Issuu on Google+

Bezoekersgids


Brushes, Lexington, 2005

Ce guide du visiteur vous est offert par BOZAR EXPO en collaboration avec l’imprimerie Hayez. Deze bezoekersgids wordt u aangeboden door BOZAR EXPO , in samenwerking met drukkerij Hayez.

Deze bezoekersgids u aangeboden This visitors’ guide is offered towordt you by BOZAR EXPO in samenwerking met drukkerij in collaboration with Hayez printers.Hayez

Hayez, your efficient printer


BO ZAR EX PO

01.02 > 29.04.2012

CY TWOMBLY Photographs 1951 - 2010

1


Tafel, stoel en tafelkleed, Tetuan, 1951. Ed. 3/6 Dryprint op karton. 43,1 x 27,9 cm Schirmer/Mosel Verlag – Fondazione Nicola del Roscio

2


Tafel, stoel en tafelkleed, Tetuan, 1951. Ed. 3/6 Dryprint op karton. 43,1 x 27,9 cm Schirmer/Mosel Verlag – Fondazione Nicola del Roscio

3


Tafel, stoel en tafelkleed, Tetuan, 1951. Ed. 3/6 Dryprint op karton. 43,1 x 27,9 cm Schirmer/Mosel Verlag – Fondazione Nicola del Roscio

4


Tafel, stoel en tafelkleed, Tetuan, 1951. Ed. 3/6 Dryprint op karton. 43,1 x 27,9 cm Schirmer/Mosel Verlag – Fondazione Nicola del Roscio

5


Tafel, stoel en tafelkleed, Tetuan, 1951. Ed. 3/6 Dryprint op karton. 43,1 x 27,9 cm Schirmer/Mosel Verlag – Fondazione Nicola del Roscio

6


‌ zijn werk behelst geen concept (trace), maar een activititeit (tracing) ‌ Roland Barthes

7


Twombly en fotografie, één groot lichtspel Een zeldzaam voorrecht: binnenkort kun je het unieke fotografische oeuvre ontdekken van deze Amerikaanse kunstenaar, die vooral beroemd werd met zijn schilderijen, met hun bijzondere, spontane, kleurrijke, bijna primitieve beeldtaal. Op zijn doeken prijken ook namen van mythologische helden en verzen van Sappho, Keats, Mallarmé en Valéry. Toch is er geen enkele breuk tussen zijn schilderkunst en de ruim honderd polaroidfoto’s die hij bewerkte met een kleurenfotokopieerapparaat en die je vanaf 1 februari kunt bewonderen. Cy Twombly selecteerde ze voor zijn laatste publicatie die afgelopen zomer, vlak voor zijn dood, werd uitgegeven in München. Daarnaast is een film te zien van Tacita Dean over Cy Twombly, en ook een reeks schilderijen en tekeningen uitgekozen door Hubertus von Amelunxen. Een gesprek. Twombly koos deze foto’s zelf uit voor een boek. Hoe wilt u ze inpassen in de tentoonstelling en de door hem zo gekoesterde tijd-ruimteverhouding belichten? De basis van deze tentoonstelling, hier in het Paleis voor Schone Kunsten, is een werk waar hij vorig jaar aan begonnen was en dat heel kort voor zijn dood werd voorgesteld in München. Hij had aan het ontwerp gewerkt, terwijl ik het voorrecht had om de tekst te mogen schrijven. We zijn van plan om de onderliggende dramaturgie over te nemen, met dit verschil dat de tentoonstelling ook andere werken van Twombly brengt: tekeningen, schilderijen en sculpturen. Toch staat fotografie absoluut centraal. Er is dus geen scheidingslijn tussen zijn 8


fotografische, picturale en sculpturale werk. Het gaat telkens om dezelfde kunstuiting, maar in een andere tijdcontext. Daarnaast tonen we ook het werk zien van de Britse kunstenares Tacita Dean, die haar film Edwin Parker, Twombly’s echte naam, komt voorstellen. Wat fascineert u persoonlijk bij deze artiest? Het ‘schrappen’, om een term van Roland Barthes te gebruiken, of hoe Twombly deze zoektocht heel zijn picturale oeuvre lang is blijven voeren. Al dan niet een teken plaatsen, dat is de essentie van zijn werk. Slechts heel weinig kunstenaars zijn daarin geslaagd, en eigenlijk is dat even fascinerend als de tijdelijkheid die hij aan de mythe geeft. De mythe die per definitie tijdloos is. Hier valt meteen zijn belangstelling op voor psychoanalyse en de tijdloosheid van de menselijke psyche. In dat opzicht gaat het om een uniek oeuvre. Het is van een zeldzame veelzijdigheid, maar tegelijk vertrekt het altijd van hetzelfde teken. Is er, wat het probleem van de tijd betreft, bij Twombly geen paradox tussen het instantkarakter van de polaroidfoto en het trage verwerkingsproces dat erop volgt? Twombly is niet de enige die op die manier te werk gaat, al is hij ongetwijfeld geen Cartier-Bresson. Het ‘beslissende moment’ doet er bij hem weinig toe. We weten niet hoeveel polaroidfoto’s hij heeft weggegooid om tot dit belangrijke fotografische werk te komen. Het omvat vier volumes, inclusief de honderden 9


clichés die hij heeft bewaard. Concentreerde hij zich net als veel hedendaagse kunstenaars op reeksen? Nee. Twombly werkte vooral op zijn favoriete plekken: Rome en de rest van Italië, Lexington, zijn ateliers, soms op het strand. Maar bloemen waren zijn stokpaardje, en hij heeft er prachtige dingen mee gedaan. De eerste, rond 1993 in de galerie Mattheuw Marks te New York, tentoongestelde reeks heet niet toevallig Tulips. Hij fotografeerde ook zijn flat, planten, groenten… Dagelijkse voorwerpen, behalve in het geval van zijn eerste foto’s begin jaren 50. Twombly maakte in die tijd veel portretten en fotografeerde zijn eigen werken, wat hij nog een halve eeuw lang zal blijven doen, net als Gerhard Richter of Brancusi. Hij gebruikte de fotografie als manier om zijn aanpak concreet te vertalen. Misschien wilde hij er ook voor zichzelf een ander aspect van zijn oeuvre mee belichten. Was zijn fotografie een vertrekpunt voor zijn schilderwerk? Toch niet. Als hij polaroidfoto’s neemt, doet hij dat op een speciale manier, zonder autofocus. Op die manier speelt hij met onscherpheid. En hij reproduceert zijn polaroids met een kleurenfotokopieerapparaat, waarbij hij bepaalde kleuren benadrukt of zo goed als monochroom maakt. Zo introduceert hij ruimte en tijd in zijn werk, wat trouwens de rode draad is door zijn hele oeuvre.

10


Wat wil hij precies bereiken met het vergroten van polaroids? Het formaat dat hij kiest met het kleurenfotokopieerapparaat is ongeveer 2,5 keer groter dan de vierkante polaroidfoto’s. We kunnen hier uitgaan van de hypothese dat hij op die manier ook het onscherpe karakter versterkt, net als Sigmar Polke, die ook gretig gebruikmaakte van het fotokopieerapparaat. Het beeld wordt daarbij op een heel speciale manier uitgerekt, zoals een anamorfose. Zo ver gaat Twombly niet, maar hij verandert wel de beeldverhoudingen door het beeld te vergroten. Op die manier benadrukt hij het abstracte karakter ervan. Hoe herken je zijn stempel? Voor Twombly is het schrift fundamenteel. Hij ontwikkelt een eigen schrijftaal waarmee hij voortdurend experimenteert. Het is de hele tijd schrijven en schrappen, een proces dat Roland Barthes zo treffend beschreef. Werken met blanco ook, dat hem heel sterk verwant maakt met Mallarmé. Zijn fotografie bevat als zodanig geen witruimten of leegten, tenzij bij sommige zwart-witfoto’s uit de jaren 50 van tafels of stoelen. Wit dient bij Twombly meestal alleen maar om diepte te creëren, die op haar beurt tijdelijkheid genereert. Wit of licht? Elk werk van Twombly baadt in het licht. Hij schildert als het ware licht. Zelfs als hij werkt met zwart, wit op zwart of met schrappingen is er altijd licht aanwezig. Geen toeval, want is fotografie niet hét lichtmedium bij uitstek? Interview: Xavier Flament voor BOZARMAGAZINE

11


Van het schrijven bewaart TW het gebaar, niet het product. Al is het mogelijk om esthetisch genot te puren uit het resultaat van zijn arbeid (datgene wat het kunstwerk wordt genoemd, het doek), al hebben de voortbrengselen van TW raakvlakken met de kunstgeschiedenis en de kunsttheorie (daaraan ontsnappen ze niet), wat ons getoond wordt is een gebaar. Wat is een gebaar? Zoiets als het supplement van een handeling. De handeling is transitief, zij wil een voorwerp wekken, een resultaat bewerkstelligen; het gebaar is dan de onbepaalde en onuitputtelijke som van drijfveren, driftimpulsen en vertragingen die de handeling omringen met een sfeer (in de astronomische betekenis van het woord). Laten we dus een onderscheid maken tussen de boodschap, die informatie wil overbrengen, het teken, dat een begrip wil overbrengen, en het gebaar, waarmee al het overige (het ‘supplement’) wordt overgebracht, zonder dat dat overbrengen noodzakelijkerwijs de bedoeling is. De artiest (laten we dit kitscherige woord nog even aanhouden) is krachtens zijn statuut iemand die zich bedient van gebaren: hij wil een effect teweegbrengen en tegelijk wil hij dat niet; de effecten die hij teweegbrengt hoeft hij niet te hebben gewild; het zijn zijdelingse, afgeworpen, vrijgekomen effecten, die hun weerslag op hem hebben en daardoor zorgen voor de wijziging, afwijking of verlichting van de

12


lijn die hij trekt. Zo wordt in het gebaar het onderscheid tussen oorzaak en gevolg, motief en doelwit, uitdrukking en overreding opgeheven. Het artistieke gebaar – of de artiest als gebaar – doorbreekt niet de causale handelingsketen, wat de boeddhist het karma noemt (hij is geen heilige, geen asceet), maar brengt hem in de war, jaagt hem aan tot de betekenis ervan zoekraakt. In het (Japanse) zenboeddhisme heet zo’n bruuske (soms zeer ijle) breuk met onze causale logica (ik simplificeer) een satori: door een uiterst geringe of zelfs lachwekkende, krankzinnige, koddige omstandigheid wordt het subject opgewekt tot een vorm van radicale negativiteit (die geen negatie meer is). Ik beschouw de grafische werken van TW stuk voor stuk als kleine satori’s: uitgaand van het schrijven (een causaal veld bij uitstek: we schrijven, zeggen we, om te communiceren) doen zich een soort nutteloze scherven voor, die niet eens meer interpretabele letters zijn, met als gevolg een ontheffing van de actieve, schrijvende persoon, van het weefsel van zijn motieven, zelfs de esthetische: het schrijven huist nergens meer, het is volkomen overtollig. Begint niet juist op die uiterste grens ‘de kunst, ‘de tekst’, al het ‘vergeefse ‘ van de mens, zijn perversie, zijn ontlading? Roland Barthes

13


Een zeldzame tekst, geschreven door Cy Twombly, waarin hij reflecteert over zijn schilderijen, verscheen in het magazine L’Esperienza moderna van augustus-september 1957 Wet blankheid heet kan misschien nog het best omschreven worden als een gespleten gevoel (zoals verlangen en angst tot allerlei vormen van onrust leiden). Blankheid kan zowel de klassieke toestand van het intellect weergeven als een neoromantisch herinneringsveld. Of ze staat voor de symbolische blankheid van Mallarmé. Misschien achterhalen we nooit wat blankheid allemaal inhoudt, maar dat ze aanwezig is en blijft als het landschap van mijn handelingen, moet betekenen dat er meer dan selectie in het spel is. Een mens is de spiegel van wat hij meent. Daarom moet elke handeling een uiting zijn van het besef te bestaan. Bijgevolg is de daad de fundamentele keuze. In de schilderkunst is die daad het vormen van een beeld; de compulsieve handeling van het doen ontstaan; rechtstreekse en onrechtstreekse druk, tot een climax gebracht in de acute daad van het gestalte geven. (Met ‘gestalte geven’ bedoel ik niet dat je gaat formaliseren noch, meer algemeen, dat je het erop aanlegt een ‘goed schilderij’ te produceren. Niet het soort problemen dus dat behoorlijk gemakkelijk te omschrijven en op te lossen is en dat vaak aanleiding was tot de productie van mooie en zelfs belangrijke kunstwerken.) Meestal is het dus zo dat het schilderen het beeld bepaalt. Daarom is het grotendeels de illustratie van een idee of een gevoelsinhoud. Op dit punt breek ik met het algemene schilderproces. 14


Schilderen veronderstelt een vorm van crisis, of op z’n minst een cruciaal moment waarop je iets voelt of loslaat. Het begrip ‘crisis’ hoeft helemaal niet te worden beperkt tot toestanden van zwartgalligheid: het kan net zo goed gaan om een extatische impuls of om een hele rist toestanden die zich in de loop van het schilderproces voordoen. Je moet naar de ultieme essentie streven, ook al is die ‘besmet’. Elke lijn is nu gewoon een feitelijke ervaring, een gebeuren met een eigen, niet van elders komende geschiedenis. Ze illustreert niet, ze is de gewaarwording van haar eigen totstandkoming. De voorstellingswereld is eerder een zaak van wat men zichzelf gunt, los van anderen, dan een abstracte totaliteit van visuele percepties. Dit te beschrijven is bijzonder moeilijk. Laat ik zeggen dat het gaat om je engageren in de essentie (het doet er niet toe hoe privé die is), in een synthese van gevoel en verstand en nog veel meer, waarbij al deze dingen onlosmakelijk één zijn in de impuls tot de daad. Het idee dat men hier zou vervallen in duisterheden of in een subjectief nihilisme, is absurd. Dit soort ideeën wordt alleen naar voren geschoven door wie niet over voldoende referenties of ervaring beschikt. Kirk Varnedoe, in: Cy Twombly. A Retrospective, The Museum of Modern Art, New York, 1994, p. 27.

15


Het werk van TW doorlopen, het bekijken of erover spreken, is een voortdurend loochenen van eerste indrukken. Dit werk vraagt er niet om dat de woorden van de cultuur worden betwist (het spontane van de mens is zijn cultuur), maar alleen dat ze worden verschoven, ontbonden, in een ander licht gesteld. TW dwingt je niet zozeer tot het verwerpen van het esthetische stereotype, maar – wat misschien subversiever is – tot het verwerken en doorkruisen ervan; hij brengt kortom in ons taalarbeid op gang (is het niet juist die arbeid – onze arbeid – die de waarde van een werk uitmaakt?). Roland Barthes

Als in een uiterst secure chirurgische ingreep staat of valt (bij TW) alles met het ondeelbaar kleine ogenblik waarop de was van de stift de korrel van het papier nadert. Was, een zachte substantie, hecht zich aan de fijne oneffenheden van het tekenoppervlak, en het spoor van die lichte bijenzwerm vormt de door TW getrokken lijn. Die hechting is merkwaardig, want in tegenspraak met het eigenlijke idee van hechting: het is als een aanraking waarvan de waarde slechts bestaat uit de herinnering die eraan wordt bewaard; maar dat verleden van de lijn kan

16


ook worden omschreven als zijn toekomst: de krijtstift, die half-vet, half-puntig is (je weet niet welke wending hij zal nemen), gaat het papier aanraken; technisch gesproken lijkt het werk van TW te worden vervoegd in de verleden tijd of in de toekomende tijd, nooit echt in de tegenwoordige tijd; het is alsof de lijn hooguit wordt herinnerd of aangekondigd: op het papier – vanwege het papier – is de tijd blijvend onbestendig. Roland Barthes

Het gaat er dus om dat de materie altijd, onder alle omstandigheden (in om het even welk werk) wordt getoond als feit (pragma). Daartoe heeft Twombly zo niet procedés (en al heeft hij die, in de kunst is het procedé nobel), dan toch gewoonten. Laten we ons niet afvragen of andere schilders dezelfde gewoonten hebben gehad; hoe dan ook is de combinatie, de onderverdeling, de dosering ervan wat de originaliteit van Twombly’s kunst uitmaakt. Ook woorden zijn van iedereen; maar de zin, die behoort de schrijver toe: de ‘zinnen’ van Twombly zijn onnavolgbaar. Roland Barthes

17


Het weergaloze werk van Cy Twombly is gebaseerd op de kunst van het licht. Zijn kunst draagt licht. In zijn schilderijen en tekeningen verduistert het licht op de grondlaag, in de kleur, en in de openingsbeweging elke andere betekenis, door twijfel op te stapelen en te verdichten, ‘op zo een manier dat de glorie ervan tevoorschijn komt.’ En dus, eigenlijk, iemand wellicht zou denken dat de foto als lichtbron al bedacht was in Twombly’s werk alvorens hij naar de camera greep. Wat kan er dan worden toegeschreven aan de turende blik, wanneer een schilder en tekenaar die blik uitrust met een box – een camera – een cycloop wordt en foto’s neemt. Laten we bovendien niet vergeten dat de box donker moet zijn teneinde licht te krijgen. Met fotografie is Cy Twombly in staat in een andere tijd te zien. Het Zien en het Niet-zien zoeken naar elkaar in de foto’s op een manier die verschillend is van zijn schilderijen en zijn tekeningen. In Twombly’s kunst ligt het onzichtbare in het zichtbare – maar niet op een manier die hen toelaat om van elkaar onderscheiden of gescheiden te worden. In zijn ‘kijken naar’ en ‘wegkijken’ is zijn kunst in wezen bezield van een blindheid, een punctum caecum. Men spreekt van een zelfgekozen blindheid, van een ‘hunkering van de hand’, gericht tegen het bewijs van het oog; men spreekt van de beslist gekozen aberratie van het schilderkunstig gebaar zoals het op een afstand houden van imitatie en van de ‘repressieve rationaliteit’ die, zoals Roland Barthes het ooit zei, schilderkunst onderwierp aan zijn positie van spektakelkunst. De hand bevindt zich voor het oog, en ze is dichter bij het oog 18


dan het doek, het papier, het beschilderde oppervlak. Twombly ‘tekent in het donker (…)’.1 En in dat gebaar van het lichaam geeft hij verslag van de oppervlakte, door ze te registreren endoor ze te ontwikkelen. In zijn schilderkunst is het voorbeeld van de inscriptie onafscheidelijk van dat van het uitwissen – of zouden we langzaam vervagen moeten zeggen – terwijl dat wat bij de foto vervaagd is, zichtbaar of onzichtbaar bewaard blijft, overschreven of wit gemaakt werd. Hubertus von Amelunxen Tychè is in het Grieks de gebeurtenis voor zover die zich toevallig voordoet. De doeken van Twombly lijken steeds een zekere toevalskracht te bevatten, een Gelukkige Speling van het lot. Het doet er weinig toe dat het werk in feite het resultaat is van nauwkeurige berekening. Waar het om gaat is het toevalseffect, of om het subtieler te zeggen (want Twombly’s kunst is geen aleatorische kunst), het inspiratie-effect, de creatieve kracht die werkt als een gunstig toeval. Roland Barthes P. 7, 12, 13, 16, 17 : Roland Barthes, “Cy Twombly ou Non multa sed multum”, in: L’obvie et l’obtus. Essais critiques III (Paris: Seuil, 1982). [vertaling: Rokus Hofstede] P. 17, 19: Roland Barthes, “Sagesse de l’art”, in: L’obvie et l’obtus. Essais critiques III (Paris: Seuil, 1982). [vertaling: Rokus Hofstede] P. 18 ,19 : von Amelunxen, Hubertus “Breek deze roos niet af opdat de ergste stilte niet wordt gebracht”, Cy Twombly, Photographs III 1951 – 2010 (Brussel: Bozarbooks & Ludion, 2012).

19


Edwin Parker Waarom wij worden wie we worden, doen wat we doen en geboren worden met capaciteiten die anderen niet hebben, blijft grotendeels een mysterie. Welke gebeurtenis of invloed ons leven en onze ambities een bepaalde kant op stuurde, en of er niet iets nog diepers in het spel is, daar hebben we meestal het raden naar. Het meest mysterieuze is waarom kunstenaars kunstenaars worden, en waarom ze het soort kunstenaar worden dat ze zijn. Ik heb altijd gehouden van wat Cy Twombly maakt. Het werk heeft me geraakt toen ik het voor het eerst zag en het heeft me nooit meer losgelaten, ook al ben ik sindsdien sterk geÍvolueerd. Waar ik het ook tegenkwam, ik was nooit ontgoocheld. Zijn werk was een constante in mijn leven, maar tot voor kort had ik geen idee wie hij was of hoe hij eruitzag – en ik ging er ook niet naar op zoek. Al met al was hij van een andere generatie, een andere plaats en een andere wereld. In zekere zin stond hij even ver van mij af als Michelangelo. En toen ontmoette ik hem. Lexington is een kleine stad met een rijke geschiedenis in de zuidelijke staat Virginia. Het centrum bestaat uit twee, drie straten die elkaar loodrecht kruisen en afgezoomd zijn met achttiende- en negentiende-eeuwse woonhuizen en lokalen voor studentenverenigingen. Een universiteitscampus en een militaire academie worden omringd door keurige grasvelden en fraaie bomen. Lexington is een gezellig, ouderwets stadje, waar in de winkelramen leuke berichtjes hangen over een snoepje voor je huisdieren en hoe je makkelijk in de hemel kunt

20


komen. Hier huurt Cy Twombly een winkeltje dat dienstdoet als atelier. Achter de zonneblinden van de etalage zit hij te denken en te werken. Meestal echter zit hij gewoon te kijken hoe zijn buren komen aanrijden, parkeren, ergens taart of een dagblad kopen en weer wegrijden. Schilderen is voor hem een gedragswijze, meer niet. Daarom praat hij er niet over. Toen ik hem vroeg of hij in opwellingen werkte, antwoordde hij dat hij geen nine-to-five-man was. Schilderen doet hij instinctief, vanuit iets wat dieper ligt dan het bewuste – en dat is zeldzaam. Het vraagt van hem elke keer heel wat tijd om tot die diepte af te dalen. Zijn enige voorbereiding bestaat uit lezen denken en zijn. Hij verschuilt zich niet achter een proces, want in zekere zin is er geen proces, maar alleen interactie als het gunstige ogenblik zich aandient. Elk jaar in de herfst komt Cy naar Lexington. Voor hem is dit thuiskomen. Hij houdt van de plaats en voelt er zich duidelijk goed. Met zijn neoklassieke architectuur en zijn trots op zijn geschiedenis heeft Lexington de kunstenaar in Cy tot ontwikkeling helpen komen. Op het domein van het Virginia Military Institute toonde hij ons een monument dat is opgericht voor een verdwenen boom. Twombly’s schilderijen spreken een universele taal, maar in Lexington is Cy gewoon een plaatselijke bewoner. Hij is zichzelf, of althans zijn Amerikaanse zelf. Daarom gaf ik mijn film zijn voornaam als titel. Tacita Dean

21


Biografieën Cy Twombly, geboren in Lexington, Virginia in 1928 en gestorven in Rome op 5 juli 2011, volgde lessen aan de school van het Museum of Fine Arts in Boston (1947-1949), de Art Students League in New York (1950-1951) en het Black Mountain College in North Carolina (1951-1952). In het midden van de jaren 1950 werd hij, na enkele reizen door Europa en Noord-Afrika, een belangrijke figuur van een groep New Yorkse kunstenaars waarvan ook Robert Rauschenberg en Jasper Johns deel uitmaakten. In 1957 verhuisde hij naar Italië. Daar ontwikkelde hij zijn persoonlijke stijl via abstract expressionisme en action painting tot een soort handschrift dat hem toeliet het potentieel en de expressiviteit van lijnen te verkennen. De grens tussen schilderen en tekenen is vaak heel dun. Twombly haalt zijn inspiratie vaak uit de poëzie, de mythologie, de geschiedenis en het landschap van de streek. In 1995 werd in de Menil Collection in Houston, Texas, de Cy Twombly Gallery geopend. Ze werd ontworpen door de beroemde architect Renzo Piano, naar schetsen van Twombly zelf. Er loopt een permanente retrospectieve over de kunstenaar. Het werk van Cy Twombly hangt in alle grote musea, en was het onderwerp van tentoonstellingen overal ter wereld zoals in Brussel (Paleis voor Schone Kunsten, 1965), New York (MoMA, 1994-1995), Berlin (Neue Nationalgalerie, 1995), Sint-Petersburg (State Hermitage Museum, 2003), Houston (Museum of Fine Arts, 2005) en Londen (Tate Modern, 2008). In 2010 installeerde Twombly een blijvend werk in het Musée du Louvre in Parijs: een geschilderd plafond voor de Salle des Bronzes. 22


Geboren in 1965 in Canterbury, Engeland, studeerde Tacita Dean kunst aan de Falmouth School of Art in Engeland, de Supreme School of Fine Art in Athens en de Slade School of Fine Art in Londen. In 1998 werd ze genomineerd voor de Turner Prize en in 2000 kreeg ze een DAAD-beurs voor Berlijn. Daarnaast werd ze met de volgende prijzen bekroond: de Aachen Art Prize (2002), de prijs van de Fondazione Sandretto Re Rebaudengo, Turijn, Italië (2004), de Sixth Benesse Prize op de 51e Biënnale van Venetië (2005) en de Hugo Boss Prize van het Solomon R. Guggenheim Museum, New York (2006). Dean nam ook deel aan de Biënnale van Venetië in 2003 en 2005. De films, tekeningen en andere werken van Dean kenmerken zich door hun originaliteit. Haar recente filmportretten drukken iets uit dat noch de schilderkunst, noch de fotografie kunnen vastleggen. We spreken hier van cinematografie in haar zuiverste vorm. Hoewel Dean het verleden weet te appreciëren, vermijdt ze in haar kunst elke vorm van academische benadering. Haar kunst wordt gedragen door een gevoel van geschiedenis, tijd en plaats, lichtkwaliteit en de essentie van de film zelf. De focus van haar subtiel, maar ambitieus werk is de waarheid van het moment, de film als medium en de gevoeligheid van het individu.

23


Lijst kunstwerken Schirmer/Mosel Verlag - Fondazione Nicola del Roscio Dryprints op karton Vlooienmarkt, Lexington, 2008 Vlooienmarkt, Lexington, 2008 Vlooienmarkt, Lexington, 2008 Bloemen, Gaeta, 2005 Bloemen, Gaeta, 2005 Bloemen, Gaeta, 2005 Bloemen, Gaeta, 2005 Bloemen, Gaeta, 2005 Bladeren, Lexington, 2005 Bladeren, Lexington, 2005 Zonder titel, Gaeta, 1994 Zonder titel, Gaeta, 1994 Zonder titel, Gaeta, 1994 Citroen, Gaeta, 2008 Citroen, Gaeta, 2008 Citroen, Gaeta, 2008 Citroen, Gaeta, 2008 Citroen, Gaeta, 2008 Citroen, Gaeta, 2008 Citroen, Gaeta, 2008 Citroen, Gaeta, 2008 Citroen, Gaeta, 2008 Bladeren, Gaeta, 2008 De schoenen van de kunstenaar, Lexington, 2005 Penselen, Lexington, 2005 Penselen, Lexington, 2005 Borstels, Gaeta, 2009 Studio, Lexington, 2009 Studio, Lexington, 2009 Studio, Lexington, 2009 Studio, Lexington, 2009 Studio, Lexington, 2009 Studio, Lexington, 2009 Studio, Lexington, 2009

Tafel, stoel en tafelkleed, Tetuan, 1951 Tafel, stoel en tafelkleed, Tetuan, 1951 Tafel, stoel en tafelkleed, Tetuan, 1951 Tafel, stoel en tafelkleed, Tetuan, 1951 Tafel, stoel en tafelkleed, Tetuan, 1951 Tempel, Agrigento, 1951 Tempel, Agrigento, 1951 Tempel, Agrigento, 1951 Detail uit een schilderij, Rome, 1986 Tulpen, Rome, 1985 Tulpen, Rome, 1985 Tulpen, Rome, 1985 Tulpen, Rome, 1985 Zonder titel, Gaeta, 2008 Zonder titel, Gaeta, 2008 Zonsondergang, Gaeta, 2009 Detail uit een schilderij, (Rozen), Gaeta, 2009 Detail uit een schilderij, (Rozen), Gaeta, 2009 Detail uit een schilderij, (Rozen), Gaeta, 2009 Detail uit een schilderij, (Rozen), Gaeta, 2009 Detail uit een schilderij, (Rozen), Gaeta, 2009 Detail uit een schilderij, (Rozen), Gaeta, 2009 Detail uit een schilderij, (Rozen), Gaeta, 2009 Zonder titel, Lexington, 2008 Vlooienmarkt, Lexington, 2008 Vlooienmarkt, Lexington, 2008 Vlooienmarkt, Lexington, 2008 Vlooienmarkt, Lexington, 2008 Vlooienmarkt, Lexington, 2008 24


Interieur, Bassano in Teverina, 1980 Interieur, Rome, 1980 Interieur (Picasso), Rome, 1980 Interieur (Picasso), Bassano in Teverina, 1985 Detail uit een schilderij en sculptuur “Bij de Ionische Zee”, Bassano in Teverina, 1992 Detail uit een schilderij, Bassano in Teverina, 1985 Datura, Gaeta, 1990 Datura, Gaeta, 1990 Datura, Gaeta, 1990 Woud, Lexington, 2000 Woud, Lexington, 2000 Woud, Lexington, 2000 Boom, Passo Godi, 2008 Landschap, Villetta Barrea, 2008 Landschap, Villetta Barrea, 2008 Landschap, Villetta Barrea, 2008 Baai van Gaeta, Gaeta, 2005

Studio, Lexington, 2009 Kolen, Gaeta, 1998 Kolen, Gaeta, 1998 Kolen, Gaeta, 1998 Zonder titel, Gaeta, 1997 Zonder titel, Gaeta, 1997 Landschap, Lexington, 2007 Landschap, Lexington, 2007 Landschap, Lexington, 2007 Landschap, Lexington, 2007 Landschap, Lexington, 2007 Landschap, Lexington, 2007 Gieterij, Rome, 2000 Gieterij, Rome, 2000 Studio, Gaeta, 2000 Studio, Gaeta, 2009 Interieur, Rome, 2003 Dryprint op karton Interieur, Rome, 2003 Interieur, Bassano in Teverina, 1980 Panbeeld, Bassano in Teverina, 1980

Sammlung Lambrecht-Schadeberg / Rubenspreisträger der Stadt Siegen im Museum für Gegenwartskunst Zonder titel (Rome),1966 Olieverf, muurverf, vetkrijt op doek

Collection Musée d’Art Moderne Grand-Duc Jean, Mudam Luxembourg Donation Melva Bucksbaum en l’honneur de M. Raymond Learsy J. Natuurhistorie Deel II, Sommige bomen van Italië, 1975 – 1976 Set van 8 afdrukken

25


Bayerische Staatsgemäldesammlungen – Udo und Anette Brandhorst Stiftung Zonder titel (New York), 2002 Brons gegoten van : Zonder titel, 1955 (New York), hout, stof, touw, olie, verf

Marzona verzameling, Berlijn Untitled , 1959 Potlood op papier 8 Oden van Horatious, 1968 Set van 16 afdrukken

Speck verzameling, Keulen Zonder titel , 1957 Olieverf, vet krijt, potlood en kleurpotlood, papier op doek gemonteerd

Particuliere verzameling, München Fulton St. Studio (New York), 1954 Fulton St. Studio (New York), 1954 Fulton St. Studio (New York), 1954 Fulton St. Studio (New York), 1954 Cy Twombly met verfdoos + regenscherm van Charles Woodburry, Oqunquit, MN, 1944 Tulpen, Rome, 1985

Particuliere verzameling, Gent Het verdriet dat een schaduw werpt over haar hart, 1961 Gekleurd potlood, grafiet en olie-was op papier

Tacita Dean / Firth Street Gallery, London / Marian Goodman Gallery, New York and Paris Edwin Parker, 2011 16 mm, kleur, 29 min.

26


Poëzie voor Cy Twombly

Alfred Schaffer Monika Rinck Stéphane Lambert Roland Jooris Bernard Dewulf Antoine Wauters


BOZAR LITERATURE gaat in haar programma’s vaak op zoek naar de raakvlakken tussen literatuur en beeldende kunst. Zo lieten in het vorige seizoen schrijvers als Stefan Hertmans, Caroline Lamarche en Yves Petry zich inspireren door de schilderijen van Lucas Cranach of de fotografie van Jeff Wall. Het resultaat was te lezen in een bezoekersgids; hun stemmen te beluisteren via de audiogids. Inmiddels creëerden bijna twintig auteurs een unieke bijdrage die de confrontatie aangaat met een kunstwerk uit een Bozarexpo. ‘Poëzie voor Cy Twombly’ is een nieuw hoofdstuk in de literaire interventies in Bozar. Zowel jonge namen als gevestigde waarden, zowel Belgische als internationale auteurs blijken een bijzondere band te hebben met het enigmatische werk van Twombly. Bernard Dewulf, Roland Jooris, Stéphane Lambert, Monika Rinck, Alfred Schaffer en Antoine Wauters kozen één of meerdere foto’s van Twombly en lieten ze spreken in poëzie. Ze zijn te lezen in deze bezoekersgids en te beluisteren via de audiogids en website van Bozar. Elk van de zes auteurs is dichter, maar kreeg tegelijkertijd de vrijheid het genre te kiezen dat het best bij Twombly past. Verrassend genoeg liet niemand zich verleiden tot een ouderwets lyrisch gedicht. Elk van de zes bijdragen is poëzie in haar meest hybride vorm. Men zocht en vond een talige sleutel tot Twombly in het poëtische van proza en essay, fragment en beschouwing, droom en elegie, lied en epiek. Misschien zijn de polaroids van Twombly in al hun kwetsbare vluchtigheid zelf te veel ‘gedichten’. Wordt zo een lyrisch antwoord overbodig en dwingen ze de dichter de grenzen van zijn vak op te zoeken. Een vergelijkbaar spanningsveld zie je bij Twombly zelf, waar fotografie zich eerder als schilderkunst lijkt te presenteren. 1


Wat ook opvalt bij alle teksten, is hoezeer een ‘realistisch’ medium als fotografie in het geval van Twombly toch vooral de verbeelding weet aan te wakkeren. Nagenoeg elke auteur lijkt het meer te hebben over wat niet op de foto’s staat, dan wat er wel op staat. Men schrijft over het onzichtbare in plaats van het zichtbare te beschrijven. Alsof de auteurs een droom hebben willen navertellen. Misschien zit hierin wel het geheim van Twombly’s polaroids: herinneringen aan dromen die hij in wakkere toestand opnieuw tegenkomt en fotografeert. De zes auteurs van ‘Poëzie voor Cy Twombly’ ondernamen vruchtbare pogingen om ook ons die dromen te helpen herinneren, om niet enkel naar Twombly’s werk te kijken maar ook zijn dromen opnieuw te beleven. Tom Van de Voorde

2


Alfred Schaffer Alfred Schaffer (1973) debuteerde in 2000 met de dichtbundel Zijn opkomst in de voorstad en publiceerde sindsdien vijf dichtbundels. Zijn poëzie is soms humoristisch, soms zakelijk en zit tegelijk vol absurde vondsten. Hij is sterk beïnvloed door de moderne Amerikaanse poëzie en wordt gezien als één van de grootste talenten van zijn generatie. Zijn werk werd genomineerd voor en/of bekroond met de belangrijkste poëzieprijzen, o.a. de C. Buddinghprijs, de VSB Poëzieprijs, de Hugues C. Pernathprijs en de Jan-Campertprijs en de Ida Gerhardt Poëzieprijs. Schaffer woont in Zuid-Afrika, waar hij verbonden is aan de University of Stellenbosch. ‘Zienderogen werd het licht/Zienderogen wordt het donker’ werd geschreven bij het werk ‘Painting Detail’ (Rome, 1986), catalogusnummer 10.

3


Zienderogen werd het licht Brandschoon spring ik in en uit de schaduw van pilaren kilometers hoog ze lijken wel van steen. De tempel mist een ingang denk ik of een uitgang ik stond binnen voor ik binnen stond, zo werkt de geest. Het is ook overal hetzelfde liedje, ach en wee als op de bodem van de zee alleen maar wuivend wier en duisternis haast nergens kan ik bij, niet als bij een mens of dier. Water stilte draaiende motoren wind die in het gras gaat liggen, alles hoor ik door elkaar de mooiste muziek van de wereld. Niet lang geleden werd ik door mezelf gebeld, midden op de dag ik herkende me direct al zei ik niets ik riep niet te geloven moet je horen. Er zat een malle hiklach op de lijn – voor ik het wist was de verbinding weer verbroken.

4


Zienderogen wordt het donker Ik sta te rillen van de kou wat een oneindig groot gebouw. Ik liep naar rechts de hoek om toen naar links en weer naar links een galerij door lang genoeg voor prachtige records, ik kwam steeds ergens anders uit. Het lijkt of elk uur langer duurt in alles zit de klad, het vocht staat op de muren zuilen trappen schilderingen in mijn dode hoek zie ik iets glinsteren iets onvoorstelbaars als een zee van glas. Ik roep wat in het wilde weg gewoon om maar een stem te horen. Waar is mijn spoor van steentjes richting start waar zijn mijn zonden heen – ik kom hier niet meer weg. Ik hoop dat ik nog weet wat ik kwam doen als ik uiteindelijk weer buiten sta.

5


Monika Rinck Monika Rinck (1969) studeerde theologie, geschiedenis en vergelijkende taalkunde in Bochum, Berlijn en Yale. Ze is beroemd voor haar Begriffsstudio, een verzameling vreemde taalkundige neologismen en andere nieuwe en bizarre woordcombinaties die ze in de media vond. Een deel van die verzameling werd in 2001 gepubliceerd in een boek dat ook Begriffsstudio werd gedoopt. Rinck kreeg diverse literaire prijzen voor haar werk, o.a. de ErnstMeister-Preis für Lyrik 2008 en de Georg-K.-Glaser-Preis 2010. Ze wordt als één van de belangrijkste stemmen in de jonge generatie Duitse dichters beschouwd. Meer info: www.begriffsstudio.de ‘De versleten buitenhuid van de dingen’ werd geschreven bij Twombly’s Yard sale-reeks (Lexington, 2008), in het bijzonder de catalogusnummers 27, 28, 29.

6


DE VERSLETEN BUITENHUID VAN DE DINGEN U kijkt naar de beelden van dingen, u kijkt bijvoorbeeld naar drie flesjes die een bad nemen. Een bad nemen doen zij toch niet, of wel? Lucretius schrijft over ‘het bestaan van zogeheten beeldjes van de dingen. Als vliezen die vanaf de buitenkant van dingen zijn losgetrokken, vliegen beeldjes door de lucht. Zij treffen onze geest, verschrikken ons bij waken en slapen’.1 Zij spoken. De velletjes van de dingen spoken als uit zichzelf bewegende beelden. ‘s Nachts in de droom net zo goed als bij het wakker zijn. Gemarmerde, van tijd doortrokken dingen, die er langer zijn dan veel mensen, versleten in de dromen die ze kruisten, zijn hier nog een keer voor u opgebouwd. De dingen kruisten in de droom de ruimte, die het toneel is voor een gebeuren waar u slechts voor zover bij betrokken bent dat het in u plaatsheeft, maar buiten uw verantwoordelijkheid. Deze dingen bezoeken u, in uw droom. Gedroomde dingen veranderen van moleculaire structuur. Nog radicaler verandert de moleculaire structuur van dingen waarvan het verlies een uitgemaakte zaak is. Ha. Dit hier is, neem me niet kwalijk, overigens mijn verzameling bellen. Ah, uw collectie bellen. Niet de uwe dus, maar weldra die van alle anderen die ze misschien willen, in haar geheel. Zijn er dildo’s bij? U bent er trouwens de bezitter van, niet de eigenaar. Want als er iemand kwam, was u ze kwijt. Stel u niet zo aan. Deelt u even met Lucretius en met mij de voorstelling dat de dingen aan verlies doen – uitgelokt door de blik die erop valt. Zij zullen weliswaar niet lichter worden. Zij zetten zich door, 7


ook als ze loskomen, in zichzelf, weg van zichzelf, wie zal het zeggen. Er is hier geen voorbeeld. Anderzijds: waar het om dingen gaat, wordt alles een voorbeeld. Laten we maar ’s naar de rasp kijken. Over een rasp dromen had geen zin. Iedereen kijkt er los doorheen. Laten we liever het stuk meloen bekijken waarmee ik de gewoonte had om te strijken. Wanneer was dat? Waar iets een doel krijgt, wordt alles ding. Verdinglijking – en dat zijn dingen die mij overleven, die collectie bellen hier. Bergson zei toen hij het over het lachen had: het komische is die kant van de persoon waardoor hij op een ding lijkt.2 Wij zeggen: het tragische is die kant van het ding waardoor het op een persoon lijkt. Dat is voor dingen de eigenlijke tragiek. (Hé, we hebben toch al afgesproken dat we zoiets niet gingen zeggen.) We stellen vast: verdinglijking is hier sentimentalistisch, net zoals verpersoonlijking dat is. Laten we terugkeren naar de Gele Flesjes die daar zomaar een bad nemen. Poedelen? Iets doen wat erg stoort. Eèèèhh! Als er op de warme melk iets verschijnt – is het dan datgene wat de melk gemaakt heeft? Het ding van de melk? Dat loskomt en als een lakentje door de keuken fladdert? Hou op, ik walg ervan. Of mijn vriend, ik bekeek hem tot hij doorzichtig was? Of mijn vriendin, ik bekeek haar tot zij doorzichtig was? Wanneer was dat? Sta me toe u de volgende anekdote aan te bieden: enkele jaren geleden maakte ik op de late terugreis van Leipzig naar Berlijn mee hoe een heel elegante ober in een restauratiewagen na een pijnlijke opmerking van een dronkaard onzichtbaar werd. Later 8


keerde hij terug, zijn omtreklijn was het eerst zichtbaar, als het ware gearceerd, doorlaatbaar nog, aarzelend voor het bezige oog, vulde hij zichzelf slechts langzaamaan in. Het uniform keerde terug, het vest, de broek, zijn haar, zijn voorhoofd en helemaal op het eind enkele gezichtstrekken. Vreemd: zijn ogen waren al eerder terug, voor het gezicht voltooid was. Hij was niet vriendelijk, niet tegen mij, niet tegen anderen, maar hij was zo immens precies, de dingen slopen voorzichtig tot bij hem. Tot zover de anekdote. Ingeklemd in onze affecten bezitten we de dingen tot ze doorzichtig zijn. Maar meestal willen we ze al vroeger niet meer. Op dat moment werden ze oneffen en groepeerden ze zich als een onbruikbaar leger. Gevangenenkoor van de dingen. Dat mag je zo niet zeggen, dat is frivool. Doe alstublieft niet mee aan wat verkeerd is door de dingen de eigenschap van slachtoffers te geven. Zeg niet zoiets als: Het Arme Ding. Zeg dat niet. Zeg liever: Mijnheer, met dit stuk meloen had ik toen ik jong was de gewoonte te strijken. O, mevrouw, dat moet erg lang geleden zijn. Ja, mijnheer, dat is zo. Ieder schepsel heeft hulp van allen nodig. Er zou een hele waaier van mogelijke bezigheden voor ons zijn. Studeer alstublieft met ons in: HET LIED VAN HET META-REALISME VAN DE GARAGEVERKOOP Beste mensen, kijk ’s hier, dit is de rommel van mijn genitief Het stond ooit eens, het stond te staan, nu staat het scheef, Ei ei ei liefde waar is je beker? O ding ding ding waar is je wreker? 9


In de verloren tienerkamer van mijn jeugd stapel ik Drogbeeld op raspje op deugd op eikel op drogbeeld. Het ding, ding, ding, ding is toch zijn eigen wreker. En van de bel is losgeraakt als was het een toon slechts een nieuw vlies. Dat doorkruist heel lang de wereld, op zwevende wijze. Kijk. Zie het daar zweven. ‘Het noodlot is niet alleen over de personen uitgedeeld, het heerst in gelijke mate in de dingen’, aldus Walter Benjamin in zijn boek over de tragedie.3 De som van de verloren bovenstukken, gedeeld door Zorro’s blinddoeken – geeft de inktzwarte diepte van een kamer vol onbruikbare dingen. Zien betekent hier: verliezen. Zien betekent hier: verliezen. Zien betekent hier: verliezen. Zien betekent hier: verliezen. Zien betekent hier: verliezen. Zien betekent hier: verliezen. Vertaald uit het Duits door Erik De Smedt

1. Lucretius: De natuur van de dingen / De rerum natura. Boek 4, 30 e.v. Uitgegeven, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Piet Schrijvers. Groningen, 2008. Blz. 267 2. Bergson: Le comique est ce côté de la personne par lequel elle ressemble à une chose, cet aspect des événements humains qui imite, par sa raideur d’un genre tout particulier, le mécanisme pur et simple, l’automatisme, enfin, le mouvement sans la vie. 3. Walter Benjamin: Ursprung des deutschen Trauerspiels. Natürliche und tragische Schuld – Das Requisit. Frankfurt am Main, 1993. Blz. 113. 10


Stéphane Lambert Stéphane Lambert (1974) haalde een Master in Romaanse talen aan de Université Libre de Bruxelles. Hij publiceerde al romans, kortverhalen en documentaire boeken en schreef zowel documentaire als fictieve werken voor de radio. Vandaag is zijn werk meer en meer gewijd aan kunst en kunstenaars. Hij schreef het opgemerkte L’Adieu au paysage, een boek over de waterlelies van Claude Monet (la Différence, 2008). In 2011 publiceerde hij Mark Rothko Rêver de ne pas être (Les impressions nouvelles, 2011) en wijdde hij een essay aan Cy Twombly in het vermaarde tijdschrift La Règle du jeu. Hij was writer-in-residence in Rome, Berlijn, Vilnius, Winterthur en Parijs. Hij woont in Brussel, waar hij een balans zoekt tussen de menselijke nood aan wortels, en de reislust. Meer info: www.stephanelambert.com Metamorphosis werd geschreven bij Twombly’s Lemon-reeks (Gaeta, 2008), in het bijzonder catalogusnummer 46.

11


Metamorphosis I Gaeta. De brand van de tong. Noemt wat geen naam heeft. Daar waar alles is weggegaan. Slechts ruïne is. Schijnbaar natuur. Niet helemaal dood. Tijdloos landschap. Beeld zonder land. Overstelpt met de lach van halfgoden – en de slaap van stenen. Antieke bloeitijden komen en gaan. Pellen de vorm tot zijn primitieve vorm verschijnt. Smorende zee bij het ruisen van een gestage bries. Badend in de floers van licht. Wie heeft het over een slachting? II Het geel zit in het ei en het oog is open. Gaeta. Ik roep je naam op. Je licht. Je land. Wat me maakt tot wat ik ben. De dagen waarop ik me koesterde in de warme zon, uit je bodem de herinnering puurde aan Aeneas, zuigend aan de borst van zijn min. / ach! gezegend verleden. Toen viel ik uit de boom. Opgeraapt door uw ogen. Aangetrokken door uw lippen. Eigenlijk: door de dichter van de tak geplukt. Verloren paradijs. Louter leugen. Ik weet niet. Of hij nu van mij houdt of van zijn blik. III Naakt. Blootgesteld. Op een ontaarde achtergrond. Met doorgesneden keel. Zonder tuin, of geheim. Dichterlijke utopie. Geel is mijn wapenrusting. De enige sluier die ons scheidt. Terwijl mijn schaduw buiten mezelf een ander duister ik aftekent. En mijn blaadjes verdorren – geen inspiratie meer. En mijn bloesems verwelken, vanwege de wind. En wat me de naam ‘bloem’ schonk voor uw ogen uiteenvalt. Sic morieris, zo 12


staat in de boeken geschreven. Als je de kans krijgt te rijpen, bloem, dan word je vrucht na je dood. IV Alsof mijn dood geen realistisch schilderij was. Alsof hij een ander leven verborgen hield. Vreemd lichaam dat ik zou dragen als een ster verdwenen uit de nacht. Het had een oud doek kunnen zijn. De herinnering heruitvinden aan een kleine Hollandse meester met een voorliefde voor citrusvruchten, die geduldig zocht naar het vergeten hart van de materie. Ik benijd de zeesterren om hun schijnslaap. Hemelse fossielen diep in oceanen verscholen. Nachtelijke spiegelingen van een eindeloos beeld. Dromerig. V De schande je vrouwelijkheid te verliezen! Je begrijpt dat het een wat bitter gevoel achterlaat. Ik ben een appel die de waarheid zegt. Een pittig, geurig zonnetje met dikke schil. Mijn sap zal zeggen waar ik vandaan kom. Verminkt en leeggebloed door uw toedoen draag ik in mij de smaak van uw vraatzucht. Het werk van het licht is mijn getuige: de brand van de tong zal ten slotte uw ogen verschroeien. VI brandende tong / memoriaal / we zullen leven van wat is geweest /

Vertaald uit het Frans door Katelijne De Vuyst

13


Roland Jooris Roland Jooris (1936) debuteerde ruim een halve eeuw geleden en is vandaag één van de belangrijkste dichters in Vlaanderen. Zijn poëzie valt op door de krachtige expressie, de pure lijnen en taal. Naast dichter is Jooris ook een gerespecteerd kunstcriticus. Zijn gedichten gaan vaak in dialoog met kunstenaars. Zo schreef hij over het werk van schilders als Raoul De Keyser, Gust De Smet, Eugène Leroy, Dan Van Severen en Roger Raveel. Tot 2005 was hij conservator van het Roger Raveel Museum te Machelen-aan-de-Leie. Cy Twombly  : studio werd geschreven bij het werk Studio (Lexington, 2009), catalogusnummer 59.

14


Cy Twombly : studio Samenhang van chaos stug gedrongen aan de kant bijeen als tussen antieke voetstukken van zuilen het gemompeld monumentale de niet te duiden stilte het wazige dat een opgeveegd vergeten is in zijn donkere kamer ruimen de dingen voor vermoeden plaats

15


Bernard Dewulf Bernard Dewulf (1960) debuteerde als dichter met Waar de egel gaat (1995), waarvoor hij met de debuutprijs werd bekroond. Dewulf werd vooral bekend dankzij de korte prozastukjes die hij jarenlang voor de voorpagina van De Morgen schreef. Een deel daarvan werd gebundeld in Kleine dagen, dat met de Libris Literatuur Prijs 2010 werd bekroond. Dewulf is één van de beste essayisten over beeldende kunst in Vlaanderen. Klassiek is zijn bundel Bijlichtingen (2001), waarin beschouwingen staan over kunstenaars als Pierre Bonnard, Edouard Vuillard, Léon Spilliaert, Edward Hopper, en andere. Dewulf werkt als dramaturg bij het NTGent. Kijk werd geschreven bij Interior (Basano in Teverina, 1980), catalogusnummer 86.

16


Kijk Ik zag het meteen, hier kijkt een kartuizer. Een kartuizer heeft zich teruggetrokken in een klooster in een cel. Daar bidt hij vooral. Of zoals ze in sommige streken zeggen: daar ‘leest’ hij. Hij heeft een tuintje. Daar wandelt hij. Ik geloof dat kartuizers ook veel kijken. Urenlang, jarenlang door hetzelfde raam van dezelfde cel. Kijken is een vorm van lezen en kan een soort bidden worden. Ik ben geen kartuizer. Ik zou niet eens kuis kunnen zijn. Maar in het kijken soms, vermoed ik, naderen wij elkaar. Het meeste kijken is vanzelfsprekend gericht op zien. Op aanzien, inzien, doorzien. Zien is doel, kijken middel. Kijken is de houding, zien het resultaat. Zien is het verhaal, kijken het schrijven. De kartuizer kijkt niet per se om iets te zien. Uiteraard ‘ziet’ hij iets, anders was hij blind. Maar het liefste kijkt hij dagelijks naar hetzelfde. Wat er te zien is heeft hij al lang gezien. Er is ook niet zo veel te zien, hij kijkt hooguit naar een millimeter van de wereld. Hij gelooft, net als ik, dat in die spie al veel te zien is – sommige dagen zelfs alles – maar dan moeten we wel blijven kijken. In zekere zin moeten we voortdurend de weg terug afleggen van het zien naar het kijken. Van het verhaal naar het schrijven.

17


Uiteindelijk gaat het ons om ontferming. Het geloof dat in het kijken zelf een zekere genade schuilt. En dat ook het bekekene daar een zekere genade uithaalt. We kijken het liefste uit een raam. Het is tegelijk binnen en buiten zijn. Het heeft iets geruststellends en we vallen niets lastig. Het raam zelf kijkt ook mee, het helpt ons om het overzicht te houden. Het heeft voor ons een gezichtsveld uitgekozen en daar doen wij het mee. Ik heb niet de ogen van een kartuizer. Die zoeken God. Dat doe ik niet. Zou daardoor ons kijken, hoe gelijkend het als houding ook is, wezenlijk verschillen? Stel dat we beiden vanaf dezelfde plek door hetzelfde raam konden kijken, naar hetzelfde stukje wereld, zouden wij dan toch iets heel anders bekijken? Zou hij naar een hogere saamhorigheid kijken en ik naar een plaatselijke afzondering? Hij naar nadering, ik naar verwijdering? Hij naar vereniging, ik naar verdeeldheid? Of kan dat verschil even verzoend worden in het toekijken zelf? Kijkend hoop ik op dat laatste. Hij misschien ook.

18


Antoine Wauters Antoine Wauters is gediplomeerd filosoof, met als specialisatie Amerikaanse bio-ethiek. Hij publiceerde meerdere poëziebundels, waaronder Debout sur la langue, waarmee hij in 2008 de prix Polak de l’Académie de langue et littérature françaises won. Hij leest regelmatig voor uit eigen werk, in Brussel, Parijs, Lyon, Berlijn, Beiroet … Hij werkt ook als scenarist en als redacteur. Ali si on veut, zijn recentste boek, verscheen in 2010 bij Cheyne. Bij dezelfde uitgever liggen nog twee verhalen klaar voor de pers. Meer info: http://antoinewauters.eklablog. com/ Eerste symptomen werd geschreven bij Twombly’s Forest-reeks (Lexington, 2000), in het bijzonder catalogusnummer 96.

19


Eerste symptomen We waren onszelf niet meer. We waren nog slechts de herinnering aan onszelf. Verticaal van eenzaamheid. Dat waren we. We waren nog slechts verdwaald in het midden van nergens – zie maar hoe klein, hoe nabij onze gestaltes zijn. We waren nog slechts – zie ons hier staan – een scheurtje tussen tak en tak, een kwijnend gezin dat in een wolfhondse eeuw verdwaalt, verdwijnt en niet langer bestaat – zie hoe de lucht tussen ons het leven laat, zie hoe de lucht zelf het leven laat. Eenzaam allerwegen, eenzaam wijd en zijd, overal, en steeds eenzamer waren we slechts verdwaald tussen gister en morgen, en moesten we ons gewonnen geven: er was wellicht niemand die aan ons dacht, en onze woorden waren wanen. We waren nog slechts honderden, kaarsrecht in een eindeloos wachten, bij valavond of dageraad – moeilijk te zeggen – met om ons heen het eeuwige zoevende geluid van de vliedende tijd, en de angst en de vrees: te verdwijnen zonder ook maar verschenen te zijn. In feite waren we al te talrijk om elkaar nog aan te raken, en ’s avonds en ’s nachts met elkaar te praten, onze lichamen naar elkaar toe gebogen. Zachtjes, heftig, verliefd. Het donker en het blinde wantrouwen, het wantrouwen en de angst voor de wolf, de angst en de vochtigheid die uit de grond opsteeg met het zwarte, niet ontkiemde zaad van onze verlangens. Daar leefden we, en we waren zo bang. Jullie waren nog slechts zo weemoedig, zwartgallig en bekrompen, lachten sommigen van ons nu en dan. Maar natuurlijk luisterden we niet meer naar ze. 20


Waar was de wind? Waar het licht? We waren niet langer de wind of het licht. We waren niet langer in de wind of in het licht. Waarschijnlijk hadden er – op dit nulpunt – wezens bestaan die ontroerd waren geweest, hadden gelachen en gehuild. Maar dat was een oude woordenschat, ontroering, lachen en tranen, waarvan we niets meer begrepen. We waren nog slechts in de stilte van de bossen, waar we elkaar, aan één stuk of toch bijna, toeschreeuwden dat we elkaar beminden, elkaar omhelsden, beminden en omhelsden, maar het was een pover gebaar: we gaven elkaar nog slechts weinig dingen door – zie hoe de lucht tussen ons het leven laat, zie hoe de lucht zelf het leven laat, zeiden we onophoudelijk. Zouden op het eind nog slechts virussen en ziektes overblijven om de illusie te wekken dat we samen zijn? Zouden nog slechts zij overblijven, als passerelles of passages die ons verbinden? Dat dachten we toen, verticaal van eenzaamheid. Als uitgehongerden loerend naar de komst van de eerste symptomen. Vertaald uit het Frans door Katelijne De Vuyst

21


Hoor de schrijver ook voordragen via de audiogids, onderstaande QR-codes of de Facebookpagina van Bozar literature. Bernard Dewulf

Roland Jooris

StĂŠphane Lambert

Monika Rinck

Alfred Schaffer

Antoine Wauters

22


Poëzie voor Cy Twombly Literaire nocturne Kom de dichters ook live aan het werk zien tijdens een literaire nocturne in de expo. Op 24 april dragen de auteurs voor in de tentoonstelling en vertellen over de poëzie die ze over Twombly schreven. Het publiek wandelt doorheen de tentoonstelling en houdt beurtelings halt bij de dichter en ‘zijn’ foto. Voor dit aparte en intieme gebeuren blijven de deuren van de Twombly-tentoonstelling uitzonderlijk open. Na de voorstelling heeft het publiek nog de tijd om de rest van de expo te bezichtigen. Met: Bernard Dewulf, Roland Jooris, Stéphane Lambert, Monika Rinck, Alfred Schaffer & Antoine Wauters. Dinsdag 24 april 2012, 20u30 Paleis voor Schone Kunsten (ingang Koningstraat) Toegang: € 8,00 Taal: Nederlands, Engels en Frans

23


Colofon Poëzie voor Cy Twombly is een project van BOZAR LITERATURE en verscheen in februari 2012 als literaire interventie in de tentoonstelling Cy Twombly - Photographs 1951-2010. Samenstelling, redactie en nawoord: Tom Van de Voorde Productie en coördinatie: Frederik Vandewiele Opnames: Yves Gervais Lay-out: Olivier Rouxhet Partners: Goethe Instituut Brussel, Service de la Promotion des Lettres, Poeziecentrum Gent. Met dank aan de auteurs, de vertalers en aan Laura Bacquelaine, Mélissa Henry, Anita Lampaert, Literaturwerkstatt Berlin, Laurent Moosen, Heiko Strunk, Christel Tsilibaris, Willy Tibergien, Sieglinde Vanhaezebrouck en Gerd Van Looy.

BO ZAR LITERA TURE

24


Toegang

Koningsstraat 10, 1000 Brussel Din > Zon 10:00 > 18:00 Don 10:00 > 21:00 € 10,00 - 8,00 - 5,00 - 3,50 COMBI: Cy Twombly + Per Kirkeby: € 16,00 +32 (0)2 507 82 00 – www.bozar.be – www.fnac.be

Rondleidingen

Groepen op aanvraag: +32 (0)70 344 577 - groups@bozar.be

Catalogus

€ 34,90 - nl | fr - (bozarbooks & Ludion) in de BOZAR SHOP

28


Deze tentoonstelling is een productie van BOZAR EXPO in samenwerking met Schirmer/Mosel Verlag en de Nicola del Roscio Foundation. SELECTION OF DRYPRINTS Cy Twombly

CURATOR

Hubertus von Amelunxen

BOZAR EXPO

CEO – Artistic Director : Paul Dujardin Deputy Artistic Director : Adinda Van Geystelen Deputy Exhibitions Director : Sophie Lauwers Exhibition Coordination : Christel Tsilibaris Assistant Deputy Director Exhibitions : Axelle Ancion Publication Coordination : Elizabeth Vandeweghe

BOZAR TECHNICS

Director Technics : Stéphane Vanreppelen Technical Coordination : Nicolas Bernus, David Roels

CONSTRUCTION

CMVD - Christoph Van Damme

ART HANDLING Aorta

BEZOEKERSGIDS Eindredactie

Helena Bussers, Christel Tsilibaris, Elizabeth Vandeweghe

Vertalingen

Stavros Avdoulos, Emiliano Battista, Inge Braeckman, Rokus Hofstede, Wouter Meeus

Vormgeving

Olivier Rouxhet

27


Cy Twombly bezoekersgids