Page 1

FACULTEIT DER RUIMTELIJKE WETENSCHAPPEN RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN

Museaalvastgoed Succes- en faalfaktoren bij locaties en ontwikkeling van musea

AUTEUR: ing. B. Boterman (S1644564) MENTOR: P.H. Pellenbarg, prof. dr. EINDDATUM: 8 juni 2007


Voorwoord Voor u ligt het resultaat van mijn individuele schrijfopdracht voor schakelaars in het kader van de master vastgoedkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. De afgelopen twee maanden ben in de wereld van de museumarchitectuur gedoken en heb ik ontdekt dat hier meer speelt dan de meeste mensen denken. Het onderwerp van deze schrijfopdracht, succes- en faalfaktoren bij locaties en ontwikkeling van musea, is door de universiteit aangereikt. In eerste instantie leek mij dit in een weinig boeiend en lastig onderwerp, maar na een oriĂŤnterend gesprek met Dhr. Pellenbarg en na het lezen van literatuur in relatie tot dit onderwerp, ontdekte ik dat er vele interessante discussies en ontwikkelingen gaande zijn met betrekking tot dit onderwerp. In de afgelopen jaren zijn hier over vele boeken, scripties en artikelen verschenen vanuit verschillende disciplines. Te veel om in 6000 woorden te behandelen. Het is een hele opgave gebleken om keuzes te maken uit alle aanwezig stof en om de meest relevante onderwerpen aan te snijden. Graag had ik nog meerdere musea in het onderzoek willen betrekken om nog betere vergelijkingen te kunnen maken. Het is bij twee musea gebleven om enigszins in de buurt je blijven van de gegeven maximale omvang van rond de 6000 woorden. Graag wil ik een aantal personen bedanken die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van deze schrijfopdracht. Als eerste docent Prof. Dr. Pellenbarg voor de begeleiding bij het maken van de onderzoeksopzet en het toelichten van het onderwerp. Koen van Veen namens de Nederlandse Museumvereniging voor het beantwoorden van mijn vragen via de email en voor het leveren van de laatste versie van de MuseumMonitor. Maurits Alblas voor het kritisch lezen van de schrijfopdracht en voor het geven van nuttige tips en aanwijzingen. En als laatste Miriam en Sander, mijn vriendin en huisgenoot, voor het aanhoren van de vele hersenspinsels met betrekking tot deze opdracht die mijn gesprekstof de afgelopen twee maanden hebben gedomineerd.

Personalia DATUM VERSLAG:

8 juni 2007

NAAM STUDENT: STUDENTNUMMER: ADRES:

Bram Boterman 1644564 van Ittersumstraat 42 8011 JP Zwolle EMAILADRES: b.boterman@student.rug.nl TELEFOONNUMMER: 06 41249649

2


Samenvatting De laatste decennia is er sprake van een heuse ‘museumboom’. Maarliefst een derde van het wereldwijde museumaanbod is in de laatste twintig jaar gerealiseerd en ook de komende jaren zal het aantal musea nog stijgen. In Nederland zijn de bezoekersaantallen vanaf 1990, na een sterke stijging in de jaren tachtig, stabiel. Jaarlijkse bezoeken ongeveer twintig miljoen mensen een Nederlands museum. Deze bezoekers concentreren zich steeds meer op de grote bekende musea in de grote steden en in de Randstad. Het merendeel van de bezoekers komt voor het museum als geheel en niet voor een speciale collectie of tentoonstelling. Dit publiek wordt aangetrokken door de reputatie en bekendheid van het museum. Deze reputatie en bekendheid komen veelal voort uit reisgidsen, brochures en media-aandacht, vaak door een spraakmakende architectuur of locatie. De vrijtijdsbesteding van de mens verandert doordat de maatschappij veranderd. De werkelijk beschikbare vrijtijd wordt schaarser en daarnaast nemen de voorzieningen om deze tijd door te brengen toe. Er wordt gesproken van een beleveniseconomie. Veel musea maken gebruik van de visie van Joseph Pine en zijn boek “The experience economie”, waarin hij beschrijft dat het hedendaagse publiek vermaakt wil worden. In zijn visie is niet de dienst het product dat men aanbied maar de beleving. Als musea willen concurreren met andere vrijetijdsvoorzieningen dan dient de beleving te worden vergroot. Een spectaculair ontwerp van het museumgebouw en door de locatie een prominentere rol te laten vervullen in het stadsbeeld is hiervoor een manier, maar Pine benadrukt dat musea meerdere zintuigen aan dienen te spreken dan alleen de ogen. Men dient een band tussen de waarnemer en de waarnemingen teweeg te brengen. Een afgeleide strategie die musea toepassen is het vertellen van verhalen bij het gebouw en de collectie waardoor men de objecten beter ‘begrijpt’. Zo wordt een band geschept en wordt de belevenis vergroot. Uit de visie van Pine blijkt dat een opzienbarend gebouw van een museum nog geen succes maakt. Ook de inhoud en de manier waarop het museum wordt gepresenteerd is sterk van belang. Musea blijken een uitstekend marketingmiddel om de stad te promoten. De aandacht wordt getrokken door prestigieuze ontwerpen van bekende architecten op prominente locaties. De inhoud en de collecties verdwijnen dikwijls naar de achtergrond. Het museum dient een groot publiek aan te spreken en moet daarom opvallen. Musea dienen niet meer alleen voor het tentoonstellen van kunst en het overbrengen van cultuur, maar ook om toeristen aan te trekken. Het gebouw en locatie van musea wordt steeds meer benadrukt en betrokken in het stadsbeeld. Steeds meer worden musea ge ï ntegreerd met winkels en restaurants en gesitueerd in stadscentra nabij drukke voetgangersstromen. Zo wordt getracht de economie te versterken. De theorie van de Amerikaanse econoom Richard Florida beschrijft het belang van het aantrekken van de creatieve klasse. Volgens Florida zijn het de ideeën die de belangrijkste economische producten gaan worden. De creatieve klasse moet voor deze ideeën gaan zorgen. Deze klasse vestigt zich niet waar werk is, maar op plaatsen waar creativiteit te beschikking staat. In bruisende steden met een ruim aanbod van kunst, cultuur en vermaak. Daar waar deze klasse zich vestigt is de kans op economische bloei het grootst. Uit zijn visie blijkt niet alleen de aanwezigheid van, maar ook dat de inhoud van musea zeer belangrijk is. Door de museumlocaties van het Groninger Museum en het Guggenheim Museum in Bilbao te analyseren volgens de stadsbeeldananlyse van de stedenbouwkundige Kevin Lynch, is de relatie tussen musea en hun omgeving beschreven. Uit de analyse blijkt dat de directe omgeving een zeer grote rol speelt bij het succes of falen van musea. Zowel de aanwezigheid van bepaalde elementen, het contrast met de omgeving en de structuur van het omliggende gebied bepalen mede het stadsbeeld van de waarnemer. Deze elementen bepalen het stadsbeeld dat men oproept en is dus van wezenlijk belang bij het ontwerpen en realiseren van museaalvastgoed en het kiezen van de juiste locatie.

3


Inhoudsopgave

Voorwoord................................................................................................................................. 2 Personalia.............................................................................................................................. 2 Samenvatting............................................................................................................................ 3 Inhoudsopgave.......................................................................................................................... 4 Inleiding..................................................................................................................................... 4 1.1Aanleiding......................................................................................................................... 5 1.2 Doelstellingstelling........................................................................................................... 5 1.3 Onderzoeksvragen.......................................................................................................... 5 1.4 Onderzoeksaanpak......................................................................................................... 5 Musea: cijfers en trends............................................................................................................ 6 2.1 De ‘Museumboom’.......................................................................................................... 6 2.2 Cijfers en trends.............................................................................................................. 6 2.3 Het publiek....................................................................................................................... 7 2.3.1 Imago........................................................................................................................ 7 2.3.2 Belevenis.................................................................................................................. 7 Locatiekeuzes......................................................................................................................... 9 3.1 Musea als merchandiser................................................................................................. 9 3.2 The “Creative Class”........................................................................................................ 9 3.3 Casestudie museumlocaties.......................................................................................... 10 3.3.1 De stadsbeeldanalyse volgens Kevin Lynch.......................................................... 11 3.3.2 Het Groninger Museum........................................................................................... 12 3.3.3 Het Guggenheim Museum Bilbao........................................................................... 13 3.3.4 Resumé.................................................................................................................. 15 Conclusie............................................................................................................................... 16 4.1 Conclusies puntsgewijs................................................................................................. 16 4.2 Conclusies deelvragen.................................................................................................. 16 4.3 Conclusie centrale onderzoeksvraag............................................................................ 19 Epiloog.................................................................................................................................... 20 Literatuurlijst............................................................................................................................ 21

Inleiding

4


1.1

Aanleiding

De laatste decennia zijn vele nieuwe musea ontwikkeld, uitgebreid en verbouwd. Vele van deze musea zijn net als sommige kantoren, bruggen en theaters, gebruikt als architectonisch statement 1. Ieder zichzelf respecterende stad heeft tegenwoordig een museum of heeft er één in de steigers staan. Bij voorkeur ontworpen door een architect met een grote naam. Deze bouwplannen gaan gepaard met een brede belangstelling in de media. Voor een stad betekent een spraakmakend museum ondermeer aantrekkingskracht op toeristen en mensen uit de creatieve klasse, waar later in het verslag op in zal worden gegaan. Museaalvastgoed wordt steeds meer gebruikt als merchandiser van de stad2. Soms lijkt het erop dat het gebouw met zijn architectuur en locatie meer bezienswaardigheid trekt dan het museum zelf.

1.2

Doelstellingstelling

Vele discussies zijn er gevoerd over musea en hun invloed op de omgeving. De nieuwe musea zien door opzienbarende vormgeving kans om bestaande verhoudingen in de museumwereld in een ander perspectief te zetten. Het doel van deze schrijfopdracht is om inzicht te verstrekken omtrent de invloed van deze moderne musea op hun stad, directe omgeving, het publiek en vise versa.

1.3

Onderzoeksvragen

CENTRALE ONDERZOEKSVRAAG:

Heeft de situering en vormgeving van het museumgebouw invloed op het succes of falen van musea als functie?

DEELVRAGEN:

• •

Wat zijn de algemene trends op het gebied van museumbezoek in Nederland?

In hoeverre weerspiegeld het steeds meer prestigieuze uiterlijk van museumgebouwen nog zijn traditionele functie als verzamelplaats en expositieruimte voor kunstvoorwerpen?

Welke invloed heeft de ontwikkeling van musea op zijn locatie in een stad of regio?

Er verschijnen steeds meer ‘prestigieuze gebouwen’ als huisvesting van musea: hebben deze vernieuwende gebouwen een nieuw denkbeeld opgeleverd over de functie en rol van het museum?

1.4

Onderzoeksaanpak

In hoofdstuk 2 wordt een analyse gegeven van de algemene trends op het gebied van museumbezoek; de bezoekersaantallen en de marktverwachtingen voor de sector. Later in dit hoofd zal worden ingegaan op de invloed van de samenleving op musea. In hoofdstuk 3 zal doormiddel van het bestuderen van literatuur, van verschillende deskundigen uit verschillende disciplines, worden gekeken naar de relatie van musea met hun omgeving en situering. Het streven is om verschillende visies en theorieën samen te laten komen in betrekking tot dit onderwerp. In het vierde en laatste hoofdstuk zullen een tweetal musea zullen worden beschreven met het oog op dit onderwerp (het Groninger Museum en het Guggenheim Museum Bilbao). Aan de hand van het boek The image of the city van Kevin Lynch zullen de museumlocaties worden geanalyseerd om vervolgens uitspraken te kunnen doen over de succes- en faalfaktoren.

1 2

Cornelis van de Ven, Museumarchitectuur (1989) Wouter Davidts, Bouwen voor de kunst?, Museumarchitectuur van Centre Pompidou tot Tate Modern (2006)

5


Musea: cijfers en trends Voor dat we ons mengen in de discussie over museumarchitectuur en locaties, is het belangrijk om te weten wat de ontwikkelingen op het gebied van de Nederlandse musea zijn. In dit hoofdstuk zullen de trends van de laatste jaren betreffende musea in Nederland worden samengevat en toegelicht.

2.1

De ‘Museumboom’

De laatste decennia is er serieus sprake van een ‘museumboom’. Maarliefst een derde van het wereldwijde aantal musea is in de laatste 20 jaar gerealiseerd. Volgens Hudson3 zal de internationale groei van musea gemiddeld 10% per 5 jaar zijn. Nederland telt vandaag de dag rond de 900 musea. In de Verenigde Staten hebben sinds 1970 meer dan 600 musea de deuren geopend en in Frankrijk zijn tijdens het 14 jaar durende presidentschap van Mitterant (1981-1995) 400 nieuwe musea gerealiseerd of verbouwd. Ook vandaag de dag wordt nog voluit gebouwd en gedacht aan nieuwe musea. Zo zijn er heftige discussie gaande over de vestigingsplaats van het nieuw te bouwen Nationaal Historisch Museum ergens in Nederland en er wordt druk gebouwd aan de uitbreiding van het Rijksmuseum te Amsterdam en het Prado in Madrid.

2.2

Cijfers en trends

In Nederland heeft het aantal museumbezoeken in de jaren tachtig van de vorige eeuw een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt: van 14,5 miljoen bezoeken in 1980 is het bezoek gestegen tot 22,0 miljoen bezoeken in 1990. In de jaren negentig stagneert de stijging van het aantal bezoeken, ondanks de grote stijging van het aantal musea, de groei van de bevolking en de inkomensontwikkeling. In de tweede helft van het afgelopen decennium beweegt het aantal bezoeken zich rond 20 mln. In 1999 telt het CBS 20,7 mln. bezoeken. In 2003 waren dit 19,5 miljoen. Het aantal museabezoeken is dus redelijk stabiel. Gebaseerd op gegevens uit 2005 heeft een derde van de Nederlandse bevolking van 12 jaar en ouder een museum bezocht. In het publiek zijn bezoekers tussen 50 en 65 jaar en de hoger opgeleiden (HBO opleiding of hoger) sterk oververtegenwoordigd. Van deze bevolkingsgroepen heeft respectievelijk 39% en 54% een museum bezocht. Allochtonen en lager opgeleiden zijn in het museumpubliek ondervertegenwoordigd4. In de onderstaande tabel zijn de bezoekersaantallen van de jaren 2001 tot en met 2004 weergegeven van de tien meestbezochte musea van Nederland5. Er moet wel worden opgemerkt dat de cijfers van bron tot bron verschillen, maar zijn nauwkeurig genoeg om algemene trends te kunnen bepalen. Tabel 1: bezoekersaantallen top 10 musea in Nederland 2001

2002

2003

2004

1

Amsterdam

Van Gogh Museum

1.276.000

1.593.000

1.342.000

1.338.000

2

Zaandam

Openluchtmuseum 'De Zaanse Schans'

825.000

900.000

790.000

880.000

3

Amsterdam

Rijksmuseum

1.011.000

1.090.000

841.000

810.000

4

Amsterdam

Anne Frankhuis

900.000

909.000

912.000

937.000

5

Amsterdam

Sexmuseum 'Venustempel'

490.000

520.000

518.000

528.000

6

Amsterdam

Madame Tussaud's Amstedam

529.000

440.000

441.000

406.000

7

Arnhem

Het Nederlands Openluchtmuseum

290.000

286.000

305.000

350.000

8

Amsterdam

Nemo

291.000

317.000

315.000

327.000

9

Groningen

Groninger Museum

200.000

335.000

235.000

292.000

10

Otterlo

Rijksmuseum 'Kröller-Müller'

274.000

311.000

419.000

290.000

TOTAAL

6.086.000

6.701.000

6.118.000

6.158.000

3 4 5

Kenneth Hudson, Museum of influence (1988) De bron van deze kengetallen: Letty Ranshuysen, Resultaten MuseumMonitor 2005 Nederlands Bureau voor Toerisme & Congressen, Bezoek aan toeristische attracties ontwikkelingen 2001 – 2004

6


Alleen Madame Tussoud’s en het Rijksmuseum hebben een dalend bezoekersaantal. Gezien de grootschalige verbouwing heeft het rijksmuseum een goed excuus6. Op basis van de tabel kan worden geconcludeerd dat de Nederlandse belangstelling voor deze bekende musea licht groeiende is. Het museumbezoek concentreert zich steeds meer op de randstad, de grote steden en de grote musea. De 38 grootste musea van Nederland trekken de helft van het totale bezoekersaantal7.

2.3

Het publiek

Het succes of falen van musea valt en staat met het vergaren van bezoekers. Voldoet het museum nog aan de behoefte van het publiek? Het imago van het museum speelt hierbij een hoofdrol. Volgens de MuseumMonitor 2005, een jaarlijks onderzoek in de cultuursector in opdracht van de Nederlandse Museumverenging, worden musea zelden door museabezoekers bestempeld als sfeerloos of saai. Daarin tegen blijkt dat degenen die zelden of nooit musea bezoeken vaak het idee hebben dat musea dit wel zijn. Veelal is onervaren museapubliek aangenaam verrast door het aanbod.

2.3.1 Imago Waarvoor komt het publiek? Uit de MuseumMonitor 2005 blijkt dat 66% van de museumbezoekers komt voor het museum als geheel en niet gericht voor een speciale collectie of tentoonstelling. Deze bezoekers komen zowel voor de gehele collectie als om het, vaak spraakmakende, pand te bezichtigen. Dit betekend dat het publiek wordt aangetrokken door o.a. het imago en reputatie van het museum, verkregen door aandacht in de media, artikelen, brochures en reisgidsen. Uit het onderzoek komt ook naar voren dat men meer belangstelling gaat tonen voor bepaalde tentoonstellingen naarmate men vaker musea bezoekt. Dit verband tussen ‘museumervaring’ en ‘tentoonstellingsgerichtheid’ hangt weer samen met het eerder geconstateerd ‘saaie’ imago van musea onder minder ervaren museabezoekers. Media-aandacht, door bijvoorbeeld een in het oog springende architectuur of een opvallende locatie, speelt in op de nieuwsgierigheid van de mens en kan wellicht helpen af te rekenen met dit stoffige imago.

2.3.2 Belevenis De Nederlandse maatschappij verandert en daarmee ook de vrijetijdsbesteding. Men wordt ouder, is gezonder en individualistischer ingesteld. Ondanks de toenemende vrijetijd wordt door sociale ontwikkelingen (tweeverdieners, ouderenzorg, kinderoppas) de werkelijke beschikbare tijd schaarser. Daarnaast nemen de mogelijkheden om vrijetijd te besteden toe. Een bezoek aan het museum is slechts één van de vele manieren. Musea dienen hun aantrekkelijkheid, in deze overvloed van voorzieningen, te versterken. Musea zal nooit even ‘leuk’ worden als een pretpark of een bezoek aan de IKEA, maar ze kunnen wel hun eigen krachten beter inzetten. Het publiek wil vermaakt worden. Er wordt gesproken van een belevingseconomie8. Veel musea hebben gebruik gemaakt van de visie van de Amerikaans econoom Joseph Pine, auteur van het boek ‘the experience economie’. In de beleveniseconomie van Pine is niet ‘de dienst’, maar ‘de beleving’ het product dat men aanbied. Het is dus voor musea van belang dat men zich afvraagt wat beleving voor het publiek inhoud en hoe een meerwaarde gegeven kan worden het museumbezoek. Een spraakmakend en spectaculair ontwerp van het museumgebouw is natuurlijk één van de manieren om de beleving van het publiek te vergroten, het “wauw!-effect”, maar ook probeert men de locatie een meer prominente rol te laten vervullen in het stadsleven9. Vaak worden moderne musea gecombineerd met parken, pleinen en nieuwe wegen. Pine wijst er echter op dat het gaat om meer dan entertainment alleen. Volgens hem dient de beleving vooral iets te zijn dat gelaagd is. Alleen als musea meer zintuigen aanspreken dan alleen de ogen, spreekt het op verschillende niveaus ook meer en verschillende soorten bezoekers aan. Een hieruit afgeleide strategie die door verscheidene musea worden toegepast is het vertellen van verhalen bij een gebouw of collectie. Zo wordt geprobeerd het gevoel en de verbondenheid van het publiek bij bepaalde voorwerpen of gebeurtenissen te versterken. Het beeld dat men van een object 6

In een memo van maria van der Hoeven, minister van onderwijs, cultuur en wetenschap, aan de tweede kamer (d.d. 31-01-2007) betreffende de voortgang van de verbouwing, wordt zelfs melding gemaakt van het feit dat het in 2006 verwachte bezoekersaantal voor het Rijksmuseum ruimschoots is overtroffen. 7 Handreiking museumbeleid voor gemeenten, (2004), pag. 8 8 Joseph Pine & James Gilmore, The experience economy: work is theatre and every business a stage (1999). 9 Cornelis van de Ven, Museumarchitectuur (1989)

7


krijgt wordt be ïnvloed en geprikkeld. Het publiek ‘begrijpt’ het object vervolgens beter waardoor de beleving stijgt. De informatie wordt laagdrempelig en is daardoor voor een grotere groep toegankelijk dan bij de traditionele museumpresentatie. De Britse auteur en conservator Julian Spalding springt hierop in en doet met zijn boek ‘The Poetic Museum’10 een beroep op musea om zich meer in te leven in wat musea bij het publiek kunnen bewerkstelligen. Hij stelt; “Het is voor musea niet genoeg om je verlaten op wat je al hebt, nee, je moet beslissen: welk verhaal wil ik vertellen, welke inzichten wil ik bieden, en daar de objecten bij zoeken. Je moet de bezoeker weten te ontroeren”.11 Dit is een veelal geaccepteerde visie in de cultuurwereld geworden. In elk museum bestaat een bijzondere spagaat tussen de voor- en achterkant. De ingetogen, conserverende, behoudende kant (het beheren van kunst en cultuur) versus de publieke, speelse, creatieve kant (beleving en vermaak). De kunst is om tussen deze twee elementen de gulden middenweg te ontdekken. Het publiek mag best gelokt worden door een spraakmakend pand, maar het is ook zaak om de bezoeker vervolgens binnen tevreden te stellen. Ook moet het contrast tussen de allure van het gebouw en de collectie niet te groot worden, waardoor de kunstobjecten worden overstemt12. Voor een stad is het belangrijk om landmarks bezitten. Gebouwen waardoor de stad bekendheid vergaart en die de verbondenheid van de stadbewoners aan de stad vergroten. Later wordt hier dieper op ingegaan. Naast deze stedelijke behoefte aan hoogwaardige architectuur blijkt o.a. uit de visies van Joseph Pine en Julian Spalding dat alleen een bijzonder gebouw met een mooie collectie niet voldoende is voor het hedendaagse museumpubliek. Niet alleen het oog wil wat, het publiek wil meer.

10 11 12

Julian Spalding, The Poetic Museum, Reviving Historic Collections (2002) Julian Spalding in NRC Handelsblad, 01-12-2003 Cornelis van de Ven, Museumarchitectuur , pag. 44; de ruimtelijke relatie tussen kunst en architectuur

8


Locatiekeuzes In dit hoofdstuk is de interactie beschreven tussen museaalvastgoed en zijn omgeving. Ten eerste wordt ingegaan op de rol van musea voor de stad. Tijdens mijn studie ontdekte ik dat dit een populair onderwerp is. Er is de laatste jaren veel literatuur verschenen waarin onder andere economen, sociologen, architectuur- en kunstexperts hun visie geven op dit onderwerp. Ieder vanuit zijn eigen invalshoek. In dit hoofdstuk zijn een aantal van die visies nader bekeken om daarna antwoorden te kunnen geven op de vragen; welke invloed de ontwikkeling van musea heeft op zijn locatie en stad en zijn musea geschikt als marketingmiddel om steden te promoten? Hoe belangrijk is de locatie en welke invloed hebben deze prestigieuze musea op het stadsbeeld? Bij het vinden van antwoorden op deze vragen hebben de visies en theorieën van econoom Richard Florida en stedenbouwkundige Kevin Lynch een prominente rol gekregen. Musea zijn onderling moeilijk te vergelijken. Zowel het gebouw, de collectie, het publiek, de functie en talloze andere faktoren verschillen van museum tot museum. Al deze faktoren hebben invloed op de omgeving en op zijn beurt heeft ook de omgeving invloed op deze faktoren. Van een tweetal bekende musealocaties zal worden beschreven welke invloed ze op hun omgeving hebben.

3.1

Musea als merchandiser

Zoals u eerder in dit verslag heeft kunnen lezen schieten musea als paddestoelen uit de grond. Om economische groei veilig te stellen proberen beleidsbepalers van steden spraakmakende gebouwen als landmarks in de hoofden van toeristen en ondernemers te krijgen. Musea blijken hiervoor een uitstekend middel13. Gemeenten stellen grote architecten aan om ambitieuze en opzienbarende plannen te ontwerpen. De inhoud van deze prestigieuze musea verdwijnt dikwijls richting de achtergrond en wordt soms niet eens genoemt in de artikelen en berichten. Wat is de functie van een museum? Een verzamelplaats en expositieruimte voor kunstobjecten om cultuur over te brengen op het volk? Een marketinginstrument voor de stad? Typerend is dat in veel literatuur vooral over musea wordt gepraat in termen van ‘bezoekersaantallen’. Het publiek wordt steeds meer beschreven als de ‘klanten’ die geprikkeld moeten worden en worden dus geassosieerd met marketing. Zoals Jan Vaessen, algemeen directeur van het Nederlands openluchtmuseum te Arnhem, de stelling inneemt; “de grote nieuwe musea van het afgelopen decennium zijn onmiskenbaar ‘entertainment-instellingen’ geworden, gericht op een groot en internationaal publiek” 14. Ook de architectuur draagt hieraan bij. Het gebouw moet een groot publiek aanspreken en dus moet het opvallen. Met moderne architectuur hopen steden een plek te veroveren in kranten, reisgidsen en brochures. Een ander gevolg van deze ontwikkeling is dat ook de locatie van musea een meer belangrijke plaats inneemt in de stad zelf. Het benadrukken van de locatie van de recent gebouwde musea een opvallende eigenschap. Musea hebben niet meer alleen de functie van het tentoonstellen van cultuur is, maar zijn ook gericht op het trekken van toeristen. Nieuwe musea hebben geen autonome, ge ïsoleerde locatie meer. Zij worden bij voorkeur gesitueerd nabij de grote voetgangersstromen en winkelcentra in de stadskern15. Ook wordt er meer aandacht besteed aan nevenfuncties. Musea worden steeds vaker gecombineerd met restaurants en winkels. Zo is bij de uitbreiding van het Prado in Madrid en bij de nieuwe entree van het Louvre in Parijs volop ruimte voor detailhandel gecreeërd16.

3.2

The “Creative Class”

Er bestaat een steeds grotere belangstelling voor de relatie tussen cultuur en economische groei van een stad. Een belangrijke aanleiding voor deze belangstelling is het werk van de Amerikaanse econoom Richard Florida. In 2002 verscheen van zijn hand ‘The Rise of the Creative Class’17, een veelbesproken werk waarin hij het belang van de zogenaamde creatieve klasse voor de economie in steden en regio’s benadrukt. Waar deze klasse woont en werkt, daar ontstaat economische groei, zo 13 14 15 16 17

Wouter Davidts, Bouwen voor de kunst?, de rol van het museum als stedelijke motor, pag. 18 (2006) Jan Vaessen in zijn openingsspeech van het Symposium: Museumarchitectuur als spiegel van de samenleving, 6 nov 1998 Cornelis van de Ven, Museumarchitectuur (1989, pag. 41) NRC Handelsblad (21-04-2007), Omstreden uitbouw Prado gereed Richard Florida, The rise of the Creative Class (2002)

9


luidt zijn stelling. Volgens Florida zijn het de ideeën die de belangrijkste nieuwe economische producten gaan worden. Deze nieuwe klasse, die voor de productie van ideeën moet zorgen, heeft een eigen levensstijl en een eigen kijk op de wereld. Zo gaan ze niet wonen waar ze werk vinden voor hun creativiteit, maar gaan bedrijven zich vestigen waar de nodige creativiteit ter beschikking is en dat is in bruisende steden, met een groot aanbod aan kunst en cultuur en een leuk uitgaansleven. Deze steden staan open voor nieuwe initiatieven en nieuwkomers, kortom creatieve steden. Daar waar de grootste concentratie van de creatieve klasse woont, daar is de kans op economische bloei het grootst. Zijn visie wordt deels bevestigd in de resultaten van de MuseumMonitor 2005. Waar staat beschreven dat hoger-opgeleiden sterk oververtegenwoordigd zijn in musea. 60% van het museumpubliek heeft een Hbo-opleiding of hoger afgerond versus een kwart van de Nederlandse bevolking. Het boek van Richard Florida heeft wereldwijd grote invloed. Ook wordt zijn visie steeds meer gebruikt voor het bepalen van beleid en strategieën door verschillende overheden en instellingen. Zo verscheen er in 2005 een brochure van de Kamer van Koophandel, bestemd voor gemeenten, over dit thema met ondermeer de volgende tekst: “Het imago, het vermaak, de levendigheid en de uitstraling die een aanbod van kunst en cultuur in brede zin aan een stad toevoegt, kunnen vooral het kennisintensieve deel van

het

bedrijfsleven

in

zijn

vestigingsbeleid

beïnvloeden.

Als

aan

harde

vestigingsfactoren is voldaan, kunnen kunst en cultuur voor de ondernemer hét onderscheidende criterium vormen tussen steden. In de citymarketing worden kunst en cultuur daarom beschouwd als een belangrijk, aan economische doelstellingen verbonden instrument om een stad voor onder meer bedrijven aantrekkelijk te maken”. 18 Het belang van goede culturele voorzieningen in de stad wordt steeds meer erkend en musea spelen hierin een hoofdrol. Steden ontwikkelen dan ook bewust strategieën om cultuur niet alleen als doel, maar ook als middel te benutten. Ondernemers laten het potentieel aan hoogwaardige arbeidskrachten in een gemeente mee wegen bij de keuze voor een vestigingsplaats. Dit versterkt het belang van goede culturele voorzieningen, naast voorzieningen voor o.a. bereikbaarheid, onderwijs en de kwaliteit van de woningvoorraad. De aanwezigheid van een nationaal of zelfs internationaal bekend museum kan hierbij een grote rol spelen. Waar bij moderne musea de nadruk in veel gevallen vooral op het uiterlijk van het bouwwerk ligt (o.a. het Groninger Museum en Guggenheim Museum te Bilbao), blijkt uit de visie van Florida ook het belang van de inhoud van musea. Een extravagant gebouw maakt van musea misschien wel een toeristische trekpleister, maar op ten duur zal een museum het van zijn eigenlijke functie moeten hebben: Het tentoonstellen van kunstvoorwerpen en het overbrengen van cultuur op het publiek. Niet alleen de aanwezigheid van, maar ook wat een museum te bieden heeft dus speelt een belangrijke rol voor de creatieve klasse en dus voor de toekomst van de stad.

3.3

Casestudie museumlocaties

In literatuur waar aandacht wordt geschonken aan musea met hun collectie en architectuur, wordt weinig gesproken over de locatiekeuzes. Waar er wel veelvuldig over locaties wordt geschreven is in kranten en vakbladen, waar het vooral gaat om discussies en kritiek op spraakmakende musea en hun directe omgeving. É én van de vele voorbeelden is de kritiek dat de inwoners van Luxemburg in 2006 uiten op de locatie van het Musée d'Art Moderne Grand-Duc Jean, kortweg Mudam, van de beroemde Chinees-Amerikaanse architect I. Ming Pei19, omdat het op een archeologische plek werd neergezet20. Ook de locatie van het Groninger Museum kwam in opspraak en is door velen besproken en bediscussieerd. In het programma NOVA presenteerde dichter Driek van Wissen zijn kritiek op de locatie en de architectuur van het Groninger Museum is dichtvorm: "Van de stad waarin ik ben geboren, Kon steeds het silhouet mij weer bekoren. LA Group leisure of arts, “Wat cultuur verdient, kunst cultuur en creativiteit in economisch perspectief”, (KvK, 2005) pag. 18 19 Ieoh Ming Pei: Architect van o.a. de uitbreiding van Deutsches Historisches Museum in Berlijn en de glazen piramide voor het Louvre. 20 NRC Handelsblad 05-08-2006: Netjes binnen de lijntjes, Nieuw museum Mudam opent in Luxemburg. 18

10


Die welbekende piekerige lijn, Maar deze aanblik is voorgoed verloren. Want voortaan zal na aankomst van de trein, Een kakelbont gebouw het zicht verstoren." 21 Zoals eerder beschreven zijn musea moeilijk onderling te vergelijken. In deze paragraaf zijn een tweetal specifieke musealocaties geanalyseerd om toch uitspraken te kunnen doen met betrekking tot locatiekeuzes. Het betreft het Groninger Museum en het Guggenheim Museum te Bilbao. Aan de hand van deze musea en de theorie van Kevin Lynch is de interactie tussen de omgeving en het gebouw beschreven.

3.3.1 De stadsbeeldanalyse volgens Kevin Lynch In het eind van de jaren vijftig onderzocht de Amerikaanse stedenbouwkundige Kevin Lynch het belang van mentale processen voor de stedenbouwkundige vormgeving. Hij beschreef de interactie tussen het stadsbeeld en de waarnemer. Zijn onderzoek, beschreven in het boek: The image of the city 22, was een grote bijdrage aan de kennis over de voorstelling van de stad zoals dat aanwezig is in het geheugen van het publiek. Hij onderzocht de invloed van stedelijke eigenschappen op het mentale beeld van de inwoners en bezoekers van een stad. Het begrip ‘stadsbeeld’ wordt haast in elke beschouwing als vanzelfsprekend ervaren. Het kan de betekenis hebben; de typische, karakteristieke aanblik van de stad. Een beeld dat een stad als het ware samenvat. In deze definitie is de basis aanwezig voor de meer uitgebreide betekenis. Achter het hoofdzakelijke visuele stadsbeeld van een persoon ligt een samenhangend geheel van kennis, ervaringen, herinneringen en voorkeuren. Kortom een zeer persoonlijke indruk van de stad. Lynch ziet het stadsbeeld als een tweewegproces tussen de waarnemer (observeerder) en het beeld (het geobserveerde). Het stadsbeeld roept in principe een vast beeld op. De waarnemer ontvangt dit beeld en filtert dit met zijn eigen perceptie. Dit uiteindelijke beeld kan sterk verschillen tussen verschillende waarnemers. Door onderzoek kunnen deze waarnemers steeds met grotere precisie worden ingedeeld in homogene groepen waarbij bepaalde stadsbeelden overeenkomen. Bijvoorbeeld op basis van cultuur, leeftijd en geslacht. Stadsplanners proberen om bij zoveel mogelijk mensen een positief stadsbeeld op te roepen. Volgens kevin Lynch kan het stadsbeeld worden ingedeeld in drie eigenschappen16. De eigenschappen zijn altijd aan elkaar verbonden en verschijnen dus nooit onafhankelijk van elkaar. Deze eigenschappen zijn: Identiteit: Een beeld krijgt een eigen identiteit voor de waarnemer door contrastvorming met zijn omgeving. Hierdoor wordt een object herkenbaar. Structuur: Het beeld dat het object of situering oproept bij de waarnemer dient een zekere ruimtelijke relatie te hebben met zijn omgeving en dus met de omliggende objecten. Betekenis: Het beeld dient een zekere betekenis te bezitten voor de waarnemer, praktisch (een functie zoals een museum) dan wel emotioneel (bijvoorbeeld een geschiedenis zoals een bunker). Ook dit is een relatie met de waarnemer, maar geen ruimtelijke. De betekenis van een object staat veelal vast en is niet te manipuleren (in de goede zin van het woord). Op de structuur en identiteit kan echter wel invloed worden uitgeoefend. Lynch introduceerde ook het woord “imageability” , wat betekend dat de kwaliteit van een gebouw een sterk beeld bij zijn waarnemer oproept. Een stad met een goede imageability nodigt de zintuigen uit voor aandacht en participatie. Er zijn geen regels voor het verkrijgen van een goed imageability, structuur of identiteit. Dit is een samenspel van de objecten en hun omgeving door onder andere harmonie, ritme en keuzes en dit is in iedere situatie verschillend. 21 22

Driek van Wissen in NOVA thema; De beuk erin; opzoek naar de lelijkste plek in Nederland , (05-08-2006) Kevin Lynch, The image of the city (1960) cases- studies in Los Angeles, Boston en Jersey City

11


Om een landschap in te kunnen delen definieerde Lynch een vijftal elementen; landmarks (symbolen), nodes (knooppunten), districts (districten), edges (grenzen) en paths (wegen). De samenwerking tussen deze vijf elementen bepaald de identiteit en structuur van het stadsbeeld. Zo stelt hij dat door de aanwezigheid van Landmarks de verbondenheid met een stad sterk wordt vergroot. Het is gunstig om deze landmarks dicht bij bekende wegen en knooppunten te situeren zodat ze gemakkelijke referentiepunten vormen in het landschap en dat ze helpen om de omgeving een eigen identiteit en structuur te geven. In de volgende paragrafen zijn twee verschillende musea en hun omgeving beschreven. Aan de hand van de theorie van Kevin Lynch is geanalyseerd welke invloeden de musea op hun omgeving hebben en welke faktoren extra bepalend zijn.

3.3.2 Het Groninger Museum De locatie die in 1990 uiteindelijk voor het Groninger Museum van architect en kunstenaar Alexandro Mendini werd gekozen was de zwaaikom in het verbindingskanaal aan de zuidkant van het centrum. Het is een historische plek, grenzend aan de statige 19e eeuwse singels met herenhuizen. Aan de andere kant bevinden zich het station en enkele grote kantoorgebouwen, gebouwd in de laatste decennia. Voor iedereen die dagelijks met de trein naar zijn werk of studie in Groningen reist, is het kakelbonte museum het eerste wat men ziet als men het station verlaat. Pas als je vanuit de stad door het museumcomplex richting het station loopt valt het contrast op dat het museum maakt met zijn omgevingen. Op dat moment wordt duidelijk dat het gebouw alle aandacht opeist en dat het de historische landhuizen en het authentieke station eigenlijk in het niet doet vallen (in figuur 1 zijn aan de rechterkant nog net de herenhuizen op de kade te zien). Het nieuwe Groninger Museum is als geheel niet zomaar een omhulsel voor kunst, het is zelf eigenlijk ook een kunstwerk. Sterker nog; in de

Figuur 1: het Groninger Museum

brochure van het museum is letterlijk te lezen dat het museum eigenlijk het meest kostbare onderdeel van de kunstcollectie is23. Een kunstwerk midden in de stad, doorkruist door openbaar terrein, waar passanten al direct geconfronteerd worden met allerlei kunstwerken. Uitgangspunt voor het nieuw te bouwen museum was dat het ontwerp een voorbeeld moest zijn van de ontwikkelingen in de kunst en architectuur van de jaren tachtig. Het noorden van Nederland, en dus ook de stad Groningen, heeft een imago probleem. Het wordt gezien als de periferie van Nederland. Er zijn verschillende projecten gaande om het noorden bij het publiek in de picture te krijgen, waaronder de campagne; ‘Er gaat niets boven Groningen’. In 2005 werd het centrum van Groningen uitgeroepen tot de beste binnenstad van Nederland. Qua architectuur heeft Groningen naast de historische binnenstad en het museum niet veel te bieden. De Martini toren, de Euroborg en het hoofdkantoor van de Nederlandse Gasunie zijn bij het publiek nog wel bekend, maar gebouwen zoals het academiegebouw en de watertoren zijn alleen bekend bij het publiek dat in Groningen woont of er regelmatig verkeert. Het Groninger Museum heeft totaal geen gebrek aan Imageability. Als er één gebouw in Nederland is dat de zintuigen aanspreekt dan is het dit museum. Door de spraakmakende architectuur van Medini staat het bouwwerk duidelijk als landmark in zijn omgeving. Het gebouw heeft een zeer sterke identiteit door zijn contrast met omliggende bouwwerken. Dit is tevens ook het zwakke punt van het complex. Door het sterk aanwezige contrast gaat de structuur in de omgeving enigzins verloren. Er is 23

Brochure “Het Groninger Museum”, het museum als kunstwerk, pag 7

12


weinig harmonie met het omliggende landschap. Sommigen zeggen zelfs dat het gebouw ‘vloekt’ met zijn omgeving. De emotionele factor speelt hierbij een hoofdrol. Het museum staat op een historische plek met veel emotionele waarde voor de stadsbewoners. Het stadsbeeld is door het gebouw 180 graden gedraaid, van historisch en autentiek naar modern en uitbundig en is nog dagelijks onderdeel van discussies. In de directe omgeving van het museum zijn alle vijf de elementen van Lynch vertegenwoordigd. Het gebouw (landmark) staat aan de rand van de binnenstad (district) en ligt aan, zoniet in, de gracht (edge). Langs de stadsgracht loopt de ringweg en de blauwe brug die dwars door het museum snijdt (paths), is vanaf het station (node) een belangrijke toegangsweg naar het centrum. Uit het onderzoek van Lynch blijkt dat wegen (paths) een zeer dominante rol spelen in het mentale beeld van de waarnemer24. Onoverzichtelijke wegen roepen een naar gevoel op. De wegen in de omgeving van het Groninger Museum zijn duidelijk aanwezig en overzichtelijk. De gangen en bruggen tussen de paviljoens zijn onderdeel van het ontwerp en geven dus een optimale verbondenheid met het gebouw. Met het oog op het doel waarvoor het museum is gerealiseerd is de huidige locatie, op basis van de theorie van Kevin Lynch, een juiste keuze geweest. Door de aanwezigheid van alle vijf elementen van Lynch is het gebouw een sterk landmark en een bepalende faktor in het stadsbeeld van het publiek. Al laten de bewoners van de stad, door het gebrek aan structuur en het grote contrast met de omgeving, zich niet allen even graag met het gebouw identificeren. Het museum is een symbool voor de stad Groningen en toeristen worden van ver aangetrokken. Het gebouw moest een architectonisch statement worden en moest helpen Groningen op de kaart zetten. Dat is zeker gelukt. Zowel de architectuur als de locatie heeft hier een steentje aan bijgedragen.

3.3.3 Het Guggenheim Museum Bilbao Bilbao is begonnen aan een inhaalslag om internationale bekendheid te vergaren. Overal in de stad schieten architectonische hoogstandjes uit de grond met het spectaculaire ontwerp van Frank O. Gehry van het baskische filiaal van Guggenheim Museum voorop. Al deze landmarks zijn ontworpen door een architect met een indrukwekkend cv. Zo wordt geprobeerd om in Bilbao, een stad met een slecht imago door de drukke haven en de aanwezigheid van de ETA, de suggestie te wekken van een modern en een levendige omgeving om zo tot een toeristische trekpleister uit te groeien. Bilbao toont veel overeenkomsten met Groningen. Het Baskenland is net als het noorden van Nederland een uithoek dat te ver van het kerngebied ligt om aantrekkelijk te zijn voor toeristen en ondernemers. En net als Groningen probeert Bilbao met prestigieuze architectuur de ogen in de wereld op zich te vestigen. You will arrive to the beautiful airport designed by Santiago Calatrava. You will admirate the incredible Guggenheim Museum of Frank O. Ghery. Take the futurist metropolitain designed by Sir Norman Foster. Go shoppinng in a mall designed by Robert Stern. Take photos of the Basque Foral Tower designed by Cesar Pelli. Go for a walk near the river and watch the residential center designed by Arata Isozaki. Sleep in a Sheraton Hotel designed by Ricardo Legorreta 25.

24 25

Kevin Lynch, The image of the city (1960) pag. 49 Architectuur forum: www.designcommunity.com (2003)

13


Figuur 2: Guggenheim Museum te Bilbao

Bilbao vond alleen een museum echter niet voldoende. Het Guggenheim is onderdeel van een groot ontwikkelingsplan met veel nieuwe gebouwen en een sterk verbeterde infrastructuur. De bouwactiviteiten concentreren zich vooral langs de oever van de rivier de Nervion. Hier ligt een vrij smalle strook land dat wordt begrensd door drukke autowegen, een rangeerterrein en verschillende opslagplaatsen voor de haven. Op het eerste gezicht geen aantrekkelijk gebied. Het verhaal gaat dat architect Frank O. Gehry de plaats voor zijn Guggenheim Museum zelf heeft uitgezocht. De lelijkste uithoek van het oevergebied, waar een hoge brug, een spoorlijn en een oude autoweg elkaar kruisen26. Geen gemeentebestuur zou er over denken daar een landmark neer te zetten van deze allure, maar Gehry zag de mogelijkheden van dit gebied. Door de locatie ontstaat net als bij het Groninger Museum, een maximaal contrast met de omgeving. Het verschil hier is echter dat in Groningen de historische grachtengordel wordt overschaduwd en in Bilbao een lelijk havengebied waardoor de stad alleen maar opbloeidt. Het 19e eeuwse Bilbao is een geplande stad, gebaseerd op een rasterstructuur dat hoekig is ingepast in de bochten van de Nervion rivier. De straten zijn veelal smal en lang en worden omsloten door hoge hoekige bouwblokken. Ook dit is een zeer groot contrast met de organische vormen van het museum zoals te zien is in figuur 3. Net als het Groninger Museum is het Guggenheim ook kunstwerk opzich, maar het gebouw zelf is niet de enige succesfaktor van het museum. Ook de indrukwekkende collectie, dat rouleert onder de andere filialen van de Guggenheim foundation (New York, Las Vegas, Venetië, Berlijn en Bonn), met werken van onder ander Salvador Dali, René Magritte en Andy Warhol, is een reden waarom toeristen van over de hele wereld naar Bilbao komen. Ook in de directe omgeving het Guggenheim Museum zijn de elementen van Lynch vertegenwoordigd. Net als in Groningen ligt dit museum aan de rand van het water (edge) op een eigen strook havengebied (district). De brug, snelweg en spoorlijn die al in het gebied aanwezig waren zijn ge ïntegreerd in het ontwerp. (edges, paths en Figuur 3: Guggenheim Museum vanuit nodes) de dominante La Salve- brug is door het gebouw de stad omkapseld en ‘onschadelijk’ gemaakt door er een grote exposieruimte onder te situeren en er aan de andere kan een toren in de vorm van een uitroepteken (zie figuur 2). In het zelfde gebied langs de oever van de rivier zijn hotels, een congres- en muziekcentrum, kantoren en een jaarbeurs in 26

Paul Schnabel, symposium: Museumarchitectuur als spiegel van de samenleving (1998)

14


aanbouw. Ieder met zijn eigen identiteit en architectuur (landmarks). Lynch benadrukt dat een landmark niet op zichzelf staat, maar wordt al dan niet versterkt door zijn omgeving. De aanwezigheid van andere landmarks, zoals het geval is bij het dit Museum, is positief voor het stadsbeeld. De stad zelf heeft een slechte imageability. De stad is redelijk sfeerloos door onder andere de vieze rivier en de sobere en eentonige bebouwing, maar door de nieuwe architectuur met dit museum voorop, is deze sterk verbeterd. Het museum heeft een zeer sterke eigen identiteit. Een uniek gebouw dat iedereen kent van de plaatjes in de literatuur. Zelfs in de James Bond flim, The world is not enough, uit 1999 is het Guggenheim te bewonderen in het openingsshot. In tegenstelling tot het Groninger Museum past het Guggenheim wel in de structuur van de omgeving. Vooral door de omliggende nieuwe architectuur en door het feit dat de architect de aanwezige elementen nadrukkelijk heeft ge ï ntegreerd in het ontwerp. Er is een duidelijke ruimtelijke relatie met de omgeving waardoor een goede harmonie ontstaat.

3.3.4 Resumé In de ambitie om een museum als middel in te zetten voor het ophemelen van een stadshart of als toeristische magneet, streven lokale overheden naar een prominente locatie voor het museumgebouw. Dit zijn in de praktijk locaties die vaak gelegen zijn in de centra van steden, nabij belangrijke pleinen of voetgangersgebieden27. Kevin Lynch beschrijft in zijn boek het belang van de aanwezigheid en intergratie van deze elementen bij landmarks 28. Zowel het Groninger museum als het Guggenheim Museum te Bilbao voeldoen aan deze criteria. Hiermee claimt het gebouw een significante plaats in het stadsbeeld van het publiek wat de verbondenheid met de stad vergroot en veelal positieve gevoelens oproept. Rond de locatiekeuzes van nieuw te bouwen musea ontstaan nagenoeg altijd discussies die door lokale media nauwgezet gepubliceerd worden. Smaken verschillen en er zullen altijd voor- en tegenstanders zijn van de toekomstige architectonische hoogstandjes. É én ding is zeker. Men kan altijd rekenen op veel publiciteit wat de stad veelal ten goede komt.

27 28

Cornelis van de Ven, Museumarchitectuur (1989, pag. 41) Kevin Lynch, The image of the city (1960)

15


Conclusie In dit hoofdstuk zal antwoord worden gegeven op de eerder in het verlag geformuleerde onderzoeksvragen. Eerst zullen de belangrijkste conclusies puntsgewijs worden weergeven waarna aan de hand van de deelvragen een antwoord zal worden geformuleerd op de centrale onderzoeksvraag.

4.1

Conclusies puntsgewijs • • • •

• •

• •

4.2

Het aantal museum bezoeken is in de jaren tachtig sterk gestegen. Vanaf de jaren negentig zijn de bezoekersaantallen in Nederland redelijk stabiel en schommelen zo rond de 20 miljoen bezoekers per jaar. De hoger opgeleiden (Hbo-opleiding of hoger) en mensen met een leeftijd van vijftig jaar en ouder zijn sterk oververtegenwoordigd in de Nederlandse musea. Het museumbezoek concentreert zich steeds meer op de grote musea in de grote steden en in de randstad. De 38 grootste musea van Nederland trekken de helft van het totale bezoekersaantal. In de hedendaagse samenleving dient het museum meer zintuigen aan te spreken dan alleen de ogen. De faktor beleving wordt steeds belangrijker en verdient aandacht. Het creëren van architectonisch hoogstaande bouwwerken in een bijzondere omgeving is hiervoor een goed middel, maar uit de visie van Joseph Pine en Julian Spalding blijkt dat ook de inhoud van musea hierop afgestemd dient te worden. Musea leent zich uitstekend als marketinginstrument voor een stad en ontwikkelen zich steeds meer als entertainment-instellingen met meerdere (commeciële) functies zoals restaurants en winkelcentra. Musea hebben niet meer alleen de functie van het tentoonstellen van cultuur, maar ook als culturele trekpleister. Hierdoor krijgt ook de museumlocatie een belangrijkere plaats in de stad zelf. Musea worden steeds vaker gesitueerd in het centrum nabij grote voetgangersstromen in de stadskern. Uit de theorie van Richard Florida blijkt dat de aanwezigheid van goede culturele voorzieningen in de stad een zeer belangrijke faktor is voor het ontwikkelen van een sterke economie. Ondernemers laten deze voorzieningen meewegen bij hun vestigingsplaatskeuze. Hieruit blijkt het belang van de inhoud van musea naast de architectuur wat als uithangbord fungeert. Uit de casestudies van zowel het Groninger Museum als het Guggenheim Museum te Bilbao aan de hand van de theorie van Kevin Lynch, blijkt dat deze musea landmarks zijn in hun stad en sterke invloed hebben op het mentale stadsbeeld van het publiek. Uit de casestudies blijkt ook het belang van een goede harmonie tussen het bouwwerk, de locatie en de omgeving. In het geval van het Guggenheim Museum is dit beter gelukt dat bij het Groninger Museum. Toch slagen beide musea in hun doel; het verbeteren van het stadsbeeld en het stimuleren van de lokale economie door het trekken van toeristen en ondernemers.

Conclusies deelvragen

Wat zijn de algemene trends op het gebied van museumbezoek in Nederland? In hoofdstuk 2 is beschreven dat de bezoekersaantallen in de jaren tachtig sterk zijn gestegen waarna ze vanaf de jaren negentig redelijk stabiel blijven. De bezoekersaantallen in Nederland schommelen rond de twintig miljoen per jaar en concentreren zich steeds meer op de grote musea in grote steden en in de randstad. Hoger-opgeleiden en personen van vijftig jaar en ouder domineren dit publiek. Het imago van musea laat nog te wensen over. Hier ligt volgens Joseph Pine een kans; door te accepteren dat we in een beleveniseconomie leven moet de belevenis in het museum worden verhoogd. Dit zal ten koste gaan van oude museumfunctie van alleen tentoonstellingruimte. Meerdere

16


zintuigen dienen aangesproken te worden. Willen musea kunnen concurreren met andere voorzieningen om de vrijetijd van het publiek, dan zal het museum meer de functie van entertainmentpark krijgen.

17


Er verschijnen steeds meer ‘prestigieuze gebouwen’ als huisvesting van musea: hebben deze gebouwen een nieuw denkbeeld opgeleverd voor de stad met betrekking tot de functie en rol van het museum? Het denkbeeld over de rol en functie van musea is duidelijk verschoven. Voor de stad heeft het museum niet meer alleen de rol van verzamelen en tentoonstellen van kunstobjecten en het overbrengen van cultuur. Het gebouw wordt steeds meer de primaire attractie. De primaire functies van het museum lijden hieronder en commerciële activiteiten als restaurants en winkels winnen in terrein. Het museum wordt gebruikt als middel om steden op de kaart te zetten en om economische groei veilig te stellen. In eerste instantie door hoogwaardige architectuur en internationale faam. De nadruk verschuift van de binnen- naar de buitenkant. Uit de studie van Richard Florida blijkt echter ook het belang van de inhoud van het museum voor de stedelijke welvaart. Steeds meer ondernemers uit de creatieve klasse laten het aanbod van kunst en cultuur meewegen in hun vestigingsplaatskeuze. Dit laatste pleit voor de authentieke functie van het museum en verdient aandacht. In hoeverre weerspiegeld het steeds meer prestigieuze uiterlijk van museumgebouwen nog

zijn

traditionele

functie

als

verzamelplaats

en

expositieruimte

voor

kunstvoorwerpen voor het publiek? Voor het publiek is de functie van musea toch veelal hetzelfde gebleven; het bezichtigen van kunstobjecten. Wat wel is veranderd is dat het pand zelf in sommige gevallen ook als kunstobject wordt beschouwd. Of dit gunstig is of niet is maar de vraag. In de brochure van het Groninger Museum is letterlijk te lezen: “Het gebouw is eigenlijk het meest kostbare onderdeel van de kunstcollectie van het Groninger Museum.” Waarom zou je nog naar binnen gaan als je het beste stuk al hebt gezien? Aan de andere kant wordt door de architectuur een groot publiek aangetrokken, wat voor zowel het museum als voor de stad een succesfaktor is. Er moet een beroep worden gedaan op de natuurlijke nieuwsgierigheid van de mens; wat bevind zich in een dergelijk spectaculair gebouw? De kunst is om de synergie tussen het gebouw en de collectie te optimaliseren. Het gebouw moet aansluiten op de collectie en deze niet overschaduwen, wat in veel gevallen van deze spectaculaire ontwerpen wel het geval is (onder andere het Groninger Museum en het wetenschapmuseum ‘Principe Felipe’ 29 te Valencia). De musea staat wel vermeld in alle reisgidsen en de toeristen komen er massaal op af, maar zijn zo verbijsterd door het gebouw dat men vergeet naar binnen te gaan of teleurgesteld naar buiten komt. Het Guggenheim Museum in Bilbao heeft naast een adembenemend gebouw ook een geweldige collectie waardoor het succes sterk toeneemt. Zowel het publiek als de stad heeft hier baat bij. Ligt een spraakmakende collectie niet binnen de mogelijkheden, dan is het wellicht verstandig om ook het gebouw minder uitbundig te profileren voor een betere harmonie. Welke invloed heeft de ontwikkeling van musea op zijn locatie in een stad of regio? De locatie van musea krijgt een steeds belangrijkere rol toebedeeld. Museumgebouwen staan niet meer op zich maar worden sterker betrokken in het stadsbeeld om het imago van de stad te verbeteren. Musea worden bij voorkeur gesitueerd nabij stadscentra. Vaak bij winkels en drukke voetgangersstromen. Er wordt gestreefd om musea en zijn directe omgeving te betrekken bij het stadsleven. Steeds vaker verschijnen in de directe omgeving van musea ook parken en pleinen. Een goed voorbeeld is het Groninger Museum waar de brug die door het complex snijdt een belangrijke toegangsweg is geworden van het station naar de binnenstad. Kevin Lynch benadrukt het belang om de omgeving bij landmarks te betrekken. Het helpt de structuur en identiteit van het stadsbeeld te vergroten zodat het publiek zich meer verbonden voelt met de omgeving. Uit de casestudies van het Groninger Museum en het Guggenheim Museum te Bilbao blijkt ook het belang hiervan. Hiernaast is het contrast dat het gebouw met de omgeving maakt ook zeer belangrijk voor de identiteit en structuur van het stadsbeeld. In Bilbao is dit beter gelukt dan in het Groningen. De grootste reden is de historie en emotionele waarde die aan de locatie van het Groninger Museum verbonden is, waar de locatie van het Guggenheim door het gebouw juist een emotionele waarde heeft gekregen waar het eerder aan ontbrak. 29

Wetenschapsmuseum ‘Principe Felipe’ is een onderdeel van La Ciudad de las Artes y las Cientas te Valencia. Een kunst, wetenschap en cultuurpark in aanbouw (eind 2007 voltooid). In de Stentor (Zwols dagblad) van 26-05-2007 wordt in een pagina groot artikel de architectuur van het museumpark beschreven, maar over de inhoud en collectie wordt geen woord gerept.

18


4.3

Conclusie centrale onderzoeksvraag

Heeft de situering en vormgeving van het museumgebouw invloed op het succes of falen van musea als functie? Uit de antwoorden op de onderzoeksvragen blijkt duidelijk dat de situering en vormgeving een zeer grote invloed hebben op het succes of falen van musea. Door opvallende vormgeving van gebouw en landschap wordt geprobeerd een nieuwe dimensie aan stadscentra toe te voegen. Nieuwe trekpleisters in het cultuurtoerisme die gevoelens van trots opwekken bij de lokale gemeenschap. Waar eerder de trend ontwikkelde om meer aandacht te besteden aan het uiterlijk van het gebouw dan aan het innerlijk, ontstaat het besef dat alleen een spraakmakend gebouw nog geen goed museum maakt. Natuurlijk is aandacht in kranten en brochures belangrijk voor een stad, maar op de lange termijn is het belangrijker om mensen uit de zogenaamde ‘creatieve klasse’ aan de stad te verbinden om zo economische groei veilig te stellen. Nu men zich eens te meer realiseerd hoe belangrijk het aanbod van kunst en cultuur voor een stad is, krijgt de huisvesting alle aandacht en wordt ook de museumlocatie en omgeving nadrukkelijk in het ontwerpproces betrokken. Lokale overheden streven ernaar om musea sterker onderdeel uit te laten maken van het stadsbeeld door musea in stadscentra te situeren en te laten integreren met de functies in de omgeving. Steeds meer musea slagen hierin.

19


Epiloog De meest actuele Nederlandse museale discussie is die met betrekking tot de toekomstige vestigingsplaats van het Nationaal Historisch museum. Een waar gevecht is gaande over wie huisvesting aan het museum mag bieden. Zowel Almere, Baarn, Amsterdam, Den Haag, Nijmegen, Arnhem, Breda en Utrecht zien het belang van de komst van het Nederlands kunstcentrum in hun stad. Koningin Beatrix noemde de komst van het museum al in de Troonrede van 2006. Het kabinet wees toen Den Haag aan als mogelijke locatie voor het geschiedenismuseum. Eerder waren er geruchten dat het geschiedenismuseum zou worden ondergebracht in Paleis Soestdijk, maar steeds meer steden profileren zichzelf als de ideale vestigingsplaats voor dit nationale paradepaardje 30. Zo kwam onlangs Almere met een zeer ambitieus ontwerp van architect René van Zuuk (figuur 4) en Den Haag heeft het plan om het museum te bouwen in de vorm van een gigantische leeuw. De definitieve locatie van het museum is nog niet bekend. Eind april van dit jaar nodigde minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen, Ronald Plasterk, Arnhem, Amsterdam en Den Haag officieel uit een voorstel te doen voor de huisvesting van het Nationaal Historisch Museum. De minister wil graag dat het nieuwe culturele rijksgebouw aansluit bij bestaande instellingen en activiteiten die de geschiedenis van Nederland vertellen31. De CDA-fractie diende eind mei van dit jaar een motie in waarin de gemeenteraad uitspreekt dat Den Haag de meest geschikte vestigingsplaats is voor het museum. Fractievoorzitter Michel Santbergen noemt Den Haag: 'het symbool voor bestuur en democratie'. Figuur 4: plan voor NHM te Almere Uit deze discussie blijkt dat het ‘gevecht’ om musea en de bijbehorende aandacht en succes nog lang niet ten einde is en dat de visies op dit onderwerp zich blijven ontwikkelen. Het belang van een prominente locatie en een aandachttrekkend ontwerp staat echter als een paal boven water.

Bram Boterman

30 31

www.bouwwereld.nl: welke stad krijgt het nationaal museum (25-05-2007) www.nationaalmuseum.nl

20


Literatuurlijst Literatuur: Davids, Wouter: Bouwen voor de kunst, Museumarchitectuur van Centre Pompidu tot Tate Modern Gent, A&S/books (2006) Lynch, Kevin: The image of the City Massachusettes, Harvard College (1960) Vaessen, J., Gubbels, T. en Willinge, M.: Museumarchitectuur, als spiegel van de samenleving Abcoude, Unipers (2000) Van der Ven, Cornelis: Museumarchitectuur Rotterdam, Uitgeverij 010 (1989) Jansen, Ingrid: Handreiking museumbeleid voor gemeenten Bunnink, Libertas (2004) Glancey, Jonathan: De architectuur van de 20ste eeuw Bussum, THOTH uitgeverij (2000) Cerver, F. A.: Hedendaagse architectuur Keulen, Kรถnneman Verstagsgesellschaft NTS/NIPO en Letty Ranshuysen: MuseumMonitor 2005 Rotterdam, Letty Ranshuysen (2005) Peters, K.: Een zoektocht naar integrale stedelijke kwaliteit Den Haag, Kennis centrum Grote Steden (2005) van Mensch, P.: Musea van de toekomst: beleving met of zonder voorwerpen? Antwerpen, Rubenianum (2004) LAgroup Leisure & Arts Consulting: Wat cultuur verdient Amsterdam, Kamer van Koophandel (2005) Kranten: NRC Handelsblad: Netjes binnen de lijntjes, Nieuw museum Mudam opent in Luxemburg (05-08-2006) NRC Handelsblad, Omstreden uitbouw Prado gereed (21-04-2007) De Stentor: Extreme verbazing in Valencia (26-05-2007) Websites (o.a.): www.cultuur.nl www.cbs.nl www.minocw.nl/cultuurbeleid/index.htm (ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap) www.hollandmuseums.nl www.museum.nl www.museumvereniging.nl www.creativeclass.org www.washingtonmonthly.com/features/2001/0205.florida www.wikkipedia.com www.guggenheim-bilbao.es/ingles/home www.greatbuildings.com

21


www.architectuur.alfazet.nl www.classic.archined.nl www.groningen.nl www.museumeducatie.nl www.krantenbank.nl www.bouwwereld.nl www.nationaalmuseum.nl Overige bronnen: Nederlandse museum verening. Cultuurnota 2005 – 2008 (ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap) Brochure Groninger Museum Nota: voortgang het nieuwe Rijksmuseum, door Maria van der hoeve (31-01-2007) Bezoek aan toeristische attracties ontwikkelingen in 2001-2004, Nederlands Bureau voor Toerisme & Congressen

22

Museaal vastgoed  

bachler scriptie Museaal vastgoed