Page 1

Brabants Jaargang 6, nummer 1, juni 2019

Kwartaalblad over Brabanders en hun taal

Kristel Doreleijers Vandiekomsa De schildersrekening Willem Ivenprijs 2019


Brabants nummer 21

Inhoud

12 Jan Luysterburg: Eerbetoon aan een groot schrijver: Het A.M. de Jong Museum

24 Van de redactie: Van boerenzoon tot taalkunstenaar. In memoriam Jan Elemans

2 Van de redactie: Voldoende is niet genoeg

24 Van de redactie: In memoriam Jan Naaijkens

4 Jos Swanenberg: Kristel Doreleijers onderzoekt Brabantse grammatica

25 Jan Luysterburg: Frans Oosterwaal: Bekèkt ’t mer

6 Nico van Kruisbergen: De lach van… Willem Iven

14 Junt: Stand van zaken 15 Ed Schilders: Zoals Cees Robben zei... (1) 16 Cor Swanenberg: Van boerenmeiske tot bestuurder

17 Ans Buys: Een Brabantse les 8 Henk Janssen: Riny Boeijen wint Willem Ivenprijs 2019

26 Mrinus van de Wittering: Brief ôn ons moeder (Winnaar Willem Ivenprijs 2019)

18 Piet Heerkens: De Schildersrekening van Bakel

27 Wim van Gompel: Weglating van de begin -n 28 Kristel Doreleijers: ‘Onzorgvuldige’ geslachtsmarkering: fout of goud? Weg met die clichés! 30 Johan Biemans: Örgel-ääremoei

9 Van de redactie: Boek en educatief project ’t Echte werk in Oosterhout 10 Riny Boeijen en Ed Schilders: Spraak-makend 11 Jac. Biemans: Zandpaden van Brabant

Brabants nummer 21 - juni 2019

19 Ed Schilders: Wiens schildersrekening? 22 Cor Swanenberg: Brabantser wor ‘t nie met Vandiekomsa


VAN DE REDACTIE

Voldoende is niet genoeg

31 Johan Boenie: Woensdrechtse woordjes. Geklwoot 32 Hás van der Zande: Sneijblomme 33 De Witte wit wir wè

33 Mientje Wever: Winkele 34 Marian Brands: De gèètenbok 34 Mathieu Bosch: Men kulle ze nie 35 Luisterbox 35 Zo kunt u betalen… 35 Colofon 36 Prent Van Hepscheuten

U heeft op dit moment het eerste nummer van Brabants, jaargang zes in handen. Het cijfer zes op school betekende vroeger in bijna alle gevallen, dat u een voldoende had behaald, dat u geslaagd was voor een examen. Ook voor de redactie van Brabants heeft de zes deze betekenis. Met het bereiken van de zesde jaargang hebben we aangetoond, dat we nieuwswaarde, niveau en kwaliteit hebben om te bestaan en te blijven bestaan. Toch reikt onze ambitie veel hoger. We willen doorgroeien naar ruim voldoende, goed, zeer goed en zelfs uitmuntend. En dat is mogelijk, maar alleen als u ervoor zorgt dat er abonnees bijkomen. Wanneer de Stichting Brabants, onze uitgever, meer inkomsten krijgt en daardoor iets ruimer in haar jasje komt te zitten, is het voortbestaan van ons geliefde kwartaalblad verzekerd. De redactie staat er borg voor, dat het ambitieniveau wordt bereikt. In dit nummer wordt een belangrijke bijdrage geleverd door het Brabants Boekenweekboek en de daaraan verbonden Willem Ivenprijs. De overduidelijke winnaar bleek, tot verrassing van velen, al vaker de hoogste trede van het podium te hebben bereikt. Wij feliciteren hem van harte middels een verslag van Henk Janssen. Willem Iven, dé verteller van De Peel, komt ook zelf in beeld door de rubriek De lach van… Jos Swanenberg steekt, samen met Kristel Doreleijers, de Brabantse dialectliefhebbers een hart onder de riem. Zij vragen zich bovendien af, of zogenaamd onzorgvuldige geslachtsmarkering ‘fout’ of nou juist ‘goud’ is. Cor Swanenberg verzorgt het muzikale gedeelte door zijn bespreking van Efkes Nog, de nieuwste cd van Vandiekomsa. Daarnaast presenteert hij het succesverhaal Van boerenmeiske tot bestuurder. Vindt u de middenpagina’s van Brabants tegenwoordig ook zo uitzonderlijk interessant? Ed Schilders heeft weer een ‘evergreen’ opgediept. De rubriek Spraak-makend, die hij samen met Riny Boeijen verzorgt, verschijnt voor de laatste keer in deze vorm. Graag besteden wij aandacht aan een nieuw educatief project van Rensz Gorisse in Oosterhout. De Brabantse Hoeders (winnaars van de Brabant Bokaal) houden dit jaar een warm pleidooi voor behoud van de zandpaden. Jac. Biemans beschrijft het hoe en waarom. Jan Luysterburg bezoekt het A.M. de Jong Museum in Nieuw-Vossemeer en bespreekt het boek Bekèkt ’t mer van Frans Oosterwaal. Wim van Gompel bespreekt een merkwaardig verschijnsel: weglating van de begin-n. Johan Biemans zoekt en vindt ‘nnen örgel in dialect. Natuurlijk hebben we weer prachtige gedichten voor u in petto, evenals onze altijd weer interessante rubrieken en, niet te vergeten, het onbarmhartige commentaar van Junt op de samenleving. Wat wilt u nog meer?

Brabants nummer 21 - juni 2019


JOS SWANENBERG

Kristel Doreleijers onderzoekt Brabantse grammatica Brabantse dialecten verliezen hun positie als moedertaal. Toch wordt er nog volop Brabants gesproken, maar vaak is dat anders dan het ‘authentieke’ dialect. Zo las ik tijdens carnaval in Oeteldonk ‘unnen serenade’, maar klopt dat unnen wel? Kristel Doreleijers (25) uit Eindhoven doet onderzoek naar dergelijke veranderingen in Brabantse dialecten. Ze deed twee masters aan de Universiteit Utrecht, Neerlandistiek en Meertaligheid en taalverwerving, en werkt sinds vorig jaar bij het Meertens Instituut voor onderzoek en documentatie van de Nederlandse taal en cultuur in Amsterdam. De studie Nederlands is landelijk in het nieuws vanwege teruglopende studentenaantallen. Waarom ben je zelf Nederlands gaan studeren? Al op jonge leeftijd was ik veel met taal bezig. Op de middelbare school behoorden Nederlands en de vreemde talen tot mijn favoriete vakken. Ik hield van schrijfopdrachten, maar ook in grammaticalessen kon ik mijn hart ophalen tijdens zinsontledingsopdrachten. Taal was voor mij een vorm van puzzelen: met zinsstructuren spelen, formuleerfouten ontrafelen en stijlfiguren ontdekken. Toch zorgde vooral het plezier in schrijven ervoor dat ik Nederlandse taal en cultuur ging studeren. Pas tijdens mijn studie kwam ik erachter dat je bij de opleiding Nederlands helemaal niet echt leert schrijven! Waar de nadruk bij het schoolvak Nederlands vooral lag op communicatieve vaardigheden (hoe bouw je een goede tekst op, hoe schrijf je een foutloze tekst, welke strategieën pas je toe bij het begrijpen van een tekst?), stond bij de studie Nederlands de taal zelf centraal. Ik vond en vind het nog altijd enorm fascinerend om taal vanuit een beschrijvend perspectief te beschouwen en niet (meer) alleen vanuit een oordelend perspectief: de normatieve vraag ‘wat is goede taal?’ maakte tijdens mijn studie plaats voor de fundamentelere vraag ‘wat is taal eigenlijk?’ Op een analyserende manier naar taal kijken en met taal experimenteren had ik altijd al het leukst gevonden, maar als scholier had ik geen idee van de academische wereld die hierachter schuilging. Heel wat mensen in mijn omgeving keken daar ook raar van op, want ‘bij Nederlands leer je toch foutloos spellen?’ en ‘als je Nederlands studeert ken je toch minstens het woordenboek uit je hoofd?’ Tijdens mijn studie leerde ik echter dat dit soort vooroorde-

4

Brabants nummer 21 - juni 2019

len over neerlandici nauwelijks bij de werkelijkheid aansluiten. Van een neerlandicus/-a wordt natuurlijk verwacht dat hij of zij foutloos een heldere en overtuigende tekst kan schrijven, maar vooral ook dat hij of zij inhoudelijk iets kan zeggen over taal. Hoe vertaalt jouw enthousiasme voor taal zich naar je huidige werk? Ook tijdens mijn huidige werk op het Meertens Instituut houd ik me dagelijks bezig met het bestuderen van het Nederlands en allerlei varianten van het Nederlands. In mijn onderzoek laat ik zien dat talen er ‘van de buitenkant’ heel verschillend uit kunnen zien, maar dat je in al die verscheidenheid ook een systematiek kunt ontdekken. Sprekers doen nooit zomaar wat! Het blootleggen en duiden van de structuur van taal kan ons veel leren over menselijke cognitie, maar ook over de sociale kant van taalgebruik: waarom maken mensen bepaalde taalkeuzes, en wat hebben die keuzes voor effect? Door talen als natuurlijke en dynamische systemen te bestuderen, wordt het ook mogelijk om met een objectievere blik naar taal te kijken. In mijn werk wil ik laten zien dat verschillen tussen talen helemaal niet zo onlogisch zijn als men vaak denkt. Alle talen, van standaardtalen tot dialecten en jongerentalen, zijn intrinsiek gelijkwaardig. De ene taal is vanuit een structureel (grammaticaal) perspectief gezien niet beter dan de andere. Het opdoen van nieuwe, verrassende inzichten is een van de leukste dingen aan taalonderzoek, maar mijn werk is vooral geslaagd wanneer ik ook andere mensen, het algemene publiek, van deze inzichten kan overtuigen. Hoe kom je met dialect in aanraking in je dagelijkse leven? Spreek je zelf dialect? Sinds mijn master Neerlandistiek houd ik me bezig met onderzoek naar variatie en verandering van Nederlandse dialecten, met name de Brabantse dialecten. Die interesse is in eerste instantie voortgekomen uit de wetenschappelijke behoefte meer over dit onderwerp te weten, maar zeker ook uit mijn waardering voor dialect als cultureel erfgoed van de regio. Ik heb als stagiaire een tijdje meegedraaid bij


Stichting Erfgoed Brabant in ’s-Hertogenbosch, en vanuit die rol ben ik me ook meer gaan verdiepen in het belang van het documenteren en stimuleren van dialect. Vanuit mijn onderzoek hoop ik kennis over dialectvariatie over te brengen naar dialectliefhebbers, erfgoedwerkers en andere professionals die zich met streek­ taal(beleid) bezighouden. Het maken van de vertaalslag van wetenschap naar praktijk vind ik een belangrijke taak voor onderzoekers. Ik ben zelf geen échte dialectspreker, maar ik ken genoeg mensen in mijn omgeving die wel dagelijks dialect gebruiken. Als Eindhovense krijg ik boven de rivieren wel regelmatig de vraag of ik uit Brabant kom, bijvoorbeeld vanwege mijn ‘zachte g’. Maar voor de goede orde: tongval is nog geen dialect! Vind je dat er in het onderwijs meer aandacht voor taalvariatie en -verandering mag zijn, en zo ja, hoe zou dat moeten gebeuren? Absoluut! Ik ben ervan overtuigd dat meer scholieren zouden kiezen voor een talenstudie zoals Nederlands als ze op de middelbare school méér met inhoud en mínder met vaardigheden bezig zouden zijn. Taalkunde is een prachtig vakgebied, dat ook voor bètaleerlingen met een goed gevoel voor abstract en analytisch denken heel uitdagend zou zijn. Doordat de nadruk in het schoolvak nu vooral ligt op tekstverklaring, krijgen scholieren een vertekend beeld van wat de studie Nederlands inhoudt en dat is natuurlijk hartstikke zonde! Bovendien zijn onderwerpen als taalvariatie en -verandering ook nog eens hartstikke actueel en maatschappelijk relevant. Vanuit de ambitie om meer scholieren kennis te laten maken met taalkunde heb ik in 2017 de website www. profielwerkstuktaalkunde.nl opgericht. Op de website kunnen scholieren zich verdiepen in allerlei taalkundige thema’s via speciaal samengestelde ‘toolkits’, waaronder dialect en sociale taalvariatie. Die informatie kunnen ze vervolgens gebruiken voor hun eigen (profiel) werkstuk over taal. Daarnaast werk ik mee aan de ontwikkeling van een plusprogramma voor het schoolvak Nederlands dat leerlingen met een bovengemiddelde interesse in de Nederlandse taal en cultuur zal gaan voorzien van extra lesmateriaal. Via het plusprogramma kunnen we enthousiaste en getalenteerde leerlingen op diverse schoolniveaus extra uitdaging bieden en tegelijkertijd de doorstroming naar een verwante (talige) vervolgopleiding soepeler laten verlopen.

Wat is je voorspelling voor de toekomst van het Nederlands en het Brabants? Hoe spreken onze kinderen of kleinkinderen later? De toekomst laat zich niet gemakkelijk voorspellen, maar ik hoop wel dat de komende generaties zowel het Nederlands als de Nederlandse dialecten als moedertalen blijven spreken. Eigenlijk verwacht ik dit ook wel. Ondanks dat veel mensen beweren dat dialecten, en zelfs het Nederlands, met uitsterven worden bedreigd, geloof ik niet dat het zo’n vaart zal lopen. Het Nederlands en de Nederlandse dialecten zoals het Brabants zijn namelijk niet alleen belangrijk voor communicatie, maar ook voor het uitdragen van nationale en regionale identiteit. Het spreken van dezelfde taal met mensen uit de eigen gemeenschap kan een gevoel geven van saamhorigheid en geborgenheid. Zeker in tijden van globalisering, waarin wereldburgerschap steeds belangrijker wordt, merk je dat mensen ook gaan uiten hoeveel waarde ze hechten aan de eigen, lokale cultuur. Beide hoeven elkaar niet uit te sluiten. Nederlands, Engels, dialecten en andere meerderheids- en minderheidstalen kunnen naast elkaar bestaan. Wat mij betreft, is de toekomstige generatie meertalig! Brabants nummer 21 - juni 2019

5


JAN LUYSTERBURG

Eerbetoon aan een groot schrijver: Het A.M. de Jong Museum

A.M. de Jong

Bij leven was Adrianus Michiel de Jong (Nieuw-Vossemeer, 29 maart 1888 – Blaricum, 18 oktober 1943) de best verkochte schrijver van Nederland. Wie kende immers niet Bulletje en Bonestaak (met tekeningen van de Belg George van Raemdonck), Merijntje Gijzens jeugd en jonge jaren (met daarin hoofdrollen voor de stroper de Kruik en de landloper Flierefluiter) en Frank van Wezels roemruchte jaren? Een kleine gemeenschap als die van Nieuw-Vossemeer brengt meestal niet erg veel beroemdheden voort. Het is daarom niet verwonderlijk dat de Nieuw-Vossemeerse Heemkundekring Ambachtsheerlijkheid het als haar hoofdtaak ziet, de herinnering aan A.M. de Jong levendig te houden.

Subsidie Reeds in 1968 was in een noodgebouwtje een klein museum gevestigd, dat herinnerde aan de beroemde dorpsgenoot. Het museumpje werd helaas nauwelijks bezocht en verpieterde. Drie factoren gaven samen echter de doorslag bij het tot stand komen van het nieuwe, huidige A.M. de Jong-huis. Door het werkgelegenheidsproject Dienst Aanvullende Civieltechnische Werken van de toenmalige overheid kon het pand zeer goedkoop gebouwd worden. In 1967 waren er grootschalige festiviteiten rondom het vierhonderdjarig bestaan van Nieuw-Vossemeer, waardoor er hernieuwde aandacht kwam voor ’hun’ schrijver. En in 1974 keek heel Nederland naar de sensationele tv-serie Merijntje Gijzen. Zo ontstond een gebouw, waarin niet alleen het museum, maar ook een bibliotheek en op de bovenverdieping een schrijverswoning waren gevestigd. In die woning kon een schrijver zich tijdelijk goedkoop huisvesten, om in alle rust zijn werk te verrichten. Van deze gelegenheid heeft onder andere Bob den Uyl ooit gebruik gemaakt. Beheer De kosten overschreden de opbrengsten. De A.M. de Jong Stichting was tanend en werd opgeheven. Dat was voor de heemkundekring het sein om het beheer van het museum over te nemen. Gudi, de dochter van A.M. de Jong, kocht het gebouw en gaf het een fikse opknapbeurt. De isolatie werd verbeterd. Tegen het met riet onderlaten dak werden gipsplaten bevestigd. Daarna werd het pand (met kettingbeding) overgekocht door Heemkundekring Ambachtsheerlijkheid. Ter gelegenheid van de herdenking van vijftig jaar Watersnood in 2003 gaf de heemkundekring een boek uit, dat een geweldig succes bleek. Samen met giften van particulieren en een lening kon op die manier de aankoop van het pand worden verwezenlijkt. Met een bijdrage van de provincie werd vervolgens het pand van binnen opgeknapt. Het volledig in Bossche stijl ingerichte interieur werd deels vervangen door eigentijds en meer functioneel meubilair. Nog steeds heeft de binnenkant van het gebouw de uitstraling van de

12

Brabants nummer 21 - juni 2019


Standbeeld van Merijntje Gijzen

Cor van Geel (links) en Jan Knuit

oorspronkelijke stijl, maar er is ook veel verbeterd. De vloer van grind bijvoorbeeld kon echt niet meer en werd dan ook afgedekt met een ’normale’ planken vloer.

Vrijwilligers Het museum is, zoals gezegd, eigendom van Heemkundekring Ambachtsheerlijkheid. Deze vereniging telt ruim negentig leden en zeven bestuursleden. De bestuursleden zijn tevens bij toerbeurt de gidsen van het museum. Ook voor begeleide rondleidingen door het dorp zijn zij beschikbaar. Voor lezingen en ledenvergaderingen is het museum niet geschikt; deze worden gehouden in het nabijgelegen Gemeenschapshuis de Vossenburcht. Het museum, dat is gevestigd aan de Voorstraat 29, 4681 AC te Nieuw-Vossemeer, is van april tot en met september elke zaterdag geopend van 13.30 tot 16.30 uur en gedurende het gehele jaar te bezoeken op afspraak (0167 - 502416). De toegang is gratis, maar een vrijwillige bijdrage als waardering voor het gebodene is uiteraard te allen tijde welkom. Toen ik het museum bezocht, werd ik hartelijk ontvangen door de heren Cor van Geel (bestuurslid sinds 2002) en Jan Knuit (bestuurslid sinds 2005). Zij hebben mij bij een goede mok koffie deelgenoot gemaakt van hun enthousiaste inspanningen voor heemkundekring en museum. Ik weet zeker, dat ook u zich daar welkom zult voelen.

Keeke de Congo Niet het hele museum is gewijd aan A.M. de Jong. In een aparte ruimte is er een permanente tentoonstelling over de Watersnoodramp van 1953. Daarnaast is er ook een jaarlijks wisselende thematentoonstelling. Dit jaar is dit een fototentoonstelling met als thema Nieuw-Vossemeer met andere ogen. Op de eerste verdieping is er het heemkundige gedeelte, met historische attributen van een kapper, een kruidenier, een dokter, een smid, een timmerman en een landbouwer. De bovenwoning wordt nog steeds verhuurd, wat absoluut noodzakelijk is om het hoofd financieel boven water te houden. En beneden is er een kamertje ingericht als het café van Keeke de Congo. Dit huiskamercafé werd gebouwd in de buurtschap Notendaal in 1888, toevallig ook het geboortejaar van A.M. de Jong, en werd zo genoemd ‘omdat het daar altijd heet is en de mensen dus steeds dorst hebben’. Cornelia Hellemons nam het over van haar vader (Mottige Tinus genoemd) en beheerde het tot zij op hoge leeftijd overleed in 1997. Het zeldzame interieur met meubelstukken in verschillende stijlen, waaronder neogotiek, en de bijzondere bar met glazenkast, is toen overgebracht naar het A.M. de Jong Museum.

Michel de Koning schreef in 2005 in de nrs. 7 en 8 van Brabants een interessant artikel over het dialect in het werk van A.M. de Jong.

Brabants nummer 21 - juni 2019

13


PIET HEERKENS – ILLUSTRATIES DOOR TIJS DOORENBOS

De Schildersrekening van Bakel Dees nota, opgesnord uit Baokels papperassen, Kan oe as document verbluffen en verrassen;

ik streek ’nen nuuwen blos op Magdalena’s wangen en ’k heb den moordeneer weer aon z’n kruis gehangen;

ze is op perkament mee ’n gaanzeveer geschreven en dus de euwen deur miraokels gééf gebleven;

ik hè Pilatus’ vrouw mar sloffen aongeschoten, ’ne nuuwe kuit gelapt aon den soldaot z’n poote;

et is de nota van ’nen aawen Baokelschen verver en aon de taol te zien ’nen echten kwaastenbederver.

’k heb aon z’n lange neus wel twee uur ligge prutsen, en uit z’n ijzeren schild wè weggewerkt de butsen; den duuvel z’nen stert hè’k schoonder laoten krulle en ok den pluim aon ’t end mee haor aon moete vulle; den beul hè’k aon den erm nuuw spierbolle gegeven en onder z’n bobbelneus et kneveltje bijgevreven; ok gaaf ik betere plooi’ aon drie van de weenende vrouwen; ’ne Farizeeër kreeg twee nuuwe wije mouwen;

18

’Eerst hè’k gerippereerd de veertien kruiswegstaties, toen nog wè bijgewerkt de beelden en d’r facies.

Reus Goliath kijkt naaw ’n bietje meer verwilderd; ’k heb op z’n grof gezicht wè pösten bijgeschilderd;

Pilatus hè’k ’n nuuw schoon bruukske aogegeven en vliegepuntjes van z’n wangen afgevreven;

aon Pharao’s leger hè’k drie daoge ligge prutsen, want zijn soldaoten ha’n compleet verslete mutsen;

nen zulder in z’n boks kreeg Simon van Cirene en ok ’ne kousenbaand aon allebaai z’n beene;

drie uur hè’k moete werken aon ’t rad van Sint Cathrien en aon den rooien rok van Sinte Filomien;

Brabants nummer 21 - juni 2019


ok hè’k ’nen dag besteed aon Sint Antonius’ verken; z’n stertje waar kepot! Kristoffel kreeg ‘n broek die nie zo leelijk strak zit; er is geen leeven in ’n broek die ongemak zit! ’k Gaaf koning David mar ’n nuuwe harp in haanden en in z’n mond ’n stel spierwitte nuuwe taanden. De rekening bedraogt tien gulden vijftig centen.’ Gezien en goedgekeurd deur Baokel’s kerkregenten.

ED SCHILDERS

Wiens schildersrekening? De hier weergegeven tekst van De schildersrekening is, voor zover ik heb kunnen nagaan, de enige versie in een dialect. En zelfs dat niet echt, want pater Piet Heerkens s.v.d. (1897-1944) beheerste weliswaar het Tilburgs zeer goed, maar hij schreef zijn versjes bij voorkeur in klanken die niet al te plaatselijk gebonden waren en daardoor leesbaar voor een breder publiek dan alleen de Tilburgers. Zie bijvoorbeeld woorden als ‘ijzeren’, ‘beelden’, en ‘koning’, die gewoon Nederlands zijn in plaats van dialectisch. Zoals in veel andere teksten herschiep Heerkens ook in dit geval zijn brontekst zowel qua taalgebruik als inhoud, en aarzelde hij niet er eigen vondsten aan toe te voegen. Dat zien we meteen in de titel al gebeuren. ’De verrichtingen van de schilder die in de kerk beelden en schilderingen ‘restaureert’, worden gesitueerd in het Brabantse Bakel, een dorp dat in de volkscultuur de reputatie had van domheid. De bundel waarin De Schildersrekening verscheen, heet Vertesselkes (Tilburg 1941) en de meeste van die verhaaltjes werden door Heerkens omgewerkt met Bakel als plaats van handeling. Zo bereikte hij een zekere eenheid in de vertellingen. De Schildersrekening is echter veel ouder dan de versie van Heerkens, en die oudere varianten geven in plaats van Bakel veel andere locaties als plaats van handeling. Net als bij veel andere humoristische teksten uit de volkscultuur hebben we ook hier te maken met een oertekst die gedurende vele jaren werd aangepast aan lokale omstandigheden. De oudste vormen die we nog kunnen vinden zijn dan gedrukt, waardoor ze kunnen overleven, en met een beetje geluk kunnen van jongere versies nog varianten worden gevonden die uit de volksmond zijn opgetekend.

Waarop heeft dan Piet Heerkens zijn Bakelse versie gebaseerd? Met zekerheid is dat niet te zeggen, maar het lijkt waarschijnlijk dat hij als uitgangspunt de tekst heeft genomen die in 1865 ook werd opgenomen in het boekje Curieuse documenten (deel 3 van de reeks Curiositeiten van allerlei aard, Anoniem, Firma R.C. Meijer, Amsterdam). De uitvoerder die de rekening (78 florijnen en 10 stuivers) indient, heet ‘Jacques Tasquin, schilder en teekenaar’, en hij verrichtte zijn werkzaamheden in 1759 in opdracht van de ‘abt van de abdijkerk’. De tekst is vertaald uit het Frans en er zijn zowel overeenkomsten als afwijkingen met de tekst van Heerkens. Deze Nederlandstalige versie lijkt ontleend te zijn aan een versie van De Schildersrekening die in hetzelfde jaar gedrukt werd in het Franse tijdschrift La Petite Revue. Ook daarin heet de uitvoerder Jacques Tasquin ‘Peintre décorateur’, en hij doet zijn werk in 1700 in ‘een klooster’ voor precies die ‘78 francs en 10 sous’. In deze tekst staan mooie varianten op de rekening. Zoals: ‘De broek van de verloren zoon opgelapt, de varkens gewassen en water in hun trog gedaan’. En het cynische: ‘De tien geboden ingekort’. De oudste gedrukte versie van De Schildersrekening die ik heb kunnen vinden, stond echter niet in een Franse Brabants nummer 21 - juni 2019

19


COR SWANENBERG

Brabantser wor ’t nie met Vandiekomsa ‘Een onderwerp als gebruik van dialect in muziek spreekt mij wel aan. Wij proberen daarin een al te nostalgische insteek te vermijden en dat bindt ons met andere ‘jongere’ dialectzangers als André van den Boogaart of Björn van der Doelen. Die zitten in een heel andere hoek van de muziek, maar we hebben dezelfde taalbenadering. Wij zingen niet over nostalgie maar over de dingen van deze tijd, terwijl onze muziek toch zwaar leunt op tradities zoals Europese dansritmes’, zegt Ramon de Louw. Op zaterdag 26 januari 2019 presenteerde zijn Tilburgse folkband Vandiekomsa de nieuwe cd Efkes Nog in de volle bak van Jazzpodium Paradox. Bovendien bestaat de groep alweer tien jaar! Een goede reden om de frontman op te zoeken voor een vraaggesprek. Vandiekomsa noemt zich een eigenzinnige Brabantse folkmuziekbende, met een aantrekkelijke mix van liedjes, deuntjes en actuele kletspraat. De groep vertolkt zijn repertoire in een volledig akoestische bezetting. We waren eerder goed te spreken over de cd Vur mekaar (zie Brabants jaargang 2, nummer 3, december 2015) Gelukkig heeft de groep de veelzijdige muzikale lijn vastgehouden. ‘Het nieuwe album Efkes Nog biedt een afwisselende luisterervaring,’ zo lezen we op de site en daarmee is niets te veel gezegd: er is volop variatie met liefdesliedjes, persoonlijke overpeinzingen en humoristische muzikale kwinkslagen. En dat allemaal met een eigentijdse Brabantse tongval. De nieuwe plaat verdient bijzondere aandacht, want het

22

Brabants nummer 21 - juni 2019

is geen sinecure om in deze tijd een geluidsdrager uit te brengen. Wat was de belangrijkste drijfveer? ‘Registratie van eigen werk’ misschien? ‘Ge moet oew eige op iets kunnen richten!’ zegt Ramon. ‘We hebben een beetje een hobbelig traject achter de rug, maar nu is er een prachtig product afgeleverd waaraan al onze bandleden een belangrijke bijdrage hebben geleverd. We hebben te kampen gehad met fysiek malheur, maar alles is weer op de rails gekomen.’ Je zou van een hedendaagse folkband niet gauw een Brabantse tongval verwachten. ‘Wij zijn vertrokken vanuit het idee van Dommelvolk, De Ploegadoers, De Veulpoepers en Fluitekruid en dat gevoel blijft er ook wel inzitten bij ons. David Cornelissen is daarbij heel belangrijk. Hij is van de klassieke folkbenadering; van de dansen en ritmes of ze nou Bretons, Frans of Nederlands zijn. Hij brengt die basis met zich mee. Ook tekstueel zoeken we het graag dicht bij huis. Wij zijn allemaal liefhebbers van taal en we uiten ons het liefst in de taal die we zelf spreken. En dat past, want de muziek zit ook dicht bij het lokale.’ Over het lokale gesproken. Waar hoort jouw eigen dialect thuis? ‘Ik kom van Geldrop, mijn ouders van Nuenen.’ En de andere singer-songwriters, Hein Augustijn en David Cornelissen? ‘Hein is echt van deze regio. Hij is de zoon van een dierenarts en kent het landelijk gebied rond Tilburg op zijn duimpje. De moeder van David

Ramon de Louw is van Heeze, maar David is opgegroeid in Rijen en Oisterwijk. Zij zijn dus allebei Midden-Brabanders en ik breng meer de oostkant in.’ Hoe zie jij de toekomst van Brabants in de muziek? ‘Wij zijn veertigers en we willen onze eigen klankkleur laten horen. Het zou prachtig zijn als twintigjarigen opstonden die nou eens niet in het Engels, maar minstens in het Nederlands zouden zingen. Ik hou van heel veel soorten muziek, maar als er mensen zijn die een rapnummer maken met een Brabantse tongval dan luister ik daar toch net wat beter naar. We missen wel een platform, want van Omroep Brabant horen we niks en met internet komen we ook nauwelijks verder.’ Wat zijn de hoogtepunten van jullie nieuwe schijf? ‘Ik ben erg tevreden over het geheel. De cd is serieuzer dan de vorige. Er zit meer een boodschap in de liedjes. Alle muzikanten hebben een eigen bijdrage geleverd, en dat vind ik echt knap. Het is in elk geval weer een heel gevarieerd album. Voor mijzelf geldt De Grote Brand als het hoogte-


punt. Het klinkt als een bijbels verhaal: “Er stonden nog zes huizen en het gebeurde op Palmzondag,” maar het speelt in Eindhoven en het is een echte klaagzang geworden die begint met “Hoe is deze stad in wanhoop geraakt?” Ik heb het benaderd als een testamentaire lotsbeschikking.’ Wat zijn de achtergronden van de leden van de band? ‘Ik ben ambtenaar op het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedsel­ kwaliteit en het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, want die werken samen. Ik geef advies op gebied van digitalisering. Mijn vooropleiding is taal– en literatuurwetenschappen aan de Universiteit van Tilburg. Hier kwam vooral de sociologische en psychologische kant van taal aan de orde. David heeft een verleden als straatmuzikant. Hij heeft veel van Europa gezien en heeft altijd de kost verdiend met muziek. Hij is een beetje ons puristisch hart. David is meer van de volksverhalen. Ik ben meer van de hedendaagse thema’s. Hein is als studieadviseur verbonden aan de Universiteit van Utrecht. Hij is in meerdere muzikale projecten actief. Hij maakt eigen muziek, is bezig met een eigen cd en gebruikt daarvoor ook Brabants als voertaal. Hein schrijft vaak de liefdesliedjes op onze cd. De leden van de drumsessie, Maarten Roijackers en Marcel van Cuijk, beide vijftigers, completeren de band. De presentatie van de nieuwe cd stond in het teken van het afscheid van bandlid/vaste gast Kees Schoone.’ Toekomst We beluisterden de cd met veel genoegen. Vur mekaar is een lekker liedje waar de passie vanaf spat. Het doet ons deugd dat op de nieuwe cd een nummer staat met een titel, die - net als de naam van de band - in de wereld is gekomen door vervorming van een Frans woord: Sjaanternel, dat zijn basis vindt in chanterelle (lokvogel). Het is een meeslepend lied!

Het hele album bevalt me nog beter dan het eerste. Het biedt liedjes met pit, mooi afgewisseld met gezongen mijmeringen. Overal denk ik aan jou is een hoogtepunt. Een heerlijk liefdeslied tot je op het eind toch op het verkeerde been gezet wordt. Vur onbepaalde tijd is echt van deze tijd; het gaat over uitgevlogen jeugd die terugkomt naar het ouderlijk honk: ‘Hé pa, hé ma. Ik stao weer op de stoep. Mi ’n hul verhaol, ’n gebroken hart en verder nog wa troep…’ Waken of slaopen bezingt de zorgen in de wereld. Efkes nog is een verwarrend liefdesliedje vol twijfel, maar het refrein bevestigt steeds: ‘ik wil nie da ge gaat’. Deze cd bezingt geen echt maatschappelijk thema zoals op de vorige cd Strijdlied voor de luie mens, maar het nieuwe slotnummer ’t Beste is er vórt vanaf beschrijft wel de hedendaagse realiteit. Het bevat geen vrolijke boodschap: ‘’t Hille land vol mi beton en files tot de horizon. D’n himmel hel verlicht, ok hil wijd achteraf. Elk uitzicht wordt hier mooi verknoeid. Gin stukske gruun blijft ongemoeid. ’t Beste is er vórt vanaf…’ Hoe ziet de toekomst eruit? ‘We zoeken nu optredens om onze cd te promoten. Dat blijkt soms lastig. We zijn geen pure caféband, ook al spelen we er graag, en theater is toch een apart circuit. Bekendheid zou dan wel helpen. Wat dat betreft is het jammer dat Omroep Brabant het muzikaal streekproduct geen podium biedt, behalve met carnaval misschien. Dan denk ik: “Dat doen ze in Limburg toch beter”. Ik kijk wel eens naar onze eigen provincie en dan denk ik: “Wa geefde’t toch makkelijk weg. Er is zoveel moois. Promoot dat nou eens een keer..!” En dan met een glimlach: ‘Van de andere kant ben ik anarchistisch genoeg om geen Limburger te willen zijn, hoor...’ Ja, Vandiekomsa verdient een breed platform, vinden wij en het is schrijnend dat er op dit moment zo weinig mogelijkheden zijn. Geef me maar een goed slot waarin

Vandiekomsa cd ik jullie muzikaal werk aanbeveel. ‘Als ge wilt dat de Brabantse cultuur blijft en ook vernieuwend is, dan kan ik alleen maar zeggen: “Brabantser wor ’t nie. Blijf qua taal en muziek dicht bij jezelf. Spiegel je niet te veel aan wat je op tv hoort en zoek het ook eens gewoon dicht bij huis…” Incidenteel doe ik ook nog wel eens wat anders. Samen met Hein Augustijn heb ik als zijproject een carnavalsnummer gemaakt: As ge nie zùipt, dan worde nie zat. We hebben Frans van de Meer erbij betrokken voor zang en poppenspel. Gewone logica met mooie alliteratie. We hebben het uitgebracht onder de noemer van Dweilorkest d’n Zwakke Blaos. Heel veel lol hebben we ermee gehad. Wie weet, volgend jaar weer!’ Info: vandiekomsa@gmail.com en www.vandiekomsa.nl of hanskustersmusic.be Op zondag 18 augustus 2019 organiseert Stichting Brabants dialectenfestival de Middag van het Brabantse lied in het Openluchttheater van Mariahout. Daar zal Vandiekomsa optreden! Aanvang 14:30 uur.

Brabants nummer 21 - juni 2019

23


JOHAN BIEMANS

Örgel-ääremoei

ik ellef wos moch ik ’r sond’gs al ’t Lof op speule, want dan kos den örgelist zèllef ne’t voetballe gaon kééke. Erregend heb ik wel ’s ôit geskreve, dä ik ons Brabantse dialecten vergeléék mee ’nne kerrekörgel, enne mee veul registers. Al diej registers hebben ommel ’nne verskillende klank. Zo’ne kerrekörgel noemen ze dan ôk nie zó mär: kon’ngin van alle instr’mènte. Ge het bé ’nne kerrekörgel alle instr’mènte bé mekaar. Over Orgeltrappen van Nol gesproke… In hil z’n buukske komde nie énnen örgel tege! Durvur moete terèècht in z’nen bundel Onder de Stùlp. D’r vènde z’n verhaol Ruzie op ’t koor, ’n plaogerij tussen de pestoor en z’nen örgeltrapper. En den örgel zèllef in dees verhaol spult ginne rol. Nou skiet me te binne dä’k in ’t allerurste Brabants boekewéékbuukske van 2006 al ’n stèèrrek örgelverhaol vertelde. In D’r zit meziek in – Brabantse dialectschrijvers over muziek: Vrolijke Korsmus. Al zovvel jaore geleeje!

Ik gééf ’t ’w te doewn um ’n spèl in ’nnen hôibèrreg te zuujke. Dä’s ôk ’t geval äs ge in ons Brabantse dialecte ’nnen örgel zuukt. Waffer örgel ge ôk zuukt, ge komt ’m nie händig tege. Zo heb ik m’n boekekaas mär ’s naogezocht en vond ik van Piet Heerkens den bundel Den örgel, mi äs urste ’t gelijknamige gedicht. Mär dä gi over ’nne straotörgel, e sôrt kermisörgel. Lodewijk van Woensel hi in z’ne De Kneuter, op pagina 30/31 örgelspel, ’n gedicht over ’nne kerrekörgel. (Wijlie zegge: den örgel en nie ’t örgel, want dä is, äs ge gruts praot.) Dan véén ik in de prenteboeke van Cees Robben enkelde skôn prente mee Paul, de jongste zoon van Johan Biemans, regelde dat Pa ’nne kerrekörgel, ältè mi in 2015 bij zijn 85ste verjaardag in de Bachkirche in de As ik trugkéék wa’k me z’n vrolijke tekst d’rbé. léve lang ommel meegeBachstad Arnstadt (Thüringen) beide monumentale orgels Vat ik ’t buukske Orgeltrap- mocht bespelen, waar J.S. Bach als 20-jarige organist en maokt heb äs örgelist, dan pen van Nol van Roessel, componist begonnen is. zèn d’r e paor gevalle diej dan léésde daor op den ik nôit nie zal vergééte. Zo aachterkant van de kaft: ‘… Er is een z’n aaige den hèilige-wijnd-maoker. äs lang geleeje, toen ik in augustus overeenkomst tussen wat ’n orgeltrap- Hij wos gebôrre mee aon één van 1944 krèk ellef jaor wos en op vekanper deed en wat een verteller doet. Zoals z’n hand’ twee dùime! Den dokter sie in d’Eerd nèffe de köster Bernard de orgeltrapper lucht blies in de orgel- hoj ’m geampeteerd en diejen dùim van Dam aachter den örgel zaot. En pijpen, welke lucht de organist dan om- wier op de kerrekhof tegenover z’n ik zó mär ùit m’nen bloate kop den tovert tot klanken, zo blaast ’n verteller haus begraove. D’r hi op dä plèkske Avé Verum van Mozart kos speule. de figuren van zijn verhalen niet alleen nog veul jaoren e smeedézere krùis- Dieje goeie mens! Ge hodt dä gezicht lucht in, maar ook klank. ’n Verteller is ke gestaon van zo’n dertig cm hôg. van ’m moete ziejn, want pa wis nie orgeltrapper en organist tegelijk.’ wat-’m overkwom. En vleejaor heb Echt waor! ’nen Örgeltrapper mos vur de wijnd ik dä daor op verzoek bé ’n tentoanzörrege vurdä kerrekörgels vur de Den ursten örgel wor ik op leerde stelling van Bernard van Dam nä 74 blaosballegge zo’ne motor hon. Ik speule toen ik negen jaor wos, dä jaor in d’Eerd nog ’s magge komme heb nog zo’ne mens gekend, Ja- wos al zo’nen ellentriesen enne. ’ne speule. nuske van boerke Lôôs. Hij wônde Vermeulenörgel, die kwomp krèk tegenover ons kerk en hij noemde vur den ôrlog hier in de kerrek. Toen En dan dieje middeg dä’k hier in

30

Brabants nummer 21 - juni 2019


JOHAN BOENIE

Woensdrechtse woordjes Geklwoot

Prent van Cees Robben de Hofkerk op dieje monumentale Maarschalkerweerdörgel oefende. Toen wos ’r ’n gierzwoll’w dur de kerrek aon’t vliejge. En van dä stuk van Bach, dä’k toen spulde, zal dä bisje hevig verskote zèn. Inéns dook diej zwol’w tu sse m’n kniejes dur en blif bé m’n skoewn tussen de pedale ligge. Geleùft mär dä’k toen nie alleen zèllef, mär dä zèllefs Bach én Onzelievenheer verskote zalle zèn. ’n Skôn vurval gebeurde vleejaor. Alle zômmers speul ik driej middegge vur de toeriste, diej dan hier zèn. Diej maggen dan, ôk mee hun kijnder ne bove bé den örgel komme kééke. Diejen dag kwommen ’r twee junkskes van negen en ellef jaor mee hun oùwers bèmme staon. Ik hoj wa vur ze gespuld en ùitgeleed, en wa zi den oudste van diej twee? ‘Mam, nu weet ik waar ik na de vakantie mijn spreekbeurt over houd op school.’ Dä wos ’t skônste applaus dä’k ôit gekregen heb.

In een vorige aflevering probeerde ik duidelijk te maken, dat allerlei uitdrukkingen met het woord neuken of een afleiding daarvan in mijn dialect geen enkele erotische lading hebben. Bij Omroep Brabant TV was men daar zodanig verbaasd over, dat de hoofdredacteur van Brabants uitleg mocht komen geven in het programma Brabants Bont. Er zijn meer zulke woorden. Vandaag wil ik het hebben over klwoot. De oorspronkelijke betekenis is: bol, bal, kogel. Denkt u maar aan woorden als ‘aardkloot’ en ‘klootschieten’. In de Woensdrechtse dialecten wordt klwoot gebruikt in heel veel uitdrukkingen en denkt men niet meer aan de oorspronkelijke betekenis van het woord. We beginnen met het enkelvoud: klwoot. IJ ies ’ne goeje klwoot (Hij is een zachtaardig persoon). Als IJ ies ’ne goeje klwoot wordt uitgebreid met mar ij moes onder ’ne n’eezel ange, wordt hiermee aangegeven, dat het hier wel een goedzak betreft, maar dat je met hem niets kunt aanvangen. Ge zèè ’ne stomme klwoot, gij! (Je bent een domme sukkel, jij!). In deze voorbeelden heeft het woord ­klwootkl geen erotische, maar vaak een negatieve lading. Dat geldt ook voor het meervoud: klwoote. Oordeelt u zelf. Lwoop nor de klwoote! (een verwensing, die aangeeft dat je het zelf maar moet uitzoeken). ’t Ies nor de klwoote (Het is kapot, naar de verdoemenis). IJ kom wjeer meej z’n klwoote van aachtere (Hij is er weer te laat bij). Iek staon ier m’n klwoote n’af te draoie (Ik sta me hier enorm in te spannen). IJ ziet meej z’n klwoote n’ien de klem (Hij zit in de val, hij is in een hopeloze situatie verzeild geraakt). ’t Ies klwoote van d’n bok! (Het is waardeloos!). ’k Vin d’r gin klwoote n’aon (Ik vind er helemaal niets aan). ’t Ies nuul de klwoote (Het is helemaal niks). Ie-

mes bij z’n klwoote n’emme (Iemand te pakken hebben, iemand te grazen genomen hebben). D’r deug gin ­klwoote van (Er deugt helemaal niets van). Da deug t’n ond z’n klwoote nie! (Daar deugt helemaal niets van!). IJ mot ’n staamp onder z’n klwoote n’emme (Hij moet eens goed achter de veren gezeten worden). IJ gwooi ’t vur z’n klwoote (Hij gooit er met de pet naar). IJ egg’t aon z’n klwoote laote drwooge (Hij heeft het verwaarloosd, hij heeft er niets aan gedaan). Erges z’n klwoote n’aon afvèège (Zich ergens niets van aantrekken). IJ ed ’n gèèf stuuk ien z’n klwoote (Hij is behoorlijk dronken). Meej z’n zatte klwoote (In zijn dronkenschap). Ge kuun m’n klwoote kuusse (Je kunt me wat, bekijk het maar). IJ stao z’n klwoote te schuure (Hij voert niets uit). IJ zie zoow zwart as de klwoote van ’n ouwe n’ond (Hij is erg zwart, vies, smerig). Valt het u ook op, dat deze uitdrukkingen in het dialect veel krachtiger overkomen dan in het Standaardnederlands? We kennen ook het werkwoord ­klwoote. Staon / ziette/ liegge te klwoote (Staan / zitten / liggen te sukkelen, stuntelen). Iemes prebeere te klwoote (Proberen iemand te dwarsbomen of bedonderen). Da d’è me geklwoot (Dat heeft me de das omgedaan). Gij meej oew geklwoot altij! (Jij altijd met je gestuntel!). En dan zijn er nog enkele afgeleiden. Ge kuun te klwooterij nie kenne (Je weet maar nooit). Wa ’ne klwootvèèger! (Wat een sukkel!). Tegenover dit alles staat, dat het woord klwootzak in Woensdrecht meestal letterlijk gebruikt wordt.

Brabants nummer 21 - juni 2019

31


MARIAN BRANDS

De gèètenbok

Nieje, ge kost nie zegge dè we nuchter waare, m’n vriendin Corry èn ikke. We kwaame van unne verjoardag. ’t Waar loat geworre èn mistig ok nog ok. We hán uurst mee opgeruimd èn afgewaase, mar toen d’r ’t iejn èn aander kepot waar gevalle, leek ’t de joarige toch beeter dè we mar op huis ôn ginge. Èn doar ston-ie innens, mí zunne groewte witte sik! Neeve de wèèj; unne witte gèètenbok. We vroege ons nog ekkes af of we nie te zat waare, mar hij zin kèèjhard ‘béééh’. Dus ’t waar unnen èchte! ‘Die is t’r denk ik tussenuit genèèjd,’ mènde Corry. ‘Zu’n we ’m mar trugzette?’ ‘Dè’s goewd,’ zin ik. Corry viejt de vurkant èn ik viejt ’m vaast ôn de kant woar dè ge kost zien dè’t ’n mènneke waar, za’k mar zegge. Nou dè he’k geweete. Wè stonk ik lôtter. ’n Uur teege de weind in. Thuis he’k munne jas drie kerris gewaasse èn nôdderhaand bekant ’n mônd lang buite moete hange èn nog stonk-ie. Mar affijn. Op ’t lank èènd kreege we de gèètenbok woar-ie thuishörde; op de wèèj. We hán unne goeien daad verricht. Tenminste, dè daachte we. ‘Ik ken dieje mens van dees wèèj èn gô d’r mèèrege wel ekkes nor toe um ’t te zeige,’ beloofde Corry. Zoewe gezeed, zoewe gedôn. Saanderdaags bèlde ze op mí unnen houtere kop: ‘Ik ben nor dieje mens gegôn, mar in plôts van dèt-ie bléij waar, waar-ie kèèj buujs.’ ‘Dè mènde nie,’ kètsten ik trug. ‘Hij zin dè dieje gèètenbok nie van hum waar, mar dètie wel al z’n gèète há gedekt,’ ging Corry wijer. ‘Èn hij wô hellemôl gen jong gètjes mer.’ Ik moes ’r toch ’n bietje um laache. Diejen bok há dankzij ons unne wilde naacht gehaad. Hij há die ritse gèète gerooke èn waar los gebrooke um zunne pôsse te gôn haawe. Vijf mônd lôtter wörden ’r vlak nor mekaare unne kwak gètjes geborre, doar op die wèèj. Èn allemôl hán ze unne witte sik. < In het dialect van Oss > Illustratie Marthilde Artwork

34

Brabants nummer 21 - juni 2019

MATHIEU BOSCH

Men kulle ze nie Witte wa’t is? ’t Kumt zo’t kumt. Ons moeder zin alt: ‘Jonge, est te mooi is um woor te zen, dan ist ok nie woor.’ Da hek onthouwe en door hek al veul prefijt van gehad. En nog dik. Jorrelang hek geprebeert um on de meid te komme. Tegen d’n draod in. Ik docht dada moes. De rest dint ok wanne. En door ging ik. D’ropaf. Vruuger op de kermis. Lotter in ’t kefé en wir lotter mé de compjuter. Me kirres kèèk ik nog op tinternet, da stutter vol mé as ge wit wor ge moet zuuke. Mar ’t bleft krek inder. Vrouwkes zat maar men kulle ze nie. Ik kèk wel mar begin d’r echt nie on. Ze kunne me nog meer vertelle. Skon beloftes, mar d’r skent niks van woor te zen. In de krant lees ik over skeije en wat da kost. En dan mar klage. Nee, men hen ze nie. Skon gezicht, skon kont, skon skool gehad, skon verhaal durbè. Allemol niks gelèje. Maar in t echt, ’n kont as ’n pert, lomp as ’n koew en zen ze zo stom as ’t achtereind van ’n vèreke. Da denk ik temiste. Want ik ben betèts gewoorschuwd dur ons moeder en die hatter goeie kèèk op. Zonder heur hakker zeker mè zo een gezeete. Maar gelukkig zekker noit ingetroije. Die ouwbetterij, allemol lulverhale zent. Nee, ast te mooi is um woor te zen dan gu d’n deze nie mee. Mè ginman. Ons moeder is gon himmele, maar ge bent zo alleen is ge oew euge vuult. Dur zitte nog wel wa wuwkes in de buurt hier, maar die zen ok nie vur niks alleen. En ho ’s, ik kan goewd alleen zen wanne. Ik hè zat on m’n eige en de kat. Ik ben nog goewd te been, fietse gu nog. Waase ok. Ik hè tillevisie. Die van tegenover kumt in ’t naojoor wel ’s wa boeremoes brenge. En Marij van ons Riek komt nog wel ’s on. Nee, ik hè niemes noddig, men kulle ze nie. < In het dialect van Loosbroek > Uit Moeder de vrouw. Brabants boekenweekboek 2019 Illustratie Iris Bongers


Luisterbox Brabants 21

Colofon: Brabants, jaargang 6, nummer 1, juni 2019 Brabants verschijnt vier keer per jaar; in juni, september, december en maart Redactie: Riny Boeijen, Jan Luysterburg (hoofdredacteur), Ed Schilders, Cor Swanenberg, Jos Swanenberg Redactiesecretariaat: Cor Swanenberg, Milrooijseweg 109, 5258 KG Berlicum, tel. 073-5031879

De volgende door de auteurs ingesproken teksten zijn te beluisteren op de website: Mathieu Bosch: Men kulle ze nie (Loosbroek) 2.11 Mrinus van de Wittering: Brief ôn ons moeder (Berghem) 5.27 De geluidsopnamen zijn gemaakt door Frans van den Bogaard en geredigeerd door Cor Swanenberg. De luisterbox is te vinden op de audiopagina van www.stichtingbrabants.nl en op www.cubra.nl/brabants/Brabants_Audio.htm

Zo kunt u betalen… Het abonnementsjaar van ons tijdschrift Brabants loopt telkens van juni tot juni van enig jaar. Om die reden hebben wij de factuur voor het abonnementsjaar 1 juni 2019 tot 1 juni 2020 in de envelop van deze juni-editie bijgesloten. Het bedrag is ondanks een verhoging van de btw ongewijzigd gebleven. Wij verzoeken u vriendelijk om de betreffende € 24,50 binnen twee weken over te maken naar de bankrekening van Stichting Brabants: NL73 ABNA 0545 3581 75. Het is belangrijk om bij uw betaling het factuurnummer te vermelden. Als u wilt weten wat wij met uw abonnementsgeld allemaal doen, dan verwijzen wij u graag naar de website van onze stichting, www.stichtingbrabants.nl. Daar publiceren wij elk jaar ons jaarverslag en beleidsplan. En mocht u iemand kennen die mogelijk ook in ons blad en in ons werk geïnteresseerd is, schroom dan niet om hem of haar daarop aan te spreken. Nieuwe abonnees zijn van harte welkom.

Aan dit nummer werkten mee: Jac. Biemans, Johan Biemans, Johan Boenie, Mathieu Bosch, Marian Brands, Ans Buys, Kristel Doreleijers, Wim van Gompel, Henk Janssen, Junt, Nico van Kruisbergen, Mientje Wever, Mrinus de Witte, Mrinus van de Wittering en Hás van de Zande. Foto omslag: Henk Janssen. Tenzij anders vermeld zijn de foto’s in dit blad van Henk Janssen. Vormgeving: Meyer Grafische Vormgeving – Asten (www.meyergrafischevormgeving.nl) Druk: Grafisch Atelier Blaricum – Blaricum (www.drukkerijblaricum.nl) Uitgever: Stichting Brabants, Huub van Lieshoutstraat 6, 5401 BV Uden, tel. 06-51158839. KvK-nummer 60585412. RSIN 8539.72.199. ISSN 1572 – 1612. Bankrekening ABN-AMRO IBAN: NL73 ABNA 0545 3581 75 (BIC Code: ABNANL2A) Website: www.stichtingbrabants.nl E-mailadressen: Algemeen: info@stichtingbrabants.nl Redactie: redactie@stichtingbrabants.nl Abonnementen: Bestellingen, opgave en mutatie van jaarabonnementen uitsluitend via de uitgever, stichting Brabants. Een jaarabonnement kost € 24,50. Losse nummers € 8,95 inclusief portokosten in Nederland. Voor abonnementen in het buitenland wordt de prijs van het jaarabonnement verhoogd met de van toepassing zijnde verzendkosten. Voor het buitenland is Brabants evenwel ook in pdfbestand verkrijgbaar. Van Hepscheuten, pseudoniem van Jan van Rijthoven, idee en tekst, met illustratie van Kees Wouters

Brabants nummer 21 - juni 2019

35

Profile for Brabants Magazine

Brabants Magazine nr. 21  

Een tijdschrift over Brabant en de Brabanders

Brabants Magazine nr. 21  

Een tijdschrift over Brabant en de Brabanders

Advertisement