{' '} {' '}
Limited time offer
SAVE % on your upgrade.

Page 1

Bestaansminimum en bankbeslag Bescherming van de schuldenaar bestendigd Met een woord vooraf door prof. mr. L. Timmerman, advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

mr. M.I. Cazemier & mr. O.M. Jans (red.)


Gerechtsdeurwaarders rekenen het tot hun verantwoordelijkheid een bijdrage te leveren aan het goed functioneren van de rechtsstaat. Vanuit hun ambtelijke taak en het dagelijkse contact met de praktijk constateren zij vaak als eerste de complicaties van geldende wet- en regelgeving op het gebied van betekening en tenuitvoerlegging. In 2011 verscheen het eerste preadvies over openbare exploten en ambtelijke publicaties. Kort volgend op dit eerste preadvies heeft de beroepsgroep in een aantal opvolgende adviezen actief werk gemaakt van de positie van de schuldenaar en de beslagverboden. In 2012 verscheen een preadvies over de herziening van het beslagverbod roerende zaken, gevolgd door een preadvies over het vereenvoudigen van de beslagvrije voetregeling in 2014. Al deze preadviezen hebben bij de wetgever gehoor gevonden. In het laatste preadvies werd reeds in ogenschouw genomen dat het feit dat de beslagvrije voet onmiddellijk weer voor beslag vatbaar is zodra het bedrag op de bankrekening is gestort, onwenselijke gevolgen heeft voor de handhaving van het bestaansminimum. In haar advies bij de totstandkoming van de op het KBvG-preadvies uit 2014 gebaseerde Wet vereenvoudiging beslagvrije voet constateerde de Raad van State dat, gelet op het doel en strekking van de beslagvrije voet, maatregelen noodzakelijk zijn. Het onderhavige preadvies kan de wetgever daarbij – wederom – tot inspiratie dienen. De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) is een openbaar lichaam in de zin van artikel 134 van de Grondwet, waarbij alle leden van de beroepsgroep verplicht zijn aangesloten. De KBvG heeft tot taak de bevordering van een goede beroepsuitoefening en vakbekwaamheid van haar leden.

ISBN 978-94-6290-521-4

9 789462 905214


Bestaansminimum en bankbeslag Bescherming van de schuldenaar bestendigd


Bestaansminimum en bankbeslag Bescherming van de schuldenaar bestendigd

mr. J.J.L. Boudewijn mr. dr. L.P. Broekveldt mr. M.I. Cazemier W.W.M. van de Donk mr. J. Feikema mr. O.M. Jans prof. mr. A.W. Jongbloed mr. H.T. Nieuwhof A.C.C.M. Uitdehaag

Met een woord vooraf door prof. mr. L. Timmerman, advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

Boom juridisch Den Haag 2018


œ

“Gerechtigheid heerst wanneer iedereen doet wat hij kan en krijgt wat hem toekomt.” Plato (ca. 427-347 v.C.) œ


Omslagontwerp en opmaak binnenwerk: Textcetera, Den Haag © 2018 Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders | Boom juridisch Behoudens de in of krachtens de Auteurswet gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16h Auteurswet dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp, www.reprorecht.nl). Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (art. 16 Auteurswet) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.stichting-pro.nl). No part of this book may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means without written permission from the publisher. ISBN 978-94-6290-521-4 ISBN 978-94-6274-896-5 (e-book) NUR 822 www.boomjuridisch.nl


Een woord van dank Voor u ligt het preadvies van de KBvG inzake de toepassing van een beslagvrij bedrag bij bankbeslagen. Zelden is naar een preadvies zo uitgekeken, door zowel politiek als ketenpartners, en de lat is hoog gelegd. Zelden ook was een onderwerp van een preadvies zo complex. Het onderwerp is binnen de KBvG veel en uitgebreid bediscussieerd, waarbij uitgangspunt niet de vraag was of, maar veeleer hoe de beslagvrije voet op een bankbeslag van toepassing dient te worden verklaard. Het fenomeen bleek een veelkoppig monster. Waar een oplossing voor een deelknelpunt werd geformuleerd, bleek dat vaak ongewenste gevolgen te hebben voor een ander knelpunt. Daarbij mag worden opgemerkt dat de welluidende wetstitel ‘Vereenvoudiging van de beslagvrije voet’ welhaast een contradictio in terminis is gebleken. Het heeft de totstandkoming van dit preadvies gelukkig niet onmogelijk gemaakt, hooguit iets vertraagd. Het doet mij daarbij ook deugd dat binnen het preadvies ruimte is gevonden ook expliciet aandacht te besteden aan de positie van de zzp’er, zoals wij aan de staatssecretaris al eerder hadden toegezegd. Evenzeer doet het mij deugd dat de KBvG met dit preadvies invulling heeft kunnen geven aan een deel van haar Meerjarenbeleidsplan. Aanbeveling 2.4.1 uit het Meerjarenbeleidsplan Ik zal handhaven 1 luidt: “Moderniseer het executie- en beslagrecht.” Met dit preadvies wordt op dit onderwerp uitvoering gegeven aan deze opdracht. Op deze plaats past het mij de volgende mensen en instanties uitdrukkelijk dank te zeggen voor hun waardevolle input en intellectuele ondersteuning: Geert Wind, Jeroen Rijsdijk, Leendert Saarloos, John Wisseborn, Erik Rutten, Françoise Vermunt, Nicoline Tijssen en Jennita Struikmans-Hofman. Daarnaast zeg ik graag bijzondere dank aan de gerechtsdeurwaarders die bereid waren de enquête over de toepassing van de beslagvrije voet bij een bankbeslag in te vullen. Voor de internationale rechtsvergelijking is de inbreng van collega-organisaties en andere respondenten uit de ons omringende landen onontbeerlijk geweest. Ik zeg speciaal dank aan: de Deutscher Gerichtsvollzieher Bund, de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België en Sam-TES – Juridisch maatschappelijk kenniscentrum voor gerechtsdeurwaarders vzw, Chambre des Huissiers de Justice du Grand-Duché de Luxembourg, Guillaume Payan – Legal expert UIHJ (Frankrijk), Lodewijk van Setten – Visiting Professor of Financial Law at the Dickson Poon School of Law at King’s College London (Engeland enWales), The Society of Messengers at Arms and Sheriff Officers (Schotland), de Domstolsstyrelsen (Denemarken), Politietsfellesforbund (Noorwegen), Suomen Kihlakunnanvoudit r.y. (Finland), Kronofogdemyndigheten (Zweden), Kohtutäiturite ja Pankrotihaldurite Koda (Estland), de Council of Latvian Judicial Officers, de Bailiffs’ Chamber of Lithuania, de Câmara dos 1

KBvG, Ik zal handhaven. Meerjarenbeleidsplan van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders 20162020, 2016, p. 24.

7


Bestaansminimum en bankbeslag

Solicitadores (Portugal), de Consejo General de Procuradores de EspaĂąa, de Bulgarian Chamber of Private Enforcement Agents, de Kosovo Chamber of Private Enforcement Agents, de Serbian Chamber of Judicial Officers, de Chamber of Judicial Officers of the Czech Republic en de Slovak Chamber of the Judicial officers. Een bijzonder woord van dank gaat uit naar de medewerkers van het Bureau van de KBvG voor het extra werk dat het uitbrengen van een preadvies met zich meebrengt: Karen Weisfelt, Lianne Kunst, Anieta Baidjoe-Ramlal en StĂŠphanie van Koningsbrugge. W.W.M. van de Donk, bestuursvoorzitter KBvG

8


Onderzoeksopzet en plan van behandeling Het voorliggende preadvies is opgezet met twee doelen. Het eerste doel is het verkrijgen van inzicht in de bestaande grondslagen en belemmeringen bij het toepassen van een beslagbeperking ter bescherming van het bestaansminimum van de schuldenaar bij het leggen van een derdenbeslag op vorderingen tot niet-periodieke betalingen. Het tweede doel is het uitvoeren van een wetenschappelijke verkenning naar de wijze waarop een hiertoe strekkende regeling kan worden vormgegeven, uitmondend in een aanbeveling en wetsvoorstel met memorie van toelichting aan de minister voor Rechtsbescherming en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In dit preadvies is ten behoeve van voornoemde doeleinden de volgende hoofdvraag geformuleerd: op welke wijze moet de regeling worden vormgegeven om ook bij een beslag op de bankrekening een bedrag vrij te laten ten behoeve van de bestaanszekerheid van de schuldenaar, waarbij eveneens recht wordt gedaan aan het gerechtvaardigd belang van de schuldeiser om diens vordering verhaald te krijgen? Teneinde deze hoofdvraag te kunnen beantwoorden, zal eerst een antwoord moeten worden geformuleerd op de onderstaande deelvragen: 1. Hoe verhouden zich de generieke derdenbeslagrechtelijke kaders zich tot het bankbeslag en een daarbij aan te houden beslagvrij bedrag ter bescherming van de bestaanszekerheid van de schuldenaar? 2. Op welke wijze en binnen welke maatschappelijke context heeft de bescherming van het bestaansminimum van schuldenaren zich in de loop van de afgelopen decennia ontwikkeld, en hoe verhouden de reeds bestaande beschermingsmechanismen zich tot het beslag op de bankrekening? 3. Wat zijn de belangrijkste overige beslagbeperkingen op de hoofdregel van artikel 3:276 BW en artikel 435 lid 1 Rv en hoe verhouden deze zich tot een eventueel beslagvrij bedrag bij een derdenbeslag onder de bank? 4. Op welke wijze voorziet de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet in de bescherming van het bestaansminimum en hoe zal de daar gehanteerde berekeningswijze van invloed moeten zijn op de berekening van de hoogte van de beslagvrije voet bij een bankbeslag? 5. Hoe wordt het executoriaal bankbeslag in de praktijk toegepast en welke knelpunten ondervindt de beroepsgroep daarbij, en bij het toepassen van een beslagvrije voet in het bijzonder? 6. Welke criteria zijn in de (tucht)rechtspraak ontwikkeld ten aanzien van een buiten het bankbeslag te laten bedrag, hoe verhouden deze criteria zich tot de ministerieplicht en wat betekent dat voor de bestaanszekerheid van de schuldenaar bij een bankbeslag? 7. Hoe verloopt de informatievoorziening ten aanzien van bankrekeninginformatie aan de gerechtsdeurwaarder en welke rol speelt deze informatie bij het leggen van beslag onder de bank? 8. Welke Europese ontwikkelingen spelen rond het beslag op de bankrekening en de verstrekking van informatie omtrent banktegoeden en wat betekenen die ontwikkelingen voor de nationale regeling?

9


Bestaansminimum en bankbeslag

9. Hoe steekt het bankbeslag in andere Europese landen in elkaar en welke beslagbeperkingen ter bescherming van de bestaanszekerheid van schuldenaren kennen deze landen daarbij? 10. Op welke wijze dient een regeling ter bescherming van het bestaansminimum van de schuldenaar bij een bankbeslag te worden vormgegeven? De opzet van het onderzoek is als volgt: elk van de hoofdstukken belicht het bankbeslag vanuit een specifieke invalshoek, en besteedt daarbij bijzondere aandacht aan de wijze waarop daarbij een bedrag zou kunnen worden vrijgelaten ten behoeve van het bestaansminimum van de schuldenaar. Ieder hoofdstuk begint met een inleiding waarin een of meer deelvragen worden benoemd, waarop wordt gereflecteerd in de deelconclusie waarmee elk hoofdstuk eindigt. De auteurs van de diverse hoofdstukken zijn werkzaam binnen de deurwaarderij, de magistratuur, de advocatuur, de academische wereld alsmede (internationale) beroepsorganisaties en toezichthoudende organen. Het bronnenmateriaal dat bij dit onderzoek is gebruikt, bestaat onder meer uit wetgeving, jurisprudentie, literatuur, de uitkomsten van een enquête onder de beroepsgroep en vragenlijsten die zijn beantwoord door medewerkers van beroepsorganisaties voor gerechtsdeurwaarders in diverse Europese lidstaten. De opbouw van dit preadvies ziet er als volgt uit. In hoofdstuk 1 worden eerst de algemene kaders van het derdenbeslagrecht geschetst, waarbij diverse leerstukken worden uitgelicht die specifiek van belang zijn bij een bankbeslag en een daarbij beslagvrij te laten bedrag. Hoofdstuk 2 behandelt het bankbeslag vanuit twee gezichtspunten: enerzijds het perspectief van bescherming van het bestaansminimum van de schuldenaar, en anderzijds het daarmee samenhangende perspectief van beslagbeperking voor de schuldeiser. In dit kader zullen eveneens de overige wettelijke beperkingen aan het derdenbeslag worden besproken, waaronder de nieuwe Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 benoemd wat, naar de actuele stand van het recht, de knelpunten zijn bij het leggen van bankbeslag en het vrijlaten van een beslagvrij bedrag daarbij. In aansluiting daarop wordt besproken wat de factoren zijn die maken dat ook in de (tucht)rechtspraak een beslagvrije voet bij een bankbeslag niet eenduidig van toepassing wordt geacht. Hoofdstuk 4 omschrijft het belang van verhaalsinformatie omtrent banktegoeden voor het op de juiste en proportionele wijze kunnen vaststellen van het voor beslag vatbare saldo, alsmede de rol die deze informatie kan spelen bij het voorkomen van onnodige kosten voor de schuldenaar. Enkele Europese ontwikkelingen die in dit kader een rol spelen, worden aansluitend besproken. Hoofdstuk 5 behelst een rechtsvergelijkend onderzoek waarin de regeling van het bankbeslag en daarbij geldende beslagbeperkingen in twintig andere Europese landen worden besproken en op welke wijze daaruit inspiratie kan worden geput voor een nog vorm te geven Nederlandse regeling. Hoofdstuk 6 ten slotte bevat een voorstel aan de minister voor Rechtsbescherming en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor een wettelijke regeling waarbij een beslagvrij bedrag wordt vrijgehouden bij het leggen van een beslag onder de bank. Hoofdstuk 7 tot slot bevat een samenvatting van de voorgaande hoofdstukken en een beantwoording van de hierboven geformuleerde hoofdvraag.

10


Inhoud Lijst van afkortingen Woord vooraf

|

|

17

21

Hoofdstuk 1 1.1

1.2

1.3

1.4

Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet | 25 Inleiding | 25 1.1.1 Derdenbeslagrecht: het ruimere kader van de (komende) nieuwe wetgeving en het bankbeslag | 25 1.1.2 Globaal overzicht van bepalingen met een beslagvrije voet | 26 1.1.3 Bankbeslag en een beslagvrij te houden bedrag: een lastig en onopgelost probleem | 27 Enkele kernpunten van het derdenbeslagrecht | 28 1.2.1 Derdenbeslag uitsluitend als verhaalsbeslag | 28 1.2.2 De voor derdenbeslag vatbare goederen (art. 3:1 BW) | 29 1.2.2.1 Opzet en beperking | 29 1.2.2.2 Beslag op bestaande en toekomstige geldvorderingen | 30 1.2.3 Beslagvrije voet en loonvordering | 35 Nog enkele andere kenmerkende aspecten van het (derden)beslag | 36 1.3.1 Twee rechtsverhoudingen en drie beginselen van derdenbeslagrecht | 36 1.3.1.1 Inleiding en opzet | 36 1.3.1.2 De nemo plus-regel of regel van gebondenheid | 37 1.3.1.3 De non peius-regel | 38 1.3.1.4 Het congruentiebeginsel | 40 1.3.2 Kort intermezzo: drie beginselen van derdenbeslag en de beslagvrije voet | 42 1.3.3 Blokkerende werking van het (derden)beslag | 43 1.3.3.1 Inleidende opmerkingen | 43 1.3.3.2 Rechtskarakter en functie blokkeringsregel | 44 1.3.3.3 De Hoge Raad kiest zonder enig voorbehoud voor zaaksgevolg | 44 1.3.4 Eis in de hoofdzaak, verklaringsplicht, 477a-procedures en bewijslast | 47 1.3.4.1 Inleiding: beperkte reikwijdte bankbeslag | 47 1.3.4.2 Wezen en kern van de eis in de hoofdzaak | 48 1.3.4.3 De verklaringsplicht | 50 1.3.4.4 De drie procedures van artikel 477a Rv | 53 1.3.4.5 Slotbeschouwing: een lastige bewijslast | 56 Enkele bijzondere rechtsfiguren bij derdenbeslag en beslagvrije voet | 58 1.4.1 Inleidende opmerkingen | 58 1.4.2 Derdenbeslag, opschortingsrechten en beslagvrije voet | 58 1.4.2.1 Algemene inleiding | 58 1.4.2.2 Toespitsing op de beslagvrije voet | 60

11


Bestaansminimum en bankbeslag

1.4.3 1.4.4

1.5

Derdenbeslag, verrekening en beslagvrije voet | 61 Beslagvrije voet in andere wetten en ook bij bankbeslag (?) | 65 1.4.4.1 Beslagvrije voet in enkele andere wetten | 65 1.4.4.2 Beslagvrije voet óók bij een ‘gewoon’ bankbeslag? | 66 Slotoverpeinzingen | 75

Hoofdstuk 2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context | 77 2.1 Inleiding | 77 2.2 Bestaansminimum en maatschappelijke context in de 21e eeuw | 78 2.2.1 Inleiding | 78 2.2.2 Beslagvrije voet en bestaansminimum | 78 2.2.2.1 Beslagvrije voet: een harde bodem | 78 2.2.2.2 Betalingsproblemen: oorzaken, gevolgen en misvattingen | 80 2.2.2.3 Beslagvrije voet onder vuur | 82 2.2.2.4 Minima in de knel | 84 2.2.2.5 Wetgever aan de slag | 85 2.2.3 Eerdere initiatieven ter bescherming van de schuldenaar | 86 2.2.3.1 Beroepsgroep: taakstelling vs. context beroepsuitoefening | 86 2.2.3.2 Paritas Passé | 86 2.2.3.3 In het krijt bij de overheid | 87 2.2.3.4 Herziening van het beslagverbod roerende zaken | 87 2.2.3.5 Naar een nieuwe beslagvrije voet | 88 2.2.3.6 Verwijsindex Schuldhulpverlening | 89 2.2.3.7 Digitaal beslagregister | 89 2.2.3.8 Rijksincassovisie | 90 2.2.3.9 Breed wettelijk moratorium | 90 2.2.3.10 Maatregelen op decentraal niveau | 91 2.2.3.11 Bestaansminimum en bankbeslag – bescherming van de schuldenaar bestendigd | 91 2.2.4 Tussenbalans I | 92 2.3 Beperkingen aan het derdenbeslag | 93 2.3.1 Inleiding | 93 2.3.2 Artikel 475a Rv | 93 2.3.3 Beslag op kredietruimte | 95 2.3.4 Artikel 45 Awir | 97 2.3.5 Beslagvrije voet | 100 2.3.6 Tussenbalans II | 101 2.4 De nieuwe beslagvrijevoetregeling | 102 2.4.1 Inleiding | 102 2.4.2 Wet vereenvoudiging beslagvrije voet: introductie en reikwijdte | 102 2.4.3 Drie categorieën schuldenaren | 103 2.4.4 Berekening beslagvrije voet onder de nieuwe regeling | 105 2.4.5 Informatiebevoegdheden | 105

12


Inhoud

2.4.6

2.5

Correctiemogelijkheden bij de vaststelling van de hoogte van de beslagvrije voet | 107 2.4.7 Bekendmaken beslagvrije voet | 108 2.4.8 Herberekenen beslagvrije voet | 109 2.4.9 Voorgeschreven beslagvolgorde bij meerdere inkomstenbronnen | 110 2.4.10 Schuldenaren zonder woonplaats in Nederland | 111 2.4.11 Cumulatieve beslagen en de rol van de coรถrdinerende deurwaarder | 112 2.4.12 Tussenbalans III | 112 Conclusie | 113

Hoofdstuk 3 3.1 3.2

3.3

3.4

Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag | 115 Inleiding | 115 Bankbeslag in de praktijk | 116 3.2.1 Werkwijze executoriaal bankbeslag | 116 3.2.1.1 Inleiding | 116 3.2.1.2 Omvang en context van de opdracht tot het leggen van bankbeslag | 116 3.2.1.3 Informatieplichten en -bevoegdheden | 117 3.2.1.4 Exploot van het bankbeslag | 118 3.2.1.5 Omvang van het beslag | 118 3.2.1.6 Wetenschap omtrent het effect van het beslag | 119 3.2.1.7 Verrekeningsbevoegdheid bank | 119 3.2.1.8 Retournering verklaring derdenbeslag en verdere afwikkeling | 120 3.2.1.9 Duur van de beslagprocedure | 120 3.2.1.10 Processuele (on)mogelijkheden bij gedeeltelijk opheffingsverzoek ten behoeve van bestaansminimum schuldenaar | 121 3.2.1.11 Afronding | 122 3.2.2 Gerechtsdeurwaarders aan het woord | 122 3.2.2.1 Inleiding | 122 3.2.2.2 De uitkomsten van vraag 1 | 123 3.2.2.3 De uitkomsten van vraag 2 | 124 3.2.2.4 De uitkomsten van vraag 3 | 126 3.2.3 Tussenbalans I | 127 Bespreking rechtspraak en tuchtrechtspraak | 128 3.3.1 Inleiding | 128 3.3.2 Rechtspraak | 128 3.3.3 Tuchtrechtspraak | 138 3.3.4 Tussenbalans II | 143 Conclusie | 144

13


Bestaansminimum en bankbeslag

Hoofdstuk 4 Rekening- en saldo-informatie | 145 4.1 Inleiding | 145 4.2 Informatievoorziening ten aanzien van rekeninginformatie van de schuldenaar | 145 4.2.1 Een algemene informatieverplichting van de schuldenaar en van een eventuele derde | 145 4.2.2 Verhaalsinformatie van de schuldenaar | 147 4.2.3 Verhaalsinformatie van de bank | 149 4.2.4 De bijzondere informatieverplichting van artikel 475g Rv | 150 4.2.5 De bijzondere informatieverplichting van derden in artikel 475g Rv | 4.2.6 Pleidooi voor het aan de gerechtsdeurwaarder verschaffen van inzicht in de rekening- en saldogegevens | 153 4.2.7 Tussenbalans | 156 4.3 Europese ontwikkelingen | 156 4.3.1 Inleiding | 156 4.3.2 European Account Preservation Order (EAPO) | 156 4.3.3 Payment Service Directive II (PSD2) | 162 4.4 Concluderende slotopmerkingen | 162 Hoofdstuk 5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief | 165 5.1 Inleiding | 165 5.2 Duitsland | 166 5.3 België/Luxemburg/Frankrijk | 169 5.3.1 België | 169 5.3.2 Luxemburg | 171 5.3.3 Frankrijk | 172 5.4 Schotland/Engeland en Wales | 175 5.4.1 Schotland | 175 5.4.2 Engeland en Wales | 176 5.5 Scandinavië (Denemarken/Noorwegen/Zweden) en Finland | 5.5.1 Denemarken | 177 5.5.2 Noorwegen | 178 5.5.3 Zweden | 178 5.5.4 Finland | 180 5.6 De Baltische staten (Estland/Letland/Litouwen) | 180 5.6.1 Estland | 180 5.6.2 Letland | 182 5.6.3 Litouwen | 184 5.7 Het Iberisch schiereiland (Portugal/Spanje) | 185 5.7.1 Portugal | 185 5.7.2 Spanje | 187 5.8 Bulgarije | 187

14

177

152


Inhoud

5.9

5.10

5.11

Kosovo en Servië | 189 5.9.1 Kosovo | 189 5.9.2 Servië | 192 Tsjechië en Slowakije | 193 5.10.1 Tsjechië | 193 5.10.2 Slowakije | 194 Rechtsvergelijkende concluderende opmerkingen

| 195

Hoofdstuk 6 Conclusie en wetsvoorstel | 197 6.1 Inleiding | 197 6.2 Concept voor een voorstel van wet | 199 Hoofdstuk 7 Afronding | 213 7.1 Waarom dit preadvies? | 213 7.2 Samenvatting | 214 7.3 De voorgestelde oplossing | 216 Literatuurlijst

|

221

Jurisprudentieoverzicht | Trefwoordenregister | Over de auteurs

|

225

229

235

15


Lijst van afkortingen A-G AA aant. ABV Abw AKW AMvB AOW art. AW Awir AWR BER bijv. BKR BRP BSN BW CBS CCP CDA CJIB c.q. c.s. diss. DUO d.w.z. e.a. EAPO e.a.w. ECLI e.d. ESH etc. EU e.v. Fw Gdw Gesch. Gw Hof

advocaat-generaal Ars Aequi aantekening Algemene Bankvoorwaarden Algemene bijstandswet Algemene Kinderbijslagwet algemene maatregel van bestuur Algemene Ouderdomswet artikel Ambtenarenwet Algemene wet inkomensaf hankelijke regelingen Algemene wet inzake rijksbelastingen Beslag, Executie & Rechtsvordering in de praktijk bijvoorbeeld Bureau Kredietregistratie Basisregistratie Personen burgerservicenummer Burgerlijk Wetboek Centraal Bureau voor de Statistiek Code of Civil Procedure Christen-Democratisch Appèl Centraal Justitieel Incassobureau casu quo cum suis dissertatie Dienst Uitvoering Onderwijs dat wil zeggen en andere European Account Preservation Order en andere wetten European Case Law Identifier en dergelijke Europees Sociaal Handvest et cetera Europese Unie en verder Faillissementswet Gerechtsdeurwaarderswet geschiedenis Grondwet Gerechtshof

17


Bestaansminimum en bankbeslag

HR i.f. IJI Inv. IVESCR IW 1990 JABW JBPr JenV jo. JOR KBvG KG ktr. KvG LBIO LCR LOSR m.i. m.nt. MvA MvT NBW NJ NJB NJF NJK No nr. NTBR NVVK o.a. o.m. p. par. Parl. pres. PSD2 PvdA q.q. Rb. red. resp. r.k.

18

Hoge Raad ipso facto Internationaal Juridisch Instituut Invoeringswet Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten Invorderingswet 1990 Jurisprudentie Algemene Bijstandswet Jurisprudentie Burgerlijk Procesrecht ministerie van Justitie en Veiligheid juncto Jurisprudentie Onderneming & Recht Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders Kort Geding kantonrechter Kamer voor Gerechtsdeurwaarders Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen Landelijke CliĂŤntenraad Landelijk Overleg Sociaal Raadslieden mijns inziens met noot memorie van antwoord memorie van toelichting Nieuw Burgerlijk Wetboek Nederlandse Jurisprudentie Nederlands Juristenblad Nederlandse Jurisprudentie Feitenrechtspraak civiele uitspraken Nederlandse Jurisprudentie Kort Nationale ombudsman nummer Nederlands Tijdschrift voor Burgerlijk Recht Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet onder andere onder meer pagina paragraaf parlementaire president Payment Service Directive II Partij van de Arbeid qualitate qua Rechtbank redactie respectievelijk rechterkolom


Lijst van afkortingen

r.o. Rv RvdW SP Sr Stb. Stcrt. Sv SVB SZW T&C t/m t.a.p. TCR TvI UVRM UWV VenJ vgl. VISH vzr. vs. VWEU Weekblad WAHV Wajong WAO Wet IB 2001 WFR Wna WODC WPNR WSF 2000 Wsnp WW ZPO Zvw ZW zzp’er

rechtsoverweging Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Rechtspraak van de Week Socialistische Partij Wetboek van Strafrecht Staatsblad Staatscourant Wetboek van Strafvordering Sociale Verzekeringsbank ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Tekst & Commentaar tot en met ter aangehaalde plaatse Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging Tijdschrift voor Insolventierecht Universele Verklaring van de Rechten van de Mens Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen ministerie van Veiligheid en Justitie vergelijk Verwijsindex Schuldhulpverlening voorzieningenrechter versus Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Het Weekblad van het Regt Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Wet inkomstenbelasting 2001 Weekblad voor Fiscaal Recht Wet op het notarisambt Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie Wet studiefinanciering 2000 Wet schuldsanering natuurlijke personen Werkloosheidswet Zivilprozessordnung Zorgverzekeringswet Ziektewet zelfstandige zonder personeel

19


Woord vooraf Dit mijns inziens voortreffelijke preadvies gaat over de vraag of de wettelijke regels voor de beslagvrije voet op de een of andere wijze naar het bankbeslag doorgetrokken dienen te worden. Meer concreet: het draait om de kwestie of voor een geldsom die op een bankrekening wordt gestort en die onder de beslagvrije voet valt, zoals een sociale uitkering, de beslagvrije voet dient te blijven gelden wanneer op de bankrekening vanwege een onbetaalde schuld beslag wordt gelegd. Voor deurwaarders is deze problematiek van groot belang omdat zij het te leggen bankbeslag dienen uit te voeren. Zij dienen te weten aan welke regels zij zich daarbij dienen te houden. De preadviseurs dragen in fraaie betogen in de diverse hoofdstukken het materiaal aan dat van belang is voor de beantwoording van de doortrekkingsvraag. Hoofdstuk 2 geeft inzicht in de maatschappelijke context. In dit deel van het preadvies wordt duidelijk gemaakt waarom het doortrekken van de beslagvrije voet naar het bankbeslag een belangrijk maatschappelijk vraagstuk is. Aan de orde komen onder andere de diverse methoden die in Nederland worden ingezet om armoede te bestrijden en om mensen met problematische schulden te helpen. Aangegeven wordt dat in een beleid dat armlastigheid wil bestrijden en dat daarbij grote waarde hecht aan de handhaving van de wettelijke regels voor de beslagvrije voet het doortrekken van die voet naar het bankbeslag past. De preadviseurs die dit deel van het preadvies voor hun rekening hebben genomen, schrijven zelfs dat dat doortrekken onontbeerlijk is. Probleem is dat de Nederlandse wetgeving niet voorziet in het doortrekken van de beslagvrije voet naar een bankrekening. Dat is opmerkelijk en toch eigenlijk een tekortkoming van de Nederlandse wetgever, zeker als men van het fraaie hoofdstuk 5 van het preadvies kennisneemt. Daaruit blijkt dat alle Europese landen behalve Nederland wettelijke regels kennen die op de een of andere wijze een (bepaald deel van) op een bankrekening gestort bedrag van beslag uitzonderen. De conclusie kan zijn dat Nederland achterloopt. Hoofdstuk 3 geeft inzicht in de praktijk van het bankbeslag. De kern van dat hoofdstuk is een enquête die onder deurwaarderskantoren is gehouden. Hierbij komen vragen aan de orde als de reden waarom bankbeslag wordt gelegd. Ook geeft dit deel van het preadvies enig inzicht in de vraag in hoeverre schuldenaren door een bankbeslag te weinig geld overhouden om in hun eerste levensbehoeften te voorzien. Opmerkelijk is dat sommige deurwaarderskantoren ondanks het ontbreken van een wettelijke voorziening bij een bankbeslag toch de beslagvrije voet in acht nemen. Bij het leggen van een bankbeslag ervaren de deurwaarders de lange termijn van vier weken die de bank heeft om de verklaring derdenbeslag aan de deurwaarder te retourneren als een probleem. Dit belemmert een vlotte afwikkeling van het beslag en hindert een schuldenaar – zijn rekening is lang geblokkeerd – onnodig. Een ander knelpunt heeft betrekking op het ontbreken van de bevoegdheid van de deurwaarder om aan een bank te vragen of een schuldenaar bij haar een rekening aanhoudt. Ik verwijs ook naar de paragrafen 4.2 en 4.3, waarin aan deze problematiek aandacht wordt gegeven en waarin ook de Europese oplossing wordt uiteengezet. Ook ervaren deurwaarders het als een knelpunt dat

21


Bestaansminimum en bankbeslag

banken relatief hoge kosten in rekening brengen voor het afwikkelen van het beslag. Hoe nu verder? Om deze vraag te beantwoorden is kennisneming van hoofdstuk 1, dat door L.P. Broekveldt is geschreven, van belang. In een messcherp betoog met vele interessante uitstapjes naar het algemene beslag- en executierecht legt hij uit dat de rechtspraak zijns inziens niet kan bewerkstelligen dat de beslagvrije voet naar het bankbeslag wordt doorgetrokken. De reden is dat voor het in het leven roepen van een afgescheiden vermogen in het systeem van het Nederlandse privaatrecht, zoals dit mede door de Hoge Raad is ontwikkeld, een wettelijke basis nodig is. Deze conclusie van Broekveldt is weinig verrassend. Uit het rechtsvergelijkende overzicht van hoofdstuk 5 blijkt immers dat in andere landen de wetgever er steeds aan te pas is gekomen om te bereiken dat een bepaald bedrag op een bankrekening vanwege armlastigheid van de schuldenaar vrij blijft van beslag. De definitieve oplossing kan dus niet van de rechtspraak komen. Dit wordt nog weer eens bevestigd in paragraaf 3.3 van het preadvies. Daarin is een overzicht te vinden van relevante rechterlijke uitspraken. Het is pijnlijk te zien dat rechters verschillend oordelen over het doortrekken van de beslagvrije voet naar het bankbeslag. Dit leidt tot rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid voor schuldenaren en ook voor deurwaarders. Deze toestand is eigenlijk niet aanvaardbaar. Het preadvies wordt afgesloten met een concept van een wetsvoorstel. L. Timmerman

22


Hoofdstuk 1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet L.P. Broekveldt

1.1

Inleiding

1.1.1

Derdenbeslagrecht: het ruimere kader van de (komende) nieuwe wetgeving en het bankbeslag Het voorgaande KBvG-preadvies deed als onderdeel van een perspectief op een zorgvuldigere regeling van de beslagvrije voet op de lange termijn de aanbeveling om na regeling van het beslag op loon in tweede instantie een koppeling te maken met het bankbeslag.1 Het onderhavige preadvies van de KBvG zal in aansluiting daarop opnieuw gaan over (de toepassing van) de beslagvrije voet, met dien verstande dat de inmiddels (zeer) verouderde wetsbepalingen ter zake – met name de artikelen 475b tot en met 475g Rv – bij het ter perse gaan van dit preadvies door nieuwe en soms zeer uitvoerige wetsartikelen zijn vervangen, waarover in het tweede hoofdstuk meer. Waar nodig en nuttig zal ook in dit eerste hoofdstuk op de nieuwe wetgeving nader worden ingegaan, zij het dat dit voor de derdenbeslagrechtelijke kaders die in dit eerste hoofdstuk zullen worden geschetst,2 meestal niet zonder meer noodzakelijk zal zijn. Daar komt nog bij dat de nieuwe wetsbepalingen, voor zover dat op het moment van dit schrijven valt te overzien, pas in 2019 in werking zullen treden. Dit betekent dat, afgezien van de uitvoerige parlementaire geschiedenis van dit ‘brok’ wetgeving (in de Tweede en Eerste Kamer3) alsook een enkel commentaar, er nog geen – laat staan: echt kritische – rechtsgeleerde beschouwingen 4 over deze nieuwe wetsartikelen het licht hebben gezien. Het gaat dan met name om de nieuwe of grondig vernieuwde artikelen 475 lid 4, 475a lid 3, 475ab, 475b lid 2, 475c, 475d, 475da, 475db, 475e, 475f, 475fa, 475g, 475ga, 475gb, 475i en 478 Rv. Daarnaast zijn er ook nog enkele bijzondere wetten, zoals artikel 19 IW 1990,5 1 2 3 4

5

Deze laatste dateert van 2014 en luidt: “Naar een nieuwe beslagvrije voet”, met als ondertitel “Vereenvoudiging in een tweetrapsraket”. In het in de vorige noot genoemde preadvies zijn door Broekveldt hieraan uitvoerige beschouwingen gewijd, onder de titel: “Derdenbeslag en beslagvrije voet”, te vinden in hoofdstuk 1, p. 29-79. Kamerstukken II 2016/17, 34628, 1-6 en Kamerstukken I 2016/17, 34628, A en B. Zo zal het bijv. nog wel geruime tijd in beslag nemen alvorens de nieuwe wetsbepalingen in de losbladige Kluwer Rv zijn opgenomen en met name ook bewerkt zullen zijn. Dit neemt niet weg dat in de meest recent bijgewerkte art. 475b en 475e Rv in Kluwer Rv (Broekveldt/Van Rijswijk) in supplement 372 (januari 2017) al wel enige aandacht aan de nieuwe wet is besteed. Zie over deze bepaling – die ook wordt gekwalificeerd als ‘vereenvoudigd derdenbeslag’ – het KBvG-preadvies uit 2014, par. 1.3.1, p. 70-71.

25


Bestaansminimum en bankbeslag

artikel 576 lid 5 Sv en artikel 45 Awir, in dit verband aangepast en/of gewijzigd.6 Hoewel het destijds (2014) de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever was om, indien enigszins mogelijk, de wettelijke regeling van de beslagvrije voet door enige vereenvoudigingen veel beter hanteerbaar te maken, niet alleen voor de gerechtsdeurwaarders die met deze ‘voet’ in de praktijk het meeste te maken hebben,7 maar óók en met name voor die schuldenaren die het direct aangaat, rijst de vraag of de wetgever met een zodanige uitvoerige en ook complexe wetgevingsoperatie wel in deze opzet is geslaagd. De tijd zal het leren! 1.1.2 Globaal overzicht van bepalingen met een beslagvrije voet De kernproblematiek die in dit preadvies – andermaal8 – centraal zal staan, betreft de vraag naar de mogelijkheid van handhaving of (beter) realisering van een buiten het beslag te laten bedrag met betrekking tot een bankrekening waarop geldsommen zijn en worden gestort die onderhevig zijn aan een beslagvrije voet, zoals de sociale uitkeringen, het loon of de toeslagen waarop een schuldenaar aanspraak kan maken. De instanties die deze bedragen zijn verschuldigd – de SVB9 of de werkgever –, zijn op verzoek van de rechthebbende schuldeisers in beginsel gehouden om deze uitkeringen te storten op door hen aangewezen bankrekeningen. In het nu nog geldende artikel 475c Rv is (onder a t/m i) een limitatieve opsomming gegeven van vorderingen tot periodieke betaling, waaraan van rechtswege een beslagvrije voet is verbonden.10 In het nieuwe artikel 475c lid 1 is een zeer vergelijkbare, maar iets uitgebreidere opsomming opgenomen, zij het dat aan deze bepaling nog de leden 2 t/m 7 zijn toegevoegd. Met name het nieuwe lid 7 is interessant, omdat daarin een voorziening is getroffen voor het geval dat een “derde-beslagene die een betaling heeft gedaan aan een deurwaarder die in strijd met artikel 475c, tweede of derde lid een executoriaal beslag heeft gelegd dat is vernietigd, (...) niettemin bevrijdend (heeft) betaald”.

In dat verband is het overigens opmerkelijk dat in deze bepaling – en ook op verschillende andere plaatsen – wordt gesproken van vernietiging van het gelegde beslag, terwijl dat nergens zo op deze wijze in ons beslag- en executierecht is geregeld.11 Daarnaast zijn er verschillende bijzondere wetten, zoals het genoemde artikel 19 lid 1 IW 1990 en ook artikel 576 lid 5 Sv, waarin eveneens met een beslagvrije voet rekening dient te worden gehouden. Voorts zal ook overwogen moeten worden of gekomen moet worden tot de handhaving van een 6 7 8 9 10 11

26

Zie voor een meer uitgebreide toelichting op de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet par. 2.4 van dit preadvies. De hoogste tuchtrechter van en voor gerechtsdeurwaarders – het Gerechtshof Amsterdam – heeft zich regelmatig bezig moeten houden met klachten over onjuiste en/of te trage vaststelling van de beslagvrije voet. Zie vrij recent Hof Amsterdam 24 januari 2017, NJF 2017/139. In het KBvG-preadvies van 2014 is Broekveldt met name in par. 1.3.2, p. 72-78, vrij uitvoerig op deze problematiek ingegaan. Zie daarnaast ook van dezelfde auteur BER 2014-4, p. 27-31, en ook in diens recente in noot 4 genoemde bewerking in de losbladige Kluwer Rv van art. 475b lid 1 Rv, aant. 6.1-6.4. Zie ook hiervóór noot 4. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) is de overheidsinstantie die belast is met de uitvoering en betaling van o.m. de AOW en de kinderbijslag. Zie daarover met name hierna in par. 1.4.1. Zowel conservatoire als executoriale beslagen kunnen, ongeacht de aard ervan, uiteraard wel worden opgeheven, hetzij omdat zij geen doel hebben getroffen, hetzij omdat ze vexatoir zijn. Zie ook het bepaalde in art. 705 Rv, maar van vernietiging is dan geen sprake, óók niet indien de aan het beslag ten grondslag gelegde titel zelf wél wordt vernietigd.


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

beslagvrij bedrag bij bankbeslag indien het saldo slechts bestaat uit stortingen waaraan geen beslagvrije voet is verbonden, zoals bij zzp’ers het geval is. Tot slot komen er ook in het BW verschillende bepalingen voor waarin een bepaalde bevoegdheid, zoals die tot opschorting of verrekening, wordt uitgesloten of beperkt met betrekking tot vorderingen waaraan een beslagvrije voet is verbonden (vgl. art. 6:54 onder c, 6:135, onder a, en ook 7:632 lid 2 BW).12 1.1.3 Bankbeslag en een beslagvrij te houden bedrag: een lastig en onopgelost probleem De juridische problematiek van het bankbeslag en een daarbij beslagvrij te houden bedrag is, zoals gezegd, ook in het preadvies uit 2014 vrij uitvoerig13 besproken. In het tweede hoofdstuk zal dit vraagstuk opnieuw aan de orde komen en in het bijzonder zal worden onderzocht of er nieuwe en steekhoudende gronden zijn om daarover tot een ander rechtsoordeel te komen. Dat zal niet het geval blijken te zijn, zodat uiteindelijk de wetgever – evenals dat in enkele andere landen is gebeurd 14 – ter zake de noodzakelijke voorzieningen in het leven zal moeten roepen. Het is dan ook niet aan de (lagere) burgerlijke rechter, zoals in een aantal uitspraken is gedaan, om met betrekking tot het saldo van een gewone bankrekening een beslagvrije voet via een juridische ‘tournure’15 in het leven te roepen. Ook de Nationale ombudsman betoont zich in een aantal uitspraken terughoudend en voorzichtig inzake deze materie, nog daargelaten dat hij ter zake geen zelfstandige bevoegdheden heeft.16 Alvorens in de eindconclusie van dit eerste hoofdstuk een eerste visie over dit lastige vraagstuk nogmaals toe te lichten, zal in de paragrafen 1.2 en 1.3 – evenals in 201417 – een aantal kernpunten van het derdenbeslagrecht de revue passeren, waarmee het bankbeslag in het juiste juridische kader kan worden beoordeeld: het bankbeslag is immers, naar algemeen wordt aangenomen, een veel voorkomend derdenbeslag dat in de praktijk wordt gelegd, óók in Europees verband.18 Hierbij zij opgemerkt dat de in dit preadvies beoogde toepassing van een beslagvrij bedrag slechts ziet op die situatie dat de geëxecuteerde een natuurlijke persoon betreft. Bij natuurlijke personen is na een periodiek inkomensbeslag het bankbeslag het meest voorkomende type derdenbeslag. In het kader hiervan, het bankbeslag als subtype ofwel species van het genus derdenbeslag, verdient het aanbeveling om de algemene kenmerken van het derdenbeslagrecht te bespreken, waarbij in de laatste paragraaf wordt toegespitst op de handhaving van een beslagvrij bedrag bij het bankbeslag en de daaraan verbonden vraagstukken. In de hiernavolgende 12 13 14 15 16 17 18

Daarbij gaat het resp. om de uitsluiting van bevoegdheden tot opschorting en tot verrekening en de onmogelijkheid van looncompensatie. In het KBvG-preadvies van 2014 wordt daarop in par. 1.3.1, p. 70-71, uitvoeriger ingegaan. Zie daarover ook nog hierna in par. 1.4.1. Zie het KBvG-preadvies 2014, par. 1.3.2, p. 72-78. Ook in de losbladige Kluwer Rv (supplement 372, januari 2017) is door Broekveldt in aant. 6.1-6.4 bij art. 475b de nodige aandacht aan dit lastige vraagstuk besteed. Zie daarover ook al het KBvG-preadvies 2014, par. 3.2-3.12, p. 132 e.v., en hoofdstuk 5 van het voorliggende preadvies. In par. 1.4.4.2 zal daarop nader worden ingegaan, maar het komt o.m. hierop neer dat het de beslaglegger op grond van het in art. 3:13 lid 1 BW neergelegde beginsel van misbruik van recht niet zou vrijstaan om zijn vordering te verhalen zónder ten behoeve van de schuldenaar rekening te houden met de beslagvrije voet. Dat gaat veel te ver. Op diens rapporten ter zake zal hier overigens niet uitvoerig worden ingegaan, omdat zij in feite neerkomen op wetswijziging. Zie nog wel aan het slot in par. 1.4.3, alsmede hoofdstuk 2 van dit preadvies. Zie het KBvG-preadvies 2014, par. 1.2.1-1.2.7, p. 30-70. Zie daarover ook de recente monografie: L.P. Broekveldt, Over eigenlijke en oneigenlijke conservatoire vreemdelingenbeslagen, 2017, par. 7.2, p. 78; zie ook S.W. van Karsbergen, Het Europees bankbeslag, 2012, passim.

27


Bestaansminimum en bankbeslag

paragrafen van dit hoofdstuk zullen dan ook de kernpunten van het derdenbeslagrecht worden besproken. De vragen die daarbij zullen worden beantwoord, zijn wat deze kernpunten zijn, wat de relevantie is van de genoemde kernpunten voor het bankbeslag en – enigszins vooruitlopend – een daarbij te handhaven beslagvrij bedrag. 1.2

Enkele kernpunten van het derdenbeslagrecht19

1.2.1 Derdenbeslag uitsluitend als verhaalsbeslag Derdenbeslag is vermoedelijk het in de dagelijkse praktijk meest gehanteerde middel om tot verhaal van een geldvordering te komen.20 Daarmee is het dan ook het verhaalsbeslag ‘par excellence’: immers, het is (1) tamelijk eenvoudig te leggen (vgl. art. 475 en 475a Rv),21 terwijl (2) de meeste schuldenaren wel over uit periodieke vorderingen voortvloeiende aanspraken of een bankrekening beschikken en (3) de eis van ‘vrees voor verduistering’ in geval van conservatoir derdenbeslag niet behoeft te worden gesteld.22 Derdenbeslag wordt derhalve gelegd tot verhaal van een geldvordering en in veruit de meeste gevallen – maar zie paragraaf 1.2.2.1 voor meer objecten van deze beslagvorm – op een geldvordering: dus voor en op een geldvordering. Dit is het stramien dat óók ten grondslag ligt aan de regeling van het derdenbeslag in relatie tot de beslagvrije voet, zoals omschreven in artikel 475b lid 1 Rv: “Beslag onder een derde op een of meer vorderingen van de schuldenaar tot periodieke betalingen waaraan een beslagvrije voet is verbonden, is slechts geldig voor zover een periodieke betaling de beslagvrije voet overtreft.”

Op het onderscheid tussen (bestaande) periodieke vorderingen en toekomstige vorderingen zal in paragraaf 1.2.2.2 nader worden ingegaan. In dit verband is het van belang erop te wijzen dat er ook auteurs zijn die menen – maar naar de mening van de schrijver dezes ten onrechte (zie hierna de noten 24 en 25) – dat de figuur van derdenbeslag óók kan worden gebruikt om een vordering tot levering van een goed rechtens te effectueren: (A) heeft zodanige vordering jegens (B) (bijv. tot levering van een onroerende zaak), welke zaak echter nog eerst door (C) aan (B) geleverd moet worden.23 In de bespreking van het proefschrift van Harreman uit

19 20 21

22

23

28

Al hetgeen hierna volgt, is voor een vrij groot deel ontleend aan de bijdrage van Broekveldt in het KBvG-preadvies 2014, par. 1.2.1-1.2.7, p. 30-70. Hier en daar is de tekst ook – en soms aanzienlijk – ingekort en waar nodig geactualiseerd, met name op het niveau van de rechtspraak van de Hoge Raad. In die zin: L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, p. 68-69; zo ook: A.S. Rueb, E. Gras en A.W. Jongbloed, Compendium Burgerlijk procesrecht. Stein/Rueb, Compendium, 2015 (m.m.v. E. Gras en A.W. Jongbloed), nr. 17.5.1, p. 450-452. Hoewel dat in de deurwaarderspraktijk, indien mogelijk, meestal wél gebeurt, hoeft in het beslagexploot – teneinde rechtens doel te treffen – geen omschrijving van de in beslag te nemen vorderingen en/of roerende zaken te worden opgenomen (vgl. Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 154 (MvT Inv. bij art. 475). Alleen in art. 475a lid 3 Rv is voor bepaalde vorderingen vereist dat zij uitdrukkelijk in het beslagexploot worden omschreven. Hoewel door de wetgever geen motivering voor deze keuze is gegeven, lijkt aannemelijk dat de aard van de als regel door derdenbeslag te treffen goederen – geldvorderingen – daarbij een rol heeft gespeeld; deze zijn immers ‘beweeglijk’, zeker in het huidige giraal-elektronische tijdperk, zodat de ‘vrees’ voor onttrekking aan verhaal lastig valt aan te tonen. De letters A, B en C zullen in deze paragraaf worden gebruikt ter aanduiding van resp. de beslaglegger, de beslagdebiteur en de derde-beslagene. Met de letter D zal indien nodig een bij een derdenbeslag betrokken vierde worden aangeduid, zoals een pandhouder of cessionaris, maar ook een partij die een betaling of afgifte moet doen aan C.


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

200724 heeft Broekveldt betoogd dat deze gedachte op een juridische misvatting van deze schrijvers berust:25 hun opvatting is in strijd met (1) de afzonderlijke én exclusieve regeling in artikel 730 Rv (jo. art. 3:300 BW) van met name het reële (conservatoire) beslag tot levering van een goed op naam26 én (2) het rechtskarakter van het hier te lande geldend derdenbeslagrecht, zowel vóór als met name ook ná 1992. Het derdenbeslag komt dus uitsluitend voor als verhaalsbeslag. Voor een beschouwing over ‘opzet en structuur’ van het vernieuwde beslagrecht,27 zoals dat sinds 1992 geldt, wordt verwezen naar een artikel over – kort gezegd – het algemeen bewijsbeslag (zoals dat door de Hoge Raad daarna in september 2013 is aanvaard).28 1.2.2

De voor derdenbeslag vatbare goederen (art. 3:1 BW)

1.2.2.1 Opzet en beperking Naast de geldvorderingen – waarop in paragraaf 1.2.2.2 zal worden teruggekomen – kent het derdenbeslag sinds lang ook nog andere objecten (of voorwerpen) waarop onder een derde beslag kan worden gelegd. Nu deze in het kader van de beslagvrije voet geen rol spelen, zal daarop niet uitgebreid worden ingegaan, maar voor een goed begrip van het derdenbeslag zal er toch enige aandacht29 aan moeten worden besteed. In artikel 475 lid 1 Rv worden eerst in heel algemene zin de voor beslag vatbare – bestaande en/of toekomstige – vorderingen of goederen30 genoemd, zonder te vermelden om welke soort van vorderingen het gaat: geldvorderingen of ook andersoortige vorderingen (waarop alleen in de wetsgeschiedenis nader is ingegaan).31 Een en ander zal hierna in de paragrafen 1.2.2.2.1 en 1.2.2.2.2 nader worden toegelicht. Op de mogelijkheid om onder een derde ook tot verhaal beslag te leggen op (1) roerende zaken, (2) toonder- of orderpapieren en (3) een vordering tot levering van een goed op naam, zal op deze plaats niet verder worden ingegaan.32 Voor de bespreking van het bankbeslag is met name het onderscheid tussen bestaande en toekomstige geldvorderingen van belang.

24 25

26 27 28 29 30 31 32

De titel van deze Rotterdamse dissertatie luidt: Conservatoire beslagen tot afgifte en levering. Een studie naar de werking en problematiek van het 730 Rv-beslag, mede in rechtshistorisch perspectief. De bespreking van Broekveldt is gepubliceerd in: RMThemis 2013-5, Ad b), nr. 12, p. 240-242. Op deze plaats worden genoemd: (1) H.A. Stein, Goed beslagen, 2010, par. 41, p. 54 (waar hij het verhaalsbeslag op de leveringsvordering en het eigenlijke leveringsbeslag ex art. 730 Rv door elkaar lijkt te halen, maar heel duidelijk is deze passage niet); (2) J.L.R.A. Huydecoper, Reële executie, 2011, par. 34, p. 33-34; en (3) J.W. Westenberg, Commentaar op art. 730 Rv, C.5, Sdu commentaar Burgerlijk Procesrecht, 2012 (die daar als voorbeeld noemt de zogenoemde A-B-C-contracten bij verkoop van een onroerende zaak, in welk geval niet ten laste van B op die zaak beslag kan worden gelegd, maar alleen ‘op het recht van levering’ van B op C, wat echter in strijd is met tekst en strekking van art. 730 Rv). In aant. 10 bij art. 475 in Kluwer Rv (supplement 366, oktober 2015) is door Broekveldt een afwijkende visie uiteengezet. Die beslagmogelijkheid – zowel in zijn conservatoire (art. 730 Rv) als in zijn executoriale (art. 492 t/m 500 Rv) vorm – is pas in 1992 in de wet opgenomen. De dichotomie in ons beslagrecht is daarmee (1) verhaalsbeslag versus reëel beslag en daarnaast en erdoorheen (2) conservatoir versus executoriaal beslag. Zie ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nrs. 38-39, p. 66-68; en ook Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 153 (Algemeen, onder a). L.P. Broekveldt, ‘Algemeen bewijsbeslag: tekort in huidig recht (art. 730 jo. art. 843a Rv) én in komend recht’, in: NTBR 2013-4, p. 125-139 (zie daar met name onder 7, sub a, p. 132-133, voor die opzet en structuur). Zie voor het baanbrekende arrest HR 13 september 2013, NJ 2014/455 (Molenbeek Invest/Begeer c.s.), m.nt. H.B. Krans. Voor een uitvoerige beschrijving daarvan zij verwezen naar L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nrs. 100-118, p. 179-213. Een en ander als bedoeld in art. 3:1 BW, te weten ‘alle zaken en alle vermogensrechten’. Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 153 (Algemeen, onder a). Voor het overige hieromtrent wordt verwezen naar het KBvG-preadvies uit 2014, par. 1.2.2.1 en 1.2.2.2, p. 32-33.

29


Bestaansminimum en bankbeslag

1.2.2.2

Beslag op bestaande en toekomstige geldvorderingen

1.2.2.2.1 Inleiding en onderscheid In artikel 475 lid 1 Rv is het onderscheid tussen bestaande en toekomstige (geld)vorderingen, waarop derdenbeslag kan worden gelegd, voor zover hier van belang, als volgt verwoord: “Het beslag op vorderingen die de geëxecuteerde op derden mocht33 hebben of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen (...), geschiedt bij een exploot van een deurwaarder (...).”

Daarmee rijst de vraag wat precies onder bestaande en toekomstige vorderingen dient te worden verstaan.34 In de zaak Stichting Visserij/ABN (‘HR 1982’),35 waarin het overigens niet ging om een vraag die verband had met (een vorm van) het derdenbeslag, is door de Hoge Raad, zij het op een enigszins indirecte wijze, aangegeven welke typen vorderingen met name onder bestaande vorderingen moeten worden begrepen.36 De betreffende rechtsoverweging luidt als volgt:37 “Een toekomstige vordering – die moet worden onderscheiden van bijv. een terstond krachtens overeenkomst 38 ontstane vordering onder een opschortende tijdsbepaling of voorwaarde of tot periodieke betalingen – kan ook niet geacht worden reeds te hebben bestaan ten tijde van het ontstaan van de betreffende rechtsverhouding op grond van het enkele feit dat zij daarin haar onmiddellijke grondslag vond.”

Het hier gemaakte onderscheid draait in de kern om de mate en ook betekenis van het ‘toekomstig element’: de aan een vordering verbonden tijdsbepaling, voorwaarde of periodiciteit van betaling is rechtens (veel) minder ‘toekomstig’ dan het geval is bij de zuiver toekomstige vorderingen, zodat de eerste op die grond als reeds bestáánde vorderingen kunnen worden aangemerkt. Voor vorderingen waaraan een tijdsbepaling of voorwaarde is verbonden, volgt een en ander tevens uit artikel 477 lid 3 Rv, waarin, voor zover van belang, is bepaald dat, indien door het beslag een vordering is getroffen onder tijdsbepaling of voorwaarde, door de beslaglegger “slechts betaling (...) na het verschijnen van het aangewezen tijdstip of de vervulling van de voorwaarde [kan] worden gevorderd”. Dit houdt in dat niet vaststaat dát, laat staan wanneer, aan de overeengekomen tijdsbepaling of voorwaarde zal worden voldaan;

33 34 35 36 37 38

30

Uit de schriftelijke verklaring ex art. 476a en 476b Rv zal moeten blijken óf, en zo ja hoeveel, de derde-beslagene verschuldigd is. Zie ook daarover L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nrs. 85-86, p. 151-154 (bestaande vorderingen) en nrs. 87-99, p. 154-179 (toekomstige vorderingen). HR 26 maart 1982, NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn. Het ging om de vraag of een cessie tot zekerheid van een toekomstige vordering, die was ontstaan nádat de cedent failliet was verklaard, aan de failliete boedel kon worden tegengeworpen. Dat was niet het geval, en dat is het ook nú niet in geval van stille cessie (art. 3:94 lid 3 BW) of stille verpanding (art. 3:239 lid 1 BW) van zodanige vordering. Zie ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 85, p. 151-152. Voor beslag vatbare – bestaande – vorderingen kunnen uiteraard ook uit de wet ontstaan, zoals uit onrechtmatige daad, zaakwaarneming, onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking (waarover ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 85, p. 152). Aan die vorderingen, die veelal strekken tot vergoeding van schade, zal echter geen tijdsbepaling of voorwaarde verbonden (kunnen) zijn.


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

maar dat maakt die vorderingen niet in juridische zin toekomstig, waarover nader in paragraaf 1.2.2.2.2. Een en ander geldt nog te meer voor de zogenoemde periodieke betalingen (zie ook art. 475b lid 1 Rv), die in de dissertatie van Broekveldt als volgt zijn omschreven:39 “Onder ‘periodieke betalingen’ dienen steeds terugkerende betalingen te worden verstaan (zoals bijv. alimentatie- en socialezekerheidsuitkeringen, pensioenen, lijfrenten, e.d.) zónder dat de gerechtigde schuldeiser telkens weer een op het ontstaan van de aanspraak gerichte specifieke rechtshandeling of prestatie behoeft te verrichten. De schuldplichtigheid is derhalve gegeven met het bestaan én voortduren van de betreffende rechtsverhouding.”

Dit betekent dat alleen wanneer aan die rechtsverhouding definitief een einde komt – omdat de alimentatieplicht bijvoorbeeld eindigt, de lijfrente wordt afgekocht of de socialeuitkeringsplicht vervalt (en daarmee het beslagobject) – óók de betalingsverplichting vervalt (en dus ook het gelegde beslag). Bij de hierna te bespreken toekomstige vorderingen kan dat ook het geval zijn, maar daar gaat het in de eerste plaats om andere vragen. 1.2.2.2.2 Toekomstige vorderingen Bij de vraag óf, en zo ja in hoeverre, ook (relatief40) toekomstige vorderingen voor beslag vatbaar zijn, is in beginsel bepalend, zoals in artikel 475 lid 1 Rv tot uitdrukking is gebracht (zie par. 1.2.2.2.1), dat (1) ten tijde van het beslag een rechtsverhouding aanwezig is, waaruit (2) de vordering(en) later rechtstreeks zal (zullen) ontstaan. Of anders gezegd: in hoeverre kunnen geldvorderingen die pas ná het gelegde beslag ontstaan en verschuldigd worden – dus in de toekomst – óók onder dat beslag vallen? Het ontstaansmoment is weliswaar gelegen ná het beslag, maar de juridische grondslag is ervóór gesitueerd. Bij de in paragraaf 1.2.2.2.1 besproken periodieke betalingen ligt dat anders, nu daar alleen de werking van de vordering pas ná het beslag wordt geactiveerd, maar de vordering als zodanig rechtens al bestaat. Daarmee beweegt het beslag op geldvorderingen zich op een grensgebied van bestaande en toekomstige vorderingen, waarvan de precieze grenzen (nog altijd) niet helemaal duidelijk zijn afgebakend. In een artikel uit 2013 is door Broekveldt over dit thema het volgende opgemerkt:41 “Wel is duidelijk wat er in elk geval niet en wat er zeker wél onder valt, maar hoe het schemergebied precies in kaart moet worden gebracht is en blijft vaag.”

Het is hier niet de plaats nog eens uitvoerig op dit onderwerp in te gaan, te minder nu – naar het lijkt – de beslagvrije voet bij toekomstige vorderingen niet een grote rol speelt (maar mogelijk wel enige rol, bijv. bij loonvorderingen). Daarom wordt volstaan met het volgende. In 1929 en 1932 zijn door de Hoge Raad twee arresten gewezen – het Girobeslag-arrest, respectievelijk het Loonbeslag-arrest –, waarin enkele duidelijke grenzen zijn aangegeven. Zo is

39 Zie L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 85, p. 152. 40 Zie over dit onderscheid hierna in par. 1.2.2.2.3 en daar noot 53. 41 L.P. Broekveldt, ‘Op zoek naar de grenzen van beslag op toekomstige vorderingen’, in: JBPr 2013-1, p. 6. Het hiernavolgende is voor een deel aan dit artikel, dat ook in BER 2013-4, p. 23-29, is gepubliceerd, ontleend.

31


Bestaansminimum en bankbeslag

in HR 192942 uitgemaakt dat, in geval van beslag onder een bank- of giro-instelling, uitsluitend het op de beslagdatum aanwezige saldo wordt getroffen, en dus niet eventueel nádien nog in de rekening-courant bijgeschreven bedragen. In dit arrest zal men echter vergeefs zoeken naar enige motivering van deze beslissing; die is pas in HR 1932 gegeven. 43 Met dit arrest – dat, evenals HR 1929, uitdrukkelijk 44 ook het huidige derdenbeslagrecht vanaf 1992 weergeeft – is door de Hoge Raad de grondslag gelegd voor (de mogelijkheden van) beslag op toekomstige vorderingen en de daarvoor ten minste geldende vereisten. De casus lag eenvoudig: de Ontvanger had tot verhaal van een belastingschuld van Van Diggelen te zijnen laste onder diens werkgever Schermer executoriaal beslag gelegd op alle bestaande en in de toekomst verschuldigde loontermijnen, een en ander uit hoofde van een op de beslagdatum tussen partijen reeds bestaande arbeidsovereenkomst. Zo rees de vraag of ook de ná het beslag ontstane loonvorderingen daardoor waren getroffen. 45 De Hoge Raad overwoog – hier ook in de oude spelling weergegeven – als volgt (waarbij voor de leesbaarheid de inleidende ‘dats’ zijn gecursiveerd): “dat, in verband met de strekking der wetsbepalingen die het beslag regelen, mag worden aangenomen, dat een vordering bij het leggen van het beslag in den zin van evenvermeld wetsartikel [lees: artikel 475 Rv; LB] bestaat, indien zij haar onmiddellijken grondslag vindt in een rechtsverhouding, waarin degene, te wiens laste het beslag gelegd wordt, dan reeds staat tot hem, onder wien het gelegd wordt; dat zoodanige grondslag niet reeds ligt in een bij het beslag tusschen hen bestaande rechtsverhouding, die voor den derden beslagene de verplichting medebrengt om gelden of goederen, die hij daarna ingevolge andere rechtshandelingen ten behoeve van den geëxecuteerde onder zich krijgt, aan deze af te dragen, op hoedanig geval betrekking had het arrest van den Hogen Raad van 7 juni 1929, waarop in dit geding beroep is gedaan; dat echter in het onderhavige geval tusschen den geëxecuteerde Van Diggelen en den derden beslagene Schermer bij het leggen van het beslag een arbeidsovereenkomst bestond, die ook daarna is blijven doorloopen; dat deze arbeidsovereenkomst den rechtstreekschen grondslag uitmaakt ook van de verplichting tot uitbetaling van de na het leggen van het beslag vervallende loontermijnen, al was bij het leggen van het beslag de verschuldigdheid van die termijnen in zoover nog onzeker, dat zij tegelijk met de beëindiging der arbeidsovereenkomst kan ophouden te bestaan of ook zou kunnen vervallen bij het

HR 7 juni 1929, NJ 1929, p. 1285 e.v. (Staat/Bankvereeniging), m.nt. P. Scholten; zie over dit arrest, de kritiek erop en de keuze van de wetgever, L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nrs. 92-94, p. 161-166; zie ook F.H.J. Mijnssen en A.I.M. van Mierlo, Materieel beslagrecht, 2009, par. 3.4, p. 90-94; H.A. Stein, Goed beslagen, 2010, par. 80, p. 123-125; A.W. Jongbloed, Executierecht, 2014, par. 4.16, p. 74-75; Kluwer Rv (Broekveldt), aant. 7.1-7.5 bij art. 475 (supplement 366, oktober 2015). 43 HR 25 februari 1932, NJ 1932, p. 301 e.v., m.nt. P. Scholten; Weekblad 1932, 12405, m.nt. C.W. Star Busmann. 44 Zie daarvoor Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 155 en 159-160. 45 Zie over deze materie in het bijzonder Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 154-161; en L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nrs. 87-99, p. 154-179; zie voorts F.H.J. Mijnssen en A.I.M. van Mierlo, Materieel beslagrecht, 2009, par. 3.4, p. 90-94; H.A. Stein, Goed beslagen, 2010, par. 80, p. 123-125; A.W. Jongbloed, Executierecht, 2014, par. 4.12-4.22, p. 66-80; en aant. 6.1-6.4 (supplement 366, oktober 2015) bij art. 475 Kluwer Rv (Broekveldt); en ook T&C Rv (Gieske), 2016, aant. 6, sub c, bij art. 475; en ook nog J.W. Westenberg, Commentaar op art. 475 Rv, C.1 en C.2, Sdu commentaar Burgerlijk Procesrecht, 2012. 42

32


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

niet vervullen van tegenprestaties, waartoe Van Diggelen zich bij die zelfde overeenkomst tegenover Schermer had verbonden;”

In deze overwegingen liggen alle kernelementen besloten die ook in het huidige derdenbeslagrecht van essentieel belang zijn voor de beoordeling van de vraag óf ook toekomstige vorderingen van de beslagdebiteur door het beslag worden getroffen. Dat zijn: (1) een ten tijde van het beslag bestaande (én met name ook voortdurende) rechtsverhouding én (2) het rechtstreeks ontstaan van deze (latere) vorderingen uit díé rechtsverhouding. In HR 1929 was nu juist aan element 1 niet voldaan: de ná het beslag in de rekening-courant bijgeboekte (‘gecrediteerde’) bedragen vloeiden namelijk niet voort uit de door beslagdebiteur (B) met de bank- of giro-instelling als derde-beslagene (C) gesloten overeenkomst, maar vonden hun oorsprong in betalingen door ‘vierden’ (D) op de rekening van hún schuldeiser (B) bij (C), dus, zoals in HR 1932 wordt gezegd, “ingevolge andere rechtshandelingen”. Hoewel de ‘leer’ van HR 1929 – en daarmee ook de opvatting van de wetgever (van 1992) op dit punt – in het verleden nog wel omstreden is geweest, is zij enkele jaren geleden, met uitdrukkelijke verwijzing naar juist de wetsgeschiedenis bij artikel 475 Rv, 46 in Rabobank/Kézér q.q. (‘HR 2012’)47 gehandhaafd. Toen ging het overigens niet om een beslagcasus, maar om een ‘stille’ verpanding van toekomstige vorderingen, waarmee de bankrekening van de failliete schuldenaar/pandgever later was gecrediteerd; deze bedragen vielen dan ook niet onder het pandrecht van de bank. Met al het voorgaande is wel voldoende duidelijk gemaakt waar ten minste aan moet zijn voldaan, wil een toekomstige vordering met succes door een gelegd of te leggen derdenbeslag kunnen worden getroffen: zij zal (1) rechtstreeks moeten voortvloeien uit een op de beslagdatum reeds bestaande rechtsverhouding, die (2) op elk afzonderlijk ontstaansmoment van de (toekomstige) vordering nog op regelmatige wijze dient voort te duren. Dat is het geval bij arbeids- of huurovereenkomsten en meestal ook bij een overeenkomst van aanneming van werk, die alle gedurende het beslag door beide contractspartijen steeds naar behoren moeten worden nagekomen; zulke beslagen kunnen dus soms lang blijven liggen en daarmee tot onwenselijke situaties leiden. 48 Het is overigens niet altijd duidelijk óf sprake is van een steeds voortdurende contractuele rechtsverhouding, waaruit in beginsel telkens weer (toekomstige) vorderingen zullen ontstaan. Zo wordt dat bijvoorbeeld niet aangenomen bij tussen een advocaat en zijn cliënt min of meer vaste overeenkomsten van opdracht, in het kader waarvan telkens andere zaken worden behandeld. Het zal bij twijfelgevallen dan ook steeds op uitleg van de rechtsverhouding(en) aankomen.

Zie L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 93, p. 163-164 (waar op p. 163 in noot 319 al is verwezen naar de naar het oordeel van de auteur onjuiste en ook niet-relevante opvatting van Stein/Van Mierlo in een van de vorige versies van aant. 6 in Kluwer Rv bij art. 475). Dit geldt niet langer voor W.H. Heemskerk Jr., die in de laatste door hem bewerkte (24e) druk van Hoofdlijnen van het Nederlands burgerlijk procesrecht, 2015, in nr. 241, p. 318-320, van deze onjuiste rechtsopvatting is teruggekomen. 47 HR 17 februari 2012, NJ 2012/605, m.nt. F.M.J. Verstijlen; JBPr 2012/3, nr. 39, m.nt. L.P. Broekveldt; JOR 2012/7, nr. 234, m.nt. B.A. Schuyling. 48 Dat blijkt bijv. heel duidelijk uit de zaak Van Berkel/Tribosa (HR 25 januari 1991, NJ 1992/172, m.nt. H.J. Snijders). Daarin kon een beslag op huurpenningen onder de huurder van een onroerende zaak (blijven) voortduren, óók nadat die zaak executoriaal was verkocht door de hypotheekhouder. Door de werking van art. 475h lid 1 Rv kon deze verkoop, die tevens de overdracht van de huurpenningen inhield, niet aan de beslaglegger worden tegengeworpen. 46

33


Bestaansminimum en bankbeslag

1.2.2.2.3 Twee voorbeelden van Mijnssen: verruiming reikwijdte derdenbeslag Bij een en ander zal het ook kunnen gaan om een enkelvoudig toekomstige vordering, een die dus slechts eenmalig in de toekomst ontstaat. Dat zal zich kunnen voordoen in het eerder in paragraaf 1.2.2.2.2 genoemde schemergebied, waarvan de contouren minder precies vastliggen. Daartoe kunnen als voorbeeld dienen twee destijds door Mijnssen49 gegeven voorbeelden, waarop nadien ook door de wetgever is ingegaan. Nu de beslagvrije voet hier geen rol van betekenis zal spelen – hoewel dat ook weer niet volstrekt is uitgesloten50 –, zal op deze mogelijkheid niet uitgebreid worden ingegaan.51 Het gaat in de kern hierom, door de woorden “rechtstreeks verkrijgen uit een bestaande rechtsverhouding” in artikel 475 lid 1 Rv ruim op te vatten, dat de in de arresten van 1929 en 1932 tamelijk strak getrokken grenzen behoorlijk kunnen worden opgerekt (waarbij ook het hieronder in noot 51 genoemde arrest HR 1995 betrokken moet worden). De door Mijnssen beschreven gevallen, die zich in de praktijk eenvoudig kunnen voordoen, hebben met elkaar gemeen dat door (A) ten laste van (B) – de cliënt/opdrachtgever – onder (C) als advocaat of notaris (als opdrachtnemer) beslag wordt gelegd op een vordering die door (C), in zijn genoemde hoedanigheid, van (D), die een geldsom aan (B) is verschuldigd, moet worden geïnd of ontvangen. Ten tijde van het beslag is deze door (D) verschuldigde geldsom nog niet aan (C) ten behoeve van (B) voldaan, met dien verstande dat deze geldsom in beginsel wél door (D) aan (C) moet worden voldaan. Daarmee rijst de vraag of óók de vordering van (B) op (D) in voldoende mate rechtstreeks voortvloeit uit de op de beslagdatum bestaande rechtsverhouding van opdracht (art. 7:400 lid 1 BW) tussen (B) en (C). Zo op het eerste gezicht lijkt dat niet meteen het geval te zijn, maar de wetgever dacht daar toch anders over:52 “De vraag die door Mijnssen in zijn voormelde opmerkingen aan de orde wordt gesteld komt hierop neer, of de voormelde regel53 ook geldt voor gevallen als die van de voormelde advocaat of de notaris, waarin tevoren vaststaat dat de bestaande rechtsverhouding – hier met name de aan de advocaat of de notaris gegeven opdracht – gericht is op het ontvangen en aan de geëxecuteerde afdragen van bepaalde, tevoren door partijen aangewezen gelden, met de voldoening waarvan de opdracht in de

49

50

51 52 53

34

Zie daarvoor F.H.J. Mijnssen en A.I.M. van Mierlo, Materieel beslagrecht, 2009, par. 3.4, p. 93-94; en L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 97, p. 172-175. De hier bedoelde voorbeelden stammen al uit een preadvies van F.H.J.  Mijnssen, dat hij in 1983 heeft uitgebracht voor de toenmalige Broederschap van Candidaat Notarissen (t.a.p., p. 53-54). Zo is denkbaar dat binnen een groot concern de werknemers bij een afzonderlijke dochtervennootschap in loondienst zijn (X), terwijl de lonen worden uitbetaald door een andere servicevennootschap (Y), en wel door girale overmaking of per internet aan (X). Vervolgens wordt ten laste van een werknemer derdenbeslag op diens loon onder (X) gelegd, zulks op een moment dat (Y) de gelden wel al heeft betaald maar deze door (X) nog niet zijn ontvangen, dus nog ‘onderweg’ zijn. Een eerder stadium in de verwerking van deze betaling is ook heel goed denkbaar (zoals het geval in het in noot 51 genoemde HR-arrest uit 1995 en de twee voorbeelden van Mijnssen). De aan de loonvordering verbonden beslagvrije voet zou zo dus ook nog tot zijn recht kunnen komen. Zie o.m. daarover L.P. Broekveldt, ‘Op zoek naar de grenzen van beslag op toekomstige vorderingen’, in: JBPr 20131, onder 9, p. 9-11, en het daar besproken arrest Jahn c.s./Nask (HR 24 maart 1995, NJ 1996/447, m.nt. H.J. Snijders); zie ook Kluwer Rv (Broekveldt), aant. 6.5 bij art. 475 (supplement 366, oktober 2015). Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 158-159; zie ook daarover L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 97, p. 173-174. Daarmee doelt de wetgever hier op de regel van HR 1932, zoals hiervóór in par. 1.2.2.2.2 besproken.


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

regel ook geheel zal zijn uitgevoerd. In de huidige rechtspraak zijn aanwijzingen te vinden, dat een derdenbeslag op zodanige vorderingen inderdaad doel treft; (...).”54

Hier is zonder twijfel sprake van een verruiming van de mogelijkheid om in dit soort van – nogal bijzondere – feitelijke omstandigheden, waarop ook nog allerlei variaties denkbaar zijn (zie eerder in par. 1.2.2.2.2 noot 42 voor een ‘setting’ waarin ook de beslagvrije voet een rol kan spelen), met een redelijke kans op succes (óók) op een (relatief55) toekomstige vordering beslag te leggen. De wetgever heeft in dit verband echter nog wel een waarschuwing laten horen, namelijk (t.a.p., p. 159): “Men stelle zich van het resultaat van derdenbeslagen van de boven omschreven soort overigens niet te veel voor. Juist het feit dat beslag is gelegd, kan er immers gemakkelijk toe leiden dat van de voorgenomen inning door de advocaat of de bemiddelende rol van de notaris wordt afgezien, eventueel door een en ander over een andere advocaat of notaris te laten lopen.”

De wetgever wijst er daar verder nog op dat de beslaglegger “geen middelen ten dienste [staan]” om dit soort van ‘omleiden’ te voorkomen of tegen te gaan. Dat is misschien wat erg sterk uitgedrukt, maar het is voor een beslaglegger zeker niet eenvoudig om met enig succes aan te tonen dat door beslagdebiteur (B), derde-beslagene (C) en vierde (D) met elkaar is samengespannen – en aldus mogelijk onrechtmatig is gehandeld –, juist om hém als schuldeiser te benadelen en zo schade in zijn verhaalsmogelijkheden toe te brengen. 1.2.3 Beslagvrije voet en loonvordering Zoals al enige keren gememoreerd, zullen de in het voorgaande gemaakte onderscheidingen tussen bestaande en toekomstige vorderingen bij toepassing in de praktijk van de beslagvrije voet niet zo heel vaak een rol spelen. Anderzijds zou ook de gedachte onjuist zijn dat, gelet op de stellige bewoordingen van artikel 475b lid 1 en 2 Rv, waarin alleen gesproken wordt van “vorderingen van de schuldenaar tot periodieke betalingen waaraan een beslagvrije voet is verbonden”, uitsluitend sprake zal zijn van (derdenbeslag op) bestaande vorderingen in de in paragraaf 1.2.2.2.2 uiteengezette zin. Sterker nog: vermoedelijk zullen de meeste derdenbeslagen in de praktijk worden gelegd op de loonvorderingen als bedoeld in artikel 475c sub a Rv, die door de wetgever in de aanhef van deze bepaling dan ook ten onrechte zijn aangemerkt als ‘vorderingen tot periodieke betaling’.56 Uit hetgeen hiervóór in de tweede alinea is uiteengezet, volgt dat het bij loonvorderingen juist bij uitstek gaat om toekomstige vorderingen, met alle in het voorgaande beschreven juridische consequenties. Alle overige in artikel 475c sub b t/m i Rv opgesomde vorderingen kwalificeren rechtens echter wél als vorderingen die strekken tot typisch periodieke betalingen.57 54 55 56 57

Op die plaats verwijst de wetgever (o.m.) naar HR 10 mei 1929, NJ 1929/1378 (Mr. Huizinga/Ontvanger). In dat arrest is die ‘aanwijzing’ echter niet zo duidelijk te lezen. Zie over het onderscheid tussen absoluut en relatief toekomstige vorderingen L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 89, p. 156-157, waar vooral de door A.S. Hartkamp en H.J. Snijders gemaakte onderscheidingen zijn weergegeven. In latere drukken van het daar genoemde handboek zijn ter zake geen wezenlijke wijzigingen opgetreden. In het nieuwe art. 475c is in lid 1sub e Rv het loon eveneens ten onrechte als ‘periodieke betaling’ aangemerkt. Op het onderscheid en de betekenis van vorderingen tot periodieke betalingen is Broekveldt in de losbladige Kluwer, aant. 2.1-2.3 bij art. 475b lid 1 Rv (supplement 372, januari 2017) vrij uitvoerig ingegaan.

35


Bestaansminimum en bankbeslag

1.3

Nog enkele andere kenmerkende aspecten van het (derden)beslag

1.3.1

Twee rechtsverhoudingen en drie beginselen van derdenbeslagrecht

1.3.1.1 Inleiding en opzet In het KBvG-preadvies van 2014 is vrij uitvoerig op deze onderwerpen ingegaan,58 zodat hier met enkele samenvattingen kan worden volstaan, ook nu zich sindsdien op deze terreinen geen bijzondere ontwikkelingen hebben voorgedaan.59 Na de in de paragrafen 1.2.2.1, 1.2.2.2.1 en 1.2.2.2.2 uiteengezette aard en voorwerpen van derdenbeslag – meer in het bijzonder de voor beslag vatbare (bestaande én toekomstige) geldvorderingen –, zal nu uitgebreider worden ingegaan op (1) enerzijds de twee rechtsverhoudingen en de partijen die bij het derdenbeslag een kernrol spelen, en anderzijds (2) de drie fundamentele beginselen, aan de hand waarvan vermoedelijk de meeste – zo niet alle – vragen en problemen van het derdenbeslagrecht kunnen worden opgelost. Wat die twee rechtsverhoudingen betreft60 gaat het in de eerste plaats om de (veelal contractuele) verhouding tussen beslaglegger (A) en beslagene (B): daarin is (A) schuldeiser van debiteur (B). In de tweede plaats gaat het om de eveneens meestal contractuele rechtsverhouding tussen (B) en (C), waarin (B) de schuldeiser is van (C). Bij een derdenbeslag figureert (B) dus in twee hoedanigheden: als debiteur en als crediteur. Deze meerpartijenverhouding leidt zo tot de tamelijk complexe beslagcasus, waarin (A) beoogt zijn vordering op (B) te verhalen door de vordering van (B) op (C) te innen. Het spreekt natuurlijk voor zich dat dit alles nog ingewikkelder kan worden, indien er, zoals vrij regelmatig voorkomt, nog een vierde partij (D) ten tonele verschijnt, bijvoorbeeld een (stille) pandhouder of een (stille) cessionaris die zich op het standpunt stelt dat door (B) bepaalde rechten aan hém zijn verleend met betrekking tot zijn beslagen vordering op (C). In het licht van artikel 475h lid 1 Rv61 kan dit tot lastige complicaties leiden. Los hiervan zullen de betrokken partijen, bij de (buitengerechtelijke of gerechtelijke62) afwikkeling van een derdenbeslag, geconfronteerd kunnen worden met aan één of beide rechtsverhoudingen inherente (contractuele) bijzonderheden. Om déze op een juiste en ook efficiënte manier te kunnen oplossen, zijn drie fundamentele beginselen geformuleerd, die kunnen worden gezien als ‘de hoekstenen waar binnen het derdenbeslag zich afspeelt’.63 Hoewel zij zeker niet nieuw zijn – en ook al golden voor het ‘oude’ derdenbeslagrecht (1838-1992) –, zijn zij door de wetgever niet of nauwelijks onder woorden gebracht, behoudens de nu in paragraaf 1.3.1.2 als eerste te bespreken nemo 58 Zie het KBvG-preadvies uit 2014, par. 1.2.4, p. 39-45. 59 Toch zal hierna in par. 1.3.3.3 en daar noot 104 voor één HR-arrest uit 2015 een uitzondering worden gemaakt. 60 Zie daarover met name ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 3, p. 20-21. Deze paragraaf is ook als ‘Drie beginselen van derdenbeslagrecht’ gepubliceerd in: BER 2014-2, p. 27-32. 61 Daarin is o.m. bepaald dat een ‘vervreemding’ of een ‘verpanding’ die ná het beslag tot stand is gekomen, niet aan de beslaglegger kan worden tegengeworpen. Dat geldt dus – a contrario – niet als die vervreemding of verpanding geldig vóór het beslag is geëffectueerd. De eventuele ongeldigheid van de ‘benadelende rechtshandeling’ zal in beginsel wel door de beslaglegger moeten worden aangetoond (zie ook hierover L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 154, p. 270). 62 Op de inhoud en het belang van het ex art. 476a en 476b Rv door (C) doen van een buitengerechtelijke verklaring en het eventueel erop volgen van procedures ex art. 477a (lid 1, 2 of 4) Rv zal hierna in par. 1.3.4.4 nader worden ingegaan. 63 Aldus in L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 42, p. 73, zij het dat zulks toen nog alleen gold voor de hier in par. 1.3.1.2 en 1.3.1.3 te bespreken regels. Het congruentiebeginsel is door deze auteur pas later zo onder woorden gebracht. Zie daarover in par. 1.3.1.4.

36


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

plus-regel, terwijl ook de Hoge Raad pas één keer een van die beginselen met zoveel woorden heeft genoemd. Deze beginselen of regels zijn: (a) de nemo plus-regel of regel van gebondenheid, (b) de non peius-regel en (c) het congruentiebeginsel. Zij zullen hierna in de paragrafen 1.3.1.2, 1.3.1.3 en 1.3.1.4 – kort – nader worden toegelicht.64 1.3.1.2 De nemo plus-regel of regel van gebondenheid De essentie van deze regel is in 2003 in de dissertatie van Broekveldt als volgt omschreven:65 “De nemo plus-regel komt in de kern hierop neer dat schuldeiser (A) die tot verhaal van zijn vorderingen beslag legt op de vorderingen die zíjn schuldenaar – beslagdebiteur (B) – op derdebeslagene (C) heeft of zal verkrijgen, de rechtsverhouding waarin laatstgenoemde vorderingen hun grondslag vinden, of waaruit zij rechtstreeks zullen voortvloeien, in beginsel dient te aanvaarden, zoals hij deze aantreft, derhalve met alle van die rechtsverhouding deel uitmakende rechten én ook verplichtingen. Of anders gezegd: de rechtsverhouding (B)-(C) vormt voor (A) een feitelijk en met name juridisch gegeven waarin hij als beslagleggende schuldeiser – op een aantal uitzonderingen na (...)66 – geen wijzigingen kan brengen.”

Om die reden zou evengoed – en misschien zelfs beter – gesproken kunnen worden van de regel van gebondenheid: zo zal door (A) als beslaglegger een door (B) en (C) gemaakt beding moeten worden gerespecteerd, waarbij tussen hen bijvoorbeeld is overeengekomen dat bepaalde vorderingen met elkaar verrekend mogen worden, ook al zou die verrekening ingevolge het bepaalde in artikel 6:130 lid 2 (jo. art. 6:127) BW niet aan de beslaglegger kunnen worden tegengeworpen. In zo’n geval zal (A) een dergelijke compensatie dus tegen zich moeten laten gelden, evenals (B) dat als schuldeiser van (C) zou hebben moeten doen, indien ten laste van hem geen beslag onder zijn schuldenaar (C) zou zijn gelegd. Overigens zou ook het omgekeerde gelden indien tussen (B) en (C) verrekening contractueel zou zijn uitgesloten.67 Maar de nemo plus-regel heeft ook een (positieve) keerzijde: de beslagleggende schuldeiser (A) kan weliswaar niet méér rechten of bevoegdheden uitoefenen dan schuldenaar (B) zélf jegens (C) heeft, maar in beginsel ook niet minder rechten of bevoegdheden. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan bevoegdheden als opzegging, ontbinding of zelfs vernietiging van de onderliggende overeenkomst (B)-(C), maar dat is zeker niet in alle gevallen

64 Zie voor een meer omvattende toelichting de eerder in noot 58 genoemde vindplaats in het KBvG-preadvies uit 2014. 65 L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 43, p. 73; en ook de losbladige Kluwer Rv (Broekveldt), aant. 2 bij art. 475 (supplement 366, oktober 2015). Zie voorts W. Snijders, ‘Betaling per giro’, in: Van Opstal-bundel, 1972, p. 183-184, onder 9 (sub 2). 66 Deze uitzonderingen – drie in totaal – zijn uitvoerig beschreven in L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nrs. 45-58, p. 76-107. Daarbij gaat het – kort gezegd – om (1) het beroep op de pauliana (ex art. 3:45 BW), (2) de toepassing van art. 479a Rv (fictief loon) en (3) het fenomeen van ‘vereenzelviging’. De kwestie van het ‘fictief loon’ zal ook in het kader van de beslagvrije voet een rol kunnen spelen. Zie daarover nader het KBvG-preadvies uit 2014, par. 1.3.3, p. 78. 67 Voor een goed voorbeeld wordt verwezen naar HR 20 januari 1984, NJ 1984/512 (Ontvanger/Barendregt), m.nt. W.C.L. van der Grinten (zie ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 43, p. 74, en daar noot 36, en nr. 318, p. 531-533).

37


Bestaansminimum en bankbeslag

mogelijk.68 In dit verband is ten slotte nog van belang erop te wijzen dat, indien tussen (B) en (C) op de voet van het bepaalde in artikel 3:83 lid 2 BW is overeengekomen dat de vordering van (B) op (C) niet voor overdracht vatbaar is, dat beding tóch niet aan de beslaglegger zal kunnen worden tegengeworpen. Zoals blijkt uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 475a Rv wordt de vordering van (B) jegens (C) in geval van derdenbeslag niet uitgewonnen door overdracht, maar door deze te innen op de voet van artikel 477 lid 1 Rv: doordat de derdebeslagene aan de deurwaarder van de beslaglegger betaalt.69 Hier speelt de nemo plus-regel dus geen rol. 1.3.1.3 De non peius-regel Deze regel kom in de kern hierop neer dat (C) als derde-beslagene niet slechter70 (of minder) af mag zijn in zijn verhouding tot (A) als beslaglegger – die zich wil verhalen op de vordering van (B) op hem – dan wanneer (C) als schuldenaar rechtstreeks door (B), al dan niet in rechte, tot enige betaling zou zijn aangesproken.71 Of anders gezegd: alle verweren en andere rechten die (C) als schuldenaar aan (B) zou kunnen tegenwerpen of geldend maken, dient hij rechtens ook tegenover beslaglegger (A) in stelling te kunnen brengen. Dit betekent in het bijzonder dat (A) zich niet kan onttrekken aan de inhoud van de onderliggende rechtsverhouding (B)-(C) – die immers de kern van elk derdenbeslag vormt –, zodat de non peius-regel als het ware de tegenhanger – of misschien beter: het complement – vormt van de nemo plus-regel;72 deze regel bindt immers (A) eveneens aan de inhoud van díé rechtsverhouding. In de parlementaire geschiedenis van het NBW zijn, zoals gezegd, op een paar plaatsen wel aanwijzingen te vinden dat ook de wetgever (van een combinatie) van deze regels/beginselen is uitgegaan.73 Maar pas in De Jong/Carnifour (‘HR 2001’)74 is de non peius-regel uitdrukkelijk in het kader van het derdenbeslagrecht aanvaard en geformuleerd. In die zaak ging het – kort gezegd – om de vraag of het een derde-beslagene (hier: Carnifour) vrijstond op de door haar overeenkomstig artikel 476a jo. artikel 476b Rv afgelegde schriftelijke verklaring – inhoudend dat zij op de beslagdatum een bepaalde geldsom aan de beslagdebiteur was verschuldigd en bereid was om deze af te geven – terug te komen (in de zin van: wijzigen of zelfs volledig herroepen). Nadat zij door De Jong (als beslaglegger) op de voet van artikel 477a lid 4 Rv was gedagvaard tot nakoming van de door haar eerder in de conservatoire fase van het beslag 68 Daarvoor is immers vereist dat de beslaglegger bevoegd is om die rechten – zogeheten wilsrechten – in plaats van de beslagdebiteur uit te oefenen. Dat kan zeker indien die mogelijkheid hem in de wet is toegekend (vgl. o.m. art. 477 lid 4 Rv, op grond waarvan de beslaglegger een vordering in beginsel opeisbaar kan maken), maar de Hoge Raad lijkt op dit gebied een terughoudend beleid voor te staan. Zie daarover het in 2004 gewezen Kredietruimtearrest, dat in het KBvG-preadvies uit 2014 in par. 1.2.7.2, p. 62-63 (en daar noot 138), is besproken. 69 Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 161; zie ook de losbladige Kluwer Rv (Broekveldt), aant. 3.3 bij art. 475a (supplement 361, april 2015); en L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 81, p. 146-147. Zie voorts F.E.J. Beekhoven van den Boezem, Onoverdraagbaarheid van vorderingen krachtens partijbeding, 2003, p. 119-148; en naar: Parl. Gesch. Boek 3, p. 314. 70 De uitdrukking ‘non peius’ is door Broekveldt bedacht ‘potjeslatijn’ voor ‘niet slechter’ of ‘niet minder’. 71 Zie ook daarover L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 42, p. 72-73, en uitvoerig nrs. 210-212, p. 368-372. 72 In die zin ook: L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 201, p. 368. 73 Zie L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 211, p. 369-371. 74 HR 30 november 2001, NJ 2002/419, m.nt. H.J. Snijders; zie ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 251, p. 434-437.

38


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

gedane verklaring (lees: tot betaling van de door haar verschuldigd verklaarde geldsom), stelde Carnifour zich op het standpunt dat zij zich destijds bij het doen van deze verklaring had vergist en dat zij aan de beslagdebiteur juist niets was verschuldigd.75 Bij de beoordeling van deze vraag – die nog niet eerder aan de Hoge Raad was voorgelegd (ook niet onder het oude recht)76 – moet (aldus r.o. 3.3.2, 1e alinea): “het volgende worden vooropgesteld. (a) In geval van derdenbeslag wordt de derde-beslagene, zonder daartoe zelf aanleiding te geven, betrokken in een geding tussen de executant en de geëxecuteerde. (b) De derde-beslagene mag als gevolg van het derdenbeslag niet in een slechtere positie komen dan waarin hij stond tegenover de geëxecuteerde. (c) Een derde-beslagene zal in beginsel ook niet meer aan de executerende deurwaarder behoeven te voldoen, of ter beschikking te stellen, dan hij aan de geëxecuteerde schuldig was of aan deze diende af te geven.”

Op grond van deze drie kernregels – met onder b de non peius-regel –, in onderling verband en samenhang beschouwd, kwam de Hoge Raad tot de slotsom dat moest worden aangenomen dat (r.o. 3.3.2, 2e alinea) “het de derde-beslagene in beginsel vrij staat om zijn verklaring te herroepen of te wijzigen”. Daaraan werd nog toegevoegd dat (1) indien aan alle vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan “een derde-beslagene onrechtmatig jegens de executant handelt door een onjuiste verklaring af te leggen”, terwijl (2) ook denkbaar is dat, “zo daartoe gronden zijn, moet worden aangenomen dat de derde-beslagene het recht heeft verwerkt zich er op te beroepen dat zijn verklaring onjuist was”. Het voorgaande heeft desalniettemin nog niet tot een duidelijke lijn in de lagere rechtspraak geleid, zij het dat er nu wel een paar uitspraken zijn gepubliceerd.77 Het belangrijkste aspect van de non peius-regel is mogelijk daarin gelegen dat de derde-beslagene alle verweermiddelen die hij ook tegen zíjn schuldeiser (beslagdebiteur of geëxecuteerde) in stelling zou kunnen brengen én hem tegenwerpen – indien hij door hem rechtstreeks, al dan niet in rechte, zou zijn of worden aangesproken – óók aan de beslaglegger kan tegenwerpen. Daarbij kan bijvoorbeeld aan de volgende bevoegdheden worden gedacht: inroepen verrekening, beroep op een opschortings- of retentierecht, inroepen van ontbinding en/of vernietiging van de onderliggende overeenkomst (B)-(C). Ook de bewijsrechtelijke positie van de derde-beslagene in een van de procedures als bedoeld in artikel 477a Rv – waarover hierna nader in paragraaf 1.3.4.4 – zal in dit verband een niet onbelangrijke rol kunnen spelen: nu de derde-beslagene in zo’n geval als gedaagde door de beslaglegger als eiser in rechte zal worden betrokken, zal de bewijslast in beginsel op de voet van artikel 150 Rv bij de beslaglegger

75 76 77

Het opgegeven bedrag was Carnifour aan een andere vennootschap (met een vergelijkbare naam) binnen hetzelfde concern verschuldigd. Maar ten laste van die vennootschap was het beslag niet gelegd. Maar dan zou de derde-beslagene die mogelijkheid tot herstel moeten hebben gehad in het kader van de toen steeds verplicht te voeren verklaringsprocedure. Overigens zou dat niet bij voorbaat uitgesloten zijn geweest, maar duidelijke rechtspraak van vóór 1992 is daarover niet. Door Rb. Rotterdam 2 oktober 2013, JOR 2013/12, nr. 352, m.nt. A. Steneker, is een paar jaar geleden in een tamelijk ingewikkelde casus aanvaard dat de derde-beslagene op zijn verklaring mocht terugkomen, ook al had hij de vordering zonder voorbehoud, zij het aan een ander dan de beslaglegger – dus in strijd met art. 475h lid 1 Rv –, voldaan. Zie in dit verband ook nog Hof ’s-Hertogenbosch 3 september 2013, NJF 2014/46, waarin herroeping van de verklaring eveneens werd aanvaard, omdat geen sprake was van rechtsverwerking of onrechtmatige daad.

39


Bestaansminimum en bankbeslag

liggen, wat in beginsel ook het geval zou zijn wanneer de derde-beslagene rechtstreeks door zijn schuldeiser zou zijn of worden aangesproken. Dit stelsel spoort dus in beginsel met de non peius-regel, die bijgevolg vrij strak zal moeten worden toegepast en zeker niet buiten het eigenlijke doel ervan, te weten het niet onnodig verzwaren van de juridische positie van de derde-beslagene.78 Maar als in de onderliggende rechtsverhouding (B)-(C) bijvoorbeeld een beding voorkomt dat als gevolg van het gelegde derdenbeslag voor de derde-beslagene in mogelijk nadelige zin wordt ‘geactiveerd’, dan zal dat niet zonder meer met een beroep op de non peius-regel ongedaan gemaakt kunnen worden. Het voert echter te ver om hier op dit thema en de uiteenlopende (lagere) rechtspraak erover nader in te gaan.79 1.3.1.4 Het congruentiebeginsel Dit derde beginsel beoogt uit te drukken dat – kort gezegd – de uitkomst van een gelegd derdenbeslag dat doel heeft getroffen, in essentie niet behoort af te wijken van de uitkomst die zou zijn verkregen indien die onderliggende rechtsverhouding rechtstreeks tussen (B) en (C) zou zijn afgewikkeld (al dan niet in rechte). Daarmee wordt dus niet bedoeld een verschil in uitkomst dat bijvoorbeeld het gevolg is van het feit dat de vordering van (A) op (B) minder beloopt dan de beslagen vordering van (B) op (C), zodat (C) uiteindelijk nog een bedrag aan (B) verschuldigd blijft. Het hier bedoelde congruentiebeginsel, dat door Broekveldt voor het eerst met zoveel woorden is geformuleerd naar aanleiding van de zaak FIC/Van Lieshout (‘HR 2006’),80 zou als synthese kunnen worden gezien van zowel de nemo plus-regel als de non peius-regel. Enerzijds ervan uitgaande dat (A) als beslaglegger – op een enkele uitzondering na – niet méér rechten en/of bevoegdheden kan uitoefenen dan beslagdebiteur (B) als schuldeiser van (C) toekomen, terwijl anderzijds (C) als gevolg van het onder hem gelegde beslag niet ‘slechter’ af mag zijn dan zonder dat beslag het geval zou zijn geweest, leidt dit tot het primaat van de onderliggende rechtsverhouding tussen (B)-(C) en daarmee tot een congruentie van uitkomst mét en zónder beslag. Aan de hand van voormeld arrest kan dat inzichtelijk worden gemaakt. In de kern genomen lag de casus vrij eenvoudig: onder Van Lieshout (de notaris) was op verzoek van twee partijen – Van Os en Sint Alexis – een bedrag van f 75.000 ter verdeling in 78 79

80

40

In L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 212, p. 371-372, is ook op deze aspecten ingegaan. Zie in dit verband ook diens artikel ‘Derdenbeslag en bewijs’, in: BER 2012-1, p. 17-22. Hierna zal in par. 1.3.4.5 op de bewijsrechtelijke positie van de beslagleggende schuldeiser ook nog nader worden ingegaan. In aant. 4.2 (supplement 366, oktober 2015) bij art. 475 in de losbladige Kluwer Rv (Broekveldt) is daarvan (in noot 1, p. 13) het volgende voorbeeld gegeven. In Rb. Amsterdam 16 april 2006, NJF 2006/347 (Curatoren Jomed/ Chubb), werd met een beroep op de non peius-regel het beslag op met name de kosten van rechtsbijstand als misbruik van recht – en dus onrechtmatig – aangemerkt en op die grond opgeheven: als derde-beslagene zou de positie van Chubb als verzekeraar te zeer kunnen worden benadeeld, indien de beslagen verzekerden zich niet (langer) naar behoren in rechte zouden kunnen verdedigen. Het was dus niet zozeer het derdenbeslag, maar veeleer de inhoud van de polisvoorwaarden die de verzekeraar en zijn verzekerden hier parten speelden. Deze vermoedelijk onjuiste zienswijze is herhaald in Rb. Oost-Brabant 24 juli 2013, JBPr 2014/1, nr. 11, m.nt. J.E.P.A. van Hooff. Daarin worden ook twee uitspraken vermeld die van de tegenovergestelde – d.w.z. juiste – visie getuigen (zie ook aant. 4.2 en 4.3 bij art. 475 in de losbladige Kluwer Rv (supplement 366, oktober 2015), p. 13-14, met in noten vrij recente literatuur over deze problematiek). Daaraan wordt hier nog toegevoegd: R.A.M.D Smit, ‘Conservatoir derdenbeslag door de curator op een D&O-verzekering: te voorkomen?’, in: TvI 2017-2, p. 75-79. HR 24 november 2006, NJ 2007/540, m.nt. H.J. Snijders; zie over dit arrest ook L.P. Broekveldt, ‘Derdenbeslag en onverschuldigde betaling. (Een paar opmerkingen n.a.v. HR 24 november 2006, RvdW 2006/1104)’, in: NTBR 20078, p. 353-362. Daar is onder 8, p. 358, het congruentiebeginsel voor het eerst expliciet verwoord.


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

depot gestort. Over de vraag wie recht had op dat bedrag, werd tussen Van Os en Sint Alexis een bodemprocedure gevoerd. De notaris diende het bedrag uit te keren aan díé partij die bij onherroepelijk gewijsde in het gelijk zou worden gesteld. Van Os werd aanvankelijk in het gelijk gesteld, maar de notaris weigerde het depotbedrag aan hem uit te betalen. Nadien werd Van Os in hoger beroep definitief in het gelijk gesteld, zodat vaststond dat híj definitief als enige tot het depotbedrag gerechtigd was. Intussen was echter door een andere schuldeiser van Sint Alexis – te weten: FIC – onder de notaris executoriaal derdenbeslag gelegd, naar aanleiding waarvan door de notaris prompt ingevolge artikel 477 lid 1 Rv tot betaling van het volledige depotbedrag aan (de deurwaarder van) FIC was overgegaan. Aangezien de notaris uit hoofde van de depotovereenkomst niets aan Sint Alexis verschuldigd bleek te zijn – en daarmee (indirect) dus ook niets aan FIC –, stelde hij op grond van artikel 6:203 lid 1 BW (‘onverschuldigde betaling’) een rechtsvordering tot terugbetaling tegen FIC in. Die vordering werd in alle instanties aan de notaris toegewezen, hetgeen gelet op de in de paragrafen 1.3.1.2 en 1.3.1.3 besproken regels en beginselen niet kan verbazen. In FIC/Van Lieshout begint de Hoge Raad met enkele beslissingen uit De Jong/Carnifour (in r.o. 3.7.1) voorop te stellen: “Aan deze klachten ligt de opvatting ten grondslag dat de rechtsgrond voor de betaling door de derde-beslagene (Van Lieshout) aan de beslaglegger (FIC) is gelegen in de verplichting krachtens artikel 477 lid 1 Rv de volgens de afgelegde verklaring verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder te voldoen. Die rechtsopvatting is echter onjuist, zoals blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 30 november 2001, nr. C00/041, NJ 2002, 419. In dat arrest heeft de Hoge Raad, na vooropstelling van enige uitgangspunten in 3.3.2,81 geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een derde-beslagene op de voet van de artikel 476a en 476b Rv heeft verklaard dat hij een bedrag aan de geëxecuteerde schuldig is, niet rechtvaardigt dat de derde-beslagene verplicht is om hetgeen hij volgens zijn verklaring aan de geëxecuteerde schuldig is, te voldoen aan de met de executie belaste deurwaarder. Voorts oordeelde de Hoge Raad (in 3.3.3), samengevat, dat daarom niet als juist kan worden aanvaard dat uit het bepaalde bij artikel 477 lid 1 Rv voortvloeit dat een derde-beslagene verplicht is om hetgeen hij volgens zijn verklaring aan de geëxecuteerde verschuldigd is te voldoen aan de met de executie belaste deurwaarder, ook wanneer de verklaring berust op een vergissing en de derde-beslagene niets aan de geëxecuteerde schuldig is.”

In de daaropvolgende rechtsoverweging (r.o. 3.7.2) stelt de Hoge Raad enerzijds vast dat er (1) voor de afdracht door notaris Van Lieshout aan FIC geen “rechtsgrond bestond” (omdat de enkele betaling conform de verklaring op een vergissing had berust) en (2) dat ook “in de rechtsverhouding tussen Van Lieshout en Sint Alexis (...) die rechtsgrond niet te vinden” is.82 Hoewel de Hoge Raad dat niet expliciet zegt, komt het sub 1 en sub 2 gestelde er, in onderling verband en samenhang bezien, op neer dat (de afwikkeling van) de rechtsverhouding tussen Van Lieshout (als derde-beslagene) en FIC (als beslaglegger) niet wezenlijk anders behoort te

81 82

Deze drie uitgangspunten zijn in het hiervóór in par. 1.3.1.3 weergegeven citaat opgesomd. Bij onherroepelijk gewijsde was immers tussen Van Os en Sint Alexis vastgesteld dat de laatstgenoemde geen recht had op het door de notaris in depot gehouden bedrag.

41


Bestaansminimum en bankbeslag

zijn dan wanneer – het derdenbeslag weggedacht – Van Lieshout óók bij vergissing (en dus zonder rechtsgrond) aan FIC zou hebben betaald.83 Een en ander betekent dat tussen de beide mogelijke situaties congruentie dient te zijn (bijzondere feiten of omstandigheden, zoals een geslaagd beroep op verjaring of rechtsverwerking, even daargelaten).84 1.3.2 Kort intermezzo: drie beginselen van derdenbeslag en de beslagvrije voet De in de paragrafen 1.3.1.2 t/m 1.3.1.4 besproken drie fundamentele beginselen van het derdenbeslagrecht kunnen tevens consequenties hebben voor de toepassing van de beslagvrije voet. Daarmee wordt bedoeld dat het niet aan de lagere85 rechter is om, bijvoorbeeld met een beroep op de ‘redelijkheid en billijkheid’ (vgl. art. 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW) of op het leerstuk van ‘misbruik van recht’ (vgl. art. 3:6 BW), de beslagleggende schuldeiser te beknotten in zijn verhaalsmogelijkheden. Daarvan zou immers sprake zijn indien deze rechter, zoals in verschillende vonnissen en (ook) arresten al is gebeurd,86 van oordeel is dat de beslagvrije voet, die aan de oorspronkelijke vordering rechtens verbonden is (c.q. was), vervolgens óók dient te gelden met betrekking tot rekeningen waarop die vorderingen zijn overgeboekt, in de meeste gevallen een ‘doodgewone’ rekening-courant bij een bankinstelling. Het zonder enige deugdelijke wettelijke grondslag maar aannemen van deze ‘doorloop’87 staat, naar het lijkt, ook op zeer gespannen voet met aard en wezen van onder meer88 de besproken drie beginselen. Immers, de beslaglegger worden zo bepaalde rechten en bevoegdheden ontnomen – en hij is dus ‘slechter’ af –, terwijl ook de vereiste ‘congruentie’ in het gedrang lijkt te komen. Afgezien daarvan behoort het niet tot de taak van de beslagleggende schuldeiser – laat staan van de voor hem optredende deurwaarder – om, indien dat al mogelijk zou zijn, zelfstandig een ‘buitenwettelijke’ beslagvrije voet in het leven te roepen. Dat is juridisch onzinnig, waarop aan het slot van dit hoofdstuk in paragraaf 1.5 nog zal worden teruggekomen.

83

Tussen (A) als beslaglegger en (C) als derde-beslagene bestaat immers als zodanig geen rechtsverhouding in de eigenlijke zin van het begrip, zoals wel het geval is bij een overeenkomst of onrechtmatige daad. De verhouding (A)-(C) wordt dus uitsluitend bepaald en omlijnd door het gelegde derdenbeslag en de daarop van toepassing zijnde (verdere) wettelijke regels van beslag en rechtsvordering. 84 Zo is denkbaar dat de notaris zó lang met zijn actie tot terugvordering heeft gewacht dat FIC, zoals zij ten processe ook heeft getracht ingang te doen vinden (maar tevergeefs; zie: HR-arrest, r.o. 3.7.3), wél met succes een beroep op de extinctieve verjaring van de rechtsvordering had kunnen doen (vgl. art. 3:309 BW). 85 Dat geldt in beginsel ook voor de Hoge Raad, maar deze kan zich meer vrij achten om, waar nodig en mogelijk, zich te hullen in het kleed van de wetgever. 86 Hierna zal in par. 1.4.4 e.v. daarop nader worden ingegaan. Zie daarover ook het KBvG-preadvies uit 2014, par. 1.3.2, p. 72-78 (met daar noot 178 op p. 72). 87 Daarmee wordt bedoeld dat de status van de oorspronkelijke vorderingen waaraan een beslagvrije voet is verbonden (dus bijv. de eigenlijke vorderingen op de SVB) diezelfde status behouden – dus dat deze ‘doorloopt’ – bij de overmaking naar een ‘gewone’ bankrekening. In par. 1.4.4.2.1 t/m 1.4.4.2.5 zal daarop nog uitvoerig worden ingegaan. 88 Maar óók, zoals in par. 1.4.4.2.1 t/m 1.4.4.2.4 nog uitvoerig zal worden uiteengezet, met het systeem van het girale en bancaire betalingsverkeer.

42


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

1.3.3

Blokkerende werking van het (derden)beslag

1.3.3.1 Inleidende opmerkingen Algemeen wordt aangenomen dat de blokkerende werking een van de belangrijkste gevolgen is van een gelegd – conservatoir of executoriaal – (derden)beslag.89 In het bijzonder waar het de gevolgen ervan betreft zal het in de praktijk vrijwel steeds gaan om een verhaalsbeslag (zoals het derdenbeslag), ook al kan het bij het leveringsbeslag als bedoeld in artikel 730 Rv ook een rol spelen (maar mogelijk minder pregnant).90 Het is curieus dat een zo belangrijk beginsel van beslagrecht niet expliciet in de wet is opgenomen en daarin onomwonden is verwoord, terwijl het ook in de parlementaire geschiedenis niet uitdrukkelijk is toegelicht.91 Het moet – met name voor de gevolgen ervan – worden afgeleid uit de (sinds 199292) bij elke beslagsoort in de wet opgenomen afzonderlijke bepalingen, zoals bijvoorbeeld93 artikel 475h Rv (derdenbeslag) en artikel 505 lid 2 Rv (beslag op onroerende zaken), welke bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op de daarmee corresponderende conservatoire beslagen (vgl. art. 720 Rv, resp. art. 726 lid 1 Rv). In het arrest Ontvanger/De Vlaanderen (‘HR 2005’)94 – dat in paragraaf 1.3.4.4 ook nog in een ander verband ter sprake zal komen – is over de blokkerende werking95 het volgende opgemerkt (r.o. 3.3.1, 2e alinea): “Aan het in deze zaak aan de orde zijnde executoriale derdenbeslag als bedoeld in artikel 475 Rv komt – evenals aan ieder ander beslag – blokkerende werking toe. Artikel 475h lid 1 Rv bepaalt in dit verband – voor zover hier van belang – dat een in weerwil van het beslag gedane betaling niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen. De blokkerende werking betreft ingevolge laatstgenoemde bepaling de ‘door het beslag getroffen vordering’.”

In die zin ook: L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 143, p. 250-251; zie ook F.H.J. Mijnssen en A.I.M. van Mierlo, Materieel beslagrecht, 2009, par. 1.4, p. 11-16 (algemeen) en par. 3.3, p. 86-90 (derdenbeslag); A.W. Jongbloed, Executierecht, 2014, par. 3.3, p. 50-52; T&C Rv (Gieske), 2016, aant. 2 bij art. 475h; en J.W. Westenberg, Commentaar op art. 475h, lid 1 Rv, C.1-C.3, Sdu commentaar Burgerlijk Procesrecht, 2012 (zie t.a.p. ook het Commentaar van H.A. Stein bij art. 453a Rv, C.1-C.3); en ook: H.A. Stein, Beslag- en executierecht in de (dagelijkse) praktijk, 2016, par. 2.4, p. 41-43. 90 In diens bespreking van het proefschrift van M.M.L. Harreman, Conservatoire beslagen tot afgifte en levering. Een studie naar de werking en problematiek van het 730 Rv-beslag, mede in rechtshistorisch perspectief, 2007, is Broekveldt, in RMThemis 2013-5, Ad a) en b), nrs. 8-9, p. 235-237, daarop uitvoerig ingegaan. Daarin is o.m. betoogd dat als er twee elkaar ‘concurrerende’ leveringsbeslagen (ex art. 730 Rv) zijn gelegd, het antwoord op de vraag wélk beslag van de twee het sterkste recht belichaamt (en dus in beginsel voorgaat), wordt bepaald door art. 3:298 BW en niet zonder meer door het oudste beslag. 91 Zie daarover nog wel Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 118-121 (MvT Inv. bij art. 453a). 92 Tot dan was alleen in art. 505 lid 4 (oud) Rv (beslag onroerende zaken) een blokkeringsregel opgenomen. Maar de regel gold voor alle soorten beslagen. Zie bijv. het eerder in par. 1.2.2.2.3 en daar noot 48 genoemde HR-arrest inzake Van Berkel/Tribosa uit 1991 (zie ook nog hierna noot 103). 93 Voor een opsomming van alle blokkeringsbepalingen wordt verwezen naar L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 145, p. 254-255; zie ook H.A. Stein, Goed beslagen, 2011, par. 58, p. 87-90; en in: H.A. Stein, Beslag- en executierecht in de (dagelijkse) praktijk, 2016, par. 2.4, p. 41-43. 94 HR 21 januari 2005, NJ 2006/310, m.nt. H.J. Snijders. 95 Ook in HR 3 september 2010, NJ 2013/329 (HCB/DHV), m.nt. A.I.M. van Mierlo, is in r.o. 3.3.2, 2e alinea, kort gerefereerd aan de ‘blokkerende werking’ van een – ook toen – gelegd derdenbeslag, in welk geval daarná de beslagen vorderingen waren verpand. 89

43


Bestaansminimum en bankbeslag

Als rechtshandelingen die niet tegen de beslaglegger kunnen worden ingeroepen, zijn in artikel 475h lid 1 Rv verder nog genoemd: vervreemding, bezwaring, afstand en onderbewindstelling van de door het beslag getroffen vordering, terwijl in lid 2, wanneer het gaat om door het beslag getroffen roerende zaken, artikel 453a Rv van overeenkomstige toepassing is verklaard. 1.3.3.2 Rechtskarakter en functie blokkeringsregel Op het rechtskarakter van de blokkeringsregels – dat pas écht tot uitdrukking komt indien het beslagen goed bijvoorbeeld wél wordt vervreemd, of als de beslagen vordering of zaak in weerwil van het beslag tóch wordt voldaan of afgegeven – zal in paragraaf 1.3.3.3 nader worden ingegaan in het kader van de problematiek van opheffing en (mogelijke) herleving van een gelegd beslag, een situatie die zich zeker ook kan voordoen ingeval sprake is van toepassing van de beslagvrije voet. Juist ook in verband met dit laatste is het goed om hier eerst nog – heel kort – in te gaan op de functie van de blokkerende werking, zoals die blijkt uit het arrest Ajax/Reule (‘HR 1999’),96 in het bijzonder in het verband van een conservatoir verhaalsbeslag (r.o. 3.4.2): “Conservatoir beslag is een middel tot bewaring van recht, dat ertoe strekt te voorkomen dat in beslag genomen goederen worden vervreemd en aldus niet meer door executoriaal beslag kunnen worden getroffen op het tijdstip waarop met betrekking tot die goederen een executoriale titel is verkregen.”

Het gaat er dus om de schuldeiser te behoeden voor eventuele ná het beslag met betrekking tot het beslagen goed – zoals bijvoorbeeld vorderingen tot betaling van een geldsom of levering van een goed, roerende en onroerende zaken – verrichte rechtshandelingen, waardoor het verhaalsrecht van de beslaglegger illusoir of ernstig aangetast kan geworden. De blokkeringsregel heeft aldus de functie om met name iedere beslaglegger te beschermen in zijn (mogelijke) rechten van verhaal (of van andere aanspraken). In de diverse blokkeringsbepalingen, die niet allemaal op dezelfde wijze zijn geformuleerd (maar die wel alle dezelfde strekking en functie hebben),97 is de blokkeringsregel nergens in positieve zin geformuleerd, maar steeds in negatieve zin, te weten dat de benadelende 98 rechtshandeling – aldus (o.m.) artikel 475h lid 1, 1e volzin, Rv – “niet tegen de beslaglegger [kan] worden ingeroepen”. 1.3.3.3 De Hoge Raad kiest zonder enig voorbehoud voor zaaksgevolg Wat betekent het in paragraaf 1.3.3.2 opgemerkte nu precies? Anders gezegd: hoe moet rechtens geoordeeld worden over (bijv.) een betaling of een vervreemding in strijd met een gelegd beslag? Die vraag is duidelijk en helder door de Hoge Raad beantwoord99 – hetgeen niet weg96 97 98 99

44

HR 26 februari 1999, NJ 1999/717, m.nt. H.J. Snijders; zie L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nrs. 397-398, p. 654-659. Zie ook daarover L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 145, p. 254-255. Deze term is gebruikt in L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 147, p. 255. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat er een zekere verwantschap is met de benadelende rechtshandelingen waartegen de pauliana in voorkomende gevallen in stelling kan worden gebracht (zie t.a.p. ook nr. 147, p. 257-259). In L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nrs. 146-147, p. 255-258, zijn alle toen gangbare theorieën besproken, zonder dat daarbij overigens een heel duidelijke voorkeur werd uitgesproken. Maar de ‘leer’ van de


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

neemt dat er nog steeds (of weer) auteurs zijn die zich daar niet bij kunnen neerleggen 100 –, en wel in déze zin dat er, kort gezegd, sprake is van zaaksgevolg evenals bij pandrecht, en dus niet van enige vorm van beschikkingsonbevoegdheid aan de zijde van de beslagene door wie gehandeld is of wordt in weerwil van het te zijnen laste gelegde beslag, laat staan van (absolute of relatieve) nietigheid van de verrichte rechtshandeling.101 In het arrest Forward/Huber (‘HR 2008’),102 waarin het uiteindelijk ging om de gevolgen van een opgeheven en – al dan niet – herleefd beslag, besliste de Hoge Raad (in r.o. 3.3.2) kort en bondig als volgt: “Een beslag als het onderhavige leidt niet tot beschikkingsonbevoegdheid van degene ten laste van wie het is gelegd, en staat dus ook niet in de weg aan overdracht van het beslagen goed aan een derde, maar brengt wél mee dat een vervreemding of bezwaring, tot stand gekomen na het beslag, ingevolge artikel 505 lid 2 Rv. niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen.”

Daarmee koos ons hoogste rechtscollege – opnieuw,103 maar nu héél duidelijk 104 – voor de ‘leer’ van het zaaksgevolg, en verwees daarmee alle andere theorieën om een soortgelijk resultaat te bereiken – dat wil zeggen de mogelijkheid om, ondanks vervreemding of bezwaring, het beslagen goed tóch onder de derde-verkrijger als de formeel rechthebbende door de beslaglegger te doen uitwinnen tot verhaal van zijn geldvordering – definitief naar het verleden. In HR 2008 ging het echter in wezen om een heel andere vraag – de hiervóór beantwoorde kwestie was dus meer ‘bijvangst’ –, te weten: in welke gevallen een beslag, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad was opgeheven, kon herleven. Over díé vraag was door de Hoge Raad in de periode 1995-2000 al een drietal standaardarresten gewezen, die hier niet (meer) uitvoerig zullen worden besproken. Dat zijn: Smokehouse/ Culimer (‘HR 1995’), DKHB/KIVO (‘HR 1996’) en met name Ontvanger Aruba/Boeije

100

101 102 103

104

beschikkingsonbevoegdheid werd in die bespreking althans destijds niet als juist aangewezen. En dat is ook in de hier besproken uitspraak bevestigd, terwijl dat uit enkele oudere arresten van de Hoge Raad eveneens al viel af te leiden (zie hierna ook noot 100). O.a. zijn dit, zelfs ná HR 2008 (Forward/Huber), nog D.J. van der Kwaak, ‘Beschikkingsonbevoegdheid, zaaksgevolg en relatieve nietigheid als mogelijke rechtsgevolgen van beslag’, in: TCR 2009-4, p. 132-139 (waar hij op p. 137, r.k., M.M.L. Harreman als medestander noemt, maar die kende HR 2008 toen nog niet). En meer recent H.J. Snijders, ‘Beschikking in weerwil van een beslag: een kritische analyse van de rechtspraak over de blokkeringsregel’, in: Groninger zekerheid (Reehuisbundel), 2014, p. 353-364. En eveneens recent nog steeds D.J. van der Kwaak, in: Een theorie van het privaatrecht (Mon. Privaatrecht 17), 2015, par. 11, p. 82-123. Deze materie is door Broekveldt uitvoerig behandeld in de bespreking, in RMThemis 2013-5, Ad a), nr. 8, p. 235-236, van het eerder in noot 90 genoemde proefschrift van Harreman. HR 5 september 2008, NJ 2009/154, m.nt. A.I.M. van Mierlo; JBPr 2008/5, nr. 52, m.nt. E. Loesberg; JOR 2008/11, nr. 320, m.nt. A. Steneker. In drie oudere arresten, waarin telkens de rechtsgeldigheid van de eigendomsoverdracht, ondanks op de onroerende zaak of op de vordering gelegd beslag, tot uitgangspunt werd genomen, was de Hoge Raad al op deze weg voorgegaan. Daarmee worden bedoeld: (1) HR 21 juli 1944, NJ 1944/45/576 (Landbouwersbank/Ringel), (2) HR 10 april 1953, NJ 1953/587 (Gemeente Ede/Ontvanger), en (3) HR 25 januari 1991, NJ 1992/172 (Van Berkel/Tribosa). Met name HR 1944 was hierin al heel duidelijk. Een en ander is recent herhaald in HR 13 november 2015, NJ 2016/425 (Promneftstroy/Yukos Capital en Glendale), m.nt. Th.M. de Boer en A.I.M. van Mierlo. Zie over dit arrest ook L.P. Broekveldt, ‘Een baanbrekend en grensverleggend arrest’, in: JBPr 2016-1, p. 4-16; en diens: Over eigenlijke en oneigenlijke conservatoire vreemdelingenbeslagen, 2017, par. 6.1-6.6.4, p. 59-74.

45


Bestaansminimum en bankbeslag

(‘HR 2000’).105 Uit het laatste arrest zal hier alleen nog de volgende passage worden geciteerd (r.o. 3.3.2, 2e alinea):106 “Een beslag als het onderhavige heeft mede de strekking degene ten laste van wie het is gelegd, de beslagene, in zoverre te beletten het goed te vervreemden of te bezwaren dat een vervreemding of bezwaring, tot stand gekomen na het beslag, niet kan worden ingeroepen tegen de beslaglegger. Opheffing van een beslag bij of ingevolge een bij voorraad uitvoerbaar vonnis, strekt ertoe de beslagene volledig te herstellen in zijn bevoegdheid om het goed te vervreemden of te bezwaren. Een derde kan rechten, die hij van de beslagene heeft verkregen in het tijdvak gelegen tussen de opheffing van het beslag en de vernietiging van het vonnis, dan ook aan de beslaglegger tegenwerpen.”

In HR 2008 – het vierde arrest in deze reeks – wordt op een en ander in díé zin voortgeborduurd, dat herleving van het opgeheven beslag (als gevolg van vernietiging in appel of cassatie van de opheffingsuitspraak) niet alleen (1) is uitgesloten in geval van tussentijdse vervreemding, bezwaring of betaling van de aanvankelijk beslagen vordering tot betaling van een geldsom107 (of van een ander goed), maar óók (2) indien een van die ‘benadelende’ rechtshandelingen al vóór de opheffing van het beslag had plaatsgevonden (wat nogal ver lijkt te gaan). Daarvoor is in HR 2008 de volgende redengeving gegeven (r.o. 3.3.5): “Is het beslagen goed, zoals in de onderhavige zaak, na de beslaglegging aan een derde overgedragen en daardoor uit het vermogen van de beslagene verdwenen, dan volgt uit het vorenstaande dat de vervreemding wel tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen. Als dit anders zou zijn, zou de wijziging in de rechtstoestand van het beslagen goed die door de opheffing van het beslag intrad, daarin bestaande dat de derde alsnog de onbezwaarde eigendom van het overgedragen goed verkreeg, immers niet worden geëerbiedigd.”

Hoe men hier verder ook over denkt, deze rechtspraak komt er in elk geval op neer dat enerzijds een beslag dat bij een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis is opgeheven, in beginsel kan herleven108 – en wel ex nunc, dus vanaf de vernietiging van dat vonnis109 –, maar dat anderzijds, indien het oorspronkelijk beslagen goed (een vordering of een zaak) tussentijds of reeds kort ná het beslag is vervreemd, bezwaard of voldaan, het daardoor als

105 Deze arresten zijn uitvoerig de revue gepasseerd in de bespreking door Broekveldt, in Themis 2013-5, Ad d), nr. 11, p. 238-240, van het eerder in de noten 90 en 100 genoemde proefschrift van Harreman. Dat geldt overigens ook voor HR 2008. 106 De precieze vindplaatsen zijn: HR 20 januari 1995, NJ 1995/415, m.nt. H.E. Ras; HR 23 februari 1996, NJ 1996/434; HR 26 mei 2000, NJ 2001/388, m.nt. H.J. Snijders. Zie ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 413, p. 681-683. 107 Bij een en ander moet bedacht worden dat het in vier van de berechte gevallen telkens ging om op onroerende zaken gelegde beslagen en daarmee de blokkeringsregel neergelegd in art. 505 lid 2 Rv. 108 Dat is alleen anders indien het opheffingsvonnis niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, zodat het daartegen aangewende rechtsmiddel wél schorsende werking heeft en daarmee ook het beslag blijft voortduren. Zie daarover met name HR 1995 als hiervóór (in noot 105) vermeld. 109 Indien het gaat om een herleefd beslag op een onroerende zaak (of ander registergoed), dient binnen veertien dagen ná de herleving in de openbare registers een exploot te worden ingeschreven, waarbij aan de schuldenaar – die dan weer beslagene is – mededeling is gedaan van die herleving, zulks op straffe van verval van die herleving. Het beslag was immers als gevolg van de opheffing op de voet van art. 513a Rv doorgehaald. Dit is in deze zin zo beslist in HR 1996 (zie eerder noot 105).

46


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

voor verhaal vatbaar vermogensbestanddeel definitief uit het vermogen van de beslagene/ schuldenaar is verdwenen. Op deze situatie heeft ook de op één na jongste loot van de Hoge Raad aan deze stam betrekking, te weten het arrest inzake Van Egmond/Rosendahl c.s. (‘HR 2013’).110 Hoewel het in die zaak met name ging om de lastige verhouding tussen Vormerkung (art. 7:3 lid 3 BW) en een onder de koper ‘op de koopsom’ gelegd derdenbeslag,111 werd de Hoge Raad in het kader van de afdoening ten principale van die zaak gesteld voor de vraag óf het beslag op de vordering ter zake van die koopsom – dat in kort geding was opgeheven – nog kon herleven, op de grond dat die in kort geding gewezen uitspraken (vonnis en bekrachtigend hofarrest) niet in stand konden blijven. Maar dat was niet het geval (aldus: r.o. 3.6, 2e alinea): “Als gevolg van een en ander is de vordering van Boutens c.s. op Rosendahl c.s. waarop het beslag was gelegd, door betaling tenietgegaan. Gelet daarop kon vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter niet meer tot gevolg hebben dat het beslag op de koopsom herleefde, nu wijzigingen in de rechtstoestand van het beslagen goed in de periode gelegen tussen de opheffing van het beslag en de vernietiging van dat vonnis geëerbiedigd moeten worden (...).112 Dit brengt mee dat Van Egmond in zoverre geen belang meer had bij zijn hoger beroep, ook al was (ook) de voorzieningenrechter in zijn vonnis van dezelfde onjuiste rechtsopvatting uitgegaan als hiervoor vermeld.”

Dit arrest voegt alleen in zóverre een nieuw element toe aan het hiervóór besproken ‘kwartet’ van arresten, dat het (1) hier niet ging om (opheffing van) een beslag op een onroerende zaak, maar nu om een derdenbeslag op een vordering die ‘tussentijds’ werd voldaan, waardoor (2) van enige herleving geen sprake meer kon zijn (wat overigens óók het geval was in HR 2000 en HR 2008). De oorspronkelijk beslagen vordering tot betaling van de koopsom was immers intussen voldaan, zodat er geen beslagobject meer was en er dus niets (meer) te ‘herleven’ viel. 1.3.4

Eis in de hoofdzaak, verklaringsplicht, 477a-procedures en bewijslast

1.3.4.1 Inleiding: beperkte reikwijdte bankbeslag De vier in de aanhef van deze paragraaf genoemde onderwerpen zijn in het KBvG-preadvies uit 2014 uitvoerig besproken en geanalyseerd.113 Aangezien er zich op deze terreinen sindsdien geen bijzondere ontwikkelingen hebben voorgedaan, kan hier, behoudens het onderdeel van de verklaringsplicht waarover met betrekking tot het bankbeslag enige bijzonderheden te melden zijn, worden volstaan met het eerder betoogde in grote lijnen samen te vatten.

110 HR 2013 is dus het vijfde arrest in een reeks van intussen zes arresten (zie ook noot 105). 111 HR 12 juli 2013, NJ 2014/273, m.nt. A.I.M. van Mierlo, waarbij, voor zover het betreft het aspect van Vormerkung en derdenbeslag op de koopsom, HR 8 oktober 2010, NJ 2012/212 (Van den Berg Makelaardij/Bernhard), m.nt. Jac. Hijma en A.I.M. van Mierlo, werd herhaald. Zie daarover ook L.P. Broekveldt, ‘Vormerkung, derdenbeslag, opheffing en betaling: quid iuris?’, in: BER 2013-5, p. 24-29. 112 Daar volgt verwijzing naar de arresten HR 2000 en HR 2008, zoals eerder vermeld in resp. de noten 101 en 105. 113 Zie t.a.p., par. 1.2.6.1 t/m 1.2.6.5, p. 51-61.

47


Bestaansminimum en bankbeslag

1.3.4.2 Wezen en kern van de eis in de hoofdzaak Wat de eis in de hoofdzaak betreft,114 waarvan het instellen is voorgeschreven in artikel 700 lid 3 Rv, gaat het om een al gelegd (of een nog te leggen) conservatoir (derden)beslag, dus óók indien zodanig beslag wordt gelegd op (een) vordering(en) waaraan een beslagvrije voet is verbonden. In de zaak Ajax/Reule (‘HR 1999’)115 ging het om de – toen nogal omstreden – vraag óf een ‘eis in de hoofdzaak’ óók rechtsgeldig zou kunnen worden ingesteld door de vordering die tot een executoriale titel moest leiden in kort geding aanhangig te maken. Deze vraag is toen door de Hoge Raad bevestigend beantwoord, in het kader waarvan hij, nadat hij (in r.o. 3.4.2) eerst een citaat uit de parlementaire geschiedenis van artikel 700 lid 3 Rv 116 had weergegeven, (o.m.) het volgende heeft overwogen: “Conservatoir beslag is een middel tot bewaring van recht, dat ertoe strekt te voorkomen dat in beslag genomen goederen worden vervreemd en aldus niet meer door executoriaal beslag kunnen worden getroffen op het tijdstip waarop met betrekking tot die goederen een executoriale titel is verkregen. Deze strekking levert een toereikende rechtvaardiging op voor de door de wetstekst niet uitgesloten en inmiddels in de rechtspraak van kortgedingrechters in eerste aanleg gangbaar geworden opvatting dat ook een vordering in kort geding, strekkende tot een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot voldoening aan de vordering waarvoor het conservatoir beslag is gelegd, kan gelden als een eis in de hoofdzaak in de zin van artikel 700 lid 3.”

De Hoge Raad sloot deze ‘leerstellige overweging’ – volgens annotator Snijders “een mooi staaltje van rechtsvinding”117 – als volgt af: “Het onderdeel is derhalve gegrond, met dien verstande dat alleen een kort geding dat strekt tot het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot voldoening aan de vordering ter verzekering waarvan het conservatoir beslag is gelegd, voor de toepassing van artikel 700 lid 3 en artikel 704 als ‘hoofdzaak’ kan worden aangemerkt.”

Daarbij zal het in de praktijk vrijwel steeds gaan om verhaalsbeslagen, dus om vorderingen die – in enigerlei vorm – strekken tot betaling van een geldsom. Van alle mogelijke procedures die in dit verband kunnen kwalificeren als een ‘eis in de hoofdzaak’, zijn verschillende in de parlementaire geschiedenis opgesomd,118 waarvan hier in willekeurige volgorde worden genoemd: een civiele procedure in het buitenland, het instellen van een eis in reconventie, de verzoekschriftprocedure, de rangregeling buiten faillissement (art. 482 lid 2 Rv), het opleggen van een belastingaanslag (zie noot 121), vaststelling premie- en terugvorderingsbesluiten

114 Zie daarover L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nrs. 396-398, p. 652-659, waar in nr. 397, p. 654-656, vrij uitgebreid op het hier alleen kort te bespreken arrest inzake Ajax/Reule is ingegaan. Zie daarover eerder al in par. 1.3.3.2. 115 HR 26 februari 1999, NJ 1999/717, m.nt. H.J. Snijders. In die zaak ging het overigens niet om een verhaalsbeslag, maar om een beslag tot afgifte (ex art. 730 Rv) van sportshirts die volgens Ajax met schending van haar auteurs- en/ of merkrechten in omloop waren gebracht. 116 Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 310 (MvT Inv.). En ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 397, p. 655. 117 Zie aldus L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 397, p. 655. 118 Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 310-311; en ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 396, p. 652-653.

48


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

van het UWV, arbitrale procedures (in binnen- of buitenland)119 en ook de civiele vordering van een benadeelde bij de (buitenlandse) strafrechter.120 In de zaak Ontvanger/Heemhorst (‘HR 2003’)121 is in (r.o. 3.4) aangegeven waar het hier uiteindelijk op aankomt, en wel het volgende: “Het conservatoir beslag strekt naar zijn aard ertoe over te gaan in een executoriaal beslag (vgl. artikel 704 lid 1 (oud)122 Rv). De overgang van het beslag in de executoriale fase wordt bewerkstelligd door een onherroepelijk geworden (in de regel: rechterlijke) beslissing ten voordele van de beslaglegger in een procedure waarin toetsing plaatsvindt van de grondslag en de omvang van het door de beslaglegger ingeroepen vorderingsrecht. De door de president te bepalen termijn waarbinnen de eis in de hoofdzaak dient te zijn ingesteld (artikel 700 lid 3 (oud) Rv) heeft als doel te verzekeren dat – binnen deze termijn – die procedure aanhangig wordt gemaakt.”

Het behoeft hier verder geen betoog dat het voorgaande eveneens geldt in het geval van een gelegd conservatoir bankbeslag. Het gaat er dus om dat in de verhouding tussen (A) en (B) wordt vastgesteld dát (1) (A) jegens (B) een vordering tot betaling van een bepaalde geldsom heeft én dat (2) de – als regel (maar zeker niet noodzakelijke) rechterlijke – beslissing, waarbij de omvang en de gegrondheid van die vordering zijn vastgesteld, voor tenuitvoerlegging vatbaar is,123 in welk geval het conservatoir (derden)beslag kan overgaan in de executoriale fase (art. 704 lid 1 Rv). Wat betreft het derdenbeslag zal dit betekenen dat (A) nu in beginsel verhaal kan nemen op de ten laste van (B) onder (C) in beslag genomen vordering(en), waar mogelijk een beslagvrije voet aan is verbonden. Maar óf dat het geval is, zal daarna moeten blijken uit de door (C) als derde-beslagene afgelegde buitengerechtelijke verklaring en/of uit een van de in dat kader mogelijk te voeren procedures als bedoeld in artikel 477a (lid 1 of 2) Rv. In paragraaf 1.3.4.4 zal daarop nader worden ingegaan. 119 Voor een goed overzicht wordt hier verder verwezen naar het artikel van M.A.J.G. Janssen, ‘Wat is een eis in de hoofdzaak ex art. 700, lid 3 Rv? Een overzicht’, in: BER 2011-2, p. 15-20; zie ook de bewerking van art. 700 (lid 3) in aant. 11 (supplement 356, mei 2014) van Kluwer Rv (Van den Heuvel); en ook H.A. Stein, Goed beslagen, 2010, par. 77, p. 117-120; A.W. Jongbloed, Commentaar op art. 700, lid 3 Rv, C.4, Sdu commentaar Burgerlijk Procesrecht, 2012; T&C Rv (Gieske), 2016, aant. 8, sub a, bij art. 700 lid 3; en recent ook nog: H.A. Stein, Beslag- en executierecht in de (dagelijkse) praktijk, 2016, par. 3.7, p. 74-79. 120 Zie daarover het Redactioneel van L.P. Broekveldt, ‘Als “eis in de hoofdzaak” óók vordering van benadeelde in Belgische strafzaak; HR 1 oktober 2011, NJ 2011/493’, in: BER 2011-3, p. 4-5. 121 HR 3 oktober 2003, NJ 2004/557, m.nt. H.J. Snijders. In die zaak ging het om de door de Hoge Raad – in een zeer uitvoerig gemotiveerd arrest – bevestigend beantwoorde vraag of als ‘eis in de hoofdzaak’ ook een belastingaanslag kon dienen. Dat is het geval omdat – zeer kort gezegd – (1) de fiscale bestuursrechter als enige over omvang en gegrondheid van een door de Inspecteur opgelegde aanslag dient te oordelen en (2) de Ontvanger vervolgens bevoegd is om ter zake een dwangbevel uit te vaardigen dat ingevolge art. 14 IW 1990 een executoriale titel oplevert. Zie daarover ook L.P. Broekveldt, ‘Een grensverleggend arrest: belastingaanslag tóch “eis in de hoofdzaak”’, in: WFR 2004/6571, p. 532 e.v. 122 Op deze zaak waren nog de bepalingen van het vóór 2002 geldende Rv van toepassing, die overigens, voor zover hier van belang, niet anders luidden dan de huidige art. 700 lid 3 en 704 Rv. 123 Met betrekking tot buiten Nederland verkregen civiele (of andere) executoriale titels zal daartoe in beginsel hier te lande een exequatur moeten worden verkregen, in verband waarmee de betreffende titel op grond van een internationale regeling als een Executieverdrag in beginsel in Nederland voor tenuitvoerlegging vatbaar moet zijn. Hetzelfde geldt op grond van het Verdrag van New York voor buiten Nederland verkregen arbitrale vonnissen, terwijl voorts – met name voor in Nederland gewezen arbitrale vonnissen – het bepaalde in art. 1062 en 1063 Rv geldt. Bij het voorgaande dient echter te worden bedacht dat, in geval van toepassing van de EEX-Verordening II, met ingang van 10 januari 2015 het bepaalde in art. 39 in het kader van de Herschikking in die zin is gewijzigd dat het verplichte exequatur is komen te vervallen. Zie daarover o.m. T&C Rv (Ibili), 2016, p. 2189 e.v.

49


Bestaansminimum en bankbeslag

1.3.4.3 De verklaringsplicht Het kernbelang van de door de derde-beslagene buiten rechte – dus min of meer informeel, maar wel schriftelijk– af te leggen verklaring is met name hierin gelegen dat langs deze weg én (alleen) op deze wijze de beslaglegger te weten komt óf zijn beslag in enig opzicht doel heeft getroffen. 1.3.4.3.1 Introductie Artikel 475 lid 2 Rv verplicht de deurwaarder om bij het leggen van het beslag, in tweevoud, afschrift te laten van het formulier waarop de derde de verklaring als bedoeld in artikel 476b Rv kan doen. Het model van dat formulier is vastgesteld overeenkomstig de bij het Besluit Verklaring derdenbeslag behorende bijlage.124 Op het niet laten van het vastgestelde formulier is geen expliciete sanctie gesteld. De Rechtbank Haarlem oordeelde in 2008 dat het formulier slechts als hulpmiddel is bedoeld, zodat het ontbreken daarvan de derde niet ontslaat van zijn verplichting om te verklaren.125 De deurwaarder of advocaat is volgens de rechtbank immers ook bevoegd om een ander geschrift als verklaring te aanvaarden. 1.3.4.3.2 Termijn derdenverklaring De derde onder wie beslag is gelegd, is gehouden om verklaring te doen van de vorderingen en zaken die onder het beslag vallen zodra, na het leggen van dat beslag, vier weken zijn verstreken.126 De gedane verklaring is vervolgens de basis op grond waarvan de derde de onder het beslag vallende vorderingen of zaken aan de deurwaarder voldoet of afgeeft.127 De ratio van deze op het oog langdurige termijn is dat de wetgever hiermee rekening heeft willen houden met de belangen van zowel de geëxecuteerde als de derde-beslagene: “Daarvóór heeft de geëxecuteerde de gelegenheid om door in verzet te komen op de wijze, bedoeld in artikel 476 lid 2, een zodanige verklaring en het ontstaan van de daarmee gepaard gaande verplichting tot afdragen, bedoeld in artikel 477, te voorkomen. Tevens strekt de termijn van vier weken ertoe aan de derde alle gelegenheid te geven tot beraad en zonodig tot het vragen van deskundig advies omtrent hetgeen hij verklaren zal, en tegen te gaan dat zich een praktijk ontwikkelt volgens welke de deurwaarder de derde tracht te bewegen het hem verschafte formulier vrijwillig terstond in te vullen en mee te geven. Het is niet wenselijk dat de derde aldus kan worden overvallen en uit onnadenkendheid kan komen tot een verklaring die hem later wellicht in moeilijkheden brengt.”128

Voorgaande opmerking moet worden geplaatst in de vroege jaren tachtig, een tijd waarin digitalisering van werkprocessen nog in de kinderschoenen stond, en het inwinnen van inlichtingen en het geven van beraad meer tijdrovende processen waren. In diverse Europese 124 125 126 127 128

50

Stb. 1991, 436. Rb. Haarlem 30 juli 2008, ECLI:NL:RBHAA:2008:BE8760. Art. 476a lid 1 Rv. Art. 477 lid 1 Rv. Kamerstukken II 1980/81, 16593, 3, p. 53.


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

lidstaten129 is echter, in lijn met het versnelde werktempo en communicatieprocessen van heden ten dage, de termijn van verklaren drastisch verkort. 1.3.4.3.3 Aansluiting informatiebehoefte en oplopende kosten afwikkeling bankbeslag Ondanks het genoemde modelformulier wil de bank in de praktijk nog wel eens verklaren bij brief of e-mail. De verklaring dient dan uiteraard wel, voor zover van toepassing, de in artikel 476a lid 2 Rv verlangde gegevens te bevatten.130 Zeker voor de schuldeiser die alleen conservatoir derdenbeslag heeft gelegd (vgl. art. 720 Rv),131 zal dit belangrijke informatie kunnen opleveren. Hij zou, op grond van de gedane verklaring, zelfs kunnen besluiten de ingestelde ‘eis in de hoofdzaak’ niet voort te zetten. In verband daarmee is het dan ook van wezenlijk belang dat de derde-beslagene, zo veel als redelijkerwijs voor hem mogelijk is, voldoet aan de in artikel 476b lid 2 Rv op hem gelegde verplichting om zijn verklaring zo veel mogelijk vergezeld van afschrift van tot staving dienende bescheiden te laten gaan. Hoewel ook het overleggen van deze bewijsstukken verplicht is, wordt hier niet altijd aan voldaan.132 De meeste informatieproblemen bij de beslagleggende schuldeiser ontstaan echter omdat de derde nog veelvuldig verklaart middels het vastgestelde formulier. Vanuit de bank is dit logisch: de op die wijze afgelegde verklaring móét immers worden aanvaard.133 In de praktijk blijkt de vraagstelling in het formulier echter niet altijd goed aan te sluiten bij de informatiebehoefte. Dit laatste omdat het een generiek formulier ten behoeve van alle typen derdenbeslagen betreft dat onvoldoende differentiatie kent. Zo wordt in het formulier aan de derde de mogelijkheid gegeven om het navolgende te verklaren: “dat er tussen ondergetekende en de schuldenaar geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan de schuldenaar op het tijdstip van het beslag nog iets van de ondergetekende had te vorderen, nu te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen”.

Die formulering geeft ten onrechte niet de mogelijkheid om ‘slechts’ te verklaren dat er geen enkele rechtsverhouding met de schuldenaar bestaat. Ook kan er niet verklaard worden dat er weliswaar sprake is van een rechtsverhouding tussen de derde en de schuldenaar, maar

129 Zie ook hoofdstuk 5 van dit preadvies. 130 Zie daarover ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 236, p. 411-412. 131 Ook in het geval van een conservatoir derdenbeslag dient er overeenkomstig art. 476a en 476b Rv een schriftelijke verklaring te worden gedaan. De derde-beslagene die daarmee in gebreke blijft, zal daartoe ook in een kort geding gedwongen kunnen worden. Zie daarvoor Hof Amsterdam 15 april 2008, NJF 2008/478 (Fortis/Alba) en Hof Amsterdam 10 april 2012, NJF 2012/246 (Llanos/RBS). Met name in de laatste zaak werd de bank (RBS) bevolen een vrij gedetailleerde en specifieke verklaring te doen. Zo’n verklaring zal overigens pas in de executoriale fase betwist kunnen worden, nu het bepaalde in art. 477a Rv, gelet op art. 723 Rv, pas dán van toepassing is. 132 Art. 477 lid 2 Rv bepaalt dat de te maken kosten hieromtrent niet door de derde gedragen behoeven te worden. 133 Een en ander neemt niet weg dat de inhoud van de verklaring betwist kan worden.

51


Bestaansminimum en bankbeslag

dat de geëxecuteerde op het tijdstip van het beslag desalniettemin niets van de derde had te vorderen of te vorderen kon krijgen. Vooral wanneer er een ‘niet-periodiek derdenbeslag’ onder een bankinstelling wordt gelegd, wordt dit gemis zichtbaar. De bank zou wellicht hebben willen verklaren dat de schuldenaar ten tijde van het leggen van het beslag een debetsaldo op de aangehouden rekening had, maar misschien had zij ook proberen te stellen dat de schuldenaar in het geheel niet bij haar bekend is. Dit herbergt het gevaar dat er onnodig kosten worden gemaakt. Het is voor een deurwaarder immers niet mogelijk om, op grond van de ingevulde verklaring van de bank, uit te sluiten dat een volgend beslag wél zinvol is. Hij had dat wel kunnen uitsluiten ten behoeve van de beslaglegger wanneer de bank enkel had kunnen verklaren dat de schuldenaar bij haar geheel onbekend is. Verdere differentiatie in het formulier zou niet alleen de explootkosten kunnen voorkomen die met het leggen van een volgend beslag gemoeid zouden zijn. Ook de bank zou dan niet opnieuw kosten hoeven te maken voor het verwerken van een dergelijk beslag. Het wringt vooral nu de deurwaarder die gerechtigd is om beslag te leggen, op grond van het bepaalde in artikel 475g lid 3 Rv, slechts bevoegd is om voorafgaand aan beslaglegging navraag te doen bij een derde van wie hij vermoedt dat hij periodiek betalingen verricht aan de schuldenaar. Voor de deurwaarder die gerechtigd is om beslag te leggen is het, naar huidig recht, derhalve onmogelijk om vooraf bij de bank te vragen of de schuldenaar daar een rekening aanhoudt. De huidige wet biedt hem hiervoor geen grondslag, nu een beslag onder banken op bankrekeningen een beslag op vorderingen tot niet-periodieke betalingen betreft. Een keuze voor het uitbreiden van de bevragingsmogelijkheden als bedoeld in artikel 475g lid 3 Rv naar derden die niet-periodieke betalingen verrichten, zou het aantal ‘niet-klevende’ derdenbeslagen nog verder kunnen laten slinken en zou derhalve voor de hand liggen. In dat geval zouden onnodige bank- en deurwaarderskosten niet enkel voor een volgend bankbeslag kunnen worden voorkomen, maar ook wanneer voor het eerst een bankbeslag wordt overwogen. De uitbreiding van de bevragingsmogelijkheden neemt de noodzaak om het Besluit Verklaring derdenbeslag opnieuw vast te stellen echter niet weg. Het aanbrengen van een verdere differentiatie in het formulier kan onderdeel uitmaken van een bredere herziening van de verklaring derdenbeslag. De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet noopt de wetgever namelijk al tot het doorvoeren van aanpassingen in het formulier.134 In het toekomstige systeem zal de beslagvrije voet immers niet langer aan de hand van de in de Participatiewet genoemde normbedragen worden berekend en zullen die normbedragen 134 Stb. 2017, 110.

52


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

voor de dagelijkse uitvoeringspraktijk grotendeels irrelevant worden. Het op het huidige systeem gebaseerde formulier verlangt echter (nog) van de deurwaarder dat hij aan de derde opgave doet van de verschillende normbedragen.135 Die opgave is straks overbodig. 1.3.4.3.4 Opgave beslagvrije voet Het mag in dit kader niet onvermeld blijven dat in het huidige formulier klaarblijkelijk van de derde wordt verlangd dat hij vervolgens, aan de hand van de opgegeven normbedragen, verklaart wat de beslagvrije voet is. Kennelijk wordt van de derde verwacht dat hij voldoende inzicht heeft in de gezinssituatie van de schuldenaar, zodat hij een uitspraak kan doen over welk normbedrag in een concreet geval gehanteerd dient te worden. Afgezien van de vraag of een dergelijke aanname een juiste is, behelst de correcte berekening van de beslagvrije voet veel meer dan de enkele vaststelling welk normbedrag gehanteerd dient te worden. Een dergelijke last behoort niet bij een derde te liggen. Ook thans wordt de berekening van de beslagvrije voet dan ook niet aan de derde opgedragen.136 Zeker met het oog op het toekomstige systeem lijkt het voor de hand te liggen dat het formulier ook op dit onderdeel wordt aangepast. In de nieuwe regeling is immers vooropgesteld dat het de deurwaarder is die, namens de beslaglegger, de beslagvrije voet vaststelt. De wet biedt hem voor de uitvoering van die taak verschillende bevragingsmogelijkheden.137 Het is dan ook juist de deurwaarder die, zowel aan de schuldenaar als aan de derde, opgeeft wat de beslagvrije voet is.138 De formulering van het formulier mag niet de indruk wekken dat de hoogte van de beslagvrije voet onderdeel uitmaakt van een door een derde afgelegde verklaring.139 1.3.4.4 De drie procedures van artikel 477a Rv Voor de verschillende typen van geschillen die kunnen rijzen naar aanleiding van een al dan niet afgelegde verklaring, zijn in de leden 1, 2 en 4 van artikel 477a Rv drie onderscheiden procedures in het leven geroepen. Over elk van deze artikel477a-procedures – die zich alle ook in het kader van de beslagvrije voet zouden kunnen voordoen – worden hier kort een paar opmerkingen gemaakt. Voor uitvoeriger beschouwingen wordt verwezen naar de dissertatie van Broekveldt, Derdenbeslag.140 De procedure die in het eerste lid van artikel 477a Rv is geregeld, betreft de situatie dat de derde-beslagene “in gebreke blijft verklaring te doen”, in welk geval hij op vordering van de beslaglegger (‘executant’)

135 Onder ‘2.’ van de verklaring derdenbeslag wordt immers over “de aan dit formulier gehechte tabel” gesproken. 136 Art. 475d lid 7 Rv stelt dat het ‘de beslaglegger’ is die rekening dient te houden met wijzigingen in de beslagvrije voet. Hieruit kan worden afgeleid dat de (her)berekening van de beslagvrije voet formeel bij hem berust. 137 Zie art. 475g t/m 475gb Rv (nieuw). 138 In de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is de opgave aan de schuldenaar opgenomen in art. 475i Rv. 139 De noodzaak van aanpassing van het formulier wordt ook in andere rechtswetenschappelijke publicaties onderkend, maar vanuit een geheel ander perspectief. In een recent artikel beschrijven Tegelaar en Van Boom aan de hand van een experimenteel onderzoek hoe het verklaringsformulier bij derdenbeslag vereenvoudigd en verduidelijkt kan worden; zie J.T. Tegelaar en W.H. van Boom, ‘Eenvoudiger verklaringsformulier bij derdenbeslag’, in: NJB 2017/1918, p. 2655-2663. 140 Zie L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, par. 5.4.4, nrs. 272-292, p. 461-492.

53


Bestaansminimum en bankbeslag

“veroordeeld [wordt] tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware hij daarvan zelf schuldenaar (...)”.

Zeker wanneer dit bedrag (aanzienlijk) méér beloopt dan de beslagen vordering – dus het bedrag dat (C) aan (B) in beginsel is verschuldigd – kan dit voor (C) als derde-beslagene zeer onaangename gevolgen hebben. Maar de derde-beslagene die in deze procedure betrokken wordt, heeft nog wel de mogelijkheid – zie lid 1, 2e volzin – om “alsnog een gerechtelijke verklaring te doen”, zij het dat hij dan wel het risico loopt te worden veroordeeld in door hem ‘nodeloos’ veroorzaakte kosten. De in dat geval door de derde ten processe af te leggen verklaring dient echter in beginsel aan dezelfde vereisten te voldoen als de verklaring die door hem buitengerechtelijk had moeten worden gedaan, een en ander zoals is bepaald in artikel 476a en 476b Rv. De derde-beslagene dient bovendien daadwerkelijk in gebreke te zijn – dus na één of meer schriftelijke aanmaningen – met het doen van enige verklaring. Dat wil dus zeggen dat het doen van een gebrekkige of onvolledige verklaring niet voldoende is om het ‘paardenmiddel’141 van de sanctie van lid 1 in stelling te brengen. Als er wél een verklaring is afgelegd, maar de beslaglegger is het daarmee inhoudelijk of anderszins oneens, bijvoorbeeld omdat hij door het ontbreken van de in artikel 476b lid 2 Rv bedoelde bescheiden onvoldoende de juistheid van de verstrekte gegevens kan verifiëren, dan biedt het tweede lid van artikel 477a Rv de mogelijkheid daartegen in rechte op te komen. Immers, de executant is bevoegd de door de derde-beslagene afgelegde verklaring – aldus lid 2 – “geheel of ten dele te betwisten dan wel aanvulling daarvan te eisen door de derde binnen twee maanden na zijn verklaring te dagvaarden tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan de executant zal blijken toe te komen”.

Overschrijding van deze termijn142 – zo vervolgt lid 2 – “doet deze bevoegdheid vervallen”. In dit verband kan het in paragraaf 1.3.3.1 genoemde arrest HR 2005 (Ontvanger/De Vlaanderen) in herinnering worden gebracht, waarin met name is uitgemaakt dat overschrijding van deze fatale termijn niet impliceert dat de beslaglegger niet opnieuw voor én op dezelfde vordering onder de derde beslag mag leggen; het risico bestaat alleen dat de oorspronkelijk beslagen vordering dan intussen is voldaan (of het betreffende goed anderszins uit het vermogen van (B) is geraakt) – wat in beginsel rechtens is geoorloofd –, maar minder waarschijnlijk is als die vordering wérkelijk en ten gronde door de derde-beslagene als onjuist of niet (meer) bestaand werd bestreden (waarover aan het slot van deze paragraaf nog een paar opmerkingen 141 Want dat is het als men het risico loopt veroordeeld te worden tot betaling van het volle bedrag waarvoor het beslag is gelegd. Een dergelijke strafsanctie is dan ook alleen gerechtvaardigd, indien men in alle opzichten met het doen van enige verklaring in gebreke is gebleven (waarover ook het genoemde Derdenbeslag, 2003, nrs. 277-278, p. 466470). Dit soort punitieve sancties komen in ons privaatrecht sporadisch voor. Zie echter recent, zij het in een geheel andere juridische context, HR 31 maart 2017, NJ 2017/254 (S/J), m.nt. L.C.A. Verstappen. Daarin ging het, in het kader van de verdeling van een gemeenschap, om het opzettelijk verzwijgen door een deelgenoot van een tot die gemeenschap behorend goed, hetgeen met betrekking tot die deelgenoot leidde tot het verbeuren van elk recht op dat goed (art. 1:194 lid 2 BW). 142 Die termijn gaat lopen vanaf de dag nádat de verklaring door de beslaglegger is ontvangen (zie daarover ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nrs. 284-285, p. 477-479). In die zin ook: Rb. Arnhem 7 maart 2007, NJF 2007/208.

54


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

zullen worden gemaakt). Met betrekking tot de hier – in het kort – besproken eigenlijke verklaringsprocedure van lid 2 is het van belang r.o. 5.3.3 van HR 2005 te citeren, omdat daarin de werking en het onderlinge verband van het wettelijk systeem van de buitengerechtelijke én de gerechtelijke verklaring scherp, maar niet heel eenvoudig leesbaar, zijn verwoord: “Artikel 477a lid 2 Rv houdt in dat overschrijding van de termijn van twee maanden de bevoegdheid van de beslaglegger om de buitengerechtelijke verklaring te betwisten, doet vervallen. Overschrijding van deze termijn leidt er derhalve toe dat de door de derde afgelegde buitengerechtelijke verklaring rechtens voor juist moet worden gehouden, zodat de derde krachtens artikel 477 lid 1 Rv verplicht is het volgens die buitengerechtelijke verklaring eventueel verschuldigde aan de deurwaarder te voldoen. Betalingen die de derde aan de geëxecuteerde doet na afloop van genoemde termijn en boven hetgeen hij volgens zijn buitengerechtelijke verklaring verschuldigd is, zijn derhalve niet ‘in weerwil van het beslag’ gedaan. Gelet op het hiervoor weergegeven systeem van de wet 143 is en blijft de blokkerende werking van het beslag ingeval de buitengerechtelijke verklaring niet wordt betwist, beperkt tot de vordering zoals die in de buitengerechtelijke verklaring is vermeld.”

Met een getalsmatig voorbeeld kan deze passage als volgt worden verduidelijkt: door (C) is als derde-beslagene aan (A) als beslaglegger verklaard dat hij € 50.000 aan beslagdebiteur (B) is verschuldigd. (A) betwist deze buitengerechtelijke verklaring, stellende dat (C) ten minste een bedrag van € 100.000 is verschuldigd, maar verzuimt vervolgens (C) tijdig op de voet van artikel 477a lid 2 Rv te dagvaarden, zodat daarmee tussen déze partijen in beginsel vaststaat dat het uit hoofde van het beslag verschuldigde niet meer dan € 50.000 beloopt, welk bedrag door (C) dan ook aan de deurwaarder van (A) wordt afgedragen. Enige tijd later betaalt (C) tóch nog aan (B) het volledige ‘omstreden’ bedrag van € 50.000, hetgeen op een ‘opzetje’ tussen (B) en (C) zou kunnen wijzen, maar dat zal voor (A) niet eenvoudig te bewijzen zijn. Nu het beslag niet óók op dít deel van de vordering lag, zal het bepaalde in artikel 475h lid 1, 2e volzin, Rv (A) hier geen soelaas kunnen bieden, terwijl een opnieuw gelegd beslag geen doel meer zal treffen, omdat de vordering voldaan is (en daarmee niet meer tot het vermogen van (B) behoort). Met betrekking tot het vierde lid van artikel 477a Rv, dat de derde en laatste beslagprocedure behelst, kan met een paar korte opmerkingen worden volstaan. Daarin gaat het om de derde-beslagene die keurig een verklaring heeft afgelegd – en die verder ook niet (tijdig) is bestreden –, maar waar door die derde toch niet aan wordt voldaan: hetzij (1) door de verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder te voldoen, hetzij (2) door de roerende zaken of de order- of toonderpapieren ter executie aan de deurwaarder af te geven, hetzij (4) door het te leveren goed op naam schriftelijk ter beschikking te stellen (art. 477 lid 1 jo. art. 525 lid 2 Rv). Op de voet van artikel 477a lid 4 Rv 144 wordt de derde-beslagene dan “op vordering van de executant veroordeeld tot nakoming van deze verplichting, alsmede tot de vervangende schadevergoeding, die hij in geval van niet-nakoming daarvan verschuldigd zal zijn”.

143 Zie eerder in par. 1.3.1.4 voor een gedeelte van de hier door de Hoge Raad bedoelde r.o. 5.3.1. 144 Zie daarover verder L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nrs. 290-292, p. 488-492.

55


Bestaansminimum en bankbeslag

De voornaamste grond om niet aan een gedane verklaring te voldoen zal in de praktijk meestal zijn dat de derde-beslagene zich – alsnog – realiseert dat de destijds door hem afgelegde verklaring inhoudelijk geheel of ten dele onjuist is, zodat hij die op grond van HR 2001 (De Jong/Carnifour) wil wijzigen of zelfs volledig herroepen, waarover eerder in paragraaf 1.3.1.3 (zie daar noot 74). Daarbij zal het van de concrete feiten en omstandigheden van het geval af hangen, waaronder (1) de tijd die is verstreken tussen het doen van de verklaring (bijv. reeds in de conservatoire fase van het beslag) en de wijziging/herroeping ervan en (2) de vraag of, en zo ja in hoeverre, de beslaglegger daardoor wérkelijk in zijn verhaalsmogelijkheden is geschaad, én of het de derde-beslagene rechtens nog vrijstaat zijn verklaring te wijzigen of te herroepen, of hij daartoe zijn recht heeft verwerkt (zoals in HR 2001 o.m. als ‘ontsnapping’ is aanvaard). Dit alles zal in de praktijk niet zo eenvoudig voor de beslaglegger te bewijzen zijn. 1.3.4.5 Slotbeschouwing: een lastige bewijslast Het voorgaande noopt ertoe nog een paar opmerkingen te maken over (de verdeling van) de bewijslast – en daarmee ook het bewijsrisico – in het kader van de besproken 477a-procedures. Aan dit onderwerp heeft Broekveldt in 2012 een uitgebreidere beschouwing gewijd, waaraan hier enkele passages worden ontleend.145 Het kan inmiddels als vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden beschouwd dat de bewijslast van bestaan en omvang van, voor zover hier van belang, de beslagen vordering tot betaling van een geldsom van (B) op (C) in beginsel bij (A) als beslaglegger ligt, die immers ook als eisende partij zal optreden in de hier besproken 477a-procedures. Een en ander volgt ook uit artikel 150 Rv, welke bepaling geldt als de hoofdregel van ons bewijsrecht.146 Deze rechtspraak – die zowel het oude (tot 1992) als het huidige (vanaf 1992) derdenbeslagrecht omspant – is vervat in: (1) HBU/De Leeuw (‘HR 1994’)147 en (2) Bos/Ontvanger (‘HR 2009’).148 In HR 1994 is in het kader van een door De Leeuw onder HBU gelegd derdenbeslag met betrekking tot de bewijslast (o.m.) het volgende overwogen: “Stelt de beslaglegger dat de incasserende bank, onder wie hij in Nederland derdenbeslag heeft gelegd, niet op redelijke gronden heeft aangenomen dat de opdrachtgevende bank als schuldeiser tot de betaling gerechtigd was, dan rust volgens de hoofdregel van artikel 177 Rv 149 de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit zulks zou moeten worden afgeleid, in beginsel op de beslaglegger.”

Aan deze overweging is door de Hoge Raad echter de volgende mogelijkheid van versoepeling van de nogal zware bewijspositie van de beslaglegger toegevoegd: “Daarbij verdient evenwel aantekening dat van de incasserende bank wel kan worden verlangd dat zij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van haar stelling dat zij op redelijke gronden heeft aangenomen dat zij de opdrachtgevende bank als de schuldeiser mocht beschouwen.”

145 Zie L.P. Broekveldt, ‘Derdenbeslag en bewijs’, in: BER 2012-1, p. 17-22. 146 Zie daarover verder: Asser Procesrecht/Asser, Bewijs, 2013, nrs. 286-287, p. 315-316. 147 HR 25 maart 1994, NJ 1995/638, m.nt. P. van Schilfgaarde. Het arrest is nog gewezen met toepassing van het oude derdenbeslagrecht, maar dat maakt voor deze bewijskwestie geen verschil. Zie over dit arrest en de bewijslast ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 334, p. 560-563. 148 HR 13 februari 2009, NJ 2009/106, JBPr 2009/3, nr. 24, m.nt. H.L.G. van Wieten. 149 Dat was tot 2002 de ‘voorloper’ van art. 150 Rv, die in essentie dezelfde regel van bewijslastverdeling inhield.

56


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

Deze verzwaarde motiveringsplicht is – met name in (medische) aansprakelijkheidszaken – intussen vaste rechtspraak van de Hoge Raad geworden, teneinde de positie van in bewijsnood verkerende eisende procespartijen, zo veel mogelijk, te verlichten.150 En dat geldt ook voor (A) als derden-beslaglegger, die immers – als regel – weinig of geen eigen wetenschap heeft of kan hebben van de bijzonderheden van de door hem in beslag genomen vordering(en); die wetenschap berust immers volledig bij beslagdebiteur (B) en ook bij (C) als derde-beslagene, maar (B) zal niet altijd bereid zijn om (A) in zijn verhaalspoging tegen hém te steunen, zodat (A) het meer van (C) zal moeten hebben. Het zou echter te ver gaan om (C) dan met dit bewijs te belasten, wat ook in strijd zou zijn met de eerder in paragraaf 1.3.1.3 besproken non peiusregel: immers, zou geen derdenbeslag onder (C) zijn gelegd, maar zou hij als schuldenaar door zijn eigen schuldeiser/beslagdebiteur (B) rechtstreeks in rechte zijn aangesproken, dan zou de bewijslast overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv óók bij (B) als eiser hebben gelegen. In HR 2009 is het arrest uit 1994 gehandhaafd. In r.o. 3.3 overwoog de Hoge Raad daartoe als volgt: “De bewijslast van de stelling dat A. een vordering op Bos had,151 rust op de Ontvanger. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat het hier gaat om een verklaringsprocedure als bedoeld in artikel 477a lid 2 Rv. Weliswaar is de derde-beslagene gehouden zijn verklaring zo veel mogelijk te staven met gegevens en bescheiden (artikel 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv), maar het hof heeft niet vastgesteld dat Bos daarin is tekort geschoten, zodat tot uitgangspunt dient dat Bos zijn betwisting voldoende heeft gemotiveerd.”

De eerste volzin is kort, bondig en duidelijk: op de beslaglegger rust de bewijslast van zijn stellingen, in het bijzonder van bestaan en omvang van de in beslag genomen vorderingen (of andere beslagen vermogensobjecten). Aan het feit dat de Hoge Raad in dit arrest, anders dan in HR 1994, niet naar de hiervóór genoemde verzwaarde motiveringsplicht heeft verwezen, die onder omstandigheden op de derde-beslagene kan (komen te) rusten, zou hier geen bijzondere betekenis moeten worden gehecht, nu zulks met name ná 1994 vaste rechtspraak van de Hoge Raad is geworden. Maar wat meer hoofdbrekens leveren de tweede en derde volzin op. Het lijkt erop dat de Hoge Raad hier de mate van gemotiveerdheid van de buitengerechtelijk gedane verklaring laat ‘doorwerken’ in de nadien, zo nodig, op de voet van artikel 477a lid 2 Rv nog gerechtelijk af te leggen (c.q. al afgelegde) verklaring. Of dat wel zuiver is, kan worden betwijfeld, nu juist déze verklaringsprocedure ertoe strekt een onvolledig en/of ondeugdelijk buiten rechte gedane verklaring te doen aanvullen en/of te verbeteren: beide verklaringsfasen dienen dus niet door elkaar te worden gehaald, maar mijns inziens juist van elkaar gescheiden te worden gehouden. Het is echter ook mogelijk – maar het voert te ver om in het kader van deze bijdrage daarop dieper in te gaan – dat de Hoge Raad, bijvoorbeeld 150 Zie daarover ook H.W.B. thoe Schwartzenberg, Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2013, nr. 19, p. 111-120, en nr. 49, p. 273-275; en ook Asser Procesrecht/Asser, Bewijs, 2013, nrs. 306-307, p. 334-335. 151 Met A. wordt in dit citaat gedoeld op de beslagdebiteur, terwijl Bos de derde is onder wie de Ontvanger beslag had gelegd. Zowel rechtbank als hof was hier van oordeel dat de Ontvanger als eiser voldoende aannemelijk had gemaakt – en dus in beginsel bewezen had – dát A. daadwerkelijk op Bos als schuldenaar een vordering had. Door de Hoge Raad wordt Bos echter alsnog toegelaten tegenbewijs te leveren, wat hem door het Hof was geweigerd op de grond dat Bos dat aanbod onvoldoende had gespecificeerd. Voor het leveren van alléén tegenbewijs is dat rechtens echter niet vereist, zo herhaalt de Hoge Raad nog eens (r.o. 3.3, i.f.).

57


Bestaansminimum en bankbeslag

wanneer óók de gerechtelijke verklaring niet aan de vereisten van de artikelen 476a en 476b Rv blijft voldoen, daarin een grond zou kunnen vinden om de bewijslast op de voet van artikel 150 Rv (slotzin) om te keren en bij de derde-beslagene te leggen. Hoe dit alles ook zij, de hiervóór gesignaleerde bewijsvragen zullen ook kunnen rijzen indien er beslag is gelegd op vorderingen waaraan een beslagvrije voet is verbonden. En gegeven (1) de vaak ingewikkelde berekeningen die in dat verband gemaakt moeten worden en (2) de voor buitenstaanders (zoals de meeste derden-beslagleggers zullen zijn) niet steeds even toegankelijke wetgeving – nu én ook die in de toekomst – die op de beslagvrije voet van toepassing is, zal hier met name op de derde-beslagene de lastige taak rusten om een duidelijke en zo uitvoerig mogelijk gespecificeerde buitengerechtelijke (en, zo nodig, gerechtelijke) verklaring te doen én deze ook te voorzien van de nodige bewijsstukken. 1.4

Enkele bijzondere rechtsfiguren bij derdenbeslag en beslagvrije voet

1.4.1 Inleidende opmerkingen Ter afronding van paragraaf 1.3 inzake kernpunten van het derdenbeslagrecht en als overgang naar deze paragraaf inzake het eigenlijke bankbeslag en de (on)mogelijkheid van toepassing van een beslagvrije voet is het voor een goed en juist begrip van belang om in deze paragraaf eerst nog een paar opmerkingen te maken over de volgende juridische figuren: (1) opschortingsrechten en (2) verrekening of compensatie, alle uiteraard bezien in het kader van een gelegd derdenbeslag.152 Daarbij gaat het telkens om rechten of bevoegdheden, die een schuldeiser en/of schuldenaar krachtens het civiele privaatrecht – vermogens- en/ of verbintenissenrecht – in bepaalde gevallen toekomen. Als regel zal het gaan om (contractuele) rechtsverhoudingen die zich kunnen of zullen voordoen in het kader van de al verschillende keren bij het derdenbeslag besproken onderliggende kernrelatie (B)-(C). Het is dus niet verwonderlijk dat de hier nu nog te bespreken bevoegdheden ook al even ter sprake zijn gekomen in paragraaf 1.3.1.1, waar de drie fundamentele beginselen van het derdenbeslagrecht onder de loep zijn genomen. Er is nog een andere reden om met name in paragraaf 1.4.2 aan opschortingsrechten en in paragraaf 1.4.3 aan het recht op verrekening aandacht te besteden, omdat juist bij beide bevoegdheden ook de beslagvrije voet een rol kan spelen. 1.4.2

Derdenbeslag, opschortingsrechten en beslagvrije voet

1.4.2.1 Algemene inleiding Een goed voorbeeld, waarin de in paragraaf 1.3.1.3 besproken non peius-regel wérkelijk tot zijn recht komt, wordt gevormd door de opschortingsrechten, waarvan het algemene opschortingsrecht, zoals neergelegd in de artikelen 3:52 t/m 3:57 BW,153 hier in het bijzonder de revue zal 152 Zie over deze onderwerpen ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, par. 5.5.3.2 en 5.5.2. In het KBvG-preadvies van 2014 is ook nog vrij uitvoerig aandacht besteed aan de figuur van wilsrechten bij derdenbeslag (t.a.p., par. 1.2.7.2, p. 61-64). Aangezien daarbij geen specifieke relatie is met de mogelijkheid van een beslagvrije voet, wordt een en ander hier verder onbesproken gelaten. 153 In het BW komen, afhankelijk van de rechtsverhoudingen waarin het een verweer kan vormen, diverse typen van opschortingsrechten voor, zoals art. 6:37 (‘twijfelexceptie’) en art. 6:262 (‘exceptio non adimpleti contractus’). Zie over deze opschortingsrechten in verband met het derdenbeslag L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nrs. 326335, p. 542-566 (en daar noot 576, op p. 542, voor een opsomming ervan in het BW); zie ook F.H.J. Mijnssen en

58


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

passeren. Dat zal ook met name daarom gebeuren, omdat juist bij dit algemene opschortingsrecht de beslagvrije voet een rol kan spelen (vgl. art. 3:54 sub c BW). De bevoegdheid tot opschorting is in het eerste lid van artikel 3:52 BW als volgt tot uitdrukking gebracht: “Een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser, is bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen.”

Van zodanige ‘samenhang’ is volgens het tweede lid met name sprake, indien (1) de verbintenissen over en weer voortvloeien uit ‘dezelfde rechtsverhouding’ of (2) uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan.154 In artikel 6:53 BW is het volgende bepaald: “Een opschortingsrecht kan ook worden ingeroepen tegen de schuldeisers van de wederpartij.”

In de wetsgeschiedenis is heel duidelijk aangegeven dat daarbij met name wordt gedacht aan (1) de derden-beslaglegger en (2) de curator in het faillissement van de schuldeiser. Deze regel ligt voor de hand – aldus de MvA II bij deze bepaling – omdat 155 “aan de schuldeisers van de debiteur jegens degene die het opschortingsrecht inroept, niet meer rechten behoren toe te komen dan de debiteur zelf had”.

Het gaat er dus om óf de schuldenaar (= derde-beslagene) het opschortingsrecht dat hem in beginsel – zie de voorwaarden sub 1 en 2 – toekomt jegens zíjn wederpartij (= de beslagdebiteur) óók kan tegenwerpen aan de schuldeiser van die wederpartij (= de derdenbeslaglegger), zodat ook hier weer bepalend is de onderliggende rechtsverhouding (B)-(C). Zou (C) daarin zijn opschortingsrecht met succes tegen (B) geldend kunnen maken, dan zal hij dat ook kunnen jegens (A) als beslagleggende schuldeiser. Daarbij is niet van belang of het vorderingsrecht van de schuldeiser (A) vóór of ná het opschortingsrecht is ontstaan.156 Het gaat het bestek van dit preadvies te buiten om hier allerlei casusposities te bespreken waarin – óók door een derde-beslagene/schuldenaar – met succes een beroep op een opschortingsrecht zou kunnen worden gedaan. Zoals blijkt uit enige arresten van de Hoge Raad uit het afgelopen decennium, gaat het veelal om casusposities – overigens zonder dat er sprake was van derdenbeslagen (maar die zijn daarbij vrij eenvoudig ‘in te denken’) – waarin de schuldenaar het opschortingsrecht wenst te hanteren om een recht op verrekening met een jegens die schuldeiser – hier: (B) – gepretendeerde tegenvordering zo veel mogelijk veilig te stellen, en in voorkomend geval de derden-beslaglegger tegen te werpen. In Kenter/Slierings

A.I.M. van Mierlo, Materieel beslagrecht, 2009, par. 3.6, sub (a), p. 99; en ook C.A. Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW B32b), 2013, nrs. 20, 24.2 en 24.3. 154 Het begrip sub 1 komt ook voor in art. 6:130 lid 1 (jo. lid 2) BW, waarin het o.m. gaat om verrekening en beslag. 155 Parl. Gesch. Boek 6, p. 211; zie ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 326, p. 542. 156 Parl. Gesch. Boek 6, p. 211 (MvA II bij art. 6:53); en ook Asser/Sieburgh, 6-I*, 2016, nr. 278, p. 226-227.

59


Bestaansminimum en bankbeslag

(‘HR 2014’) werd (in r.o. 3.5, 3e alinea) omtrent doel en strekking van het opschortingsrecht het volgende overwogen:157 “Het opschortingsrecht strekt immers juist ertoe druk op Slierings uit te oefenen om de tegenvordering na te komen, en heeft, voor het geval Slierings daarmee in gebreke zou blijven, mede het karakter van zekerheid voor de voldoening (door middel van verrekening) van de uit zijn verzuim voortvloeiende schadevordering (...).”158

In deze zaak ging het – kort gezegd – om bepaalde door Slierings verrichte werkzaamheden, die volgens Kenter niet voldoende deugdelijk waren uitgevoerd, op grond waarvan Kenter wegens mogelijk geleden schade een tegenvordering op Slierings stelde te hebben. In verband daarmee schortte Kenter de betaling van de facturen van Slierings op totdat deze alsnog naar behoren zou hebben gepresteerd, bij gebreke waarvan de tegenvordering in beginsel zou worden verrekend met de schuld van Kenter aan Slierings. Dit is een klassieke opschortingscasus,159 die er eenvoudig toe kan leiden dat, indien door een schuldeiser van Slierings onder Kenter beslag zou zijn gelegd op diens vordering en de ‘opschorting tot verrekening’ van Kenter zou slagen, het derdenbeslag uiteindelijk niet of slechts in beperkte mate doel zou treffen. Bij het voorgaande dient ten slotte nog bedacht te worden dat het beroep op een opschortingsrecht er niet toe kan leiden dat de schuldenaar definitief van zijn verbintenis wordt bevrijd; dat zal in beginsel alleen kunnen door opzegging of ontbinding van de overeenkomst wegens wanprestatie.160 1.4.2.2 Toespitsing op de beslagvrije voet Na deze algemene opmerkingen over betekenis en toepassing van opschortingsrechten, mede in relatie tot een gelegd derdenbeslag, zal tot slot nog iets gezegd moeten worden over de beslagvrije voet en het opschortingsrecht als bedoeld in artikel 6:52 BW, in verbinding met artikel 6:54 sub a t/m c BW. Daarin zijn immers de drie uitzonderingen op de regel van artikel 6:52 BW opgenomen, waarvan die van sub c hier van belang is. Deze bepaling luidt als volgt: “Geen bevoegdheid tot opschorting bestaat: a. (...); b. (...); c. voor zover op de vordering van de wederpartij geen beslag is toegelaten.”

157 HR 17 januari 2014, NJ 2014/236, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai. In dat arrest wordt uitdrukkelijk verwezen naar HR 21 september 2007, NJ 2009/50 (Ammerlaan/Enthoven), m.nt. Jac. Hijma. In HR 2007 is met name ingegaan op doel en strekking van de ‘opschorting tot verrekening’ (r.o. 4.6, 3e alinea), meer in het bijzonder de ermee beoogde ‘zekerheid’ voor de schuldenaar om zo voldoening van zijn tegenvordering af te dwingen, indien deze definitief komt vast te staan. Zie over opschortingsrechten ook nog Jac. Hijma, ‘Ontwikkelingen in het overeenkomstenrecht (II)’, in: WPNR 2015/7081, met name onder 6, p. 907-908. 158 En daar volgt verwijzing naar het in de vorige noot genoemde arrest uit 2007. 159 Ook in HR 21 september 2007 ging het om een vergelijkbare casuspositie. Daarbij is het nog wel van belang erop te wijzen dat de tegenvordering van de schuldenaar weliswaar opeisbaar moet zijn, maar dat deze niet ook qua omvang al moet vaststaan, dus ‘liquide’ en vereffenbaar moet zijn (zie de noot van Hijma, onder 10-11, en r.o. 4.6, 3e alinea). Dat zal dus, zo nodig, nog in rechte moeten worden vastgesteld. Zie hierbij ook HR 31 oktober 2014, NJ 2015/85 (Eurostrip/Velenturf q.q.), m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai. En recent ook nog HR 4 november 2016, RvdW 2016/1129 (Creative Industry Amsterdam B.V./Heredium Coöperatie U.A.), met verwijzing naar HR 2007. 160 Zie daarover L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 328, p. 547-549; en ook Asser/Sieburgh, 6-I*, 2016, nr. 287, p. 218-219.

60


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

De ratio van deze bepaling – zie ook artikel 6:135 sub a BW bij verrekening, waarover in paragraaf 1.4.3 nader – is dat “waar beslag niet is toegelaten omdat de aard van de betrokken vorderingen eist dat zij zonder verwijl worden voldaan (veelal zal het gaan om vorderingen die strekken tot voorziening in de eerste levensbehoeften), ook opschorting niet mogelijk behoort te zijn”.161 Een en ander komt erop neer dat, voor zover het de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475c Rv betreft, de bevoegdheid tot opschorting – bijvoorbeeld, zo al mogelijk, ter inleiding van ontbinding of verrekening – beperkt blijft tot dát gedeelte van de vorderingen (of de periodieke betalingen) dat nog wél voor beslag vatbaar is (te weten – grof gezegd – 90% van de bijstandsnorm). Het voorgaande zal zich echter niet spoedig bij de toepassing van artikel 475c Rv (kunnen) voordoen, om de volgende redenen: (1) alleen bij het op grond van een arbeidsovereenkomst verschuldigde loon is het denkbaar dat de werkgever, onder wie derdenbeslag wordt gelegd (C), zich bij wege van verweer op een opschortingsrecht zou kunnen beroepen, maar dat zal (2) nóch (B) als schuldeiser en beslagdebiteur, nóch (A) als beslaglegger voordeel brengen, omdat de arbeidsovereenkomst een wederkerige overeenkomst is als bedoeld in de artikelen 6:261 en 6:262 BW (‘exceptio non adimpleti contractus’), ter zake waarvan ingevolge artikel 6:264 BW onder meer het bepaalde in artikel 6:54 sub c BW niet geldt. In een dergelijke situatie zal dan ook (C) als derde-beslagene zich in alle gevallen, niet alleen wat het beslagvrije deel betreft, maar ook voor het wél voor beslag vatbare deel, op zijn opschortingsrecht kunnen beroepen.162 Daarmee is bij de beslagvrije voet, zoals (nog) geregeld in artikel 475c Rv – en met name het daar sub a genoemde ‘loon’ –, geen rol voor het inroepen van een opschortingsrecht in de zin van artikel 6:262 jo. artikel 6:52 BW weggelegd.163 En met betrekking tot de in artikel 475c Rv genoemde periodieke betalingen, die een wezenlijk andere juridische grondslag plegen te hebben, valt niet goed in te zien hoe opschortingsrechten daar aan de orde kunnen komen. 1.4.3 Derdenbeslag, verrekening en beslagvrije voet Zoals in de paragrafen 1.3.1.2 en 1.3.1.3 al is aangegeven, ligt ook het – tamelijk lastige – onderwerp ‘derdenbeslag en verrekening’ op het snijpunt van de twee kernbeginselen van het derdenbeslagrecht, te weten (1) de nemo plus-regel en (2) de non peius-regel. Enerzijds zal de beslaglegger (A) niet méér (maar zeker ook niet minder) rechten kunnen uitoefenen dan de beslagdebiteur (B) toekomen, terwijl anderzijds de derde (C) als gevolg van het onder hem gelegde beslag niet in een slechtere positie mag komen te verkeren dan zonder dat beslag het geval zou zijn. Dat betekent – heel kort gezegd – dat (A) als buitenstaander op het punt van verrekening in beginsel zal moeten aanvaarden wat er tussen (B) en (C) in hún onderlinge (= de onderliggende) rechtsverhouding ter zake is overeengekomen en vastgelegd. Zou geen beslag zijn gelegd, dan zou – afgezien van afwijkende contractuele afspraken – de verrekening in beginsel beheerst worden door artikel 6:127 e.v. BW. De omstandigheid dat de verrekeningsbepalingen in het BW echter van regelend recht zijn, betekent enerzijds dat

161 Zie aldus T&C Vermogensrecht (Oosterveen & Valk), 2015, aant. 4, sub a en b, bij art. 6:54 BW; zie ook Parl. Gesch. Boek 6, p. 212 -214; Asser/Sieburgh, 6-I*, 2016, nr. 281, p. 232-233. 162 In deze zin ook: T&C Vermogensrecht (Olthof ), 2015, aant. 2, sub b, bij art. 6:264 BW; zie ook Parl. Gesch. Boek 6, p. 214 (MvA II bij art. 6:54). Daar gaat het specifiek over de opschorting van betaling van loon in gevallen dat de werknemer niet naar behoren heeft gepresteerd. 163 In deze zin ook al: L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 331, p. 555-556.

61


Bestaansminimum en bankbeslag

(1) bij overeenkomst, of daarop van toepassing verklaarde algemene voorwaarden (met name van banken), verrekening geheel kan worden uitgesloten of sterk beperkt, terwijl anderzijds (2) de mogelijkheid van verrekening – in afwijking van de wet – ook kan worden uitgebreid.164 In dit verband is voorts van belang dat, hoezeer een gelegd derdenbeslag de bevoegdheid tot verrekening door de derde-beslagene in beginsel ook kan beperken,165 de enkele omstandigheid dat (a) óf op de te verrekenen vordering van (B) op (C) beslag is gelegd, óf (b) die vordering van (B) onder bijzondere titel is overgegaan op een derde (C), de mogelijkheden van verrekening in artikel 6:130 lid 1 (jo. lid 2) BW ook weer enigszins zijn verruimd.166 Het bepaalde in dit eerste lid luidt als volgt: “Is een vordering onder bijzondere titel overgegaan, dan is de schuldenaar bevoegd ondanks de overgang ook een tegenvordering op de oorspronkelijke schuldeiser in verrekening te brengen, mits deze tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering voortvloeit of reeds vóór de overgang aan hem is opgekomen en opeisbaar geworden.”

In het tweede lid is het voorgaande van overeenkomstige toepassing verklaard, “wanneer op een vordering beslag is gelegd of een beperkt recht is gevestigd waarvan mededeling aan de schuldenaar is gedaan”.167 Het is hier niet de plaats om uitvoerig in te gaan op de vraag in welke gevallen sprake is of kan zijn van ‘dezelfde rechtsverhouding’, waaruit de met elkaar te verrekenen vordering en tegenvordering voortvloeien; dat is uiteindelijk een vraag van uitleg en casuïstiek.168 Hoewel daarover hierna nog wel iets zal worden gezegd – zulks naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad uit 2012169 in een casus die enige verwantschap vertoont met de problematiek rond de beslagvrije voet –, is er ook een andere reden om hier niet te veel aandacht aan te besteden. Immers, in (1) artikel 6:135 sub a BW is de bevoegdheid van de schuldenaar tot verrekening uitgesloten, “voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig zou zijn”, dus in alle gevallen van (o.m.)170 artikel 475c Rv, terwijl bovendien (2) dit alléén bij vorderingen of periodieke betalingen van loon 171 respectievelijk

164 Zie daarover L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 300, p. 506-507; zie ook: F.H.J. Mijnssen en A.I.M. van Mierlo, Materieel beslagrecht, 2009, par. 3.7, p. 104-105. 165 In die zin: F.H.J. Mijnssen en A.I.M. van Mierlo, Materieel beslagrecht, 2009, par. 3.7, p. 102-103, waar terecht wordt opgemerkt dat, gelet op art. 6:127 lid 2 jo. met name art. 6:130 lid 1 BW, de tegenvordering van de derde-beslagene, wil hij deze met zijn schuld aan de beslagdebiteur (B) kunnen verrekenen (en aan de beslaglegger tegenwerpen), vóór de beslaglegging moet zijn ontstaan én opeisbaar geworden. 166 Zie ook daarover L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nrs. 310-316, p. 507-530; F.H.J. Mijnssen en A.I.M. van Mierlo, Materieel beslagrecht, 2009, par. 3.7, p. 103-104; en T&C Vermogensrecht (Rank), 2015, aant. 3, sub a, bij art. 6:130 lid 2 BW; zie ook N.E.D. Faber, Verrekening, 2005, nrs. 265-273. 167 Bij het laatste moet worden gedacht aan (1) het openbaar pandrecht of het medegedeeld stil pandrecht (art. 3:236, resp. art. 3:239 en 3:246 BW) en (2) het vruchtgebruik van een vorderingsrecht dat steeds wordt medegedeeld (art. 3:210 BW); zie ook hierover T&C Vermogensrecht (Rank), 2013, aant. 3, sub b, bij art. 6:130 lid 2 BW. 168 In die zin reeds: HR 21 januari 2000, NJ 2000/237 (Stet/Braaksma), waarover ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 315, p. 526 (en daar noot 52). 169 HR 27 januari 2012, NJ 2012/244 (Gangadin/Sheorotan), m.nt. S.F.M. Wortmann. 170 In par. 1.4.4 en 2.3 zal op de meest voorkomende beslagverboden en beslagbeperkingen kort worden ingegaan. Zie ook reeds eerder in par. 1.4.2. 171 Verrekening in geval van verschuldigd loon is in art. 7:632 lid 2 BW óók nog eens afzonderlijk uitgesloten. In zo’n geval heeft het dus geen enkele zin, zoals in par. 1.4.2 ook al aangestipt, om ter zake een beroep op de ‘opschorting ter verrekening’ te doen, wat in beginsel mogelijk zou zijn. Maar de wetgever lijkt hier de samenhang tussen verrekening en opschorting enigszins uit het oog te hebben verloren.

62


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

alimentatieverrekening enigszins denkbaar is.172 In het eerdergenoemde arrest uit 2012 is, voor zover kan worden overzien, voor het eerst een duidelijke uitspraak gedaan over het begrip dezelfde rechtsverhouding, maar voor dit onderwerp is interessanter de casus zelf en de Conclusie van de A-G. In het kader van een echtscheiding zijn tussen de man en de vrouw allerlei vermogensrechtelijke afspraken gemaakt, die in een schriftelijk convenant zijn vastgelegd. In verband met de overbedeling van de vrouw wegens toedeling van de echtelijke woning is zij, na verkoop van het huis (en aftrek van de hypotheekschuld), per saldo aan de man een bedrag van ruim € 85.000 verschuldigd. Deze vordering op de vrouw heeft de man bij hetzelfde convenant voor gelijke delen aan hun drie kinderen gecedeerd, terwijl de man daarnaast aan de vrouw gedurende een periode van twaalf jaren € 113,64 per maand wegens alimentatie is verschuldigd. De man spreekt – in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen – de vrouw aan tot betaling van ongeveer € 18.000. Op haar beurt stelde de vrouw dat zij wegens achterstallige alimentatie een hoger bedrag van de man te vorderen had en beriep zich daartoe op verrekening. Op hier verder niet ter zake doende gronden verwierp het hof dit beroep op compensatie, waarop de moeder in cassatie ging.173 Daarin ging het eindelijk om de uitleg van artikel 6:130 lid 1 (jo. lid 2) BW, met name of de vorderingen over en weer wel uit ‘dezelfde rechtsverhouding’ voortvloeiden. In dit verband is door de A-G in haar Conclusie onder meer het volgende betoogd (NJ 2012, p. 2760, onder 3.7-3.9): “3.7 Over het algemeen is de bevoegdheid tot verrekening gegeven ongeacht de aard van de schulden en de rechtsfeiten waaruit zij zijn ontstaan. In de wet komen echter verschillende bepalingen voor die met zich brengen dat verrekening niet kan plaatsvinden, hoewel aan de materiële vereisten daarvan wordt voldaan. Artikel 6:135, aanhef en onder a, BW, bepaalt dat een schuldenaar niet bevoegd is tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig zou zijn. Dit verrekeningsverbod voorkomt dat de effectiviteit van een beslagverbod wordt ondergraven. Voor zover een vordering niet voor beslag vatbaar is, dient op die vordering evenmin op een andere wijze ‘verhaal’ te kunnen worden genomen, zoals in het geval van verrekening. De betalingsfunctie en de zekerheidsfunctie van verrekening moeten hier wijken voor het doel en de strekking van het beslagverbod.174 3.8 Bij de uitzondering zoals bedoeld in artikel 6:135, aanhef en onder a BW kan onder meer worden gedacht aan een vordering tot levensonderhoud. Alimentatie-uitkeringen hebben een bestemming, namelijk om te voorzien in het levensonderhoud van iemand die niet in staat is zich dit zelf te verschaffen. Om te voorkomen dat deze uitkeringen aan hun bestemming worden onttrokken, mogen zij niet in beslag worden genomen. Om dezelfde reden verklaart de wet hen niet vatbaar voor verrekening.

172 Dat zal veel minder het geval zijn – zij het misschien niet volstrekt uitgesloten – bij door de overheidsinstanties als bedoeld in art. 475c Rv verschuldigde periodieke betalingen. Niet ondenkbaar is immers dat zij bepaalde bedragen ten onrechte hebben uitgekeerd en dus uit dien hoofde een verrekenbare tegenvordering op de schuldenaar hebben. Maar vermoedelijk voorzien de betreffende publiekrechtelijke wetten in de mogelijkheid van inhouding van die bedragen. 173 Het Hof was o.m. van oordeel dat van wederkerig schuldenaarschap als bedoeld in art. 6:127 lid 2 BW geen sprake was, met name omdat de vader in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger procedeerde en de schuld wegens alimentatie aan de vrouw hem persoonlijk betrof. 174 Daar verwijst de A-G in noot 12 naar de dissertatie van N.E.D. Faber, Verrekening, 2005, nr. 102.

63


Bestaansminimum en bankbeslag

3.9 Benadrukt dient te worden dat het verrekeningsverbod uitsluitend is gericht tot de schuldenaar van de niet of slechts gedeeltelijk voor beslag vatbare vordering, en niet in de weg staat aan verrekening door de schuldeiser van die vordering.175 Dit betekent voor de onderhavige zaak dat artikel 6:135, aanhef en onder a, BW, er niet aan in de weg staat dat de moeder als alimentatiegerechtigde een beroep zou kunnen doen op verrekening.”

Uitgaande van het aldus door de A-G helder geschetste juridische kader van beperkingen met betrekking tot beslag en verrekening (zie hierbij ook nog de in par. 1.4.2 besproken (beperkte) mogelijkheden van opschorting), kon de Hoge Raad zich verder volledig richten op de vraag of de wederzijdse vorderingen van de man en de vrouw – die in hetzelfde convenant waren vastgelegd – ook rechtens uit ‘dezelfde rechtsverhouding’ voortvloeiden, zodat zij met elkaar verrekend konden worden. Het bijzondere karakter van de alimentatievordering – met de daaraan in beginsel verbonden beslagvrije voet – speelde hier dus verder geen rol (zie Conclusie A-G, onder 3.9, supra). Nadat door de Hoge Raad (in r.o. 3.5.1, 1e en 2e alinea) eerst op het ‘uitzonderingskarakter’ van artikel 6:130 lid 1 BW is gewezen – namelijk een uitzondering op de hoofdregel van artikel 6:127 lid 2 BW (zie hierna het citaat) –, te weten (1) het geval dat een vordering onder bijzondere titel is overgegaan en (2) het geval dat op die vordering beslag is gelegd, merkt de Hoge Raad daarover (in r.o. 3.5.2, 3e alinea) het volgende op: “Verrekening is in dat geval mogelijk indien (1) de tegenvordering voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane (of: beslagen-Brv.) vordering of (2) de tegenvordering reeds vóór de overgang (of: het beslag-Brv.) aan de schuldenaar is opgekomen en opeisbaar geworden. De onderhavige zaak spitst zich toe op de vraag aan welke eisen moet zijn voldaan, wil voorwaarde (1) zijn vervuld.”

In het vervolg van r.o. 3.5.2 wordt dat als volgt uitgewerkt: “Het uitzonderingskarakter van de in artikel 6:130 lid 1 BW aan de schuldenaar toegekende bevoegdheid brengt mee dat deze slechts kan worden aanvaard als de tegenvordering waarop de schuldenaar zich beroept, voldoende nauw samenhangt met de gecedeerde (of: beslagen-Brv) vordering om doorbreking van de in artikel 6:127 lid 2 BW neergelegde hoofdregel (van identiteit van partijen) te kunnen rechtvaardigen. Het antwoord op de vraag of dit het geval is, moet in beginsel worden gegeven naar de stand van zaken op het moment waarop de cessie op de voet van artikel 3:94 lid 1 BW aan de schuldenaar wordt medegedeeld, tenzij partijen bij de rechtsverhouding waaruit de gecedeerde vordering voortvloeit, anders hebben bepaald, of uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. Daarbij moet worden gelet op alle omstandigheden van het geval.”176

Op grond hiervan vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak naar een ander hof om alsnog te beoordelen of het verrekeningsverweer van de vrouw gegrond 175 Daar verwijst de A-G in noot 16 opnieuw naar de dissertatie van N.E.D. Faber, Verrekening, 2005, nr. 102. 176 In het geval van beslag zal dat moment moeten worden gelegd bij het tijdstip waarop dat beslag wordt gelegd door de betekening van het exploot aan de derde-beslagene (art. 475 lid 1 Rv). Maar denkbaar is ook het tijdstip waarop het (al) gelegde derdenbeslag op de voet van art. 475i Rv aan de beslagdebiteur wordt overbetekend. Dat tijdstip is echter om nu niet ter zake doende redenen niet steeds even zeker.

64


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

is. In het bijzonder zou nu moeten worden onderzocht of er (r.o. 3.7) “voldoende nauwe samenhang tussen vordering en tegenvordering [is] teneinde te kunnen aannemen dat de tegenvordering voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding als bedoeld in artikel 6:130 lid 1”. De enkele omstandigheid dat beide vorderingen in het schriftelijk convenant zijn vastgelegd, is daartoe niet voldoende, maar kán wel een aanwijzing zijn (r.o. 3.6.2) “voor de te dezen vereiste samenhang”. Indien deze casus zou worden bezien in de sleutel van een gelegd derdenbeslag – waarbij de cessie van de vordering dan wordt weggedacht –, zou de hier op de achtergrond spelende beslagvrije voet van de vordering van de vrouw wegens alimentatie als volgt in beeld kunnen komen: bijvoorbeeld aannemer (A) legt ten laste van de vrouw (B) wegens verrichte maar niet door haar betaalde werkzaamheden beslag onder de man (C) op de door hem nog verschuldigde alimentatie, waarna de man als derde-beslagene jegens (A) zijn tegenvordering op de vrouw uit overbedeling in verrekening wil brengen. Voor zover het de beslagvrije voet betreft, zal dit beroep zonder meer op artikel 6:135 sub a BW (jo. art. 475c sub f Rv) afstuiten, terwijl voor het deel van de alimentatie waarop wél beslag is toegestaan de hiervóór besproken problematiek van de ‘nauwe samenhang’ aan de orde komt.177 1.4.4

Beslagvrije voet in andere wetten en ook bij bankbeslag (?)

1.4.4.1 Beslagvrije voet in enkele andere wetten Voordat in de paragrafen 1.4.4.2.1 t/m 1.4.4.2.6 op het kernonderwerp van dit hoofdstuk zal worden ingegaan, is het voor een goed begrip van deze problematiek nuttig om eerst – in het kort – aan te geven in welke andere wetten, dus afgezien van het bepaalde in artikel 475c sub a t/m h Rv,178 eveneens een beslagvrije voet is verbonden aan bepaalde vorderingen tot het doen van (periodieke) betalingen. In paragraaf 1.1.2 is daarop ook al even ingegaan. Het hiernavolgende overzicht is wat uitgebreider en grotendeels ook (weer) ontleend aan de bijdrage van Broekveldt in het KBvG-preadvies uit 2014.179 In de paragrafen 1.4.1 t/m 1.4.3 zijn artikel 6:54 sub c en 6:135 sub a BW vrij uitvoerig besproken. Daar ging het (1) enerzijds om de bevoegdheid tot opschorting en (2) anderzijds om de bevoegdheid tot verrekening; in beide gevallen is deze bevoegdheid afwezig, “voor zover op de vordering van de wederpartij geen beslag is toegelaten”, respectievelijk beslag daarop “niet geldig zou zijn”. Daarbij is gebleken dat, met name als het gaat om beslag op een vordering tot betaling van loon (art. 475c sub a Rv), de mogelijkheid tot opschorting minder effectief is dan het verrekeningsverbod (vgl. art. 6:264 BW). In dit verband is van belang erop te wijzen dat in artikel 7:632 lid 2 BW óók nog een heel specifieke beperking tot verrekening door de werkgever van een tegenvordering op de (ex-)werknemer is opgenomen, namelijk voor zover het betreft het niet voor beslag vatbare deel van het loon. Het is eveneens dát gedeelte van het loon dat ingevolge artikel 7:633 lid 1 BW180 door de werknemer zelf niet kan worden overgedragen; met het oog 177 In dit voorbeeld is, zoals gezegd, de cessie van de vordering van de man aan zijn drie minderjarige kinderen wegens overbedeling weggedacht. Maar zou dat anders zijn, dan zou de man deze vordering, die niet tot zijn vermogen behoort, niet aan (A) als beslaglegger hebben kunnen tegenwerpen. 178 In het nieuwe recht zal dit artikel vrij aanzienlijk worden uitgebreid, zij het niet zozeer wat de verschillende soorten vorderingen tot periodieke betaling betreft, maar wel met een aantal bijkomende en flankerende bepalingen (in lid 2 t/m 7). 179 Zie daar par. 1.3.1, p. 70-71. 180 Voor een toelichting op deze bepalingen wordt verder verwezen naar T&C Arbeidsrecht (Van Slooten), 2016.

65


Bestaansminimum en bankbeslag

op zijn bescherming is ook híér aansluiting gezocht bij de regeling van de beslagvrije voet. Ten slotte verdient het aanbeveling aandacht te geven aan twee meer publiekrechtelijk getinte beslagbeperkingen, te weten het bepaalde in (1) artikel 576 lid 6 Sv en (2) artikel 19 lid 1 IW 1990. Op artikel 576 lid 6 Sv zal hier verder niet worden ingegaan.181 Met betrekking tot de fiscale ‘Vordering ex artikel 19’ wordt volstaan erop te wijzen dat deze figuur, naar algemeen wordt aangenomen, het karakter heeft van vereenvoudigd derdenbeslag, zij het met een executoriaal tintje, ook al voorziet artikel 19 IW 1990 pas in lid 8 in de mogelijkheid tot het leggen van een ‘echt’ executoriaal derdenbeslag, indien niet aan de Vordering gevolg wordt gegeven. In de dissertatie van Broekveldt is uitvoerig op dit bijzondere ‘beslag’ ingegaan,182 waarbij aantekening verdient dat artikel 19 IW 1990 sindsdien op enkele punten ingrijpend is gewijzigd. De opsomming in lid 1 sub a t/m f van enige aan de belastingdebiteur verschuldigde periodieke betalingen en uitkeringen komt, voor zover deze niet vatbaar zijn voor beslag, in grote lijnen overeen met artikel 475c Rv. Maar daarna is in 2007, op grond van de ‘Wet versterking fiscale rechtshandhaving’ (Stb. 2007, 376), in díé zin (in lid 2, 2e volzin) nog een uitzondering gemaakt dat, voor zover “een en ander niet vatbaar is voor beslag (...) de derde op vordering van de ontvanger verplicht [is] ten hoogste een tiende gedeelte daarvan aan te wenden voor betaling van de belastingaanslagen van de belastingschuldige”. Dat komt dus – heel globaal genomen – neer op 9% van de bijstandsnorm. De fiscus heeft zich op deze wijze, evenals in lid 4 van artikel 19 IW 1990, dat toen óók is ingevoegd,183 ten nadele van de belastingschuldige bevoorrechte verhaalsposities verschaft, zulks in verhouding tot diens ‘gewone’ crediteuren. 1.4.4.2

Beslagvrije voet óók bij een ‘gewoon’ bankbeslag?

1.4.4.2.1 Inleiding en opzet Het ‘pièce de résistance’ van dit preadvies wordt gevormd door de vraag of, ondanks het feit dat de wetgever er (nog) niet in heeft voorzien,184 óók bij een onder een bankinstelling ten laste van een schuldenaar/rekeninghouder gelegd beslag met betrekking tot diens vordering op de bank met een beslagvrije voet rekening zou dienen te worden gehouden, indien zodanige beslagvrije voet was verbonden aan de oorspronkelijke vordering van de gerechtigde schuldenaar, zoals bijvoorbeeld het geval is bij het maandelijkse loon of de maandelijkse aanspraak op een uitkering. Het gaat hier om een voor de praktijk nogal belangrijke kwestie, die zowel (de bescherming van) de rechtspositie van de schuldenaar alsook die van zijn verhaal zoekende schuldeiser(s) in de kern kan raken.185 De in de praktijk vermoedelijk regelmatig voorkomende casus – waarover ook al de nodige (verdeelde) lagere rechtspraak is verschenen – ligt in 181 Zie daarover heel kort nog wel hierna in noot 205 voor enige vrij recente gegevens. 182 Zie L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, par. 8.2.2, nrs. 485-498, p. 805-828. 183 Zie daarover L.P. Broekveldt, ‘Beslagrechtelijk tekort’, in: Knelpunten bij beslag en executie (red. N.E.D. Faber e.a.), 2009, nrs. 46-48, p. 43-45. Tot een zekere hoogte kan de Ontvanger op grond van art. 19 lid 4 IW 1990 voor bepaalde belastingschulden wél de kredietruimte van een belastingschuldige bij zijn bank benutten, dus ondanks het HR-arrest inzake het (niet) kunnen benutten door een schuldeiser van aan diens schuldenaar toekomende kredietruimte (HR 29 oktober 2004, NJ 2006/203, m.nt. H.J. Snijders). Ons hoogste rechtscollege vond dat immers in zijn algemeenheid onwenselijk. 184 Er was dus een uitgelezen gelegenheid om in de recent vernieuwde – maar nog niet ingevoerde – wetgeving daarin te voorzien. En dat kan overigens nog steeds worden gedaan. 185 Zie daarover ook uitgebreid Kluwer Rv (Broekveldt), aant. 6.1-6.4 bij art. 475b (supplement 372, januari 2017).

66


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

beginsel eenvoudig: de vordering waar de beslagvrije voet aan is verbonden, bijvoorbeeld het verschuldigde loon,186 wordt door de werkgever elke maand overgemaakt op een ten name van die werknemer staande bankrekening, waarna door een schuldeiser van die werknemer op deze rekening (conservatoir of executoriaal) beslag onder de bankinstelling wordt gelegd. Zou het beslag onder de werkgever (respectievelijk onder de uitkeringsinstantie) als derde-beslagene zijn gelegd, dan zou er geen twijfel over bestaan dát een gedeelte van dat loon (respectievelijk van die periodieke betalingen) onder de beslagvrije voet zou zijn gevallen, aangenomen dat het beslag werd gelegd op een tijdstip dat het loon (c.q. het anderszins verschuldigde) door de derde-beslagene nog niet was overgemaakt naar de eigen bankrekening van de werknemer/beslagdebiteur. De vraag is echter – en in de praktijk wordt daarover in rechtspraak en literatuur (heel) verschillend gedacht – óf deze vordering het karakter van beslagvrije voet verliest zodra het ermee gemoeide bedrag is bijgeschreven (‘gecrediteerd’) op de eigen bankrekening van de gerechtigde. In paragraaf 1.4.4.2.6 zal een bloemlezing worden gegeven van enige aansprekende uitspraken – veelal in korte gedingen gewezen – van enige hoven, en dan in het bijzonder die beslissingen waarin een zodanige ‘beslagvrije’ voet min of meer indirect is aangenomen.187 Maar aan de hand van enkele uitspraken van de Hoge Raad zal in de paragrafen 1.4.4.2.2 en in 1.4.4.2.3 worden betoogd dat deze rechtspraak onjuist is en dat het uitsluitend de wetgever is die hier de door schuldenaren gewenste bescherming zal kunnen bieden. 1.4.4.2.2 HR 1999 inzake Bahceci/Van der Zwan q.q. Zoals reeds gezegd zou deze rechtsvraag bevestigend dienen te worden beantwoord, hierbij gesteund door het in de aanhef genoemde wat oudere arrest van de Hoge Raad uit 1999.188 In de dissertatie van Broekveldt is eveneens op deze vraag ingegaan, waaraan het volgende is ontleend:189 “Bij het in de vorige alinea opgemerkte190 dient echter nog wel te worden bedacht, dat de uitsluiting of beperking van de mogelijkheid deze vorderingen in beslag te nemen, uitsluitend geldt, indien en voorzover deze vorderingen in beslag worden genomen onder de betreffende uitkeringsinstantie of eigenlijke schuldenaar. Zodra deze echter de verschuldigde uitkering of geldsom heeft overgemaakt naar de eigen bank- of girorekening van de gerechtigde, verliest de vordering daardoor – en ook door de vermenging met andere gelden – haar bescherming tegen faillissement of beslag ten laste van de gerechtigde schuldeiser. Zélfs wanneer de (oorspronkelijke) vordering nog op enigerlei 186 Het spreekt voor zichzelf dat hetzelfde geldt voor alle overige in art. 475c Rv (en elders) genoemde uitkeringen en periodieke betalingen, die door de betreffende instellingen op bankrekeningen van de gerechtigde schuldeisers worden overgemaakt. 187 De juridische constructie die daarbij wordt toegepast, komt hierop neer dat de beslagleggende schuldeiser (en ook diens deurwaarder) misbruik van recht maakt (ex art. 3:13 lid 1 BW), door geen rekening te houden met het feit dat aan de oorspronkelijke vordering (op de SVB of de werkgever) een beslagvrije voet was verbonden. Die redenering is juridisch onhoudbaar, zoals in par. 1.4.4.2.5 nog nader zal worden toegelicht. 188 HR 21 mei 1999, NJ 2001/630 (Bahceci/Van der Zwan q.q.), m.nt. S.C.J.J. Kortmann; JOR 1999/157, m.nt. N.E.D. Faber. 189 Zie L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 80, p. 142-143; zie over deze vraag ook A.W. Jongbloed, ‘Op de rand of net erover?’, in: AA 2008-3, p. 196-199, waarin hij tot een andere slotsom kwam (waarover hierna in par. 1.4.4.2.5 en daar in noot 205 nog nader). 190 In die alinea wordt, zij het vrij kort, ingegaan op wettelijke bepalingen die beslagverboden of beslagbeperkingen inhouden, zoals art. 447, 448 en 436 Rv. Zie daarover uitgebreid Kluwer Rv (Broekveldt), aant. 1-7 bij art. 475a, dat in supplement 361 (april 2015) volledig is herzien.

67


Bestaansminimum en bankbeslag

wijze in die bank- of girorekening individualiseerbaar is, staat dat er niet aan in de weg daarop zonder verdere belemmeringen beslag te leggen.191 De wettelijke uitsluiting of beperking van beslag op deze vorderingen heeft in de praktijk dus maar een beperkte reikwijdte. Alleen door de uitkering of geldsom direct in contanten op te nemen, lijkt deze tegen beslag gevrijwaard te kunnen worden.”

In zijn arrest uit 1999 heeft de Hoge Raad zich – in navolging van toenmalig A-G Hartkamp – in vrij stellige bewoordingen uitgelaten, waarbij (in r.o. 3.2, 2e alinea) meer in het bijzonder werd verwezen naar het arrest inzake het faillissement van notaris Slis-Stroom.192 In dit befaamde arrest (‘HR 1984’), waarin het ging om de gevolgen van het faillissement van deze Amsterdamse notaris, werd door Van Hese – als verkoper van een onroerende zaak – getracht alsnog betaling van de door de koper aan de notaris betaalde koopsom, die ten tijde van het uitspreken van het faillissement nog in de rekening van het notariskantoor stond bijgeschreven, buiten de boedel om voldaan te krijgen. Daartoe werd de stelling betrokken dat deze koopsom bestemd was om door de notaris te worden doorbetaald aan de verkoper, zodat deze koopsom, nu het betreffende bedrag nog aanwijsbaar op de rekening van het notariskantoor stond, buiten het faillissement viel. Deze stelling werd door de Hoge Raad categorisch verworpen in r.o. 3.2, 3e alinea: “Anders dan in de middelen wordt aangevoerd, is er in het licht van een en ander geen plaats om met het verschaffen van een bevoorrechte positie aan de verkoper aan te nemen dat het door de notaris op de te diens name staande bankrekening ontvangen bedrag niet tot diens vermogen zou behoren. Ook al kan dit bedrag aan de hand van de creditering van de bankrekening nog geheel of ten dele worden geïdentificeerd, deze identificatie zal slechts betrekking kunnen hebben op een uit die rekening blijkende vordering van de notaris zelf op die bank, eventueel als bestanddeel van het saldo dat de bank krachtens die rekening aan de notaris verschuldigd is, terwijl, anders dan het middel wil, ook niet gezegd kan worden dat de notaris deze vordering slechts als ‘bewaarder’ of als ‘trustee’ beheert.”

In de daaropvolgende 4e alinea voegde de Hoge Raad daar nog het volgende aan toe, nadat hij eerst had vastgesteld dat het er niet toe deed dat het nimmer in de bedoeling van de partijen had gelegen om de notaris “bedoeld geldbedrag met eigen geld te laten vermengen”:193 “Beslissend is immers dat het geld, al of niet in de bovenomschreven vorm, deel van het vermogen van de notaris is gaan uitmaken en dat niet de weg is gekozen van storting van het bedrag op een afzonderlijke rekening ten name van de notaris met vermelding van diens hoedanigheid van opdrachtnemer van de betreffende koper en verkoper, noch een – voor wat betreft het afgescheiden

191 Op deze plaats werd toen ook al verwezen naar het hiervóór in noot 188 genoemde HR-arrest uit 1999 (en ook naar een eerder arrest in dezelfde zin van Hof Den Haag 19 april 1973, NJ 1973/513). Zie nu o.m. ook Rb. Arnhem (vzr.) 13 maart 2007, NJF 2007/429, voor een vergelijkbare beslissing. Zo ook: Rb. Dordrecht 12 februari 1986, NJ 1987/372; en anders: Rb. Dordrecht (pres.) 24 juli 1991, KG 1991/289; Hof Amsterdam 24 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB3135; Rb. Assen (vzr.) 19 februari 2009, NJF 2010/136. Zie verder ook in par. 4.2.6 voor meer rechtspraak. 192 HR 3 februari 1984, NJ 1984/752 (Van Hese/Broos), m.nt. W.M. Kleijn. 193 Zie daarover ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nr. 515, p. 864 (en daar de noten 12 en 13).

68


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

blijven van het overgemaakte bedrag van het vermogen van de notaris – daarmee gelijk te stellen weg.”

Zoals reeds opgemerkt, werd in Bahceci/Van der Zwan q.q. (‘HR 1999’) uitdrukkelijk verwezen naar het Slis-Stroom-arrest uit 1984. In die zaak uit 1999 was een situatie aan de orde, die – wat de kernvraag betreft – enige gelijkenis vertoont met de hier aan de orde gestelde problematiek van de beslagvrije voet. Daarin ging het – kort gezegd – om het volgende. Op verzoek van Bahceci – de uitkeringsgerechtigde – waren door de SVB194 bedragen ten titel van kinderbijslag uitbetaald op een gezamenlijke bankrekening van “A en een zekere G.” (r.o. 3, sub (i), arrest), die alle vóór de datum van de faillietverklaring van A op die rekening waren bijgeschreven. Artikel 23 lid 1 sub c AKW bepaalde – ook in de nu nog vigerende tekst – dat de kinderbijslag, tenzij het gaat om het verhaal van een uitkering tot levensonderhoud van het kind, “niet vatbaar is voor executoriaal of conservatoir beslag noch voor faillissementsbeslag” (vgl. r.o. 3.3). In deze procedure (ex art. 69 Fw) werd door Bahceci in drie instanties – tevergeefs – getracht te bewerkstelligen dat de rechter-commissaris zou bepalen dat die bedragen rechtens buiten het faillissement zouden vallen, onder meer op de grond dat (r.o. 3.2, 1e alinea) “de bijgeschreven bedragen aan kinderbijslag een herkenbaar en afgescheiden vermogen vormen dat geen deel uitmaakt van het vermogen in de zin van de Faillissementswet van de failliet A”. Maar de Hoge Raad oordeelde ter zake – in navolging van de Conclusie van A-G Hartkamp – (in r.o. 3.2, 2e alinea), voor zover hier van belang, als volgt: “Deze oordelen zijn juist, naar volgt uit HR 3 februari 1984, nr. 12 219, NJ 1984, 752. Zoals eveneens uit dit arrest volgt, leidt, anders dan de middelen kennelijk aannemen, ook de omstandigheid dat de op voormelde rekening bijgeschreven bedragen nog geheel kunnen worden geïdentificeerd, niet tot de slotsom dat sprake is van een afgescheiden vermogen als bedoeld door Bahceci.”

Ook het beroep van Bahceci op voormeld artikel 23 lid 1 sub c AKW, meer in het bijzonder dat de kinderbijslag (ook) niet vatbaar is voor faillissementsbeslag, kon hem niet baten. In r.o. 3.3, 2e alinea, overwoog de Hoge Raad daarover tot slot als volgt: “Het oordeel van de Rechtbank moet aldus worden begrepen dat voormelde bepaling slechts betrekking heeft op de vordering van degene die tot de kinderbijslag is gerechtigd, op de SVB, en niet op de bedragen die de SVB op de bankrekening van de gerechtigde, of, zoals hier, van een derde heeft doen bijschrijven. Dat oordeel is juist.”

Daarmee lijkt het pleit definitief beslecht ten nadele van al diegenen die meenden dat de bescherming die de beslagvrije voet de gerechtigde tot de vordering waaraan die is verbonden beoogt te bieden, óók nog in stand blijft én doorwerkt indien en voor zover het met die vordering gemoeide bedrag is bijgeschreven op de eigen bankrekening van de gerechtigde (c.q. van een ander in zijn opdracht). Of anders gezegd: de beslagvrije voet blijft uitsluitend in stand indien en voor zover op deze vordering beslag is gelegd onder de eigenlijke schuldenaar van die vordering, zoals de SVB of de werkgever met betrekking tot loon. Een andere opvatting zou, 194 Dat is de SVB, belast met de uitvoering van o.m. de AOW en de AKW.

69


Bestaansminimum en bankbeslag

gelet met name ook op (a) de wijze waarop het girale betalingsverkeer verloopt (art. 6:114 BW) én (b) het wettelijk systeem van het derdenbeslagrecht, tot niet goed op te lossen problemen leiden, waarover respectievelijk in de paragrafen 1.4.4.2.4 en 1.4.4.2.5 nog nader. 1.4.4.2.3 Creëren van afgescheiden vermogens slechts beperkt mogelijk Alvorens op a en b nader in te gaan, wordt hier eerst nog opgemerkt dat óók de gedachte om alléén voor het betalen van lonen en uitkeringen waaraan een beslagvrije voet is verbonden, daartoe bankrekeningen te openen die het karakter zouden hebben van bijzondere kwaliteitsrekeningen,195 rechtens niet tot de mogelijkheden behoort. In het arrest ProCall/ Beatrixziekenhuis zijn door de Hoge Raad in 2003196 de mogelijkheden om afgescheiden vermogens in het leven te roepen – terecht – zeer sterk ingeperkt, omdat een en ander een inbreuk betekent op het kernbeginsel van ons verhaalsrecht als neergelegd in artikel 3:276 BW, luidend: “Tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt, kan een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar verhalen.”

Door het Beatrixziekenhuis was ProCall belast met inning en afdracht van door het ziekenhuis verzonden facturen. Deze werden door ProCall geïnd en geadministreerd op een door haar daartoe speciaal geopende rekening, waarbij uit de tenaamstelling van die rekening – zie eerder het Slis-Stroom-arrest uit 1984 (in noot 192) – heel duidelijk bleek dat het ging om ten behoeve van het ziekenhuis te ontvangen bedragen. Nadat ProCall failliet was verklaard, rees de vraag of de aldus voor het ziekenhuis geïnde gelden – evenals het op een bijzondere kwaliteitsrekening afgescheiden vermogen – buiten het faillissement van ProCall zouden vallen. Die vraag werd door de Hoge Raad ontkennend beantwoord, onder meer met de volgende motivering (r.o. 3.3.4): “Aanvaarding van een kwaliteitsrekening betekent dat een uitzondering wordt gemaakt op het hiervoor (...)197 onderstreepte, in artikel 3:276 BW verankerde, uitgangspunt dat een schuldenaar in beginsel met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schulden tegenover al zijn schuldeisers.”

Vervolgens brengt de Hoge Raad in herinnering dat hij in 1984 op dit uitgangspunt in het Slis-Stroom-arrest weliswaar een uitzondering heeft aanvaard, maar dat “met verdere uitbreiding daarvan terughoudendheid (dient) te worden betracht gezien de rechtszekerheid en de belangen van het financieringsverkeer, die bij het voormelde uitgangspunt bij uitstek zijn betrokken”.

195 Zie over het fenomeen (algemene en bijzondere) kwaliteitsrekening ook L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, par. 9.2, nrs. 515-525, p. 862-883. 196 HR 13 juni 2003, NJ 2004/196, m.nt. W.M. Kleijn. Zie over het ProCall-arrest uitvoerig: Asser/Bartels & Van Mierlo, 3-IV, 2013, nr. 575, p. 581-583. 197 Daar in het arrest in r.o. 3.3.2 (slot).

70


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

Een en ander komt er dan ten slotte op neer dat de Hoge Raad – naast de door de wetgever in het leven geroepen algemene kwaliteitsrekeningen van notarissen en gerechtsdeurwaarders198 – uitsluitend bereid was om nog voor twee specifieke beroepsgroepen – advocaten en accountants – de mogelijkheid te aanvaarden om, ter bescherming van hun cliënten, door middel van een stichting een algemene kwaliteitsrekening in het leven te roepen. De Hoge Raad bracht een en ander, met een formulering ontleend aan het bekende arrest inzake Quint/Te Poel (‘HR 1959’),199 als volgt onder woorden (in r.o. 3.3.4, slot): “Overeenkomstige toepassing van de regeling opgenomen in artikel 25 Wet op het notarisambt en artikel 19 Gerechtsdeurwaarderswet op de door advocaten en accountants met het oog op het ontvangen van voor derden bestemde gelden aangehouden rekeningen – (...) – is dan ook, als passende binnen het stelsel van de wet en aansluitend bij de wel in de wet geregelde gevallen, mogelijk.”

Zoals hiervoor al gememoreerd, dient het publiek erop te moeten kunnen vertrouwen dat juist déze beroepsbeoefenaren, zo overweegt de Hoge Raad nog, “als degenen wier wettelijke taak in vele gevallen meebrengt dat hun door derden gelden worden toevertrouwd, deze gelden afgescheiden van hun eigen vermogen houden”.

Het zal, in het licht van al hetgeen hiervóór is opgemerkt, geen nader betoog behoeven dat een dergelijke situatie zich niet kán voordoen met betrekking tot een vordering waar een beslagvrije voet aan is verbonden, nog geheel daargelaten dat díé schuldeiser niet behoort tot een van de hier besproken categorieën van personen. Ook overigens beoogt déze schuldeiser nu juist dat die vordering alléén in zíjn vermogen valt en uitsluitend voor hém zal zijn bestemd, voor zover het de beslagvrije voet betreft. Het speciaal voor dit doel door een zodanige schuldeiser openen van een afzonderlijke rekening, die alléén is bestemd voor het ontvangen van bedragen die overeenstemmen met de beslagvrije voet, zal deze schuldeiser dus niet baten; ook het saldo van die bankrekening zal dus in een eventueel faillissement vallen of voor ‘ongehinderd’ beslag vatbaar zijn. 1.4.4.2.4 Bezwaren ontleend aan het systeem van het giraal betalingsverkeer (ad a) Zoals ook in paragraaf 1.4.4.2.1 al aangestipt, zijn er ook nog enige aan (1) het systeem van het giraal betalingsverkeer en (2) het systeem van het derdenbeslagrecht (zie in par. 1.4.4.2.5) te ontlenen bezwaren tegen het als het ware afzonderen op (c.q. in) een bankrekening van alléén het met de beslagvrije voet overeenstemmend gedeelte van de vordering. Wat het eerste punt betreft dient goed in het oog te worden gehouden wat – rechtens én ook feitelijk – gebeurt indien overeenkomstig artikel 6:114 lid 1 BW200 door een schuldenaar een girale betaling

198 Zie art. 25 Wna, resp. art. 19 Gdw. Zie ook HR 12 januari 2001, NJ 2002/371 (Koren q.q./Tekstra q.q.), waarover in r.o. 3.3.3, 2e alinea, van het ProCall-arrest, en L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, nrs. 520-522, p. 873-877. In dat arrest was, naar analogie van art. 25 Wna, aanvaard dat óók bij een overeenkomst een bijzondere notariële kwaliteitsrekening kon worden gecreëerd, dus voor één bepaalde transactie, bijv. een inzake de verdeling van een executieopbrengst (zoals in dat arrest). 199 HR 30 januari 1959, NJ 1959/548, m.nt. D.J. Veegens. 200 Zie daarover ook T&C Vermogensrecht (Rank), 2015, aant. 1 bij art. 6:114 BW.

71


Bestaansminimum en bankbeslag

wordt verricht op (c.q. naar) de bankrekening van zijn schuldeiser. In een arrest uit 2004 is een en ander door de Hoge Raad als volgt (in r.o. 3.3.1) onder woorden gebracht:201 “In geval van voldoening van een schuld door de debiteur door middel van overboeking van het verschuldigde bedrag op een bankrekening van de crediteur, zal in het algemeen de betaling worden geëffectueerd door en op het tijdstip van creditering van die bankrekening. Op dat tijdstip verkrijgt de crediteur een vordering op de bank ter grootte van het overgeboekte bedrag, hetgeen leidt tot verhoging van zijn creditsaldo, respectievelijk een verlaging van zijn debetsaldo met eenzelfde bedrag.”

Het systeem van het giraal betalingsverkeer202 komt er aldus op neer dat, mede gelet op het bepaalde in artikel 6:140 lid 1 BW, de in de rekening-courant bijgeschreven en/of afgeschreven bedragen steeds van rechtswege worden verrekend, zodat “op ieder tijdstip alleen het saldo [is] verschuldigd”, aldus het slot van lid 1. Dit betekent met name dat geen afzonderlijke betaling van individuele posten uit de rekening-courant met succes kan worden gevorderd.203 Als gevolg van dit wettelijk systeem van giraal betalingsverkeer en de aard van de rekening-courantverhouding verliest óók de vordering met een beslagvrije voet haar individuele karakter: deze ‘post’ zal dus door de gerechtigde schuldeiser niet uit die rekening kunnen worden ‘afgezonderd’. Dit klemt nog eens te meer indien het – bijvoorbeeld door de SVB overgemaakte – geldbedrag (‘inclusief’ de beslagvrije voet) wordt verrekend, geheel of gedeeltelijk, met een negatief saldo in die rekening-courant. Het voorgaande betekent dat de ‘leer’ van HR 1999 (Bahceci/Van der Zwan q.q.), zoals deze in paragraaf 1.4.4.2.2 is besproken, dus óók onverkort geldt voor de hier beschreven situaties, waaraan niet afdoet dat – in het geval van een volledig positief saldo in de rekening-courant – het overgemaakte bedrag nog “geheel zou kunnen worden geïdentificeerd”.204 Dat geldt dus óók indien dit saldo is ontstaan, zoals gebruikelijk, door vermenging met andere geldbedragen. 1.4.4.2.5 Bezwaren ontleend aan het systeem van het derdenbeslagrecht (ad b) Uit een oogpunt van derdenbeslag dient er vooral op te worden gewezen dat in het kader van een gelegd bankbeslag – dus in het geval dat (bijv.) door de SVB de verschuldigde uitkering op de bankrekening van de gerechtigde is overgemaakt (en het daarmee gemoeide geldbedrag is ‘opgegaan’ in het positieve of (ten dele) negatieve saldo) – het voor de bank als derde-beslagene niet goed mogelijk zal zijn om een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 476a jo. artikel 476b Rv te doen, waarin óók nog enige gegevens worden verschaft met betrekking tot (de berekening van) de beslagvrije voet: over díé gegevens zal de bank als derde-beslagene als regel niet (kunnen) beschikken. Dat geldt evenzeer voor de beslagleggende schuldeiser, die immers ook niet tevoren weet of zal kunnen weten dat hij – mogelijk – beslag legt op een vordering waaraan oorspronkelijk een beslagvrije voet verbonden was, maar die als gevolg

201 HR 3 december 2004, NJ 2005/200 (Mendel q.q./ABN AMRO), m.nt. P. van Schilfgaarde; zie over dit arrest en de geciteerde overweging ook de Conclusie van A-G Langemeijer (onder 2.13 en noot 17) bij HR 26 januari 2007, NJ 2007/76 (Ontvanger/Fruitveiling-I); zie ook F.H.J. Mijnssen, De rekening-courantverhouding (Mon. Privaatrecht 15), 2010, par. 1.1-1.3, p. 1-5. 202 Zie daarvoor de in de vorige noot genoemde Conclusie van A-G Langemeijer, onder 2.7, met name noot 15. 203 Zie ook F.H.J. Mijnssen, De rekening-courantverhouding (Mon. Privaatrecht 15), 2010, par. 4.1-4.3, p. 17-19. 204 Zie aldus Asser/Bartels & Van Mierlo, 3-IV, 2013, nr. 575, p. 583.

72


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

van de betaling op een ‘gewone’ bancaire rekening-courant dat karakter heeft verloren en is ‘veranderd’ in louter een saldovordering op de bank. Het valt dan ook niet goed in te zien, zoals door sommige auteurs wordt verdedigd en ook in lagere rechtspraak is aangenomen (zie eerder noot 187 en hierna in par. 1.4.4.2.6 en 3.3) dat de beslaglegger zich schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 lid 1 BW) door beslag te leggen én met name te handhaven en zich, indien mogelijk, op het saldo te verhalen.205 In het licht van het vorenstaande kan dan ook geen sprake zijn van een vexatoir beslag: de beslagvrije voet is immers, zoals gezegd, door de overboeking in het saldo ‘verdwenen’, terwijl nóch de beslaglegger, nóch de derde-beslagene daarvan enig verwijt kan worden gemaakt. Door de saldering van posten in de rekening-courant zijn de individuele bedragen, zoals bijvoorbeeld het met de beslagvrije voet gemoeide deel van het bedrag, niet meer te traceren (zo dat al het geval was).206 Ook voor de wetgever is hier mijns inziens geen rol weggelegd, nog daargelaten dat niet goed valt in te zien hoe hij dit probleem juridisch-technisch moet oplossen, zonder het systeem van het girale betalingsverkeer en óók dat van de verklaringsplicht van de derde-beslagene aan te tasten. De gedachte van Jongbloed (zie in noot 189) om de schuldenaar – de beslagdebiteur (!) – enkele dagen te gunnen om het met de beslagvrije voet gemoeide bedrag van zijn rekening te halen, is niet alleen in strijd met de hiervóór genoemde beginselen (van het bank-/girosysteem en ook van het derdenbeslag, met name in verbinding met art. 475h lid 1 Rv), maar óók met de in paragraaf 1.4.4.2.3 besproken onmogelijkheid voor die schuldenaar om een (vorm van) afgescheiden vermogen te creëren. 1.4.4.2.6 Ter afronding nog enige recente rechtspraak van hoven Zoals in paragraaf 1.4.4.2.2 en daar in noot 191 al is aangegeven, is het vooral de lagere rechtspraak van rechtbanken en gerechtshoven die nogal verdeeld is over de vraag óf in het geval van een (conservatoir of executoriaal) derdenbeslag onder een bankinstelling – dus een beslag in het kader waarvan door schuldeiser (A) een gewone geldvordering van schuldenaar (B) op bank (C) in beslag wordt genomen – met betrekking tot de aldus beslagen vordering door de instrumenterende deurwaarder207 tóch óók rekening moet worden gehouden met een beslagvrije voet. In verschillende uitspraken van de tuchtrechter voor gerechtsdeurwaarders is uitgemaakt 208 dat de betreffende deurwaarder verwijtbaar heeft gehandeld door in het kader van de beslaglegging geen rekening te houden met de – welke precies? – beslagvrije voet. Dat is reeds dáárom merkwaardig, omdat aan de beslagen vordering op de bank in geen enkel opzicht een beslagvrije voet was of is verbonden. Het moet dan gaan om de vordering waar oorspronkelijk een beslagvrije voet aan was verbonden, welke vordering, als gevolg van 205 Wat de schrijvers betreft gaat het in ieder geval om: A.W. Jongbloed, ‘Op de rand of net erover?’, in: AA 2008-3, p. 196-199 (en dezelfde in: Executierecht, 2011, par. 4.12, p. 67); en ook: H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen en G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2011, nr. 441, p. 498 (noot 147). Voor de lagere rechtspraak wordt hier verwezen naar noot 191 en de Conclusie van A-G Langemeijer (onder 2.4-2.6, en daar noot 10) bij HR 20 december 2013, NJ 2014/36 (K./Staat). In die zaak ging het o.m. om toepassing van art. 576 Sv, waarbij in lid 6 art. 475b t/m 475g Rv van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. 206 Hoogstens valt uit het rekeningafschrift te zien dat op een bepaald valutatijdstip dat bedrag door creditering is bijgeschreven in de rekening. 207 Hetzelfde zal in voorkomende gevallen ook voor bijv. de belastingdeurwaarders moeten gelden. 208 Daarvoor wordt in de eerste plaats verwezen naar de hiervóór in noot 191 al vermelde rechtspraak. Zie voorts ook nog de in aant. 6.4 in de losbladige (supplement 372, januari 2017) Kluwer Rv (Broekveldt) bij art. 475b, p. 15, in noot 4 vermelde jurisprudentie.

73


Bestaansminimum en bankbeslag

de overboeking naar de – nú – beslagen bankrekening, dat karakter heeft verloren, als uiteengezet in de paragrafen 1.4.4.2.3 t/m 1.4.4.2.5. Met name het Amsterdamse hof209 – als de appelinstantie voor tuchtrechtspraak inzake gerechtsdeurwaarders – maar ook het hof te ’s-Hertogenbosch heeft verschillende keren uitspraken gedaan die hierin een onjuiste koers varen. Hier zal in het bijzonder worden ingegaan op een arrest van het Bossche hof,210 waaraan de volgende overwegingen worden ontleend: “3.7.2. Ingevolge artikel 475 Rv is beslag onder een derde (hier: de ABN-AMRO-bank) op een of meer vorderingen van de schuldenaar [de vrouw], tot periodieke betalingen waaraan een beslagvrije voet is verbonden, slechts geldig voor zover een periodieke betaling de beslagvrije voet overtreft. Tussen partijen is niet in geschil dat de WAO-uitkering van [de man] onder de werking van artikel 475c Rv valt. Overigens doet de bank geen periodieke betaling. 3.7.3. Naar het oordeel van het hof wordt het systeem van de beslagvrije voet op onaanvaardbare wijze doorbroken indien – zoals [Kredit]211 kennelijk betoogt – de werking van de regeling eindigt zodra het beslagvrije bedrag uit het vermogen van de uitkerende instantie is geraakt door storting op een bankrekening ten name van de gerechtigde, zodat beslag wel mogelijk is op het saldo van de beslagvrije voet zodra dat saldo is bijgeschreven op de bankrekening van de schuldenaar. Aan het doel en de strekking van de beslagvrije voet wordt ernstig af breuk gedaan doordat door het beslag op die bankrekening geen geld meer ter beschikking is voor het levensonderhoud van de onderbewindgestelden. In dit verband is van belang dat voor beslag onder bijvoorbeeld de werkgever op loon of onder de uitkerende instantie op de uitkering een beslagvrije voet geldt, maar dat van die werkgever en instantie niet kan worden verlangd het beslagvrije gedeelte contant uit te keren. Er zal in de regel betaling via een bank worden gerealiseerd. Aan de toepassing van de regels van de beslagvrije voet moet derhalve deze uitleg worden gegeven dat een beslag onder de bank op de rekening van de gerechtigde niet zal beklijven voor zover daarop het beslagvrije gedeelte van de uitkering is gestort (...).212 Voor deze uitleg vindt het hof nog steun in artikel 475a lid 1 Rv waarin wordt bepaald dat beslag zich niet uitstrekt tot vorderingen (of zaken) die volgens de wet niet voor beslag vatbaar zijn. Het beslagvrije deel van een WAO-uitkering is niet vatbaar voor beslag en wordt niet vatbaar voor beslag door storting op de bankrekening van de rechthebbenden. Het door de voorzieningenrechter genoemde arrest HR 21 mei 1999, NJ 2001/630 (JOR 1999/157, m.nt. NEDF (Bahceci/Van der Zwan q.q.) doet hier niet aan af.”

Het zal hier geen betoog behoeven dat dit arrest in het licht van het voorgaande als rechtens onjuist kan worden gekwalificeerd. Alle relevante juridische argumenten daarvoor zijn met name in de paragrafen 1.4.4.2.2 t/m 1.4.4.2.5 al uitvoerig uiteengezet. In zijn noot bij dit arrest is door Steneker in dit verband ook nog het volgende opgemerkt (t.a.p., onder 2, p. 1935, r.k.):

209 Hof Amsterdam 24 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB3135; Hof Amsterdam 15 november 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4538. 210 Hof ’s-Hertogenbosch 21 april 2015, JOR 2015/6, nr. 187, m.nt. A. Steneker. 211 Hoist Kredit AB is de schuldeiser die het derdenbeslag ten laste van de man en de vrouw heeft gelegd onder de bank. 212 Verwezen wordt daar naar het in eerste aanleg in dezen gewezen vonnis van Rb. Rotterdam 17 oktober 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:8478, JOR 2014/347, m.nt. A. Steneker.

74


1 Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet

“De genoemde beslagverboden en beslagvrije voeten gelden slechts wanneer beslag wordt gelegd onder de betaler van het periodieke inkomen, dus bijvoorbeeld onder de DUO (‘Dienst Uitvoering Onderwijs’, die de studiefinanciering uitbetaalt), de SVB (‘Sociale Verzekeringsbank’, die de inkomensonaf hankelijke kinderbijslag uitbetaalt), de Belastingdienst (die de inkomensaf hankelijke toeslagen uitbetaalt), de werkgever, het UWV, het pensioenfonds of de verzekeringsmaatschappij. Het is een hardnekkig misverstand dat een beslagverbod of beslagvrije voet ook moet worden toegepast wanneer beslag op een bankrekening wordt gelegd waarop de genoemde inkomensbronnen zijn bijgeschreven. Na Rb. Rotterdam 17 oktober 2014, JOR 2014/347, m.nt. Steneker, tevens behorend bij JOR 2014/346 (X/Woonbron) geeft ook het onderhavige arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch blijk van dit misverstand.”

Hier is niet alleen sprake van een ‘hardnekkig misverstand’, maar met name ook van een juridische misvatting. In het licht van onder meer de hiervóór in paragraaf 1.4.4.2.2 geciteerde overweging uit het arrest inzake Bahceci/Van der Zwan q.q. is het oordeel van het hof onbegrijpelijk. Daarin besliste de Hoge Raad immers duidelijk en heel uitdrukkelijk dat het bepaalde in artikel 23 lid 1 sub c AKW “aldus worden begrepen dat voormelde bepaling slechts betrekking heeft op de vordering van degene die tot de kinderbijslag is gerechtigd, op de SVB, en niet op de bedragen die de SVB op de bankrekening van de gerechtigde, of, zoals hier, van een derde heeft doen bijschrijven. Dat oordeel is juist.”

Men zou zich nog kunnen afvragen of het Bossche hof in dit arrest tot hetzelfde oordeel zou zijn gekomen indien de derde-beslagene (in casu: ABN-AMRO-bank) als schuldenaar een verrekenbare tegenvordering zou hebben gehad op de beslagdebiteur, wiens vorderingen tot periodieke betalingen – mét daaraan telkens een beslagvrije voet (zoals WAO en/of loon) – in het saldo van de bank zijn gevloeid. Zou ook in dát geval, gelet op het bepaalde in artikel 6:135 sub a BW – inhoudende dat een schuldenaar niet bevoegd is tot verrekening “voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig zou zijn” –, verrekening daarop zijn afgestuit?213 Anders gezegd: zou in die juridische context óók door het Hof zijn geoordeeld dat de bank haar opeisbare tegenvordering niet mocht verrekenen met de beslagen vordering, enkel op de grond dat deze geacht dient te worden – dus bij een wel zeer vrije rechterlijke wetsduiding – met een beslagvrije voet te zijn bekleed, ook al is het oorspronkelijke karakter van die vorderingen op de beslagdatum op geen enkele wijze meer in deze zin te determineren. Dat kan ten zeerste worden betwijfeld! 1.5

Slotoverpeinzingen

Het voorgaande dat de revue is gepasseerd nog eens overziend, lijkt het een gemiste kans dat de wetgever in het kader van de omvangrijke en ingrijpende operatie betreffende de herziening (van het systeem) van de beslagvrije voet niet tevens de gelegenheid te baat heeft genomen de hiervóór geschetste problematiek, van op een rekening bij een bankinstelling 213 Zie daarover eerder en meer uitgebreid in par. 3.3.

75


Bestaansminimum en bankbeslag

overgemaakte vorderingen, waaraan oorspronkelijk een beslagvrije voet was verbonden, tot een bevredigende oplossing te brengen. Bestudering van de parlementaire stukken noopt tot de conclusie dat het probleem weliswaar is opgemerkt, maar dat niet voldoende is onderkend dát hier een levensgroot juridisch probleem lag en nog ligt. De wetgever heeft het probleem voor zich uit geschoven. In dat verband is het echter ook denkbaar dat de wetgever heeft gemeend dat dit vraagstuk verder wel door de civiele rechter op een bevredigende wijze zou (kunnen) worden opgelost, zoals dat in een aantal gevallen ook al was en is gebeurd. Het ziet ernaar uit dat in deze rechtspraak 214 van rechtbanken en enkele gerechtshoven in overwegende mate wordt aangenomen dat, óók in geval van derdenbeslag op een gewone rekening-courant van een schuldenaar bij een bankinstelling, met ‘de’ of ‘een’ beslagvrije voet rekening zou dienen te worden gehouden. Met name in paragraaf 1.4.4.2.6 is aangetoond dat deze rechtspraak onjuist is naar huidig recht en niet in de laatste plaats strijdig is met het in paragraaf 1.4.4.2.2 uitvoerig besproken arrest van de Hoge Raad uit 1999 inzake Bahceci/Van der Zwan q.q. Het is uiteindelijk toch aan de wetgever om de geschetste problematiek op te lossen en een nieuwe juridische realiteit te creëren.

214 In een recent nummer van het NJB (2017, afl. 22, p. 1520-1526) is door mr. A.H.J. Lennaerts (senior rechter in de Rechtbank Noord-Nederland) in een artikel onder de titel ‘Rechters en de schuldenindustrie’ ook aan deze problematiek aandacht besteed.

76


Hoofdstuk 2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

J.J.L. Boudewijn, O.M. Jans en M.I. Cazemier

2.1

Inleiding

Met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is de bescherming van het bestaansminimum binnenkort aanzienlijk verbeterd, maar nog niet waterdicht. Dit hoofdstuk beschrijft hoe de handhaving van een beslagvrij bedrag bij het bankbeslag op een verdergaande wijze bijdraagt aan de bescherming van de bestaanszekerheid van de schuldenaar, maar belicht tevens wat beslagverboden betekenen voor het verhaalsrecht van de schuldeiser. Een korte omschrijving van de problemen en oplossingen rondom de handhaving van het bestaansminimum in de afgelopen decennia komt in paragraaf 2.2 aan bod. In dit kader wordt tevens aandacht besteed aan de maatschappelijke context van het bestaansminimum, waaronder de veranderende arbeidsmarkt en de opkomst en positie van het toenemend aantal zzp’ers. Daarbij aanhakend volgt in paragraaf 2.3 een uiteenzetting van een aantal beslagbeperkingen op het derdenbeslag. Hierin worden beslagbeperkingen, waaronder een aantal in paragraaf 2.2 reeds benoemde beperkingen die strekken tot bescherming van het bestaansminimum, eveneens benaderd vanuit het perspectief van inperkingen op het verhaalsrecht van de schuldeiser. De ‘Wet vereenvoudiging beslagvrije voet’ is in de rij van daadwerkelijk gerealiseerde waarborgen ten behoeve van de bestaanszekerheid van de schuldenaar zowel de (voorlopige) hekkensluiter als een belangrijk kader voor het in dit preadvies te formuleren wetsvoorstel. Voor de te hanteren maatstaf bij het bepalen van de bedragen die vrijgehouden dienen te worden bij een bankbeslag, ligt het namelijk voor de hand om vanuit het oogpunt van rechtseenheid uit te gaan van de berekeningswijze van deze wet. Reden om de in deze wet gehanteerde systematiek over het voetlicht te brengen in paragraaf 2.4. Aan het slot van dit hoofdstuk zal worden gepoogd een antwoord te formuleren op de vraag wat de bevindingen van dit hoofdstuk betekenen voor de wijze waarop een regeling aangaande de handhaving van een beslagvrij bedrag bij het bankbeslag zou moeten worden vormgegeven.

77


Bestaansminimum en bankbeslag

2.2

Bestaansminimum en maatschappelijke context in de 21e eeuw

2.2.1 Inleiding In het vorige hoofdstuk, maar ook in paragraaf 3.3, wordt uiteengezet dat gevolgen die in de jurisprudentie worden verbonden aan de werking van artikel 45 Awir en artikel 475b e.v. Rv bij een beslag op de bankrekening in hun uitwerking nogal kunnen verschillen. Rechters vullen het hiaat in de wetgeving casuïstisch in, waardoor de jurisprudentie bepaald niet een eenduidig beeld laat zien. Het gevolg hiervan is dat een schuldenaar in Nederland ook heden ten dage nog steeds geen zekerheid heeft omtrent zijn bestaansminimum. Naar verwachting zal na de inwerkingtreding van de nieuwe Wet vereenvoudiging beslagvrije voet 1 binnen het geldende systeem aan schuldenaren een verbeterde bescherming van de beslagvrije voet bij een beslag op periodieke inkomsten worden geboden. Echter, bij de totstandkoming van deze wet werd het KBvG-advies om op termijn tevens tot een regeling van het bankbeslag te komen niet onmiddellijk geïncorporeerd. Indien de wetgever dit project niet van een daadwerkelijke regeling zal gaan voorzien, bestaat het aanmerkelijke risico dat nog steeds zachte plekken zullen bestaan in de beoogde harde bodem van de beslagvrije voet. In deze paragraaf zal, in aansluiting op het vorige preadvies, worden onderstreept wat het bestaansminimum in huidig Nederland betekent en hoe dit minimum binnen de context van een steeds complexer wordende samenleving in de loop van de afgelopen twee tot drie decennia onder druk is komen te staan. De eerste kwestie die in dat kader wordt aangestipt, is welk effect deze maatschappelijke veranderingen hebben gehad op de beslagwetgeving en waarom deze veranderingen de correcte handhaving van de beslagvrije voet niet eenvoudiger hebben gemaakt. Vervolgens zal worden ingegaan op de initiatieven die reeds genomen zijn om dit minimum beter te garanderen. Tot slot zal op de vraag worden ingegaan waarom een betere regeling van het bankbeslag hieraan een onontbeerlijke bijdrage levert. 2.2.2

Beslagvrije voet en bestaansminimum

2.2.2.1 Beslagvrije voet: een harde bodem De beslagvrije voet bedraagt onder de ‘oude’, ten tijde van het ter perse gaan van dit preadvies geldende wetgeving 90% van de op de woon- en leefsituatie van de schuldenaar toepasselijke bijstandsnorm verhoogd, met een deel aan premie ziektekostenverzekering en woonkosten.2 Indien men de minimaal noodzakelijke kosten die een persoon op de armoedegrens moet maken om in leven te blijven,3 vergelijkt met de normbedragen voor een bijstandsuit-

1 2 3

78

Wet van 8 maart 2017 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Invorderingswet 1990 en enkele andere wetten in verband met een vereenvoudiging van de beslagvrije voet (Wet vereenvoudiging beslagvrije voet), Stb. 2017, 110. Zie ook Kamerstukken II 2016/17, 34628. Art. 475d Rv. Voor de bepaling van de toepasselijke norm wordt hierbij aansluiting gezocht bij de systematiek van de Participatiewet. Ter illustratie van het gegeven hoe elementair de levensstandaard is die van de bedragen kan worden gerealiseerd, biedt het Sociaal en Cultureel Planbureau een staatje: digitaal.scp.nl/armoedeinkaart2016waar_ligt_de_armoedegrens. NB Op basis van de hier genoemde gegevens gaat het om een bedrag van € 971 voor een alleenstaande volwassene.


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

kering op basis van de Participatiewet, 4 dan wordt duidelijk dat deze 90% niet volstaat voor de meest elementaire kosten. De wetgever heeft in 1991 voor deze 90% gekozen om ook bijstandsgerechtigden “aansprakelijk te houden en enig verhaal te laten bieden voor de schulden die zij aangaan. Zou de beslagvrije voet de bijstandsnorm evenaren, dan zouden zij geen enkel verhaal bieden. Voor sommigen zou dat de verleiding kunnen inhouden schulden aan te gaan zonder die te willen betalen.”5

Vanuit het oogpunt van de daarmee ontstane rechtsgelijkheid tussen loontrekkenden en uitkeringsgerechtigden is dit een terechte keuze geweest. Gezien het geringe bedrag echter, zou het dan wel om een harde grens moeten gaan. In de praktijk blijkt daarentegen dat in 75% van de gevallen de beslagvrije voet te laag wordt vastgesteld.6 De oorzaak hiervan is in belangrijke mate gelegen in een berekenwijze van de beslagvrije voet die voor de correctie ten aanzien van de premie ziektekostenverzekering en woonkosten steunt op door de schuldenaar aan te leveren gegevens. Het gebrekkige functioneren van deze informatievoorziening heeft ernstige gevolgen voor veel schuldenaren ten aanzien van wie een derdenbeslag is gelegd. De haperende rechtszekerheid ten aanzien van de handhaving van die beslagvrije voet die hiervan het gevolg is, is overduidelijk in strijd met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot het vaststellen van de beslagvrije voet op inkomen was namelijk de gedachte dat “degene die, (...), zijn noodzakelijke uitgaven uit deze periodieke inkomsten moet bekostigen, voor de lopende kosten van het bestaan nog juist genoeg in handen moet krijgen, ook al ligt er beslag op dit inkomen”.7

Uit deze bewoordingen en door de koppeling aan de hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm zou de beslagvrije voet kunnen worden gezien als een afgeleide van het in artikel 20 lid 3 Gw8 geregelde recht op bijstand van overheidswege voor diegenen die niet zelf in het bestaan kunnen voorzien. Het eerste lid van artikel 20 Gw draagt de zorg voor de bestaanszekerheid op aan de Nederlandse overheid.9 Een nog sterkere aanwijzing voor het gegeven

4 5 6 7 8

9

Te downloaden via: www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bijstand/documenten/publicaties/2016/12/1/normenbrief-1-1-2017. Een alleenstaande volwassene ontvangt per januari 2017 een bijstandsuitkering van € 982,79 per maand. Kamerstukken II 1982/83, 17897, 1-3, p. 10. Verslag van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Kamerstukken II 2016/17, 34628, 5, p. 5. MvT op de Algemene regeling van beslag op loon, sociale uitkeringen en andere periodieke betalingen, Kamerstukken II 1982/83, 17897, 1-3. p. 10. Art. 20 Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden van 24 augustus 1815: – Lid 1 De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid. – Lid 2 De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid. – Lid 3 Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege. Nederland heeft zich voorts in diverse verdragsrechtelijke bepalingen gecommitteerd aan het behoud van bestaanszekerheid voor burgers, zie o.a. art. 25 lid 1 UVRM, art. 11 IVESCR en art. 30 van het herziene ESH. Echter, van geen van deze verdragsbepalingen is een rechtstreekse werking tegen de staat als bedoeld in art. 93 en 94 Gw vastgesteld, laat staan een horizontale werking tussen partijen. Zie voor uitgebreide jurisprudentie

79


Bestaansminimum en bankbeslag

dat de overheid hier het toezicht op het bestaansminimum en de bestaanszekerheid van haar ingezetenen als grondwettelijke taak aan zichzelf heeft opgedragen, blijkt uit dat het de regering beter leek “om die overheidszorg te doen slaan op de bestaanszekerheid zelf en niet slechts op de verhoging daarvan”.10

Dat minimum heeft blijkens de toelichting niet alleen betrekking op uitkeringen, maar wordt breder getrokken naar bijvoorbeeld ook het minimumloon.11 Hierin kan worden gezien dat de grondrechtelijke dimensie van gelijkheid, of zorg voor de bestaanszekerheid van de zwakkere partij, die in het socialeverzekeringsrecht tot ontwikkeling is gekomen, via gemengde rechtsgebieden als bijvoorbeeld het arbeidsrecht ook op diverse plekken toepassing zou moeten vinden in het privaatrecht om recht te doen aan de zorgplicht voor de bestaanszekerheid van burgers.12,13 De vraag is hoe, de bedoelingen van de wetgever ten spijt, de situatie heeft kunnen ontstaan dat aan de breedgedragen norm van de beslagvrije voet in de afgelopen decennia niet strikt de hand kon worden gehouden. De beantwoording van die vraag is complex en tal van factoren zijn daarop van invloed geweest. 2.2.2.2 Betalingsproblemen: oorzaken, gevolgen en misvattingen Een veelgehoorde misvatting is dat armoede en een onhoudbare schuldenpositie alleen diegenen treffen, die roekeloos met geld omgaan. Los van het gegeven dat ook die situatie zich wel degelijk voordoet, kan niet gesteld worden dat dit een algemeen geldende waarheid is. De nasleep van de economische crisis heeft voor veel huishoudens tot een inkomensval en een daaruit voortvloeiende situatie van langdurige armoede geleid.14 Daarnaast hebben wijzigingen in het arbeidsrecht en flexibilisering van arbeids- en zzp-contracten ook tot een inkomensval en betalingsproblemen geleid onder werkenden en werklozen die wel bewust met hun budget omgaan. Mensen met betaald werk als belangrijkste eigen inkomensbron maken ruim 40% van de totale groep armen uit. Tegelijkertijd komt armoede onder zzp’ers beduidend vaker voor dan onder werknemers: van alle zzp’ers is 12% arm, tegenover een

10 11 12 13

14

80

hieromtrent A.G. Castermans, ‘Recht op een behoorlijke levenstandaard en vrijwaring armoede’, in: J.W.A. Biemans en A.G. Castermans (red.), Barmhartigheid in het burgerlijk recht. Bespiegelingen over de grenzen aan kredietverlening en een bijdrage aan het behoud van bestaanszekerheid, 2017, p. 130-135. Dit in afwijking van het advies van de Staatscommissie Cals/Donner, dat luidde dat de zorg van de overheid gericht moest zijn op ‘de verhoging van de bestaanszekerheid’. Kamerstukken II 1975/76, 13873, 3, p. 1112. Denk aan subsidiëring van rechtsbijstand of bescherming van consumenten. Zie P.A.M. Meijknegt, in: J. van Nieuwenhoven e.a., Armoede, rijkdom en recht, 1987, p. 33-47. Zie voorts over het toepassingsbereik en de grondrechtelijke en wettelijke begrenzingen van de waarborging van bestaanszekerheid door de overheid en in de relatie schuldeiser-schuldenaar, A.G. Castermans, ‘Behoud van bestaanszekerheid’, in: J.W.A. Biemans en A.G. Castermans (red.), Barmhartigheid in het burgerlijk recht. Bespiegelingen over de grenzen aan kredietverlening en een bijdrage aan het behoud van bestaanszekerheid, 2017, p. 127-185. Ten aanzien van art. 20 Gw in het bijzonder: M.S. Houwerzijl en F.M.C. Vlemminx, ‘Wetenschappelijk commentaar op artikel 20 Grondwet: Bestaanszekerheid’, in: Nederland rechtsstaat 2014, te raadplegen via: www. nederlandrechtsstaat.nl/module/nlrs/script/viewer.asp?soort=commentaar&artikel=20. J.M. Wildeboer Schut en S. Hoff, Een lang tekort. Langdurige armoede in Nederland, 2016.


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

percentage van 3% onder werknemers in loondienst.15 Extra problematisch daarbij is dat voor zzp’ers in beginsel geen beslagvrije voet geldt, nu hun inkomsten niet onder de reikwijdte van artikel 475c Rv vallen. Dit probleem blijft grotendeels onopgelost zodra de nieuwe regeling in werking is getreden.16,17 Ook het toenemend aantal echtscheidingen speelt een rol, waarbij voornamelijk kinderen en vrouwen door de gevolgen van een inkomensachteruitgang worden getroffen. Mede door de gestegen woon- en zorgkosten kan dan een situatie ontstaan waarin de eerder aangegane verplichtingen niet langer kunnen worden nagekomen. Met name huishoudens waar zich een stapeling van de hiervoor genoemde factoren voordoet, komen in de problemen. Hoewel het CBS in de recente publicatie heeft becijferd dat het plafond van de armoede in de periode van 2011-2013 is bereikt en er nadien een kleine daling heeft plaatsgevonden, is ook deze daling in 2017 gestabiliseerd.18 Daarmee is dus nog niet zeker dat Nederlanders in de (nabije) toekomst beduidend beter aan hun betalingsverplichtingen tegemoet zullen kunnen komen. De groep Nederlanders met een laag inkomen zal volgens een aantal Nederlandse topeconomen ook in Nederland steeds groter worden. Doordat de factor arbeid sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw terrein verliest ten gunste van kapitaalverschaffers en de top van het management brokkelt de middenklasse af.19 De maatschappij is complexer geworden: voortschrijdende techniek en globalisering van het productieproces hebben veel arbeidsplaatsen overbodig gemaakt. De arbeidsmarkt van zakelijke dienstverlening die hiervoor in de plaats is gekomen, is gevoeliger voor schommelingen in de economische conjunctuur. Daarnaast staat de middenklasse tevens onder druk door toenemende lastenverzwaringen, waaronder sterk gestegen woonlasten,20 en afnemende publieke voorzieningen.21 Het aantal huishoudens dat moeilijk rondkomt, wordt dan ook geschat op één miljoen.22 Met name zzp’ers en migratiegezinnen behoren daarbij tot de risicogroepen.23 Het feit dat de economie aantrekt, heeft ook lang niet voor alle huishoudens tot een verbetering in de situatie geleid. Integendeel: waar mensen met betalingsproblemen in 2012 nog aanvoerden dat de voornaamste reden van het niet betalen van rekeningen was dat een bepaalde rekening aan de aandacht was ontsnapt, werd in 2015 aangegeven dat zij vooral

15 16 17 18 19 20 21

22 23

Zie digitaal.scp.nl/armoedeinkaart2016/werkende_en_niet-werkende_armen/. Voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Invorderingswet 1990 en enkele andere wetten in verband met een vereenvoudiging van de beslagvrije voet (Wet vereenvoudiging beslagvrije voet). Zzp’ers kunnen eventueel een beroep doen op art. 475f Rv, dat voorziet in een (gedeeltelijke) opheffingsmogelijkheid indien beslag is gelegd op een vordering tot weerkerende betalingen. CBS 2018, Armoede en sociale uitsluiting 2018, p. 7-8. J. van Duijn, in: ‘Middenklasse brokkelt af’, Trouw 3 maart 2014, p. 13. De woonlasten bedragen in Nederland gemiddeld 37% van het inkomen per huishouden. O.a. het NIBUD uitte daaromtrent zijn bezorgdheid in een recent nieuwsbericht: www.nibud.nl/beroepsmatig/nibud-bezorgdom-stijgende-woonlasten. R. van der Ploeg en S. Eijffinger, in: ‘Middenklasse brokkelt af’, Trouw 3 maart 2014, p. 3. Zo worden onderscheiden een participatiestimulerende belastingheffing in de vorm van een algemene heffingskorting, arbeidskorting, combinatiekorting (IACK) en kinderopvangtoeslag. Daarnaast zijn er regelingen van fiscale inkomensondersteuning, zoals: zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderbijslag en het kindgebonden budget. Zie www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/03/ruim-miljoen-huishoudens-komen-moeilijk-rond. CBS, Armoede en sociale uitsluiting 2018, p. 24-73.

81


Bestaansminimum en bankbeslag

moeite hebben met het betalen van hoge vaste lasten en zorgkosten.24 Ook is in vergelijking met cijfers uit 2009 en 2012 gebleken dat de schuldenproblematiek van Nederlandse huishoudens is verergerd, waarbij er steeds meer huishoudens zijn met problematische schulden die geen gebruik maken van formele schuldhulpverlening. In totaal heeft bijna een op de vijf Nederlandse huishoudens een risico op problematische schulden of zit in een schuldhulpverleningstraject.25 Een andere indicator voor de voortdurende urgentie waarin huishoudens met schulden verkeren is dat de aard van de schulden is veranderd in 2015 ten opzichte van 2012 en 2009. Er zijn meer huishoudens met achterstallige rekeningen en minder huishoudens die regelmatig rood staan of een creditcardschuld hebben. Deze uitkomsten suggereren dat huishoudens met financiële problemen minder gebruik hebben gemaakt van kredietfaciliteiten en eerder zijn gaan stoppen met het betalen van (achterstallige) rekeningen.26 2.2.2.3 Beslagvrije voet onder vuur In de afgelopen vijftien jaar kwam een toenemend aantal huishoudens na een inkomensval in betalingsproblemen door vooral hoge woonlasten en kosten die voortvloeien uit de decentralisering van voormalige overheids(zorg)taken en het doorgaans verplichte karakter van het treffen van particuliere maatregelen. Anders dan in de daaraan voorafgaande periode moesten kosten voor bijvoorbeeld zorg en kinderopvang eerst worden voldaan aan de betreffende dienstverlener, waarbij een gedeelte van de gemaakte kosten via een toeslagenstelsel werd gecompenseerd. De Rijksoverheid en gemeenten hebben daartoe een groot aantal verschillende regelingen gecreëerd, waarvan huishoudens rond het bestaansminimum financieel af hankelijk zijn. De veelheid en complexiteit maken de uitkomst van de berekeningen en terugvordering vaak onvoorspelbaar, waardoor probleemschulden ontstaan. Zo heeft de wetgever in een poging inkomen evenrediger te verdelen sinds de eeuwwisseling een aantal verschillende regelingen gecreëerd, waarvan de uitvoering is uitbesteed aan onder andere de Belastingdienst en gemeenten, en waarvan huishoudens rond het bestaansminimum vaak financieel af hankelijk zijn. Het tot dan toe geldende stelsel van belastingvrije sommen en het arbeidskostenforfait bijvoorbeeld, is in 2001 omgezet in een systeem van heffingskortingen. Tussen 2001 en 2005 hebben vervolgens twee stelselherzieningen plaatsgevonden, waarbij in 2005/2006 een toeslagensysteem werd geïntroduceerd. Hierdoor is er een lappendeken aan regelingen ontstaan, waarvan de vormgeving en uitvoering meer zijn bepaald door toevalligheden dan door logische analyse en samenhang.27 Bij het toekennen van de meeste regelingen wordt uitgegaan van de eigen verantwoordelijkheid van de burger. Deze moet een schatting doorgeven van zijn inkomen en pas na afloop van het jaar wordt er gecontroleerd of er ook recht bestaat op (het volledige bedrag van) de toeslag. Dit schatten blijkt voor velen dan ook moeilijk: zo’n een derde van de huishoudens moet terugbetalen en

24 25 26 27

82

A. van der Schors e.a., Kans op financiële problemen, 2016, p. 18 e.v. F. Westhof e.a., Huishoudens in de rode cijfers (Panteia i.o. van ministerie van SZW), 2015, p. 14 e.v. F. Westhof e.a., Huishoudens in de rode cijfers, 2015, p. 22 e.v. C. Dijkhuizen, Naar een activerender belastingstelsel (Eindrapport Commissie inkomstenbelasting en toeslagen), 2013, p. 77 e.v.


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

wordt geconfronteerd met een directe verrekening door de Belastingdienst, met alle gevolgen van dien.28 Ook doet het probleem zich voor dat de Belastingdienst daarbij de mogelijkheid heeft om ten onrechte uitbetaalde toeslagen te verrekenen met nog uit te keren toeslagen. Ook in geval van verhaal van bijvoorbeeld achterstallige huurpenningen kan de daartoe strekkende toeslag worden beslagen ter voldoening van de achterstand in de betaling van die huurpenningen. Maar als onbedoeld bijeffect is de kans erg groot dat de lopende betalingsverplichtingen aan de verhuurder, waar de toeslag juist voor is bedoeld, hierdoor niet meer voldaan kunnen worden. Of de betalingen worden wel voldaan, waardoor het besteedbaar inkomen (ver) onder de beslagvrije voet zakt.29 Hetzelfde geldt voor veel andere inkomensaf hankelijke toeslagen en compensatiemaatregelen. Een toekenning van een voorschot kan door een wijziging in periodieke inkomsten van de ene op de andere dag worden herberekend en teruggevorderd, waarvoor de betreffende overheidsdienst30 vaak bijzondere mogelijkheden tot verhaal, verrekening en beslaglegging ter beschikking staan. Daarbovenop beschikt de Ontvanger sinds 200831 over de mogelijkheid om via de weg van een artikel 19 IW 1990-vordering verhaal te halen op 10% van het bedrag beneden de beslagvrije voet, waardoor in de basis de facto slechts 81% van de bijstandsnorm beschikbaar blijft voor de schuldenaar.32 Complicerende factor hierbij is ook dat overheidsincassotrajecten onaf hankelijk van elkaar lopen en elkaar soms ook beconcurreren, waardoor bij de verschillende overheidsinstanties onvoldoende zicht bestaat op het cumulatieve beroep op de afloscapaciteit. De bijzondere beslagbevoegdheden op bijvoorbeeld nog uit te keren toeslagen brengen in zo’n situatie (onbedoeld) met zich mee dat van een adequate handhaving van de wettelijke beslaggrenzen vaak geen enkele sprake meer is. Dit alles vindt plaats binnen een onoverzichtelijk wettelijk systeem van beslagbevoegdheden. Die bevoegdheden staan verspreid over het Rv, de IW 1990 en tal van bijzondere wetten, vooral op het terrein van het socialeverzekeringsrecht.33 Naar verwachting zullen deze problemen, die in belangrijke mate zijn verbonden aan de informatieverplichting van de schuldenaar, na de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet voor een groot deel zijn ondervangen.34 De wijze waarop door de Ontvanger met gebruikmaking van de artikel 19 IW 1990-vordering verhaal kan worden

28 29 30 31 32 33

34

A. Moerman, ‘De waanzin van beslag op toeslag’, in: Tijdschrift voor Schuldsanering 2015-2, p. 7. A. Moerman, ‘De waanzin van beslag op toeslag’, in: Tijdschrift voor Schuldsanering 2015-2, p. 9. Waaronder de Belastingdienst, waterschappen en de gemeente. Wet van 27 september 2007, Stb. 2007, 367. Art. 19 lid 1 IW 1990. Onderzoeksbureau Berenschot voert ten tijde van het verschijnen van dit preadvies voor SZW een onderzoek uit naar de effecten van bijzondere incasso-instrumenten (zoals de bevoegdheid tot verrekening, het beslag op huur- en zorgtoeslagen en de overheidsvordering) en de preferentie van sommige soorten overheidsvorderingen. De Belastingdienst, CJIB, UWV, DUO, SVB, LBIO, CAK, waterschappen en gemeenten hebben van de wetgever bijzondere incassobevoegdheden toebedeeld gekregen. Wet van 8 maart 2017 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Invorderingswet 1990 en enkele andere wetten in verband met een vereenvoudiging van de beslagvrije voet (Wet vereenvoudiging beslagvrije voet), Stb. 2017, 110. Zie ook Kamerstukken II 2016/17, 34628.

83


Bestaansminimum en bankbeslag

gehaald op 10% van het bedrag beneden de beslagvrije voet blijft echter een aanhoudend punt van zorg. Die verhaalsmogelijkheid gaat immers uit van de gedachte dat er, wanneer de overheid schuldeiser is, situaties denkbaar zijn waarin het gerechtvaardigd is om een schuldenaar bewust minder over te laten houden dan hetgeen hij nodig heeft om in zijn minimale levensbehoeften te kunnen blijven voorzien. 2.2.2.4 Minima in de knel Ook de Nationale ombudsman wees in dit kader reeds op de knellende situatie van veel minima. In het rapport In het krijt bij de overheid wordt mede geschetst hoe de verantwoordelijkheid voor de controle van de hoogte van de ontvangen vergoedingen bij de burger zelf wordt gelegd. Dit probleem zal ook na inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet voortbestaan, nu de bevoegdheden tot verrekening van de Belastingdienst vooralsnog ongewijzigd in stand blijven, en de Belastingdienst zich niet voorafgaand aan het uitoefenen van zijn bevoegdheid op de hoogte stelt van een reeds bestaande beslagsituatie ten laste van de betreffende schuldenaar. De financiële zelfredzaamheid die de controle van deze vergoedingen van mensen vraagt, is niet iedereen gegeven.35 In een door het NIBUD gepubliceerd proefschrift, Op weg naar een schuldenvrij leven,36 is uiteengezet welke gedragskenmerken bijdragen aan een verhoogd risico op problematische schulden. Factoren die werden genoemd, zijn het onder andere minder vooruit plannen, minder frequent bijhouden en controleren van de administratie en het minder goed ordenen van de daarbij behorende papieren. In de situatie waarin de problematische schulden eenmaal zijn ontstaan, worden de meeste mensen overigens wel prijsbewuster bij het doen van een aankoop.37 Maar dit is gemiddeld genomen geenszins een indicator voor een rationelere en meer planmatige gedragsmodus voor waar het gaat om de omgang met financiën in het algemeen. Sterker nog, uit diverse andere sociaalwetenschappelijke onderzoeken komt naar voren dat financiële schaarste en de stress van het leven op de rand van een bestaansminimum leiden tot een blikvernauwing, waarbij de kans op het nemen van onoordeelkundige en onverstandige beslissingen groter wordt naarmate de duur van de schaarstesituatie langer standhoudt. Een van die onverstandige beslissingen kan het aangaan van leningen – soms tegen woekerrentes – inhouden om eerdere schulden af te dekken.38 Leven op bestaansminimumniveau vraagt dus om capaciteiten die juist bij uitstek in een situatie van leven op dat minimum onder druk staan. Tel daarbij op de proactiviteit en eigen verantwoordelijkheid, die de wet bij het verstrekken van inkomensgegevens aan burgers zelf oplegt, en het mag duidelijk zijn dat een leven op het bestaansminimum veel van mensen vraagt, zeer veel stress met zich meebrengt en een gemoedstoestand teweegbrengt die de 35 36 37 38

84

Y.M. van der Vlugt e.a., In het krijt bij de overheid (rapport Nationale ombudsman), 2013. T. Madern, Op weg naar een schuldenvrij leven, 2015. Op te vragen via: www.tamaramadern.nl, of een samenvatting via: www.nibud.nl/beroepsmatig/op-weg-naar-een-schuldenvrij-leven-2015. T. Madern, Op weg naar een schuldenvrij leven, 2015. S. Mullainathan en E. Shafir, Schaarste: hoe gebrek aan tijd en geld ons gedrag bepalen, 2013.


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

kans op het aangaan van verdergaande financiële risico’s door deze mensen potentieel verder vergroot. Een ten tijde van dit schrijven lopend onderzoek lijkt bovendien aan te tonen dat los van de stress die ten gevolge van de schuldensituatie ontstaat, de helft van de schuldenaren als laaggeletterd kan worden gekwalificeerd39 en alleen al om die reden moeite heeft om de correspondentie met gerechtsdeurwaarders en overheidsinstanties te begrijpen. 40 Als deze uitkomst blijft staan, dan zou men kunnen concluderen dat de politiek te hoge verwachtingen heeft van de financiële zelfredzaamheid van burgers. 2.2.2.5 Wetgever aan de slag Wanneer binnen het kader van de geldende regelgeving zelfs deurwaarders problemen ondervinden bij het juist toepassen van genoemde beslaggrenzen, 41 dan is het niet wonderlijk dat het eens vastgestelde bestaansminimum haast tot een zuiver theoretisch normkader is verworden. Voormalig staatssecretaris Klijnsma van SZW formuleerde haar zorgen hierover na lezing van de rapporten In het krijt bij de overheid van de Nationale ombudsman en Paritas Passé van de KBvG als volgt: “Gezien de beperkte omvang van dit bedrag, leidt iedere inbreuk hierop onherroepelijk tot het ontstaan van nieuwe schulden en mogelijke kosten als gevolg daarvan.”42

Ze noemde dit bedrag in een interview in de Gerechtsdeurwaarder43 “de absolute basis” en gaf aan er alles aan te willen doen om het wetsvoorstel met betrekking tot de vereenvoudiging van de beslagvrije voet nog voor het einde van de toen lopende kabinetsperiode door beide Kamers te loodsen. Want, zo zegt de staatssecretaris, “leven op het bestaansminimum is al zwaar, onder dat minimum is er eigenlijk nauwelijks perspectief op een toekomstig leven zonder schulden”. De oorzaak van de gesignaleerde problemen was tot dusver in belangrijke mate terug te voeren op onvoldoende regie en visie op onderlinge samenhang en consequenties bij het implementeren van de afzonderlijke delen van fiscale en beslagwetgeving. Met de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet heeft de wetgever een belangrijke stap gemaakt richting een betere handhaving van de grenzen van het bestaansminimum. Het is van belang dat er een duidelijke en politiek breedgedragen uitspraak komt over in hoeverre schuldenaren over de beslagvrije voet moeten kunnen beschikken. Als de conclusie luidt dat dit daadwerkelijk van belang is, dan zal na de inwerkingtreding van deze wet en een regeling die de handhaving van een beslagvrij bedrag bij een bankbeslag wettelijk verankert, ook kritisch dienen te 39 Ter vergelijking: een op de zes Nederlanders is laaggeletterd. 40 Het betreft een onderzoek dat wordt uitgevoerd door Syncasso, Kredietbank Nederland, de RUG en de Stichting Lezen & Schrijven, zie www.lezenisnietbegrijpen.nl/. 41 Zo is gebleken uit de enquête die onder de beroepsgroep is afgenomen in het kader van het preadvies Naar een nieuwe beslagvrije voet. Vereenvoudiging in een tweetrapsraket, KBvG 2014, p. 272. 42 Reactie staatssecretaris Klijnsma van 8 april 2013 op het rapport In het krijt bij de overheid (Nationale ombudsman) en op het KBvG-rapport Paritas Passé. Overigens werd in recente voorbereidingen van de invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet het gezichtspunt geïntroduceerd dat huishoudens met een inkomen op of onder bijstandsniveau, dat netto onder de beslagvrije voet kan liggen, toch 5% van hun inkomen voor aflossing beschikbaar moeten stellen. 43 ‘De menselijke maat’, interview met staatssecretaris Klijnsma, in: de Gerechtsdeurwaarder 2016-4, p. 11.

85


Bestaansminimum en bankbeslag

worden gekeken naar de inbreuk die de invordering door de overheid op die beslagvrije voet kan maken. De hierna nog te bespreken Rijksincassovisie en de uitgebreide aandacht voor de schuldenproblematiek in het nieuwe regeerakkoord bieden daarvoor een logisch kader. 2.2.3

Eerdere initiatieven ter bescherming van de schuldenaar

2.2.3.1 Beroepsgroep: taakstelling vs. context beroepsuitoefening De KBvG en de beroepsgroep hebben niet stilgezeten en hebben om de gesignaleerde problemen (mee) op te lossen in de afgelopen jaren diverse initiatieven genomen om het sociale bewustzijn van deurwaarders te verhogen en de aandacht te vestigen op een behoorlijke uitoefening van het beroep, ook buiten juridische kaders. 44 Echter, het legaliteitsbeginsel brengt met zich mee dat een gerechtsdeurwaarder dient te handelen binnen de kaders van het Rv. Hierdoor bestaat er voor de individuele deurwaarder in beginsel geen ruimte om zonder een daartoe strekkende wettelijke grondslag éénzijdig de uitoefening van de rechten van schuldeisers te belemmeren, zelfs al zou daar uit het oogpunt van verdelende rechtvaardigheid en het beschermen van het bestaansminimum het nodige voor te zeggen zijn. De rechtspraak die is gewezen op het gebied van bankbeslag en beslagvrije voet is in dit kader illustratief. 45 Zonder wettelijke regeling weet de deurwaarder niet waarop hij in dezen kan anticiperen. Ook is de kans dat een schuldeiser gebruik maakt van de mogelijkheid om de gerechtsdeurwaarder de ruimte te geven om zelfstandig een beslagverbod – zoals een beslagvrije voet bij een bankbeslag – toe te passen niet altijd aannemelijk. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat een vorderingsrecht van een schuldeiser aan een derde partij wordt verkocht en waarbij de nieuwe schuldeiser vooral is gericht op maximalisering van de opbrengst van de aangekochte vordering. 2.2.3.2 Paritas Passé Een uitgebreide verkenning van de hiervoor beschreven problematiek, voorzien van vingerwijzingen richting wenselijke wetswijzigingen, geeft het eerdergenoemde en in opdracht van de KBvG uitgevoerde onderzoeksrapport Paritas Passé. 46 Er wordt een nauwgezet beeld gegeven van de complexiteit van de bijzondere incassobevoegdheden van diverse schuldeisers. Beschreven wordt hoe de diverse verhaalsmethoden (beslag, verrekening en incasso) in de praktijk uitwerken en de complexe en knellende situaties die daardoor vaak ontstaan voor de individuele schuldenaar. Een van de conclusies van het rapport is dat mensen steeds vaker onder het wettelijke bestaansminimum terechtkomen door een opeenstapeling van beslagleggingen en andere vormen van verhaal. Het belang van de beslagvrije voet wordt in Paritas Passé kernachtig als volgt beschreven: 44 Zo heeft de KBvG bijsluiters ontwikkeld waarmee de beslaglegging voor de schuldenaar van tekst en uitleg wordt voorzien en op de website van de KBvG staat sinds jaar en dag een module voor de berekening van de beslagvrije voet. 45 Zie par. 3.3 van dit preadvies. 46 N. Jungmann e.a., Paritas Passé, 2012.

86


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

“De beslagvrije voet is een belangrijk instrument om schuldenaren te voorzien van minimale mogelijkheden om huis, haard, brood en zorg veilig te stellen.”47

De schuldenaar moet te allen tijde48 over dit bedrag kunnen beschikken om in zijn noodzakelijke kosten van bestaan te kunnen voorzien. Daarnaast wordt in het rapport geconcludeerd dat het beginsel van de ‘paritas creditorum’, de uit het privaatrecht voortvloeiende gelijkheid van schuldeisers, in de praktijk is verworden tot een wassen neus, waardoor concurrente schuldeisers vaak buitenspel worden gezet. Ondanks het gegeven dat de staatssecretarissen van SZW en VenJ deze conclusie onderschreven, 49 is aan deze aanbeveling tot op heden (nog) geen gevolg gegeven. Opmerkelijk genoeg adviseert het Centraal Planbureau in een zeer recent advies zelfs om nog meer hiërarchische differentiatie in verschillende categorieën schuldeisers aan te brengen.50 De KBvG vraagt zich ernstig af hoe het hier voorgestelde model zich verhoudt tot de schuldeisersbelangen van MKB’ers en andere kleine concurrente schuldeisers die niet tot de categorie institutionele geldverstrekkers behoren. 2.2.3.3 In het krijt bij de overheid In datzelfde jaar publiceert de Nationale ombudsman een verslag over de doorgeslagen complexiteit van de overheid.51 Uit het zeer lezenswaardige verslag komt een aantal duidelijke aanbevelingen naar voren, die zien op een verbeterslag bij de incasso en verhaal van overheidsvorderingen. Zo dient bij financiële aanspraken en verplichtingen te worden gekozen voor het uitgangspunt van rechtszekerheid voor de burger in het hier en nu. Daarbij dient te worden uitgegaan van uitvoerbaarheid van de regelgeving, en dus van eenvoud. De ombudsman noemt expliciet dat overheden de beslagvrije voet van burgers moeten beschermen. Daarbij is afstemming over invordering van schulden tussen overheidsorganisaties noodzakelijk. 2.2.3.4 Herziening van het beslagverbod roerende zaken Ongeveer gelijktijdig met de totstandkoming van bovenstaande rapporten is de KBvG in 2011 gestart met het in 2012 verschenen preadvies Herziening van het beslagverbod roerende zaken.52 Aanleiding voor dit onderzoek was het gegeven dat de lijst met beslagvrije goederen van de artikelen 447 en 448 Rv sinds de totstandkoming van de wet in 1838 nauwelijks gewijzigd en bijgevolg in belangrijke mate was gebaseerd op de eerste levensbehoeften uit die tijd. De agrarisch georiënteerde samenleving van destijds is dankzij de verworvenheden van de techniek en medische wetenschap onherkenbaar veranderd. De kosten van maatschappelijke participatie zijn gestegen, zonder computer of andere digitale gegevensdrager is deelname of

47 48 49 50 51 52

N. Jungmann e.a., Paritas Passé, 2012, p. 13-14. Lees: maandelijks. Kamerbrief Kabinetsstandpunt Paritas Passé d.d. 8 april 2013, nr. 2013-0000036424, p. 2. S. van Veldhuizen en B. Straathof, In vier stappen naar efficiëntere faillissementswetgeving, 2017. Te raadplegen via: www.nationaleombudsman.nl/jaarverslag/2012. J. Rijsdijk en J. Nijenhuis (red.), Herziening van het beslagverbod roerende zaken. Een achterhaalde regeling bij de tijd gebracht, 2012.

87


Bestaansminimum en bankbeslag

(her)intreden in het arbeidsproces lastig en een vraag die in dit kader eveneens gesteld kan worden, is in hoeverre een internetaansluiting al dan niet kan worden gemist. Onze huidige ideeën van medemenselijkheid, maar ook het in de loop van de vorige eeuw opkomende ontplooiingsideaal maken dat een afweging dient te worden gemaakt in hoeverre beslag op kinderspeelgoed mogelijk zou moeten zijn. Ook is het in zichzelf natuurlijk bijzonder te noemen dat naar huidig recht geen beslag mag worden gelegd op de voedselvoorraad voor één maand, terwijl op de koelkast die nodig is om dat voedsel ook daadwerkelijk geschikt te houden voor consumptie wel beslag mag worden gelegd. Dit, en andere voorbeelden, maken duidelijk dat het beslagverbod roerende zaken geen verband meer houdt met de realiteit van de 21e eeuw. De logische conclusies van het onderzoek, naast de aanbeveling van de bevindingen van het preadvies in Paritas Passé, hebben geleid tot een warme ontvangst van het preadvies en een daaropvolgende spoedige totstandkoming van een conceptwetsvoorstel. Dit voorstel is vervolgens in consultatie gegaan, maar daarna heeft de KBvG, enigszins tot haar verwondering, niets meer mogen vernemen over het vervolgtraject. Gezien de breedgedragen conclusies van het rapport koestert de KBvG de hoop en verwachting dat het huidige kabinet dit project weer spoedig op zal pakken. In antwoord op de Kamervragen van SP-Kamerlid Van Dijk gaf staatssecretaris Van Ark aan dat wordt overwogen de modernisering van het beslagverbod roerende zaken mee te nemen bij de hiervoor aangekondigde bredere modernisering van het beslag- en executierecht door JenV.53 Mede naar aanleiding van het rapport van de Nationale ombudsman en de bevindingen uit het rapport Paritas Passé hebben de KBvG en andere maatschappelijke organisaties vervolgens verdere voorstellen gedaan om achterhaalde wetgeving en uitvoeringspraktijken bij de tijd te brengen. 2.2.3.5 Naar een nieuwe beslagvrije voet In het kader van het vereenvoudigen van de beslagvrije voet heeft de KBvG in het begin van 2013 het initiatief genomen voor een in 2014 verschenen preadvies,54 dat moest leiden tot aanbevelingen op dit gebied en een mogelijke aanpassing en vereenvoudiging van de wet. Ook dit preadvies van de KBvG werd zeer goed ontvangen. Bij de presentatie op 30 juni 2014 onderschreef staatssecretaris Teeven de strekking van het advies en sprak daarbij de volgende woorden: “(...) een belangrijk uitgangspunt in een rechtsstaat is dat burgers en instanties hun financiële verplichtingen nakomen en hun schulden netjes aflossen – zo nodig onder dwang.”

Handhaving van de betalingsmoraal is ook systematisch bijdragen aan de situatie dat een schuldenaar in een vicieuze cirkel terechtkomt en gaat in op de onwenselijke situaties die 53 54

88

Brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 november 2017, nr. 2017-0000162326, p. 6. J. Rijsdijk, O.M. Jans en J. Feikema (red.), Naar een nieuwe beslagvrije voet. Vereenvoudiging in een tweetrapsraket, 2014.


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

dit oplevert voor zowel de schuldenaar als de schuldeiser. Met het voorstel wordt de verantwoordelijkheid voor de beslagvrije voet bij de schuldenaar tot realistischer proporties teruggebracht en krijgt de deurwaarder een meer coördinerende rol. Naar aanleiding van dit preadvies is een wetsvoorstel tot stand gekomen dat in de Tweede Kamer op 16 februari 2017 als hamerstuk werd afgedaan, waarna op 7 maart 2017 ook de Eerste Kamer met het voorstel instemde.55 Naar verwachting zal de wet in 2019 in werking treden.56 Vanzelfsprekend is de KBvG zeer verheugd over de voortvarendheid waarmee het tweede kabinet-Rutte de aanpak van de beslagvrije voet heeft opgepakt en hoopt dat hiermee de positie van schuldenaren die moeten rondkomen van een bedrag ter hoogte van de beslagvrije voet aanmerkelijk wordt verbeterd. 2.2.3.6 Verwijsindex Schuldhulpverlening Naast de voorgestelde wetswijzigingen is in het afgelopen decennium tevens gezocht naar oplossingen voor praktische problemen. Zo is een initiatief genomen om te voorkomen dat bij verhaal van schulden een reeds gestart schuldhulpverleningstraject wordt doorkruist. De beroepsorganisatie en de NVVK hebben daartoe op 30 september 2014 een samenwerkingsconvenant getekend. Door middel van een systeem van beveiligde gegevensinzage, de VISH, kunnen gerechtsdeurwaarders zien of een persoon bij beide bekend is. In voorkomend geval kan de deurwaarder zijn opdrachtgever vervolgens adviseren invorderingsmaatregelen tijdelijk stop te zetten. Er ontstaan voor de opdrachtgever geen nieuwe kosten en de kans van slagen van een schuldregeling wordt vergroot. De VISH wordt nu gehanteerd door zo’n vijftien gemeenten, waaronder Rotterdam, Amsterdam en Den Haag.57 Bij een eerste evaluatie is gebleken dat problemen in de IT-infrastructuur bij de schuldhulpverlening een effectieve inzet van de VISH bemoeilijken.58 Het zou mooi zijn als deze problemen zich zouden oplossen. De vorige staatssecretaris heeft haar betrokkenheid en inzet bij het zoeken naar oplossingen daarvoor in een interview met de KBvG toegezegd.59 2.2.3.7 Digitaal beslagregister De VISH is niet het enige project van de afgelopen jaren waarmee onnodige beslagmaatregelen kunnen worden voorkomen. Een van de aanbevelingen in het rapport Paritas Passé met betrekking tot de beslagvrije voet was de wenselijkheid van het inrichten van een centraal beslagregister teneinde een onnodige en bovenmatige stapeling van beslagmaatregelen te voorkomen.60 De KBvG heeft uitvoering gegeven aan de haar door het kabinet in april 2013 verstrekte opdracht om de inrichting van een dergelijk register te onderzoeken.

55

Wet van 8 maart 2017 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Invorderingswet 1990 en enkele andere wetten in verband met een vereenvoudiging van de beslagvrije voet (Wet vereenvoudiging beslagvrije voet), Stb. 2017, 110. Zie ook Kamerstukken II 2016/17, 34628. 56 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het jaar 2018, Kamerstukken II 2017/18, 34775 XV, 2, p. 19. 57 Zie www.stratech.nl/nl/nieuws/samenwerking-schuldhulpverleners-en-deurwaarders-voorkomt-onnodig-oplopenschulden/. 58 ‘De menselijke maat’, interview met staatssecretaris Kleinsma, in: de Gerechtsdeurwaarder 2016-4, p. 13. 59 ‘De menselijke maat’, interview met staatssecretaris Kleinsma, in: de Gerechtsdeurwaarder 2016-4, p. 13. 60 Paritas Passé, p. 26 e.v.

89


Bestaansminimum en bankbeslag

Het beslagregister61 en de bijbehorende verordening zijn tweeënhalf jaar later, op 1 januari 2016, in werking getreden62 en dienen twee doelen. Ten eerste te voorkomen dat de schuldeiser, in onwetendheid omtrent de beslagpositie van de schuldenaar, onnodige of bovenmatige proces- dan wel executiekosten maakt, en ten tweede om via een verbeterd inzicht in de specifieke beslagpositie van de schuldenaar te bevorderen dat de beslagvrije voet op de juiste wijze wordt vastgesteld en toegepast.63 Het register wordt gevuld met alle executoriale derdenbeslagen op een vordering tot periodieke betaling waaraan een beslagvrije voet is verbonden en met executoriale derdenbeslagen op toeslagen. Voor een optimaal functioneren van het register is echter noodzakelijk dat ook bestaande loonvorderingen van overheidsinvorderaars, verrekening van toeslagen en voorlopige teruggaven met toeslag- en belastingschulden, het vereenvoudigd bankbeslag door de Belastingdienst en verrekeningen door uitkeringsinstanties inzichtelijk kunnen worden gemaakt. 2.2.3.8 Rijksincassovisie De Rijksoverheid is een van de grotere schuldeisers in Nederland. Dit brengt massale incasso- en beslagprocessen met zich mee, die met een hoge mate van efficiëntie en effectiviteit worden uitgevoerd. De ratio hiervan is om de maatschappelijke kosten die incasso meebrengt zo veel mogelijk te beperken. Uit dit proces, en dan vooral de dwangincasso, komen knellende situaties voort. In Paritas Passé en in het preadvies van 2014 is daarom de aanbeveling gedaan om bij verhaal van overheidsvorderingen evenwicht te creëren tussen de diverse bestaande incassomogelijkheden. De overheid heeft hierin haar verantwoordelijkheid genomen met de publicatie van een Rijksincassovisie op 4 april 2016.64 Het kabinet wil hiermee toewerken naar een proces van Rijksincasso dat de burger centraal stelt en dat werkt vanuit het bewustzijn dat een burger slechts één afloscapaciteit heeft, ook in het geval van meerdere betalingsachterstanden. De KBvG hoopt dat de hiermee ingezette weg spoedig leidt tot de gewenste verbeteringen in de uitvoeringspraktijk van overheidsincasso. 2.2.3.9 Breed wettelijk moratorium65 Bij wijze van afzonderlijke maatregel binnen de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening66 is per 1 april 2017 de mogelijkheid van het breed wettelijk moratorium ingevoerd, een ultieme adempauze ter stabilisering van de financiële situatie binnen het minnelijk schuldhulpverleningstraject voor die gevallen waarin andere genoemde opties onvoldoende mogelijkheden bieden. Het draagvlak voor dit wettelijk moratorium is onder partijen die schuldeisers vertegenwoordigen – de KBvG, de rechterlijke macht en de Raad voor Rechtsbijstand – gering,67 omdat het geen oplossing biedt voor de belangrijkste knelpunten binnen het minnelijke

61

De KBvG heeft zich daarbij in belangrijke mate laten inspireren door het in 2011 tot stand gekomen Belgische CBB (Centraal Bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling). Zie hierover uitgebreid ‘Als een feniks uit de as’, interview met J. de Meuter, in: de Gerechtsdeurwaarder 2016-2, p. 18. 62 Stcrt. 2015, 39706. 63 Art. 3 Verordening digitaal beslagregister voor gerechtsdeurwaarders. 64 Bijlage bij Kamerstukken II 2015/16, 24515, 336. 65 Stb. 2017, 83. 66 Het Besluit breed moratorium vindt zijn basis in art. 5 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. 67 Zie Brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 september 2010, Kamerstukken II 2009/10, 24515, 190.

90


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

schuldhulpverleningstraject. Schuldeisers hebben gedurende maximaal zes maanden geen enkel middel om hun rechten uit te oefenen, wat enkel tot gevolg heeft dat het probleem dat door het moratorium zou moeten worden opgelost voor een periode van een halfjaar wordt uitgesteld. De KBvG verwacht dat voor wat betreft de bescherming van de schuldenaar meer heil uitgaat van het optimaliseren van de mogelijkheden van de VISH en het digitaal beslagregister, het besteden van extra aandacht aan scholing en certificering van schuldhulpverleners en het oplossen van de knelpunten in de uitvoering van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.68 2.2.3.10 Maatregelen op decentraal niveau Ook op decentraal niveau treden gemeenten en andere organisaties minima tegemoet met bijzondere bijstand, ‘kindpakketten’ of andere specifieke bijdragen.69 Mensen met zeer weinig leefgeld,70 doorgaans vanwege schulden, kunnen daarnaast in aanmerking komen voor pakketten van de voedselbank. Dit laatste kan echter niet worden gezien als een structurele oplossing voor bestaanszekerheidsproblematiek, maar geeft wel enige verlichting in een overigens onwenselijke praktijk van niet goed te handhaven beslaggrenzen. 2.2.3.11 Bestaansminimum en bankbeslag – bescherming van de schuldenaar bestendigd Voorliggend preadvies is de voorlopige afsluiter van een reeks aanbevelingen en maatregelen die moeten bijdragen aan verbetering van de handhaving van het bestaansminimum en de integratie en harmonisering van wetgeving aangaande beslaggrenzen in Nederland. Naast de modernisering van de wetgeving omtrent beslagverboden bij roerende zaken, draagt een harde beslagvrije voet bij aan de bestaanszekerheid en een meer stabiele financiële positie van de schuldenaar en diens gezin. Naast de overige maatregelen ter bescherming van de beslaggrenzen, is een zorgvuldiger regeling van het bankbeslag daarvoor onontbeerlijk. Het KBvG-preadvies uit 2014 deed in het kader van de in de titel genoemde ‘tweetrapsraket’ een aanbeveling in die richting. Als onderdeel van een perspectief op een zorgvuldigere regeling van de beslagvrije voet op de lange termijn zou na een regeling van het beslag op vorderingen tot periodieke betaling in tweede instantie een koppeling moeten worden gemaakt met het bankbeslag, zodat ‘verkapte loonbeslagen’ tot het verleden behoren.71 Het is immers weinig effectief de beslagvrije voet bij een beslag op vorderingen tot periodieke betalingen zorgvuldig wettelijk te regelen als de op de bankrekening gestorte beslagvrije voet direct weer vatbaar is voor beslag. De regering heeft bij de totstandkoming van het wetsvoorstel vereenvoudiging beslagvrije voet de problematiek omtrent het bankbeslag voor zich uit geschoven. Diverse Kamerfracties72 hebben dit bij de bespreking van het wetsvoorstel geconstateerd en 68 Zie hierover uitgebreid Brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 juni 2016, Kamerstukken II 2015/16, 34509, 1, en A.J.H. Tuzgöl-Broekhoven e.a., Burgerperspectief op schuldhulpverlening. Een onderzoek naar de ervaringen van burgers met gemeentelijke schuldhulpverlening (rapport van de Nationale ombudsman), 2016. 69 Zie www.stimulansz.nl/Sociaal-domein/armoede-schulden/armoedebeleid-in-uw-gemeente. 70 Voor een alleenstaande is het normbedrag maximaal € 180 per maand voor voeding, kleding en andere dagelijkse uitgaven, na aftrek van de vaste lasten. Per extra gezinslid komt daar € 70 bij. 71 J. Rijsdijk en J. Nijenhuis (red.), Herziening van het beslagverbod roerende zaken. Een achterhaalde regeling bij de tijd gebracht, 2012, p. 328-329. 72 De fracties van de PvdA, SP, CDA en ChristenUnie. Ook hebben diverse (maatschappelijke) organisaties, zoals de LCR, de No, de LOSR en de brancheorganisatie voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (NVVK), de

91


Bestaansminimum en bankbeslag

hierover vragen gesteld.73 Ook de Afdeling advisering van de Raad van State heeft, onder verwijzing naar het KBvG-preadvies, geadviseerd het wetsvoorstel aan te vullen met een regeling aangaande het bankbeslag: “In het bijzonder wijst de Afdeling erop, dat de beslagvrije voet niet geldt voor het bankbeslag onder de bankrekening van de schuldenaar. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat ter zake van verschillende periodieke betalingen weliswaar de beslagvrije voet is toegepast, maar dat vervolgens bankbeslag wordt gelegd op de bedragen die na toepassing van de beslagvrije voet op de rekening van de schuldenaar zijn gestort. Het effect van de beslagvrije voet wordt dan alsnog tenietgedaan. Het voorstel voorziet niet in maatregelen om dit mogelijke effect tegen te gaan. Gelet op doel en strekking van de beslagvrije voet acht de Afdeling dergelijke maatregelen nodig.”74

Naast de onontbeerlijke inkomensbescherming die de onaantastbaarheid van de op de bankrekening gestorte beslagvrije voet met zich zou meebrengen, zou deze regeling vooral zzp’ers de extra bescherming bieden die hun rechtspositie meer op gelijke voet brengt met die van werknemers in loondienst. 2.2.4 Tussenbalans I Een niet-waterdichte bescherming van de mogelijkheid van schuldenaren om in hun minimale levensbehoeften te kunnen blijven voorzien geeft ruimte voor het laten voortbestaan van bestaanszekerheidsproblemen. De gevolgen daarvan zijn te ernstig om de aanpak naar een verre horizon door te schuiven. Hoewel de hoofdregel luidt dat schuldenaren hun verplichtingen dienen na te komen, is het niet de bedoeling van ons rechtsstelsel dat de uitkomst van een privaatrechtelijke belangenafweging erin uitmondt dat schuldenaren in hun fysieke voortbestaan kunnen worden bedreigd. Als deze paragraaf iets heeft aangetoond, dan is het dat juist die gedachte breed wordt gedragen in politiek en samenleving, maar dat de zoektocht naar en implementatie van evenwichtige regelgeving nog niet zijn voltooid. Het handhaven en creëren van wettelijke kaders ter bescherming van het bestaansminimum in Nederland is een precair proces. In een context waar relatief hoge woon- en zorgkosten hebben geleid tot een complexe methode van herverdeling van inkomen, en waar fiscale invorderingsmogelijkheden bestaan die de schuldenaar belasten tot beneden het bestaansminimum, kan de daadwerkelijke waarborging van de bestaanszekerheid wel eens in de mist der nevelen verdwijnen. Er is door diverse partijen initiatief tot verbetering getoond, waarbij ook de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet naar verwachting een positief verschil zal maken. We hopen dat de wetgever, na de invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet ook de overige genoemde voorstellen en handreikingen ter hand wil nemen om tot een stelsel

73 74

92

afgelopen jaren met regelmaat aandacht gevraagd voor diverse problemen rond de beslagvrije voet. Voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Invorderingswet 1990 en enkele andere wetten in verband met een vereenvoudiging van de beslagvrije voet (Wet vereenvoudiging beslagvrije voet), Kamerstukken II 2016/17, 34628, 5. Kamerstukken II 2016/17, 34628, 4.


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

te komen waarin op elkaar aansluitende wetgeving en maatregelen een solide borging van het bestaansminimum bieden. Ook het doorpakken bij de (verdere) implementatie van een beslagverbod roerende zaken is daarbij in de ogen van de KBvG uitermate wenselijk. 2.3

Beperkingen aan het derdenbeslag

2.3.1 Inleiding In hoofdstuk 1 is uitgebreid aandacht besteed aan de kernpunten en beslagmogelijkheden bij derdenbeslag. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de beperkingen die aan het derdenbeslag worden gesteld, waarbij deze beperkingen soms aan een kritische beschouwing worden onderworpen. Niet alle beperkingen die aan het derdenbeslag worden gesteld, zijn noodzakelijkerwijs ingegeven ter bescherming van de bestaanszekerheid. Navolgende bespreking van de beperkingen aan het derdenbeslag is niet uitputtend, maar met name gericht op de beperkingen die strekken tot waarborging van het bestaansminimum. Wanneer ook bij een beslag onder een bank op de door de schuldenaar aangehouden bankrekening(en) een deel van het getroffen saldo buiten het beslag moet worden gelaten, levert dat naast de overige beperkingen eveneens een restrictie op van de mogelijkheden tot derdenbeslag. In de conclusie van deze paragraaf zal worden gepoogd te benoemen wat dit betekent voor de wijze waarop deze regeling vorm zal moeten krijgen. 2.3.2 Artikel 475a Rv Gezien het wettelijk uitgangspunt van artikel 3:276 BW, dat een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van de schuldenaar kan verhalen, dient ruime uitleg te worden gegeven aan de beslagmogelijkheden van artikel 475 lid 1 Rv. In beginsel is dus beslag mogelijk op alle vorderingen van de schuldenaar jegens derden en ook op alle roerende zaken van de schuldenaar die zich onder derden bevinden, tenzij de wet anders bepaalt. De inperking van de mogelijkheden tot derdenbeslag vindt haar algemene, wettelijke grondslag in artikel 475a lid 1 Rv. Dit artikel geeft geen concrete opsomming van zaken en vorderingen waarop geen beslag kan worden gelegd, maar bepaalt in algemene termen dat het derdenbeslag zich niet uitstrekt tot vorderingen of zaken die volgens de wet niet voor beslag vatbaar zijn. Verder is beslag onmogelijk op vorderingen die recht geven op een prestatie die volgens de wet of naar haar aard niet voor beslag vatbaar is. Voor zaken waarop volgens de wet geen beslag mogelijk is, kan – naast het algehele beslagverbod ten aanzien van goederen bestemd voor de openbare dienst van artikel 436 Rv – eigenlijk slechts worden gedacht aan de beslagverboden van de artikelen 447 en 448 Rv betreffende de eerste levensbehoeften. Bepalingen die in essentie dateren uit 1838 en waarvan in een eerder preadvies dan ook is bepleit dat deze door de wetgever gemoderniseerd worden.75 Maar zeker zolang dit nog niet is gebeurd, betreft dit geen wezenlijke inperking van de mogelijkheden tot het leggen van derdenbeslag. 75

J. Rijsdijk en J. Nijenhuis (red.), Herziening van het beslagverbod roerende zaken. Een achterhaalde regeling bij de tijd gebracht, 2012.

93


Bestaansminimum en bankbeslag

Vorderingen waarop volgens de wet geen beslag mogelijk is, zijn met name gelegen in het domein van de socialezekerheidswetgeving. De benoeming van deze uitzondering begint met het tweede lid van artikel 475a Rv, waar een uitzondering wordt gemaakt voor inhoudingen op de vordering (doorgaans loon of uitkering) krachtens de wet, ziektekostenverzekering of oudedagsvoorziening. In essentie wordt hiermee bereikt dat niet het bruto-, maar slechts het netto-inkomen voor beslag vatbaar is. Een verdere beperking van het beslag op inkomen vormt de beslagvrije voet van artikel 475b e.v. Rv, waarover in paragraaf 2.4 meer. Daarnaast kent de wet nog een aantal specifieke bepalingen waarin beslag op bepaalde vorderingen wordt uitgesloten. Voorbeelden daarvan zijn artikel 18 lid 6 AOW en artikel 35 lid 7 ZW ten aanzien van de overlijdensuitkering, artikel 46 lid 2 Participatiewet ten aanzien van bijzondere bijstand, artikel 116 lid 2 AW ten aanzien van onkostenvergoedingen en artikel 11.3 WSF 2000. Voor sommige andere vorderingen geldt een beperkter beslagverbod, in die zin dat er af hankelijk van de aard van de vordering slechts voor schulden van dezelfde aard beslag op kan worden gelegd. Denk aan artikel 23 AKW ten aanzien van kinderbijslag. Kinderbijslag is in zijn algemeenheid niet vatbaar voor beslag, behoudens als het gaat om een vordering tot verhaal van de kosten van levensonderhoud van het kind. Hetzelfde geldt ingevolge artikel 45 lid 1 Awir voor inkomensaf hankelijke regelingen, zoals huurtoeslag en zorgtoeslag, waarop slechts beslag mogelijk is in verband met huurschuld, respectievelijk premieachterstand voor de basisverzekering. Over de Awir meer in paragraaf 2.3.4. De laatste categorie vorderingen die artikel 475a lid 1 Rv uitsluit van beslaglegging zijn vorderingen die recht geven op een prestatie die volgens de wet of naar haar aard niet voor beslag vatbaar is. In de parlementaire geschiedenis zijn juist de prestaties benoemd die wel voor beslag vatbaar zijn, namelijk die tot betaling van een geldsom of levering van een goed. Terwijl van andersoortige prestaties in zijn algemeenheid wordt gezegd dat ze niet goed voor beslag vatbaar zijn. Dit kan ook worden afgeleid uit artikel 477 Rv, dat regelt hoe het derdenbeslag verder wordt afgewikkeld, en dat alleen rept over voldoening van de verschuldigde geldsommen dan wel afgifte van de verschuldigde goederen of zaken aan de deurwaarder. Als voorbeelden van prestaties die naar hun aard niet voor beslag vatbaar zijn, worden in de literatuur bijvoorbeeld genoemd vorderingen tot vestiging van beperkte, af hankelijke rechten als pand en hypotheek. Omdat het een vordering betreft tot vestiging van een af hankelijk recht is beslag daarop niet denkbaar zonder overgang van de vordering waaraan het pand- of hypotheekrecht is verbonden. Wordt daarentegen juist beslag gelegd op een vordering die al met pand- of hypotheekrecht is verzekerd, dan verkrijgt de beslaglegger daarmee reeds de bevoegdheden van de pand- of hypotheekhouder zonder dat daarvoor separaat beslag hoeft te worden gelegd.76 Ook op vorderingen die strekken tot nakoming door de derde van in meer of mindere mate illegale transacties kan geen beslag worden gelegd. Denk aan zwartgeldconstructies of beslag

76

94

HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2619, NJ 2006/362 (Rabobank/Stormpolder).


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

op het overeengekomen loon van een huurmoordenaar.77 Als toetssteen zou kunnen gelden of het redelijkerwijs voorstelbaar is dat de derde, indien deze geen uitvoering geeft aan het beslag, conform artikel 477a lid 4 Rv zou worden veroordeeld tot nakoming van de door het beslag getroffen verplichting. Is dat niet het geval, dan betreft het waarschijnlijk een prestatie als bedoeld in artikel 475a lid 1 Rv. Zie voor een uitvoerige opsomming van vorderingen waarop geen beslag kan worden gelegd de bespreking van artikel 475a Rv in de Groene Serie.78 2.3.3 Beslag op kredietruimte Een in het kader van dit preadvies over bankbeslag interessante kwestie betreft de vraag of een derdenbeslag onder een bank zich uitstrekt tot de kredietruimte verbonden aan de (betaal)rekening van de schuldenaar bij de bank. De Hoge Raad heeft zich daarover in 2004 uitgesproken en die vraag ontkennend beantwoord.79 Hij oordeelde: “Naar Nederlands beslag- en executierecht kan de door het middel bepleite mogelijkheid van beslag op niet-benutte kredietruimte evenwel niet worden aanvaard omdat de aard van de relatie tussen de kredietverlenende bank en de cliënt, het systeem van ons faillissements- en beslagrecht en bezwaren van praktische aard zich daartegen verzetten.”

De aard van de relatie tussen de bank en de cliënt (schuldenaar) verzet zich daartegen, omdat voor de bank pas een verplichting tot uitbetaling ontstaat als de schuldenaar gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot afroep van de kredietfaciliteit. En ook die bevoegdheid tot het afroepen van de kredietfaciliteit, het wilsrecht van de schuldenaar, laat zich volgens de Hoge Raad naar haar aard niet in beslag nemen.80 Een en ander betekent niet dat wilsrechten nooit door de beslaglegger uitgeoefend kunnen worden. Het is af hankelijk van de aard van het betreffende wilsrecht. In het laatst aangehaalde arrest noemt de Hoge Raad artikel 477 lid 4 Rv, waarin aan de beslaglegger de mogelijkheid is geboden om de opzeggingsbevoegdheid van de schuldenaar uit te oefenen wanneer een vordering niet opeisbaar is, maar door de opzegging opeisbaar gemaakt kan worden. Tevens wordt gewezen naar de bepalingen omtrent het beslag op levensverzekeringen in artikel 479l e.v. Rv. Voor de beantwoording van de vraag of een wilsrecht door de beslaglegger kan worden uitgeoefend, is het noodzakelijk te bepalen of het onder de thans in de wet geregelde gevallen valt te brengen.81 In de onderhavige kwestie is dat niet het geval. Hiermee is de visie van de aanhangers van een ruime(re) visie verworpen, die betogen dat uit de jurisprudentie die tot

77 78 79 80 81

L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, 2003, p. 140. Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 475a Rv, Kluwer. HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4504, NJ 2006/203 (Van den Berg/Van den Walle). De Hoge Raad komt hier feitelijk tot dezelfde conclusie als zijn Franse evenknie (Cour de cassation, Chambre commerciale 21 januari 2004, Bulletin 2004 IV No 13, p. 14). HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2619, NJ 2006/362 (Rabobank/Stormpolder), r.o. 3.6.

95


Bestaansminimum en bankbeslag

de invoering van artikel 477 lid 4 Rv heeft geleid, kan worden opgemaakt dat er meer speelruimte bestaat.82 De Hoge Raad wijst er overigens nog op dat een beslag op kredietfaciliteit in de praktijk überhaupt niet zal werken, omdat de bank zich vervolgens op verrekening zal beroepen. Hoewel de vordering van de bank in dat geval per definitie pas na de beslaglegging ontstaat, namelijk op het moment dat de bank de kredietfaciliteit uitkeert, staat artikel 6:130 BW daar in beginsel immers niet aan in de weg. Ondanks het bovenstaande heeft de wetgever het niet bezwaarlijk geacht om de Ontvanger der Rijksbelastingen in 2009 wél de bevoegdheid toe te kennen om een belastingschuld op ongebruikte kredietruimte te verhalen.83 De keuze voor deze mogelijkheid lijkt echter voornamelijk vanuit een pragmatische invalshoek voortgekomen te zijn. Geholpen door het gegeven dat executie onder een derde voor de Belastingdienst is vereenvoudigd door het doen van een vordering als bedoeld in artikel 19 IW 1990, is de nadruk komen te liggen op een bij banken reeds courante werkwijze van automatische incasso’s die, gelijk aan het systeem dat geldt voor gebruikelijke betalingsopdrachten, worden uitgevoerd totdat een eventuele kredietlimiet is bereikt.84 De wetswijziging heeft evenwel tot gevolg gehad dat waar private schuldeisers de mogelijkheid tot beslag op kredietruimte ontberen, de Ontvanger die mogelijkheid ingevolge artikel 19 lid 4 IW 1990 wel heeft gekregen. De onevenwichtigheid tussen de positie van de private schuldeisers en de overheid als schuldeiser is hiermee derhalve vergroot.85 In de Eerste Kamer is nog wel enige aandacht geweest voor het gegeven dat hierdoor meer rechtsongelijkheid is ontstaan tussen de Belastingdienst en concurrente schuldeisers, maar uiteindelijk was doorslaggevend dat gezien de te verwachten grote aantallen vorderingen gezocht diende te worden naar een eenvoudig uitvoerbaar systeem.86 De verdergaande onevenwichtigheid in de verhaalspositie tussen de ‘artikel 19 IW 1990-invorderaars’ en concurrente schuldeisers die hierdoor ontstond, brengt eveneens met zich mee dat het mogelijk is om het beslagverbod op kredietruimte te zien als een, zij het relatieve, inperking van de mogelijkheden tot derdenbeslag voor de concurrente schuldeiser ten opzichte van de bevoegdheden daarin voor de Ontvanger. De kans dat na een artikel 19 IW 1990-vordering op de kredietruimte binnen enige tijd een (voldoende) positiefsaldo op de

82

Zie voor de argumentatie voor een ruimere visie J.M. Veldhuis, ‘Wilsrechten in de executiefase: hoe ver kan de executant gaan?’, in: BER 2012-5, p. 20-23. 83 Wet van 27 september 2007, houdende wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van enige andere wetten, in het kader van het versterken van de fiscale rechtshandhaving en het verkorten van beslistermijnen (Versterking fiscale rechtshandhaving), Stb. 2007, 376. 84 Kamerstukken II 2005/06, 30322, 10. 85 De genoemde onevenwichtigheid bestond al gezien de preferentie van art. 21 IW 1990, voor zover het een vordering van de Rijksbelastingdienst betreft. 86 Handelingen I 2007/08, 1, p. 36 en 37.

96


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

rekening zal ontstaan dat tot verhaal kan dienen voor de concurrente schuldeiser, wordt daardoor namelijk aanzienlijk kleiner.87 De Rijksoverheid heeft zichzelf onder meer de opdracht gegeven om het ontstaan van nieuwe schulden te voorkomen.88 Verhaal van een belastingschuld op ongebruikte kredietruimte resulteert weliswaar niet in een vergroting van de totale schuld, maar heeft wel schuldverplaatsing tot gevolg. Met het verdwijnen of verminderen van een schuld aan de ‘artikel 19 IW 1990-invorderaar’ zal immers een (grotere) schuld aan de bank ontstaan. Een beroep op verrekening komt de bank in dit geval niet toe omdat die bevoegdheid in artikel 19 lid 4 IW 1990 wordt uitgesloten.89 2.3.4 Artikel 45 Awir Een verdere algemene beperking voor het leggen van derdenbeslag is te vinden in artikel 45 Awir. Inkomensaf hankelijke regelingen worden gedefinieerd in artikel 1 lid 3 Awir en betreffen de huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget. Artikel 45 lid 1 Awir bepaalt dat daarop geen beslag gelegd kan worden, maar bevat tevens een uitzondering op die regel en zelfs een uitzondering op de uitzondering. De beperkende hoofdregel lijkt duidelijk: op een tegemoetkoming op grond van een inkomensaf hankelijke regeling kan geen beslag worden gelegd. Deze hoofdregel heeft in elk geval niet tot enige discussie geleid. En ook de uitzondering op de uitzondering is helder: de hierna te bespreken uitzondering op het beslagverbod voor tegemoetkomingen op grond van inkomensaf hankelijke regelingen geldt weer niet voor beslag op het kindgebonden budget. Beslag op het kindgebonden budget is dus nimmer mogelijk. Dat is begrijpelijk, omdat het kindgebonden budget meer een algemene tegemoetkoming is voor gezinnen met één of meer kinderen, die dus niet strekt ter compensatie voor één specifieke, kindgerelateerde kostenpost. Het kindgebonden budget kan daarom ook niet aan een specifieke schuldeiser worden gekoppeld, zoals de huurtoeslag aan de woningverhuurder, de zorgtoeslag aan de zorgverzekeraar en de kinderopvangtoeslag aan de kinderopvanginstelling. Over de uitzonderingen op de hoofdregel is wel uitvoerig gediscussieerd en geprocedeerd. De uitzondering luidt dat op een tegemoetkoming op grond van een inkomensaf hankelijke regeling (toeslag) wel beslag kan worden gelegd voor een “vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming”. Zo kan de woningverhuurder beslag leggen op de huurtoeslag, de zorgverzekeraar op de zorgtoeslag en de kinderopvanginstelling op de kinderopvangtoeslag. Op zich een logische gedachte, want uit het feit dat de verhuurder (dan wel zorgverzekeraar, dan wel kinderopvanginstelling) een vordering heeft

87 88 89

In de praktijk zal dat dus voornamelijk nadelig uitwerken voor de concurrente schuldeiser wanneer de decentrale overheid art. 19 IW 1990 toepast voor een niet-preferente vordering. Bijlage bij Kamerstukken II 2015/16, 24515, 336; de Rijksincassovisie, te raadplegen via: www.rijksoverheid.nl/ documenten/brieven/2016/04/04/rijksincassovisie. In par. 3.2.1.7 wordt kort het verrekeningsrecht van de bank besproken, voor zover het de verrekening betreft van de met de executie samenhangende kosten van de bank.

97


Bestaansminimum en bankbeslag

op de toeslaggerechtigde, zou kunnen worden afgeleid dat deze de toeslag uit eigen beweging in onvoldoende mate heeft aangewend voor het doel waarvoor deze is toegekend. Maar omdat er per definitie sprake is van asynchroniciteit tussen het beslag (dat betrekking heeft op een niet-nagekomen betalingsverplichting in het verleden) en de door het beslag getroffen toeslag (die bestemd is voor een in het heden na te komen betalingsverplichting), kan de uitzondering toch tot problemen leiden en kunnen situaties ontstaan waarin de schuldenaar maandelijks feitelijk minder inkomsten ontvangt dan de hem toekomende beslagvrije voet.90 De jurisprudentie over de uitzonderingen op het beslagverbod van artikel 45 Awir heeft dan ook uiteindelijk tot het oordeel geleid dat deze uitzonderingen beperkt moeten worden uitgelegd. Zo kan er geen beslag worden gelegd door een vorige verhuurder.91 Dus als de huur over november 2015 onbetaald is gebleven, dan kan er in 2017 wél beslag op de huurtoeslag worden gelegd als de schuldenaar nog steeds van dezelfde verhuurder huurt, maar niet als hij inmiddels een andere verhuurder heeft. En ook kan er geen beslag worden gelegd als de schuld betrekking heeft op iets anders dan de verplichting waarvoor de toeslag is toegekend. Daarom kan een verhuurder alleen voor een vordering ter zake van huurpenningen beslag op de huurtoeslag leggen en bijvoorbeeld niet voor een onbetaalde reparatienota.92 Hoewel beslag op een toeslag wel van invloed is op de hoogte van de beslagvrije voet (waarvoor de ontvangen toeslag immers een van de variabelen vormt), geldt voor het beslag op de toeslag zelf naar huidig recht in beginsel geen beslagvrije voet. Naar huidig recht zijn toeslagen immers niet opgenomen in de opsomming van artikel 475c Rv. Indien de schuldenaar bij onverkorte handhaving van het beslag op de toeslag echter onvoldoende andere middelen van bestaan overhoudt, dan kan de kantonrechter op grond van artikel 475f Rv alsnog de artikelen 475b en 475d Rv (de beslagvrijevoetregeling) van toepassing verklaren.93 Het Gerechtshof Den Haag heeft evenwel onlangs geoordeeld dat, hoewel toeslagen weerkerende betalingen als bedoeld in artikel 475f Rv betreffen, de beslagvrijevoetregeling desalniettemin niet van overeenkomstige toepassing kan worden verklaard.94 Het hof heeft de parlementaire geschiedenis bij zijn oordeel betrokken en gezocht naar de ratio achter artikel 45 Awir. Het hof overwoog: “Uit deze passage volgt dat de wetgever met artikel 45 Awir heeft willen waarborgen dat de tegemoetkoming wordt aangewend voor het doel waarvoor die is verleend. De wetgever heeft het daarom

90 Zie o.a. A. Moerman, ‘De waanzin van beslag op toeslag’, in: Tijdschrift voor Schuldsanering 2015-2, p. 7 e.v. en eerder al A. Moerman, H. Oberzaucher en T.C.E. Runhaar, Toeslag of tegenslag. Knelpunten in regelgeving en uitvoering van de Awir, 2009. 91 Hof ’s-Hertogenbosch 15 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2173. 92 Rb. Den Haag (vzr.) 22 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7217; zie voor meer jurisprudentie over beslag op huurtoeslag (die mutatis mutandis ook toepasbaar is voor beslaglegging op andere toeslagen) K.L. Maes, ‘De geldigheid van beslag op huurtoeslag’, in: de Gerechtsdeurwaarder 2014-4, p. 30 e.v. 93 Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8231. 94 Hof Den Haag 25 april 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1154.

98


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

alleen aan de schuldeiser voor wie de tegemoetkoming is bedoeld, toegestaan op die tegemoetkoming beslag te leggen. Met deze strekking van artikel 45 Awir verdraagt zich dan niet dat aan een beslagen tegemoetkoming een beslagvrije voet wordt verbonden. Dat zou immers betekenen dat de schuldenaar in staat zou worden gesteld de tegemoetkoming, ondanks een beslag daarop, aan te wenden voor andere doeleinden dan waarvoor die is verstrekt.”

De kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland heeft vervolgens weer afstand genomen van de conclusie in het laatstgenoemde arrest en de beslagvrijevoetregeling van toepassing verklaard op een beslag op de zorgtoeslag.95 De kantonrechter heeft daarbij mede geanticipeerd op de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. In het nieuwe artikel 475c lid 1 sub j Rv wordt immers ook aan tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub h Awir een beslagvrije voet verbonden.96 De kantonrechter van de Rechtbank Gelderland heeft de zienswijze van de kantonrechter te Leeuwarden gevolgd.97 Hoewel de wetgever (relatieve) beslagverboden aan de verschillende tegemoetkomingen heeft verbonden, biedt artikel 30 Awir vergaande mogelijkheden tot verrekening door de Belastingdienst wanneer – achteraf – een tegemoetkoming ten onrechte (deels) is uitgekeerd. Volgens het eerste lid is de Belastingdienst/Toeslagen bevoegd tot verrekening van een ‘verschuldigd bedrag aan terugvordering’ met een uit te betalen tegemoetkoming of een voorschot daarop, een en ander ongeacht de inkomensaf hankelijke regeling en ongeacht het berekeningsjaar.98 Ook in dat geval zal de toeslaggerechtigde schuldenaar de toeslag niet kunnen aanwenden voor het doel waarvoor deze verstrekt is. De afloscapaciteit van de schuldenaar wordt dan ook aangetast wanneer de Belastingdienst tot verrekening overgaat.99 Tot slot dient opgemerkt te worden dat artikel 18f lid 6 Zvw, in afwijking van het bepaalde in artikel 25 Awir, het mogelijk maakt dat (een voorschot op) de zorgtoeslag rechtstreeks aan het CAK wordt uitbetaald ten behoeve van de betaling van de verschuldigde bestuursrechtelijke premie. Feitelijk betreft het hier ‘slechts’ een omleiding van de tegemoetkoming. Invloed op de afloscapaciteit heeft het derhalve niet. De toeslaggerechtigde schuldenaar krijgt de toeslag weliswaar niet zelf in handen, maar de toeslag wordt (zonder zijn tussenkomst) onmiddellijk besteed aan hetgeen waarvoor de toeslag is bedoeld, te weten de betaling van de lopende bestuursrechtelijke premie. Ook wanneer toeslagen rechtstreeks aan bijvoorbeeld de zorgverzekeraar of verhuurder uitbetaald zouden kunnen worden, zou dit gelden.100

95 96

Rb. Noord-Nederland 10 oktober 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4159. Dit geldt niet voor de kinderopvangtoeslag als bedoeld in art. 1.5 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. 97 Rb. Gelderland 31 januari 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:652. 98 Ingevolge het bepaalde in art. 30 lid 2 Awir kan het verschuldigde bedrag aan terugvordering ook worden verrekend met uit te betalen bedragen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en belastingrente begrepen in een aanslag of voorlopige aanslag inkomstenbelasting. 99 Bij de totstandkoming van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is expliciet aangegeven dat ook bij verrekening de beslagvrije voet gerespecteerd dient te worden (Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 18). 100 Art. 25 Awir maakt dat, behoudens het derde lid, echter onmogelijk naar huidig recht.

99


Bestaansminimum en bankbeslag

2.3.5 Beslagvrije voet Een van de belangrijkste en meest besproken beperkingen aan het derdenbeslag betreft uiteraard de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b e.v. Rv. Over de systematiek van de berekening van de beslagvrije voet onder de huidige regeling zal hier niet nader worden ingegaan, aangezien dit reeds uitvoerig aan de orde is geweest in het preadvies Naar een nieuwe beslagvrije voet. Vereenvoudiging in een tweetrapsraket, dat mede aanleiding heeft gevormd tot nieuwe wetgeving op dit gebied. Op de systematiek die onder die nieuwe regeling zal gaan gelden, wordt ingegaan in paragraaf 2.4 van dit preadvies. Lid 1 van artikel 475b Rv maakt onmiddellijk duidelijk dat een beslagvrije voet alleen verbonden kan zijn aan vorderingen van de schuldenaar tot periodieke betalingen. De vordering van een schuldenaar op zijn bank betreft geen vordering tot periodieke betalingen, maar een eenmalige betaling. Als deze vordering door een beslag wordt getroffen, geldt daarvoor naar huidig recht dus geen beslagvrije voet. Althans niet volgens de wet. Dat dit de hoofdregel is, onderschrijft ook de Hoge Raad. Dat kan worden afgeleid uit het geval waarin de Hoge Raad oordeelde dat gelden ter zake van niet voor beslag vatbare kinderbijslag werden getroffen door een beslag op de bankrekening waarop de SVB die gelden aan de schuldenaar had uitbetaald, waarover meer uitgebreid in paragraaf 3.3. Het beslagverbod van artikel 23 AKW gold volgens de Hoge Raad niet bij het beslag onder de bank.101 De Rechtbank Amsterdam paste deze regel met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad ook toe in een geval waarin het niet alleen om een specifiek beslagverbod ging, maar ook om de beslagvrije voet van artikel 475b Rv: “De voorzieningenrechter verwerpt dan ook de stelling dat een bankbeslag per definitie misbruik van bevoegdheid oplevert voor zover daardoor een saldo wordt getroffen dat is opgebouwd uit inkomstenbestanddelen waarvoor beslagrestricties gelden.”102

Daarom is begrijpelijk dat ook de tuchtrechter terughoudend is als moet worden geoordeeld over het handelen van de gerechtsdeurwaarder die bij een bankbeslag geen beslagvrije voet hanteert: “Behoudens evidente direct aantoonbare gevallen (...) dient de tuchtrechter zich terughoudend op te stellen (bij de vraag) of er bij een bankbeslag sprake is van misbruik van recht. Dit is een civielrechtelijk begrip bij de beoordeling waarvan andere maatstaven gelden dan in het tuchtrecht.”103

Daartegenover staat dat het evident is dat het tot problemen kan leiden als beslag wordt gelegd op een bankrekening waarop juist gelden zijn gestort die volgens de regeling omtrent de beslagvrije voet of krachtens een specifiek beslagverbod in beginsel niet tot verhaal van de schuldeiser kunnen strekken. Daarom is in lagere jurisprudentie meermaals uitgemaakt dat onder bepaalde omstandigheden ook bij een bankbeslag de beslagvrije voet moet worden gerespecteerd.

101 HR 21 mei 1999, NJ 2001/630. 102 Rb. Amsterdam 25 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2020. 103 KvG 3 januari 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:17.

100


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

Het oordeel in deze jurisprudentie is steeds dat het beslag of de onverkorte handhaving daarvan onrechtmatig is of althans misbruik van bevoegdheid oplevert. Hoewel de formuleringen enigszins uiteenlopen, is de gedachte achter deze uitspraken steeds dezelfde. Consequente toepassing van de hoofdregel kan onder omstandigheden feitelijk leiden tot aantasting van de wettelijke regeling ter bescherming van de eerste levensbehoeften van de schuldenaar. En die belangen van de schuldenaar wegen in dat geval zwaarder dan het op zich ook gerechtvaardigd belang van de schuldeiser die betaling van zijn vordering wil afdwingen. Die belangen staan eveneens op het spel in de situatie dat een bedrag wordt getroffen dat strekt ter voldoening van de kosten van het basale levensonderhoud van de schuldenaar die geen inkomsten geniet waar (van rechtswege) beslagbeperkingen voor gelden, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn indien de schuldenaar een zzp’er is en diens bankrekening(en) word(t)(en) gevoed met inkomsten uit de door hem uitgevoerde opdrachten. 2.3.6 Tussenbalans II In deze paragraaf zijn diverse beslagverboden en beslagbeperkingen besproken die een (gerechtvaardigde) inbreuk maken op het beginsel dat verhaal kan worden genomen op het gehele vermogen van de schuldenaar. De meeste daarvan strekken direct of indirect ter bescherming van de eerste levensbehoeften van de schuldenaar. De in dit preadvies voor te stellen regeling om ook bij bankbeslagen rekening te houden met de basale levensbehoeften van een schuldenaar, kan ook in dat licht worden gezien. Nu de positie van de schuldenaar (geÍxecuteerde) ook op andere wijzen steeds meer wordt beschermd (zoals door het digitaal beslagregister, de beschermende maatregelen die de Fw de schuldenaar biedt en het breed moratorium), staat het uitgangspunt van artikel 3:276 BW echter in toenemende mate onder druk. Dit geldt vooral voor de concurrente schuldeiser. Daarom zal moeten worden gezocht naar een oplossing die in alle proportionaliteit recht doet aan de belangen van die schuldenaar, zonder daarbij een verdergaande inbreuk te maken op het verhaalsrecht van de (concurrente) schuldeiser. De regeling zal dan ook worden toegesneden op bescherming van alleen dat banksaldo, dat daadwerkelijk noodzakelijk is voor de voorziening in eerste levensbehoeften. Bij de bepaling van het buiten een bankbeslag te laten bedrag kan gedeeltelijk aansluiting worden gezocht bij (de hoogte van) de beslagvrije voet die van toepassing is wanneer beslag wordt gelegd op vorderingen tot periodieke betalingen als genoemd in artikel 475c Rv. Bedacht dient echter te worden dat ontvangen toeslagen veelal een belangrijk onderdeel vormen van het totale inkomen van waaruit in die minimale levensbehoeften moet worden voorzien, en dat de hoogte van de beslagvrije voet in belangrijke mate samenhangt met het recht op tegemoetkomingen.

101


Bestaansminimum en bankbeslag

2.4

De nieuwe beslagvrijevoetregeling

2.4.1 Inleiding Op 8 maart 2017 is de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet aangenomen.104 Naar verwachting zal deze wet, samen met de in de Verzamelwet SZW 2018 opgenomen wijzigingen, in 2019 in werking treden.105 De KBvG heeft in juni 2014 het preadvies Naar een nieuwe beslagvrije voet. Vereenvoudiging in een tweetrapsraket gepresenteerd, waarin aandacht is gevraagd voor de knelpunten binnen het huidige stelsel en waarin is aangedrongen op herziening van de regeling.106 Het kabinet heeft daarvan de noodzaak en urgentie onderkend. Het preadvies is dan ook het vertrekpunt geweest om tot een nieuw wettelijk systeem te komen.107 Een omschrijving op hoofdlijnen van deze regeling kan in dit preadvies niet ontbreken. Voorgesteld zal namelijk worden dat de wijze waarop rekening dient te worden gehouden met de minimale levensbehoeften van een schuldenaar bij een bankbeslag, aansluit op de in de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet gekozen systematiek en uitgaat van de hoogte van de op grond van die wet geldende bedragen. De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en een beslagvrijevoetregeling bij een bankbeslag zien immers beide op de garantie van het bestaansminimum. Hierdoor is het aannemelijk dat voor beide regelingen eenzelfde maatstaf zal worden gehanteerd waar het de berekening van een beslagvrij bedrag betreft. In de onderstaande beschrijving worden enkele verschillen ten opzichte van de huidige regeling belicht, maar de beschrijving dient voornamelijk ter duiding van die aspecten van de nieuwe beslagvrijevoetregeling die van belang zijn om tot een goede maatstaf te komen in het geval dat er beslag onder een bank wordt gelegd en rekening moet worden gehouden met de beslagvrije voet. 2.4.2 Wet vereenvoudiging beslagvrije voet: introductie en reikwijdte Artikel 475c lid 1 Rv geeft ook straks een limitatieve opsomming van vorderingen tot periodieke betalingen waaraan een beslagvrije voet is verbonden. Hoewel niet met zoveel woorden wordt vermeld dat een beslagvrije voet alleen voor natuurlijke personen kan gelden, blijkt uit de aard van de in artikel 475c lid 1 Rv genoemde vorderingen genoegzaam dat de regeling juist de natuurlijke persoon in staat moet stellen om in zijn minimale levensbehoeften te kunnen blijven voorzien als zijn inkomen wordt beslagen. Voor het eerst wordt in artikel 475c Rv ook aan een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub h Awir, uitgezonderd de kinderopvangtoeslag, een beslagvrije voet verbonden.108

104 Stb. 2017, 110. 105 Stb. 2017, 484. 106 J. Rijsdijk, O.M. Jans en J. Feikema (red.), Naar een nieuwe beslagvrije voet. Vereenvoudiging in een tweetrapsraket, 2014. 107 Kamerstukken II 2014/15, 24515, 297. 108 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 63.

102


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

Geen onderwerp van discussie is het gegeven dat een schuldenaar de beschikking moet krijgen over de beslagvrije voet waar hij recht op heeft. De schuldenaar dient immers vanuit die beslagvrije voet in de basale kosten van zijn levensonderhoud te voorzien. In de huidige uitvoeringspraktijk blijkt echter dat de beslagvrije voet vaak te laag wordt vastgesteld. Dit laatste omdat de gerechtsdeurwaarder, door een tekort aan informatie, geen rekening kan houden met factoren die de beslagvrije voet verhogen.109 Het huidige systeem gaat ervan uit dat de benodigde informatie door de schuldenaar wordt aangeleverd. Vaak blijft hij hiermee echter in gebreke. Artikel 475d Rv maakt, voor de bepaling van de hoogte van de voor een schuldenaar geldende beslagvrije voet, onderscheid op grond van diens leefsituatie. De (basis) beslagvrije voet bedraagt 90% van de in de Participatiewet vastgestelde bijstandsnorm die is gekoppeld aan de categorie waartoe de schuldenaar behoort.110 Dit betreft derhalve vaste bedragen.111 Artikel 475d lid 4 Rv bepaalt echter vervolgens dat de beslagvrije voet wordt verhoogd met, in de eerste plaats, de premie van de gesloten ziektekostenverzekering.112 Daarnaast wordt de beslagvrije voet verhoogd met een deel van de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten en, indien van toepassing, een compensatiebedrag wanneer het kindgebonden budget waarop maximaal aanspraak kan worden gemaakt niet wordt ontvangen.113 In de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet wordt de hoogte van de beslagvrije voet op dezelfde factoren gebaseerd. Door de gewijzigde berekeningswijze is de gerechtsdeurwaarder echter voor een belangrijk deel niet meer af hankelijk van de aanlevering van informatie door de schuldenaar.114 2.4.3 Drie categorieën schuldenaren Het nieuwe artikel 475da Rv reduceert allereerst het aantal categorieën schuldenaren naar leefsituatie. Artikel 475da lid 1 Rv onderscheidt de alleenstaande schuldenaar, de alleenstaande ouder, de gehuwde en de gehuwde met (minderjarige) kinderen.115 Vervolgens geldt voor de schuldenaren uit elke categorie naar leefsituatie dat zij in een van de volgende drie feitelijk gecreëerde inkomensgroepen vallen.116 De eerste inkomensgroep betreft de schuldenaren die een dusdanig hoog inkomen hebben dat zij geen recht (meer) hebben op toeslagen. Voor hen geldt een, per leefsituatie vastgestelde, vaste beslagvrije voet.117 Naarmate een schuldenaar in deze inkomstengroep meer

109 110 111 112 113 114 115 116 117

Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 3-4. Art. 475d lid 1 en 2 Rv. De normbedragen worden halfjaarlijks geïndexeerd. Verminderd met de normpremie als bedoeld in art. 2 Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm en de ontvangen zorgtoeslag, telkens wanneer de premie vervalt terwijl het beslag ligt. Art. 475d lid 4 sub b en c Rv. Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 6. Art. 475ab Rv bepaalt dat voor de definiëring aangesloten moet worden bij de betekenis die de Participatiewet hanteert. Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 8. Art. 475da lid 1 Rv.

103


Bestaansminimum en bankbeslag

inkomsten gaat genereren, zal hij verhoudingsgewijs derhalve meer gaan aflossen op zijn schuld wanneer beslag is gelegd. De schuldenaren uit de tweede inkomensgroep hebben, gezien de hoogte van hun inkomen, wel recht op toeslagen.118 Het totale inkomen van waaruit zij in hun minimale levensbehoeften moeten voorzien, bestaat derhalve uit meerdere componenten die afzonderlijk van elkaar worden ontvangen. Wanneer de beslagvrije voet ook voor deze inkomensgroep uit enkel een vast bedrag zou bestaan en geen rekening zou worden gehouden met het recht op toeslagen, zou de toeslaggerechtigde maandelijks over een hoger bedrag kunnen beschikken dan degene die geen of minder recht op toeslagen heeft. Beslag op toeslagen is, in beginsel, immers niet mogelijk.119 De wetgever heeft dit onderkend.120 De basis van de voor hen geldende beslagvrije voet wordt gevormd door een vast bedrag van 95% van de per leefsituatie geldende bijstandsnorm. Dat vaste bedrag wordt aangevuld met de zogenaamde ‘compensatiekop’, die uit een woon-, zorg- en (indien van toepassing) kindercomponent bestaat.121 De memorie van toelichting stelt: “De compensatiekop houdt gelijke tred met de af bouw van het recht op toeslagen naarmate het inkomen van de schuldenaar stijgt.”122 De compensatiekop stijgt derhalve de facto omgekeerd evenredig met het recht op toeslagen. De berekening van de compensatiekop ligt besloten in de formule als gecodificeerd in artikel 475da lid 2 en 3 Rv, en vergt dus geen bevraging van de schuldenaar.123 De bepaling van de hoogte van de vaste beslagvrije voet, naar leefsituatie, voor de eerste inkomensgroep laat zich dan ook gemakkelijk verklaren. Het betreft het vaste bedrag van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm, verhoogd met de maximale compensatiekop. De derde inkomensgroep betreft de schuldenaren die een inkomen hebben dat gelijk is aan of lager dan de voor hen geldende bijstandsnorm. Voor hen geldt dat de beslagvrije voet 95% van hun netto-inkomen, inclusief de vakantiebijslag, bedraagt.124 De wetgever heeft hier een principiële keuze gemaakt en vooropgesteld dat financiële verplichtingen nagekomen moeten worden. De wetgever heeft getracht te verhinderen dat er, voor crediteuren, onaantastbare schuldenaren ontstaan wier inkomen onder de beslagvrije voet ligt, zodat zij hun schulden niet meer nakomen.125

118 Het betreft toeslagen die door de Belastingdienst/Toeslagen worden uitgekeerd, waaronder begrepen het kindgebonden budget. De kinderopvangtoeslag dient hier buiten beschouwing te worden gelaten (Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 64). 119 Art. 45 lid 1 Awir verbindt een absoluut beslagverbod aan de tegemoetkoming in het kader van de Wet op het kindgebonden budget. Voor de zorgtoeslag en huurtoeslag geldt geen absoluut beslagverbod. De mogelijkheden daartoe worden echter vergaand beperkt op grond van de in het voornoemde artikel en lid opgenomen onderdelen a en b. 120 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 8. 121 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 10. 122 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 9. 123 De wetgever heeft onderkend dat de berekening van de beslagvrije voet minder transparant wordt door de formule, maar dat meer recht wordt gedaan aan de individuele omstandigheden van de schuldenaar (Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 9). 124 Art. 475da lid 4 en 475dc Rv. 125 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 12.

104


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

Onder deze derde inkomensgroep zullen bijvoorbeeld schuldenaren vallen die op grond van de in artikel 22a Participatiewet geïntroduceerde kostendelersnorm een lagere uitkering genieten.126 In artikel XVI Wet maatregelen Wet werk en bijstand is aanvankelijk besloten om de kostendelersnorm ook in de beslagvrijevoetsystematiek in te voeren. Tot daadwerkelijke inwerkingtreding van dat artikel is het echter nimmer gekomen, omdat de regeling praktisch niet uitvoerbaar bleek te zijn.127 Met de invoering van de artikelen 475da lid 4 en 475dc Rv wordt dit feitelijk hersteld.128 2.4.4 Berekening beslagvrije voet onder de nieuwe regeling Artikel 475a lid 2 Rv bepaalt dat het derdenbeslag niet geldig is “op het gedeelte van een vordering dat daarop wordt ingehouden krachtens de wet, uit hoofde van een ziektekostenverzekering of van een pensioenspaarrekening dan wel uit hoofde van een ondernemingsspaarregeling voor een oudedagsverzorging”. Het beslag wordt derhalve feitelijk op het netto-inkomen gelegd. Dit verandert niet onder de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. Ook artikel 475b lid 1 Rv, waarin het begrip ‘beslagvrije voet’ wordt geïntroduceerd, blijft ongewijzigd van kracht.129 Artikel 475d lid 1 Rv (nieuw) wijzigt echter wel de berekeningswijze van die beslagvrije voet en bepaalt dat deze, in het nieuwe stelsel, wordt berekend aan de hand van het belastbaar inkomen.130 Indien sprake is van reserveringen voor de vakantiebijslag of voor een dertiende maand, dienen die hierbij te worden meegenomen.131 Wanneer de schuldenaar gehuwd is als bedoeld in de Participatiewet, telt ook het belastbaar inkomen van de echtgenoot mee. De berekening van de beslagvrije voet op basis van het belastbaar inkomen is ingegeven vanuit de gedachte dat op basis van het belastbaar inkomen een reële inschatting kan worden gemaakt van het recht op toeslagen van de schuldenaar, en dat daarmee dus tevens de hoogte van de eventuele compensatiekop kan worden bepaald.132 2.4.5 Informatiebevoegdheden De hoogte van het belastbaar inkomen is grotendeels opvraagbaar uit de polisadministratie van het UWV. De gerechtsdeurwaarder is op grond van het bepaalde in artikel 475ga lid 1 Rv dan ook gerechtigd om de polisadministratie te bevragen teneinde dat belastbaar inkomen (grotendeels) te achterhalen voor de berekening van de beslagvrije voet.133 Dat geldt tevens voor het belastbaar inkomen van diens eventuele echtgenoot. Daarnaast is de polisadministratie op grond van deze bepaling bevraagbaar voor het vaststellen van de aard van

126 127 128 129 130 131 132 133

Geïntroduceerd in de Wet maatregelen Wet werk en bijstand (Stb. 2014, 269). Kamerstukken II 2014/15, 34273, 5, p. 11. Art. 475dc Rv is in de 3e nota van wijziging toegevoegd (Kamerstukken II 2016/17, 34628, 9). In dit basisartikel wordt bepaald dat een derdenbeslag op (‘netto’) periodieke betalingen slechts geldig is voor zover de periodieke betalingen de beslagvrije voet overstijgen. Het in de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet opgenomen nieuwe art. 475d lid 1 Rv is opnieuw geformuleerd in de Verzamelwet SZW 2018 (Kamerstukken II 2017/18, 34766, 6). Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 67. Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 12. Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 72.

105


Bestaansminimum en bankbeslag

de periodieke inkomsten van de schuldenaar en de identiteit van degene die de periodieke betalingen aan hem verricht.134 Het BSN mag hiervoor worden gebruikt.135 Voor de bepaling van de leefsituatie van de schuldenaar voor de berekening van de beslagvrije voet is de gerechtsdeurwaarder gerechtigd om de BRP te bevragen. De gerechtsdeurwaarder, die in het kader van de uitvoering van zijn ambtshandelingen als bestuursorgaan wordt aangemerkt, is op grond van het bepaalde in artikel 1.7 jo. artikel 3.2 Wet basisregistratie personen en het betreffende autorisatiebesluit gerechtigd tot deze informatie.136 In beginsel dient een schuldenaar als alleenstaande te worden aangemerkt, tenzij uit de BRP anders blijkt. Afwijken van het bovenstaande vermoeden is mogelijk, indien de gerechtsdeurwaarder een andere leefsituatie kan aantonen.137 Hoewel het belastbaar inkomen voor het grootste deel uit de polisadministratie blijkt, geldt dat niet altijd. Ook straks zal bijvoorbeeld voor informatie over inkomen uit alimentatie, de schuldenaar zelf moeten worden bevraagd.138 Artikel 475g lid 1 Rv (nieuw) biedt deze ruimte.139 In de polisadministratie zijn ook geen inkomensgegevens opgenomen met betrekking tot enkele andere inkomsten waaraan artikel 475c lid 1 Rv een beslagvrije voet heeft verbonden. In dit kader moet worden gedacht aan de voorlopige teruggaven inkomstenbelasting (sub h) en de toeslagen (sub j).140 Artikel 475g lid 2 Rv (nieuw) maakt het echter mogelijk om de Belastingdienst, als derde, hieromtrent te bevragen.141 Ook de inkomsten van zzp’ers zijn niet bevraagbaar vanuit de polisadministratie. Artikel 475c Rv verbindt echter ook niet van rechtswege een beslagvrije voet aan dergelijke inkomsten, wanneer daarop beslag wordt gelegd. Op grond van het bepaalde in artikel 475f Rv kan de schuldenaar de kantonrechter echter verzoeken om de beslagvrijevoetregeling van toepassing te verklaren, wanneer hij onvoldoende andere middelen van bestaan heeft en beslag is gelegd op een vordering tot weerkerende betalingen. Artikel 475g lid 1 Rv (nieuw) onderkent dat bevraging van de schuldenaar niet meer noodzakelijk is wanneer de benodigde informatie op grond van de artikelen 475ga en 475gb Rv verkregen kan worden. Bevraging van de schuldenaar blijft voor het overige echter

134 Naar huidig recht is de bevraging van het UWV voor de vaststelling van de identiteit van derden die periodieke betalingen aan schuldenaren verrichten in art. 475g lid 4 Rv geregeld. 135 Art. 475gb Rv. 136 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 31. 137 Art. 475ga lid 2 Rv. 138 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 14. 139 De schuldenaar is verplicht om de gerechtsdeurwaarder die gerechtigd is om beslag te leggen, desgevraagd, zijn bronnen van inkomsten op te geven en gegevens voor de vaststelling van de beslagvrije voet te verstrekken, voor zover die informatie niet op grond van art. 475ga en 475gb Rv kan worden verkregen. 140 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 30. 141 Anders dan onder het huidige art. 475g lid 3 Rv is bevraging naar toeslagen toegestaan wanneer de gerechtsdeurwaarder gerechtigd is om beslag te leggen en dit noodzakelijk is voor de berekening van de beslagvrije voet. Dus ook wanneer er geen beslag op de betreffende toeslag kan worden gelegd (Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 72).

106


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

noodzakelijk. De wetgever gaat ervan uit dat in het merendeel van de gevallen de bevraging van de polisadministratie volstaat.142 Er is in elk geval onvoldoende reden gezien om consequenties te verbinden aan het niet voldoen door de schuldenaar aan diens verplichtingen tot het verstrekken van inlichtingen, zoals het huidige artikel 475g lid 2 Rv dat verwoordt.143 2.4.6 Correctiemogelijkheden bij de vaststelling van de hoogte van de beslagvrije voet De in de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet geĂŻntroduceerde berekeningswijze beperkt in belangrijke mate de noodzaak om tot een verdere verhoging van de beslagvrije voet te komen. Het grofmaziger nieuwe stelsel maakte echter enige correctie noodzakelijk ten aanzien van woningbezitters.144 Deze afwijking is uiteindelijk gecodificeerd in artikel 475da lid 7 Rv.145 Daarnaast biedt artikel 475da lid 5 Rv een bijzondere verhoging van de beslagvrije voet vanwege zeer hoge woonlasten op verzoek van de schuldenaar voor ten hoogste zes maanden. Deze verhoging geldt alleen voor schuldenaren die in de eerste inkomenscategorie vallen. Lid 6 biedt een uitzonderlijke verlengingsmogelijkheid van zes maanden indien de schuld waarvoor beslag is gelegd in die periode geheel kan worden voldaan.146 Een verhoging van de beslagvrije voet kan, tot slot, op grond van de in artikel 475fa Rv gecodificeerde hardheidsclausule worden verhoogd door de kantonrechter in geval van onevenredige benadeling en voor een door hem te bepalen termijn.147 De gronden voor het verlagen van de beslagvrije voet zijn samengebracht in artikel 475db lid 1 Rv. Net als onder het huidige stelsel wordt de beslagvrije voet verlaagd met niet onder beslag liggende vorderingen tot periodieke betalingen, inclusief vakantiebijslag, van de echtgenoot van de schuldenaar tot maximaal de helft van de beslagvrije voet. Ook andere niet onder beslag liggende vorderingen tot periodieke betalingen, inclusief vakantiebijslag, van de schuldenaar worden in mindering gebracht op de beslagvrije voet.148 De beslagvrije voet wordt telkens met het netto-inkomen verlaagd.149 De berekening van dat netto-inkomen geschiedt ook hier aan de hand van het belastbaar inkomen dat grotendeels uit de polisadministratie te herleiden is.150 In tegenstelling tot de huidige regeling is het onder de werking van artikel 475db lid 1 Rv alleen mogelijk om niet onder beslag liggend inkomen op de beslagvrije voet in mindering

142 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 13. 143 De beslagvrije voet wordt gehalveerd zolang de schuldenaar het inkomen van degene aan wie samen met hem gezinsbijstand zou kunnen toekomen, desgevraagd, niet opgeeft. Indien de schuldenaar alleenstaande of alleenstaande ouder is, bedraagt de beslagvrije voet 72% van de betreffende bijstandsnorm indien diens periodieke inkomen niet bekend is bij (formeel) de beslaglegger. 144 Een woningbezitter ontvangt immers geen huurtoeslag. Zij kunnen derhalve worden benadeeld ten opzichte van huurders (Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 70). 145 In de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is deze bepaling aanvankelijk in een nieuw art. 475e lid 3 Rv opgenomen. In de Verzamelwet SZW 2018 is dit gewijzigd (Kamerstukken II 2017/18, 34766, 6, p. 23). 146 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 9. 147 Opvallend is dat uit de tekst van art. 475fa Rv volgt dat verhoging niet mogelijk is wanneer de beslagvrijevoetregeling op grond van art. 475f Rv van toepassing is verklaard. 148 Naar huidig recht vinden deze verlagingen plaats op grond van art. 475d lid 5 en 6 Rv. 149 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 68. 150 Art. 475db lid 2 Rv.

107


Bestaansminimum en bankbeslag

te brengen wanneer het inkomen betreft als genoemd in artikel 475c lid 1 sub a t/m i Rv.151 Anders dan nu blijft additioneel inkomen van de schuldenaar of diens echtgenoot uit bijvoorbeeld huurpenningen hier straks derhalve buiten beschouwing. Dergelijke inkomsten zijn natuurlijk wel te beslaan zolang het inkomen van de schuldenaar betreft. Afgezien van de voornoemde verlagingen dient de beslagvrije voet verminderd te worden met de bestuursrechtelijke premie als bedoeld in artikel 18f Zvw, voor zover die wordt ingehouden op de beslagen vordering.152 Deze premie dient immers vanuit de beslagvrije voet te worden voldaan.153 Tevens dient de beslagvrije voet verlaagd te worden met het voordeel dat de schuldenaar geniet wanneer hij een door de werkgever ter beschikking gesteld vervoermiddel voor privĂŠdoeleinden blijft gebruiken in het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin het beslag is gelegd.154 2.4.7 Bekendmaken beslagvrije voet De vastgestelde beslagvrije voet dient te worden bekendgemaakt aan de schuldenaar. Hij moet immers kunnen ageren wanneer hij meent dat deze onjuist is berekend. Naar huidig recht kent het Rv echter geen artikel waarin het moment van die mededelingsplicht expliciet is opgenomen.155 Artikel 476b lid 3 Rv stelt dat een ontvangen verklaring derdenbeslag binnen drie dagen naar de schuldenaar verstuurd moet worden door de gerechtsdeurwaarder of advocaat. Nu de beslagvrije voet in die verklaring wordt vermeld, raakt de schuldenaar derhalve in elk geval op dat moment op de hoogte van de berekening.156 Artikel 475i lid 2 Rv koppelt het moment van de mededeling aan de (over)betekening van het beslagexploot als genoemd in het eerste lid.157 Mededeling dient uiterlijk ten tijde van deze betekening te worden gedaan.158 Eerder mag dus ook.159 Het derde lid biedt de schuldenaar vervolgens de mogelijkheid om binnen vier weken vanaf de ontvangst van de mededeling omstandigheden te melden op grond waarvan de beslagvrije voet verhoogd dient te worden. In dat geval wordt hiermee, met terugwerkende kracht, rekening gehouden vanaf het moment van de beslaglegging.160 Ook na het verstrijken van die

151 152 153 154 155 156

157 158 159 160

Ontvangen toeslagen als bedoeld in art. 475c lid 1 sub j Rv worden logischerwijze niet in mindering gebracht. Art. 475db lid 1 sub c Rv. Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 69. Overeenkomstig de voorstellen van de KBvG (Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 15). Art. 475g lid 1 Rv stelt wel dĂĄt de beslagvrije voet bekend moet worden gemaakt aan de schuldenaar. Op grond van de op art. 1 jo. art. 15 lid 2 Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders geĂŤnte KBvG-bestuursregel Afwikkeling derdenbeslagen is de gerechtsdeurwaarder verplicht om de berekening van de beslagvrije voet op basis van de hem bekende gegevens mede te delen bij de (over)betekening van het beslagexploot. De betekening van het beslagexploot aan de schuldenaar dient binnen acht dagen nadat het is gelegd plaats te vinden. Overeenkomstig een bij of krachtens AMvB vastgesteld model dient de hoogte van de beslagvrije voet te worden medegedeeld, alsmede de gegevens waarop de vaststelling is gebaseerd en de wijze van berekening. Het doen van mededeling bij de (over)betekening biedt als voordeel dat het dwingend bewijs oplevert voor wat betreft de ontvangst daarvan. Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 73-74.

108


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

termijn is de schuldenaar gerechtigd om aanpassing van de beslagvrije voet te verzoeken.161 In een dergelijke situatie wordt met de opnieuw vastgestelde beslagvrije voet rekening gehouden vanaf het verzoek tot herberekening. Indien er al beslag is gelegd, verstrekt de coördinerende deurwaarder de hoogte van de vastgestelde beslagvrije voet schriftelijk aan de cumulerend beslagleggende deurwaarder.162 Die beslagleggende deurwaarder deelt de beslagvrije voet vervolgens mede aan de schuldenaar onder vermelding van diens mogelijkheid om wijzigingen aan de coördinerende deurwaarder te melden. Een dergelijke melding werkt in dat geval niet terug tot het moment van beslaglegging. Artikel 475i lid 4 Rv verklaart het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing wanneer de beslagvrije voet opnieuw wordt vastgesteld, bijvoorbeeld omdat de termijn als genoemd in artikel 475d lid 3 sub a Rv (nieuw) is verstreken. De schuldenaar krijgt dan derhalve opnieuw een termijn van vier weken om omstandigheden te melden die de beslagvrije voet verhogen. Ook in dat geval werkt de tijdige melding niet verder terug dan tot het moment waarop de beslagvrije voet opnieuw is vastgesteld.163 2.4.8 Herberekenen beslagvrije voet De beslagvrije voet wordt door de gerechtsdeurwaarder vastgesteld. Hij doet dat namens de beslaglegger.164 Artikel 475d lid 2 Rv (nieuw) stelt dat de beslagvrije voet voor maximaal een jaar wordt vastgesteld.165 De (coördinerende) deurwaarder is steeds bevoegd om de beslagvrije voet opnieuw vast te stellen indien hij bekend raakt met feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de beslagvrije voet.166 Daarnaast dient op grond van artikel 475d lid 3 Rv (nieuw) verplicht te worden herberekend, wanneer de voornoemde jaarstermijn verstrijkt of wanneer de gerechtsdeurwaarder met redenen omkleed wordt geïnformeerd over een structurele wijziging van omstandigheden die van belang is voor de vaststelling van de beslagvrije voet.167 Artikel 475d lid 5 Rv (nieuw) bepaalt dat met een verhoging van de beslagvrije voet onverwijld rekening dient te worden gehouden vanaf het moment dat verplicht herberekend dient te worden of de (coördinerende) gerechtsdeurwaarder bekend is geraakt met feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de hoogte van de beslagvrije voet. De meldingsdatum is derhalve veelal bepalend voor de vraag in hoeverre een herberekening met terugwerkende kracht dient plaats te vinden.168 De in de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet gekozen uitgangspunten in de berekening van de beslagvrije voet maken deze in beginsel minder statisch. Op het moment van verschijnen

161 162 163 164 165 166 167

In dat geval op grond van het nader te bespreken art. 475d lid 3 Rv (nieuw). Feitelijk kan de hoogte worden opgevraagd uit het digitaal beslagregister. Kamerstukken II 2017/18, 34766, 6, p. 24. Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 61. Voor bepaalde categorieën periodieke betalingen kan een kortere periode worden vastgesteld bij AMvB. Art. 475d lid 4 Rv (nieuw). De gerechtsdeurwaarder is niet verplicht tot herberekening bij wijzigingen in de bijstandsnorm of in de toeslagen (Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 27). 168 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3 p. 28.

109


Bestaansminimum en bankbeslag

van dit preadvies betreft de beslagvrije voet immers een vast bedrag dat in de basis aan de hand van de, per leefsituatie, geldende bijstandsnorm is bepaald. Wijzigingen in de hoogte van de beslagen inkomsten zijn derhalve niet van invloed op de hoogte van de berekende beslagvrije voet. Zij zijn alleen van invloed op de hoogte van de afloscapaciteit.169 Na invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet geldt echter voor de schuldenaren die in de tweede en derde inkomenscategorieën vallen, dat de hoogte van de beslagvrije voet af hankelijk is van de hoogte van het belastbaar inkomen. Fluctueringen in de hoogte van de beslagen inkomsten werken derhalve rechtstreeks door in de hoogte van de beslagvrije voet.170 Voor een wijziging van een eenmaal vastgestelde beslagvrije voet dient echter in beginsel de schuldenaar het initiatief te nemen.171 2.4.9 Voorgeschreven beslagvolgorde bij meerdere inkomstenbronnen Het mag niet onvermeld blijven dat de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet met het verleden breekt door het huidige artikel 475b lid 2 Rv te laten vervallen. Krachtens dat artikel en lid wordt de beslagvrije voet omgeslagen in verhouding tot de hoogte van de periodieke betalingen wanneer er beslag is gelegd op verschillende vorderingen waaraan een beslagvrije voet is verbonden. De wetgever heeft willen stimuleren dat beslagleggers zich zo veel mogelijk op dezelfde inkomstenbron verhalen.172 Artikel 475c lid 2 Rv heeft derhalve vooropgesteld dat beslag op periodieke vorderingen als bedoeld in artikel 475c lid 1 Rv (nieuw) in de volgorde van dat lid gelegd moet worden.173 Dit geldt echter niet voor beslagen als bedoeld in artikel 475c lid 1 sub j Rv.174 Nu de keuze voor een volgorde in de beslagen is gemaakt, maar daar vervolgens ook weer inbreuk op is gemaakt, blijft het mogelijk dat op verschillende vorderingen tot periodieke betaling beslag wordt gelegd. In artikel 475c lid 4 Rv wordt dan ook bepaald dat bij het vaststellen van de beslagvrije voet rekening moet worden gehouden met een eerder gelegd beslag.175 Wanneer er beslag is gelegd op een toeslag of wanneer deze wordt verrekend, kan een beslaglegger op een ander inkomensbestanddeel alleen de eventueel resterende afloscapaciteit benutten. Hierdoor is een feitelijke preferentie voor de eerdere beslaglegger gecreëerd.176 Ook artikel 475c lid 3 Rv maakt inbreuk op de volgorde mogelijk. Het is toegestaan om beslag te leggen op een later genoemde vordering tot periodieke betaling, wanneer beslag dat in de

169 Wanneer het additioneel niet onder beslag liggend inkomen als bedoeld in art. 475d lid 5 en 6 Rv maandelijks sterk fluctueert, heeft dit wel onmiddellijk effect op de hoogte van de beslagvrije voet. 170 Art. 475d lid 1 Rv (nieuw) gaat voor de vaststelling van de beslagvrije voet uit van het belastbaar inkomen in de laatste maand waarover op het moment van beslaglegging gegevens bekend zijn. Indien dit geen reëel beeld geeft, dient te worden uitgegaan van het gemiddelde over de laatste vier maanden. 171 Art. 475d lid 3 sub b Rv (nieuw). 172 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 62. 173 Bij meerdere vorderingen tot periodieke betaling binnen een onderdeel gaat de hoogste vordering voor. 174 Art. 45 lid 2 Awir (nieuw). 175 In het oorspronkelijke wetsontwerp is dit opgenomen in art. 475c lid 5 Rv (Kamerstukken II 2016/17, 34628, 2). 176 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 65.

110


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

‘juiste’ volgorde wordt gelegd met zich mee zou brengen dat niet de gehele afloscapaciteit kan worden benut en dat daardoor aanvullend beslag moet worden gelegd.177 Artikel 475c lid 5 Rv repareert vervolgens voor enkele uitzonderlijke gevallen de consequenties die de volgorderegeling met zich meebrengt.178 Opvallend is dat dit tot gevolg heeft dat de onwenselijk geachte omslag als bedoeld in het huidige artikel 475b lid 2 Rv weer gedeeltelijk terugkeert. In artikel 475f lid 2 Rv wordt artikel 475c lid 5 Rv van overeenkomstige toepassing verklaard.179 Hier is geregeld hoe de beslagvrije voet vastgesteld moet worden wanneer er naast een beslag op een vordering tot periodieke betaling als genoemd in artikel 475c Rv, tevens beslag op een vordering tot weerkerende betaling is gelegd en daar overeenkomstig het bepaalde in artikel 475f lid 1 Rv de beslagvrijevoetregeling op van toepassing is verklaard.180 Een beslag dat in strijd met artikel 475c lid 2 en 3 Rv is gelegd, wordt volgens het zesde lid met vernietiging bedreigd binnen drie jaren nadat het beslag is gelegd. Bedacht moet echter worden dat niet is gezegd dat een schuldenaar enige schade lijdt door een onjuiste beslagkeuze. De aan de schuldenaar toekomende beslagvrije voet kan immers ook dan ontvangen zijn.181 2.4.10 Schuldenaren zonder woonplaats in Nederland De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet wijzigt voorts artikel 475e Rv. Het uitgangspunt dat geen beslagvrije voet geldt voor vorderingen van een schuldenaar die buiten Nederland woont of vast verblijft, is verlaten. Het nieuwe artikel 475e lid 1 Rv stelt dat de beslagvrije voet op grond van de artikelen 475da en 475dc Rv ten hoogste 47,5% van de gehuwdennorm als genoemd in artikel 21 sub b Participatiewet bedraagt, indien de schuldenaar op grond van de BRP geen woonadres in Nederland heeft.182 Het betreft in beginsel de laagst mogelijke beslagvrije voet in het systeem.183 Op grond van artikel 475e lid 2 Rv kan de beslagvrije voet worden verhoogd tot de op basis van de artikelen 475da tot en met artikel 475dc Rv vastgestelde bedragen, wanneer een schuldenaar volgens de BRP niet over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt, maar hij de gerechtsdeurwaarder inzicht geeft in zijn leefsituatie en zijn bronnen van inkomsten.184 Wanneer een schuldenaar een vaste woon- of verblijfplaats buiten Nederland heeft, wordt de op basis van het eerste en tweede lid vastgestelde beslagvrije voet volgens artikel 475e lid 3 Rv met de betreffende woonlandfactor vermenigvuldigd.

Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 64. Kamerstukken II 2017/18, 34766, 6, p. 4. Kamerstukken II 2016/17, 34628, 7, p. 2. Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 71. Het is nog onduidelijk wat de consequentie is wanneer geïnde gelden inmiddels zijn afgedragen aan de beslaglegger en het beslag vervolgens wordt vernietigd. 182 Kamerstukken II 2017/18, 34766, 6, p. 5. 183 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 70. 184 Het betreft schuldenaren die een briefadres hebben of van wie in het geheel geen adres bekend is. 177 178 179 180 181

111


Bestaansminimum en bankbeslag

2.4.11 Cumulatieve beslagen en de rol van de coördinerende deurwaarder De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet introduceert tevens het begrip ‘coördinerende deurwaarder’ in artikel 475ab Rv. Het betreft de gerechtsdeurwaarder die op grond van artikel 478 Rv tot inning bevoegd is. Hij is het centrale aanspreekpunt wanneer het gaat om de hoogte van de beslagvrije voet. Eventuele andere beslagleggers nemen de door hem vastgestelde beslagvrije voet over en hij is belast met het maken van tussentijdse herberekeningen.185 Door de wetgever is expliciet aangegeven dat de gemaakte keuze overeenkomt met de door de KBvG geïntroduceerde werkwijze voor gerechtsdeurwaarders en aansluit bij de aanbeveling uit het vorige preadvies om de deurwaarder die de leiding heeft bij de inning, ook bij samenloop van beslagen met de vaststelling van de beslagvrije voet ten behoeve van de andere beslagleggers te belasten.186 Artikel 478 lid 4 Rv biedt de ruimte om een andere deurwaarder die gerechtigd is beslag te leggen met de inning te belasten. De rol van coördinerende deurwaarder en de daarbij behorende verplichting gaat dan derhalve over naar die andere gerechtsdeurwaarder. Ook dit is in lijn met de aanbevelingen van de KBvG.187 Hoewel samenloop van gelegde beslagen voornamelijk voorkomt wanneer beslagleggers zich verhalen op vorderingen tot periodieke betaling, is de werking van artikel 478 Rv niet beperkt tot beslagen op dergelijke vorderingen. Ook wanneer beslag onder een bank wordt gelegd op een bankrekening, zal geïnd en soms ook verdeeld moeten worden. Derhalve is ook bij bankbeslagen de rol van de coördinerende deurwaarder relevant. 2.4.12 Tussenbalans III Met de nieuwe regeling wordt een belangrijk kernprobleem van de tot dan toe geldende regeling opgelost: de veelheid en complexiteit van de benodigde informatie om de beslagvrije voet juist te berekenen, in samenhang met de af hankelijkheid van de medewerking van de schuldenaar bij het verkrijgen van die informatie, zijn verminderd door de mogelijkheid om onder andere meer informatie uit de polisadministratie op te kunnen vragen. Voor een juiste berekening zouden diezelfde gegevens beschikbaar moeten zijn voor de gerechtsdeurwaarder die onder de bank beslag legt, wanneer ook in die gevallen rekening met de beslagvrije voet dient te worden gehouden. In het toekomstige systeem is de hoogte van de beslagvrije voet meer dan ooit verbonden met het recht op toeslagen. De schuldenaar, en zijn eventuele echtgenoot, moet immers vanuit de beslagvrije voet en, indien hij daar gezien de hoogte van zijn inkomen recht op heeft, de toeslagen in zijn minimale levensbehoeften voorzien. Ook wanneer bij een beslag onder een bankinstelling rekening moet worden gehouden met de beslagvrije voet, is het allereerst van belang te onderkennen dat het ontvangen beslagvrije

185 Art. 475d lid 3 t/m 5 Rv (nieuw). 186 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 19-20. 187 Kamerstukken II 2016/17, 34628, 3, p. 61.

112


2 Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context

bedrag (vaak) één van verschillende componenten van een maandelijks totaalbudget betreft waarvan de schuldenaar (en zijn eventuele echtgenoot) minimaal moet rondkomen. De verschillende componenten worden allemaal op enig moment op een bankrekening gestort, waarna zij vermengen. Zoals artikel 475db Rv een correctie op de beslagvrije voet biedt wanneer er (kort gezegd) aanvullende onbeslagen inkomsten aanwezig zijn, ligt het voor de hand dat op eenzelfde wijze rekening wordt gehouden met op eventuele andere rekeningen aanwezige saldi wanneer er beslag wordt gelegd onder een bank op de daar aangehouden rekening(en). Bovenstaande maatstaven zouden, voor zover mogelijk, ook kunnen worden gehanteerd wanneer er nog niet eerder beslag op periodieke inkomsten is gelegd. Bijvoorbeeld omdat, zoals bij zzp’ers het geval is, die inkomsten niet uit de polisadministratie blijken. 2.5

Conclusie

Een van de zeer duidelijke conclusies van dit hoofdstuk is dat een wettelijke regeling van het bankbeslag onontbeerlijk is voor de verdere waarborging van het bestaansminimum. Het belang van de bestendiging van de materiële (basis)bestaanszekerheid van een omvangrijke groep kwetsbare burgers is te urgent om de huidige onduidelijke juridische situatie te laten voortduren. Daarbij dient echter bedacht te worden dat mede als gevolg van de overige beslagbeperkingen en het inmiddels aanzienlijke pakket aan maatregelen ter bescherming van het bestaansminimum van de geëxecuteerde met name concurrente schuldeisers bij het verhaal van hun vorderingen dikwijls aan het kortste eind trekken. De realisatie van de broodnodige bescherming van de schuldenaar mag niet tot gevolg hebben dat de belangen van private schuldeisers bij de wetgever geheel uit beeld verdwijnen. Om aan deze belangenafweging zo veel mogelijk recht te doen is het van belang dat de hoogte van een beslagvrij bedrag met zo veel mogelijk precisie wordt vastgesteld, waardoor de toepassing daarvan bij een bankbeslag aan rechtmatigheid wint. De wetgever heeft hiertoe met de ‘Wet vereenvoudiging beslagvrije voet’ een uitvoerig en naar het zich laat aanzien zeer rechtdoend instrumentarium ontwikkeld. De op de leefsituatie van de schuldenaar toepasselijke beslagvrije voet conform artikel 475da Rv kan de basis vormen voor een buiten het beslag te laten bedrag wanneer beslag wordt gelegd op de banktegoeden van een schuldenaar. Nu er bij de vaststelling van de beslagvrije voet overeenkomstig de nieuwe regeling van wordt uitgegaan dat de relevante toeslagen waarop de schuldenaar recht heeft daadwerkelijk worden ontvangen, zal rekening gehouden moeten worden met de hoogte van die toeslagen. De hoogte van het bedrag dat een schuldenaar nodig heeft om in zijn minimale levensbehoeften te kunnen blijven voorzien, wordt immers gevormd door de beslagvrije voet en de toeslagen samen, feitelijk de in artikel 475da lid 1 Rv genoemde bedragen.

113


Bestaansminimum en bankbeslag

Tevens is het van belang dat het met het oog op de belangen van de schuldeiser slechts kan gaan om een bedrag dat daadwerkelijk noodzakelijk is voor de voorziening in eerste levensbehoeften. Naar analogie met de correctiewijze voor onbeslagen neveninkomsten die besloten ligt in artikel 475db Rv bij een beslag op periodieke inkomsten, zouden de onbeslagen saldi op eventuele andere bankrekeningen in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van een buiten het bankbeslag te laten bedrag.

114


Hoofdstuk 3 Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag J. Feikema, O.M. Jans en M.I. Cazemier

3.1

Inleiding

Geschat wordt dat in Nederland jaarlijks tussen de 80.000 en 90.000 keer beslag op een bankrekening ten laste van een natuurlijke persoon wordt gelegd, waarbij het getroffen saldo op die bankrekening vaak niet meer dan enkele honderden euro’s betreft. De beroepsgroep schat in dat in ongeveer 8% van die beslagen buiten rechte een beroep wordt gedaan op ‘de beslagvrije voet’, waarbij het verzoek om een bedrag buiten het beslag te laten in vervolgens circa 40% van de gevallen wordt gehonoreerd. Dit hoofdstuk benoemt wat – naar huidig recht – de knelpunten zijn die gerechtsdeurwaarders in de praktijk ondervinden bij het leggen van een bankbeslag en het vrijlaten van een bedrag ter bescherming van het bestaansminimum van de schuldenaar. In aansluiting daarop wordt besproken wat de factoren zijn die maken dat ook in de (tucht)rechtspraak geen eenduidigheid bestaat of, en zo ja, tot in welke mate, bij een bankbeslag rekening moet worden gehouden met de bescherming die de beslagvrije voet bij beslag op vorderingen tot periodieke betalingen biedt. Kernvragen daarbij zijn hoe het executoriaal bankbeslag in de praktijk wordt toegepast en welke knelpunten de beroepsgroep daarbij ondervindt, en bij het toepassen van een vorm van beslagvrije voet in het bijzonder. In al die gevallen waarin de geëxecuteerde meent dat de gerechtsdeurwaarder, die namens de beslaglegger handelt, ten onrechte niet ‘de beslagvrije voet’ heeft toegepast, staat de weg naar de civiele en de tuchtrechter open. De logische vervolgvraag op het voorgaande is derhalve welke criteria in de (tucht)rechtspraak zijn ontwikkeld ten aanzien van een buiten het bankbeslag te laten bedrag, en hoe deze criteria zich verhouden tot de rechtszekerheid aangaande de garantie van het bestaansminimum bij een bankbeslag.

115


Bestaansminimum en bankbeslag

3.2

Bankbeslag in de praktijk

3.2.1

Werkwijze executoriaal bankbeslag

3.2.1.1 Inleiding Wellicht is de methodisch meest pragmatische wijze om overzicht te krijgen in de voetangels en knelpunten van de huidige regeling om – stapsgewijs – de sequentie van beslaghandelingen bij een bankbeslag uiteen te zetten. Tezamen met de in het tweede deel van deze paragraaf uitgewerkte enquêteresultaten kan dan een eerste inzicht worden verkregen in de problemen die beroepsbeoefenaren ervaren wanneer zij een afweging willen maken tussen de belangen van de schuldeiser en schuldenaar, maar in de uitvoering daarvan worden belemmerd door het systeem van de huidige regeling. 3.2.1.2 Omvang en context van de opdracht tot het leggen van bankbeslag De gerechtsdeurwaarder die in een zaak een executoriale titel overhandigd krijgt waarvan de tenuitvoerlegging wordt verlangd, is op grond van artikel 434 Rv gemachtigd om de gehele executie uit te voeren die uit die titel voortvloeit.1 Artikel 430 lid 3 Rv stelt echter wel dat de tenuitvoerlegging pas kan plaatsvinden nadat de titel is betekend aan degene tegen wie de executie zich zal richten.2 De executant die over een betekende executoriale titel beschikt, is gerechtigd om opdracht te geven tot het doen leggen van een specifiek beslag, zoals een beslag op bankrekeningen.3 De gerechtsdeurwaarder is in beginsel gehouden om deze opdracht uit te voeren. Hij heeft immers een ministerieplicht. 4 Veelal zal de titel echter worden overhandigd zonder dat er bijzondere instructies ten behoeve van het executietraject worden gegeven. In een dergelijk geval wordt er derhalve een grote vrijheid aan de deurwaarder gelaten met betrekking tot de te nemen vervolgstappen en, daarmee, de soort en volgorde van mogelijke beslagen die gelegd moeten worden om een vordering verhaald te krijgen. Van de gerechtsdeurwaarder mag verlangd worden dat hij de ter beschikking staande executiemiddelen proportioneel inzet. Het is de gerechtsdeurwaarder immers niet toegestaan om onnodige kosten te maken.5 Dit laat uiteraard onverlet dat het in artikel 3:276 BW omschreven beginsel, dat een schuldeiser zich op alle goederen van een schuldenaar mag verhalen, het uitgangspunt is.

1 2 3

4 5

Alleen voor de toepassing van lijfsdwang is een bijzondere volmacht vereist. In de regel zal bij de betekening van de titel gelijktijdig bevel worden gedaan om het verschuldigde binnen twee dagen te voldoen. Voor het leggen van diverse beslagen is een dergelijk voorafgaand bevel immers vereist. Zie bijv. art. 439 lid 1 of art. 502 lid 1 Rv. Het voorafgaand doen van bevel tot betaling wordt niet vereist. Art. 432 Rv eist echter wel dat een wachttermijn van acht dagen wordt gerespecteerd wanneer een vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en het vonnis tegen een derde ten uitvoer wordt gelegd. Voorts dient een verklaring van de griffier te worden overlegd dat in zijn register geen gewoon rechtsmiddel is aangetekend. Art. 11 Gdw. Art. 10 Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders.

116


3 Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag

3.2.1.3 Informatieplichten en -bevoegdheden De dossierbehandeling door de gerechtsdeurwaarder is de afgelopen jaren in toenemende mate geautomatiseerd. Door de diversiteit aan opdrachtgevers enerzijds en de diversiteit in potentiĂŤle verhaalsobjecten anderzijds kan niet van een gestandaardiseerd executieproces worden gesproken. Dat neemt echter niet weg dat in de dagelijkse uitvoeringspraktijk veelal eerst de mogelijkheden tot het leggen van executoriaal derdenbeslag worden onderzocht. De gerechtsdeurwaarder beschikt daarbij over verschillende bevragingsmogelijkheden. De gerechtsdeurwaarder die overweegt om een executoriaal derdenbeslag te leggen op een vordering tot periodieke betalingen waaraan een beslagvrije voet is verbonden, is verplicht om voorafgaand het beslagregister te raadplegen.6 Dit geldt ook wanneer een executoriaal derdenbeslag op een toeslag als bedoeld in de Awir wordt overwogen. De gerechtsdeurwaarder is verplicht om een dergelijk gelegd beslag in te schrijven in het beslagregister.7 In het beslagregister wordt daarbij onder meer de actuele hoogte van de geldende beslagvrije voet vermeld.8 Daarnaast is de deurwaarder die gerechtigd is om tegen een schuldenaar beslag te leggen, bevoegd om aan degene van wie hij vermoedt dat deze aan de schuldenaar periodieke betalingen verricht of schuldig is, te vragen of dat zo is.9 Op grond van het bepaalde in artikel 475g lid 4 Rv is de deurwaarder bevoegd om de UWV-polisadministratie te bevragen om de identiteit vast te stellen van degene van wie vermoed wordt dat hij dergelijke betalingen aan de schuldenaar verricht. De voornoemde bevragingen bieden gedeeltelijk soelaas en alleen dan wanneer de schuldenaar een natuurlijke persoon is. Aan rechtspersonen komt immers nimmer een beslagvrije voet toe en voor hen zal de bevraging van de polisadministratie, logischerwijze, geen bruikbaar resultaat opleveren. De inkomenscomponenten van rechtspersonen blijken immers niet uit de polisadministratie. Zelfs voor natuurlijke personen geldt dat niet alle inkomstenverhoudingen uit de polisadministratie zullen blijken.10 In dergelijke situaties zal sneller de mogelijkheid worden onderzocht of beslag op een bankrekening mogelijk is. Aan de gerechtsdeurwaarder is naar huidig recht niet de bevoegdheid toegekend om banken te benaderen met de vraag of een schuldenaar bij deze een rekening aanhoudt. Een dergelijke bevraging valt immers niet onder het bereik van artikel 475g lid 3 Rv. De gerechtsdeurwaarder zal primair aangewezen zijn op de wetenschap van zijn opdrachtgever. Als een

6 7 8 9 10

Art. 8 lid 1 Verordening digitaal beslagregister voor gerechtsdeurwaarders jo. art. 4 lid 1, onderdeel B, Reglement digitaal beslagregister voor gerechtsdeurwaarders. Art. 7 lid 4 Verordening digitaal beslagregister voor gerechtsdeurwaarders jo. art. 2 lid 1 Reglement digitaal beslagregister voor gerechtsdeurwaarders. Naar huidig recht is niet van rechtswege een beslagvrije voet verbonden aan een beslag op toeslagen als bedoeld in de Awir. Art. 475g lid 3 Rv. Te denken valt aan de zzp’er die opdrachten aanneemt.

117


Bestaansminimum en bankbeslag

schuldenaar in het verleden vrijwillig betalingen heeft verricht, is de herkomst van de betaling bijvoorbeeld eenvoudig te achterhalen. Van de gerechtsdeurwaarder wordt verlangd dat hij een gerechtvaardigd vermoeden heeft dat een schuldenaar bij een bepaalde bank bankiert. Hij dient een redelijk vermoeden te hebben dat het beslag doel treft. Het is dan ook niet toegestaan om standaard onder, bijvoorbeeld, de grootste banken beslag te leggen in de hoop dat de schuldenaar bij ten minste één van die banken een rekening aanhoudt.11 3.2.1.4 Exploot van het bankbeslag Overeenkomstig het bepaalde in artikel 475 Rv wordt het bankbeslag gelegd bij een exploot van de gerechtsdeurwaarder. De aanvullende eisen waaraan het betreffende exploot dient te voldoen, worden in het eerste lid omschreven. Het exploot wordt aan de bank betekend. Daarbij wordt tegelijkertijd afschrift gelaten van de executoriale titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd, en van het formulier waarop de verklaring als bedoeld in artikel 476b Rv kan worden gedaan in tweevoud.12 De betekening van het exploot geschiedt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 50 Rv, in de regel aan een kantoor van de betreffende bank.13 Dat kan bij elk filiaal.14 Sinds juli 2009 is het tevens mogelijk om het afschrift van het exploot, alsmede van de overige stukken, digitaal te laten aan het elektronisch adres van de bank.15 De bank dient in dat geval wel een elektronisch adres te hebben opgegeven aan de KBvG.16 3.2.1.5 Omvang van het beslag Vanaf het moment dat het beslag is gelegd, wordt het gehele positieve saldo dat op de bankrekening(en) staat, getroffen. Het beslag van de gerechtsdeurwaarder strekt zich niet uit tot de eventuele kredietruimte.17 De bank zal het getroffen saldo feitelijk separeren. Een in weerwil van het beslag gedane betaling kan in beginsel immers niet tegen de beslaglegger worden ingeroepen.18 Bedragen die evenwel na het beslag op een rekening van de bank worden ontvangen, zouden vrij opgenomen kunnen worden. Dergelijke bedragen vallen immers niet onder het gelegde beslag.

11

12 13 14 15 16 17 18

Hof Amsterdam 28 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3081, JOR 2016/48 m.nt. E. Loesberg; zie ook KvG 6 juni 2005, ECLI:NL:TGDKG:2005:1; Hof ’s-Hertogenbosch 9 april 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ7408; KvG 15  mei 2007, ECLI:NL:TGDKG:2007:66; KvG 16 september 2014, ECLI:NL:TGDKG:2014:173; KvG 26 mei 2015, ECLI:NL:TGDKG:2015:95. Art. 475 lid 2 Rv. Ook betekening aan de persoon of de woonplaats van de bestuurder is mogelijk. Rb. Gelderland 17 oktober 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:6744. Art. 475 lid 3 Rv. Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 3 juni 2009, nr. 5602950/09/6. HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4504. Art. 475h lid 1 Rv.

118


3 Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag

3.2.1.6 Wetenschap omtrent het effect van het beslag Nadat het beslag is gelegd, ontstaat voor de beslaglegger de verplichting om het beslagexploot binnen acht dagen aan de geëxecuteerde te doen betekenen.19 Tevens gaat dan de in artikel 475a Rv genoemde termijn van vier weken lopen, na afloop waarvan de bank verplicht wordt om te verklaren tot in hoeverre het beslag daadwerkelijk doel heeft getroffen. Het is nadelig dat er pas in een dergelijk laat stadium duidelijkheid komt omtrent de effectiviteit van het gelegde beslag. Vooral wanneer beslaglegging achteraf niet zinvol is gebleken, bijvoorbeeld omdat er geen rechtsverhouding met de bank bleek te bestaan, is dat zeer onbevredigend. De met het beslag gepaard gaande kosten zijn op dat moment immers al gemaakt. Een uitbreiding van de in artikel 475g lid 3 Rv gegeven bevragingsmogelijkheden voorafgaand aan een eventueel beslag lijkt in dit kader voor de hand te liggen. Wanneer er geen rechtsverhouding tussen een schuldenaar en een bank bestaat, kan een gerechtsdeurwaarder daar dan tijdig bekend mee worden. Een beslag zal in dat geval derhalve niet gelegd worden. Daarnaast kan een ruimere bevragingsmogelijkheid dienstig zijn voor de gerechtsdeurwaarder in het maken van een afweging wanneer er wél een rechtsverhouding met een bank blijkt te bestaan. Denk hierbij aan de situatie waarin de kosten die beslaglegging met zich meebrengen, hoger zijn dan het bij de bank aangehouden saldo. De gerechtsdeurwaarder die dat kan constateren, had immers ook in een dergelijk geval geen beslag gelegd op dat moment. 3.2.1.7 Verrekeningsbevoegdheid bank Het terugdringen van onnodige beslagen is eveneens van belang omdat de bank kosten in rekening brengt bij de schuldenaar voor de afwikkeling van een gelegd beslag en die kosten, indien mogelijk, vervolgens verrekent met het getroffen saldo.20 Het betreft een ruimere, contractuele, bevoegdheid dan de in artikel 477 lid 2 Rv geboden mogelijkheid om alleen de kosten van de in artikel 476b lid 2 Rv bedoelde afschriften van tot bewijs dienende bescheiden in mindering te brengen op het getroffen bedrag.21 Niet alleen de in verband met het beslag door de bank gemaakte kosten kunnen worden verrekend. Artikel 6:130 BW maakt verrekening door de bank na beslag mogelijk voor zover een vordering van de bank uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeit als die waarop het beslag ziet, dan wel wanneer die vordering voor het beslag is opgekomen en opeisbaar is geworden.22 Het volstaat echter niet dat er in de verklaring derdenbeslag enkel wordt opgemerkt dat de bank een beroep op verrekening toekomt. De bank dient te verklaren dát verrekend wordt en die verrekening dient vervolgens daadwerkelijk te worden geëffectueerd.23

19 20 21 22 23

Art. 475i Rv. Dit op grond van art. 25 jo. art. 28 Algemene Bankvoorwaarden 2017. Ook deze overeengekomen bevoegdheid kan de beslaglegger worden tegengeworpen. HR 20 januari 1984, NJ 1984/512. Ook hier dient te worden gewezen op de ruimer overeengekomen verrekeningsbevoegdheid in art. 25 Algemene Bankvoorwaarden 2017. Art. 6:127 lid 1 BW stelt immers dat pas dan de beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijke beloop tenietgaan. Dit blijkt uit de daadwerkelijke mutatie in het door de schuldenaar bij de bank aangehouden saldo.

119


Bestaansminimum en bankbeslag

Het mag niet onopgemerkt blijven dat de bevoegdheid van de bank om tot soms vergaande verrekening over te gaan, in mindere mate een factor van belang is voor de executant wanneer die executant de overheid is die ten behoeve van haar eigen vorderingen executeert. Volgens zowel artikel 19 lid 4 IW 1990 als in de artikelen 576 lid 4 Sv en 27 lid 4 WAHV is het de bank immers niet toegestaan om zich ten nadele van de executant op verrekening te beroepen wanneer krachtens die artikelen, al dan niet middels het instrument van de overheidsvordering, verhaal wordt genomen op bijvoorbeeld de bankrekening van de schuldenaar.24 In die gevallen prevaleren de belangen van de schuldeiser dus boven het verrekeningsrecht van de derde. Afgevraagd kan worden waarom deze belangen anders moeten worden gewogen wanneer tenuitvoerlegging plaatsvindt met toepassing van de voorschriften van het Rv. Voor zover verrekeningen door de bank zien op de kosten die in verband met een gelegd derdenbeslag worden gemaakt, zal het feitelijke belang daarvan afnemen wanneer de kosten drastisch afnemen doordat het aantal nodeloos gelegde beslagen kan worden teruggebracht en de afwikkeling van de gelegde beslagen verder wordt gedigitaliseerd. 3.2.1.8 Retournering verklaring derdenbeslag en verdere afwikkeling De ingevulde verklaring derdenbeslag wordt in beginsel aan de beslagleggende deurwaarder geretourneerd.25 Deze verstuurt daarvan binnen drie dagen een kopie aan de geĂŤxecuteerde.26 Vervolgens wordt de bank verplicht om, tot aan het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, de volgens de verklaring verschuldigde resterende geldsommen af te dragen aan de gerechtsdeurwaarder.27 Afdracht zal pas volgen wanneer dat wordt verzocht.28 De retournering van het ingevulde en ondertekende verklaringsformulier geschiedt door overhandiging, verzending per post of telefax.29 In de gebruikmaking van de huidige digitale technieken is derhalve nog niet formeel voorzien.30 Nu de elektronische betekening van een derdenbeslag inmiddels mogelijk is gemaakt, ligt het voor de hand om ook de retournering van de verklaring derdenbeslag langs deze beveiligde verbinding open te stellen.31 3.2.1.9 Duur van de beslagprocedure Het volledig doorlopen van de beslagprocedure duurt relatief lang. Dat komt voornamelijk door de lange verklaringstermijn. De termijn van vier weken is ingegeven vanuit de gedachte dat aan de schuldenaar voldoende tijd gegund moet worden om zich tegen een gelegd beslag

24 25 26 27 28 29 30 31

Hier is derhalve geen sprake van een executoriaal derdenbeslag dat door een deurwaarder wordt gelegd. Art. 476b lid 1 Rv laat de mogelijkheid open om de verklaring aan de advocaat van de beslaglegger te sturen, wanneer die in het exploot van derdenbeslag is vermeld. Art. 476b lid 3 Rv. Art. 477 lid 1 en 2 Rv. De gerechtsdeurwaarder doet er verstandig aan om bij het afdrachtverzoek aan de bank te vragen of er nog cumulatief beslag is gelegd nadat de verklaring derdenbeslag werd geretourneerd. Art. 478 lid 3 Rv biedt die mogelijkheid. Art. 2 lid 1 Besluit verklaring derdenbeslag. Wel biedt art. 2 lid 1 sub d Besluit verklaring derdenbeslag een grond om een ander geschrift dan het van overheidswege vastgestelde formulier te aanvaarden. De ondertekening van de verklaring kan ook hier plaatsvinden door gebruik te maken van de elektronische handtekening als bedoeld in art. 3:15a BW.

120


3 Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag

te kunnen verweren.32 De huidige uitvoeringspraktijk leert echter dat schuldenaren, maar ook andere partijen, meer gebaat zijn bij een snelle afwikkeling van de gelegde beslagen. Nadat er beslag is gelegd, zal de schuldenaar daar snel bekend mee worden. Zelfs voordat het gelegde beslag aan hem wordt betekend, zal hij immers merken dat hij beperkt wordt in zijn mogelijkheden om betalingen te verrichten. Dikwijls leidt dat ertoe dat de schuldenaar contact opneemt met de betreffende bank of gerechtsdeurwaarder. Schuldenaren die zo snel mogelijk weer volledig over hun bankrekeningen willen beschikken, dringen vaak aan op een versnelde afwikkeling van het beslag, waarbij de bank derhalve binnen vier weken verklaart en afdraagt. Artikel 476a Rv biedt voldoende ruimte om daar uitvoering aan te geven. De langdurige blokkade van het door het beslag getroffen saldo werkt nadelig. Dat geldt voor bijvoorbeeld de houder van een zakelijke rekening wiens schuld vele malen lager is dan het ten tijde van het beslag bij de bank aangehouden saldo. Het geldt echter evenzeer voor de particuliere schuldenaar die bemerkt dat hij, door de blokkerende werking van het beslag, tijdelijk niet in staat is om betalingen te doen om in zijn minimale levensbehoefte te voorzien. Beiden hebben belang bij een snelle afronding. Het terugbrengen van de verklaringstermijn van de bank is aan te bevelen. Een snelle verklaring door de bank is van belang wanneer er een hoog bedrag is getroffen waarmee de schuld wellicht ruimschoots kan worden betaald, maar misschien nog meer wanneer er op het moment van beslaglegging slechts een gering bedrag bij de bank werd aangehouden. Wellicht zelfs een bedrag dat lager is dan de hoogte van de beslagvrije voet die voor de schuldenaar had gegolden wanneer er een beslag op een vordering als bedoeld in artikel 475c Rv was gelegd. Een kortere afwikkelingstermijn dan de huidige zal overigens een aanvullend positief bijeffect hebben, namelijk dat er minder snel sprake zal zijn van cumulatief beslag. Cumulatie heeft immers tot gevolg dat de gerechtsdeurwaarder die het oudste executoriale beslag heeft gelegd tot verdeling als bedoeld in artikel 478 lid 1 Rv dient over te gaan, hetgeen een complicerende factor in de afwikkeling van de gelegde beslagen is. 3.2.1.10

Processuele (on)mogelijkheden bij gedeeltelijk opheffingsverzoek ten behoeve van bestaansminimum schuldenaar Wanneer de schuldenaar een natuurlijke persoon is, kan het leggen van een bankbeslag resulteren in een (gedeeltelijk) opheffingsverzoek. Dit omdat de schuldenaar stelt dat door het gelegde beslag feitelijk de aan hem toekomende beslagvrije voet wordt getroffen, dan wel

32

Kamerstukken II 1980/81, 16593, 3, p. 53.

121


Bestaansminimum en bankbeslag

dat andere op de bankrekening gestorte bedragen worden getroffen, die bedoeld zijn om de schuldenaar in zijn minimale levensbehoeften te laten voorzien.33 Voor de gerechtsdeurwaarder levert dit een dilemma op. De wetgever heeft aan een bankbeslag immers geen beslagvrije voet toegekend en het is voor de gerechtsdeurwaarder niet mogelijk om tegen de wil van de crediteur inbreuk te maken op diens verhaalsmogelijkheden zonder dat daarvoor een juridische verplichting bestaat. Tot op heden heeft de wetgever zich nog niet uitgesproken over de grenzen die aan een beslag op bankrekeningen gesteld zouden moeten worden. Ook in de jurisprudentie is nog geen eenduidig antwoord geformuleerd. Desalniettemin zal de gerechtsdeurwaarder zijn positie op dit moment moeten bepalen aan de hand van die jurisprudentie en de algemene wetenschap dat zijn bevoegdheid daar ophoudt waar misbruik van executierecht begint. Het is aan te bevelen dat de wetgever hier nadere kaders schept. 3.2.1.11 Afronding De in deze paragraaf beschreven belemmeringen bij een soepele afwikkeling van het bankbeslag verduidelijken de essentie van de onvolkomenheden in de huidige regeling. Aan de hand van de hiernavolgende enquêteresultaten zal worden geïllustreerd hoe die onvolkomenheden in de praktijk uitwerken. 3.2.2

Gerechtsdeurwaarders aan het woord

3.2.2.1 Inleiding Het bankbeslag wordt in dit preadvies van diverse kanten belicht. Naast de omschrijving van praktische en juridische knelpunten en de schets van de politieke, maatschappelijke en internationale context, mag één aspect niet onbesproken blijven. En dat is hoe gerechtsdeurwaarders zelf met het bankbeslag en de eventuele toepassing van de beslagvrije voet omgaan. Het zijn immers de leden van de beroepsgroep die, telkens weer, in de praktijk van alledag een weg moeten zien te vinden in de omgang met dit leerstuk. Hierbij zullen zij uitvoering moeten geven aan de opdracht waarvan de kaders hun door de wet zijn gegeven, maar zij hebben daarbij, zoals zal blijken, de ogen niet gesloten voor de maatschappelijke gevolgen die daaruit kunnen voortvloeien. In een poging om over de aard en omvang van dit spanningsveld representatieve gegevens te verkrijgen heeft de KBvG aan haar leden een vragenlijst voorgelegd. De lijst bevatte een aantal gesloten vragen, waarmee kwantitatieve gegevens werden verkregen over de prevalentie van het bankbeslag ten opzichte van het totaal aantal gelegde niet-periodieke derdenbeslagen, de frequentie waarmee om toepassing van een beslagvrije voet werd verzocht en hoe vaak vervolgens aan dat verzoek, zonder rechterlijke tussenkomst, tegemoet werd gekomen. In samenhang daarmee is aan de hand van open vragen onderzocht welke knelpunten zij daarbij ervaren en welke oplossingen zij voor die knelpunten eventueel voor ogen hebben. 33

Hierbij dient te worden gedacht aan inkomstencomponenten die zijn betrokken in de in art. 475da lid 2 Rv gecodificeerde formule.

122


3 Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag

De enquête is per kantoor verstrekt, waarbij van 28 kantoren een reactie is ontvangen. Aan deze kantoren zijn in totaal 506 leden van de KBvG verbonden, dit op een totaal van 826 KBvG-leden.34 Het aantal respondenten representeert daarmee ruim 60% van de beroepsgroep. Ook liet de kantooromvang35 van de respondenten een gelijkmatige spreiding zien over kleine, middelgrote en grote gerechtsdeurwaarderskantoren. Uit deze gegevens mag worden geconcludeerd dat de verkregen resultaten in belangrijke mate overeenkomen met de opvattingen van de beroepsgroep. 3.2.2.2 De uitkomsten van vraag 1 – Hoe vaak heeft uw kantoor in 2015 en 2016 niet-periodiek derdenbeslag gelegd? – Hoeveel van die beslagen heeft u gelegd onder een bank? – Wat is het gemiddelde bedrag dat u met een bankbeslag treft? Hoe vaak heeft uw kantoor in 2015 en 2016 niet-periodiek derdenbeslag gelegd? Het aantal door respondenten gelegde niet-periodieke derdenbeslagen ten laste van een natuurlijke persoon bedroeg in 2015 58.423. In 2016 werd in totaal 53.426 keer niet-periodiek derdenbeslag gelegd door dezelfde groep. Worden deze cijfers geëxtrapoleerd naar het totale aantal leden van de beroepsgroep, dan kan worden geconcludeerd dat in 2015 circa 97.000 keer niet-periodiek derdenbeslag is gelegd en in 2016 circa 89.000 keer.36 Hoeveel van die beslagen heeft u gelegd onder een bank? Het merendeel van deze niet-periodieke derdenbeslagen betrof een beslag op de bankrekening. Het aantal door de respondenten gelegde bankbeslagen bedroeg daarbij in 2015 53.435 en in 2016 werd door dezelfde kantoren 48.312 keer bankbeslag gelegd. Geëxtrapoleerd naar het totale aantal beroepsbeoefenaren zou het dan in 2015 om circa 90.000 bankbeslagen zijn gegaan en in 2016 om ongeveer 80.000 bankbeslagen.37 Wat is het gemiddelde bedrag dat u met een bankbeslag treft? Bij de vraag naar het gemiddelde bedrag dat werd getroffen, gaven respondenten veelal aan daarvan geen exacte cijfers bij te houden, en (1) dat de aangegeven bedragen erg uiteen kunnen liggen, en voorts (2) dat de aangegeven gemiddelden bovendien grotendeels schattenderwijs tot stand zijn gekomen. Met al deze voorbehouden zou het om een gemiddeld bedrag van circa € 900 per bankbeslag gaan. In de meeste gevallen zijn echter slechts enkele honderden euro’s op de getroffen bankrekening aanwezig.

34 35 36

37

Stand per 4 december 2017; alle Nederlandse gerechtsdeurwaarders zijn verplicht aangesloten bij de KBvG. Gemeten in het aantal aan dat kantoor verbonden KBvG-leden. Deze terugloop in het aantal niet-periodieke derdenbeslagen is in lijn met de terugloop in het aantal uitgebrachte dagvaardingen en de daaropvolgende betekening van vonnissen. Zie voor de precieze aantallen de jaarlijks door de Raad voor de rechtspraak en het WODC gepubliceerde tabellen Rechtspleging Civiel en Bestuur, te raadplegen via: www.wodc.nl/cijfers-en-prognoses/rechtspleging-civiel-en-bestuur/. NB Deze cijfers betreffen het totaal aantal bankbeslagen, dus beslagen die zowel ten laste van natuurlijke als ten laste van rechtspersonen zijn gelegd.

123


Bestaansminimum en bankbeslag

3.2.2.3 De uitkomsten van vraag 2 – Wat zijn voor u de redenen om bankbeslag te leggen (los van het krijgen van een directe opdracht tot het leggen van dat specifieke beslag) en wat is het kantoorbeleid op dat punt? – Hoe vaak (in 2015 en 2016) hebben schuldenaren aangegeven dat zij door een bankbeslag te weinig geld overhielden en/of een beroep gedaan op de beslagvrije voet? – Hoe vaak (over dezelfde periodes) zijn deze verzoeken gehonoreerd en is het geïnde bedrag geheel of gedeeltelijk terugbetaald? – Wat zijn de redenen dat u een verzoek om toepassing van de beslagvrije voet wel/niet honoreert en onder welke voorwaarden? Wat zijn voor u de redenen om bankbeslag te leggen (los van het krijgen van een directe opdracht tot het leggen van dat specifieke beslag) en wat is het kantoorbeleid op dat punt? De redenen om bankbeslag te leggen kunnen divers zijn en gelet op het totale aantal bankbeslagen dat jaarlijks wordt gelegd, kan worden vermoed dat per kantoor, en ook per beslag, steeds wisselende overwegingen een rol zullen spelen. De meest genoemde reden om bankbeslag te leggen is de omstandigheid dat de bankrelatie of het bankrekeningnummer bij het kantoor bekend is. Twaalf kantoren rapporteerden dit als een belangrijke reden om verhaal te zoeken op de bankrekening van geëxecuteerde. Eveneens een belangrijke factor in het aanwijzen van de bankrekening als verhaalsobject is de omstandigheid dat geëxecuteerde een rechtspersoon betreft, waardoor in ieder geval geen beslagvrije voet van toepassing is. Negen kantoren gaven dit aan als belangrijke reden om een bankbeslag te leggen. Het ontbreken van andere mogelijkheden tot verhaal kan een reden zijn om bankbeslag te leggen. Zo gaven tien kantoren aan dat de situatie waarin geen voor beslag vatbare periodieke inkomsten bekend zijn, aanleiding vormde om beslag op de bankrekening te leggen. Acht kantoren noemden het gegeven dat andere verhaalsmogelijkheden ontbreken, maar dat bijkomende specifieke omstandigheden doen vermoeden dat er wel banksaldo aanwezig is. Hierbij kan worden gedacht aan een recent ontvangen erfenis of verkocht huis. Een viertal kantoren gaf aan terughoudend te zijn met het leggen van een bankbeslag bij natuurlijke personen, vijf kantoren noemden daarbij nadrukkelijk het bankbeslag niet in te zetten ter ondermijning van een reeds vastgestelde beslagvrije voet bij een beslag op periodieke inkomsten ten laste van dezelfde schuldenaar. Eén kantoor hanteerde daarbij het beleid beslag te leggen op een willekeurige datum, dus niet noodzakelijkerwijs de dag na de storting van de periodieke inkomsten. Een ander kantoor gaf aan nagenoeg geen bankbeslag in te zetten bij vorderingen die onderdeel uitmaken van bulkportefeuilles, omdat de ervaring leert dat de schuldenaren van deze vorderingen doorgaans meerdere schulden hebben, en bijgevolg vaak ook een negatief banksaldo. Ook de context weegt mee bij de overweging bankbeslag te leggen. Eén kantoor voerde het beleid bankbeslag te leggen af hankelijk van en in samenhang met de resultaten van overige verhaalsacties. Ook gaf één kantoor aan bankbeslag te leggen en onderwijl onderzoek te

124


3 Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag

verrichten naar overige beslagmogelijkheden. Een ander kantoor lichtte toe bankbeslag te leggen indien het vermoeden bestaat dat een aanzienlijk banksaldo aanwezig is. Hoe vaak hebben schuldenaren aangegeven dat zij door een bankbeslag te weinig geld overhielden en/of een beroep gedaan op de beslagvrije voet? In 2015 werd door gemiddeld 8,2% van de schuldenaren een beroep gedaan op de beslagvrije voet, voor 2016 bedroeg dat gemiddelde 8,1%. Hoe vaak (over dezelfde periodes) zijn deze verzoeken gehonoreerd en is het geïnde bedrag geheel of gedeeltelijk terugbetaald? Over beide jaren bedroeg het percentage gevallen waarin uiteindelijk (een gedeelte van) het getroffen saldo werd terugbetaald, 43%. Wat zijn de redenen dat u een verzoek om toepassing van de beslagvrije voet wel/niet honoreert en onder welke voorwaarden? Tien kantoren gaven aan het beroep op de beslagvrije voet te honoreren indien de schuldenaar meldt dat ten gevolge van het bankbeslag een financiële noodsituatie ontstaat, er sprake is van aantasting van de beslagvrije voet, dan wel dat de schuldenaar niet beschikt over ander vermogen dan het getroffen saldo. Acht kantoren kenden daarbij doorslaggevend belang toe aan de omstandigheid dat reeds inkomensbeslag is gelegd en het getroffen saldo vervolgens slechts uit inkomen bestaat. Acht kantoren stelden als (aanvullende) voorwaarde dat het verzoek wordt onderbouwd met de nodige bewijzen. Eén kantoor paste de beslagvrije voet toe indien er nog vaste lasten betaald moeten worden. Drie kantoren hanteerden als voorwaarde dat de opdrachtgever akkoord gaat met de terugstorting van de beslagvrije voet. Twee kantoren gaven daarbij aan dit akkoord van de schuldeiser slechts als voorwaarde te hanteren indien sprake is van een rechtspersoon. Vier kantoren gaven aan het onderzoek naar de feiten en omstandigheden vanuit het oogpunt van kostenbesparing geheel achterwege te laten en de beslagvrije voet altijd toe te passen indien daarom wordt verzocht, tenzij er sprake is van een rechtspersoon. Eén kantoor gaf aan de beslagvrije voet slechts toe te kennen indien deze van toepassing wordt verklaard in een opheffingskortgeding. Ook werd door twee kantoren genoemd: indien een voorheen niet-aanspreekbare schuldenaar door het bankbeslag wel tot afspraken te bewegen is of inzage geeft in de vermogenspositie. Eén kantoor geeft aan de beslissing af hankelijk te maken van de dossiergeschiedenis en betalingshistorie. Eén kantoor honoreert het verzoek om toepassing van de beslagvrije voet niet indien blijkt dat de schuldenaar valse of onvolledige informatie geeft. Een ander kantoor ziet geen aanleiding voor het toepassen van een beslagvrije voet indien de vaste lasten al betaald zijn.

125


Bestaansminimum en bankbeslag

Eén kantoor lichtte toe dat het de hoogte van de toe te passen beslagvrije voet bepaalde volgens de methode van vaststelling van de beslagvrije voet bij een beslag op periodieke inkomsten, waarbij de afgeschreven bedragen van de voor de lopende periode reeds voldane lasten werden afgetrokken van de aldus vastgestelde beslagvrije voet. 3.2.2.4 De uitkomsten van vraag 3 – Welke knelpunten ondervindt u in de praktijk bij het leggen van bankbeslag? – Hoe zouden die knelpunten volgens u kunnen worden ondervangen? Welke knelpunten ondervindt u in de praktijk bij het leggen van bankbeslag? De helft van de respondenten miste een mogelijkheid tot inzage in gegevens waaruit kan worden afgeleid waar de schuldenaar bankiert. Sommige kantoren gaven aan hinder te ondervinden van de combinatie enerzijds niet te weten waar de schuldenaar bankiert, en anderzijds de beperkingen die in de jurisprudentie zijn gesteld aan het zogenaamde multibankbeslag.38 Drie kantoren gaven daarbij aan dat een gebrek aan inzicht het lastig maakt een kosten-batenanalyse te maken van een te leggen bankbeslag. Twee respondenten hekelden de onnodige kosten die worden gemaakt voor het leggen van beslag bij de verkeerde bank. Problematisch werd ook ervaren dat het niet feitelijk is vast te stellen of men in een bepaalde situatie wel of niet een beslagvrije voet zou moeten toepassen. Dit punt werd door twee kantoren benoemd. Vier kantoren hebben moeite met de kosten die banken richting schuldenaren in rekening brengen bij het leggen van een beslag. De interne logistiek van de bank, waardoor belemmeringen in tijd en plaats gelden, werd door twee kantoren als knellend ervaren. Eén kantoor vindt het storend als een bank een beroep doet op bijvoorbeeld verrekening van een hypothecaire geldlening met een rekening-courant, zonder vervolgens daadwerkelijk tot verrekening over te gaan. Een ander kantoor noemde de te late melding van de bank in het geval er cumulatief beslag is gelegd. Ook de eerdergenoemde termijn van de derdenverklaring werd door vier kantoren genoemd. Twee kantoren benoemden meer algemeen de termijn waarop de schuldenaar weer over het saldo kan beschikken na beslag. Eén kantoor ten slotte ondervond hinder van de negatieve publiciteit ten gevolge van de wijze van toepassing van bankbeslag door andere deurwaarderskantoren. Hoe zouden die knelpunten volgens u kunnen worden ondervangen? Elf respondenten denken dat veel van de hierboven genoemde problemen zouden zijn op te lossen door het inrichten van een bankregister. Eén kantoor noemde als daarbij te hanteren methode het kunnen leggen van multibankbeslag onder alle banken in één handeling, met ook maar één keer kosten voor de debiteur.

38

Zie o.a. Hof ’s-Hertogenbosch 9 april 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ7408; Hof Amsterdam 28 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3081.

126


3 Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag

Eén kantoor pleitte voor een kortere termijn van de derdenverklaring, waar een ander kantoor graag een snellere (digitale) communicatiemogelijkheid met banken in het algemeen zag. Ook werd door één kantoor genoemd dat het goed zou zijn indien betere afspraken met banken zouden worden gemaakt over de te volgen procedures, en welke kosten daaraan verbonden mogen zijn. Vier kantoren noemden expliciet dat de beslagvrijevoetregeling zou moeten worden aangepast, zodat simpel en eenduidig kan worden vastgesteld óf een beslagvrije voet, en zo ja welke, van toepassing is bij een bankbeslag. Ook het opleggen van een verplichting aan de bank om de eerste beslaglegger op de hoogte te stellen van opvolgend beslag werd door één kantoor genoemd.39 3.2.3 Tussenbalans I Een van de eerste en duidelijkste knelpunten die zich voordoen bij het leggen van een bankbeslag, is een onduidelijke informatieplicht van de geëxecuteerde en de derde, in combinatie met een gebrek aan daartegenover staande bevoegdheden voor de gerechtsdeurwaarder. Alvorens beslag te kunnen leggen, dient de deurwaarder een gerechtvaardigd vermoeden aangaande een bestaande bankrelatie te hebben, waarbij hij meestal af hankelijk is van een zekere wetenschap daaromtrent bij zijn opdrachtgever, of van kennis die hij heeft vanwege betalingen uit bijvoorbeeld een eerdere betalingsregeling met de schuldenaar. Veel gerechtsdeurwaarders leggen om die reden alleen dan beslag onder de bank, indien zij bekend zijn met een bankrekeningnummer van de betreffende schuldenaar. Als problematisch wordt genoemd dat het gebrek aan wetenschap en inzage ertoe leidt dat het onmogelijk is om op voorhand vast te stellen of het bestaansminimum zal worden getroffen door het leggen van het beslag. Het voorgaande maakt dat het gebrek aan informatie als een moeizaam aspect wordt gezien, vooral ook met het oog op het respecteren van het bestaansminimum. Een ander punt van zorg in dit kader is de late wetenschap omtrent het effect van het beslag. Nu een bevragingsmogelijkheid vooraf ontbreekt, wordt soms pas in een laat stadium bekend of er überhaupt sprake is van een rechtsverhouding tussen de schuldenaar en de betreffende bank. De belangrijkste oorzaak hiervoor is de lange verklaringstermijn, die – indien het beslag wel doel treft – de duur van de beslagperiode voor een (te) lange periode oprekt. De langdurige blokkade van de bankrekening die hier het gevolg van is, kan knellende situaties doen ontstaan. Ook de kosten die de bank verrekent voor de afwikkeling van het beslag, worden als aan de hoge kant ervaren. De toepassing van een eventuele beslagvrije voet bij een gedeeltelijk opheffingsverzoek door de geëxecuteerde is niet eenvoudig, nu de wet geen beslagvrije voet bij een niet-periodiek derdenbeslag kent, de jurisprudentie niet eenduidig is en in beginsel de instemming van de 39

Op grond van art. 478 lid 3 Rv bestaat die verplichting reeds ‘desgevraagd’.

127


Bestaansminimum en bankbeslag

crediteur noodzakelijk is, vooraleer een inbreuk op diens verhaalsrecht kan worden gemaakt. Gerechtsdeurwaarders hanteren in voorkomend geval vooral maatstaven als een (bewijsbare) noodsituatie, het gegeven dat er geen andere bankrekening met een positief saldo ter beschikking staat van de schuldenaar, of dat er reeds een derdenbeslag op een periodieke inkomstenbron ligt en het getroffen saldo slechts bestaat uit inkomen. Maar de afwezigheid van een wettelijke regeling maakt dat een en ander met de nodige terughoudendheid wordt uitgevoerd. 3.3

Bespreking rechtspraak en tuchtrechtspraak

3.3.1 Inleiding Zoals reeds aan de orde kwam in paragraaf 1.4.4, is de rechtspraak verdeeld over de beantwoording van de vraag of de aan een periodieke inkomstenbron verbonden beslagbeperking doorwerkt indien het bedrag van de daaruit voortvloeiende vordering wordt getroffen door een nadien gelegd bankbeslag. In de rechtspraak is bij de beoordeling van het vraagstuk of een beslagvrij bedrag c.q. beslagvrije voet bij een bankbeslag dient te worden aangehouden, in de loop van de tijd een aantal criteria geformuleerd, waarvan de toepassing vervolgens een casuïstisch en wisselend verloop kent. Dit verloop wordt in deze paragraaf besproken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de civiele rechtspraak en de tuchtrechtspraak. Het doel van deze paragraaf is om vast te stellen welke factoren eraan hebben bijgedragen dat een beslagvrije voet bij een bankbeslag ook in de rechtspraak niet éénduidig wordt toegepast. De jurisprudentie aangaande de mogelijkheid om beslag op kredietruimte te leggen wordt hierbij buiten beschouwing gelaten, nu die al aan de orde is gesteld in het eerste hoofdstuk en in paragraaf 2.3 van dit preadvies. 3.3.2 Rechtspraak In oudere rechtspraak 40 wordt geoordeeld dat bij vorderingen waarop geen beslag mogelijk is, zoals kinderbijslag en destijds een WAO- en Abw-uitkering, beslag op een bankrekening wel is toegestaan omdat de gelden ter vrije beschikking hebben gestaan van de beslagene. Het begrip ter beschikking staan van de beslagene wordt in latere jurisprudentie nader ingevuld. Zo diende de Rechtbank Zwolle in 1987 te oordelen over een geval waarin de gemeente beslag had gelegd op de bankrekening waarop zij zelf kort daarvoor de bijstandsuitkering, die niet voor beslag vatbaar was, had uitbetaald. De rechter oordeelde dat de gemeente daarmee een verhaalsmogelijkheid had gecreëerd en dat “die beslaglegging als onrechtmatig moest worden gekwalificeerd”. 41

40 Bijv. Hof Den Haag 19 april 1973, ECLI:NL:GHSGR:1973:AB5282. 41 Rb. Zwolle 7 augustus 1987, JABW 187/304, r.o. 4.6.

128


3 Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag

De president van de Rechtbank Dordrecht bepaalde in 1991 42 dat nu er beslag was gelegd op een bankrekening waarop de kinderbijslag identificeerbaar aanwezig was “zonder dat betrokkene in de gelegenheid is geweest om over de kinderbijslag te beschikken”, dit beslag vexatoir was. In 1998 oordeelde de Rechtbank Arnhem 43 dat het beslagverbod van artikel 23 AKW weliswaar niet meebrengt dat beslag op een bankrekening niet mogelijk is, maar soms toch ontoelaatbaar is. Het omslagpunt ligt volgens de rechter daar waar door summier en eenvoudig onderzoek aanstonds onomstotelijk komt vast te staan dat de kinderbijslag zich op het moment van beslaglegging nog op die rekening bevindt zonder dat de gerechtigde daarover heeft beschikt. Dat zal zich, aldus de rechter, doorgaans slechts voordoen indien daarbij blijkt dat tussen het moment van de storting van de kinderbijslag en het moment van beslaglegging op de desbetreffende rekening zich geen relevante mutaties hebben voorgedaan. 44 Met het zogenaamde Kinderbijslag-arrest van de Hoge Raad in 1999, waarin hij oordeelde dat het beslagverbod eindigt op het moment van storting op de rekening, leek het einde van de discussie te zijn bereikt. 45 De Hoge Raad verwoordde het als volgt: “Het oordeel van de Rechtbank moet aldus worden begrepen dat artikel 23 lid 1 onder c AKW slechts betrekking heeft op de vordering van degene die tot de kinderbijslag is gerechtigd, op de SVB, en niet op de bedragen die de SVB op de bankrekening van de gerechtigde, of, zoals hier, van een derde heeft doen bijschrijven. Dat oordeel is juist.”46

Broekveldt stelde in 2014 tijdens de presentatie van het preadvies van de KBvG Naar een nieuwe beslagvrije voet. Vereenvoudiging in een tweetrapsraket47 over het arrest van de Hoge Raad dat daarmee “het pleit definitief [is] beslecht ten nadele van degenen die menen dat de bescherming, die de beslagvrije voet de gerechtigde tot de vordering waaraan die is verbonden, beoogt te bieden in stand blijft en werkt, ook als het met die vordering gemoeide bedrag is bijgeschreven op de eigen bankrekening van de gerechtigde”.

Een andere opvatting zou naar de mening van Broekveldt, gelet op de wijze waarop ons betalingsverkeer verloopt en het systeem van het derdenbeslagrecht, tot mogelijk niet goed op te lossen problemen leiden. 48 42 Rb. Dordrecht (pres.) 24 juli 1991, KG 1991/289. 43 Rb. Arnhem 10 september 1998, NJK 1998/79. 44 De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft in 2013 ook de tijd om te kunnen beschikken over de op de bankrekening gestorte zorgtoeslag bij zijn oordeel betrokken. Rb. Midden-Nederland (vzr.) 16 mei 2013, zaak 342616/KL ZA 13-168 (niet gepubliceerd). 45 HR 21 mei 1999, NJ 2001/630 (Bahceci/Van der Zwan q.q.). 46 HR 21 mei 1999, NJ 2001/630 (Bahceci/Van der Zwan q.q.), r.o. 3.3. 47 J. Rijsdijk, O.M. Jans & J. Feikema (red.), Naar een nieuwe beslagvrije voet. Vereenvoudiging in een tweetrapsraket, 2014. 48 L.P. Broekveldt, in: J. Rijsdijk, Het preadvies gepresenteerd: een boeiende middag samengevat, de Gerechtsdeurwaarder 2014-3, p. 17.

129


Bestaansminimum en bankbeslag

In tegenstelling tot de stelling van Broekveldt was met het arrest van de Hoge Raad het pleit echter niet beslecht. Zo oordeelde de Rechtbank Rotterdam al in 200049 dat er weliswaar geen beslagvrije voet gold bij het beslag op de bankrekening en dat het beslag rechtmatig was gelegd, maar omdat het saldo vrijwel geheel bestond uit de beslagvrije voet van de WAOuitkering en de beslagene voor zijn levensonderhoud op dit bedrag was aangewezen, de minimumbestaansgrondslag van de beslagene door het beslag werd aangetast. In dergelijke gevallen is, naar het oordeel van de rechter, een beslag in beginsel vexatoir.50 De rechter vervolgt: “[S]lechts in bijzondere omstandigheden ligt dit anders, maar van zulke omstandigheden is in deze zaak geen sprake.”51 De rechtspraak bleef echter wisselend. De Rechtbank Arnhem oordeelde in 200752 in overeenstemming met de in het arrest van de Hoge Raad uitgezette lijn. Het saldo op de bankrekening was volgens de rechtbank in zijn geheel vatbaar voor beslag en werd niet getroffen door het beslagverbod van artikel 475b e.v. Rv. Het betrof volgens de rechtbank “niet langer (...) de vordering van de beslagene op zijn werkgever (...), doch een vordering van de beslagene op de bank tot uitkering van het daar op zijn rekening aanwezige saldo”. Het Hof Amsterdam stelde later dat jaar53 daarentegen weer dat in een geval waarin ook beslag was gelegd onder de werkgever, een beslag op een bankrekening onder omstandigheden vexatoir kan zijn. Daarvan zou naar het oordeel van het hof sprake kunnen zijn wanneer op de desbetreffende bankrekeningen geen andere gelden dan uit hoofde van de uitkering aanwezig zijn of ontvangen worden, zodat de beslagene “als gevolg van het beslag niet meer in staat zou zijn in zijn primaire levensonderhoud te voorzien”. Het is, volgens het hof, aan de beslagene om dergelijke omstandigheden en daarmee het vexatoire karakter van dit beslag aannemelijk te maken. In casu oordeelde het hof dat, omdat er andere bijschrijvingen waren op de bankrekening, het beslag in dit geval niet vexatoir was. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Zwolle-Lelystad54 oordeelde een paar maanden later weer dat er slechts een beslagvrije voet geldt ten aanzien van periodieke betalingen, en omdat een bankrekening dan wel het saldo van een bankrekening geen periodieke betaling is, de beslaglegger “dus terecht geen beslagvrije voet [heeft] verbonden aan het op 26 september 2007 gelegde derdenbeslag”.

49 50

51 52 53 54

Rb. Rotterdam 26 oktober 2000, zaak 45328/KG ZA 00-1391 (niet gepubliceerd). Zie schuldinfo.nl/cms/fileadmin/ Rechtspraak/Rb_Rotterdam_26_oktober_2000.pdf. De Hoge Raad oordeelde in 1995 dat de beantwoording van de vraag of het leggen van een conservatoir beslag als vexatoir en daarom onrechtmatig moet worden aangemerkt, in beginsel moet worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op een van die goederen in zijn belangen wordt getroffen; HR 24 november 1995, NJ 1996/161 (Tromp/Regency). Rb. Rotterdam 26 oktober 2000, zaak 45328/KG ZA 00-1391 (niet gepubliceerd), r.o. 4.4. Zie schuldinfo.nl/cms/ fileadmin/Rechtspraak/Rb_Rotterdam_26_oktober_2000.pdf. Rb. Arnhem (vzr.) 13 maart 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BA2040, r.o. 4.3. Hof Amsterdam 24 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB3135, r.o. 4.6. Rb. Zwolle-Lelystad 24 oktober 2007, ECLI:NL:RBZLY:2007:BB9417, r.o. 4.3.

130


3 Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag

In 2008 oordeelde de kantonrechter in ’s-Hertogenbosch55 in een geval waarin beslag op zowel de AOW-uitkering als de bankrekening van de schuldenaar was gelegd, dat er in zo’n geval sprake kan zijn van misbruik van recht. Daarvan zal met name sprake zijn, aldus de kantonrechter, indien de uitkering voor de schuldenaar de enige bron is waaruit hij kan putten om in zijn elementaire levensbehoeften te voorzien en de schuldeiser dit ook weet of moet vermoeden. Het ligt volgens de kantonrechter op de weg van de beslagene om afwezigheid van andere inkomsten en spaartegoeden aannemelijk te maken, omdat niet “zonder meer [valt] uit te sluiten dat eisers meer of andere, al dan niet regelmatige inkomsten genieten noch dat zij nog over enig vermogen beschikken”. De Rechtbank Amsterdam diende in 200956 te beslissen over een situatie waarin de inkomsten van de beslagene gewoonlijk onder de beslagvrije voet lagen, hetgeen in de maand waarin het beslag op de bankrekening werd gelegd in verband met een eenmalige uitkering niet het geval was. De rechtbank oordeelde dat de wet aan een dergelijk beslag geen beslagvrije voet verbindt, maar dat dit niet betekent dat “de schuldeiser zich geen rekenschap hoeft te geven van de omstandigheid dat met dat beslag juist dat inkomen, onderscheidenlijk het gedeelte daarvan wordt geblokkeerd, dat de schuldenaar nodig heeft voor de noodzakelijke kosten van zijn bestaan”. Door hiermee geen rekening te houden handelt de beslaglegger naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig jegens de beslagene. Naar de mening van de rechtbank zou bij een andersluidend oordeel de bescherming die de beslagene op grond van de artikelen 475b t/m 475g Rv toekomt illusoir worden, “hetgeen tot maatschappelijk onaanvaardbare consequenties zou leiden”. Het beslag werd vervolgens opgeheven voor zover het door het beslag getroffen banksaldo de voor de beslagene geldende beslagvrije voet te boven ging. Ook de kantonrechter in ’s-Hertogenbosch57 vond in een geval dat in 2009 aan hem werd voorgelegd, dat een beslaglegger onrechtmatig handelde. Hij oordeelde daarbij dat het leggen van een onbeperkt beslag voor een kleine vordering in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De beslaglegger had naar zijn oordeel en onder verwijzing naar de Hoge Raad58 “de mogelijkheid het bedrag waarvoor zij beslag legde te beperken”, en had dit gezien het zeer beperkte bedrag van haar vordering ook moeten doen. Dat zo’n beperking ook risico’s meebrengt omdat later met de aanspraken van derden rekening moet worden gehouden, liet de kantonrechter echter gemakshalve buiten beschouwing. Na zo’n beperking dient immers in geval van een nieuw beslag het beperkte bedrag te worden

55 56 57 58

Rb. ’s-Hertogenbosch (ktr.) 10 april 2008, ECLI:NL:RBSHE:2008:BC9363. Rb. Amsterdam 16 november 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BK3544, r.o. 4.6. Rb. ’s-Hertogenbosch 24 december 2009, ECLI:NL:RBSHE:2009:BK8209. HR 29 november 1974, NJ 1975/426. De Hoge Raad bepaalde in dit arrest dat de beslaglegger de omvang van een derdenbeslag kan beperken en de bank in dat geval geen risico loopt om te worden aangesproken door opvolgende beslagleggers.

131


Bestaansminimum en bankbeslag

verdeeld door de beslagleggers. Als dit tweede beslag is gelegd voor een preferente vordering, resteert er zelfs niets voor de eerste beslaglegger.59 Het beslag op een bankrekening waarover de voorzieningenrechter van de Rechtbank Assen in 201060 in kort geding diende te oordelen, werd ook onrechtmatig geacht. De beslaglegger frustreerde volgens de voorzieningenrechter met het beslag “feitelijk de bescherming die de beslagene toekomt in haar inkomen en (...) de waarborg dat zij tenminste over het inkomen de beschikking heeft dat volgens de beslagvrije voet nodig is om in de noodzakelijke kosten van haar bestaan te kunnen voorzien (...)”. Uit de uitspraak blijkt dat een belangrijke reden voor dit oordeel was dat de beslaglegger in dit geval het beslag had gelegd op de dag dat de uitkering op de rekening werd bijgeschreven. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Haarlem volgde in 201161 in een soortgelijke zaak als in 2007 voor het Gerechtshof Amsterdam was behandeld, de redenering van dat hof,62 en stelde: “indien komt vast te staan dat de rekening van beslagene door geen andere bron dan de AOWuitkering gevoed wordt, dan zou de bescherming die de beslagene op grond van de artikelen 475b-475g Rv toekomt illusoir worden, hetgeen tot maatschappelijk onaanvaardbare consequenties zou leiden”.

De voorzieningenrechter stelde vervolgens vast dat in dit geval hiervan geen sprake was, omdat de rekening van de beslagene ook vanuit andere bronnen gevoed werd en er bedragen binnengekomen waren waarvan het totaal het tegoed waarop beslag was gelegd ruim overschreed. In een geval waarin conservatoire bankbeslagen waren gelegd, heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag in 201163 de gelegde beslagen niet opgeheven op grond van de afweging van de belangen van de werkgever als beslaglegger en de werknemer als beslagene. Door de toezegging van de werkgever in die procedure dat hij de beslagene een bedrag ter grootte van de beslagvrije voet zou doen toekomen, viel volgens de rechter niet in te zien dat

Zie ook H.J. Snijders, M. Ynzonides en G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, p. 393. Als toelichting wordt het volgende voorbeeld gegeven: “Stel dat A voor een vordering van € 30.000 beslag legt onder C. B heeft een vordering op C van € 100.000, doch A beperkt zijn beslag onder C tot een bedrag van € 30.000. B kan derhalve de vrije € 70.000 cederen aan bijvoorbeeld Z. Doet B dit laatste en wordt vervolgens door schuldeiser D voor een vordering van € 60.000 cumulatief beslag gelegd ten laste van B onder C, dan kan dit beslag nog slechts gelegd worden op de resterende € 30.000. In dat geval moeten A en D pondspondsgewijs delen in de opbrengst van de resterende vordering van € 30.000. A krijgt dan slechts € 10.000, terwijl D € 20.000 krijgt. Had A zijn beslag op de volle € 100.000 gelegd, dan zou de vordering van A ad € 30.000 volledig uit de opbrengst voldaan kunnen worden. Uit de zowel door A als D getroffen resterende vordering van € 30.000 zou A dan wederom € 10.000 en D € 20.000 ontvangen. Aangezien de cessie van € 70.000 niet aan A kan worden tegengeworpen, kan A daarnaast aanspraak maken op betaling van de ontbrekende € 20.000.” 60 Rb. Assen (vzr.) 19 februari 2010, NJF 2010/136, r.o. 4.8. 61 Rb. Haarlem 18 maart 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ0131, r.o. 4.4. Ook in deze zaak was beslag op zowel de uitkering als de bankrekening gelegd. 62 Hof Amsterdam 24 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB3135. 63 Rb. Den Haag 16 mei 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ4730, r.o. 4.16. 59

132


3 Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag

de beslagene “onevenredig getroffen” werd door de gelegde beslagen. Door de toezegging van de werkgever had de beslagene feitelijk dus de bescherming van de beslagvrije voet. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo64 hief in 2012 een op de bankrekening van de beslagene gelegd beslag op en volgt de stelling van de beslagene dat het beslag “een doorkruising van de regeling van de beslagvrije voet” was, aangezien de rekening van de beslagene door geen andere bron dan de Wajong-uitkering en een periodieke betaling van de Belastingdienst voor de zorgtoeslag werd gevoed. In een zaak die in 2014 speelde voor de Rechtbank Amsterdam65 werd de vordering tot opheffing van een op de bankrekening gelegd beslag afgewezen, omdat er – kort voor de beslaglegging – een nabetaling was ontvangen in verband met toeslagen van het jaar daarvoor. Nu de beslagene ook ten tijde van het beslag nog toeslagen ontving en er geen omstandigheden waren gebleken waaruit volgde dat getracht is het beslagverbod van artikel 45 Awir te omzeilen, was volgens de rechter een buffer aan nabetaling van toeslagen niet nodig voor levensonderhoud. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant66 achtte een op een bankrekening gelegd beslag niet onrechtmatig, omdat er geen beslag was gelegd op de uitkering en de beslagene ook (beperkte) andere inkomsten had als zzp’er. Dat er beslag was gelegd op een beheerrekening, de beslagene was onder beschermingsbewind gesteld, maakte het volgens de voorzieningenrechter niet anders. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad67 oordeelde hij dat de beheerrekening geen afgescheiden vermogen vormt.

64 65 66 67

Rb. Almelo 16 december 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BY8634, r.o. 3.2 en 4.3. Rb. Amsterdam 24 juli 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6612. Rb. Oost-Brabant 11 september 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:5285. HR 13 juni 2003, NJ 2004/196, r.o. 3.3.4. De Hoge Raad overwoog daarin dat “aanvaarding van een kwaliteitsrekening [voor ProCall Factureerdiensten BV; JF, OJ & MC] betekent dat een uitzondering wordt gemaakt op het (...), in art. 3:276 (BW) verankerde, uitgangspunt dat een schuldenaar in beginsel met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schulden tegenover al zijn schuldeisers. Blijkens de bewoordingen en strekking van deze bepaling kan een uitzondering daarop slechts worden aanvaard als de wet anders bepaalt (...). Weliswaar heeft de Hoge Raad in zijn (Slis-Stroom-arrest) voor een specifiek geval een uitzondering op dit uitgangspunt aanvaard, maar met verdere uitbreiding daarvan dient terughoudendheid te worden betracht gezien de rechtszekerheid en de belangen van het financieringsverkeer (...). Dit klemt te meer gelet op het feit dat de wetgever op dit arrest inmiddels slechts voor een eveneens specifiek (...) geval heeft voortgebouwd (...). Dat specifieke geval is de generale kwaliteitsrekening, aan te houden door notarissen en gerechtsdeurwaarders. Bij het zetten van deze stap heeft de wetgever benadrukt dat voor het maken van een uitzondering als hiervoor goede gronden vereist zijn, welke in het geval van de notaris en gerechtsdeurwaarder gevonden kunnen worden in de bescherming van het publiek, dat erop mag vertrouwen en ook daadwerkelijk pleegt te vertrouwen dat zij als degene wier wettelijke taak in vele gevallen meebrengt dat hun door derden gelden worden toevertrouwd, deze gelden afgescheiden houden van hun eigen vermogen. In een, wat derdengelden betreft, vergelijkbare vertrouwenspositie verkeren ook de beroepsgroepen van advocaten en accountants. Overeenkomstige toepassing van de regeling opgenomen in art. 25 Wet op het Notarisambt en art. 19 Gerechtsdeurwaarderswet op de door advocaten en accountants met het oog op het ontvangen van voor derden bestemde gelden aangehouden rekeningen (...) is dan ook, als passend binnen het stelsel van de wet en aansluitend bij de wel in de wet geregelde gevallen, mogelijk.”

133


Bestaansminimum en bankbeslag

In hoger beroep oordeelde ook het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch68 in april 2015 dat een beslag op een beheerrekening niet onmogelijk is.69 Met betrekking tot de beslagvrije voet bij een bankbeslag oordeelde het hof als volgt: “(...) het systeem van de beslagvrije voet [wordt] op onaanvaardbare wijze doorbroken indien – zoals de beslaglegger kennelijk betoogt – de werking van de regeling eindigt zodra het beslagvrije bedrag uit het vermogen van de uitkerende instantie is geraakt door storting op een bankrekening ten name van de gerechtigde, zodat beslag wel mogelijk is op het saldo van de beslagvrije voet zodra dat saldo is bijgeschreven op de bankrekening van de schuldenaar. Aan het doel en de strekking van de beslagvrije voet wordt ernstig af breuk gedaan doordat door het beslag op die bankrekening geen geld meer ter beschikking is voor het levensonderhoud van de onderbewindgestelden. In dit verband is van belang dat voor beslag onder bijvoorbeeld de werkgever op loon of onder de uitkerende instantie op de uitkering een beslagvrije voet geldt, maar dat van die werkgever en instantie niet kan worden verlangd het beslagvrije gedeelte contant uit te keren. Er zal in de regel betaling via een bank worden gerealiseerd. Aan de toepassing van de regels van de beslagvrije voet moet derhalve deze uitleg worden gegeven dat een beslag onder de bank op de rekening van de gerechtigde niet zal beklijven voor zover daarop het beslagvrije gedeelte van de uitkering is gestort (in dezelfde zin Rb. Amsterdam 16 november 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009: BK3544 en Rb. Rotterdam 17 oktober 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:8478). Voor deze uitleg vindt het hof nog steun in artikel 475a lid 1 Rv waarin wordt bepaald dat het beslag zich niet uitstrekt tot vorderingen (of zaken) die volgens de wet niet voor beslag vatbaar zijn. Het beslagvrije deel van een WAO-uitkering is niet vatbaar voor beslag en wordt niet vatbaar voor beslag door storting op de bankrekening van de rechthebbenden. Het door de voorzieningenrechter genoemde arrest HR 21 mei 1999, NJ 2001/630 doet hier niet aan af.”70

Faber betwist in zijn noot onder dit arrest het standpunt van het hof met betrekking tot de beslagvrije voet bij een bankbeslag en stelt daartoe dat juist het “systeem van de beslagvrije voet” is dat een beslagvrije voet alleen geldt bij beslag op vorderingen tot periodieke betalingen van de in de wet genoemde inkomensbronnen. Dit brengt volgens Faber mee dat een beslagvrije voet alleen kan gelden indien beslag wordt gelegd onder de derde die het betreffende inkomen uitkeert. Faber stelt tevens in zijn noot dat de wetgever het nodig heeft gevonden de geëxecuteerde in dat geval te beschermen met een beslagvrije voet, omdat beslag ook kan worden gelegd op bestaande vorderingen tot periodieke betalingen en op toekomstige vorderingen die de geëxecuteerde uit een bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen (art. 475

68 Hof ’s-Hertogenbosch 21 april 2015 (Zuidema q.q./Hoist Kredit), JOR 2015/6, nr. 187. 69 Het hof overwoog daartoe in r.o. 3.7.1: “Deze opvatting van de bewindvoerster is in haar algemeenheid onjuist. Er bestaat geen rechtsregel die meebrengt dat een bewindvoerster (als bedoeld in Boek I BW) kan bewerkstelligen dat vermogen van de onderbewindgestelde aan verhaal wordt onttrokken door de bankrekening als een beheerrekening te kwalificeren. Een zodanige rekening is geen kwaliteitsrekening, noch een afgescheiden vermogen. Ook de enkele omstandigheid dat de bewindvoerster aan de beslaglegger heeft meegedeeld dat sprake is van een beheerrekening – met een vermogen ten behoeve van het levensonderhoud van de onderbewindgestelden – maakt handhaving en voortzetting van het beslag niet onrechtmatig: een schuldenaar staat in beginsel met zijn hele vermogen in voor betaling (tenzij en voor zover de wet anders bepaalt).” 70 Hof ’s-Hertogenbosch 21 april 2015 (Zuidema q.q./Hoist Kredit), JOR 2015/6, nr. 187, r.o. 3.7.3.

134


3 Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag

lid 1 Rv), en het beslag aldus eventueel tot in lengte van jaren elke maand doel kan treffen. Dit geldt niet bij een beslag op een bankrekening, ook niet als daarop (traceerbaar) periodieke betalingen zijn ontvangen waarop wel een beslagvrije voet van toepassing zou zijn geweest als daarop beslag zou zijn gelegd. Bij beslag op een bankrekening kan geen beslag worden gelegd op toekomstige bijschrijvingen, maar alleen op het actuele saldo. Bovendien wordt bij beslag op een bankrekening geen beslag gelegd op een vordering tot betaling van bijvoorbeeld ‘loon’ of ‘uitkering’, maar op een vordering tot betaling van een positief banksaldo. Het voorgaande brengt praktisch mee dat de geëxecuteerde de bescherming van een beslagvrije voet alleen geniet voor nog te ontvangen inkomen, niet voor reeds ontvangen inkomen, aldus Faber. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant 71 keerde zich enkele maanden later onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad72 en Faber in diens voormelde noot 73 tegen deze uitspraak van het hof en achtte het beslag onder de bank geen misbruik van executiebevoegdheid. Daartoe overwoog de voorzieningenrechter dat omdat er geen beslag onder de uitkerende instanties was gelegd, het niet van belang is dat met betrekking tot toeslagen, kindgebonden budget en kinderbijslag in de wet beslagverboden zijn opgenomen. Omdat alleen het actuele saldo door het beslag onder de bank wordt getroffen en een bankrekening niet als een periodieke uitkering kan worden gekwalificeerd, hoeft de beslaglegger geen rekening te houden met een beslagvrije voet, aldus de voorzieningenrechter. Het handhaven van een beslag op een bankrekening werd door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam74 weer wel beoordeeld als misbruik van bevoegdheid omdat het verzoek van de beslagene om een beslagvrije voet toe te passen niet was gehonoreerd. De voorzieningenrechter overwoog daarbij dat het aannemelijk was dat het geld op de spaarrekening van de beslagene de enige middelen van bestaan van beslagene en diens gezin vormde en dat dit geld de partner van de beslagene in staat stelde om een studie te volgen, hetgeen de voorzieningenrechter ook in het belang van de beslagene achtte, en om de kosten van levensonderhoud tijdens die studie te kunnen voldoen. Het beslag boven de beslagvrije voet werd opgeheven. In 2015 oordeelde de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland75 in soortgelijke bewoordingen als de Rechtbank Amsterdam dat in 200976 deed, en stelde dat hoewel de wet aan een beslag op een bankrekening geen beslagvrije voet verbindt, dat niet betekent dat de schuldeiser zich geen rekenschap hoeft te geven van de omstandigheid dat met het beslag juist dat inkomen wordt geblokkeerd dat de schuldenaar nodig heeft voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Uit de uitspraak blijkt dat de beslaglegger wist dat er sprake was van een echtpaar dat onder beschermingsbewind stond en dat een forse schuldenlast

71 72 73 74 75 76

Rb. Oost-Brabant 2 oktober 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:5743, r.o. 4.4. HR 21 mei 1999, NJ 2001/630 (Bahceci/Van der Zwan q.q.). Hof ’s-Hertogenbosch 21 april 2015, JOR 2015/87 (Zuidema q.q./Hoist Kredit), r.o. 4.4. Rb. Rotterdam 17 oktober 2014, JOR 2014/347, m.nt. A. Steneker, r.o. 4.4. Rb. Gelderland 31 juli 2015, zaak 4183162/VV EXPL 15-57 \ 493 \ 450 (niet gepubliceerd). Rb. Amsterdam 16 november 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BK3544.

135


Bestaansminimum en bankbeslag

had. Door onder deze omstandigheden geen rekening te houden met de beslagvrije voet maakte de beslaglegger volgens de voorzieningenrechter misbruik van recht en handelde hij onrechtmatig jegens de beslagenen. Het is niet zo dat elk beslag op een bankrekening leidt tot een (gedeeltelijke) opheffing. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam77 hief een beslag niet op omdat het beslag een saldo op een drietal spaarrekeningen had getroffen. Daarbij was de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers hun inkomen uit arbeid konden aanwenden voor de lopende verplichtingen, omdat daar geen beslag op lag. Of de betaalrekening een positief saldo had, blijkt niet uit de uitspraak. Voor de door de rechter gegeven bescherming maakt dat wel uit. Als dat niet het geval was en de inkomsten uit arbeid zouden pas geruime tijd na de beslaglegging worden bijgeschreven, zou de bescherming van het voorhanden moeten hebben van gelden om de lopende verplichtingen van te kunnen voldoen immers illusoir zijn. Of de door een beslag getroffen gelden nu op een spaarrekening of een betaalrekening staan, maakt voor de bescherming niet uit, er moeten ergens gelden voorhanden zijn. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland78 hief in oktober 2015 een door een onderwijsinstelling op een bankrekening gelegd beslag wel op omdat op de bankrekening alleen studiefinanciering werd bijgeschreven. De voorzieningenrechter achtte het beslag onrechtmatig omdat daarmee de schuldenaar de (wettelijk geregelde) waarborg werd ontnomen om over zijn enige bron van inkomsten te beschikken “om in noodzakelijke kosten van zijn bestaan te voorzien”. De bewindvoerder van een beslagene voerde in 2016 in een zaak die leidde tot het vonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam79 aan dat een beslag op een banksaldo niet beklijft voor zover op de bankrekening niet voor beslag vatbare uitkeringen zijn gestort. Anders werd volgens de stelling van de bewindvoerder de bescherming die artikel 475a lid 1 Rv en de bepalingen van de beslagvrije voet bieden, omzeild. Daarbij verwees de bewindvoerder naar het eerder besproken arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 april 201580 en andere niet in de uitspraak genoemde lagere rechtspraak. De voorzieningenrechter volgde de bewindvoerder niet in deze redenering en overwoog dat de genoemde bepalingen zo zijn geformuleerd dat de beslagrestricties gelden voor de vorderingen van de uitkerings- of tegemoetkomingsgerechtigde op de uitkerende instantie en niet op de vordering van die gerechtigde op het door de bank voor hem aangehouden positieve banksaldo, voor zover dat is ontstaan als gevolg van de storting van uitkeringen waarop geen beslag mogelijk is. Analoge toepassing van die bepalingen bij beslag op het saldo van een bankrekening past niet in het systeem van de wet en is praktisch ook niet uitvoerbaar, aldus de voorzieningenrechter.

77 78 79 80

Rb. Rotterdam 13 oktober 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:7575. Rb. Noord-Nederland 21 oktober 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:5035, r.o. 4.7. Rb. Amsterdam 25 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2020. Hof ’s-Hertogenbosch 21 april 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1496.

136


3 Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag

De voorzieningenrechter verwierp in zijn uitspraak ook de stelling van de bewindvoerder dat een bankbeslag per definitie misbruik van bevoegdheid oplevert voor zover daardoor een saldo wordt getroffen dat is opgebouwd uit inkomensbestanddelen waarvoor beslagrestricties gelden. Naar de mening van de voorzieningenrechter zal echter wel “steeds op grond van de concrete omstandigheden van het geval moeten worden nagegaan of het beslag aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan die onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis onaanvaardbaar maakt”, hetgeen in dit geval naar het oordeel van de voorzieningenrechter het geval was.81 In april 2017 oordeelde de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland dat er geen sprake was van misbruik van recht, omdat het onvoldoende aannemelijk was geworden dat er sprake is van gebrek aan draagkracht bij de schuldenaar, althans dat als gevolg van de beslaglegging een noodsituatie aan haar zijde is ontstaan. Ook was de beslaglegging in het oordeel van de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. De kantonrechter nam daarbij in aanmerking dat sinds de beslaglegging op de bankrekening zes maanden waren verstreken, zonder dat aannemelijk was geworden dat er een huurachterstand was ontstaan.82 De kantonrechter van de Rechtbank Oost-Brabant stelde in september 2017 dat weliswaar de wet aan bankbeslag geen beslagvrije voet verbindt, maar dat het systeem van de beslagvrije voet op onaanvaardbare wijze kan worden doorbroken indien beslag wordt gelegd zodra een uitkering op de rekening van een schuldenaar is bijgeschreven. Aan het doel en de strekking van een beslagvrije voet wordt dan, aldus de kantonrechter, ernstig af breuk gedaan, doordat door het beslag op die bankrekening geen geld meer ter beschikking is voor het levensonderhoud van de schuldenaar. De rechter betrok in zijn oordeel dat de beslaglegger op de hoogte was van het tijdstip van uitkeren. De kantonrechter oordeelde dat het beslag onder de bank op de rekening van de schuldenaar “niet zal beklijven voor zover daarop het beslagvrije deel van de uitkering is gestort. Hetzelfde geldt wat betreft de bedragen met betrekking tot de zorgtoeslag en bijzondere bijstand.”83 Naar aanleiding van deze uitspraak zijn in de Tweede Kamer vragen gesteld. De staatssecretaris van SZW antwoordde daarop onder meer als volgt: “Uit (tuchtrechtelijke) jurisprudentie volgt dat er onder omstandigheden sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheid indien beslag wordt gelegd op een bankrekening die uitsluitend door uitkering of loon wordt gevoed, terwijl de beslagene geen ander inkomen heeft waaruit hij zijn primaire levensbehoeften kan voldoen en de gerechtsdeurwaarder met die omstandigheid bekend is of moest zijn. Veel hangt dus af van wat de gerechtsdeurwaarder weet of moest weten over de inkomsten en het vermogen van de schuldenaar. Dit is in de praktijk voorafgaand aan het leggen van het beslag niet altijd inzichtelijk.”84 81 82 83 84

Rb. Amsterdam 25 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2020, r.o. 4.7. Rb. Noord-Nederland 26 april 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:1557, r.o. 5.4. Rb. Oost-Brabant 7 september 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:4835, r.o. 4.6. Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 604.

137


Bestaansminimum en bankbeslag

In oktober 2017 oordeelde de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam dat het handhaven van het beslag zonder toepassing van een beslagvrije voet onrechtmatig was, omdat de rekening uitsluitend werd gevoed door periodieke uitkeringen waarop geen beslag mogelijk is, zonder toepassing van de beslagvrije voet, met als gevolg dat de schuldenaar onvoldoende middelen overhield om te kunnen voorzien in zijn eerste levensbehoeften. De rechter overwoog daarbij dat de schuldenaar ongeveer een jaar voor de beslaglegging op de bankrekening de deurwaarder uitgebreid van haar inkomenssituatie op de hoogte had gesteld en achtte het voldoende aannemelijk dat de situatie van de schuldenaar niet gewijzigd was en dat de schuldenaar geen andere inkomsten had dan de op de bankrekening gestorte uitkeringen op minimumniveau.85 3.3.3 Tuchtrechtspraak86 Zolang het civiele recht geen eenduidig antwoord heeft op de vraag tot in hoeverre een bedrag buiten het beslag moet worden gehouden bij een bankbeslag, is het voor een gerechtsdeurwaarder onduidelijk wat van hem mag worden verwacht bij de afwikkeling van dat bankbeslag. Het is daardoor lastig om tuchtrechtelijke sanctioneringskaders te formuleren. De tuchtrechter beoordeelt immers slechts of de deurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld, en daarvoor is het in dit kader noodzakelijk om vast te stellen tot in hoeverre de gerechtsdeurwaarder een van beide partijen ten onrechte heeft bevoordeeld bij het uitvoeren van zijn wettelijke taak. Desalniettemin heeft ook de tuchtrechter een weg gezocht in de onderhavige problematiek. In het tuchtrecht is het standpunt onder verwijzing naar het Kinderbijslag-arrest van de Hoge Raad87 lang geweest dat de regeling van de beslagvrije voet niet geldt bij een beslag onder de bank waarop de uitkeringsinstantie de uitkering overmaakt. De tuchtrechters overwogen dat er weliswaar sprake kan zijn van misbruik van recht, bijvoorbeeld als de regeling van artikel 475c Rv bewust zou worden ontdoken, maar verwezen daarvoor naar de ‘gewone’ rechter, omdat het niet aan de tuchtrechter is om te beoordelen of een beslag als onrechtmatig gelegd kan worden aangemerkt dan wel dat er misbruik van recht is gemaakt.88 Begin januari 201489 overwoog de tuchtrechter in een tweetal zaken opnieuw dat er geen beslagvrije voet geldt bij een beslag op een bankrekening, maar oordeelde voorts dat dit niet betekent dat een schuldeiser zich in het geheel geen rekenschap hoeft te geven van de gevolgen van het leggen van een dergelijk beslag. De kamer verwees daarbij naar (civiele) rechtspraak,90 waarin was bepaald dat er omstandigheden kunnen zijn waardoor degene 85 86

Rb. Amsterdam 13 oktober 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:7766. Het tuchtrecht wordt in eerste aanleg uitgeoefend door de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders, gevestigd te Amsterdam. De kamer bestaat uit leden van de rechterlijke macht en door de minister benoemde gerechtsdeurwaarders. Tegen een beslissing van de kamer staat hoger beroep open bij het Gerechtshof Amsterdam; dit hof bestaat enkel uit leden van de rechterlijke macht. 87 HR 21 mei 1999, NJ 2001/630, m.nt S.C.J.J. Kortmann. 88 Zie bijv. KvG 12 juni 2007, ECLI:NL:TGDKG:2007:52; KvG 24 februari 2009, ECLI:NL:TGDKG:2009:4; KvG 4 december 2012, ECLI:NL:TGDKG:2012:121. 89 KvG 7 januari 2014, ECLI:NL:TGDKG:2014:2, r.o. 4.2; KvG 7 januari 2014, ECLI:NL:TGDKG:2014:3, r.o. 4.2. 90 Hof Amsterdam 24 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB3135; Rb. Amsterdam 16 november 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BK3544.

138


3 Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag

ten laste van wie het beslag is gelegd als gevolg daarvan niet meer in staat zou zijn om in zijn primaire levensonderhoud te voorzien. De tuchtrechter stelde daarbij dat er in een dergelijk geval sprake kan zijn van misbruik van recht of een onrechtmatig gelegd beslag, maar dat het niet aan de tuchtrechter is om te beoordelen of er sprake is van een onrechtmatig gelegd beslag of misbruik van recht. Kort daarna91 oordeelde de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders dat bij het inzetten van een ingrijpend middel als beslaglegging van de gerechtsdeurwaarder uiterste zorgvuldigheid mag worden verwacht. Zij overwoog daartoe dat het door de gerechtsdeurwaarder ter zitting aangevoerde standpunt dat zijn opdrachtgever het vermoeden had dat er meer bij klager te halen was, door hem op geen enkele wijze nader was onderbouwd. De enkele mededeling van zijn opdrachtgever dat mogelijk spaarrekeningen onder het beslag zouden kunnen vallen, is naar het oordeel van de kamer onvoldoende. Dit gold temeer omdat de gerechtsdeurwaarder volgens de kamer op de hoogte was van de financiële toestand van klager en een eerder gelegd beslag op een uitkering van klager kort daarvoor heeft moeten terugdraaien, omdat de uitkering ver onder de beslagvrije voet lag. De kamer legde de gerechtsdeurwaarder een berisping op. In 201592 oordeelde de tuchtrechter weer zoals hij begin 2014 had gedaan. De schuldeiser moet, hoewel er geen beslagvrije voet bij een bankbeslag geldt, zich wel rekenschap geven van de gevolgen van een dergelijk beslag. Hij oordeelde voorts dat het niet aan de tuchtrechter is om te beoordelen of er sprake is van een onrechtmatig gelegd beslag of misbruik van recht. In april 2016 gaat de tuchtrechter om. In die zaak93 had de gerechtsdeurwaarder in een aan de schuldenaar gezonden e-mail te kennen gegeven dat gebleken was dat na het beslag op de bankrekening nog diverse afschrijvingen hebben plaatsgevonden, en hij op basis daarvan had aangenomen dat er nog andere inkomsten waren naast het loon, en dat zich niet de situatie voordeed dat klager door het gelegde bankbeslag niet meer in zijn primaire levensbehoeften kan voorzien. De kamer was echter van mening dat de gerechtsdeurwaarder niet tot de conclusie had kunnen komen dat er bij het onderhavige bankbeslag geen aanleiding was voor het toepassen van een beslagvrije voet, en legde de maatregel van berisping op. In hoger beroep bevestigde het gerechtshof94 de uitspraak van de kamer. Daarbij overwoog het hof: “[O]p grond van het dossier en het verhandelde ter zitting acht het hof aannemelijk dat klager aan de gerechtsdeurwaarder afdoende stukken heeft verstrekt op basis waarvan deze onder de omstandigheden van het geval tot toepassing van de beslagvrije voet had moeten overgaan.”

91 92

KvG 20 maart 2014, ECLI:NL:TGDKG:2014:93, r.o. 4.4. KvG 3 maart 2015, ECLI:NL:TGDKG:2015:26; KvG 12 mei 2015, ECLI:NL:TGDKG:2015:93; KvG 5 april 2016, ECLI:NL:TGDKG:2016:48. 93 KvG 19 april 2016, ECLI:NL:TGDKG:2016:62, r.o. 9.3. 94 Hof Amsterdam 15 november 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4538 (hoger beroep), r.o. 6.3.

139


Bestaansminimum en bankbeslag

Het hof betrok daarbij dat uit de stukken bleek dat het bankbeslag doel trof voor een lager bedrag dan de beslagvrije voet die voor klager gold, zodat te verwachten was dat klager door het bankbeslag in ernstige financiële problemen zou geraken en niet meer in zijn primaire levensbehoeften zou kunnen voorzien, terwijl het, gezien het moment van beslaglegging, bovendien nog geruime tijd zou duren alvorens hij opnieuw loon zou ontvangen. Het feit dat het niet de deurwaarder is die de beslagvrije voet vaststelt, maar de beslaglegger – of, zoals in het wetsvoorstel vereenvoudiging beslagvrije voet wordt omschreven, de deurwaarder optreedt namens de schuldeiser95 – laat het hof daarbij volledig buiten beschouwing. Overigens houdt ook de Nationale ombudsman hier blijkens zijn rapport en persbericht van januari 201796 geen rekening mee. Daarin wordt gesteld dat de gerechtsdeurwaarder de schuldenaar na een beslag op een bankrekening in de gelegenheid moet stellen om diens financiële noodsituatie door middel van relevante stukken aan te tonen, en dat als de schuldenaar die financiële noodtoestand, naar het oordeel van de gerechtsdeurwaarder, voldoende aannemelijk heeft gemaakt, de gerechtsdeurwaarder passende maatregelen dient te treffen. Dat kan, naar het oordeel van de Nationale ombudsman, dus betekenen dat een al uitgewonnen bankbeslag geheel of gedeeltelijk, en onverwijld, moet worden teruggedraaid. De KBvG heeft in haar reactie voor deze naar haar mening foutieve uitleg van de wettelijke bepaling aandacht gevraagd en hier stelling tegen genomen: “Die conclusie miskent dat de deurwaarder geen zelfstandige bevoegdheid heeft tot het nemen van een dergelijke maatregel. Als openbaar ambtenaar treedt hij op uit naam en in opdracht van de schuldeiser. Het is de deurwaarder nu eenmaal niet toegestaan eigenmachtig te beschikken over een – op zich – rechtmatig verkregen executieopbrengst. Sterker, het zou tot tuchtklachten en civiele aansprakelijkheid kunnen leiden.”97

Op 13 juni 2017 bevestigt de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders dit standpunt van de KBvG, als zij stelt dat als uitgangspunt geldt dat vast moet komen te staan dat de beslagvrije voet is geschonden en daarnaast geldt dat terugbetaling van reeds onder het beslag geïnde gelden (die op de in art. 19 Gdw bedoelde rekening zijn gestort) niet zonder toestemming van de schuldeiser kan geschieden.98 Eerder dat jaar oordeelde de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders opnieuw dat er geen beslagvrije voet geldt indien beslag wordt gelegd onder een bankinstelling, maar dat er onder omstandigheden sprake kan zijn van misbruik van recht, bijvoorbeeld indien bekend is dat

95 96 97 98

“De deurwaarder treedt bij de tenuitvoerlegging van de executoriale titel op namens de schuldeiser en vormt zo bij beslag de intermediair tussen de schuldeiser en de schuldenaar”; Kamerstukken II 2016/17, 34628, 6, p. 3. Zie www.nationaleombudsman.nl/nieuws/2017/ombudsman-bescherm-de-beslagvrije-voet-ook-bij-bankbeslag; rapportnr. 2017/003. Zie nieuwsvandeweek.info/jaar/2017/week/4/; Nieuws van de Week 2017-4. KvG 13 juni 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:146.

140


3 Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag

de beslagen rekening uitsluitend uit een bron wordt gevoed waarvoor wel een beslagvrije voet geldt.99 In de eerdergenoemde uitspraak van 13 juni 2017 constateert de kamer dat de wetgever zich blijkens de memorie van toelichting op het wetsvoorstel vereenvoudiging beslagvrije voet realiseert dat er een probleem bestaat met beslag onder een bank, en dat “vereenvoudiging als in dit inmiddels aangenomen wetsvoorstel geregeld, op zichzelf niet voldoende is om te borgen dat de schuldenaar in geval van beslag over een basaal inkomen voor levensonderhoud kan blijven beschikken. Een simpele, voor alle partijen uitvoerbare wettelijke regeling waarbij ook bij bankbeslag rekening wordt gehouden met een beslagvrije voet is volgens de wetgever echter op korte termijn niet voorhanden.”100

De kamer vervolgt en oordeelt dat in het kader van het tuchtrecht van geval tot geval zal moeten worden onderzocht of er aanleiding was voor toepassing van een beslagvrije voet bij een bankbeslag.101 Begin juli 2017 beslist de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders dat gezien het feit dat de schuldenaar nu opgave van haar inkomensbronnen had gedaan en de gerechtsdeurwaarder derhalve bekend was dat haar inkomen bestond uit een uitkering, en omdat het beslag één dag na het storten van de uitkering was gelegd, de deurwaarder had moeten overgaan tot toepassing van de beslagvrije voet. De kamer overwoog daarbij ook dat het getroffen bedrag vrijwel gelijk was aan de voor de schuldenaar geldende beslagvrije voet.102 Eind juni 2017 oordeelde de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders dat er sprake kan zijn van het omzeilen van de beslagvrije voet door het leggen van een bankbeslag, als de rekening uitsluitend gevoed wordt door een inkomstenbron waarop geen beslag mogelijk is. De gerechtsdeurwaarder had naar het oordeel van de kamer het beslag, nadat hij door de beslagene was geïnformeerd, onverwijld dienen op te heffen.103 In een uitspraak van dezelfde dag oordeelt de kamer dat er sprake van misbruik van recht of een onrechtmatig gelegd beslag zou zijn indien de regeling van artikel 475c Rv bewust zou worden ontdoken. Daarvan was in casu echter geen sprake.104 In augustus 2017 herhaalde de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders dat het feit dat er geen beslagvrije voet geldt bij een bankbeslag, niet betekent dat een schuldeiser zich in het geheel geen rekenschap hoeft te geven van de gevolgen van het leggen van een dergelijk beslag. In dit geval was er volgens de kamer geen sprake van dat de regeling van artikel 475c Rv

99 100 101 102 103 104

KvG 18 april 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:51, r.o. 4.3. KvG 13 juni 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:146, r.o. 4.6. KvG 13 juni 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:146, r.o. 4.9. KvG 7 juli 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:145, r.o. 8.3 en 8.4. KvG 27 juni 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:77. KvG 27 juni 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:78.

141


Bestaansminimum en bankbeslag

werd ontdoken, omdat niet was komen vast te staan dat de gerechtsdeurwaarder of zijn opdrachtgever wist of had moeten weten dat de schuldenaar op het moment van beslag leggen geen overige vermogensbestanddelen had waarmee zij in haar eerste levensbehoeften kon voorzien.105 Aan het eind van die maand oordeelde het gerechtshof dat bij een bankbeslag in beginsel geen rekening hoeft te worden gehouden met een beslagvrije voet, maar dat onder omstandigheden sprake kan zijn van misbruik van recht indien beslag wordt gelegd op een bankrekening die uitsluitend door een uitkering of loon wordt gevoed, terwijl de beslagene geen ander inkomen heeft waaruit zijn primaire levensbehoeften worden voldaan en de gerechtsdeurwaarder met die omstandigheid bekend is of moest zijn.106 In casu kon volgens het hof en de kamer niet worden vastgesteld dat de gerechtsdeurwaarder op het moment van beslaglegging geheel op de hoogte was van het inkomen van de echtgenoot van de schuldenaar alsmede de saldopositie van de bankrekening(en) van de schuldenaar en haar echtgenoot. Bovendien was volgens het hof het onder het beslag vallende bedrag niet ondubbelzinnig te herleiden tot inkomsten waarop geen beslag mocht worden gelegd, gelet op de daarvoor geldende beslagvrije voet. Het hof overwoog nog dat er eveneens misbruik van recht aan de orde zou kunnen zijn in het geval een gerechtsdeurwaarder (voldoende) inzicht heeft in de inkomsten en uitgaven van de schuldenaar en, indien aan de orde, desondanks niet direct tot opheffing van het beslag overgaat. Dat laatste was niet het geval, aldus het hof, omdat de gerechtsdeurwaarder wist dat een dag na de beslaglegging een nieuwe termijn van de uitkering zou worden bijgeschreven en hij bovendien rekening had gehouden met de zorgtoeslag.107 Begin 2018 oordeelde de kamer over een situatie waarin het in 2013 door de gerechtsdeurwaarder gelegde beslag op inkomsten na de herberekening van de beslagvrije voet geen resultaat had omdat de beslagvrije voet hoger was dan het inkomen, en waarin de beslagene, laatstelijk nog in januari 2016, inzicht had gegeven in diens inkomsten en uitgaven. De kamer stelt dat “onder de hiervoor geschetste omstandigheden kan worden vastgesteld dat de gerechtsdeurwaarder ten tijde van de beslaglegging in elk geval (voldoende) inzicht had in de inkomsten en uitgaven van de debiteur en dat er geen ruimte was voor een maandelijkse betaling”.

Vervolgens benadrukt de kamer: “dat beslaglegging onder een bank ten laste van een debiteur een ingrijpend middel is. Er lag al beslag op het inkomen van klager als gevolg waarvan hij nog slechts een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet overhield waarvan hij de lopende kosten van bestaan moet voldoen.”

105 KvG 15 augustus 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:126, r.o. 4.3. 106 Hof Amsterdam 22 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3353, r.o. 6.1. 107 Hof Amsterdam 22 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3353, r.o. 6.2.

142


3 Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag

De gerechtsdeurwaarder had naar het oordeel van de kamer niet aannemelijk gemaakt dat “er een aanleiding was om te veronderstellen dat de bankrekening door andere inkomsten dan de uitkering en toeslagen van klager, aan de hand waarvan de beslagvrije voet is vastgesteld, werd gevoed of dat er nog andere inkomsten zouden zijn”.

De kamer was van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder onder deze omstandigheden had kunnen weten dat het door hem in maart 2016 gelegde bankbeslag geen soelaas zou bieden om tot verhaal van de vordering te komen en daardoor laakbaar had gehandeld. 3.3.4 Tussenbalans II In de oudere rechtspraak bestaat de bescherming van de beslagene uit een ‘voortgezet’ beslagverbod. Daarbij werd aan de hand van de duur van het ter beschikking staan van de gelden, die voor zij op de bankrekening stonden door een beslagverbod werden beschermd, beoordeeld of een beslag op de bankrekening en daarmee die gelden vexatoir en/of onrechtmatig was. Hoewel de Hoge Raad in het Kinderbijslag-arrest heeft bepaald dat het beslagverbod eindigt zodra de gelden op de bankrekening zijn bijgeschreven, wordt in lagere rechtspraak nadien geregeld geoordeeld dat een beslag op een bankrekening vexatoir of onrechtmatig was. Daarbij zijn niet meer de beslagverboden de reden, maar vaak het niet meer door gedaagde kunnen voorzien in zijn levensonderhoud. De belangrijkste lijn die de civiele rechtspraak hiermee laat zien, is het spanningsveld tussen enerzijds het gegeven dat de wetgever geen bedrag buiten het beslag laat bij een bankbeslag, terwijl het anderzijds onwenselijk is als daardoor de bestaanszekerheid in het geding komt. De besproken rechtspraak illustreert dat rechters worstelen met dit gegeven en al naar gelang de omstandigheden van het geval toetsingscriteria toepassen om een eventuele beslagbeperking in het leven te roepen. Recente uitspraken illustreren dat het gebrek aan inzage in de vermogenspositie van de schuldenaar het voor de tenuitvoerleggende partij nagenoeg onmogelijk maakt om te bepalen of die bestaanszekerheid daadwerkelijk in het geding is. Hoewel de tuchtrechter vanaf 2014 van mening was dat een schuldeiser zich bij een bankbeslag rekenschap diende te geven van de gevolgen van zo’n beslag, was hij tot begin 2016 van mening dat het de taak van de civiele rechter is om te beoordelen of een beslag onrechtmatig is. In 2016 heeft de tuchtrechter zijn standpunt herzien en geoordeeld dat een gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar had gehandeld omdat deze op basis van de verstrekte stukken de beslagvrije voet had moeten toepassen bij het op de bankrekening van de beslagene gelegde beslag. In de recentste uitspraken wordt de wetenschap over het inkomen en de saldi van de bankrekeningen betrokken bij de vraag of er sprake is van misbruik van recht. Het eerdergenoemde spanningsveld blijkt derhalve ook in de tuchtrechtspraak aanwezig. Bij gebreke aan een simpele regeling en informatie over het inkomen en de saldopositie van de bankrekeningen van de schuldenaar moet er volgens de tuchtrechter van geval tot

143


Bestaansminimum en bankbeslag

geval worden beoordeeld of er aanleiding is voor toepassing van een beslagvrije voet bij een bankbeslag. Dit is in verband met de rechtszekerheid van de beslaglegger, de gerechtsdeurwaarder en met name de schuldenaar niet (langer) aanvaardbaar. 3.4

Conclusie

De lastig te verenigen omstandigheid dat de wetgever geen bedrag buiten het beslag laat bij een bankbeslag, terwijl de beslaglegger of gerechtsdeurwaarder in de (tucht)rechtspraak vervolgens met wisselend resultaat aangesproken wordt bij het al dan niet aantasten van de bestaanszekerheid van de schuldenaar, vormt de kern van het probleem bij het leggen van een bankbeslag ten laste van een natuurlijke persoon. Een complicerende factor daarbij is het gegeven dat de gerechtsdeurwaarder, bij het leggen van het beslag, geen enkele indicatie heeft welk saldo wordt getroffen, en of daarbij wellicht het bestaansminimum van de schuldenaar in het geding is. Een nagenoeg afwezige informatieplicht van de schuldenaar en derde, en een gebrek aan informatiebevoegdheden voor de deurwaarder zelf staan daaraan in de weg. De lange verklaringstermijn en de bijgevolg langdurige bevriezing van de banktegoeden vooraleer duidelijkheid wordt verkregen, zijn in dit kader voor geen van de betrokken partijen behulpzaam, in het bijzonder niet voor de schuldenaar. Desalniettemin zal de schuldeiser zijn vordering verhaald moeten krijgen en blijft het onwenselijk indien schuldenaren niet in hun voortbestaan kunnen voorzien. Zowel gerechtsdeurwaarders als (tucht)rechters zijn openbaar ambtsdragers en staan uit de aard van hun taak tussen of boven partijen, wat maakt dat beide belangen dienen te worden gewogen. De omzichtigheid, onduidelijkheid en onvoorzienbaarheid waarmee zowel deurwaarders als rechters met deze materie omgaan, zijn de resultante van deze ‘catch 22’: gevangen tussen vereisten van rechtmatigheid en de wens het rechtvaardige te doen, een paradoxale situatie waarin het binnen de grenzen van de huidige wet per definitie onmogelijk is om een gewenste uitkomst te verkrijgen.

144


Hoofdstuk 4 Rekening- en saldo-informatie

H.T. Nieuwhof en O.M. Jans

4.1

Inleiding

In eerdere hoofdstukken kwam reeds aan de orde dat de gerechtsdeurwaarder naar huidig recht niet een expliciet in de wet genoemde bevoegdheid heeft om banken te benaderen met de vraag of een schuldenaar bij hen één of meer rekeningen aanhoudt, en wat op die rekening(en) het saldo is. Inzage in deze gegevens, voorafgaand aan de mogelijke beslaglegging, zou niet alleen mogelijk maken dat de gerechtsdeurwaarder het leggen van onnodige beslagen onder banken kan voorkomen. Doordat hij het saldo op de verschillende rekeningen van de schuldenaar en diens eventuele echtgenoot kan opvragen en afstemmen, kan hij eveneens bewerkstelligen dat de beschermende werking van de bij een beslag op vorderingen als genoemd in artikel 475c Rv gegarandeerde beslagvrije voet kan worden doorgetrokken wanneer wél beslag onder een bank wordt gelegd. De algemene plicht in het Nederlandse recht van de schuldenaar zelf om inzage te geven in zijn vermogen biedt in de praktijk een te wankele basis om tot een helder overzicht van het tot verhaal dienende banksaldo van de schuldenaar te komen. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke rechtsbasis de huidige informatieverplichting van zowel de schuldenaar als de bankinstellingen is gebaseerd en hoe – in samenhang daarmee – de huidige beperkingen in de informatiebevoegdheden van de gerechtsdeurwaarder daadwerkelijk inzicht in het voor verhaal vatbare vermogen van de schuldenaar nagenoeg illusoir maken. Na een verkenning van de juridische en praktische mogelijkheden om het inzicht in het voor verhaal vatbare vermogen van de schuldenaar te verbeteren, wordt ingegaan op Europese ontwikkelingen die spelen rond het beslag op de bankrekening en de verstrekking van informatie omtrent banktegoeden. Wat betekenen die ontwikkelingen voor de nationale regeling, en op welke wijze zou daarbij kunnen worden aangehaakt bij het vormgeven van die regeling? 4.2

Informatievoorziening ten aanzien van rekeninginformatie van de schuldenaar

4.2.1 Een algemene informatieverplichting van de schuldenaar en van een eventuele derde Voor een efficiënte en correcte tenuitvoerlegging van executoriale titels dient een gerechtsdeurwaarder, die in opdracht van de schuldeiser handelt, over de nodige informatie te beschikken. In het kader van executoriaal derdenbeslag onder een bank op niet-periodieke vorderingen zal de gerechtsdeurwaarder moeten achterhalen bij welke bank een schuldenaar

145


Bestaansminimum en bankbeslag

bankiert. Hoewel de wet verschillende mogelijkheden biedt voor de gerechtsdeurwaarder om informatie te verzamelen over het vermogen van de schuldenaar, is de mate waarin duidelijkheid kan worden verkregen omtrent het voor verhaal vatbare vermogen nog altijd beperkt. In Nederland is een tot betaling van een geldsom veroordeelde schuldenaar weliswaar verplicht om informatie te geven over zijn vermogen, maar uit de gerechtsdeurwaarderspraktijk blijkt dat toch vaak informatie wordt achtergehouden. In de zaak Tripels/Masson 1 heeft de Hoge Raad beslist dat een schuldenaar in beginsel verplicht is om een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem verkreeg, inlichtingen over zijn inkomens- en vermogenspositie en de voor verhaal vatbare goederen te verschaffen. De Hoge Raad overwoog daaromtrent als volgt: “Een schuldenaar is wel in beginsel verplicht een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem verkreeg, inlichtingen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen te verschaffen. Zulks is aanvaard bij de parlementaire behandeling van het eerste gedeelte van de Invoeringswet van de Boeken 3, 5 en 6 NBW (memorie van antwoord Bijl. Hand. II 1981-1982, 16 593, nr. 5, p. 11-12). Het is thans ook tot uitdrukking gebracht in art. 475g Rv (ingevoegd bij de Wet van 13 dec. 1990, Stb. 605, in werking getreden op 1 april 1991).”2

De Hoge Raad verwijst in zijn beslissing niet alleen naar het ongeschreven recht, maar ook naar – het destijds pas ingevoerde – artikel 475g Rv. In zijn noot bij Tripels/Masson concludeert Vranken dat de informatieverplichting:3 “(...) voortvloeit uit de redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 en art. 6:248 BW. Dat dit en niet art. 1177 en 1178 BW (oud) – thans art. 3:276 en 3:277 BW – de grondslag is, volgt uit de passage in de wetsgeschiedenis waarnaar de Hoge Raad verwijst en uit de wetsgeschiedenis op art. 475g Rv. De afwijzing van de art. 1177 en 1178 BW (oud) als grondslag is in overeenstemming met HR 17 jan. 1930, NJ 1930, 573.”

De twee voorwaarden voor het ontstaan van een dergelijke verplichting zijn, dat (1) de schuldeiser reeds een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens de schuldenaar heeft verkregen, en dat (2) de vordering voor het verstrekken van informatie niet zodanig ver gaat dat een schuldeiser in feite een ‘phishing expedition’ kan ondernemen. Deze informatieverplichting voor de schuldenaar is inmiddels meerdere keren bevestigd in de (lagere) rechtspraak. 4 De wetgever heeft bovengenoemd standaardarrest niet nader gecodificeerd. De vraag of de geëxecuteerde en eventuele derden verplicht zijn tot het overleggen van informatie is in de parlementaire geschiedenis niet in principiële zin onder ogen gezien. Een en ander is slechts 1 2 3 4

HR 20 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0338, NJ 1992/552 (Tripels/Masson). R.o. 4.1. HR 20 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0338, NJ 1992/552 (Tripels/Masson), m.nt. J.B.M. Vranken. Zie o.a. Rb. Assen (pres.) 25 november 1997, KG 1988/20 (Gerritsen/Hoekstra c.s.); Rb. Groningen (vzr.) 6 september 1994, NJ 1994/369 (Eldorado/J.P.W.); Rb. Breda (pres.) 2 februari 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ7733.

146


4 Rekening- en saldo-informatie

min of meer zijdelings aan de orde gekomen. De regering heeft deze informatieverplichting(en) alleen expliciet in de memorie van antwoord bij de totstandkoming van artikel 444 Rv tot uitdrukking gebracht:5 “De commissie heeft zich bij dit artikel afgevraagd in hoeverre de geëxecuteerde en eventuele derden verplicht zijn tot medewerking aan de tenuitvoerlegging. Vooropgesteld moet worden dat, zoals wordt aangenomen in H.R. 17 januari 1930, N.J. 1930, 573, een zodanige verplichting noch uit de artikelen 1177 en 1178 B.W., noch uit de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende gerechtelijke tenuitvoerlegging kan worden afgeleid. Dit staat er evenwel niet aan in de weg haar aan te nemen op grond van ongeschreven recht, zoals in de huidige literatuur dan ook pleegt te geschieden. Wat de verplichting van de geëxecuteerde betreft, voor het nieuwe recht moet worden aangenomen dat deze voortvloeit uit zijn verplichting om aan de executoriale titel te voldoen, zoals deze door de rechter die de veroordeling uitsprak, is vastgesteld. Deze verbintenis brengt in het licht van artikel 6.1.1.2 lid 1 en bepalingen als artikel 3.2.11 en het onderhavige artikel 444 bijkomende verplichtingen mee, waaronder die om geen goederen aan een rechtmatig verhaal voor die vordering te onttrekken. Het is evenwel niet wenselijk geacht een uitdrukkelijke regel op dit punt in het ontwerp op te nemen, nu het niet goed mogelijk is om aan een zodanige regel een redelijke praktische uitwerking te geven. Wordt de verplichting tot medewerking door de schuldenaar niet nagekomen, dan heeft immers noch een veroordeling tot schadevergoeding, noch een veroordeling tot nakoming goede zin. (...)”

Uit de in de voornoemde memorie van antwoord gekozen bewoordingen zal moeten worden afgeleid dat de wetgever de informatieverplichting – voor zover het de geëxecuteerde betreft – kennelijk met de verplichting om aan de executoriale titel te voldoen voldoende vindt samenhangen. Het citaat begint met de stelling van de wetgever dat de algemene verplichting tot het verstrekken van informatie – ten aanzien van zowel de schuldenaar als een eventuele derde – uit het ongeschreven recht voortvloeit en derhalve aangenomen moet worden. Het voorgaande neemt niet weg dat het juridisch zuiverder en ook duidelijker zou zijn geweest, wanneer uitdrukkelijk in de wet was bepaald dat vanaf het moment dat voor een vordering tot betaling van een geldsom een executoriale titel is verkregen en deze betekend is, er een ruime inlichtingenplicht op de schuldenaar rust omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie, waaronder ook het verschaffen van rekeninginformatie dient te worden begrepen. Voor die weg heeft de wetgever ook in 2017 niet gekozen, toen de nieuwe regeling inzake de vereenvoudiging van de beslagvrije voet op 16 februari door de Tweede Kamer en op 7 maart door de Eerste Kamer werd aangenomen.6 4.2.2 Verhaalsinformatie van de schuldenaar Hoewel mag blijken dat in Nederland, althans in de executiefase, een algemene verplichting tot het verschaffen van rekeninginformatie door (in elk geval) de schuldenaar op verzoek van 5 6

Kamerstukken II 1982/83, 16593, 5, p. 11-12. Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, Kamerstukken II 2016/17, 34628, 1 e.v.

147


Bestaansminimum en bankbeslag

de gerechtsdeurwaarder kan worden gedestilleerd, kan desondanks niet worden gesteld dat deze verplichting in het algemeen op een bevredigende wijze gestalte heeft gekregen. Niet alleen ontbreekt de directe (gecodificeerde) grondslag, tevens is de feitelijke verwezenlijking problematisch. De Hoge Raad heeft weliswaar geoordeeld dat de informatieverplichting bij lijfsdwang of dwangsom kan worden afgedwongen, maar te betwijfelen valt of daarvan in de praktijk vaak gebruik wordt gemaakt.7 De schuldeiser die zijn vordering verhaald wenst te zien en bankbeslag overweegt, zal opnieuw een procedure moeten voeren, alvorens informatie kan worden verkregen. Een dergelijke rechtsgang kan als omslachtig en kostbaar worden ervaren. Bovendien ontstaat het gevaar dat een (kwaadwillende) schuldenaar in de tussentijd zijn spaartegoeden verplaatst of opneemt, doordat het verrassingseffect ontbreekt in een dergelijke procedure. Ook het ontbreken van een directe sanctie op het niet nakomen van de informatieverplichting zorgt voor onvrede. Het is opmerkelijk dat de meeste Europese lidstaten wél directe sancties stellen op het niet of onjuist informeren van een gerechtsdeurwaarder of andere autoriteit verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van gerechtelijke uitspraken. In deze landen, waaronder Duitsland, Engeland, Ierland, Portugal, Denemarken, Griekenland, Spanje, Oostenrijk, Zweden, Estland, Bulgarije, Tsjechië, Slovenië en Letland, volgt namelijk bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke aansprakelijkheid bij het niet of onjuist informeren van een gerechtsdeurwaarder. Opmerkelijk genoeg rust in Nederland op de schuldenaar die in staat van faillissement verkeert of op wie de Wsnp-regeling van toepassing is verklaard, wél een gesanctioneerde inlichtingenplicht omtrent zijn vermogen in Nederland, maar ook daarbuiten. Uit de tekst van artikel 105 Fw, zoals deze geldt sinds de inwerkingtreding op 1 juli 2017 van de ‘Wet versterking positie curator’,8 volgt dat een gefailleerde gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen aan de curator dient te verstrekken, voor zover de curator deze gegevens nodig heeft voor het uitoefenen van zijn wettelijke taak.9 Het betreft de codificatie van de bestaande praktijk en jurisprudentie op dit punt.10 Bij de totstandkoming van de Wet versterking positie curator wordt een drieledige sanctionering genoemd voor de gevallen waarin de schuldenaar niet aan zijn verplichtingen voldoet: “Ten eerste kan verzuim aanleiding zijn tot inbewaringstelling ingevolge artikel 87 Fw. Daarnaast kan verzuim aanleiding zijn tot oplegging van een civielrechtelijk bestuursverbod (vgl. artikel 106a, eerste lid, onderdeel c, Fw (nieuw)). Ten slotte, en ten derde, tot het opleggen van gevangenisstraf of een geldboete ingevolge artikel 194 Sr (nieuw).”

7 8 9 10

HR 20 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0338, NJ 1992/552 (Tripels/Masson). Stb. 2017, 124. De plicht om desgevraagd inlichtingen te verstrekken bestaat ook ten aanzien van de schuldeiserscommissie en de rechter-commissaris. Kamerstukken II 2014/15, 34253, 3, p. 17.

148


4 Rekening- en saldo-informatie

De plicht tot het verstrekken van inlichtingen strekt zich overigens tevens uit tot de eventuele echtgenoot of geregistreerd partner van de failliet, voor zover het faillissement de gemeenschap betreft, en tot (gewezen) bestuurders en commissarissen, wanneer de failliet een rechtspersoon is.11 4.2.3 Verhaalsinformatie van de bank Ook de mogelijkheden om onaf hankelijk van de wil van de schuldenaar informatie omtrent bankgegevens in te winnen, zijn beperkt. De gerechtsdeurwaarder die na het betekenen van de titel, maar voorafgaand aan het leggen van beslag, banken zou benaderen en zou trachten informatie over de schuldenaar in te winnen, zal dit tevergeefs doen. De bank zal oordelen dat haar zorgplicht, die in de contractuele relatie met haar cliënt geldt, daaraan in de weg staat: de bijzondere verantwoordelijkheid van banken omtrent het beschikken over gegevens die betrekking hebben op de financiële positie van een schuldenaar, tot uitdrukking gebracht in het ‘bankgeheim’. De geheimhoudingsverplichting van een bank vloeit voort uit de vertrouwensrelatie tussen haar en haar cliënt en is een onderdeel van de onderliggende contractuele verbintenis tussen beide partijen. In de met het oog op de uitoefening van activiteiten van de bank – zowel bancaire als niet-bancaire activiteiten – opgestelde Algemene Bankvoorwaarden (ABV) wordt in artikel 2 een nadere omschrijving gegeven van de zorgplicht van de bank, waaruit het ‘bankgeheim’ voortvloeit.12 Het artikel verwoordt een van de belangrijkste aspecten in de rechtsverhouding tussen de bank en haar cliënt, en luidt:13 “Wij zijn bij onze dienstverlening zorgvuldig en houden hierbij zo goed mogelijk rekening met uw belangen. Dit doen wij op een manier die aansluit bij de aard van de dienstverlening. Deze belangrijke regel geldt altijd. Andere regels in de ABV of in de voor producten of diensten geldende overeenkomsten en de daarbij behorende bijzondere voorwaarden kunnen dit niet veranderen.”14

Uit de bewoordingen van het artikel blijkt dat de zorgplicht – rustende op de bank – vóór alle andere bepalingen van de ABV gaat. Hoewel de bank zich heeft verbonden om in beginsel geen gegevens van de cliënt openbaar te maken, kent Nederland echter geen wettelijk bankgeheim en is het niet absoluut. Het Nederlandse ‘bankgeheim’ is relatief, hetgeen onder meer betekent dat een bank onder bepaalde omstandigheden gerechtvaardigd inbreuk kan (of zelfs moet) maken op haar zorgplicht, namelijk als de wet of een rechterlijke uitspraak dat verlangt. Een en ander laat de zorgverplichting van een bank tegenover haar cliënt voor het overige onverlet. Een bank dient vooralsnog uiterste zorgvuldigheid te betrachten indien een dergelijk informatieverzoek haar bereikt.15

11 12 13 14 15

Art. 105 lid 3 en 106 Fw. W.H.G.A. Filott, Algemene bankvoorwaarden, 2000, p. 3. J.M.A. Berkvens, Banken en de Wet persoonsregistraties, 1996, p. 107; C. van Ravenhorst, Bankrekeningen/ Bankverrichtingen (passief bedrijf ), 1995, p. 63. De meest recente ABV zijn op 29 augustus 2016 door de Nederlandse Vereniging van Banken neergelegd onder nr. 60/2016 bij de griffie van de rechtbank in Amsterdam en zijn in gebruik vanaf 1 maart 2017. J.M.A. Berkvens, Banken en de Wet persoonsregistraties, 1996, p. 5.

149


Bestaansminimum en bankbeslag

De mogelijkheid tot doorbreking van de geheimhoudingsplicht van banken is door de wetgever in het kader van heffen van belastingen al wel gecreëerd. Ten aanzien van banken zijn er verschillende informatieverplichtingen ten dienste van de vaststelling en verhaal van belastingvorderingen opgenomen in artikel 53 AWR. Ten eerste volgt uit artikel 53 lid 1 AWR dat een informatieverplichting kan ontstaan indien een controlemedewerker van de Belastingdienst, middels een verzoek, om inlichtingen vraagt. Voor de banken is met betrekking tot deze informatieverzoeken een bijzondere regeling getroffen, namelijk het Voorschrift informatie fiscus-banken.16 In het Voorschrift zijn afspraken over de invulling van de informatieverhouding tussen banken en de Belastingdienst vastgelegd en het is sinds 1984 meerdere malen geactualiseerd. De tweede informatieverplichting van banken jegens de Belastingdienst volgt uit artikel 53 lid 2 en 3 AWR.17 Op grond van die bepalingenzijn banken, met ingang van 1 januari 2001, verplicht om ook uit eigen beweging bepaalde fiscaal relevante gegevens en inlichtingen met sofinummer (thans: BSN) aan de Belastingdienst te verstrekken. In het Nederlandse recht ontbreekt thans een wettelijke bepaling die expliciet een bijzondere informatieverplichting aan banken – in het kader van derdenbeslag op bankrekeningen  – oplegt. De gerechtsdeurwaarder die vóór beslaglegging een bank zou benaderen, om zodoende informatie over de schuldenaar in te winnen, zal dit tevergeefs doen. Het mag duidelijk zijn dat de kans op een ‘verhaalsinformatielacune’ erg groot is wanneer een schuldenaar weigert informatie op te geven en ook de bank geen opgave doet. 4.2.4 De bijzondere informatieverplichting van artikel 475g Rv De wetgever heeft, met het oog op het voorkomen van kosten ten gevolge van het leggen van niet-klevende beslagen, de informatiebevoegdheden voor de deurwaarder en opgaveplichten van de schuldenaar en derden opgenomen in artikel 475g Rv. De wetgever heeft getracht een afgewogen systeem neer te leggen, waarbij verplichtingen voor zowel de schuldenaar als de beslagleggende deurwaarder gelden.18 Blijkens artikel 475g lid 1 Rv is een schuldenaar verplicht om desgevraagd zijn bronnen van inkomsten op te geven aan een deurwaarder die gerechtigd is om tegen hem beslag te leggen. De wetgever overwoog daarbij: “Tussen schuldeiser en schuldenaar bestaat, althans indien de schuld uit overeenkomst voortvloeit, een wederzijdse verplichting tot uitvoering te goeder trouw van de plichten jegens de wederpartij. Wanneer een schuldenaar, al dan niet opzettelijk, het zover heeft laten komen dat de schuldeiser beslag laat leggen, ligt het in de lijn daarvan om de schuldenaar gehouden te achten aan de deurwaarder die een opdracht heeft gekregen die beslaglegging omvat, mee te delen welke bronnen van inkomsten hij heeft. Er is geen reden om in het geval van wettelijke aansprakelijkheid, bij voorbeeld indien de schuld voortkomt uit een door de schuldenaar veroorzaakte aanrijding, hierover anders te denken. Ook door deze aansprakelijkheid is immers een rechtsband met de schuldeiser ontstaan.”19

16 17 18 19

Laatste versie: Besluit van 13 december 2012, nr. BLKB 2012/1937M, Stcrt. 2012, 26782. Art. 53 lid 2 en 3 AWR en in art. 10.8 Wet IB 2001 jo. art. 22 Uitvoeringsbesluit IB 2001. Kamerstukken II 1982/83, 17897, 1-3, p. 9. Kamerstukken II 1982/83, 17897, 1-3, p. 21.

150


4 Rekening- en saldo-informatie

Op basis van de verstrekte informatie kan de deurwaarder een inschatting maken omtrent een mogelijk te leggen beslag op die inkomsten. Wanneer hij ziet dat de inkomsten lager zijn dan de (basis) beslagvrije voet (naar huidig recht), zou het voorgenomen beslag zinloos zijn en niet gelegd worden. De informatie omtrent de inkomsten van zowel de schuldenaar als zijn echtgenoot als bedoeld in de Participatiewet zijn voorts van belang omdat bij een reeds gelegd beslag de beslagvrije voet verlaagd wordt met andere netto-inkomsten van de schuldenaar en zijn eventuele partner.20 Bij de totstandkoming van de voornoemde bepaling is er niet voor gekozen om een sanctie te stellen op het niet naleven van de informatieverplichting door de schuldenaar: “Het doorlopen van de wettelijke rente is al een prikkel voor de schuldenaar om deze verplichting na te leven, evenals wellicht het dreigement dat anders faillissement wordt aangevraagd met de kans dat de mededelingsplicht daarna met de sancties van de Faillissementswet kan worden afgedwongen.”

Tot 2015 verbond artikel 475g lid 2 Rv slechts gevolgen aan het niet opgeven door de schuldenaar van de inkomsten van diens, kort gezegd, partner. Het tweede lid bepaalde: “Zo lang als de schuldenaar desgevraagd niet aan de beslaglegger of diens vertegenwoordiger opgeeft of en hoeveel inkomen toekomt aan degene aan wie samen met hem gezinsbijstand zou kunnen toekomen, wordt de beslagvrije voet gehalveerd.”

Op het niet melden van de eigen inkomsten is deze maatregel, die als sanctie kan worden gevoeld, niet van toepassing. In dat geval mag de beslagvrije voet niet worden gehalveerd.21 Per 2015 is aan het tweede lid van artikel 475g Rv toegevoegd dat, voor zover de beslagene een alleenstaande of alleenstaande ouder is, de beslagvrije voet 72% van de voor hem geldende bijstandsnorm bedraagt indien zijn periodieke inkomen niet bekend is.22 Ook dit kan als sanctie worden gevoeld en zal de schuldenaar aansporen om zijn inkomen bekend te maken. Met de inwerkingtreding van de ‘Wet vereenvoudiging beslagvrije voet’ zal de mededelingsplicht van de schuldenaar in omvang afnemen. Artikel 475g lid 1 Rv (nieuw) zal dan luiden: “Een schuldenaar is verplicht aan een deurwaarder die gerechtigd is ten laste van hem beslag te leggen, desgevraagd zijn bronnen van inkomsten op te geven, alsmede voor de vaststelling van de beslagvrije voet benodigde gegevens te verstrekken voor zover deze gegevens niet door de deurwaarder kunnen worden verkregen op grond van de artikelen 475ga en 475gb.”

20 21 22

Aanvullende inkomsten van de echtgenoot worden op grond van art. 475d lid 5 Rv tot maximaal de helft van de beslagvrije voet verminderd. Rb. Utrecht 5 augustus 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:4893; Hof ’s-Hertogenbosch 29 juni 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:1019. Stb. 2014, 269.

151


Bestaansminimum en bankbeslag

Na de inwerkingtreding van de artikelen 475ga en 475gb Rv kan de deurwaarder de informatie omtrent de meeste van de in artikel 475c Rv genoemde inkomsten, buiten de wil van de schuldenaar, rechtstreeks vanuit de polisadministratie verkrijgen. Doorgaans zal de schuldenaar dus niet meer bevraagd hoeven te worden. Kennelijk is daardoor ook geen noodzaak meer gezien om artikel 475g lid 2 Rv in zijn huidige vorm in stand te laten. De mededelingsplicht van de schuldenaar blijft voor het overige echter ongewijzigd. Afgevraagd kan worden tot in hoeverre een schuldenaar de urgentie zal voelen om daadwerkelijk aan die verplichting te voldoen. 4.2.5 De bijzondere informatieverplichting van derden in artikel 475g Rv Het derde lid van artikel 475g Rv bevat een specifiek voor het derdenbeslag in het leven geroepen mogelijkheid voor de gerechtsdeurwaarder om informatie in te winnen bij derden, voordat beslag wordt gelegd. De eerste twee zinnen van dat lid luiden: “Een deurwaarder die gerechtigd is tegen een schuldenaar beslag te leggen, is bevoegd aan degene van wie hij vermoedt dat deze aan de schuldenaar periodieke betalingen verricht of schuldig is, te vragen of dat zo is. Ieder is verplicht hierop desgevraagd schriftelijk te antwoorden.”

In het huidige vierde lid wordt aan de deurwaarder de mogelijkheid geboden om de polisadministratie te bevragen teneinde de naam en adresgegevens van de in het derde lid bedoelde derde te achterhalen.23 Het BSN van de schuldenaar mag hiervoor worden gebruikt.24 Zoals de mededelingsplicht van de schuldenaar in het eerste lid van artikel 475g Rv is beperkt tot ‘de bronnen van inkomsten’, heeft de wetgever de informatiebevoegdheid van de deurwaarder en opgaveplicht van derden ook hier beperkt door in lid 3 te verwijzen naar ‘periodieke betalingen’. Het valt op dat de wetgever wel met de gedachte heeft gespeeld om de wettelijke opgaveplicht van artikel 475g lid 3 Rv op eenieder van wie de schuldenaar iets te vorderen heeft, te laten rusten. Met andere woorden: ook voor de vorderingen die niet periodiek worden uitbetaald. Uiteindelijk is deze aanzienlijke verruiming van de opgaveplicht niet in de wet vastgelegd; de wetgever heeft zich destijds als volgt hierover uitgelaten:25 “De gedachte is opgekomen om de opgaveplicht te leggen op ieder van wie de schuldenaar iets te vorderen heeft, ook voor vorderingen die niet periodiek worden uitbetaald. Deze gedachte is evenwel verworpen. Wanneer bijvoorbeeld aan een bank deze vraag wordt gesteld, zal zij zich in haar verhouding tot de betrokken klant verplicht voelen mee te delen dat een deurwaarder deze vraag heeft gesteld. De klant zal dan zijn tegoed kunnen opnemen voordat beslag is gelegd. Uit vrees hiervoor zou een deurwaarder van dit recht kunnen afzien door veiligheidshalve steeds meteen derdenbeslag te leggen. Hetzelfde geldt voor anderen dan bankiers. Het bijzondere van een periodieke

23 24 25

Kamerstukken II 2007/08, 31240, 3, p. 5-6. Art. 475g lid 5 en 6 Rv. Kamerstukken II 1982/83, 17897, 3, p. 22.

152


4 Rekening- en saldo-informatie

betaling is, dat deze niet ‘wegloopt’, omdat vervroegde betaling geheel of vrijwel geheel is uitgesloten. Daarom heeft een mededelingsplicht juist hier wel zin.”

Het moge duidelijk zijn dat de wetgever, gelet op het voorgaande, geen principiële keuze gemaakt heeft voor wat betreft de mogelijkheid om banken te bevragen. De overwegingen zijn duidelijk pragmatisch van aard en hangen nauw samen met het gevaar dat een verrassingseffect in een dergelijke procedure kan ontbreken, waardoor een (kwaadwillende) schuldenaar in de tussentijd zijn spaartegoeden kan verplaatsen of opnemen. De redenering van de wetgever destijds is echter curieus te noemen. De door bankinstellingen gevoelde, of zelfs bestaande, verplichting tot mededeling op grond van hun contractuele zorgplicht jegens hun klanten had immers wettelijk ingekaderd kunnen worden. In dit kader kan worden verwezen naar de EAPO-Verordening, waarin – binnen het toepassingsgebied van de Verordening – een plicht voor banken tot het verschaffen van rekeninginformatie is gecreëerd. De Nederlandse wetgever heeft in de uitvoeringswet nog eens expliciet opgenomen dat de bankinstelling de betreffende schuldenaar niet mag inlichten over het informatieverzoek, voordat het Europese beslagbevel is uitgevoerd.26 In paragraaf 4.3.2 zal inhoudelijk op deze Europese regelgeving worden ingegaan. 4.2.6 Pleidooi voor het aan de gerechtsdeurwaarder verschaffen van inzicht in de rekeningen saldogegevens Om een evenwichtige civielrechtelijke executie te bevorderen, zal de mogelijkheid om gegevens op te kunnen vragen in het kader van derdenbeslag moeten worden uitgebreid tot bankrekeningen. Immers, daardoor wordt bemoeilijkt dat de schuldenaar – in strijd met de hoofdregel van artikel 3:276 BW – vermogen definitief aan verhaal zou kunnen onttrekken. Daarnaast kan de uitbreiding van de bevragingsmogelijkheden van de deurwaarder bijdragen aan het verder voorkomen van onnodige beslagen en, daarmee, onnodige kosten voor de schuldenaar. Bij de totstandkoming van het huidige artikel 475g lid 3 Rv heeft de wetgever expliciet aangegeven dat het voorkomen van onnodige beslagen de reden voor het invoeren van de daar genoemde bevragingsmogelijkheid was.27 Niet valt in te zien waarom dit uitgangspunt slechts opgeld zou doen in de situaties waarin het beslag op vorderingen tot periodieke betalingen wordt gelegd. Het doel om executiekosten te beperken is evenzeer waardevol, wanneer verhaal wordt gezocht op het saldo van een bankrekening. Van de gerechtsdeurwaarder wordt verlangd dat hij een gerechtvaardigd vermoeden heeft omtrent het bestaan van een rechtsverhouding tussen een schuldenaar en een bankinstelling.28 In de praktijk is hij veelal af hankelijk van de door de executant aangeleverde informatie daaromtrent. Pas wanneer na het leggen van beslag de verklaring derdenbeslag

26 27 28

Art. 5 lid 3 Uitvoeringswet verordening Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen. Kamerstukken II 1982/83, 17897, 1-3, p. 21. Hof Amsterdam 28 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3081.

153


Bestaansminimum en bankbeslag

wordt ingevuld en overeenkomstig het bepaalde in artikel 476b Rv wordt geretourneerd, ontstaat meer duidelijkheid.29 De met het mogelijk nodeloze beslag gepaard gaande executiekosten zijn dan echter al gemaakt. Ook de bank zal kosten hebben gemaakt. Verrekening van die kosten op grond van de wet en de ABV zal echter onmogelijk zijn wanneer er überhaupt geen (contractuele) rechtsverhouding tussen bank en schuldenaar bestaat. Zekerheid omtrent het bestaan van een rechtsverhouding met een bankinstelling is echter niet voldoende. Indien de schuldenaar bij een bankinstelling bankiert, dient tevens de hoogte van het aangehouden saldo inzichtelijk te zijn voor de deurwaarder. Duidelijk moge immers zijn dat van het leggen van beslag zal worden afgezien wanneer de met het beslag gepaard gaande kosten, bij navraag, boven de baten uitstijgen.30 Een beter inzicht in de vermogenspositie van de schuldenaar is ook van belang wanneer een door een bankbeslag getroffen saldo boven de kosten van het beslag uitstijgt. Onlangs heeft de staatssecretaris van SZW Kamervragen beantwoord over het bankbeslag. Zij merkte op:31 “Uit (tuchtrechtelijke) jurisprudentie volgt dat er onder omstandigheden sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheid indien beslag wordt gelegd op een bankrekening die uitsluitend door uitkering of loon wordt gevoed, terwijl de beslagene geen ander inkomen heeft waaruit hij zijn primaire levensbehoeften kan voldoen en de gerechtsdeurwaarder met die omstandigheid bekend is of moest zijn. Veel hangt dus af van wat de gerechtsdeurwaarder weet of moest weten over de inkomsten en het vermogen van de schuldenaar. Dit is in de praktijk voorafgaand aan het leggen van het beslag niet altijd inzichtelijk.”

De bescherming die de beslagvrije voet aan een schuldenaar biedt wanneer beslag op vorderingen tot periodieke betalingen als bedoeld in artikel 475c Rv wordt gelegd, en de mogelijkheden om in de eerste levensbehoeften te kunnen blijven voorzien, mogen niet worden tenietgedaan wanneer beslag onder een bank wordt gelegd. Om een evenwichtige bescherming te kunnen bieden, is wetenschap omtrent de door de schuldenaar (en eventuele partner32) bij mogelijk verschillende banken aangehouden saldi noodzakelijk. Uitbreiding van de reikwijdte van artikel 475g Rv is, gezien het vorenstaande, aanbevelenswaardig. Dat geldt in de eerste plaats ten aanzien van de verplichtingen van de schuldenaar zelf. Mede gezien de reeds aangehaalde uitspraak in de zaak Tripels/Masson ligt het niet in de rede om de informatieplicht van de schuldenaar te beperken tot ‘zijn bronnen van inkomsten’. Het geldt echter tevens ten aanzien van de verplichtingen van bankinstellingen op grond van het derde lid.

29 30 31 32

In par. 1.3.4.3 is reeds opgemerkt dat het huidige modelformulier onvoldoende differentiatie kent om volledige duidelijkheid omtrent de al dan niet bestaande rechtsverhouding te verkrijgen. Uiteraard dient te worden beseft dat banksaldi aan fluctueringen onderhevig zijn en dat er tussen de voorafgaande navraag en het daadwerkelijk leggen van het beslag mutaties kunnen hebben plaatsgevonden. Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 604. Bij de vaststelling van de beslagvrije voet wordt tevens rekening gehouden met de inkomsten van de echtgenoot van de schuldenaar als bedoeld in de Participatiewet.

154


4 Rekening- en saldo-informatie

Teneinde de deurwaarder die gerechtigd is om tegen de schuldenaar beslag te leggen, op eenvoudige wijze in staat te stellen om gebruik te maken van een ruimere bevragingsmogelijkheid, zou deze de mogelijkheid moeten hebben om de verschillende in Nederland gevestigde bankinstellingen gelijktijdig te bevragen. Het is voorstelbaar dat dit via een centraal bankenregister plaatsvindt, dan wel via een daarmee gelijk te stellen digitale omgeving.33 Een dergelijk (digitaal) te bevragen register voorziet dan feitelijk in de hiervoor besproken opgaveplicht van gegevens inzake de na(a)m(en) van de bankinstelling(en) waarmee de schuldenaar en zijn eventuele echtgenoot een relatie onderhouden en de hoogte van de aanwezige saldi. Een dergelijk systeem zou de gerechtsdeurwaarder van actuele gegevens moeten kunnen voorzien, zonder dat de betrokken bankinstelling(en) ervan op de hoogte word(t)(en) gesteld indien dit systeem in het kader van een beslaglegging wordt bevraagd. Aansluitend op een in de wet te verankeren zwijgplicht omtrent het gedane informatieverzoek kan op deze wijze ook feitelijk worden voorkomen dat bankinstellingen zich genoodzaakt zien om op grond van de contractuele zorgplicht hun cliënt op de hoogte te stellen.34 Het voorgaande werd door de wetgever als argument naar voren geschoven om de wettelijke opgaveplicht van artikel 475g lid 3 e.v. Rv te beperken tot periodiek betalende derden. Het ‘verrassingseffect’ van het bankbeslag blijft derhalve in stand. Verwacht mag worden dat de doelmatigheid van de tenuitvoerlegging van (executoriale) titels wordt bevorderd, wat tevens leidt tot een lastenverlichting voor het bankwezen. Bankinstellingen worden – als gevolg van beslagen die hun doel missen – geconfronteerd met kosten die niet verhaald kunnen worden op de schuldenaar, wanneer er geen rechtsverhouding met die schuldenaar bestaat. Ook indien er wel een rechtsverhouding tussen bank en schuldenaar is, kan inzage in de hoogte van de saldi voorkomen dat rekeningen waar een onevenredig laag saldo aanwezig is, beslagen worden en vervolgens grotendeels worden aangewend ter verrekening met de door de bankinstelling gemaakte kosten. Noch de schuldeiser, noch de schuldenaar is hierbij gebaat. De door de verschillende banken gehanteerde kosten verschillen sterk35 en zijn nog relatief hoog.36 Voorafgaande bevragingen, gecombineerd met een verdere digitalisering van de afwikkeling van de wél gelegde beslagen, zouden deze kosten aanzienlijk moeten kunnen verlagen.

33 34 35 36

Opgemerkt kan worden dat de gerechtsdeurwaarders ook binnen de huidige grenzen van art. 475g Rv in een beveiligde omgeving informatie uitwisselen. Daarnaast zou het gebrek aan wetenschap van een digitaal gedane bevraging het onmogelijk maken om die informatie op andere wijze te gebruiken. Schuldinfo noemt op haar website zelfs bedragen tussen de € 100 en € 150. Geraadpleegd via: www.schuldinfo.nl/ index.php?id=53&#c258. De Geschillencommissie Bankzaken overwoog op 10 januari 2003 (dossiernr. BAN-D02/0166) het navolgende: “De bank heeft aangevoerd dat zij dagelijks wordt geconfronteerd met zeer grote aantallen beslagen, zodat het om praktische redenen niet doenlijk is per beslag een kostenbedrag vast te stellen. Het hierboven geciteerde artikel 28 van de Algemene Bankvoorwaarden brengt naar het oordeel van de Commissie echter wel mee dat het tarief moet zijn afgestemd op de werkelijk gemaakte kosten.” In de bepaling van de hoogte van de kosten wordt klaarblijkelijk rekening gehouden met alle gelegde beslagen. Ook die beslagen die geen doel troffen.

155


Bestaansminimum en bankbeslag

4.2.7 Tussenbalans De informatieverplichting van de schuldenaar in Nederland kent geen solide juridische basis. Hoewel de Hoge Raad een algemene verplichting tot het verstrekken van inlichtingen omtrent het inkomen en vermogen van de schuldenaar heeft bevestigd, is deze verplichting slechts ten dele in de wet opgenomen. Artikel 475g Rv verplicht zowel de schuldenaar als derden om inlichtingen aan de deurwaarder te verstrekken die gerechtigd is om beslag tegen de schuldenaar te leggen. De in de leden 1 en 3 gecodificeerde verplichtingen hebben echter ten onrechte slechts betrekking op periodieke inkomsten. Deze beperkte informatieverplichtingen en opgaveplichten hebben tot gevolg dat problemen omtrent het traceren van bankrekeningen niet worden opgelost. Door de gelijktijdige, digitale, bevraging van de in Nederland gevestigde bankinstellingen mogelijk te maken wordt voorkomen dat de schuldenaar – in strijd met de hoofdregel van artikel 3:276 BW – vermogen definitief aan verhaal zou kunnen onttrekken en kunnen onnodige beslagen worden voorkomen. Daarmee dienen ook de bestaande informatiebevoegdheden van de gerechtsdeurwaarder en de opgaveplichten uitgebreid te worden in artikel 475g Rv. Voorkomen moet worden dat bankinstellingen zich genoodzaakt zien om op grond van de contractuele zorgplicht hun cliënt op de hoogte te stellen van gedane bevragingen. Een zwijgplicht van de bevraagde bankinstellingen dient derhalve in de wet te worden verankerd. Daarnaast kan de wijze waarop de digitale bevragingsomgeving technisch wordt ingericht, ertoe bijdragen dat persoonsgegevens van schuldenaren niet onnodig worden verwerkt. 4.3

Europese ontwikkelingen

4.3.1 Inleiding In de vorige paragraaf werd reeds gepleit voor een uitbreiding van inzagemogelijkheden voor de gerechtsdeurwaarder in de bankgegevens van de schuldenaar. In deze paragraaf wordt beschreven hoe op Europees niveau hierin, en op een aantal andere relevante punten, faciliterend is opgetreden. Het loont de moeite te beschouwen in hoeverre de in recente Europese regelgeving aangereikte mogelijkheden en verplichtingen een uitgangspunt kunnen bieden voor de oplossingsrichting van een Nederlandse regeling aangaande een beslagvrije voet bij een beslag op de bankrekening. 4.3.2 European Account Preservation Order (EAPO) Per 18 januari 2017 is ‘Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (PbEU 2014, L 189)’ van toepassing geworden (hierna: de Verordening).37 Deze EAPO-Verordening biedt schuldeisers, binnen 37

Op grond van art. 288 VWEU werkt de Verordening rechtstreeks door in de verschillende lidstaten, echter met uitzondering van Denemarken en het Verenigd Koninkrijk.

156


4 Rekening- en saldo-informatie

het toepassingsgebied van de Verordening, de mogelijkheid om door middel van een zelfstandige Unieprocedure een communautair verlof tot het leggen van conservatoir beslag te verkrijgen.38 Dat kan voordat er in een bodemgeschil is beslist of dit zelfs maar is ingesteld, maar is ook mogelijk nadat er een executoriale titel voor de schuldvordering is verkregen.39 Het Europese beslagbevel wordt in andere lidstaten zonder speciale procedure erkend, en is direct uitvoerbaar. 40 Artikel 3 lid 1 van de Verordening bepaalt in welke gevallen een zaak als grensoverschrijdend moet worden beschouwd. Bij toepasselijkheid van de Verordening verdringt deze de Nederlandse procedure van verlofverlening voor het leggen van een conservatoir bankbeslag niet. De Verordening biedt de schuldeiser in die gevallen derhalve een alternatief. 41 Het Europese beslagbevel wordt aangevraagd door middel van een standaardformulier. 42 De schuldeiser heeft hierbij geen verplichte procesvertegenwoordiging nodig. 43 Ook voor de uitvaardiging van het beslagbevel wordt gebruik gemaakt van een standaardformulier. 44 Wanneer een schuldeiser niet over een executoriale titel beschikt, dient hij volgens artikel 6 van de Verordening het Europese beslagbevel aan te vragen bij de rechter die bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen. Indien de schuldeiser over een executoriale titel beschikt, is de rechter die de beslissing heeft gegeven bevoegd om het Europese beslagbevel uit te vaardigen. 45 In Nederland dient het Europese beslagbevel in beginsel bij de voorzieningenrechter van de rechtbank aangevraagd te worden. 46 De tenuitvoerlegging van het Europese beslagbevel geschiedt overeenkomstig de nationale procedures van de afzonderlijke lidstaten, voor zover de Verordening geen eigen regeling heeft gecreëerd. 47 De in artikel 4 lid 14 van de Verordening gedefinieerde ‘bevoegde instantie’ doet het Europese beslagbevel vervolgens ten uitvoer leggen. In Nederland is de deurwaarder als bedoeld in de Gdw daartoe aangewezen. 48 Hij handelt overeenkomstig de afdelingen 3.4.1 en 3.4.4 Rv en legt derhalve conservatoir beslag onder de bank. 49 Hoewel artikel 719 lid 2 Rv in nationale situaties eist dat de deurwaarder bij het leggen van het derdenbeslag tevens het verlof van de voorzieningenrechter en een afschrift van het verzoekschrift aan de bank betekent, heeft de Europese wetgever de privacy van partijen beter 38 39 40 41 42

Art. 2 Verordening noemt en beperkt het toepassingsgebied. Art. 5 Verordening. Art. 22 Verordening. Art. 1 lid 2 Verordening. Art. 51 Verordening. Het formulier is vastgesteld in bijlage I van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1823 (PbEU 2016, L 283). 43 Art. 41 Verordening. 44 Art. 19 Verordening. Het formulier is vastgesteld in bijlage II van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1823 (PbEU 2016, L 283) en bestaat uit een ‘Deel A’ en een ‘Deel B’. 45 Art. 5 lid 4 Verordening regelt de competentie wanneer de titel een authentieke akte betreft. 46 Art. 3 Uitvoeringswet verordening Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen. 47 Art. 23 en 46 Verordening. 48 Art. 2 lid 1 Uitvoeringswet verordening Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen. 49 Art. 2 lid 2 Uitvoeringswet verordening Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen.

157


Bestaansminimum en bankbeslag

willen waarborgen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 lid 1 van de Verordening dient bij een EAPO-beslag immers alleen Deel A van het Europese beslagbevel aan de bank te worden verstrekt.50 Deel A vermeldt alleen de informatie die voor het leggen van het beslag van belang is en de bank behoort te hebben.51 Het laat het overige, zoals een beschrijving van de achterliggende zaak, buiten beschouwing.52 Het EAPO-beslag kent ook een eigen verklaring derdenbeslag.53 De deurwaarder zal bij het leggen van het beslag ook een blanco standaardformulier aan de bank betekenen.54 Overeenkomstig het bepaalde in artikel 25 lid 1 van de Verordening dient de bankverklaring in beginsel binnen drie werkdagen door de bank te worden ingevuld en verstuurd.55 Duidelijk moge zijn dat dit qua temporisering een significante verbetering betreft ten opzichte van de Nederlandse nationale procedure, waarin deze verplichting pas na vier weken ontstaat.56 Artikel 25 lid 2 en 3 van de Verordening bepaalt aan wie de bank de ingevulde bankverklaring dient te versturen. Uitgaande van een in Nederland gelegd EAPO-beslag, wordt de bankverklaring overeenkomstig het derde lid aan de deurwaarder verstuurd, wanneer het Europese beslagbevel in een andere lidstaat is uitgevaardigd.57 Het tweede lid stelt dat de bank de bankverklaring aan de schuldeiser en het uitvaardigende gerecht dient te sturen, wanneer het Europese beslagbevel in Nederland is uitgevaardigd. De uitvoeringswet geeft de deurwaarder hier echter een intermediaire rol. De bank dient de bankverklaring derhalve aan de deurwaarder te sturen, die vervolgens voor verdere doorgeleiding zorg draagt.58 Hoewel het EAPO-beslag overeenkomstig de nationale procedure wordt gelegd, kent het een beperkter bereik dan een Nederlands derdenbeslag onder de bank. Artikel 475 Rv bepaalt immers dat alle vorderingen die de schuldenaar op de bank heeft door het beslag worden geraakt, ongeacht de hoogte van het saldo op de bankrekening. Artikel 24 van de Verordening verplicht de bank echter om het gelegde beslag tot het in het Europese beslagbevel genoemde bedrag uit te voeren.59 In de parlementaire behandeling van de uitvoeringswet is een voorbeeld gegeven waarin het verschil ten opzichte van de Nederlandse regeling tot uitdrukking komt.60 Wanneer een Europees beslagbevel voor â‚Ź 1000 is uitgevaardigd, zal in de EAPO-procedure slechts â‚Ź 1000 50

Art. 23 lid 3 Verordening stelt dan ook dat de bevoegde instantie alleen dit Deel A van het standaardformulier krijgt toegezonden wanneer het beslagbevel in een andere lidstaat is uitgevaardigd dan de lidstaat waar dit ten uitvoer moet worden gelegd. 51 Art. 19 lid 2 Verordening. 52 Volgens het bepaalde in art. 19 lid 3 Verordening wordt die informatie in Deel B genoemd. 53 Het formulier is vastgesteld in bijlage IV van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1823 (PbEU 2016, L 283). 54 Art. 23 lid 3 Verordening stelt dat de bevoegde instantie een blanco standaardformulier krijgt toegezonden wanneer het beslagbevel in een andere lidstaat is uitgevaardigd dan de lidstaat waar dit ten uitvoer moet worden gelegd. 55 Slechts in uitzonderingsgevallen mag dit op uiterlijk de achtste werkdag gebeuren. 56 Art. 720 jo. art. 476a Rv; zie hierover uitgebreid in par. 1.3.4.3. 57 Dit kan door middel van elk passend middel volgens art. 29 Verordening. 58 Art. 8 Uitvoeringswet verordening Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen. 59 Art. 27 Verordening verplicht de schuldeiser te bewerkstelligen dat het surplus wordt vrijgegeven. 60 Kamerstukken II 2015/16, 34462, 3, p. 8.

158


4 Rekening- en saldo-informatie

worden beslagen. Ook wanneer de schuldenaar op dat moment een saldo van bijvoorbeeld € 2000 op zijn rekening aanhoudt. Wanneer een Nederlands beslag zou worden gelegd, zou de gehele € 2000 onder het beslag vallen. Het moge duidelijk zijn dat een EAPO-beslag een schuldeiser hierdoor minder bescherming biedt dan het Nederlandse equivalent.61 Dit komt tot uiting in het geval dat er cumulerende beslagen worden gelegd. Stel namelijk dat, voortbouwend op het genoemde voorbeeld, ook een volgend beslagbevel voor € 1000 wordt uitgevaardigd en er vervolgens een tweede beslag wordt gelegd. De kans dat er op dat moment alleen nog de eerder beslagen € 1000 op de bankrekening staat, is aanzienlijk. De schuldenaar kon, na het eerste beslag, immers (weer) over het meerdere beschikken en kan dat meerdere inmiddels besteed hebben. Nu het eerste beslag geen preferentie schept, hebben beide schuldeisers plotseling nog maar zekerheid voor een bedrag ad € 500. De door de beide beslagen getroffen € 1000 dient immers naar evenredigheid te worden verdeeld.62 Voor de eerste beslaglegger is dit zeer onvoordelig. Toen hij zijn beslag deed leggen, stond er immers maar liefst € 2000 op de bankrekening van de schuldenaar. Bij afwikkeling naar Nederlands recht zouden beide vorderingen volledig verhaald zijn. Indien de afzonderlijke lidstaten in hun nationale regelingen een beslagvrije voet aan hun derdenbeslagen onder een bank hebben verbonden, wordt dat in de Verordening gerespecteerd.63 In dat geval bepaalt artikel 34 lid 1 van de Verordening dat aan de schuldenaar een rechtsmiddel toekomt en hij de tenuitvoerlegging van het beslagbevel kan laten beperken wanneer hiermee, ten onrechte, geen rekening is gehouden.64 Het door de deurwaarder gelegde EAPO-beslag wordt samen met de ingevulde bankverklaring en het Europese beslagbevel bekendgemaakt aan de schuldenaar.65 Indien de schuldenaar in dezelfde lidstaat woont als de lidstaat waarin het Europese beslagbevel is uitgevaardigd, vindt betekening of kennisgeving volgens artikel 28 lid 2 van de Verordening plaats overeenkomstig het recht van die lidstaat.66 In Nederland gebeurt dat op initiatief van de schuldeiser.67 Artikel 28 lid 3 van de Verordening bepaalt hoe gehandeld dient te worden indien de schuldenaar in een andere lidstaat woont dan de lidstaat waarin het Europese beslagbevel is uitgevaardigd. De stukken worden in dat geval, uiterlijk op de derde werkdag na ontvangst van de bankverklaring, opgestuurd naar de bevoegde instantie van de lidstaat waarin de

61 62 63 64 65 66 67

Art. 32 Verordening biedt het Europese beslagbevel eenzelfde rangorde als een Nederlands verlof. Art. 478 lid 1 Rv. Art. 31 lid 1 jo. art. 24 lid 2 Verordening. Kamerstukken II 2015/16, 34462, 3, p. 7. Art. 19 lid 1 Verordening bepaalt dat zowel ‘Deel A’ als ‘Deel B’ aan de schuldenaar moet worden verstrekt. In de Nederlandse vertaling van de Verordening dient ‘schuldenaar’ gelezen te worden voor de eerste keer dat in art. 28 lid 2 ‘schuldeiser’ is geschreven. Art. 9 Uitvoeringswet verordening Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen.

159


Bestaansminimum en bankbeslag

schuldenaar zijn woonplaats heeft.68 Die bevoegde instantie draagt vervolgens zorg voor kennisgeving aan de schuldenaar overeenkomstig het recht van die lidstaat.69 Door de Verordening is het in Nederland geldende recht verrijkt met een belangrijke bepaling, die ons commune recht tot op heden niet kent. De Verordening maakt het mogelijk om, voorafgaand aan een beslag, zelfs voorafgaand aan de uitvaardiging van een Europees beslagbevel, rekeninginformatie op te vragen bij een bank. Artikel 14 lid 1 (eerste alinea) van de Verordening luidt: “Indien de schuldeiser in een lidstaat een uitvoerbare rechterlijke beslissing, gerechtelijke schikking of authentieke akte heeft verkregen op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen en de schuldeiser redenen heeft om aan te nemen dat de schuldenaar een of meer rekeningen bij een bank heeft waarvan hij noch de naam en/of het adres kent, noch het IBAN, de BIC of een ander bankrekeningnummer aan de hand waarvan de bank kan worden geïdentificeerd, kan hij het gerecht waar het verzoek om een bevel tot conservatoir beslag wordt ingediend vragen de informatie-instantie van de lidstaat van tenuitvoerlegging de gegevens te laten inwinnen aan de hand waarvan de bank of banken en de rekening of rekeningen van de schuldenaar kunnen worden geïdentificeerd.”70

Artikel 4 lid 13 van de Verordening definieert de ‘informatie-instantie’ nader. In Nederland is de deurwaarder als informatie-instantie aangewezen.71 De deurwaarder verstrekt de door hem verkregen informatie niet aan de schuldeiser. Hij verstrekt die aan het betreffende gerecht.72 Het is de bank niet toegestaan om de schuldenaar op de hoogte te stellen van de bevraging totdat het Europese beslagbevel is uitgevoerd.73 De Verordening biedt de afzonderlijke lidstaten, in artikel 14 lid 5 van de Verordening, verschillende middelen om de aangewezen informatie-instantie haar taak te laten uitvoeren. Nederland heeft aan willen sluiten bij de vangnetbepaling als verwoord in onderdeel d.74 De deurwaarder is bevoegd om rekeninginformatie op te vragen bij in Nederland gevestigde banken. De bank dient daarop vervolgens met bekwame spoed te antwoorden.75 De Nederlandse wetgever heeft vooralsnog niet willen opteren voor de verkrijging van informatie middels een bankenregister.76 Wel heeft de wetgever gemeend dat hier in de toekomst alsnog voor zou

68 Het recht van de lidstaat van herkomst van het beslagbevel is in dat geval bepalend voor de vraag op wiens initiatief dat dient te geschieden. 69 Art. 28 lid 4 Verordening geeft een regeling voor de gevallen waarin de schuldenaar in een derde staat woont. 70 Indien de executoriale titel nog niet uitvoerbaar is, kan desalniettemin rekeninginformatie worden verkregen wanneer het bedrag waarop het beslag moet worden gelegd aanzienlijk is en het gerecht voldoende bewijsmateriaal verstrekt krijgt, waaruit blijkt dat de informatie, kort gezegd, dringend moet worden verstrekt. 71 Art. 5 lid 1 Uitvoeringswet verordening Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen. 72 Art. 14 lid 6 Verordening. 73 Art. 5 lid 3 Uitvoeringswet verordening Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen. 74 Te weten: “elk ander middel dat doeltreffend en doelmatig is om de relevante informatie te verkrijgen, mits deze niet onevenredig kostbaar zijn of onevenredig veel tijd vergen”. 75 Art. 5 lid 2 Uitvoeringswet verordening Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen. 76 Art. 14 lid 5, onderdeel a, Verordening.

160


4 Rekening- en saldo-informatie

kunnen worden gekozen indien in een dergelijk register wordt voorzien voor de nationale procedure. De kosten voor het optuigen van een dergelijk register werden echter buitenproportioneel geacht zolang het toepassingsgebied beperkt blijft tot de Europese procedure.77 Op welke wijze het verzoek aan de bank dient te worden gedaan en op welke wijze die bank vervolgens dient te antwoorden, is niet nader bepaald. De communicatie moet echter efficient zijn.78 Hoewel de gerechtsdeurwaarder bevoegd is om alle banken te bevragen, heeft ook de uitvoeringswetgever onderkend dat dat praktisch niet uitvoerbaar is binnen de thans geboden technische infrastructuur en door de gemaakte keuzes. De wetgever voelde zich daardoor genoodzaakt om op te merken dat de gerechtsdeurwaarder vooralsnog navraag dient te doen bij, in elk geval, de bank die in het verzoek van de schuldeiser wordt genoemd. In andere gevallen zal de gerechtsdeurwaarder in ieder geval de vijf grootste banken moeten bevragen.79 Het blijft uiteraard onbevredigend wanneer de in de Verordening geboden juridische mogelijkheden door feitelijkheden niet optimaal worden benut. In het huidige artikel 475g lid 3 Rv heeft de nationale wetgever de deurwaarder de bevoegdheid gegeven om aan degene van wie hij vermoedt dat deze periodieke betalingen aan de schuldenaar verricht of schuldig is, te vragen of dat zo is. De deurwaarder komt deze bevoegdheid toe wanneer hij gerechtigd is om tegen die schuldenaar beslag te leggen. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever heeft overwogen dat een voorafgaande bevragingsmogelijkheid nodeloze beslagleggingen helpt te voorkomen.80 Zonder de voorafgaande bevragingsmogelijkheid zal derhalve eerder tot beslaglegging worden overgegaan en verneemt de deurwaarder pas na ontvangst van de derdenverklaring tot in hoeverre het gelegde beslag zinvol is gebleken. De aan het beslag verbonden kosten zijn dan echter al gemaakt. Voor beslagen op niet-periodieke betalingen geldt evenzeer dat moet worden voorkomen dat zij nodeloos worden gelegd. Ten opzichte van het Nederlandse commune recht heeft de Europese wetgever, met de totstandkoming van artikel 14 van de Verordening, een duidelijke voortrekkersrol vervuld bij de realisering daarvan. De Europese regeling zou de Nederlandse wetgever moeten aansporen om de nationale wetgeving op dit punt verder te moderniseren. Het lijkt immers moeilijk verklaarbaar dat een bevoegd gerecht uit de afzonderlijke lidstaten een deurwaarder opdracht kan geven om, in het kader van de Verordening, rekeninginformatie te verkrijgen, terwijl de deurwaarder geen rekeninginformatie kan verkrijgen wanneer hij zijn nationale wettelijke taak uitoefent.81 77 78 79 80 81

Kamerstukken II 2015/16, 34462, 3, p. 12. Kamerstukken II 2015/16, 34462, 3, p. 13. Kamerstukken II 2015/16, 34462, 3, p. 12-13. Kamerstukken II 1982/83, 17897, 3, p. 21-22. In dat geval zal de gerechtsdeurwaarder niet een gelijk de Verordening gecreĂŤerde rol van ‘informatie-instantie’ innemen en vervolgens als intermediair met een rechtbank communiceren, maar een in het verlengde van het huidige art. 475g lid 3 Rv vormgegeven bevoegdheid uitvoeren. Daarbij zou de rekeninginformatie zich ook tot de saldo-informatie moeten uitstrekken.

161


Bestaansminimum en bankbeslag

4.3.3 Payment Service Directive II (PSD2) De herziene Payment Service Directive bewerkstelligt een verdere uniformering van het betalingsverkeer binnen de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte.82 Deze PSD2-Richtlijn diende uiterlijk op 13 januari 2018 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Nederland had reeds te kennen gegeven deze termijn niet te kunnen halen.83 De PSD2-Richtlijn maakt het, binnen zijn toepassingsgebied, onder meer mogelijk voor derden om inzage te verkrijgen in rekeninginformatie wanneer de betaalrekening online raadpleegbaar is.84 Het is denkbaar dat de technische infrastructuur die daarvoor noodzakelijk is, ook bruikbaar is bij het realiseren van een technische verbetering in de uitvoering van de bestaande bevragingen door gerechtsdeurwaarders, zodat alle banken tegelijkertijd bevraagd kunnen worden. Die bestaande technische infrastructuur zal dan evenzeer een rol kunnen spelen bij de uitvoering van nieuw te creëren bevragingsmogelijkheden in ons nationale recht, waaronder de ontsluiting van saldo-informatie. 4.4

Concluderende slotopmerkingen

Met de komst van de EAPO-Verordening is binnen het Nederlandse rechtsbestel een nieuw bankbeslag geïntroduceerd dat vervolgens deel uitmaakt van een meer omvattende procedure. De communautaire wetgever heeft daarbij keuzes gemaakt en mogelijkheden gecreëerd die dienstig zijn in ons nationale Nederlandse stelsel. De uitvoering en afwikkeling van EAPO-beslagen kent enkele verschillen ten opzichte van die van Nederlandse (executoriale) bankbeslagen. Vooral de andere verklaringstermijn valt daarbij op. Daar waar onze nationale verklaring derdenbeslag na vier weken door de derde moet worden ingevuld en geretourneerd, heeft de communautaire wetgever een termijn van drie werkdagen redelijk geacht. Indien eenzelfde keuze door de Nederlandse wetgever wordt gemaakt, zou dat tot gevolg hebben dat een executoriaal bankbeslag sneller kan worden afgewikkeld dan nu het geval is. Een schuldenaar kan dan eerder weer volledig over zijn bankrekening beschikken en het aantal cumulerende beslagen zal afnemen. Daarnaast geldt dat de introductie van de bevragingsmogelijkheid als genoemd in artikel 14 van de Verordening de wetgever zou moeten inspireren om de bevragingsbevoegdheid van artikel 475g Rv uit te breiden. De dan te verstrekken rekeninginformatie zou in dat geval, zoals reeds bepleit in paragraaf 4.2, niet beperkt moeten blijven tot gegevens aan de hand waarvan kan worden geïdentificeerd bij welke bank(en) een schuldenaar bankiert en wat de bankrekeningnummers zijn. Ook saldo-informatie zou verkregen moeten kunnen worden. De bevraging van de banken kan daardoor een breder doel dienen dan het in de Verordening

82

Richtlijn (EU) nr. 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PbEU 2015, L 337). 83 Kamerstukken II 2017/18, 32013, 146 (Kamerbrief). 84 Art. 67 PSD2-Richtlijn.

162


4 Rekening- en saldo-informatie

vooropgestelde gerechtvaardigde doel om verhaalsmogelijkheden van een schuldenaar te achterhalen. Hoewel de deurwaarder op grond van het bepaalde in artikel 14 van de Verordening alle in Nederland gevestigde banken mag bevragen, is dat praktisch nog lastig uitvoerbaar. Gezien het beperkte toepassingsgebied van de EAPO-Verordening, heeft de Nederlandse wetgever vooralsnog niet willen investeren in een systeem dat de gelijktijdige bevraging van alle banken op eenvoudige wijze mogelijk maakt. Wanneer het bevragen van de banken ook ten behoeve van ons nationale beslag- en executierecht mogelijk wordt gemaakt, zal een dergelijk systeem echter onontbeerlijk zijn. De technische infrastructuur die noodzakelijk is om uitvoering te kunnen geven aan de PSD2-Richtlijn, kan daar wellicht een rol van betekenis vervullen.

163


Hoofdstuk 5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief

A.W. Jongbloed, A.C.C.M. Uitdehaag en M.I. Cazemier

5.1

Inleiding

De in het vorige hoofdstuk besproken EAPO-Verordening (nr. 655/2014) bepaalt in artikel 31 lid 1: “Bedragen die krachtens het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging niet voor conservatoir beslag vatbaar zijn, zijn evenmin krachtens deze verordening voor conservatoir beslag vatbaar.”

Hiermee heeft de Europese wetgever reeds geanticipeerd op nationale regelingen aangaande beslagbeperkingen, zoals een buiten het beslag te laten bedrag bij een bankbeslag. Dit hoofdstuk biedt een beknopt overzicht van hoe het bankbeslag elders in Europa is geregeld, waarbij kan worden geconstateerd dat de meeste landen daarbij een beslagbeperking ter bescherming van het bestaansminimum van de schuldenaar kennen. In dit licht is het moeilijk voorstelbaar dat – waar veruit de meeste andere Europese lidstaten wetgeving hebben gecreëerd – Nederland achterblijft. De huidige Nederlandse regeling is niet optimaal. Het is de wetgever, ondanks dat in jurisprudentie veelvuldig naar juist die wetgever is verwezen voor de formulering van een eenduidige regeling, tot dusver niet gelukt om het bankbeslag onder de reikwijdte van de beslagvrije voet te brengen. Reeds daarom is het verstandig te bekijken welke oplossing in andere landen is gekozen. Heeft een gerechtsdeurwaarder elders de mogelijkheid om zich ervan te vergewissen bij welke bankinstelling iemand een rekening aanhoudt en, nog interessanter, om na te gaan of een beslag effect zal sorteren? In de voorgaande hoofdstukken is immers duidelijk geworden dat inzicht in het saldo op de verschillende op naam van de schuldenaar (en zijn eventuele partner) staande rekeningen noodzakelijk is om te kunnen bepalen welk deel van een saldo buiten het beslag dient te blijven, alsmede onnodige kosten voor niet-klevende beslagen te voorkomen. Uiteraard is het niet mogelijk om alle rechtsstelsels onder de loep te nemen. Gelet op de omvang en het tijdsbeslag moest een keuze worden gemaakt. Allereerst werden de in ogenschouw te nemen landen beperkt tot Europa. Daarna werd gekeken naar landen met een rechtsstelsel dat (enigszins) vergelijkbaar is met dat van Nederland, naar landen waar wetgeving al geruime tijd bestaat en naar landen die tamelijk recent voor de keuze stonden

165


Bestaansminimum en bankbeslag

regelgeving te ontwikkelen. Een laatste beperking was erin gelegen dat informatie beschikbaar moest zijn. Wat dit laatste betreft prijzen we ons gelukkig met de contacten die we via UIHJ,1 UEHJ2 en IJI3 konden benaderen. Het spreekt voor zich dat noch onze oosterburen, noch onze zuiderburen, noch onze buren aan de overkant van de Noordzee mochten ontbreken. Dat betekent aandacht voor Duitsland, België/Luxemburg/Frankrijk en Engeland/ Schotland. Verder is gekozen voor Scandinavië (Denemarken/Noorwegen/Zweden) en Finland, de Baltische staten (Estland/Letland/Litouwen), het Iberisch schiereiland (Portugal/ Spanje), Bulgarije alsook Tsjechië en Slowakije. 5.2

Duitsland

Wil in Duitsland beslag worden gelegd op een bankrekening, dan dient er sprake te zijn van een executoriale titel. Dit past in het bestaande beeld dat beslaglegging in Duitsland pas aan de orde kan komen als er sprake is van een executoriale titel. 4 Op basis van de executoriale titel kan de voor de schuldenaar relatief bevoegde executierechter (Vollstreckungsgericht) een beslagleggingsbevel (Pfändungsbeschluss) uitvaardigen. Hierna is het de taak van de deurwaarder om het beslagleggingsbevel te betekenen. Met de betekening van dit beslagleggingsbevel, door de gerechtsdeurwaarder, wordt het beslag gelegd. Het beslag wordt aan de schuldenaar overbetekend, die vervolgens binnen veertien dagen bezwaar (Widerspruch) kan aantekenen tegen het gelegde beslag.5 Het beslag sorteert pas effect na de (over)betekening, en dat betekent dat het beslagleggingsbevel behalve aan de derde ook aan de schuldenaar moet worden betekend. De Duitse gerechtsdeurwaarder is bekend met waar de schuldenaar bankiert: op basis van het verzoek tot tenuitvoerlegging is de gerechtsdeurwaarder namelijk gerechtigd om deze gegevens (Kontenstammdaten) op te vragen, mits de informatie niet op andere wijze van de schuldenaar kon worden verkregen en mits de vordering hoger is dan € 500. De opgevraagde gegevens beperken zich tot de informatie bij welke instelling de schuldenaar bankiert; gegevens inzake het saldo of de aard van de bankrekening worden niet verstrekt. Opmerkelijk zijn de wettelijke bepalingen inzake opheffing of schorsing van het beslag. Na de beslaglegging – derhalve na betekening van het beslagbevel door de deurwaarder – is er geen rol meer weggelegd voor de executierechter en de deurwaarder. Slechts de schuldeiser en de schuldenaar zijn dan nog bij het beslag betrokken. Heeft de schuldeiser zijn geld

1 2 3 4 5

Zie voor de op vier continenten (alleen niet in Oceanië) actieve Union internationale des huissiers de justice et officiers judiciaires www.uihj.com. De European Union of Judicial Officers (in het Frans: Union européenne des huissiers de justice) is een internationale ngo, op 14 juli 2016 opgericht naar Belgisch recht, en heeft haar hoofkwartier in Brussel; zie www.uihj.com/ en/european-union-of-judicial-officers-constitutive-general-assembly-for-its-25-member-countries_2166309.html. Het in Den Haag gevestigde Internationaal Juridisch Instituut; zie www.iji.nl. Duitsland kent wel de in §§ 916-945 ZPO (Zivilprozessordnung; het Duitse Rv) geregelde Arrest-Anspruch, die enige gelijkenis vertoont met het Nederlandse conservatoire beslag, maar met een veel uitgebreidere substantiëringsplicht voor de eiser. Vgl. §§ 829, 835, 840, 850c en 850k ZPO; de bepalingen zijn op internet te vinden: www.gesetze-im-internet.de/zpo.

166


5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief

ontvangen of wil hij het beslag op de bankrekening om andere redenen niet meer voortzetten, dan moet hij dit aan de bank kenbaar maken en deze verzoeken de gelegde beslagen op te heffen. Slechts in het kader van een beslagleggingsopdracht kan de deurwaarder gegevens over de bankrekening in het algemeen verkrijgen (zoals vermeld niet over de soort rekening of over het saldo).6 En dan alleen als de informatie over diens vermogen niet van de schuldenaar zelf kon worden verkregen, wanneer deze niet op de zitting daarover verschenen is, en de vordering hoger is dan € 500.7 De executierechter mag deze gegevens niet verzamelen: hij beslist uitsluitend op grond van de informatie die de deurwaarder verstrekt en hij controleert deze informatie niet (want hij mag ervan uitgaan dat de informatie juist is). Wordt beslag gelegd – dit kan op verschillende bankrekeningen tegelijkertijd –, dan omvat dit in principe het gehele tegoed, behoudens de beperking op grond van § 850k ZPO: het Pfändungsschutzkonto (zie hierna). Het beslag blijft van kracht totdat de vordering is ingelost, maar anders dan in Nederland omvat het beslag ook de gelden die na het beslag zijn bijgeschreven.8 De kosten verbonden aan het leggen van beslag op een bankrekening zijn beperkt, zeker in vergelijking met Nederland, waar al snel een bedrag van ten minste € 100 in rekening wordt gebracht. Het gaat om circa € 20 voor de uitvaardiging van het beslagbevel door de executierechter en € 35 voor het betekenen door de deurwaarder. Speciaal is dat het de banken in principe niet is toegestaan om de schuldenaar voor het beslag kosten in rekening te brengen, maar niet alle banken houden zich hieraan. De belangrijkste beperking voor beslaglegging op een bankrekening is gelegen in het bestaan van een Pfändungsschutzkonto, ofwel een P-bankrekening (P-Konto, § 850k ZPO). Hierin is het Duitse systeem uniek. Moest de schuldenaar vroeger een beroep doen op de rechter om een bedrag voor levensonderhoud per maand vrij te stellen van beslaglegging, met de invoering van de P-Konto is automatisch een bedrag van € 1073,88 (2017) vrijgesteld van beslag. Het beslagvrije bedrag geldt voor zowel personen met een inkomen als personen met een uitkering.

6

7

8

Duitsland kent de zogenaamde Schutzgemeinschaft für allgemeine Kreditsicherung (Schufa, qua functionaliteit vergelijkbaar met de Nederlandse BKR-regeling, in die zin dat informatie wordt bijgehouden over de kredietwaardigheid van particulieren). Duitse schuldeisers kunnen, reeds voorafgaand aan het verkrijgen van een executoriale titel, tegen een zekere vergoeding informatie over hun schuldenaar verkrijgen, waaronder relevante (bank)rekeninggegevens (§ 788 ZPO). Terzijde kan worden gewezen op de strafrechtelijke sanctie die het Duitse recht kent op het afleggen van een onjuiste verklaring. Het vormt een belangrijke grondslag onder de hier beschreven subsidiariteit van het Duitse systeem. In 2013 is de wet ‘Gesetz zur Reform der Sachaufklärung in der Zwangvollstreckung’ in werking getreden. Op grond van deze wet kan de schuldeiser de Gerichtsvollzieher verzoeken om de schuldenaar een verklaring onder ede te laten afnemen (§ 807 jo. § 899 ZPO). Bij weigering, of een valse verklaring, kan een vrijheidsstraf voor maximaal zes maanden worden opgelegd (§ 901 ZPO). Opmerkelijk is dat zodra het beslag is gelegd, noch de gerechtsdeurwaarder, noch de rechtbank langer is betrokken. Het beslag speelt zich verder af tussen schuldeiser en schuldenaar. De schuldeiser (niet de gerechtsdeurwaarder) is verplicht zodra er geen reden meer is om het beslag te handhaven, de bank hierover te informeren.

167


Bestaansminimum en bankbeslag

Iedere schuldenaar kan bij zijn bankinstelling verzoeken dat zijn bankrekening (slechts één rekening) als P-bankrekening in de zin van § 850k ZPO wordt aangemerkt. In dat geval gelden de beperkingen op grond van § 850c ZPO, volgens welke er bijvoorbeeld voor een schuldenaar die geen onderhoudsverplichtingen heeft, af hankelijk van zijn netto-inkomen, ten minste circa € 1075 per maand op zijn bankrekening over moet blijven (een beslagvrije voet). De schuldenaar kan steeds tot het einde van de kalendermaand over dat saldo blijven beschikken. Voor zover de schuldenaar in de desbetreffende kalendermaand niet over het tegoed ter hoogte van het beslagvrije bedrag heeft beschikt, wordt dit surplus in de volgende kalendermaand bij het ‘nieuwe’ beschermde tegoed opgeteld en wordt hierop eveneens geen beslag gelegd. Een verhoging vindt eveneens plaats met de kinderbijslag of andere uitkeringen voor kinderen, tenzij hierop beslag is gelegd vanwege een alimentatievordering door het kind voor wie de uitkeringen worden betaald of bij wie er rekening mee wordt gehouden. Is er geen P-bankrekening aangewezen, dan wordt op alle bankrekeningen beslag gelegd zonder enige beperking. Tot slot een aan Bundesgesetzblatt 2017, Teil I, p. 750 e.v. ontleend cijfermatig schema omtrent de bedragen die gelden t/m 30 juni 2019.9 Kort gezegd komt het erop neer dat sprake is van een basisbedrag dat wordt verhoogd met zeven tiende van het extra inkomen als de schuldenaar niemand anders onderhoudt, vijf tiende van het extra inkomen als de schuldenaar één persoon onderhoudt, vier tiende van het extra inkomen als de schuldenaar twee personen onderhoudt, drie tiende van het extra inkomen als de schuldenaar drie personen onderhoudt, twee tiende van het extra inkomen als de schuldenaar vier personen onderhoudt en een tiende van het extra inkomen als de schuldenaar vijf of meer personen onderhoudt. Pfändungstabelle 2017 bis 2019 (Auszahlung monatlich) Pfändbarer Betrag bei Anzahl unterhaltsberechtigter Personen 0 1 2 3 4 bis 1.139,99 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 1.140,00 € bis 1.149,99 € 4,34 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 1.560,00 € bis 1.569,99 € 298,34 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 1.570,00 € bis 1.579,99 € 305,34 € 4,75 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 1.790,00 € bis 1.799,99 € 459,34 € 114,75 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 1.800,00 € bis 1.809,99 € 466,34 € 119,75 € 0,70 € 0,00 € 0,00 € 2.030,00 € bis 2.039,99 € 627,34 € 234,75 € 92,70 € 0,00 € 0,00 € 2.040,00 € bis 2.049,99 € 634,34 € 239,75 € 96,70 € 1,21 € 0,00 € 2.270,00 € bis 2.279,99 € 795,34 € 354,75 € 188,70 € 70,21 € 0,00 € 2.280,00 € bis 2.289,99 € 802,34 € 359,75 € 192,70 € 73,21 € 1,26 € 2.510,00 € bis 2.519,99 € 963,34 € 474,75 € 284,70 € 142,21 € 47,26 € 2.520,00 € bis 2.529,99 € 970,34 € 479,75 € 288,70 € 145,21 € 49,26 € 3.470,00 € bis 3.475,79 € 1.635,34 € 954,75 € 668,70 € 430,21 € 239,26 € Der Mehrbetrag über € 3.475,79 ist voll pfändbar

Nettolohn monatlich

9

Vgl. www.bgbl.de.

168

≥5 0,00 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 0,00 € 0,86 € 95,86 €


5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief

5.3

België/Luxemburg/Frankrijk

Omdat de regelingen in deze landen op de belangrijkste punten vergelijkbaar zijn, wordt allereerst de Belgische regeling beschreven, waarna (relevante) afwijkende onderdelen uit de Luxemburgse en Franse regeling de revue passeren. 5.3.1 België In België 10 wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds het zogeheten bewarend (ofwel conservatoir) beslag, dat is geregeld in artikel 1445 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek en dat iedere schuldeiser de mogelijkheid geeft om op grond van authentieke of onderhandse stukken onder een derde bewarend beslag te leggen op de bedragen of zaken die deze aan zijn schuldenaar verschuldigd is,11 en anderzijds het uitvoerend (ofwel executoriaal) beslag, dat een plaats heeft gevonden in artikel 1539 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek. Een uitvoerend beslag kan slechts worden gelegd wanneer de schuldeiser in het bezit is van een uitvoerbare titel (zoals een vonnis, arrest of dwangbevel) die betekend is aan de schuldenaar. Is de schuldeiser in het bezit van een uitvoerbare titel, dan kan deze door middel van een deurwaardersexploot overgaan tot een uitvoerend beslag onder de bank op de bedragen die deze verschuldigd is aan haar schuldenaar. Vanaf het moment van ontvangst van de door de deurwaarder opgemaakte akte houdende derdenbeslag mag de derde-beslagene de sommen of zaken die voorwerp zijn van het beslag niet meer uit handen geven. Anders kan hij tot ‘gewoon schuldenaar’ worden verklaard voor de vordering waarvoor het beslag werd gelegd. Het beslag wordt bij deurwaardersexploot binnen acht dagen aan de beslagen schuldenaar aangezegd. Binnen vijftien dagen na de aanzegging van het beslag kan de schuldenaar in verzet komen tegen het beslag bij de beslagrechter. Op zijn vroegst twee dagen na het verstrijken van die termijn van vijftien dagen is de derde-beslagene ertoe gehouden afgifte te doen, in handen van de gerechtsdeurwaarder, van het bedrag van het beslag. Hoewel België diverse registers kent, bestaat er geen register waarin de bankrekeningen van burgers zijn opgenomen. Evenzo is de gerechtsdeurwaarder voor de inbeslagname niet op de hoogte van de status van de bankrekeningen van de schuldenaar. Wanneer de gerechtsdeurwaarder over een uitvoerbare titel beschikt en hij opdracht heeft gekregen beslag te leggen op een bankrekening, dan legt de gerechtsdeurwaarder beslag bij de bank, die aan hem, indien van toepassing, in de verklaring van derde-beslagene het aantal rekeningen mededeelt op naam van de schuldenaar en het saldo van die rekeningen. De verklaring kan ook de melding bevatten dat de bank geen schuldenaar (meer) is van de partij waartegen beslag wordt gelegd. Het uitgangspunt bij het leggen van beslag onder de bank is dat de gerechtsdeurwaarder, net als in het kader van elk beslag, het zogeheten beginsel van het collectieve effect van het beslag in acht moet nemen (vgl. art. 1627 e.v. Gerechtelijk Wetboek): de beslagleggers staan

10 11

De bepalingen zijn op internet te vinden: www.belgischrecht.be/codex.asp#jud. Tot 1992 bestond deze mogelijkheid ook in Nederland. Wanneer er geen titel bestaat, kan de rechter op grond van een verzoekschrift bewarend beslag toelaten. Dat is conform de huidige Nederlandse praktijk van art. 700 Rv.

169


Bestaansminimum en bankbeslag

in rang gelijk en een beslag schept geen preferentie. Dit brengt met zich dat het voorwerp van het beslag daarvan de kern vormt en niet de redenen van het beslag, zoals de hoogte van de vordering. Dit collectieve effect brengt met zich mee dat het beslag in beginsel de gehele bankrekening treft. Maar de gerechtsdeurwaarder kan met instemming van de schuldeiser een deel van de bankrekening of, in geval van diverse bankrekeningen, een gehele bankrekening weer vrijgeven ten gunste van de rekeninghouder. Wat na de beslaglegging op de bankrekening wordt gestort, valt niet onder het beslag. Uiterlijk vijftien dagen na het beslag nodigt de gerechtsdeurwaarder de schuldeisers die beslag of verzet hebben gedaan uit om binnen vijftien dagen aan hem een aangifte van hun schuldvordering te doen. Bij het verstrijken van deze tweede termijn van vijftien dagen, en uiterlijk binnen vijftien dagen na het verzoek dat de meest gerede partij hem daartoe heeft gedaan, maakt de gerechtsdeurwaarder een ontwerp van verdeling, dat hij aan de schuldeisers en de beslagen schuldenaar stuurt. Deze laatsten beschikken vervolgens weer over een termijn van vijftien dagen om de voorgestelde verdeling te betwisten. Wanneer geen betwisting heeft plaatsgevonden, is de gerechtsdeurwaarder gehouden de gelden overeenkomstig het ontwerp te verdelen, zodra de bovengenoemde termijn is verstreken. Is er wel sprake van een betwisting, dan beslist de beslagrechter over de vóór hem gemaakte zwarigheden en sluit de lijst van de verdeling der gelden af. In de tussentijd worden deze in bewaring gegeven bij de Deposito- en Consignatiekas onder aftrek van de kosten van het beslag en het proces-verbaal van verdeling. Binnen vijftien dagen na de uitspraak wordt het vonnis aan alle partijen kennisgegeven. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld, zendt de griffie de verdelingstabel aan de Deposito- en Consignatiekas. Deze kas keert aan iedere partij het door de rechter aan die partij toegekende bedrag uit. De bedragen die niet toekomen aan de schuldeisers worden derhalve terugbetaald aan de beslagen partij. Weliswaar hanteert de wetgever de hierboven genoemde termijnen van vijftien dagen zodat de procedure tamelijk vlot kan verlopen, maar de procedure kan worden vertraagd door de hiervoor genoemde betwisting met eventueel hoger beroep. Voor de honorering van deze ambtshandeling moet worden teruggegrepen op de tarifering voor deurwaardersakten in het algemeen, die is geregeld in het ‘Koninklijk besluit van 30 november 1976 tot vaststelling van het tarief voor akten van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van het tarief van sommige toelagen’. Dit tarief wordt door alle gerechtsdeurwaarders toegepast. De exacte hoogte van het gevraagde bedrag hangt echter af van de omstandigheden van het geval, het aantal derde-beslagenen, incidenten in de procedure, etc. Beslag leggen op een bankrekening kent de nodige beperkingen, die zijn opgenomen in artikel 1409 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat op bedragen uitgekeerd ter uitvoering van met name een arbeidsovereenkomst tot aan een bedrag van € 1073 in het geheel geen beslag kan worden gelegd. Op bedragen tussen € 1073 en € 1391 kan gedeeltelijk beslag worden gelegd en op bedragen boven € 1391 is

170


5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief

beslag mogelijk. Het voor overdracht vatbare bedrag wordt verminderd met € 66 per ten laste komend kind. Artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek maakt ditzelfde beginsel toepasbaar op bepaalde bedragen die onder andere omstandigheden worden ontvangen, met name uitkeringen tot onderhoud, werkloosheidsuitkeringen, uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, etc. Wanneer een persoon diverse uitkeringen ontvangt, kunnen de bedragen bij elkaar worden opgeteld om het voor beslag vatbare bedrag te bepalen. Deze beperkingen gelden echter niet wanneer het beslag wordt gelegd vanwege alimentatieverplichtingen. Deze beperkingen gelden eveneens als de hierboven bedoelde bedragen worden bijgeschreven op een lopende rekening. Derhalve worden de bedragen die de werkgever van de schuldenaar op zijn lopende rekening stort, vermoed gedeeltelijk niet vatbaar te zijn voor beslag tot het tegendeel bewezen is. In de praktijk is in een Koninklijk Besluit houdende uitvoering van het artikel 1411bis § 2 en 3 van het Gerechtelijk Wetboek een codering uitgewerkt. Zo moet de opdrachtgever voor de overschrijving van een in artikel 1409 of 1410 van het Gerechtelijk Wetboek bedoeld bedrag op een lopende rekening (rekening-courant) een code doorgeven aan zijn financiële instelling, die deze doorgeeft aan de financiële instelling waar de lopende rekening van de geadresseerde zich bevindt. Deze code wordt vermeld op het afschrift van de lopende rekening. De hier vermelde beperkingen gelden gedurende een periode van dertig dagen van de bijschrijving van deze bedragen op de lopende rekening, tenzij deze voorwerp zijn van overschrijving van een totaalbedrag dat betrekking heeft op een langere looptijd dan een maand. De berekening van het niet voor beslag vatbare bedrag op de lopende rekening gebeurt naar evenredigheid van het aantal resterende dagen. In geval van beslag doet de kredietinstelling in de aangifte van derdenbeslag opgave van de in de periode van dertig dagen voorafgaand aan de beslagdatum gecrediteerde bedragen met een code. Het niet voor beslag vatbare gedeelte blijft op de bankrekening van de schuldenaar staan. Hoewel er geen wettelijke bepaling bestaat die een G-rekening regelt, komt het in de praktijk voor dat bepaalde banken om organisatorische redenen een speciale rekening kennen waarop het saldo wordt gestort. 5.3.2 Luxemburg De Luxemburgse regeling 12 stemt op hoofdlijnen overeen met de Belgische. Wel zijn de te hanteren termijnen korter. Zo moet na de beslaglegging daarvan binnen acht dagen kennis worden gegeven aan de beslagschuldenaar om hem met name in staat te stellen zich te verweren. Deze kennisgeving bevat ook een dagvaarding tot vanwaardeverklaring van het gelegde beslag. Deze kennisgeving van het beslag wordt tot slot binnen acht dagen (over)betekend aan de derde-beslagene. Zodra deze formaliteiten verricht zijn, gaat de derde-beslagene over tot betaling. Deze betaling vindt plaats, ongeacht of er sprake is van betwisting. 12

De bepalingen zijn op internet te vinden: legilux.public.lu/eli/etat/leg/code/procedure_civile/20150901.

171


Bestaansminimum en bankbeslag

Opmerkelijk is dat wordt aangegeven dat wat na de beslaglegging op de bankrekening wordt gestort niet onder het beslag valt, maar dat een en ander onmogelijk is te controleren. Dat zal samenhangen met het Luxemburgse bankgeheim, dat in Nederland met name bekend is door de KB Lux-affaire en de daarna gevoerde procedures.13 Evenzo bestaat er een register van de bankrekeninghouders en heeft de deurwaarder geen zicht op het saldo op de rekening. De schuldenaar kan in verzet komen tegen het beslag door te verzoeken om intrekking (waarbij het beslag wordt vernietigd) of om kantonnement (beperking) van het beslag. Een dergelijk verzoek moet worden ingediend bij de rechtbank van de woonplaats van de beslagene. Noch de gerechtsdeurwaarder, noch de bank beschikt over de mogelijkheid om het beslag op te heffen. Anders dan in België bestaat er geen beperking bij een beslaglegging op bijvoorbeeld arbeidsinkomsten die door de werkgever op de bankrekening van zijn werknemer zijn gestort: er kan beslag gelegd worden op het hele salaris dat op de bankrekening is gestort. 5.3.3 Frankrijk Frankrijk kent in de Code des procédures civiles d’exécution (het Franse wetboek betreffende de tenuitvoerlegging in civiele zaken)14 wel beperkingen. Zo houdt artikel L211-1 15 in dat wie over een executoriale titel beschikt derdenbeslag kan leggen, maar onder voorbehoud van de bijzondere bepalingen inzake het beslag op beloningen zoals geregeld in de Code du travail (de Franse Arbeidswet). Ook hier dient het gelegde beslag binnen een termijn van acht dagen te worden medegedeeld aan de schuldenaar, maar die krijgt vervolgens op grond van artikel R211-3 een termijn van één maand voor betwisting. Bij de betekening wordt ook vermeld een schatting van het bedrag dat ten behoeve van levensonderhoud ter beschikking blijft van de schuldenaar (vgl. art. R162-2) alsmede de rekening(en) waarop deze terbeschikkingstelling wordt toegepast. Franse deurwaarders kunnen gericht beslag leggen op een bankrekening, omdat Frankrijk het Fichier des comptes bancaires (Ficoba) kent, een bestand met bankrekeningen waarin alle bankrekeningen van de schuldenaar zijn opgenomen. Is de gerechtsdeurwaarder in het bezit van een executoriale titel, dan kan een aanvraag worden ingediend bij Ficoba.16 Weliswaar heeft de deurwaarder tot de beslaglegging geen informatie over het saldo op de bankrekening, maar die informatie komt na de beslaglegging op korte termijn beschikbaar ingevolge artikel R211-4. Zo is de derde-beslagene verplicht om ter plekke aan de gerechtsdeurwaarder de in artikel L211-3 vermelde inlichtingen te verstrekken en aan hem de bewijsstukken te overleggen. Wordt de beslagakte langs elektronische weg betekend, dan is de derde-beslagene in beginsel verplicht om aan de gerechtsdeurwaarder die inlichtingen en bewijsstukken uiterlijk de eerste werkdag volgend op de betekening langs elektronische weg te doen toekomen. De derde-beslagene die zonder gegronde reden niet de verzochte 13 14 15 16

Vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:310. De bepalingen zijn op internet te vinden: www.legifrance.gouv.fr/affichCode.do?cidTexte=LEGITEXT000025024948. De genoemde bepalingen zijn onderdeel van de Code des procédures civiles d’exécution. Art. 39 Code des procédures civiles d’exécution. Voor meer informatie, zie www.cnil.fr/fr/ficoba-fichiernational-des-comptes-bancaires-et-assimiles.

172


5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief

inlichtingen verstrekt, wordt blijkens artikel R211-5 op verzoek van de schuldeiser veroordeeld tot betaling van de verschuldigde bedragen aan die laatste, onverminderd zijn verhaal op de schuldenaar. Als gevolg van het beslag op de bankrekening(en) kan de rekeninghouder niet meer beschikken over het saldo van die rekening, zo blijkt uit artikel R211-19. Daarmee staat nog niet vast welk bedrag door het beslag is getroffen. Wel vallen bijboekingen van na de beslaglegging niet onder het beslag, maar artikel L162-1 houdt in dat wanneer het beslag wordt gelegd in handen van een instelling die wettelijk bevoegd is om depositorekeningen aan te houden, deze in beginsel verplicht is het saldo van de rekening of rekeningen van de schuldenaar op de dag van het beslag aan te geven. Echter, binnen een termijn van vijftien werkdagen na de beslaglegging waarin de op de rekening staande bedragen niet beschikbaar zijn, kan dit saldo ten bate of ten laste van de beslagleggende partij worden aangepast in verband met (ten gunste) eerder gedane overboekingen met het oog op de incasso daarvan, van cheques of handelseffecten die nog niet waren geboekt op de rekening en (ten laste van) de afschrijving van ter incasso aangeboden cheques of voor het beslag bijgeboekte cheques die onbetaald zijn teruggekomen, dan wel voor het beslag gedane opnames uit geldautomaten en betalingen met een kaart, wanneer de begunstigden inderdaad al een bijboeking hebben ontvangen voor het beslag. Is de beslagschuldenaar het niet eens met de beslaglegging, dan bieden de artikelen L211-4 e.v. de mogelijkheid van betwisting. Een betwisting moet conform artikel R211-11 binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van het beslag aan de schuldenaar worden voorgelegd aan de juge de l’exécution (rechter van tenuitvoerlegging) van de verblijfplaats van de schuldenaar. Is er geen betwisting, dan geeft artikel R211-6 aan dat de derde-beslagene in de maand volgend op de kennisgeving van het beslag overgaat tot betaling op vertoon van een door de griffie afgegeven of door de gerechtsdeurwaarder die het beslag heeft gelegd opgestelde verklaring, waaruit blijkt dat er geen bezwaar is ingediend. De betaling kan plaatsvinden voor het verstrijken van deze termijn, indien de schuldenaar schriftelijk heeft verklaard het beslag niet te betwisten. De kosten voor een derdenbeslag bedragen gemiddeld € 50 tot € 130 en zijn af hankelijk van drie criteria: – de hoogte van de verschuldigde bedragen (er bestaan drie categorieën); – het resultaat van het derdenbeslag (als het derdenbeslag tevergeefs is, worden de kosten verlaagd); en – of over het exploot belasting verschuldigd is (meestal is dit het geval). Op de mogelijkheid om beslag te leggen bestaan enkele uitzonderingen: – Niet voor beslag vatbaar banksaldo Artikel L162-2 houdt in: “De derde-beslagene laat aan de schuldenaar die een natuurlijke persoon is, binnen de grenzen van het creditsaldo van de rekening of rekeningen op de dag van beslaglegging, een bedrag ter beschikking ten behoeve van levensonderhoud gelijk aan het vaste bedrag voor een alleenstaande uitkeringsgerechtigde zoals vermeld in

173


Bestaansminimum en bankbeslag

artikel L262-2 van de Code de l’action sociale et des familles (Frans wetboek van sociaal beleid en gezinnen). Wanneer de schuldenaar een individuele ondernemer is met beperkte aansprakelijkheid geldt het eerste lid alleen voor de beslaglegging op de rekeningen die behoren tot zijn niet getroffen vermogen.” Dit betreft het niet voor beslag vatbare banksaldo. Dit bedraagt momenteel € 537,17. Het wordt bepaald aan de hand van het bedrag van de revenu de solidarité active (RSA, vergelijkbaar met de Nederlandse bijstandsuitkering) voor een alleenstaande. Niet voor beslag vatbare vorderingen die op de rekening worden bijgeschreven Volgens artikel L112-4 geldt: “De niet voor beslag vatbare vorderingen die worden bijgeschreven op een rekening blijven niet voor beslag vatbaar onder de bij besluit van de Conseil d’Etat voorziene voorwaarden.” Bedragen af komstig uit vorderingen met een periodieke vervaldatum Conform artikel R162-4 geldt: “Wanneer de niet voor beslag vatbare bedragen af komstig zijn uit vorderingen met een periodieke vervaldatum, zoals beloningen voor werk, ouderdomspensioenen, bedragen betaald als uitkeringen voor gezinnen of werkloosheidsuitkeringen, kan de rekeninghouder tegen bewijs van de herkomst van de bedragen verzoeken deze onmiddellijk ter beschikking te stellen, met aftrek van de afschrijvingen van de rekening sinds de laatste overboeking van de niet voor beslag vatbare vordering. Wanneer na het verstrijken van de in artikel L162-1 voorziene termijn van vijftien dagen voor het af handelen van de lopende handelingen de hoogte van de door de schuldenaar verzochte bedragen vanwege het feit dat ze niet voor beslag vatbaar zijn, het op de rekening nog beschikbare saldo overtreffen, wordt het restant afgetrokken van de tot die dag niet beschikbare bedragen. De derde-beslagene stelt de schuldeiser op de hoogte van deze af boeking op het moment van zijn verzoek om betaling; op straffe van niet-ontvankelijkheid beschikt deze laatste over een termijn van vijftien dagen om bezwaar te maken tegen deze toewijzing.” Gezamenlijke rekening Tot slot zegt artikel L162-9: “Wanneer op een rekening, zelfs indien deze gezamenlijk is, de winsten en de salarissen worden bijgeschreven van een in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot en deze rekening voorwerp is van een maatregel van gedwongen tenuitvoerlegging of conservatoir beslag voor de betaling of garantie van een vordering die is ontstaan door toedoen van de echtgenoot, wordt aan de in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot onmiddellijk een bedrag ter beschikking gesteld ter grootte van naar zijn keuze het bedrag van de winsten en salarissen die zijn overgemaakt in de maand voorafgaand aan het beslag of het gemiddelde bedrag van de winsten en salarissen die zijn overgemaakt in de twaalf maanden voorafgaand aan het beslag. De bepalingen van het tweede lid van artikel R162-4 zijn van toepassing. De juge de l’exécution kan door de echtgenoot die het verzoek heeft ingediend op elk moment worden ingeschakeld.”

174


5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief

5.4

Schotland/Engeland en Wales

5.4.1 Schotland Schotland behoort weliswaar tot het Verenigd Koninkrijk, maar kent evenals Engeland en Wales en Noord-Ierland eigen regelgeving. Schotland behoort tot de zogeheten ‘mixed jurisdictions’: de geldende regelgeving is onder invloed van zowel common law als civil law tot stand gekomen. Voorafgaand aan de eigenlijke beslaglegging dient een rechterlijk verlof te worden verkregen, waarna de deurwaarder (een Sheriff Officer of Messenger-at-Arms) de bankrekening feitelijk beslaat. Aan de bank wordt een zogeheten ‘Schedule of Arrestment’ betekend, waarin gedetailleerd is weergegeven wat het rechterlijk verlof inhoudt, wie de schuldeiser is, wie de schuldenaar is en om welk bedrag het gaat. Op dat moment is nog onduidelijk bij welke bankinstelling de rekening wordt aangehouden, omdat vooraf geen toegang bestaat tot registers die daarover uitsluiting zouden kunnen geven. Evenmin is bekend of er een positief bedrag op de bankrekening staat, en zo ja, van welke hoogte. De beslaglegging betreft enkel het gevorderde bedrag vermeerderd met kosten en rente. Bedragen die naderhand op de bankrekening worden gestort, vallen buiten het beslag. Wel is het mogelijk om tegelijkertijd diverse bankrekeningen die worden aangehouden bij dezelfde bankinstelling te beslaan. De schuldenaar kan de rechter vragen het beslag op te heffen wegens een gewichtige reden, maar anders blijft het beslag van kracht totdat het gevorderde is overgemaakt (wat de bank binnen veertien weken na de beslaglegging doet) of de schuld is voldaan. Zowel de deurwaarder als de bank brengt kosten in rekening. Voor de deurwaarder is dat gerelateerd aan de hoogte van de vordering waarvoor beslag wordt gelegd. Het gaat om een bedrag van £ 50,70 tot £ 101,15, welk bedrag wordt verhoogd met 0,01% van de hoofdsom als die meer dan £ 100.000 bedraagt. Er bestaat geen wettelijk tarief dat de banken in rekening mogen brengen, en dat verschilt van bank tot bank. Niet het gehele saldo van de bankrekening van een particulier kan in beslag worden genomen: er geldt een bedrag van £ 494,01 17 dat niet vatbaar is voor beslag. Alleen het surplus kan in beslag worden genomen. Dat vrij te laten bedrag blijft op de rekening staan (wordt 17

Vgl. Debtors (Scotland) Act 1987, 73F Protection of minimum balance in certain bank accounts: “(1)Subject to subsection (2) below, this section applies where— (a)a creditor arrests— (i)in pursuance of a warrant granted for diligence on the dependence of an action; or (ii)in execution of a decree or document of debt; (b)the arrestment attaches funds standing to the credit of a debtor in an account held by a bank or other financial institution; and (c)the debtor is an individual. (2)This section does not apply where the account is— (a)held in the name of a company, a limited liability partnership, a partnership or an unincorporated association; or (b)operated by the debtor as a trading account. (3)The arrestment shall— (a)in a case where the sum standing to the credit of the debtor exceeds the sum mentioned in subsection (4) below, attach only the balance above that sum; and (b)in any other case, attach no funds.

175


Bestaansminimum en bankbeslag

niet overgeboekt naar een speciale rekening) en kan door de schuldenaar vrijelijk worden opgenomen. 5.4.2 Engeland en Wales Engeland en Wales zijn typische common law-voorbeelden. Zij kennen geen wetboek waarin deze materie is geregeld. Vanaf 1999 gelden de Civil Procedure Rules,18 die in samenwerking tussen regering, parlement en belangenorganisaties tot stand komen. Inmiddels is op 1 oktober 2017 de 92e aanpassing inwerking getreden. Naast de Civil Procedure Rules gelden de Practice Directions, die de Civil Procedure Rules verduidelijken en aanvullen. Ook bestaan Pre-Action Protocols, die een soort gebruikshandleiding vormen, waardoor – indien gevolgd – zowel gerecht als justitiabelen een geringere werklast hebben. Vanaf 1 oktober 2017 geldt een Pre-Action Protocol for Debt Claims.19 In casu wordt aangegeven dat de schuldeiser de schuldenaar eerst schriftelijk dient te informeren, voordat een procedure kan worden gestart. Ook wordt aangegeven welke vereisten daarbij gelden. Hierna is het de beurt aan de schuldenaar om te reageren via een speciaal daartoe bestemd formulier. De schuld kan erkend worden, maar kan tevens worden betwist. Met het formulier kan de schuldenaar ook bescheiden opvragen bij de schuldeiser. Reageert de schuldenaar niet binnen dertig dagen, dan kan de schuldeiser een procedure starten. Het formulier kent ook een paragraaf die erop wijst dat partijen niet de stap naar de rechter hoeven te zetten, maar kunnen kiezen voor Alternative Dispute Resolution. Opvalt dat gekozen is voor veel informatiebrochures en standaardformulieren die in ‘gewoon’ Engels zijn geschreven en online beschikbaar zijn,20 zodat het voor velen niet meer nodig is specifiek juridisch advies in te winnen.21 Ook in Engeland en Wales wordt veel gebruik gemaakt van de mogelijkheid om vorderingen te innen bij derden. Brochure ‘EX325 Third party debt orders and charging orders’ is in een dergelijk geval van belang. Het borduurt voort op ‘EX321 – I have a judgment but the defendant hasn’t paid – what do I do?’ Met de Third party debt order wordt voorkomen dat de derde nog rechtsgeldig kan voldoen aan de schuldenaar, zijnde zijn schuldeiser. De situatie wordt min of meer ‘bevroren’ totdat de rechter een oordeel velt. In de brochure wordt stap voor stap uiteengezet welke acties achtereenvolgens ondernomen moeten worden.22 Stemt de rechter in met toekenning van een dergelijke Third party debt order, dan wordt de beslissing toegezonden aan de aanvrager en de derde. Pas zeven dagen nadat mededeling is

18 19 20 21 22

(4)The sum referred to in subsection (3)(a) above is the sum first mentioned in column 1 of Table B in Schedule 2 to this Act (being the sum representing the net monthly earnings from which no deduction would be made under an earnings arrestment were such an arrestment in effect [currently £494.01]).” Zie www.justice.gov.uk/courts/procedure-rules/civil. Zie www.justice.gov.uk/courts/procedure-rules/civil/pdf/protocols/pre-action-protocol-for-debt-claims.pdf. Vgl. hmctsformfinder.justice.gov.uk. J.T. Tegelaar en W.H. van Boom, ‘Eenvoudiger verklaringsformulier bij derdenbeslag’, in: NJB 2017/1918, p. 26552663, wijzen erop dat het Nederlandse verklaringsformulier bij derdenbeslag voor velen niet eenvoudig is in te vullen. Een en ander berust op Part 72 – Third party debt orders van de Civil Procedure Rules.

176


5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief

gedaan aan de derde wordt de schuldenaar op de hoogte gebracht. Daarmee wordt bereikt dat de derde het te betalen bedrag kan ‘bevriezen’ voordat de schuldenaar op de hoogte raakt. Zeven dagen nadat de schuldenaar de mededeling heeft ontvangen, moet hij een verklaring afleggen: heeft hij inderdaad gelden van de schuldenaar onder zich, en zo ja, welk bedrag? De schuldenaar kan zich op zijn beurt tot de rechter wenden met het verzoek een ‘hardship payment order’ te verkrijgen (court form N244). De rechter zal een dergelijke hardship payment order uitvaardigen als de schuldenaar duidelijk kan maken dat hij en zijn gezin beneden het bestaansminimum komen te verkeren omdat het geldbedrag niet wordt uitgekeerd. De rechter neemt een beslissing die op het individuele geval is toegesneden. De schuldeiser en de derde worden van de door de rechter genomen beslissing op de hoogte gebracht. Omdat het een urgente situatie (in ieder geval bezien vanuit de schuldenaar) betreft, kan dit via telefoon of e-mail! 5.5

Scandinavië (Denemarken/Noorwegen/Zweden) en Finland

5.5.1 Denemarken In Denemarken kan voor iedere schuld – zowel privaatrechtelijk als publiekrechtelijk – beslag worden gelegd door ofwel de belastingdienst dan wel een gerecht door inschakeling van een deurwaarder. In het laatste geval belegt de deurwaarder een bijeenkomst in zijn kantoor, waarbij zowel de schuldeiser als de schuldenaar aanwezig is. Komen partijen niet tot een oplossing, dan wordt beslag gelegd. Het is de schuldeisers taak de bank zo spoedig mogelijk te informeren en dan zal de bank het beslagbedrag binnen enkele dagen overboeken naar de schuldeiser. In dat geval moet er wel een positief saldo bestaan, maar dat is van tevoren niet duidelijk, omdat er geen mogelijkheid bestaat om na te gaan bij welke bankinstelling een rekening loopt en er evenmin een inzagerecht bestaat ten aanzien van het saldo. Het is de deurwaarder die opgave vraagt aan de schuldenaar, en die staat op dat moment onder ede. Wordt beslag gelegd op een spaarrekening, dan valt het gehele saldo eronder. Maar wordt beslag gelegd op (kort gezegd) een lopende rekening, dan moet de deurwaarder een berekening maken van wat onder het beslag valt. Dat is af hankelijk van het moment in de maand en van welke uitgaven de schuldenaar nog moet doen. De deurwaarder moet ervoor zorgen dat er voldoende saldo is voor de dagelijkse uitgaven gedurende de rest van de maand (namelijk tot de volgende betaaldag van loon of uitkering). Zoals in veel andere landen geldt ook hier dat beslag op diverse bankrekeningen kan worden gelegd en dat wat na de beslaglegging op de rekening wordt gestort buiten het beslag blijft. Dat laatste is weinig verwonderlijk, nu na de beslaglegging het de schuldeiser toekomende bedrag aan hem wordt overgeboekt, want daarmee komt de facto een einde aan het beslag. Voor de kosten geldt dat allereerst vastrecht moet worden betaald aan de staat: een vast bedrag verhoogd met 0,5% van het surplus, terwijl de door de bank in rekening gebrachte kosten gering zijn in verhouding tot de omvang van het beslag.

177


Bestaansminimum en bankbeslag

5.5.2 Noorwegen In Noorwegen kan op grond van § 2-2 van de Norwegian Creditors Recovery Act een bankrekening steeds worden beslagen door een deurwaarder als er sprake is van een geldvordering. Er bestaan geen speciale bankrekeningen waarop geen beslag gelegd kan worden. De deurwaarder begint met verhaalsinformatie betreffende de bezittingen van de schuldenaar. Wordt dan een bankrekening bekend, dan zal de deurwaarder de bank berichten dat beslag is gelegd en dat betekent dat de bank niet meer tot uitbetaling van het bedrag ter hoogte van de vordering kan overgaan. Sinds 1 januari 2016 bestaat de mogelijkheid om via een register na te gaan of iemand een bankrekening heeft, en vervolgens kan de bankinstelling om nadere informatie worden gevraagd, die de bank verplicht is te verschaffen. Bij de beslaglegging dient wel rekening te worden gehouden met een basisbedrag dat strekt voor het levensonderhoud van de schuldenaar en zijn gezin. Bedraagt de hoogte van het getroffen saldo 25.000 Noorse kronen (circa € 2795) en heeft de schuldenaar 10.000 Noorse kronen (circa € 1118) voor zijn levensonderhoud, dan wordt slechts beslag gelegd op 15.000 Noorse kronen (circa € 1678). Stortingen van na de beslaglegging vallen niet onder het beslag, maar het is wel mogelijk om tegelijkertijd beslag te leggen op verschillende bankrekeningen van de schuldenaar. Voor het leggen van beslag op een bankrekening gelden de gebruikelijke kosten ter zake van beslaglegging en er is geen apart tarief. De banken brengen niets in rekening ter zake van een beslag. 5.5.3 Zweden Tot slot kan over Zweden worden vermeld dat daar geldt dat weliswaar beslaglegging op een bankrekening op verzoek van een schuldeiser kan geschieden, maar dat er altijd een bepaald bedrag moet resteren om te voorzien in het levensonderhoud van de schuldenaar. Daarbij wordt rekening gehouden met de die maand te maken kosten. In de regel wordt huur/hypotheekrente op de eerste van de maand betaald en dat blijft vervolgens buiten beschouwing omdat dit aspect wordt verwerkt in de beslagvrije voet van het die maand uit te keren loon. Het loon wordt in de regel betaald tussen de 18e en de 25e van de maand. Er wordt voor het vrij te laten bedrag gekeken naar het aantal dagen tot de volgende loonbetaling. Beslag op een bankrekening komt vaak voor en kan uitsluitend worden gedaan door de Swedish Enforcement Authority: Kronofogdemyndigheten (hierna: SWE). Deze onvatbaarheid voor beslag berust op hoofdstuk 5, artikel 1 onder 7 van de Executiewet.23 Aan de beslaglegging gaat een (in de regel digitaal) verzoek van SWE aan de bank om informatie vooraf. Vervolgens zendt de bank (in de regel de daaropvolgende dag, maar soms ook dezelfde dag) informatie over het saldo van elke bankrekening, of er sprake is van aandelenbezit, en of de betrokkene een safeloket heeft. Op basis daarvan wordt besloten om al dan niet beslag te leggen en welk bedrag ‘vrij’ gelaten zal worden. Het aldus ‘vrij’ te laten bedrag stemt in belangrijke mate (maar de hoogste rechter heeft zich er nooit over uitgelaten) overeen met 23

“The following are exempted from attachment: (...) 7. money, bank balances, other claims and necessities, to the extent it is not otherwise prescribed, and the assets are reasonably required for maintenance of the debtor until such time as income that covers this need is expected, though not without exceptional reasons for a period exceeding one month.”

178


5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief

het ‘vrij’ te laten bedrag bij beslag op loon (namelijk dat de schuldenaar in zijn levensonderhoud moet kunnen blijven voorzien). De bank ontvangt hiervan bericht en ook dat het verboden is om gelden uit te betalen aan anderen dan aan SWE. De bank reageert veelal per ommegaande met de blokkering van de bankrekening en heeft twee dagen later het geld overgemaakt aan SWE. Omdat SWE toegang heeft tot de belastingadministratie is het nodige bekend over het salaris en de bank(en) waarbij een rekening wordt aangehouden. Ook wordt informatie verkegen van de Swedish Social Insurance Agency (Försäkringskassan). Omdat de bank op het eerste verzoek van SWE ook het banksaldo noemt, is bekend welk bedrag onder het beslag kan vallen. Derden hebben op grond van hoofdstuk 4 sectie 15 van de Enforcement Code de verplichting informatie aan SWE te verstrekken. Onder het beslag kan het gehele saldo vallen, bijvoorbeeld als het erop lijkt dat de schuldenaar in zijn levensonderhoud kan blijven voorzien of omdat een tweede bankrekening wordt beslagen, aangezien een bankrekening aanwezig is waarop zich een bedrag ter bestrijding van de kosten van het levensonderhoud bevindt. Onder het beslag valt in de regel niet wat na de beslaglegging op de bankrekening wordt gestort, maar wel wat wordt gestort in de periode na de beslaglegging en voordat de bank het saldo overboekt aan SWE. Het beslag wordt opgeheven door de overboeking van het beslagen saldo door de bank. Het betekent dat in verband met de digitalisering het beslag soms al na een kwartier weer is opgeheven. Als met de bank geen digitale communicatie mogelijk is en berichten per post worden verzonden (dit geldt met name voor kleinere banken), wordt een dag later beslag gelegd en volgt een dag na de ontvangst van het beslag een bevestiging van SWE dat het geld ontvangen is en dat het beslag wordt opgeheven. Wordt gebruik gemaakt van de fax, dan verloopt een en ander sneller. De kosten om beslag op een bankrekening te leggen zijn beperkt. Strikt genomen geschieden alle beslagen kosteloos, maar er moeten jaarlijks verwerkingskosten worden voldaan van 600 SEK (circa € 65). Dit bedrag betreft onder meer het onderzoek naar de bezittingen van de schuldenaar en welke in beslag genomen kunnen worden. Levert het onderzoek in eerste instantie niets op, dan wordt de zaak gesloten, maar als later blijkt van (nieuwe) bezittingen, dan wordt de zaak heropend. De enkele bijkomende kosten betreffen normaliter (voor onroerende zaken ligt dat iets anders) die van transport en opslag van de in beslag genomen goederen, maar die kosten worden bestreden uit de verkoopopbrengst. In geval van beslag op een bankrekening hoeft met dit soort kosten geen rekening te worden gehouden omdat de overboeking van het geld gratis is.

179


Bestaansminimum en bankbeslag

De Executiewet geeft in hoofdstuk 5, artikelen 6, 7 en 12 specifieke regels omtrent wat buiten een verhaalsbeslag valt.24 Uit artikel 14 uit dat hoofdstuk blijkt dat van de schuldenaar medewerking wordt gevergd.25 5.5.4 Finland De situatie in Finland verschilt op een aantal punten. Voor de Finnish Enforcement Service bestaan nauwelijks hinderpalen, omdat zij als ambtenaren direct toegang hebben tot tal van registers waarin de bezittingen van de Finse burgers zijn opgenomen en zij gebruik kunnen maken van veel technische c.q. digitale mogelijkheden: vrijwel alle registers zijn elektronisch raadpleegbaar. Zo hebben ze toegang tot een centraal register aangaande bankrekeningen die worden aangehouden bij banken in Finland. Weliswaar kan niet per ommegaande informatie worden verkregen, omdat de opdrachten ’s nachts worden verwerkt, maar de volgende dag is het saldo bekend met de transacties gedurende de laatste twee maanden, zodat de bronnen van inkomen kunnen worden nagegaan. Omdat de Finse Enforcement Code gedetailleerde bepalingen kent omtrent het onderzoek naar de bezittingen van de schuldenaar is het niet noodzakelijk om de rechter in te schakelen. De Finse deurwaarders zijn bevoegd om alle op de executie betrekking hebbende beslissingen zelf te nemen en zouden als een soort beslagrechter kunnen worden gezien. Het betekent dat snel gehandeld kan worden. Besluit een deurwaarder beslag te leggen op een bankrekening, dan kan dat per ommegaande geschieden en dan wordt het beslagen bedrag automatisch overgeboekt. De deurwaarder houdt daarbij steeds rekening met de situatie waarin de schuldenaar verkeert en welk bedrag hij nodig heeft voor het levensonderhoud. In 2014 werd 14.400 maal beslag gelegd op een bankrekening en werd een bedrag van € 42.000.000 getroffen. 5.6

De Baltische staten (Estland/Letland/Litouwen)

5.6.1 Estland Ook in Estland kan een bankrekening worden beslagen in het kader van elke beslagvordering.26 Dit gebeurt ofwel door een gerechtsdeurwaarder, ofwel door de belastingdienst.

24

25 26

“Article 6: Funds that for a particular stated purpose have been directed to the debtor by the State, a municipality or other public body or by an association, foundation or establishment with public benefit objects or which has been collected from the public may not be attached if this would contravene the stated object. After such funds have been paid out, the prohibition against attachment applies as long as they are held separate.” “Article 7: Damages, which are due to the debtor as a result of personal injury, deprivation of liberty, false prosecution, defamation or the like, may not be attached while the damages are outstanding with the person who shall pay them. After the damages have been paid out, that which is held separately may not be attached, provided the damages shall satisfy needs of support that still subsist or, in other cases, if less than two years have elapsed from when the funds were paid out.” “Article 12: Nor may funds that may not be attached while they remain with another be attached after they have been paid before the day following the payment.” “The debtor shall provide the information that is available to him and which is necessary for the Enforcement Service to consider what should be exempted from attachment. The Service shall act according to what is known or what can be ascertained without repetition.” Vgl. met name § 115 Code of Enforcement Procedure. Zie www.riigiteataja.ee/en/eli/ee/Riigikogu/act/509022016013/ consolide.

180


5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief

Uitgangspunt is dat slechts datgene in beslag genomen kan worden, dat strekt ter voldoening van de vordering en de daarmee gepaard gaande kosten. In een aantal gevallen is het beslag nietig. Bijvoorbeeld als de schuldenaar niet van tevoren is aangemaand of niet op de hoogte is gebracht van zijn rechten. Er bestaan geen bankrekeningen waarop geen beslag gelegd kan worden. Ook na het beslag ontvangen gelden vallen onder het beslag wanneer op het moment van de beslaglegging onvoldoende gelden aanwezig waren om de vordering te voldoen. Het beslag geldt ook voor bankrekeningen die de schuldenaar, na de beslaglegging, bij de betreffende bank opent. Onmiddellijk nadat de vordering is voldaan, informeert de gerechtsdeurwaarder de betrokken bank. De beslaglegging geschiedt digitaal en de deurwaarder brengt daarvoor geen kosten in rekening. Estland kent een centraal casemanagementsysteem (CMS; enforcement register),27 waarop alle kantoren zijn aangesloten. Wat betreft beslagen op de bankrekeningen is er een informatiekanaal gecreëerd tussen het CMS en de kredietinstellingen (het electronic seizure system).28 De Estse gerechtsdeurwaarder genereert een beslag en uploadt dit beslag in het elektronische systeem. De banken controleren dagelijks of een beslag is geüpload ten laste van een van hun cliënten en zullen in voorkomend geval vervolgens de betreffende bankrekening(en) blokkeren. Zodra een bevestiging van de bank is ontvangen, wordt de schuldenaar door de gerechtsdeurwaarder geïnformeerd over het gelegde (elektronische) beslag. Het beslag wordt gelegd tot het bedrag dat door de gerechtsdeurwaarder is aangegeven, en wordt vervolgens aan de gerechtsdeurwaarder overgemaakt (tenzij het een alimentatiezaak betreft).29 Staat er op dat moment te weinig op de bankrekening om de vordering te voldoen, dan vallen stortingen op de bankrekening automatisch onder het beslag. En ook op een nieuw te openen bankrekening ligt automatisch beslag. Is de vordering voldaan, dan wordt het beslag binnen één werkdag opgeheven en dient de deurwaarder iedere kredietinstelling daarvan op de hoogte te brengen. Belangrijk in het Estse executiesysteem is dat de gerechtsdeurwaarder toegang heeft tot de gegevens waar een schuldenaar bankiert (voor de beslaglegging). Daarom kunnen de gerechtsdeurwaarders aldaar gericht beslag leggen, omdat zij ervan op de hoogte zijn of de schuldenaar al dan niet een bankrekening heeft. Door vervolgens de bank om informatie te vragen krijgt de deurwaarder inzicht in het bedrag dat onder het beslag valt. Al met al valt slechts het bedrag op de bankrekening dat nodig is om de vordering te voldoen, onder het

27 28

29

Art. 63 Enforcement Code. Het enforcement register is een database die, onder verantwoordelijkheid van de Estse Kamer, alle executiedossiers registreert. Zie art. 631 Enforcement Code: “Electronic seizure system is an information channel created between the information system of the enforcement register and credit institutions or other interested parties, the objective of which is to ensure electronic submission of information concerning a debtor’s account and seizure thereof to credit institutions and to enable inquiries about the existence and balance of an account.” Art. 115 Enforcement Code.

181


Bestaansminimum en bankbeslag

beslag (zo nodig inclusief latere stortingen) en niet een eventueel surplus. Het beslag kan betrekking hebben op één bankrekening, maar ook op meer bankrekeningen. Het beslag betreft niet het volledige saldo. Een bedrag ter grootte van het minimumloon kan niet in beslag worden genomen, nu dit verondersteld wordt nodig te zijn voor levensonderhoud. Als de schuldenaar iemand anders onderhoudt (door bijvoorbeeld alimentatie te betalen), dan wordt het beslagvrije deel verhoogd met een derde van het minimumloon voor iedere onderhoudsgerechtigde, tenzij beslag op kinderalimentatie mogelijk is. Over het surplus dat niet onder het beslag valt, kan de schuldenaar vrij beschikken, maar niet voor creditcardtransacties. In tegenstelling tot Duitsland kent Estland geen systeem van een geprivilegieerde bankrekening.30 5.6.2 Letland Letland kent – het zal niet verwonderen – een grotendeels vergelijkbaar systeem. Gaat het om verplichte incasso van een schuld, dan kunnen de belastingdienst en de deurwaarder beslag leggen. Dit is gebaseerd op artikel 599 lid 3 van de Civil Procedure Law.31 Er bestaat echter geen centraal register waarin de bankrekeningnummers zijn gekoppeld aan die van de rekeninghouders die een natuurlijke persoon zijn. Gaat het om rechtspersonen, dan kan een toevlucht worden genomen naar door de belastingdienst verzamelde informatie. Evenzo is onbekend of de bankrekening een positief saldo vertoont, en zo ja, om welk bedrag het gaat. Wordt beslag gelegd op een bankrekening (maar het zou ook een beslag op diverse rekeningen bij de bankinstelling dan wel beslag op rekeningen bij diverse bankinstellingen kunnen betreffen), dan wordt daardoor niet het gehele saldo getroffen, maar enkel het bedrag waarop aanspraak wordt gemaakt, verhoogd met de met executie gemoeide kosten. Na de beslaglegging zal de bank tot uitbetaling aan de beslagleggende deurwaarder c.q. de belastingdienst overgaan. Het beslag wordt gelegd door een bevel van de gerechtsdeurwaarder aan de bank om de gelden van de bankrekening(en) (per ommegaande) aan de gerechtsdeurwaarder te voldoen.32 Eventueel kan beslag worden gelegd onder meerdere banken. De beslagvrije voet zoals die geldt voor een beslag op een periodieke betaling, geldt ook voor het beslag op de bankrekening. Net zoals in Estland gaat het dan om het minimum maandelijkse loon (2016: € 370),

30 31

32

Vgl. art. 132 Enforcement Code. “If a debtor has a deposit in a credit institution, a bailiff shall give an order to the credit institution to transfer the deposited funds in the amounts indicated by the bailiff to be recovered and the amount of enforcement of the judgment expenses to the bailiff’s deposit account, taking into account the limitation in relation to the debtor provided for in Paragraph 3 of Annex 1 to this Law. The order of the bailiff shall be enforced without delay.” Het bedrag voor natuurlijke personen dat wordt bedoeld in die Annex 1, Paragraph 3, is gelijk aan het bedrag van het maandelijkse minimumloon (in 2016: € 370), maar als beslag onderhoudsbijdragen voor minderjarigen of een schuld aan de Administration of Maintenance Guarantee Fund betreft, gaat het om 50% van het minimumloon. 32 Art. 599 lid 3 Civil Procedure Law Letland: “If a debtor has a deposit in a credit institution, a bailiff shall give an order to the credit institution to transfer the deposited funds in the amounts indicated by the bailiff to be recovered and the amount of enforcement of the judgment expenses to the bailiff’s deposit account, taking into account the limitation in relation to the debtor provided for in Paragraph 3 of Annex 1 to this Law. The order of the bailiff shall be enforced without delay.”

182


5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief

eventueel nog verhoogd indien andere personen voor hun levensonderhoud van de schuldenaar af hankelijk zijn.33 Wanneer de gelden onvoldoende zijn om de volledige vordering te voldoen, blijft het beslag van kracht. Het beslagvrije bedrag blijft ter beschikking van de schuldenaar. Het bedrag kan niet via de geldautomaat van de rekening worden gehaald, maar de schuldenaar dient zich in dat geval te vervoegen in een vestiging van de bank. De deurwaarder is de enige die een beslag kan opheffen. Komt de deurwaarder tot de conclusie dat het beslag moet worden opgeheven, dan zal daar weinig tijd mee gemoeid zijn. Maar als de schuldenaar (of eventueel de schuldeiser) het beslag in weerwil van de opvatting van de deurwaarder wil laten opheffen, dan kost dat geruime tijd. Allereerst bestaat gedurende een periode van tien dagen de mogelijkheid om tegen de opheffingsweigering van de deurwaarder op te komen bij de rechtbank. Al met al kan een dergelijke procedure tot enkele maanden duren. Voor de kosten verbonden aan het beslag leggen op een bankrekening geldt geen officieel tarief. De deurwaarder zal kosten in rekening brengen die af hankelijk zijn van de hoogte van de schuld en het geĂŻnde bedrag, terwijl de bank een bedrag gebaseerd op algemene voorwaarden in rekening zal brengen. Als het beslag niet volledig doel treft, kan de betrokkene geen geld opnemen via een geldautomaat dan wel overboeken via internetbankieren. Hij is dan aangewezen op de klantcentra van de bank. Is de bankrekeninghouder een natuurlijke persoon, dan geniet deze een speciale bescherming in verband met het bestaansminimum. De schuldenaar zal aan de beslagleggende deurwaarder moeten aantonen dat zijn inkomsten beneden het bestaansminimum liggen dan wel dat het om bedragen gaat die op grond van het Letse wetboek van burgerlijke rechtsvordering niet in beslag genomen kunnen worden (zoals uitkeringen krachtens sociale voorzieningen). De deurwaarder zal dan het beslag opheffen. Hetzelfde systeem wordt ook gebruikt om (elektronisch) beslag te leggen op de bankrekening. Op die wijze wordt automatisch beslag gelegd op alle bankrekeningen van de schuldenaar. De gegevens van de bank inzake de aanwezige gelden worden automatisch in het systeem gegenereerd. Het systeem berekent (ingeval er meerdere beslagen zijn) proportioneel op welk aandeel de gerechtsdeurwaarder recht heeft. Dit geeft dus al aan, zoals in andere landen, dat het beslag op de bankrekening blijft gehandhaafd totdat de vordering volledig is voldaan. Ook de opheffing van het beslag gebeurt via het elektronische systeem. De bank ontvangt de melding en heft het beslag op. Normaliter duurt het ongeveer een dag voordat het beslag is opgeheven.

33

Annex 1, § 3 Civil Procedure Law.

183


Bestaansminimum en bankbeslag

5.6.3 Litouwen In Litouwen geldt dat een bankrekening vrijwel steeds34 kan worden beslagen als er sprake is van gedwongen tenuitvoerlegging. Dit kan geschieden door een deurwaarder, een officier van justitie, de douane, de belastingdienst en socialeverzekeringsinstanties. Het bankbeslag in Litouwen is vergaand geautomatiseerd. Net zoals in Estland kent Litouwen een centrale database van beslagdossiers (Judicial Officers Information System). Via dit systeem heeft de gerechtsdeurwaarder toegang tot informatie inzake de bankrekeningen van de schuldenaar. Zo kan een deurwaarder eenvoudig digitaal beslag leggen op de bankrekening van de schuldenaar. Daarvoor kan gebruik worden gemaakt van een speciaal digitaal overheidssysteem dat voor dit soort zaken is bestemd. In Litouwen bestaan diverse officiële registers, zoals het kadaster, het hypotheekregister, een alimentatie-informatiesysteem, een bestand met alle adressen, etc. De instanties die beslag mogen leggen, hebben toegang tot die bestanden. Weliswaar hebben gerechtsdeurwaarders van tevoren geen inzage in het saldo, maar door de beslaglegging wordt automatisch digitaal informatie vergaard. Aldus wordt ook automatisch tegelijkertijd beslag gelegd op alle bekende bankrekeningen van de schuldenaar. Maar er kan ook specifiek beslag gelegd worden op een, twee, drie, etc. rekening(en). Is sprake van diverse beslagen, dan wordt een positief saldo zo ook naar rato verdeeld. De beslaglegging treft niet het gehele saldo, maar enkel het bedrag (plus de bijkomende kosten) waarvoor beslag is gelegd, en de schuldenaar kan vrijelijk beschikken over het surplus. Levert de beslaglegging onvoldoende op om de vordering te voldoen, dan vallen ook latere stortingen op de bankrekening onder het beslag. Zo eenvoudig als het leggen van een beslag is ook het opheffen van een beslag. De beslagleggende instantie stuurt via het digitale systeem een opheffingsbericht en als de bank dat ontvangt, wordt het beslag opgeheven. In de regel is daarmee één dag gemoeid. Litouwen kent een beslagvrije voet35 wanneer het gaat om het beslag op de bankrekening(en). De gerechtsdeurwaarder kan, via het elektronische systeem, het beslagvrije bedrag aangeven. Hiertoe heeft de gerechtsdeurwaarder toegang tot de informatie die voorhanden is in het Judicial Officers Information System. Daarenboven heeft de gerechtsdeurwaarder (elektronisch) toegang tot andere informatie (Social Family Support Benefits Information System). Het beslagvrije bedrag wordt niet op een speciale rekening gestort en kan betaald worden van elke rekening. De kosten van een beslaglegging zijn beperkt. Zo vraagt de overheid een bedrag van € 2 voor een beslagopdracht, kost een overboeking via het digitale systeem € 1,02, en vragen de banken bedragen die variëren tussen de € 0,20 en € 0,90.

34 35

Er gelden op grond van art. 739 enkele beperkingen. Daarbij valt te denken aan uitkeringen krachtens socialeverzekeringswetten (zoals kinderbijslag en ouderschapsuitkeringen), ontslagvergoedingen, begrafenisuitkeringen en verblijfsvergoedingen van werknemers. Geblokkeerde rekeningen zijn onbekend. Art. 739 Civil Procedure Code.

184


5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief

5.7

Het Iberisch schiereiland (Portugal/Spanje)

5.7.1 Portugal Naar Portugees recht kan beslag gelegd worden op bankrekeningen in geval van een burgerlijke of handelsschuld, dan wel als er sprake is van een strafrechtelijke betalingsverplichting of een belastingschuld. Alle bankrekeningen kunnen worden beslagen, er zijn geen geblokkeerde rekeningen. Er is sprake van twee soorten procedures – een verkorte en een gewone procedure – waarbij de keuze voor de ene dan wel de andere op grond van artikel 550 Code of Civil Procedure berust op de hoogte van de vordering en de soort executoriale titel. Gewoonlijk wordt het beslag gelegd door een deurwaarder, maar in belastingzaken wordt dit gedaan door de belastingrechter. In specifieke civiele- en strafzaken wordt het beslag gelegd door de behandelende rechter. De regeling geldt vanaf september 2013, toen de nieuwe Code of Civil Procedure (CCP) in werking trad (wet 41/2013). Door middel van vier stappen kan in gemiddeld twintig à dertig dagen een vordering worden verhaald via beslaglegging. Allereerst wordt informatie ingewonnen bij de Portugese centrale bank (twee dagen), waarna het beslagverzoek naar de betreffende bank wordt gezonden (vijf dagen). Vervolgens wordt het beslag gelegd (vijf dagen) en kan verhaal plaatsvinden (een tot twintig dagen). De procedure kan weken of zelfs maanden langer duren als sprake is van bijvoorbeeld een (serieus) verweer of appel. Op grond van artikel 417 lid 1 CCP dient eenieder loyaal mee te werken.36 In de verkorte procedure zal de deurwaarder in fase 1 op grond van artikel 749 lid 6 CCP informatie inwinnen bij de Portugese centrale bank met de vraag bij welke bank de schuldenaar bankiert. De informatie kan snel en automatisch worden verstrekt omdat zowel de Portugese centrale bank als de deurwaarder en de banken aangesloten zijn op een digitaal platform. De deurwaarder gaat daarnaast via een database na waar de schuldenaar werkt, wat zijn salaris is en welke bezittingen (roerend en onroerend) de schuldenaar heeft. In de tweede fase vraagt de deurwaarder de schuldeiser of deze wenst dat er beslag zal worden gelegd op de bankrekening c.q. welke bankrekening in verband met de daarmee gemoeide kosten. Op dat moment is het saldo van de bankrekening niet bekend. Bewilligt de schuldeiser, dan moet de deurwaarder ex artikel 780 lid 5 CCP de bank van de schuldenaar binnen vijf dagen mededelen dat de rekening wordt beslagen. Hij doet dit door een digitaal bericht te sturen, inhoudende dat de bankrekening is beslagen vanaf het moment dat het bericht werd verzonden. Fase 3 houdt in dat de betreffende bank(en) binnen twee dagen op grond van artikel 780 lid 8 CCP moet(en) bevestigen dat de schuldenaar rekeninghouder is en een opgave moet(en) doen van het saldo op de rekening(en). 36

Art. 417 Duty to cooperate in uncovering the truth: “1 - Every person, whether or not parties to the case have a duty to provide their collaboration for the discovery of truth, responding to what is asked them, submitting the necessary inspections, providing we asked for and practicing acts they are determined.”

185


Bestaansminimum en bankbeslag

Hierop – in fase 4 – beperkt de deurwaarder het beslag tot het verschuldigde bedrag. Na de beslaglegging wordt de bank verzocht het verschuldigde bedrag af te zonderen en kan het beslag voor het overige worden opgeheven. Ook de schuldenaar wordt geïnformeerd door de deurwaarder, waarna de schuldenaar verzet kan doen tegen de beslaglegging. Dat moet onmiddellijk gebeuren. Als hij wil dat het beslag op de bankrekening wordt opgeheven, moet hij een garantie voor het verschuldigde bedrag stellen. Zo nodig bestaat er gedurende twintig dagen een appelmogelijkheid. Eindigt de appelperiode en blijkt de schuldenaar niet in appel te zijn gegaan, dan zal de deurwaarder conform artikel 738 CCP de bank vragen om het bedrag over te maken. Dit gebeurt dan onverwijld. In de gewone procedure wordt de bankrekening niet eerder bevroren dan nadat de schuldenaar de executiebeslissing is medegedeeld. De zaak gaat dan naar de rechtbank en de schuldenaar kan binnen twintig dagen de executiemaatregel aanvechten (art. 726 lid 6 CCP). Pas daarna kan het beslag worden vervolgd. Ook hiervan wordt de schuldenaar op de hoogte gebracht en hij heeft dan tien dagen om zich daartegen te verzetten. Aldus bestaat er al in de fasen 1 t/m 3 toegang tot de noodzakelijke registers, maar blijkt pas in fase 3 om welk saldo het gaat. Dan ook wordt het beslag daadwerkelijk gelegd voor het bedrag dat verschuldigd is en wordt een eventueel surplus vrijgelaten. Het kan echter ook betekenen dat het gehele saldo onder het beslag valt, namelijk als het saldo te gering is. In de praktijk wordt in de meeste gevallen een bedrag van € 505, zijnde het Portugese wettelijk minimumloon, buiten het beslag gelaten.37 Stortingen van na het beslag worden meestal buiten beschouwing gelaten, maar soms wordt rekening gehouden met overboekingen die al zijn ingediend maar nog niet waren verwerkt. Aldus kan het beslag worden uitgebreid of beperkt. Gaat het om een beslaglegging bij diverse banken, dan dient dit afzonderlijk te gebeuren, maar gaat het om meer bankrekeningen bij een bankinstelling, dan kan dit ineens. De kosten verbonden aan een beslaglegging bedragen € 20,40, welk bedrag verdeeld moet worden tussen de bankinstelling en de verschaffers van informatie. De kosten van de deurwaarder bedragen € 0. Het beslag op een bankrekening kan alleen door de deurwaarder worden

37

Art. 735 Object of execution: “3 - The attachment is limited to the assets necessary to pay the enforceable debt and predictable running costs, which are presumed, for the realization of effect of attachment and, subject to subsequent settlement in the amount of 20%, 10% and 5% of the performance value, as, respectively, this fits within the jurisdiction of the district court, to exceed, without exceeding the value of four times the jurisdiction of the High Court, that is greater than the latter value.” Article 738 part attachable Goods: “4 - The preceding paragraphs shall not apply where the enforceable credit is for food, if it is, only could not be seized the amount equivalent to the social pension of the non-contributory scheme. 5 - In the attachment of cash or bank balance, could not be seized the value equivalent to the national minimum wage or, in the case of food obligations, the provisions of the preceding paragraph.”

186


5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief

opgeheven. Dit gebeurt door een digitale mededeling aan de bank, die binnen 12 tot 24 uur daaraan gevolg geeft. 5.7.2 Spanje Een beslaglegging kan in Spanje pas plaatsvinden nadat een rechterlijke uitspraak is verkregen. Bevoegd tot het leggen van beslag zijn de rechtbank of, in geval van een bestuurlijke boete, de administratieve autoriteiten.38 De rechtbank logt in op de website ‘Punto Neutro Judicial’,39 die wordt beheerd door de Spaanse Raad voor de rechterlijke macht. Aldus is het mogelijk om met instemming van de bankinstellingen toegang te krijgen tot de benodigde gegevens. Via de computer wordt gezocht (op dat moment is nog niets bekend over het saldo van de bankrekening) en als het saldo dat toelaat, wordt het bedrag waarop de vordering betrekking heeft automatisch van de rekening afgeschreven en naar de bankrekening van de rechtbank overgemaakt. Daarbij geldt geen beperking in die zin dat er sprake zou zijn van een beslagvrije voet. Voor bankrekeningen is daarvan geen sprake, slechts bij beslag op het salaris van een werknemer komt dit aan de orde. 40 Wel is vereist dat de rekening ten name van de schuldenaar is gesteld. Is er sprake van een gemeenschappelijke rekening, dan kan slechts beslag worden gelegd op het aan de schuldenaar toekomende saldo. Bedragen die nadien op de bankrekening worden gestort, maken geen onderdeel uit van het beslag. In de praktijk wordt soms een meervoudige opdracht gegeven: beslag op diverse bankrekeningen bij één bankinstelling dan wel op rekeningen die bij verschillende banken worden aangehouden. Omdat een beslaglegging altijd plaatsvindt op verzoek van een schuldeiser is bekend wanneer de vordering is voldaan en wanneer dan het beslag kan worden opgeheven. Omdat de gang van zaken in belangrijke mate is geautomatiseerd, zijn de kosten beperkt: er dient € 37,15 te worden voldaan aan de procurador, de door de schuldeiser ingeschakelde advocaat. 5.8

Bulgarije

Volgens het Bulgaarse recht is het mogelijk beslag te leggen op een bankrekening als er sprake is van een procedure tot verhaal van een schuld (dat kan ook een faillissementsprocedure betreffen) of in het kader van een strafvorderlijke procedure. Het beslag kan worden gelegd door de gerechtsdeurwaarder (in dienst van de overheid of als ondernemer) en verschillende staatsautoriteiten, zoals bijvoorbeeld in het kader van ontnemingsmaatregelen (Commission for Identification of Property Acquired from Criminal Activity). Het beslag wordt gelegd op basis van een executoriale titel. Strikt genomen wordt er beslag gelegd op de vordering die bestaat op de bank om tot uitbetaling van gelden over te gaan. De beslaglegging is gebaseerd op een voorlopige rechterlijke beslissing dan wel op een executoriale titel afgegeven door een staatsinstitutie. Het beslagexploot wordt door de 38 Art. 606 en 621 Civil Procedure Law. 39 Zie www.poderjudicial.es/cgpj/es/Temas/e_Justicia/Punto_neutro_judicial. 40 Een beslagvrije voet geldt in Spanje alleen in geval van beslag op de inkomsten van de schuldenaar, niet op de bankrekening.

187


Bestaansminimum en bankbeslag

gerechtsdeurwaarder aan de bank betekend door de gerechtsdeurwaarder of een werknemer of per post. In de toekomst zal het mogelijk zijn dat de deurwaarder het bericht digitaal verzendt; elektronisch bankbeslag is (nog) niet geïntroduceerd in Bulgarije. Of iemand over een bankrekening beschikt, en zo ja, bij welke bankinstelling, is niet altijd duidelijk. Weliswaar moeten rechtspersonen hun gegevens aanmelden bij een nationaal register van bankrekeningen, waartoe de beslagleggende instanties toegang hebben, 41 maar voor natuurlijke personen bestaat die verplichting niet. In verband met het bankgeheim is dan geen informatie beschikbaar. Maar is het bestaan van een bankrekening bekend, dan zegt dat nog niets over het saldo op het moment van de beslaglegging. Pas tijdens de tenuitvoerlegging ontstaat hieromtrent duidelijkheid. Slechts in enkele gevallen heft de rechter het bankgeheim op. In de regel valt maar een gedeelte van het saldo op de bankrekening onder het beslag en slechts in bijzondere gevallen (zoals het faillissement van een handelaar) is dat anders. Heersende mening is dat bedragen die na de beslaglegging op de rekening binnenkomen ook onder het beslag vallen. Evenzo kan de beslaglegging betrekking hebben op meer rekeningen die bij een bank worden aangehouden, omdat het beslag betrekking heeft op verhaalsmogelijkheden ten aanzien van de schuldenaar. Dit is anders als de rechter heeft aangegeven dat het beslag beperkt moet blijven tot een specifieke bankrekening. De instanties die verlof tot beslaglegging kunnen geven, kunnen ook aangeven dat het beslag moet worden opgeheven. Daartoe wordt contact opgenomen met de bank, die vervolgens de technische handelingen verricht om de bankrekening weer vrij te geven, waarmee circa twee dagen zijn gemoeid. Voor het leggen van een bankbeslag mag de deurwaarder een bedrag van € 9 berekenen. Dat is inclusief btw, porto ad € 1,20 en andere verschotten. Ook de bank mag kosten in rekening brengen en die verschillen per bankinstelling. Het beslag kan maar gedeeltelijk of in het geheel niet worden gelegd als er aanspraken zijn uit hoofde van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen ter zake van geboorte, kinderbijslag of studie, of als het gaat om arbeids- of pensioenuitkeringen. In het laatste geval kan maar een beperkt gedeelte in beslag worden genomen (dat blijft op de rekening staan en wordt niet overgeboekt naar een speciale rekening). 42 Beslaglegging op de bankrekening

41 42

De gerechtsdeurwaarder heeft toegang tot het National Register of Bank Accounts, zoals dit door de belastingdienst (National Revenue Agency) wordt bijgehouden. Vgl. “CIVIL PROCEDURE CODE Art. 446. (1) If the execution is directed on the labour remuneration or on any other remuneration for work done, as well as on a pension amount of which is above the minimum monthly remuneration, it may be taken only: 1.if the sued person receives up to 300 BGN per month – a share of one quarter if he/she has no children, and a share of one fifth, if he/she has children who he/she maintains; 2.if the sued person receives from 300 to 600 BGN per month – a share of one third if he/she has no children, and a share of one quarter if he/she has children who he/she maintains; 3.if the sued person receives from 600 to 1200 BGN per month – a share of one third if he/she has no children, and a share of one quarter if he/she has children who he/she maintains; 4.if the sued person receives more than 1200 BGN per month – a share of the surplus above 600 BGN if he/she has no children, and a share of the surplus above 800 BGN if he/she has children who he/she maintains;

188


5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief

van een overheidsinstelling of van een uit de begroting of door een internationale instelling gesubsidieerde instelling (zoals een ziekenhuis) is niet mogelijk. Opheffing van het beslag duurt ongeveer twee dagen en kan worden gedaan door de gerechtsdeurwaarder of een andere autoriteit via een verzoek aan de bank. 5.9

Kosovo en Servië

5.9.1 Kosovo Tussen 2009 en 2011 is de KBvG nauw betrokken geweest bij het ontwerp van de nieuwe wetgeving op het gebied van beslag- en executierecht in Kosovo. 43 Na een evaluatie van de wetgeving heeft het parlement van Kosovo onlangs amendementen aangenomen die onder andere het beslag op de bankrekening (nog) efficiënter maken. Het beslag op de bankrekening is geregeld in de artikelen 153-166 van de Law on Enforcement Procedure (LEP). In Kosovo wordt, op basis van de executoriale titel, een bevel tot tenuitvoerlegging uitgevaardigd. Op basis van dit bevel wordt beslag op de bankrekening(en) van de schuldenaar gelegd (art. 152).

43

(2)The monthly labour remuneration under Para 1 shall be determined, after the due on it taxes and obligatory insurance installments are discounted. (3)The limitations pointed hereinabove shall not refer to the liabilities for alimony. In these cases the sum awarded for alimony shall be taken entirely, and the takings under Para 1 for the other liabilities of the sued person and for liabilities for alimony for a past period, shall be made on the remainder of his total income. (4)Enforcement shall not be allowed on receivables for alimony. Enforcement on scholarships shall be allowed only for liabilities for support money. SOCIAL SECURITY CODE Art. 114a. On cash benefits and allowances paid under this code cannot be garnished under the Civil Procedure Code and the Tax Procedure Code or to perform other deductions except for debts to the state social insurance and maintenance obligations, as well as offsetting amounts under Art. 114. (2)Upon determination of pension income on which garnished under the Civil Procedure Code and the Tax Procedure Code or deductions made for claims of state social insurance, as well as offsetting amounts under Art. 114, para. 5, includes additives to it except the supplement for assistance. TAX PROCEDURE CODE Enforceable property Art. 213. (1) The enforcement is directed on the entire property of the debtor, with the exception of: 1.everyday use of the debtor and his family needed food, fuel, working animals and objects occupation or activity list approved by the Council of Ministers; 2.the only residence of the debtor; If the residential area is more than 30 sq. m for the debtor and for each member of the family separately, the difference is sold under these conditions if the property is actually divisible; 3.The amounts in bank accounts amounting to 250 leva for each family member; 4.farmland – a quarter of the holdings, but not less than 3 acres processed directly by the debtor or by a member of his family, as well as the necessary equipment for their processing; 5.remuneration, compensation under employment, pension or scholarship – up to 250 lev per month. (2) Do not allow enforcement on: 1.social security benefits, including unemployment; 2.the social benefits provided by the state or municipal budget; 3.amounts donated by individuals and legal entities received by persons with disabilities with reduced capacity or certain type and degree of disability over 50 percent and other categories of persons disadvantaged; 4.maintenance claims awarded by a court.” Jos Uitdehaag, voormalig bestuurslid van de KBvG en een van de auteurs van dit hoofdstuk, was gedurende de periode 2009 en 2011 lid van de ambtelijke werkgroep en heeft vervolgens de overheid van Kosovo bijgestaan in de implementatie van het nieuwe beslag- en executierecht en de introductie van de gerechtsdeurwaarder-ondernemer in Kosovo.

189


Bestaansminimum en bankbeslag

De gerechtsdeurwaarder heeft geen contact met de individuele (commerciële) banken. De gehele procedure verloopt elektronisch. De tijdslimieten voor de verschillende fasen van het beslag op de bankrekening zijn niet in dagen, maar in minuten uitgedrukt. Conform artikel 15544 wordt het bevel tot tenuitvoerlegging, elektronisch, naar het (eveneens) elektronisch Register van Bankrekeninghouders (Electronic Bank Account Holder Registry) verzonden. Een bank is verplicht binnen 60 minuten na ontvangst van het bevel tot tenuitvoerlegging de bankrekeningen van de schuldenaar te blokkeren. Binnen 120 minuten na ontvangst van het bevel tot tenuitvoerlegging bericht de bank de gerechtsdeurwaarder (art. 155 lid 2). Ingeval de schuldenaar bankiert bij verschillende banken kan de gerechtsdeurwaarder, tegelijkertijd, beslag leggen op alle bankrekeningen van de schuldenaar bij de diverse banken. In dat geval is het aan de gerechtsdeurwaarder te beslissen op welke wijze de verrekening van aanwezige gelden plaatsvindt (bijv. proportioneel af hankelijk van de saldi op de verschillende bankrekeningen) (art. 161).

44 Art. 155: Sequestration and enforcement on the bank account through Bank Account Registry: “(By Article 19 of the Law No. 05/L-118 on amending and supplementing the Law No. 04/L-139 on enforcement procedure, Article 155 of the basic Law is reworded) 1. The enforcement authority shall submit to the commercial banks an enforcement decision or order on the bank account through the electronic system of the Bank Account Holder Registry. 2. Commercial banks are obliged to freeze the bank accounts of the debtor within sixty (60) minutes from the moment of receipt of the enforcement decision or order. Commercial bank shall, within one hundred and twenty (120) minutes notify the enforcement body on freezing of the bank account as per the enforcement decision or order. 3. The enforcement agent shall submit an order for transfer of funds within twenty-four (24) hours after receipt of notification from the banks on freezing of the bank account. If the debtor has sufficient funds in the bank account, the bank is obliged to authorize the transfer of debtor funds within one hundred eighty (180) minutes following the receipt of enforcement body decision or order, and within sixty (60) minutes following the transfer of funds shall notify the enforcement agent that the transfer of funds has been carried out, providing the time of receipt of the enforcement body decision, the amount of credit transfer, the account number/s from which funds are withdrawn, the name of the holder, the account number and the bank where the transfer was made. The aforementioned time limit is calculated, and the banks are obliged to comply with it, only during the regular working hours of banks work, implying that if the above mentioned term, scheduled for transfer from the time of receipt of the order, passes regular work schedule of banks, then the calculation of the deadline for transfer is interrupted at the time of completion of the regular working hours of banks and the remaining time continues to flow into the next day of the banks work. 4. In cases when the bank freezes the debtor’s bank account, it prevents any withdrawal of funds, by doing so it prevents any withdrawal of funds, for any purpose or in any form, except in cases when the bank has an order of priority over the account funds, until the bank covers for the whole amount stated in the decision of the enforcement authority, or until the enforcement authority order is withdrawn. Such freezing of accounts shall not prohibit the deposit of funds into the account. Upon receipt of the enforcement order, the debtor mentioned in the order shall not be permitted to open other accounts in the bank until such order is enforced, or until the enforcement authority order on account freezing is withdrawn. The bank shall not enforce any order of debtor until he has fully paid the credit amount to the enforcement authority or until receipt of notification by the enforcement authority on order withdrawal. 5. The enforcement authority shall, through the electronic system of Bank Account Holders Registry, notify the bank on the unfreezing of the debtor’s accounts upon payment in full of the credit or after the completion of the enforcement process, within one hundred and twenty (120) minutes from the moment of notification that the credit payment has been settled. 6. The bank is obliged to unfreeze the already frozen debtor’s accounts within sixty (60) minutes following the receipt of notification referred to in paragraph 5. of this Article. 7. Upon the request by the enforcement authority, the bank is obliged to provide explanations and documents proving that the bank has respected the transfer decision and all other decisions of the enforcement authority. 8. If there are circumstances that make it impossible delivery of the enforcement order or notifications through electronic system of the Banking Account Registry in the bank, then the enforcement authority may deliver the enforcement order or notifications by other means that make possible their delivery.”

190


5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief

Binnen 24 uur na ontvangst van het bericht van de bank dat de bankrekening(en) van de schuldenaar is (zijn) geblokkeerd, zendt de gerechtsdeurwaarder een overboekingsbevel (order for transfer of funds) naar de betreffende bank (art. 155 lid 3). Wanneer voldoende gelden op de bankrekening(en) aanwezig zijn, is de bank verplicht om binnen 180 minuten na ontvangst van het overboekingsbevel de gelden aan de gerechtsdeurwaarder over te maken. Binnen 60 minuten na de overboeking zendt de bank aan de gerechtsdeurwaarder een bevestiging van overboeking (met vermelding van het tijdstip van ontvangst van het bevel van tenuitvoerlegging, het overgeboekte bedrag, de betreffende bankrekeningen, de naam van de rekeninghouder en de naam en het bankrekeningnummer waar de gelden naar zijn overgeboekt). Wanneer beslagen zijn gelegd ten verzoeke van verschillende schuldeisers, dan volgt betaling aan de gerechtsdeurwaarder in de volgorde van de gelegde beslagen (art. 156). De bank is verplicht de tijdslimieten te respecteren, voor zover dit plaatsvindt gedurende de normale werkuren van de bank. Wordt het beslag na deze uren gelegd, dan worden de tijdslimieten opgeschoven naar de eerstvolgende werkdag. Vanaf het moment dat de bankrekening is geblokkeerd, kan geen betaling meer worden verricht. Uitzondering zijn betalingen in het kader van de preferentie van de vordering van de bank op de schuldenaar. Ingeval geen of onvoldoende gelden aanwezig zijn, dan blijft de blokkade van de bankrekening(en) van kracht totdat (art. 155 lid 4 en 158) de volledige vordering is voldaan. Gedurende de blokkade kunnen wel gelden worden ontvangen op de beslagen bankrekening. Zolang het beslag op de bankrekening(en) van kracht is, kan de schuldenaar geen nieuwe bankrekening openen. De gerechtsdeurwaarder informeert de bank elektronisch via het Register van Bankrekeninghouders inzake de opheffing van het beslag binnen 120 minuten nadat de vordering van de schuldenaar volledig is verrekend (art. 150 lid 5). De bank is verplicht binnen 60 minuten na ontvangst van een dergelijke melding de blokkade op de rekeningen van de schuldenaar op te heffen (art. 155 lid 6). Op verzoek van de gerechtsdeurwaarder dient de bank alle documenten aan de gerechtsdeurwaarder te overhandigen waaruit blijkt dat de wettelijke verplichtingen zijn gerespecteerd (art. 155 lid 7). De bank die handelt in strijd met het bevel tot tenuitvoerlegging en andere verzoeken van de gerechtsdeurwaarder is aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade (art. 165). Is het niet mogelijk gebruik te maken van het elektronische systeem, dan staat het de gerechtsdeurwaarder vrij een andere vorm van betekening van het beslag aan de bank te kiezen. Hoewel Kosovo beslagverboden kent ten aanzien van periodieke inkomsten (art. 111 en 112), geldt geen beslagverbod voor bedragen die op de bankrekening zijn gestort.

191


Bestaansminimum en bankbeslag

5.9.2 Servië De KBvG is ook betrokken bij de ontwikkelingen in het Servische beslag- en executierecht. Servië heeft het beslag- en executierecht in 2010 gemoderniseerd en de gerechtsdeurwaarder-ondernemer geïntroduceerd. Aanvankelijk naast de tenuitvoerlegging via de rechtbanken. Een nieuwe wet op het beslag- en executierecht heeft in 2016 de gerechtsdeurwaarder-ondernemer nagenoeg een monopolie gegeven op het gebied van tenuitvoerlegging. In 2016 zijn ook diverse wijzigingen doorgevoerd inzake het beslag op de tegoeden van schuldenaren bij de bank. In dat verband is allereerst van belang artikel 31 van de Servische Beslag- en Executiewet (Law on Enforcement and Security). Dit artikel geeft de gerechtsdeurwaarder het recht om, vrij van kosten, te informeren bij de banken of een bepaalde schuldenaar, die tevens rechtspersoon is, daar bankiert (dus voor de beslaglegging). 45 Recent is een nieuw amendement aangenomen 46 dat de gerechtsdeurwaarder in staat stelt om via de Organization for Enforced Collection ook de bankrekeningen van natuurlijke personen te controleren. Bij de beslaglegging zelf speelt de ‘National Bank of Serbia’, de Servische centrale bank, een belangrijke rol. Binnen de organisatie van de centrale bank is een speciale afdeling 47 belast met de afwikkeling van gelegde bankbeslagen (art. 299 van de Servische Beslag- en Executiewet). Op basis van de executoriale titel wordt een bevel tot tenuitvoerlegging (Enforcement Ruling) uitgevaardigd. Nu op basis van artikel 31 de bank en de bankrekeningnummers van de schuldenaar al bekend zijn, worden deze uitdrukkelijk genoemd in dit bevel (art. 300 en 308). Het bevel wordt aan de Organization for Enforced Collection betekend (art. 301). De Organization for Enforced Collection verzoekt vervolgens de betreffende bank(en) om de bankrekeningen van de betreffende schuldenaar te blokkeren en de aanwezige gelden aan de schuldeiser over te maken (art. 301). Behalve aan de Organization for Enforced Collection wordt het bevel eveneens betekend aan de schuldeiser en de schuldenaar. Ingeval er verschillende schuldenaren zijn, worden alle bankrekeningen van de betreffende schuldenaren geblokkeerd, zodat van elke schuldenaar een evenredig deel wordt ingehouden (art. 304 lid 3). Heeft een van de schuldenaren onvoldoende gelden, dan wordt ingehouden van de schuldenaren die wel voldoende gelden op de bankrekening hebben (art. 304 lid 4). In geval van periodieke betalingen informeert de gerechtsdeurwaarder de Organization for 45

46 47

Art. 31 Obligation to provide information: “At the request of a court or an enforcement agent, the state authorities, holders of public powers, other legal entities and entrepreneurs are under the obligation to provide the following information about an enforcement debtor, free of charge: 1) (...) 7) Bank account numbers, bank savings and deposits, bank account balances and transactions, and data on attachments on the accounts; 8) Information on payment accounts and issued electronic funds from payment service providers and issuers of electronic funds, the balance and transactions on those accounts, i.e. in connection with the electronic funds, and data on attachment on them; 9) Account numbers of financial instruments as well as their balances;”. Art. 73 Law on Payment Services. De Organization for Enforced Collection (Division for Receipt, Control and Entry of Execution Titles and Orders – Kragujevac).

192


5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief

Enforced Collection dat deze periodieke betalingen op de vervaldag direct aan de beslagcrediteur moeten worden overgemaakt (art. 302 lid 1). De Organization for Enforced Collection informeert de gerechtsdeurwaarder op dagelijkse basis over de gelegde beslagen. Wanneer het beslag niet kan worden uitgevoerd binnen vijftien dagen van ontvangst van het bevel, dan verzoekt de gerechtsdeurwaarder de schuldeiser om binnen acht dagen aan te geven of deze het beslag wenst te handhaven, dan wel of andere vermogensbestanddelen van de schuldenaar bekend zijn (art. 305). 48 Reageert de schuldeiser niet binnen deze termijn, dan vervalt het beslag. Servisch recht kent een gedeeltelijk beslagverbod indien beslag wordt gelegd op de periodieke inkomsten van de schuldenaar. 49 Ingevolge artikel 258 lid 3 van de Law on Enforcement and Security wordt die bescherming doorgetrokken ingeval beslag wordt gelegd op een bankrekening waarop de betreffende periodieke inkomsten worden gestort, waarbij wordt voorzien in een af bouw van de hoogte van de beslagvrije voet tot het moment waarop de verwachte volgende maandelijkse inkomsten kunnen worden verwacht.50 5.10

Tsjechië en Slowakije

5.10.1 Tsjechië Ook in Tsjechië kan een bankrekening in beslag worden genomen als sprake is van een procedure tot verhaal van een schuld (dat kan ook een faillissementsprocedure betreffen) of in het kader van een strafvorderlijke procedure. De verhaalsprocedure kan zowel civielrechtelijk als bestuursrechtelijk zijn. Het beslag kan worden gelegd door het gerecht, deurwaarders en specifieke staatsinstituties (zoals de belastingdienst en socialezekerheidsinstanties).

48 Anders dan in Nederland heeft in Servië de schuldeiser een belangrijke rol bij het identificeren van de vermogensbestanddelen van de schuldenaar. 49 Art. 258 Law on Enforcement and Security: “Enforcement against wages or salary, compensation of wages i.e. compensation of salary and pension may be carried out in the amount of up to two-thirds of the wages, compensation of wages, salary, salary compensation and pension, i.e. up to one half if their amounts are equal or lower than the minimum wage determined in accordance with the law. The same shall apply to the salaries of officers, non-commissioned officers, contract soldiers, military officials and the income of reserve personnel during their service in the military. Enforcement against minimum wage and minimum pension shall be carried out up to one half of its amount. Enforcement against income of war- and peacetime-disabled veterans based on disability payments, orthopaedic allowance and disability allowance may be carried out only up to one half of their amounts, and only for the purpose of satisfaction of claims arising from the legal support, indemnity for damage to the health, for total or partial incapacity for work, and cash paid for support lost due to the death of the supporter. Enforcement against income arising from damages in the form of cash rent which is not exempt from enforcement, contract of lifelong care, and life insurance contract may be carried out only against the portion of the income which exceeds the amount of the highest permanent social assistance paid in the territory in which the enforcement debtor has permanent i.e. temporary residence.” 50 Art. 218 (Exemption from Enforcement): “The following items may not be subject to enforcement: Section 3) Cash funds of the enforcement debtor with a regular monthly income, up to the monthly amount which is exempt from enforcement by law, in proportion to the time left until the next income;”.

193


Bestaansminimum en bankbeslag

De deurwaarder betekent de rechterlijke uitspraak op grond waarvan beslag kan worden gelegd aan de bank en geeft aan dat hierna geen bedragen meer mogen worden afgeboekt ter hoogte van het in beslag genomen bedrag. Omdat er geen centraal register bestaat, moet de deurwaarder onderzoek doen en nagaan bij welke bank een rekening loopt door een digitale mededeling te sturen met de mogelijkheid van remote access (xml). Dat moet voor iedere bankinstelling en iedere bankrekening afzonderlijk geschieden. Maar als de bank aangeeft dat het een rekeninghouder betreft, wordt ook opgave gedaan van het saldo, behoudens voor wijzigingen die inmiddels optreden. In beginsel is het beslag beperkt tot het bedrag waartoe de vordering strekt, maar de schuldenaar kan op grond van een speciale regeling eenmaal een bedrag opnemen ter hoogte van het dubbele van de onderhoudskosten van een individu.51 Daar staat tegenover dat gedurende een periode van zes maanden bedragen die na de beslaglegging worden gestort, onder het beslag vallen als het te verhalen bedrag nog niet was bereikt. Opheffing van het beslag is mogelijk via een nieuwe rechterlijke uitspraak dan wel doordat de deurwaarder het beslag opheft. In de praktijk is dit in een of twee dagen geëffectueerd. De aanleiding voor de opheffing is meestal om het surplus van de inkomsten c.q. stortingen buiten het beslag te doen vallen. Er gaan stemmen op om een speciale rekening te introduceren waarop het vrij te laten bedrag kan worden gestort en waarover de schuldenaar dan kan blijven beschikken. Omdat vrijwel de hele procedure digitaal plaatsvindt, worden geen speciale kosten berekend. Iedereen draagt de eigen kosten van de procedure met uitzondering van hetgeen voortvloeit uit de contractuele verhouding tussen bank en schuldenaar. 5.10.2 Slowakije Voor Slowakije geldt dat de regeling gelijkenissen vertoont met de Tsjechische. Ook hier is het mogelijk om alle soorten bankrekeningen te beslaan, behalve de rekeningen waarop overheidsgelden staan. De beslaglegging geschiedt door het gemeentebestuur, de belastingdienst of door de deurwaarder. De deurwaarder heeft toegang tot het register waarin de bankrekeningnummers zijn opgenomen. Ook wordt dan bekend wat het saldo van de rekening op dat moment is. Als hij de opdracht daartoe heeft gekregen, zendt hij een mededeling naar de bank dat de bankrekening moet worden bevroren voor het bedrag waartoe de vordering strekt. Alle rekeningen bij een bankinstelling kunnen in één procedure c.q. door één mededeling worden getroffen. Als vervolgens de rechter instemt met de tenuitvoerlegging, vraagt hij de bank om het geld van de rekening af te boeken. Het beslag treft niet de gehele bankrekening, slechts het bedrag waarvoor verhaal wordt gezocht, maar de schuldenaar heeft eenmaal de mogelijkheid een bedrag van circa € 99 op te nemen, welk bedrag als een beslagvrij bedrag moet worden gezien. Ook het salaris, socialeverzekeringsuitkeringen en andere betalingen door 51

Zou het gaan om een werkgever ten laste van wie beslag is gelegd, dan mag een bedrag voor de uitbetaling van de salarissen van de werknemers worden opgenomen.

194


5 Bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief

de overheid vallen erbuiten. Deze bedragen blijven op de bankrekening staan en worden niet overgeboekt naar een speciale bankrekening. Anderzijds vallen ook latere stortingen onder het beslag. Opheffing van het beslag geschiedt doordat de deurwaarder de bank vraagt het beslag op te heffen en de bank daaraan gehoor geeft. De facto duurt het twee of drie dagen voordat het beslag dan is opgeheven. De deurwaarder kan kosten in rekening brengen: € 70 voor zijn eigen kosten en maximaal € 5 voor informatie uit het register, porto, enveloppen, etc. De bank brengt maximaal € 25 in rekening. 5.11

Rechtsvergelijkende concluderende opmerkingen

In dit hoofdstuk zijn diverse rechtsstelsels meer of minder uitvoerig besproken, waarbij duidelijk is dat de meeste besproken landen een vorm van beslagvrije voet bij bankbeslag kennen. De hoogte van deze beslagvrije voet bedraagt in zijn meest eenvoudige vorm een ‘fixed fee’, die voor iedere schuldenaar gelijk is, en waarbij soms een aanpassing mogelijk is op basis van gezinssamenstelling of onderhoudsplichten (Schotland, Portugal, Bulgarije, Litouwen). Andere systemen brengen meer verfijning aan in de bepaling van de hoogte van de beslagvrije voet en maken daarbij gebruik van een meer gedifferentieerde maar geobjectiveerde standaard die ziet op het bestaansminimum. Hierbij wordt aangehaakt bij een variabele socialezekerheidsnorm of een andere ratio die ziet op de waarborging van de bestaanszekerheid. Zo kent Duitsland een vergaand inkomensgerelateerd staffelsysteem, waarbij rekening wordt gehouden met onderhoudsplichten. Veel landen, waaronder Frankrijk, verwijzen rechtstreeks naar een socialezekerheidsnorm of naar de bij een beslag op periodieke inkomsten gehanteerde beslagvrije voet (België), waarin verschillende leefomstandigheden zijn verdisconteerd. Hierbij zij opgemerkt dat geen van de in dit hoofdstuk besproken landen een toeslagensysteem kent zoals wij dat in Nederland hebben, wat maakt dat de hierboven genoemde oplossingen zich niet zonder meer lenen voor een een-op-eentoepassing in het Nederlandse rechtsstelsel. De aan ons toeslagensysteem gekoppelde beslagbeperkingen vormen een factor die moet worden meegewogen bij de bepaling van een buiten het bankbeslag te laten bedrag. In een aantal (Scandinavische) landen is sprake van een ruime discretionaire bevoegdheid voor de gerechtsdeurwaarder om maatwerk te leveren bij de vaststelling van de som die niet in het bankbeslag wordt meegenomen: Noorwegen, Finland en Zweden kennen een dergelijk stelsel, waarbij in Zweden een overzicht van alle bankrekeningen bij de bepaling daarvan wordt meegenomen en eveneens rekening wordt gehouden met de daadwerkelijke woonlasten en het gegeven of deze ten tijde van het leggen van het beslag reeds zijn afgeschreven of niet. Engeland en Wales kennen eveneens een individueel vastgestelde beslagvrije voet, met

195


Bestaansminimum en bankbeslag

dien verstande dat de (vereenvoudigde) proceslast daarvoor bij de schuldenaar ligt, die een zogenaamde ‘hardship payment order’ bij de rechtbank kan indienen. Struikelblok bij het leggen van bankbeslag en het vervolgens – alle saldi in acht genomen – op de juiste wijze kunnen bepalen welk bedrag buiten het beslag dient te blijven, lijkt te zijn of, voorafgaand aan de beslaglegging, informatie beschikbaar is omtrent waar de schuldenaar bankiert en wat de diverse saldi op diens bankrekeningen zijn. Immers, voor het nemen van een juiste beslissing hierin dienen alle relevante gegevens beschikbaar te zijn. In die landen waar de regeling reeds jaren geleden tot stand is gekomen, is soms voorzien in de oplossing van deze informatielacune. Duitsland heeft die gevonden in de vorm van de besproken P-Konto en in Denemarken staat de schuldenaar onder ede bij het verschaffen van informatie omtrent diens vermogen. In België is alleen dat deel beslagvrij waarvan (na het beslag) door middel van een codering duidelijk wordt dat het de aan een periodieke inkomstenbron verbonden beslagvrije voet betreft. Veel recente regelingen kennen een digitaal (banken)register dat, na verkrijging van de executoriale titel, of in een iets later stadium, voor de deurwaarder ter inzage beschikbaar is. Rekeningnummers, saldi en in een enkel geval zelfs mutaties op de rekeningen zijn daarmee inzichtelijk. Hierdoor kan het hele beslagproces sneller worden afgewikkeld. Bovendien worden daarmee de kosten voor het leggen van niet-klevende beslagen voorkomen, en door de doorgaans daaraan gekoppelde digitale beslaglegging wordt de afzondering van de beslagvrije voet versneld (Zweden, Estland, Spanje), waardoor de schuldenaar daarover weer snel kan beschikken. Ook worden de bankkosten die kunnen worden verrekend met het beslag, aanzienlijk beperkt (Denemarken, Zweden, Litouwen, Spanje) of zelfs wettelijk gemaximeerd (Slowakije). De Nederlandse verklaringstermijn van minimaal vier weken en de verhoudingsgewijs zeer hoge bedragen die Nederlandse banken verrekenen met het beslag, staan hiermee in schril contrast. Nabeschouwend kan worden geconcludeerd dat, in navolging van andere Europese lidstaten, zal moeten worden gekomen tot een regeling die enerzijds de daadwerkelijke garantie biedt dat bij een bankbeslag ten laste van een natuurlijke persoon een bedrag overblijft dat volstaat voor de belangrijkste kosten van levensonderhoud, maar waarbij anderzijds – zoals in Zweden en Servië – rekening wordt gehouden met de voor de lopende periode reeds voldane vaste lasten. Een bijzonder punt van aandacht blijft echter het Nederlandse toeslagen- en fiscale compensatiesysteem, dat ten opzichte van andere Europese landen een complicerende factor vormt bij de vaststelling welk bedrag buiten het beslag dient te worden gehouden. Verder valt op dat diverse landen een voorziening hebben waarmee inzage kan worden gekregen in bankgegevens van de schuldenaar, waardoor effectiever en kostenbesparender beslag kan worden gelegd. Voorts worden in een aantal landen de met het beslag gemoeide bankkosten en de verrekenbevoegdheid van banken wettelijk beperkt. Dit laatste is, tezamen met de in een aantal landen aanzienlijk kortere verklaringstermijn dan in Nederland, vooral noodzakelijk in het belang van de betrokken partijen.

196


Hoofdstuk 6 Conclusie en wetsvoorstel

O.M. Jans, J. Feikema, M.I. Cazemier en L. Timmerman

6.1

Inleiding

Dit preadvies is de hekkensluiter in een reeks van drie preadviezen die zien op de revisie van wetgeving aangaande beslagverboden. In hun onderlinge samenspel zien zij op de noodzakelijke verbetering van de kaders waarbinnen de uiteindelijke afweging van de belangen tussen schuldeiser en schuldenaar gestalte krijgt. In zekere zin is het in dit hoofdstuk vervatte wetsvoorstel het slotakkoord op het fundament dat in die preadviezen is gelegd. De ruimte om zonder wettelijke grondslag rekening te houden met de financieel kwetsbare positie en het bestaansminimum van de armlastige schuldenaar is beperkt. De positie van de gerechtsdeurwaarder als openbaar ambtsdrager bij de tenuitvoerlegging van rechterlijke vonnissen en beschikkingen brengt met zich mee dat de belangen van zowel executant als geëxecuteerde door hem gewogen dienen te worden. De onpartijdigheid die zijn functie met zich meebrengt, maakt dat bij die afweging slechts de wet als primair uitgangspunt heeft te gelden. Hoewel in diverse (tucht)uitspraken is bepaald dat aantasting van de minimumlevenstandaard ongeoorloofd of vexatoir is, en er zelfs sprake kan zijn van misbruik van recht, heeft geen van deze normen de algemeen verbindende strekking van een wettelijke bepaling. De wetgever is dus aan zet en de KBvG is hem hierin – ten derden male – van dienst. Dit preadvies heeft tot doel om de lezer inzicht te verschaffen in de mogelijkheden en obstakels die er zijn om ook bij een bankbeslag een zeker minimumbedrag vrij te houden ter bescherming van het bestaansbehoud van de schuldenaar, zonder daarbij onevenredig te treden in de toch al onder druk staande rechten van concurrente schuldeisers.1 De beroepsgroep is, samen met de Raad van State, de staatssecretaris van SZW, het kabinet en diverse Kamerfracties van mening dat adequate wetgeving op dit gebied gestalte dient te krijgen, maar het vinden van een antwoord op de vraag wat daarbij de juiste oplossingsrichting zou zijn, was niet eenvoudig. Ook de staatssecretaris van SZW heeft onderkend dat de hiermee samenhangende problematiek te complex is om reeds bij de vereenvoudiging van de beslagvrijevoetregeling tot een simpele, voor alle partijen praktisch uitvoerbare, wettelijke regeling te komen.

1

Zie daarvoor het nog steeds actuele N. Jungmann e.a., Paritas Passé. Debiteuren en crediteuren in de knel door ongelijke incassobevoegdheden, 2012.

197


Bestaansminimum en bankbeslag

Een van de eerste problemen is de, naar Nederlands recht, goederenrechtelijke onmogelijkheid om op het saldo van een bankrekening een afgescheiden vermogen in het leven te roepen. Dit heeft ertoe geleid dat een andere oplossing moest worden gezocht voor het in de jurisprudentie geformuleerde criterium van een voortgezet beslagverbod op bedragen die gestort worden uit hoofde van een periodieke vordering, waarvoor een beslagverbod geldt. In samenhang hiermee moest eveneens een oplossing worden gevonden voor het probleem dat op de inkomsten van zzp’ers niet van rechtswege een beslagvrije voet van toepassing is. De uitkomst werd gevonden in een van de herkomst van het saldo geabstraheerd beslagvrij bedrag, waarbij in beginsel wordt aangehaakt bij de berekeningswijze van artikel 475da lid 1 Rv uit de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. De bescherming van het bestaansminimum bij een bankbeslag is een onontbeerlijke toevoeging in het arsenaal aan eerdere initiatieven die zijn genomen om tot een betere handhaving van de beslagvrije voet te komen. Tevens is duidelijk dat het huidige pakket aan beslagbeperkingen vraagt om wetgeving die de belangen van de schuldenaar in balans brengt met de belangen van de concurrente schuldeiser. Dat evenwicht is gezocht vanuit twee verschillende perspectieven. Enerzijds was daar het verhaalsrecht van artikel 3:276 BW en artikel 435 lid 1 Rv. De verwezenlijking van de uit deze artikelen voortvloeiende aanspraken kan alleen in voldoende mate worden gerealiseerd indien het beslagvrije bedrag geldt als inperking op het totaal van de op naam van de schuldenaar staande banksaldi. Het huidige wettelijke kader echter biedt de schuldeiser onvoldoende waarborgen omtrent informatie aangaande het voor verhaal vatbare totale banksaldo van de schuldenaar. Een verdergaande inperking van verhaalsrechten is onwenselijk in een wettelijke context die door de bestaande verhaalsinformatielacune aan schuldenaren (nog steeds) de mogelijkheid biedt om banktegoeden aan verhaal te onttrekken. Daarom voorziet onderhavig preadvies in een voorstel voor stevig verankerde informatieplichten en -bevoegdheden omtrent op naam van de schuldenaar staande banktegoeden. Een bijkomend voordeel van de brede beschikbaarheid van dergelijke informatie is dat zinloze beslagen en daarmee onnodige kosten kunnen worden voorkomen. Het andere perspectief waarmee aan de belangen van schuldeiser en schuldenaar in de juiste verhouding recht wordt gedaan, is door rekening te houden met de uit het beslagvrije bedrag te betalen vaste lasten van de schuldenaar. Wordt beslag gelegd onder de bank op het moment dat deze vaste lasten voor de lopende kalendermaand reeds zijn voldaan, dan ligt het voor de hand dat de schuldenaar tot het moment dat de volgende periodieke inkomsten te verwachten zijn, met een gedeelte van het voor hem geldende beslagvrije bedrag toe kan. Ook in deze belangenafweging voorziet dit wetsvoorstel. De hierboven genoemde hoofdlijnen worden in het hieronder uiteengezette wetsvoorstel verdergaand verfijnd en van een uitgebreide toelichting voorzien. Het laatste gat in de bescherming van het bestaansminimum van de armlastige schuldenaar zal met de toepassing van de voorgestelde regeling – eindelijk – worden afgedicht, terwijl gelijktijdig een evenwicht met de belangen van de schuldeiser wordt gerealiseerd.

198


6 Conclusie en wetsvoorstel

6.2

Concept voor een voorstel van wet

VOORSTEL VAN WET Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van OranjeNassau, enz. enz. enz. Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om enige wijzigingen aan te brengen in de wetgeving van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd A Artikel 475ab wordt als volgt gewijzigd: 1. Na <<475e,>> wordt ingevoegd <<475f b, 475fc,>> en na <<475g>> wordt ingevoegd <<475gc,>>. 2. In alfabetische rangschikking wordt ingevoegd: Bank: bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;

B Artikel 475b wordt als volgt gewijzigd: 1. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 3. Beslag ten laste van een natuurlijke persoon onder een bank op ĂŠĂŠn of meer betaalrekeningen, dan wel spaarrekeningen is slechts geldig voor zover het saldo op die rekeningen het buiten het beslag te laten bedrag overtreft.

C Na artikel 475fa worden twee artikelen ingevoegd, luidende: Artikel 475fb 1. Het buiten het beslag te laten bedrag bedraagt het bedrag genoemd in artikel 475da, eerste lid. 2. Indien de schuldenaar op grond van de Basisregistratie Personen geen woonadres in Nederland heeft, bedraagt het buiten het beslag te laten bedrag 50% van het bedrag genoemd in artikel 475da, eerste lid, onder c. 3. Indien de schuldenaar buiten Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, wordt het op basis van het eerste lid vastgestelde buiten het beslag te laten bedrag vermenigvuldigd met een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde factor.

199


Bestaansminimum en bankbeslag

4. Indien het beslag is gelegd voor de twintigste dag van een kalendermaand, wordt het op grond van het eerste tot en met het derde lid berekende bedrag vermenigvuldigd met de factor 0,25. 5. Indien het beslag is gelegd voor de twintigste dag van een kalendermaand en de schuldenaar aan de deurwaarder aantoont dat hij of diens echtgenoot in de periode van zeven dagen voor het beslag ten minste één of meer periodieke betalingen als bedoeld in artikel 475c, eerste lid, heeft ontvangen, wordt het buiten het beslag te laten bedrag verhoogd tot ten hoogste de voor hem overeenkomstig artikel 475da geldende beslagvrije voet. Artikel 475fc Het buiten het beslag te laten bedrag wordt in de onderstaande volgorde verminderd met: a. het saldo van de door de echtgenoot van de schuldenaar bij één of meer banken aangehouden betaalrekeningen, dan wel spaarrekeningen, tot ten hoogste de helft van het buiten het beslag te laten bedrag; b. het saldo van de schuldenaar bij één of meer andere banken aangehouden betaalrekeningen, dan wel spaarrekeningen; c. de bestuursrechtelijke premie als bedoeld in artikel 18f van de Zorgverzekeringswet, voor zover deze wordt ingehouden op grond van het tweede lid van dat artikel; d. de zorgtoeslag als bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag wanneer deze wordt ingehouden op grond van artikel 18f, vijfde lid, van de Zorgverzekeringswet; e. de over het voordeel bedoeld in artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 verschuldigde loonbelasting ten gevolge van het voor privédoeleinden aan de schuldenaar ter beschikking gestelde vervoermiddel, indien de schuldenaar heeft nagelaten om de inhouding bij aanvang van het eerste kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin het beslag is gelegd te doen eindigen.

D Na artikel 475ga wordt, onder vernummering van artikel 475gb tot artikel 475gc, een nieuw artikel ingevoegd, luidende: Artikel 475gb 1. Een schuldenaar is verplicht aan een deurwaarder die gerechtigd is ten laste van hem beslag te leggen, desgevraagd de bank of banken op te geven waar hij één of meer betaalrekeningen, dan wel spaarrekeningen aanhoudt. 2. Een bank verstrekt op verzoek van een deurwaarder die gerechtigd is ten laste van een schuldenaar beslag te leggen, ten behoeve van het leggen van dit beslag gegevens omtrent de hoogte van het saldo van de door de schuldenaar bij die bank aangehouden betaalrekeningen, dan wel spaarrekeningen. Indien de schuldenaar gehuwd is, verstrekt de bank op gelijke wijze gegevens met betrekking tot de hoogte van het saldo van de echtgenoot van de schuldenaar. 3. Het is de in het eerste lid genoemde bank niet toegestaan de schuldenaar of diens echtgenoot op de hoogte te brengen van het door de deurwaarder gedane verzoek.

200


6 Conclusie en wetsvoorstel

E Artikel 475gc (nieuw) wordt als volgt gewijzigd: 1. Telkens na <<475ga>> wordt ingevoegd <<475gb>>.

F Artikel 475i wordt als volgt gewijzigd: 1. Na het tweede lid wordt, onder vernummering van het derde tot en met het vijfde lid tot het vierde tot en met het zesde lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende: 3. Bij een beslag als bedoeld in artikel 475b, derde lid, wordt het buiten het beslag te laten bedrag uiterlijk ten tijde van het betekenen van het beslagexploot schriftelijk medegedeeld aan de schuldenaar volgens een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen model onder vermelding van de gegevens waarop de vaststelling van het buiten het beslag te laten bedrag is gebaseerd en de wijze waarop dit bedrag is berekend. Bij de mededeling, bedoeld in de vorige zin, wordt de schuldenaar tevens gewezen op de verplichting van artikel 475gb, eerste lid, en de mogelijkheden op grond van artikel 475df, vijfde lid, om het buiten het beslag te laten bedrag op verzoek te verhogen.

2. In het vierde lid (nieuw) wordt na <<tweede>> ingevoegd <<en derde>> en wordt na <<beslagvrije voet>> ingevoegd <<dan wel het buiten het beslag te laten bedrag>>. 3. In het vijfde lid (nieuw) wordt <<en derde lid>> vervangen door <<en vierde lid>>. 4. In het zesde lid (nieuw) wordt <<derde lid>> vervangen door <<vierde lid>>. G Artikel 477 wordt als volgt gewijzigd: 1. Na het tweede lid wordt, onder vernummering van het derde tot en met het vijfde lid tot het vierde tot en met het zesde lid, een lid ingevoegd, luidende: 3. Indien een beslag is gelegd als bedoeld in artikel 475b, derde lid, is de derde-beslagene, onverminderd het tweede lid, gerechtigd om, ter voldoening van de met de afwikkeling van het beslag gepaard gaande kosten, ten hoogste een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld bedrag ten laste van de beslagene in mindering te brengen op de aan de deurwaarder uit te betalen geldsom.

TOELICHTING Verplichtingen moeten worden nagekomen! Dus ook schulden moeten worden betaald. Dit uitgangspunt behoeft weinig uitleg en in veruit de meeste gevallen worden financiĂŤle verplichtingen dan ook gewoon voldaan. Indien dit laatste echter niet vrijwillig gebeurt, ontstaat

201


Bestaansminimum en bankbeslag

de noodzaak om nakoming af te dwingen. Artikel 3:276 BW stelt dan ook voorop dat een schuldeiser zich in beginsel op alle goederen van de schuldenaar kan verhalen. Het gerechtvaardigd belang van een schuldeiser om zijn vordering verhaald te krijgen, is echter niet absoluut. Het recht van een schuldeiser om zich op goederen te verhalen wordt onder omstandigheden beperkt wanneer het zwaarwegende recht van de schuldeiser desalniettemin niet opweegt tegen dat van de schuldenaar. Mensen dienen, ook wanneer zij worden gedwongen om hun schulden te voldoen, in hun minimale levensbehoeften te kunnen blijven voorzien. Een voor een schuldenaar geldende beslagvrije voet maakt dit mogelijk. Hoewel de bescherming van de beslagvrije voet van groot belang is voor een schuldenaar, bleek dat deze in de praktijk te vaak niet correct werd toegepast en te laag werd vastgesteld. Voor een correcte berekening was namelijk een veelvoud aan gegevens nodig die veelal door de schuldenaar zelf aangeleverd diende te worden, hetgeen vervolgens vaak niet gebeurde. De wetgever heeft dan ook de noodzaak gezien om de berekeningswijze van de beslagvrije voet te herzien en te moderniseren. Met de totstandkoming van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en de Verzamelwet SZW 2018 is een voorlopig einde gekomen aan de modernisering van de beslagvrijevoetregeling. Hoewel de beslagvrije voet de kern vormt van de bescherming die aan een schuldenaar wordt geboden om in zijn minimale levensbehoeften te blijven voorzien, is die bescherming nog niet optimaal gewaarborgd. Een beslagvrije voet wordt immers alleen verbonden aan vorderingen tot periodieke betaling. Wanneer de aan de schuldenaar toekomende beslagvrije voet wordt gestort op een bankrekening van de schuldenaar, wordt die bankrekening in beginsel niet beschermd door de werking van de beslagvrije voet. Door een beslag onder de bank op de rekening waarop de beslagvrije voet is overgemaakt, zou de bescherming die de beslagvrijevoetregeling behoort te bieden, feitelijk illusoir worden. Dit probleem is onderkend. In reactie op het advies van de Raad van State heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid allereerst opgemerkt dat uit jurisprudentie blijkt dat beslag op een bankrekening niet mag worden misbruikt om de regeling van de beslagvrije voet te omzeilen, doch dat de problematiek te complex is om reeds bij de vereenvoudiging van de beslagvrijevoetregeling tot een simpele, voor alle partijen praktisch uitvoerbare, wettelijke regeling te komen.2 Dit wetsvoorstel beoogt het sluitstuk te zijn van de bescherming die aan de schuldenaar wordt geboden teneinde hem in staat te stellen om in zijn minimale levensbehoeften te kunnen blijven voorzien. Het wetsvoorstel bouwt dan ook voort op het kader zoals dat in

2

Kamerstukken II 2016/17, 34628, 4, p. 2-3.

202


6 Conclusie en wetsvoorstel

de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is geschapen. De uitgangspunten en de berekeningssystematiek van de nieuwe regeling zijn dan ook leidend geweest voor de hier gekozen oplossingen. De beslagvrije voet Allereerst dient opgemerkt te worden dat de beslagvrije voet alleen van toepassing kan zijn wanneer er beslag wordt gelegd ten laste van een natuurlijke persoon. Artikel 475b lid 1 Rv stelt dit weliswaar niet expliciet, maar dit blijkt genoegzaam uit het doel van de regeling. Daarbij geldt dat uit de soort vorderingen waaraan artikel 475c Rv een beslagvrije voet verbindt, eveneens genoegzaam blijkt dat de bescherming van de beslagvrije voet zich niet tot rechtspersonen uitstrekt. Dit sluitstuk op de beslagvrijevoetregeling geldt derhalve evenmin voor rechtspersonen. Onder de werking van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet wordt de hoogte van de beslagvrije voet berekend aan de hand van het fiscale inkomen van de schuldenaar. Artikel 475da lid 1 Rv bepaalt vervolgens de, af hankelijk van de leefsituatie van de schuldenaar, maximale hoogte van de beslagvrije voet.3 In het systeem van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is de hoogte van de beslagvrije voet nauw verbonden aan het recht op toeslagen, meer in het bijzonder de zorgtoeslag, huurtoeslag en het kindgebonden budget. Deze inkomensaf hankelijke regelingen, waarvoor in beginsel een beslagverbod geldt, 4 zijn – indien de schuldenaar daar gezien de hoogte van zijn inkomen recht op heeft – voor hem ook noodzakelijk om in zijn minimale levensbehoeften te voorzien. De basis van de voor een schuldenaar geldende beslagvrije voet in het systeem van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet wordt gevormd door een vast bedrag van 95% van de, af hankelijk van de leefsituatie van de schuldenaar, geldende bijstandsnorm. Dit vaste bedrag wordt vervolgens verhoogd met de zogenoemde ‘compensatiekop’. De component ‘compensatiekop’ binnen de beslagvrije voet stijgt naarmate het recht op toeslagen daalt. De schuldenaar die – gezien de hoogte van zijn inkomsten – recht heeft op een relatief hoog bedrag aan toeslagen, zal derhalve relatief beperkt recht hebben op een verhoging van de beslagvrije voet boven het voornoemde vaste bedrag. Omgekeerd geldt dat wanneer de schuldenaar – gezien de hoogte van zijn inkomsten – minder recht heeft op toeslagen, hij recht heeft op een hogere compensatiekop. De schuldenaar die – gezien de hoogte van zijn inkomen – geen recht (meer) heeft op toeslagen, is niet (langer) in staat om die toeslagen aan te wenden om (gedeeltelijk) in zijn minimale

3 4

Art. 475fa Rv: “Slechts wanneer de toepassing van de regeling tot onevenredige hardheid leidt, kan de kantonrechter de beslagvrije voet tijdelijk verhogen. Het betreft derhalve een zeer uitzonderlijke omstandigheid.” Art. 45 Awir.

203


Bestaansminimum en bankbeslag

levensbehoeften te voorzien. Hem komt de maximale compensatiekop toe. Het voornoemde vaste bedrag van 95% van de per leefsituatie geldende bijstandsnorm en de maximale compensatiekop tezamen vormt dan ook de maximale beslagvrije voet als genoemd in artikel 475da, eerste lid, Rv. De in de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet gekozen systematiek gaat ervan uit dat de toeslagen daadwerkelijk (op een bankrekening) worden ontvangen, zodat die daadwerkelijk kunnen worden aangewend om van daaruit gedeeltelijk de lasten te voldoen waarvoor de betreffende toeslag is verstrekt. Wanneer toeslagen niet daadwerkelijk worden ontvangen, gaat dat ten koste van de afloscapaciteit van de schuldenaar. Uiteraard gaat ook dit systeem er evenzeer van uit dat ook de beslagvrije voet daadwerkelijk (op een bankrekening) wordt ontvangen. Uitgangspunt In het onderhavige wetsvoorstel wordt aangesloten bij de nieuwe beslagvrijevoetregeling en de daaraan ten grondslag liggende gedachten. Uitgangspunt is dat een schuldenaar, af hankelijk van zijn persoonlijke situatie, over verschillende inkomstencomponenten kan beschikken, die alle (op enig moment) op een door hem aangehouden bankrekening of bankrekeningen worden gestort. Een beslag onder een bank op bankrekeningen mag er vervolgens niet in resulteren dat de bescherming die de beslagvrijevoetregeling biedt, teniet wordt gedaan. Tegelijkertijd beoogt het wetsvoorstel om een niet verdergaande inbreuk op de verhaalsrechten van schuldeisers te maken dan strikt noodzakelijk is. De mate waarin de geldigheid van een beslag op een bankrekening van een natuurlijke persoon wordt ingeperkt, dient te worden benaderd vanuit de gedachte dat de bescherming die de beslagvrijevoetregeling biedt wanneer beslag wordt gelegd op vorderingen tot periodieke betalingen waaraan een beslagvrije voet is verbonden, niet door het leggen van een bankbeslag mag worden doorkruist. Hierbij dient overigens opgemerkt te worden dat dit wetsvoorstel eveneens tegemoetkomt aan de problematiek die zich voordoet wanneer verhaal wordt gezocht op het vermogen van een zzpâ&#x20AC;&#x2122;er. Hij zal immers veelal niet over inkomsten beschikken waaraan artikel 475c Rv van rechtswege een beslagvrije voet verbindt. Daarnaast geldt dat de inkomsten van een zzpâ&#x20AC;&#x2122;er niet uit de polisadministratie van het UWV blijken, waardoor sneller naar het middel van het bankbeslag wordt gegrepen. Ook die natuurlijke persoon zal door dit wetsvoorstel nadere bescherming worden geboden. Afbouw Artikel 475 Rv maakt het mogelijk om beslag onder een derde te leggen op alle vorderingen die de schuldenaar op die derde heeft, of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen. Een beslag op een dergelijke vordering wordt slechts eenmaal gelegd en blijft vervolgens zijn werking behouden. Het gelegde beslag heeft geen invloed op het moment waarop, nadat het beslag is gelegd, de derde (periodiek) aan zijn

204


6 Conclusie en wetsvoorstel

verplichting tot uitbetaling moet voldoen. De onderliggende rechtsverhouding is daarvoor bepalend. Indien aan de beslagen vordering tot periodieke betaling een beslagvrije voet is verbonden, wordt die beslagvrije voet derhalve op het, voor zowel de derde als de schuldenaar, gebruikelijke moment uitbetaald. De schuldenaar dient vervolgens (mede) vanuit de beslagvrije voet rond te kunnen komen totdat hij, op grond van de met de derde bestaande rechtsverhouding, opnieuw de beslagvrije voet uitbetaald krijgt. Met de tijd neemt het resterende bedrag aan beslagvrije voet van waaruit de schuldenaar betalingen verricht dus steeds verder af. Ook de omvang van de bescherming die de beslagvrije voet aan de schuldenaar moet bieden, neemt feitelijk af naarmate de tijd verstrijkt na de uitbetaling van de volledige beslagvrije voet. Het bankbeslag betreft, anders dan beslag op vorderingen waaraan een beslagvrije voet is verbonden, een momentopname. Alleen het saldo dat de schuldenaar op het moment van beslaglegging aanhoudt, wordt door het beslag geraakt. Nu dit wetsvoorstel beoogt de verhaalsrechten van schuldeisers niet nodeloos in te perken, dient te worden onderkend dat de mate waarin het beslag op het getroffen saldo geldig is, mede af hankelijk moet zijn van de datum waarop het bankbeslag is gelegd. Ook in enkele ons omringende landen wordt met een zekere af bouw van de bescherming rekening gehouden. Meerdere inkomsten Het gegeven dat schuldenaren in veel gevallen vanuit meerdere inkomstenbronnen in hun minimale levensbehoeften moeten voorzien en die inkomsten op verschillende momenten â&#x20AC;&#x201C; te weten af hankelijk van de rechtsverhouding tussen schuldenaar en derde â&#x20AC;&#x201C; op een bankrekening worden gestort, compliceert zaken. De gevolgen hiervan worden in dit wetsvoorstel echter ondervangen. Onderzoek heeft uitgewezen dat de meeste bronnen van inkomsten waaraan een beslagvrije voet is verbonden, worden uitbetaald tussen de 20ste tot en met het eind van een kalendermaand. Daaronder begrepen de toeslagen waarop een schuldenaar mogelijk recht heeft. Daarbij geldt dat ook het leeuwendeel aan vaste lasten in die periode voldaan dient te worden. Het gaat hierbij voornamelijk om de woonkosten van de schuldenaar en de betaling van de premie ziektekostenverzekering wanneer die betaling maandelijks plaatsvindt. Het ligt in de rede om een schuldenaar gedurende deze periode de volledige bescherming van een buiten het beslag te laten bedrag te bieden. In de gevallen waarin het bankbeslag op de 1ste tot en met de 19de van een kalendermaand wordt gelegd, bestaat er geen noodzaak meer om de beslagvrije voet volledig te beschermen. De lasten die de schuldenaar nog vanuit die beslagvrije voet dient te voldoen, zijn immers beperkt. Dit dient tot uitdrukking te komen in de hoogte van het buiten het beslag te laten bedrag wanneer een bankbeslag in die periode wordt gelegd.

205


Bestaansminimum en bankbeslag

Informatieverplichting Voor een goede uitvoering van de voorgestelde regeling is het cruciaal dat de beslagleggende deurwaarder over de voor hem noodzakelijke informatie beschikt. In de eerste plaats wordt de gecodificeerde exhibitieplicht van de schuldenaar uitgebreid. Van de schuldenaar tegen wie beslag kan worden gelegd, mag worden verlangd dat hij desgevraagd aan de deurwaarder opgeeft bij welke bank of banken hij bankiert. Afgezien van het bovenstaande wordt ook de mogelijkheid gecreëerd om – in het kader van het leggen van een beslag als bedoeld in het voorgestelde artikel 475b, derde lid – de banken te bevragen. Hierbij geldt dat het niet voldoende is om enkel het bestaan van een rechtsverhouding met een schuldenaar vast te stellen. Ook informatie omtrent de hoogte van aangehouden saldi is van belang en dient verstrekt te worden. De nieuw te creëren bevragingsmogelijkheid ten aanzien van banken dient een tweeledig doel. Hoewel gerealiseerd moet worden dat de hoogte van een aangehouden saldo een aan fluctueringen onderhevige momentopname betreft, biedt inzicht in de hoogte van de saldi allereerst de mogelijkheid voor de deurwaarder om een inschatting te maken omtrent het nut van een te leggen beslag. Verwacht mag immers worden dat een deurwaarder niet tot het leggen van een beslag onder een bank overgaat, wanneer hij redelijkerwijze mag verwachten dat het getroffen saldo de kosten – die aan het leggen van dat beslag zijn verbonden – niet zal overstijgen, dan wel dat het saldo het buiten het beslag te laten bedrag niet zal overtreffen. Op grond van de voor de gerechtsdeurwaarder geldende beroeps- en gedragsregels is het hem immers niet toegestaan om onnodig kosten te maken. Het voorkomen van een nodeloos beslag voorkomt ook dat de bank kosten moet maken voor de verwerking van een dergelijk beslag. Kosten die wellicht niet te verhalen zijn. Afgezien van het bovenstaande doel is het noodzakelijk om volledig inzicht in de hoogte van de door de schuldenaar bij de verschillende banken aangehouden saldi te verkrijgen, om een buiten het beslag te laten bedrag – overeenkomstig het nader te bespreken artikel 475fc – te corrigeren met eventueel elders aangehouden saldi. In dat kader is ook inzage in door de echtgenoot van de schuldenaar aangehouden saldi van belang. De wijze van het bevragen van de verschillende banken is af hankelijk van de huidige stand van de techniek en de kosten die daarmee gepaard gaan. Een gelijktijdige – digitale – bevraging van alle banken (en terugkoppeling) ligt in de rede. De digitale bevraging van een centraal bankenregister kan als een specifieke vorm van een gelijktijdige bevraging worden beschouwd, die onder de reikwijdte van dit wetsvoorstel valt wanneer een dergelijk register wordt gerealiseerd. De technische uitdagingen die met de bevraging van banken – alsmede de tijdige terugkoppeling – gepaard gaan, maken het op dit moment nog niet opportuun om in de onderhavige

206


6 Conclusie en wetsvoorstel

regeling reeds in dit stadium rekening te houden met saldi die een schuldenaar, dan wel zijn echtgenoot, eventueel buiten Nederland aanhoudt. Artikelsgewijs Artikel 475ab De voorgestelde regeling houdt nauw verband met de beslagvrijevoetregeling. De voorgestelde artikelen 475f b, 475fc en 475gc worden evenzeer beheerst door de uitleg die artikel 475ab aan de daar genoemde begrippen geeft. Een nieuwe definitie van het begrip <<bank>> wordt ingevoegd. Artikel 475b Het ingevoegde derde lid vormt de basis van de voorgestelde regeling. Het betreffende lid beperkt de geldigheid van het gelegde bankbeslag in de daar genoemde gevallen. Gelijk de in het eerste lid van artikel 475b beschreven situatie wordt de gehele vordering beslagen. De geldigheid van dat beslag is evenwel ingeperkt. De geldigheid van het beslag is niet beperkt voor zover het beslag het <<buiten het beslag te laten bedrag>> overtreft. Het betreft een nieuw geïntroduceerde term die ruimer is dan de beslagvrije voet. Het volledige buiten het beslag te laten bedrag kan gelijk zijn aan de beslagvrije voet wanneer de maximale beslagvrije voet van artikel 475da, eerste lid is vastgesteld. Het (niet verlaagde) buiten het beslag te laten bedrag zal veelal de voor de schuldenaar geldende beslagvrije voet bedragen, vermeerderd met de toeslagen. Alleen aan natuurlijke personen wordt de bescherming van een buiten het beslag te laten bedrag geboden. Ook de zzp’er die een eenmanszaak drijft, wordt beschermd. Daarbij geldt dat alleen de saldi die op betaal- of spaarrekeningen worden aangehouden, worden beschermd. Vorderingen op de bank uit hoofde van bijvoorbeeld een effectenportefeuille vallen niet onder de regeling. Artikel 475fb Het buiten het beslag te laten bedrag wordt in het eerste lid – af hankelijk van de leefsituatie van de schuldenaar – vastgesteld overeenkomstig de maximale beslagvrije voet. De schuldenaar die recht heeft op deze beslagvrije voet, heeft geen recht op toeslagen en dient het derhalve zonder die toeslagen te stellen en vanuit zijn andere inkomsten in zijn minimale levensbehoeften te voorzien. De schuldenaar die wel recht heeft op toeslagen, zal recht hebben op een lagere beslagvrije voet. Hij ontvangt immers niet de maximale compensatiekop. Feitelijk bepaalt dit eerste lid welk bedrag een schuldenaar in beginsel nodig heeft om in zijn minimale levensbehoeften te kunnen voorzien. Vanuit welke bronnen de verschillende componenten komen, is in beginsel irrelevant. Zij worden immers allemaal op (in beginsel) dezelfde bankrekening gestort. Het tweede en derde lid bevatten een afwijkende regeling ingeval de schuldenaar geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft volgens de basisregistratie personen, maar in

207


Bestaansminimum en bankbeslag

Nederland een betaal- of spaarrekening aanhoudt. Deze regeling lijkt sterk op het bepaalde in artikel 475e. Net als in het tweede lid van dat artikel, is het onderhavige tweede lid van toepassing op schuldenaren die in het geheel niet in de basisregistratie personen zijn opgenomen, daarin alleen een briefadres aanhouden, of van wie een woonplaats in het buitenland bekend is. In het derde lid wordt een correctiemogelijkheid geboden voor de schuldenaar van wie een bekende woonplaats in het buitenland bekend is. Nu het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen Rijkswetgeving betreft en niet van toepassing is op de BES-eilanden, dient onder <<buitenland>> tevens de tot het Koninkrijk behorende gebieden of landen in het Caraïbisch gebied te worden verstaan. De in het derde lid – op basis van het eerste lid – geboden correctiemogelijkheid wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld en komt overeen met het bepaalde in artikel 475e, derde lid. Het vierde lid vormt de basis van een af bouwregeling en beperkt het buiten het beslag te laten bedrag tot 25% van het op grond van de voorgaande leden vastgestelde bedrag wanneer het bankbeslag op de eerste dag van een kalendermaand, doch uiterlijk op de negentiende dag van die kalendermaand is gelegd. Het vijfde lid nuanceert de af bouwregeling als verwoord in het vierde lid in de situaties waarin de schuldenaar verspreid over een kalendermaand inkomsten als genoemd in artikel 475c ontvangt. Te denken valt aan situaties waarin eens per week of eens per vier weken betalingen worden verricht door de derde. Indien de schuldenaar, dan wel zijn echtgenoot, in de periode van zeven dagen voorafgaand aan het voor de 20ste van de kalendermaand gelegde beslag inkomsten als genoemd in artikel 475fc Rv heeft ontvangen en de schuldenaar dit aan de (coördinerende) deurwaarder aantoont, wordt het buiten het beslag te laten bedrag ten hoogste tot de voor de schuldenaar op grond van artikel 475da vastgestelde beslagvrije voet verhoogd. Van een verhoging tot de maximale beslagvrije voet als genoemd in het eerste lid van artikel 475da, zal geen sprake behoeven te zijn. Wanneer de schuldenaar immers recht heeft op toeslagen, zullen die in de periode vanaf de 20ste tot het eind van de kalendermaand zijn uitbetaald door de Belastingdienst/Toeslagen. Ook mag van de schuldenaar worden verlangd dat de ontvangen toeslagen in die periode zijn aangewend voor de voldoening van de vaste lasten waarvoor zij zijn verstrekt. Artikel 475fc Dit artikel verlaagt het buiten het beslag te laten bedrag op eenzelfde wijze als waarop de beslagvrije voet op grond van het bepaalde in artikel 475db wordt verlaagd. Bij de bepaling van de hoogte van het buiten het beslag te laten bedrag op grond van de voorafgaande artikelen wordt uitgegaan van de gedachte dat alle inkomstencomponenten

208


6 Conclusie en wetsvoorstel

van waaruit de schuldenaar in zijn minimale levensbehoeften dient te voorzien, op één of meerbankrekeningen worden gestort die bij dezelfde bank worden aangehouden door die schuldenaar. Hiervan is echter niet altijd sprake. Het ligt niet in de rede dat een schuldenaar bescherming toekomt van een buiten het beslag te laten bedrag wanneer hij, dan wel zijn echtgenoot, kan beschikken over de (positieve) saldi op andere bankrekeningen, als bedoeld in het voorgestelde derde lid van artikel 475b, dan de beslagen rekeningen. In de onderdelen a en b van het onderhavige artikel wordt daarop een correctie aangebracht. Overeenkomstig hetgeen artikel 475db bepaalt in geval van een beslag op een vordering tot periodieke betaling waaraan een beslagvrije voet is verbonden, wordt de correctie volgens onderdeel a beperkt tot maximaal de helft van het buiten het beslag te laten bedrag wanneer wordt gecorrigeerd met de door de echtgenoot van de schuldenaar bij één of meer banken aangehouden positieve saldi. Gelijk de beslagvrijevoetregeling dienen echtgenoten als bedoeld in de Participatiewet gezamenlijk te kunnen beschikken over het buiten het beslag te laten bedrag dat aan de schuldenaar toekomt. Met de positieve saldi die door de schuldenaar worden aangehouden bij andere banken dan de bank waaronder beslag is gelegd, wordt volledig rekening gehouden. Ook de zogenaamde ‘en/of-rekening’ die (mede) door de schuldenaar wordt aangehouden, wordt onder onderdeel b begrepen. Met een ‘en/of-rekening’ die een echtgenoot van de schuldenaar met (mede) een ander dan die schuldenaar aanhoudt, wordt onder onderdeel a rekening gehouden. Opgemerkt dient te worden dat onder het begrip <<schuldenaar>> dient te worden verstaan diegene wiens vermogen wordt uitgewonnen. Dat betreft derhalve evenzeer de echtgenoot met wie die schuldenaar in (beperkte) gemeenschap van goederen als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan. In de onderdelen c en d wordt gecorrigeerd met de bronheffing en de zorgtoeslag voor zover zij worden ingehouden op grond van het bepaalde in artikel 18f van de Zorgverzekeringswet. Wanneer deze bedragen rechtstreeks ‘vanuit de bron’ worden ingehouden voor de voldoening van de (bestuursrechtelijke) ziektekostenpremie voor die maand, worden die bedragen niet daadwerkelijk op een bankrekening van de schuldenaar, dan wel zijn echtgenoot als bedoeld in de Participatiewet ontvangen. De bedragen worden echter onmiddellijk aangewend voor de betaling van de kosten die de schuldenaar vanuit de voor hem geldende beslagvrije voet dient te voldoen. Het buiten het beslag te laten bedrag dient derhalve met die ingehouden bedragen te worden verminderd wanneer beslag wordt gelegd op een bankrekening van de schuldenaar. Onderdeel e komt overeen met het bepaalde in artikel 475db onderdeel d. Artikel 475gb In het eerste lid wordt de op de schuldenaar rustende exhibitieplicht zoals die thans in artikel 475g is gecodificeerd, verruimd. Deze verruiming beperkt zich niet alleen tot natuurlijke personen. De schuldenaar behoeft niet op te geven bij welke bank zijn echtgenoot als bedoeld

209


Bestaansminimum en bankbeslag

in de Participatiewet bankiert. Verhaal op dergelijke bankrekeningen is immers niet mogelijk, tenzij het een echtgenoot als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek betreft met wie de schuldenaar in (beperkte) gemeenschap van goederen is gehuwd en op wiens vermogen (dat in de gemeenschap wordt gebracht) beslag mogelijk is. Indien van dit laatste sprake is, kan navraag bij de bank worden gedaan als ware die echtgenoot de schuldenaar. In overige gevallen kan met de banksaldi van de echtgenoot (als bedoeld in de Participatiewet) slechts rekening worden gehouden op de wijze als in het voorgestelde artikel 475fc bepaald. In het tweede lid wordt ook de bevoegdheid van de deurwaarder om informatie bij derden in te winnen, verruimd. Voorgesteld wordt om het voor de deurwaarder die gerechtigd is om ten laste van de schuldenaar beslag te leggen, mogelijk te maken om banken aangaande de daar aangehouden betaal- en spaarrekeningen te bevragen. De bank die wordt bevraagd, is verplicht om ook inzage te geven in de hoogte van de door de schuldenaar en zijn echtgenoot aangehouden saldi. Met de verkregen saldo-informatie is het voor de deurwaarder mogelijk om, voorafgaand aan een mogelijk beslag, een inschatting te maken omtrent het nut daarvan. Daarnaast is de saldo-informatie noodzakelijk om, in het geval van daadwerkelijke beslaglegging ten laste van een natuurlijke persoon, uitvoering te kunnen geven aan het voorgestelde artikel 475fc, onderdelen a en b. Het derde lid regelt de geheimhoudingsplicht van banken in de situaties waarin de deurwaarder die banken om informatie verzoekt op grond van dit voorgestelde artikel. Banken zijn reeds op grond van de contractuele relatie met hun cliĂŤnten en de daarop van toepassing zijnde voorwaarden beperkt in het doen van mededelingen. Ook in de gevallen waarin banken, op grond van diezelfde voorwaarden, een mededelingsplicht hebben, wordt die plicht doorbroken in de onderhavige gevallen. Artikel 475gc Het nieuwe artikel 475gb wordt binnen het bereik van het tot 475gc vernummerde artikel gebracht in de daar genoemde gevallen. Artikel 475i De voorgestelde aanpassingen in dit artikel liggen in lijn met hetgeen reeds is bepaald voor beslagen op vorderingen tot periodieke betalingen. De bestaande verplichtingen omtrent mededeling van de hoogte van de beslagvrije voet en de mogelijkheden tot de aanpassing daarvan die op een beslaglegger rusten, worden op soortgelijke wijze vormgegeven in de gevallen waarin een beslag als genoemd in artikel 476b, derde lid, is gelegd en een bedrag buiten het beslag dient te worden gelaten. Overeenkomstig hetgeen reeds is bepaald in het geval van beslag op vorderingen tot periodieke betalingen waaraan een beslagvrije voet is verbonden, wordt met omstandigheden die het buiten het beslag te laten bedrag verhogen, met terugwerkende kracht rekening gehouden indien zij binnen vier weken na de mededeling van het beslag aan de schuldenaar worden

210


6 Conclusie en wetsvoorstel

gemeld aan de deurwaarder. Indien de bank op grond van het bepaalde in artikel 477, eerste en tweede lid, aan de deurwaarder heeft uitbetaald, zal een verzoek van een schuldenaar tot verhoging van het buiten het beslag te laten bedrag derhalve geen effect meer sorteren wanneer dat verzoek buiten de voornoemde termijn wordt gedaan. Artikel 477 Het in dit artikel voorgestelde nieuwe lid voorziet in een aanvulling op de regeling omtrent de in verband met de afwikkeling van een derdenbeslag door banken te maken kosten. Voor banken wordt duidelijk dat zij, onverminderd hetgeen in het tweede lid van artikel 477 omtrent de daar bedoelde kosten is geregeld, bevoegd zijn om – zij het gelimiteerd ten opzichte van de beslaglegger – tot verrekening van de door hen te maken kosten over te gaan.

211


Hoofdstuk 7 Afronding

A.W. Jongbloed

7.1

Waarom dit preadvies?

De aanleiding voor dit preadvies is om de problemen die zich in de praktijk blijken voor te doen bij beslagen op een bankrekening op te lossen. Dit preadvies is ook het vervolg op J. Rijsdijk, O.M. Jans en J. Feikema (red.), Naar een nieuwe beslagvrije voet. Vereenvoudiging in een tweetrapsraket, 2014. In dat preadvies – dat mede de inspiratie is geweest voor de uiteindelijke Wet vereenvoudiging beslagvrije voet 1 – werd het bankbeslag maar in beperkte mate beschreven omdat dit onderwerp niet met enige algemene(re) opmerkingen mocht worden afgedaan, maar een apart preadvies rechtvaardigde. Een belangrijk knelpunt blijkt te zijn dat als het gaat om periodieke inkomsten als loon of een sociale uitkering, daaraan een beslagvrije voet is verbonden.2 Een beslagvrije voet is daarentegen niet verbonden aan het beslag op een bankrekening: in beginsel wordt het gehele saldo door een beslag getroffen. Het betekent dat als de beslagvrije voet door bijvoorbeeld de werkgever of het UWV op de bankrekening is gestort, daarop beslag kan worden gelegd. Want het bedrag van de beslagvrije voet dat is overgemaakt, is niet meer te individualiseren en gaat op met het op dat moment op de bankrekening staande bedrag in een nieuw saldo. Het is niet mogelijk om het beslagvrije bedrag van het saldo af te zonderen en daarop uitgaven voor levensmiddelen, huur, etc. in mindering te brengen. Aldus wordt geen recht gedaan aan de bedoeling van de wetgever dat een schuldenaar een bestaansminimum moet worden verschaft en reguliere uitgaven voor woonkosten, levensmiddelen, nutsvoorzieningen, etc. kunnen worden blijven gedaan. Hiervoor werd vermeld: “in beginsel wordt het gehele saldo door een beslag getroffen”; dit ‘in beginsel’ duidt erop dat op deze situatie eveneens een correctiemogelijkheid bestaat, in die zin dat onder omstandigheden het beslag op de bankrekening door de rechter als misbruik van bevoegdheid wordt bestempeld. De onzekerheid van de huidige situatie is geen optimale situatie, omdat de betrokkene in voorkomend geval enkele dagen – in de praktijk vaak langer – niet over geld kan beschikken om de broodnodige uitgaven te doen en vervolgens in een neergaande spiraal terecht dreigt te komen doordat een achterstand ontstaat in

1 2

Wet van 8 maart 2017 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Invorderingswet 1990 en enkele andere wetten in verband met een vereenvoudiging van de beslagvrije voet, Stb. 2017, 110. Het probleem speelt in dezelfde mate bij toeslagen die op een bankrekening worden gestort.

213


Bestaansminimum en bankbeslag

bijvoorbeeld de huurbetaling, waarna die achterstand oploopt doordat boetebedragen worden verschuldigd en incassomaatregelen worden getroffen, waarvan de kosten op de betrokkene worden afgewenteld. Gerechtsdeurwaarders onderkennen deze problemen, maar stuit(t)en op de grenzen van wat mogelijk is. Het is onmogelijk om al van tevoren na te gaan of bij beslag op een bankrekening ook (een deel van) de naar de bankrekening overgemaakte beslagvrije voet daardoor wordt getroffen. Allereerst is de gerechtsdeurwaarder lang niet altijd bekend bij welke bankinstelling een rekening wordt aangehouden en wordt soms beslag gelegd onder enkele bankinstellingen. Daarnaast heeft de gerechtsdeurwaarder geen inzage in het saldo en het feit of de bankrekening ook wordt ‘gevoed’ vanuit andere bronnen. Het betekent veelal dat pas na een mededeling van de betrokkene tot correctie kan worden overgegaan doordat het beslag (geheel of gedeeltelijk) wordt opgeheven, terwijl juist in de hier aan de orde zijnde gevallen het van groot belang is dat een regeling wordt getroffen voordat het probleem ontstaat. In dit preadvies wordt een aanbeveling gedaan om tot een oplossing te komen. De KBvG heeft het initiatief genomen om experts met een diverse achtergrond bijeen te brengen. Allereerst moesten de problemen worden geïnventariseerd: met welke moeilijkheden worden gerechtsdeurwaarders geconfronteerd? Omdat beslag op een bankrekening een specifieke vorm van derdenbeslag is, moest ook duidelijkheid daaromtrent ontstaan, omdat een te kiezen oplossing in het algemene systeem moet worden ingepast. Juist omdat het gaat om een groter systeem kon de inbreng niet beperkt blijven tot leden van de KBvG en was het gewenst om deskundigen met een andere achtergrond c.q. een ander beroep bij dit preadvies te betrekken. Die noodzaak blijkt heel duidelijk als het gaat om het concipiëren van een wetsvoorstel met bijbehorende toelichting. 7.2

Samenvatting

Zoals hiervoor vermeld is het beslag op een bankrekening een specifieke vorm van het beslag onder derden. Daarom wordt in hoofdstuk 1 “Enkele beschouwingen over derdenbeslag in relatie tot bankbeslag en beslagvrije voet” begonnen met het bankbeslag te plaatsen in het grotere kader van het beslag onder derden en de relatie met de beslagvrije voet te schetsen. Dit is met name van belang omdat allereerst de verhouding tussen bankbeslag en beslagvrije voet een lastig en onopgelost probleem vormt en daarnaast op grond van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet een nieuwe situatie ontstaat. Aandacht wordt besteed aan het feit dat bankbeslag een verhaalsbeslag onder derden is waarbij zowel bestaande als toekomstige geldvorderingen beslagen kunnen worden, en dat daarbij de (on)mogelijkheid van verrekening speelt. Ook andere kenmerkende aspecten komen aan de orde: er is sprake van twee rechtsverhoudingen, terwijl er drie beginselen van derdenbeslagrecht spelen (het nemo plus-beginsel, het non peius-beginsel en het congruentiebeginsel), en door het beslag wordt het beslagen saldo ‘bevroren’ en dient de derde onder wie beslag is gelegd een verklaring af te leggen van wat door het beslag is getroffen. Een specifieke vraag is of gelet op HR 21 mei

214


7 Afronding

1999, NJ 2001/630 (Bahceci/Van der Zwan q.q.) en HR 13 juni 2003, NJ 2004/196 (ProCall/ Beatrixziekenhuis) een afgescheiden vermogen zou kunnen worden gecreëerd. Het spreekt voor zich dat het voorstel dat wordt gedaan, moet aansluiten bij de huidige maatschappelijke opvattingen. Daarom wordt in hoofdstuk 2 “Bankbeslag, beslaggrenzen en maatschappelijke context” het bestaansminimum in de maatschappelijke context van de 21e eeuw en in vergelijking met de beslagvrije voet onder de loep genomen. Het blijkt dat de beslagvrije voet lang niet altijd in aanmerking wordt genomen en dat in het verleden de nodige initiatieven zijn genomen om tot een betere handhaving van de beslagvrije voet te komen. Te noemen zijn het rapport van de Nationale ombudsman In het krijt bij de overheid 3 en het KBvG-preadvies uit 2014, 4 maar ook de invoering van het digitaal beslagregister en het ontwikkelen van een Rijksincassovisie. Een en ander wordt bezien in het licht van artikel 475a lid 1 Rv (“Het beslag strekt zich niet uit tot vorderingen of zaken die volgens de wet niet voor beslag vatbaar zijn, noch tot vorderingen die recht geven op een volgens de wet of naar haar aard niet voor beslag vatbare prestatie”) alsmede artikel 45 Awir, dat beslag op toeslagen maar zeer beperkt mogelijk maakt, en de waarschijnlijk in 2019 in werking tredende Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. Hierna kan in hoofdstuk 3 “Afwikkeling bankbeslag: knelpunten bij het vaststellen van een beslagvrij bedrag” concreet worden ingegaan op de in de praktijk bestaande problemen. Allereerst wordt geschetst hoe bankbeslag in de praktijk wordt gelegd en welke moeilijkheden daarbij kunnen ontstaan. Zo wordt aandacht besteed aan de omvang en context van de opdracht tot het leggen van bankbeslag, de informatieplichten en -bevoegdheden, de wetenschap omtrent het effect van het beslag, de verrekeningsbevoegdheid van de bank, de retournering van de verklaring derdenbeslag en de verdere afwikkeling daarvan alsook de duur van de beslagprocedure. Ook wordt ingegaan op de processuele (on)mogelijkheden bij een gedeeltelijk opheffingsverzoek ten behoeve van de schuldenaar die op het bestaansminimum leeft, en wordt ingegaan op de (tucht)rechtspraak. Zo blijkt het voor een gerechtsdeurwaarder vaak moeilijk te zijn om op het moment van beslaglegging op de hoogte te zijn van het inkomen van de schuldenaar (en diens partner) alsmede de saldopositie van de bankrekening(en) van de schuldenaar (en diens partner). Bovendien is een onder het beslag vallend bedrag vaak niet ondubbelzinnig te herleiden tot inkomsten waarop geen beslag mag worden gelegd, gelet op de daarvoor geldende beslagvrije voet. Het betekent dat er pas sprake van misbruik van recht kan zijn in het geval een gerechtsdeurwaarder (voldoende) inzicht heeft in de inkomsten en uitgaven van de schuldenaar en, indien aan de orde, desondanks niet direct tot opheffing van het beslag overgaat. Daarmee wordt in feite hoofdstuk 4 “Rekening- en saldo-informatie” ingeleid. Daarbij gaat het allereerst om de vraag in hoeverre er sprake is van een algemene informatieverplichting van de schuldenaar en van een eventuele derde en daarnaast om verhaalsinformatie van 3 4

Nationale ombudsman, In het krijt bij de overheid; verstandig invorderen met oog voor maatschappelijke kosten, 2013, nr. 2013/003. J. Rijsdijk, O.M. Jans en J. Feikema (red.), Naar een nieuwe beslagvrije voet. Vereenvoudiging in een tweetrapsraket, 2014.

215


Bestaansminimum en bankbeslag

de schuldenaar en van de bank. Ook wordt ingegaan op de bijzondere informatieverplichting van artikel 475g Rv. Het blijkt dat het bestaande systeem tekortschiet en daarom wordt een pleidooi voor het aan de gerechtsdeurwaarder verschaffen van inzicht in de rekeningen saldogegevens gedaan. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de European Account Preservation Order (EAPO) en de Payment Service Directive II (PSD2). Voortbordurend op de internationale aspecten wordt in hoofdstuk 5 het bankbeslag in rechtsvergelijkend perspectief gepresenteerd. Immers, tal van andere landen kennen het bankbeslag en ook de problemen die in de praktijk zijn gerezen. Diverse wetgevers hebben die problemen onderkend en daarvoor oplossingen gegeven. De vraag is in hoeverre Nederland een voorbeeld kan nemen aan die buitenlandse regelgeving. Gekozen is voor het onder de loep nemen van de belangrijkste Europese landen, maar ook wordt gekeken naar recente wetgeving. Aan de orde komen Duitsland, België/Luxemburg/Frankrijk, Engeland en Wales/ Schotland, Scandinavië (Denemarken/Noorwegen/Zweden) en Finland, de Baltische staten (Estland/Letland/Litouwen), het Iberisch schiereiland (Portugal/Spanje), Bulgarije, Kosovo en Servië en – tot slot – Tsjechië en Slowakije. Op basis hiervan kon worden bepaald op welke wijze het in hoofdstuk 6 op te nemen wetsvoorstel diende te worden geformuleerd. 7.3

De voorgestelde oplossing

De voorgestelde wetswijziging wordt hier op een aantal kernpunten kort samengevat. Hoofdstuk 6 van dit preadvies bevat een uitgebreid en zeer compleet conceptwetsvoorstel, waarmee – als afsluiter van dit onderzoek – de wetgever van een volwaardige voorzet wordt voorzien. Om te kunnen bepalen welk bedrag buiten een gelegd bankbeslag dient te blijven, zal de gerechtsdeurwaarder inzage moeten krijgen in alle bankrekeningen en banksaldi van een schuldenaar en diens eventuele partner. De bevragingsbevoegdheid van de deurwaarder van artikel 475g Rv zal moeten worden uitgebreid tot niet-periodieke derdenbeslagen. De invoeging van het voorgestelde artikel 475gb voorziet in die bevoegdheid. De technische uitvoering van deze bevragingsmogelijkheid dient – idealiter – te worden vormgegeven zonder dat banken van die bevraging feitelijk op de hoogte worden gesteld, dit mede om te voorkomen dat zij zich op basis van hun zorgplicht gehouden achten te handelen naar hun cliënt. Het derde lid van het voorgestelde artikel 475gb voorziet in een wettelijke verankering van de doorbreking van de uit die zorgplicht voortvloeiende contractuele mededelingsplicht. Genoemde bevoegdheden ontstaan uiteraard pas op het moment dat de schuldeiser gerechtigd is tot het leggen van beslag. In de executoriale fase ontstaat derhalve de inzagebevoegdheid na betekening van de titel. In de conservatoire fase ligt de grondslag hiervoor in het verlof tot beslaglegging van de voorzieningenrechter.

216


7 Afronding

De hoogte van het buiten het beslag te laten bedrag bij een bankbeslag wordt gebaseerd op het bedrag dat bij een beslag op periodieke inkomsten beslagvrij blijft. Hierbij wordt, in het voorgestelde artikel 475f b, aangehaakt bij artikel 475da lid 1 van de ‘Wet vereenvoudiging beslagvrije voet’. Indien er ten laste van een schuldenaar (natuurlijke persoon) reeds een beslag op de periodieke inkomsten ligt, ontvangt hij uit dat beslag de beslagvrije voet op zijn bankrekening. Tevens ontvangt hij de (eventuele) toeslagen waar hij recht op heeft. Voor die toeslagen geldt in beginsel een beslagverbod. Daarom wordt in de nieuwe beslagvrijevoetregeling bij bankbeslag, bij de bepaling van de hoogte daarvan, uitgegaan van de situatie dat toeslagen daadwerkelijk worden ontvangen. Bij het leggen van een bankbeslag dient rekening te worden gehouden met het feit dat vanuit verschillende bronnen gelden binnenkomen, die samen het budget vormen waarvan de schuldenaar (en diens eventuele partner) minimaal moet rondkomen. Bij het leggen van een bankbeslag dient de hoogte van het buiten het beslag te laten bedrag derhalve ten hoogste te bedragen het maximale bedrag als genoemd in artikel 475da lid 1 Rv.5 Dit uitgangspunt is ook toepasbaar wanneer er nog niet eerder beslag op periodieke inkomsten is gelegd. Bijvoorbeeld omdat die inkomsten niet uit de UWV-polisadministratie blijken (bij zzp’ers). Het bedrag wordt vervolgens met behulp van artikel 475fc gecorrigeerd. Allereerst wordt de bronheffing van het CAK vanuit de beslagvrije voet betaald en dient deze dan ook in mindering te worden gebracht op het op de voet van artikel 475f b vastgestelde bedrag. Hetzelfde geldt voor de bijtelling van de auto (vgl. art. 475fc sub e en 475db sub d Rv). Daarna dient een verdere correctie plaats te vinden: (a) vanaf de twintigste dag tot en met de laatste dag van een kalendermaand bedraagt het buiten het beslag te laten bedrag 100% van het maximale beslagvrije bedrag; en (b) van de eerste tot en met de negentiende dag van de kalendermaand wordt het buiten het beslag te laten bedrag in beginsel verminderd tot een vierde van dat bedrag. De voorgestelde af bouwregeling is gedetailleerd uitgewerkt in artikel 475f b van het voorstel. Die voorgestelde correcties zijn noodzakelijk vanuit het oogpunt van proportionaliteit, want vrij snel na de storting van de periodieke inkomsten zullen de vaste afschrijvingen voor onder andere woonkosten, nutsvoorzieningen en de zorgverzekering worden afgeschreven. Bijgevolg zal in een later stadium van de kalendermaand, gerekend vanaf het moment dat de periodieke inkomsten op de bankrekening worden bijgeschreven, een lager bedrag nodig zijn om de in het resterende deel van de maand te voorziene kosten te dekken. Het over de

5

De beslagvrije voet bedraagt ten hoogste: a. voor een alleenstaande: € 1486,37; b. voor een alleenstaande ouder: € 1623,45; c. voor gehuwden zonder kinderen: € 1956,90; d. voor gehuwden met één of meer kinderen: € 2093,48. De bepaling is opgenomen in de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en nog niet in werking getreden.

217


Bestaansminimum en bankbeslag

gehele maand, onaf hankelijk van het moment van beslaglegging onder de bank, vrijhouden van een bedrag ter grootte van de volledige beslagvrije voet zou niet in lijn zijn met het doel van die beslagvrije voet, namelijk het waarborgen van het bestaansminimum van de schuldenaar, zonder dat daarmee een onevenredige inbreuk op het verhaalsrecht van de concurrente schuldeiser wordt gerealiseerd. Periodieke inkomsten in Nederland worden niet op een vast moment overgemaakt. Echter, de uitkeringsdata van de bijstandsuitkering in de Randstad en een aantal grote steden liggen tussen de 20e en het einde van de maand, de salarissen van de Rijks- en semioverheid worden grotendeels binnen deze periode overgemaakt, evenals de toeslagen. Dit is de reden geweest om een bedrag ter hoogte van de maximale beslagvrije voet van toepassing te verklaren op deze periode: doorgaans worden ook de grote vaste lasten kort na de storting van deze inkomsten van de bankrekening afgeschreven. Uitgaande van de maximale beslagvrije voet, lijkt een bedrag ter grootte van een vierde daarvan voor de overige kosten gedurende de rest van de maand redelijk. Maar geen regel zonder uitzondering. Zo nodig dient een uitzondering te worden gemaakt op bovenstaande correctie: gedurende de periode van de 1e tot en met de 19e dag van de maand kan het bedrag van een vierde van het buiten het beslag te laten bedrag worden verhoogd tot maximaal de aan de schuldenaar en zijn eventuele partner toekomende beslagvrije voet als bedoeld in het voorgestelde artikel 475f b en 475da Rv, indien de schuldenaar kan aantonen dat er binnen zeven dagen voor het gelegde beslag inkomen als bedoeld in artikel 475c Rv is bijgeschreven op de beslagen rekening. Deze afwijkingsmogelijkheid is als volgt te verklaren. Periodieke inkomsten worden met enige regelmaat op andere data dan tussen de 20e en het einde van een maand overgemaakt. Dit geldt voor de bijstandsuitkering in diverse kleinere steden buiten de Randstad en de WW-uitkering van het UWV, die evenals de salarissen van diverse werkgevers dertien keer per jaar worden uitbetaald, met intervallen van vier weken. Dit brengt ook met zich mee dat zich de situatie kan voordoen dat bij één en dezelfde schuldenaar zowel de inkomsten als de toeslagen op zeer verschillende momenten worden overgemaakt. De schuldenaar zal in een van de hier beschreven situaties op een ander moment dan die van de hoofdregel behoefte hebben aan maximaal de volledige beslagvrije voet die hem toekomt. De schuldenaar kan de gerechtsdeurwaarder in de bovenstaande situatie verzoeken om toepassing tot maximaal 100% van de beslagvrije voet die voor de schuldenaar en zijn eventuele partner geldt, dit uiteraard onder overlegging van bewijzen. De bewijswaardering is daarbij aan de gerechtsdeurwaarder. Indien de gerechtsdeurwaarder meent dat er geen reden is de beslagvrije voet aan te passen naar 100%, en de schuldenaar wil dat betwisten, dan staat de weg naar de kantonrechter open, of naar de in het regeerakkoord genoemde schuldenrechter. Tot slot wordt in artikel 475fc in het conceptwetsvoorstel nog rekening gehouden met het volgende: (a) de positieve saldi op niet-beslagen rekeningen van de debiteur die bij andere banken worden aangehouden ten tijde van het leggen van het beslag (daaronder begrepen ‘en/of-rekeningen’) dienen in mindering te worden gebracht op het buiten het beslag te laten bedrag; en (b) op de positieve saldi van bankrekeningen van de (eventuele) partner van de schuldenaar ten tijde van het leggen van het beslag dient te worden gecorrigeerd (inclusief

218


7 Afronding

op de saldi op ‘en/of-rekeningen’), waarbij het buiten het beslag te laten bedrag dat aan de schuldenaar toekomt, in dat geval wordt aangepast tot maximaal de helft van dat buiten het beslag te laten bedrag. Een laatste aandachtspunt is de periode waarin de schuldenaar zich kan verweren tegen het niet of onjuist toepassen van de beslagvrije voet bij het bankbeslag. Het is wenselijk dat die wordt beperkt tot het moment dat er wordt afgedragen door de bank. De voorgestelde wijzigingen in artikel 475i voorzien in een hiertoe strekkend wettelijk kader. Ter afsluiting: met dit onderzoek en advies is aan een deel van de tweede trede van de ‘tweetrapsaanbeveling’ uit het voorgaande KBvG-preadvies gestalte gegeven. De diverse onderdelen van het conceptwetsvoorstel sluiten aan bij internationale ontwikkelingen en het is in dat licht eigenlijk moeilijk voorstelbaar dat Nederland hierin tot dusver achter is gebleven op de ons omringende landen. Het bevat een complete voorzet voor de uitwerking van de breedgedragen wens om de beslagvrije voet, ook in Nederland, een daadwerkelijke garantie van het bestaansminimum te laten zijn. Het is nu aan de wetgever om met dit advies aan de slag te gaan!

219


Literatuurlijst ‘Als een feniks uit de as’, interview met J. de Meuter, de Gerechtsdeurwaarder 2016-2 Armoede en sociale uitsluiting (CBS-rapport van januari 2018 op verzoek van het Ministerie van SZW), Den Haag: CBS 2018 Asser, D., Asser Procesrecht. Deel 3, Bewijs, Deventer: Kluwer 2013 Bartels, S. en T. van Mierlo, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht. 3. Vermogensrecht algemeen. Deel IV. Algemeen goederenrecht, Deventer: Kluwer 2013 Beekhoven van den Boezem, F.E.J., Onoverdraagbaarheid van vorderingen krachtens partijbeding (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2003 Berkvens, J. M.A., Banken en de Wet persoonsregistraties, Deventer: Kluwer 1996 Broekveldt, L.P., Derdenbeslag (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2003 Broekveldt, L.P., ‘Een grensverleggend arrest: belastingaanslag tóch “eis in de hoofdzaak”’, WFR 2004/6571, p. 532 e.v. Broekveldt, L.P., ‘Derdenbeslag en onverschuldigde betaling. (Een paar opmerkingen n.a.v. HR 24 november 2006, RvdW 2006/1104)’, NTBR 2007-8, p. 353-362 Broekveldt, L.P., ‘Beslagrechtelijk tekort’, in: N.E.D. Faber e.a. (red.), Knelpunten bij beslag en executie, Deventer: Kluwer 2009, p. 43-45 Broekveldt, L.P., ‘Als “eis in de hoofdzaak” óók vordering van benadeelde in Belgische strafzaak; HR 1 oktober 2011, NJ 2011/493)’, BER 2011-3, p. 4-5 Broekveldt, L.P., ‘Derdenbeslag en bewijs’, BER 2012-1, p. 17-22 Broekveldt, L.P., ‘Algemeen bewijsbeslag: tekort in huidig recht (art. 730 jo. art. 843a Rv) én in komend recht’, NTBR 2013-4, p. 125-139 Broekveldt, L.P., ‘Bespreking van M.M.L. Harreman, “Conservatoire beslagen tot afgifte en levering. Een studie naar de werking en problematiek van het 730 Rv-beslag, mede in rechtshistorisch perspectief (diss.)”‘, RMThemis 2013-5 Broekveldt, L.P., ‘Op zoek naar de grenzen van beslag op toekomstige vorderingen’, JBPr 2013-1, p. 3-15 Broekveldt, L.P., ‘Vormerkung, derdenbeslag, opheffing en betaling: quid iuris?’, BER 20135, p. 24-29 Broekveldt, L.P., ‘Drie beginselen van derdenbeslagrecht’, BER 2014-2, p. 27-31 Broekveldt, L.P., Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, aantekeningen bij artikel 475, Deventer: Wolters Kluwer 2015 (losbladig) Broekveldt, L.P., Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, aantekeningen 1-7 bij artikel 475a, Deventer: Wolters Kluwer 2015 (losbladig) Broekveldt, L.P., ‘Een baanbrekend en grensverleggend arrest’, JBPr 2016-1, p. 4-16 Broekveldt, L.P., Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, aantekeningen 6.1-6.4 bij artikel 475b, Deventer: Wolters Kluwer 2017 (losbladig) Broekveldt, L.P., Over eigenlijke en oneigenlijke conservatoire vreemdelingenbeslagen, Zutphen: Paris 2017

221


Bestaansminimum en bankbeslag

Broekveldt, L.P. en J.W. van Rijswijk, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, aantekeningen bij artikel 475b, Deventer: Wolters Kluwer 2017 (losbladig) Broekveldt, L.P. en J.W. van Rijswijk, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, aantekeningen bij artikel 475e, Deventer: Wolters Kluwer 2017 (losbladig) Castermans, A.G., ‘Recht op een behoorlijke levenstandaard en vrijwaring armoede’, in: J.W.A. Biemans en A.G. Castermans (red.), Barmhartigheid in het burgerlijk recht. Bespiegelingen over de grenzen aan kredietverlening en een bijdrage aan het behoud van bestaanszekerheid, Zutphen: Paris 2017, p. 130-135 ‘De menselijke maat’, interview met staatssecretaris Klijnsma, de Gerechtsdeurwaarder 2016-4 Duijn, J. van, in: ‘Middenklasse brokkelt af’, Trouw 3 maart 2014 Dijkhuizen, C., Naar een activerender belastingstelsel, Eindrapport, Commissie Inkomstenbelasting en Toeslagen, Den Haag 2013 Faber, N.E.D., Verrekening (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2005 Filott, W.H.G.A., Algemene bankvoorwaarden, Deventer: Kluwer 2000 Gieske, A.J., in: A.I.M. van Mierlo en C.J.J.C. van Nispen, Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering inclusief Brussel I bis-Verordening, aant. 6, sub c, bij art. 475 Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2016 Gieske, A.J., in: A.I.M. van Mierlo en C.J.J.C. van Nispen, Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering inclusief Brussel I bis-Verordening, aant. 2 bij art. 475h Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2016 Gieske, A.J., in: A.I.M. van Mierlo en C.J.J.C. van Nispen, Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering inclusief Brussel I bis-Verordening, aant. 8, sub a, bij art. 700 lid 3 Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2016 Harreman, M.M.L., Conservatoire beslagen tot afgifte en levering. Een studie naar de werking en problematiek van het 730 Rv-beslag, mede in rechtshistorisch perspectief, Den Haag: BJU 2007 Heemskerk, W.H., Hugenholtz. Hoofdlijnen van het Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2015 Heuvel, N.W.M. van de, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, aantekeningen bij artikel 700 Rv (lid 3), Deventer: Kluwer 2014 (losbladig) Houwerzijl, M.S. en Vlemminx, F.M.C. ‘Wetenschappelijk commentaar op artikel 20 Grondwet: Bestaanszekerheid’, in: Nederland rechtsstaat 2014 Huydecoper, J.L.R.A., Reële executie (Monografieën BW 13), Deventer: Kluwer 2011 Hijma, Jac., ‘Ontwikkelingen in het overeenkomstenrecht (II)’, WPNR 2015/7081, p. 907908 Janssen, M.A.J.G., ‘Wat is een eis in de hoofdzaak ex art. 700, lid 3 Rv?: een overzicht’, BER 2011-2, p. 15-20 Jongbloed, A.W., ‘Op de rand of net erover?’, AA 2008-3, p. 196-199 Jongbloed, A.W., ‘Commentaar op art. 700, lid 3 Rv, C.4’, in: Sdu commentaar Burgerlijk Procesrecht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012 Jongbloed, A.W., Executierecht, Deventer: Kluwer 2014 Jungmann, N. e.a., Paritas Passé. Debiteuren en crediteuren in de knel door ongelijke incassobevoegdheden, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012Karsbergen, S.W. van, Het Europees

222


Literatuurlijst

bankbeslag. Het voorstel voor een Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen, Weert: Celsus 2012 KBvG, Ik zal handhaven. Meerjarenbeleidsplan van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders 2016-2020Kwaak, D.J. van der, ‘Beschikkingsonbevoegdheid, zaaksgevolg en relatieve nietigheid als mogelijke rechtsgevolgen van beslag’, TCR 20094, p. 132-139 Kwaak, D.J. van der, Een theorie van het privaatrecht (Monografieën Privaatrecht 17), Deventer: Wolters Kluwer 2015, § 11, p. 82-123 Lennaerts, A.H.J., ‘Rechters en de schuldenindustrie’, NJB 2017-22, p. 1520-1526 Madern, T., Op weg naar een schuldenvrij leven, NIBUD 2015 Maes, K.L., ‘De geldigheid van beslag op huurtoeslag’, de Gerechtsdeurwaarder 2014-4 Meijknegt, P.A.M., in: J. van Nieuwenhoven e.a., Armoede, rijkdom en recht, Rechtskundige Afdeling van het Thijmgenootschap 1987 Moerman, A.J., H. Oberzaucher en T.C.E. Runhaar, Toeslag of tegenslag. Knelpunten in regelgeving en uitvoering van de Awir, Utrecht: MOGroep 2009 Moerman, A.J., ‘De waanzin van beslag op toeslag’, Tijdschrift voor Schuldsanering 2015-2 Mullainathan, S. en E. Shafir, Schaarste: hoe gebrek aan tijd en geld ons gedrag bepalen, Amsterdam: Maven Publishing 2013 Mijnssen, F.H.J., Algemene aspecten van beslag en executie (preadvies Koninklijke Notariële Broederschap), Deventer: Kluwer 1983 Mijnssen, F.H.J., De rekening-courantverhouding (Monografieën Privaatrecht 15), Deventer: Kluwer 2010 Mijnssen, F.H.J. en A.I.M. van Mierlo, Materieel beslagrecht (Monografieën Privaatrecht 10), Deventer: Kluwer 2009 Nationale ombudsman, In het krijt bij de overheid; verstandig invorderen met oog voor maatschappelijke kosten, 2013, nr. 2013/003 Olthoff, M.M., in: M.H. Wissink e.a., Tekst & Commentaar Vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, aant. 2, sub b, bij art. 6:264 BW Oosterveen, W.J.G. en W.L. Valk, in: M.H. Wissink e.a., Tekst & Commentaar Vermogensrecht, Deventer: Kluwer Wolters 2015, aant. 4, sub a en b, bij art. 6:54 BW Ploeg, R. van der en S. Eijffinger, ‘De middenklasse brokkelt af’, Trouw 3 maart 2014 Ravenhorst, C. van, Bankrekeningen/Bankverrichtingen (passief bedrijf) Deventer: Kluwer 1995 Rueb, A.S., E. Gras en A.W. Jongbloed, Compendium Burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015 Rijsdijk, J. ‘Het preadvies gepresenteerd: een boeiende middag samengevat’, de Gerechtsdeurwaarder 2014-3 Rijsdijk, J., O.M. Jans en J. Feikema (red.), Naar een nieuwe beslagvrije voet. Vereenvoudiging in een tweetrapsraket, Den Haag: Sdu Uitgevers 2014 Rijsdijk, J. en J. Nijenhuis (red.), Herziening van het beslagverbod roerende zaken. Een achterhaalde regeling bij de tijd gebracht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012 Schors, A. van der e.a., Kans op financiële problemen, NIBUD 2016 Schwartzenberg, H.W.B. thoe, Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, Apeldoorn/ Antwerpen: Maklu 2011

223


Bestaansminimum en bankbeslag

Sieburgh, C.H., Mr. C. Assers Handleiding tot beoefening van het Nederlands burgerlijk recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel 1. De verbintenis in het algemeen, eerste gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2016 Slooten, J.M. van e.a., Tekst & Commentaar Arbeidsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016 Smit, R.A.M.D., ‘Conservatoir derdenbeslag door de curator op een D&O-verzekering: te voorkomen?’, TvI 2017-2, p. 75-79 Snijders, H.J., ‘Beschikking in weerwil van een beslag: een kritische analyse van de rechtspraak over de blokkeringsregel’, in: Groninger zekerheid (Reehuisbundel), Deventer: Kluwer 2014, p. 353-364 Snijders, H.J., C.J.M. Klaassen en G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Kluwer 2011 Snijders, H.J., M. Ynzonides en G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Kluwer 2002 Snijders, W., ‘Betaling per giro’, in: Van Opstal-bundel, 1972 Stein, H.A., Goed beslagen, Deventer: Kluwer 2010 Stein, H.A., ‘Commentaar bij art. 453a Rv, C.1-C.3’, in: Sdu commentaar Burgerlijk Procesrecht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012 Stein, H.A., Beslag- en executierecht in de (dagelijkse) praktijk, Den Haag: Sdu Uitgevers 2016 Streef kerk, C.A., Opschortingsrechten (Monografieën BW B32b), Deventer: Kluwer 2013 Tegelaar, J.T. en W.H. van Boom, ‘Eenvoudiger verklaringsformulier bij derdenbeslag’, NJB 2017/1918, p. 2655-2663 Tuzgöl-Broekhoven, A.J.H. e.a., Burgerperspectief op schuldhulpverlening. Een onderzoek naar de ervaringen van burgers met gemeentelijke schuldhulpverlening, rapport Nationale ombudsman 2016, 2016/050 Veldhuis, J.M., ‘Wilsrechten in de executiefase: hoe ver kan de executant gaan?’, BER 20125, p. 20-23 Veldhuizen, S. van en B. Straathof, In vier stappen naar efficiëntere faillissementswetgeving, CPB Policy Brief 2017/01, 2017 Vlugt, Y.M. van der e.a., In het krijt bij de overheid, rapport Nationale Ombudsman 2013, 2013/03 Westenberg, J.W., ‘Commentaar op art. 475 Rv, C.1 en C.2’, in: Sdu commentaar Burgerlijk Procesrecht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012 Westenberg, J.W., ‘Commentaar op art. 475h, lid 1 Rv, C.1-C.3’, in: Sdu commentaar Burgerlijk Procesrecht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012 Westenberg, J.W., ‘Commentaar op art. 730 Rv, C.5’, in: Sdu commentaar Burgerlijk Procesrecht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012 Westhof, F. e.a., Huishoudens in de rode cijfers, Panteia in opdracht van het Ministerie van SZW, 2015 Wildeboer Schut, J.M. en S. Hoff, Een lang tekort. Langdurige armoede in Nederland, Den Haag: SCP 2016 Zeben, C.J. van (eindred.), door W.H.M. Reehuis en E.E. Slob, Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), Deventer: Kluwer 1992

224


Jurisprudentieoverzicht Jurisprudentie beslagvrije voet en bankbeslag – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

HR 21 mei 1999, NJ 2001/630 (Bahceci/Van der Zwan q.q.), m.nt. S.C.J.J. Kortmann; JOR 1999/157, m.nt. N.E.D. Faber 67, 129, 134, 135, 138 Hof Amsterdam 24 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB3135 68, 74, 130, 132, 138 Hof Amsterdam 15 november 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4538 74, 139 Hof Amsterdam 22 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3353 142 Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8231 98 Hof Den Haag 19 april 1973, ECLI:NL:GHSGR:1973:AB5282, NJ 1973/513 68, 128 Hof Den Haag 25 april 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1154 98 Hof ’s-Hertogenbosch 29 juni 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:1019 151 Hof ’s-Hertogenbosch 21 april 2015 (Zuidema q.q./Hoist Kredit), ECLI:NL:GHSHE: 2015:1496, JOR 2015/6, nr. 187, m.nt. A. Steneker 74, 134, 135 136 Rb. Almelo 16 december 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BY8634 133 Rb. Amsterdam 16 november 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BK3544 131, 134, 135, 138 Rb. Amsterdam 24 juli 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6612 133 Rb. Amsterdam 25 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2020 100, 136, 137 Rb. Amsterdam 13 oktober 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:7766 138 Rb. Arnhem 10 september 1998, NJK 1998/79 129 Rb. Arnhem (vzr.) 13 maart 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BA2040, NJF 2007/429 68, 130 Rb. Assen (vzr.) 19 februari 2009, NJF 2010/136 68 Rb. Dordrecht 12 februari 1986, NJ 1987/372 68 Rb. Dordrecht (pres.) 24 juli 1991, KG 1991/289 68, 129 Rb. Gelderland 31 juli 2015, zaak 4183162/VV EXPL 15-57 \ 493 \ 450 135 Rb. Gelderland 31 januari 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:652 99 Rb. Haarlem 18 maart 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ0131 132 Rb. Midden-Nederland (vzr.) 16 mei 2013, zaak 342616/KL ZA 13-168 129 Rb. Noord-Nederland 21 oktober 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:5035 136 Rb. Noord-Nederland 26 april 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:1557 137 Rb. Noord-Nederland 10 oktober 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4159 99 Rb. Oost-Brabant 11 september 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:5285 133 Rb. Oost-Brabant 2 oktober 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:5743 135 Rb. Oost-Brabant 7 september 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:4835 137 Rb. Rotterdam 26 oktober 2000, zaak 45328/KG ZA 00-1391 130 Rb. Rotterdam 17 oktober 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:8478, JOR 2014/347, m.nt. A. Steneker 74, 134, 135 Rb. Rotterdam 13 oktober 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:7575 136

225


Bestaansminimum en bankbeslag

– – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

Rb. ’s-Hertogenbosch (ktr.) 10 april 2008, ECLI:NL:RBSHE:2008:BC9363 131 Rb. Utrecht 5 augustus 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:4893 151 Rb. Zwolle-Lelystad 24 oktober 2007, ECLI:NL:RBZLY:2007:BB9417 130 KvG 12 juni 2007, ECLI:NL:TGDKG:2007:52 138 KvG 24 februari 2009, ECLI:NL:TGDKG:2009:4 138 KvG 4 december 2012, ECLI:NL:TGDKG:2012:121 138 KvG 7 januari 2014, ECLI:NL:TGDKG:2014:2 138 KvG 7 januari 2014, ECLI:NL:TGDKG:2014:3 138 KvG 20 maart 2014, ECLI:NL:TGDKG:2014:93 139 KvG 3 maart 2015, ECLI:NL:TGDKG:2015:26 139 KvG 12 mei 2015, ECLI:NL:TGDKG:2015:93 139 KvG 5 april 2016, ECLI:NL:TGDKG:2016:48 139 KvG 19 april 2016, ECLI:NL:TGDKG:2016:62 139 KvG 3 januari 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:17 100 KvG 18 april 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:51 141 KvG 13 juni 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:146 140, 141 KvG 27 juni 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:77 141 KvG 27 juni 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:78 141 KvG 7 juli 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:145 141 KvG 15 augustus 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:126 142

Overige jurisprudentie –

Cour de cassation, Chambre commerciale 21 januari 2004, Bulletin 2004 IV No 13, p. 14 95

– – –

HR 10 mei 1929, NJ 1929/1378 (Mr. Huizinga/Ontvanger) 35 HR 7 juni 1929, NJ 1929, p. 1285 e.v. (Staat/Bankvereeniging) 32 HR 25 februari 1932, NJ 1932, p. 301 e.v., m.nt. P. Scholten; Weekblad 1932, 12405, m.nt. C.W. Star Busmann 32 HR 21 juli 1944, NJ 1944/45/576 (Landbouwersbank/Ringel), 45 HR 10 april 1953, NJ 1953/587 (Gemeente Ede/Ontvanger) 45 HR 30 januari 1959, NJ 1959/548, m.nt. D.J. Veegens 71 HR 29 november 1974, NJ 1975/426 131 HR 26 maart 1982, NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn 30 HR 20 januari 1984, NJ 1984/512 (Ontvanger/Barendregt), m.nt. W.C.L. van der Grinten 37, 119 HR 3 februari 1984, NJ 1984/752 (Van Hese/Broos), m.nt. W.M. Kleijn 68 HR 25 januari 1991, NJ 1992/172 (Van Berkel/Tribosa), m.nt. H.J. Snijders 33, 45 HR 20 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0338, NJ 1992/552 (Tripels/Masson) 146, 148 HR 25 maart 1994, NJ 1995/638, m.nt. P. van Schilfgaarde 56 HR 20 januari 1995, NJ 1995/415, m.nt. H.E. Ras 46 HR 24 maart 1995, NJ 1996/447 (Jahn c.s./Nask), m.nt. H.J. Snijders 34

– – – – – – – – – – – –

226


Jurisprudentieoverzicht

– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

HR 24 november 1995, NJ 1996/161 (Tromp/Regency) 130 HR 23 februari 1996, NJ 1996/434 46 HR 26 februari 1999, NJ 1999/717, m.nt. H.J. Snijders 44, 48 HR 21 januari 2000, NJ 2000/237 (Stet/Braaksma) 62 HR 26 mei 2000, NJ 2001/388, m.nt. H.J. Snijders 46 HR 12 januari 2001, NJ 2002/371 (Koren q.q./Tekstra q.q.) 71 HR 30 november 2001, NJ 2002/419, m.nt. H.J. Snijders 38 HR 13 juni 2003, NJ 2004/196, m.nt. W.M. Kleijn 70, 133 HR 3 oktober 2003, NJ 2004/557, m.nt. H.J. Snijders 49 HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4504, NJ 2006/203 (Van den Berg/ Van den Walle), m.nt. H.J. Snijders 66, 95, 118 HR 3 december 2004, NJ 2005/200 (Mendel q.q./ABN AMRO), m.nt. P. van Schilfgaarde 72 HR 21 januari 2005, NJ 2006/310, m.nt. H.J. Snijders 43 HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2619, NJ 2006/362 (Rabobank/ Strompolder) 94, 95 HR 24 november 2006, NJ 2007/540, m.nt. H.J. Snijders; RvdW 2006/1104 40 HR 26 januari 2007, NJ 2007/76 (Ontvanger/Fruitveiling-I) 72 HR 21 september 2007, NJ 2009/50 (Ammerlaan/Enthoven), m.nt. Jac. Hijma 60 HR 5 september 2008, NJ 2009/154, m.nt. A.I.M. van Mierlo; JBPr 2008/5, nr. 52, m.nt. E. Loesberg; JOR 2008/11, nr. 320, m.nt. A. Steneker 45 HR 13 februari 2009, NJ 2009/106, JBPr 2009/3, nr. 24, m.nt. H.L.G. van Wieten 56 HR 3 september 2010, NJ 2013/329 (HCB/DHV), m.nt. A.I.M. van Mierlo 43 HR 8 oktober 2010, NJ 2012/212 (Van den Berg Makelaardij/Bernhard), m.nt. Jac. Hijma en A.I.M. van Mierlo 47 HR 1 oktober 2011, NJ 2011/493 49 HR 27 januari 2012, NJ 2012/244 (Gangadin/Sheorotan), m.nt. S.F.M. Wortmann 62 HR 17 februari 2012, NJ 2012/605, m.nt. F.M.J. Verstijlen; JBPr 2012/3, nr. 39, m.nt. L.P. Broekveldt; JOR 2012/7, nr. 234, m.nt. B.A. Schuyling 33 HR 12 juli 2013, NJ 2014/273, m.nt. A.I.M. van Mierlo 47 HR 13 september 2013, NJ 2014/455 (Molenbeek Invest/Begeer c.s.), m.nt. H.B. Krans 29 HR 20 december 2013, NJ 2014/36 (K./Staat) 73 HR 17 januari 2014, NJ 2014/236, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai 60 HR 31 oktober 2014, NJ 2015/85 (Eurostrip/Velenturf q.q.), m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai 60 HR 13 november 2015, NJ 2016/425 (Promneftstroy/Yukos Capital en Glendale), m.nt. Th.M. de Boer en A.I.M. van Mierlo 45 HR 4 november 2016, RvdW 2016/1129 (Creative Industry Amsterdam B.V./ Heredium Coöperatie U.A.) 60 HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:310 172 HR 31 maart 2017, NJ 2017/254 (S/J), m.nt. L.C.A. Verstappen 54 Hof Amsterdam 15 april 2008, NJF 2008/478 (Fortis/Alba) 51 Hof Amsterdam 10 april 2012, NJF 2012/246 (Llanos/RBS). 51

227


Bestaansminimum en bankbeslag

– – – – – – – – – – – – – – – – –

Hof Amsterdam 28 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3081, JOR 2016/48, m.nt. E. Loesberg 118, 126, 153 Hof ’s-Hertogenbosch 9 april 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ7408 118, 126 Hof ’s-Hertogenbosch 15 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2173 98 Rb. Amsterdam 16 april 2006, NJF 2006/347 (Curatoren Jomed/Chubb) 40 Rb. Arnhem 7 maart 2007, NJF 2007/208 54 Rb. Breda (pres.) 2 februari 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ7733 146 Rb. Den Haag 16 mei 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ4730 132 Rb. Den Haag (vzr.) 22 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7217 98 Rb. Gelderland 17 oktober 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:6744 118 Rb. Groningen (vzr.) 6 september 1994, NJ 1994/369 (Eldorado/J.P.W.) 146 Rb. Haarlem 30 juli 2008, ECLI:NL:RBHAA:2008:BE8760 50 Rb. Oost-Brabant 24 juli 2013, JBPr 2014/1 40 Rb. Rotterdam 2 oktober 2013, JOR 2013/12, nr. 352, m.nt. A. Steneker 39 KvG 6 juni 2005, ECLI:NL:TGDKG:2005:1 118 KvG 15 mei 2007, ECLI:NL:TGDKG:2007:66 118 KvG 16 september 2014, ECLI:NL:TGDKG:2014:173 118 KvG 26 mei 2015, ECLI:NL:TGDKG:2015:95 118

228


Trefwoordenregister A advies Raad van State 92 af hankelijk recht 94 afloscapaciteit 83, 90, 99, 110, 111 Algemene Bankvoorwaarden 119, 149, 154, 155 alimentatie 31, 63, 65, 106, 182 -vordering 64 Alternative Dispute Resolution 176 AOW 26, 69, 131 arbeidskostenforfait 82 arbeidsmarkt 81 arbeidsovereenkomst 61 artikel 3:276 BW 93 artikel 19 Iw 1990 25, 66, 83, 96, 97 artikel 45 Awir 26, 78, 97, 98, 133 artikel 447 Rv 93 artikel 448 Rv 93 artikel 475a Rv 93 artikel 475c Rv 26, 61, 62, 63, 66, 74, 81, 98, 102, 111, 121, 138, 141, 145, 152, 154 lid 1 26 lid 7 26, 53, 107, 191 artikel 477a-procedures 47, 53, 56 artikel 576 lid 5 Sv 26

B bankbeslag AOW-uitkering 132 beheerrekenig 133 conservatoir 49, 132, 157 derdenverklaring 158 digitaal laten van exploot 118 doorkruising beslagvrije voetregeling 133 duur procedure 120 exploot van 118

kinderbijslag 129 multi- 118, 126 onrechtmatig 141 rechtspraak 128 spaarrekening 136 tuchtrechtspraak 138 uitvoerbare regeling 141 WAO-uitkering 130 bankgeheim 149, 150, 172 bankregister 126, 155, 160, 180 Ficoba 172 bankrekeningnummers 162, 192, 194 belangen financieringsverkeer 70 beschermingsbewind 133, 135 beslag -beperkingen 93 -bevel 157, 158, 159, 160, 166 conservatoir 44, 48, 49, 69, 130, 153, 156, 157, 158, 159, 160, 165 collectieve effect 169, 170 cumulatief 112 effect van 119 executoriaal 26, 29, 32, 44, 48, 49 niet-klevend 150, 165 nodeloos 120, 154 omvang van 118 op toeslag 110 -positie schuldenaar 90 vexatoir 73, 129, 130 -volgorde 110 beslagen -samenloop 112 beslagexploot overbetekening 108 beslagverbod 62, 67, 75, 77, 91, 93, 99, 101, 135, 143, 191 roerende zaken, herziening 87 beslagvrije voet bekendmaking 108

229


Bestaansminimum en bankbeslag

berekeningswijze 105 correctiemogelijkheden 107 fluctuaties 110 hardheidsclausule 107 herberekening 109 informatiebevoegdheden 105 nieuwe 88 omzeiling 141 tussentijdse herberekening 112 verlaging 107 vermindering met bestuursrechtelijke premie 108 woonachtig in buitenland 111 beslagvrije voetregeling compensatiekop 104 bestaansminimum 77, 78, 93 betalingsmoraal handhaving 88 betalingsproblemen 80 betekening termijn 119 bevragen bank 52 Belastingdienst 106 bevragingsmogelijkheid 52, 53, 117, 119, 127, 153, 155, 161, 162 bewijslast 39, 47, 56, 57 bewijsrechtelijke positie 39, 40 bijstandsnorm 61, 66, 78, 79, 83, 103, 104, 107, 109, 151 blokkerende werking 43, 44, 55, 121 rechtskarakter en functie blokkeringsregel 44 breed wettelijk moratorium 90

C CAK 83, 99 cessie 30, 64, 65 codering gecrediteerde bedragen 171 compensatie 37, 58, 63, 97 complexiteit samenleving 81 congruentie-beginsel 36, 37, 40 cumulatieve beslagen 112, 159

230

D derdenbeslag conservatoir 28, 51 niet-periodiek 52, 123, 127 vereenvoudigd 25, 66 derdenverklaring 56, 108, 120 buitengerechtelijke 36, 49, 55 modelformulier 51, 154 termijn 50, 120 deurwaarder coĂśrdinerende 112 Digitaal Beslagregister 89 digitalisering 50, 155, 179 dwangsom 148

E EAPO 153, 156, 158, 163, 165 Europese beslagbevel 153, 157, 158, 159, 160 informatie-instantie 160 echtscheiding 63 economische crisis nasleep 80 eis in de hoofdzaak 47, 48, 49, 51 elektronisch adres 118 enquĂŞte aanleiding bankbeslag 124 beroepsgroep 122 knelpunten bankbeslag 126 kwantitatieve gegevens bankbeslag 123 oplossing knelpunten 126 prevalentie beroep beslagvrije voet 125 exceptio non adimpleti contractus 58, 61 executiekosten 90, 153, 154 ex nunc 46 explootkosten 52

F faillissement 48, 59, 67, 68, 69, 70, 71, 148, 149, 151


Trefwoordenregister

G gehuwdennorm 111 geldvorderingen bestaande en toekomstige 29, 30 gerechtsdeurwaarder zelfstandige bevoegdheid 140 Gerechtsdeurwaarderswet 71, 116, 133, 140, 157 gerechtvaardigd vermoeden bankrelatie 118

kredietruimte beslag op 95 kwaliteitsrekeningen 70, 71

L langdurige armoede 80 lastenverzwaringen 81 legaliteitsbeginsel 86 lijfsdwang 116, 148 loonbeslag 65

H M heffingskortingen 82 huurtoeslag 81, 94, 97, 98, 104, 107

I IJI 166 informatie saldo bankrekening 142 informatiebevoegdheden 117 informatieplicht 117 informatieverplichting bank 149 derde 145, 152 schuldenaar 145, 147, 148, 150, 154 voorwaarden 146 informatievoorziening schuldenaren 79 in het krijt bij de overheid 84, 87

mededelingsplicht 108, 151, 152, 153 minimumloon 80 ministerieplicht 116 misbruik van bevoegdheid 73, 100, 101, 135, 137 van recht 27, 40, 42, 67, 100, 131, 136, 137, 138, 139, 140, 141, 142 motiveringsplicht verzwaarde 57

N nakoming betalingsverplichtingen 81 Nationale ombudsman 27, 84, 85, 88, 140 nemo plus-regel 37, 38, 40, 61 non peius-regel 37, 38, 39, 40, 57, 58, 61 noodtoestand 137, 140 normbedragen 52, 53, 78, 103

K O kabinet Rutte 89 KB Lux-affaire 172 kinderbijslag 69, 75, 81, 94, 100, 128, 129, 135, 168, 184 kinderbijslagarrest 129, 138 kindgebonden budget 81, 97, 103, 104, 135 kosten bank 52, 119 kostendelersnorm participatiewet 105

onrechtmatig handelen jegens beslagene 131 onverschuldigde betaling 41 opgaveplicht 152, 155 opheffingsverzoek 121 opschortingsrechten 58, 60, 61 overgang onder bijzondere titel 62 overheidsincassotrajecten 83

231


Bestaansminimum en bankbeslag

overheidsvordering 96 overschrijding fatale termijn 54

P paritas creditorum 87 Paritas Passé 86, 89 Participatiewet 52, 78, 79, 103, 111, 151, 154 Payment Service Directive II 162 pensioenen 31 periodieke betalingen 28, 30, 31, 35, 52, 61, 62, 63, 65, 66, 67, 74, 75, 79, 91, 100, 102, 105, 106, 109, 152, 154, 161, 192 Pfändungsbeschluss 166 Pfändungsschutzkonto 167 polisadministratie 107, 117, 152 preferentie 83, 96, 110, 170, 191 prestaties niet vatbaar voor beslag 94 problematische schulden 82

R rechtsvergelijking België 169 Bulgarije 187 Denemarken 177 Duitsland 166 Engeland 176 Estland 180 Finland 180 Frankrijk 172 Kosovo 189 Letland 182 Litouwen 184 Luxemburg 171 Noorwegen 178 Portugal 185 Schotland 175 Servië 192 Slowakije 194 Tsjechië 193 Wales 176 Zweden 178

232

rechtsverhouding geen 51 vermoeden 153 rekening- en saldoinformatie 145 Rijksincassovisie 90

S schuldenaren categorieën naar leefsituatie 103 schuldhulpverlening 82, 89, 90, 91 socialezekerheidsuitkeringen 31 SVB 26, 42, 67, 69, 72, 75, 83, 100, 129

T toeslagen 83 beslag op 98 onderdeel beslagvrij bedrag 104 -stelsel 82 tuchtrechter beoordelingskader 138

U UEHJ 166 UIHJ 166 uitvoerbaar bij voorraad 45, 46, 116 UWV polisadministratie 105

V vakantiebijslag 104 verhaalsinformatie 147, 149 -lacune 150 verklaring gerechtelijke 54, 55, 58 in gebreke blijven - doen 53 verklaringsplicht 47, 50, 73 verpanding 30, 33, 36 verrassingseffect 148, 153, 155 verrekening 27, 37, 39, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 75, 83, 84, 90, 96, 97, 99, 126, 155, 190


Trefwoordenregister

verrekeningsbevoegdheid bank 119 Verwijsindex Schuldhulpverlening (VISH) 89 Vollstreckungsgericht 166 vorderingen niet vatbaar voor beslag 94 toekomstige 28, 30, 31, 33, 34, 35, 134 Vormerkung 47

W WAO-uitkering 74, 134 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening 90 Wet op het notarisambt 71 Wet vereenvoudiging beslagvrije voet 26, 52, 53, 77, 78, 81, 83, 84, 85, 89, 92, 99, 102, 103, 105, 107, 109, 111, 147, 151 Wet versterking fiscale rechtshandhaving 66 Wet versterking positie curator 148 Widerspruch 166 wilsrecht 95 woonlandfactor 111 WSNP 148

Z zaaksgevolg 44, 45 zaaksvermenging 68 zaken niet vatbaar voor beslag 93 Zivilprozessordnung 166 zorgplicht bank 149 zorgtoeslag 81, 94, 97, 99, 103, 104, 129, 133, 137, 142 zzpâ&#x20AC;&#x2122;ers 27, 77, 80, 81, 92, 106

233


Over de auteurs Mr. J.J.L. Boudewijn is gerechtsdeurwaarder in Amsterdam. Mr. dr. L.P. Broekveldt is voormalig Rijksadvocaat en oprichter van Broekveldt Legal. Mr. M.I. Cazemier is juridisch en beleidsmedewerker bij het bureau van de KBvG. W.W.M. van de Donk is voorzitter van het bestuur van de KBvG. Mr. J. Feikema is toezichthouder kwaliteit en integriteit bij het Bureau Financieel Toezicht en voormalig toegevoegd gerechtsdeurwaarder. Mr. O.M. Jans is bestuurslid van de KBvG met als portefeuille Ambtsuitoefening en toegevoegd gerechtsdeurwaarder. Prof. mr. A.W. Jongbloed is hoogleraar beslag- en executierecht aan de Faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie van de Universiteit Utrecht. Mr. H.T. Nieuwhof is commissiegriffier van de gemeente Weststellingwerf en auteur van Naar een efficiĂŤntere afwikkeling van executoriaal bankbeslag. Prof. mr. L. Timmerman is advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden. A.C.C.M. Uitdehaag is voormalig bestuurslid van de KBvG en bestuurslid (secretaris) van de Internationale Unie van Gerechtsdeurwaarders (UIHJ).

235


Profile for Boom uitgevers Den Haag

Bestaansminimum en bankbeslag  

Bestaansminimum en bankbeslag  

Advertisement