maakt dat meteen duidelijk. De troefaas treft u waarschijnlijk midden in ons blad aan. Ed Schilders heeft veel tijd, energie en kennis gestopt in ‘zijn’ Roestpraatje. Zijn verhandeling over Cees Robben mag er overigens ook zijn. Hoge troefkaarten heeft ook Cor Swanenberg. Hij heeft een gezellig onderhoud met Robèrt van Beckhoven, de Brabander die met Heel Holland Bakt een bijzonder populaire Nederlander is geworden. Een andere troefkaart in zijn handen is Kempenmuseum De Acht Zaligheden. En dan hebben we de lach van Gerard Korthout nog niet eens genoemd. Jan Luysterburg blijft nog even in carnavalssferen, of beter gezegd: vastenavendsferen. Hij behandelt twee totaal verschillende boeken die de vastenavendviering in Krabbegat (Bergen op Zoom) als thema hebben. Riny Boeijen haalt verrassend met spellekes van vruuger en een gezellig avondje met Bernard Brands een aantal slagen binnen. Jos Swanenberg bestudeert de Waalwijkse taal in het prachtige boekwerk Wollukse praot. De redactie van Brabants mocht, net als elk jaar, in de kaarten kijken van het Brabants boekske, dat dit jaar als intrigerende titel De kont teege de krib heeft. We mochten hier zelfs al enkele troefkaarten uitplukken. Heeft u ons al laten weten wat u vindt van de nieuwe rubriek Beeld-Spraak? U bent in de loop der jaren ongetwijfeld gaan houden van Junt, de vrouw uit Buul die zo heerlijk positief-kritisch kan palaveren over haar grote liefde Sjang, maar vooral over de elite van haar dorp. Helaas, ze stopt ermee in de Cranendonkse Grenskoerier, maar voor Brabants gaat ze gelukkig nog wel door. Jac. Biemans dept de Buulse tranen bij haar afscheid. Tijdens ons kaartspel mag gelachen worden. Dat kunt u op veel plaatsen in ons kwartaalblad, maar toch vooral weer bij De Witte (die wir wè wit), Johan Boenie, Hás van de Zande en niet te vergeten Van Hepscheuten. Wilt u nog meer lachen? Lees dan wat de redactie u meedeelt over Hier meude laache. Kortom, het komende kwartaal valt er weer volop te genieten (zonder veel misère) van deze aflevering van Brabants. Brabants nummer 24 - maart 2020


COR SWANENBERG

Robèrt van Beckhoven heeft het Voor ons interview met Robèrt van Beckhoven togen we naar het terrein van het vroegere Koninklijke Verenigde Leder, de Leerfabriek, nu het imperium van de enige bakker in Nederland die zowel de titel Meester Patissier als Meester Boulanger draagt. Het is een indrukwekkend complex, geflankeerd door een hotel in volle aanbouw. Het EKWC (Europees Keramisch Werkcentrum), dat voorheen in Den Bosch zetelde, heeft zich in de nabijheid gevestigd. Het hoort allemaal bij een prachtig project voor ambachten en creativiteit, ontwikkeld door de provincie Noord-Brabant en de gemeente Oisterwijk. Ons vraaggesprek vindt plaats in restaurant Keuken Van Leer, een verlengstuk van Robèrts bakkerij, waar we op koffie, quukskes en gebak onthaald worden. Robèrt van Beckhoven (Oisterwijk, 1961) is niet alleen bakker en patissier, hij is ook een welbespraakt docent en innemend presentator. We vroegen ons af hoe Brabants Robèrt is. Dat hij zeer gezien is in Oisterwijk staat buiten kijf, evenals het feit dat Oisterwijk een belangrijke plaats heeft in zijn hart. Het bakkersvak zit hem in de genen; zijn vader was bakker en zijn grootvader maakte al brood in Haaren. Robèrt moest net als de andere kinderen van het gezin (nummer vier van de zes) vaak meehelpen in de bakkerij en had aanvankelijk weinig hart voor de bakkerszaak. Hij wilde liever toneelspeler worden. Ook toen hij de mavo in Tilburg en een bakkersopleiding aan het ROC in Eindhoven had afgerond, was er nog niet het enthousiasme voor het vak. Na het behalen van zijn diploma ging hij werken bij de banketbakkerij Atelier Lucas in Knokke. Toen hij daar voor de etalage stond, wist hij opeens: dit wil ik ook. Alles laten zien Al in 1980 werd hij jeugdkampioen brood bakken van Nederland. Hij nam in 1989 de bakkerij van zijn vader over en werd banketleverancier van restaurant De Swaen van Cas Spijkers. In 1995 en 1996 won hij de eerste prijs in de patisseriewedstrijd Nederland-België. Vervolgens richtte hij samen met Rudolph van Veen het Nederlands Patisserie Team op. In 1999 won hij zilver op de Salon Culinaire Mondial in Basel in de categorie desserts. Hij werd leverancier van onder andere De Efteling. De bakkerij in Oisterwijk was toen al verkast van de Lind naar een grotere en beter passende locatie op een industrieterrein, waar Robèrt en zijn team zich louter konden focussen op grote zakelijke klanten. Robèrt vertelt bevlogen over zijn vak: ‘De bakker van vroeger verstopte zich. Die zag je nooit, want hij werkte achter en in de winkel werden zijn producten verkocht door anderen. Ik wil zelf in de etalage staan. Bakker is

4

Brabants nummer 24 - maart 2020

echt het lekkerste beroep van de wereld en dat wil ik laten zien. Daarover wil ik vertellen. Ik wil ook alles tonen wat met dit vak verbonden is: brood natuurlijk, maar ook het banket, de chocolaterie, de ijssalon, de traiteur, de snoepkes, de limonade… Overigens, de beste traiteurs waren allemaal eerst banketbakker. Denk maar aan Hutten en Van den Boer. En we willen alles zelf maken.’ Over Brabants gesproken: Robèrt komt op tv over als het gemoedelijke, vakkundige jurylid. In het begin bij Heel Holland Bakt, vertelde hij dat hij z’n eige had ontwikkeld in het vak. Dat z’n eige moest natuurlijk ‘zichzelf’ zijn. En hij gebruikte nog wel meer van die typisch Brabantse zinnen: We moeten bijtijds aonrije. Ik heb lang vast ge­staon. Hoe laat bende afgewerkt? Ik sloeg ’m op z’n bakkes da ’t hoemde. Er werd ook vaak lacherig gedaan over zijn uitspraak van ‘mango’ en ‘worteltaart’ vanwege zijn zachte Brabantse g en rollende r. Open bakkerij ‘Mijn vrouw Pirjo is de bedrijfsleider, algemeen directeur en conceptbewaker. Zij houdt alles in de gaten en maakt mijn dromen waar. Eigenlijk is ze bioloog, afgestudeerd in Wageningen. “We gaan van Robèrt een merk maken”, was haar idee. Ik heb vijf keer de Coupe du Monde de la Pâtisserie gedaan, onder andere in Las


lekkerste beroep van de wereld Vegas en Lyon. Door al die wedstrijden werd ik heel bekend. Ik was vooral beroemd om mijn taartjes. Toch zeiden de klanten: “Och, wat mooi die taartjes. Doe maar drie appelflappen.” Nou zeg ik wel eens: “Laat die mooie taartjes maar liggen en koop die appelflappen”, want dat is zeker zo lucratief.’ Tijdens de rondleiding vertelt Robèrt: ‘Ik werd gevraagd door Avro Tros om de CupCakeCup te doen en dat was meteen zo’n succes dat Omroep MAX mij uitnodigde om te solliciteren voor de jury van Heel Holland Bakt. Dat jureren doe ik nou al voor de achtste keer. Vanwege het succes kwam er vraag naar een winkel waar consumenten mijn producten konden kopen. Die kwam er met de verhuizing naar de leerfabriek in 2014. In onze winkel, Bij Robèrt genaamd, moet alles puur en echt zijn.’ Vanuit de winkel komen we in een grote open bakkerij met een 45 meter lange glazen gang. ‘Hier wil ik het ambacht laten zien. Deegmakers, deegverwerkers, ovenisten. Alles is zichtbaar. Ik wilde ook les kunnen geven, dus boven de bakkerij hebben we een moderne cursusruimte ingericht. We zijn het bedrijf met 24 man begonnen, maar aanvankelijk ging het niet goed. Daarom stopten we met het leveren aan derden en verlegden de concentratie op onszelf met de focus op dit pand. Met de bakkerij ging het geleidelijk beter en ondertussen werken we hier met 95 man.’ Bakken en Genieten In 2016 werd Van Beckhoven lid van de ambachtsvereniging Créateurs de Desserts. In het verlengde van Bij Robèrt runt de naamgever samen met zijn vrouw sinds 2017 ook restaurant Keuken Van Leer, waar men onder meer zijn bijzondere brood en gebak kan proeven. Ideeën heeft deze creatieveling te over: ‘Er moet een kinderbakkerijtje komen (ondertussen al gerealiseerd) en een grabbelton. Ik geef komend jaar weer dertig theatershows waarbij de zaal op het podium komt om letterlijk en figuurlijk van mijn vak te proeven.’ Ondertussen verschijnt ook het eigen magazine Meesterlijk van Robèrt. Op Omroep Brabant hoor-

Bibliografie Brood beweegt (eigen beheer, 2013), Quinoa (Uitgeverij Carrera, 2013; met Eric van Veluwen), Meesterlijk brood (Spectrum, 2014), Meer Meesterlijk brood (Spectrum, 2015), Heel Holland bakt brood (Kosmos, 2017; met Linda Collister), Brood, Op ontdekkingsreis met Robèrt van Beckhoven (2017, Kick Uitgevers), Meesterlijk Junior, Deel 1 Brood (eigen beheer, 2019), in voorbereiding Meesterlijk Junior, Deel 2 Chocolade en Meesterlijke Confiserie. De laatstgenoemde titels staan voor 2020 op het programma. Televisiecarrière CupCakeCup (van 2012-heden; jurylid en presentator met Rémy Duker), Heel Holland Bakt (2013-heden; jurylid met Janny van der Heijden), The Passion (2016; acteur), De Slimste Mens (2018; deelnemer), Wie is de Mol? (2019; deelnemer, vierde afvaller)

den we dat Robèrt de cursus ‘brood-sommelier’ gaat volgen in Duitsland. Onze rondleiding is gestart vanuit het restaurant. We hebben het imposante leslokaal gezien, (het streven is 4.500 cursisten per jaar!), de bakkerij in bedrijf, de sfeer- en smaakvolle winkel van de bakkerij, de cadeauwinkel die BENG heet (Bakken en Genieten), en de kinderspeelbakkerij. Uit de ontmoeting met het personeel blijkt dat er een prettige werksfeer heerst. Buiten wordt druk verder gewerkt aan het hotel dat hier moet verrijzen. Dat zal de locatie zeker nog versterken. Ro­bèrt van Beckhoven mag vertrouwen hebben in de toekomst. We kunnen zijn geweldige drive alleen maar bewonderen, wensen hem veel succes en zeggen dank voor het onthaal. We horen een hartelijk ‘houdoe!’ bij ons vertrek. Brabants nummer 24 - maart 2020

5


RINY BOEIJEN

Spellekes van vruuger Toen minister Van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) vorig najaar een oproep deed een einde te maken aan ‘rolbevestigend speelgoed’, moest ik denken aan de spelletjes die wij in onze jeugdjaren speelden. Aan tollen bijvoorbeeld. Rolbevestigend, zoals u wilt, want de jongens tolden met unnen haktol (in het dialect van Berghem, ’t Bèrgs) en de meisjes met unne rijdol. Unnen haktol was standaard uitgerust met een ijzeren draaipin, die meteen na aankoop werd vervangen door een schroef om de tol beter te laten draaien. Boven die schroef een moer om het touw rond de buik van de tol te kunnen winden, zonder dat het naar beneden schoof. D’n haktol had zijn naam niet voor niets. Het was namelijk niet alleen de bedoeling de tol te laten draaien, maar ook om er een andere tol mee te splijten, te kluujve. Om dit te voorkomen werd de tol bekleed met punaises. Niet altijd even handig, want als je de tol oppakte als-ie nog draaide, hadde de vèlle ôn oew vingers hange. Echt jongenswerk dus. De rijdol van de meisjes was een rank tolletje met een hoedje, dat in beweging werd gehouden door met ’n zwiepke (een zweepje) tegen het ranke gedeelte van de rijdol te slaan. Meske pikke Een ander spelletje was meske pikke. (Niet te verwarren met landje pik, landje veroveren of meske steejke. Een genderneutraal spel, zij het dat het benodigde meske om ‘het landje’ mee te veroveren altijd geleverd werd door een van de jongens.) Meske pikke was een echt jongensspel. Logisch, want hiermee lieten de deelnemers zien hoe behendig ze waren met hun kniejp (zakmes). Dat was met­ een de enige voorwaarde om mee te kunnen doen (en waarmee meisjes werden uitgesloten); ’n kniejp hebbe. De arena bestond uit een stukje (zwart) zand. Er traden vier of vijf deelnemers in het strijdperk. De eerste worp kende verschillende varianten: een vuist maken, het mes in de vuist leggen en met een vloeiende beweging in het zand werpen. Of het mes met een driedubbele salto in het zand werpen. Het mes moest in de grond steken en er diende minimaal twee vingers ruimte te zitten tussen het heft en de grond. Was de worp mislukt, dan was de volgende aan de beurt. Daarna werd de behendigheid getest in een aantal stap-

14

Brabants nummer 24 - maart 2020

pen. Degene die het eerst het parcours met succes had doorlopen, was winnaar. Enkele variaties: binnenhaand: plaats het mes met de punt in de palm van je hand en werp het met je vrije hand in een vloeiende beweging in het zand. Het mes moet in de grond steken. (Dat geldt ook voor alle volgende stappen); bovenhaand: leg het mes op de bovenzijde van je hand met de punt naar voor. Beweeg je hand zodanig dat het mes met een salto in het zand komt te steken; terughaand: idem bovenhaand, maar nu ligt het mes in de palm van je hand; tien vingers: zet het mes met de punt op je duim en werp het met je vrije hand in een vloeiende beweging in het zand. Daarna de volgende; knie, kin, neus, hoofd: zet de punt van het mes op je knie (kin, neus en hoofd) en werp het met je vrije hand in een vloeiende beweging in het zand; trekkerke: neem het lemmet van het mes tussen duim en wijsvinger (smalle kant boven), werp het met een trekkende beweging van je af en laat het met een salto in het zand landen; wipperke: neem het lemmet tussen duim en wijsvinger (platte kant boven), werp het mes omhoog en laat het met een salto in het zand landen; Engels hemd: leg het mes op de bovenkant van je hand met de punt naar je pols en laat het met een salto in het zand landen; wipkarke: leg het mes in je hand met de punt naar de pols en sla met je vrije hand op het heft, zodat het mes na enkele salto’s in het zand belandt. Degene die als laatste eindigde moest een straf ondergaan; pinneke trekke. Hiervoor plaatste de winnaar een lucifer (of een houtje) in de grond en sloeg daar drie keer met het heft van de kniejp op. Aan de verliezer ‘de eer’ om met zijn tanden de lucifer uit de grond te trekken. Bijna overbodig om te vermelden dat de ongelukkige meestal ook een hap zand te verwerken kreeg. Dus mocht de minister alsnog besluiten het meske pikke te ‘genderneutraliseren’, dat kan. Mar dan wel uurst pinneke trekke. (Met dank aan Bert Akkermans.) Illustraties Mathilde Artwork


VAN DE REDACTIE

Hier meude laache Cor Swanenberg, Riny Boeijen en oud-Heeschenaar Henk Janssen verzorgen op zondagmiddag 15 maart in De Pas in Heesch een gezellige Brabantse voorstelling met liedjes en verhalen in dialect. Het programma met als titel Hier meude laache begint om 14.30 uur en eindigt circa 16.45 uur. De voorstelling wordt muzikaal omlijst door accordeonist Henk Verhagen en bassist Emile Böinck. De opbrengst van de entree, die € 10,00 per persoon bedraagt, gaat in zijn geheel naar de Stichting Brabants, die met dit geld allerlei projecten op het gebied van de Brabantse taal ondersteunt. Voorbeelden daarvan zijn dit tijdschrift en het Brabants boekske, dat net is verschenen. Toegangsbewijzen zijn te bestellen via de website van De Pas, De Misse 4, Heesch, www.de-pas.nl, of telefonisch tussen 10 – 16 uur bij de theaterkassa 0412-451634. v.l.n.r. Cor Swanenberg, Riny Boeijen, Henk Janssen Foto Frans van den Bogaard MRINUS DE WITTE

De Witte wit wir wè Als je in het dialect van Berghem (’t Bèrgs) zoekt naar fruitsoorten en aanverwante woorden, is de oogst beperkt. Woorden als appel, pruim en peer bijvoorbeeld kennen geen dialectische vorm. Nu ik dit rijtje zie staan, moet ik weer denken aan een uiterst ondeugend grapje uit mijn jeugd. Een juffrouw vroeg aan de klas of ze een zin konden maken met zoveel mogelijk vruchten. Jantje - wie anders - werd overtuigend winnaar met de zin: ‘Juffrouw, doet oew biejn ’n bietje wijer oope, dè’k mi munnen appel teegen oew pruim ôn peer.’ Overigens hebben de verkleinwoorden van deze drie vruchten wel een dialectische vorm; èppelke, prömke en perke. De laatste kent ook nog ôkstperkes - de benaming voor de eerste rijpe peertjes in het seizoen - en klaps, de aanduiding voor de perensoort Clapp’s. De lekkerste appels waren natuurlijk de exemplaren die mi haand gevat waare, ofwel gejat. De opwinding die de strooptocht in de tuin van de pestoewr (pastoor) veroorzaakte, woog immers zwaarder dan de smaak van de buit. Maar goed ook, want onze planning was vaak belabberd (en dat wist die pastoor ook). Te vroeg in het seizoen waren de appels zô zoewr ès brem (heel zuur) en te laat waren ze gewörmt of verpiert (wormstekig) of hadden last van buikzuujt (beurs, overrijp). Van het eten van die onrijpe appels - groewze genoemd - kreeg je buikpijn, maar dat reageerden we af door de kroese (klokhuizen) in de pastoorstuin te gooien. Ons opa had meer geduld dan wij en een goede methode

om fruit te laten rijpen. Hij legde de onrijpe appels in de môjjek; op een warme plek, bijvoorbeeld op de hooizolder tussen het hooi. In de bessen (verzamelnaam: bizzeme) is de variatie in dialectwoorden nog het grootst. Zo zijn er brembizzeme (bramen), die uiteraard aan breem (braamstruiken) groeien, en hebben we krijssels of kroesels (kruisbessen). Ook kralle behoren tot de bessenfamilie, maar die zijn meestal niet eetbaar (zoals de lijsterbes). En om verwarring te voorkomen: hoort u een Berghemnaar over ’n besje spreken, dan bedoelt-ie geen vrucht, ook geen oud dametje, maar een kalf. Voor perziken zijn er in ’t Bèrgs zelfs twee dialectische benamingen; mèrketons en spiereke. Verwar de laatste niet met ’n spierke, want daarmee wordt (gras)sprietje bedoeld. Tot slot; een sinaasappel pellen is unnen appelsien afblekke en het spreekwoord ‘een appel valt niet ver van de boom’ is met zô’t aardt, zô’t roast ook van de fruitschaal gevallen. Illustratie Mathilde Artwork Brabants nummer 24 - maart 2020

15


BRIGIT BAKX – HERMANS

Zonder dwarsleggers gin rils ’t Was Allerziele. ’t Kerrek’of was sfeervol verlicht mè kerskes en witte linte waaide sierlek in d’n avendwind. De dòòje zouwe d’r blij van worre n’as z’t zouwe kenne zien, zo gèèf. Me kwame verbij ’t graf van Nilles. D’r sting ’n blauw teke n’op z’nne zerrek. Zou ’t worre geruimd? Navraag leerde n’ons datta d’inderdaad zo was. D’r was gin femilie mir die de grafkoste wou betale. D’r was nog erreges ’n achter-achterneef, mar die rook zellef ok al naar de schup. ‘Trouwes’, zee d’n grafdellever, ‘Da’s nog mar afwachte. ‘t Is nogal ’n eiken’oute.’ Me moeste n’n bietje lache n’in ons eige. ’n Eiken’oute? Nou da zat bij zullie in de femilie. Nilles kwam van ’n éél bos mè d’eiken’out. Zo make ze ze tegeswòòreg nie mir. Z’n opa en z’n vader ware n’ok zo dwars as ’n ekke. Nilles addet dwarse van alletwee g’orreve, dus dan wit ’t wel. IJ gong altijd z’n eige gang. Mar, ’t was t’r ok één mè d’n artje. Nilles kon gin onrecht zien. IJ sprong dikkels voor iemand in de bres en moes ’t dan bezure. Da kon t’m nie schille. ‘Wa ken mijn da nou verabbezakke,’ zeetie dan en aalde z’n schouwers op. ‘Ik weet da’k gelijk eb.’ Opoe riep dan vanuit de bedstee: ‘D’r deug gin aar of stèèrt van.’ ‘Gelijk ebbe n’is nie gelijk krijge kul,’ verzuchte z’n moeder dikkels en gaf t’m ’n aai over z’n krulle. ‘Ach vrouw,’ zee z’n vader, ‘zonder dwarsleggers gin rils’ en knipòògde nar z’n zeun. ’t Wier oorlog. Nederland was neutraal en mobeliezeerde. Nilles wier, op z’n 18e in 1916 opgeroepe vor ’t leger. ’t Was veul niks doen en wachtlòòpe. Op ’n gegeve mement moese ze naar de grens bij Put. Dèèr lag ok de ‘Dòòjedraad’ mè genogt volt om ééle volleksstamme te vermoorde, wa d’ok gebeurde. Nilles was éél erreg aangedaan over wattie zag en oorde van de Bels die z’arresteerde toen ij aan die draad was ontsnapt. ‘D’r deug gin aar of stèèrt van’, mompelde n’ie in z’n eige. ‘Wa d’edde nòòdeg?’ vroogtie aan de bange vluchteling. ‘Oew geweer,’ zee dieje’n Bels. ‘Dan ken’k trug om m’n femilie t’ale.’ Zo gezeed, zo gedaan. Nilles moes iervoor vor de krijgsraad komme n’en wier gevroge n’om spijt te tòòne. ‘Verrek mar mè d’éél oew andel’ rieptie tege de rechter. Toen ebbe z’m in ’t kasjot gegooid en dèèr ettie veul draad g’ad. Mar gelukkeg was d’n oorlog klaar en kreegtie grasie. Toen Nilles 42 jaar was, wer ’t wéér oorlog. Al gauw was ’t vechte n’echter gedaan, al’oewel Nil-

22

Brabants nummer 24 - maart 2020

les nog wel deur ad wulle gaan. ‘Overgeve? Da’s gin avans, kom op, deurvechte!’ Mar in oew eentje deurgaan ad gin zin. Overleve n’in oorlogstijd, dèèr kwam ’t nou op aan. Al snel lieptie tege de lamp tijdes z’n verzetsdade. IJ wier op transport gezet richting Duitsland om dèèr te werreke voor de n’oorlogsindestrie. IJ overwoog onder te duike, mar de Duitse n’offecier dreigde z’n femilie op te sluite. En die rotmof die méénde n’t. D’n dieje was uit d’n el gekrope toen de duvel sliep. Zo geméén as putwater. Nilles ad gin keus. IJ perbeerde n’in Duitsland de Nazi’s te dwarsbòòme deur de preduksie van bomme te sabbeteere n’en da lukte geregeld. Zijn afdééling was ’t minste prodektief. De straffe ware n’t zwaarste. De druk van de manne n’om mè z’n aksies te stoppe was tege dòòvemansore gezeed. ‘Wij bomme make die op ònze steeje n’en durrepe zulle valle? Da verrèk ik. Neeje, manne, me motte nie zwichte. Dan lijje me mar onger, dan sterreve me mar ier in deze n’el. D’r deug gin aar of stèèrt van.’ En ij vloekte n’artgrondeg. ‘Zonder dwarsleggers gin rils,’ oorde nie van achteruit de barak. ’t Was ’nne Berregenèèr, die net as ij, tewerk was gesteld. IJ kon Nilles van ore zegge n’en ok z’n vader. Same trokke z’op en déélde n’alles mè mekare. Ok d’infermasie, die bietje-bij-bietje binnedrong, over troepe van d’Amerikane die nou toch echt dichterbij kwame. En ’s nachs oorde ze ’t diepe gebrom van overvliegende bommewerrepers. Op ’n dag moese z’ammaal naar ’t stesjon. ’n Trein sting te wachte n’om de manne naar ’t ooste te vervoere. Ze wiere n’ammaal ingelaaje. ‘Wij gaan nie mee. We motte n’ommes naar ’t weste,’ fluisterde n’ie tege z’nne vrind en knikte naar ’n andere trein. ‘Op mijn teke n’en dan renne.’ De trein aan de n’andere kant van ’t perron kwam langzaam in beweging. ‘Nou!’ De twee manne rende d’r as de sodemieter naar toe en spronge d’r in. ’t Zurregde vor ’n òòp alterasie. D’r wiere schote gelost. Mar, z’adde n’t g’aald. En zo kwame de twee Berregenèère, naar veul omzwervinge, wir tuis. Nilles è d’éél z’n veddere leve bij ’t spoor gewerrekt. Ommes; zonder dwarsleggers gin rils. < In het dialect van Bergen op Zoom > Uit: De kont teege de krib. Brabants boekske 2020


VAN DE REDACTIE

Beeld-Spraak Natnek

In deze rubriek verzamelt de redactie humoristische afbeeldingen, korte teksten en wetenswaardigheden in en over dialecten en vreemde talen.

een in memoriam voor Joke Knoop, oud-journaliste van die krant. Een passage gaat over Knoop als beginnend verslaggeefster: ‘Peentjes zweten bij mijn eerste gemeenteraadsvergadering in Middelbeers, waar de loco-burgemeester onverstaanbaar dialect brabbelde en bovendien zijn kunstgebit thuis had gelaten.’ Alzheimer

Het is een ‘gaatje’ in de biermarkt: kleine brouwerijen die bieren maken met populaire namen. ’n Natnek (ook natnèk, natnék) kennen we in Brabant als een pedant, arrogant iemand, maar ook als synoniem voor iemand die veel drinkt. We hebben een lijstje gemaakt van Brabantse namen voor zuiplappen. Aanvullingen zijn welkom. Tilburg: pruuver - Bergen op Zoom: pro-e-var - Berghem: sneevelneus - Helmond: snèèvarneus - Mierlo: zaojpar - Boxtel: zèùper - Den Bosch: zuplap - Haarsteeg: zàplàp. Met de K van quukske

Wij kregen het bij de thee in Lage Mierde, maar ze zijn verkrijgbaar bij iedere Jumbo. Ook een trendje: ingebakken tekst. Taande Op 27 juni 2019 bevatte de editie Tilburg van het Brabants Dagblad

ook van De Ruwenberg”.’ Hij moet het vaak uitleggen, tegenwoordig, schreef Van den Boom. Zelfs Ruwenberg-Frans wordt dus niet meer gesproken. Vlaggen Soms komen we een website tegen die het verdient om in deze rubriek vernoemd te worden. Bijvoorbeeld deze: https://www.zeemaps.com/ map?group=1652614. De site toont de kaart van Brabant met daarop de locaties waar de rood-witgeblokte Brabantse vlag is uitgestoken en waar dialectteksten op borden en gevels zijn aangebracht. En u kunt bijdragen. Skônste

Hulpverleners van de stichting Alz­ heimer Nederland werken onder andere met zogenaamde ‘geheugenkoffers’. Daarin bevinden zich hulpmiddelen waarmee het geheugen van de cliënt gestimuleerd kan worden. Bij de afdeling Tilburg speelt dialect daarin een rol. In het koffertje bevinden zich bijvoorbeeld het Tilburgs leesplankje, een boek over de geschiedenis van de kruikezeiker, en ook kaarten met dialectische woorden en gezegdes. De cliënt moet dan raden wat dat betekent. Het goede antwoord staat op de achterkant. Bijvoorbeeld dat luiwèèvepap pap is van enkel melk en beschuit. Nogmaals: De Ruwenberg Naar aanleiding van de anekdote van Anton van Duinkerken over het belabberde Frans dat leerlingen van De Ruwenberg spraken, stuurde Martien van den Boom uit Gemert, oud-leerling van De Ruwenberg in de jaren vijftig, ons een vergelijkbare herinnering. ‘Iemand staat in Parijs op de trein te wachten. Naast hem staat iemand, die ook wil instappen. Hij zegt uit beleefdheid: “Allez votre corridor”. Zegt de ander: “Gij komt

Na renovatie van het centrum van Schijndel (Skendel) heeft de gemeente in 2016 een drietal bankjes geplaatst. Het eerste bankje, dat rondom een lantaarnpaal is gezet, staat op een zeer strategische plaats vanwaar men een mooi uitzicht heeft op de Markt, de Glazen Boerderij en de winkelstraat en heeft daarom de naam ‘t Skônste Plèkske gekregen. De locatie leent zich ook ideaal om af te spreken als ontmoetingspunt. Houdoe

Brabants nummer 24 - maart 2020

23


JOS SWANENBERG

Nieuw boek over de Waalwijkse taal ‘Ah, kwam ik maar uit Waalwijk, dan had ik nóg meer kunnen genieten van het fraaie koffietafelboek Wollukse Praot. Over de Waalwijkse taal, samengesteld door de Dialectgroep Wollukse Praot en vorige week in Waalwijk gepresenteerd. Ik kan me niet herinneren ooit zo’n mooi dialectboek te hebben gezien.’ Zo schrijft Marc van Oostendorp, hoogleraar aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, op 14 november 2019 op de website www.neerlan­ distiek.nl. Daarmee geeft hij een prachtig compliment aan de samenstellers van dit dialectboek dat op 31 oktober werd gepresenteerd in het gemeentehuis van Waalwijk. Van Oostendorp roemt de inhoud van het boek, die niet alleen bestaat uit een dialectwoordenlijst (die de kapstok vormt) maar ook uit gezegden, liedteksten, allerlei interessante weetjes over de taal, cultuur en geschiedenis van Waalwijk, prachtige illustraties en veel leuke verhalen in het dialect (die samen een kleurrijke mantel aan de kapstok laten zien). Het meest onder de indruk is Van Oostendorp van het hoofdstuk met een overzicht van grammaticale kenmerken van het Waalwijks, zoals de verkorting van klinkers en de vorming van verkleinwoorden. Toegankelijk Wollukse Praot is inderdaad heel leuk en lezenswaardig; de samenstellers hebben hun best gedaan om een boek samen te stellen dat zeer toegankelijk is. Naast de opzet met voorbeeldzinnen en beeldmateriaal, helpt ook de spellingswijze van het dialect bij deze toegankelijkheid. De spelling is er bij uitstek op gericht om zo min mogelijk afwijkende tekens te gebruiken. Zodoende is het dialect gemakkelijk te lezen. Achter in het boek is deze spellingswijze op een heldere manier uiteengezet. Het boek bevat ook een beschrijving van de geschiedenis van de dialecten van de Lang­ straat, waartoe het Waalwijks behoort, en een beschrijving van het onderzoek naar deze dialecten, de dialectologie. In de beschrijving van de taalgeografie van de Langstraat worden vier

26

Brabants nummer 24 - maart 2020

dialectgroepen rondom Waalwijk behandeld: naar het zuiden en westen Kaatsheuvel, Loon op Zand en Sprang-Capelle, verder naar het westen Waspik, Raamsdonk en Raamsdonksveer, naar het oosten Drunen en Elshout en verder naar het oosten Nieuwkuijk, Vlijmen en Haarsteeg. ‘De verschillen tussen de Langstraatdialecten kunnen te maken hebben met het stadse karakter van Waalwijk dat het dialect, meer dan de dialecten in omliggende dorpen, in contact met het Nederlands heeft gebracht. Het Waalwijks blijkt namelijk in de afgelopen eeuw verder naar de standaardtaal te zijn verschoven dan zijn buurdialecten’, zo vertelde me een van de samenstellers van het boek, Yoïn van Spijk. ‘Zowel ten westen, in Kaatsheuvel, als ten oosten, in Drunen, zeggen veel ouderen bijvoorbeeld nog himd (hemd), îmmer (emmer), speêk (spaak) en zwòllem (zwaluw), terwijl zelfs de alleroudsten in Waalwijk alleen hemd, emmer, spaok en zwaoluw kennen.’ De werkwijze Yoïn van Spijk lichtte me de werkwijze van de samenstellers toe. Dialectgroep Wollukse Praot begon in 2016 met het vastleggen van de spelling. De groep wilde de klankrijkdom van het Waalwijks op papier tot uitdrukking brengen. Daarom kregen alle 29 betekenisdragende klinkers een eigen schrijfwijze. Tegelijkertijd moest het dialect prettig leesbaar zijn en geen benadering van een fonetisch alfabet. Zo werd besloten om de tweeklank van boôm als oô te spellen en niet als ooë of oeë. Boôm lijkt namelijk nog steeds op het vertrouwde boom, terwijl booëm of boeëm een stuk lastiger te lezen zou zijn. Toen de spellingshorde genomen was, begon de dialectgroep aan de woordenlijst die op de linkerpagina’s van het boek zou komen. De groep maakte een selectie uit de woorden die de leden in de loop der jaren opgetekend hadden. De lijst hoefde namelijk niet volledig te zijn. Elk van de uitgekozen woorden werd vervolgens uitgebreid bediscussieerd. Eerst werd de uitspraak genoteerd. Is het bijvoorbeeld stròp (deugniet) met de o-klank van het Duitse Kopf? Of strop met die van het Franse Provence? Het bleek strop. Daarna werden de eventuele verschillende betekenissen onder de loep genomen. Neem frutte: dat betekent flansen, frunniken en proppen. Bij elke betekenis


AD BOOGERS

bedacht de groep een voorbeeldzin voor de context. Zo staat bij de betekenis frunniken: Wè zitte tòch ammel meej dieje wol te frutte? De ene avond kwamen er wel vijftig woorden aan bod, de andere avond niet meer dan tien. Uiteindelijk telt de lijst meer dan duizend woorden. Er bleken maar weinig woorden te zijn die alleen in Waalwijk voorkomen. Een zeldzaam voorbeeld is dreûggoéd: brood met speculaaskruiden, kaneel en basterd­ suiker. Elders in de Langstraat heet deze regionale sinterklaasspecialiteit mikkeman. Verder zijn er natuurlijk woordvórmen die kenmerkend voor Waalwijk zijn. Neem kijnder (kinderen), dat elders in de Langstraat kender of kèènder luidt.

De verlaote kender

< In het dialect van Oud Gastel >

Aon ’t Willeminapark in Tilburg waar ’n klôoskloster waor kender wonde die dur umstandigheeje ginnen thèùs hadde. In de volksmond hiete dè ‘de verlaote kender’. B’ons thèùs hadde ze ’n bakkerij mee winkel en brôodbezörging. In de naacht wier ’t brôod gebakke, waorvan ’n gedilte vur de winkel waar bestemd. De rest wier dur ons vaoder bij de klaante thèùs bezörgd. Dè noemde we ‘toer rije’. Ons moeder hiel de winkel bij, dee ’t hèùshouwe en droeg de zörg vur zes kender. ’t Gebeurde wel ’s dè ons moeder in de winkel unne klant aon ’t helpe waar terwèèl ze heurde dè d’r aachter de klapdeur (die de winkel van de wôoning schaaide) ’n flinke ruzie gaonde waar. Ons moeder wier dan zinnoewèèchtig, liep rôod aon en störmde nor aachtere. ’t Urste beste kèènd desse teegekwaam, kreeg ’n draai um z’n oore. Mistal waar dè nie de veroorzaker en prompt begon ’t slachtoffer dan te schreuwe. We waren ammòl druktemaokers, mar Noud spande de krôon. En hij waar vur d’n duvel nie bang. Ès ons vaoder tusse de middag thèùs kwaam um (wèrm) te eete, dan mòkte ons moeder heur beklag over onze Noud. Steevaast zee ons vaoder dan dè ès hij zôo deurging, hij hum naor de verlaote kender zô brenge. Ha ha, dè gebeurt toch nie, zee onze Noud dan. Mar op unne keer had Noud ’t weer wir zó zô bont gemakt gemòkt dè onze Pa zee: ‘Stap mar in d’n auto’. Hij reej nor ’t Willeminapark en belde aon bij de grôote deur van ’t kloster. Nao efkes dee ’n zuster ope en ons vaoder lee èùt dè deeze jonge thèùs nie te handhaove waar en dè z’n moeder veul koppènt van hum kreeg. (Intusse knipôogde hij -zonder dè Noud ’t zaag- nor de zuster en vroeg of hij de jonge aachter kon laote, zôdè de zusters vur hum konne zörge.) Ze stapte saome d’n donkere gang in. Toen kreeg Noudje ’t toch wel èèreg benauwd en zette ’t op ’n brulle. Ons vaoder en de zuster hebben overleg gepleegd en beslote ’t thèùs nog êene keer te perbeere en dè is zeeker ’n week goed gegaon… (Onze Pa kennende heet ie laoter zeeker nog iets lekkers bij de zusters afgegeeve.)

Uit: Brabants zand is gin verlore land

< In het dialect van Tilburg >

De Dialectgroep Wollukse Praot bestaat uit Jan-Bert Aarts, Piet van den Berg, Bert Leenheers, Max van Mierlo, Gerard Smulders, Yoïn van Spijk en Toon Steenbergen. Wollukse Praot. Over de Waalwijkse taal werd uitgegeven door de Stichting Langstraats in Woord en Beeld. Contact: dialectgroepwolluksepraot@gmail.com

ELLY SCHEPERS-CORSTJENS

ZAANDPAD Boove de velde, blèft de waarmte ange ’n zaandpad meej diepe voore kròònkelt tusse goudgjeel koore w’oog opgeschoove as zomers stuifmjeel schuif ’t zaand òònder òònze voete voruit vult vor efkes de diepe karrespoore de gouwen akker gift ’n schuilplaots aon vurig rwooie klaprooze, d’r mutse deine tusse wiete magriete as ’n kleurig ballet kooreblomme, blaauwer as den blaauwsten emel daanse meej op de maot van de waareme wiend kienderlijk blij plukke me aareme vol zoomer ’t maokt van de mjeeste mèènse ’n drwoomer d’ouwere jeugd wit ’t vrijerspad ok te viene zaandpad is stiekum getuige van veul dienge en waor ze nog altij liedjes over zienge de jiste verliefde kusse tusse ’t koore meskes en jonges die daor d’r onschuld verloore ontelbaore voetstappe ligge nouw òònder graauw beton en staopels stjeene begraove zaandpad uit òònze jeugd, òòns Kèèperke, da mwooi stukske erinnerieng van toen daor motte me ’t nou vortaon meej doen da zaandpad tegenover òòns thuis lig nouw vorgoed òònder mijn uis!

Brabants nummer 24 - maart 2020

27


COR SWANENBERG

De lach van… Gerard Korthout Gerard Korthout (1960, Berkel-Enschot) is een entertainer van formaat. Hij studeerde arbeidsmarktpolitiek en personeelsbeleid en is directeur van een trainingscentrum. Hij verzorgt vooral bedrijfstrainingen en straattheaterfestivals. Als directeur van Bleyewerck wordt hij een van de meest bijzondere trainers van ons land genoemd. Hij speelt net zo makkelijk de rol van een inleider met expertise als die van een begaafde humorist. Blijdschap maakt elk zwaar thema lichter en geeft elk onderwerp de benodigde diepgang. Hij trad soms op als Geert van Tieniskus. Tijdens zijn Brabantse voorstellingen werkte hij vaak samen met saxofonist Pieter van der Kleij. Korthout is befaamd om zijn interactie met het publiek. Zijn grootste kwaliteit zit in het spontaan delen van liedjes en teksten met zijn auditorium. Dat gaat hem ook in dialect goed af. Hij kan op aanstekelijke wijze omgaan met out of the blue geplukte willekeurige Engelse teksten en deze spontaan en hardop vertalen in zijn Brabants. Op klank met net een andere lading. Gerard Korthout won in 1993 de Marcus Marconi-publieksprijs op het Internationaal Theaterfestival in Rotterdam. Hij maakte ook furore als stand-upcomedian. Snelle humor is zijn handelsmerk. Dat zit ook besloten in zijn kolderieke liedjes Lillik lempke en de lamme lozzie, Bettie akkum aai (op de cd van De kammeraoj) en Menne zoon die kan nie voetballe... (op de cd Wakkere Kerels). In 2020 is Gerard dertig jaar actief. Zijn artistieke leven ligt vooral in theaters, festivals en comedy nights.

28

Brabants nummer 24 - maart 2020

Hij heeft vier cd’s gemaakt in eigen beheer. De kammeroaj (van Geert van Tieniskus), Wakkere Kerels, Villa Eikenbosch (bij gelegenheid van de annexatie van Berkel-Enschot door Tilburg) en De WaddenParels (speciaal voor het Oerol Festival). Er staat een nummer van hem op de cd Brel op zijn Brabants: Gij m’n vrouw... In september 2019 bestond zijn ei-

gen Theater De Boemel in Tilburg al vijf jaar. Zonder subsidie, sponsors of entree een toch drukbezochte hotspot. Regelmatig is het met recht een theater van de zachte G, waarbij zijn humor, taalvaardigheid en muzikaliteit in de strijd gegooid wordt, vrolijk en virtuoos gelardeerd met dialect. ‘Het zijn vaak de mooiste momenten in ons Bleyemakerij in de Spoorzone’,

Gerard Korthout

’t Lillik lempke en de lamme lozzie ’n Lillik lempke in de goej kaomer op de kaast baolde as unne stekker, was d’r egge veul tot laast ze haj nòòt vaaste verkering, twas aataaj ‘aon en èùt’ lillikert in d’n donkert, nèè gèèn mêens wòòi hur as brèùt lalalalilliklempke, lalalalammelozzie ze braande van verlange, wè liep ze tegen de laamp niemand um vur te schèène, allicht was dè ’n raamp ze begos al wè te knippere, ze kos ’t niemmer aon toen was ’t lempke opgebraand, hur licht was èùtgegaon mar op ’n sondaagemèrge, zonne schônnen dag in maaj laag daor unne lamme lozzie, aon de ketting en opgedraojt die begos rapper te lòòpe, toen ie ’t lempke zaag en ’t lempke haj ted zat jèh, toen neffe heur die lamme lozzie laag de lozzie was wel wè getikt, wies meej de ted gèèn raod mar vur ’t lillik lempke kwaam ’t lozieke nie te laot ‘ik ben lillik en haj getikt, dè stikt toch nie zô naaw ’t kan me krèk niks schille omdèk van dieje lamme lozzie haaw Sindsdien schènt ’t lillik lempke as unne lanèrnpaol En dieje linke lamme lozzie is wèèzer dan ons allemaol Die denkt baaj z’n egge: ‘tis ammaol naovenaant, D’r is aataaj wel ’n lempke dè vur unne lamme lozzie braant’ (Van de cd De kammeraoj van Geert van Tieniskus. Tis alezlèève fist.)


MATHIEU BOSCH

Nie ligge soeliën

zo zegt Gerard zelf. ‘Hij staat bekend als ‘de verbale wervelwind’ omdat hij de mensen in korte tijd aan zich weet te binden, ze te laten zingen en te laten zeggen waar het om draait en vooral veel te laten leren en lachen’ zo lezen we op zijn website. ‘Als geen ander is Gerard in staat om ernst en humor hand in hand te laten gaan.’ Korthout trad meermaals met groot succes op in het uitverkochte Lachen Liedfestival voor het goede doel in Theater De Lievekamp in Oss.

Geef een abonnement op Brabants cadeau! Voor slechts € 24,50 verras je iemand met een jaarabonnement op Brabants. Stuur een mailtje met de gegevens naar info@stichtingbrabants.nl en wij regelen het voor u. Voor familie of vrienden in het buitenland? Ook dat is mogelijk, zowel een papieren abonnement als een digitale versie. (Zie voor meer info het colofon achterin).

Ik molk de koej on d’n Heibloemsedijk. Door zaag ik ze vur ’t urst vurbé fietse. ’t Kenje ha lang hoor, lang rokke en ’n stroie huudje op, en ik denk nog alt dek ze ook rook. Iets zuuts. Nor ’n sterappelke. Klein en vurig. ’t Blif lang bè kèke. Tot ze unne keer nie fietste mar liep, ongetierig mè de fiets on de haand want de ketting lag eraf. ’t Huudje onder de stieke. Ik kwam net onder de koej ùt, in m’n koiste boks en ik waar kets alleen, nie strant zat um meer te doen as te kèke. Tog waart liefde op ’t uurste gezicht. Zeker toen ze me riep. ‘Hé jonge, kunde gij da maake?’ M’n neptang en kniep kwame van pas. Ze kwaam ùt Mirroi, zin ze, van ’t Loor. Marie hiette ze. Ze waster een van de aacht van Hendrik en Jaantje Schouten. Ok boere. ‘Hoedou en bedankt hè,’ en door ging ze wer. Sinds die tet zweide we. Tot Hezik kermis. In m’n sondusse boks en wa bier op hak meer protjes, munne moat, inne van Roefs hasse ok gezien. ‘Dôr kunde bitter inzitte as in unne rol pikkedroad,’ hattie gezeet. Da docht ik ok en ik ging ’n hortje metter buurte. Ze luste wel wa limmenade, we delde ’n stukske kwatta en we gingen in de schommels, zo hard est kon, tot boven tegen ’t dek. Eigenlijk han we sinstoen mee verkering, dikke mik waart. Mè de jorre werd ’t zuutjeson wa serieuzer en we zochte en vonde ’n hùske. Toch ging d’n trouw en vooral ’t buurtje vuraf nie vaneiges. D’r vodder zat altet neve de kachel in zunne rookstoel. Ùtgeleefd, maar nog vol vuur in z’n oge. Mè in z’n haand ’n ooit wit gewist emaille pènneke wor hij elke hoestbui in spouwde. Ons Mrie hak netjes gevroogd en ze ha Ja gezeet. Mar skonvaoder waar ginnen hendige. Zonne strèèjzak die’t nerges mè ins is. Tegekrùps, unne grenzerd ok. Mar ik moes ’t toch gon zegge. ‘We gon hier nie over ligge soeliën jonge,’ zinnie. Ik verschoot er van. Ik docht we

doen ’n borreltje op ’t neits van de trouwerij en proosten op ’t fist en z’n gewilde nageslacht. Mar hij hoestte en spouwde nog unne keer extra en kwam ’n bietje neutelig overeind. Hij wo alles wete over geld, wek ha gespoard, hoek de kost docht te verdiene. Mar ik was altet, en nog, unne nette jonge. Ik ha goej pepiere en d’r ging gin kooi woord over me rond. Ik zin hard te gon werke vur z’n dochter en de jong die zeker zo’n komme. Hij leek tevreje, hij hoestte, gaf me ’n haand en hiette me welkom bè de familie, al blif ie wa kummelig kèke. En omdè vruuger, de vodder van de bruid ’t grootste deel van ’t fist betolde, zaat me da toen al nie lekker. Tegenwoorig wurt er niks mer gevroogd. Ze trouwe mar on en de ouwlui, as ze al nie zelf geskeije zen, moete blij zen dasse op fist meuge komme. Maar m’n protje over de planne mè ons Mrie, de jong en de koej viel in goej aarde en hij zaag ’t wel zitte, zinnie. Wel wottie tijdens de ceremonie nog wa zegge. Da waar skon, docht ik. Op onzen trouwdag stonter neve d’n ambtenaar van de geminte tijdens de plechtigheid ’n skon nèèj skup mè ’n lintje en wa bluumkes om de steel tegen ’t spreekgestoelte. Skonvodder hoestte en spouwde nog unne keer en kwaam wa kremmig ùt zunne stoel, hij hield ’n skon woordje. Da moet gezeet, over ’t goei en ’t kooj, vural over z’n zuute dochter, mar ook wa over men. Dettie tevreje waar en geloof ha in ’n skon toekomst same, mar ’t ha ’n verrassend eind: ‘Ziede die skup door ston, jonge? Kekt ’m mar goewd on, want die bewoor ik vur ouw. As ge ons Mrie ooit ook mar één hoor krenkt, dan kom ik oew door mè kapót slaon.’ < In het dialect van Loosbroek > Uit: De kont teege de krib. Brabants boekske 2020 Brabants nummer 24 - maart 2020

29


Luisterbox Brabants 24

Colofon: Brabants, jaargang 6, nummer 4, maart 2020 Brabants verschijnt vier keer per jaar; in juni, september, december en maart Redactie: Riny Boeijen, Jan Luysterburg (hoofdredacteur), Ed Schilders, Cor Swanenberg, Jos Swanenberg Redactiesecretariaat: Cor Swanenberg, Milrooijseweg 109, 5258 KG Berlicum, tel. 073-5031879

Henriëtte Vunderink: Dötse keùlegraver (Tilburg) 1.13

AD DE LAAT

ZONDE Ès ge d’n biechtstoel instapte dan konde Rechtstreeks mé d’n himmel worre verbonde Ge had nog fiduusie In de absoluusie Nou nie mer, dè’s gen zund, nee, dè’s zonde

ÈRWTENMAN

Hogmoewd dè zulde bekoope Ok d’n èrwteman ist nie ontloope Boven op de Sint-Jan Zie nog steeds alleman Dèttie goed in de soep is geloope < In het dialect van Nistelrode >

Jaarverslag 2019 Zoals elk jaar te doen gebruikelijk vindt u op onze website onder het kopje Beleidsplan en financiën het Jaarverslag van de Stichting Brabants met de balans en de staat van baten en lasten. Op die pagina vindt u ook ons beleidsplan en de begroting voor het nieuwe abonnementsjaar. Dat abonnementsjaar wijkt overigens af van het kalenderjaar en loopt van juni tot juni. Voor een kijkje in de keuken en voor nadere informatie bent u altijd welkom op de website: www. stichtingbrabants.nl.

Aan dit nummer werkten mee: Brigit Bakx-Hermans, Leo de Beer, Jac. Biemans, Johan Boenie, Ad Boogers, Mathieu Bosch, Wim van Gompel, Tonny van de Graft, Ruud van der Heijden, Nard Jansen, Henk Janssen, Junt, Gerard van Kol, Gerard Korthout, Nico van Kruisbergen, Ad Louwers, Elly SchepersCorstjens, Gerard Ulijn, Henriëtte Vunderink, Mrinus de Witte en Hás van de Zande. Foto omslag: Henk Janssen. Tenzij anders vermeld zijn de foto’s in dit blad van Henk Janssen. Vormgeving: Meyer Grafische Vormgeving – Asten (www.meyergrafischevormgeving.nl) Druk: Grafisch Atelier Blaricum – Blaricum (www.drukkerijblaricum.nl) Uitgever: Stichting Brabants, Huub van Lieshoutstraat 6, 5401 BV Uden, tel. 06-51158839. KvK-nummer 60585412. RSIN 8539.72.199. ISSN 1572 – 1612. Bankrekening ABN-AMRO IBAN: NL73 ABNA 0545 3581 75 (BIC Code: ABNANL2A) Website: www.stichtingbrabants.nl E-mailadressen: Algemeen: info@stichtingbrabants.nl Redactie: redactie@stichtingbrabants.nl Abonnementen: Bestellingen, opgave en mutatie van jaarabonnementen uitsluitend via de uitgever, Stichting Brabants. Een jaarabonnement kost € 24,50. Losse nummers € 8,95 inclusief portokosten in Nederland. Voor abonnementen in het buitenland wordt de prijs van het jaarabonnement verhoogd met de van toepassing zijnde verzendkosten. Voor het buitenland is Brabants evenwel ook in pdfbestand verkrijgbaar. Van Hepscheuten, pseudoniem van Jan van Rijthoven, idee en tekst, met illustratie van Kees Wouters

Brabants nummer 24 - maart 2020

35


Van Hepscheuten

Profile for Brabants Magazine

Brabants nr. 24  

Tijdschrift over Brabanders en hun taal

Brabants nr. 24  

Tijdschrift over Brabanders en hun taal

Advertisement