Page 1

Brabants Jaargang 5, nummer 4, maart 2019

Kwartaalblad over Brabanders en hun taal

Martin Jan van Mourik De grote Bossche voejerpertij De Bredaose paoters


Brabants nummer 20 Inhoud

4 Cor Swanenberg: Martin Jan van Mourik, rasechte Brabander en Ravensteiner 7 Een mozaïek van herinneringen aan Jan Naaijkens. Met bijdragen van Carole Vos, Ed Schilders, Theo Schouw, Cees Slegers, Cor Swanenberg en JACE van de Ven. Voor het fotowerk dook Emmanuel Naaijkens het familie-archief in.

11 Ed Schilders: In memoriam Piet van Beers

22 Riny Boeijen en Ed Schilders: Spraak-makend

12 Jan Luysterburg: Allerlaatste kunstje van Bredaose Paoters

23 Rob van de Laar: Oeteldonks Gemintemuzejum: een verrassende beleving van een uniek feest 24 Van de redactie: Een boek vol emotie: Moeder de vrouw

13 Brigit Bakx-Hermans: Agge mar leut et in ’t Krabbegat 13 Mientje Wever: Vörjaor 14 Cor Swanenberg: De lach van… Nol van Roessel

10 Ed Schilders: Cees Robben onder de loep 4

15 Johan Boenie: Woensdrechtse woordjes: Zitvlak 16 Junt: Zelfbeschikking

11 Jos Swanenberg: Van de Aar tot de Zwarte Raaf

17 Han Rooijakkers: Verzamelde verhalen in de moederstad van A.F.Th. 18 Ed Schilders: De Grote Bossche Voejerpertij

Brabants nummer 20 - maart 2019

26 Riny Boeijen en Karin van Gent: Oeteldonk viert zestigste Kwèkfestijn

27 Hás van de Zande: Unne zandpad 28 Henk Janssen: 't Is ongepermeteerd!


VAN DE REDACTIE

Vlees

29 De Witte wit wir wè 30 Lizzy van Pelt: Vis bâkke

31 Jos Swanenberg: Boek met spreuken in het Nuenens dialect 32 Wim van Gompel: Van hulderdebulder en euteketeut 33 Piet Brock: En Bild van Sint Joozef 34 Nico van Kruisbergen: Taaftere laat de tijd vliegen

35 Luisterbox 35 Colofon 36 Prent Van Hepscheuten

Tijdens de laatste drie dagen voor Aswoensdag (maar veel mensen maken er een vijfdaagse van) vieren we carnaval. De betekenis van het woord ’carnaval’ is ongeveer: afscheid van het vlees. We nemen het er nog eens goed van, voordat de veertigdaagse vasten begint. Carnaval is dus van oorsprong een katholiek feest, zou je zeggen. Anton van Duinkerken (pseudoniem van Willem Asselbergs) is het daar echter niet mee eens. In zijn befaamde Verdediging van Carnaval toont hij onomstotelijk aan, dat carnaval van alle tijden en van alle volkeren is. Het is een feest, waarbij gevierd wordt dat de lente nakend is, dat er nieuw leven van planten en dieren ter wereld komt en dat er dus ook voor de mens goede tijden aanbreken. U heeft nu de vierde en laatste aflevering van Brabants, jaargang 5 in handen. De twintigste editie in totaal. Wederom met veel inzet en liefde tot stand gekomen. Onze vurige wens is alleen, dat we graag over wat meer ‘vlees op het bot’, over wat meer nieuw leven zouden beschikken. Nieuwe abonnees bedoelen we. Met een twintigtal nieuwe leden zouden wij geen afstand van het ’vlees’ hoeven doen, maar een hele zesde jaargang lang, uitbundig ’carnaval’ kunnen vieren, samen met u. Helpt u mee om dit te verwezenlijken? Carnaval is overigens wel een belangrijk thema in deze aflevering van Brabants. Brigit Bakx-Hermans schreef een verhelderend artikel over de vastenavend in Krabbegat, zoals Bergen op Zoom in de carnavalsperiode heet. Ed Schilders verklaart ons alle details van de Grote Bossche Voejerpertij. Tevens laat hij u zien hoe Cees Robben verschillende aspecten van het vieren van carnaval vereeuwigde in zijn prenten. Karin van Gent en Riny Boeijen maken ons deelgenoot van het feit, dat Oeteldonk zijn zestigste Kwèkfestijn viert. Rob van de Laar leidt ons rond in het Oeteldonks Gemintemuzejum, dat ook Nationaal Carnavalsmuseum heet. In dezelfde sfeer schreef Jan Luysterburg over het Allerlaatste kunstje van de Bredaose Paoters, niet vermoedend hoe dicht hij hiermee bij de droeve werkelijkheid zat. Martin Jan van Mourik spreekt zijn zorg uit over het carnaval in Ravenstein… Henk Janssen schrijft over Junt die in oorsprong haar bestaan aan de Budelse vastenavond dankt. Volop vrolijkheid is er te vinden in het verhaal Zelfbeschikking van Junt, in Van hulderdebulder en euteketeut van Wim van Gompel, in De lach van … Nol van Roessel en Taaftere laat de tijd vliegen, in de columns van De Witte, Johan Boenie en Hás van de Zande en, vooral niet te vergeten, de prent van Van Hepscheuten op de achterzijde van Brabants. Ruime aandacht is er voor Jan Naaijkens, met bijdragen van Carole Vos, Ed Schilders, Theo Schouw, Cees Slegers, Cor Swanenberg, JACE van de Ven en Emmanuel Naaijkens.. In de door ons opgenomen gedichten klinkt het voorjaar door. En zoals elk jaar geven wij u een uitgebreide voorbeschouwing op het jaarlijkse Brabants Boekenweekboek, dit keer getiteld Moeder de vrouw. Er is ook weer een intrigerende Spraak-makend verwezenlijkt. Drie andere nieuwe Brabantse boeken en een cd worden besproken. Natuurlijk betreuren wij het overlijden van Piet van Beers, de Tilburgse volksdichter, en van Theo Borghouts, alias Paoter Sjaggerijn. Zij mogen tussen al deze vreugde en vrolijkheid niet vergeten worden. Hopelijk geniet u weer met volle teugen van deze kleurrijke uitgave van Brabants en als dit inderdaad het geval is, hopen wij, dat u dit in brede kring voortzegt, zodat ook anderen graag willen kennismaken met ons kwartaalblad over Brabanders en hun taal.

Brabants nummer 20 - maart 2019


COR SWANENBERG

Martin Jan van Mourik, rasechte Brabander en Ravensteiner ‘Op het Brabants dialect ben ik zeer gesteld. Aon de Stamtaofel in De Keurvorst praote we nie anders, hoewel er een paar bij zijn die het grotendeels verleerd zijn. Ik spreek het overal ter wereld zodra ik in de gaten heb dat er een echte Brabander voor mijn neus zit of staat, vaak in een café. ‘Hollands’ klinkt uit mijn mond calvinistisch en dus verdacht. ABN is een bank. Ik heb in Leiden wel eens college gegeven in het Brabants dialect. Die Hollanders vonden het wel grappig.’ Zo luidde het antwoord van Martin Jan van Mourik op onze vraag hoe hij tegenover Brabants dialect staat. Op internet zie je dat prof. mr. M.J.A. van Mourik (Ravenstein, 1943) een grootheid is in de wereld van de rechtsgeleerdheid. Hij studeerde rechten aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en promoveerde daar in 1970. Tussen 1975 en 1987 was hij hoogleraar notarieel recht aan de Universiteit Leiden. Sinds 1989 was hij als deeltijdhoogleraar notarieel- en privaatrecht verbonden aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. In 1989 trad hij als notaris toe tot de maatschap Hekkelman Advocaten & Notarissen. Daar werd hij in die functie in 2006 opgevolgd door zijn zoon Roland. In 2009 begon hij een eigen adviespraktijk. Hij publiceerde veel over huwelijksvermogensrecht, erfrecht en vennootschapsrecht. Kenmerkend is zijn schrijfstijl die de onderwerpen voor een breed publiek toegankelijk maakt. Hij was vele jaren columnist voor De Telegraaf. Tot 1 januari 2014 was hij voorzitter van de redactie van het gezaghebbende juridische tijdschrift Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie (WPNR) en als hoogleraar nog verbonden aan het Centrum voor Notarieel Recht van de Radboud Universiteit te Nijmegen. Notarisvirus Vader was notaris, zijn zoon is notaris, zijn jongere broer is notaris, zijn jongste zus is getrouwd met een notaris wiens vader trouwens ook notaris was. In de laatste drie generaties duikt de professie notaris regelmatig op. Men kan bijna spreken van een ‘nest van notarissen’; als men de wortel trekt uit het geslacht

4

Brabants nummer 20 - maart 2019

Van Mourik krijgt men als uitkomst notaris in het kwadraat. Het beroep moet dus wel bijzonder aanspreken. Bij binnenkomst ontvangen we een visum, want we zijn in de Vrijstaat Land van Ravenstein. ‘As ge hier aangehouwe wordt en ge het gin visum, kunde grote probleme krijge,’ klinkt het uit de mond van de olijke professor. Hij is altijd in voor ludieke elementen. Dat zie je ook op zijn site: ‘Prof. mr. M.J.A. van Mourik verzorgt talrijke voordrachten (en dergelijke) over actuele onderwerpen voor uiteenlopende gezelschappen. De amusementswaarde van dergelijke optredens mag niet onderschat worden. De vergoeding die in rekening wordt gebracht, is daarmede in overeenstemming.’ Ravenstein Martin Jan werd geboren in herberg De Keurvorst, hartje Ravenstein. Zijn vader kwam van Lith en was zoon van een bierbrouwer en tevens kandidaat-notaris. Hij wilde zich vestigen in Ravenstein. Dat was in de oorlog niet eenvoudig. Uiteindelijk kwam hij met zijn gezin tijdelijk terecht in De Keurvorst, in die dagen tevens een goed pension. De jonge Martin Jan was een pientere leerling. Hij sloeg op de lagere school een klas over en dat was achteraf bezien geen zegen. Als lastige puber werd hij van het Titus Brandsma Lyceum in Oss gestuurd en kwam vervolgens op een kostschool in Venray bij de franciscanen. Daar luidde het adagium: rust, reinheid en regelmaat! Op de kostschool heeft de zondagse Rederijkerskamer een belangrijk inzicht aan hem geopenbaard. Martin Jan merkte dat hij ‘redelijk goed kon praten’. Het gezin Van Mourik telde zeven kinderen. Martin Jan was het derde… Omdat zijn oudere, gelijknamige broertje in 1942 al in de wieg stierf, ligt er een zerkje op het Ravensteinse kerkhof met het opschrift: ‘Martin Jan van Mourik’. Daarom grappen sommige stadgeno-


Hollandse troep Carnaval speelt een belangrijke rol in jouw leven? ‘Jazeker! Als kind moest ik altijd al mee naar Den Bosch. Daar, bij Chalet Royal in Oeteldonk, hebben mijn ouders elkaar voor het eerst ontmoet. Ze gingen elk jaar terug naar Brabants hoofdstad om het volksfeest te vieren. Ik heb mijn vrouw Li Tjoe Tjen leren kennen op het Venlose carnaval en ontdekte er hoe het echt gevierd moest worden. Die prachtige liedjes! As de sterren daor boven Stralen…, Mien ome Funs, Naeve ’n paedje langs de Maas…! In Ravenstein werd ik in 1967 door burgemeester Van Weegen benaderd om het carnaval in Pompersstad uit het slop te halen. Ik dacht, we gaan het Venlose model toepassen. We gaan ook die prachtige liedjes draaien en niet die Hollandse troep van ‘jij komt niet aan mijn komkommertje, jij blijft van mijn snijboon af’. Ik richtte Stichting Carnaval Groot Ravenstein op en dat is een succes geworden. Geleidelijk aan werden de Venlose liedjes verdrongen. Er kwamen succesnummers uit Den Bosch, zoals D’n ouwe Sint-Jan en De hèndjes de lucht in en die hebben bijgedragen aan het wegwerken van Ria Valk, André van Duin en consorten. Nog altijd worden hier ook Duitse en Limburgse carnavalsliedjes ten gehore gebracht. Ik ben van 1967 tot 1981 voorzitter van de stichting geweest. We zijn altijd carnaval blijven vieren, maar we gaan af en toe ook naar Venlo. Jammer dat de muziek weer zorgen baart. Het volume is het grootste probleem. Ge moet bij al die muziek wel kunnen blijven ouwehoeren. Vroeger had ik een rubriek in onze carnavalskrant over dialectwoorden getiteld: Wè zinnie nou wir?’ Geen wonder dat Van Mourik rond vastenaovend gebukt gaat onder velerlei carnavaleske onderscheidingen. In januari 2018 stond in het Udens weekblad: ‘Emeritus hoogleraar rechtsgeleerdheid en notaris Martin Jan van Mourik uit Ravenstein is door de Udense Carnavalsstichting de Knoerissen uitgeroepen tot Knoergoeie Brabander 2018.’

ten wel eens: ‘Ik wis nie dè gij dood waart.’ Zijn oudste zus kwam in 1977 om bij de vliegtuigramp op Tenerife. Martin Jan is de oudere broer van zanger Alex Roeka (Lex van Mourik), die gedichten schrijft en literatuur op muziek maakt. Zijn jongste broer Herman (kandidaat-notaris) schrijft romans onder het pseudoniem Harmen Malderik. Zus Ineke, orthopedagoge, feminisch strijdster, schreef onder meer de roman Tropenritme. Jongste zus Ted is werkzaam in het kleuteronderwijs. Martin Jan wilde notaris worden. Hij was een goede student; afgestudeerd op zijn drieëntwintigste en drie jaar later al gepromoveerd tot doctor in de rechtsgeleerdheid. ‘Ik ben geboren en getogen in het stadje Ravenstein. Ik voetbalde, tafeltenniste en tenniste er. Ik kende hier iedereen. Ons moeder zei: ‘Doe overal aan mee, maar houd wel gepaste afstand.’ Hij is altijd in Ravenstein blijven wonen, hij wilde niet dat zijn kinderen Hollanders zouden worden.

Het gilde ‘Mijn moeder, Annie van Mourik-Damen, is gestorven in 2005. Ze was toen bijna veertig jaar beschermvrouwe van het Sint Barbaragilde. Aan ons moeder hebben wij allemaal veel te danken. Ze stimuleerde allerlei ­sociaal-culturele activiteiten in Ravenstein. Na haar dood werd ik gevraagd haar op te volgen als beschermheer van het gilde. Je krijgt daarmee een hoop zorgen op je nek. Het gilde is sterk verbonden met de kerk en daarmee is het hier slecht gesteld. De Sint Luciakerk is twee jaar geleden gesloten. De taken van het gilde liggen op het sociale vlak en in de loop der tijden is er veel veranderd. Oorspronkelijk was de hoofdtaak het begraven van de doden bij pestepidemieën. Nu verzorgen we de jaarlijkse dodenherdenking, we delen kaarsjes uit met Allerzielen en we begeleiden de sinterklaasintocht. Het gilde bestaat zonder onderbreking al meer dan vierhonderd jaar en dat is heel bijzonder. In 2008 ben ik een actie begonnen om het gilde van vers bloed te voorzien. Het aantal leBrabants nummer 20 - maart 2019

5


ED SCHILDERS

Cees Robben onder de loep 4

Die beweerde al dat de Brabanders zotter worden naarmate ze ouder worden. Ook Robbens carnavalsprenten zijn een ‘lof der zotheid’. Robben als carnavalsvierder, die lijkt, vermoed ik, nog het meest op de twee mannen die hierbij zijn afgebeeld. Van hun uitdossing hebben ze nauwelijks werk gemaakt, maar voor de vorm hebben ze wel een kartonnen hoedje opgezet. Ze doen geen polonaise, ze roepen niet ‘Alaaf!’, ze ‘proeven’. Op de vraag van de man rechts of ‘hij’ smaakt, antwoordt de heer links: Hoe-jee-jao… En ik spierser nie in… hik… al zekket zelf…

Het is een publiek geheim dat Cees Robben een gezelligheidsmens was, en dat hij die gezelligheid niet alleen vond in de heemkundekring en de schutterij maar ook in wat in die tijd met gevoel voor decorum ‘de kapellen’ werd genoemd. De kroeg dus. Want waar Onze-Lieve-Heer een kerk bouwde, zette de duivel toen nog een kapel neer. Meestal ‘Kerkzicht’ genoemd. Of Robben ook een uitbundige carnavalsvierder is geweest, weet ik niet. Ik telde weliswaar een achttal prenten waarin het carnavalsfeest centraal staat, maar die lijken toch vooral het werk te zijn van een geamuseerde toeschouwer die met veel oog voor detail de zotheid van het feest wil vastleggen. De man die we rechtsonder zien, heet Jan Pigge, een aauwe, taaie spotter. Steeds als Pigge een jaar ouder wordt, zo rijmt Robben, dan wordt ie twee jaar zotter. Dat lijkt me ingefluisterd door Desiderius Erasmus.

10

Brabants nummer 20 - maart 2019

Robben had nóg een verdienste voor carnaval. Een aantal teksten bij zijn tekeningen promoveerde tot Tilburgs carnavalsmotto. Daarnaast werd een aantal prenten ook gebruikt om reclame te maken door en voor carnavalsverenigingen, huisorkesten, en… het kan eigenlijk niet anders, een aantal ‘kapellen’. 


JOS SWANENBERG

ED SCHILDERS

Van de Aar tot de Zwarte Raaf

In memoriam Piet van Beers

Op 25 oktober 2018 presenteerde Wim Veekens in Boxtel een kloek boek, Van de Aar tot de Zwarte Raaf. Ruim vijf eeuwen kleurrij­ ke huisnaamgeving in Boxtel. Een boek over de namen van huizen in Boxtel…niet het meest voor de hand liggende onderwerp, denkt u misschien. Toch kennen we allemaal panden met namen, zoals een café in het centrum van het dorp. In zo’n geval is de naam van het huis ter plekke te lezen, als opschrift op een uithangbord of op een gevelsteen. Maar weet u ook waarom het pand zo is genoemd?

Op 15 december 2018 is in verzorgingshuis Joannes Zwijsen de Tilburgse dialectdich­ ter Piet van Beers overleden. Van Beers werd in 1927 geboren in Loon op Zand en woonde vanaf 1959 in Tilburg. Hij groeide echter op met het Tilburgs dialect als moedertaal, want, zo dichtte hij later: Onze vadder, die unnen echte ‘Lonse’ was/ heej in Tilburg indertèèd z’n vrouw gezocht./ Dörrom ben ik ok meej ’t Tilburgs grôotgebrocht./ Hoe dè blèèft hange, merkte laoter pas. Zijn eerste lichte verzen publiceerde Van Beers vanaf 1982 in Tuinpark Noord, het huisorgaan van de tuindersvereniging in Tilburg-Noord. Die verzen verzamelde Van Beers later onder de titel With Love (Witlof). Sindsdien publiceerde hij honderden verzen in het dialect, en daarmee werd hij de opvolger van Tilburgse dialectdichters als Cees Robben en Lechim. Behalve in de tuinderskrant werden zijn rijmen gepubliceerd in Wijkkrant-Noord, op website Cubra, in de Brabantse Spreukenkalender en ook aan Brabants leverde hij vele (audio)bijdragen. Zijn verzen bundelde hij vele jaren in eigen uitgaven voor vrienden en bekenden. In 2001 werd Van Beers verkozen tot winnaar van de Tilburgse Poëzieprijs. Het gevolg was dat zijn werk niet alleen door Tilburgse lezers, maar ook door de bekendere Tilburgse dichters geprezen werd. Bij het overlijden van Van Beers schreven de voormalige stadsdichters JACE van de Ven en Frank van Pamelen warme In Memoriams in Brabant Cultureel en Brabants Dagblad. Het werk van Piet van Beers kenmerkt zich vooral door een nuchtere kijk op het menselijk bedrijf. Of het nou over ‘witlof’ gaat of over de dood. Piet vertelde graag de anekdote over iemand die hij in het ziekenhuis de krantenpagina met overlijdensberichten zag lezen. Piet: ‘Er zijn er vandaog wir veul opgehaawe meej rôoke.’ Op zijn gedachtenisprentje is een van zijn gedichten afgedrukt. Het eindigt met de regels: En ik zèè begonne òn men grôote rèès/ Dan eete ze vur ’t liste… broojkes meej kèès. 

Een naam is een woord en daarmee onderdeel van de taal, en iedere naam heeft een interessante vorm en betekenis. Een naam heeft bovendien een datering; op enig moment in de geschiedenis van Boxtel is een woord de naam van een bepaald pand geworden. Die naam kan in de loop van de tijd weer vervangen zijn door een andere naam en vervolgens in de vergetelheid geraakt zijn. Het onderzoek van Wim Veekens is dan ook een historisch onderzoek. Hij heeft de huisnamen in archiefstukken opgespoord en reikt daarbij terug tot ± 1450, en hij heeft geput uit het geheugen van verschillende oudere Boxtelaren. Namen van huizen vertellen ons dus iets over de taal en de geografie van Boxtel in heden en verleden, maar en passant natuurlijk ook over de mensen die al die eeuwen de plaats bewoond hebben. Ze leren ons bijvoorbeeld welke personen belangrijk waren voor Boxtel, vanaf de vijftiende eeuw, of welke beroepen er uitgeoefend werden. Stiekem vertellen namen van huizen ons veel meer dan we op het eerste gezicht zouden denken. Deze studie legt de huisnamen van een gebied vast, dateert ze en lokaliseert ze. Zo worden de namen voorzien van hun context in tijd en plaats, en voor dat laatste zijn er prachtige kaarten van Gerard van Houtum, gebaseerd op de kadasterkaart van 1832, in dit boek opgenomen. Maar men wil natuurlijk ook de huisnamen verklaren. Waarom werd die naam gegeven aan een bepaald pand? Het antwoord op die vraag geeft ons vaak een plaatselijk stukje geschiedenis van Boxtel. Kortom, huisnamen fungeren als markeringen van maatschappelijke fenomenen uit de geschiedenis van Boxtel, zoals ruimtelijke inrichting, handel en economie, bodemgebruik, eigenaarschap, identiteit, politiek, enzovoort. Dat geeft deze studie maatschappelijke relevantie, groot of klein, want soms komt een huisnaam ook voort uit de humorvolle fantasie, gewoon in de alledaagse omgangstaal, van Boxtelaren uit het verleden. Wim Veekens, Van de Aar tot de Zwarte Raaf. Ruim vijf eeuwen kleurrijke huisnaamgeving in Boxtel. Woudrichem: Pictures Publishers, 2018 (276 blz.). Interview van Cor Swanenberg met Wim Veekens over het boek Van Lutterliempde tot Nergesna.

Brabants nummer 20 - maart 2019

11


ED SCHILDERS

De Grote Bossche Voejerpertij Wie in Den Bosch woont en van carnaval houdt, kent hen ongetwijfeld: Peer vaan den Muggenheuvel, Kees Min­ kels, en Driek Pakaon. Alle drie spelen ze, naast de Prins en diens Raad van elf, een belangrijke rol in de bijna honderdveertigjarige traditie van het georganiseerde carnaval in Den Bosch. Peer is de burgervaojer van Oeteldonk, Kees is zijn ‘assessor’ (wethouder), en Driek Pakaon handhaaft als veldwachter de orde gedurende de carnavalsdagen. De Bossche carnavalstraditie kent of kende tientallen van zulke hoge en minder hooggeplaatste functionarissen, en ze is in de loop der jaren ook verrijkt met vele elementen zoals een vlag, een stadswapen, een volkslied, en een grondwet. Daarnaast ontwikkelde zich een aantal vaste programmaonderdelen, en over een daarvan, de Grote voejerpertij, gaat dit artikel. Oeteldonk werd in 1882 in het leven geroepen door een aantal carnavalsliefhebbers dat zich verenigd had in de Oeteldonksche Club. De doelstelling was de carnavalsrituelen in georganiseerde banen te leiden en nieuwe impulsen te geven. In dat verband werd in 1885 voor het eerst een voejerpertij georganiseerd, en ook die kreeg een vaste opzet. De voejerpertij, wat Oeteldonks is voor ‘diner’, werd ook wel het Groot skuttelkesfist (Groot schoteltjesfeest) genoemd. Het vindt plaats op zondag om zeven uur ’s avonds, en wordt door Peer vaan den Muggenheuvel aangeboden aan de Prins en zijn gevolg, de bestuurders van de club, en eventuele gasten. Ook oud-bestuurders worden uitgenodigd, en aangezien hun gemiddelde leeftijd nogal aan de hoge kant ligt, spreken Oeteldonkers ook wel van het Ouwe vellendiner. Een van de tradities rond dit diner betreft de menukaart, het Voejerlestje. Dat wordt steevast opgesteld met cryptische dan wel satirische en komische omschrijvingen van wat de gasten voorgeschoteld wordt. Over de inhoud van dergelijke menukaarten bestaat nauwelijks enige documentatie, maar enige tijd geleden vond ik er een afgedrukt in een krant uit de jaren twintig van de vorige eeuw. Blijkbaar werd de opzet van het menu zo humoristisch gevonden en zo typisch voor het Bossche carnaval, dat sommige kranten hun lezers er graag van lieten meegenieten. Onderzoek in de databank met Nederlandse kranten leverde daarna een tiental menu’s op, verspreid over de periode 18941938. De onderdelen daarvan heb ik gerubriceerd, zodat

18

Brabants nummer 20 - maart 2019

Voorzijde menukaart 1951. een woordenlijst ontstond die kenmerkend is voor deze traditie. Uiteraard hebben de opstellers van de menutekst zich bediend van een dialectische spelling, maar de omschrijvingen behoren op zichzelf meestal niet tot het Bossche taaleigen. Het betreft een dialectisch gelegenheidsidioom, meer Oeteldonks dan Bosch. Bij de verklaring van een aantal onderdelen kreeg ik hulp van Riny Boeijen, Rob van de Laar, Cees Slegers, Cor Swanenberg en Jos Swanenberg. Ik dank hen hartelijk voor hun behulpzaamheid. De gangen Het aantal gangen varieert. Het minimum is vijf, het maximum dat ik heb aangetroffen is acht. De eerste gang wordt altijd aangekondigd als Op d’uurste plek. Dan volgen: Twiddes, Dordes of Derdes, Vierdes, en Vefdes. Als er nog meer gangen zijn, wordt niet doorgenummerd maar volgen omschrijvingen. Gang zes en zeven van een diner van acht heten dan: Op twee nao ’t leste en Op een nao ut leste. Voor gang zes trof ik nog aan: Om de getjes aan te vullen (1894), voor zeven: Nou nog (1907). Gang acht is uiteraard ’t Leste, maar ook prozaïscher: ’t Leste as ge nog niet genoeg hèt (1912 en 1922), Niks mir (1914), en En nou om der af te skije (1894).


Voorgerecht (amuse, entree, appetizer) Wat er precies geserveerd wordt, wordt niet altijd exact benoemd maar in algemene zin omschreven als om oewe maog veur te prepereere (1894, 1911, 1912, 1922). Het betreft dan differente vischkes en zoer gesluns (1911, 1922), alderhaande vrimdigheid (1934), of allerhaande flauwekul (1911). Buitenwerks (1907, 1912) is de letterlijke vertaling van het Franse ‘hors d‘oeuvre’. Wat wij ‘appetizer’ noemen, stond in 1912 op de kaart als Allerhaande flauwe kul […] waor ge vergimmessen honger van krègt. Een koud voorgerecht wordt in 1912 omschreven met daor g’oewen moel nie aon zult braanden. In 1938 stilt het voorgerecht de eerste honger om mar nie vaan de graot te vallen. Twee voorgerechten worden specifieker omschreven. In 1911 is dat bousjeekus, en mijn bovengenoemde respondenten zijn het erover eens dat het om een vol-au-vent gaat: ‘bouchée à la reine’, pasteitje met ragout. In 1914 worden slurpviskes geserveerd: oesters. Soepen Hier wordt weinig gevarieerd (althans in mijn bronnen), want meestal betreft het een heldere bouillon (afkoksel). Het eenvoudigst is ’n Bleek suupke mee niks nie d’r in (1914). In 1894 was het Afkoksel van vlisch mi gruunighet en nog iet maar dat was toch nog erg dun. Gekruide vleesbouillon: Bruin afkoksel van vlisch mit heete dingsighèd er in (1899 en 1907). Un vergimmes lekker bordje slobber vaan de koningin eiges was in 1934 de omschrijving van koninginnensoep. Vleesgerechten In dit deel van het menu zijn er nogal wat vraagtekens gebleven. Wat zijn bijvoorbeeld de bruin gebraoje vlischperketjes uit 1899? Slavinken, blinde vinken? Of, in 1899, In Hamburgs zijstukske van unnen vetten os, stiekum gerukt mit nog wè wurtelkes en errepels? Een soort hamburger of filet d’Anvers? Kalfsvlees was populair. In 1911 aten de genodigden Kaalfsborst opgevul meej overdaot, gevulde kalfsborst. Misschien werd in 1907 hetzelfde recept bedoeld met Ut beste Stuk vaan ut kaalf, maar hiermee zou ook ‘kalfstong’ bedoeld kunnen zijn, dat vaker op het menu stond. Het heet dan Iet ut de moel vaan ’t kalf… (1894), Un eind tong uit de moel vaan un stierke, nie in rullekes, maar mee juus van paddestulekes (1934). Een populaire omschrijving van de kalfstong was …dèt ie uit stikt as ie de mier aan oe gezien hee (1907). Het kalf dus dat zijn tong uitsteekt tegen iemand die hem niet bevalt. In 1899 werden skaoperibbekes geserveerd, en in 1922 Worsjes van gekaapt vlisch: gehakt, saucijzen. Het lijkt erop dat in de omschrijvingen van de vleesgerechten een voorschot

werd genomen op het paasfeest. Na vastenavond volgde immers de vastentijd, en pas met Pasen was vlees weer in volle glorie verkrijgbaar. De slagers richtten dan met hun lekkernijen speciale etalages in en de aanduiding ‘paaskoe’ of ‘paasbeest’ werd gebruikt om het vlees aan te duiden van een speciaal voor de paasdagen vetgemest rund. In de Bossche menu’s is sprake van Un goei stukske vaan in poaschbisje (1894), en in 1922 van Inne goejen haos vaan ’n paoschbisje mit vergimmes goei saus. Een bijzondere omschrijving vinden we op de kaart van het diner van 1914. Dan wordt Kaant vaan d’n os [en] Selderju, vaanweges de vrollie geserveerd. Ossenhaas, dat is duidelijk. Over vaanweges de vrollie (het vrouwvolk) verschilden mijn informanten van mening. Cees Slegers: ‘Ik denk dat ook toen al de mannen eigenlijk niet zo van groenten hielden, maar op last van hun vrouwen dat toch moesten eten. Denk ook aan de passage bij Gerard Reve die een buurvrouw hoorde zeggen: “Veel groente en weinig aardappelen, dat eet voor een man niet zo lekker.”’ Cor Swanenberg sluit echter niet uit dat hier dubbelzinnig gezinspeeld wordt op de veronderstelde ‘potentieverhogende eigenschap’ van selderij.

Vis We zagen al de visbouillon, en er is in 1912 ook een … aongemaokte sous vaan gernaolen. Maar als hoofdgerecht komt vis in mijn bronnen niet vaak voor. In 1899 zal de Kustelikke visch in perlemoeren skulpkes wel betekenen dat er mosselen of oesters werden verorberd. Tong stond in 1911 op de kaart: Gekokte tongen-fileekus mit kustelike sous. In 1914 eten ze ’n Plaat viske mi zwarte bullekus In ’t naat. Cees Slegers schreef me: ‘De goedkopere platvis schol heeft rode bolletjes op zijn huid, maar de duurdere tong heeft zwarte bolletjes. Dus ik denk dat hier tong wordt bedoeld, niet gebakken maar in het nat (gestoofd, gepocheerd of gekookt).’ Wild & gevogelte Er stond weinig wild op de Bossche voejerlestjes, waarschijnlijk omdat het jachtseizoen rond carnaval al geëinBrabants nummer 20 - maart 2019

19


VAN DE REDACTIE

Een boek vol emotie: Moeder de vrouw Op 10 maart 2019 wordt in het spiksplinternieuwe gemeenschapshuis in Lith het veertiende Brabants boekenweekboek gepresenteerd. Tevens wordt dan voor de negende keer de Willem Ivenprijs toegekend en uitgereikt. Op het moment dat wij dit schrijven is ons uiteraard nog niet bekend aan wie. Het Brabants boekenweekboek is een uniek fenomeen. In geen enkele andere provincie in Nederland of België kent men een dergelijk project. Het is dan ook niet meer dan billijk dat we hieraan in Brabants aandacht besteden. Temeer daar het leven van het Brabants Boekenweekboek aan een zijden draadje heeft gehangen. Uitgeverij Van de Berg uit Almere zag zich namelijk genoodzaakt de productie van het boek te staken. Gelukkig schoot de Stichting Brabants te hulp door de uitgave op zich te nemen. Het Brabants boekenweekboek volgt altijd het thema van de landelijke Boekenweek en geeft daar dan een eigen dialectdraai aan. Dit jaar is het thema De moeder de vrouw, naar een beroemd gedicht van Martinus Nijhoff (Ik ging naar Bommel om de brug te zien). De redactie was van mening, dat hieraan niet veel veranderd mocht worden en koos voor Moeder de vrouw, wat op zich al Brabants genoeg klinkt. Vervolgens werden de Brabantse dialectschrijvers uitgenodigd om een bijdrage aan het boek te leveren, in proza- of poëzievorm. Dit leverde in totaal 49 zeer lezenswaardige bijdragen op, evenveel als twee jaar geleden. Een mooi resultaat, al werd het record van vorig jaar (54) niet gehaald. Al dertien jaar wordt het Boekenweekboek opgesierd en verrijkt met tekeningen van Iris Bongers en elke keer slaagt zij erin om haar illustraties nog frisser, leuker en passender te maken dan ervoor. Haar bijdrage vormt dan ook een niet meer weg te denken factor. Moeder Het thema kan op twee manieren worden opgevat en dat is ook duidelijk terug te zien in de verhalen en gedichten in het boek. Velen hebben teruggedacht aan hun jeugd en de rol die hun moeder heeft gespeeld in hun leven. Anderen denken bij dit thema meer aan de

24

Brabants nummer 20 - maart 2019

vrouw die hun echtgenote is geworden. Er zijn zelfs auteurs, die deze twee vrouwen hebben kunnen combineren, zoals overigens Martinus Nijhoff ook heeft gedaan in zijn gedicht. Zoals u van ons gewend bent, nemen wij van elke bijdrage heel kort met u door hoe het thema vorm heeft gekregen. Niet om de inhoud te verraden, maar om u juist nieuwsgierig te maken, want wij adviseren u dringend om het boek aan te schaffen, te lezen en te herlezen. Willem Iven Omdat elk jaar aan het Brabants boekenweekboek de Willem Ivenprijs wordt gekoppeld (een kleurrijk beeldje van een haan, gemaakt door kunstenares Jenny Derksen en beschikbaar gesteld door het gemeentebestuur van Oss), was het een goed idee van de redactie om te beginnen met een verhaaltje van Willem Iven zelf, een anekdote die uitstekend past bij het thema. De overige verhalen en gedichten zijn alfabetisch gerangschikt op achternaam van de auteurs. Paul Asselbergs moet meteen denken aan een gedicht van zijn vader. Brigit Bakx-Hermans ontroert met een verhaal over de hopeloze pogingen die sommige mensen ondernemen om nageslacht te krijgen. Narus van Balkum ontroert eveneens, met een terugblik op het leven van zijn overleden moeder. Henk van Beek ziet de moderne, werkende vrouw eigenlijk niet zitten. Johan Biemans associeert op zijn volstrekt eigen wijze over allerlei zaken die te maken hebben met kerk en moederschap. Mathieu Bosch zal vast en zeker voorlopig niet trouwen. Toon van Boxtel vertelt ons over de wendingen in het leven van zijn moeder. Nelleke Castellijns doet ons het ontstaan van D’n Allemantel van de Zoete Moeder uit de doeken. Jan van Elzakker beschrijft de lotgevallen van een meisje, dat ging diene in Antwerpen. Keinder Piet van Esch legt uit waarom zijn moeder veel meer is dan iemand om keinder op de wereld te zetten. Jeanne Franke vraagt haar moeder, hoe die zich voelde tijdens haar laatste zwangerschap. Niek van Giels, Pietzeun beschrijft het


verschil tussen de jeugd en de ‘oude dag’ van zijn moeder. Rensz Gorisse legt zijn negentigjarige moeder een modern begrip uit. Nellie de Groot-Cooijmans vertelt hoe heldhaftig haar moeder ooit een rat heeft doodgeslagen. Henk Janssen behandelt op grappige wijze het homoniem stem aan de hand van zijn ome Gerrit en tante Jo. Willem Jonkergouw is trots op zijn moeder, een kranige vrouw. Junt denkt steeds vaker terug aan haar moeder en vader en aan hun manke knecht. Harrie de Koning houdt van de sterke vrouwen in zijn familie, vooral van zijn moeder. Jan Luysterburg beschrijft in een complete levensloop de relatie van een zoon tot zijn moeder. Zùrgen Guus Meeuwsen verhaalt over de overgang van zijn moeder van ’n lèven zùrgen naar verzùrgd lèven. Edy Minnebach vraagt zich af of de huidige moeders het nog wel erg vinden dat hun kinderen het huis uit zijn. Jos Naaijkens herinnert zich vertederd de familiebijeenkomsten op zondagmorgen bij zijn oma. Suus van Opdörp combineert op knappe wijze een dialoog met twee gedichten en met het onvermogen om volledig te zijn. Piet Pels vindt het niet toevallig, dat zijn kranige moeder op dezelfde datum is gestorven als zijn vader. Rie RoksNefs vertelt in liefdevolle herinnering over haar drie moeders en haar eigen moederschap. Wim van Rooij vindt het kras, dat vier vrienden om de beurt problemen meemaken met hun vrouw. Elly Schepers-Corstjens maakt duidelijk, dat er wel erg veel verschil is tussen de vrouw in de reclame en de moeder in werkelijkheid. Ad van Schijndel koppelt eigenschappen van slimme vrouwen aan hun sterrenbeeld. Will Segers schildert een portret van haar moeder, die uiteindelijk profiteert van haar

handicap. Marja van Trier verbindt het lot van een gezin aan de rode haarkleur van de moeder. Jan Ulijn onthult het levenslang verzwegen verdriet van zijn grootouders. Tilly Wijnen Firet maakt zich boos op een man, die dialectsprekende mensen ‘taalarmlastig’ noemt. Mrinus van de Wittering begrijpt na vijftig jaar wat zijn moeder hem aan levenswijsheid had willen meegeven. Poëzie Het thema Moeder de vrouw heeft in de nieuwste uitgave van het Brabants boekenweekboek uiteraard (gelukkig) ook geleid tot een aantal poëtische ontboezemingen. Tonny van de Graft bespreekt een aantal gezegden die zijn moeder bezigde. Ruud van der Heijden heeft het over de tijd dat nog niet Google, maar de moeders de wijsheid in pacht hadden. Gerlaine Jansen ziet in de spiegel haar moeder terug. Ans van Kessel dicht over een gelukkige moeder van tevreden kinderen. Mientje Kwinten-Evers brengt een ode aan haar moeder en haar grootmoeder. Piet Snijders stelt geen hoge eisen aan de ideale vrouw. Toine Nooijens brengt een aandoenlijke ode aan zijn levensgezellin, waarmee hij erg gelukkig is. Gerard Schalkx beschrijft wat hij het allermooiste cadeau vindt. Mariëlle van Schijndel-de Haas klaagt dat moeders nooit voldoende gewaardeerd worden. Willum Schriemer vindt het stil na de dood van zijn moeder. Cor Swanenberg beschrijft in een prachtig sonnet de verwarde gedachten van zijn eenzame moeder. Gerard Ulijn dicht over de verbondenheid die hij voelt met zijn moeder. Ties Verhoeven vraagt zich af hoe een vrouw ooit met die lamlul heeft kunnen trouwen. Mientje Wever beschrijft een moeder tijdens het winkelen met haar opstandige dochters. Henriëtte Vunderink vindt dat vrouwen al sinds Eva eigengereid zijn, maar dat hun kinderen daar verandering in brengen. Een zeer gevarieerd geheel dus en een waardevolle aanvulling van uw boekenkast. Hieronder kunt u lezen, hoe u het boek kunt bestellen. 

Brabants boekenweekboek 2019 Vanaf 10 maart voor € 14,95 te koop in de boekhandel (ISBN 978-94-6226-324-6) Ook te bestellen via e-mail: info@stichtingbrabants.nl

Brabants nummer 20 - maart 2019

25


HENK JANSSEN

’t Is ongepermeteerd! Als Diel Feijen en Johan Mathijssen in Budel op een receptie verschijnen, verstommen om hen heen de gesprekken. De meensen oet Buul - vooral zij die openbare functies bekleden - weten maar al te goed dat hun gespreksonderwerp, als het eenmaal op de radar van Diel en Johan verschijnt, de kans loopt om tot hilarisch thema van de column Junt te promoveren. Junt, zo’n 43 jaar geleden aan hun beider fantasie ontsproten, is een oudere dame, die samen met ozze Sjang op een heel eigen manier allerlei plaatselijke, actuele gebeurtenissen becommentarieert. De column Junt verschijnt maandelijks in het weekblad De Grenskoerier en is op dit moment aan de 241e editie toe. Ze zijn er trots op, dat de meer algemene verhaaltjes sedert mei 2005 ook in Brabants verschijnen. De Buulder Buk In 1975 staat Diel Feijen voor de eerste keer bij carnavalsvereniging De Buulder Buk in de ton om daar als Junt een succesvolle buut voor het voetlicht te brengen. Toen al met teksten van Johan Mathijssen. Op een humoristische en ludieke manier neemt zij jaarlijks, gekleed in zwarte dracht, in onvervalst Buuls dialect en zonder een blad voor de mond te nemen de plaatselijke politiek op de hak. Keer op keer zijn de buuts een schot in de roos. Hoewel Junt met haar kostelijke en succesvolle buuts bij de zittingen van de Buulder Buk al snel niet meer is weg te denken, stopt het duo hiermee in 1997. Ze verrassen alle Buullanders vervolgens met een tweede carrière, die van de columniste Junt. Op 18 november 1998 verschijnt in De Grenskoerier de eerste gedrukte column met als titel Bók. En ook wordt meteen de toon gezet, door de nieuwe gemeentesecretaris, die zich bij zijn aantreden enigszins laatdunkend over een aantal zaken heeft uitgelaten, flink de oren te wassen. ‘Hie in Buul binnenkomen en beginnen mej de hieël zooi af te krâken, dae past neet. Dae is ongepermeteerd!’ Humor als desem Het duo achter Junt is inmiddels meer dan veertig jaar op elkaar ingespeeld. Tijdens mijn bezoek is dat aan alles te merken. Ze hebben over en weer aan een half woord genoeg en we lachen heel wat af. Gevraagd naar de rolverdeling en de werkwijze krijg ik te horen, dat ze steeds samen in goed overleg het onderwerp voor een nieuwe aflevering bepalen. Bij voorkeur is dat een thema uit de actualiteit. Vervolgens gaat Diel de feiten controleren - ‘het moet wel kloppen wat we op papier zetten’- en schrijft Johan na wat piekeren - ‘het moet eerst broeien’ - de conceptversie in precies achthonderd woorden. Vervolgens is het de beurt aan Diel om die tekst aan de hand van de gangbare spellingregels in leesbaar Buuls te zetten. Een frontale, scherpe aanpak wordt in hun rubriek

28

Brabants nummer 20 - maart 2019

niet geschuwd, maar doorgaans weten ze ook heel goed te relativeren. In ieder geval wordt er altijd op de bal en niet op de man/vrouw gespeeld. Bovendien is elke vertelling doordesemd met fijnzinnige humor. Die werkwijze maakt, dat ze niet alleen in Budel maar ook elders in Brabant veel bewonderaars hebben. In Buul en omgeving zijn ze zelfs zo populair, dat er al drie bundels met telkens vijftig verhalen zijn verschenen. Boekjes die steeds in een mum van tijd het predicaat ‘uitverkocht’ krijgen. Authentieke Buullanders ‘We zijn beiden geboren en getogen in Buul en kennen elkaar uit de tijd dat er opeens een drumstel op het altaar stond. We werkten toen samen in een tekstgroep voor de destijds populaire jongerenmis. Daarnaast was Diel altijd babysit voor onze kinderen. Op de lagere school,’ vertelt Johan, ‘kon ik nauwelijks meekomen. Ik ben maar liefst twee keer blijven zitten. Voor die haperende leerprestatie hebben ze vandaag de dag vast een moeilijk woord. Mijn ouders stuurden mij aansluitend naar een internaat van de paters salesianen in Leusden en daar heb ik het vak van maatschoenmaker geleerd. Maar ik ontdekte er ook, dat ik goed opstellen kon schrijven. Ik haalde voor het eerst in mijn schooltijd een negen, waarbij die leraar bovendien opmerkte dat “alleen God een tien krijgt”. Het gaf mijn zelfvertrouwen een enorme oppepper. Vanaf dat moment is taal mijn hobby. Met mijn vakmanschap heb ik daarna hier in Buul


een goedlopende zaak voor pasvorm- en kinderschoenen op kunnen bouwen. Verder ben ik in Buul zes jaar wethouder geweest. Met, jawel, als oprechte ervaringsdeskundige, onderwijs in mijn portefeuille.’ De levensloop van Diel heeft eigenlijk van meet af aan met onderwijs van doen gehad. ‘Lang geleden heb ik even gespeeld met de idee om missiezuster te worden maar na mijn mms en pedagogische academie ben ik hier in Buul altijd onderwijzeres geweest. Spijtig genoeg moest ik daar na 25 jaar vanwege een auto-immuunziekte een punt achter zetten. Door mijn werk ken ik de mensen in ons mooie kransakkerdorp natuurlijk als geen ander. En dat geldt voor Johan al evenzeer. Verder ben ik ook nog eens intensief met stamboomonderzoek bezig en zijn we beiden als vrijwilliger betrokken bij onze kerk. Van Pasen tot september werken we er als toezichthouder en gids om er ’s middags bezoekers te ontvangen en rond te leiden. Al die activiteiten helpen ons natuurlijk zeer bij de maandelijkse compositie van onze column.’

Kreum versus kreuge Door de vele anekdotes komen we niet of nauwelijks toe aan de aard en de bijzonderheden van het Buulse dialect, dat veel andere Brabanders als Limburgs in de oren klinkt. Maar het is dan ook prachtig om hen in geuren en kleuren te horen vertellen over de vele effecten van hun rubriek. Als zij een verzuim of misstand aankaarten, wordt dat vaak nog in dezelfde week rechtgezet. Een roestige grenspaal? Junt schrijft erover en de paal staat er nog dezelfde week fris geverfd bij. Hun andere belangrijke motivatie, het behoud van het Buulse dialect, bewaren we dan maar voor een vervolggesprek. De Strijper Aa als scheidslijn voor het Buuls, de Uerdinger linie als isoglosse, eech, mich en mechje (ik, mij en meisje) en de kruiwagen die een kreum is, Brabants komt graag nog eens bij Diel Feijen en Johan Mathijssen terug.  Foto: Jacqueline Nellen

MRINUS DE WITTE

De Witte wit wir wè Als we de Bèrgse dialectwoorden voor kledingstukken (verzamelnaam: dinger) en accessoires onder de loep nemen, wordt meteen duidelijk dat vroeger in Berghem armoe troef was. De verzameling is maar beperkt en de meeste dialectwoorden gaan over de broek, ofwel de boks. Behalve reguliere varianten zoals onderboks en sondagse boks (de enige nette broek voor de zondag), kwam ook de mesjèsterse of messèsterse boks voor; een lange (werk) broek van grove rib (manchester). Verder was er de klep­ boks; een broek met klep die van achteren sluit. Niet te verwarren met een aachterboks, want dat is het achterste deel van een paardentuig. Voor onderbroek werd ook de benaming follie of foelie gebruikt (in andere Brabantse dialecten een sjaal of omslagdoek). Ik sluit niet uit dat het in dit geval gaat om een onderbroek die of veel te groot was of verwassen en daardoor lubberde. Kreeg je overigens van iemand de vraag: ‘Verwaachtte hog wotter?’ dan waren je broekspijpen opvallend te kort. Oorzaak: je galge (bretels) te strak opgetrokken of je oudere broer kon zijn lange broek nog niet missen. En had je broek ’n biejescooptès, dan zat er een gat in de broekzak. Zoals veel vrouwen in die tijd droeg ons moeder altijd een kesjèt of rellèft (corset). Die ontdekking deed ik toen ze me dansles gaf en ik mijn hand op haar geharnaste rug moest leggen. Haar bovenkleding was altijd bedekt met een schort - unne scholk - en mijn oma had nog een exemplaar van jute, unnen boalscholk. Bij haar sondagse dinger (nette kleding) hoorde unne pelderien; een luxe omslagdoek of schoudermanteltje, afgeleid van het Franse woord pélerine (van oorsprong een

pelgrimsmantel). En in haar jonge jaren droeg ze ook siesökskes, korte damessokjes. Voor de mannen was er ’n bôzzeloen (overhemd), al dan niet voorzien van drukknopen die daawknöpkes of lööiwijveknuujp worden genoemd. Op zon- en feestdagen droegen ze unne slieps (stropdas) en afhankelijk van het weer ’n pielepètje (alpinopet). De heren van stand waren ook nog voorzien van ’n knèttervesje (gillet) en ’n löfke (lefdoekje of pochet in de borstzak van het colbert). Kreeg een man of vrouw de opmerking ‘Ge het ’n schojjerslijf’, dan was dat een uiting van jaloezie aangezien de aangesprokene een figuur had waarbij alle kleding paste. Maar liep iemand er als een schooier (slordig) bij, dan werd hij of zij fannie genoemd. In één ding verschilt ’t Bèrgs niet van andere Brabantse dialecten, want ook in Berghem hi de vrouw de boks ôn. Illustratie Mathilde Artwork Brabants nummer 20 - maart 2019

29


NICO VAN KRUISBERGEN

Taaftere laat de tijd vliegen Taaftere noemt zich op de eigen site ‘een viermans folkformatie, die zelfgeschreven nummers brengt, meerstemmig zingt en fraaie instrumentale arrangementen toevoegt’. De groep bestaat uit Mario van der Linden die oorspronkelijk uit Nistelrode komt, Willy Verkuijlen die van Volkel is, Mark Söhngen uit Helmond en Joost Witte uit Wageningen. Dat levert voor een Brabantse cd problemen op, zou je denken, want de dialecten van die plaatsen verschillen onderling nogal. De oplossing is gevonden door dicht naar het Nederlands te kruipen. Een enkele keer hoor je in de strofen zelfs Nederlands en in het refrein Brabants (Hendig zat). Taaftere is een gelukkige mix van taal en talenten. Het viertal beschikt over een aardig instrumentarium: zang, accordeon en trekharmonica (Mark), zang en gitaar (Mario), zang, mandoline en basgitaar (Willy) en percussie (Joost). Voor deze gelegenheid heeft ook Manuel Söhngen (elektrische gitaar) aan de nieuwe cd meegewerkt. De nieuwe schijf Tijd vliegt is een aangenaam geheel geworden met brede orkestratie. Er staan zestien nummers op. Het aanstekelijke openingsnummer Klaar en het lied Hé nou zijn lekkere binnenkomers. Tijd lupt mar dur is een rijk gearrangeerd lied dat beantwoordt aan de titel van de cd. De muzikale variatie blijft de gehele cd verfrissend en verrassend; naast bijna carnavaleske meezingers (En den duvel schijt altijd op de grootsten hoop en ik, ik pis er neeve…! Doeme doeme doeme, doeme mar ’n pilske, Olliedegallie) en virtuoze instrumentaaltjes (Gewirwar en Mirte’s musette) zijn er fraaie luisterliedjes te horen, zoals Koojer of bitter, As ik zeg dakku

34

Brabants nummer 20 - maart 2019

mis en het lied over het Duits lijntje uit vervlogen tijd, waarvan we in het kader de tekst laten volgen. In 2016 werd de debuut-cd Duzend stappen besproken in Brabants. Toen waren ze nog met drieën. Nu is er een mooi vervolg gekomen en als je bedenkt dat Taaftere pas sinds 2012 samen is, kun je stellen dat de groep ‘stappen gemaakt heeft en de tijd laat vliegen’ met muziek van eigen makelij. Söhngen en Van der Linden schreven ieder de helft van de nummers. Een bijzondere combi van singer-songwriters. De liedjes in dialect hebben originaliteit, de stemmen harmoniëren. Een enkele keer wordt het woord overstemd door de muziek. De groep heeft gezelligheid en humor hoog in het vaandel staan en dat nodigt uit tot meezingen. www.taaftere.com of info@taaftere.com voor meer info.  

Van Boxtel naor Berlijn De stoom blaost ballonnen vur ’n bleke zon De bloedprocessie langs ’t station Peppels, ’n koe die uit de Dommel drinkt De klank van klompen die nooit mir klinkt Jansen en de Wit, ooit ’t grote geld De lucht van looien van ’t leer Daor langs de bossen en ’t zompige veld Twee ijzeren strepen van weleer Refrein En gij en ik, wij gaon met d’n trein Wir van Boxtel naor Berlijn En we rijen dan dur mè ’n andere lijn Tot weid vurbij ’t Rode Plein Steeds ruiger groeit ’t gras over ’t spoor Waor tijd z’n inhoud lang verloor Zwaore schepen in ’t laote aovendlicht Vaorend van Den Bosch tot aon Maastricht ’n Opgehaolde brug, met z’n uitgedoofde sein Van ’n lang vergeten lijn En tussen fabrieken, huizen en verkeer Roestige strepen van weleer Hier en daor stu nou ’n monument Bunkers langs unne defensiesloot Stukskes rail, unne seinpaol, ’n ouwe prent Van niks naor nergens, ’t spoor is dood Tsaren en keizers, die rejen over die lijn Namen die al lang verdwenen zijn D’n tijd die wint ’t, keer op keer Dromend over ’t lijntje van weleer


Luisterbox Brabants 20

Colofon: Brabants, jaargang 5, nummer 4, maart 2019 Brabants verschijnt vier keer per jaar; in juni, september, december en maart Redactie: Riny Boeijen, Jan Luysterburg (hoofdredacteur), Ed Schilders, Cor Swanenberg, Jos Swanenberg Redactiesecretariaat: Cor Swanenberg, Milrooijseweg 109, 5258 KG Berlicum, tel. 073-5031879

Junt: Zelfbeschikking (Budel) 5.22

Aan dit nummer werkten mee: Brigit Bakx-Hermans, Johan Boenie, Piet Brock, Karin van Gent, Wim van Gompel, Henk Janssen, Junt, Nico van Kruisbergen, Rob van de Laar, Lizzy van Pelt, Han Roijakkers, Theo Schouw, Cees Slegers, JACE van de Ven, Carole Vos, Wim Veekens, Mientje Wever, Mrinus de Witte en Hás van de Zande.

Martin Jan van Mourik: Top tien Brabantse woorden. (Ravenstein) 0,23

Foto omslag: Henk Janssen. Tenzij anders vermeld zijn de foto’s in dit blad van Henk Janssen.

Lizzy van Pelt: Vis bâkke. (Woudrichem) 2.57

Vormgeving: Meyer Grafische Vormgeving – Asten (www.meyergrafischevormgeving.nl)

De volgende door de auteurs ingesproken teksten zijn te beluisteren op de website: Piet Brock: En Bild van Sint Joozef (Goirle) 2.00

Wim Veekens: Interview naar aanleiding van het boek Van Lutterliempde tot Nergesna. (Boxtel) 5.56 Mientje Wever: Vörjaor (Boxmeer) 1.34 De geluidsopnamen zijn gemaakt door Frans van den Bogaard en Cor Swanenberg. De luisterbox is te vinden op de audiopagina van www.stichtingbrabants.nl en op www.cubra.nl/brabants/Brabants_Audio.htm

Jaarverslag 2018 Op onze website vindt u onder het kopje Beleidsplan en financiën het Jaarverslag van de Stichting Brabants met de balans en de staat van baten en lasten. Ook treft u daar steeds ons beleidsplan en de begroting voor het komende abonnementsjaar aan. Dat abonnementsjaar wijkt overigens af van het kalenderjaar en loopt van juni tot juni. Voor een kijkje in de keuken bent u altijd welkom op: www.stichtingbrabants.nl.

Druk: Grafisch Atelier Blaricum – Blaricum (www.drukkerijblaricum.nl) Uitgever: Stichting Brabants, Huub van Lieshoutstraat 6, 5401 BV Uden, tel. 06-51158839. KvK-nummer 60585412. RSIN 8539.72.199. ISSN 1572 – 1612. Bankrekening ABN-AMRO IBAN: NL73 ABNA 0545 3581 75 (BIC Code: ABNANL2A) Website: www.stichtingbrabants.nl E-mailadressen: Algemeen: info@stichtingbrabants.nl Redactie: redactie@stichtingbrabants.nl Abonnementen: Bestellingen, opgave en mutatie van jaarabonnementen uitsluitend via de uitgever, stichting Brabants. Een jaarabonnement kost € 24,50. Losse nummers € 8,95 inclusief portokosten in Nederland. Voor abonnementen in het buitenland wordt de prijs van het jaarabonnement verhoogd met de van toepassing zijnde verzendkosten. Voor het buitenland is Brabants evenwel ook in pdfbestand verkrijgbaar. Van Hepscheuten, pseudoniem van Jan van Rijthoven, idee en tekst, met illustratie van Kees Wouters

Brabants nummer 20 - maart 2019

35

Profile for Brabants Magazine

Brabants magazine nr. 20  

Een tijdschrift over Brabant en de Brabanders

Brabants magazine nr. 20  

Een tijdschrift over Brabant en de Brabanders

Advertisement