Page 1

Werkboek + site NT2-niveau 0 > A2

Van start bestaat uit acht thema’s waarmee beginnende NT2-leerders regelmatig in aanraking komen. Het gaat om alledaagse situaties zoals kennismaken, praten over persoonlijke gegevens, informatie vragen, formulieren invullen, boodschappen doen, iets bestellen, gebruikmaken van sociale media, reizen, een afspraak maken, wonen en naar de dokter gaan. Elk thema begint met een of twee dialogen, gevolgd door de belangrijkste zinnen uit die dialogen. Bij elke dialoog horen korte vragen over de inhoud en oefeningen die de woordenschat toetsen. Daarna volgt steeds een blokje grammatica met een schematische uitleg, voorbeelden en oefeningen. De laatste oefening van een thema bestaat uit zinnen afmaken, waarmee de cursist kan controleren of hij de aangeboden woordenschat en grammatica kan toepassen. Elk thema eindigt met een lijst van de nieuwe woorden die in dat thema aangeboden zijn. Bij het boek hoort een website. Daarop staan onder meer de geluidsfragmenten, de antwoordsleutels van de oefeningen, de totale woordenlijst met Engelse vertaling, en materiaal voor de docent.

Middenopgeleiden naar NT2-niveau A2

Van start is een basismethode Nederlands als tweede taal voor middenopgeleide volwassenen. De opzet is vergelijkbaar met die van de populaire methode De opmaat, maar de leerstof wordt aangeboden in kleinere stappen en met veel herhaling. De methode is gericht op anderstaligen die een opleiding (willen) volgen of een beroep (willen) uitoefenen op mbo-niveau. Maar ook voor hoger opgeleiden die in een wat lager tempo willen leren, is de methode heel geschikt. Het eindniveau is A2. Hiermee zet de cursist een eerste stap richting Staatsexamen NT2 programma I (niveau B1).

Van start

Van start

Wim Tersteeg Sandra Duenk

Van start Mi d d e n o p g e l e i d e n n a a r N T 2 - n i ve a u A 2

www.nt2.nl

omslag Van start 2018.indd 1

09-07-18 16:05


Van start

Van Start binnen 2020.indd 1

07-02-20 16:22


Van start in NT2 SCHOOL

• • • • •

Ga naar www.nt2school.nl. Maak een account aan. (Als je al een account hebt, log dan in!) Klik op ‘Activeer nieuw lesmateriaal’. Voer eenmalig onderstaande code in. Bevestig. Je kunt nu aan de slag!

Niet vergeten!

Mijn inloggegevens www.nt2school.nl Gebruikersnaam: __________________________________________________________________________________________________ Wachtwoord: ________________________________________________________________________________________________________

Van Start binnen 2020.indd 2

07-02-20 16:22


Van start Middenopgeleiden naar NT2-niveau A2

Wim Tersteeg Sandra Duenk

Boom, Amsterdam

Van Start binnen 2020.indd 3

07-02-20 16:22


Vijfde oplage, 2020 © 2015, Wim Tersteeg en Sandra Duenk, Utrecht | Boom uitgevers Amsterdam Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van de artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb. 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht (postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van artikel 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912. Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.stichting-pro.nl). No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher. Vormgeving en opmaak: Anja Verhart Illustraties: Sjors Vervoort, Eindhoven Foto’s: shutterstock.com; openingsfoto thema 8: Marina Ruempol, Deventer ISBN 978 90 8953 326 5 NUR 110

Van Start binnen 2020.indd 4

07-02-20 16:22


Inhoud Voorwoord Voorwoord

10

7

Thema

Taalhulp

Thema 1

Kennismaken en begroeten

1A Hallo, ik ben Peter.

- Kennismaken: naam / land / woonplaats / taal

- Tegenwoordige tijd enkelvoud - Onderwerp enkelvoud

1B Hoe gaat het?

- Vragen hoe het gaat / begroeten / bedanken - Het alfabet / spelling

- Tegenwoordige tijd enkelvoud en meervoud - Onderwerp enkelvoud en meervoud - ‘Hebben’ en ‘zijn’ - Zinsbouw: hoofdzin

Thema 2

Persoonsgegevens

2A Wat is uw adres?

- Getallen, nummers - Adres, postcode, telefoonnummer

- Bezittelijk voornaamwoord - Vraagzinnen

2B Wilt u dit formulier invullen?

- Persoonsgegevens - Hoe spel je dat? (naam of andere informatie spellen)

- Persoonlijk voornaamwoord: onderwerp / lijdend voorwerp / na voorzetsel - Zinsbouw: normale hoofdzin / hoofdzin met inversie

Thema 3

Familie en relaties

3A Hoeveel broers of zussen heb jij?

- Familierelaties - Dagen / dagdelen / kloktijden / maanden / seizoenen

- Zelfstandig naamwoord enkelvoud en meervoud - Lidwoorden: de / het / een

3B Zullen we iets afspreken?

- Een afspraak maken - Wensen / uitroepen

- Ontkenning: niet / geen - Hulpwerkwoorden: kunnen, willen, moeten, mogen, zullen

Thema 4

Boodschappen doen, de weg vragen

4A Een kilo tomaten,

- Op de markt - In de supermarkt - De weg vragen / wijzen in de supermarkt

alstublieft.

Van Start binnen 2020.indd 5

Grammatica

10

36

62

94

- Bijvoeglijk naamwoord

07-02-20 16:22


Thema

Taalhulp

Grammatica

4B Waar is het winkel-

- De weg vragen / wijzen op straat - De weg vragen / wijzen in een winkelcentrum - Kleding en schoenen kopen

- Er / hier / daar: plaats - Herhaling voornaamwoorden

centrum?

Thema 5

Iets afspreken

5A Mag ik de menukaart?

- Afspreken - Bestellen / betalen in een café / restaurant - Maaltijden en gangen

- Zinsbouw: hoofdzin + hoofdzin - Voegwoorden met hoofdzin: en, of, maar, want, dus - Verwijswoorden voor dingen

5B Kun je een boodschap doorgeven?

- Berichtjes via sociale media - Woorden van tijd - Telefoneren

- Zinsbouw: hoofdzin + bijzin - Voegwoorden met bijzin: omdat, als, dat

Thema 6

Reizen, openbaar vervoer

6A Van welk perron

- Vervoermiddelen, reizen met openbaar vervoer - Reisinfo vragen (traject, spoor, reistijd, prijs)

- Vergelijking: vergrotende trap en overtreffende trap

checken

- Instructie geven - Tijdwoorden in de voltooide tijd

- Imperatief (instructie geven) - Introductie voltooide tijd

Thema 7

Wonen

7A Hoe ziet jouw droom-

- Soorten woningen - Kamers / indeling van huizen

- Herhaling er / daar = plaats - Introductie er + telwoord

woning

- Inrichting / meubels - Voorzetsels van plaats

- Voltooide tijd 2: • werkwoorden met ‘zijn’ • werkwoorden met voltooid deelwoord zonder ge-

Thema 8

Gezondheid

8A Hoe voel je je?

- Een afspraak bij de dokter - Soorten medicijnen

- Scheidbare werkwoorden (in tegenwoordige tijd en voltooide tijd)

8B Twee keer per dag

- Bij de apotheek

- Herhaling voltooide tijd

vertrekt de trein?

6B Vergeet niet uit te

huis eruit?

7B Te huur: eengezins-

134

168

196

226

innemen!

Lijst onregelmatige werkwoorden

263

Transcripten luisterteksten

265

Van Start binnen 2020.indd 6

07-02-20 16:22


Voorwoord Van start is een basismethode Nederlands als tweede taal voor middenopgeleide volwassenen binnen en buiten Nederland. De opzet is vergelijkbaar met die van De opmaat, maar de leerstof wordt aangeboden in kleinere stappen en met veel herhaling. De methode is gericht op anderstaligen die een opleiding (willen) volgen of een beroep (willen) uitoefenen op mboniveau. Maar ook voor hoger opgeleiden die in een wat lager tempo willen leren, is de methode heel geschikt. Het eindniveau is A2. Hiermee zet de cursist een eerste stap richting Staatsexamen NT2 programma I (niveau B1).

Van start bestaat uit acht thema’s waar beginnende NT2-leerders regelmatig mee in aanraking komen. Het gaat om alledaagse situaties zoals kennismaken, praten over persoonlijke gegevens, informatie vragen, formulieren invullen, boodschappen doen, iets bestellen, gebruikmaken van sociale media, reizen, een afspraak maken, wonen en naar de dokter gaan. Elk thema begint met een of twee dialogen, gevolgd door de belangrijkste zinnen uit die dialogen. De zinnen kan de cursist beluisteren en naspreken. Bij elke dialoog horen invuloefeningen of keuzeoefeningen woordenschat en korte vragen over de inhoud. Vervolgens breidt de cursist zijn taalkennis van het thema verder uit met de taalhulp. Ook hierbij kan hij de zinnen beluisteren en naspreken. Naast de woordenschat krijgt hij grammatica aangeboden door middel van schematische uitleg, voorbeelden en oefeningen. De laatste oefening van een thema bestaat uit zinnen afmaken, waarmee de cursist kan controleren of hij de aangeboden woordenschat en grammatica kan toepassen. Elk thema wordt afgesloten met een lijst van de nieuwe woorden die in dat thema aangeboden zijn. Achter in het boek staan de transcripten van de luisteroefeningen en een lijst met de meest voorkomende onregelmatige werkwoorden.

Op www.nt2school.nl is het volgende materiaal te vinden: • de geluidsfragmenten; • de antwoordsleutels van de oefeningen; • herhalingsoefeningen; • materiaal voor de docent; • de docentenhandleiding; • totale woordenlijst (alfabetisch) met Engelse vertaling.

Met Van start kan de cursist op een gestructureerde manier stap voor stap aan zijn taalontwikkeling werken. Bij elk onderdeel wordt gewerkt vanuit de uitleg en gestuurde oefeningen naar meer vrije oefeningen. Op deze manier worden woordenschat en grammaticale structuren op verschillende manieren aangeboden en geoefend. Herhaling speelt hierbij een belangrij-

7

Van Start binnen 2020.indd 7

07-02-20 16:22


ke rol. Deze stap-voor-stap aanpak vindt de cursist ook terug in de mogelijkheid om bij elk thema naar taalaanbod te luisteren (taalcontact), het na te spreken (imitatie) en het vervolgens zelf te gebruiken (vrije productie). Verder heeft elk thema ondersteunend beeldmateriaal (foto’s, illustraties) voor het verduidelijken van uitleg en voor het uitlokken van taalproductie bij oefeningen.

Wij willen graag onze collega Maud Beersmans bedanken voor haar feedback bij de ontwikkeling van de methode. Onze dank gaat ook uit naar Paulien Mol, die betrokken is geweest bij de beginfase van het schrijfproces.

Met het leren van een taal maakt elke taalleerder een nieuwe start. Dit kan spannend en inspirerend zijn. Met deze methode hopen we alle NT2-leerders een gestructureerde en plezierige leeromgeving te bieden, zodat ze hun taalniveau kunnen ontwikkelen en het Nederlands met veel vertrouwen kunnen gebruiken in het dagelijks leven.

Sandra Duenk en Wim Tersteeg

8 Voorwoord

Van Start binnen 2020.indd 8

07-02-20 16:22


Thema’s

Van Start binnen 2020.indd 9

07-02-20 16:22


1

Kennismaken en begroeten

10

Van Start binnen 2020.indd 10

07-02-20 16:22


1A

Hallo, ik ben Peter

1

Luisteren en lezen

A Luister naar de dialogen. Lees mee. Dialoog 1

Welkom op de cursus Nederlands

Docent:

Carlos: Docent: Carlos: Docent: Maria: Docent: Maria: Docent: Fatima: Docent: Fatima: Docent: Fatima: Docent: John: Docent: John: Docent: John: Docent:

Hallo allemaal, ik ben Peter Jansen. Ik kom uit Nederland. Ik spreek Nederlands. Ik ben de docent. Wie ben jij? Hallo, ik ben Carlos Arroyo. Waar kom je vandaan, Carlos? Ik kom uit Spanje. En jij? Hoe heet jij? Ik heet Maria Sanchez. Carlos komt uit Spanje. Maria, kom jij ook uit Spanje? Nee, ik kom uit Mexico. En wie ben jij? Ik ben Fatima. Fatima, welkom. Fatima is je voornaam. Wat is je achternaam? Mijn achternaam is Achaoudi. Kom je uit Marokko? Ja. En nu de buurman van Fatima. Hoe heet jij? Waar kom jij vandaan? Ik heet John Fraser. Ik kom uit Amerika. Uit welke plaats kom je, John? Uit New York. En waar woon je nu? Ik woon nu in Amsterdam. Welkom allemaal op de cursus Nederlands.

1 Kennismaken en begroeten 11

Van Start binnen 2020.indd 11

07-02-20 16:22


Dialoog 2

In de pauze

John: Fatima: John: Fatima: John: Fatima: John: Fatima: John: Fatima: John:

Hoi, jij bent Fatima, hè? Leuk je te ontmoeten. En jij, eh… Jij heet Carlos. Nee, ik ben John. Oh. Sorry. John … uit Amerika. Ja, en jij komt uit Marokko. Ja, uit Casablanca. En jij komt uit Boston, hè? Nee, uit New York. Sorry! Geen probleem. Wil je koffie, Fatima? Nee, geen koffie. Ik wil graag thee. Oké.

12 1 Kennismaken en begroeten

Van Start binnen 2020.indd 12

07-02-20 16:22


B Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee en zeg na. Dialoog 1

Dialoog 2

Welkom op de cursus Nederlands. Hallo allemaal. Ik ben (Peter Jansen). Ik kom uit (Nederland). Ik spreek (Nederlands). Wie ben jij? Waar kom je vandaan? En jij? Hoe heet jij? Ik heet (Maria). Hij komt uit (Spanje). Kom jij ook uit (Spanje)? Nee, ik kom uit (Mexico). Wat is je achternaam? Mijn achternaam is (Achaoudi). Kom je uit (Marokko)? Ja. Uit welke plaats kom je? Waar woon je nu? Ik woon in (Amsterdam).

Hoi. Jij bent (Fatima), hè? Leuk je te ontmoeten. En jij komt uit (Boston), hè? Nee, uit (New York). Oh, sorry. Geen probleem. Wil je koffie? Nee, geen koffie. Ik wil graag thee. Oké.

2

Luisteren en lezen

Waar of niet waar? Kruis aan.

Dialoog 1

1

De achternaam van Carlos is Sanchez. Carlos komt uit Spanje. 3 Maria komt ook uit Spanje. 4 Fatima komt uit Marokko. 5 John woont nu in New York.

6

waar waar waar

2

Dialoog 2

Fatima spreekt in de pauze met Carlos. John komt uit Boston. 8 Fatima wil geen koffie. 7

waar waar waar waar waar

niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar

niet waar niet waar niet waar

1 Kennismaken en begroeten 13

Van Start binnen 2020.indd 13

07-02-20 16:22


3

Woorden

Kies het goede woord. Voorbeeld:

Ik woon in / uit Utrecht. 1 Mijn 2 3 4 5 6 7 8 9 10

4

voornaam / achternaam is Peter. Ik kom uit Nederland / Nederlands. Welkom / Hallo op de cursus Nederlands. Wie / Wat ben je? Ik ben Maria. Waar / Wie kom je vandaan? Ik kom uit / vandaan Spanje. Peter, waar woon / heet je nu? In Utrecht. Hoe / Wie heet jij? Ik heet Maria. Hoe / Wie bent u? Ik ben Peter Jansen. Wie / Wat is je achternaam? Mijn achternaam is Jansen.

Woorden

Vul in. Kies het goede woord. Kies uit:

hè – koffie – leuk – Nederland – Nederlands – ook – plaats – vandaan – wat – welkom

Voorbeeld:

welkom Hallo allemaal, ___________________________________ op de cursus. 1 Hoi, ___________________________________ 2 3 4 5 6 7 8 9

je te ontmoeten. In welke ___________________________________ woon je? In Amsterdam. Ik ben Peter Jansen en ik kom uit ___________________________________ . ___________________________________ is je achternaam? Mijn achternaam is Jansen. John komt uit Amerika en Susan komt ______________________________ uit Amerika. Waar kom je ___________________________________ ? Uit Spanje. Jij komt uit Marokko, ___________________________________ ? Ja. Wil je ___________________________________ ? Nee, ik wil graag thee. Ik woon in Nederland. Ik spreek ___________________________________ .

14 1 Kennismaken en begroeten

Van Start binnen 2020.indd 14

07-02-20 16:22


Taalhulp Kennismaken Wie ben je? vraag

antwoord

Hallo, wie ben je? Hoi, hoe heet je? Wat is je naam? Wat is je voornaam? Wat is je achternaam?

Hallo, ik ben Peter Jansen. Ik heet Peter Jansen. Mijn naam is Peter Jansen. Peter. Jansen.

Waar kom je vandaan? vraag

antwoord

Waar kom je vandaan? Uit welk land kom je?

Ik kom uit Nederland. Uit Turkije.

Waar woon je? vraag

antwoord

Waar woon je? In welke plaats woon je?

Ik woon in Utrecht. In Amsterdam.

Welke taal spreek je?

5

vraag

antwoord

Welke taal spreek je? Spreek je Nederlands? Begrijp je Nederlands?

Ik spreek Nederlands en Engels. Nee, ik spreek geen Nederlands. Ja, een beetje.

Taalhulp

Luisteren en lezen

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1 2 3 4 5

Hallo, wie ben jij? Mijn naam is Maria. Wat is je achternaam? Mijn achternaam is Gonzalez. Waar kom je vandaan?

1 Kennismaken en begroeten 15

Van Start binnen 2020.indd 15

07-02-20 16:22


6 7 8 9 10 11 12 13 14

6

Ik kom uit Spanje. Waar woon je nu? Ik woon in Nederland, in Amsterdam. Welke taal spreek je? Ik spreek Spaans en Engels. Begrijp je Nederlands? Ja, een beetje. Leuk je te ontmoeten. Welkom op de cursus.

Luisteren

Luister naar de informatie en vul in. naam

land

woonplaats

taal

Carla Peters

Glen Smith

Pierre Legrand

Bulent Cetin

Maria Romero

7

Taalhulp

Schrijven

A Geef antwoord. 1

________________________________________________________________

2

Hoe heet je? Uit welk land kom je? 3 Waar woon je nu? 4 Welke taal spreek je?

________________________________________________________________ ________________________________________________________________ ________________________________________________________________

16 1 Kennismaken en begroeten

Van Start binnen 2020.indd 16

07-02-20 16:22


B Doe nu oefening A met twee andere cursisten. Vul in. Vraag 1 naam

Vraag 2 land

Vraag 3 woonplaats

Vraag 4 taal

Cursist 1

Cursist 2

8

Taalhulp

Spreken en schrijven

Werk in tweetallen. Cursist A en cursist B krijgen informatie van de docent. De informatie is niet compleet. Vraag de informatie aan je medecursist en vul in.

Grammatica Tegenwoordige tijd: nu onderwerp

persoonsvorm

rest

Ik Je / Jij U Hij Ze / Zij

kom komt komt komt komt

uit Nederland. uit Amerika. uit Marokko. uit Spanje. uit Turkije.

Ik Je / Jij U Hij Ze / Zij

spreek spreekt spreekt spreekt spreekt

Nederlands. ook Nederlands. geen Nederlands. Spaans. Engels.

Ik Je / Jij U Hij Ze / Zij

woon woont woont woont woont

in Utrecht. in Nederland. in Amsterdam. in Amerika. in Den Haag.

Ik Je / Jij U Hij Ze / Zij

ben bent bent is is

Peter. Fatima. de docent. John Fraser. Maria Sanchez.

1 Kennismaken en begroeten 17

Van Start binnen 2020.indd 17

07-02-20 16:22


9

Grammatica

Kies het goede woord. Voorbeeld:

Peter kom / komt uit Nederland. 1

Ik 2 Maria 3 Carlos 4 Waar 5 Jij 6 Peter 7 Ik 8 Zij 9 Ik 10 Mijn voornaam

10

woon / woont in Nederland. woon / woont in Amsterdam. kom / komt uit Spanje. kom / komt u vandaan? ben / bent John. bent / is de docent. spreek / spreekt geen Nederlands. spreek / spreekt Spaans. ben / bent Johan Smid. ben / is Johan.

Grammatica

Vul in. Kies het goede woord. Kies uit:

bent – heet – is – kom – komt – spreek – spreekt – woon – woont

Voorbeeld:

Ik ___________________________________ woon nu in Amsterdam. 1

Peter Jansen ___________________________________ de docent. uit Amerika. 3 Hoe ___________________________________ jij? Johan. 4 Wie ___________________________________ u? Ik ben Peter Jansen. 5 Ik ___________________________________ geen Nederlands. 6 In welke plaats ___________________________________ u, meneer Jansen? 7 John komt uit Amerika. Hij ___________________________________ Engels. 8 Uit welk land ___________________________________ Carlos? Uit Spanje. 2 Ik ___________________________________

11

Kijken en invullen

Kijk naar de foto’s. Vul in. Kies uit:

Naam: Barack Obama – Marilyn Monroe – Lionel Messi – Napoleon – Maxima – Willem-Alexander Land: Nederland – Argentinië – Spanje – Amerika – Frankrijk Taal: Engels – Nederlands – Spaans – Frans

18 1 Kennismaken en begroeten

Van Start binnen 2020.indd 18

07-02-20 16:22


foto 1

foto 2

foto 3

foto 4

foto 5

foto 6

Wie is dit?

Uit welk land komt hij / zij?

In welk land woont hij / zij?

Welke taal spreekt hij / zij?

Foto 1

Foto 2

Foto 3

Foto 4

Foto 5

Foto 6

1 Kennismaken en begroeten 19

Van Start binnen 2020.indd 19

07-02-20 16:22


12

Spreken

A Kies een persoon uit oefening 11. Geef informatie over die persoon: Dit is ___________________________________________________________________________________________________ . Hij / Zij komt uit _______________________________ en woont in ________________________________ . Hij / Zij spreekt ____________________________________________________________________________________ .

B Zoek een foto van een andere bekende persoon. Geef informatie over de persoon: Dit is ___________________________________________________________________________________________________ . Hij / Zij komt uit _______________________________ en woont in ________________________________ . Hij / Zij spreekt ____________________________________________________________________________________ .

20 1 Kennismaken en begroeten

Van Start binnen 2020.indd 20

07-02-20 16:22


1B

Hoe gaat het?

13

Luisteren en lezen

A Luister naar de dialogen. Lees mee. Dialoog 1

Op straat

Mark: Anne: Mark: Anne: Mark: Anne:

Hoi, Anne! Ha, Mark! Hoe gaat het? Met mij goed. En met jou? Prima. Ik ben vandaag vrij. O, leuk. Nou, een fijne dag. Dag! Dank je. Jij ook. Doei!

1 Kennismaken en begroeten 21

Van Start binnen 2020.indd 21

07-02-20 16:22


Dialoog 2 In de bus

Ellen: Marie: Ellen: Marie: Ellen: Marie:

Hallo, Marie. Hoi, Ellen. Hoe is het? Goed. En met jou? Het gaat wel. Ik ben verkouden. Dat is vervelend. Nou, sterkte! Dank je wel. Doeg!

22 1 Kennismaken en begroeten

Van Start binnen 2020.indd 22

07-02-20 16:22


Dialoog 3

Op het werk

Hans: Frank: Hans: Frank: Hans: Frank: Hans: Frank:

Goedemorgen, Frank. Goedemorgen, Hans. Alles goed? Ja, prima. Mag ik je iets vragen? Ja, natuurlijk. Ik heb een probleem met mijn computer. Kun je me helpen? Ja, hoor. Ik kom zo. OkĂŠ? Fijn. Dank je. Tot zo.

B Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee en zeg na. Dialoog 1

Dialoog 2

Dialoog 3

Ha, (Mark)! Hoe gaat het? Met mij goed. En met jou? Prima! Ik ben vandaag vrij. O, leuk! Nou, een fijne dag! Dag! Dank je. Jij ook. Doei!

Hoe is het? Goed, en met jou? Het gaat wel. Ik ben verkouden. Dat is vervelend. Nou, sterkte! Dank je wel. Dag!

Goedemorgen, (Frank). Goedemorgen, (Hans). Alles goed? Ja, prima. Mag ik je iets vragen? Ja, natuurlijk. Kun je me helpen? Ja, hoor. Ik kom zo. Fijn. Dank je. Tot zo.

1 Kennismaken en begroeten 23

Van Start binnen 2020.indd 23

07-02-20 16:22


14

Luisteren en lezen

Beantwoord de vragen.

Dialoog 1

1

Mark is vrij vandaag. 2 Het gaat goed met Anne.

waar waar

niet waar niet waar

Dialoog 2

waar waar

niet waar niet waar

Frank wil Hans niet helpen. waar 6 Hans heeft een probleem met het Nederlands. waar

niet waar niet waar

3 Marie is verkouden. 4 Ellen is ook verkouden.

Dialoog 2

5

15

Woorden

Vul in. Kies het goede woord. Kies uit:

fijne – goed – helpen – het – probleem – vandaag – verkouden – vervelend – vragen – zo – gaat

Voorbeeld:

Het ___________________________________ gaat wel. 1

Ik ben ___________________________________ vrij. 2 Nou, een ___________________________________ dag. 3 Hoe is ___________________________________ ? 4 Ik ben ___________________________________ . 5 Dat is ___________________________________ . 6 Alles ___________________________________ ? 7 Mag ik je iets ___________________________________ ? 8 Ik heb een ___________________________________ met mijn computer. 9 Kun je me ___________________________________ ? 10 Ik kom ___________________________________ .

24 1 Kennismaken en begroeten

Van Start binnen 2020.indd 24

07-02-20 16:22


16

Woorden

Kies het goede woord. 1

Anne: Ha Mark, hoe ___________________________________ het? a gaat b moet c mag

2

Mark: Met mij gaat het goed. En met ___________________________________ ? a jij b me c jou

3

Marie: Ik ben verkouden. Ellen: Dat is ___________________________________ . a prima b vervelend c leuk

4

Hans: Mag ik je iets ___________________________________ ? a hebben b helpen c vragen

5

Kun je me ____________ ? a hebben b helpen c vragen

1 Kennismaken en begroeten 25

Van Start binnen 2020.indd 25

07-02-20 16:22


Taalhulp Begroeten Hoe gaat het? vraag

antwoord

Hoe gaat het? En met jou? Hoe is het? En met jou? Alles goed?

Met mij goed. Prima. Goed. Het gaat wel. Ja, prima.

begroeten

Hoi! Doeg! Goedemorgen! Tot zo.

Ha! Doei! Goedemiddag! Tot straks.

Hallo! Dag! Goedenavond! Tot dan.

Hi!

Tot morgen.

bedanken

Dank je.

17

Dank je wel.

Taalhulp

Bedankt.

Luisteren en lezen

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1

Hoi, Anne. Hoe gaat het? 3 Met mij goed. 4 En met jou? 5 Het gaat wel. 6 Ik ben verkouden. 7 Dat is vervelend. 8 Goedemorgen, Frank. 9 Alles goed? 10 Ja, prima. 11 Kun je me helpen? 12 Ja hoor. 13 Bedankt. 14 Ik kom zo. 15 OkĂŠ. Tot zo. 2

26 1 Kennismaken en begroeten

Van Start binnen 2020.indd 26

07-02-20 16:22


18

Taalhulp

Vraag en antwoord

Geef antwoord. vraag

antwoord

Hoe is het? Alles goed? Hoe gaat het? Mag ik je iets vragen? Kun je me helpen?

19

_____________________________________________________________ _____________________________________________________________ _____________________________________________________________ _____________________________________________________________ _____________________________________________________________

Taalhulp

Spreken

Zoek de juiste plaatjes bij de dialogen. Lees daarna de dialogen in tweetallen. Plaatje A hoort bij dialoog Plaatje B hoort bij dialoog Plaatje C hoort bij dialoog Plaatje D hoort bij dialoog

_______________ _______________ _______________ _______________

A

B

C

D

1 Kennismaken en begroeten 27

Van Start binnen 2020.indd 27

07-02-20 16:22


Dialoog 1

Aan de telefoon Marie: Albert: Marie: Albert: Marie: Albert: Marie: Albert:

Dialoog 2

Op straat Bas: Peter: Bas: Peter: Bas: Peter:

Dialoog 3

Hé, Peter! Hoi Bas! Hoe gaat het? Met mij gaat het supergoed. Ik heb de loterij gewonnen! 100.000 euro!!! O super, gefeliciteerd! Dank je, ga je mee naar een café? Ik betaal! Leuk, goed idee!

In de bus Judith: Marjolein: Judith: Marjolein: Judith: Marjolein: Judith:

Dialoog 4

Hoi Albert! Ha, Marie! Hoe gaat het? Met mij goed. En met jou? Nou, het gaat niet zo goed. Ik ben verkouden. Wat vervelend. Ga je naar de dokter? Ja, ik ga vanmiddag. Nou, sterkte! Dank je wel. Tot gauw!

Hoi Marjolein, hoe gaat het? Hoi! Prima, en met jou? Heel goed. Ik heb zaterdag een afspraakje! Oh, wat leuk! Met wie? Met Menno, van de sportschool. Leuk, veel plezier! Dank je!

Op het werk Carolien: Simone: Carolien: Simone: Carolien: Simone: Carolien:

Hoi Simone. Hé, goeiemorgen! Hoe gaat het? Goed, ik heb een vraagje. Ik heb twee concertkaartjes voor Marco Borsato. Het zijn de laatste kaartjes! Ga je mee? Wat leuk! Ik ga graag mee. Wanneer is het concert? Op twee oktober. Oké, het staat in mijn agenda! Leuk!

28 1 Kennismaken en begroeten

Van Start binnen 2020.indd 28

07-02-20 16:22


Grammatica Onderwerp: ‘wie’ of ‘wat’ (subject) onderwerp: wie of wat

voorbeeldzinnen

enkelvoud (singularis: 1 persoon) ik je / jij u hij ze / zij het

Ik ben vandaag vrij. Kun je me helpen? Hoe heet u? Hij heeft een probleem. Ze is verkouden. Het gaat wel.

meervoud (pluralis: 2 of meer personen) we / wij jullie ze / zij

We zijn vrij vandaag. Jullie hebben een probleem. Ze komen zo.

Tegenwoordige tijd: nu het hele werkwoord (de infinitief ):

helpen

vragen

kennen

de stam van het werkwoord:

help

vraag

ken

onderwerp

persoonsvorm

voorbeeld: helpen

voorbeeld: vragen

voorbeeld: kennen

stam stam + t stam + t stam + t stam + t stam + t

ik je / jij u hij ze / zij het

ik je / jij u hij ze / zij het

ik je / jij u hij ze / zij het

hele werkwoord hele werkwoord hele werkwoord

we / wij helpen jullie helpen ze / zij helpen

enkelvoud (singularis) ik je / jij u hij ze / zij het

help helpt helpt helpt helpt helpt

vraag vraagt vraagt vraagt vraagt vraagt

ken kent kent kent kent kent

meervoud (pluralis) we / wij jullie ze / zij

we / wij vragen jullie vragen ze / zij vragen

we / wij kennen jullie kennen ze / zij kennen

Let op: u helpt (enkelvoud) en u helpt (meervoud). De vorm van het werkwoord is hetzelfde.

1 Kennismaken en begroeten 29

Van Start binnen 2020.indd 29

07-02-20 16:22


Let op de spelling: klinkers:

a–e–i–o –u–y

medeklinkers:

b–c–d–f–g–h–j–k–l–m–n–p–q–r–s–t –v–w–x–z

enkelvoud: dubbele klinker + 1 medeklinker ( + -t)

meervoud (= hele werkwoord): 1 klinker + 1 medeklinker + -en

woon spreek loop

wonen spreken lopen

woont spreekt loopt

enkelvoud: 1 klinker + 1 medeklinker ( + -t)

meervoud (= hele werkwoord): 1 klinker + dubbele medeklinker + -en

ken lig stop

kennen liggen stoppen

20

kent ligt stopt

Grammatica

Vul de goede vorm van het werkwoord in. Voorbeeld:

(spreken)

ik ___________________________________ spreek

wij ___________________________________ spreken

enkelvoud

meervoud

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

(wonen) jij ___________________________________ (liggen) ik ___________________________________ (helpen) hij ___________________________________ (stoppen) jij ___________________________________ (kennen) ik ___________________________________ (lopen) zij ___________________________________ (vragen) ik ___________________________________ (spreken) jij ___________________________________ (vragen) u ___________________________________ (kennen) u ___________________________________

jullie ___________________________________ wij ___________________________________ zij ___________________________________ jullie ___________________________________ wij ___________________________________ zij ___________________________________ wij ___________________________________ jullie ___________________________________ u ___________________________________ u ___________________________________

30 1 Kennismaken en begroeten

Van Start binnen 2020.indd 30

07-02-20 16:22


Grammatica Hebben en zijn hebben

zijn

onderwerp

persoonsvorm

persoonsvorm

ik je / jij u hij ze / zij het

heb hebt hebt / heeft heeft heeft heeft

ben bent bent is is is

we / wij jullie ze / zij

hebben hebben hebben

zijn zijn zijn

21

Grammatica

Vul de goede vorm van hebben of zijn in. Voorbeeld:

(hebben)

ik ___________________________________ heb

enkelvoud

1 (zijn)

jij ___________________________________ 2 (zijn) ik ___________________________________ 3 (hebben) hij ___________________________________ 4 (zijn) zij ___________________________________ 5 (hebben) jij ___________________________________ 6 (hebben) u ___________________________________ 7 (zijn) u ___________________________________

wij ___________________________________ hebben meervoud

jullie ___________________________________ wij ___________________________________ zij ___________________________________ zij ___________________________________ jullie ___________________________________ u ___________________________________ u ___________________________________

1 Kennismaken en begroeten 31

Van Start binnen 2020.indd 31

07-02-20 16:22


22

Grammatica

Vul in. Wat is de goede persoonsvorm? Kies uit:

ben (2x) – gaat (2x) – heb – is – kom – komt – kun – mag – spreken – woont

Voorbeeld:

Hoe _____________________________ gaat het? Prima. Ik __________________________________ vandaag vrij. ben 1

Hoe is het? Het _____________________________ wel. verkouden. 3 Dat _____________________________ vervelend. 4 _____________________________ ik je iets vragen? 5 Ik _____________________________ een probleem met mijn computer. 6 _____________________________ je me helpen? 7 Ik _____________________________ zo. 8 Peter _____________________________ in Nederland. 9 _____________________________ jullie Nederlands? 10 Carlos _____________________________ uit Spanje. 2 Ik _____________________________

Grammatica Zinsbouw 1 = onderwerp

+ 2 = persoonsvorm

+ 3 = rest

Ik Ik Dat Ik Zij

kom ben is heb spreken

uit Spanje. verkouden. vervelend. een probleem. Nederlands.

23

Grammatica

Maak zinnen. Begin met het onderstreepte woord. Voorbeeld:

in Utrecht / Wij / wonen / . _____________________________________________________________________________________________________________ Wij wonen in Utrecht. 1

een probleem / Ik / heb / .

2

vervelend / is / Dat / .

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

32 1 Kennismaken en begroeten

Van Start binnen 2020.indd 32

07-02-20 16:22


3

Engels / Wij / spreken / .

4

verkouden / Ik / ben / .

5

uit Amerika / komt / John / .

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

24

Luisteren en spreken

Luister naar de letters van het alfabet. Lees mee. Luister nog een keer. Lees mee en zeg na. HOOFDLETTERS A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

Q

R

S

T

U

V

W

X

Y

Z

kleine letters a

b

c

d

e

f

g

h

i

j

k

l

m

n

o

p

q

r

s

t

u

v

w

x

y

z

1 Kennismaken en begroeten 33

Van Start binnen 2020.indd 33

07-02-20 16:22


Woordenlijst Thema 1 achternaam (de), achternamen allemaal alles Amerika antwoord (het), antwoorden Argentinië beantwoorden bedankt begroeten bekende ben (zijn) bent (zijn) bus (de), bussen buurman (de) computer (de), computers cursus (de), cursussen dag (de), dagen dan dank (danken) dat de dialoog (de), dialogen dit docent (de), docenten doeg doei en Engels fijn foto (de), foto’s gaat (gaan) geef (geven) geen goed, goede goedemiddag goedemorgen goedenavond graag ha hallo hè

_________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________

_________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________

_________________________________

_________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________

_________________________________ _________________________________

_________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________

heb (hebben) heet (heten) helpen het hij hoe? hoi hoor (Ja, hoor.) iets ik in informatie (de) is (zijn) ja je (Wie ben je?) je … (Wat is je naam?) je (Mag ik je iets vragen?) jij jou jullie kennen kennismaken kies (kiezen) kijk (kijken) koffie (de) kom (komen) komt (komen) kun (kunnen) land (het), landen leuk lees (lezen) lees mee (meelezen) luister (luisteren) mag (mogen) Marokko me met Mexico mij mijn ... naam (de), namen naar (luister naar ...) natuurlijk

_________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________

_________________________________

_________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________

_________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________

_________________________________ _________________________________

34 1 Kennismaken en begroeten

Van Start binnen 2020.indd 34

07-02-20 16:22


Nederland _________________________________ Nederlands (het) _________________________________ nee _________________________________ nou _________________________________ nu _________________________________ oh _________________________________ oefening (de), oefeningen _________________________________ okĂŠ _________________________________ ontmoeten _________________________________ ook _________________________________ op (op straat) _________________________________ pauze (de), pauzes _________________________________ persoon (de), personen _________________________________ plaats (de), plaatsen _________________________________ prima _________________________________ probleem (het), problemen _________________________________ schrijven _________________________________ sorry _________________________________ Spaans _________________________________ Spanje _________________________________ spreek (spreken) _________________________________ spreekt (spreken) _________________________________ spreken _________________________________ sterkte _________________________________ straat (de), straten _________________________________ straks (tot straks) _________________________________ te _________________________________ thee (de) _________________________________ tot _________________________________ Turkije _________________________________ u _________________________________

uit van vandaag vandaan verkouden vervelend voornaam (de) vraag (de), vragen vragen vrij vul in (invullen) waar? wat? we wel welk? welke? welkom werk (het) wie? wij wil (willen) woon (wonen) woont (wonen) woord (het), woorden ze (Waar komen ze vandaan?) ze (Waar komt ze vandaan?) zij (Hoe heet zij?) zij (Hoe heten zij?) zijn (Wij zijn in Nederland.) zo

_________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________

_________________________________

_________________________________

_________________________________ _________________________________ _________________________________

_________________________________ _________________________________

1 Kennismaken en begroeten 35

Van Start binnen 2020.indd 35

07-02-20 16:22


2

Persoonsgegevens

36

Van Start binnen 2020.indd 36

07-02-20 16:22


2A

Wat is uw adres?

1

Luisteren en lezen

A Luister naar de dialogen en lees mee. Dialoog 1

Mag ik je telefoonnummer?

Zohreh: Marjon: Zohreh: Marjon: Zohreh: Marjon: Zohreh: Marjon: Zohreh: Marjon: Zohreh: Marjon: Zohreh: Marjon: Zohreh: Marjon: Zohreh: Marjon: Zohreh:

Hoi Marjon. Hoi Zohreh, leuk je te zien. Hoe is het? Goed, dank je. Met jou ook alles goed? Ja hoor. Zeg, hoe gaat het met je Nederlands? Nou ... het gaat wel. Ik begrijp veel, maar spreken is moeilijk. Ik moet meer oefenen. Ja, veel oefenen is goed. Wil jij een keer met me oefenen met spreken? Eh, ja, dat kan. Oh, fijn, dank je wel. Wanneer heb je tijd? Eh, zaterdagmiddag. Om 14.00 uur, bij mij thuis? Ja, prima. Waar woon je? In de Nieuwstraat op nummer 9. OkĂŠ. Mag ik ook je telefoonnummer? Ja, dat is 06-43120180. Dus 06-43120180. Bedankt. Mag ik dan ook jouw mobiele nummer? Ja, natuurlijk. Dat is 06-31875540. 06-31875540. OkĂŠ, tot zaterdag dan. Ja, tot zaterdag en bedankt alvast.

2 Persoonsgegevens 37

Van Start binnen 2020.indd 37

07-02-20 16:22


Dialoog 2

Wat is uw adres?

Oscar Meijer: Goedemiddag. Baliemedewerker: Goedemiddag, meneer. Kan ik u helpen? Oscar Meijer: Ja, ik kom een pakketje afhalen. Baliemedewerker: Wat is uw naam, meneer? Oscar Meijer: Meijer. M - e - lange ij - e - r. Baliemedewerker: En wat is uw adres en postcode? Oscar Meijer: Mijn adres is Sportlaan 50. En de postcode is 3513 ZA. Baliemedewerker: Hebt u ook een afhaalbewijs? Oscar Meijer: Ja hoor, alstublieft. Baliemedewerker: Momentje, ik ga even voor u kijken ‌ Ja, hier is het, een pakketje voor de heer O. Meijer, Sportlaan 50. Hebt u een geldig legitimatiebewijs bij u? Oscar Meijer: Mijn paspoort ligt thuis. Is mijn rijbewijs ook goed? Baliemedewerker: Ja hoor, een rijbewijs is prima. Even kijken ‌ Ja, in orde. Alstublieft, uw pakketje. Oscar Meijer: Dank u wel. Tot ziens. Baliemedewerker: Tot ziens, meneer.

38 2 Persoonsgegevens

Van Start binnen 2020.indd 38

07-02-20 16:22


B Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee en zeg na. Dialoog 1

Dialoog 2

Leuk je te zien. Zeg, hoe gaat het met (je Nederlands)? Ik begrijp veel. Spreken is moeilijk. Ik moet meer oefenen. Ja, veel oefenen is goed. Wil jij een keer met me oefenen? Ja, dat kan. Wanneer heb je tijd? Eh, zaterdagmiddag? Om (14 uur), bij mij thuis? Ja, prima. Waar woon je? In de (Nieuwstraat) op nummer (9). Mag ik je telefoonnummer? Ja, dat is (06-43120180). Bedankt. Mag ik dan ook jouw mobiele nummer? Ja, natuurlijk. Dat is (06-31875540). Tot (zaterdag) dan. Bedankt alvast.

Goedemiddag, (meneer). Kan ik u helpen? Ik kom een pakketje afhalen. Wat is uw adres en postcode? Mijn adres is (Sportlaan 50). De postcode is (3513 ZA). Hebt u ook een afhaalbewijs? Ja hoor, alstublieft. Momentje, ik ga even voor u kijken. Hier is het. Hebt u een geldig legitimatiebewijs bij u? Mijn paspoort ligt thuis. Is mijn rijbewijs ook goed? Even kijken. In orde. Dank u wel. Tot ziens.

2

Luisteren en lezen

Kies het goede antwoord.

Dialoog 1

1

Zohreh leert Nederlands. Hoe gaat het met haar Nederlands? a Goed. b Het gaat wel. c Slecht.

2

Wat is moeilijk voor Zohreh? a Begrijpen. b Grammatica. c Spreken.

2 Persoonsgegevens 39

Van Start binnen 2020.indd 39

07-02-20 16:22


3

Zohreh en Marjon gaan oefenen met spreken. Wanneer? a Zaterdag om 9 uur. b Zaterdag om 14 uur. c Vanmiddag om 14 uur.

4

Waar gaan ze oefenen? a Bij Zohreh thuis. b Bij Marjon thuis. c Op de school van Zohreh.

Dialoog 2

5

Wat is het telefoonnummer van Zohreh? a 06-31875540 b 06-43120180 c 06-38715450

6

Wat doet Oscar bij PostNL? a Hij komt een pakketje afhalen. b Hij komt een pakketje afgeven. c Hij komt zijn rijbewijs afhalen.

7

Wat is zijn adres en postcode? a Sportlaan 50, 3530 ZA b Sportlaan 15, 5313 ZA c Sportlaan 50, 3513 ZA

8

Welk legitimatiebewijs heeft Oscar bij zich? a Een rijbewijs. b Een paspoort.

3

Woorden

Kies het goede woord. Voorbeeld:

Mijn adres / postcode is 3513 ZA. 1 2 3 4 5 6 7

Goedemiddag meneer, kan ik u helpen / afhalen? Waar / Wie woon je? Op de Nobelstraat 18. Meneer, wat is je / uw naam? Wat is je huisnummer / telefoonnummer? Dat is 06-43120180. Waar / Wanneer heb je tijd? Op zaterdag. Hoe laat? Op / Om 14.00 uur. Hoe gaat het met je Nederland / Nederlands?

40 2 Persoonsgegevens

Van Start binnen 2020.indd 40

07-02-20 16:22


8

Hebt u een geldig / prima legitimatiebewijs bij u? 9 Hoi Oscar, leuk je te zien / hebben. 10 Mijn paspoort ligt huis / thuis.

4

Woorden

Vul in. Kies het goede woord. Kies uit:

Voorbeeld:

adres – afhalen – gaat – legitimatiebewijs – leuk – maar – nummer – oefenen – ziens

Hoe _____________________________ gaat het met je Nederlands? 1 Hoi, _____________________________

je te zien. 2 Hebt u een _____________________________ bij u? 3 Mijn _____________________________ is Hogeweg 29. 4 Ik moet meer _____________________________ met spreken. 5 Ik begrijp veel, _____________________________ spreken is moeilijk. 6 Wat is jouw mobiele _____________________________ ? Dat is 06-32450587. 7 Ik kom een pakketje _____________________________ . 8 Dank u wel, meneer. Tot _____________________________ .

Taalhulp Getallen, nummers 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

= één = twee = drie = vier = vijf = zes = zeven = acht = negen = tien

11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

= elf = twaalf = dertien = veertien = vijftien = zestien = zeventien = achttien = negentien = twintig

21 22 23 24 25 26 27 28 29

= eenentwintig = tweeëntwintig = drieëntwintig = vierentwintig = vijfentwintig = zesentwintig = zevenentwintig = achtentwintig = negenentwintig

30 40 50 60 70 80 90 100

= dertig = veertig = vijftig = zestig = zeventig = tachtig = negentig = honderd

2 Persoonsgegevens 41

Van Start binnen 2020.indd 41

07-02-20 16:22


Adres – postcode – telefoonnummer vraag

antwoord

Waar woon je? Wat is je adres? Wat is je postcode? Wat is je (vaste) telefoonnummer? Wat is je mobiele nummer? Mag ik je 06-nummer?

In de Nieuwstraat op nummer 9. Mijn adres is Sportlaan 50. Mijn postcode is 3813 ZA. Mijn telefoonnummer is 030-5579813. Mijn mobiele nummer is 06-43120180. Ja, dat is 06-43120180.

5

Taalhulp

Luisteren

Luister naar de nummers. Welk nummer hoor je? Kies het goede nummer. 1 5

6

18 / 80 23 / 32

2 6

25 / 35 43 / 53

3 7

Taalhulp

60 / 70 19 / 90

4 8

14 / 40 57 / 75

Luisteren en lezen

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14

Wat is uw adres en postcode? Mijn adres is Stationsweg 25. Mijn postcode is 4518 BK. Wat is uw vaste telefoonnummer? Mijn telefoonnummer is 030-2707055. Hebt u ook een 06-nummer? Ja, mijn mobiele nummer is 06-35208744. Hebt u een legitimatiebewijs bij u? Alstublieft, hier is mijn paspoort. Is een rijbewijs ook goed? Ja hoor, een rijbewijs is ook geldig. Wanneer heb je tijd? Op zaterdag om elf uur. Oké, dat is prima. Tot zaterdag.

42 2 Persoonsgegevens

Van Start binnen 2020.indd 42

07-02-20 16:22


7

Taalhulp

Luisteren

Luister naar de fragmenten. Vul het schema in. Naam

Woonplaats

Adres

Annette van Dam

Rijnlaan nr. .........

Karel Bouwman

Dapperstraat nr. ........

8

Postcode

Taalhulp

Telefoonnummers

Spreken en schrijven

Werk in groepjes van drie. Vul eerst je eigen gegevens in. Vraag dan de gegevens van de andere twee cursisten en vul in. naam

woonplaats

adres

postcode

telefoonnummer

ik:

cursist 1:

cursist 2:

2 Persoonsgegevens 43

Van Start binnen 2020.indd 43

07-02-20 16:22


Grammatica Bezittelijk voornaamwoord (possessief ) wie

onderwerp (subject)

van wie

bezittelijk voornaamwoord (possessief )

ik je / jij u hij ze / zij we / wij

Ik woon in Utrecht. Jij woont in de Rijnlaan. U woont in Amsterdam. Dit is Jan. Hij woont in Haarlem. Dit is Eva. Zij woont in Den Haag. Wij wonen in Rotterdam.

mijn je / jouw uw zijn haar ons / onze

jullie ze / zij

Waar wonen jullie? Dit zijn Pieter en Susan. Ze wonen in Utrecht.

jullie hun

Mijn adres is Stationsweg 10. Wat is je huisnummer? Wat is uw adres? Zijn adres is Herenstraat 20. Haar adres is Sportlaan 6. Ons adres is Havenstraat 35. Onze postcode is 3011 PZ. Wat is jullie adres? Hun adres is Nobelstraat 50.

Let op:

het …

→ ons …

het adres

→ ons adres

de …

→ onze …

de postcode

→ onze postcode

9

Grammatica

Kies het goede woord. Voorbeeld:

Wij / Ons adres is Potterstraat 35. 1

Waar komt u / uw vandaan? Ik / Mijn postcode is 3518 GS. 3 Wat is jij / jouw 06-nummer? 4 Wij / Ons hebben een leuk huis. 5 Wat is jij / je mobiele nummer? 6 John en Fatima maken zijn / hun huiswerk. 7 Dit is wij / ons nieuwe huis. 8 Wat is u / uw postcode? 9 Hebben jullie / je een auto? 10 Peter woont in Utrecht. Hij / Zijn adres is Nobelstraat 18. 2

44 2 Persoonsgegevens

Van Start binnen 2020.indd 44

07-02-20 16:22


10

Grammatica

Vul het goede bezittelijk voornaamwoord in. Kies uit:

mijn – jouw – uw – zijn – haar – ons – onze – jullie – hun

Voorbeeld:

Ik heb een huis in Utrecht. _____________________ Mijn huis is leuk. 1 2 3 4 5 6 7 8

Mag ik u iets vragen? Wat is _____________________ adres? Jullie wonen in Amsterdam, hè? Wat is _____________________ adres en postcode? Wij hebben een cursusboek. _____________________ boek heet ‘Van Start’. (het boek) Maria heeft een Nederlandse vriend. _____________________ vriend heet Ruud. Maria en Ruud wonen in Amsterdam. _____________________ adres is Wibautstraat 68. John heeft een leuke kamer. _____________________ kamer is in het centrum. Wij hebben Nederlandse les. _____________________ docent heet Peter. (de docent) Jij hebt een 06-nummer. Wat is _____________________ mobiele nummer?

Grammatica Vraagzinnen met een vraagwoord Voorbeelden van vraagwoorden zijn: wie, wat, waar, hoe, wanneer, welke … vraagwoord

persoonsvorm

onderwerp

rest

Wie Wat Waar Hoe Wanneer Welke dag

ben is woon gaat heb is

je? je adres? je? het je het

met je? tijd? vandaag?

2 Persoonsgegevens 45

Van Start binnen 2020.indd 45

07-02-20 16:22


Vraagzinnen met antwoord ‘ja’ of ‘nee’ persoonsvorm

onderwerp

rest

Woon Spreekt Hebben Komen Mag Kan

je u jullie Carlos en Juan ik ik

in Utrecht? Engels? een auto? uit Spanje? je iets vragen? u helpen?

11

Grammatica

Wat is het antwoord op de vraag? Maak goede combinaties. 1 2 3 4 5 6 7 8

12

Waar komt u vandaan? Hoe gaat het met je? Wat is jullie postcode? Woon je in Amsterdam? Kun je me helpen? Waar woon je? Wat is uw adres? Hebt u een legitimatiebewijs bij u?

a b c d e f g h

3819 CL. Ja hoor, dat kan. Maasstraat 30. In Amsterdam. Ja, mijn paspoort. Het gaat wel. Uit Amerika. Nee, in Utrecht.

Grammatica

Vul een vraagwoord in. Kies uit: Voorbeeld:

wie – wat – waar – hoe – wanneer – welke

Wat

_____________________

is je adres?

1 _____________________

bent u? 2 _____________________ komen jullie vandaan? 3 _____________________ heb je tijd? 4 In _____________________ straat woon je? 5 _____________________ is de docent? 6 _____________________ zijn de studenten? 7 _____________________ gaat het met je? 8 _____________________ is je telefoonnummer?

Stationsweg 50. Ik ben Peter Jansen. Uit Duitsland. Zaterdagmiddag om 14 uur. In de Nobelstraat. Mevrouw Meijer. In de kantine. Goed, en met jou? 030-2538991.

46 2 Persoonsgegevens

Van Start binnen 2020.indd 46

07-02-20 16:22


13

Spreken

Werk in tweetallen. A vraagt, B geeft kort antwoord. Kies uit:

ja – nee – een beetje 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Begrijp je Nederlands? Spreek je Nederlands? Spreek je goed Nederlands? Spreek je Engels? Heb je een auto? Kom je met de auto naar de cursus? Woon je hier in de straat? Heb je een fiets? Gaat het goed met je? Mag ik je telefoonnummer?

Herhaal de oefening. B vraagt, A geeft antwoord.

14

Spreken

Werk in tweetallen. Maak vijf vragen met een vraagwoord. Interview een andere cursist en schrijf de antwoorden op. Vragen

Antwoorden

1 Wie ____________________________________________________ ________________________________________________________

?

2 Waar __________________________________________________ ________________________________________________________

?

3 Wat ____________________________________________________ ________________________________________________________

?

4 Wanneer _____________________________________________ ________________________________________________________

?

5 Hoeveel ______________________________________________ ________________________________________________________

?

1 __________________________________________________________ _________________________________________________________

.

2 __________________________________________________________ _________________________________________________________

.

3 __________________________________________________________ _________________________________________________________

.

4 __________________________________________________________ _________________________________________________________

.

5 __________________________________________________________ _________________________________________________________

.

2 Persoonsgegevens 47

Van Start binnen 2020.indd 47

07-02-20 16:22


2B

Wilt u dit formulier invullen?

15

Luisteren en lezen

A Luister naar de dialogen en lees mee. Dialoog 1

Wilt u dit formulier invullen?

Rúben: Baliemedewerker: Rúben: Baliemedewerker: Rúben: Baliemedewerker: Rúben: Baliemedewerker:

Goedemorgen. Goedemorgen. Wat kan ik voor u doen? Ik wil me inschrijven bij de gemeente. Bent u Nederlander? Nee, ik kom uit Spanje. Oké. Hebt u een geldig identiteitsbewijs bij u? Ja, hier is mijn paspoort. Alstublieft. Dank u wel. Ik maak even een kopie van uw paspoort. Een momentje.

Baliemedewerker: Rúben: Baliemedewerker: Rúben:

Alstublieft, hier is uw paspoort terug. En hier is het aanvraagformulier. Wilt u dit formulier invullen? Ja, natuurlijk. En dan inleveren bij de receptie. Prima. Dank u wel.

48 2 Persoonsgegevens

Van Start binnen 2020.indd 48

07-02-20 16:22


Dialoog 2

O, nu begrijp ik het

Rúben:

Even kijken. Wat moet ik invullen? Eerst mijn naam: Rúben Gomera. Dan mijn adres: Fernandezlaan 42. Postcode: 3526 GW. Woonplaats: Utrecht. Mijn telefoonnummer is 06-46573814 en mijn geboortedatum is 15 augustus 1984. En dan ... ‘Burgerlijke staat’. Wat is dat? ‘Gehuwd, samenwonend of alleenstaand’? Oh ja, ‘gehuwd’, dat is: ‘getrouwd’. Nee, ik ben niet getrouwd, en ook niet samenwonend. Ik ben alleenstaand. Goed. Nu de datum. Het is vandaag 14 december 2014. En dan mijn handtekening.

Rúben: Baliemedewerker: Rúben: Baliemedewerker: Rúben: Baliemedewerker: Rúben:

Alstublieft, mijn formulier. Is het zo goed? Even kijken. Ja, prima. U krijgt binnen drie weken van ons een burgerservicenummer. Burgerservicenummer? Wat is dat? Dat is uw persoonlijke nummer. Met dat nummer kunt u zich inschrijven bij onze gemeente. Oké, ik begrijp het. Dank u wel. Graag gedaan, meneer. Tot ziens. Tot ziens.

2 Persoonsgegevens 49

Van Start binnen 2020.indd 49

07-02-20 16:22


B Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee en zeg na. Dialoog 1

Dialoog 2

Wat kan ik voor u doen? Ik wil me inschrijven (bij de gemeente). Hebt u een geldig identiteitsbewijs? Ja, hier is mijn paspoort. Ik maak even een kopie van (uw paspoort). Alstublieft, hier is uw paspoort terug. Hier is het aanvraagformulier. Wilt u dit formulier invullen? Ja, natuurlijk. En dan inleveren bij de receptie.

Even kijken. Wat moet ik invullen? Ik ben (niet) getrouwd. Ik ben (niet) samenwonend. Ik ben alleenstaand. Alstublieft, mijn formulier. Is het zo goed? Even kijken ... ja, prima. U krijgt binnen drie weken van ons een burgerservicenummer. Met dat nummer kunt u zich inschrijven bij onze gemeente. Oké, ik begrijp het. Dank u wel. Graag gedaan, meneer / mevrouw. Tot ziens.

16

Luisteren en lezen

Kies het goede antwoord.

Dialoog 1

1

Wat wil Rúben doen bij de gemeente? a Een aanvraagformulier ophalen. b Een paspoort aanvragen. c Zich inschrijven bij de gemeente.

2

Heeft Rúben een geldig identiteitsbewijs bij zich? a Ja, een rijbewijs. b Ja, een paspoort.

3

Wat moet Rúben doen met het aanvraagformulier? a Het formulier invullen en inleveren bij de receptie. b Het formulier thuis invullen en dan opsturen.

50 2 Persoonsgegevens

Van Start binnen 2020.indd 50

07-02-20 16:22


Dialoog 2

4

Wat vult Rúben in bij ‘Burgerlijke staat’? a gehuwd b alleenstaand c samenwonend

5

Wat krijgt Rúben binnen drie weken? a zijn inschrijving bij de gemeente b het ingevulde formulier c zijn burgerservicenummer

17

Woorden

Kies het goede woord. Voorbeeld:

Rúben moet een handtekening inschrijven / zetten. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

18

Goedemorgen, wat kan ik voor u maken / doen? Ik wil me inschrijven / invullen bij de gemeente. Bent u Nederland / Nederlander? Hebt u een identiteitsbewijs / aanvraagformulier bij u? Wilt u dit formulier invullen / inschrijven? Wat is uw postcode / geboortedatum? 21 juni 1995. Wat is uw burgerlijke staat? Ik ben getrouwd / Spanjaard. Bent u gehuwd? Nee, ik ben getrouwd / alleenstaand. Met uw burgerservicenummer kunt u zich invullen / inschrijven. Dank u wel. Goed / Graag gedaan.

Woorden

Vul in. Kies het goede woord. Kies uit:

alleenstaand – formulier – geboortedatum – gemeente – handtekening – identiteitsbewijs – inschrijven – kopie – krijgt 1

Ik wil me _____________________________ bij de gemeente. 2 Hebt u een geldig _____________________________ bij u? 3 Ik maak even een _____________________________ van uw paspoort. 4 Wilt u dit _____________________________ invullen? 5 Rúben moet zijn telefoonnummer en _____________________________ invullen. 6 Rúbens burgerlijke staat is: _____________________________ . 7 Rúben moet ook een _____________________________ zetten. 8 Hij _____________________________ binnen drie weken een burgerservicenummer. 9 Dan kan hij zich inschrijven bij de _____________________________ .

2 Persoonsgegevens 51

Van Start binnen 2020.indd 51

07-02-20 16:22


Taalhulp Persoonsgegevens vraag

antwoord

Wat is uw naam? Wat is uw adres? Wat is uw postcode? Wat is uw woonplaats? Wat is uw telefoonnummer? Wat is uw leeftijd? Hoe oud bent u? Wat is uw geboortedatum? Wat is uw burgerlijke staat?

Mijn naam is ... / Ik heet ... (Rúben Gomera). Mijn adres is ... (Fernandezlaan 42). Mijn postcode is ... (3526 GW). Mijn woonplaats is ... (Utrecht). Mijn telefoonnummer is ... (06-46573841). Ik ben … (30) jaar. Ik ben … (51) jaar. Mijn geboortedatum is ... (15 augustus 1984). Ik ben alleenstaand / gehuwd / samenwonend.

19

Taalhulp

Luisteren en lezen

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1 2 3 4 5 6 7 8

20

Wat is je naam? Wat is je adres? Wat is je postcode? Wat is je woonplaats? Wat is je telefoonnummer? Wat is je leeftijd? Wat is je geboortedatum? Wat is je burgerlijke staat?

Taalhulp

Vraag en antwoord

Werk in tweetallen. Cursist A vraagt, cursist B geeft antwoord. 1 2 3 4 5 6 7 8

Wat is je naam? Wat is je adres? Wat is je postcode? Wat is je woonplaats? Wat is je telefoonnummer? Wat is je leeftijd? Wat is je geboortedatum? Wat is je burgerlijke staat?

52 2 Persoonsgegevens

Van Start binnen 2020.indd 52

07-02-20 16:22


Taalhulp

Hoe spel je dat?

Luister eerst nog een keer naar het alfabet (thema 1, p. 33). vraag

antwoord

Wat is je voornaam? Hoe spel je dat?

Mijn voornaam is RĂşben. R-Ăş-b-e-n.

Wat is je achternaam? Hoe spel je dat?

Mijn achternaam is Gomera. G-o-m-e-r-a.

In welke straat woon je? Hoe spel je dat?

In de Fernandezlaan. F-e-r-n-a-n-d-e-z-l-a-a-n .

Wat is je woonplaats? Hoe spel je dat?

Mijn woonplaats is Utrecht. U-t-r-e-c-h-t.

2 Persoonsgegevens 53

Van Start binnen 2020.indd 53

07-02-20 16:22


21

Taalhulp

Spreken en schrijven

Werk in tweetallen. Lees het formulier. Cursist A vraagt naar de persoonsgegevens van cursist B. Gebruik de taalhulp Hoe spel je dat? Cursist B geeft antwoord. Cursist A vult de persoonsgegevens van cursist B in. Cursist B controleert het formulier.

Aanvraagformulier Burgerservicenummer

Gemeente Utrecht

Vul uw persoonsgegevens in en lever het formulier in bij de receptie. Vul ook de datum in en zet uw handtekening. Hartelijk dank. Voornaam: Achternaam: Adres: Postcode: Woonplaats: Geboortedatum: Burgerlijke staat:

datum (dd-mm-jjjj)

Handtekening:

54 2 Persoonsgegevens

Van Start binnen 2020.indd 54

07-02-20 16:22


Grammatica Persoonlijk voornaamwoord (pronomen) enkelvoud (singularis): 1 persoon onderwerp (subject)

lijdend voorwerp (object)

na voorzetsel (prepositie: met / voor / aan / in ...)

ik

me / mij Je belt me / mij.

met me / mij Je spreekt met me / mij.

je / jij

je / jou Ik bel je / jou.

met je / jou Ik spreek met je / jou.

u

u Hij belt u.

met u Hij spreekt met u.

hij

hem U belt hem.

met hem U spreekt met hem.

ze / zij

haar Hij belt haar.

met haar Hij spreekt met haar.

meervoud (pluralis): 2 of meer personen onderwerp (subject)

lijdend voorwerp (object)

na voorzetsel (prepositie: met / voor / aan / in ...)

we / wij

ons Jullie helpen ons.

voor ons Jullie doen iets voor ons.

jullie

jullie We helpen jullie.

voor jullie We doen iets voor jullie.

ze / zij

ze We helpen ze.

voor ze Jullie doen iets voor ze.

2 Persoonsgegevens 55

Van Start binnen 2020.indd 55

07-02-20 16:22


22

Grammatica

Kies het goede woord. Voorbeeld:

Wat kan ik voor jij / je doen? 1

Ik / Me kom een pakketje afhalen. 2 Wil jij / jou een keer met me oefenen? 3 Ik bel jij / je vanavond. 4 Goedemorgen meneer, wat kan ik voor u / uw doen? 5 Kan ik jij / jullie helpen? 6 Mag ik jou / jij iets vragen? 7 Even kijken. Wat moet ik / mij invullen? 8 Waar kunnen ik / wij het formulier inleveren? 9 Ik ga even voor jij / je kijken. 10 Meneer, kunt u wij / ons helpen?

23

Grammatica

Vul een persoonlijk voornaamwoord in. Voorbeeld:

Rúben gaat naar de gemeente. ______________ Hij wil zich inschrijven. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

De man bij de balie wil Rúben helpen. ______________ vraagt: ‘Bent u Nederlander?’ Rúben geeft antwoord. Hij zegt: ‘______________ kom uit Spanje.’ De man vraagt: ‘Hebt ___________ een geldig identiteitsbewijs bij u?’ Rúben pakt zijn paspoort. Hij geeft het aan ______________ . De man zegt. ‘______________ maak even een kopie van uw paspoort.’ Rúben wacht. Dan geeft hij het paspoort aan ______________ terug. De man pakt een formulier en geeft het formulier aan _____________ . Rúben neemt het formulier mee. ______________ vult het in. Dan gaat Rúben naar de receptie. ______________ geeft het formulier aan de man. De man zegt: ‘______________ krijgt binnen drie weken een burgerservicenummer.’

56 2 Persoonsgegevens

Van Start binnen 2020.indd 56

07-02-20 16:22


Grammatica Zinnen maken normale hoofdzin onderwerp = 1

persoonsvorm = 2

rest

Rúben

komt

uit Spanje.

Hij

spreekt

Spaans.

Zohreh

leert

Nederlands.

Ze

wil

met Marjon oefenen.

hoofdzin met inversie tijd / plaats = 1

persoonsvorm = 2

onderwerp = 3

rest

In Mexico

spreken

de mensen

ook Spaans.

Nu

woont

Rúben

in Nederland.

Vandaag

gaat

Rúben

naar de gemeente.

Zaterdag

oefent

Zohreh

met Marjon.

Let op:

De persoonsvorm staat op de tweede plaats in de hoofdzin!

24

Grammatica

Maak zinnen. Begin met het onderstreepte woord. Voorbeeld:

/ niet / Nederlands / moeilijk / is /. Nederlands is niet moeilijk. 1 /

Ik / Nederlander / ben /.

________________________________________________________________________________________________________

2

/ uit Frankrijk / Hij / komt /.

________________________________________________________________________________________________________

3

/ in Nederland / wonen / We /.

________________________________________________________________________________________________________

4 /

Peter / niet op woensdag / werkt /.

________________________________________________________________________________________________________

5

/ thuis / maak / mijn huiswerk / Ik /.

________________________________________________________________________________________________________

2 Persoonsgegevens 57

Van Start binnen 2020.indd 57

07-02-20 16:22


25

Grammatica

Maak zinnen. Begin met het onderstreepte woord. Gebruik inversie. Voorbeeld:

/ Nederlandse les / Vandaag / ik / heb /.

Vandaag heb ik Nederlandse les. 1 /

26

In de pauze / de cursisten / Nederlands / praten /.

________________________________________________________________________________________________________

2

een cursus / zij / volgt / Op maandag /.

________________________________________________________________________________________________________

3

/ naar Amsterdam / veel toeristen / komen / In de zomer /.

________________________________________________________________________________________________________

4

/ werkt / In het weekend / zij / in de supermarkt /.

________________________________________________________________________________________________________

5

/ wonen / In Utrecht / veel studenten /.

________________________________________________________________________________________________________

Grammatica

Werk in tweetallen. Lees de vraag en geef antwoord. Gebruik inversie. Voorbeeld:

Cursist A: Wat doe je vanavond? Cursist B: Vanavond ______________________________________________________________________________ ga ik naar de film . 1

Wat eet je vanavond? Vanavond ________________________________________________________________________________________ . 2

3

4

5

6

Waar maak jij huiswerk? In de bibliotheek _____________________________________________________________________________ . Wanneer begint de cursus Nederlands? Op 3 september _______________________________________________________________________________ . Hoeveel kopjes koffie drink jij op het werk? Op het werk ____________________________________________________________________________________ . Waar heb je Nederlandse les? In Utrecht _______________________________________________________________________________________ . Wanneer ga je op vakantie naar Frankrijk? In augustus ____________________________________________________________________________________ .

58 2 Persoonsgegevens

Van Start binnen 2020.indd 58

07-02-20 16:22


7

8

9

10

27

Op welke dagen heb je les? Op maandag en donderdag _____________________________________ . Op welke dagen ben je vrij? Op dinsdag en woensdag _______________________________________ . In welke landen spreken de mensen Portugees? In Portugal en BraziliĂŤ _________________________________________ . Wat doe je nu? Nu _________________________________________________________ .

Grammatica

Maak de zinnen af. Voorbeeld:

Morgen ________________________________________________________ ga ik naar de markt . 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Op dinsdag en donderdag _____________________________________ . In Amsterdam _______________________________________________ . In de zomer _________________________________________________ . Mag ik _____________________________________________________ ? Wat ________________________________________________________ ? Waar _______________________________________________________ ? In Frankrijk _________________________________________________ . Vanavond ___________________________________________________ . Wanneer ____________________________________________________ ? Op zaterdagavond ____________________________________________ .

2 Persoonsgegevens 59

Van Start binnen 2020.indd 59

07-02-20 16:22


Woordenlijst Thema 2 aanvraagformulier (het), -formulieren _________________________________ adres (het), adressen _________________________________ afhaalbewijs (het), afhaalbewijzen _________________________________ afhalen _________________________________ alleenstaand _________________________________ alstublieft _________________________________ alvast _________________________________ auto (de), auto’s _________________________________ bedankt _________________________________ begrijp (begrijpen) _________________________________ bij _________________________________ binnen (binnen drie weken) _________________________________ boek (het), boeken _________________________________ brengen (naar) _________________________________ burgerlijke staat (de) _________________________________ burgerservicenummer (het), -nummers _________________________________ buurt (de), buurten _________________________________ centrum (het), centrums / centra _________________________________ cursist (de), cursisten _________________________________ cursusboek (het), cursusboeken _________________________________ dan _________________________________ doen _________________________________ Duitsland _________________________________ dus _________________________________ een _________________________________ eerst _________________________________ even _________________________________ fiets (de), fietsen _________________________________ formulier (het), formulieren _________________________________ ga (gaan) _________________________________ geboortedatum (de), geboortedatums _________________________________ gedaan (doen) _________________________________ gehuwd _________________________________ geldig _________________________________ gemeente (de), gemeenten _________________________________

getal (het), getallen _________________________________ getrouwd _________________________________ goedemiddag _________________________________ graag _________________________________ haar … _________________________________ handtekening (de), handtekeningen _________________________________ hebben _________________________________ hebt (hebben) _________________________________ heer (de), heren _________________________________ hier _________________________________ huis (het), huizen _________________________________ huiswerk (het) _________________________________ hun … _________________________________ identiteitsbewijs (het), -bewijzen _________________________________ ingevuld _________________________________ inschrijven (zich) _________________________________ inschrijving (de), inschrijvingen _________________________________ invullen _________________________________ jouw … _________________________________ jullie … _________________________________ kamer (de), kamers _________________________________ kan (kunnen) _________________________________ kantine (de), kantines _________________________________ keer (de) _________________________________ kijken _________________________________ kopie (de), kopieën _________________________________ krijgt (krijgen) _________________________________ kunnen _________________________________ legitimatiebewijs (het), -bewijzen _________________________________ ligt (liggen) _________________________________ luisteren _________________________________ maar _________________________________ maken _________________________________ makkelijk _________________________________ meer _________________________________ meneer (de) _________________________________ mobiele _________________________________ moeilijk _________________________________ moet (moeten) _________________________________ momentje _________________________________ Nederlander (de), Nederlanders _________________________________

60 2 Persoonsgegevens

Van Start binnen 2020.indd 60

07-02-20 16:22


nieuwe _________________________________ nodig _________________________________ nodig hebben _________________________________ noteer (noteren) _________________________________ noteren _________________________________ nummer (het), nummers _________________________________ oefenen _________________________________ om _________________________________ ons (Kunt u ons helpen?) _________________________________ ons … _________________________________ onze … _________________________________ orde (in orde) _________________________________ pakketje (het), pakketjes _________________________________ pakt (pakken) _________________________________ paspoort (het), paspoorten _________________________________ persoonlijke _________________________________ persoonsgegevens _________________________________ postcode (de), postcodes _________________________________ receptie (de), recepties _________________________________ rijbewijs (het), rijbewijzen _________________________________ samenwonend _________________________________ school (de), scholen _________________________________ slecht _________________________________

spreken telefoonnummer (het), -nummers terugkomen thuis tijd (de), tijden uur (het), uren uw … vanavond veel versturen voor vriend (de), vrienden wachten wanneer? we week (de), weken weer woonplaats (de), woonplaatsen zaterdag (de), zaterdagen zaterdagmiddag (de), -middagen zeg (zeggen) zetten zien ziens (tot ziens) zijn … (Zijn naam is Peter.)

_________________________________

_________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________

_________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________

_________________________________

_________________________________

_________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________

_________________________________

2 Persoonsgegevens 61

Van Start binnen 2020.indd 61

07-02-20 16:22


3

Familie en relaties

62

Van Start binnen 2020.indd 62

07-02-20 16:22


3A

Hoeveel broers of zussen heb jij?

1

Luisteren en lezen

A Luister naar de teksten. Lees mee. fragment 1 Jean

Ik ben Jean en ik kom uit Frankrijk. Sinds 2006 woon ik met mijn gezin in Utrecht. Ik ben getrouwd met mijn vrouw, Sofie. In 2010 is onze zoon, Mathieu, geboren en twee jaar later onze dochter, Aurelie. Onze kinderen vinden het leuk in Nederland, maar ze missen de familie in Frankrijk, vooral hun opa’s en oma’s. Ik heb twee broers en een zus. Zij wonen in Parijs. Af en toe komen ze ons bezoeken. Ik werk als kok in een restaurant in Utrecht.

fragment 2 Sofie

Ik heet Sofie. Mijn man en ik wonen met onze kinderen in Utrecht. We wonen hier nu vier jaar. Ik mis Frankrijk wel, maar we hebben al een paar goede vrienden en kennissen in Nederland. We hebben nog contact met medecursisten van onze cursus Nederlands. Ook heb ik vrienden bij mijn volleybalclub. Marie is mijn beste vriendin. Ik ken haar van volleybal. We zien elkaar elke week en we bellen elkaar vaak. Dan praten we over van alles. Ik werk bij een taleninstituut in Utrecht als docent Frans. Het werk is heel leuk. Veel Nederlanders willen Frans leren voor hun vakantie. Op mijn werk heb ik drie collega’s. Ze zijn heel aardig. We werken veel samen.

cours de francçais

fragment 3 Marie

Ik ben Marie. Ik ben 34 jaar. Ik woon in Utrecht en werk in Amsterdam. Ik was vijf jaar getrouwd met Peter, maar we zijn vorig jaar gescheiden. Nu wil ik graag weer een relatie, maar ik zoek nog naar de ideale man! Ik heb aardige buren, en veel goede vrienden en kennissen. Mijn beste vriendin heet Sofie. We kennen elkaar van de volleybalclub. We doen veel samen. Sinds 2005 werk ik als manager bij de toeristeninformatie in Amsterdam. Ik ben manager van een team met acht medewerkers. Mijn werk is interessant, maar het is een drukke baan.

3 Familie en relaties 63

Van Start binnen 2020.indd 63

07-02-20 16:22


B Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee en zeg na. Fragment 1 Sinds (2006) woon ik met mijn gezin in Utrecht. Ik ben getrouwd. In (2010) is onze zoon geboren. Onze kinderen vinden het leuk in Nederland. Ze missen de familie. Ik heb twee broers en een zus. Af en toe komen ze ons bezoeken.

Fragment 2 We hebben al een paar goede vrienden en kennissen in Nederland. We hebben contact met medecursisten. (Marie) is mijn beste vriendin. Ik ken haar van volleybal. We zien elkaar elke week. We praten over van alles. Ik werk als docent Frans. Het werk is heel leuk. Ik heb drie collega’s. Ze zijn heel aardig. We werken veel samen.

Fragment 3 We zijn gescheiden. Ik wil graag weer een relatie. Ik zoek nog naar de ideale man. We kennen elkaar van de volleybalclub. We doen veel samen. Ik ben manager van een team met acht medewerkers. Mijn werk is interessant, maar het is een drukke baan.

2

Luisteren en lezen

Waar of niet waar? Kruis aan. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Mathieu is de zoon van Jean en Sofie. Marie is getrouwd met Peter. Sofie heeft vijf collega’s. Aurelie is in 2012 geboren. Marie is een collega van Sofie. Sofie mist Frankrijk. Aurelie is de zus van Mathieu. Jean komt uit een gezin met vier kinderen. Marie woont en werkt in Utrecht. Sofie en Marie spelen volleybal.

waar waar waar waar waar waar waar waar waar waar

niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar

64 3 Familie en relaties

Van Start binnen 2020.indd 64

07-02-20 16:22


3

Woorden

Kies het goede woord. Voorbeeld:

Marie is een vriend / vriendin van Sofie. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

4

We zijn 25 jaar gelukkig getrouwd / gescheiden. Hij vindt zijn werk heel aardig / leuk. Ze heeft veel contact / relatie met de buren. Hij zoekt een nieuwe baan. Hij vindt zijn werk niet meer interessant / druk. Ik werk bij / om een taleninstituut. We zien elkaar elke week. We hebben af en toe / veel contact met elkaar. Hij is getrouwd aan / met Anna. Ik zoek een nieuwe baan / werk. Het taleninstituut heeft twintig collega’s / medewerkers. Zij kennen elkaar / samen al lang.

Woorden

Vul in. Kies het goede woord. Kies uit:

Voorbeeld:

belangrijk – beste – buren – collega – drukke – elkaar – geboren – getrouwd – ken – vrienden – vriendin

Zij is mijn beste _____________________________ vriendin . 1

Hij vindt zijn werk leuk, maar zijn gezin is heel _____________________________ voor hem. 2 Ze heeft een _____________________________ baan. Ze heeft nooit tijd voor haar vrienden. 3 We hebben veel problemen met de _____________________________ . Ze hebben vaak harde muziek aan. 4 Johan is mijn _____________________________ vriend. We doen veel samen. 5 Ik _____________________________ hem al tien jaar. Hij is mijn beste vriend. 6 We zijn _____________________________ voor het leven! 7 Mijn zoon en dochter zijn in Nederland _____________________________ . 8 Ze zijn in Las Vegas _________________________ , maar een jaar later al gescheiden. 9 Mijn _____________________________ is ziek, dus ik werk vandaag voor hem. 10 Peter en Karel zijn goede vrienden. Ze kennen _____________________________ al lang.

3 Familie en relaties 65

Van Start binnen 2020.indd 65

07-02-20 16:22


Taalhulp Familie Maarten x Liselot

Tom x Inge

Jan x Mirjam

Frank

Annet

Joost x Yvonne

Thijs x Marjolein

Esther x Vincent

Judith

Simon

Irene x Paul

Silvia

Timo

Irene is de vrouw (echtgenote) van Paul. Paul is de man (echtgenoot) van Irene. Paul en Irene zijn getrouwd. Silvia is de dochter van Irene. Timo is de zoon van Irene. Joost is de vader van Irene. Yvonne is de moeder van Irene. Tom is de opa (grootvader) van Irene. Inge is de oma (grootmoeder) van Irene. Maarten is de overgrootvader van Irene. Liselot is de overgrootmoeder van Irene. Mirjam is de tante van Irene. Jan is de oom van Irene. Annet is de nicht van Irene. Frank is de neef van Irene. Esther is de zus van Irene. Vincent is de zwager van Irene. Simon is het neefje van Irene. Judith is het nichtje van Irene. Thijs is de broer van Irene. Marjolein is de schoonzus van Irene.

66 3 Familie en relaties

Van Start binnen 2020.indd 66

07-02-20 16:22


5

Taalhulp

Luisteren en lezen

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16

6

Yvonne is de vrouw van Joost. Joost is de man van Yvonne. Joost is de vader van Thijs. Thijs is de zoon van Joost. Yvonne is de moeder van Irene. Irene is de dochter van Yvonne. Joost is de opa van Simon. Simon is de kleinzoon van Joost. Yvonne is de oma van Judith. Judith is de kleindochter van Yvonne. Esther is de tante van Timo. Timo is het neefje van Esther. Vincent is de oom van Silvia. Silvia is het nichtje van Vincent. Timo is de broer van Silvia. Silvia is de zus van Timo.

Taalhulp

Spreken

Werk in tweetallen. Stel vragen over de familie van Simone. Voorbeeld:

Cursist A: Wie is Bas? Cursist B: Bas is de broer van Simone en de zoon van Martijn en Julia.

Martijn x Julia

Bas x Laura

Thomas x Farida

Jan

Hugo

Simone x Martin

Maria x Bruce

Peter

Thijs

Lyanne

3 Familie en relaties 67

Van Start binnen 2020.indd 67

07-02-20 16:22


7

Taalhulp

Spreken en schrijven

Werk in tweetallen. Cursist A vertelt over zijn familie aan cursist B. Cursist B luistert en tekent de stamboom van de familie van cursist A.

8

Taalhulp

Spreken en schrijven

Werk in tweetallen. Cursist A en cursist B krijgen informatie van de docent. De informatie is niet compleet. Vraag de informatie aan je medecursist en vul in. Stel de volgende vragen: 1 2 3 4 5

Is hij / zij getrouwd? Zo ja, met wie is hij / zij getrouwd? Heeft hij / zij kinderen? Zo ja, hoeveel kinderen heeft hij / zij? Hoeveel broers of zussen heeft hij / zij? Wie is zijn / haar beste vriend(in)? Wat voor werk doet hij / zij?

68 3 Familie en relaties

Van Start binnen 2020.indd 68

07-02-20 16:22


Stel dezelfde vragen nu direct aan je medecursist: 1 2 3 4 5

Ben je getrouwd? Zo ja, met wie ben je getrouwd? Heb je kinderen? Zo ja, hoeveel kinderen heb je? Hoeveel broers of zussen heb je? Wie is je beste vriend(in)? Wat voor werk doe je?

Heb je alle informatie compleet? Vertel dan over Peter, Anne, Albert, Julia en je medecursist aan de andere cursisten in de klas.

Grammatica Zelfstandig naamwoord, enkelvoud – meervoud (substantief, singularis – pluralis) klinkers (vocalen):

a–e–i–o –u–y

medeklinkers (consonanten):

b–c–d–f–g–h–j–k–l–m–n–p–q–r–s–t –v–w–x–z

Laatste letter een medeklinker? → meervoud met -en: cursus – cursussen pen – pennen les – lessen man – mannen naam – namen school – scholen week – weken dialoog – dialogen boek – boeken vrouw – vrouwen formulier – formulieren deur – deuren docent – docenten land – landen antwoord – antwoorden plaats – plaatsen

! Aan het eind van het woord één klinker en één medeklinker? → meervoud met een dubbele medeklinker.

! Aan het eind van het woord een dubbele klin-

ker en één medeklinker? → meervoud met één klinker.

! Aan het eind van het woord twee verschillende klinkers en één medeklinker? → meervoud met -en.

! Aan het eind van het woord twee verschillende medeklinkers? → meervoud met -en.

spelling: ! Speciale huis – huizen brief – brieven

3 Familie en relaties 69

Van Start binnen 2020.indd 69

07-02-20 16:22


Laatste letter een klinker? → meervoud met ’s:

! Let op!

foto – foto’s taxi – taxi’s paraplu – paraplu’s oma – oma’s baby – baby’s

Laatste letter een -e of een -é? → meervoud met -s:

postcode – postcodes café – cafés

Aan het eind van het woord -er, -en, -em of -el? → meervoud met -s:

! Korte woorden? → meervoud met -en:

computer – computers jongen – jongens bezem – bezems tafel – tafels

9

pen – pennen

Grammatica

Schrijf de woorden tussen haakjes in het meervoud. Voorbeeld:

(week) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

10

Peter gaat twee _____________________________ weken op vakantie.

(probleem) Hij heeft altijd _____________________________ met zijn computer. (cursist) Veel _____________________________ hebben vragen over het huiswerk. (oefening) De student maakt drie _____________________________ in het boek. (vraag) Heb je _____________________________ over het huiswerk? (docent) Ze hebben twee _____________________________ , Jan en Sofie. (vriend) Ze heeft al een paar _____________________________ in Nederland. (man) In de cursus zitten veel _____________________________ . (baan) Zij heeft twee _____________________________ . (toerist) In Amsterdam komen veel _____________________________ . (taal) Hij spreekt drie _____________________________ .

Grammatica

Schrijf de woorden tussen haakjes in het meervoud. Voorbeeld:

(pagina)

Thema 1 heeft dertig _____________________________ pagina’s .

1

Zij hebben twee _____________________________ . Goedemiddag, ik kom twee _____________________________ afhalen. In de docentenkamer staan zes _____________________________ . Met Sinterklaas krijgen de kinderen chocolade_____________________________ .

(auto) 2 (pakketje) 3 (computer) 4 (letter)

70 3 Familie en relaties

Van Start binnen 2020.indd 70

07-02-20 16:22


5 6 7 9 9 10

11

(meisje) (collega) (café) (garage) (appel) (horloge)

Op straat spelen drie _____________________________ . Ik werk hier samen met vijf _____________________________ . In Amsterdam zijn veel gezellige _____________________________ . Wij hebben een groot huis met twee _____________________________ . Hij vindt _____________________________ lekker. Zij heeft twee _____________________________ , een zwart en een rood.

Grammatica

Schrijf de familiewoorden in het meervoud. Voorbeeld:

neefje

– _____________________________ neefjes

1

dochter – _____________________________ 2 tante – _____________________________ 3 nicht – _____________________________ 4 vader – _____________________________ 5 nichtje – _____________________________

12

6

zwager – _____________________________ 7 zus – _____________________________ 8 opa – _____________________________ 9 moeder – _____________________________ 10 oma – _____________________________

Grammatica

Werk in tweetallen. Kijk naar de stamboom van Irene (p. 66). Stel vragen met het woord ‘hoeveel’. Voorbeeld:

Hoeveel zussen heeft Irene? Irene heeft één zus.

Grammatica Lidwoorden (de, het, een) (artikel) enkelvoud (singularis)

meervoud (pluralis)

bepaald (bekend)

de cursus het meisje

de cursussen de meisjes

onbepaald (onbekend)

een cursus een meisje

cursussen meisjes

3 Familie en relaties 71

Van Start binnen 2020.indd 71

07-02-20 16:22


13

Grammatica

Kijk in je woordenboek. Schrijf het lidwoord voor de woorden. Schrijf ook het meervoud op. Voorbeeld:

_____________ de

1 __________

tas fiets __________ boek __________ auto __________ café __________ huis

2 __________ 3 4 5 6

– – – – – –

pen – de _________________________ pennen

de _________________________ de _________________________ de _________________________ de _________________________ de _________________________ de _________________________

7 8 9 10 11 12

tafel stoel __________ kopje __________ klok __________ bed __________ collega __________ __________

– – – – – –

de _________________________ de _________________________ de _________________________ de _________________________ de _________________________ de _________________________

Taalhulp Dagen, dagdelen, kloktijden, maanden, seizoenen Dagen en dagdelen maandag

maandagochtend

maandagmiddag

maandagavond

dinsdag

dinsdagochtend

dinsdagmiddag

dinsdagavond

woensdag

woensdagochtend

woensdagmiddag

woensdagavond

donderdag

donderdagochtend

donderdagmiddag

donderdagavond

vrijdag

vrijdagochtend

vrijdagmiddag

vrijdagavond

zaterdag

zaterdagochtend

zaterdagmiddag

zaterdagavond

zondag

zondagochtend

zondagmiddag

zondagavond

vanochtend

vanmiddag

vanavond

’s ochtends

’s middags

’s avonds

goedemorgen!

goedemiddag!

goedenavond!

Op welke dagen heb je les?

Op maandag en op donderdag.

72 3 Familie en relaties

Van Start binnen 2020.indd 72

07-02-20 16:22


Kloktijden Hoe laat is het?

8.00 8.05 8.10 8.15 8.20 8.25 8.30 8.35 8.40 8.45 8.50 8.55 9.00

9.00 Het is negen uur. 9.15 Het is kwart over negen. 9.30 Het is half tien. Hoe laat is het? 9.45 Het is kwart voor tien.

Het is acht uur. Het is vijf over acht. Het is tien over acht. Het is kwart over acht. Het is tien voor half negen. Het is vijf voor half negen. Het is half negen. Het is vijf over half negen. Het is tien over half negen. Het is kwart voor negen. Het is tien voor negen. Het is vijf voor negen. Het is negen uur.

Hoe laat begint de les?

Om negen uur.

Wat zijn de openingstijden van de bibliotheek?

De bibliotheek is open van tien uur tot half zes.

Maanden, seizoenen maanden januari februari maart april

september oktober november december

mei juni juli augustus

seizoenen de winter

de lente (het voorjaar)

de zomer

In welke maand heb je vakantie?

In juli.

Wanneer gaan jullie trouwen?

Op 23 augustus.

Wanneer ga je je familie bezoeken?

In de zomer.

de herfst (het najaar)

3 Familie en relaties 73

Van Start binnen 2020.indd 73

07-02-20 16:22


14

Taalhulp

Luisteren en lezen

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

15

Hoe laat is het? Het is negen uur. Ik heb les op maandag en op woensdag. Hij gaat dinsdagavond naar de sportschool. De les begint om kwart over drie. De les is om vijf uur afgelopen. De bibliotheek is open van negen tot vijf. Zij heeft vakantie in augustus. We gaan op 12 juli trouwen. Ik ga in de lente naar mijn land.

Taalhulp

Luisteren en schrijven

Luister naar de kloktijden. Hoe laat is het? 1 _____________________________________________

. . 3 _____________________________________________ . 4 _____________________________________________ . 5 _____________________________________________ . 2 _____________________________________________

16

Taalhulp

6 _____________________________________________

. . 8 _____________________________________________ . 9 _____________________________________________ . 10 _____________________________________________ . 7 _____________________________________________

Spreken en schrijven

Kijk naar de klok. Zeg hoe laat het is. 1

Het is __________________________________________________________________________ .

2

Het is __________________________________________________________________________ .

3

Het is __________________________________________________________________________ .

74 3 Familie en relaties

Van Start binnen 2020.indd 74

07-02-20 16:22


17

4

Het is __________________________________________________________________________ .

5

Het is __________________________________________________________________________ .

6

Het is __________________________________________________________________________ .

7

Het is __________________________________________________________________________ .

8

Het is __________________________________________________________________________ .

9

Het is __________________________________________________________________________ .

10

Het is __________________________________________________________________________ .

Taalhulp

Spreken en schrijven

Kijk naar de klok. Zeg hoe laat het is. 1

Het is __________________________________________________________________________ .

2

Het is __________________________________________________________________________ .

3

Het is __________________________________________________________________________ .

4

Het is __________________________________________________________________________ .

3 Familie en relaties 75

Van Start binnen 2020.indd 75

07-02-20 16:22


18

5

Het is __________________________________________________________________________ .

6

Het is __________________________________________________________________________ .

7

Het is __________________________________________________________________________ .

8

Het is __________________________________________________________________________ .

9

Het is __________________________________________________________________________ .

10

Het is __________________________________________________________________________ .

Taalhulp

Spreken

Werk in tweetallen. Beantwoord de vragen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Wanneer ga je op vakantie? Hoe laat begint de les? Op welke dagen werk / studeer je? Van hoe laat tot hoe laat werk / studeer je? Wat is je geboortedatum? Neem je ’s ochtends of ’s avonds een douche? Welk seizoen vind je mooi? Wanneer heb je een afspraak met de dokter? Wanneer is de cursus afgelopen? Hoe laat ga je naar de cursus?

76 3 Familie en relaties

Van Start binnen 2020.indd 76

07-02-20 16:22


19

Taalhulp

Schrijven

Peter heeft een dag vrij. Schrijf naast de plaatjes wat hij vandaag doet. Begin de zin met de kloktijd en gebruik inversie. Voorbeeld: 07.30 uur

________________________________________________________________________________________________ Om half acht neemt hij een douche

.

08.00 uur

1 ___________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________

.

08.30 uur

2 ___________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________

.

09.15 uur

3 ___________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________

.

10.00 uur

4 ___________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________

.

3 Familie en relaties 77

Van Start binnen 2020.indd 77

07-02-20 16:22


11.45 uur 5 ___________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________

.

12.15 uur 6 ___________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________

.

14.45 uur 7 ___________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________

.

17.30 uur 8 ___________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________

.

18.15 uur 9 ___________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________

.

20.00 uur 10 ___________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________

.

78 3 Familie en relaties

Van Start binnen 2020.indd 78

07-02-20 16:22


20

Luisteren

Luister naar Laura. Ze werkt als docent Nederlands bij Taleninstituut Contact. Ze vertelt over zichzelf en over vier collega’s. Maak de informatie in de tabel compleet. naam

Laura

Esther

Simon

Vincent

Sofie

functie

docent Nederlands

secretaresse

schoonmaker

kantinemedewerker

docent Frans

woonplaats

Amsterdam

vervoer naar werk

de fiets

reistijd

10 minuten

werkdagen

maandag, woensdag en vrijdag

werktijd

21

van 10.00 tot 14.30 uur

Spreken

Werk in tweetallen. Praat over Laura, Esther, Simon, Vincent en Sofie van oefening 20. Beantwoord de volgende vragen: 1 2 3 4 5 6

Wat is haar / zijn functie bij Taleninstituut Contact? Waar woont ze / hij? Hoe gaat ze / hij naar het werk? Hoeveel reistijd heeft ze / hij? Op welke dagen werkt ze / hij? Van hoe laat tot hoe laat werkt ze / hij?

3 Familie en relaties 79

Van Start binnen 2020.indd 79

07-02-20 16:22


3B

Zullen we iets afspreken?

22

Luisteren en lezen

A Luister naar de dialoog en lees mee. Dialoog

Marie belt Sofie op; ze maken een afspraak

Sofie: Marie: Sofie: Marie: Sofie: Marie: Sofie: Marie: Sofie: Marie: Sofie: Marie: Sofie: Marie: Sofie: Marie: Sofie: Marie:

Hallo, met Sofie. Hoi, Sofie, je spreekt met Marie. Ha, Marie, leuk dat je belt. Hoe gaat het? Prima, en met jou? Nou, gaat wel, het is zo druk op mijn werk! Ik moet hard werken. Ja, ik ook. Zeg, Sofie, zullen we weer iets afspreken? Ja, leuk. Dat is een tijdje geleden. Wat zullen we doen? Ik wil wel naar de bioscoop, naar de nieuwe film van Woody Allen. Ja, goed idee. Wanneer kan jij? Ik kan vrijdagavond, en jij? Nee, dan kan ik niet. We krijgen vrijdagavond bezoek. Ik kan wel op zaterdagavond, en jij? Even in mijn agenda kijken ‌ Nee, helaas, dan heb ik geen tijd. Ik ga naar de verjaardag van een collega. Zondagmiddag dan? Ja, dat kan. Dan gaan we eerst naar de film, en daarna iets drinken, goed? Ja, gezellig. Hoe laat en waar spreken we af? Om drie uur bij bioscoop Studio? Ja, prima, doen we. Tot zondag. Ja, tot dan.

80 3 Familie en relaties

Van Start binnen 2020.indd 80

07-02-20 16:22


B Luister naar de zinnen uit de dialoog. Lees mee en zeg na. Leuk dat je belt. Het is zo druk op mijn werk! Ik moet hard werken. Zullen we (weer) iets afspreken? Ja, leuk. Dat is een tijdje geleden. Wat zullen we doen? Ik wil wel naar (de bioscoop). Wanneer kan jij? Ik kan (vrijdagavond), en jij? Nee, dan kan ik niet. Ik kan wel op (zaterdagavond), en jij?

23

Even in mijn agenda kijken. Nee, helaas, dan heb ik geen tijd. (Zondagmiddag) dan? Ja, dat kan. Dan gaan we eerst (naar de film), en daarna (iets drinken), goed? Ja, gezellig! Hoe laat en waar spreken we af? Om (drie uur) bij (bioscoop Studio)? Ja, doen we. Tot (zondag). Ja, tot dan.

Spreken

Geef kort antwoord op de vragen. 1

Waarom belt Marie Sofie? ________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________

2

Wat willen Marie en Sofie komend weekend doen? ________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________

3

Waarom kan Sofie niet op vrijdagavond? ________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________

4

Waarom kan Marie niet op zaterdagavond? ________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________

5

Wanneer en waar spreken ze af? ________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________

3 Familie en relaties 81

Van Start binnen 2020.indd 81

07-02-20 16:22


24

Woorden

Vul in. Kies het goede woord. Kies uit:

Voorbeeld:

afspreken – agenda – daarna – druk – geen – helaas – hoe – idee – kan – moet – om

Kan jij zaterdag? Nee, _____________________________ helaas , dan heb ik geen tijd. 1

Het is zo _____________________________ op mijn werk! Zullen we iets _____________________________ ? 3 Zullen we iets gaan drinken? Ja, goed _____________________________ . 4 Eerst gaan we naar de film en _____________________________ iets drinken. 5 Ik _____________________________ op vrijdag, en jij? 6 Even in mijn _____________________________ kijken. 7 Nee, helaas, op vrijdag heb ik _____________________________ tijd. 8 Ik _____________________________ hard studeren. Ik kan wel op zaterdag. 9 Ik ook. Waar spreken we af, en _____________________________ laat? 10 _____________________________ acht uur bij bioscoop Cinema. 2

Taalhulp

Een afspraak maken persoon A

persoon B

Zullen we iets afspreken?

Ja, leuk.

Zullen we weer eens iets afspreken?

Ja, leuk, dat is een tijdje geleden. Wat zullen we doen?

Ik wil wel naar (de film).

Ja, goed idee!

Zullen we iets gaan drinken?

Ja, gezellig.

Ik kan zondag, en jij?

Even in mijn agenda kijken. Nee, dan kan ik niet. Ik kan wel op zaterdag, en jij?

Nee, helaas, dan heb ik geen tijd.

Vrijdag dan?

Ja, dat kan. Dan gaan we eerst (iets drinken), en dan (naar de film), goed?

Ja, gezellig.

Hoe laat en waar spreken we af?

Om 20.00 uur in café Boslust? Om 21.00 uur bij de bioscoop?

Ja, prima, doen we. Tot vrijdag.

Ja, tot dan.

82 3 Familie en relaties

Van Start binnen 2020.indd 82

07-02-20 16:22


25

Taalhulp

Luisteren en lezen

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1 2 3 4 5 1 6 7 8 9 10 11 12 13 14

26

Zullen we weer iets afspreken? Ja, leuk, dat is een tijdje geleden. Wat zullen we doen? Ik wil wel iets gaan drinken. Ja, goed idee, wanneer kan jij? Ik kan op zaterdagavond, en jij? Even in mijn agenda kijken. Nee, helaas, dan kan ik niet. Kan jij op woensdagavond? Nee, dan heb ik geen tijd. Ik kan wel op zondag, en jij? Ja, dat kan. Hoe laat en waar spreken we af? Om 16.00 uur in café de Zaak? Ja, prima, doen we. Tot dan.

Taalhulp

Spreken

Werk in tweetallen en maak nu zelf afspraken. Gebruik de zinnen van de taalhulp en de informatie hieronder. Wat gaan jullie doen?

Wanneer?

Hoe laat?

Waar?

naar de film

zaterdagavond

20.30

in bioscoop Studio

iets drinken

donderdagavond

21.00

bij café België

naar de discotheek

vrijdagavond

23.00

in danceclub Groove

Italiaans eten

woensdagavond

19.30

bij pizzeria Roma

naar een pianoconcert

zondagmiddag

14.30

in het muziekcentrum

lunchen

dinsdagmiddag

12.30

bij lunchroom Pieters

wandelen

zondag

10.00

in het park

(bedenk hier zelf iets)

?

?

?

3 Familie en relaties 83

Van Start binnen 2020.indd 83

07-02-20 16:22


Grammatica Ontkenning (niet / geen) (negatie) Zinnen met niet Werk je? Studeren jullie?

Nee, ik werk niet. Nee, wij studeren niet.

Werk je in Utrecht? Studeren jullie in Amsterdam?

Nee, ik werk niet in Utrecht. Nee, wij studeren niet in Amsterdam.

Werk je hard? Spreken jullie goed Nederlands?

Nee, ik werk niet hard. Nee, wij spreken niet goed Nederlands.

Zinnen met geen Heb je een auto? Spreek je Chinees? Hebben jullie kinderen?

27

Nee, ik heb geen auto. Nee, ik spreek geen Chinees. Nee, wij hebben geen kinderen.

Grammatica

Vul in: niet of geen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Tennis je? Woont u in Utrecht? Spreek je Spaans? Spreek je goed Spaans? Hebben jullie een kat? Is jullie huis groot? Kom jij uit Nederland? Hebt u een fiets? Gaan jullie naar de markt? Heb je broers en zussen?

Nee, ik tennis _______________________ . Nee, ik woon _______________________ in Utrecht. Nee, ik spreek _______________________ Spaans. Nee, ik spreek _______________________ goed Spaans. Nee, wij hebben _______________________ kat. Nee, ons huis is _______________________ groot. Nee, ik kom _______________________ uit Nederland. Nee, ik heb _______________________ fiets. Nee, wij gaan ______________________ naar de markt. Nee, ik heb _____________________ broers en zussen.

84 3 Familie en relaties

Van Start binnen 2020.indd 84

07-02-20 16:22


28

Grammatica en spreken

Werk in tweetallen: Persoon A vraagt, persoon B geeft antwoord met Ja, … of Nee, … Bij antwoord Ja: Kies uit:

Ja, inderdaad. – Ja, dat klopt. – Jazeker! – Ja, graag.

Bij antwoord Nee: Kies uit:

niet – geen

Voorbeelden: Kom je uit Spanje?

Ja, dat klopt. Nee, ik kom niet uit Spanje.

U bent toch Nederlander, hè?

Ja, inderdaad. Nee, ik ben geen Nederlander.

Ga je naar het feest van Anna?

Jazeker! Nee, ik ga niet naar het feest.

Wil je koffie?

Ja, graag. Nee, ik wil geen koffie.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Werk je in Utrecht? Spreek je Italiaans? Heb je een fiets? Ben je getrouwd? Wil je een biertje? Vind je Nederland leuk? Jij spreekt toch Engels, hè? Spreek je goed Engels? Heb je een baan? Kom je uit Frankrijk?

Maak nu zelf vijf andere vragen: 1 _______________________________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________

?

2 _______________________________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________

?

3 _______________________________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________

?

4 _______________________________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________

?

5 _______________________________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________

?

3 Familie en relaties 85

Van Start binnen 2020.indd 85

07-02-20 16:22


Grammatica Hulpwerkwoorden (modale werkwoorden) kunnen

Ik kan een beetje Nederlands spreken. Hij kan goed voetballen. Wij kunnen je niet helpen.

willen

Ik wil beter Nederlands spreken. Marjan wil in Amsterdam wonen. Willen jullie iets drinken?

moeten

Jij moet hard werken. Moet u vandaag studeren? Jullie moeten veel fruit eten.

mogen

Mag ik u iets vragen? In een restaurant mag je niet roken. Mogen wij naar huis gaan?

zullen

Zal ik je helpen? Zullen we naar de film gaan?

persoon

kunnen

willen

moeten

mogen

zullen

ik, hij, zij

kan

wil

moet

mag

zal

jij, u

kan of kunt

wil of wilt

moet

mag

zal of zult

wij, jullie, zij

kunnen

willen

moeten

mogen

zullen

Jij kunt … Jij wilt … Jij zult …

maar maar maar

Kun jij …? Wil jij …? Zul jij …?

Let op:

86 3 Familie en relaties

Van Start binnen 2020.indd 86

07-02-20 16:22


29

Grammatica

Kies het goede woord. Voorbeeld:

Kan / Kunnen jullie Nederlands spreken? 1 Wij

wil / willen naar Parijs gaan. 2 Jij mag / mogen hier niet roken. 3 Peter moet / moeten hard werken. 4 Marijke kan / kunt goed Frans spreken. 5 Zal / Zullen we naar een café gaan? 6 Wil / Wilt jij iets drinken? 7 De studenten moet / moeten een test maken. 8 Mag / Mogen ik naar huis gaan? 9 Kunt / Kunnen u mij helpen? 10 Ik wil / wilt naar de film gaan.

30 en spreken Grammatica enGrammatica spreken oefening 30 Werk in tweetallen of groepjes. Geef antwoord op de vraag. Bij antwoord Ja: Kies uit:

Jazeker. – Ja, natuurlijk. – Ja, hoor. – Ja, graag. – Ja, leuk. – Ja, gezellig. – Ja, dat kan. – Ja, dat moet. – Ja, dat mag.

Bij antwoord Nee: Kies uit:

Nee, helaas. – Nee, natuurlijk niet. – Nee, dank je. – Nee, liever niet. – Nee, dat kan niet. – Nee, dat hoeft niet. – Nee, dat mag niet.

1

Kun je Nederlands spreken? 2 Kunt u goed tennissen? 3 Kunnen jullie me begrijpen? 4

Wil je iets drinken? 5 Willen jullie naar de film gaan? 6 Wilt u in Nederland blijven? 7

Moet je hard studeren? 8 Moeten jullie dit jaar examen doen? 9 Moet u vandaag werken? 10

Mag ik je iets vragen? 11 Mogen wij je auto lenen? 12 Mogen kinderen alcohol drinken?

3 Familie en relaties 87

Van Start binnen 2020.indd 87

07-02-20 16:22


13

Zullen we naar de film gaan? 14 Zal ik je van het station ophalen? 15 Zullen we dit weekend iets afspreken?

31

Lezen

Agenda-cultuur Ga je weleens spontaan bij de buren of bij vrienden langs? Ga je weleens bij een Nederlander op bezoek zonder afspraak? Dat kan wel, maar veel Nederlanders doen dat niet. Nederlanders gaan niet spontaan bij elkaar op bezoek, maar ze maken een afspraak. Ze vragen: ‘Wanneer heb je tijd?’ En de ander zegt: ‘Even in mijn agenda kijken.’ Soms is de agenda vol. Dan heb je pas een afspraak over een paar weken.

Vraag:

Wat zegt de tekst over afspraken maken met Nederlanders? A Nederlanders gaan spontaan bij elkaar op bezoek, zonder afspraak. B Nederlanders maken een afspraak met elkaar via hun agenda. C Nederlanders hebben geen tijd voor afspraken.

88 3 Familie en relaties

Van Start binnen 2020.indd 88

07-02-20 16:22


32

Lezen

Een Nederlandse verjaardag Nederlanders vieren hun verjaardag meestal thuis, of soms in een café. Ze sturen hun vrienden en familie een uitnodiging voor het verjaardagsfeestje. De gasten geven de jarige een cadeautje en zeggen: ‘Gefeliciteerd’ of ‘Van harte!’ Dan gaan ze ook de andere gasten feliciteren. Ze zeggen bijvoorbeeld tegen de vader en moeder van de jarige: ‘Gefeliciteerd met de verjaardag van je zoon.’ Of tegen zijn vrouw: ‘Gefeliciteerd met je man.’ Of tegen zijn vriendin: ‘Gefeliciteerd met je vriend’, enzovoort. Dat is een gekke gewoonte van de Nederlanders, maar wel leuk.

g n i g i d o n t Ui uni: j 5 2 g a d r e t a Z

Zaterdag ben ik jarig. Ik vier het zaterdagavond vanaf 20 uur. Ik zorg voor een hapje en een drankje. Komen jullie ook?

Vraag:

Wat doen de gasten op een Nederlandse verjaardag? A Ze feliciteren de jarige en de familie. B Ze feliciteren alleen de jarige. C Ze feliciteren de jarige, de familie en de andere gasten.

3 Familie en relaties 89

Van Start binnen 2020.indd 89

07-02-20 16:22


.

33

Spreken

Luister naar de volgende reacties en zeg na. feliciteren Gefeliciteerd! Van harte! Gefeliciteerd met je verjaardag / je nieuwe baan / je diploma / jullie trouwdag. condoleren Gecondoleerd. Heel veel sterkte. Heel veel sterkte met dit verlies.

Heel veel sterkte de komende tijd.

succes wensen Succes! Veel succes! Sterkte! Veel succes met je werk / je studie / je examen.

Het beste!

ziekte Beterschap!

Sterkte!

eten en drinken Smakelijk!

Eet smakelijk!

Smakelijk eten!

Proost!

reizen / vakantie Goede reis!

Prettige vakantie! Fijne vakantie!

Veel plezier!

prettige dag of prettig weekend wensen Prettige dag!

Fijne dag!

Prettig weekend!

Fijn weekend!

Kies nu de goede reactie. Wat zeg je in de volgende situaties? 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15

Een vriend moet examen doen. Een collega gaat op vakantie. Je buurman is ziek. Je drinkt met vrienden een glas wijn. Een vriendin zoekt een baan. Je broer heeft een nieuwe baan. Een kennis gaat op reis. Je vader moet naar het ziekenhuis. De moeder van een collega is overleden. Je eet samen met een vriend. Een kennis moet een test doen. Je buurvrouw is jarig. Het is vrijdag 17.00 uur, je gaat naar huis. Je neef krijgt zijn diploma van school. Je tante en oom zijn 25 jaar getrouwd.

90 3 Familie en relaties

Van Start binnen 2020.indd 90

07-02-20 16:22


34

Grammatica, schrijven

Maak de zinnen af. Voorbeeld:

Morgen _______________________________________________________________________________________________ ga ik naar de markt . 1

Zullen we _______________________________________________________________________________________ ?

2

Hoe laat __________________________________________________________________________________________ ?

3

Hij heeft twee __________________________________________________________________________________ .

4

Op zaterdag _____________________________________________________________________________________ .

5

Kom je met de trein naar de les? Nee, _______________________________________________________________________________________________ . 6

Saskia is zondag jarig en ze wil ____________________________________________________________ .

___________________________

7

Om half zeven _________________________________________________________________________________ .

8

Heb je broers of zussen? Nee, ik heb _____________________________________________________________________________________ .

9

In de zomer _____________________________________________________________________________________ .

10

In april ____________________________________________________________________________________________ .

3 Familie en relaties 91

Van Start binnen 2020.indd 91

07-02-20 16:22


Woordenlijst Thema 3 aardig _________________________________ af en toe _________________________________ afspraak (de), afspraken _________________________________ afspreken _________________________________ agenda (de), agenda’s _________________________________ alleen _________________________________ avond (de), avonden _________________________________ baan (de), banen _________________________________ belt (bellen) _________________________________ bezoek (het) _________________________________ bezoeken _________________________________ bij (bij de bioscoop) _________________________________ bijvoorbeeld _________________________________ bioscoop (de), bioscopen _________________________________ broer (de), broers _________________________________ buur (de), buren _________________________________ buurman (de), buurmannen _________________________________ buurvrouw (de), buurvrouwen _________________________________ collega (de), collega’s _________________________________ contact (het), contacten _________________________________ contact hebben _________________________________ daarna _________________________________ dan _________________________________ dinsdag _________________________________ discotheek (de), discotheken _________________________________ dochter (de), dochters _________________________________ donderdag _________________________________ douche (de), douches _________________________________ douchen _________________________________ druk _________________________________ echtgenoot (de), echtgenoten _________________________________ echtgenote (de), echtgenotes _________________________________ eerst _________________________________ eigenlijk _________________________________ elkaar _________________________________ even _________________________________

familie (de), families _________________________________ fiets (de), fietsen _________________________________ film (de), films _________________________________ geboren _________________________________ geen ... _________________________________ geleden _________________________________ geloven _________________________________ gelukkig _________________________________ gescheiden _________________________________ getrouwd _________________________________ gezellig _________________________________ gezin (het), gezinnen _________________________________ grootmoeder (de), grootmoeders _________________________________ grootvader (de), grootvaders _________________________________ hard _________________________________ herfst (de) _________________________________ hond (de), honden _________________________________ ideale _________________________________ idee (het) _________________________________ informatie (de) _________________________________ informatie geven _________________________________ interessant _________________________________ kennen _________________________________ kennis (de), kennissen _________________________________ kijken _________________________________ kind (het), kinderen _________________________________ kleindochter (de), kleindochters _________________________________ kleinzoon (de), kleinzoons _________________________________ krant (de), kranten _________________________________ krijgen _________________________________ leiding (de) _________________________________ leiding geven aan _________________________________ lente (de) _________________________________ leuk _________________________________ lezen _________________________________ liefde (de), liefdes _________________________________ lunchen _________________________________ maandag _________________________________ maar _________________________________ mailen _________________________________ maken _________________________________ man (de), mannen _________________________________

92 3 Familie en relaties

Van Start binnen 2020.indd 92

07-02-20 16:22


medecursist (de), medecursisten _________________________________ medewerker (de), medewerkers _________________________________ middag (de), middagen _________________________________ missen _________________________________ moeder (de), moeders _________________________________ morgen (de), morgens _________________________________ muziekcentrum (het), muziekcentra _________________________________ nacht (de), nachten _________________________________ neef (de), neven _________________________________ neefje (het), neefjes _________________________________ nemen _________________________________ nicht (de), nichten _________________________________ nichtje (het), nichtjes _________________________________ niet _________________________________ nooit _________________________________ ochtend (de), ochtenden _________________________________ om (om twee uur) _________________________________ oma (de), oma’s _________________________________ omgaan (met) _________________________________ ontbijten _________________________________ oom (de), ooms _________________________________ op (op maandag) _________________________________ op bezoek gaan _________________________________ opa (de), opa’s _________________________________ opbellen _________________________________ organiseren _________________________________ overgrootmoeder (de), overgrootmoeders _________________________________ overgrootvader (de), overgrootvaders _________________________________ overleden _________________________________ paar (een paar) _________________________________ park (het), parken _________________________________ pas _________________________________ praten _________________________________ reis (de), reizen _________________________________ relatie (de), relaties _________________________________ rondleiding (de), rondleidingen _________________________________ samen _________________________________ schoondochter (de), schoondochters _________________________________

schoonmoeder (de), schoonmoeders _________________________________ schoonvader (de), schoonvaders _________________________________ schoonzoon (de), schoonzoons _________________________________ schoonzus (de), schoonzussen _________________________________ sinds _________________________________ soms _________________________________ spontaan _________________________________ tante (de), tantes _________________________________ team (het), teams _________________________________ tijdje (een tijdje geleden) _________________________________ uur (het), uren _________________________________ vader (de), vaders _________________________________ verjaardag (de), verjaardagen _________________________________ verliefd _________________________________ verliefd worden _________________________________ voelen _________________________________ vol _________________________________ vooral _________________________________ vorig _________________________________ vriend (de), vrienden _________________________________ vriendin (de), vriendinnen _________________________________ vrijdag _________________________________ vrouw (de), vrouwen _________________________________ wandelen _________________________________ wel _________________________________ werk (het) _________________________________ werken _________________________________ winter (de) _________________________________ woensdag _________________________________ zaterdag _________________________________ ziek _________________________________ ziekenhuis (het), ziekenhuizen _________________________________ zomer (de) _________________________________ zondag _________________________________ zoon (de), zoons _________________________________ zus (de), zussen _________________________________ zwager (de), zwagers _________________________________

3 Familie en relaties 93

Van Start binnen 2020.indd 93

07-02-20 16:22


4

Boodschappen doen, de weg vragen

94

Van Start binnen 2020.indd 94

07-02-20 16:22


4A

Een kilo tomaten, alstublieft

1

Woorden en grammatica

4 Boodschappen doen, de weg vragen 95

Van Start binnen 2020.indd 95

07-02-20 16:22


96 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 96

07-02-20 16:22


De volgende producten kunnen we op de markt kopen. Schrijf de woorden in het meervoud. Voorbeeld:

de vis – ________________________________________________ vissen

1

de aardappel – de ______________________________________________________________________________________________

2

de roos

– de ______________________________________________________________________________________________

3

de kiwi

– de ______________________________________________________________________________________________

4

de tomaat

– de ______________________________________________________________________________________________

5

de paprika

– de ______________________________________________________________________________________________

6

de kers

– de ______________________________________________________________________________________________

7

de hamburger – de ______________________________________________________________________________________________

8

de aubergine – de ______________________________________________________________________________________________

9

de druif

– de ______________________________________________________________________________________________

10

de garnaal

– de ______________________________________________________________________________________________

11

de mandarijn – de ______________________________________________________________________________________________

12

de pompoen – de ______________________________________________________________________________________________

13

de courgette – de ______________________________________________________________________________________________

14

de banaan

– de ______________________________________________________________________________________________

15

de boon

– de ______________________________________________________________________________________________

16

de mango

– de ______________________________________________________________________________________________

17

de wortel

– de ______________________________________________________________________________________________

18

de aardbei

– de ______________________________________________________________________________________________

19

de kaas

– de ______________________________________________________________________________________________

20

de ananas

– de ______________________________________________________________________________________________

21

de tulp

– de ______________________________________________________________________________________________

22

de ui

– de ______________________________________________________________________________________________

23

de citroen

– de ______________________________________________________________________________________________

24

de bloemkool – de ______________________________________________________________________________________________

25

de krokus

– de ______________________________________________________________________________________________

26

de pruim

– de ______________________________________________________________________________________________

27

de peper

– de ______________________________________________________________________________________________

28

de framboos – de ______________________________________________________________________________________________

29

de appel

– de ______________________________________________________________________________________________

30

de prei

– de ______________________________________________________________________________________________

4 Boodschappen doen, de weg vragen 97

Van Start binnen 2020.indd 97

07-02-20 16:22


2

Luisteren en spreken

Luister naar de prijzen en zeg na. Voorbeeld:

€ 2,75 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

3

uitspraak: twee euro vijfenzeventig

€ 1,50 € 4,99 € 0,75 € 8,60 € 3,40 € 0,55 € 11,35 € 69,95 € 7,50 € 88

11

€ 17,95 € 25 13 € 12,45 14 € 39 15 € 127 16 € 289 17 € 645 18 € 97 19 € 1,15 20 € 3,65 12

Luisteren

Luister naar de prijzen en schrijf ze op. 1 ___________________________________

11 ___________________________________

2 ___________________________________

12 ___________________________________

3

13 ___________________________________

4 5 6 7 8 9 10

___________________________________ ___________________________________ ___________________________________ ___________________________________ ___________________________________ ___________________________________ ___________________________________ ___________________________________

14 ___________________________________ 15 ___________________________________ 16 ___________________________________ 17 ___________________________________ 18 ___________________________________ 19 ___________________________________ 20 ___________________________________

98 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 98

07-02-20 16:22


4

Luisteren

Luister naar de prijzen van groenten en fruit en vul in. groente of fruit

pruimen

prijs

voorbeeld

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

e 3,25 per kilo ––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

1

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

2

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

3

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

4

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

5

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

6

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

7

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

8

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

9

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

10

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

4 Boodschappen doen, de weg vragen 99

Van Start binnen 2020.indd 99

07-02-20 16:22


5

Luisteren en lezen

A Luister naar de dialogen op de markt en lees mee. Dialoog 1

Bij de groentekraam Verkoper: Klant: Verkoper: Klant: Verkoper: Klant: Verkoper: Klant: Verkoper: Klant:

Dialoog 2

Bij de kaaskraam Verkoper: Klant: Verkoper: Klant: Verkoper: Klant: Verkoper: Klant: Verkoper: Klant:

Dialoog 3

Wie is er aan de beurt? Ja ik, een pond tomaten, alstublieft. Alstublieft, anders nog iets? Ja, ook nog een krop sla, en vier uien. Prima, anders nog iets, de broccoli is in de aanbieding! Nee dank u, dat was het. Dat is dan € 3,80, alstublieft. Alstublieft, € 5,- (de klant geeft vijf euro). Bedankt, met € 1,20 voor u. Tot ziens! Bedankt en tot ziens.

Wie kan ik helpen? Mij graag, een kilo belegen kaas. Wilt u misschien de extra belegen? Die heb ik in de reclame. Oh, dat is prima, die vind ik ook lekker. Anders nog iets? Nee, dat was het. Oké, dat is dan € 12,80 alstublieft. Alstublieft, ik heb het gepast. Fijn, dank u wel en een fijne dag! Hetzelfde, tot ziens.

Bij de fruitkraam Verkoper: Wie is er aan de beurt? Klant: Ik, een doosje aardbeien, graag. Verkoper: Ja, ik heb een doosje van 250 gram voor € 1,50, of een doosje van een pond voor € 2,75. Klant: Oké, doet u maar een pond, alstublieft. Verkoper: Prima, anders nog iets? Klant: Ja, die ananas ziet er ook lekker uit. Hoeveel kost die? Verkoper: De ananassen zijn € 1,75 per stuk. Klant: Oh, dat is niet duur, doet u er maar twee. Verkoper: Oké, twee ananassen, anders nog iets? Klant: Ik maak een fruitsalade, en meloen is lekker in de salade.

100 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 100

07-02-20 16:22


Verkoper: Klant: Verkoper: Klant: Verkoper: Klant: Verkoper:

Zeker! De meloenen zijn heerlijk zoet. Het is nu het seizoen! Oké, ook nog een meloen graag. Dat was het. Wilt u misschien een tasje? Ja, graag. Dat is dan € 6,25 bij elkaar. Alstublieft en tot ziens. Bedankt, tot ziens.

B Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee en zeg na. Dialoog 1 Wie is er aan de beurt? Ja ik, een pond (tomaten), alstublieft. Alstublieft, anders nog iets? De (broccoli) is in de aanbieding! Nee dank u, dat was het. Dat is dan (€ 3,80), alstublieft.

Dialoog 2 Wie kan ik helpen? Mij graag, een kilo (belegen kaas). Die heb ik in de reclame. Die vind ik ook lekker. Ik heb het gepast.

Dialoog 3 Doet u maar een pond, alstublieft. Die (ananas) ziet er ook lekker uit. Hoeveel kost die? De (ananassen) zijn (€ 1,75) per stuk. Oh, dat is niet duur, doet u er maar twee. Ik maak een (fruitsalade), en (meloen) is lekker in de salade. Zeker! De meloenen zijn heerlijk zoet. Het is nu het seizoen! Wilt u misschien een tasje? Dat is dan (€ 6,25) bij elkaar.

4 Boodschappen doen, de weg vragen 101

Van Start binnen 2020.indd 101

07-02-20 16:22


6

Lezen

Waar of niet waar? Kruis aan.

Dialoog 1 1 De klant koopt een halve kilo tomaten. 2 3

De uien zijn in de aanbieding. De klant moet € 5,00 betalen.

waar waar waar

niet waar niet waar niet waar

Dialoog 2

4

De klant vindt extra belegen kaas niet lekker. 5 De klant betaalt precies € 12,80.

waar waar

niet waar niet waar

Dialoog 3

6

Een half pond aardbeien kost € 1,50. De klant neemt een half pond aardbeien. 8 De meloenen zijn lekker zoet. 9 De klant koopt vier soorten fruit. 10 De klant wil een tasje. 7

waar waar waar waar waar

niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar

Taalhulp

Op de markt gewicht

100 gram = 1 ons 500 gram = 1 pond 1000 gram = 1 kilo reclame

De aardbeien zijn in de reclame. De druiven zijn in de aanbieding. Vandaag twee meloenen voor de prijs van één. Bij aankoop van een bos bloemen krijgt u de tweede bos gratis. Bij aankoop van zes flessen wijn krijgt u vijf euro korting. Hoeveel kosten de kiwi’s? De kiwi’s kosten € 3,65 per kilo.

102 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 102

07-02-20 16:22


verkoper

klant

Wie is er aan de beurt? Wie kan ik helpen?

Ik, een kilo appels, alstublieft. Mij. Een pond jonge kaas, graag.

Alstublieft, anders nog iets? Een doosje van 250 gram of van een pond?

Ja, ook nog twee rode paprika’s, twee courgettes en een doosje aardbeien. Doet u maar een pond.

Anders nog iets? Dat was het?

Nee dank u, dat was het. Ja, dat was het.

Dat is dan € 12,75 bij elkaar. € 3,50 alstublieft. Hebt u het niet kleiner? Dat is dan € 2,30, alstublieft.

Alstublieft. Alstublieft, 50 euro. Nee, het spijt me. Alstublieft, ik heb het gepast.

7

Taalhulp

Luisteren en lezen

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Wie is er aan de beurt? Een pond jonge kaas, graag. Doet u maar een kilo. Anders nog iets? Nee, dat was het. Dat is dan € 15,40 bij elkaar. Hebt u het niet kleiner? Nee, het spijt me. De tomaten zijn in de aanbieding. Hoeveel kosten de druiven?

4 Boodschappen doen, de weg vragen 103

Van Start binnen 2020.indd 103

07-02-20 16:22


8

Woorden

Vul in. Kies het goede woord. Kies uit:

aanbieding – aankoop – alstublieft – anders – fijne – gratis – helpen – pond – was – wilt – ziens

Bij de slager

Klant: Verkoper: Klant: Verkoper: Klant: Verkoper: Klant: Verkoper: Klant: Verkoper: Klant: Verkoper: Klant:

Wie kan ik ___________________________________ ? Mij, de hamburgers zijn vandaag in de ___________________________________ , zie ik. Ja, dat klopt, bij ___________________________________ van drie hamburgers krijgt u de vierde ___________________________________ . Oké, dan neem ik er vier. ___________________________________ nog iets? Ja, ik wil graag een hele kip. Vanavond maak ik kippensoep. Oh lekker. ___________________________________ , een hele kip. Anders nog iets? Ja, nog een ___________________________________ gehakt, alstublieft. Prima, dat ___________________________________ het? Ja, dat was het. ___________________________________ u een tasje? Ja graag. Dat is dan € 14,30, alstublieft. Alstublieft, vijftien euro. Met zeventig cent terug. Een hele ___________________________________ dag! Hetzelfde, tot ___________________________________ !

9

Luisteren

Verkoper: Klant: Verkoper:

U hoort drie dialogen op de markt. Wat kopen de klanten? Maak de boodschappenlijstjes compleet.

Bij de visboer * ________________ - 4 zalmmoten * 2 kilo aardappels

Bij de groentekraam

Bij de fruitkraam

______________________________________

______________________________________

- 2 kilo aardappels

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

- 1 mango

______________________________________

*______________

______________________________________

*______________

______________________________________

104 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 104

07-02-20 16:22


10

Spreken

Op pagina 95 en 96 ziet u een markt. Zes cursisten zijn verkoper (fruit, groente, vis, vlees, bloemen en kaas), de andere cursisten zijn klant. De klanten krijgen van de docent een boodschappenlijstje. Oefen de marktdialogen.

Taalhulp

In de supermarkt afdelingen en producten houdbaar

brood

zuivel

delicatessen

koekjes

bruin brood

melk

kaas

frisdrank

wit brood

yoghurt

vleeswaren

wijn

stokbrood

boter

olijven

bier

afbakbrood

slagroom

salades

chocola

taart

crème fraÎche

worst

chips

bolletjes

toetje

tapenade

vlees

diepvries

vis

groente en fruit

kip

ijs

zalm

aardappel

rund

pizza

garnalen

bloemkool

lam

groente

witvis

banaan

varken

fruit

mosselen

kiwi

4 Boodschappen doen, de weg vragen 105

Van Start binnen 2020.indd 105

07-02-20 16:22


klant

verkoper

Waar staat de wijn?

De wijn staat naast de frisdrank.

Waar liggen de koekjes?

De koekjes liggen naast de chocola.

Waar kan ik de slagroom vinden?

Bij de zuivelafdeling.

Waar kan ik de chips vinden?

De chips ligt in het derde pad, aan de linkerkant.

Waar liggen de pizza’s?

In het tweede pad aan de rechterkant, bij de afdeling diepvries.

Waar staat de frisdrank?

In het derde pad, tegenover de zuivel.

11

Taalhulp

Luisteren en lezen

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Waar ligt het brood? Het brood ligt naast de vleeswaren. Waar staat het bier? Het bier staat tegenover de chips. Waar kan ik het ijs vinden? Bij de afdeling diepvries, in het vierde pad. Waar liggen de koekjes? De koekjes liggen in het tweede pad, aan de linkerkant. Waar staat de slagroom? Op de zuivelafdeling, aan de rechterkant.

106 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 106

07-02-20 16:22


12

Luisteren

Luister naar de dialogen in de supermarkt. Kijk naar de plattegrond en naar de producten onder de plattegrond. Waar staan de producten in de supermarkt? Schrijf de letters van de producten in de tekening. Voorbeeld:

A – chips

B – C – D – E – F –

13

de broodjes de boter de camembert het ijs het bier

G – H – I – J – K –

de kersen de prei lege flessen inleveren (emballage) de taart het toiletpapier

Spreken

Werk in tweetallen. Waar staan de producten? Kijk naar de plattegrond van de supermarkt bij oefening 12 en gebruik de informatie tussen haakjes. Cursist A leest de vraag en cursist B geeft antwoord. Voorbeeld:

A B

Waar staat de cola? (derde pad, bij de frisdranken, sap) De cola staat in het derde pad bij de frisdranken, naast het sap.

1 A

Waar staat de koffie? B (tweede gangpad, bij de koffie en thee, soepen) ____________________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________________ .

4 Boodschappen doen, de weg vragen 107

Van Start binnen 2020.indd 107

07-02-20 16:22


2 A

Waar staat de yoghurt? B (vierde gangpad, bij de zuivelafdeling, diepvries) ____________________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________________ . 3 A

Waar liggen de koekjes? B (tweede gangpad, bij de koekjes, snoep en chocola, ontbijtproducten) ____________________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________________ . 4 A

Waar liggen de pizza’s? B (vierde gangpad, bij de diepvriesafdeling, huishoudelijke producten) ____________________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________________ . 5 A

Waar kan ik de salami vinden? B (achter in de winkel, bij de vleeswarenafdeling, kaas) ____________________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________________ . 6 A

Waar kan ik het stokbrood vinden? B (bij de ingang, bij de broodafdeling, flessenautomaat) ____________________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________________ . 7 A

Waar liggen de garnalen? B (eerste gangpad, bij de visafdeling, vlees) ____________________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________________ . 8 A

Waar liggen de mango’s? B (eerste gangpad, bij de fruitafdeling, vis) ____________________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________________ . 9 A

Waar staat de hagelslag? B (tweede gangpad, bij de ontbijtproducten, koekjes) ____________________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________________ . 10 A

Waar ligt de macaroni? B (eerste gangpad, bij de pasta, rijst) ____________________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________________ .

108 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 108

07-02-20 16:22


14

Woorden

Kijk naar de woorden in het schema. Begrijp je alle woorden? Zoek nieuwe woorden op in het woordenboek. Maak dan combinaties. Zoek de tegenstellingen. 1

groot zacht 3 zuur 4 mooi 5 rot 2

1 2 3 4 5

zwaar kort duur breed goed

15

a

hard zoet c vers d klein e lelijk

1

laag moeilijk 3 gezond 4 leeg 5 oud

a

b

2

b

a

1

a

b c d e

goedkoop smal slecht lang licht

2 3 4 5

dun donker lekker nat warm

ongezond hoog c makkelijk d jong e vol

b c d e

vies licht dik koud droog

Woorden

Kleuren Wat is de kleur van ...? Kies uit:

beige – blauw – bruin – geel – goud – grijs – groen – oranje – paars – rood – roze – wit – zilver – zwart

Voorbeeld:

Melk is ___________________________________ wit . 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Een banaan is Een wortel is Gras is Een tomaat is Volkorenbrood is Het haar van oude mensen is Schrijfpapier is Water is Een ring is Een aubergine is

. ___________________________________ . ___________________________________ . ___________________________________ . ___________________________________ . ___________________________________ . ___________________________________ . ___________________________________ . ___________________________________ . ___________________________________ . ___________________________________

4 Boodschappen doen, de weg vragen 109

Van Start binnen 2020.indd 109

07-02-20 16:22


16

Woorden

Voorbeeld:

Noem drie dingen met de kleur rood. 1 ___________________________________ een tomaat 2 ___________________________________ een paprika 3 ___________________________________ een aardbei

1

Noem drie dingen met de kleur geel. 1 _____________________________________________________________ 2 _____________________________________________________________ 3 _____________________________________________________________

2

Noem drie dingen met de kleur blauw.

1

_____________________________________________________________

2 _____________________________________________________________ 3 _____________________________________________________________ 3

Noem drie dingen met de kleur zwart. 1 _____________________________________________________________ 2 _____________________________________________________________ 3 _____________________________________________________________

4

Noem drie dingen met de kleur wit. 1 _____________________________________________________________ 2 _____________________________________________________________ 3 _____________________________________________________________

Grammatica Bijvoeglijk naamwoord (adjectief ) de → de grote appel

achter ‘de’:

bijvoeglijk naamwoord met -e

een grote appel achter ‘een’: bijvoeglijk naamwoord met -e

het → het grote huis

achter ‘het’: bijvoeglijk naamwoord met -e

achter ‘een’: bijvoeglijk naamwoord zonder -e

een groot huis

De appel is groot. Het huis is groot.

los woord:

bijvoeglijk naamwoord zonder -e

110 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 110

07-02-20 16:22


Let op de spelling: zoet – zoete

kort – korte

vol – volle

leeg – lege

klein – kleine

zacht– zachte

wit – witte

groot – grote

oud – oude

hard – harde

rot – rotte

duur – dure

17

Grammatica

Vul het bijvoeglijk naamwoord in. Voorbeeld:

(lekker) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

18

de _____________________________ lekkere pizza

(zuur) de _____________________________ citroen (gezond) de _____________________________ sinaasappel (moeilijk) de _____________________________ oefening (jong) het _____________________________ meisje (oud) de _____________________________ kaas (zwaar) de _____________________________ watermeloen (vers) de _____________________________ tomaten (dun) de _____________________________ vrouw (lekker) de _____________________________ mango (goedkoop) het _____________________________ boek

Grammatica

Vul het bijvoeglijk naamwoord in. Voorbeelden: (klein) (klein) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

een _____________________________ klein kind (het) een _____________________________ auto (de) kleine

(groen) een _____________________________ paprika (de) (dik) een _____________________________ boek (het) (vol) een _____________________________ glas (het) (breed) een _____________________________ straat (de) (geel) een _____________________________ citroen (de) (duur) een _____________________________ laptop (de) (blauw) een _____________________________ auto (de) (goed) een _____________________________ idee (het) (groot) een _____________________________ huis (het) (lekker) een _____________________________ taart (de)

4 Boodschappen doen, de weg vragen 111

Van Start binnen 2020.indd 111

07-02-20 16:22


19

Grammatica

Werk in tweetallen. Geef een positief antwoord. Is het bijvoeglijk naamwoord met -e of zonder -e? Voorbeelden: Cursist A: Cursist B:

Is de mango lekker? Ja, dat is een lekkere mango.

Is het broodje lekker? Ja, dat is een lekker broodje.

Cursist A: Cursist B: 1

Is de oefening makkelijk? Is de banaan goedkoop? 3 Is de man oud? 4 Is de kaas jong? 5 Is de auto duur? 6 Is het boek mooi? 7 Is het huis groot? 8 Is de vis vers? 9 Is de appel rot? 10 Is het kind gezond? 2

20

Ja, dat is ______________________________________________ . Ja, dat is ______________________________________________ . Ja, dat is ______________________________________________ . Ja, dat is ______________________________________________ . Ja, dat is ______________________________________________ . Ja, dat is ______________________________________________ . Ja, dat is ______________________________________________ . Ja, dat is ______________________________________________ . Ja, dat is ______________________________________________ . Ja, dat is _____________________________________________ .

Spreken

Je krijgt kaartjes van je docent met informatie over supermarktproducten. Maak reclame.

Voorbeeld:

de mango â‚Ź 0,80 per stuk zoet groot lekker goedkoop

Ik heb hier lekkere, zoete mango’s. Ze zijn groot en goedkoop, 80 cent per stuk!

112 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 112

07-02-20 16:22


21

Spreken

Kijk naar de afbeeldingen. Wat zie je? Gebruik bijvoeglijke naamwoorden.

22

Spreken

Ga naar www.ah.nl. Bekijk de bonusaanbiedingen. Welke producten zijn in de aanbieding? Hoeveel kosten ze? Wat wil je deze week kopen? Maak een lijstje.

4 Boodschappen doen, de weg vragen 113

Van Start binnen 2020.indd 113

07-02-20 16:22


4B

Waar is het winkelcentrum?

23

Luisteren en lezen

A Luister naar de dialogen en lees mee. Dialoog 1

Waar is het winkelcentrum?

Carlo zoekt winkelcentrum de Klop. Hij is met de auto. Hij vraagt de weg aan een man op straat.

Carlo: Man: Carlo: Man:

Carlo: Man:

Carlo: Man: Carlo: Man:

Meneer, mag ik u iets vragen? Natuurlijk. Ik zoek winkelcentrum de Klop. Is dat hier in de buurt? Ja, dat is niet zo ver. U rijdt hier rechtdoor tot aan de stoplichten. Daar gaat u linksaf. Na 200 meter komt u bij een rotonde, daar rijdt u rechtdoor. Dan de derde straat rechtsaf. Het winkelcentrum is na 100 meter aan de rechterkant. Eh, sorry, dat gaat een beetje te snel. Kunt u dat herhalen? Ja hoor. Hier rechtdoor tot aan de stoplichten, en dan linksaf. Na 200 meter bij de rotonde rechtdoor, en dan de derde straat rechtsaf. U ziet winkelcentrum de Klop na 100 meter aan de rechterkant. Kan ik daar parkeren? Jazeker. Er is een groot parkeerterrein met veel parkeerplaatsen. Bedankt. Graag gedaan.

114 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 114

07-02-20 16:22


Dialoog 2

Ik zoek een schoenenwinkel

Carlo is in het winkelcentrum en wil naar een schoenenwinkel. Hij gaat naar de informatiebalie in de hal van het winkelcentrum.

Baliemedewerker: Carlo: Baliemedewerker: Carlo: Baliemedewerker:

Carlo:

Baliemedewerker: Carlo: Baliemedewerker:

Carlo:

Baliemedewerker: Carlo: Baliemedewerker:

Goedemorgen, meneer. Kan ik u helpen? Ja graag. Is er een schoenenwinkel in het winkelcentrum? Jazeker, we hebben hier twee schoenenzaken, Van Haren en Dolcis. Dat is mooi. Waar kan ik ze vinden? Van Haren is hier op de begane grond. U loopt hier rechtdoor tot het eind van de gang en daar gaat u rechtsaf. Van Haren is dan de vierde winkel aan uw linkerhand. OkĂŠ, dus hier rechtdoor tot het eind van de gang, dan rechtsaf. En daar is Van Haren. De derde winkel aan mijn linkerhand, zegt u? Nee, de vierde. Ah, juist. En de andere schoenenzaak, Dolcis? Dolcis is op de eerste etage. Kijk, daar is de roltrap naar boven. Boven gaat u linksaf. Dolcis is de tweede winkel aan uw rechterhand. Dus ik ga met de roltrap naar boven, dan linksaf, en Dolcis is de tweede winkel aan mijn rechterhand. Klopt dat? Ja, dat klopt, helemaal goed! Fijn, dank u wel. Graag gedaan.

4 Boodschappen doen, de weg vragen 115

Van Start binnen 2020.indd 115

07-02-20 16:22


B Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee en zeg na. Dialoog 1

Dialoog 2

Ik zoek het winkelcentrum. Is dat hier in de buurt? Dat is niet zo ver. U rijdt hier rechtdoor tot aan de stoplichten. Daar gaat u linksaf. Na (200) meter komt u bij een rotonde. Bij de rotonde rechtdoor. Dan de (derde) straat rechtsaf. Het winkelcentrum is aan de rechterkant. Sorry, dat gaat een beetje te snel. Kunt u dat herhalen? U ziet het winkelcentrum aan de rechterkant. Kan ik daar parkeren? Er is een grote parkeerplaats. Bedankt. Graag gedaan.

Is er een schoenenwinkel in het winkelcentrum? Jazeker, we hebben hier (twee) schoenenzaken. Dat is mooi. Waar kan ik ze vinden? De schoenenwinkel is op de begane grond. U loopt hier rechtdoor. Tot het eind van de gang. Het is de (vierde) winkel aan uw linkerhand. De schoenenzaak is op de (eerste) verdieping. Kijk, daar is de roltrap naar boven. Boven gaat u linksaf. Dus het is de tweede winkel aan mijn rechterhand. Klopt dat? Ja, dat klopt. Helemaal goed. Fijn, dank u wel.

24

Luisteren en lezen

Waar of niet waar? Kruis aan.

Dialoog 1

1

Bij de stoplichten moet Carlo rechtdoor. Bij de rotonde moet Carlo rechtsaf. 3 Dan moet Carlo de derde straat rechtsaf. 4 Het winkelcentrum heeft een kleine parkeerplaats. 2

waar waar waar

niet waar niet waar niet waar

waar

niet waar

waar

niet waar

waar

niet waar

waar waar

niet waar niet waar

Dialoog 2

1 In het winkelcentrum zijn twee schoenenwinkels. 2 De schoenenwinkels zijn op de begane grond. 3 Van Haren is de vierde winkel aan de linkerkant. 4 Dolcis is de derde winkel aan de rechterkant.

116 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 116

07-02-20 16:22


25

Woorden

Maak de tekst compleet. Vul de goede woorden in. Kies uit:

andere – begane – dank – etage – helpen – gang – gedaan – linkerhand – kledingzaken – rechtsaf – roltrap – tweede – winkelcentrum – ze – zoek

Bij de informatiebalie van een winkelcentrum Baliemedewerker: Goedemiddag, mevrouw. Kan ik u _____________________________ ? Ja graag. Ik _____________________________ een kledingwinkel. Is Vrouw: die hier in het _____________________________ ? Baliemedewerker: Jazeker, er zijn hier twee _____________________________ , C&A en H&M. Oké. Waar kan ik _____________________________ vinden? Vrouw: Baliemedewerker: C&A is hier op de _____________________________ grond. U loopt hier rechtdoor tot het eind van de _____________________________ en daar gaat u linksaf. C&A is dan de _____________________________ winkel aan uw rechterhand. Dank u. En de _____________________________ kledingwinkel, Vrouw: H&M? Baliemedewerker: H&M is op de tweede _____________________________ . Kijk, hier is de _____________________________ naar boven. Boven gaat u _____________________________ . Dolcis is de tweede winkel aan uw _____________________________ . Vrouw: Fijn, _____________________________ u wel. Baliemedewerker: Graag _____________________________ .

Taalhulp

De weg vragen buiten / op straat

instructie

Mag ik u iets vragen?

Natuurlijk.

Kunt u mij helpen?

Ja hoor, zegt u het maar.

Ik zoek het winkelcentrum.

U gaat hier rechtdoor. Dan de derde straat linksaf. Bij het kruispunt rechtdoor. Volg de weg tot het einde. Het winkelcentrum is na 200 meter links.

4 Boodschappen doen, de weg vragen 117

Van Start binnen 2020.indd 117

07-02-20 16:22


Weet u waar het station is?

U rijdt rechtdoor tot aan de stoplichten. Daar gaat u rechtsaf. En dan bij de rotonde links. Het station is na 500 meter aan uw rechterhand.

Waar is het gemeentehuis?

U moet hier linksaf. Aan het einde van de weg de brug over. Dan bij de stoplichten rechtsaf. U ziet het gemeentehuis na 50 meter links.

binnen / in een gebouw

instructie

in een winkelcentrum

Waar vind ik de supermarkt?

De supermarkt is op de begane grond. U gaat hier in de gang rechtdoor. Aan het eind van de gang links. De supermarkt is na 30 meter aan de rechterkant.

Ik zoek een schoenenwinkel.

U gaat met de roltrap naar boven. Boven gaat u rechtsaf. De schoenenwinkel is de derde winkel links.

in het gemeentehuis

Waar kan ik me inschrijven in de gemeente?

Op de begane grond bij loket 10.

Waar is de paspoortbalie?

Op de derde verdieping. Kijk, daar zijn de liften. U gaat met de lift naar de derde etage. Daar gaat u linksaf. De paspoortbalie is de tweede balie rechts.

26

Taalhulp

Luisteren en lezen

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1 2 3 4 5 6 7

Ik zoek het winkelcentrum. U gaat hier rechtdoor. Dan bij de eerste straat rechtsaf. Daarna bij de rotonde rechtdoor. Volg de weg tot aan de stoplichten. Bij de stoplichten gaat u linksaf. Kunt u dat herhalen?

118 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 118

07-02-20 16:22


8 9 10 11 12 13 14 15

27

Is er een supermarkt in het winkelcentrum? De supermarkt is op de eerste etage. Kijk, daar zijn de roltrappen. U gaat met de roltrap naar boven. Op de eerste etage gaat u rechtsaf. De supermarkt is de derde winkel links. Fijn, dank u wel. Graag gedaan.

Luisteren

Luister naar de drie instructies en kijk naar de kaarten. Welke kaart hoort bij welke instructie? kaart 1

4 Boodschappen doen, de weg vragen 119

Van Start binnen 2020.indd 119

07-02-20 16:22


kaart 2

kaart 3

fragment 1 = kaart ______________ fragment 2 = kaart ______________ fragment 3 = kaart _____________

120 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 120

07-02-20 16:22


28

Spreken

Werk in tweetallen. Kijk naar de kaart van het centrum van Den Haag.

Kies eerst een startpunt op de kaart. Waar staan jullie? cursist A vraagt de weg naar:

de Hofvijver Paleis Noordeinde de Bijenkorf cursist A vraagt de weg naar: de Grote Markt cursist B geeft instructie

29

cursist B vraagt de weg naar:

het Kerkplein (rond de Grote Kerk) het Plein de Hema het Binnenhof cursist A geeft instructie

Spreken

Werk in tweetallen. Zoek zelf een kaart van het centrum van een stad of dorp en neem de kaart mee naar de volgende les. Hebt u geen kaart, dan kan de docent u helpen. Kies eerst een startpunt op de kaart. A geeft instructie aan B. B volgt de instructie op de kaart. Waar is het eindpunt? Herhaal de oefening en wissel van rol (B geeft instructie, A volgt de instructie).

4 Boodschappen doen, de weg vragen 121

Van Start binnen 2020.indd 121

07-02-20 16:22


Taalhulp

Kleding en schoenen kopen de schoenenwinkel (schoenenzaak)

de kledingwinkel (kledingzaak)

producten

producten

de schoen (schoenen) de sportschoen (sportschoenen) de sok (sokken) de laars (laarzen) de pump (pumps) de pantoffel (pantoffels) de sandaal (sandalen) de slipper (slippers) een paar ‌ (schoenen, sokken, etc.) de hak (hakken) schoenen met hoge hakken schoenen met lage hakken

de broek (broeken) de korte broek (korte broeken) de pantalon (pantalons) de jeans het T-shirt (T-shirts) het shirt (shirts) het overhemd (overhemden) de bloes / blouse (bloezen) het pak / kostuum (pakken / kostuums) het colbert (colberts) het vest (vesten) de jas (jassen) de rok (rokken) de jurk (jurken) het ondergoed de onderbroek (onderbroeken) de bh (bh’s) het slipje (slipjes)

122 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 122

07-02-20 16:22


verkoper in de kledingzaak

klant in de kledingzaak

Kan ik u helpen?

Nee, dank u, ik kijk eerst even rond.

Zoekt u iets speciaals?

Ik zoek een (zwarte jurk).

Wat dacht u van deze?

Ja mooi. Kan ik deze passen?

Ja, natuurlijk, gaat uw gang.

Waar zijn de paskamers?

Daar achter in de winkel.

Deze is te klein. Hebt u hem ook een maat groter?

Even in het magazijn kijken ... Nee, helaas, die heb ik niet op voorraad.

Jammer.

Probeert u deze (blauwe jurk) eens.

Ja, die is ook leuk. Hij past goed.

Ja, en hij staat u ook goed.

Oké, ik neem hem.

U kunt afrekenen bij de kassa.

Kan ik pinnen?

Ja, natuurlijk. dat is dan (€ 45,50).

Alstublieft.

Tot ziens, en veel plezier ermee.

Dank u wel.

verkoper in de schoenenzaak

klant in de schoenenzaak

Kan ik u helpen?

Ja, ik zoek een paar (bruine laarzen).

Wat dacht u van deze?

Mooi. Hebt u ze in maat (38)?

Ik zal even voor u kijken ... Ja, hier, kijkt u eens, maat (38).

Oké, ik ga ze even passen. Ja, dit is de goede maat. Ze zitten lekker.

Ze staan goed bij uw (zwarte rok).

Dank u. Ik neem ze. Oh, ik heb geen pinpas bij me. Kan ik contant betalen?

Ja hoor. Dat is dan (€ 120,-).

Alstublieft, drie briefjes van 50 euro.

Dank u wel. Met 30 euro. Tot ziens, en veel plezier ermee.

Bedankt.

4 Boodschappen doen, de weg vragen 123

Van Start binnen 2020.indd 123

07-02-20 16:22


30

Taalhulp

Schrijven

Werk in tweetallen. Cursist 1 is verkoper, cursist 2 is klant. Maak de dialogen compleet.

In de kledingzaak Verkoper: Goedemiddag, kan ik u _____________________________ ? Ja, ik hoop het. Ik zoek een _____________________________ . Klant: Welke maat hebt u? Verkoper: Klant: Maat _____________________________ . Verkoper: Wat _____________________________ u van deze zwarte? Een mooi model. maar ik vind zwart niet zo mooi. Klant: Verkoper: Kijk, we hebben ze ook in de kleuren _____________________________ en _____________________________ . Klant: Die _____________________________ vind ik mooi. Waar kan ik passen? De paskamers zijn _____________________________ . Verkoper: Jammer, deze is te groot. Hebt u hem ook een maat Klant: _____________________________ ? Even in het _____________________________ kijken. Ja, kijkt u eens, Verkoper: maat _____________________________ . Ja, deze _____________________________ goed. Ik neem hem. Kan ik Klant: contant _____________________________ ? Ja hoor. Dat is dan _____________________________ euro. Verkoper: Alstublieft. Een _____________________________ van 50 euro. Klant: Dank u wel. Met _____________________________ euro. Tot Verkoper: _____________________________ , en veel _____________________________ ermee. Klant: Bedankt.

In de schoenenzaak Verkoper: Goedemiddag, kan ik u _____________________________ ? Ja, graag. Ik zoek een paar _____________________________ . Klant: In welke kleur? Verkoper: Klant: _____________________________ of _____________________________ . Verkoper: Wat _____________________________ u van deze? Ja, mooi. Hebt u ze in maat _____________________________ ? Klant: Ik zal even voor u kijken. Ja, alstublieft, maat Verkoper: _____________________________ . Even passen. Ja, ze zitten _____________________________ . Klant: En ze staan goed bij uw _____________________________ . Verkoper: Dank u. Ik neem ze. Klant: Verkoper: U kunt daar bij de kassa _____________________________ . Kan ik _____________________________ ? Klant: Natuurlijk. Dat is dan _____________________________ euro. Verkoper: Alstublieft. Tot ziens. Klant: Verkoper: Tot ziens en veel _____________________________ ermee.

124 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 124

07-02-20 16:22


Grammatica Plaats: er – hier – daar er

achter het werkwoord (dus niet aan het begin van de zin)

Ik woon in Utrecht.

Ik woon er.

(er = Utrecht)

Ik werk in de fabriek.

Ik werk er.

(er = de fabriek)

hier / daar

aan het begin van de zin of achter het werkwoord

Dit is Utrecht.

Hier woon ik. / Ik woon hier.

(hier = Utrecht)

Dit is uw kantoor.

Hier werkt u. / U werkt hier.

(hier = uw kantoor)

Dat is ons huis.

Daar wonen wij. / Wij wonen daar.

(daar = ons huis)

Dat is mijn bedrijf.

Daar werk ik. / Ik werk daar.

(daar = mijn bedrijf )

31

Grammatica

Vul in. Kies het goede woord. Kies uit:

er – hier – daar 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Dat is de supermarkt. _____________________________ doe ik mijn boodschappen. Ik woon in Utrecht maar ik werk _____________________________ niet. Dat taleninstituut is in het centrum. _____________________________ doen wij een cursus Nederlands. Ga rechtdoor tot aan de stoplichten. _____________________________ moet u rechtsaf. Dat is een gezellig café. Wij gaan _____________________________ regelmatig iets drinken. Kijk, dit is de tennisclub in mijn buurt. _____________________________ tennis ik twee keer per week. In het winkelcentrum is een schoenenzaak. Ze hebben _____________________________ mooie schoenen. De roltrappen zijn links in de hal. _____________________________ kunt u naar de eerste etage. Kijk, dit is mijn werkkamer. _____________________________ werk ik elke dag van 9 tot 5. Wanneer ga je naar de markt? Ik ga _____________________________ elke zaterdag naartoe.

4 Boodschappen doen, de weg vragen 125

Van Start binnen 2020.indd 125

07-02-20 16:22


32

Grammatica en woorden

Hieronder staan namen van bekende winkels in Nederland. Welk soort winkel is het en welke producten koop je daar? Maak de goede combinaties. naam

soort winkel

producten

Albert Heijn

boekwinkel

aspirine, shampoo, make-up, tandpasta, tandenborstels, scheerschuim, parfum, ...

Bruna

bouwmarkt

boeken, servies, kleding, wijn, brood, pennen, papier, batterijen, handdoeken, lampen, ...

C&A

drogisterij

groente, fruit, vlees, vis, brood, frisdrank, bier, wijn, boter, melk, yoghurt, pinda’s, chips, ...

Etos

elektronicazaak

hout, metaal, gereedschap, verf, kwasten, spijkers, schroeven, behang, lampen, ...

Gall & Gall

kledingzaak

huishoudelijke apparaten, computers, tablets, smartphones, tv’s, audioapparatuur, ...

Gamma

schoenenzaak

jurken, rokken, broeken, T-shirts, jassen, sokken, colberts, overhemden, ondergoed, ...

IKEA

slijterij

kasten, stoelen, banken, bedden, servies, lampen, tafels, kussens, matrassen, gordijnrails, ...

Media Markt

supermarkt

boeken, kranten, tijdschriften, kaarten, papier, potloden, pennen, enveloppen, agenda’s, ...

Van Haren

warenhuis

schoenen, sokken, laarzen, sandalen, slippers, pantoffels, sportschoenen, veters, ...

HEMA

woonwarenhuis

wijn, bier, frisdrank, jenever, whisky, likeur, rum, champagne, wodka, prosecco, ...

Werk nu tweetallen. Gebruik de informatie uit de tabel en maak dialogen. Gebruik er en daar als plaats. Voorbeeld:

Cursist A: Cursist B: Cursist A: Cursist B:

Welk soort winkel is de Albert Heijn? De Albert Heijn is een supermarkt. Welke producten kun je daar kopen? Je kunt er groente, fruit, vlees, vis, brood, frisdrank, bier en wijn kopen.

126 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 126

07-02-20 16:22


Grammatica Herhaling voornaamwoorden onderwerp (subject)

bezittelijk voornaamwoord (possessief )

lijdend voorwerp (object)

na voorzetsel (prepositie)

ik je / jij u hij ze / zij we / wij jullie ze / zij

mijn je ... / jouw ... uw ... zijn ... haar ... ons ... / onze ... jullie ... hun ...

me / mij je / jou u hem haar ons jullie ze

met me / met mij met je / met jou met u met hem met haar met ons met jullie met ze

Voorbeelden: Ik woon in Utrecht. Mijn naam is Karel. Ik heb een broer, Johan. Hij lijkt op mij. Jij werkt in Amsterdam. Wat is je beroep? Spreken je collega’s Nederlands met jou? U spreekt goed Nederlands. Uw uitspraak is prima! Ik kan u goed verstaan. Hij komt uit Nederland. Zijn vrouw is Engelse. Zij heeft hem op vakantie ontmoet. Zij is Nederlands, maar haar moeder is Duits. Ze spreekt Duits met haar. Wij gaan vanavond eten bij onze buren. Ze hebben ons uitgenodigd. Gaan jullie met jullie auto naar het feest? Mag ik dan met jullie meerijden? Ik heb fijne collega’s. Ze zijn aardig, ze doen hun werk goed en ik heb leuk contact met ze.

33

Grammatica en woorden

Kies het goede voornaamwoord. Voorbeeld:

Ik ken veel Nederlandse woorden, maar mij / mijn uitspraak is slecht. 1 2 3 4 5 6 7

John heeft twee zussen. Zijn / Haar zussen heten Maria en Carla. Wij / Ons wonen in Amsterdam. Wij / Ons huis ligt in het centrum. Mag ik u / uw iets vragen? Kunt u / uw mij naar het station brengen? We / Ons hebben goed contact met de buren. Ze / Hun kinderen spelen vaak met ons / onze kinderen. Wat studeer jij / jou? Hoeveel jaar duurt jou / je studie? Pieter heeft een vriendin. Zijn / Haar naam is Susan en ze / haar komt uit Engeland. Ik / Mijn ouders wonen in Maastricht. Ze / Hun hebben daar een mooi appartement.

4 Boodschappen doen, de weg vragen 127

Van Start binnen 2020.indd 127

07-02-20 16:22


8

Karin gaat naar het feest van John. Hij / Hem is jarig en Karin feliciteert hij / hem. 9 Ik / Me ga vanavond naar de film. Ga je met ik / me mee? 10 In de cursus zitten vijftien cursisten. Ze / Hun begrijpen een beetje Nederlands, maar de grammatica is moeilijk voor zij / ze.

34

Lezen

Openingstijden.nl is dé website voor het bekijken van actuele openingstijden van winkels en bedrijven. Je vindt bij ons ook een overzicht van alle koopzondagen, woonboulevards en winkelcentra bij jou in de buurt.

Koopzondag De meeste gemeenten in Nederland organiseren regelmatig een koopzondag. Vaak op de eerste of laatste zondag van de maand en rond de feestdagen. Veel gemeenten hebben zelfs elke zondag een koopzondag. Ook aankomende zondag zijn er weer een groot aantal winkels open. Op de website staat een overzicht van steden waar je aankomende zondag kunt winkelen. Selecteer jouw stad voor een overzicht van de geopende winkels.

Koopavonden In veel steden in Nederland is elke week één koopavond, meestal op donderdag- of vrijdagavond. Veel winkels zijn dan geopend tot 21.00 uur. Rond feestdagen zijn er vaak extra koopavonden. Ook aankomende donderdag en vrijdag zijn er weer een groot aantal winkels open. Op de website staat een overzicht van steden waar je ’s avonds kunt winkelen. Selecteer jouw stad voor een lijst van de geopende winkels.

Woonboulevards In Nederland vind je in bijna elke grote stad een woonboulevard of meubelboulevard. Een woonboulevard is een soort winkelcentrum waar de winkels allerlei producten voor jouw woning of tuin verkopen. Woonboulevards zijn meestal goed bereikbaar en hebben ruime openingstijden. De meeste zijn ook geopend op koopzondagen en sommige feestdagen.

Winkelcentra Ook vind je in de meeste steden één of meer winkelcentra. Dat zijn grote gebouwen met veel verschillende winkels. Bijna altijd vind je daar een supermarkt, drogisterij en slijterij. Ook zie je er vaak winkels met tabak en huishoudelijke artikelen, en natuurlijk kledingwinkels en schoenenzaken. Winkelcentra zijn goed bereikbaar, hebben een grote parkeerplaats en ruime openingstijden. Ook zijn ze vaak geopend op koopzondagen en sommige feestdagen. Bron: www.openingstijden.nl

128 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 128

07-02-20 16:22


A Beantwoord de vragen. 1

2

Wanneer is het koopzondag in de meeste gemeenten? _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________

Hoe vind je informatie over koopzondagen in jouw stad? _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________

3

Op welke avonden is het meestal koopavond?

_________________________________________________________________________________________________________

4

Wat is een woonboulevard?

5

_________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________

Welk soort winkels vind je in een winkelcentrum? _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________

B Ga naar www.openingstijden.nl. Zoek de volgende informatie op. 1

de vaste koopavond in jouw woonplaats (= stad of dorp waar je woont)

_________________________________________________________________________________________________________

2

de volgende koopzondag in jouw woonplaats

_________________________________________________________________________________________________________

3

de openingstijden van een supermarkt bij jou in de buurt

_________________________________________________________________________________________________________

4

naam en adres van een winkelcentrum bij jou in de buurt

_________________________________________________________________________________________________________

5

naam en adres van een kledingwinkel in dit winkelcentrum

_________________________________________________________________________________________________________

6

een groot winkelcentrum in (of dichtbij) jouw woonplaats

_________________________________________________________________________________________________________

7

een bouwmarkt in (of dichtbij) jouw woonplaats

_________________________________________________________________________________________________________

8

een woonboulevard in (of dichtbij) jouw woonplaats

_________________________________________________________________________________________________________

C Wat zijn de openingstijden van de winkels in jouw eigen land? Bespreek dit in groepjes.

4 Boodschappen doen, de weg vragen 129

Van Start binnen 2020.indd 129

07-02-20 16:22


35

Grammatica, schrijven

Maak de zinnen af. Voorbeeld:

Morgen _______________________________________________________________________________________________ ga ik naar de markt . 1

Waar kan ik _____________________________________________________________________________________ ?

2

Kan ik u helpen? Ja, ik zoek _______________________________________________________________________________________ .

3

Waar is de schoenenwinkel Van Haren? U gaat _____________________________________________________________________________________________ .

4

Aan het einde van de straat is de HEMA. Daar ___________________________________

_______________________________________________________________________________________________________

5

.

Waar staat de wijn? De wijn staat ___________________________________________________________________________________ .

6

Bij de stoplichten _____________________________________________________________________________ .

7

In het winkelcentrum _______________________________________________________________________ .

8

Goedemorgen meneer, kan ik ____________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________ . 9 10

Aan uw linkerhand ___________________________________________________________________________ . Op de tweede verdieping _________________________________________________________________

_______________________________________________________________________________________________________

.

130 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 130

07-02-20 16:22


Woordenlijst Thema 4 aanbieding (de), aanbiedingen _________________________________ aankoop (de), aankopen _________________________________ achter _________________________________ afdeling (de), afdelingen _________________________________ afrekenen _________________________________ alstublieft _________________________________ andere _________________________________ auto (de), auto’s _________________________________ balie (de), balies _________________________________ baliemedewerker (de), -medewerkers _________________________________ bedrijf (het), bedrijven _________________________________ begane (begane grond) _________________________________ beige _________________________________ beneden _________________________________ betalen _________________________________ beurt (Wie is er aan de beurt?) _________________________________ bier (het) _________________________________ bij aankoop van ... _________________________________ binnen _________________________________ blauw _________________________________ bloem (de), bloemen _________________________________ boek (de), boeken _________________________________ boekwinkel (de), -winkels _________________________________ boodschap (de), boodschappen _________________________________ boodschappen doen _________________________________ boodschappenlijstje (het), -lijstjes _________________________________ bos bloemen (de) _________________________________ bouwmarkt (de), bouwmarkten _________________________________ boven _________________________________ breed _________________________________ briefje (het), briefjes _________________________________ brood (het), broden _________________________________ bruin _________________________________

buiten _________________________________ buurt (de), buurten _________________________________ café (het), cafés _________________________________ contant _________________________________ daar _________________________________ daarna _________________________________ dan _________________________________ delicatesse (de), delicatessen _________________________________ derde _________________________________ diepvries (de) _________________________________ dik _________________________________ donker _________________________________ drogisterij (de), drogisterijen _________________________________ droog _________________________________ dun _________________________________ duur _________________________________ eerst _________________________________ eerste _________________________________ eind(e) (het) _________________________________ elektronicazaak (de), -zaken _________________________________ elkaar (bij elkaar) _________________________________ er _________________________________ etage (de), etages _________________________________ euro (de) _________________________________ fabriek (de), fabrieken _________________________________ fijne (fijne dag) _________________________________ fles (de), flessen _________________________________ frisdrank (de), frisdranken _________________________________ fruit (het) _________________________________ gang (de), gangen _________________________________ gang (Gaat uw gang!) _________________________________ geel _________________________________ gemeentehuis (het) _________________________________ gepast _________________________________ gewicht (het) _________________________________ gezond _________________________________ glas (het), glazen _________________________________ goedkoop _________________________________ goud _________________________________ graag (een kilo appels, graag) _________________________________

4 Boodschappen doen, de weg vragen 131

Van Start binnen 2020.indd 131

07-02-20 16:22


graag (graag gedaan) _________________________________ gram (de / het) _________________________________ gratis _________________________________ grijs _________________________________ groen _________________________________ groente (de), groenten /groentes _________________________________ groot _________________________________ hard _________________________________ helaas _________________________________ helemaal _________________________________ herhalen _________________________________ hetzelfde _________________________________ hier _________________________________ hoog _________________________________ hoor (Ja hoor!) _________________________________ houdbaar _________________________________ identiteitsbewijs (het), -bewijzen _________________________________ iets anders _________________________________ in de buurt _________________________________ inschrijven _________________________________ jammer _________________________________ jong _________________________________ juist _________________________________ kaas (de) _________________________________ kantoor (het), kantoren _________________________________ kassa (de), kassa’s _________________________________ keus (de), keuzes _________________________________ kijk (kijken) _________________________________ kilo (de) _________________________________ klant (de), klanten _________________________________ kledingwinkel (de), kledingwinkels _________________________________ kledingzaak (de), kledingzaken _________________________________ klein _________________________________ kleiner (Hebt u het niet kleiner?) _________________________________ klopt (Dat klopt!) _________________________________ kopen _________________________________ kort _________________________________ korting (de), kortingen _________________________________ koud _________________________________ kraam (de), kramen _________________________________ krijgt (krijgen) _________________________________ kruising (de), kruisingen _________________________________

kruispunt (het), kruispunten _________________________________ laag _________________________________ lang _________________________________ laptop (de), laptops _________________________________ leeg _________________________________ lekker _________________________________ lelijk _________________________________ licht _________________________________ lift (de), liften _________________________________ linkerhand (de) _________________________________ linkerkant (de) _________________________________ links _________________________________ linksaf _________________________________ loopt (lopen) _________________________________ maat (de), maten _________________________________ magazijn (het), magazijnen _________________________________ makkelijk / gemakkelijk _________________________________ markt (de), markten _________________________________ meneer (de) _________________________________ meter (de) _________________________________ mevrouw (de) _________________________________ misschien _________________________________ moeilijk _________________________________ mooi _________________________________ na (na 200 meter) _________________________________ naar beneden _________________________________ naar boven _________________________________ natuurlijk _________________________________ nieuw _________________________________ nog _________________________________ ongezond _________________________________ ons (het) _________________________________ op (op de eerste etage) _________________________________ op straat _________________________________ oranje _________________________________ oud _________________________________ paars _________________________________ pad (het), paden _________________________________ parkeerplaats (de), -plaatsen _________________________________ parkeerterrein (het), -terreinen _________________________________ parkeren _________________________________ paskamer (de), paskamers _________________________________ passen _________________________________ pinnen _________________________________

132 4 Boodschappen doen, de weg vragen

Van Start binnen 2020.indd 132

07-02-20 16:22


pinpas (de), pinpassen _________________________________ plezier (Veel plezier ermee!) _________________________________ pond (het) _________________________________ prijs (de), prijzen _________________________________ probeert (proberen) _________________________________ rechtdoor _________________________________ rechterhand (de) _________________________________ rechterkant (de) _________________________________ rechts _________________________________ rechtsaf _________________________________ reclame (de), reclames _________________________________ rijdt (rijden) _________________________________ roltrap (de), roltrappen _________________________________ rondkijken (Ik kijk even rond.) _________________________________ rood _________________________________ rot _________________________________ rotonde (de), rotondes _________________________________ roze _________________________________ sappig _________________________________ schoenenzaak (de), schoenenzaken _________________________________ schoenenwinkel (de), schoenenwinkels _________________________________ seizoen (het), seizoenen _________________________________ slecht _________________________________ slijterij (de), slijterijen _________________________________ smal _________________________________ snel _________________________________ speciaals (Zoekt u iets speciaals?) _________________________________ spijt (Het spijt me.) _________________________________ staan (De jurk staat je goed.) _________________________________ station (het), stations _________________________________ stoplicht (het), stoplichten _________________________________

straat (de), straten _________________________________ stuk (per stuk) _________________________________ supermarkt (de), supermarkten _________________________________ tasje (het), tasjes _________________________________ tot (aan) _________________________________ tweede _________________________________ ver _________________________________ verdieping (de), verdiepingen _________________________________ vers _________________________________ vierde _________________________________ vies _________________________________ vis (de), vissen _________________________________ vlees (het) _________________________________ vleeswaren (de) _________________________________ vol _________________________________ volg (volgen) _________________________________ voorraad (de), voorraden _________________________________ warenhuis (het), -huizen _________________________________ warm _________________________________ was (Dat was het.) _________________________________ weg (de), wegen _________________________________ wijn (de), wijnen _________________________________ winkelcentrum (het), winkelcentrums _________________________________ wit _________________________________ woonwarenhuis (het), -huizen _________________________________ zacht _________________________________ zich (zich inschrijven) _________________________________ ziens (Tot ziens.) _________________________________ ziet (zien) _________________________________ zilver _________________________________ zitten (De schoenen zitten lekker.) _________________________________ zoekt (zoeken) _________________________________ zoet _________________________________ zuivel (de) _________________________________ zuur _________________________________ zwaar _________________________________ zwart _________________________________

4 Boodschappen doen, de weg vragen 133

Van Start binnen 2020.indd 133

07-02-20 16:22


5

Iets afspreken

134

Van Start binnen 2020.indd 134

07-02-20 16:22


5A

Mag ik de menukaart?

1

Luisteren en lezen

A Luister naar de dialogen en lees mee. Dialoog 1

Afspreken voor een café

Ahmed: Simon: Ahmed: Simon: Ahmed: Simon: Ahmed: Simon: Ahmed:

Hé Simon, hoe gaat het met je? Goed, en met jou? Prima! Heb je zondag iets te doen? Nee, nog niet. Het wordt mooi weer. Ga je mee naar het café? Ik heb zin in een koud biertje op het terras! Ja, leuk! Hoe laat en waar spreken we af? Om half vier bij café Parkzicht? Prima, tot zondag! Tot dan!

5 Iets afspreken 135

Van Start binnen 2020.indd 135

07-02-20 16:22


Dialoog 2

Afspreken voor een restaurant

Anna: Simone: Anna: Simone: Anna: Simone: Anna: Simone: Anna: Simone: Anna: Simone:

Hoi, hoe gaat het? Goed, en met jou? Prima, ik heb een weekje vakantie. Oh, lekker. Zullen we deze week iets leuks doen? Goed idee! Zullen we samen naar een restaurant gaan? Prima, ik heb zin in Italiaans. Ik ook, waar en wanneer spreken we af? Zullen we vrijdagavond om acht uur bij restaurant Mario gaan eten? Leuk, ik zal een tafel voor twee personen reserveren. Oké, tot vrijdag! Gezellig, tot dan!

B Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee en zeg na. Dialoog 1

Dialoog 2

Heb je zondag iets te doen? Nee, nog niet. Het wordt mooi weer. Ga je mee naar het café? Ik heb zin in een koud biertje op het terras! Hoe laat en waar spreken we af? Om half vier bij café Parkzicht? Prima, tot zondag!

Ik heb een weekje vakantie. Oh, lekker. Zullen we deze week iets leuks doen? Zullen we samen naar een restaurant gaan? Ik heb zin in Italiaans. Ik zal een tafel voor twee personen reserveren. Oké, tot vrijdag! Gezellig, tot dan!

136 5 Iets afspreken

Van Start binnen 2020.indd 136

07-02-20 16:22


2

Luisteren en lezen

Waar of niet waar? Kruis aan.

Dialoog 1

1

Het gaat niet goed met Simon. 2 Simon heeft zondag nog niets te doen. 3 Het wordt zondag slecht weer. 4 Simon en Ahmed spreken om half drie af.

waar waar waar waar

niet waar niet waar niet waar niet waar

Dialoog 2

5

waar waar waar waar

niet waar niet waar niet waar niet waar

Anna heeft zeven dagen vrij. Anna en Simone hebben zin in Italiaans. 7 Anna en Simone spreken zaterdagavond af. 8 Anna reserveert een tafel. 6

Taalhulp Afspreken vraag

antwoord

Heb je zaterdag iets te doen?

Nee, nog niet. Nee, ik heb geen plannen.

Zullen we naar een café gaan?

Ja, leuk.

Zullen we een kopje koffie drinken?

Ja, graag. Goed idee!

Ga je mee naar de bioscoop?

Nee sorry, ik heb al plannen.

Ga je mee naar het concert?

Sorry, ik kan niet, want ik moet werken.

Hoe laat spreken we af?

Om acht uur. Om half zeven.

Waar spreken we af?

Tot zaterdag!

In het café. Bij de bioscoop. Voor de concertzaal. Op het station. Oké, tot zaterdag! Prima, tot dan!

5 Iets afspreken 137

Van Start binnen 2020.indd 137

07-02-20 16:22


3

Taalhulp

Luisteren en lezen

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

4

Heb je zondag iets te doen? Ik heb geen plannen. Ga je mee naar het lunchcafé? Sorry, ik kan niet, want ik heb een andere afspraak. Zullen we samen gaan lunchen? Ja, leuk! Hoe laat en waar spreken we af? Om acht uur voor de bioscoop. Om half zeven op het station. Prima, tot dan!

Taalhulp

Lezen en schrijven

Lees de dialoog en vul onderstaande woorden in. Kies uit:

afspreken – gaat – gezellig – moeilijk – prima – spreekt – tot – want – zullen

Caroline: Esther: Caroline: Esther: Caroline: Esther: Caroline: Esther: Caroline: Esther: Caroline: Esther: Caroline: Esther:

Hoi Esther, lang niet gezien. Hoe _____________________________ gaat het? , en met jou? Goed! Ik doe nu een cursus Nederlands. Wat leuk! Je _____________________________ al een beetje Nederlands. Ja het gaat goed, maar Nederlands is _____________________________ . Op welke dagen heb je les? Op maandag, woensdag en vrijdag van negen _____________________________ elf uur. Oké, _____________________________ we dan een keer na je les samen koffie drinken? Prima! Wanneer zullen we _____________________________ ? Ik kan bijvoorbeeld woensdag om half twaalf. Woensdag kan ik niet, _____________________________ dan werk ik ’s middags. Vrijdag kan ik wel. Oké, dan kan ik ook. Zullen we dan om half twaalf in café Parkzicht afspreken? _____________________________ , tot dan! Tot dan! _____________________________

138 5 Iets afspreken

Van Start binnen 2020.indd 138

07-02-20 16:22


5

Taalhulp

Spreken

Werk in tweetallen. A leest de vraag, B geeft antwoord (een positief en een negatief antwoord). Bij een positief antwoord: Kies uit:

Ja, leuk! – Ja, graag! – Ja, goed idee! – Ja, gezellig!

J

Bij een negatief antwoord: Kies uit de volgende excuses:

Sorry, ik kan niet, want ik ben ziek. want ik heb een andere afspraak. want ik moet werken. want ik heb een examen. want ik heb een afspraak bij de tandarts. want ik ben op vakantie. want ik heb geen tijd. want ik heb niet veel geld.

1

A Ga je vrijdagavond mee naar het café? B + Ja, _____________________________ ! - Sorry, ik kan niet, want ______________________________________________________________ . 2 A Zullen we vanavond naar een restaurant gaan? B + Ja, _____________________________ ! - Sorry, ik kan niet, want ______________________________________________________________ . 3 A. Ga je mee naar dat nieuwe lunchcafé? B + Ja _____________________________ ! - Sorry, ik kan niet, want ______________________________________________________________ . 4 A Zullen we zaterdag naar het pannenkoekenrestaurant gaan? B + Ja, _____________________________ ! - Sorry, ik kan niet, want ______________________________________________________________ . 5 A Ga je mee naar de kroeg? B + Ja, _____________________________ ! - Sorry, ik kan niet, want ______________________________________________________________ . 6 A Zullen we volgend weekend naar dat driesterrenrestaurant gaan? B + Ja, _____________________________ ! - Sorry, ik kan niet, want ______________________________________________________________ . 7 A Ga je mee naar het park voor een picknick? B + Ja, _____________________________ ! - Sorry, ik kan niet, want ______________________________________________________________ . 8 A Zullen we vrijdagavond naar de film gaan? B + Ja, _____________________________ ! - Sorry, ik kan niet, want ______________________________________________________________ .

5 Iets afspreken 139

Van Start binnen 2020.indd 139

07-02-20 16:22


6

Spreken

Werk in tweetallen. Maak een afspraak. Gebruik de informatie. Voorbeeld:

naar een restaurant gaan – op zaterdag, om 20.00 uur – in restaurant La douce France

A B A B A B A B

Heb je zaterdag iets te doen? Nee, nog niet. Zullen we naar een restaurant gaan? Ja, goed idee! Hoe laat en waar spreken we af? Om 20.00 uur in restaurant La douce France. Prima, tot dan! Gezellig, tot dan!

1

Picknicken – op zondag, om 13.00 uur – in het Wilhelminapark. Eten en naar de film gaan – op vrijdag, om 18.00 uur – in bioscoop Camera. Tapas eten – op donderdag, om 19.30 uur – in restaurant Bon dia. Thuis eten – op dinsdag, om 18.30 uur – bij mij thuis. Lunchen – vanmiddag, om 12.00 uur – in het lunchcafé op de hoek.

2 3 4 5

7

Schrijven

Peter wil graag met Sofie naar een Spaans tapasrestaurant gaan. Hij stuurt haar een e-mail. Lees de e-mail en maak de tekst compleet. Van: Peter Onderwerp: samen eten? Datum: 10-12-2014 Aan: Sofie _________________________________________________________________________________________________________________________________

Hoi Sofie, Hoe gaat het met je? Ben je druk met je werk en met de kinderen? We hebben elkaar al lang niet gezien. Met mij gaat het goed. Ik heb nu twee weken vakantie, dus ik heb tijd voor een afspraak. Zullen we _______________________________________________________________________________ in restaurant Verano? Ik heb goede verhalen gehoord over dat restaurant. Je kunt daar ____________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________________________________________________

. Heerlijk!

Zullen we zaterdag om 19.00 uur afspreken? Als jij dan ook kan, reserveer ik een tafel voor twee personen. Groetjes, Peter

140 5 Iets afspreken

Van Start binnen 2020.indd 140

07-02-20 16:22


8

Schrijven

Sofie leest de e-mail van Peter. Ze mailt hem terug. Lees de e-mail en maak de tekst compleet. Van: Sofie Onderwerp: re: samen eten? Datum: 10-12-2014 Aan: Peter _________________________________________________________________________________________________________________________________

Hoi Peter, Bedankt voor je mail. Dat is inderdaad lang geleden. Met mij gaat het goed, maar ik heb het heel druk. Helaas kan ik zaterdag niet met je naar het restaurant, want _____________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ______________________________________________________________________________________________________________________________

.

Gelukkig heb ik over twee weken meer tijd. Zullen we ____________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ______________________________________________________________________________________________________________________________

?

Ik hoop dat jij dan ook kan. Ik hoor het wel. Tot gauw! Groeten van Sofie

Grammatica Voegwoorden: maar, en, want, of, dus (conjuncties) Twee zinnen combineren: Hoofdzin 1

voegwoord

Hoofdzin 2 onderwerp

werkwoord

rest

Hij komt niet Ik leer Nederlands

want want

hij ik

heeft woon

geen tijd. in Nederland.

Zij wil naar Amsterdam Hij wil met de fiets

maar maar

de treinen zijn fiets

rijden is

niet. kapot.

Ze eten een broodje Ze gaan lunchen

en en

ze ze

drinken gaan

koffie. winkelen.

5 Iets afspreken 141

Van Start binnen 2020.indd 141

07-02-20 16:22


We gaan naar Frankrijk We eten pasta

of of

we we

gaan eten

naar Italië. pizza.

Hij is ziek Ze wil niet koken

dus dus

hij ze

blijft gaat

thuis. uit eten.

9

Grammatica

Kies het goede voegwoord. Voorbeeld:

Ik wil Nederlands leren dus / maar ik doe een cursus Nederlands. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

10

Sorry ik kan niet want / maar ik heb een andere afspraak. Ik wil graag met je uit eten, en / maar ik ben ziek. Zij doet een cursus Nederlands, want / dus ze kan nu een beetje Nederlands spreken. Op zaterdag werk ik en / of op zondag ben ik vrij. Hij gaat naar Frankrijk of / want hij heeft een week vrij. Hij heet Jean en / of hij komt uit Frankrijk. Zij vindt het leuk in Nederland want / maar ze mist haar familie in Iran. Ze ziet hem elke week dus / en ze bellen elkaar vaak. Ik spreek een beetje Nederlands, maar / want Nederlands is een moeilijke taal. Hij woont in Utrecht dus / en hij werkt in Amsterdam.

Grammatica

Vul het goede voegwoord in. Kies uit: Voorbeeld:

maar – want – of – dus – en

Peter gaat vandaag niet werken, _____________________________ want hij is ziek. 1 2 3 4 5 6 7

Sorry ik heb geen tijd _____________________________ ik ga naar de verjaardag van een collega. Zullen we eerst naar de film _____________________________ daarna iets eten? Ik moet vandaag studeren _____________________________ ik heb morgen een examen. Nederlanders gaan niet spontaan bij elkaar op bezoek _____________________________ ze maken een afspraak. Nederlanders vieren hun verjaardag thuis _____________________________ ze vieren hun verjaardag in een café. Mijn buren zijn op vakantie _____________________________ ik geef hun kat te eten. Ik kan niet _____________________________ ik krijg vrijdagavond bezoek.

142 5 Iets afspreken

Van Start binnen 2020.indd 142

07-02-20 16:22


8

Mijn broer heeft een nieuwe baan in Parijs _____________________________ hij zoekt daar een huis. 9 Ze drinken een wijntje _____________________________ ze bestellen een pizza. 10 Ik vind de schoenen mooi _____________________________ ze zijn een beetje te klein.

11

Grammatica

Maak de zinnen af. Ik wil een nieuwe fiets kopen maar _________________________________________________________ ik heb niet genoeg geld .

Voorbeeld:

1

Ik doe een cursus Nederlands want _____________________________________________________ . Zij wil haar zus een cadeau geven dus __________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________ . Ze zoeken een huis in Utrecht maar ____________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________ . Zullen we naar de film gaan of _____________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________ ? Zij doet een cursus Frans en _______________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________ . Karel moet naar de dokter want ___________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________ . Ga je op vakantie naar Spanje of __________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________ ? Ik heb zin in een biertje dus _______________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________ . _______________________________________________________________________________________________________

2 3 4 5 6 7 8

Taalhulp

CafĂŠ en restaurant

Maaltijden en gangen maaltijden:

het ontbijt, de lunch, het avondeten

gangen:

het voorgerecht, het hoofdgerecht, het nagerecht / het toetje / het dessert

5 Iets afspreken 143

Van Start binnen 2020.indd 143

07-02-20 16:22


Lekker, of niet? Wat vind je lekker?

Ik vind tomatensoep (niet) lekker.

Waar houd je van?

Ik houd (niet) van currygerechten.

Waar heb je zin in?

Ik heb (geen) zin in warme chocolademelk met slagroom.

Smaakt de soep goed?

Ja, de soep smaakt heerlijk! De soep is verrukkelijk / zalig! Nee, de soep is niet zo lekker.

Dialoog in een café / restaurant ober

klant

Mevrouw, zegt u het maar.

Als voorgerecht wil ik graag de zalmsalade en als hoofdgerecht de groentelasagne.

Prima, en wat wilt u drinken?

Een droge, witte wijn, alstublieft.

Kijkt u eens, een witte wijn en de zalmsalade. Heeft het gesmaakt?

Bedankt!

En dan het hoofdgerecht, de groentelasagne. Wilt u nog iets drinken?

Bedankt. Ja, bij de groentelasagne graag een rode wijn.

Alstublieft, een rode wijn.

Lekker!

Mevrouw, wilt u nog een dessert?

Graag, mag ik de menukaart nog even zien?

Natuurlijk, alstublieft.

Ik neem het fruit met vanille-ijs.

Prima, komt eraan. Alstublieft, uw dessert.

Dank u wel, en mag ik ook de rekening, alstublieft?

Alstublieft, dat is dan € 28,50.

Alstublieft, € 30,00. Laat de rest maar zitten.

Bedankt en tot ziens!

Tot ziens!

Het was heerlijk, dank u.

144 5 Iets afspreken

Van Start binnen 2020.indd 144

07-02-20 16:22


12

Taalhulp

Luisteren en lezen

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1

Ik vind pasta lekker. Ik houd niet van stamppot. 3 Het toetje is heerlijk! 4 Als voorgerecht wil ik graag de tomatensoep en als hoofdgerecht de zalmpasta. 5 Wat wilt u drinken? 6 Een rode wijn alstublieft. 7 Eet smakelijk! 8 Mag ik de menukaart nog even zien? 9 Ik neem de chocolademousse. 10 Heeft het gesmaakt? 11 Het was heerlijk, dank u. 12 Mag ik de rekening, alstublieft? 13 Alstublieft. Dat is dan € 37,00. 14 Alstublieft, € 40,00. Laat de rest maar zitten. 2

13

Lezen en luisteren

Bekijk de menukaarten. Luister naar de dialogen en lees mee. Vul de ontbrekende woorden in.

Dialoog 1

Bij een lunchcafé

Lunch ............ Café

Champignonsoep 5,Tomatensoep 5,Omelet 6,Broodje gezond 6,Ceasar salade 7,50

5 Iets afspreken 145

Van Start binnen 2020.indd 145

07-02-20 16:22


Ober: Meneer, wilt u iets bestellen? Joost: Ja _____________________________ , ik heb zin in een biertje. Ober: Prima, wilt u ook iets eten? Joost: Wat is de soep van de dag? Ober: Champignonsoep. Joost: Oh _____________________________ , een soep graag en een broodje gezond. Ober: Alstublieft, een biertje, een dagsoep en een broodje gezond. Dat is dan _____________________________ . Joost: Alstublieft. Ober: Bedankt en eet _____________________________ !

Dialoog 2

Bij een snackbar

Snack ... bar Patat Kroket Kaassoufflé Frikandel Hamburger Loempia

Snackbareigenaar: Paul: Snackbareigenaar: Paul: Snackbareigenaar: Paul: Snackbareigenaar: Paul:

3,25 2,75 2,95 3,2,50 3,25

Meneer, kan ik u _____________________________ ? Ja, drie patat met mayonaise, twee kroketten en één kaassoufflé alstublieft. Wilt u ook iets te _____________________________ ? Ja, twee blikjes cola en een biertje, alstublieft. _____________________________ . Alstublieft, drie patat met mayo, twee kroketten, één kaassoufflé, twee cola en een biertje. Dat is dan € 21,75. Ik wil graag _____________________________ . Geen probleem. _____________________________ en tot ziens! Tot ziens!

146 5 Iets afspreken

Van Start binnen 2020.indd 146

07-02-20 16:22


Dialoog 3

Bij een restaurant

Het

Rest aurant

voorgerecht

hoofdgerecht

dessert

groentesoep

lamsstoofschotel

pannenkoeken met K ar amelsaus

8,00

garnalencocktail

15,00

6,00

mosselen

ijs met vruchten

8,00

12,50

6,00

kreeftensoep

groentelasagne

8,00

12,50

Ober: Mevrouw, meneer, wilt u alvast iets drinken? Saskia: Ja graag, voor mij een rode wijn. Willem: En voor mij een Spa rood, alstublieft. Ober: Kijk eens, een rode wijn, een Spa rood, en de _____________________________ . Heeft u een keuze kunnen maken? Saskia: Ja, als _____________________________ wil ik graag de groentesoep, en als hoofdgerecht de lamsstoofschotel. Willem: En voor mij als _____________________________ de garnalencocktail en als hoofdgerecht de mosselen. Ober: Goede keuze! Wilt u er een fles water bij? Willem: Ja _____________________________ . Alstublieft, eet smakelijk! Ober: Willem en Saskia: Bedankt! Saskia: Oh, die soep vind ik echt _____________________________ ! Mooi, de garnalencocktail smaakt ook goed. Willem: Ober: Heeft het gesmaakt? Saskia: Zeker, het was heerlijk! Willem: We willen graag nog een _____________________________ bestellen. Kunt u ons iets aanraden? Ober: Oh, de pannenkoekjes met karamelsaus zijn heel _____________________________ . Dat klinkt goed, dat wil ik wel. Willem: Saskia: Voor mij ook graag. Ober: Kijk eens, de pannenkoekjes. Eet smakelijk! Saskia: Dit is echt verrukkelijk! Willem: Nou, inderdaad, _____________________________ lekker. Mogen we de _____________________________ alstublieft? Natuurlijk, wilt u pinnen? Ober: Willem: Ja graag. Het eten was heel _____________________________ . Bedankt. Ober: Graag gedaan en tot ziens!

5 Iets afspreken 147

Van Start binnen 2020.indd 147

07-02-20 16:22


14

Vragen

Beantwoord de vragen.

Dialoog 1

1 2

Dialoog 2

3 4 5

Dialoog 3

6 7 8 9 10

15

Wat wil Joost drinken? Wat is de soep van de dag? Welk broodje bestelt Joost? Wat bestelt Paul bij de snackbar? Wat moet Paul betalen? Hoe wil Paul betalen? Wat bestelt Willem als voorgerecht? Vindt hij het voorgerecht lekker? Wat bestelt Saskia als toetje? Vindt zij het toetje lekker?

Spreken

Werk in tweetallen. Geef antwoord op de vragen. 1 2 3 4 5 6 7 8

16

Wat vind je (niet) lekker van de menukaarten van oefening 13? Waar wil je zelf graag eten? Bij het lunchcafé, de snackbar of het restaurant? Wat eet je thuis graag bij het ontbijt, de lunch en het avondeten? Wie kookt er bij jou thuis? Kun je zelf goed koken? Wat is je specialiteit? Welk eten of drinken uit je eigen land mis je in Nederland? Welk eten of drinken vind je (niet) lekker in Nederland? Wat wil je vanavond graag eten en drinken?

Spreken

Werk in tweetallen. Maak zelf dialogen bij de menukaarten van oefening 13. Eén cursist is ober, één cursist is klant.

148 5 Iets afspreken

Van Start binnen 2020.indd 148

07-02-20 16:22


Grammatica Verwijswoorden voor dingen onderwerp (subject)

lijdend voorwerp (object)

de

hij

hem

het

het

het

meervoud

ze

ze

Voorbeelden: De fiets De telefoon

Hij kost € 125,00. Hij ligt op de tafel.

Karel koopt hem. Theo gebruikt hem hem elke dag.

Het boek Het schilderij

Het is spannend. Het is groot.

Ik lees het op vakantie. Saskia ziet het in het Rijksmuseum.

De schoenen De vragen

Ze zijn mooi. Ze zijn moeilijk.

Aline vindt ze te duur. Tom begrijpt ze niet.

17

Grammatica

Vul het goede verwijswoord in. Kies uit:

hij – hem – het – ze

Voorbeelden: (de fiets) (de boeken)

Ik zet hem __________________ in de fietsenstalling. Waar staan de boeken? Ze __________________ staan daar in de boekenkast.

1

(de tas) Wat een mooie tas! Ik geef __________________ aan mijn zus voor haar verjaardag. 2 (de kroeg) Jammer, __________________ is vandaag gesloten. 3 (het adres) Ze kan __________________ niet op internet vinden. 4 (de auto) Kun jij __________________ vanmiddag naar de garage brengen? 5 (de computer) Peter gebruikt __________________ voor zijn werk. 6 (de krant) Ik lees __________________ elke zaterdag. 7 (het ontbijt) __________________ was heerlijk! 8 (de foto’s) Wat een leuke foto’s! Wil je __________________ per mail naar me sturen? 9 (het restaurant) Zullen we in dat restaurant gaan eten? __________________ heeft goede recensies op internet. 10 (de sleutels) Hij is zijn sleutels kwijt. Hij kan __________________ nergens vinden.

5 Iets afspreken 149

Van Start binnen 2020.indd 149

07-02-20 16:22


18

Luisteren en spreken

Erik is zaterdag jarig. Saskia wil een cadeau voor hem kopen. Luister naar de tekst en kijk naar de plaatjes. Welk cadeau wil Saskia voor Erik kopen?

A

de aftershave

B

het horloge

C

de fles wijn

Een vriend(in) is volgende week jarig. Je gaat een mooi cadeau kopen. Vertel over dit cadeau. Gebruik verwijswoorden. Voorbeeld:

de sjaal Ik ga een sjaal kopen. Hij is te koop bij de Bijenkorf. Hij is donkerblauw met rode strepen. Ik vind hem heel mooi en hij is lekker warm voor de winter. Hij / Zij zal hem zeker mooi vinden.

19

Grammatica

Kijk naar de plaatjes. Onder elk plaatje staan vragen. Bedenk zelf antwoord op de vragen. Gebruik hij, hem, het of ze in het antwoord. Voorbeeld:

de tas

de tas 1

Waar kun je de tas kopen?

_______________________________________________________________________________________________________ Je kunt hem bij de Bijenkorf kopen.

2

Hoeveel kost de tas?

_______________________________________________________________________________________________________ Hij kost â‚Ź 40.

3

Waar staat de tas?

_______________________________________________________________________________________________________ Hij staat onder mijn werktafel.

4

Is de tas groot?

_______________________________________________________________________________________________________ Ja, hij is groot. / Nee, hij is klein.

5

Vind je de tas mooi?

Ja, _______________________________________________________________________________________________________ ik vind hem mooi. / Nee, ik vind hem niet mooi.

150 5 Iets afspreken

Van Start binnen 2020.indd 150

07-02-20 16:22


de schoenen 1

Waar kun je de schoenen kopen?

2

Hoeveel kosten de schoenen?

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

3

Waar staan de schoenen?

_________________________________________________________________________________________________________

4

Zijn de schoenen oud?

_________________________________________________________________________________________________________

5

Vind je de schoenen mooi?

_________________________________________________________________________________________________________

het boek 1

Waar kun je het boek kopen?

_________________________________________________________________________________________________________

2

Hoeveel kost het boek?

_________________________________________________________________________________________________________

3

Waar ligt het boek?

_________________________________________________________________________________________________________

4

Is het boek dik?

_________________________________________________________________________________________________________

5

Vind je het boek interessant?

_________________________________________________________________________________________________________

de telefoon 1

Waar kun je de telefoon kopen?

_________________________________________________________________________________________________________

2

Hoeveel kost de telefoon?

_________________________________________________________________________________________________________

3

Waar ligt de telefoon?

_________________________________________________________________________________________________________

4

Is de telefoon goed?

_________________________________________________________________________________________________________

5

Vind je de telefoon mooi?

_________________________________________________________________________________________________________

5 Iets afspreken 151

Van Start binnen 2020.indd 151

07-02-20 16:22


5B

Kun je een boodschap doorgeven?

20

Lezen

Lees de dialogen in tweetallen.

WhatsApp dialoog 1

< Chats

Hans de Vries

Hoi Marc, raad eens waar ik nu ben! Waar dan? Ik zit heerlijk met een biertje in het park met Simon en Jaap. We zitten te barbecueën. Dat klinkt goed, super! Heb je ook zin om te komen? Het bier staat koud!

Sms dialoog 2

Prima, waar zitten jullie precies? Naast het water, bij het voetbalveld. Oké, tot zo.

< Berichten

Evelien de Jong

Hi, ben je al bijna op het station?

Gezellig!

Ja, ik ben er over vijf minuten. Waar zullen we afspreken? Onder de blauwe borden? Prima, zullen we eerst iets eten en dan gaan winkelen? Goed idee, ik heb ook trek. Misschien bij het lunchcafé vlakbij het station. Leuk, ik zie je zo!

Tot zo!

152 5 Iets afspreken

Van Start binnen 2020.indd 152

07-02-20 16:22


21

Vragen

Beantwoord de vragen bij dialoog 1 en 2. 1 2 3 4 5 6

22

Waar is Hans? Met wie is hij daar? Wat doen ze daar? Wat vraagt hij aan Marc? Waar spreken Julia en Evelien af? Wat gaan ze doen?

Schrijven

Maak de onderstaande dialoog compleet. Mirjam:

Hé Jan, ben jij al bijna klaar met je werk?

Jan:

Ja, ik werk tot 17.00 uur, en jij?

Mirjam:

Ik ben al klaar. Heb je zin om na het werk samen iets te eten?

Jan:

____________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________

Mirjam:

Jan:

Bij Springhaver kun je lekker eten en niet te duur. Zullen we daar naartoe gaan? ____________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________

Mirjam:

Om 17.30 uur?

Jan:

Prima, __________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________

Mirjam:

23

Tot zo!

Lezen en schrijven

Jan en Mirjam hebben in eetcafé Springhaver gegeten. Lees de volgende informatie op de Facebook-pagina van het eetcafé.

5 Iets afspreken 153

Van Start binnen 2020.indd 153

07-02-20 16:22


Zoek naar personen, plaatsen en dingen

Eetcafé Springhaver in Utrecht

Info

Foto’s

Eetcafé Springhaver in Utrecht Duurzaam: Prijsindicatie: Vlakbij het station vind je Springhaver, het oudste café van Utrecht en de gezelligste huiskamer van de stad. Naast het eetcafé vind je het filmhuis met dezelfde naam. Het theatercafé gebruikt biologisch vlees. Toch kunnen de gasten voor betaalbare prijzen een lekkere maaltijd bestellen. Buiten de menukaart kun je kiezen voor de dagelijks wisselende dagschotel. Ook voor het filmprogramma kun je een kijkje nemen op de website.

Adres

Vind ik leuk

Meer Springweg 50 3511 VS Utrecht

Telefoonnummer 030 231 37 89 Website: www.springhaver.nl

Specificaties

Lunch Diner Biologisch Terras

Mirjam heeft Springhaver geliked. Ze schrijft ook waarom ze het een goed eetcafé vindt. Zaterdag ga je zelf bij Springhaver eten. De volgende dag schrijf je een reactie op de Facebook-pagina. Like de pagina en schrijf waarom je het restaurant goed vindt (eten, prijzen, sfeer, muziek, plaats, route enz.). Zoek naar personen, plaatsen en dingen

Vind ik leuk _______________________________________________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________________________

154 5 Iets afspreken

Van Start binnen 2020.indd 154

07-02-20 16:22


24

Spreken

Werk in tweetallen. Beantwoord de vragen. 1 2 3 4 5

Welke sociale media gebruik je zelf (sms, WhatsApp, Twitter, Facebook, Instagram, LinkedIn)? Hoeveel uur per dag gebruik je sociale media? Waarvoor gebruik je sociale media (foto’s, filmpjes, contact, informatie)? Gebruik je sociale media alleen privé of ook voor je werk? Met wie heb je het meeste contact via sociale media?

Taalhulp Woorden van tijd Ellen werkt in een ziekenhuis als verpleegkundige. Kijk naar haar weekagenda en de tekst op de volgende pagina. Ellen vertelt wat ze deze week doet.

16

Maandag

9.00-17.00 werken

17

Dinsdag

18

Woensdag

09.30 afspraak dokter 11.30-12.30 lunchafspraak met Heleen

13.00-21.00 werken

12.00-20.00 werken

20.00 tennissen met Paula

19

Donderdag

20

Vrijdag

07.00-15.00 werken

vrij 19.00 eten met Jaap 20.30 film

21/22

Zaterdag/Zondag

11.00 markt 12.30 lunch bij café Marktzicht 14.00-16.00 wandelen 20.00 concert

14.00 verjaardag Laura 18.00 eten bij Carla

5 Iets afspreken 155

Van Start binnen 2020.indd 155

07-02-20 16:22


om

Om 20.30 uur begint de film.

voor

Voor de film ga ik iets eten met Jaap.

na

Na de film drinken we nog een biertje.

tot

Ik werk op maandag tot 17.00 uur.

van ... tot ...

Ik werk op dinsdag van 13.00 uur tot 21.00 uur.

tussen ... en ...

Op zaterdag lunch ik tussen 12.30 uur en 14.00 uur.

op

Op dinsdag heb ik om 09.30 uur een afspraak bij de dokter.

van ... tot ...

Ik werk vier dagen: van maandag tot donderdag.

in

In het weekend ben ik vrij.

aanstaande

Aanstaande zondag ga ik naar de verjaardag van Laura.

komende

Komende woensdag moet ik werken.

volgend(e)

Volgend weekend werk ik niet. Volgende week heb ik rijexamen.

over

Over drie weken heb ik vakantie.

eerst

Eerst ga ik met mijn man naar de markt.

dan

Dan lunchen we bij cafĂŠ Marktzicht.

daarna

Daarna gaan we wandelen.

ten slotte

Ten slotte gaan we â&#x20AC;&#x2122;s avonds naar een concert.

25

Woorden

Kies het goede woord. Voorbeeld:

Eerst / Ten slotte ga ik ontbijten, daarna ga ik naar mijn werk. 1

In / Om / Van 20.00 uur ga ik tennissen met Saskia. Over / Na / Tot het werk ga ik eten met Jaap. 3 Het concert duurt van 20.00 uur op / tot / en 22.15 uur. 4 Volgend / Volgende week heb ik op donderdag een afspraak bij de kapper. 5 Op / Over / In het weekend wil ik veel vrienden bezoeken. 6 Op / Van / Na dinsdag heb ik om 11.30 uur een lunchafspraak met Heleen. 7 Op zaterdag gaan we tussen 14.00 tot / en / op 16.00 uur wandelen. 8 In / Van / Na het eten bij Rogier ga ik naar de verjaardag van Laura. 9 Ik werk deze week van / op / tussen maandag tot donderdag. 10 De werkdag begint over / tot / om 9.00 uur. 2

156 5 Iets afspreken

Van Start binnen 2020.indd 156

07-02-20 16:22


26

Spreken

Vul je eigen weekagenda in. Schrijf bij elke dag minimaal ĂŠĂŠn activiteit. Werk daarna in tweetallen. Vertel elkaar wat je deze week gaat doen. Gebruik de woorden van tijd (op maandag, in het weekend, om 16.00 uur enz.).

16

Maandag

17

Dinsdag

19

Donderdag

20

Vrijdag

27

18

21/22

Woensdag

Zaterdag/Zondag

Schrijven

Maak de zinnen compleet. Voorbeeld:

ga ik op vakantie naar Spanje Volgende week ____________________________________________________________________________________ . 1

Op zaterdag _____________________________________________________________________________________ . 2 Om 8.15 uur ____________________________________________________________________________________ . 3 Van maandag tot vrijdag ____________________________________________________________________ . 4 In de vakantie __________________________________________________________________________________ .

5 Iets afspreken 157

Van Start binnen 2020.indd 157

07-02-20 16:22


5

Eerst ga ik _______________________________________________________________________________________ . Dan ________________________________________________________________________________________________ . Daarna ____________________________________________________________________________________________ . Ten slotte ________________________________________________________________________________________ . 6 Na de les _________________________________________________________________________________________ . 7 Over twee weken _____________________________________________________________________________ . 8 Aanstaande donderdag ______________________________________________________________________ . 9 Van 12.00 uur tot 13.00 uur ________________________________________________________________ . 10 In het weekend ________________________________________________________________________________ .

Taalhulp

Luisteren en lezen

Telefoneren Met Jan. Is Albert thuis? Hoi, met Jan. Is Albert er ook?

Momentje. Ik zal even kijken. Ja hoor. Ik zal hem even roepen. Nee, Albert is er niet. Kan ik een boodschap doorgeven?

Ja, kun je doorgeven dat onze afspraak vandaag niet doorgaat?

OkĂŠ, ik geef het door.

Kun je hem vragen of hij me terugbelt?

Ja, dat zal ik doen.

Dank je. Fijne dag! Doei, dag, tot ziens!

Graag gedaan, jij ook!

Dit is de voicemail van Maria van der Linden. Spreek iets in na de piep, dan bel ik je terug.

28

Taalhulp

Luisteren en lezen

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1 2 3 4 5 6

Is Anna thuis? Is Anna er ook? Momentje, ik zal even kijken. Ja hoor, ik zal haar even roepen. Kan ik een boodschap doorgeven? Kun je doorgeven dat ik later kom?

158 5 Iets afspreken

Van Start binnen 2020.indd 158

07-02-20 16:22


7

Kun je haar vragen of ze me terugbelt? 8 OkĂŠ, ik geef het door. 9 Dat zal ik doen. 10 Graag gedaan, dag!

29

Schrijven, spreken

Maak de dialoog compleet. Lees hem daarna in tweetallen voor. Met Esther.

Hoi Esther, met Erik. Is Mark er ook?

Ja hoor, _______________________________________ .

Met Mark.

Hoi Mark, met Erik. Hoe gaat het?

Hoi! Het gaat goed, ______________________________________

?

Oh lekker, wat ga je doen?

OkĂŠ, jammer. Misschien een andere keer.

Prima, wanneer en hoe laat?

Graag, zullen we ?

______________________________________

Komt dat jou ook goed uit?

Tot dan en een fijne dag!

Ook goed, vandaag ben ik lekker vrij!

Ik ___________________________________________ . Heb je zin om mee te gaan?

Dat is een leuk idee, maar ik kan helaas niet, want ______________ ________________________.

______________________________________

Dank je!

Dat is goed, tot dan!

Jij ook, doei!

5 Iets afspreken 159

Van Start binnen 2020.indd 159

07-02-20 16:22


30

Luisteren

Je hoort vier telefoondialogen. Vrienden maken afspraken. Schrijf in de tabel wat ze gaan doen, op welke dag en hoe laat. activiteit

dag

tijd

dialoog 1

dialoog 2

dialoog 3

dialoog 4

31

Luisteren en spreken

Luister naar de zinnen en geef een reactie. Gebruik de taalhulp voor telefoneren.

32

Spreken

Werk in een groepje van drie. Kijk naar het plaatje. Eén cursist is Albert, één cursist is Simon en één cursist is Nathalie. Lees de situaties en voer telefoongesprekken. Gebruik de taalhulp voor telefoneren. 1

Albert belt Nathalie. Ze maken een afspraak voor een lunchcafé. 2 Albert krijgt Nathalie aan de telefoon, maar wil met Simon spreken. Simon is er niet. Albert vraagt Nathalie om een boodschap door te geven (de lunchafspraak met Simon kan niet doorgaan). Nathalie geeft de boodschap later door aan Simon. 3 Albert en Nathalie doen een cursus Frans. Albert belt Nathalie. Albert is ziek en vraagt Nathalie om een boodschap aan hun docent door te geven (Albert kan niet naar de les komen). 4 Albert krijgt Nathalie aan de telefoon, maar wil met Simon spreken. Simon komt aan de telefoon. Albert heeft vertraging met de trein en komt een beetje later.

160 5 Iets afspreken

Van Start binnen 2020.indd 160

07-02-20 16:22


Grammatica Voegwoord: omdat (conjunctie) Twee zinnen combineren: voegwoord

onderwerp

rest

werkwoord

Hij gaat naar de dokter

omdat

hij

ziek

is.

Zij gaat vroeg naar bed

omdat

zij

moe

is.

Peter neemt de bus

omdat

zijn fiets

kapot

is.

Vergelijk:

Hij gaat naar de dokter want hij is ziek. → werkwoord na het onderwerp. Hij gaat naar de dokter omdat hij ziek is. → werkwoord aan het eind van de zin.

Regel:

Gebruik je omdat? → werkwoord aan het eind van de zin.

33

Grammatica

Combineer de zinnen met een lijn. 1

Julia neemt de trein naar Utrecht a omdat zijn werk nog niet klaar is. Ze gaan in restaurant Zeezicht b omdat hij veel contact met zijn familie wil eten hebben. 3 Esther gaat zaterdag winkelen c omdat ze dan moet werken. 4 Hans blijft langer op zijn werk d omdat Marjan en Simon vanavond komen eten. 5 Hij gebruikt Skype e omdat het eten daar lekker is. 6 Ze kan zondag niet naar het f omdat ze daar een afspraak met Valerie feest komen heeft. 7 Ik ga lekker koken g omdat ze een nieuwe jas wil kopen. 2

5 Iets afspreken 161

Van Start binnen 2020.indd 161

07-02-20 16:22


34

Spreken

Werk in tweetallen. Geef antwoord op de vragen. Voorbeeld: 1

Omdat _________________________________________________ ik ziek ben .

Waarom ga je vandaag niet naar je werk?

Waarom leer je Nederlands?

Omdat __________________________________________________________ . 2 Waarom kom je met de bus? Omdat __________________________________________________________ ____________________________________________________________________ . 3 Waarom kom je niet naar de les? Omdat __________________________________________________________ ____________________________________________________________________ . 4 Waarom zoek je een nieuwe baan? Omdat __________________________________________________________ ____________________________________________________________________ . 5 Waarom woon je in Utrecht? Omdat __________________________________________________________ ____________________________________________________________________ . 6 Waarom stuur je de docent een mail? Omdat __________________________________________________________ ____________________________________________________________________ . 7 Waarom gebruik je Skype? Omdat __________________________________________________________ ____________________________________________________________________ . 8 Waarom drink je geen koffie? Omdat __________________________________________________________ ____________________________________________________________________ . 9 Waarom bel je je vriend? Omdat __________________________________________________________ ____________________________________________________________________ . 10 Waarom ga je naar de sportschool? Omdat __________________________________________________________ ____________________________________________________________________ .

____________________________________________________________________

Grammatica Voegwoord: als (conjunctie) Twee zinnen combineren: onderwerp

werkwoord

rest

voegwoord

onderwerp

rest

werkwoord

Ik

ga

met de fiets

als

het

morgen

regent.

Hij

gaat

naar huis

als

zijn werk

klaar

is.

Zij

geeft

een feest

als

ze

jarig

is.

Regel:

Gebruik je als? â&#x2020;&#x2019; werkwoord aan het eind van de zin.

162 5 Iets afspreken

Van Start binnen 2020.indd 162

07-02-20 16:23


35

Spreken

Werk in tweetallen. Lees de vragen en de antwoorden. Bedenk vanaf 7 zelf vragen en antwoorden. Voorbeeld:

Wanneer gebruik je een paraplu? Als ______________________________________________________ het regent .

1

Wanneer ga je naar bed? Wanneer ben je moe? 3 Wanneer ga je sporten? 4 Wanneer word je te dik? 5 Wanneer eet je te veel chocola? 6 Wanneer moet je veel studeren? 7 Wanneer heb je een toets? 8 Wanneer ___________________________________ . 9 Wanneer ___________________________________ . 10 Wanneer ___________________________________ . 2

Als ik moe ben. Als ik een uur intensief sport. Als ik te dik ben. Als ik te veel chocola eet. Als ik moet studeren. Als ik een toets heb. Als _______________________________________________________________ . Als _______________________________________________________________ . Als _______________________________________________________________ . Als _______________________________________________________________ .

Grammatica Voegwoord: dat (conjunctie) Directe rede

Indirecte rede

Casper: ‘Ik ben moe.’

Casper zegt dat hij moe is.

Nathalie: ‘Ik vind Nederlands moeilijk.’ Nathalie zegt dat ze Nederlands moeilijk vindt. Lotte: ‘Morgen wordt het mooi weer.’

Lotte zegt dat het morgen mooi weer wordt.

Theo: ‘Ik heb weinig tijd.’

Theo zegt dat hij weinig tijd heeft.

Let op de woordvolgorde bij indirecte rede: voegwoord

onderwerp

rest

werkwoord

zegt

dat

hij

moe

is.

zegt

dat

ze

Nederlands moeilijk

vindt.

onderwerp

werkwoord

Casper Nathalie

Regel:

rest

Gebruik je dat? → werkwoord aan het eind van de zin.

5 Iets afspreken 163

Van Start binnen 2020.indd 163

07-02-20 16:23


36

Grammatica

Maak de zinnen indirect. Voorbeeld:

Peter: ‘Ik heb een nieuwe auto.’ Peter zegt dat _________________________________________________________________________________ hij een nieuwe auto heeft . 1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

37

Anne: ‘Alle winkels moeten op zondag open zijn.’ Anne vindt dat _________________________________________________________________________________ . Carolien: ‘Morgen gaat de les niet door.’ Carolien vertelt dat ___________________________________________________________________________ . Maarten: ‘Ik kan vandaag niet naar de les komen.’ Maarten zegt dat ______________________________________________________________________________ . Moniek: ‘Ik kom vandaag een beetje later.’ Moniek zegt dat _______________________________________________________________________________ . Julia: ‘De huizen in Nederland zijn te duur.’ Julia vindt dat __________________________________________________________________________________ . Maria: ‘Ik ga in augustus trouwen.’ Maria vertelt dat _______________________________________________________________________________ . Hans: ‘Ik ga in juli op vakantie naar Frankrijk.’ Hans vertelt dat _______________________________________________________________________________ . Evelien: ‘Ik heb een nieuwe baan.’ Evelien vertelt dat ___________________________________________________________________________ . Karin: ‘Ik heb het koud.’ Karin zegt dat __________________________________________________________________________________ . Joost: ‘Het is een interessante film.’ Joost vindt dat _________________________________________________________________________________ .

Lezen

Lees de tekst.

Wat vind jij van Twitter? Twitter, wat is dat? ............................................................ (0%) Ik ken Twitter wel, maar gebruik het niet. ......................... (26,1%) Ik heb een Twitteraccount, maar het is niets nieuws......... (21,7%) Twitter is wel leuk maar niet meer dan dat. ...................... (21,7%) Met Twitter kan je veel doen. ............................................ (21,7%) Twitter, helemaal super! ................................................... (4,3%) Geen mening .................................................................... (0%) Anders: ............................................................................ (4,3%)

Wat vind je zelf van Twitter?

164 5 Iets afspreken

Van Start binnen 2020.indd 164

07-02-20 16:23


38

Lezen

Lees de tekst.

Meningen over Twitter Iedereen heeft een mening over Twitter. Je vindt Twitter leuk en handig of je vindt het helemaal niks. Hieronder geven vier mensen hun mening over Twitter.

1 Frank de Graaf: 140 tekens kan nooit genoeg zijn. Met zo weinig tekens kun je niets vertellen.

2 Esther de Bruin: Twitter is heel belangrijk. Het is leuk voor je persoonlijke leven. Ook is het goed voor het werk. Veel bedrijven gebruiken Twitter om reclame te maken en om contacten te leggen. Het is een geweldige manier om een relatie op te bouwen met klanten.

3 Maaike de Jong: Ik vind Twittertaal onbegrijpelijk. De teksten staan vol met afkortingen en vreemde woorden. Hoe moet ik weten wat woorden als tweet, tweep en hashtag betekenen? Misschien praat je na een tijdje vanzelf mee, maar ik vind het moeilijk om de teksten zo te lezen.

4 Erik Jansen: Ik kan beter werken met LinkedIn of Facebook. Dan heb ik meer mogelijkheden. Het is beter voor het werk en meer mensen gebruiken het. Bron: Blog van Anne Raaymakers, 7 mythes over Twitter

39

Grammatica

Lees de tekst bij oefening 38. Schrijf op wat Esther, Maaike en Erik van Twitter vinden. Maak een zin met â&#x20AC;&#x2DC;datâ&#x20AC;&#x2122;. 1

je met 140 tekens niets kunt vertellen . Frank vindt dat _______________________________________________________________________________

2

Esther vindt dat _______________________________________________________________________________ .

3

Maaike vindt dat ______________________________________________________________________________ .

4

Erik vindt dat __________________________________________________________________________________ .

5

Ik vind dat _______________________________________________________________________________________ .

5 Iets afspreken 165

Van Start binnen 2020.indd 165

07-02-20 16:23


Woordenlijst Thema 5 aanraden _________________________________ aanstaand(e) _________________________________ als _________________________________ avondeten (het) _________________________________ barbecueën _________________________________ bestellen _________________________________ biertje (het), biertjes _________________________________ boodschap (de) _________________________________ broodje (het), broodjes _________________________________ compleet _________________________________ dessert (het), desserts _________________________________ doorgaan _________________________________ doorgeven _________________________________ e-mail (de), e-mails _________________________________ eraan (komt eraan) _________________________________ eten _________________________________ examen (het), examens _________________________________ garage (de), garages _________________________________ gebruikt (gebruiken) _________________________________ gegeten (eten) _________________________________ gehoord (horen) _________________________________ geld (het) _________________________________ gesloten _________________________________ gesmaakt (smaken) _________________________________ groeten _________________________________ groetjes _________________________________ hoek (de), hoeken _________________________________ hoofdgerecht (het), hoofdgerechten _________________________________ inderdaad _________________________________ kapot _________________________________ keuze (de), keuzes _________________________________ kiezen _________________________________ klaar _________________________________ klinkt (klinken) _________________________________ koken _________________________________ komend(e) _________________________________ kwijt _________________________________ laat (laat maar zitten) _________________________________ lunch (de) _________________________________

lunchcafé (het), lunchcafés _________________________________ meegaan _________________________________ menukaart (de), menukaarten _________________________________ met (je spreekt met Jan) _________________________________ moe _________________________________ na _________________________________ naast _________________________________ negatief _________________________________ ober (de), obers _________________________________ of _________________________________ omdat _________________________________ ontbijt (het) _________________________________ op _________________________________ over (over twee dagen) _________________________________ pasta (de), pasta’s _________________________________ persoon (de), personen _________________________________ picknick (de), picknicks _________________________________ picknicken _________________________________ pizza (de), pizza’s _________________________________ plan (het), plannen _________________________________ positief _________________________________ privé _________________________________ raad (raden) _________________________________ regent (regenen) _________________________________ rekening (de), rekeningen _________________________________ reserveren _________________________________ rest (de) _________________________________ restaurant (het), restaurants _________________________________ roepen _________________________________ schilderij (het), schilderijen _________________________________ sfeer (de) _________________________________ sleutel (de), sleutels _________________________________ smaakt (smaken) _________________________________ smakelijk _________________________________ snackbar (de), snackbars _________________________________ sociale media (de) _________________________________ spannend _________________________________

166 5 Iets afspreken

Van Start binnen 2020.indd 166

07-02-20 16:23


stuurt (sturen) _________________________________ tandarts (de), tandartsen _________________________________ tas (de), tassen _________________________________ telefoneren _________________________________ telefoon (de), telefoons _________________________________ telefoongesprek (het), -gesprekken _________________________________ ten slotte _________________________________ terras (het), terrassen _________________________________ terugbelt (terugbellen) _________________________________ toetje (het), toetjes _________________________________ toets (de), toetsen _________________________________ trek (ik heb trek) _________________________________ tussen _________________________________ uitkomen (komt dat uit?) _________________________________ vakantie (de), vakanties _________________________________

vergeet (vergeten) verhaal (het), verhalen verrukkelijk vertelt (vertellen) voetbalveld (het), voetbalvelden volgend(e) voorgerecht (het), voorgerechten want weer (het) weten wijntje (het), wijntjes wordt (worden) zalig zin (ik heb zin in koffie) zitten (laat maar zitten) zullen

_________________________________

_________________________________ _________________________________ _________________________________

_________________________________ _________________________________

_________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________

_________________________________ _________________________________ _________________________________

_________________________________

_________________________________ _________________________________

5 Iets afspreken 167

Van Start binnen 2020.indd 167

07-02-20 16:23


6

Reizen, openbaar vervoer

168

Van Start binnen 2020.indd 168

07-02-20 16:23


6A

Van welk perron vertrekt de trein?

1

Luisteren en lezen

A Luister naar de dialogen. Lees mee. Dialoog 1

De trein naar Amsterdam

Hakim woont in Apeldoorn. Hij is zakenman en reist veel met de trein. Vandaag heeft hij een afspraak met een klant in Amsterdam. Hij is op het station in Apeldoorn en moet met de trein naar Amsterdam. Hij gaat naar de informatiebalie van de NS in de stationshal.

Hakim: Meneer, mag ik u wat vragen? Medewerker NS: Ja, natuurlijk. Hakim: Ik moet met de trein naar Amsterdam. Is er een rechtstreekse trein van Apeldoorn naar Amsterdam? Medewerker NS: Nee, u moet in Amersfoort overstappen. Hakim: Hoe laat en van welk spoor vertrekt de volgende trein? Medewerker NS: Die vertrekt om 10.13 van spoor 1. Hakim: Dank u wel. En hoe laat ben ik dan in Amersfoort? Medewerker NS: Om 10.37. Dan vertrekt de trein uit Amersfoort naar Amsterdam om 10.56. U hebt dus ongeveer 20 minuten om over te stappen. Hakim: OkĂŠ, dat is genoeg tijd. En hoe laat ben ik dan in Amsterdam? Medewerker NS: Om 11.30. Hakim: Hoeveel kost een enkele reis? Medewerker NS: U reist buiten de spits, dus u reist met 40% korting. Een enkele reis Apeldoorn-Amsterdam met korting kost â&#x201A;Ź 9,10. Hakim: Hartelijk dank voor de informatie. Medewerker NS: Graag gedaan, en goede reis.

6 Reizen, openbaar vervoer 169

Van Start binnen 2020.indd 169

07-02-20 16:23


Dialoog 2

Met de metro of met de tram?

Hakim is met de trein in Amsterdam aangekomen. Hij heeft een afspraak met een klant op de Prinsengracht. Hij gaat naar de informatiebalie van het OV (openbaar vervoer) in Amsterdam.

Hakim: Meneer, kunt u me helpen? Medewerker OV: Ja hoor, wat kan ik voor u doen? Hakim: Ik heb een afspraak hier in Amsterdam, op de Prinsengracht. Kan ik daar met de metro komen? Medewerker OV: Nee, de metro komt daar niet in de buurt. U kunt beter een tram nemen. Hakim: OkĂŠ, en waar vertrekken de trams? Medewerker OV: De tramhaltes zijn buiten de stationshal, tegenover de ingang. Hakim: Dank u wel. En welke tram kan ik het beste nemen? Medewerker OV: U kunt lijn 1, lijn 4 of lijn 5 nemen. De trams komen om de tien minuten, dus u hoeft niet lang te wachten. Hakim: Prima. O ja, nog een vraag. Kan ik met mijn OV-chipkaart in de tram reizen? Medewerker OV: Natuurlijk. Gewoon inchecken als u in de tram stapt. Hakim: OkĂŠ, duidelijk. Bedankt. Medewerker OV: Tot uw dienst.

170 6 Reizen, openbaar vervoer

Van Start binnen 2020.indd 170

07-02-20 16:23


B Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee en zeg na. Dialoog 1

Dialoog 2

Mag ik u wat vragen? Ja, natuurlijk. Ik moet met de trein naar (Amsterdam). Is er een rechtstreekse trein van (Apeldoorn) naar (Amsterdam)? Nee, u moet in (Amersfoort) overstappen. Hoe laat en van welk spoor vertrekt de volgende trein? De trein vertrekt om (10.13) van spoor (1). Hoe laat ben ik dan in (Amersfoort)? Om (10.37). U hebt ongeveer 20 minuten om over te stappen. Dat is genoeg tijd. Hoeveel kost een enkele reis? Buiten de spits reist u met 40% korting. Een enkele reis met korting kost (â&#x201A;Ź 9,10). Hartelijk dank voor de informatie. Graag gedaan, en goede reis.

Kunt u me helpen? Ja hoor, wat kan ik voor u doen? Kan ik daar met de metro komen? Nee, de metro komt daar niet in de buurt. U kunt beter een tram nemen. Waar vertrekken de trams? De tramhaltes zijn buiten de stationshal, tegenover de ingang. Welke tram kan ik het beste nemen? U kunt lijn (1) of lijn (4) nemen. De trams komen om de tien minuten. U hoeft niet lang te wachten. Nog een vraag. Kan ik met mijn OV-chipkaart in de tram reizen? Natuurlijk. Gewoon inchecken als u in de tram stapt. OkĂŠ, duidelijk. bedankt. Tot uw dienst.

2

Luisteren en lezen

Beantwoord de vragen.

Dialoog 1

1

Wat is Hakims beroep? _________________________________________________________________________________________________________

2

Waarom gaat hij naar Amsterdam? _________________________________________________________________________________________________________

3

Is er een rechtstreekse trein naar Amsterdam? _________________________________________________________________________________________________________

4

Hoe laat en van welk spoor vertrekt de trein? _________________________________________________________________________________________________________

5

Hoeveel overstaptijd heeft hij in Amersfoort? _________________________________________________________________________________________________________

6

Hoe laat komt hij aan in Amsterdam? _________________________________________________________________________________________________________

7

Wat kost een enkele reis naar Amsterdam? _________________________________________________________________________________________________________

6 Reizen, openbaar vervoer 171

Van Start binnen 2020.indd 171

07-02-20 16:23


Dialoog 2

8

Hoe kan hij het beste naar de Prinsengracht gaan?

9

Waar zijn de tramhaltes?

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

10

Moet hij lang op de tram wachten? _________________________________________________________________________________________________________

3

Woorden

Vul het goede woord in. Kies uit:

automaat – graag – kost – laat – lijn – naar – om – overstappen – spoor – tramhalte

1

Van welk _____________________________ spoor vertrekt de trein naar Amsterdam?

2 Hoeveel _____________________________

een enkele reis van Utrecht Den Haag? 3 Is dit een directe trein naar Groningen? Nee, u moet in Zwolle _____________________________ . 4 Welke bus gaat naar het centrum? U kunt het beste ___________________________ 5 nemen. 5 Waar kan ik een kaartje kopen? Bij de _____________________________ of bij de servicebalie. 6 Hoe _____________________________ vertrekt de trein naar Maastricht? De trein vertrekt _____________________________ 11.15. 7 Waar vertrekt de tram? De _____________________________ is op het stationsplein. 8 Bedankt voor de informatie. _____________________________ gedaan. _____________________________

172 6 Reizen, openbaar vervoer

Van Start binnen 2020.indd 172

07-02-20 16:23


Taalhulp

Vervoermiddelen, reizen met OV (openbaar vervoer)

Vervoermiddelen

de trein

de bus

de tram

de auto

de taxi

de metro

de fiets

de scooter

de motorfiets

het vliegtuig

de boot

Ik ga met de trein / de auto / de fiets / de bus / de metro / de taxi / het vliegtuig / ... Ik neem de trein / de auto / de fiets / de bus / de metro / de taxi / het vliegtuig / ... Ik ga te voet. / Ik ga lopend. / Ik loop. werkwoorden: rijden / fietsen / lopen / vliegen / varen

6 Reizen, openbaar vervoer 173

Van Start binnen 2020.indd 173

07-02-20 16:23


Hoe ga je naar je werk? Hoelang duurt dat?

Met de fiets. 20 minuten.

Hoe gaat u van Utrecht naar Amsterdam? Hoelang bent u onderweg?

Met de trein. Een halfuur.

Hoe reis je naar New York? Hoelang is de vlucht?

Met het vliegtuig. Zes uur.

reiziger

medewerker informatiebalie

de trein Hoe laat vertrekt de volgende trein naar Amsterdam?

Om 11.15.

Van welk spoor?

Van spoor 5.

Is dat een directe trein?

Nee, u moet overstappen.

Waar moet ik overstappen?

In Hilversum.

Waar kan ik een OV-chipkaart kopen?

Bij de automaat of bij de servicebalie.

de bus / de tram / de metro Waar vertrekken de bussen?

Van het stationsplein.

Welke bus gaat naar het centrum?

U kunt lijn 1 en lijn 4 nemen.

Waar zijn de tramhaltes?

Tegenover het station.

Waar is het metrostation?

Direct buiten het station. U ziet de ingang links.

het vliegtuig Waar moet ik inchecken voor de vlucht naar New York?

In vertrekhal 2, bij balie 15. Reist u alleen met handbagage?

Nee, ik heb ook een koffer.

U kunt uw bagage ook inchecken bij balie 15.

Bij welke gate moet ik zijn?

Bij gate 30B. Boarding time is 10.15.

174 6 Reizen, openbaar vervoer

Van Start binnen 2020.indd 174

07-02-20 16:23


4

Taalhulp

Luisteren

Vier personen vertellen over hun reis. Luister naar de informatie. Maak het schema compleet. Naam

Waar naartoe?

Vervoermiddel(en)

Hoelang duurt de reis?

Peter

Den Haag

________________________________

normaal: met file:

Marjan

________________________________

met de fiets

________________________________

John

________________________________

1 met de trein 2 ________________________________

1 _______________________________ 2 _______________________________ totaal: ________________________

Heleen

5

________________________________

1 _______________________________ 2 met de trein 3 _______________________________

1 _______________________________ 2 _______________________________ 3 _______________________________ totaal: 40 minuten

Taalhulp

Spreken

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15

Hoe laat vertrekt de trein naar Amsterdam? De trein vertrekt om 8.45. Hoe ga je naar je werk? Ik ga met de auto naar mijn werk. Welke bus gaat naar het centrum? U kunt lijn 2 of lijn 4 nemen. Waar kan ik een taxi nemen? De taxi’s staan tegenover het station. Van welk spoor vertrekt de volgende trein naar Utrecht? De volgende trein vertrekt van spoor 5B. Ik ga met het vliegtuig naar Londen. Hoelang is de vlucht van Amsterdam naar Londen? De vlucht duurt ongeveer één uur. U kunt inchecken in vertrekhal 3, bij balie 18. Daarna moet u door de paspoortcontrole.

6 Reizen, openbaar vervoer 175

Van Start binnen 2020.indd 175

07-02-20 16:23


6

Taalhulp

Spreken

Werk in tweetallen. Stel elkaar de volgende vragen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Hoe kom je naar de cursus? Hoelang duurt dat? Heb je een baan? Zo ja, waar werk je? Hoe ga je naar je werk? Studeer je? Zo ja, wat studeer je en waar? Hoe ga je naar je school of opleiding? Hoe reis je van jouw land naar Nederland? Hoelang duurt de reis? Hoe ga je naar de supermarkt in jouw buurt? Hoelang ben je dan onderweg? Hoe ga je naar de winkels in het centrum van jouw stad of dorp? Ga je dit jaar op vakantie? Waar naartoe? Hoe reis je dan, en hoelang duurt dat? Blijf je komend weekend thuis, of ga je ergens naartoe? Waar naartoe, en hoe? Reis je liever met de trein of met de auto? Waarom? Ga je weleens met een taxi in Nederland? En in je eigen land?

Grammatica Vergelijken: vergrotende trap (comparatief ) bijvoeglijk naamwoord (adjectief )

vergrotende trap (comparatief )

klein

kleiner

groot

groter

Nederland is klein. Duitsland is groot. Nederland is kleiner dan Duitsland. Duitsland is groter dan Nederland. warm

warmer

koud

kouder

Spanje is warm. Nederland is koud. Spanje is warmer dan Nederland. Nederland is kouder dan Spanje. langzaam

langzamer

snel

sneller

Een fiets rijdt langzaam. Een brommer rijdt snel. Een fiets rijdt langzamer dan een scooter. Een scooter rijdt sneller dan een fiets.

176 6 Reizen, openbaar vervoer

Van Start binnen 2020.indd 176

07-02-20 16:23


goedkoop

goedkoper

duur

duurder

Let op:

laatste letter van adjectief = -r comparatief: -der

duur – duurder

ver – verder

zwaar – zwaarder

De supermarkt Albert Heijn is duurder dan de Jumbo. Maastricht ligt verder van Amsterdam dan van Utrecht. Een persoon van 80 kilo is zwaarder dan een persoon van 60 kilo. Ik vind rode wijn lekkerder dan witte wijn.

lekker – lekkerder

Speciale vormen: veel – meer

weinig – minder

goed – beter

graag – liever

Ik begrijp nu meer Nederlands dan aan het begin van de cursus. In Spanje regent het minder dan in Nederland. Het openbaar vervoer in Japan is beter dan in China. Bij het ontbijt drink ik thee, maar bij de lunch drink ik liever melk.

7

Grammatica

Vul de vergrotende trap in. Voorbeeld:

(koud)

In Nederland is het _____________________________ kouder dan in Spanje.

1

(klein) De stad Utrecht is _____________________________ dan de stad Amsterdam. 2 (oud) Ik ben 20 jaar, mijn zus is 17. Ik ben drie jaar ___________________________ dan mijn zus. 3 (warm) In Zuid-Europa is het ____________________________ dan in Noord-Europa. 4 (groot) Duitsland is _____________________________ dan Nederland. 5 (vaak) Ik ga ____________________________ naar de bioscoop dan naar een concert. 6 (laat) In het weekend gaan we _____________________________ naar bed dan door de week. 7 (dun) Een sigaret is _____________________________ dan een sigaar. 8 (wit) Deze tandpasta maakt uw tanden _____________________________ ! 9 (dik) Op zaterdag is de krant _____________________________ dan door de week. 10 (goed) Ik ben een jaar in Nederland. Ik spreek _____________________________ Nederlands dan vorig jaar. 11 (veel) In Rotterdam wonen ___________________________ mensen dan in Utrecht. 12 (ver) Utrecht is _____________________________ van Den Haag dan van Amsterdam. 13 (graag) Wat wil je drinken, koffie of thee? Ik wil _____________________________ koffie.

6 Reizen, openbaar vervoer 177

Van Start binnen 2020.indd 177

07-02-20 16:23


14

(duur) Een huis in het westen van Nederland is _____________________________ dan in het oosten. 15 (langzaam) Met de bus reist u _____________________________ dan met de trein.

8

Grammatica en spreken

Werk in tweetallen of kleine groepen. Stel elkaar de volgende vragen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Hoe is het weer in jouw land? Beter of slechter dan in Nederland? Wat drink je liever, thee of koffie? Wat vind je leuker, naar de film gaan of naar een concert? Wat vind je moeilijker in het Nederlands, spreken of schrijven? Wat vind je makkelijker in het Nederlands, lezen of luisteren? Zijn de supermarkten in jouw land duurder of goedkoper dan in Nederland? Kosten de huizen in jouw land meer of minder dan in Nederland? Ga je liever met de auto of met de bus naar je werk of studie? Ga je binnen de stad liever met de fiets of met de auto? Hoelang ben je in Nederland? Korter of langer dan een jaar?

Grammatica Vergelijken: overtreffende trap (superlatief ) bijvoeglijk naamwoord (adjectief )

overtreffende trap (superlatief )

klein

het kleinste

groot

het grootste

Nederland is klein. Duitsland is groot. Rusland is heel groot. Nederland is het kleinste land. Rusland is het grootste land. warm

het warmste

koud

het koudste

Spanje is warm. Nederland is koud. IJsland is heel koud. Spanje is het warmste land. IJsland is het koudste land.

178 6 Reizen, openbaar vervoer

Van Start binnen 2020.indd 178

07-02-20 16:23


langzaam

het langzaamste

snel

het snelste

Een fiets rijdt langzaam. Een brommer rijdt snel. Een auto rijdt heel snel. Een fiets rijdt het langzaamst(e). Een auto rijdt het snelst(e). Speciale vormen: veel – het meeste

weinig – het minste

goed – het beste

graag – het liefste

De meeste Nederlanders wonen in het westen van Nederland. De minste Nederlanders wonen in de provincies Drenthe en Overijssel. Ajax is dit jaar het beste team, ze zijn kampioen van Nederland. In de vakantie gaan veel Nederlanders het liefste naar Frankrijk.

9

Grammatica

Vul de superlatief in. Voorbeeld:

(koud)

IJsland is het _____________________________ koudste land van Europa.

1

(groot) Amsterdam is de _____________________________ stad van Nederland. (warm) De zomer is het _____________________________ seizoen van het jaar. 3 (duur) Een Mercedes is een van de _____________________________ auto’s. 4 (jong) Jan is 3 jaar, Piet is 5 jaar en Karel is 8 jaar. Jan is de _____________________________ . 5 (langzaam) Van alle transportmiddelen is de fiets het __________________________ . 6 (gezellig) Hier in de straat is het _____________________________ café van de stad. 7 (veel) De _____________________________ mensen wonen in het westen van Nederland. 8 (druk) Station Utrecht CS is het _____________________________ station van Nederland. 9 (hoog) De Domtoren in Utrecht is de _____________________________ kerk toren van Nederland. 10 (graag) Ik ga nooit met de bus of de trein, ik reis het _____________________________ met de auto. 11 (snel) De _____________________________ manier van reizen naar Rome is met het vliegtuig. 12 (goed) De _____________________________ rode wijn van Europa komt uit Frankrijk. 2

6 Reizen, openbaar vervoer 179

Van Start binnen 2020.indd 179

07-02-20 16:23


10

Grammatica en spreken

Werk in tweetallen of kleine groepen. Stel elkaar de volgende vragen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

11

Wat vind je het makkelijkste in het Nederlands: spreken, lezen of luisteren? Wat vind je het moeilijkste: Nederlandse grammatica, uitspraak of spelling? Wat is het beste seizoen van het jaar: de herfst, de winter, de lente of de zomer? Wat is de snelste manier van reizen in een Nederlandse stad: de fiets, de bus of de auto? Welk openbaar vervoer in Nederland is het beste: de bus, de tram of de trein? Welk openbaar vervoer in jouw land is het beste? Waarom? Met welke vervoermiddel reis jij het liefste? Waarom? Wat is de beste film van afgelopen jaar? Waarom? Wat is de leukste stad in Nederland? Waarom? Wat is het mooiste land van de wereld? Waarom?

Lezen

Lees de tekst en beantwoord de vragen.

Met de NS naar Dierenpark Emmen

Kom naar dierenpark Emmen, ĂŠĂŠn van de mooiste dierentuinen van Europa. In alle seizoenen, bij mooi maar ook bij slecht weer, want een groot deel van het park is overdekt. In Dierenpark Emmen kun je veel dieren van dichtbij bekijken. Soms loop je echt tussen de dieren, bijvoorbeeld vogels en apen in de tropische jungle of vlinders in de vlindertuin. In Dierenpark Emmen leven veel bijzondere dieren. Leeuwen bijvoorbeeld, maar ook olifanten. Vorige maand zijn er twee baby-olifanten geboren: Radza Junior en Ravi. Die moet je zien!

180 6 Reizen, openbaar vervoer

Van Start binnen 2020.indd 180

07-02-20 16:23


Er is ook een speciaal gebied, de savanne. In dit gebied lopen giraffes, neushoorns, zebra’s, gnoes, impala’s, struisvogels en andere savannedieren door elkaar. Daar krijg je echt het idee dat je in een andere wereld bent. Ga naar onze website en bestel snel je supervoordelige combiticket voor trein + Dierenpark Emmen voor slechts € 26. Voor kinderen van 4 t/m 11 jaar betaal je slechts € 15. Kinderen t/m 3 jaar hebben gratis entree. Inbegrepen in dit uitje: • e-ticket dagretour naar Emmen. • e-ticket entree Dierenpark Emmen. bron: website NS

Vragen 1 In welke seizoenen kan je naar het dierenpark Emmen? _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________

2

Tussen welke dieren kan je echt lopen? _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________

3

Wat is er vorige maand gebeurd? _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________

4

Welke dieren kan je zien in het savannegebied? _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________

5

Wat is inbegrepen in het combiticket? _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________

6

Jan en Marlies gaan naar Dierenpark Emmen met hun twee kinderen (dochter van 6 jaar en zoon van 3 jaar). Ze bestellen combitickets. Hoeveel moeten ze betalen? _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________

6 Reizen, openbaar vervoer 181

Van Start binnen 2020.indd 181

07-02-20 16:23


12

Lezen en internet

Kijk op de website www.ns.nl of op de NS-app Reisplanner.

A Je wil vandaag met de intercity van Utrecht Centraal naar Maastricht. Zoek de volgende informatie op: - Hoe laat en van welk spoor vertrekt de trein uit Utrecht? _________________________________________________________________________________________________________

- Hoe laat en op welk spoor komt de trein aan in Maastricht? _________________________________________________________________________________________________________

- Wat kost een enkele reis zonder korting? _________________________________________________________________________________________________________

- Wat kost een enkele reis met 40% korting? _________________________________________________________________________________________________________

- Op welke stations stopt de trein tussen Utrecht en Maastricht? _________________________________________________________________________________________________________

- Is het een rechtstreekse trein, of moet je overstappen? _________________________________________________________________________________________________________

B Kies nu een andere reis (bedenk zelf het begin- en eindstation).

Volg de stappen van oefening A.

182 6 Reizen, openbaar vervoer

Van Start binnen 2020.indd 182

07-02-20 16:23


6B

Vergeet niet uit te checken

13

Lezen

Reizen met de OV-chipkaart In Nederland reist u in het openbaar vervoer met een OV-chipkaart. U hebt geen aparte kaartjes nodig, dat is makkelijk; met dezelfde kaart reist u dus met de trein, de bus, de tram of de metro. Op een OV-chipkaart moet u eerst geld storten (saldo laden) bij de NS-kaartautomaat. Let op: als u voor de eerste keer met uw OV-chipkaart bij NS reist, moet u deze eenmalig activeren. Dit gebeurt automatisch als u bij een NS-automaat saldo op uw OV-chipkaart laadt. Dan moet u inchecken aan het begin en weer uitchecken aan het eind van uw reis. U houdt uw OV-chipkaart voor de scanner met het OV-chipkaartlogo en u hoort een signaal voor inchecken of uitchecken. Als u onderweg moet overstappen op een andere trein, hoeft u niet tussendoor uit te checken. Dat doet u pas op het eindstation. Maar let op: als u met de trein reist en daarna bijvoorbeeld met de bus, moet u eerst bij de NS uitchecken en dan in de bus opnieuw inchecken. Er zijn twee soorten OV-chipkaarten: de persoonlijke kaart en de anonieme kaart. De prijs voor beide kaarten is € 7,50. Reist u elke dag op een vast traject (bijvoorbeeld tussen Utrecht en Amsterdam, voor uw werk), dan is de persoonlijke chipkaart het beste voor u. U neemt dan een abonnement op uw vaste traject, en buiten dat traject kunt u reizen met korting. In combinatie met een NS-jaarabonnement krijgt u de persoonlijke chipkaart gratis. Reist u onregelmatig, dan kunt u beter de anonieme chipkaart nemen. Deze kaart is niet persoonsgebonden, dus iemand anders kan de kaart ook gebruiken. Dat is handig als u bijvoorbeeld bezoek krijgt van uw familie uit het buitenland. Hieronder zetten we de verschillen voor u op een rij. De persoonlijke OV-chipkaart • Persoonsgebonden: op de kaart staan uw naam en pasfoto • Na diefstal is uw saldo binnen 24 uur beschermd

6 Reizen, openbaar vervoer 183

Van Start binnen 2020.indd 183

07-02-20 16:23


• Verzekerd: bij verlies of diefstal krijgt u uw resterende saldo terug • Automatisch opladen mogelijk • Via uw account bij ‘Mijn NS’ kunt u uw NS-reisgegevens inzien • Geschikt voor NS- en andere OV-abonnementen • Aanvraag kaart duurt 7 werkdagen • Adviesprijs eenmalige kosten OV-chipkaart € 7,50 (gratis bij NS-jaarabonnement)

De anonieme OV-chipkaart • Niet persoonsgebonden: de kaart staat niet op naam • Niet verzekerd: bij verlies of diefstal krijgt u geen saldo terug • Via uw account bij ‘Mijn NS’ kunt u uw NS-reisgegevens inzien • Direct te koop via NS-kaartautomaat met OV-chipkaartlogo of bij andere verkooppunten (bijv. de NS-servicebalie) • Adviesprijs eenmalige kosten OV-chipkaart € 7,50 Reist u bijna nooit, dan hebt u niks aan een OV-chipkaart. Moet u toch een keer op reis, dan kunt u een los kaartje kopen, de zogenaamde eenmalige chipkaart. Dat is een papieren kaartje met chip. Daarmee kunt u één keer inchecken en uitchecken. Vragen. Kies het goede antwoord. 1

Wat moet je doen als je de eerste keer op reis gaat met een OV-chipkaart? a Eerst inchecken, dan de kaart activeren en saldo laden. b Eerst de kaart activeren en saldo laden, dan inchecken.

2

Meneer Smeets gaat met de trein van Amersfoort naar Zandvoort. Hij moet twee keer overstappen (in Amsterdam en in Haarlem). Hoe vaak moet hij in- en uitchecken? a een keer b twee keer c drie keer

3

Susan gaat met de bus naar station Utrecht CS, daar neemt ze de trein naar Den Haag CS en in Den Haag gaat ze met de tram naar haar werk. Hoe vaak moet ze in- en uitchecken? a een keer b twee keer c drie keer

184 6 Reizen, openbaar vervoer

Van Start binnen 2020.indd 184

07-02-20 16:23


4

John Smith is Amerikaan en woont al een paar jaar in Nederland. Zijn broer Greg komt vanuit Amerika drie weken op vakantie naar Nederland en logeert bij John. Greg wil in zijn vakantie regelmatig met de trein door Nederland reizen. Welke kaart kan John het beste voor zijn broer kopen? a de persoonsgebonden OV-chipkaart b de anonieme OV-chipkaart c de eenmalige chipkaart

5

Mevrouw Smid woont in Eindhoven en reist zelden. Vandaag moet ze met de trein naar Maastricht, want haar kleindochter trouwt. Welke kaart kan mevrouw Smid het beste kopen? a de persoonsgebonden OV-chipkaart b de anonieme OV-chipkaart c de eenmalige chipkaart

6

Jeroen woont in Utrecht en werkt in Den Bosch. Hij reist elke dag met de trein tussen Utrecht en Den Bosch en daarnaast reist hij regelmatig met de trein naar zijn ouders in Gouda. Welke kaart kan Jeroen het beste kopen? a de persoonsgebonden OV-chipkaart b de anonieme OV-chipkaart c de eenmalige chipkaart

7

Met welke OV-chipkaart(en) kun je een account aanmaken op â&#x20AC;&#x2DC;Mijn NSâ&#x20AC;&#x2122;? a met de persoonsgebonden OV-chipkaart en de anonieme OV-chipkaart b alleen met de persoonsgebonden OV-chipkaart c alleen met de anonieme OV-chipkaart

8

Welke OV-chipkaart(en) kun je direct kopen? a de persoonsgebonden OV-chipkaart en de anonieme OV-chipkaart b alleen de persoonsgebonden OV-chipkaart c alleen de anonieme OV-chipkaart

6 Reizen, openbaar vervoer 185

Van Start binnen 2020.indd 185

07-02-20 16:23


Grammatica Instructie geven (de imperatief ) Kijk naar de volgende zinnen. Laad saldo op de OV-chipkaart. Check in aan het begin van de reis. Check uit aan het eind van de reis.

Met deze zinnen geef je uitleg of instructie. Je gebruikt dan de imperatief van het werkwoord. De imperatief is dezelfde vorm als de ik-vorm van het werkwoord in presens. Voorbeelden: Maak de oefening!

Luister naar de tekst!

Lees de tekst!

Stap in de trein!

Kijk op onze website!

Ga naar de informatiebalie!

Een instructie kan ook beginnen met: Je moet ... / U moet ... / Jullie moeten â&#x20AC;Ś + infinitief. Vergelijk: infinitief

imperatief

Je moet de oefening maken.

Maak de oefening!

Je moet naar de tekst luisteren.

Luister naar de tekst!

U moet op de website kijken.

Kijk op de website!

U moet naar spoor 6 gaan.

Ga naar spoor 6!

Jullie moeten de tekst lezen.

Lees de tekst!

Jullie moeten even wachten.

Wacht even!

14

Grammatica

Verander de instructie. Maak een zin met de imperatief. Voorbeeld:

Je moet een kaartje kopen. 1 2 3 4 5

___________________________________________________________ Koop een kaartje

!

Je moet goed luisteren. ___________________________________________________________ ! Jullie moeten op tijd komen. ___________________________________________________________ ! Je moet me helpen. ___________________________________________________________ ! U moet de rekening betalen. ___________________________________________________________ ! Jullie moeten harder werken. ___________________________________________________________ !

186 6 Reizen, openbaar vervoer

Van Start binnen 2020.indd 186

07-02-20 16:23


6

Je moet het huiswerk maken. ___________________________________________________________ ! 7 U moet gaan zitten. ___________________________________________________________ ! 8 Jullie moeten regelmatig ___________________________________________________________ ! sporten. 9 U moet eerst uitchecken. ___________________________________________________________ ! 10 Je moet je bagage niet ___________________________________________________________ ! vergeten.

15

Grammatica

Verander de instructie. Maak een zin met ‘moet’ of ‘moeten’. Voorbeeld:

Koop een kaartje.

Je

Let goed op! Jullie Laad saldo op U uw OV-chipkaart! 3 Betaal de rekening! Je 4 Check in bij het OV-logo. U 5 Ga zitten! Jullie 6 Wacht even! Je 7 Luister naar de instructie! Jullie 8 Doe je best! Je 9 Maak oefening 3 en 4! Jullie 10 Vergeet niet uit te U checken!

16

______________________________________________________ moet een kaartje kopen .

1

______________________________________________________

2

______________________________________________________

. .

. ______________________________________________________ . ______________________________________________________ . ______________________________________________________ . ______________________________________________________ . ______________________________________________________ . ______________________________________________________ . ______________________________________________________ . ______________________________________________________

Lezen en spreken

Werk in tweetallen. U krijgt informatie van de docent. Elke cursist krijgt drie korte informatieteksten met instructies. Cursist A vraagt: Hoe moet ik ________________________________ ? Kun je dat uitleggen? Cursist B geeft de gevraagde instructie met de imperatief of met ‘Je moet ...’. Gebruik bij de instructie de woorden:

eerst – dan / daarna – ten slotte

6 Reizen, openbaar vervoer 187

Van Start binnen 2020.indd 187

07-02-20 16:23


Voorbeeld:

instructie voor de OV-chipkaart OV-chipkaart •

een OV-chipkaart kopen • saldo op de kaart laden • inchecken • uitchecken bij aankomst Koop eerst een OV-chipkaart. Laad dan saldo op de kaart. Check daarna in. Check ten slotte uit bij aankomst.

of of of of

Eerst moet je een OV-chipkaart kopen. Dan moet je saldo op de kaart laden. Daarna moet je inchecken. Ten slotte moet je uitchecken bij aankomst.

Persoon A vraagt instructie aan B over: het gebruik van een oven • het gebruik van navigatie in de auto • geld opnemen bij een bankautomaat •

Persoon B vraagt instructie aan A over: het gebruik van een koffieautomaat • het installeren van een app • een account maken bij het cursusboek •

Grammatica Voltooide tijd (perfectum) Vergelijk de volgende zinnen. tegenwoordige tijd - nu

voltooide tijd - gisteren / in het verleden

Ik werk nu bij Philips.

Ik heb lang bij Sony gewerkt.

Marjon maakt haar huiswerk vanavond.

Carlo heeft zijn huiswerk gisteren gemaakt.

Wij praten met de buren.

Wij hebben met de buren gepraat.

Wij wonen sinds 2010 in Utrecht.

Wij hebben vroeger in Haarlem gewoond.

Jij luistert naar Nederlandse muziek.

Jij hebt naar Nederlandse muziek geluisterd.

Peter hoort het nieuws op de radio.

Peter heeft het nieuws op de radio gehoord.

188 6 Reizen, openbaar vervoer

Van Start binnen 2020.indd 188

07-02-20 16:23


We gebruiken de voltooide tijd als we over het recente verleden praten.

Hoe maak je een zin in de voltooide tijd? onderwerp (subject)

werkwoord 1: de goede vorm van hebben

rest

werkwoord 2: voltooid deelwoord (participium)

Ik

heb

lang bij Sony

gewerkt.

Carlo

heeft

zijn huiswerk gisteren

gemaakt.

Wij

hebben

met de buren

gepraat.

Wij

hebben

vroeger in Haarlem

gewoond.

Jij

hebt

naar Nederlandse muziek

geluisterd.

Peter

heeft

het nieuws op de radio

gehoord.

Hoe maak je werkwoord 2 (voltooid deelwoord of participium)? Regelmatige werkwoorden groep A:

ge + stam + t

groep B:

ge + stam + d

werken:

ge - werk - t

wonen:

ge - woon - d

maken:

ge - maak - t

luisteren:

ge - luister - d

Regel:

kijk naar de laatste letter van de stam.

groep A:

de laatste letter van de stam is een van de volgende letters:

t - x - k - f - s - ch - p dit zijn de medeklinkers (consonanten) uit het woord:

’t ex - k o f s ch i p

dan eindigt werkwoord 2 op een t groep B:

de laatste letter van de stam is een andere letter:

dan eindigt werkwoord 2 op een d

Let op:

kijk naar de laatste letter van de stam.

reizen → gereisd

infinitief met -zen → voltooid deelwoord met -sd

leven → geleefd

infinitief met -ven → voltooid deelwoord met -fd

6 Reizen, openbaar vervoer 189

Van Start binnen 2020.indd 189

07-02-20 16:23


17

Grammatica

Voltooide tijd â&#x20AC;&#x201C; regelmatige werkwoorden Vul de goede vorm van het werkwoord in. Let op de laatste letter (een t of een d). Voorbeelden: Piet heeft drie jaar in Amsterdam _____________________________ gewoond . (wonen) Wij hebben vandaag hard _____________________________ . (werken) gewerkt 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Mijn moeder heeft een heerlijke appeltaart _____________________________ . (maken) Heb je de nieuwe cd van Lady Gaga al _____________________________ ? (horen) Zondag was het mooi weer, ik heb de hele dag _____________________________ . (fietsen) Mijn oma heeft vanochtend lekkere koffie _____________________________ . (zetten) Peter heeft vorige week veel voor zijn werk _____________________________ . (reizen) Wij hebben naar mooie muziek op de radio _____________________________ . (luisteren) Het eten is heerlijk! Je hebt lekker _____________________________ . (koken) Ans heeft op het feest gezellig met haar vrienden _____________________________ . (praten) Ik heb van mijn geboorte tot mijn 18e jaar in Utrecht _____________________________ . (wonen) Ik heb u gisteren een e-mail _____________________________ . (sturen)

Grammatica Onregelmatige werkwoorden We hebben veel onregelmatige werkwoorden in het Nederlands. Dan is er geen regel. Zoek de goede vorm van het voltooid deelwoord in de lijst op pagina 263. Voorbeelden: spreken - gesproken lezen - gelezen schrijven - geschreven doen - gedaan kopen - gekocht kijken - gekeken hebben - gehad

We hebben Nederlands gesproken. Heb je de krant al gelezen? Hij heeft een e-mail geschreven. Ik heb gisteren mijn huiswerk gedaan. Wij hebben een nieuwe auto gekocht. Ik heb naar een leuke film op tv gekeken. Hebben jullie een leuke vakantie gehad?

190 6 Reizen, openbaar vervoer

Van Start binnen 2020.indd 190

07-02-20 16:23


18

Grammatica

Voltooide tijd â&#x20AC;&#x201C; onregelmatige werkwoorden Vul de goede vorm van het werkwoord in. Kijk in de lijst op pagina 263. Voorbeeld:

Ik heb een brief aan mijn vriendin _____________________________ geschreven . (schrijven) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

We hebben gisteren in een Italiaans restaurant _____________________________ . (eten) Ik heb de krant van vandaag nog niet _____________________________ . (lezen) Mijn vader heeft vorige maand een nieuwe auto _____________________________ . (kopen) Zondag was het slecht weer, we hebben de hele dag regen _____________________________ . (hebben) Petra heeft heel lang naar een kamer _____________________________ . (zoeken) Ze heeft vorige week een kamer in het centrum _____________________________ . (vinden) Linda heeft de trein van 10.30 naar Rotterdam _____________________________ . (nemen) Bij het eten hebben we een glas rode wijn _____________________________ . (drinken) Ik ben een beetje moe. Ik heb vannacht slecht _____________________________ . (slapen) Hebben jullie gisteravond naar het schaatsen op tv _____________________________ ? (kijken)

Taalhulp

Tijdwoorden in de voltooide tijd

In de voltooide tijd gebruiken we vaak de volgende woorden of woordcombinaties. woorden van tijd

voorbeeldzin

gisteren

Gisteren heb ik tot 19.00 uur gewerkt.

gistermorgen / -middag / -avond

Gisteravond hebben we een leuke film op tv gezien.

een paar dagen geleden

Een paar dagen geleden heb ik in een restaurant gegeten.

een tijdje geleden

Een tijdje geleden heeft Johan een andere baan gevonden.

de afgelopen tijd

De afgelopen tijd heb ik veel Nederlands gesproken.

6 Reizen, openbaar vervoer 191

Van Start binnen 2020.indd 191

07-02-20 16:23


woorden van tijd

voorbeeldzin

vorige week / afgelopen week

Vorige week heb ik een nieuwe fiets gekocht.

vorig weekend / afgelopen weekend

Afgelopen weekend hebben we een feestje gehad.

vorige maand / afgelopen maand

Afgelopen maand heb ik hard gewerkt.

vorig jaar / afgelopen jaar

Vorig jaar heb ik een cursus Nederlands gedaan.

Vergelijk: Ik heb gisteren tot 19.00 uur gewerkt. (zin begint met het onderwerp, geen inversie) Gisteren heb ik tot 19.00 uur gewerkt. (zin begint met een tijdwoord, wel inversie) Ik heb vorig jaar een cursus Nederlands gedaan. Vorig jaar heb ik een cursus Nederlands gedaan. Gebruik inversie, als de zin begint met een woord van tijd!

Regel:

19

Grammatica en spreken

Werk in tweetallen. Geef antwoord op de volgende vragen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15

Wanneer heb je naar tv gekeken? Wat heb je gezien? Wat heb je gisteravond gegeten? Wat heb je bij het eten gedronken? Heb je in Nederland weleens gefietst? Waar heb je gefietst? Waar heb je vroeger gewoond? Hoelang heb je daar gewoond? Met welk vervoermiddel heb je vandaag gereisd? Hoelang? Heb je weleens een e-mail in het Nederlands geschreven? Heb je een leuk weekend gehad? Wat heb je gedaan? Heb je afgelopen weken een beetje Nederlands gesproken? Met wie? Heb je weleens naar Nederlandse muziek geluisterd? Naar welke muziek? Wanneer heb je boodschappen gedaan? Waar? Woon je nu in een huis? Heb je dat huis gehuurd of gekocht? Heb je gisteren het nieuws gezien of gehoord? Welk nieuws? Heb je voor vandaag je huiswerk gemaakt? Heb je kort geleden nieuwe kleren gekocht? Wat heb je gekocht? Wanneer heb je voor het laatst het vliegtuig genomen? Waar naartoe?

192 6 Reizen, openbaar vervoer

Van Start binnen 2020.indd 192

07-02-20 16:23


20

Grammatica en schrijven

Maak de zinnen af. Gebruik de voltooide tijd. Let op inversie. Voorbeeld:

Gisteravond hebben _______________________________________________________________________________ we een feestje gehad . 1

Vorige week _____________________________________________________________________________________ . 2 Drie maanden geleden _____________________________________________________________________ . 3 Afgelopen jaar __________________________________________________________________________________ . 4 Een paar dagen geleden ____________________________________________________________________ . 5 Vorig weekend _________________________________________________________________________________ . 6 Vijf jaar geleden _______________________________________________________________________________ . 7 Gistermiddag ___________________________________________________________________________________ . 8 Afgelopen zaterdag ___________________________________________________________________________ . 9 Twee uur geleden ____________________________________________________________________________ . 10 Afgelopen maand _____________________________________________________________________________ .

21

Internet: kijken, begrijpen en uitleggen

Op de website van de Nederlandse Spoorwegen vind je een paar instructiefilmpjes. Ga naar de website van Van start en klik op de link. Hier vind je verschillende filmpjes, bijvoorbeeld: â&#x20AC;˘ een introductiefilmpje over reizen met de OV-chipkaart; â&#x20AC;˘ diverse oefenfilmpjes voor de kaartautomaat. Zoek een filmpje en kijk een paar keer. Begrijp je de instructie? Schrijf de instructie kort op. ____________________________________________________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________________________________________________

Leg de instructie uit aan een medecursist.

6 Reizen, openbaar vervoer 193

Van Start binnen 2020.indd 193

07-02-20 16:23


Woordenlijst Thema 6 aangekomen (aankomen) _________________________________ aanvraag (de), aanvragen _________________________________ abonnement (het), abonnementen _________________________________ activeren _________________________________ afgelopen _________________________________ anders _________________________________ aparte _________________________________ automaat (de), automaten _________________________________ automatisch _________________________________ bagage (de) _________________________________ beide _________________________________ beker (de), bekers _________________________________ bekijken _________________________________ beste _________________________________ beter _________________________________ bijna _________________________________ boot (de), boten _________________________________ dagretour (het), dagretours _________________________________ deel (het), delen _________________________________ dezelfde _________________________________ dichtbij _________________________________ diefstal (de), diefstallen _________________________________ dienst (tot uw dienst) _________________________________ dierenpark (het), dierenparken _________________________________ dierentuin (de), dierentuinen _________________________________ door (door de week) _________________________________ dorp (het), dorpen _________________________________ drankje (het), drankjes _________________________________ duidelijk _________________________________ duurt (duren) _________________________________ echt _________________________________ eenmalig _________________________________ eigen _________________________________ elkaar (door elkaar) _________________________________ elke _________________________________ ergens _________________________________

fietsen _________________________________ gate (de), gates _________________________________ genoeg _________________________________ geschikt _________________________________ gewoon _________________________________ gisteravond _________________________________ gistermiddag _________________________________ gistermorgen _________________________________ grammatica (de) _________________________________ gratis _________________________________ handbagage (de) _________________________________ handig _________________________________ hartelijk (hartelijk dank) _________________________________ hoe laat? _________________________________ hoeveel _________________________________ iemand _________________________________ inbegrepen _________________________________ inchecken _________________________________ informatie (de) _________________________________ informatiebalie (de) _________________________________ ingang (de), ingangen _________________________________ installeren _________________________________ instructie (de), instructies _________________________________ instructiefilmpje (het), instructiefilmpjes _________________________________ intercity (de), intercityâ&#x20AC;&#x2122;s _________________________________ intikken _________________________________ invoeren _________________________________ jaar (het), jaren _________________________________ kaartautomaat (de), kaartautomaten _________________________________ kaartje (het), kaartjes _________________________________ kerktoren (de), kerktorens _________________________________ klikken _________________________________ koffer (het), koffers _________________________________ korting (de), kortingen _________________________________ kost (kosten) _________________________________ laden _________________________________ let op (opletten) _________________________________ liever _________________________________

194 6 Reizen, openbaar vervoer

Van Start binnen 2020.indd 194

07-02-20 16:23


lijn (de), lijnen _________________________________ lopend _________________________________ metro (de), metro’s _________________________________ mogelijk _________________________________ motor (de), motoren _________________________________ motorfiets (de), motorfietsen _________________________________ naartoe (Waar ga je naartoe?) _________________________________ niks _________________________________ onderweg _________________________________ oosten (het) _________________________________ openbaar (openbaar vervoer) _________________________________ openen _________________________________ opleiding (de), opleidingen _________________________________ opnieuw _________________________________ OV-chipkaart (de), OV-chipkaarten _________________________________ overdekt _________________________________ overstappen _________________________________ pas _________________________________ pasfoto (de), pasfoto’s _________________________________ paspoortcontrole (de), -controles _________________________________ perron (het), perrons _________________________________ rechtstreekse (rechtstreekse trein) _________________________________ regelmatig _________________________________ reist (reizen) _________________________________ reizen _________________________________ saldo (het), saldo’s _________________________________ scanner (de), scanners _________________________________ scooter (de), scooters _________________________________ servicebalie (de) _________________________________ sigaar (de), sigaren _________________________________ sigaret (de), sigaretten _________________________________ signaal (het), signalen _________________________________ slechts _________________________________ soort (de), soorten _________________________________ spelling (de) _________________________________ spits (de) _________________________________

spoor (de), sporen _________________________________ stad (de), steden _________________________________ stapt (stappen) _________________________________ stationsplein (het), stationspleinen _________________________________ storten _________________________________ taxi (de), taxi’s _________________________________ te voet _________________________________ tegenover _________________________________ traject (het), trajecten _________________________________ tram (de), trams _________________________________ tramhalte (de), tramhaltes _________________________________ trein (de), treinen _________________________________ tussendoor _________________________________ uitchecken _________________________________ uitje (het), uitjes _________________________________ uitspraak (de) _________________________________ varen vast _________________________________ verlies (het), verliezen _________________________________ verschil (het), verschillen _________________________________ verschillende _________________________________ vertrekhal (de), vertrekhallen _________________________________ vervoer (het) _________________________________ vervoermiddel (het), vervoermiddelen _________________________________ verzekerd (verzekeren) _________________________________ vliegen _________________________________ vliegtuig (het), vliegtuigen _________________________________ vlucht (de), vluchten _________________________________ volgende _________________________________ voordelige _________________________________ vorige _________________________________ wachtwoord (het), wachtwoorden _________________________________ wasmiddel (de), wasmiddelen _________________________________ wereld (de) _________________________________ westen (het) _________________________________ zakenman (de), zakenmannen _________________________________ zogenaamde _________________________________

6 Reizen, openbaar vervoer 195

Van Start binnen 2020.indd 195

07-02-20 16:23


7

Wonen

196

Van Start binnen 2020.indd 196

07-02-20 16:23


7A

Hoe ziet jouw droomhuis eruit?

1

Luisteren en lezen

A Bekijk de fotoâ&#x20AC;&#x2122;s, luister naar de teksten en lees mee. Zes mensen vertellen over hun droomhuis.

het rijtjeshuis

de flat, het appartement

de twee-onder-een-kap-woning

de boerderij

het vrijstaande huis

het grachtenpand

7 Wonen 197

Van Start binnen 2020.indd 197

07-02-20 16:23


Saskia:

Ik wil graag in een groot huis wonen, buiten de stad. Als ik naar buiten loop, wil ik direct in de natuur zijn. Naast mijn huis wil ik een moestuin hebben voor groenten en fruit. Ik hou ook van dieren. Bij mijn huis moet plaats zijn voor kippen, geiten, een hond en een kat.

Martijn:

Ik wil graag in een oud huis wonen aan een gracht, met minimaal vier verdiepingen. Ik vind deze huizen prachtig en het is leuk om in het centrum van een stad te wonen. Als ik uit het raam kijk, kan ik de bootjes zien en alle mensen die over de gracht fietsen.

Jan:

Ik vind het fijn om in een huis te wonen met een voor- en een achtertuin. Ik hou van tuinieren en in de zomer kan ik dan lekker met mijn gezin barbecueën! Mijn huis moet een mooie woonkamer, drie slaapkamers en een grote zolder hebben.

Anja:

Als ik ooit de loterij win, wil ik in een groot huis gaan wonen. Aan alle kanten van het huis wil ik uitkijken op een mooie tuin. Het huis moet ook een garage hebben voor twee auto’s, een zwembad, een sauna, en een fitnessruimte. Ik wil geen last hebben van buren.

Peter:

Mijn vriendin en ik willen geen groot huis. We zijn niet veel thuis, omdat we allebei fulltime werken. We hebben dus niet veel tijd om het huis schoon te maken. Ook willen we geen hoge hypotheekkosten betalen. Ik vind het leuk om in een huis te wonen met uitzicht over de hele stad, bijvoorbeeld op de twintigste verdieping!

Vivian:

Wij hebben drie kinderen, dus ons huis moet groot genoeg zijn. Ik vind het mooi als het huis aan drie kanten een tuin heeft. We hebben twee auto’s en mijn man houdt van klussen, dus een garage is ook heel belangrijk.

B Luister naar de zinnen. Lees mee en zeg na. Saskia:

Ik wil graag in een groot huis wonen, buiten de stad. Als ik naar buiten loop, wil ik direct in de natuur zijn. Naast mijn huis wil ik een moestuin hebben voor groenten en fruit. Ik hou ook van dieren. Bij mijn huis moet plaats zijn voor kippen, geiten, een hond en een kat.

198 7 Wonen

Van Start binnen 2020.indd 198

07-02-20 16:23


2

Martijn:

Ik wil graag in een oud huis wonen aan een gracht, met minimaal vier verdiepingen. Ik vind deze huizen prachtig. Het is leuk om in het centrum van een stad te wonen. Als ik uit het raam kijk, kan ik de bootjes zien en alle mensen die over de gracht fietsen.

Jan:

Ik vind het fijn om in een huis te wonen met een voor- en een achtertuin. Ik hou van tuinieren en in de zomer kan ik dan lekker met mijn gezin barbecueën. Mijn huis moet een mooie woonkamer, drie slaapkamers en een grote zolder hebben.

Anja:

Als ik ooit de loterij win, wil ik in een groot huis gaan wonen. Aan alle kanten van het huis wil ik uitkijken op een mooie tuin. Het huis moet ook een garage hebben voor twee auto’s, een zwembad, een sauna, en een fitnessruimte. Ik wil geen last hebben van buren.

Peter:

We zijn niet veel thuis, omdat we allebei fulltime werken. We hebben dus niet veel tijd om het huis schoon te maken. Ook willen we geen hoge hypotheekkosten betalen. Ik vind het leuk om in een huis te wonen met uitzicht over de hele stad, bijvoorbeeld op de twintigste verdieping!

Vivian:

We hebben twee auto’s en mijn man houdt van klussen, dus een garage is ook heel belangrijk.

Lezen

Kijk naar de foto’s en de teksten bij oefening 1. Welke foto hoort bij welke persoon? Schrijf de namen van de huizen achter de personen. Saskia Martijn Jan Anja Peter Vivian

In welk huis wil je zelf graag wonen? Vertel over je droomhuis.

7 Wonen 199

Van Start binnen 2020.indd 199

07-02-20 16:23


3

Lezen

Kies het goede antwoord. 1

Waar wil Saskia wonen? a In een groot huis in het centrum van een stad. b In een klein huis in het centrum van de stad. c In een groot huis in de natuur.

2

Welk uitzicht vindt Martijn mooi? a Een uitzicht over het centrum van de stad. b Een uitzicht over bootjes en fietsers. c Een uitzicht over oude huizen.

3

Waarom wil Jan een huis met een tuin? a Hij wil in de tuin werken en barbecueĂŤn. b Hij wil met de buren tuinieren. c De kinderen kunnen in de tuin spelen.

4

Wat wil Anja niet hebben bij haar droomhuis?

5

zwembad. b Buren. c Een sauna. d Een fitnessruimte.

Waarom willen Peter en zijn vriendin geen groot huis?

6

a Een

a Omdat

ze veel thuis zijn. ze parttime werken. c Omdat ze niet veel tijd hebben om het huis schoon te maken. d Omdat ze geen hoge hypotheek bij de bank kunnen krijgen. b Omdat

Waarom vindt Vivian een garage belangrijk?

a Ze

hebben een grote auto. b De kinderen kunnen in de garage spelen. c Ze hebben ruimte nodig voor tuingereedschap. d Haar man houdt van klussen.

200 7 Wonen

Van Start binnen 2020.indd 200

07-02-20 16:23


Taalhulp

Indeling van huizen

16

1 het

huis / de woning 2 de tuin 3 de schuur 4 de deur 5 de hal 6 de trap 7 de wc / het toilet

8

de kelder 9 de keuken 10 de woonkamer 11 de slaapkamer 12 de badkamer 13 de studeerkamer 14 de zolder

15 het

dak 16 de schoorsteen 17 de begane grond 18 de eerste verdieping 19 de tweede verdieping 20 het balkon 21 de garage

7 Wonen 201

Van Start binnen 2020.indd 201

07-02-20 16:23


4

Luisteren

Anja en Joost gaan naar een makelaar omdat ze een huis willen kopen. Ze gaan met een makelaar bij een appartement kijken. Kijk naar het plaatje van het appartement en luister naar de tekst. Teken de looproute in het plaatje.

5

Spreken

Kijk naar het plaatje bij oefening 4. Vertel nog een keer hoe de makelaar met Anja en Joost door het appartement loopt.

6

Spreken

Werk in tweetallen. Maak eerst een tekening van de indeling van je eigen huis. Vertel daarna aan je medecursist hoe je huis eruitziet.

202 7 Wonen

Van Start binnen 2020.indd 202

07-02-20 16:23


7

Lezen

De volgende personen zoeken een nieuwe woning. 1

Maarten en Liselot willen gaan samenwonen. Ze houden van de stad, hebben geen kinderen en werken fulltime. 2 Lisanne en Albert hebben twee kleine kinderen. Ze zoeken een ruim huis met goede voorzieningen in de buurt voor de kinderen. Ze houden van tuinieren. 3 Johan is alleenstaand. Hij zoekt een nieuwbouwwoning in een dorp. Op www.funda.nl kun je koophuizen en huurhuizen vinden. Lees de tekst. Voor welke personen is deze woning in Bunnik (dorp vlakbij Utrecht) geschikt? Mooie gemoderniseerde eengezinswoning in Bunnik met grote uitbouw aan de woonkamer. De woning is op loopafstand van het winkelcentrum, diverse scholen en overige voorzieningen zoals kinderboerderij en medisch centrum. Er zijn bij het huis goede parkeermogelijkheden. Bouwjaar Woonoppervlakte Perceeloppervlakte Prijs

1935 145 m2 162 m2 â&#x201A;Ź 189.000

INDELING Vanuit de hal komt u in de woonkamer en het toilet. De woonkamer heeft een mooie uitbouw van glas, zodat u ook in de winter van de tuin kunt genieten. Via de woonkamer komt u in de open keuken, voorzien van Amerikaanse koel/vriescombinatie met ijsblokjesmachine, oven, magnetron, vaatwasser en ingebouwde koffiemachine. EERSTE VERDIEPING Op de eerste verdieping zijn twee ruime slaapkamers en een badkamer. De slaapkamers zijn voorzien van mooie inbouwkasten. De badkamer heeft een douche, wastafel, toilet en ligbad. TWEEDE VERDIEPING / ZOLDER Via de vaste trap komt u op de zolder. Naast de trap is een wasruimte met aansluitingen voor wasmachine en droger. Ook vindt u op de zolder een extra kamer die u als slaapkamer, werkkamer of hobbykamer kunt gebruiken. BIJZONDERHEDEN: - Mooie uitbouw - Moderne keuken met luxe apparatuur - Grote slaapkamers - Grote voor- en achtertuin

Wil je zelf in dit huis wonen? Waarom niet / wel?

7 Wonen 203

Van Start binnen 2020.indd 203

07-02-20 16:23


Grammatica Er / Daar als plaats (herhaling) Hoelang woon je al in Nederland?

Ik woon er al drie jaar (er = Nederland).

Ik ga in juli op vakantie naar Spanje.

Oh leuk, daar ga ik elk jaar naartoe (daar = Spanje).

Waarom ga je elk jaar naar Spanje?

Ik heb daar een vakantiehuisje (daar = Spanje).

Regel:

8

Er en daar gebruik je om over plaatsen te praten.

Grammatica

Werk in tweetallen. Kijk naar de plaatjes. Vertel wat je in elke kamer kunt doen. Gebruik ‘er’ en ‘daar’ (Je kunt er _____ , Daar kun je _____ ). Kies uit de volgende activiteiten: boeken lezen – douchen – een bad nemen – eten – huiswerk maken – koken – liggen – slapen – televisie kijken – tanden poetsen – zitten

Bedenk zelf nog meer activiteiten. Voorbeeld:

Je kunt er een taart bakken (er = in de keuken).

Wat kun je in de woonkamer doen? Je kunt er __________________________________________________________ . Daar kun je ________________________________________________________ .

204 7 Wonen

Van Start binnen 2020.indd 204

07-02-20 16:23


Wat kun je in de badkamer doen? Je kunt er __________________________________________________________ . Daar kun je ________________________________________________________ .

Wat kun je in de keuken doen? Je kunt er __________________________________________________________ . Daar kun je ________________________________________________________ .

7 Wonen 205

Van Start binnen 2020.indd 205

07-02-20 16:23


Grammatica Er + telwoord Hoeveel fietsen heb je?

Ik heb er twee (er = fietsen).

Hoeveel kopjes koffie drink je elke dag?

Ik drink er vier (er = kopjes koffie).

Hoeveel paprika’s wilt u?

Ik wil er één (er = paprika’s).

Er + telwoord (één, twee, drie, veel, weinig, een paar, geen). Regel:

9

Grammatica

Kijk rond in het klaslokaal en stel elkaar de volgende vragen. Geef antwoord met ‘er’. Voorbeeld:

Hoeveel ramen zie je? 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

10

Ik _________________________________________________ zie er drie .

Hoeveel stoelen zie je? ______________________________________________________________ . Hoeveel boeken zie je? ______________________________________________________________ . Hoeveel mensen zie je? ______________________________________________________________ . Hoeveel huizen zie je buiten? ___________________________________________________________ . Hoeveel katten zie je? ______________________________________________________________ . Hoeveel kasten zie je? ______________________________________________________________ . Hoeveel tafels zie je? ______________________________________________________________ . Hoeveel schilderijen zie je? ______________________________________________________________ . Hoeveel deuren zie je? ______________________________________________________________ . Hoeveel olifanten zie je? ______________________________________________________________ .

Grammatica

Geef antwoord. Gebruik er + telwoord. Voorbeeld:

Hoeveel boterhammen eet je bij de lunch? ______________________________________________ Ik eet er drie . 1 2 3 4 5 6 7

Hoeveel docenten heb je? _______________________________________________________ . Hoeveel talen spreek je? _______________________________________________________ . Hoeveel mails stuur je elke dag? _______________________________________________________ . Hoeveel oefeningen doe je voor het huiswerk? ___________________________________ . Hoeveel kinderen heb je? _______________________________________________________ . Hoeveel collega’s heb je? _______________________________________________________ . Hoeveel sms-jes stuur je per dag? ___________________________________________________ .

206 7 Wonen

Van Start binnen 2020.indd 206

07-02-20 16:23


8

Hoeveel stoelen zie je in de klas? _______________________________________________________ . 9 Hoeveel vrienden heb je op Facebook? ______________________________________________ . 10 Hoeveel boeken lees je per jaar? _______________________________________________________ .

11

Lezen

Lees de advertenties voor studentenkamers.

PLAATS: Utrecht HUURPRIJS: € 450 excl. OPPERVLAKTE: 16 m2 Aangeboden: gezellige studentenkamer met gedeelde keuken, douche en toilet. De kamer is dichtbij het station, openbaar vervoer, het Julianapark en winkels. Op dit moment wonen er vier studenten in het studentenhuis. Ben jij nummer vijf? Per direct te huur. 1 maand borg.

PLAATS: Amsterdam (centrum) HUURPRIJS: € 700 incl. OPPERVLAKTE: 9 m2 Deze prachtige kamer ligt in een gezellig, internationaal studentenhuis aan de Prinsengracht. Het huis heeft zes kamers en een grote gemeenschappelijke woonkamer. Houd je van een feestje en het uitgaansleven in Amsterdam, dan is dit de perfecte kamer voor jou! De winkels, cafés en andere uitgaansgelegenheden zijn op loopafstand. Te huur vanaf 1 maart.

7 Wonen 207

Van Start binnen 2020.indd 207

07-02-20 16:23


12

Spreken, telefoondialogen

Werk in tweetallen. Lees de advertenties bij oefening 11. Cursist A wil de kamer in Utrecht huren en belt cursist B (verhuurder) voor informatie. Cursist B wil de kamer in Amsterdam huren en belt cursist A (verhuurder) voor informatie. Voorbeelden voor vragen:

13

Hoe groot is de kamer? Hoeveel kost de kamer? Hoeveel studenten wonen in het huis? Is het een rustige buurt? Is de kamer dichtbij het station? Vanaf wanneer is de kamer te huur?

Schrijven

Je woont drie maanden in je nieuwe woning in Nederland. Schrijf een e-mail aan een vriend. Vertel over je woning. Schrijf over het type woning, de indeling van de woning, de prijs, de buren, de buurt enzovoort.

Aan: Van: Onderwerp: ________________________________________________________________________________________________________________________________ Hoi _____________________________________ , Hoe gaat het met je? Met mij gaat het goed. Sinds drie maanden woon ik in mijn nieuwe huis. Ik ben er heel blij mee! _______________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________

Schrijf je snel hoe het met jou gaat? Ik hoop dat je me binnenkort een keertje komt bezoeken. Je kunt natuurlijk bij mij logeren. Hopelijk tot snel! __________________________________________________________________________________________________

208 7 Wonen

Van Start binnen 2020.indd 208

07-02-20 16:23


14

Lezen, spreken

Kijk naar het plaatje en lees het gedicht. Waar gaat het over?

Goede buren Goede buren heb je nodig op zijn tijd. Heel af en toe is het haat en nijd. Er zijn er ook die gluren, maar die je later weer een mailtje sturen. Je hebt ze in allerlei formaten, er zijn zelfs buren die de buren haten. Maar de meesten vinden â&#x20AC;&#x2122;t fijn, een buur uit duizenden te zijn. Laat ze maar gluren, ik doe toch wat ik wil, beste buren. Ik heb hele goede buren, ik kan altijd bij hen aankloppen. Van mijn buren heb ik altijd plezier, Die laten voor mij de deur op een kier, soms een praatje over het weer en voor hulp zijn ze er, keer op keer! Hoe is het contact met je eigen buren?

7 Wonen 209

Van Start binnen 2020.indd 209

07-02-20 16:23


7B

Te huur: eengezinswoning

15

Lezen

Lees de tekst.

PLAATS: Amersfoort OPPERVLAKTE: 120 m2 HUURPRIJS: â&#x201A;Ź 1250 per maand excl. (â&#x201A;Ź 800 borg) TE HUUR PER: 1 november Ten oosten van het centrum van Amersfoort staat deze mooie eengezinswoning te huur. Het huis heeft een kleine voortuin en een grote achtertuin. Via de voordeur komt u in de hal met toegang tot toilet, trap naar boven en woonkamer. De woonkamer is gemeubileerd met een eettafel en stoelen voor zes personen, een ruime zitbank, een stoel, een salontafel en televisie. De lampen geven de woonkamer een extra gezellige sfeer. Via de woonkamer komt u in de keuken die is voorzien van alle moderne apparatuur (vaatwasmachine, oven, magnetron, koffiemachine) en serviesgoed. De keuken en de woonkamer hebben openslaande deuren naar de achtertuin. Op de eerste verdieping zijn drie slaapkamers. In de grote slaapkamer staat een tweepersoonsbed, in de andere twee slaapkamers een eenpersoonsbed. Alle slaapkamers zijn voorzien van ruime kasten en goede verlichting. De badkamer heeft een douche, ligbad, toilet en wastafel. Op de zolder vindt u een aansluiting voor de wasmachine en de droger en nog een extra ruime kamer, die als tweepersoonsslaapkamer, hobbykamer of werkkamer gebruikt kan worden.

210 7 Wonen

Van Start binnen 2020.indd 210

07-02-20 16:23


Zinnen Deze eengezinswoning staat te huur. De woonkamer is gemeubileerd met een eettafel en stoelen voor zes personen, een ruime zitbank, een stoel, een salontafel en televisie. De lampen geven de woonkamer een extra gezellige sfeer. De keuken is voorzien van moderne apparatuur en serviesgoed. In de grote slaapkamer staat een tweepersoonsbed. Alle slaapkamers zijn voorzien van ruime kasten en goede verlichting.

16 Kies:

Lezen waar â&#x20AC;&#x201C; niet waar 1

De woning is in het centrum van Amersfoort. 2 De hal heeft drie deuren. 3 In de woonkamer staat een piano. 4 Dit huis is groot genoeg voor zes personen. 5 Een huurder moet zelf servies meenemen. 6 Via de keuken en de hal kom je in de achtertuin. 7 Het huis heeft vier slaapkamers. 8 In de grote slaapkamer staat een televisie. 9 De huurder betaalt zelf voor gas, water en licht. 10 De woning is per direct te huur.

waar waar waar waar waar waar waar waar waar waar

niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar

7 Wonen 211

Van Start binnen 2020.indd 211

07-02-20 16:23


Woorden

Inrichting, meubels de woonkamer 1 de

bank

6 de

lamp

11 het

gordijn

2 de

stoel

7 de

vaas

12 het

tapijt

3 de

salontafel

8 de

eettafel

13 het

kleed

4 de

kast

9 de

verwarming

14 het

schilderij

5 de

televisie

10 de

houthaard

de keuken 15 het

aanrecht

18 de

magnetron

21 de

vaatwasser

16 de

gootsteen

19 de

oven

22 de

afzuigkap

17 de

kraan

20 de

koelkast

23 het

fornuis

de slaapkamer 24 het

bed

26 het

dekbed, de deken

28 de

wekker

25 het

kussen

27 het

nachtkastje

29 de

kledingkast

212 7 Wonen

Van Start binnen 2020.indd 212

07-02-20 16:23


de badkamer 30 de

douche

31 het

(lig)bad

32 de

wastafel

33 de

spiegel

36 de

bureaulamp

38 de

laptop

37 de

computer

39 de

printer

de studeerkamer 34 het 35 de

bureau

bureaustoel

de hal 40 de

kapstok

Voorzetsels van plaats Waar staat de televisie?

De televisie staat naast de vaas.

Waar staat de kast?

De kast staat tegen de muur.

Waar staat de bank?

De bank staat voor het raam.

Waar staan de stoelen?

De stoelen staan rond / om de tafel.

Waar staat de salontafel?

De salontafel staat tussen de bank en de stoel.

Waar staat de houthaard?

De houthaard staat tegenover de deur.

Waar hangt het schilderij?

Het schilderij hangt aan de muur.

Waar hangt de lamp?

De lamp hangt boven de eettafel.

Waar hangt de kapstok?

De kapstok hangt in de hal.

Waar ligt het kleed?

Het kleed ligt onder de salontafel.

Waar ligt het kussen?

Het kussen ligt op het bed.

Waar zit de man?

De man zit achter de computer.

7 Wonen 213

Van Start binnen 2020.indd 213

07-02-20 16:23


17

Spreken

Werk in tweetallen. Bekijk de tekening en beantwoord de vragen. Gebruik de voorzetsels van plaats.

Voorbeeld:

Waar hangt de klok? De klok hangt _______________________________________________________________________________________ tussen het schilderij en het raam . 1

Waar hangt het schilderij? Het schilderij hangt __________________________________________________________________________ . 2 Waar staat de lamp? De lamp staat __________________________________________________________________________________ . 3 Waar staat de televisie? De televisie staat ______________________________________________________________________________ . 4 Waar hangt de spiegel? De spiegel hangt ______________________________________________________________________________ . 5 Waar ligt het kleed? Het kleed ligt __________________________________________________________________________________ . 6 Waar hangen de gordijnen? De gordijnen ___________________________________________________________________________________ . 7 Waar staat de bank? De bank __________________________________________________________________________________________ . 8 Waar staat de vaas? _______________________________________________________________________________________________________ . 9 Waar staat de theepot? _______________________________________________________________________________________________________ . 10 Waar ligt het kussen? _______________________________________________________________________________________________________ .

214 7 Wonen

Van Start binnen 2020.indd 214

07-02-20 16:23


18

Luisteren

Kijk naar de plaatjes en luister naar de tekst. Anne, Laura, Sara en Tom vertellen over de inrichting van hun woonkamers. Van wie is welke woonkamer? Schrijf de namen onder de plaatjes.

______________________________________________________________

______________________________________________________________

______________________________________________________________

______________________________________________________________

19

Spreken

Kijk nog een keer naar de plaatjes bij oefening 18. Beschrijf de woonkamers nu zelf.

7 Wonen 215

Van Start binnen 2020.indd 215

07-02-20 16:23


20

Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A tekent hieronder de inrichting van zijn woonkamer. Cursist B mag de tekening niet zien. Cursist A beschrijft zijn woonkamer. Cursist B luistert en tekent de woonkamer op een apart papier. Controleer daarna of de tekeningen hetzelfde zijn. Wissel dan van rol.

216 7 Wonen

Van Start binnen 2020.indd 216

07-02-20 16:23


Grammatica Voltooide tijd 2 (perfectum). Voor deel 1 zie thema 2B, pagina 188 Kijk naar de volgende werkwoorden in het perfectum. Werkwoorden in combinatie met een vorm van zijn zijn

Hij is nog nooit in Parijs geweest.

gaan

We zijn met de kinderen naar de speeltuin gegaan.

komen

Hij is met de trein gekomen.

blijven

Ze zijn tot 23.00 uur op het feestje gebleven.

worden

Zij is 20 jaar geworden.

beginnen

De film is al begonnen.

stoppen

Hij is met roken gestopt.

gebeuren

Op de A1 is vanmorgen een ongeluk gebeurd.

veranderen

Alles is nog hetzelfde. Er is niets veranderd?

trouwen

Johan en Mieke zijn in 2009 getrouwd.

slagen

Simone is voor haar rijexamen geslaagd.

zakken

Maarten is al drie keer voor zijn rijexamen gezakt.

stijgen

Het aantal studenten in Amsterdam is met 5 procent gestegen.

dalen

Het aantal studenten in Rotterdam is met 5 procent gedaald.

Regel:

In het perfectum gebruik je bij deze werkwoorden een vorm van zijn.

Voorbeeld:

Ik ben nog nooit in Parijs geweest. Jij / U bent nog nooit in Parijs geweest. Hij / Zij is nog nooit in Parijs geweest. Wij zijn nog nooit in Parijs geweest. Jullie zijn nog nooit in Parijs geweest. Zij zijn nog nooit in Parijs geweest.

Regel:

Bij werkwoorden van richting (met het woord â&#x20AC;&#x2DC;naarâ&#x20AC;&#x2122;) gebruik je ook een vorm van zijn.

Voorbeeld:

Zij is met de auto naar Groningen gereden. We zijn naar Utrecht verhuisd. Ze is naar huis gefietst. Ze zijn op 12 juli naar Lissabon gevlogen. Hij is naar Engeland gevaren.

. Let op:

In de volgende zin staat geen richting. Dan gebruik je een vorm van hebben: Ze heeft te hard gereden.

7 Wonen 217

Van Start binnen 2020.indd 217

07-02-20 16:23


21

Grammatica

Vul de goede vorm in van hebben of zijn. Zij _____________________________ heeft gisteren nieuwe schoenen gekocht. Hij _____________________________ gisteren vroeg naar bed gegaan. is

Voorbeeld:

1 Ik _____________________________

vrijdagavond twee uur met mijn zus gebeld. Er rijden geen treinen. _____________________________ er iets gebeurd? 3 Zij _____________________________ in 2012 naar Nederland gekomen. 4 Hij _____________________________ vandaag kippensoep gemaakt. 5 Erik en Nathalie _____________________________ zes jaar in Amsterdam gewoond. 6 We _____________________________ tot 17.30 uur op het strand gebleven. 7 Hans _____________________________ geschiedenis gestudeerd. 8 Wanneer _____________________________ je met de cursus begonnen? 9 Hij _____________________________ voor het examen Nederlands geslaagd. 10 Ze _____________________________ naar het centrum gefietst. 2

Kijk naar de volgende werkwoorden in het perfectum. Werkwoorden zonder (extra) ge- in het participium gebeuren

Wat is er gebeurd?

beginnen

De film is om 20.00 uur begonnen.

ontmoeten

Ik heb mijn man tijdens mijn studie ontmoet.

herhalen

We hebben de nieuwe woorden herhaald.

vertellen

Zij heeft een mooi verhaal aan haar dochter verteld.

ervaren

We hebben veel nieuwe dingen ervaren.

Regel:

Begint het werkwoord met ge-, be-, ont-, her-, ver-, er-? Gebruik dan geen (extra) ge- aan het begin van het werkwoord.

22

Grammatica

Vul de goede vorm van het werkwoord in het perfectum in. Voorbeeld:

De docent heeft de grammatica nog een keer _____________________________ herhaald (herhalen). 1 2

Zij heeft de oefening niet goed _____________________________ (begrijpen). Hij heeft vanmorgen niet _____________________________ (ontbijten).

218 7 Wonen

Van Start binnen 2020.indd 218

07-02-20 16:23


3

4 5 6 7 8 9 10

23

Ik heb veel leuke, nieuwe cafés in Utrecht _____________________________ (ontdekken). Ze heeft haar oma in het ziekenhuis _____________________________ (bezoeken). Hij heeft met zijn werk veel geld _____________________________ (verdienen). Ik heb mijn sleutel op het strand _____________________________ (verliezen). Voor dit recept heb ik gele paprika’s _____________________________ (gebruiken). Wat heb je allemaal op vakantie _____________________________ (beleven)? Hij heeft me veel over zijn leven _____________________________ (vertellen). Zij heeft het zich niet _____________________________ (herinneren).

Lezen

Lees de tekst. Zoek alle perfectumvormen en schrijf ze in de tabel. Schrijf ook de infinitief op.

Leven in Nederland Andrea Garcia komt uit Spanje. Ze woont nu negen jaar in Nederland. Ze vertelt over haar leven in Nederland: ‘In 2006 ben ik naar Nederland gekomen. Ik ben met een Nederlandse man getrouwd. We hebben elkaar in Spanje ontmoet door ons werk. De eerste vier jaar van onze relatie hebben we in Spanje gewoond, maar toen hebben we besloten naar Nederland te komen. Toen ik in Nederland kwam, ben ik direct met een cursus Nederlands begonnen. Ik vond het leuk om Nederlands te leren, maar wel moeilijk. Bij de cursus heb ik veel leuke mensen ontmoet. Sommigen zijn nog steeds vrienden. In Spanje was ik verpleegkundige. In Nederland heb ik eerst een jaar als vrijwilliger in het Diaconessenziekenhuis gewerkt. Daarna heb ik een vaste baan gekregen. In 2012 is onze dochter Sofia geboren. Ze is tweetalig. Ze spreekt Spaans en beter Nederlands dan ik! Toen Sofia is geboren, zijn we naar een groter huis verhuisd. We hebben een eengezinswoning in Utrecht gekocht, omdat we daar allebei werken. We hebben het huis mooi opgeknapt en wonen er nog steeds met plezier. Of ik altijd in Nederland wil blijven wonen? Dat weet ik nog niet, maar nu ben ik gelukkig hier.’

perfectum ben gekomen

infinitief komen

7 Wonen 219

Van Start binnen 2020.indd 219

07-02-20 16:23


perfectum

24

infinitief

Spreken

Werk in tweetallen. Wat heb je gedaan? Gebruik het perfectum. Cursist A maakt een zin zonder inversie en cursist B maakt een zin met inversie. Gebruik de woorden uit het schema. Voorbeeld:

Gisteren Cursist A: Cursist B: 1 Vanmorgen 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Gisteren Eergisteren Vorige week Afgelopen maandag In het weekend Vrijdagavond Om 11.00 uur Twee weken geleden Vorig jaar

sporten Ik heb gisteren gesport. Gisteren heb ik gesport. ontbijten boodschappen doen pasta koken een museum bezoeken werken voor een toets studeren naar de bioscoop gaan een afspraak met de tandarts maken Jan bellen met een cursus Nederlands beginnen

220 7 Wonen

Van Start binnen 2020.indd 220

07-02-20 16:23


25

Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A vraagt naar de kloktijd van activiteiten in het afgelopen weekend. Cursist B geeft antwoord en gebruikt inversie. Gebruik de woorden uit het schema. Voorbeeld:

Cursist A

Hoe laat heb je boodschappen gedaan?

Cursist B

Om elf uur heb ik boodschappen gedaan.

Cursist A

douchen ontbijten naar de markt gaan op een terras zitten lunchen wandelen de krant lezen koken eten journaal kijken een vriend bellen internetten naar bed gaan

26

(boodschappen doen)

(11.00 uur)

Cursist B

09.00 uur 09.30 uur 10.15 uur 11.00 uur 12.30 uur 14.10 uur 15.40 uur 17.00 uur 18.20 uur 20.00 uur 20.30 uur 21.15 uur 23.00 uur

Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A vraagt aan cursist B wat hij in het weekend heeft gedaan. Cursist A schrijft de activiteiten in de tabel. Cursist A vertelt over het weekend van cursist B. Gebruik het perfectum. Wissel daarna van rol. zaterdag

zondag

______________________________________________________________

_____________________________________________________________

______________________________________________________________

_____________________________________________________________

______________________________________________________________

_____________________________________________________________

______________________________________________________________

_____________________________________________________________

______________________________________________________________

_____________________________________________________________

______________________________________________________________

_____________________________________________________________

______________________________________________________________

_____________________________________________________________

______________________________________________________________

_____________________________________________________________

______________________________________________________________

_____________________________________________________________

______________________________________________________________

_____________________________________________________________

______________________________________________________________

_____________________________________________________________

7 Wonen 221

Van Start binnen 2020.indd 221

07-02-20 16:23


27

Grammatica

Schrijven

Maak de zinnen af. Morgen _____________________________________________________________________________________ ga ik naar de markt .

Voorbeeld:

1

Wat kun je in een bibliotheek doen? Daar _______________________________________________________________________________________________ . 2

Hoeveel tafels zie je in de klas? Ik _______________________________________________________________________________________________ . 3

Afgelopen donderdag _______________________________________________________________________ .

4

Twee weken geleden ________________________________________________________________________ .

5

Waar staat de televisie? De televisie _____________________________________________________________________________________ .

6

7

Waar hangt de kapstok? De kapstok ______________________________________________________________________________________ . Waar ligt mijn telefoon? Je telefoon _______________________________________________________________________________________ .

8 Gisteren __________________________________________________________________________________________

.

9 Eergisteren ______________________________________________________________________________________

.

10

Vorig weekend _________________________________________________________________________________ .

Woordenlijst Thema 7 aan (aan de muur) aanrecht (het), aanrechten aansluiting (de), aansluitingen aantal (het), aantallen achter achtertuin (de), achtertuinen activiteit (de), activiteiten

_________________________________

_________________________________

_________________________________

_________________________________ _________________________________

_________________________________

_________________________________

afzuigkap (de), afzuigkappen alle apparaat (het), apparaten apparatuur (de) bad (het), baden badkamer (de), badkamers bakken balkon (het), balkons

_________________________________ _________________________________

_________________________________ _________________________________ _________________________________

_________________________________ _________________________________

_________________________________

222 7 Wonen

Van Start binnen 2020.indd 222

07-02-20 16:23


bank (de), banken _________________________________ bed (het), bedden _________________________________ begonnen (beginnen) _________________________________ belangrijk _________________________________ beleven _________________________________ binnenkort _________________________________ blij _________________________________ boerderij (de), boerderijen _________________________________ bootje (het), bootjes _________________________________ boterham (de), boterhammen _________________________________ boven _________________________________ bureau (het), bureaus _________________________________ bureaulamp (de), bureaulampen _________________________________ bureaustoel (de), bureaustoelen _________________________________ computer (de), computers _________________________________ dak (het), daken _________________________________ dekbed (het), dekbedden _________________________________ deur (de), deuren _________________________________ direct _________________________________ diverse _________________________________ douche (de), douches _________________________________ drink (drinken) _________________________________ droger (de), drogers _________________________________ droomhuis (het), droomhuizen _________________________________ eengezinswoning (de), -woningen _________________________________ eettafel (de), eettafels _________________________________ enzovoort _________________________________ ermee (ik ben er heel blij mee) _________________________________ eruit zien _________________________________ ervaren _________________________________ examen (het), examens _________________________________ extra _________________________________ flat (de), flats _________________________________ fornuis (het), fornuizen _________________________________

gebeurd (gebeuren) _________________________________ gebleven (blijven) _________________________________ gedaald (dalen) _________________________________ gedeelde (gedeelde keuken) _________________________________ gegaan (gaan) _________________________________ geit (de), geiten _________________________________ gekomen (komen) _________________________________ genieten (van) _________________________________ geslaagd (slagen) _________________________________ gestegen (stijgen) _________________________________ gestopt (stoppen) _________________________________ getrouwd (trouwen) _________________________________ geweest (zijn) _________________________________ geworden (worden) _________________________________ gezakt (zakken) _________________________________ gootsteen (de) _________________________________ gordijn (het), gordijnen _________________________________ gracht (de), grachten _________________________________ grachtenpand (het), grachtenpanden _________________________________ hal (de), hallen _________________________________ hangt (hangen) _________________________________ heel _________________________________ hele _________________________________ herhalen _________________________________ hetzelfde _________________________________ hobbykamer (de), hobbykamers _________________________________ hond (de), honden _________________________________ hoop (hopen) _________________________________ hoort bij (Welke foto hoort bij welke persoon?) _________________________________ hopelijk _________________________________ houden van _________________________________ huurhuis (het), huurhuizen _________________________________ hypotheek (de), hypotheken _________________________________ hypotheekkosten (de) _________________________________ inbouwkast (de), inbouwkasten _________________________________ indeling (de) _________________________________ internet (het) _________________________________ internetten _________________________________ journaal (het), journaals _________________________________

7 Wonen 223

Van Start binnen 2020.indd 223

07-02-20 16:23


kant (de), kanten _________________________________ kast (de), kasten _________________________________ kat (de), katten _________________________________ kelder (de), kelders keuken (de), keukens kinderboerderij (de), -boerderijen _________________________________ kip (de), kippen _________________________________ klas (de), klassen _________________________________ kledingkast (de), kledingkasten _________________________________ kleed (het), kleden _________________________________ klussen _________________________________ koelkast (de), koelkasten _________________________________ koophuis (het), koophuizen _________________________________ kopje (het), kopjes _________________________________ kraan (de), kranen _________________________________ kussen (het), kussens _________________________________ lamp (de), lampen _________________________________ laptop (de), laptops _________________________________ last (ik heb last van de buren) _________________________________ ligbad (het), ligbaden _________________________________ ligt (liggen) _________________________________ logeren _________________________________ loop (lopen) _________________________________ loopafstand (de) _________________________________ loterij (de), loterijen _________________________________ magnetron (de), magnetrons _________________________________ mail (de), mails _________________________________ makelaar (de), makelaars _________________________________ medisch centrum (het) _________________________________ mee (lees mee) _________________________________ minimaal _________________________________ moestuin (de), moestuinen _________________________________ naast _________________________________ nachtkastje (het), nachtkastjes _________________________________ natuur (de) _________________________________ nieuwbouw (de) _________________________________ nieuwbouwwoning (de), -woningen _________________________________

nog een keer _________________________________ olifant (de), olifanten _________________________________ om _________________________________ onder _________________________________ ongeluk (het), ongelukken _________________________________ ontdekken _________________________________ ooit _________________________________ op _________________________________ open _________________________________ oven (de), ovens _________________________________ overige _________________________________ per _________________________________ plaatje (het), plaatjes _________________________________ plaats (de), plaatsen _________________________________ poetsen (tanden poetsen) _________________________________ prachtig _________________________________ printer (de), printers _________________________________ raam (het), ramen _________________________________ rijexamen (het), rijexamens _________________________________ rijtjeshuis (het), rijtjeshuizen _________________________________ roken _________________________________ rond _________________________________ ruim _________________________________ rustige _________________________________ salontafel (de), salontafels _________________________________ samenwonen _________________________________ sauna (de), saunaâ&#x20AC;&#x2122;s _________________________________ schema (het), schemaâ&#x20AC;&#x2122;s _________________________________ schilderij (het), schilderijen _________________________________ schoonmaken _________________________________ schoorsteen (de), schoorstenen _________________________________ schuur (de), schuren _________________________________ slaapkamer (de), slaapkamers _________________________________ slapen _________________________________ sms-je (het), sms-jes _________________________________

224 7 Wonen

Van Start binnen 2020.indd 224

07-02-20 16:23


speeltuin (de), speeltuinen _________________________________ spiegel (de), spiegels _________________________________ staat (staan) _________________________________ stoel (de) stoelen _________________________________ strand (het), stranden _________________________________ studeerkamer (de), studeerkamers _________________________________ student (de), studenten _________________________________ studentenkamer (de), -kamers _________________________________ studeren _________________________________ taart (de), taarten _________________________________ tafel (de), tafels _________________________________ tand (de), tanden _________________________________ tapijt (het), tapijten _________________________________ te huur _________________________________ tegen _________________________________ tegenover _________________________________ tekenen _________________________________ tekening (de), tekeningen _________________________________ tekst (de), teksten _________________________________ televisie (de), televisies _________________________________ theepot (theepotten) _________________________________ toilet (het), toiletten _________________________________ trap (de), trappen _________________________________ trap (de), trappen _________________________________ tuin (de), tuinen _________________________________ tuinieren _________________________________ tussen _________________________________ tv (de), tvâ&#x20AC;&#x2122;s _________________________________ twee-onder-een-kapwoning (de) _________________________________ type (het), types _________________________________ uitbouw (de) _________________________________ uitzicht (het), uitzichten _________________________________ vaas (de), vazen _________________________________ vaatwasser (de), vaatwassers _________________________________ vanaf _________________________________

varen _________________________________ vaste trap (de), - trappen _________________________________ veranderd (veranderen) _________________________________ verdienen (geld verdienen) _________________________________ verhuisd (verhuizen) _________________________________ verliezen _________________________________ vertellen (over) _________________________________ verwarming (de) _________________________________ via _________________________________ vliegen _________________________________ voor _________________________________ voordeur (de), voordeuren _________________________________ voortuin (de), voortuinen _________________________________ voorzien (van) _________________________________ voorziening (de), voorzieningen _________________________________ vrijstaand (een vrijstaand huis) _________________________________ wasmachine (de), wasmachines _________________________________ wastafel (de), wastafels _________________________________ wc (de), wcâ&#x20AC;&#x2122;s _________________________________ weinig _________________________________ wekker (de), wekkers _________________________________ werkkamer (de), werkkamers _________________________________ wonen _________________________________ woning (de), woningen _________________________________ woonkamer (de), woonkamers _________________________________ zelf _________________________________ zich herinneren _________________________________ zitten (op een stoel zitten) _________________________________ zoals _________________________________ zolder (de), zolders _________________________________ zwembad (het), zwembaden _________________________________

7 Wonen 225

Van Start binnen 2020.indd 225

07-02-20 16:23


8

Gezondheid

226

Van Start binnen 2020.indd 226

07-02-20 16:23


8A

Hoe voel je je?

1

Luisteren en lezen

A Luister naar de dialogen en lees mee. Dialoog 1

Een afspraak maken voor een consult bij de huisarts

Doktersassistent: Goedemorgen, huisartsenpraktijk Julianapark, met Annet. Johan: Goedemorgen, met Johan Achterberg. Ik wil graag een afspraak met dokter Jansen maken. Doktersassistent: Dat kan. Wat is uw klacht, als ik vragen mag? Johan: Ik ben twee dagen geleden gevallen met de fiets, en nu heb ik last van mijn enkel. Kan ik even bij de dokter langskomen? Doktersassistent: Oh wat vervelend. Ik kijk even in de agenda. Ja, ik zie dat de dokter vanmiddag nog tijd heeft om half vier. En anders kunt u morgenochtend komen. Johan: Vanmiddag om half vier is goed. Dank u wel. Doktersassistent: Geen dank, tot vanmiddag. Johan: Dag.

8 Gezondheid 227

Van Start binnen 2020.indd 227

07-02-20 16:23


Dialoog 2

Bij de dokter

Dokter Jansen: Johan: Dokter Jansen: Johan: Dokter Jansen: Johan:

Dokter Jansen: Johan: Dokter Jansen: Johan: Dokter Jansen: Johan: Dokter Jansen:

Johan: Dokter Jansen: Johan: Dokter Jansen:

Dag Johan, ga zitten. Dank u wel. Hoe gaat het met je? Ik zie dat je niet goed kan lopen. Ja, dat klopt. Ik heb last van mijn enkel. Oh vervelend. Is er iets gebeurd? Ja, ik ben gevallen met de fiets. Er kwam een auto van rechts, en ik zag hem te laat. Het is goed afgelopen, maar ik viel op mijn enkel. En wanneer is het gebeurd? Twee dagen geleden. Ik wil je enkel even onderzoeken. Doe je schoen en je sok maar uit. --Doet dit pijn? Aaah, nee dat voelt echt niet goed! Kun je je voet naar rechts draaien, en naar links? Ja dat lukt wel, maar het doet echt pijn. Er is gelukkig niets gebroken, maar je enkel is gekneusd. Ik zal er een steunverband om doen. En verder moet je de enkel niet te veel belasten. Als je veel pijn hebt, kun je paracetamol nemen. OkĂŠ, en hoelang moet het steunverband erom blijven? Ongeveer drie weken. Als je daarna nog pijn hebt, moet je weer even terugkomen. Dank u wel, en nog een fijne dag. Graag gedaan, en beterschap!

228 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 228

07-02-20 16:23


B Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee en zeg na.

Dialoog 1 Ik wil graag een afspraak met dokter Jansen maken. Dat kan. Wat is uw klacht, als ik vragen mag? Ik ben twee dagen geleden gevallen met de fiets. Nu heb ik last van mijn enkel. Ik wil graag dat de dokter er even naar kijkt. Ik kijk even in de agenda. Ik zie dat de dokter vanmiddag nog tijd heeft om half vier. Vanmiddag om half vier is goed.

Dialoog 2 Hoe gaat het met je? Ik zie dat je niet goed kan lopen. Is er iets gebeurd? Ik ben gevallen met de fiets. Er kwam een auto van rechts, en ik zag hem te laat. Het is goed afgelopen, maar ik viel op mijn enkel. En wanneer is het gebeurd? Twee dagen geleden. Ik wil je enkel even onderzoeken. Doe je schoen en je sok maar uit. Doet dit pijn? Dat voelt echt niet goed! Kun je je voet naar rechts draaien, en naar links? Ja dat lukt wel, maar het doet echt pijn. Er is gelukkig niets gebroken, maar je enkel is gekneusd. Ik zal er een steunverband om doen. En verder moet je de enkel niet te veel belasten. Als je veel pijn hebt, kun je paracetamol nemen. Hoelang moet het steunverband erom blijven? Ongeveer drie weken. Als je daarna nog pijn hebt, moet je weer even terugkomen. Beterschap!

8 Gezondheid 229

Van Start binnen 2020.indd 229

07-02-20 16:23


2

Luisteren en lezen

Kies:

Dialoog 1

waar â&#x20AC;&#x201C; niet waar

Johan is twee weken geleden gevallen met de fiets. 2 Johan belt â&#x20AC;&#x2122;s middags naar de doktersassistent. 3 Johan heeft last van zijn enkel. 4 Johan gaat morgenmiddag om half vier naar de dokter.

Dialoog 2

1

5

6 7 8

9

3

Johan kan zijn voet naar rechts en naar links draaien. Zijn enkel doet een beetje pijn. Johans enkel is gebroken. De dokter doet een steunverband om de enkel. Johan moet drie weken paracetamol nemen.

waar

niet waar

waar waar

niet waar niet waar

waar

niet waar

waar

niet waar

waar waar

niet waar niet waar

waar waar

niet waar niet waar

Woorden

Kijk naar de afbeeldingen. Kun je onderstaande lichaamsdelen vinden op de afbeeldingen?

het hoofd

de tand

het oog

de wang

het haar

de kies

de kin

het oor

de neus

de kaak

de lip

de hals

de mond

de nek

de tong

het gezicht

de wenkbrauw

230 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 230

07-02-20 16:23


de schouder

de navel

de heup

de rug

het been

de elleboog

de vinger (duim, wijsvinger, middelvinger, ringvinger, pink)

de billen

de knie

de pols

de borst

de penis

de enkel

de hand

de buik

de vagina

de voet

de arm

de teen

de hersenen de keel het hart de longen de lever de maag de darmen de blaas de nieren de spier

8 Gezondheid 231

Van Start binnen 2020.indd 231

07-02-20 16:23


4

Woorden en grammatica

Vul de volgende woorden in. Gebruik het meervoud. Voorbeeld:

(kies)

De tandarts heeft twee _____________________________ kiezen getrokken.

1

(het oog) Jan heeft altijd slechte _____________________________ gehad. 2 (de lip) In de winter heb ik vaak last van droge ____________________________ . 3 (de tand) Saskia poetst haar _____________________________ twee keer per dag. 4 (de enkel) Ik kan niet goed skiën, want ik heb zwakke _____________________________ . 5 (de wang) Wat heb je rode _____________________________ ! Heb je te veel alcohol gedronken? 6 (het oor) Vrijdag gaat de dokter naar mijn _____________________________ kijken. 7 (de arm) Wat een zware boodschappentassen! Ik heb spierpijn in mijn _____________________________ . 8 (de pols) Anja heeft een zwaar ongeluk gehad. Allebei haar _____________________________ zijn gebroken. 9 (de hand) Voor het eten moet je je _____________________________ wassen. 10 (het been) Mijn _____________________________ zijn te lang voor deze broek.

Taalhulp

Een afspraak maken bij de dokter de receptioniste van de huisartsenpraktijk

de patiënt

Huisartsenpraktijk Van Wijk, goedemorgen.

Goedemorgen, u spreekt met Moniek van Veen. Ik wil graag een afspraak maken met dokter De Graaf.

Dat kan. Wat is de klacht, als ik vragen mag?

Ik heb een verkoudheid die maar niet overgaat.

Oké, en hoelang bent u al verkouden?

Ik heb er nu al drie weken last van.

Dat is inderdaad al lang. Kunt u vanmiddag even langskomen?

Ja prima, hoe laat?

Het kan om 14.30 uur of om 16.15 uur.

Dan kom ik om 14.30 uur. Dank u wel.

Graag gedaan en tot vanmiddag.

Tot straks.

232 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 232

07-02-20 16:23


5

Taalhulp

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

6

Goedemiddag, met Valerie de Bruin. Ik wil graag een afspraak maken met dokter Verweij. Wat is de klacht, als ik vragen mag? Ik ben verkouden. Hoelang bent u al verkouden? Ik heb er nu al twee weken last van. Kunt u morgen even langskomen? Ja prima, hoe laat? Het kan om 11.00 uur. Prima, dank u wel.

Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A is de patiĂŤnt. Cursist B is de receptioniste van de huisartsenpraktijk. Maak een dialoog met de gegeven informatie.

Voorbeeld:

Cursist A

Cursist B

oorpijn, sinds eergisteren

vrijdagochtend, om 10.00 uur

B A B A B A B A B A

Goedemorgen, huisartsenpraktijk Julianapark. Goedemorgen, met (je naam). Ik wil graag een afspraak maken met dokter De Groot. Dat kan. Wat is uw klacht, als ik vragen mag? Ik heb last van oorpijn. Hoelang hebt u de oorpijn al? Sinds eergisteren. Kunt u vrijdagochtend om 10 uur komen? Ja dat kan, bedankt. OkĂŠ, tot vrijdag. Tot dan.

8 Gezondheid 233

Van Start binnen 2020.indd 233

07-02-20 16:23


Cursist A 1

Cursist B

last van mijn maag, al twee dagen 2 mijn rug doet pijn, al drie maanden 3 buikpijn, al een week 4 last van mijn schouders, al een maand 5 enkel doet zeer, sinds zaterdag 6 hoofdpijn, al twee weken 7 spierpijn in mijn benen, al drie maanden 8 last van mijn pols, sinds zondag

vanmiddag, om 15.30 uur donderdag, om 11.15 uur morgenochtend, om 08.20 uur woensdagmiddag, om 14.45 uur dinsdag, om 13.00 uur morgenmiddag, om 14.50 uur vrijdag, om 12.30 uur vandaag, over een halfuurtje

Taalhulp

Bij de dokter klachten

Ik heb buikpijn.

Ik heb hoofdpijn.

Ik heb keelpijn.

Ik ben verkouden.

Ik heb griep.

Ik heb last van mijn rug.

234 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 234

07-02-20 16:23


Ik heb koorts / verhoging.

Ik ben moe.

Mijn gezicht is verbrand.

Ik ben misselijk.

Ik heb oorpijn.

de oordruppels

de paracetamol

de bruistabletten

de neusspray

de zalf

de hoestdrank

de crème

de maagtabletten

Ik heb een snee. medicijnen

8 Gezondheid 235

Van Start binnen 2020.indd 235

07-02-20 16:23


dokter

patiĂŤnt

Wat is er aan de hand? Wat kan ik voor u doen?

Ik heb griep. Ik voel me zo beroerd.

Wat vervelend. Hoelang heeft u dat al?

Sinds maandag. Ik heb er nu al vijf dagen last van.

Wanneer is het begonnen?

Maandag is het begonnen.

Wat zijn de klachten precies?

Ik heb het koud. Ik heb koorts en spierpijn. Ik voel me moe. Ik heb last van mijn keel.

Ik geef u een recept voor keeltabletten. Verder paracetamol en veel rust nemen. Als het over vijf dagen niet beter is, wil ik nog een afspraak met u maken.

Dank u wel, en een fijne dag.

U ook, en beterschap!

7

Taalhulp

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1

Wat is er aan de hand? 2 Ik ben verkouden. 3 Hoelang heeft u dat al? 4 Ik heb er al vier dagen last van. 5 Wat zijn de klachten precies? 6 Mijn keel doet zeer. 7 Ik heb koorts. 8 Ik ben moe. 9 U kunt paracetamol nemen en verder veel slapen. 10 Beterschap!

236 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 236

07-02-20 16:23


8

Taalhulp

Schrijf onderstaande klachten van de patiënt en de adviezen van de dokter bij de juiste plaatjes (meer adviezen bij één plaatje is mogelijk). klachten

adviezen

Ik heb buikpijn. Ik heb hoofdpijn. Ik ben verkouden. Ik ben moe. Ik heb last van mijn rug. Ik ben te dik.

U moet veel rust nemen. U moet meer sporten. U kunt vijf paracetamols per dag nemen. U moet gezonder eten. U kunt deze zalf twee keer per dag gebruiken. Met deze neusdruppels kunt u beter ademen. U kunt een afspraak met een diëtiste maken. Het is beter om minder alcohol te drinken. Drink ’s avonds geen koffie. Neem een warm bad met tijmolie. U kunt deze hoestdrank vijf keer per dag nemen.

klachten

Ik ben verkouden.

adviezen

Met deze neusdruppels kunt u beter ademen. Neem een warm bad met tijmolie. U kunt deze hoestdrank vijf keer per dag nemen.

klachten

adviezen

_________________________________________________

_________________________________________________

_________________________________________________

_________________________________________________ _________________________________________________ _________________________________________________ _________________________________________________ _________________________________________________

klachten

adviezen

_________________________________________________

_________________________________________________

_________________________________________________

_________________________________________________ _________________________________________________ _________________________________________________ _________________________________________________ _________________________________________________

8 Gezondheid 237

Van Start binnen 2020.indd 237

07-02-20 16:23


klachten

adviezen

_________________________________________________

_________________________________________________

_________________________________________________

_________________________________________________ _________________________________________________ _________________________________________________ _________________________________________________ _________________________________________________

klachten

adviezen

_________________________________________________

_________________________________________________

_________________________________________________

_________________________________________________ _________________________________________________ _________________________________________________ _________________________________________________ _________________________________________________

klachten

adviezen

_________________________________________________

_________________________________________________

_________________________________________________

_________________________________________________ _________________________________________________ _________________________________________________ _________________________________________________ _________________________________________________

238 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 238

07-02-20 16:23


9

Woorden

Vertel de dokter wat je klacht is. Kies uit de volgende zinnen: Ik heb ... pijn. (Ik heb keelpijn.) Mijn ... doet pijn. (Mijn keel doet pijn.) Mijn ... doet zeer. (Mijn keel doet zeer.) Ik heb last van mijn … . (Ik heb last van mijn keel.)

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

10

(de pols) (het hart) (de knie) (de kies) (het hoofd) (de buik) (de rug) (de spier) (de schouder) (de maag)

. _________________________________________________________________________________ . _________________________________________________________________________________ . _________________________________________________________________________________ . _________________________________________________________________________________ . _________________________________________________________________________________ . _________________________________________________________________________________ . _________________________________________________________________________________ . _________________________________________________________________________________ . _________________________________________________________________________________ . _________________________________________________________________________________

Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A is de patiënt. Cursist B is de dokter. Maak een dialoog met de gegeven informatie.

Voorbeeld:

Cursist A

Cursist B

last van mijn rug, al twee maanden

zalf, en een afspraak met de fysiotherapeut

B A B A B A B A B A

Wat kan ik voor u doen? Ik heb zo’n last van mijn rug. Hoelang hebt u dat al? Ik heb er twee maanden last van. Heeft u iets speciaals gedaan? Nee, niets bijzonders. Ik wil u even onderzoeken. Ik geef u een recept voor een zalf. Die kunt u ’s morgens en ’s avonds op uw rug smeren. Verder verwijs ik u door naar een fysiotherapeut. Dank u wel. Veel beterschap en een fijne dag. Fijne dag!

8 Gezondheid 239

Van Start binnen 2020.indd 239

07-02-20 16:23


Cursist A

Cursist B

1

hoofdpijn, een week ibuprofen, veel rust nemen 2 moe, slecht slapen, een halfjaar slaappillen 3 droge ogen, twee maanden oogdruppels 4 snee in duim, vanmorgen verband 5 gezicht verbrand door de zon, gisteren zalf 6 keelpijn, al een week hoestdrank

Grammatica Scheidbaar werkwoord (separabel verbum) In het Nederlands kan er voor het basiswerkwoord een prefix staan. Dit prefix geeft het werkwoord een nieuwe betekenis. Kijk bijvoorbeeld naar het basiswerkwoord ‘nemen’. innemen (medicijnen innemen) opnemen (de telefoon opnemen) overnemen (werk van een collega overnemen) meenemen (je boek naar de les meenemen)

Soms schrijf je het basiswerkwoord en het prefix als één woord. Soms zijn ze van elkaar gescheiden en schrijf je ze apart. Kijk naar de volgende voorbeelden voor de verschillende zinsstructuren. innemen

opbellen

presens

Ik neem het medicijn ’s avonds in.

Ik bel je vanavond op.

imperatief

Neem het medicijn twee keer per dag in.

Bel me vanavond even op.

modaal + infinitief

Ik moet het medicijn twee keer per dag innemen.

Ik zal je vanavond even opbellen.

perfectum

Ik heb het medicijn ingenomen.

Ik heb hem gisteren opgebeld.

bijzin

Ik heb in de bijsluiter gelezen dat ik het medicijn twee keer per dag moet innemen.

Ik denk dat ik hem vanavond even opbel.

240 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 240

07-02-20 16:23


11

Grammatica

Werk in tweetallen. Cursist A leest de imperatief-zinnen. Cursist B leest de antwoorden. Cursist A (imperatief ) 1

2

3 4 5

6

7

8

12

Schrijf je op tijd voor de cursus in! Doe het raam maar even open. Ruim het huis goed op. Doe het licht maar uit. Trek mooie kleding aan voor het feest. Maak het huiswerk op tijd af. Neem het medicijn drie keer per dag in. Bel me vanavond even op.

Cursist B (modaal + infinitief )

Ja, ik zal me vandaag inschrijven. Ja, ik zal het even opendoen. Ja, ik zal het goed opruimen. Ja, ik zal het uitdoen. Ja, ik zal mooie kleding aantrekken. Ja, ik zal het vandaag afmaken. Ja, ik zal het drie keer per dag innemen. Ja, ik zal je vanavond opbellen.

Grammatica

Vul het werkwoord tussen haakjes in. Geef ook antwoord op de vraag (positief en negatief). Gebruik presens. Voorbeeld:

(uitgaan)

Jan _________________ gaat zaterdag met zijn vrienden _________________ uit . Ga jij zaterdag ook uit? ik ga zaterdag ook uit - Ja, ___________________________________________________________________________________ . ga zaterdag niet uit - Nee, ik ________________________________________________________________________________ .

1

(uitnodigen) Heleen ____________________________ haar collegaâ&#x20AC;&#x2122;s ook voor het feest _____________________________ . Nodig jij Erik voor het feest uit? - Ja, ______________________________________________________________________________ . - Nee, ___________________________________________________________________________ . 2 (aantrekken) Moniek _____________________________ een galajurk naar het feest _____________________________ . Trek jij ook een galajurk aan? - Ja, ______________________________________________________________________________ . - Nee, ___________________________________________________________________________ . 3 (ophalen) Jan _____________________________ de kinderen om half vier _____________________________ . Haal jij de kinderen vandaag van school op? - Ja, ______________________________________________________________________________ . - Nee, ___________________________________________________________________________ .

8 Gezondheid 241

Van Start binnen 2020.indd 241

07-02-20 16:23


4

(uitstappen) Rob _____________________________ in Utrecht _____________________________ . Stap jij ook in Utrecht uit? - Ja, _______________________________________________________________________________ . - Nee, ___________________________________________________________________________ . 5 (uitslapen) Marjolein _____________________________ in het weekend tot tien uur _____________________________ . Slaap jij op zaterdag ook tot tien uur uit? - Ja, _______________________________________________________________________________ . - Nee, ____________________________________________________________________________ .

13

Grammatica

Vul het werkwoord tussen haakjes in. Geef ook antwoord op de vraag (positief en negatief). Gebruik perfectum. Voorbeeld:

(afmaken)

Hans _____________________________ heeft het werk _____________________________ afgemaakt . Heb jij het werk afgemaakt? heb het afgemaakt - Ja, ik _______________________________________________________________________________ . ik heb het niet afgemaakt - Nee, ____________________________________________________________________________ .

1

(opruimen) Lisa _____________________________ het huis _____________________________ . Heb jij je kamer opgeruimd? - Ja, _______________________________________________________________________________ . - Nee, ____________________________________________________________________________ . 2 (innemen) Mieke _____________________________ de pillen vanmorgen _____________________________ . Heb jij je pillen vanmorgen ingenomen? - Ja, _______________________________________________________________________________ . - Nee, ____________________________________________________________________________ . 3 (opstaan) Ik _____________________________ vanmorgen om half zeven _____________________________ . Ben jij ook om half zeven opgestaan? - Ja, _______________________________________________________________________________ . - Nee, ____________________________________________________________________________ . 4 (uitzetten) Irene __________________________ alle computers ____________________________ . Heb jij je computer ook uitgezet? - Ja, _______________________________________________________________________________ . - Nee, ____________________________________________________________________________ . 5 (dichtdoen) Laura _____________________________ de ramen _____________________________ . Heb jij de ramen dichtgedaan? - Ja, _______________________________________________________________________________ . - Nee, ____________________________________________________________________________ .

242 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 242

07-02-20 16:23


14

Grammatica

Maak van de directe rede indirecte rede. Voorbeeld:

Peter: ‘Ik ga dit weekend in Amsterdam uit.’ Peter zegt dat _______________________________________________________________________________________ hij dit weekend in Amsterdam uitgaat . 1

Saskia: ‘Ik moet in Rotterdam uitstappen.’ Saskia zegt dat _________________________________________________________________________________ . 2 Peter: ‘Ik haal de kinderen vanmiddag op.’ Peter zegt dat __________________________________________________________________________________ . 3 Saskia: ‘Ik moet morgen vroeg opstaan.’ Saskia zegt dat _________________________________________________________________________________ . 4 Peter: ‘Ik wil dat werk nog even afmaken.’ Peter zegt dat __________________________________________________________________________________ . 5 Saskia: ‘Ik heb vandaag het hele huis opgeruimd.’ Saskia zegt dat _________________________________________________________________________________ . 6 Peter: ‘Ik heb vanmorgen lekker uitgeslapen.’ Peter zegt dat __________________________________________________________________________________ . 7 Saskia: ‘Ik heb mijn woordenboek niet meegenomen.’ Saskia zegt dat _________________________________________________________________________________ . 8 Peter: ‘Ik neem mijn medicijnen na het ontbijt in.’ Peter zegt dat __________________________________________________________________________________ . 9 Saskia: ‘Ik heb gisteren een oude vriend opgebeld.’ Saskia zegt dat _________________________________________________________________________________ . 10 Peter: ‘Ik moet veel werk van een zieke collega overnemen.’ Peter zegt dat __________________________________________________________________________________ .

15

Luisteren

Luister naar de instructies van de dokter. Doe wat de dokter zegt.

8 Gezondheid 243

Van Start binnen 2020.indd 243

07-02-20 16:23


16

Lezen

Lees de tekst

Het alarmnummer 112 is er voor spoedeisende hulp. Dus wanneer iemands leven in direct gevaar is. Bijvoorbeeld wanneer iemand zwaargewond is en dringend medische hulp nodig heeft. Of wanneer u getuige bent van een misdrijf. Bijvoorbeeld geweld, moord, een inbraak of diefstal. Wanneer is een situatie spoedeisend en mag u 112 bellen? Lees hiervoor deze voorbeelden: • U heeft uzelf buitengesloten en uw kleine kind is binnen. Het fornuis staat nog aan.

U ziet geen mogelijkheden om snel binnen te komen. • Er hangt op straat een sterke gaslucht. • U heeft een aanrijding gehad en er is iemand gewond. • U heeft een aanrijding gehad. Er is niemand gewond, maar u staat op een levens gevaarlijke plek. • U ziet dat een auto wordt opengebroken. • U wordt op straat bedreigd. • Iemand probeert uw deur open te breken. • U wordt ’s nachts wakker en merkt dat er iemand in uw woning is binnengedrongen. • Bij de buren wordt heftig ruzie gemaakt. Het klinkt alsof er iemand in elkaar wordt geslagen. Wanneer u 112 belt, geef dan door: • wat er aan de hand is; • waar er hulp nodig is; • welke hulpdienst er nodig lijkt te zijn: politie, brandweer of ambulance. De centrale medewerker verbindt u onmiddellijk door met de juiste hulpdienst in uw regio. Bron: www.112.nl

Heb jij één van de bovenstaande situaties weleens meegemaakt? Wat heb je toen gedaan?

17

Spreken

Werk in tweetallen. Bekijk het plaatjesverhaal. Cursist A ziet het ongeluk gebeuren. Cursist B werkt als centrale medewerker bij 112. Cursist A belt 112 om hulp te vragen. Cursist B stelt de volgende vragen:

244 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 244

07-02-20 16:23


- Wat is er gebeurd? - Waar bent u op dit moment? - Heeft u de politie, brandweer of ambulance nodig? Cursist A vertelt zo duidelijk mogelijk wat er is gebeurd.

18

Spreken

Werk in tweetallen. Beantwoord de vragen over gezondheidszorg in Nederland en in je eigen land. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Ben je al een keer naar je huisarts geweest in Nederland? Ben je tevreden over je huisarts? Wat vind je goed en wat vind je minder goed? Kun je in jouw land altijd direct naar het ziekenhuis gaan, of ga je eerst naar de huisarts? Gebruiken mensen in jouw land meer of minder medicijnen dan in Nederland? Heb je weleens een ongeluk gezien, of zelf gehad? Wat heb je toen gedaan? Heb je weleens naar 112 gebeld? Is er in jouw land ook een 112-hulpdienst? Ga je snel naar de huisarts of wacht je liever tot het vanzelf overgaat? Heb je weleens in het ziekenhuis gelegen? Waarom?

8 Gezondheid 245

Van Start binnen 2020.indd 245

07-02-20 16:23


8B

Twee keer per dag innemen!

19

Luisteren en lezen

A Luister naar de dialoog en lees mee. Dialoog

Een recept afhalen bij de apotheek

Mariuska van Dam is bij de huisarts geweest, want ze is al twee weken verkouden en haar neus is verstopt. Het gaat niet over. De huisarts heeft haar een recept gegeven voor een neusspray. Mariuska gaat het recept afhalen bij de apotheek.

Apotheker: Goedemiddag, kan ik u helpen? Mariuska: Ja, ik ben vanochtend bij de huisarts geweest voor mijn verkoudheid. Mijn neus is verstopt en het gaat maar niet over. Daarom heeft de dokter me dit recept gegeven. Alstublieft. Apotheker: Dank u wel. Even kijken ... ja, dit is een recept voor neusspray. Momentje, dan ga ik het even pakken. (apotheker pakt het medicijn uit een lade in de voorraadkast)

Kijk eens, hier is uw medicijn. Het is een neusspray. Op het flesje zit een pompje, ziet u? Mariuska: Ja, en hoe werkt dat dan? Apotheker: Doe de punt van het flesje in een neusgat en druk twee keer op het pompje. Rustig opsnuiven, dan krijgt u de juiste dosis binnen. Doe hetzelfde voor het andere neusgat. Mariuska: En hoe vaak moet ik de neusspray gebruiken?

246 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 246

07-02-20 16:23


Apotheker: De eerste week gebruikt u het medicijn twee keer per dag, ’s ochtends als u opstaat en ’s avonds voor het naar bed gaan. Vanaf de tweede week één keer per dag, alleen ’s ochtends. Mariuska: Oké, duidelijk. Heeft de spray ook nog bijwerkingen? Apotheker: Misschien de eerste dagen een branderig gevoel in de neus, maar dat gaat snel over. Lees de bijsluiter goed, daar vindt u alle informatie. Mariuska: Duidelijk, dank u wel. Apotheker: Oh ja, nog een advies: als de klachten na drie weken nog niet over zijn, neem dan weer contact op met de huisarts. Mariuska: Dat zal ik doen. Bedankt voor uw advies. Apotheker: Graag gedaan, en beterschap.

B Luister naar de zinnen uit de dialoog. Lees mee en zeg na. Dialoog Ik ben al twee weken verkouden. Mijn neus is verstopt. Het gaat maar niet over. De dokter heeft me dit recept gegeven. Kijk eens, hier is uw medicijn. Het is een neusspray. Doe de punt van het flesje in een neusgat. Druk twee keer op het pompje. Rustig opsnuiven, dan krijgt u de juiste dosis binnen. Doe hetzelfde voor het andere neusgat. Hoe vaak moet ik de neusspray gebruiken? De eerste week gebruikt u het medicijn twee keer per dag. ’s Ochtends als u opstaat en ’s avonds voor het naar bed gaan. Vanaf de tweede week één keer per dag, alleen ’s ochtends. Heeft het medicijn ook bijwerkingen? Misschien een branderig gevoel in de neus, maar dat gaat snel over. Lees de bijsluiter goed, daar vindt u alle informatie. Als de klachten na drie weken nog niet over zijn, neem dan weer contact op met de huisarts. Dat zal ik doen, bedankt. Graag gedaan, en beterschap.

8 Gezondheid 247

Van Start binnen 2020.indd 247

07-02-20 16:23


20

Luisteren en lezen

Vragen over de dialoog: 1

Waarom komt Mariuska bij de apotheek? _________________________________________________________________________________________________________

2

Welk soort medicijn krijgt Mariuska? _________________________________________________________________________________________________________

3

Hoe moet Mariuska het medicijn gebruiken? _________________________________________________________________________________________________________

4

Hoe vaak moet ze het medicijn innemen? _________________________________________________________________________________________________________

5

Heeft het medicijn bijwerkingen? _________________________________________________________________________________________________________

6

Welk advies geeft de apotheker nog? _________________________________________________________________________________________________________

21

Woorden

Vul het goede woord in. Kies uit:

afhalen – beterschap – bijsluiter – bijwerkingen – huisarts – informatie – innemen – keel – keer – klachten – recept – spray – tabletten

1

U kunt het medicijn _____________________________ afhalen bij de apotheek.

2 Deze _____________________________ 3 4 5 6 7 8 9

moet u ’s ochtends in elk neusgat doen. U moet het medicijn twee _____________________________ per dag _____________________________ . Heeft dit medicijn ook nog _____________________________ ? Lees de _____________________________ goed, daarin vindt u alle _____________________________ over het medicijn. Dokter, ik heb last van mijn _____________________________ . Het doet pijn bij het slikken. De patiënt krijgt van de dokter een _____________________________ voor keel _____________________________ . Als de _____________________________ na drie weken niet over zijn, neem dan contact op met uw _____________________________ . Bedankt voor uw advies. Graag gedaan, en _____________________________ .

248 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 248

07-02-20 16:23


22

Woorden

Wat betekenen de woorden? Maak de goede combinaties. 1

de pil a hier koop je simpele medicijnen, shampoo en cosmetica 2 de apotheek b te hoge temperatuur van het lichaam 3 het geneesmiddel c briefje van de dokter voor een medicijn 4 genezen d dit zeg je tegen iemand die ziek is 5 de bijsluiter e medicijn om te slikken, tablet 6 de bijwerking f hier krijg je medicijnen op doktersrecept 7 de drogist g het medicijn 8 de koorts h papier met alle informatie over het medicijn 9 het recept i beter worden 10 beterschap j vervelend extra effect van een medicijn

23

Woorden

Kijk naar de plaatjes van medicijnen.

de oordruppels

de paracetamol

de bruistabletten

de neusspray

de zalf

de hoestdrank

8 Gezondheid 249

Van Start binnen 2020.indd 249

07-02-20 16:23


de crème

de maagtabletten

Welke medicijnen kan je slikken? Welke medicijnen kan je smeren? • Welke medicijnen kan je opdrinken? • Welke medicijnen kan je opsnuiven? • Welke medicijnen kan je druppelen? •

Taalhulp

Bij de apotheek de apotheker / apothekersassistente

de patiënt

Goedemiddag. Kan ik u helpen?

Ja, ik ben bij de dokter geweest voor een oorontsteking. Het gaat maar niet over. De dokter heeft me dit recept gegeven.

Het is een recept voor een antibioticakuur. Momentje, ik ga het even voor u pakken. Kijkt u eens, hier is uw medicijn.

Dank u. Hoe moet ik dit medicijn innemen?

U moet de tabletten in een glas water oplossen en dan het glas leegdrinken.

Oké, en hoe vaak moet ik het medicijn innemen?

Twee keer per dag, ’s morgens als u opstaat en ’s avonds voor het eten.

Prima, en hoelang moet ik het gebruiken?

Het is een kuur van 10 dagen. U moet de kuur helemaal afmaken, ook als u zich na een paar dagen al beter voelt.

Heeft het medicijn ook nog bijwerkingen?

Lees de bijsluiter goed, daarin staat alle informatie over het medicijn en de eventuele bijwerkingen.

Oké, duidelijk.

250 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 250

07-02-20 16:23


Als de klachten na de kuur nog niet over zijn, neem dan weer contact op met uw huisarts.

Dat zal ik doen. Bedankt voor het advies.

Graag gedaan, en beterschap.

24

Taalhulp

A Luister en lees mee. B Luister, lees mee en zeg na. C Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14

Ik ben al drie weken verkouden. Mijn neus is verstopt. Het gaat maar niet over! De dokter heeft me een recept gegeven. Dit is een recept voor neusspray. Hoe vaak moet ik dit medicijn innemen? Twee keer per dag opsnuiven in elk neusgat. Hoe moet ik deze tabletten innemen? Oplossen in een glas water en dan opdrinken. Heeft dit medicijn ook bijwerkingen? Lees de bijsluiter goed. Daarin staat alle informatie over het medicijn. Bedankt voor uw advies. Graag gedaan, en beterschap.

8 Gezondheid 251

Van Start binnen 2020.indd 251

07-02-20 16:23


25

Taalhulp

Spreken

Werk in tweetallen. Eén cursist is de patiënt, de ander is apotheker.

A Lees samen hardop de dialoog van oefening 19. B Lees samen hardop de dialoog van de taalhulp Bij de apotheek (p. 250). C Maak nu samen een nieuwe dialoog. Bedenk zelf de situatie en het medicijn.

26

Lezen

Lees de bijsluiter van het medicijn. Beantwoord de vragen.

LOPROX 10 MG/G HYDROFYLE CREME Medicijn bij schimmelinfectie huid/nagel

Hoe krijgt u een schimmelinfectie en wat merkt u dan? U kunt een schimmelinfectie krijgen op plaatsen waar veel mensen op blote voeten lopen, bijvoorbeeld in een zwembad, een sauna of een sporthal. U kunt het ook krijgen als u te veel zeep gebruikt, of als u schoenen draagt die niet goed ventileren. Bij een schimmelinfectie aan de huid krijgt u last van jeuk, de huid wordt rood en krijgt schilfers. Soms kunt u ook een stekende pijn in uw huid voelen. Bij een schimmelinfectie in uw nagel heeft u meestal geen pijn, maar de nagel krijgt een witgele kleur, wordt dikker en is niet meer mooi glad. Hij brokkelt ook af. Hoe helpen de medicijnen? U krijgt de infectie door schimmels en gisten. De medicijnen doden de schimmels en gisten. Dit soort medicijnen kunt u gebruiken in de vorm van crème, zalf, lotion of strooipoeder. Heeft het medicijn bijwerkingen? Door gebruik van dit medicijn kan de jeuk of roodheid in het begin erger worden. Meestal verdwijnen deze bijwerkingen na een korte tijd. Als dat niet zo is, moet u uw dokter of apotheek bellen. Hoe gebruikt u het medicijn, en hoelang? Bij een huidinfectie: 2 keer per dag op uw huid smeren. Maak uw huid eerst goed schoon en droog. Het medicijn begint meestal na twee weken te helpen. Blijf het gebruiken tot de infectie helemaal verdwenen is. Dat duurt 2-6 weken. Bij een nagelinfectie: 2 keer per dag op de nagel en de hele teen smeren. Het effect is niet snel te zien. Blijf het medicijn daarom gebruiken tot u een gezonde nagel heeft. Dat duurt vrij lang, 6-9 maanden. Naast de crème kunt u het medicijn ook in poedervorm gebruiken. Doe dan elke dag poeder in uw sokken.

252 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 252

07-02-20 16:23


Wat kunt u zelf doen tegen een schimmelinfectie? - Gebruik niet veel zeep, of liever helemaal geen zeep. - Spoel de zeep altijd goed af en droog uw huid daarna goed af. - Komt u op een plaats waar veel mensen op blote voeten lopen? Draag dan altijd uw eigen slippers. - Doe elke dag schone (katoenen) sokken aan. - Draag schoenen die goed ventileren. Uw voeten worden dan niet zo snel nat door transpiratie.

Vragen: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Hoe kun je een schimmelinfectie krijgen? Wat gebeurt er met je huid bij een schimmelinfectie? Wat gebeurt er met je nagel bij een schimmelinfectie? Welk effect heeft het medicijn op schimmels en gisten? Heeft het medicijn ook bijwerkingen? Hoe gebruik je het medicijn op de huid? Hoe gebruik je het medicijn op de nagels? Hoelang moet je het medicijn blijven gebruiken? Hoe gebruik je het medicijn in poedervorm? Wat kun je doen om geen schimmelinfectie te krijgen?

Grammatica Herhaling voltooide tijd (perfectum) Een zin in de voltooide tijd heeft twee werkwoorden: werkwoord 1: een vorm van hebben of zijn werkwoord 2: een voltooid deelwoord. Dit staat aan het eind van de zin.

Voltooid deelwoord van regelmatige werkwoorden: Dit begint meestal met ge- en eindigt op -t of -d Voor de regel: kijk in thema 6B op pagina 189.

8 Gezondheid 253

Van Start binnen 2020.indd 253

07-02-20 16:23


Voorbeeldzinnen voltooid deelwoord met -t

voltooid deelwoord met -d

Ik heb lang bij Sony gewerkt.

Wij hebben vroeger in Haarlem gewoond.

Carlo heeft zijn huiswerk gisteren gemaakt.

Jij hebt naar Nederlandse muziek geluisterd.

Wij hebben met de buren gepraat.

Peter heeft het nieuws op de radio gehoord.

Susan heeft het eten op tafel gezet.

Ik heb de afgelopen week hard gestudeerd.

Voltooid deelwoord van onregelmatige werkwoorden: Dit begint meestal met ge- en eindigt op -en Voor de juiste vorm: kijk in de lijst op pagina 263. infinitief

voltooid deelwoord

voorbeeldzinnen

spreken

gesproken

We hebben Nederlands gesproken.

lezen

gelezen

Heb je de krant al gelezen?

schrijven

geschreven

Hij heeft mij een e-mail geschreven.

doen

gedaan

Ik heb gisteren boodschappen gedaan.

kopen

gekocht

Wij hebben een nieuwe auto gekocht.

kijken

gekeken

Ik heb naar een leuke film op tv gekeken.

hebben

gehad

Hebben jullie een leuke vakantie gehad?

Voltooide tijd met een vorm van ‘zijn’ als eerste werkwoord: De volgende werkwoorden combineer je met een vorm van ‘zijn’ in de voltooide tijd: zijn, gaan, komen, blijven, worden, beginnen, stoppen, gebeuren, veranderen, trouwen, slagen, zakken, stijgen, dalen. infinitief

voltooid deelwoord

voorbeeldzinnen

zijn

geweest

Hij is nog nooit in Parijs geweest.

gaan

gegaan

We zijn met de kinderen naar Artis gegaan.

komen

gekomen

Hij is met de trein gekomen.

blijven

gebleven

Ze zijn tot 23.00 uur op het feestje gebleven.

worden

geworden

Zij is 20 jaar geworden.

beginnen

begonnen

De film is al begonnen.

254 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 254

07-02-20 16:23


infinitief

voltooid deelwoord

voorbeeldzinnen

stoppen

gestopt

Hij is met roken gestopt.

gebeuren

gebeurd

Op de A1 is vanmorgen een ongeluk gebeurd.

veranderen

veranderd

Alles is nog hetzelfde. Er is niets veranderd.

trouwen

getrouwd

Johan en Mieke zijn in 2009 getrouwd.

slagen

geslaagd

Simone is voor haar rijexamen geslaagd.

zakken

gezakt

Maarten is voor zijn rijexamen gezakt.

stijgen

gestegen

Het aantal studenten in Amsterdam is met 5 procent gestegen.

dalen

gedaald

Het aantal studenten in Rotterdam is met 5 procent gedaald.

Voltooid deelwoord zonder (extra) â&#x20AC;&#x2DC;ge-â&#x20AC;&#x2122; aan het begin: Begint het werkwoord met ge-, be-, ont-, her-, ver-, er-? Gebruik dan geen (extra) ge- aan het begin van het voltooid deelwoord. infinitief

voltooid deelwoord

voorbeeldzinnen

gebeuren gebruiken

gebeurd gebruikt

Wat is er gebeurd? Ik heb in de les een woordenboek gebruikt.

beginnen bezoeken

begonnen bezocht

De film is om 20.00 uur begonnen. Gisteren heb ik mijn oma en opa bezocht.

ontmoeten ontbijten

ontmoet ontbeten

Sonja heeft haar man in haar studietijd ontmoet. Wij hebben vanochtend om acht uur ontbeten.

herhalen herkennen

herhaald herkend

We hebben de woorden van de vorige les herhaald. Heb jij je oude leraar van de basisschool herkend?

vertellen verliezen

verteld verloren

Zij heeft een mooi verhaal aan haar dochter verteld. Ajax heeft met 3-1 van Barcelona verloren.

ervaren erkennen

ervaren erkend

We hebben veel nieuwe dingen ervaren. De student heeft erkend dat hij fouten heeft gemaakt.

8 Gezondheid 255

Van Start binnen 2020.indd 255

07-02-20 16:23


27

Grammatica

Vul de goede vorm van het werkwoord in. R = regelmatig werkwoord O = onregelmatig werkwoord

Voorbeelden: Ik heb lang in Rotterdam _____________________________ gewoond . (R: wonen)

Wij hebben de trein van 9.30 uur _____________________________ . (O: nemen) genomen

1 2

3 4 5

6 7 8 9 10 11 12

13

14 15

28

Wij hebben gisteravond het huiswerk _____________________________ . (R: maken) Heb je het nieuws over de vliegtuigcrash _____________________________ ? (R: horen) Vandaag heb ik een uurtje in het park _____________________________ . (O: lopen) Bij het ontbijt heb ik een kopje koffie _____________________________ . (O: drinken) Gisteren heb ik naar een concert op de radio _____________________________ . (R: luisteren) Het eten was heerlijk! Ik heb lekker _____________________________ . (O: eten) We hebben gisteren met onze nieuwe buren _____________________________ . (O: spreken) Mijn vader heeft bijna 40 jaar voor Philips _____________________________ . (R: werken) Ik heb u gisteren een e-mail _____________________________ . (O: schrijven) Heb je de afspraak in je agenda _____________________________ ? (R: zetten) Mijn ouders zijn al 30 jaar _____________________________ . (R: trouwen) Vorige week heb ik een mooie nieuwe fiets _____________________________ . (O: kopen) Ik was gisteren heel moe, dus ik ben vroeg naar bed _____________________________ . (O: gaan) Zet snel de tv aan, de film is al _____________________________ . (O: beginnen) Ik voel me veel beter sinds ik met roken ben _____________________________ . (R: stoppen)

Grammatica

‘Hebben’ of ‘zijn’? Vul de goede vorm in. Voorbeelden: Ik _____________________________ heb een paar jaar in Rotterdam gewerkt. Wij zijn _____________________________ gisteren naar Amsterdam geweest. 1 Wat _____________________________

jullie gisteravond gegeten? jij naar Nederland gekomen? 3 Deze cursus _____________________________ op 5 januari begonnen. 4 Ik _____________________________ bij de lunch een glas melk gedronken. 5 Vorige week _____________________________ wij een nieuwe auto gekocht. 6 De meeste studenten _____________________________ voor het examen geslaagd. 7 Vanochtend _____________________________ we de woorden van de vorige les herhaald. 8 Gisteren was mijn moeder jarig. Ze ___________________________ 65 jaar geworden. 2 Wanneer _____________________________

256 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 256

07-02-20 16:23


9 ‘ _____________________________ 10

29

je ziek geweest?’ ‘Ja, ik _____________________________ de

griep gehad.’ Kees heeft een Spaanse vriendin. Hij _____________________________ haar op vakantie ontmoet.

Grammatica en spreken

Werk in tweetallen. Geef antwoord op de vragen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

Wat heb je gisteravond gegeten? Wat heb je gisteravond bij het eten gedronken? Wat heb je vanochtend bij het ontbijt gedronken? Wanneer ben je naar Nederland gekomen? Hoe ben je naar Nederland gekomen (met welk vervoermiddel)? Waar ben je geboren? Wanneer ben je begonnen met Nederlands leren? Hoe ben je vandaag naar de les gekomen (met welk vervoermiddel)? Heb je de afgelopen tijd Nederlands gesproken? Met wie? Heb je weleens een Nederlands programma op tv gezien? Welk programma? Wat heb je gisteren gedaan? Wat heb je afgelopen weekend gedaan? Ben je afgelopen jaar op vakantie geweest? Waar naartoe? Ben je weleens naar Amsterdam geweest? Hoe vaak? Ben je weleens in Den Haag geweest? Wanneer? Naar welke andere steden in Nederland ben je geweest? Ben je weleens op een Nederlands strand geweest? Wat heb je daar gedaan? Heb je weleens naar Nederlandse muziek geluisterd? Naar welke muziek? Heb je afgelopen weken iets aan sport gedaan? Welke sport? Heb je gisteren naar het nieuws gekeken? Naar welk nieuws?

8 Gezondheid 257

Van Start binnen 2020.indd 257

07-02-20 16:23


30

Grammatica, schrijven

Schrijf een e-mail naar een vriend. Vertel wat je het afgelopen weekend hebt gedaan. Gebruik perfectum.

Hoi _____________________________ , Hoe gaat het met je? Met mij prima. Ik heb een heel leuk weekend gehad. ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________________________________________________

Zullen we snel weer een keer afspreken? Groetjes, _____________________________

258 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 258

07-02-20 16:23


31

Grammatica, schrijven

Maak de zinnen af. Voorbeeld:

Morgen ________________________________________________________________________________________________ ga ik naar de markt . 1

Ik ben heel moe, want ________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________ .

2

U moet de pillen ________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________ .

3

Als de klachten na drie weken nog niet over zijn, __________________________________ _______________________________________________________________________________________________________ .

4

Afgelopen weekend ___________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________ .

5

Hij is naar huis gegaan, omdat _____________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________ .

6

Gisteren ben ik __________________________________________________________________________________ .

_______________________________________________________________________________________________________

7

Zij heeft griep, dus _____________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________ .

8

Twee weken geleden _________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________ .

9

- Huisartsenpraktijk Julianapark, goedemorgen. - Goedemorgen, met Anne de Bruin, ik wil graag __________________________________ _______________________________________________________________________________________________________ .

10

Als je gezond wilt blijven, ___________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________ .

8 Gezondheid 259

Van Start binnen 2020.indd 259

07-02-20 16:23


Woordenlijst Thema 8 aan de hand (Wat is er aan de hand?) _________________________________ aantrekken _________________________________ ademen _________________________________ advies (het), adviezen _________________________________ afgelopen (aflopen) _________________________________ afhalen _________________________________ afmaken _________________________________ al _________________________________ alarmnummer (het) _________________________________ allebei _________________________________ ambulance (de), ambulances _________________________________ anders _________________________________ antibiotica (de) _________________________________ apotheek (de), apotheken _________________________________ apotheker (de), apothekers _________________________________ belasten _________________________________ beroerd (ik voel me beroerd) _________________________________ beterschap _________________________________ bijsluiter (de), bijsluiters _________________________________ bijwerking (de), bijwerkingen _________________________________ bijzonders (niets bijzonders) _________________________________ binnenkrijgen _________________________________ blijven _________________________________ boodschappentas (de), -tassen _________________________________ branderig (een branderig gevoel) _________________________________ brandweer (de) _________________________________ bruistablet (de), bruistabletten _________________________________ buikpijn (de) _________________________________ consult (het), consulten _________________________________ crème (de), crèmes _________________________________ daarna _________________________________ dichtdoen _________________________________

doktersassistent (de), -assistenten _________________________________ doorverwijzen _________________________________ dosis (de), doses _________________________________ draaien _________________________________ drogist (de), drogisten _________________________________ druk (drukken) _________________________________ druppel (de), druppels _________________________________ druppelen _________________________________ duidelijk _________________________________ echt _________________________________ enkel (de), enkels _________________________________ erkennen _________________________________ even _________________________________ flesje (het), flesjes _________________________________ fysiotherapeut (de), fysiotherapeuten _________________________________ gebroken (breken) _________________________________ gekneusd (kneuzen) _________________________________ geleden _________________________________ gelukkig _________________________________ geneesmiddel (het), geneesmiddelen _________________________________ genezen _________________________________ gevallen (vallen) _________________________________ gevoel (het) _________________________________ gezond _________________________________ gezonder _________________________________ gezondheidszorg (de) _________________________________ griep (de) _________________________________ herkennen _________________________________ hoestdrank (de), hoestdranken _________________________________ hoofdpijn (de) _________________________________ huisarts (de), huisartsen _________________________________ huisartsenpraktijk (de), -praktijken _________________________________ hulp (de) _________________________________ hulpdienst (de), hulpdiensten _________________________________ inderdaad _________________________________ informatie (de) _________________________________

260 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 260

07-02-20 16:23


innemen _________________________________ instructie (de), instructies _________________________________ klacht (de), klachten _________________________________ koorts (de) _________________________________ kuur (de), kuren _________________________________ kwam (komen) _________________________________ langskomen _________________________________ last (ik heb last van ...) _________________________________ leegdrinken _________________________________ lekker (ik voel me niet lekker) _________________________________ lichaamsdeel (het), -delen _________________________________ links _________________________________ lukt (lukken) _________________________________ maagtablet (de), maagtabletten _________________________________ medicijn (het), medicijnen _________________________________ meenemen _________________________________ misselijk _________________________________ moment (het), momenten _________________________________ neusspray (de), neussprays _________________________________ nodig hebben _________________________________ onderzoeken _________________________________ ongeluk (het), ongelukken _________________________________ ongeveer _________________________________ ontsteking (de), ontstekingen _________________________________ oordruppel (de), oordruppels _________________________________ oorpijn (de) _________________________________ opbellen _________________________________ opdrinken _________________________________ opendoen _________________________________ ophalen _________________________________ oplossen (de tablet in water oplossen) _________________________________ opruimen _________________________________ opsnuiven _________________________________ opstaan _________________________________ overgaan (de pijn gaat niet over) _________________________________ overnemen _________________________________ pakken _________________________________

pijn (de) _________________________________ pijn doen _________________________________ poetst (poetsen) _________________________________ politie (de) _________________________________ pompje (het), pompjes _________________________________ programma (het), programmaâ&#x20AC;&#x2122;s _________________________________ punt (de), punten _________________________________ recept (het), recepten _________________________________ receptioniste (de), receptionistes _________________________________ rechts _________________________________ rust (u moet rust nemen) _________________________________ sinds _________________________________ slagen _________________________________ slikken _________________________________ smeren _________________________________ snee (de) _________________________________ speciaals (iets speciaals) _________________________________ spierpijn (de) _________________________________ spoedeisend (spoedeisende hulp) _________________________________ sporten _________________________________ spray (de), sprays _________________________________ steunverband (het) _________________________________ stijgen _________________________________ stoppen _________________________________ straks (tot straks) _________________________________ tablet (de), tabletten _________________________________ terugkomen _________________________________ tevreden _________________________________ trouwen _________________________________ uitdoen (doe het licht uit) _________________________________ uitdoen (doe je schoenen uit) _________________________________ uitnodigen _________________________________ uitslapen _________________________________ uitspuiten _________________________________ uitzetten (ik zet de computer uit) _________________________________ vanzelf _________________________________ verband (het) _________________________________ verder _________________________________ verhoging (de) _________________________________ verkouden _________________________________

8 Gezondheid 261

Van Start binnen 2020.indd 261

07-02-20 16:23


verkoudheid (de) verstopt (mijn neus is verstopt) viel (vallen) zag (zien) zakken zalf (de) zeer (mijn pols doet zeer)

_________________________________

_________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________

zich inschrijven zich voelen zie (zien) ziekenhuis (het), ziekenhuizen zwaar zwakke (ik heb zwakke enkels)

_________________________________ _________________________________ _________________________________

_________________________________ _________________________________

_________________________________

_________________________________

262 8 Gezondheid

Van Start binnen 2020.indd 262

07-02-20 16:23


Onregelmatige werkwoorden infinitief

voltooid deelwoord (+ ik-vorm â&#x20AC;&#x2DC;hebben/zijnâ&#x20AC;&#x2122;)

voorbeeldzin in de voltooide tijd

beginnen begrijpen blijven breken brengen doen drinken eten ervaren gaan geven hebben helpen houden kiezen kijken komen kopen krijgen lezen liggen lopen nemen ontbijten rijden schrijven slapen spreken staan stijgen vallen varen vergeten verliezen vertrekken vinden vliegen

begonnen (ben) begrepen (heb) gebleven (ben) gebroken (heb) gebracht (heb) gedaan (heb) gedronken (heb) gegeten (heb) ervaren (heb) gegaan (ben) gegeven (heb) gehad (heb) geholpen (heb) gehouden (heb) gekozen (heb) gekeken (heb) gekomen (ben) gekocht (heb) gekregen (heb) gelezen (heb) gelegen (heb) gelopen (ben/heb) genomen (heb) ontbeten (heb) gereden (ben/heb) geschreven (heb) geslapen (heb) gesproken (heb) gestaan (heb) gestegen (ben) gevallen (ben) gevaren (ben/heb) vergeten (heb/ben) verloren (heb/ben) vertrokken (ben) gevonden (heb) gevlogen (ben/heb)

Ik ben met de cursus Nederlands begonnen. Hebben jullie de tekst begrepen? Hij is gisteren thuis gebleven. Sorry, ik heb een glas gebroken. Maria heeft haar kind naar school gebracht. Wat hebben jullie vorige week gedaan? We hebben veel koffie gedronken. Ik heb gisteren lekker gegeten. Hoe hebben jullie de reis ervaren? Peter is gisteren naar Londen gegaan. Ik heb de jarige een mooi cadeau gegeven. Hebben jullie een leuke vakantie gehad? Piet heeft mij met de verhuizing geholpen. Hij heeft altijd van zijn vrouw gehouden. Ik heb voor een studie in Utrecht gekozen. We hebben naar een film op tv gekeken. Wanneer bent u naar Nederland gekomen? Mijn vader heeft een nieuwe auto gekocht. Wat heb je voor je verjaardag gekregen? Heb je de krant al gelezen? Jan heeft de hele week ziek in bed gelegen. Ik ben van huis naar het station gelopen. Ik heb een halfuur gelopen. Marjan heeft de trein naar Utrecht genomen. Ik heb vanochtend om acht uur ontbeten. We zijn met de auto naar Den Haag gereden. We hebben de hele dag gereden. Hij heeft zijn collega een e-mail geschreven. Goedemorgen, heb je goed geslapen? Ik heb gisteren veel Nederlands gesproken. We hebben twee uur in de file gestaan. De temperatuur is tot 30 graden gestegen. Mijn zoontje is van zijn fiets gevallen. We zijn met de boot naar Engeland gevaren. We hebben zes uur gevaren. Sorry, ik heb mijn boeken vergeten. Sorry, ik ben je naam vergeten. Eergisteren heeft Bas zijn paspoort verloren. Ik ben mijn sleutels verloren. Ik ben te laat, de trein is al vertrokken. Susan heeft een kamer in Utrecht gevonden. We zijn naar New York gevlogen. We hebben twee uur gevlogen.

Onregelmatige werkwoorden 263

Van Start binnen 2020.indd 263

07-02-20 16:23


infinitief

voltooid deelwoord (+ ik-vorm â&#x20AC;&#x2DC;hebben/zijnâ&#x20AC;&#x2122;)

voorbeeldzin in de voltooide tijd

wassen winnen worden zien zijn zitten zoeken zwemmen

gewassen (ben) gewonnen (heb) geworden (ben) gezien (heb) geweest (ben) gezeten (heb) gezocht (heb) gezwommen (heb/ben)

Heb je je handen gewassen voor het eten? Barcelona heeft de Europacup gewonnen. Mijn vader is gisteren 70 jaar geworden. Ik heb een mooie film op tv gezien. Zondag zijn we naar het strand geweest. Ik heb zes jaar op deze school gezeten. Hoelang hebt u naar een huis gezocht? Ik heb gisteren in de rivier gezwommen. Ik ben naar de overkant gezwommen.

264 Onregelmatige werkwoorden

Van Start binnen 2020.indd 264

07-02-20 16:23


Transcripten luisteroefeningen Thema 1 Kennismaken en begroeten 6

Luisteren

Fragment 1 Hoi, ik ben Carla Peters. Ik kom uit Nederland. Mijn moedertaal is

Nederlands en ik spreek ook Engels. Ik woon in Utrecht.

Fragment 2 Hallo, mijn naam is Glen Smith. Ik woon nu een jaar in Nederland, in Amsterdam. Ik kom uit Engeland. Ik spreek Engels en ook goed Nederlands.

Fragment 3 Goedemorgen, ik ben Pierre. Mijn achternaam is Legrand. Dat is een Franse naam, ik kom uit Frankrijk. Mijn moedertaal is Frans, en ik spreek ook Spaans en een beetje Nederlands. Ik woon op dit moment in Den Haag.

Fragment 4 Hallo, ik heet Bulent, dat is mijn voornaam. Mijn achternaam is Cetin. Ik kom uit Turkije, maar ik woon nu drie maanden in Nederland, in Rotterdam. Turks is mijn moedertaal, en nu spreek ik ook een beetje Nederlands.

Fragment 5 Hoi, mijn naam is Maria Romero. Romero is een Spaanse naam, maar ik

kom niet uit Spanje. Ik kom uit Colombia. Ik spreek Spaans, een beetje Engels en een beetje Nederlands. Op dit moment woon ik in Hilversum.

Thema 2 Persoonsgegevens 5

Taalhulp 1 80 2

7

35

Taalhulp

Fragment 1 Secretaresse: Mevrouw Van Dam: Secretaresse: Mevrouw Van Dam: Secretaresse: Mevrouw Van Dam: Secretaresse: Mevrouw Van Dam: Secretaresse:

Luisteren 3

70 4 14

5 23

7 19

6 53

8 57

Luisteren Mevrouw, ik noteer even uw persoonsgegevens. Prima. Wat is uw naam? Annette van Dam. Waar woont u? In Amersfoort. Wat is uw adres in Amersfoort? Rijnlaan nummer 18. En wat is uw postcode?

Transcripten luisteroefeningen 265

Van Start binnen 2020.indd 265

07-02-20 16:23


Mevrouw Van Dam: Secretaresse: Mevrouw Van Dam: Secretaresse:

Fragment 2 Secretaresse: Karel Bouwman: Secretaresse: Karel Bouwman: Secretaresse: Karel Bouwman: Secretaresse: Karel Bouwman: Secretaresse: Karel Bouwman: Secretaresse:

Mijn postcode is 3813 HG. En uw telefoonnummer? Dat is 033-4862554. Oké, dank u wel. Zo heb ik alles. Hallo, wat is jouw naam? Ik heet Karel Bouwman. Hallo, Karel. Wat is je woonplaats? Ik woon in Amsterdam. En wat is je adres en postcode? Dapperstraat nummer 65, 1052 BR. Mag ik ook je telefoonnummer noteren? Ja, natuurlijk, dat is 020-5832520. En heb je ook een 06-nummer? Ja, dat is 06-42123065. Bedankt.

Thema 3 Familie en relaties 15

Taalhulp 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

20

Luisteren en schrijven

Het is drie uur ’s middags. Het is kwart over elf ’s ochtends. Het is half acht ’s avonds. Het is vijf over vier ’s middags. Het is tien voor negen ’s ochtends. Het is half twaalf ’s ochtends. Het is zeven uur ’s avonds. Het is kwart voor twee ’s middags. Het is tien over vijf ’s middags. Het is vijf voor half tien ’s ochtends.

Luisteren

Ik ben Laura en ik werk als docent Nederlands bij Taleninstituut Contact in Utrecht. Ik woon in Den Haag en ik ga elke werkdag met de trein naar Utrecht. Dan nog even fietsen. Mijn reistijd is in totaal vijfenzeventig minuten. Ik werk drie dagen in de week, op maandag, woensdag en vrijdag, van negen uur tot kwart over vier. Mijn werk is interessant. De cursisten vinden Nederlands leuk, maar moeilijk. Bij het instituut werken leuke collega’s. Esther bijvoorbeeld. Zij is onze secretaresse. Ze woont in Amsterdam. Daar neemt ze de bus en dan gaat ze met de trein naar Utrecht. Dan weer met de bus. In totaal reist ze vijftig minuten. Esther is er altijd. Ze werkt voltijd van maandag tot en met vrijdag, van half negen ’s ochtends tot half zes ’s middags. Ze heeft een drukke baan, want iedereen komt met zijn vragen bij haar. Ook beantwoordt ze de hele dag e-mails en neemt ze de telefoon aan. Een andere leuke collega is Simon. Hij werkt al vijftien jaar als schoonmaker bij het instituut. Elke dag maakt hij de tafels, vloeren, toiletten en de kantine schoon. Hij hoeft maar

266 Transcripten luisteroefeningen

Van Start binnen 2020.indd 266

07-02-20 16:23


tien minuten te fietsen, want hij woont vlakbij, in de buurt van het instituut. Van maandag tot en met vrijdag komt hij elke ochtend, van acht tot twaalf uur. Ook spreek ik Vincent vaak. Als kantinemedewerker verzorgt hij elke dag de lunch met heerlijke broodjes, soep en salades. Hij maakt met iedereen graag een praatje. Hij woont in De Bilt en komt elke dag met de bus naar Utrecht. Zijn reistijd is maar een kwartier, want hij stapt vlakbij het instituut uit. Elke dag werkt hij van tien uur ’s ochtends tot half drie ’s middags. Met Sofie heb ik het meeste contact. Zij is ook een taaldocent. Ze geeft Frans. Ze komt uit Parijs, maar woont nu met haar man en twee kinderen in Utrecht. Ze woont in de straat waar het instituut is, dus ze loopt naar het werk. Binnen vijf minuten is ze er. Op maandag en dinsdag werkt ze van negen uur ’s morgens tot kwart over vier ’s middags, en op donderdag van kwart over één ’s middags tot kwart voor tien ’s avonds. Ik vind Frans een mooie taal. Misschien doe ik nog eens een cursus bij Sofie.

Thema 4 Boodschappen doen, de weg vragen 3

Luisteren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

4

€ 6,20 € 24 € 8,99 € 16,40 € 179 € 0,25 € 2,50 € 6,95 € 1,80 € 0,60

11

€ 4,75 12 € 13,20 13 € 34 14 € 65 15 € 385 16 € 526 17 € 7,50 18 € 29,95 19 € 14,30 20 € 56

Luisteren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

een kilo bananen voor € 2,50 een pond druiven voor € 1,75 een doosje aardbeien van 250 gram voor € 1,80 lekkere ananas, € 1,25 per stuk een bosje tulpen voor maar € 5,99 per stuk mooie bloemkool, € 3,40 per stuk een kilo appels voor € 2,35 de jonge kaas is deze week € 9,95 per kilo een doosje frambozen van 250 gram voor € 2,79 vandaag zijn de hamburgers € 0,80 per stuk

Transcripten luisteroefeningen 267

Van Start binnen 2020.indd 267

07-02-20 16:24


9

Luisteren

Bij de visboer (V = verkoper, K = klant) V K V K V K V K V K V K V

Goeiemiddag, kan ik u helpen? Ja, ik wil graag voor vier personen zalm. Dat is vandaag in de aanbieding. U krijgt vier zalmmoten, maar u betaalt maar voor drie. Ok prima, en dan wil ik ook nog 250 gram garnalen. Ja, anders nog iets? Die krabsalade ziet er lekker uit. Hoeveel kost dat? De krabsalade is € 2,25 per 100 gram. Doet u maar een bakje van 100 gram. Anders nog iets? Ja, als laatste nog twee stukjes kabeljauw. Alstublieft, dat is dan € 17,65. Alstublieft, en een fijn weekend! Hetzelfde, tot ziens!

Bij de groentekraam (V = verkoper, K = klant) V K V K V K V K V K V K V K

Wie is er aan de beurt? Ik, vijf uien alstublieft. Alstublieft. Anders nog iets? Ja, zijn de aardappels in de aanbieding? Ja, ze zijn nu € 0,95 per kilo. Dat is goedkoop, doe maar twee kilo. Prima, anders nog iets? Ja, ik wil graag nog twee rode paprika’s en een aubergine. Dat was het? Ja, dat was het. Oké, vijf uien, twee kilo aardappels, twee rode paprika’s en een aubergine, dat is € 6,95 bij elkaar. Alstublieft. Met € 3,05 terug. Bedankt en tot ziens! Tot ziens!

Bij de fruitkraam (V = verkoper, K = klant) V K V K V K V K V K

Goeiemorgen, kan ik u helpen? Goeiemorgen, ja, ik wil graag een kilo appels. Prima, anders nog iets? Ja, ook nog zes peren, vijf kiwi’s en een mango, alstublieft. Dat was het? Ja, dat was alles. € 5,30, alstublieft. Alstublieft. Bedankt en een fijne dag! U ook!

268 Transcripten luisteroefeningen

Van Start binnen 2020.indd 268

07-02-20 16:24


12

Luisteren

(K = klant, V = supermarktmedewerker) Voorbeeld: K V K V K

Fragment 1 K V K

Fragment 2 K V K

Fragment 3 K V K

Fragment 4 K V K

Fragment 5 K V K

Fragment 6 K V K

Fragment 7 K V K

Fragment 8 K V K

Fragment 9 K V K V

Mag ik u iets vragen? Natuurlijk. Waar kan ik de chips vinden? De chips ligt in het derde gangpad, tegenover de chocola. Dank u wel. Sorry, weet u misschien waar de broodjes liggen? Ja, de broodjes liggen op de broodafdeling, rechts bij de ingang van de supermarkt. Bedankt. Meneer, mag ik u iets vragen? Ik zoek de boter. De boter ligt in de koeling van de zuivelafdeling, in het vierde gangpad, naast de diepvries. Bedankt. Sorry, weet u waar de camembert ligt? De camembert ligt bij de kaasafdeling, achter in de hoek van de winkel, links van de vleeswaren. Prima, bedankt! Mevrouw, weet u waar het ijs ligt? Ja hoor, dat ligt bij de afdeling diepvries, in het vierde gangpad, naast de zuivel. OkĂŠ, bedankt. Hoi, weet je misschien waar het bier staat? Ja, het bier staat in het derde gangpad, naast de frisdranken. Dank je wel! Mevrouw, ik kan de kersen niet vinden. Oh, die liggen op de groente- en fruitafdeling. Dank u. Hallo, weet je misschien waar de prei ligt? Ja hoor, de prei ligt hier op de groenteafdeling. Oh ja, ik zie het. Bedankt. Meneer, waar kan ik de lege flessen inleveren? De emballage vindt u in de hoek van de winkel, bij de ingang. OkĂŠ, bedankt! Goeiemiddag, mag ik u iets vragen? Natuurlijk. Mijn dochter is morgen jarig en ik zoek een lekkere taart voor haar verjaardag. De taarten vindt u op de broodafdeling, naast het brood.

Transcripten luisteroefeningen 269

Van Start binnen 2020.indd 269

07-02-20 16:24


K V

Fragment 10 K V K

27

Dank u wel en een fijne dag. U ook en een fijne verjaardag morgen. Hoi, weet jij misschien waar het toiletpapier staat? Het toiletpapier staat in het derde gangpad bij de huishoudelijke artikelen. Oh ja, dank je wel!

Luisteren

Fragment 1 (= kaart 3) U gaat hier rechtdoor, bij de rotonde rechtsaf, dan bij de tweede straat linksaf en aan het eind van die straat weer linksaf.

Fragment 2 (= kaart 1)

U gaat hier rechtdoor tot aan de rotonde, daar gaat u linksaf, dan de eerste straat rechtsaf, en dan de tweede straat linksaf.

Fragment 3 (= kaart 2)

Volg de weg, ga bij de rotonde rechtdoor, dan bij de eerste straat linksaf, daarna bij de tweede straat rechts en dan direct de eerste straat weer rechts.

Thema 5 Iets afspreken 18

Luisteren en spreken

Zaterdag is Erik jarig. Wat zal ik eens voor hem kopen? Hij weet nooit wat hij wil hebben. Misschien een lekkere aftershave? Maar dat geef ik bijna elk jaar. Ik wil nu iets anders, iets echt speciaals. Wijn vindt hij lekker, maar dat is ook niet zo bijzonder. Aah, nu weet ik iets! Eriks horloge is kapot. Ik ga een nieuwe voor hem kopen. Wat een leuk idee! Het is bijzonder. Het is heel persoonlijk. Hij kan het elke dag dragen en als hij het niet mooi vindt, kan hij het nog ruilen. Morgen ga ik naar de winkel om er één uit te zoeken. En dan vraag ik of ze het heel mooi in willen pakken. Ik weet zeker dat hij het leuk zal vinden!

30

Luisteren

Dialoog 1

Hans: Marie: Hans: Marie: Hans: Marie: Hans: Marie: Hans: Marie:

Hoi, met Hans. Hé Hans, hoe gaat het met jou? Prima, en met jou? Ja goed, een beetje druk. Ja ik ook, maar misschien heb je binnenkort wel tijd om even bij te praten. Zullen we binnenkort een keer samen lunchen? Goed idee! Wanneer zullen we afspreken? Kun jij aanstaande zaterdag? Prima, zullen we dan om twaalf uur afspreken? Leuk, tot dan! Tot zaterdag!

270 Transcripten luisteroefeningen

Van Start binnen 2020.indd 270

07-02-20 16:24


Dialoog 2

Sara: Marit: Sara: Marit: Sara: Marit: Sara: Marit: Sara: Marit: Sara: Marit:

Met Sara. Hoi, met Marit. Hé Marit, lang niet gesproken! Klopt, hoe gaat het met je? Nou, het gaat wel. Ik ben al vijf dagen ziek. Verkouden. Oh, vervelend. Dan heb je zeker geen zin om samen iets leuks te doen? Nou, misschien kunnen we voor volgende week iets afspreken. Oké, leuk! Zullen we naar de bioscoop gaan? Ja leuk, ik zie in mijn agenda dat ik volgende week vrijdag kan. Oké, prima, dan is er een leuke film om half negen. Zal ik twee kaartjes kopen? Ja goed, dan zie ik je volgende week. Gezellig, tot dan!

Dialoog 3

Casper: Simon: Casper: Simon: Casper: Simon: Casper: Simon: Casper:

Met Casper. Hé, met Simon. Alles goed? Prima, en met jou? Ja goed, maar volgende week heb ik examens, dus ik moet veel studeren. Ik ook, zullen we vandaag samen in de bibliotheek studeren? Goed idee, in de bibliotheek doe ik altijd meer dan thuis. Hoe laat zullen we afspreken? Ik ben nu in de supermarkt, maar ik kan om tien uur in de bibliotheek zijn. Oké, dan ben ik er ook. Tot zo! Tot zo!

Dialoog 4

Daan: Lidewij: Daan: Lidewij: Daan: Lidewij: Daan: Lidewij: Daan: Lidewij:

Met Daan. Hoi, met Lidewij. Hé, hoe gaat het? Goed, en met jou? Prima. Ik bel je even, want zondag ben ik jarig, en ik vier het met een picknick in het park. Heb je ook zin om te komen? Wat leuk, ik ben er zeker bij! Hoe laat begint het? Ik zit er vanaf half één met allerlei lekkere dingen. Ik hoop dat het mooi weer wordt. Ik ook, tot zondag. Gezellig, tot dan!

31

Luisteren en spreken 1 2 3 4 5 6 7

Hoi, met Jan. Hoe gaat het met je? Is Albert er ook? Kun je een boodschap doorgeven? Kun je doorgeven dat ik iets later kom? Is Anna ook thuis? Kun je doorgeven dat ik vandaag niet kan komen? Ik ben ziek.

Transcripten luisteroefeningen 271

Van Start binnen 2020.indd 271

07-02-20 16:24


8 Bedankt. 9

Fijne dag!

10 Doei.

Thema 6 Reizen, openbaar vervoer 4

Taalhulp

Peter

Hoi, ik ben Peter. Ik woon in Gouda maar ik werk in Den Haag. Ik ga elke dag met de auto naar Den Haag via de A12. Normaal duurt dat ongeveer een halfuur, maar soms sta ik in de file. Dan ben ik wel een uur onderweg naar mijn werk.

Marjan

Hallo, ik ben Marjan. Ik heb vanmiddag vrij en ik ga lekker winkelen in het centrum van Rotterdam. Ik woon niet in het centrum maar in een buitenwijk van Rotterdam. Ik fiets naar het centrum. De fietsrit duurt 20 minuten.

John

Mijn naam is John. Ik ga morgen op vakantie naar Spanje. Ik woon in Utrecht en neem eerst de trein naar Schiphol. De treinreis duurt 50 minuten. Op Schiphol heb ik twee uur wachttijd. Ik moet eerst inchecken en door de paspoortcontrole, en dan stap ik in het vliegtuig naar Madrid. De vlucht van Schiphol naar Madrid is 3,5 uur. In totaal, inclusief wachttijd op Schiphol, duurt mijn reis dus 6 uur en 40 minuten.

Heleen

Hoi, ik ben Heleen. Ik woon in Amersfoort en werk in Utrecht. Ik woon dichtbij het station in Amersfoort, dus ik ga te voet naar het station. Dat is 5 minuten lopen. Dan neem ik de intercity naar Utrecht Centraal. De treinreis duurt 15 minuten. In Utrecht heb ik een fiets in de fietsenstalling. Ik fiets in 20 minuten van station Utrecht Centraal naar mijn werk in Utrecht Noord. Van mijn huis tot mijn werk ben ik dus 40 minuten onderweg.

Luisteren

Thema 7 Wonen 4

Luisteren Makelaar: Nou, hier is de voordeur waar we binnenkomen in de hal van het appartement. Joost: Leuk, ik ben echt benieuwd of het net zo mooi is als op de foto’s. Makelaar: Het is echt een prachtig appartement. Praktisch ingedeeld, goed onderhouden en met veel originele details! Hier direct rechts is het toilet. Als we dan naar links gaan, hebben we aan onze linkerhand een kleine slaapkamer. Heel handig als logeerkamer bijvoorbeeld. Anna: Ja, klein maar prima. Makelaar: Ja, en dan één deur verder, links in de hal, is de tweede slaapkamer. Dit is een ruime kamer met een inbouwkast. Joost: Mooi zeg! Er is zelfs nog plaats voor een extra bureau.

272 Transcripten luisteroefeningen

Van Start binnen 2020.indd 272

07-02-20 16:24


Makelaar: Ja, inderdaad. Als we één deur verder gaan, zien we de derde slaapkamer. Die is net zo groot. Van deze kamer kun je natuurlijk ook een grote studeerkamer maken. Anna: Inderdaad, genoeg mogelijkheden! Makelaar: Als we dan terug naar de hal gaan, hebben we aan onze linkerhand de badkamer. Joost: Oh, die is nog luxer dan op de foto’s. Wat een lekker groot bad en een mooie douche. Anna: Ja, en twee wastafels is ook erg fijn! Makelaar: Mooi hè! Vanuit de badkamer gaan we nu in de gang naar links. Direct links hebben we de keuken. Joost: Nou, die ziet er nog als nieuw uit! Makelaar: Ja, in 2014 hebben de bewoners deze keuken nieuw gekocht. Tegenover de keuken, naast de wc, is een deur naar de bijkeuken. Hier hebben ze een wasmachine en een droger staan. Anna: Heel handig! Makelaar: En dan komen we ten slotte in de ruime woonkamer. Het is echt een lichte kamer, want de ramen zijn op het zuiden. Anna: Wat een leuk appartement! Joost: Zeker, maar we moeten er eerst nog goed over nadenken. Ik vind de prijs nog wel erg hoog! Makelaar: Ja, het is een populaire buurt en een goed appartement. Joost: We gaan eerst even samen overleggen en dan nemen we weer contact met u op. Makelaar: Prima, fijne dag nog. Joost en Anna: U ook!

18

Luisteren

Anne

Ik heb een moderne woonkamer. In het midden zie je een gezellige boekenkast. Links staat de televisie op een mooi tafeltje. In het midden van de kamer staat een vierkante, witte tafel met twee banken eromheen. Boven de boekenkast gaat de trap naar boven. Naast de trap hangen mooie foto’s aan de muur.

Laura

De woonkamer is de mooiste kamer in het huis. In het midden ligt een groot, blauw tapijt. Lekker warm voor je voeten! Links van het kleed staat een grote bank met kussens. Rechts van de bank staat een gemakkelijke stoel. In de winter hebben we vaak de kachel aan. Rechts van de kachel hangt de televisie aan de muur. Achter de bank staan een witte boekenkast en een grote plant. De plant staat dicht bij het raam. Daar krijgt hij veel licht.

Sara

Ik heb een volle, gezellige woonkamer. In het midden staat een ronde, houten tafel. Links van de tafel staat een gemakkelijke stoel met kussens en rechts van de tafel een tweepersoonsbank, ook met veel leuke kussens. Tegen de muur staat een kast met allerlei leuke vakjes. Daarboven hangt de televisie aan de muur. Ik hou van veel planten en bloemen in huis.

Transcripten luisteroefeningen 273

Van Start binnen 2020.indd 273

07-02-20 16:24


Tom

Ik hou van zwart en wit in de woonkamer. Sommige mensen vinden het ongezellig, maar ik vind het chique! In het midden van de kamer staat een witte tafel op een wit tapijt. Daaromheen staat een zwarte bank met witte kussens. Tegenover de bank staat de muziekinstallatie en de televisie hangt aan de muur. Alles in de kamer is zwart en wit, maar we hebben een kleurrijk schilderij, voor de afwisseling!

Thema 8 Gezondheid 15

Luisteren 1 2 3 4 5 6 7 8

Ga staan. Ga zitten. Draai je enkel naar rechts. Doe je mond open. Steek je tong uit. Adem diep in. Adem uit. Eet genoeg fruit.

9 10 11 12 13 14 15 16

Doe je ogen dicht. Doe je ogen open. Neem de tabletten twee keer per dag in. Drink meer water en minder alcohol. Strek je rechterbeen. Doe je linkerarm omhoog. Doe je schoenen uit. Doe je schoenen aan.

274 Transcripten luisteroefeningen

Van Start binnen 2020.indd 274

07-02-20 16:24


Van Start binnen 2020.indd 275

07-02-20 16:24


Van Start binnen 2020.indd 276

07-02-20 16:24

Profile for Boom uitgevers Amsterdam

Van start  

Van start