Page 16

Conclusie In dit hoofdstuk zal antwoord worden gegeven op de eerder in het verlag geformuleerde onderzoeksvragen. Eerst zullen de belangrijkste conclusies puntsgewijs worden weergeven waarna aan de hand van de deelvragen een antwoord zal worden geformuleerd op de centrale onderzoeksvraag.

4.1

Conclusies puntsgewijs • • • •

• •

• •

4.2

Het aantal museum bezoeken is in de jaren tachtig sterk gestegen. Vanaf de jaren negentig zijn de bezoekersaantallen in Nederland redelijk stabiel en schommelen zo rond de 20 miljoen bezoekers per jaar. De hoger opgeleiden (Hbo-opleiding of hoger) en mensen met een leeftijd van vijftig jaar en ouder zijn sterk oververtegenwoordigd in de Nederlandse musea. Het museumbezoek concentreert zich steeds meer op de grote musea in de grote steden en in de randstad. De 38 grootste musea van Nederland trekken de helft van het totale bezoekersaantal. In de hedendaagse samenleving dient het museum meer zintuigen aan te spreken dan alleen de ogen. De faktor beleving wordt steeds belangrijker en verdient aandacht. Het creëren van architectonisch hoogstaande bouwwerken in een bijzondere omgeving is hiervoor een goed middel, maar uit de visie van Joseph Pine en Julian Spalding blijkt dat ook de inhoud van musea hierop afgestemd dient te worden. Musea leent zich uitstekend als marketinginstrument voor een stad en ontwikkelen zich steeds meer als entertainment-instellingen met meerdere (commeciële) functies zoals restaurants en winkelcentra. Musea hebben niet meer alleen de functie van het tentoonstellen van cultuur, maar ook als culturele trekpleister. Hierdoor krijgt ook de museumlocatie een belangrijkere plaats in de stad zelf. Musea worden steeds vaker gesitueerd in het centrum nabij grote voetgangersstromen in de stadskern. Uit de theorie van Richard Florida blijkt dat de aanwezigheid van goede culturele voorzieningen in de stad een zeer belangrijke faktor is voor het ontwikkelen van een sterke economie. Ondernemers laten deze voorzieningen meewegen bij hun vestigingsplaatskeuze. Hieruit blijkt het belang van de inhoud van musea naast de architectuur wat als uithangbord fungeert. Uit de casestudies van zowel het Groninger Museum als het Guggenheim Museum te Bilbao aan de hand van de theorie van Kevin Lynch, blijkt dat deze musea landmarks zijn in hun stad en sterke invloed hebben op het mentale stadsbeeld van het publiek. Uit de casestudies blijkt ook het belang van een goede harmonie tussen het bouwwerk, de locatie en de omgeving. In het geval van het Guggenheim Museum is dit beter gelukt dat bij het Groninger Museum. Toch slagen beide musea in hun doel; het verbeteren van het stadsbeeld en het stimuleren van de lokale economie door het trekken van toeristen en ondernemers.

Conclusies deelvragen

Wat zijn de algemene trends op het gebied van museumbezoek in Nederland? In hoofdstuk 2 is beschreven dat de bezoekersaantallen in de jaren tachtig sterk zijn gestegen waarna ze vanaf de jaren negentig redelijk stabiel blijven. De bezoekersaantallen in Nederland schommelen rond de twintig miljoen per jaar en concentreren zich steeds meer op de grote musea in grote steden en in de randstad. Hoger-opgeleiden en personen van vijftig jaar en ouder domineren dit publiek. Het imago van musea laat nog te wensen over. Hier ligt volgens Joseph Pine een kans; door te accepteren dat we in een beleveniseconomie leven moet de belevenis in het museum worden verhoogd. Dit zal ten koste gaan van oude museumfunctie van alleen tentoonstellingruimte. Meerdere

16

Museaal vastgoed  

bachler scriptie Museaal vastgoed

Advertisement