Issuu on Google+

15

VERDIEPINGGEBOUWEN

aanpasbaarheid

constructiehoogte

kosten

architectuur

gewicht

milieu

bouwfysica

kolomplaatsing

stabiliteit

bouwsnelheid

kolom uiterlijk

15.1 Aspecten die bij de functionaliteit van verdiepinggebouwen een rol kunnen spelen.

Verdiepinggebouwen zijn gebouwen met meer dan één bouwlaag. Verdiepinggebouwen kunnen allerlei functies vervullen: scholen, ziekenhuizen, kantoren, bibliotheken, parkeergarages. De belangrijkste overeenkomst is, dat al deze gebouwen verdiepingvloeren hebben. Anders dan bij gebouwen met een enkele bouwlaag, zoals hallen, worden bij verdiepinggebouwen eisen gesteld aan de brandwerendheid van de hoofddraagconstructie. Het is belangrijk om de combinatie van constructiedelen te vinden, die het beste aansluit bij de functie van het verdiepinggebouw (afb. 1). De constructiedelen moeten de gewenste vormgeving mogelijk maken. Welke combinaties van constructiedelen passen het beste bij welke ontwerpopgaven? Van belang bij de keuze van de constructiedelen zijn de verschillende randvoorwaarden. Deze worden eerst besproken. Vervolgens komen de meest gangbare combinaties van kolom/ligger-, vloer- en stabiliteitsconstructies aan de orde. De gevel is een belangrijk onderdeel van verdiepinggebouwen. Daarom wordt ook aandacht besteed aan de draagconstructie in de gevel en de bevestiging van de gevels. Nadat de belangrijkste ingrediënten zijn besproken, wordt stilgestaan bij het ontwerpproces. Toepassing van een staalskelet heeft daar namelijk grote invloed op. Tenslotte komt een aantal praktijkvoorbeelden voor het voetlicht. Daaruit kan blijken welke constructies het beste bij welke ontwerpopgave passen.

15.1 • FUNCTIONALITEIT Er is een groeiende aandacht voor de vormgeving. De technische mogelijkheden zijn toegenomen waardoor het makkelijker is om afwijkende vormen te maken. En de huisvesting van bedrijven speelt een grotere rol bij het communiceren van hun identiteit. In sommige gevallen benutten opdrachtgever en ontwerper expliciet de mogelijkheden van staalskeletbouw tot (architectonische) expressie (afb. 15.2).

15.2 Kantoorgebouw ING, Amsterdam.

251


Er is ook meer aandacht voor de wijze waarop de draagconstructie zich in het gebouw manifesteert. De constructie moet zich ook voegen in het gewenste interieur. Vooral de doorsnede van kolommen moet worden beperkt. Het vloeroppervlak dat een kolom inneemt, levert geen huurinkomsten op wanneer de kolom een doorsnede heeft van meer dan 0,5 m2! Wat wellicht nog belangrijker is dan de doorsnede van de kolommen is de plaatsing van de kolommen. De plaatsing van kolommen is namelijk zelden geheel vrij. Soms is het gewenst om in het gebouw helemaal geen kolommen te hebben. Ook kan de kolomplaatsing door de vorm van de bouwkavel worden gedicteerd. Bij verdiepinggebouwen heeft de opdrachtgever meestal een voorkeur voor vrij indeelbare vloeren. De vrije indeelbaarheid is beperkt wanneer er inpandig kolommen aanwezig zijn. Daarom mochten er bijvoorbeeld in het kantoorgedeelte van de brandweerkazerne in Breda geen kolommen staan. Door de verspringende ramen was er ook in de gevel niet veel plaats voor kolommen (zie afb. 15.36). In stedelijke gebieden is in het bestemmingsplan vaak een maximale hoogte voor de bebouwing opgenomen. Daarom moet soms de verdiepinghoogte (en daardoor ook de constructiehoogte) zo laag mogelijk mogelijk worden gehouden. Op die manier is een extra verdieping te maken. Dit was belangrijk bij een hotel aan de Vijzelstraat in Amsterdam[1]. De exploitatie was uitsluitend mogelijk wanneer er binnen de toegestane hoogte (ongeveer 25 m) negen bouwlagen, exclusief de kelder, gebouwd konden worden (afb. 15.3).

15.3 Hotel De Compagnie, Amsterdam.

252


15.4 Voormalige Transitorium en huidige Castalia, Den Haag.

Naarmate gebouwen hoger worden spelen zaken als eigen gewicht, bouwsnelheid, brutoverdiepinghoogte en de stabiliteitsconstructie een steeds belangrijker rol. Vooral het gewicht van de vloeren en van de gevels is dan belangrijk: dit zijn immers de grootste oppervlakken. Zolang er aan een gebouw wordt gewerkt, kan het niet worden gebruikt of worden verhuurd. Daarom is het voor de opdrachtgever meestal belangrijk om de bouwtijd te beperken. Dit aspect is met name van belang voor de draagconstructie van hoge gebouwen, zoals de Rembrandt Toren in Amsterdam (zie afb. 15.49). Het is bij hoogbouw belangrijk om de bouwtijd van de draagconstructie, de gevel, de afbouw en de installaties op elkaar af te stemmen. Een korte bouwtijd van de draagconstructie heeft immers uitsluitend zin wanneer de gevel ook in hetzelfde tempo wordt aangebracht. Bij hoge gebouwen is daarnaast het gewicht van de hoofddraagconstructie belangrijk. De vloeren en gevels zijn meer bepalend voor het totale gewicht dan het staalskelet zelf. Verdiepinggebouwen moeten niet uitsluitend voldoen aan de huidige eisen, maar ook vooruitlopen op de eisen van morgen en overmorgen. Verdiepinggebouwen zijn onderhevig aan veranderingen in de werkwijze binnen organisaties en aan wisselende architectuuropvattingen. Een voorbeeld is de transformatie van het voormalige Transitorium tot het Castalia in Den Haag. Deze transformatie was mogelijk doordat het gebouw beschikte over een skeletvormige draagconstructie (afb. 15.4). Aspecten die bij verdiepinggebouwen een steeds belangrijkere rol spelen zijn bouwfysica en de belasting van het milieu. Deze onderwerpen zijn in hoofdstuk 10 (Milieusparend bouwen) besproken. Het beschikbare budget is vaak kleiner dan de ambitie van de opdrachtgever. Daarom zijn kosten een belangrijk ontwerpcriterium. Het is voor ontwerpers de uitdaging om binnen het budget de optimale oplossing te vinden. Uiteraard is het van belang, dat het gebouw bestand is tegen alle belastingen die zich gedurende de levensduur kunnen voordoen. stabiliteitsconstructie

15.2 stabiliteitsconstructie

qw [N/m1]

15.5 Gesteunde vloerconstructie door wind belast.

• DRAAGCONSTRUCTIE

De draagconstructie van een verdiepinggebouw voert de verticale en horizontale belastingen af naar de fundering. De verticale belasting wordt veroorzaakt door het eigen gewicht van het gebouw en de veranderlijke vloerbelastingen. De horizontale belasting ontstaat voornamelijk door wind en scheefstand van het gebouw. De verticale belasting wordt door de vloerconstructie overgedragen op de kolommen. Deze dragen de verticale belasting weer over op de fundering. De windbelasting grijpt aan op de gevels. De gevels dragen de belasting af aan de kolommen of direct aan de vloerconstructie. De vloerconstructie brengt de wind- en andere horizontale belasting over op de stabiliteitsconstructie (afb. 15.5). Deze

253


Er is ook meer aandacht voor de wijze waarop de draagconstructie zich in het gebouw manifesteert. De constructie moet zich ook voegen in het gewenste interieur. Vooral de doorsnede van kolommen moet worden beperkt. Het vloeroppervlak dat een kolom inneemt, levert geen huurinkomsten op wanneer de kolom een doorsnede heeft van meer dan 0,5 m2! Wat wellicht nog belangrijker is dan de doorsnede van de kolommen is de plaatsing van de kolommen. De plaatsing van kolommen is namelijk zelden geheel vrij. Soms is het gewenst om in het gebouw helemaal geen kolommen te hebben. Ook kan de kolomplaatsing door de vorm van de bouwkavel worden gedicteerd. Bij verdiepinggebouwen heeft de opdrachtgever meestal een voorkeur voor vrij indeelbare vloeren. De vrije indeelbaarheid is beperkt wanneer er inpandig kolommen aanwezig zijn. Daarom mochten er bijvoorbeeld in het kantoorgedeelte van de brandweerkazerne in Breda geen kolommen staan. Door de verspringende ramen was er ook in de gevel niet veel plaats voor kolommen (zie afb. 15.36). In stedelijke gebieden is in het bestemmingsplan vaak een maximale hoogte voor de bebouwing opgenomen. Daarom moet soms de verdiepinghoogte (en daardoor ook de constructiehoogte) zo laag mogelijk mogelijk worden gehouden. Op die manier is een extra verdieping te maken. Dit was belangrijk bij een hotel aan de Vijzelstraat in Amsterdam[1]. De exploitatie was uitsluitend mogelijk wanneer er binnen de toegestane hoogte (ongeveer 25 m) negen bouwlagen, exclusief de kelder, gebouwd konden worden (afb. 15.3).

15.3 Hotel De Compagnie, Amsterdam.

252


wordt tijdens een periode van twaalf uur slechts de buitenste schil van het constructiedeel opgewarmd. Dat is ongeveer 50 mm. Vloeren vormen in een verdiepinggebouw het grootste deel van het oppervlak dat aan de ruimtetemperatuur is blootgesteld. Daarom heeft het warmteaccumulerend vermogen van de vloer meer invloed op het binnenklimaat dan het warmteaccumulerend vermogen van de gevel. Het accumulerend vermogen van een vloer is het beste te benutten door de vloer niet af te schermen met een vloerbedekking of met gesloten plafonds. Op een zomerse dag is er bijvoorbeeld een groot temperatuurverschil tussen een nauwelijks geïsoleerde, Middeleeuwse kerk en een goed geïsoleerde caravan. Dit komt door het verschil in warmteaccummulerend vermogen tussen beide bouwwerken. De vloerconstructie is ook belangrijk voor de geluidisolatie tussen verdiepingen. Vloerconstructies kunnen op veel manieren worden gemaakt. Door de liggertypen van hoofdstuk 5 (Constructiedelen) te combineren met plaatvormige onderdelen van staal of van een ander materiaal kunnen slimme combinaties ontstaan. In deze paragraaf worden de combinaties besproken van stalen liggers met kanaalplaatvloeren, staalplaat-betonvloeren, staalframevloeren en staalplaatvloeren. Deze vloerconstructies zijn – met uitzondering van de geprefabriceerde betonelementen – al in hoofdstuk 5 geïntroduceerd.

IPE

15.7 Kanaalplaat gecombineerd met stalen liggers.

HQ (hoedligger)

gewicht kanaalplaat kN/m2 2,98

A 150 150

3,15

A 200 200

4,00

A 260 260

4,74

A 320 320

4,86

A 400 400

IFB (integrated floor beam)

1200

255


Kanaalplaatvloer

Kanaalplaten worden vaak met stalen liggers gecombineerd. Kanaalplaten zijn liggervormige, voorgespannen elementen, leverbaar in dikten van 120 mm, 150 mm, 200 mm, 260 mm, 320 mm en 400 mm. Kanaalplaten worden geproduceerd door extrusie. Daardoor is de lengte van de elementen slechts beperkt door de transportmogelijkheden. De kanaalplaten bepalen het gewicht en het bouwfysisch gedrag van een vloerconstructie. Kanaalplaten worden met stalen liggers gecombineerd door ze op de onderflens of op de bovenflens van de ligger te plaatsen (afb. 15.7). Dit laatste gaat echter wel ten koste van de constructiehoogte. Kanaalplaten zijn standaard rechthoekig van vorm. Daarom komen ze vooral in aanmerking voor gebouwen met kolommen in een orthogonaal raster. De bouwsnelheid van stalen liggers gecombineerd met kanaalplaten is hoog en onafhankelijk van de verhardingstijd van het beton. Met de inzet van extra hijsmiddelen en montageploegen kan de bouwsnelheid verder worden verhoogd. Bij plaatsing van kanaalplaten op de onderflens van stalen liggers (zogeheten geïntegreerde liggers) wordt gebruik gemaakt van de in hoofdstuk 5 geïntroduceerde gelaste liggers (zie afb. 5.22). Naast het beperken van de constructiehoogte maakt dit de plaatsing van leidingen onder de vloer aanmerkelijk eenvoudiger. Ook is de brandwerendheid van deze geïntegreerde, onbeklede stalen liggers aanzienlijk beter dan bij plaatsing van de kanaalplaten bovenop de liggers (zie afb. 9.24). Een vloer van kanaalplaten kan de horizontale belasting door wind niet zondermeer afvoeren naar de stabiliteitsconstructies. Dit kan wel wanneer de kanaalplaten onderling worden verbonden via zogeheten koppelwapening. Zo kunnen zich in de vloer een drukboog en een trekband vormen (afb. 15.8). Bij toepassing van geïntegreerde liggers wordt de koppelwapening over de ligger aangebracht (afb. 15.9). Om de koppelwapening aan de kanaalplaten te verankeren zit aan de bovenzijde van de plaat een sparing. Wanneer de vloerliggers tussen de kolommen worden gemonteerd, moet er ook evenwijdig aan de liggers een koppeling zijn. Indien bij de verbinding tussen de liggers en de kolom deze koppeling niet is te maken, kan ook hier koppelwapening worden ingestort. Er bestaat nog een tweede manier om de vloer als horizontale schijf te laten werken, namelijk door een gewapende druklaag toe te passen met een dikte van bijvoorbeeld 70 mm. Deze oplossing heeft een gunstig effect op de kruipvervorming van de vloer en voorkomt lokale scheurvorming in de afwerklaag boven de stalen liggers. Maar door de druklaag wordt de trekband

stabiliteitsverband

drukboog

z = 0,8 h

h

a

geïntegreerde ligger

geïntegreerde ligger koppelwapening b

windbelasting met drukboog en trekband in een vloerconstructie

15.8 Systeem met drukboog en trekband in een vloerconstructie.

256

15.9 Koppelwapening.


dikte kanaalplaat (mm)

12,6

overspanning ge誰ntegreerde ligger (m)

10,8

400

economisch toepassingsgebied (grijs)

9,0

320

7,2 260 5,4 200 3,6 150 1,8

15.10 Ontwerpgrafiek voor ingehangen ge誰ntegreerde liggers. 0

1,8

3,6

5,4

7,2

9,0

10,8

12,6

14,4

16,2

gemiddelde overspanning kanaalplaten (m)

constructiehoogte groter, de vloer zwaarder en de benodigde verhardingstijd van de druklaag be誰nvloedt de bouwsnelheid negatief. Bij het toepassen van kanaalplaten moet de constructief ontwerper er rekening mee houden dat de vloer pas als schijf kan werken, nadat de voegen of de druklaag zijn verhard. In de bouwfase moet er dus een voorziening worden getroffen om de horizontale belasting (tijdelijk) naar de stabiliteitsvoorzieningen af te dragen. In de praktijk worden hiervoor veelal schoren of 'bouwbaken' gebruikt. De stijfheid van kanaalplaten is groter dan die van stalen liggers. Daarom worden de kanaalplaten in de richting van de grootste overspanning gelegd. Bij de keuze van de overspanningen kan gebruik worden gemaakt van afbeelding 15.10. Hierin zijn praktische begrenzingen gegeven van overspanningen van kanaalplaten en ge誰ntegreerde liggers die scharnierend aan de kolommen zijn bevestigd. Dat zijn de zogeheten 'ingehangen' liggers. Het is economisch om voor de overspanning van de ligger ongeveer 0,8 maal de overspanning van de kanaalplaat te kiezen. Dit leidt tot een aantal 'ideale' combinaties voor vloerdikte, en overspanningen. Voor uitgebreide informatie over het bouwen met een staalskelet en kanaalplaten worden verwezen naar [2]. Staalplaat-betonvloer

In tegenstelling tot vloeren van kanaalplaten zijn staalplaat-betonvloeren (afb. 15.11) ook zeer geschikt voor gebouwen met een driehoekig of zelfs een willekeurige kolomraster en/of vloeroppervlak. De kopse kanten van de staalplaten kunnen schuin worden afgeknipt, zodat ze met elke kolomgeometrie zijn te combineren evenals met gekromde gevels. De platen worden bovendien 'met de hand' gemonteerd. Daarom zijn staalplaat-betonvloeren zeer geschikt voor 'moeilijke' vloeren. Staalplaat-betonvloeren zijn oorspronkelijk ontwikkeld om de bouwsnelheid te verhogen, waarbij de staalplaat nog alleen de functie had van verloren bekisting.

15.11 Staalplaat-betonvloer klaar voor storten.

257


De staalplaat-betonvloer is er in een lage en in een hoge uitvoering. De lage vloer ligt altijd op (de bovenflens van de) stalen vloerliggers, terwijl de hoge vloer vaak wordt gecombineerd met geïntegreerde stalen vloerliggers. De staalplaat maakt het mogelijk om bij hoogbouw op verschillende vloerniveaus tegelijkertijd aan het werk te zijn (afb. 15.12). Op het bovenste niveau fungeert de staalplaat als werkvloer, op het niveau eronder kunnen deuvels en wapening worden aangebracht en op het niveau dááronder kan beton worden gestort. Op nog lagere niveaus kan het beton verharden en nog weer lager vindt de afbouw plaats. Ook bij staalplaat-betonvloeren heeft het verharden van het beton een (gering) effect op de bouwsnelheid. Bij de huidige staalplaat-betonvloeren heeft de staalplaat tevens de functie van wapening. In de vloer wordt een licht wapeningsnet (krimpnet) aangebracht om scheurvorming door krimp te voorkomen. De staalplaten worden in pakketten met een hijskraan op de constructie geplaatst. Bij het uitleggen van de staalplaten schiet de montageploeg de platen op de staalconstructie vast. Hierdoor ontstaat er in de montagefase al een zekere schijfwerking. Dit reduceert de inzet van bijvoorbeeld bouwbaken. Bij staalplaat-betonvloeren is minder beton nodig dan bij in het werk gestorte betonvloeren. Ze zijn hierdoor ook aanmerkelijk lichter. Bij blootstelling aan een dag/nacht-cyclus is het warmteaccumulerend vermogen van staalplaat-betonvloeren zonder plafond toch groter dan dat van de zwaardere monoliete vloeren zonder plafond. Dat komt omdat staalplaatbetonvloeren namelijk een groter oppervlak hebben. Door het geringe eigen gewicht is de geluidisolatie beperkt, waardoor de toepassing als woningscheidende vloer zonder plafond in flatgebouwen niet in aanmerking komt. Bij productiegebouwen voor de industrie komt het vaak voor dat in de voorbereidingsfase niet bekend is waar sparingen voor leidingwerk of apparaten moeten komen. Voor deze situaties is de (lage) staalplaat-betonvloer bijzonder geschikt. Tot de stortfase kunnen er door bijvoorbeeld blokken polystyreen te plaatsen sparingen met een omvang van vierkant 250 mm worden aangebrachtd. Na het verharden van het beton kan de staalplaat ter plaatse van de gewenste sparing eenvoudig worden weggeslepen (afb. 15.13). Zelfs sparingen

houten bekisting

massief polystyreen blok

15.12 Hoogbouw op snelheid: Rembrandt Toren, Amsterdam.

15.13 Maken van sparingen in een staalplaat-betonvloer.

15.14 Staalplaat-betonvloer: Bibliotheek Technische Universiteit, Delft.

258


verstijvingsplaat

traveemaat

beukmaat

beukmaat

primaire liggers

secundaire liggers

(beukmaat)

(traveemaat)

6...10,5 m

8...18 m

statisch bepaalde staal-beton liggers van walsprofielen

tot 16 m

tot 16 m

staal-beton raatliggers

meer dan 12 m

meer dan 12 m

staal-beton vakwerkliggers

openingen voor installatiedoorvoer

gewalste liggers

staal-beton raatliggers

type staal-beton ligger

staal-beton vakwerkliggers

15.15 Toepassingsmogelijkheden van enkele typen staal-beton liggers in combinatie met lage staalplaat-betonvloeren.

tot vierkant 750 mm zijn mogelijk. In dat geval moeten er naast de sparing wapeningstaven worden ingestort om de vloer plaatselijk te versterken. Nog grotere gaten zijn mogelijk wanneer een aparte ravelconstructie wordt aangebracht. De constructieve mogelijkheden van de lage en de hoge staalplaat-betonvloer verschillen. De overspanning van de lage staalplaat-betonvloer is ongestempeld beperkt tot 3,6 m. Een grotere overspanning is mogelijk door in de bouwfase een onderstempeling aan de brengen. Deze werkwijze is gevolgd bij de nieuwe hoofdbibliotheek van de TU Delft[3] (afb. 15.14). Door de lage staalplaat-betonvloer te combineren met gewalste liggers, raatliggers of vakwerkliggers zijn zeer grote kolomloze ruimten mogelijk (afb. 15.15). Indien tijdens het storten van het beton géén gebruik wordt gemaakt van stempels, is de maximale overspanning van hoge staalplaat-betonvloeren 6 m. Mét stempels zijn overspanningen tot 10 m mogelijk. Hoge staalplaat-betonvloeren worden vrijwel altijd gecombineerd met geïntegreerde liggers. Dit maakt de hoge staalplaat-betonvloer zeer geschikt voor verdiepinggebouwen. De brandwerendheid van geïntegreerde liggers is zonder voorzieningen in de meeste gevallen 60 minuten. Bij kantoorgebouw Da Vinci (afb. 15.16) is de

15.16 Kantoorgebouw Da Vinci, Zwolle.

259


brandwerenheid van de liggers verhoogd van 60 naar 90 minuten door extra wapening in te storten[4]. Hierdoor gaat de ligger zich meer gedragen als een staal-beton ligger. De hoge staalplaat-betonvloer is ook te combineren met ‘gewone’ stalen vloerliggers, zoals bij een parkeergarage in Rijswijk[5]. In tegenstelling tot de lage staalplaat is de hoge staalplaat hier tussen de vloerliggers aangebracht (afb. 15.17). Op deze wijze blijft de constructiehoogte van de vloer beperkt. In paragraaf 15.4 worden meer gebouwen besproken waarbij een staalplaat-betonvloer is toegepast. kunststofafdichting

Z-profiel

betonvloer

deuvel

oplegtand

stalen ligger

trapeziumprofiel TRP 200

wapeningsnet

veldwapening

LEIDINGVLOEREN Relatief nieuw zijn de zogeheten leidingvloeren of holtevloeren. Het geringe gewicht van deze holle vloertypen past bij het streven naar duurzaam bouwen en naar meer flexibiliteit. Bij deze vloeren biedt de inwendige holle ruimte plaats aan luchtkanalen en andere leidingen. Hierdoor wordt de verdiepinghoogte beperkt. De leidingen in de vloer zijn doorgaans gemakkelijk bereikbaar, waardoor aanpassingen aan installaties eenvoudig zijn te maken. Dit biedt flexibiliteit in de ontwerp-, de uitvoerings- en de gebruiksfase. Leidingvloeren kunnen aan elke brandwerendheidseis voldoen. Wanneer de vloeren woningscheidend worden toegepast, moeten de vloeren aan hoge eisen van geluidwering voldoen. Er moet dan aandacht worden besteed aan de aansluitingen van de vloeren op de staalconstructie. Tevens moet er een zwevende dekvloer en een verend opgehangen, verlaagd plafond worden toegepast. De volgende drie leidingvloeren op basis van een staalconstructie worden hier kort besproken: – staalframevloer; – Infra+-vloer; – staalplaatvloer.

Infra+-vloer

De Infra+-vloer (afb. 15.18) bestaat uit stalen IPE-liggers waarvan de onderflens is ingestort in een betonnen onderplaat van 70 mm dik. Op de bovenflens ligt een afwerkvloer van bijvoorbeeld geprofileerde staalplaat met een dekvloer. De holle ruimte biedt plaats aan leidingen die van bovenaf makkelijk bereikbaar zijn. De indeling van woningen en kantoren

260

15.17 Hoge staalplaat-betonvloer: parkeergarage In de Bogaard, Rijswijk. Het stramien bedraagt hier 5,8x16,75 m.


15.18 Infra+-vloer.

met een Infra+-vloer is op termijn eenvoudig aanpasbaar. De betonnen onderplaat dient als werkvloer tijdens de montage. De IPE-liggers hoeven niet te worden geconserveerd. De betonnen onderplaat is 120 minuten brandwerend. De staalprofielen hebben geen extra brandwerende bescherming nodig. Als de vloeren en de constructie zijn ontkoppeld voldoet de Infra+-vloer aan hoge eisen aan contactgeluid. Infra+-vloeren zijn onder meer toegepast in rijtjeswoningen in Etten-Leur[6], in diverse kantoorgebouwen en in het appartementencomplex La Fenêtre in Den Haag. Staalframevloer

15.19 HEM-hotel, Amsterdam. Staalframevloer.

Een staalframe vloer bestaat uit koudgevormde verzinkte stalen C- en U-profielen, zie paragraaf 5.3 (Staven belast op buiging). In afbeelding 5.20 is een tabel opgenomen met maximale overspanningen. Door het aanbrengen van één of meer gipskartonplaten aan de onderzijde van de vloerliggers is een brandwerendheid te bereiken van 120 minuten. Staalframe vloeren zijn vooral interessant als er lichtgewicht moet worden gebouwd. Bij het HEM-hotel in Amsterdam bijvoorbeeld is om die reden voor een optopping met vier bouwlagen staalframebouw toegepast. De staalframevloeren rusten op staalframewanden (afb. 15.19). Staalframevloeren zijn ook toe te passen in combinatie met een warmgewalst staalskelet. In combinatie met geïntegreerde liggers zijn overspanningen tot 8 m mogelijk (afb. 15.20). Staalframevloeren zijn in elke denkbare vorm van een veelhoek toe te passen.

opbouw vloer anhydrietlaag geprofileerde staalplaat C-profiel isolatie gipskartonplaat brandwerende plaat

15.20 Staalframevloer.

staalplaat

HSQ200

261


Staalplaatvloer

Een staalplaatvloer bestaat uit cassettes van (geverfde) dunne staalplaat[7]. Dwars daarop ligt een geprofileerde staalplaat met een dekvloer op verende strips om het contactgeluid te reduceren. De stalen cassettes, voor de helft gevuld met minerale wol, bieden ruimte voor luchtkanalen, andere leidingen en kabelgoten. De leidingen zijn van bovenaf bereikbaar via uitneembare panelen of luikjes (afb. 15.21). De constructieve mogelijkheden zijn gelijkwaardig met die van staalframe vloeren. Bij beperkte geluidseisen, zoals in een kantoorgebouw, hoeft de staalplaatvloer aan de onderzijde niet te worden afgewerkt met een verlaagd plafond. De vloer is maximaal 60 minuten brandwerend.

1 ge誰ntegreerde ligger 2 stalen cassette 3 isolatie 4 rubber strip 5 staalplaatvloer 6 anhydriet afwerkvloer 7 anhydriet tegel 8 vloerdoos voor elektra/data 9 ventilatierooster

>>

Stabiliteitsconstructies (steungevende constructies)

Stabiliteitsconstructies, ook wel windbokken genoemd, voeren de horizontale belastingen af naar de fundering. Voor een volledige beschrijving van de functie van windbokken wordt verwezen naar paragraaf 14.2 (Draagconstructies). In dit hoofdstuk worden stabiliteitsconstructies besproken voor verdiepinggebouwen tot ongeveer 180 m hoogte. De rekenkundige aspecten staan beschreven in [2], [8] en [9]. Voor een beschrijving van stabiliteitsconstructies voor nog hogere gebouwen kan [10] worden geraadpleegd. Eerst wordt ingegaan op de plaatsing van de stabiliteitsconstructies in de plattegrond, de verschillende soorten stabiliteitsconstructies en gebouwdilataties. Plaatsing van stabiliteitsconstructies

De plaatsing van stabiliteitsconstructies wordt besproken aan de hand van een fictief voorbeeld. Allereerst moet bekend zijn hoe de standaardverdieping is ingedeeld en hoeveel verdiepingen het gebouw telt. In het voorbeeld is uitgegaan van acht verdiepingen met elk een verdiepinghoogte van 3,2 m. De vloerconstructie bestaat uit stalen liggers en liggervormige vloerelementen. Het is bekend waar de kolommen zijn gedacht en waar het verticale transport is geconcentreerd (afb. 15.22). Voor de stabiliteitsvoorzieningen wordt gedacht aan verbanden of aan portalen. Bij portalen is meer staal nodig en zijn de verbindingen complexer dan bij verbanden. Daarom wordt in eerste instantie voor verbanden gekozen. De eerste vraag is: staat de plattegrond de plaatsing van verbanden toe? Met de vuistregels in afbeelding 5.48 is te bepalen hoe breed de verbanden moeten zijn. De breedte van een verband is minimaal 1/8 van de gebouwhoogte. Naarmate het verband in verhouding breder is, is er minder staal nodig. In het voorbeeld is de

262

15.21 Staalplaatvloer.


4

0

5,

3, 1,

vast punt stabiliteitsconstructie

8 2, 4

S trap

B

A

A

liften

C

1

C

D

1

E F

be m uk aa t

G H

be m uk aa t

3

3

E

D

2

2

eve t tra aa m eve t tra aa m eve t tra aa l m

trap

b

eve t tra aa m

B

S

b

15.22 Ontwerp vloerconstructie voor een verdiepinggebouw.

15.23 Foutieve plaatsing van stabiliteitsconstructies. l

minimale verbandbreedte 8·3,2/8 = 3,2 m. De maximale breedte hangt af van de afstanden tussen de kolommen: hier dus 5,4 m (de travee- en beukmaat). Vervolgens kan worden onderzocht of er in de plattegrond plaats is voor de verbanden. De inpassing van de stabiliteitsverbanden komt in de volgende paragraaf aan de orde. De algemene regels voor de plaatsing van verbanden zijn besproken in paragraaf 14.2. In de vloeren mogen twee 'vaste punten' niet op enige afstand van elkaar ontstaan (afb. 15.23). Er zijn vier stabiliteitsconstructies aangegeven. Op de snijpunten S ontstaan de vaste punten. Deze vaste punten belemmeren het bewegen van de vloer door de onvermijdelijk optredende temperatuurwisselingen in de vloer. Soorten stabiliteitsconstructies

E as lo p ta a po r

C

d

E

E

D

an ve rb

D

2 3

op

3

d an

9 0,

rb

8

3,

ve

2

d

op

as

C

1

0 3,

2 2,

9 0,

1

D

B

B

A

A

15.24 Plaatsing van stabiliteitsconstructies.

Voor het fictieve gebouw zijn twee voorstellen gedaan voor de toe te passen stabiliteitsconstructies en de plaatsing daarvan (afb. 15.24). • In de eerste oplossing (links) is gekozen voor drie verbanden. Het verband op as 2 is zodanig vormgegeven dat er plaats is voor twee deuren. Op deze wijze ontstaan de volgende raamwerken: – geschoord raamwerk: as B, D én as 2 – gesteund raamwerk: as A, C, E én as 1, 3

op nd rb a ve

rb an ve

2

d

as

op

op

as

as

B

d an

B

1

l

as

rb

ve

263


overdrachtsconstructie

as 1

as 2

as 3

De gesteunde raamwerken ontleend hun stabiliteit aan de geschoorde raamwerken, bijvoorbeeld via schijfwerking van de vloer.. Om in het verband op as 2 deuren te plaatsen, mogen de diagonalen niet in één punt worden aangesloten. Dit is constructief gezien geen optimale oplossing, maar functioneel gezien wel. Om te voorkomen dat het verband op as B de doorgang van de verkeersruimte belemmert, is de kolom op de kruising van de as B en as 2 verplaatst. • Bij de tweede oplossing (afb. 15.24, rechts) is gekozen voor twee verbanden en een ongeschoord raamwerk op as E. Dit komt de vrije indeelbaarheid van de plattegrond ten goede. Om de verkeersruimte niet te belemmeren is het K-verband op as 1 niet-symmetrisch. De diagonalen komen niet in één punt samen. Voor het schatten van de liggerhoogte d in het portaal kan gebruik worden gemaakt van de vuistregels in afbeelding 5.15.

vervormde situatie zonder overdrachtsconstructie (outrigger)

F

h

F

b

Wanneer in de plattegrond geen plaats is voor stabiliteitsvoorzieningen kan op alle assen een portaal (ongeschoord raamwerk) worden geplaatst. De voordelen voor de opdrachtgever moeten dan wel opwegen tegen de extra kosten. Dit was bijvoorbeeld het geval bij het kantoorgebouw Nissan, Amsterdam[11] (zie afb. 5.45). In het fictieve voorbeeld is de hoogte van het gebouw zó gekozen dat de minimale breedte van de verbanden kleiner is dan de afstanden tussen de kolommen. De afstanden tussen de kolommen zijn meestal niet groter dan 7,2 m. Verbanden voor gebouwen hoger dan 60 m passen dan dus niet meer tussen de kolommen. In dat geval kan gebruik worden gemaakt van een overdrachtsconstructie of 'outrigger' (afb. 15.25).

264

15.25 Verband op as B voorzien van een overdrachtsconstructie.


Bij de gekozen verbanden in afbeelding 15.24 zijn bij de stabiliteit uitsluitend de kolommen betrokken die zelf onderdeel uitmaken van de verbanden. Door een outrigger toe te passen kunnen ook andere kolommen bij het verzorgen van de stabiliteit worden betrokken. In afb. 15.25 is het verband van as B getekend voor het geval dat het voorbeeld van afb. 15.22 twintig verdiepingen hoog zou zijn (in totaal 64 m hoogte). Bij een breedte van 5,4 m heeft het verband op as B dan een slankheid van 64/5,4 ≈ 12. Door een outrigger toe te passen is de slankheid te reduceren: de overdrachtsconstructie zorgt er namelijk voor dat ook de kolom op as 3 bij de verzorging van de stabiliteit wordt betrokken. Windbelasting van links bijvoorbeeld resulteert in een trekkracht op de kolom in as 3. Deze trekkracht biedt weerstand aan een verdere verplaatsing van de constructie. Bij een windbelasting van rechts ontstaat er een drukkracht in de kolom op as 3. Ook bij toepassing van een outrigger gelden er voorwaarden voor de slankheid (hoogte/breedte) van de constructie. Volgens de vuistregels in afbeelding 5.48 moet deze verhouding liggen tussen 5 en 7. Een Nederlands voorbeeld waarin outriggers zijn toegepast is een kantoorgebouw op de Blaak in Rotterdam[12] (afb. 15.26). De beperkte afmeting van de bouwkavel had tot gevolg dat de slankheid van de betonnen kern in één richting ongeveer 20 bedroeg: dit is extreem slank omdat voor betonnen kernen een slankheid van 8 tot 10 gangbaar is. Deze geringe slankheid maakte het noodzakelijk de constructie op twee niveaus van stalen outriggers te voorzien. Omdat de kolommen zowel op trek als op druk worden belast, zijn hier staalbeton kolommen toegepast. Dergelijke kolommen zijn minder onderhevig aan 'krimp en kruip', kunnen zowel trek- als drukkrachten opnemen én zijn brandwerend. In deze paragraaf is niet ingegaan op de relatie tussen de brandveiligheid en de keuze van profielen voor stabiliteitsconstructies. Dit aspect is in de ontwerppraktijk echter wel belangrijk. Ter illustratie van de mogelijkheden kunnen de voorbeelden verderop in paragraaf 15.4 dienen.

15.26 Outriggers: Blaak 333, Rotterdam.

265


Gebouwdilataties

Afhankelijk van het toegepaste materiaal moet de draagconstructie worden gedilateerd om schade door krimpen of uitzetten te voorkomen. Door de draagconstructie van een gebouw te dilateren wordt het gebouw in ‘stukken’ geknipt. Bij sommige constructiematerialen is het ook gewenst de afbouw te dilateren. Dit aspect blijft hier echter buiten beschouwing. In hoofdstuk 14 (Hallen) is geen aandacht besteed aan dilataties. Uit de praktijk blijkt namelijk dat dit aspect zelfs bij hallen met een lengte van 200 m en meer geen rol speelt. Draagconstructies van hallen zijn zo flexibel dat de vormveranderingen door temperatuurschommelingen verwerkt kunnen worden zonder schade te veroorzaken. Bij verdiepinggebouwen is dat niet zo, omdat de vloeren te stijf zijn. Daarom moet er aandacht worden besteed aan het krimpen en uitzetten van de draagconstructie. Bij toepassing van een skelet, in combinatie met geprefabriceerde vloerelementen, is de vormverandering van de hoofddraagconstructie maatgevend voor het al of niet toepassen van dilataties. In afbeelding 15.27 is aangegeven op welke wijze een draagconstructie vervormd die op een fundering staat waarvan de temperatuur niet veranderd. De maximale ongedilateerde gebouwlengte lmax hangt af van de toegestane scheefstand van de kolommen én van het verwachte temperatuurverschil. De maximale scheefstand van de kolommen is aangeven in NEN-ENV 1090-1 (Het vervaardigen van staalconstructies. Deel 1. Algemene regels en regels voor gebouwen) en bedraagt 1/300 van de verdiepinghoogte (zie afb. 15.33). Voor het temperatuurverschil tussen de fundering en de draagconstructie wordt in de praktijk 20 ˚C aangehouden, maar soms is dat temperatuurverschil groter! Het toepassen van dilataties heeft ook effect op het ontwerp van de stabiliteitsvoorzieningen (afb. 15.28). Wanneer een gebouw zodanig wordt gedilateerd dat de onderdelen volledig zijn ontkoppeld, moet elk gebouwdeel eigen stabiliteitsconstructies krijgen. Dit is echter uitsluitend nodig bij zeer grote vierkante gebouwen. Bij langwerpige gebouwen, zoals in afbeelding 15.28, hoeven de gebouwdelen slechts in de richting van lmax te worden ontkoppeld. Het volstaat dan om in de richting hier loodrecht op slechts één stabiliteitsverband extra te plaatsen.

stabiliteitsverband

dilatatie

l

δ

h

l

ax

lm

l

∆T = 20˚C αt = 1,2·10–6 l ≤ 44,4 m

δ = ∆Tαtl ≤ h/300 l ≤ h/(300∆Tαt)

15.27 Vervormingen van een staalconstructie door temperatuurverschil.

266

l

h = 3,2

15.28 Stabiliteitsconstructies bij een gedilateerd gebouw.


>> kolommen in de gevel (op de klimaatscheiding)

kolommen buiten klimaatscheiding

kolommen binnen klimaatscheiding

15.29 Mogelijke posities van de gevelkolommen ten opzichte van de gevel.

Draagconstructie in de gevelzone

In de gevelzone moeten verschillende constructiedelen op elkaar aansluiten. De gevel moet worden verbonden met de draagconstructie, terwijl de binnenwanden en meestal ook de plafonds op de gevel of de draagconstructie moeten worden aangesloten. Ook installaties en andere voorzieningen moeten hier een plaats krijgen. Bij het ontwerpen van de draagconstructie in de gevelzone is met al deze zaken rekening te houden. In de gevelzone vormt de constructie vaak een obstakel. Kolommen staan ‘in de weg’ of er steken vloerliggers onder de vloer uit. Dat is te voorkomen door de plaats en de keuze van kolommen en randliggers af te stemmen op de gevel en op het verloop van de leidingen. Kolommen kunnen op drie plaatsen ten opzichte van de gevel geplaatst worden (afb. 15.29). • Plaatsing van kolommen binnen de klimaatscheiding is te overwegen wanneer er sandwichpanelen zijn toegepast, bij doorgaande glasstroken of bij hoge gebouwen. • Plaatsing van de kolommen buiten de gevel is vanuit het gebruik van de ruimte handig. Hieraan kleven echter bouwfysische en bouwtechnische nadelen. • Het plaatsen van kolommen in het vlak van de gevel heeft als voordeel dat de binnenzijde van de gevel vlak kan blijven. Op deze manier wordt optimaal gebruik gemaakt van de slankheid van stalen kolommen. Het plaatsen van de kolommen in de gevel heeft ook als voordeel dat een hogere brandwerendheid van de kolommen eenvoudiger is te bereiken doordat de gevel dan tevens fungeert als brandwerende bekleding. Door een slanke gevelkolom te kiezen op relatief kleine afstanden, bijvoorbeeld 3,6 m, is deze oplossing mogelijk voor gebouwen van 6 tot 8 bouwlagen. Een voorbeeld van een gebouw waar de kolommen ín de gevel staan is de brandweerkazerne in Breda (zie afb. 9.35). In afbeelding 15.30 staan een aantal gangbare typen gevelkolommen met hun afmetingen. Voor het eigen gewicht van de vloer is uitgegaan van kanaalplaten. De overspanning van het

15.30 Type en afmetingen van gevelkolommen bij een vloeroverspanning van 7,2 m bij 4 bouwlagen (e=excentriciteit van de vloerbelasting ten opzichte van de zwaartelijn van de kolom). Verdiepinghoogte (kniklengte) 3,4 m. ❏ = S235; ❍ = S275; ▲ = S355.

e ≤ 250 mm

e ≤ 50 mm

e ≤ 150 mm

e ≤ 150 mm

e ≤ 150 mm

e ≤ 150 mm

267


vloeroverspanning 7,2 m permanente belasting van de vloer 4,0 kN/m2 (γf;g=1)

l=3,6m

l=5,4m

l=7,2m

vloeroverspanning 9,0 m permanente belasting van de vloer 5 kN/m2 (γf;g=1)

l=3,6m

l=5,4m

l=7,2m

15.31 Gevelliggers, afhankelijk van vloeroverspanning en kolomafstanden in de gevel. ❏ = S235; ▲ = S355.

De gevel kan worden bevestigd aan de vloer(rand) of aan de kolommen van de staalconstructie. De keuze hangt af van het gewicht en van het type gevel. Lichte houten of metalen gevelelementen zijn eenvoudig aan de vloerconstructie of de vloerrand te bevestigen. Bij zware gevelelementen (bijvoorbeeld van beton of van metselwerk) moet worden vermeden dat een stalen randligger op torsie (wringing) wordt belast. Wanneer er toch torsie optreedt, dan moet een torsiestijve randligger, zoals een kokerprofiel, worden gekozent. Een andere oplossing is om de randligger aan de vloer te verankeren. In dat geval wordt de ligger niet op torsie belast, maar de vloer op buiging. Voor een randligger gelden relatief zware doorbuigingseisen wanneer zware gevelelementen aan de vloer(rand) worden bevestigd. De eis voor de bijkomende doorbuiging kan 1/500 van de overspanning bedragen. Het is dan ook aan te bevelen zware gevelelementen aan de kolommen te hangen. De kolommen (op druk belast) vervormen minder dan de randliggers (op buiging en/of torsie belast). Bovendien zijn de tolerantie en de scheefstand van kolommen ook geringer. Het is belangrijk dat de bevestingspunten van de gevel aan het skelet maatafwijkingen kunnen opgevangen. De belangrijkste afwijkingen zijn de variaties in de hoogte van de vloer en in de zijkant van de vloer. De toelaatbare toleranties van een staalskelet staan in NEN-ENV 1090-1 (Het vervaardigen van staalconstructies. Deel 1. Algemene regels en regels voor

268

vloerdikte

vloerveld dat de draagconstructie in de gevelzone belast is 7,2 m. De kolommen lopen telkens door over twee verdiepingen. De profielen zijn gedimensioneerd op een permanente en veranderlijke belasting van ieder 4 kN/m2. Een indicatie van mogelijke gevelliggers geeft afbeelding 15.31. Deze tabel is gebaseerd op een permanente en veranderlijke belasting van elk 4kN/m2 en is dus bruikbaarvoor kanaalplaatvloeren en voor staalplaat-betonvloeren. Bij staalplaat-betonvloeren is de beëindiging van de vloer van belang (afb. 15.32). De stalen rand ('edge trim') heeft een dikte van 2 mm en dient als bekisting en als aanslag voor het afreien van de betonvloer.

≤≤< 160 mm

algemeen randdetail

overstek in richting loodrecht op plaat

geprofileerde staalplaat

≤≤> 160 mm

75

mm

< 500 mm

overstek in richting evenwijdig aan plaat

15.32 Vloerbeëindiging van staalplaat-betonvloeren.


l2 + ∆

e

l1 + ∆

afstand tussen de eindkolommen in elke systeemlijn op het funderingsniveau:

h

l ≤ 30: ∆ = ± 20 mm 30 < l < 250 mm: ∆ = ± 0,25 (l + 50) mm

s

h

l ≥ 250 m: ∆ = ± 0,1 (l + 500) mm

e

scheefstand van een kolom tussen twee aan elkaar grenzende verdiepingsniveaus in een gebouw met meer verdiepingen

e = ± h/500

positie van een kolomstuik vergeleken met een rechte verbindingslijn tussen de verbindingspunten op aangrenzende verdiepingsniveaus in een gebouw met meer verdiepingen

e = ± s/500 s ≤ h/2

positie van een kolom op een willekeurig verdiepingsniveau t.o.v. een vertikale lijn door het midden van de voetplaat: (n = aantal verdiepingen)

e = ∑h/(300√n)

scheefstand van en kolom in een gebouw met een enkele verdieping, die geen kraan ondersteunt en die geen onderdeel uitmaakt van een portaalspant

e = ± h/300

e

l + ∆ h1 h2 h3

∆ = ± 10 mm Σh

afstand tussen aan elkaar grenzende kolommen:

e

e

lokatie van een kolom op fune = ± 10 mm derings- en op verdiepingsniveau, vergeleken met een lijn tussen aangrenzende kolommen

15.33 Toelaatbare toleranties van de draagconstructie in de gevelzone.

h

gebouwen) (afb. 15.33). De norm geeft geen toleranties voor de randen van de vloer. Geometrische afwijkingen van de vloerrand kunnen echter grote gevolgen hebben bij het monteren van de gevel. Daarom is het belangrijk om in het bestek de gewenste toleranties aan te geven ten opzichte van de stramienlijnen van het skelet. Zo is op maatafwijkingen te anticiperen met een horizontale en een verticale bufferzone (afb. 15.34). De bufferzones moeten groot genoeg zijn om de toleranties op te vangen. Het is echter niet verstandig om de zones te groot te maken, want dit is ongunstig voor de belasting van de bevestingsconstructie. Voor de toleranties in beide richtingen wordt 10 tot 25 mm aanbevolen. Daarnaast spelen ook de vormveranderingen van de constructie een rol. De vormveranderingen van het skelet kunnen in de gebruiksfase aanzienlijk afwijken van die tijdens de bouwfase. In de gebruiksfase treden vormveranderingen op door de windbelasting, tolerantie gevel

15.34 Verticale en horizontale bufferzone.

bufferzone

totale verticale tolerantie

totale horizontale tolerantie

bufferzone

tolerantie gevel

tolerantie gevel

tolerantie vloer

269


temperatuurwisselingen, het zetten van de fundering en de veranderlijke belastingen. Het totaal van deze vormveranderingen bepaalt welke vormveranderingen de voegen in de gevel moeten kunnen opnemen. Wanneer de gevel deze vormveranderingen niet kan opnemen, wordt de gevel in zijn vlak belast. Dat kan leiden tot scheurvorming en tot lekkages. Er is dus een wisselwerking tussen de vormverandering van het skelet en de eisen die aan de gevel worden gesteld. Het is de taak van de ontwerper om een goede balans te bereiken tussen het gedrag van het skelet en de flexibiliteit van de voegen in de gevel. Het is meestal goedkoper om maatafwijkingen van en toleranties in de constructie zelf te beperken. Wanneer de gevelbouwer de onvolkomenheden van het skelet achteraf op de bouwplaats moet opvangen leidt dat doorgaans tot hoge kosten.

1 5 . 3 • O N T W E R P E N VA N D R A A G C O N S T R U C T I E S Het ontwerpen van een draagconstructie voor een verdiepinggebouw gebeurt in de fase van het voorlopig ontwerp. Het voorlopig ontwerp bestaat uit drie onderdelen: – het opstellen van 'programma van eisen' voor de draagconstructie; – het bedenken van alternatieven; – het kiezen. Om verantwoord een keuze te kunnen maken moeten de dimensies van de draagconstructies van de verschillende alternatieven ongeveer bekend zijn. Hiervoor wordt vaak gebruik gemaakt van vuistregels, zie hoofdstuk 5 (Constructiedelen). De definitieve afmetingen van de gekozen constructie worden later bepaald in de fase van het definitief ontwerp. In paragraaf 15.1 is een aantal aspecten genoemd die een rol spelen bij het functionele ontwerp van verdiepinggebouwen. Het uiterlijk van de kolommen is bij stalen draagconstructies voor verdiepinggebouwen zeer belangrijk. De brandveiligheidseisen

15.35 Brandweerkazerne, Breda met een horizontale en verticale doorsnede over de gevel.

270


aan een draagconstructie voor een verdiepinggebouw variëren tussen 20 en 120 minuten, zie hoofdstuk 9 (Brandveiligheid). De brandwerendheid is niet voor alle constructiedelen gelijk. Het is goed om al in het programma van eisen aan te geven welke eisen er gelden voor de brandwerendheid en of de constructie in het interieur van het gebouw zichtbaar moet blijven. Pas wanneer het antwoord op deze vragen bekend is, kan de ontwerper ‘aan de slag’. Wanneer deze informatie niet bekend is, kan er eigenlijk geen ontwerp worden gemaakt. Een goed voorbeeld is bijvoorbeeld de brandweerkazerne is Breda[13] (afb. 15.35). In het voorontwerp zijn hier door de architect en de constructeur de volgende afspraken gemaakt: • de vloerconstructie bestaat uit een kanaalplaat met een overspanning van 12,6 m die niet via een uitstekende console (oplegneus) op het dragende binnenblad mogen liggen; • een plafond is niet gewenst; • de constructie moet het mogelijk maken om raampartijen in horizontale zin te laten verspringen; • de gevel is minimaal 200 mm dik, waarbij de verwarmingselementen niet in de gevel kunnen worden geïntegreerd; • op de vierde verdieping kraagt het gebouw 4,1 m uit. Op basis van dit programma zijn twaalf constructieve varianten onderzocht. De verschillen zaten in de materiaaltoepassing (staal, prefasb beton en kalkzandsteen) en in de kolomafstanden voor de draagconstructie in de gevel (afb. 15.36). De twaalf varianten zijn zodanig uitgewerkt, dat ze aan dezelfde randvoorwaarden en aan dezelfde brandwerendheidseis voldeden. De keuze werd gemaakt op basis van een kostenraming van de twaalf alternatieven, inclusief de kosten voor het stabiliteitssysteem en de brandwerende bekleding. Uiteindelijk is gekozen voor een staalskelet in de gevelzone met kolommen op afstanden van 2,4 m. Uit de horizontale doorsnede over de langsgevel blijkt, dat de kolommen vrijwel geheel in het gevelpakket zijn opgenomen (afb. 15.35). De brandwerendheid is opgelost door de kokervormige kolommen met water te vullen, waardoor ze in het zicht konden blijven[14].

15.36 Brandweerkazerne, Breda. Onderzochte constructieve varianten voor de staalconstructie in de langsgevel.

271


15.4 â&#x20AC;˘ VOORBEELDEN Welke constructies horen bij welke bouwopgave en welke oplossingen zijn er voor de gevel? Deze paragraaf laat aan de hand van een aantal Nederlandse verdiepinggebouwen zien voor welke oplossing de ontwerpers hebben gekozen.

>>

Parkeergarage Tivoli, Tilburg

De parkeergarage Tivoli ligt op de grens van de kleinschalige binnenstad van Tilburg en biedt ruimte aan 780 parkeerplaatsen[15] (afb. 15.37 en 15.38). Het gebouw is een 'open' parkeergarage, waardoor er aan de constructie geen brandveiligheidseisen zijn gesteld. De garage telt drie beuken, elk met een overspanning van 14,4 m. De vloerconstructie bestaat uit geĂŻntegreerde randliggers en kanaalplaten (afb. 15.39). De kanaalplaten, met een dikte van 320 mm, hebben een gewapende druklaag. Hierdoor kunnen de vloeren de horizontale belastingen afvoeren naar de stabiliteitsconstructie. Aangezien de vloeren van de beuken niet in hetzelfde vlak liggen, heeft elke beuk een eigen draagconstructie. De beuken zijn

272

15.37 Parkeergarage Tivoli, Tilburg. Constructieve plattegrond van een verdieping en aanzicht staalconstructie langsgevel.


15.38 Parkeergarage Tivoli, Tilburg.

15.39 Parkeergarage Tivoli, Tilburg. Geïntegreerde randliggers en kolommen.

wel in horizontale richting gekoppeld. De stabiliteit wordt verzorgd door vier windverbanden. De twee verbanden in dwarsrichting staan om architectonische redenen buiten de parkeervloeren en tevens loodrecht op de gevel. Hierdoor was het nodig om onder de poeren van de buitenste kolommen – deze dragen vrijwel geen verticale belasting – trekpalen aan te brengen. De verbanden staan zodanig in de plattegrond dat ze geen weerstand bieden aan de horizontale vervormingen van de constructie door temperatuurverschillen. De vervormingen zijn zodanig dat het noodzakelijk was om de twee trappenhuizen een eigen stabiliteitsconstructie te geven. Om de stabiliteit van de constructie in dwarsrichting tijdens de bouwfase te stabiliseren zijn tijdelijke montageverbanden gebruikt (zie afb. 4.25). De gehele staalconstructie is verzinkt.

>>

Gebouw Indoor Karting, Delft

Langs de A13 bij Delft-Noord staat de langste driedimensionale kartbaan van Europa (afb. 15.40). De omhulling is een glazen doos van 50x60 m met een hoogte van 12 m[16]. Het gebouw heeft inpandig vier ‘kartlagen’ die onderling zijn verbonden door hellingbanen. Staalplaat-betonvloeren waren hiervoor de meest geëigende oplossing. De beukmaat is 14,4 m en de traveemaat 7,2 m. Vier verbanden die evenwijdig aan de gevel lopen verzorgen de stabiliteit. Het gebouw is niet gedilateerd.

15.40 Gebouw Indoor Karting, Delft.

273


>>

Supermarkt A-Markt, Amsterdam

In afwachting van een omvangrijke herstructurering mocht in de binnenstad van Amsterdam een 'tijdelijke' supermarkt worden gebouwd[17]. Het gebouw moest echter wel voldoende architectonische kwaliteit bezitten. Vanuit een milieu-oogpunt had de opdrachtgever een voorkeur voor een demontabele en herbruikbare constructie. Samen met het architectenbureau werd besloten om voor deze bouwopgave gebruik te maken van staalframebouw (afb. 15.41). Bovenop de supermarkt liggen kantooruimten om de exploitatie mogelijk te maken. De supermarkt grenst met de lange zijde aan een verkeersweg. Om aan te sluiten bij het stadsbeeld staat aan deze zijde een transparant stalen scherm dat tevens functioneert als zonnescherm. Dit scherm is afgesteund tegen de supermarkt. De bovenbouw is geheel samengesteld uit geprefabriceerde staalframebouwelementen. De bouwtijd, inclusief een plaat lichtbeton als fundering en de afbouw, bedroeg twee maanden. De onderbouw is aan de buitenzijde afgewerkt met geprofileerde plaat en de bovenbouw met glazen plankprofielen. De vereiste brandwerendheid van 30 minuten wordt verzorgd door gipskartonplaten. De koudgevormde profielen zijn standaard verzinkt met een laagdikte van 20 µm. Dit is ruim voldoende in een binnenklimaat.

waterkerende folie

5350 8016+

2945 + 168,3x6,3

2745 +

oplegvilt

underlayment 18 mm dik C200/2-profiel h.o.h. 600 mm isolatie (steenwol) 50 mm dik omega-profiel gipskartonplaat 15 mm dik

gipskartonplaat 12.5 mm dik dampremmende folie C100-profiel / vol isolatie (glaswol) isolatie (systemboard) 28 mm dik gevelbekleding

5900+

C200,74,66-2

s

s = afsteuning scherm draadstang M20 + gaffel

C200,74,66-2

2945+

C100,50-1.5

C100,50-1.5

150

DPC-slabbe P=0 mv = 100-

peil=0 600-

550

>>

Bedrijfsverzamelgebouw De Reeuwijkse Poort, Reeuwijk

Bij de afslag Reeuwijk aan de A12 ligt een bedrijfsverzamelgebouw met een staalskelet, dat uit drie delen bestaat[18] (afb. 15.42). Het bestemmingsplan liet bebouwing toe tot een hoogte van 9 m. Met een staalskelet in combinatie met geïntegreerde liggers was het mogelijk binnen deze hoogte een parkeerlaag en twee bedrijfslagen te ontwerpen. Voor de veranderlijke belasting voor de verdiepingvloeren is 5 kN/m2 aangehouden. In afbeelding 15.43 is van één van de delen de vloerconstructie van de tweede bouwlaag weergegeven. De kolomafstanden zijn zodanig gekozen dat de parkeerruimte efficiënt kan worden benut. De grootste overspanning is gemaakt met een kanaalplaat met een dikte van 265 mm. De kanaalplaten zijn onderling gekoppeld en aan de geïntegreerde liggers verankerd met wapening. De vloer kan hierdoor als schijf werken, zodat een druklaag niet nodig is. De vloer-

274

15.41 Supermarkt A-Markt (met kantoren), Amsterdam.


15.42 Bedrijfsverzamel gebouw De Reeuwijkse Poort, Reeuwijk.

15.44 Bedrijfsverzamelgebouw De Reeuwijkse Poort, Reeuwijk. Draagconstructie in opbouw en aansluitdetail van de buitengevel aan de verdiepingvloer.

schijf brengt de horizontale belastingen over op stabiliteitsconstructies in de gevel die zijn uitgevoerd als verticale vakwerkjukken. De lichte schoorverbanden in afbeelding 15.44 zijn tijdelijk en dienen om de horizontale belasting in de bouwfase naar de vakwerkjukken af te kunnen voeren. Door de verticale stabiliteitsconstructies in de gevels te plaatsen, blijft de inwendige ruimte vrij indeelbaar. De vakwerkjukken zijn al in de werkplaats in elkaar gelast. Omdat de gevel voor een groot gedeelte uit glas bestaat, zijn de vakwerkjukken gedimensioneerd op een maximale horizontale verplaatsing van 1/750 van de gebouwhoogte. De drie gebouwdelen zijn niet gedilateerd. De brandweer eiste voor de draagconstructie een brandwerendheid van 90 minuten. Dit is behaald door de kolommen en de IPE-liggers in de gevel te omtimmeren met een brandwerende beplating. De vakwerkjukken zijn aan de binnenzijde ook geheel met een beplating afgetimmerd. De geĂŻntegreerde liggers zijn alleen aan de onderzijde bekleed met 15 mm steenwol. Omdat de constructie geheel in een binnenklimaat staat, volstaat een lichte conservering: de staalconstructie is gestraald en voorzien van een coating met een laagdikte van 70 Âľm.

15.43 Bedrijfsverzamelgebouw De Reeuwijkse Poort, Reeuwijk. Overzicht van de staalconstructie.

275


>>

Bestuursgebouw De Lens, Nieuwegein

Bestuursgebouw De Lens (afb. 15.45) huisvest onder meer een trouwzaal, een raadszaal, kantoren en representatieve vergaderruimten voor de gemeente Nieuwegein[19]. Het transparante, glazen gebouw biedt een onbelemmerd zicht op de verrichtingen van het gemeentebestuur. Voor het constructieve ontwerp waren de twee belangrijkste uitgangpunten: een uiterst korte bouwtijd (oplevering van de ruwbouw binnen zes maanden) 辿n een transparante gevel. Aan deze eisen werd voldaan met een staalskelet met ge誰ntegreerde liggers en kanaalplaten. Het bestuursgebouw loopt schuin op van zeven tot negen bouwlagen en is 32 m hoog (afb. 15.46). De staalconstructie bestaat in de gevelzone uit vierkante buiskolommen 140x140 mm op afstanden van 1,2 m met een gebogen ge誰ntegreerde randligger. In de middenzone zijn ge誰ntegreerde liggers en ronde buiskolommen van 355 mm toegepast. Het gebouw is voorzien van een klimaatgevel. De 200 mm dikke kanaalplaatvloer heeft een gewapende druklaag waardoor de vloer als schijf fungeert. Twee stalen K-verbanden die evenwijdig aande gevel staan en een verticale betonnen wand zorgen samen voor de stabiliteit.

15.45 Bestuursgebouw De Lens, Nieuwegein.

276


15.46 Bestuursgebouw De Lens. Standaardverdieping.

Voor de hoofddraagconstructie gold toen nog een brandwerendheidseis van 120 minuten. Deze eis kon met 30 minuten worden verlaagd vanwege de geringe permanente vuurbelasting in het gebouw. Door een sprinklerinstallatie aan te brengen werd een verdere reductie verkregen van 60 minuten. Er resulteerde dus een eis aan de hoofddraagconstructie van 30 minuten. Met uitzondering van de gevelkolommen bleek de staalconstructie aan deze eis te voldoen zonder extra voorzieningen. Voor de draagconstructie in de gevelzone was het voldoende om de helft van de gevelkolommen met beton te vullen. (Overigens is de eis aan de hoofddraagconstructie van niet-slaapgebouwen (zoals kantoren) waarvan de hoogste vloer ligt bóven 13 m nu verlaagd van 120 naar 90 minuten!)

>>

Kantoorgebouw Kennemerplein, Haarlem

Kantoorgebouw Kennemerplein staat vlak naast het Haarlemse treinstation. Met een vloeroppervlak van 9000 m2 over vier bouwlagen is dit grote gebouw niet te missen (15.47). Bij dit gebouw speelden milieuoverwegingen bij de opdrachtgever en bij diens adviseurs een grote rol bij de materiaalkeuze (zie hoofdstuk 10 (Milieusparend bouwen)).De draagconstructie is een staalskelet met geïntegreerde liggers en kanaalplaten [20]. Het gebouw is 13 m hoog, waardoor de draagconstructie van het gebouw moet 90 minuten brandwerend moet zijn. Hieraan is voldaan door de stalen buiskolommen te vullen beton en een extra wapening én door de onderflens van de geïntegreerde liggers met een brandwerende beplating te omtimmeren.

277


Er is geen sprinklerinstallatie aangebracht, zodat het gebouw moet worden gecompartimenteerd in twee delen: de compartimenteringswand staat halverwege in dwarsrichting. Een dilatatie in de constructie kon achterwege blijven. De compartimentering maakte het mogelijk de stalen stabiliteitsverbanden grotendeels zonder brandwerende voorzieningen toe te passen. Uitsluitend de K-verbanden ter plaatse van de compartimentering zijn brandwerend bekleed. Dit was mogelijk, omdat aan beide zijden van de compartimentering verbanden aanwezig zijn. Deze oplossing is uitsluitend interessant voor grotere gebouwen.

15.47 Kantoorgebouw Kennemerplein, Haarlem.

278

➃ 15.48 Kantoorgebouw Kennemerplein, Haarlem. Dwarsdoorsnede over de staalconstructie.


>>

Kantoorgebouw Rembrandttoren, Amsterdam

De Rembrandttoren[21] is een 135 m hoog kantoorgebouw in Amsterdam (afb. 15.49). Voor de kolommen (die in de gevelzone staan) en voor de vloeren is gekozen voor een staalconstructie. Bij deze keuze speelden zaken als eigen gewicht, bouwsnelheid, verdiepinghoogte en de stabiliteitsconstructie een belangrijke rol. Daarnaast was het voor de opdrachtgever belangrijk de bouwtijd te beperken. Voor de stabiliteitsconstructie is een betonnen kern gekozen (afb. 15.50). Bij de keuze voor een staalconstructie in de gevelzone was ook de architectuur van belang. Op de 5e en 9e verdieping namelijk springt de gevel een aantal meters naar binnen. En een dergelijke sprong is met staal goed uitvoerbaar. De Rembrandt Toren heeft een brutoverdiepinghoogte van 3,4 m; de nettoverdiepinghoogte is 2,7 m, inclusief een computervloer. Dit is bereikt door de installaties voor de kantoren tussen de vloerliggers te plaatsen en de distributiekanalen in de zone rond de kern aan de brengen. De gangzone heeft een nettohoogte van 2,4 m (afb. 15.51). Om een optimale bouwtijd te bereiken, moet de bouwsnelheden van kern, staalconstructie, vloeren, gevels en afbouw zorgvuldig op elkaar worden afgestemd. Zo zijn bijvoorbeeld de staalplaten voor de staalplaat-betonvloeren pas te monteren nadat de staalconstructie is gemonteerd. Bij deze afstemming is de beschikbare kraancapaciteit erg belangrijk. Bij het ontwerp van de Rembrandt Toren hield de aannemer er rekening mee dat de kranen vooral waren in te zetten voor de kern en de staalconstructie. De staalplaten voor de vloeren zijn als pakketten ingehesen en de compleet geprefabriceerde gevelelementen (met een gewicht van 1,3 kN/m2) zijn van binnenuit gemonteerd (afb. 15.52). Deze werkwijze maakte voor de staalconstructie, inclusief vloeren, een bouwsnelheid mogelijk van drie verdiepingen per tien werkdagen. De betonnen kern vorderde minder snel, zodat met de bouw hiervan ook eerder is begonnen. De staalplaatbetonvloeren maken geen deel uit van de hoofddraagconstructie. Daarom gold voor de vloeren van de standaardverdiepingen een brandwerendheidseis van 60 minuten. Aan deze eis werd voldaan door in de cannelures van de staalplaat-betonvloer wapeningsstaven aan te brengen (rond 10 mm) en door de vloerliggers te betimmeren met een brandwerend plaatmateriaal van 20 mm dikte (afb. 15.53). Voor de gevelkolommen was 120 minuten de eis. Hieraan is voldaan met een 20 mm dikke betimmering.

15.49 Kantoorgebouw Rembrandttoren, Amsterdam.

7200

9000

7200

7200

9000

7200

1500 650

1800

â&#x2013;˛

15.50 Kantoorgebouw Rembrandttoren, Amsterdam. Standaardplattegrond en doorsnede over de vloerconstructie.

279


15.51 Kantoorgebouw Rembrandttoren, Amsterdam. Doorsnede over de gangzone met de plaats van de leidingen.

15.53 Kantoorgebouw Rembrandt Toren, Amsterdam. Vloerliggers voorzien van brandwerende betimmering.

15.52 Kantoorgebouw Rembrandt Toren, Amsterdam. Montage van de gevel van binnenuit.

De staalconstructie bevindt zich in een binnenklimaat en er werden geen esthetische eisen aan de draagconstructie gesteld. Daarom volstond voor de conservering een eenvoudige, zogeheten shop-primer. Hiermee wordt voorkomen dat de constructie begint te corroderen en er roestwater ontstaat. De kolommen en gevelliggers zijn echter toch blauw geschilderd, hoewel dat vanuit een oogpunt van conservering niet hoeft. Naast de Rembrandt Toren is in 2002 de Breitnertoren gebouwd[22]. Deze hoogbouw is iets minder hoog (93 m), maar heeft een constructieve opzet die vrijwel identiek is aan die van de Rembrandttoren.

280


15.54 World Port Center, Rotterdam.

>>

K a n t o o r g e b o u w W o r l d P o r t C e n t e r, R o t t e r d a m

Het World Port Center[23] met een hoogte van 123 m staat in Rotterdam op de Kop van Zuid (afb. 15.54). Het bestemmingsplan van dit voormalige havengebied legde de maximale gebouwhoogte vast. Daarom speelde de verdiepinghoogte een belangrijke rol in het ontwerp. Bovendien bepaalde de opdrachtgever dat de vrije hoogte – ook in de gangen – 2,7 m moest bedragen en dat er vanuit het gebouw vrij zicht op de omgeving moest zijn. Op basis van deze laatste voorwaarde was uitsluitend een skeletvormige draagconstructie mogelijk. Op grond van het ontwerp van de architect ontwikkelde en vergeleek het ingenieursbureau een aantal varianten voor de constructie. Als stabiliteitsconstructie bleek een kern van beton met enkele dwarswanden een goede oplossing (afb. 15.55). Voor de vloerconstructie buiten de kern is gekozen voor een hoge staalplaat-betonvloer in combinatie met een geïntegreerde ligger van het type IFB (zie afb. 5.7). Om het gewenste aantal bouwlagen mogelijk te maken was een verdiepinghoogte van 3,4 m nodig. De constructiehoogte is beperkt tot 300 mm door de vloerliggers momentvast aan de gevelkolommen te verbinden. hiervoor zijn drie verschillende varianten onderzocht (afb. 15.56). De liggers overspannen 9 m en de staalplaat-betonvloer overspant 7,2 m. Kolommen met een oppervlak van meer dan 0,5 m2 worden niet tot het verhuurbare vloeroppervlak gerekend. Daarom was het hier van belang om de doorsnede van de kolommen te beperken. Voor een gemakkelijke afbouw was het echter belangrijk om de ronde kolommen over de volledige gebouwhoogte in één diameter uit te voeren (afb. 15.57). Dit bleek mogelijk door voor staal-beton kolommen te kiezen. In de onderste kolommen is een zwaar profiel HEB 400 ingestort en naarmate het gebouw hoger wordt worden de ingesorte staalprofielen kleiner.

281


a. gehalveerd HEB500 + aangelaste onderflens 400x22 mm b. gehalveerd HEA500 + aangelaste onderflens 400x20 mm

a. Geprefabriceerde elementen, bestaande uit een ligger waaraan het opgaande kolomdeel van ĂŠĂŠn verdieping momentvast is verbonden (volgens bestek).

b. Kolommen van twee verdiepingen hoog, waaraan vooraf een liggerdeel momentvast is verbonden (voorstel aannemer).

c. Kolommen van twee verdiepingen hoog, waaraan de liggers ter plaatse momentvast worden verbonden (voorstel aannemer; uitgevoerd).

15.55 World Port Centre, Rotterdam. Constructieve opzet van een standaardverdieping. Twee betonnen kernen en wanden zorgen voor de stabiliteit. De staalplaat-betonvloeren rusten op liggers tussen de kernen en de gevelkolommen.

282

15.56 World Port Centre, Rotterdam. Onderzochte varianten voor de opbouw van het staalskelet.


Voor de draagconstructie gold een brandveiligheidseis van 120 minuten. Door de lage permanente vuurbelasting en de toepassing van een sprinklerinstallatie kon in overleg met de brandweer deze eis worden gereduceerd tot 60 minuten. Om aan deze eis te voldoen is extra wapening in de staalplaat-betonvloer aangebracht en is de onderzijde van IFB-ligger brandwerend bekleed. Dankzij de keuze voor een niet-dragende gevelconstructie kan het gebouw in de toekomst relatief eenvoudig een face-lift ondergaan. Hierdoor ĂŠn door het toepassen van materialen met een hoge sterkte zoals beton B65 en staal S355 heeft het gebouw een positieve milieubeoordeling. 15.57 World Port Centre, Rotterdam. De dwarsdoorsnede van alle gevelkolommen is minder dan 0,5 m2 gehouden en voor alle bouwlagen gelijk. De kolommen bestaan uit een met beton omstort staalprofiel dat naar boven verjongt

283


L I T E R AT U U R 1. K. Peterse, ‘Compact staalskelet in een traditionele jas’, Bouwen met Staal 150 (1999), p. 40-45. Artikel over hotel De Compagnie in Amsterdam. 2. A. van de Bogaard en C.H. van Eldik, Verdiepingbouw in staal en beton, Rotterdam 1995. 3. H.G. Krijgsman en W. Spangenberg, ‘Toppunt van leesplezier’, Bouwen met Staal 139 (1997), p. 30-37. Artikel over de nieuwe centrale bibvliotheek van de TU Delft. 4. F. de Groot, ‘Bouwteam kiest voor snelheid van staal’, Bouwen met Staal 161 (2001), p. 38-42. Artikel over kantoorgebouw Da vinci in Zwolle. 5. M. Lachmann, ‘Monteren op krappe bouwplaats’, Bouwen met Staal 154 (2000), p. 38-42. Artikel over parkeergarage In de Bogaard in Rijswijk. 6. P.F. van Deelen, ‘Traditioneel uiterlijk verbergt veel innovatie’, Bouwen met Staal 160 (2001), p. 26-32. Artikel over de zogeheten A+-woningen in Etten-Leur met de Infra+-vloer. 7. T. Jütte, ‘Meer gebouw door intelligente vloer’, Bouwen met Staal 151 (1999), p. 46-53. Artikel over het kantoorgebouw van Cepezed in Delft met een staalplaatvloer. 8. G. de Man (samenst.), Construeren A ((Over)spannend staal. Deel 2), Rotterdam 2001 (3e druk). 9. A. Rolloos en B.C.A. Spil (samenst.), Construeren B ((Over)spannend staal. Deel 3), Rotterdam 1996. 10. B. Stafford Smith en A. Coull, Tall building structures: analysis and design, New York 1991. 11. J.G. Kraus en M.F.A. Derkink, ‘Headquarters NISSAN Europe in Amsterdam, Bouwen met Staal 95 (1990), p. 11-17. Artikel over het kantoorgebouw Nissan in Amsterdam. 12. J.G. Kraus en R.H. Wiltjer, ‘Eerste 'outrigger' in Nederland’, Bouwen met Staal 133 (1996), p. 48-51. Artikel over het hoofdkantoor Generale Bank Nederland in Rotterdam met een outrigger-constructie. 13. H.A. van Vliet en J.A. Ketel, ‘Variantenstudie toont 'onbekende' mogelijkheden van staal’, Bouwen met Staal 147 (1999), p. 46-53. Artikel over de brandweerkazerne in Breda. 14. J.A. Ketel en H.A. van Vliet, ‘Waterkoeling maakt kantoorgebouw brandveilig’, Bouwen met Staal 148 (1999), p. 30-35. Artikel over de watergevulde kolommen en liggers in de brandweerkazerne in Breda. 15. J.P. Eenshuistra, J.G. Kraus en R.H. Wiltjer, 'Parkeergarage Tivoli, Tilburg', Bouwen met Staal 126 (1995), p. 6064. 16. 'Gebouw voor indoor karting', Bouwen met Staal 156 (2000), p. 26-27. 17. K. Peterse, ‘Tijdelijke oplossing met een lange levensduur’, Bouwen met Staal 162 (2001), p. 20-23. Artikel over de A-markt in Amsterdam. 18. P. Jansen en L. de Vries, ‘Slanke constructie biedt optimale flexibiliteit’, Bouwen met Staal 153 (2000), p. 1419. Artikel over bedrijfsverzamelgebouw 'De Reeuwijkse Poort' in Reeuwijk. 19. M. Lachmann, 'Maximale kwaliteit tegen minimale kosten', Bouwen met Staal 159 (2001), p. 12-17. Artikel over bestuursgebouw De Lens in Nieuwegein. 20. J. Bullens, Th.J.P. Janssen, N. Kunnen en E. van Rest, 'Hybride draagconstructie heeft grote potentie', Bouwen met Staal 134 (1997), p. 42-50. Artikel over het kantoorgebouw aan het Kennemerplein in Haarlem. 21. 'Rembrandt Tower, Amsterdam', Bouwen met Staal 125 (1992), p. 26-47. 22. ‘Breitner Center, Amsterdam’, Bouwen met Staal 170 (2003), p. 28-45. 23. P. Langendijk en G.L.H.M. Henkens, ‘Baken voor Kop van Zuid’, Bouwen met Staal 162 (2001), p. 44-51. Artikel over het World Port Center in Rotterdam.

284


BB15