Page 1

werden voorgelezen door

tel Hallo

Ramsey Nasr, voormalig Dichter des Vade rlands.

het woordenschatpakket Nog meer Hotel Hallo is een aanvulling op voor een hoop leerplezier. Hotel Hallo. Ook dit boek staat weer garant e gasten en dat zorgt weer voor Max en Mia ontvangen nieuwe verrassend oner in het hotel: Sproet! een dolle boel. En‌ er komt een nieuwe bew

NOG MEER HOTEL HALLO

De verhalen in Nog meer Ho

NOG MEER

HOTEL HALLO

Tekstboek

baar met die van Hotel Hallo De opzet van Nog meer Hotel Hallo is vergelijk beginnersniveau bezig en richt zich op kinderen van 5-11 jaar die op eren breiden met dit boek zijn met het leren van Nederlands. De kind chillende motiverende hun woordenschat uit aan de hand van vers en spelletjes in tien nieuwe oefenvormen, liedjes, verhalen, gedichten vrolijke thema’s. Nog meer Hotel Hallo bestaat uit:

1. Een tekstboek met - verhalen - liedjes - dialogen - oefeningen 2. Een werkboek (vanaf 7 jaar) met - puzzels - spelletjes - oefeningen 3. Een website met spreekopdrachten, aanvullend materiaal om zelf te printen en audio bij de

Kim Koelewijn

- gedichten

liedjes, radioshows, gedichten en verhalen.

Nederlandse woordenschat voor anderstalige kinderen Kim Koelewijn

9 789058 755001


Nog mee

r Hotel H

Dit boek is van:

allo


Nog meer Hotel Hallo bestaat uit de volgende onderdelen: - het tekstboek - het werkboek - de website

Lees verder online! Ga naar www.hotelhallo.nl - Klik op ‘Materiaal voor docenten & ouders’. - Maak een account aan of log in. - Klik op ‘Activeer nieuw lesmateriaal’ en voeg hier eenmalig onderstaande code in. - Klik op ‘bevestigen’. - Je kunt aan de slag!


NOG MEER

HOTEL HALLO

Tekstboek

Nederlandse woordenschat voor anderstalige kinderen Kim Koelewijn

, Amsterdam


evers Amsterdam

© 2017 Kim Koelewijn, Boom uitg

onderingen mag niets uit Auteurswet van 1912 gestelde uitz Behoudens de in of krachtens de erd gegevensbestand, atise opgeslagen in een geautom igd, oud eelv verv den wor ave uitg deze isch, mechanisch, door of op enige wijze, hetzij elektron of openbaar gemaakt, in enige vorm schriftelijke toestemde aan ere manier, zonder voorafg fotokopieën, opnamen of enige and ming van de uitgever. grond van de artikelen uit deze uitgave is toegestaan op Voor zover het maken van kopieën , dient men de daar575 Stb. Besluit van 27 november 2002, 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. rorecht (postbus Rep g htin oeding te voldoen aan de Stic voor wettelijk verschuldigde verg de uitgever voor met en nem rorecht.nl) of contact op te 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.rep Auteurswet lid, e vijfd 16l, regeling in de zin van artikel het treffen van een rechtstreekse en, readers zing mle bloe in ) gedeelte(n) uit deze uitgave 1912. Voor het overnemen van (een tot de Stichden wen zich men kel 16 Auteurswet 1912) kan en andere compilatiewerken (arti 2130 KB 0, 306 bus post , atie Reproductierechten Organis ting PRO (Stichting Publicatie- en ). Hoofddorp, www.stichting-pro.nl out the written permissioduced in any way whatsoever with No part of this book may be repr on of the publisher. publicatie te achbenden van de illustraties in deze theb rech alle t ach getr ft hee ever De uitg gehonoreerd, dan kan nks menen dat zijn rechten niet zijn terhalen. Mocht iemand desonda hij zich wenden tot de uitgever. Vormgeving en opmaak: JACKY-O derwerk Illustraties: Marije Wonder - Won Beeld: Thinkstock.com ISBN 9789058755001 NUR 110 n met steun van:

Deze uitgave is tot stand gekome


Tekstboek

Inhoud

Voorwoord

7

Thema 1 - De beestenboel

9

Thema 2 - Kom je spelen?

27

Thema 3 - Hier ben ik thuis

43

Thema 4 - Naar de winkel

65

Thema 5 - Er was eens...

83

Thema 6 - Wat een feest!

99

Thema 7 - Buren 115 Thema 8 - Mag ik een handtekening? 133 Thema 9 - Even bijkletsen

151

Thema 10 - Hoe voel je je?

169

Werkwoorden 189


Hier zijn we weer!


Voorwoord

Nog meer Hotel Hallo

Duizenden kinderen over de hele wereld leren Nederlands. Buiten ons taalgebied, zoals in het Franstalig onderwijs in België, in de Franse en Duitse grensregio’s, op één van de 200 Nederlandse Taal- en Cultuurscholen of op internationale scholen. Maar ook binnen ons taalgebied leren nieuwkomers Nederlands op school. Daarnaast zijn er ouders die hun kinderen thuis het Nederlands bij willen brengen. Dit woordenschatpakket is geschikt voor al deze verschillende kinderen. Nog meer Hotel Hallo is net als Hotel Hallo bedoeld voor kinderen die nog vrijwel geen Nederlands spreken. Omdat het flexibel is en gemakkelijk te gebruiken, is het geschikt voor in de klas en daarbuiten. Nog meer Hotel Hallo bestaat uit een tekstboek, een werkboek, audiomateriaal en een website en is een aanvulling op Hotel Hallo (deel 1). Het verhalenboek met de bijbehorende spreek- en luisteroefeningen is geschikt voor kinderen vanaf 5 jaar. Het werkboek, met lees- en schrijfopdrachten, is bedoeld voor kinderen vanaf 7 jaar. Lees meer over de visie achter Hotel Hallo op de website: www.hotelhallo.nl

Dit hoort er allemaal bij Nog meer Hotel Hallo: Om te lezen: • dit tekstboek

Om naar te luisteren: • 20 voorgelezen verhalen • 12 liedjes • 20 radioshows met dialogen

Om te printen van de website hotelhallo.nl: • luister- en spreekoefeningen • twee bordspellen • woordkaartjes • bingokaarten • memory • een jaarkalender • een placemat • kleurplaten en meer!

Op het internet: • Facebook • YouTube-kanaal • Blog met tips en spelletjes: http://hotelhallo.kimkoelewijn.nl • Pinterest: https://nl.pinterest.com/hotelhallo/pins/

Dit kun je ook bestellen: • • • •

Nog meer Hotel Hallo werkboek Hotel Hallo tekstboek (deel 1) Hotel Hallo werkboek (deel 1) Hotel Hallo kwartetspel

7


Thema 1

De beestenboel

dieren

NAAR HET ASIEL Kom binnen, mijn naam is Danbi. Gaan we echt een kat uitzoeken?

Hallo, mijn naam is Manon.

Ja, een rustig, braaf poesje.

Volg mij maar.

Miauw!

Ik ga een poesje halen. Ze mag bij jullie op schoot.

Woef!

Sproet! Stoute hond!

Ik wil geen poes meer.

9

Ik wil Sproet!


SPROET Max, Mia, Katja en Manon gaan naar het asiel. ‘Gaan we echt een kat uitzoeken?’ vraagt Katja. ‘Ja,’ zegt mama. ‘Een rustig, braaf poesje.’ Een mevrouw doet open. ‘Kom binnen,’ zegt ze. ‘Mijn naam is Danbi.’ ‘Hallo, mijn naam is Manon,’ zegt Manon. ‘En dit zijn Max, Mia en Katja.’ ‘O ja, jullie komen een poesje uitzoeken. Volg mij maar.’ Ze lopen door de gang achter Danbi aan. Er zijn veel hokken. In de hokken zitten hondjes en katjes. Ze horen gemiauw en geblaf. Ze gaan een kamer binnen. Er staan stoelen en een bank. Max, Mia en Katja gaan op de bank zitten. ‘Ik ga een poesje halen,’ zegt de mevrouw.

‘Ze mag bij jullie op schoot.’ Maar dan gebeurt er iets. Er rent iets binnen. Het is een hond! Ze is wit met zwarte vlekken. Op haar neus zitten sproeten. Ze draagt een rode halsband.

En daar zit een riem aan. De hond springt op Katja’s schoot. Ze likt haar gezicht. Ze kwispelt met haar staart. Ze snuffelt aan Katja’s trui. Katja lacht. Er komt een jongen binnen. ‘Sorry!’ roept hij. ‘Ik ging Sproet uitlaten.

10


Maar ze trok zo hard aan de riem. En toen liet ik los.’ ‘Sproet!’ roept de mevrouw. ‘Je bent stout!’ ‘Kom hier!’

Mijn woordenschat het asiel (de asielen) de bek (de bekken) de halsband (de halsbanden) het hok (de hokken) de poot (de poten)

aaien (ik aai, jij aait, hij / zij aait)

de riem (de riemen) de sproet (de sproeten)

beloven (ik beloof, jij belooft, hij / zij belooft) hijgen (ik hijg, jij hijgt, hij / zij hijgt) kwispelen (de hond kwispelt)

de staart (de staarten) de tong (de tongen)

likken (ik lik, jij likt, hij / zij likt)

de vlek (de vlekken)

rustig

wild

stout

braaf

loslaten (ik laat de riem los, jij laat de riem los, hij / zij laat de riem los) miauwen (ik miauw, jij miauwt, hij / zij miauwt) snuffelen (ik snuffel, jij snuffelt, hij / zij snuffelt) trekken (ik trek, jij trekt, hij / zij trekt) uitlaten (ik laat Sproet uit, jij laat Sproet uit, hij / zij laat Sproet uit) uitzoeken (ik zoek uit, jij zoekt uit, hij / zij zoekt uit)

Maar Sproet komt niet. ‘Ga van de bank! Zit!’ roept de mevrouw. Maar Sproet gaat liggen met haar poten omhoog. Max en Mia aaien haar buik. Sproet hijgt. Haar tong hangt uit haar bek. ‘Ik wil geen poes meer,’ zegt Katja. ‘Ik wil Sproet.’ ‘Ja!’ roepen Max en Mia. ‘Een hond? Daar moet ik over nadenken,’ zegt mama. ‘Dat kan niet,’ zegt de mevrouw. ‘Er komt straks een meneer kijken naar Sproet. Hij wil haar adopteren. Als u Sproet wilt, moet u het nu zeggen.’ Manon kijkt naar Sproet. Ze ziet er lief uit. ‘Toe, mama,’ zegt Mia. ‘Alsjeblieft, lieve mama,’ zegt Katja. ‘Laten jullie haar uit?’ vraagt Manon. ‘Ja!’ roepen ze.

11


schat

Mijn woorden Een bevel geven Zit! Kom hier! Ga van de bank af! Iets beloven

Ik hoor... iauw De poezen miauwen. ... het gem laf De honden blaffen. ... het geb ach Katja lacht. ... het gel uil De jongen huilt. ... het geh

Ik beloof het. We beloven dat we komen. Ik zweer het. Beloofd! Erewoord! Iemand smeken Toe, ... Alsjeblieft, ... Alstublieft, ...

‘Beloven jullie het?’ ‘Ja!’ roepen ze, ‘We beloven dat we haar elke dag uitlaten.’ ‘Vooruit dan maar,’ zegt Manon. Ze lacht. ‘Ik kwam een rustig poesje halen, en ik kom thuis met een wild Ja? Ga staan. hondje!’ Nee? Blijf zitten.

Ja of nee

n een hondje - Katja, Max, Mia en Manon gaa uitzoeken. met witte vlekken. - Sproet heeft een zwarte vacht - Sproet is heel braaf. - Katja vindt Sproet lief. mond. - De tong van Max hangt uit zijn - Mia draagt een halsband. llo. - Sproet mag mee naar Hotel Ha 12


FREDDIE Mia: Dag allemaal! Welkom bij... Max & Mia: ...de Max en Mia Radioshow! Max: Vandaag hebben we twee gasten. Eén gast kennen jullie al. Katja: Hallo, ik ben Katja. Ik ben de zus van Mia. Mia: Dag Katja. Hoe gaat het met jou? Katja: Goed. En met jullie? Max: Met ons gaat het ook goed. En wie is dat? Katja: Dit is Freddie. Max: Katja: Mia:

Daar staat zijn kooi. Maar nu is het vakantie. Max: En mag jij voor hem zorgen? Katja: Ja. Ik speel elke dag met hem. Mia: Wat doe je nog meer? Katja: Ik geef hem te drinken. Hij drinkt water. En ik voer hem. Max: Wat eet hij? Katja: Hij eet voer voor hamsters. Hamstervoer.

Maar ook peer en maïs.

Dag Freddie. Hoe gaat het met jou? Max! Freddie kan toch niet praten! Nee Max. Het is een cavia.

Katja: Mia:

Nee, het is geen cavia. Het is een hamster. O ja. Een cavia is groter dan een hamster. Katja: Freddie logeert bij mij. Hij woont in onze klas.

Max: En wat is dat, in zijn kooi? Wat ligt er op de bodem? Katja: Dat is zaagsel. Er moet nog wel een rad in. Max: Een rat! Waarom moet er een rat in? Mia: Zo’n soort muis, maar dan groter, bedoel je dat? 13


Katja: Max: Mia:

Mia: Ja. Kleine poepjes. Katja: Getsie! Ik hou niet van schoonmaken! Ik vind er niks aan! Max: Maar het hoort erbij, Katja. Een huisdier moet je verzorgen. Je moet het niet alleen voeren. Maar de kooi of het hok moet je ook schoonmaken. Mia: Ja, of de stal. Paarden slapen in een stal.

Nee, een rad om in te lopen. Zo’n rond ding. O, gelukkig maar. En ga jij zelf zijn kooi schoonmaken?

Die stal moet je goed schoonmaken. En het paard moet je borstelen. Max: Net als honden. Die moet je ook borstelen. En katten ook. Katja: Moet je Pollie ook borstelen, Max? Max: Nee hoor. Pollie heeft geen vacht. Pollie heeft veren. Maar ik moet wel haar kooi schoonmaken. En dat ga ik nu doen. Katja: Mag ik kijken? Max: Je mag helpen! Mia: Dit was het weer voor vandaag! Tot de volgende keer! Max: Tot ziens! Katja: Daag!

Katja: Max:

Hoe bedoel je? Zijn kooi is al schoon, hoor. Maar die blijft niet schoon. Straks is de kooi vies. Freddie gaat erin piesen. Mia: Ja, en er liggen straks allemaal keutels in. Katja: Keutels?

de site

Ga naar voor opdrachten!

14


Mijn woordenschat de bodem (de bodems)

voeren = te eten geven (ik voer Freddie, jij voert Freddie,

de cavia (de cavia’s)

hij / zij voert Freddie)

het eten

te drinken geven (ik geef Sproet te drinken, jij geeft Sproet te drinken,

het drinken

hij / zij geeft Sproet te drinken)

de hamster (de hamsters) het huisdier (de huisdieren)

piesen (informeel) = plassen (ik pies, jij piest, hij / zij piest) schoonmaken (ik maak de kooi schoon, jij maakt de kooi schoon, hij / zij

< het huis (de huizen)

maakt de kooi schoon)

< het dier (de dieren)

verzorgen = zorgen voor (ik verzorg de cavia, jij verzorgt de cavia,

de keutel (de keutels)

hij / zij verzorgt de cavia)

de maĂŻs het paard (de paarden) de peer (de peren) de poep < het poepje de stal (de stallen) de vacht (de vachten) het voer < het hamstervoer < het hondenvoer, etc. het zaagsel

Zeggen dat je iets

niet leuk vindt

Ik hou niet van scho

Ik haat schoonmak

onmaken.

en. Ik vind er niets aan. groter dan, kleiner

Een cavia is groter

Een hond is kleine

dan

dan een hamster.

r dan een paard.

net zo groot / klein

Ko is net zo groot

als

als Kriebel.

Wat vind jij niet leuk?

Samen praten: ergens niet van houden. . Ga met elkaar in een kring zitten et Praat over dingen die je soms mo leuk doen, maar die je helemaal niet re vindt. Schrijf ze op. Doen de ande ag? kinderen die dingen ook niet gra 15


POES Poes poes poes poes poes poes Poes poes poes poes poes poes

Ik mis je lieve kopjes Poes poes poes poes poes poes Ik mis je warme vacht

Poes poes poes poes poes poes Kom toch naar binnen Poes poes poes poes poes poes

Poes poes poes poes poes poes Poes poes poes poes poes poes? Poes poes poes poes poes poes Nu moet je toch komen Poes poes poes poes poes poes Het wordt al veel te laat Poes poes poes poes poes poes Weet jij nog waar we wonen? Poes poes poes poes poes poes Het is niet veilig op straat Nee

Waar blijf je nou? Poes poes poes poes poes poes Ik wil je horen spinnen Poes poes poes poes poes poes Ik hou van jouw gemiauw Miauw!

Poes poes poes poes poes poes Poes poes poes poes poes poes Poes poes poes poes poes poes Poes poes poes poes poes poes Miauw!

Poes poes poes poes poes poes Poes poes poes poes poes poes Poes poes poes poes poes poes Je bakje zit vol brokjes Poes poes poes poes poes poes Je mandje is zo zacht Poes poes poes poes poes poes 16


Mijn woordenschat de brok (de brokken)

zacht leeg

Ongeduld

hard

Kom toc h

vol

uitdrukk

naar bin

en

nen. Waar bli jf je nou ? Nu moet je toch k omen.

kopjes geven ) (de poes geeft kopjes t) spinnen (de poes spin Let op: een het-woord. Een verkleinwoord is at. meer dan ĂŠĂŠn ding ga Maar niet als het over jes het brokje de brok de bakjes de bak het bakje e de mandjes de mand het mandj

de brok

Wat weet jij over katten?

Maak een woordspin Maak samen een woo rdspin. Doe dat op een bord of op een groot vel papier. In het mid den zet je een poes. Daaromheen te ken je of schrijf je alles op wat je wee t over katten. Hoe zien ze eruit? Wat eten ze? Wat doen ze graag? Wat vi nden ze niet fijn? Vergeet de lidwoo rden niet! Is er nog een ander di er waar je een woordspin over wilt m aken?

17


KO EN KRIEBEL Katja ligt op de bank. Sproet ligt bij haar. Katja heeft een deken. Haar wangen zijn rood. Ze huilt. Max en Mia komen binnen. ‘Wat is er aan de hand?’ vraagt Mia. ‘Ik wil naar de kinderboerderij!’ huilt Katja. ‘Ze is ziek,’ zegt oma. ‘We gaan een andere keer.’ ‘Maar ik wil niet een andere keer,’ roept Katja. ‘Ik wil vandaag!’ Sproet legt haar kop bij Katja op schoot. Katja aait haar.

Sproet vindt de muizen ook leuk. Ze snuffelt aan de kist. ‘Ik heb ook dieren,’ zegt Mia. Ze opent de tas. ‘Nee Mia, niet nog meer dieren hoor!’ zegt oma. ‘Twee muizen vind ik wel genoeg.’ De tas zit vol kleine dieren van plastic. Het zijn dieren van de boerderij: een kip, een haan, een koe, een schaap. Een varken, een paard, een geit. Maar ook dieren uit de dierentuin: een tijger, een leeuw, een pinguïn. Een olifant, een slang, een krokodil. Een beer, een zeehond, een giraf en een zebra.

‘Ik heb een idee,’ zegt Max. ‘Kom, Mia!’ Ze lopen de keuken uit. Als ze terugkomen, draagt Max een houten kist. Mia draagt een stoffen tas. ‘Wat is dat?’ vraagt Katja nieuwsgierig. Ze wijst naar de kist. Max laat het zien. In de kist zitten twee muizen. ‘Getsie, Max!’ roept oma. ‘Ik wil geen muizen in huis!’ ‘Deze muizen zijn lief,’ zegt Max. ‘Ze zijn van Flip, onze buurjongen. Ze heten Ko en Kriebel.’ Katja aait ze. Hun vacht is warm en zacht. 18


Mijn woordenschat de beer (de beren) de giraf (de giraffen) de geit (de geiten) de haan (de hanen) de krokodil (de krokodillen) de leeuw (de leeuwen) de olifant (de olifanten) de pinguïn (de pinguïns) het schaap (de schapen) de slang (de slangen) de tijger (de tijgers) het varken (de varkens) de zebra (de zebra’s) de zeehond (de zeehonden)

het hout

) de boerderij (de boerderijen

de kist van hout.

de deken (de dekens) inen) de dierentuin (de dierentu < het dier (de dieren)

de houten kist de stof

< de tuin (de tuinen) de keer (de keren)

de tas van stof de stoffen tas

< een (andere) keer keer We gaan een (andere)

maar:

j. naar de kinderboerderi < nog een keer de kinderboerderij

het plastic de dieren van plas

de plastic dieren

tic

(de kinderboerderijen) < het kind (de kinderen) erijen) < de boerderij (de boerd

< de zee (de zeeën) < de hond (de honden)

‘Dank je wel!’ roept Katja. Oma brengt een kopje soep en boterhammen. ‘De soep is voor onze zieke Katja,’ zegt ze. ‘En wat krijgen de muizen te eten?’ vraagt Max. ‘Ik voer alleen de kinderen,’ lacht oma. ‘De dieren voer je zelf maar.’

Ra ra, wie is het? - Hij / zij is ziek. - Hij / zij heeft een ta s. - Hij / zij heeft een ki st. - Hij / zij snuffelt aan de kist. - Hij / zij wil geen mui zen in huis. - Hun vacht is zacht en warm. - Zij krijgen een bote rham. portretten 19


DIERENGELUIDEN Max: Hallo allemaal! Mia: Welkom bij... Max & Mia: ...de Max en Mia Radioshow! Max: Vandaag hebben we een kleine gast. Mia: Klein en schattig. Max: Het is Miaâ&#x20AC;&#x2122;s zusje Katja! Katja: Hallo. Ik heb ook een gast. Mijn vriendin Lillie is hier. Lillie: Hoi! Mia: Vandaag doen we

Lillie & Katja: Een haan! Een aap! Max: Ja. Lillie: Een poes. Een eend. Mia: Goed zo! Katja: Een kikker. Max: Ja! Katja: Een hond! Lillie: Ja, een hond die huilt. Katja: Ja, een huilende hond. Lillie: Wat zielig... Max: Nee, fout. Katja: Max:

O, wacht. Het is een wolf! Goed zeg! Maar deze weet je niet. Katja: Ik heb geen idee. Lillie: Dat is toch geen dier? Mia: Jawel! Het is een vogel. Katja: Een vogel? Maar een vogel fluit! Lillie: Ja, zo: fuut! Mia: Het is een specht. Hij pikt een gat in een boom met zijn snavel. Daar maakt hij zijn nest. Lillie: Dat is veel te moeilijk! Max: Dit is de laatste. Lillie: Een hond! Mia: Nee, fout! Katja: Dat is toch een hond? Ik weet het zeker.

een spel. We laten jullie dierengeluiden horen. Max: En jullie moeten raden welk dier het is. Lillie: O, dat is gemakkelijk! Mia: Goed. Hier komt het eerste geluid. Lillie & Katja: Een koe! Max: Heel goed. Nu het volgende geluid. Lillie: Een kip. Katja: Ja, een kip! Mia: Goed zo. Jullie zijn veel te goed. We doen het sneller. Zodra je het weet, mag je het zeggen. 20


Mijn woordenschat de aap (de apen)

Lillie: Mia: Max: Katja: Lillie:

Ja, dat is geblaf! Het is een vogel. Het is Pollie! Ze doet een hond na... Flauw zeg. Ja, heel flauw. Ik weet ook een geluid. Nu moeten jullie raden wat het is. Max: Leuk! Mia: Goed, ga je gang. Ik weet niet of ik iets hoor. Hoor jij iets, Max? Max: Ik weet het niet zeker. Laat â&#x20AC;&#x2122;t nog eens horen? Mia: Ik hoor niks, hoor.

de eend (de eenden) het dierengeluid (de dierengeluiden) < het dier (de dieren) < het geluid (de geluiden) de kikker (de kikkers) de snavel (de snavels) de specht (de spechten) de wolf (de wolven)

een huilende hond = een hond die huilt

een slapend kind = een kind dat slaapt

Zeggen dat je iets (niet) zeker weet Ik weet het niet. Dat weet ik niet.

Lillie: Max: Lillie:

Een kikker! Een kikker? Maar die doet toch: kwaak? Het is een kikker die onder water zit! Max: Wat flauw. Mia: Dat is toch niet grappig! Katja: Dat doet ze altijd. Ze maakt flauwe grapjes, en dan lacht ze zelf heel hard!

Ik weet het (niet) zeker.

it)

ij / zij flu it, jij fluit, h u fl k (i n e it flu ogel pikt) pikken (de v

Toneelspelen a. Je mag er n r ie d n e e Doe bij en geluiden bewegingen en deren moet n a e D . n e k ma . dier je bent raden welk aan and anders m ie is a n r a Da de beurt.

21


DE VERTELKOFFER vertelkoffer

In de koffer zitten spullen om huisdieren te verzorgen. Kijk maar eens goed. Om welke huisdieren gaat het, denk je? Je kunt deze leuke spelletjes doen: - Wat voel je? Ga in de kring zitten met je ogen dicht. Je krijgt iets uit de koffer in handen. Kun je voelen wat het is? Vertel wat je voelt. - Wat is er weg? Kijk goed naar alle spullen. Doe dan je ogen dicht. Er wordt iets weggehaald. Doe je ogen weer open. Kun je raden wat er weg is? - Ik ga naar Hotel Hallo en ik neem mee... 22


DE SPIN De spin zat huilend in haar web: Ik denk dat ik geen vrienden heb! Ik gaf een héél, héél groot feest En niemand, niemand is geweest... Niet de rups en niet de mier Ook de mug niet, of de pier De vlinder kwam geen taartje eten, de kever was het ook vergeten En geen lieveheersbeestje... Niemand kwam er naar mijn feestje Mijn web is nog wel extra groot! Voor luis en vlo en duizendpoot... Waarom was er geen vlieg of bij? Waarom kwam niemand? Wat denk jij? Mijn woo

rdenschat

de bij (de bijen) de duizendpoot (d

e duizendpoten) de kever (de kevers ) het lieveheersbeest je (de lieveheersbee stjes) de luis (de luizen)

de mier (de mieren)

de mug (de mugge

de pier (de pieren)

de rups (de rupsen

23

n)

) het spinnenweb (d e spinnenwebben) < de spin (de spin nen) < het web (de web ben) de vlieg (de vliegen)


Tekenen dicht tekenen?

Kun je alle dieren uit het ge

Ga naar

deorsmieteer

vo ten! opdrach

Tongbreker achter Als vliegen gen, vliegen vlie gen vliegen vlie g. vliegensvlu

Kun jij dit vliegensvlug nazeggen?

24


25


Thema 2

Kom je spelen? n

vriendschap, spele

PECHVOGEL Ik ben rood.

Ik ben geel.

Wie het hoogst gooit, mag beginnen.

De dobbelsteen rolt van de tafel op de grond.

Ha!

Dat telt niet!

Zes!

Nu moet je je pion van het bord halen.

Ik verlies bijna altijd. Je moet opnieuw gooien!

Pollie, gooi maar voor Max.

Ik ben een pechvogel.

Je hebt zes gegooid, Pollie!

Pollie!

Je bent mijn geluksvogel!

27


POLLIE DE GELUKSVOGEL Max en Mia gaan mens-erger-je-niet spelen.

‘Ik mag beginnen!’ zegt ze blij. Mia gooit weer. Ze gooit opnieuw vijf. Ze zet haar pion vijf plaatsen naar voren. Dan is Max aan de beurt. Hij gooit één. Daarna gooit Mia zes. ‘Ha!’ roept ze. ‘Nu moet je je pion van het bord halen, Max.’

‘Ik ben rood,’ zegt Mia. Ze pakt de rode pion. ‘Ik ben geel,’ zegt Max. Hij zet de gele pion op het bord. ‘Wie het hoogst gooit, mag beginnen.’ Max gooit één. Dan gooit Mia met de dobbelsteen. De dobbelsteen rolt van de tafel op de grond. ‘Zes!’ roept ze blij. ‘Nee, dat telt niet,’ zegt Max. ‘Waarom niet?’ ‘De dobbelsteen moet op de tafel blijven.’ ‘Waarom?’ vraagt Mia. ‘Dat staat niet in de spelregels, hoor.’ ‘Je moet opnieuw gooien’, zegt Max. Mia gooit nog een keer. Vijf.

Max zucht. ‘Zullen we gaan voetballen?’ ‘We maken eerst dit spelletje af,’ zegt Mia. ‘Ik heb eigenlijk geen zin meer,’ zegt Max. ‘Ik verlies bijna altijd.’ Dat is waar. Max verliest vaak. Net als opa. Maar opa wordt dan boos. Hij kan niet tegen zijn verlies. ‘Ik ben een pechvogel!’ zegt Max. ‘Pechvogel....’ mompelt Mia. Ze haalt Pollie en zet haar op tafel. Ze houdt de dobbelsteen voor haar kop.

28


Mijn woordenschat

gelukkig weer

het bord (de borden)

= opnieuw

het bordspel (de bordspelen) < het spelbord (de spelborden) de dobbelsteen (de dobbelstenen) geluk

pech

het geluk < geluk hebben de pech < pech hebben de geluksvogel (de geluksvogels) de pechvogel (de pechvogels)

= nog eens = nog een k

het bordspel

eer

de pion (de pionne

n)

de spelregel (de sp

het spel (de spelle

elregels)

eigenlijk

n) < spelen (ik spee l, jij speelt, hij / zij speelt) de regel (de regels ) het toeval de voetbal (de voet ballen) het verlies (de verli ezen) < niet tegen je ve rlies kunnen afmaken (ik maak het spel af, jij maakt het spel af, hij/zij maakt het spel af) verliezen (ik verlies, jij verliest, hij / zij verliest) ↔ winnen (ik win, jij wint, hij / zij wint) voetballen (ik voetbal, jij voetbalt, hij / zij voetbalt)

Max kijkt naar de dobbelsteen op tafel. Zes! ‘Je hebt zes gegooid Pollie!’ roept Mia. ‘Pollie brengt geluk!’ ‘Nee,’ zegt Max, ‘dat is vast toeval.’

Voorzichtig pakt Pollie het ding aan met haar snavel. Ze kijkt Mia dom aan. ‘Gooi maar voor Max, Pollie,’ zegt Mia. Pollie doet haar snavel open. De steen valt eruit. 29


Uitdrukking Je ogen niet kunnen geloven.

Mijn woordenschat

l speelt Dingen die je zegt als je een spe Ik ben geel. en. Wie het hoogst gooit, mag beginn Wie is er aan de beurt? Dat telt niet. Ik heb zes gegooid. Mag ik de dobbelsteen? Je mag nog eens gooien. Ik heb gewonnen! Wat jammer! Jij mag de kaarten schudden. Ik moet de kaarten uitdelen. Je mag een kaart pakken. Mag ik een... (bij kwartetten). Op tafel

Pollie op de tafel. Mia zet Pollie op tafel = Mia zet dobbelsteen ligt op De dobbelsteen ligt op tafel = De de tafel.

Hij geeft Pollie de dobbelsteen nog een keer. Ze laat de dobbelsteen vallen. Max kan zijn ogen niet geloven. Weer zes! ‘Goed zo, Pollie!’ roept hij. ‘Jij bent mijn geluksvogel!’

Maar:

De dobbelsteen ligt op de stoel. De dobbelsteen ligt op stoel.

Toneelspelen

Ga naar

de site voor meer opdrachten!

tallen om de e e w t in it o o Je g n. n dobbelstee beurt met ee , hoogst gooit t e h ie d e n e Deg nen. heeft gewon ft verloren. De ander hee en je heel blij. Als je wint, b , word je boos , t s ie rl e v je Als niet tegen je want je kunt verlies. 30


SPORTIEF Max: Dag allemaal Welkom bij... Max en Mia: ... de Max en Mia Radioshow! Mia: Vandaag hebben we een sportieve show. Max: Ja, de gast die komt, weet veel over sport. Mia: Het is ... ... de voetbaltrainer van Max!

Max:

Ik luister wel! Jij hebt me niks verteld over een toernooi. Mia: Jawel! Je was aan het voetballen. Max: Mia:

Max: Nee. Mia: Wat, nee? Max: Mijn trainer is er niet. Mia: Maar jij zou hem vragen! Max: Nee, jij zou jouw tenniscoach vragen. Mia: Niet waar. Ik heb gezegd dat zij niet kan. Ze heeft een toernooi. Max: En mijn trainer heeft een belangrijke wedstrijd. Mia: Dus nu hebben we geen gast. Max: Nee. En dat is jouw schuld. Mia: Nou ja! Jij luistert nooit!

Max: Mia:

En ik kwam kijken. Weet je nog? Je scoorde een doelpunt. Ja, dat weet ik nog. Ik was geweldig! Ik schoot de bal keihard het doel in! En ik riep toen dat mijn tenniscoach niet kon. Ja zeg! Natuurlijk hoorde ik je niet, ik was aan het voetballen! Maar ik stond te schreeuwen. Langs de lijn. Heel hard!

Max! Heee! Joehoe! 31


Mijn woordenschat het basketbal = de sport het doel (de doelen) het doelpunt (de doelpunten)

het hockey

de lijn (de lijnen) < langs de lijn

Max: Mia:

Iedereen stond te schreeuwen. Nou, ik heb tenminste wat gezegd. Max: Ik ook. Ik heb je ook verteld dat mijn trainer niet kon. Mia: Wanneer? Max: Op school. Je was aan het volleyballen. Mia: Ik volleybal nooit! Max: Eh... ik bedoel dat andere spel. Ook met een bal. Mia: Hockey? Max: Nee. Mia: Voetbal? Max: Nee! Mia: Basketbal? Max: Ja, dat bedoel ik. Mia: Max:

de sport (de sporten) het tennis de tenniscoach (de tenniscoache

het toernooi (de toernooien)

het voetbal = de sport

de trainer (de trainers) de voetbaltrainer (de voetbaltra

het volleybal = de sport

iners)

de wedstrijd (de wedstrijden)

schieten (ik schiet, jij schiet, hij / zij schiet) scoren (ik scoor, jij scoort, hij / zij scoort) Iets aan het doen zijn

Wat ben je aan het doen?

Wat doet hij?

Ik ben aan het spelen.

Hij is aan het basketballe

Dus ik heb het jouw vriendin verteld. Mia: Welke vriendin? Max: Die met die gekke stem. Hoe heet ze ook alweer? Tania! En zij zou het aan jou vertellen. Mia: Dat heeft ze nooit gedaan. En ze heeft geen gekke stem. Max: Hallo, ik ben Tania. Mia: Flauwerd. Ze is heel lief hoor. Max: Heel lief! Mia: Dat was het weer voor vandaag. Tot de volgende keer! Max: Tot ziens!

Je was basketbal aan het spelen. Ik heb je niet gezien. Dat klopt. Je was druk aan het basketballen.

Vertellen bt gehoord. Praat samen over wat je he lpen: Deze vragen kunnen je he gast? - Hebben Max en Mia een tnodigen? - Welke gast wilde Max ui en niet? - Waarom komen de gast - Welke sport doet Max? - Welke sporten doet Mia? oit? - Welke sport doet Mia no ? - Hebben Max en Mia ruzie

s)

< de coach

32

n.


RUZIE Ik heb ruzie met mijn beste vriend En ik weet niet eens meer waarom We speelden altijd met elkaar Maar nu doet hij zo stom Nu is er een ander kind dat hij heel aardig vindt En daar speelt hij altijd mee En ik ben alleen Ruzie is stom, ruzie is stom Wij hebben ruzie en ik weet niet eens waarom Ruzie is stom, ruzie is stom Ruzie is stom Ik heb ruzie met mijn beste vriendin En ik weet niet eens waarom Wij speelden altijd met elkaar Maar nu doet zij zo stom Er is nu een ander kind dat zij heel aardig vindt En daar speelt zij altijd mee En ik ben alleen Ruzie is stom, ruzie is stom Wij hebben ruzie en ik weet niet eens waarom Ruzie is stom, ruzie is stom Morgen ga ik naar jou toe en maak het weer goed

Samen praten:

schat

n Mijn woorde

de ruzie ken < ruzie ma ben < ruzie heb ed maken het weer go altijd

nooit

33

Heb jij weleens ru zie gehad? Met wie? Waarom hadden jullie ruzie? Hebben jullie het weer goedgemaa kt? Hoe? Wat kun je zeggen als je het weer go ed wilt maken?


HONDEN IN DE SNEEUW Sproet is heel blij, want haar beste vriendje is op bezoek. Het is Frits, de hond van Lillie. Frits is een husky. Hij is wit met grijs en heeft lichtblauwe ogen. Ze spelen achter Hotel Hallo, in het tuintje. Er komt een gast binnen. Het is Sven.

Ze zit met Lillie aan een tafeltje. Ze spelen kwartet. ‘Mag ik een foto zien van jouw honden?’ ‘Natuurlijk,’ zegt Sven. Hij pakt zijn telefoon. ‘Kijk, dit zijn Vilgot, Viggo, Vidat en Viking.’ ‘Ze lijken precies op Frits!’ zegt Katja. ‘Wat doen de honden op de foto?’ vraagt Lillie. ‘Ze trekken een slee,’ antwoordt Sven. ‘Wat knap!’ roept Katja. ‘Ben jij dat?’ giechelt Lillie. Ze wijst op een meneer met een muts en een das. Hij heeft ook een skibril op. Je ziet alleen zijn neus. ‘Ja, dat ben ik,’ lacht Sven. ‘Kun je in Zweden skiën?’ vraagt Lillie. ‘Ja hoor, ik hou van skiën,’ zegt Sven. ‘Ik ook,’ zegt Lillie.

Hij komt uit Zweden. Hij logeert vier dagen in Hotel Hallo. Hij is gek op husky’s. Hij heeft er thuis wel vier. ‘Is Frits in de tuin?’ vraagt hij. ‘Ja,’ zegt Mia. Ze zit met Max op de bank. Ze spelen een potje kaarten. ‘Ik ga hem even aaien,’ zegt Sven. ‘Ik mis mijn eigen honden een beetje.’ ‘Sven, wacht eens!’ roept Katja. 34


Zeggen dat je ba

ng of bezorgd be

Ik ben bang!

Ik ben bang van

Ik ben bang om

Mijn woordenschat het kwartet (de kwartetten) < kwartetten (ik kwartet, jij kwartet, hij / zij kwartet) het potje (de potjes) < een potje kaarten < een potje voetballen de ski (de ski’s) de skibril (de skibrillen) de skilift (de skiliften)

de skischoen (de skischoenen) de skivakantie (de skivakanties)

Ik ben bang dat

nt

/ voor de hond.

uit de lift te valle

ee is.

Vragen dat iem an

d zich iets voor

Stel je voor!

Stel dat Sproet

Stel je voor dat

Denk je eens in

n.

het geen goed id

stelt

de slee trekt.

Sproet achter ee

dat Katja en Lilli

n konijn aangaa

t.

e op de slee zitt

en.

Let op: mijn eigen gang

= m’n eige n gang jouw eigen gang = je eigen ga ng

tegelijkertijd

‘Wij gaan elk jaar op skivakantie. Ik heb ski’s. En skischoenen.’ ‘Vind je het niet eng?’ vraagt Katja aan Lillie. ‘Nee hoor, skiën is leuk.

Maar ik ben wel een beetje bang in de skilift. Ik ben bang dat ik eruit val.’ ‘Denk je dat Sproet het ook kan, Max?’ vraagt Katja. ‘Wat?’ vraagt Max. ‘Een slee trekken? Denk je dat Sproet dat kan?’ ‘Misschien wel,’ lacht Max. skiën (ik ski, jij skiet, hij /

zij skiet) zich iets voorstellen (ik ste l me iets voor, jij stelt je iet s voor, hij / zij stelt zich iet s voor) zijn eigen gang gaan (ik ga mijn eigen gang, jij gaat jou w eigen gang, hij / zij gaat zijn / haar eig en gang)

35


Ja of nee? an. Ja? Ga sta zitten. Nee? Blijf

tel Hallo. o H in t s a een g - Sven is van Lillie. d n o h e d is . - Sproet msterdam A it u t el. m o - Sven k kwartetsp n e e n le e n. Mia sp voetballe t e - Max en h n a a Katja zijn . - Lillie en ie honden r d l e w t f e . - Sven he m te skiën o g n a b is - Lillie oed. tert niet g is lu t e o r - Sp

‘Ze kan in elk geval erg hard aan de riem trekken.’ ‘Luistert ze goed?’ vraagt Sven. ‘Nee!’ roepen Max, Mia en Katja tegelijkertijd. ‘Ik ben bang dat het dan geen goed idee is,’ zegt Sven. ‘Stel je voor dat ze gewoon haar eigen gang gaat. Dan kom je nooit waar je moet zijn!’ Ineens moet Katja heel hard lachen.

Ze ziet het voor zich: Sproet die door de sneeuw rent. Achter een konijn aan. En zij en Lillie op de slee. Nee, het is geen goed idee.

36


BESTE VRIENDEN Luca: Max: Maria: Luca: Mia:

En ik heet Luca. Maar eh... hoe oud zijn jullie? Ik ben 83. En ik ben 85 jaar. En jullie zijn de beste vrienden, toch? Max: Ja, net als wij! Maria: Ja, we zijn hartsvrienden. We kennen elkaar al meer dan 65 jaar. Max: Waar hebben jullie elkaar leren kennen? Luca: Wij waren allebei topsporters. Mia: Topsporters? Luca: We waren erg goed in

Mia:

Dag allemaal! Welkom bij... Max & Mia ...de Max en Mia Radioshow! Mia: Vandaag hebben we

onze sport. Ik was een turner. Ik heb veel wedstrijden gewonnen. Maria: Ik deed aan hardlopen. Ik kon heel snel rennen. Luca: Ze was razendsnel! Dan rende ze keihard over het parcours. Niemand kon haar bijhouden. Maria: Ik hoorde Luca altijd gillen als ik over de finish kwam. Luca: Ik moedigde haar altijd aan. Maria: En Luca was zo lenig! Luca: Ik ben nog steeds lenig, hoor. Kijk!

twee gasten. Max: Ze zijn erg oud. Mia: Max! Maria: Zeg, jongeman, zo oud zijn we niet, hoor. Luca: Mijn broer is nog veel ouder! Maria: En we zijn nog erg fit. Mijn naam is Maria.

37


Mijn woordenschat

heel snel: pijlsnel

de energie de finish de moeite

het gemak

iemand moeite kosten (het kost mij moeite, het kost jou moeite, het kost hem / haar moeite) met gemak = gemakkelijk

vliegensvlug

de rekstok (de rekstokken) de spier (de spieren)

enorm fit

keihard = pijlsnel = razendsnel = vliegensvlug

lenig

stijf

sterk

zwak

Een zin inleiden Kijk, wij trainden erg lang. Wel, vroeger was ik lenig. Zeg, jongeman, ik ben nog fit! Nou, dat is niks! Vragen hoe vaak iets gebeurt Hoe vaak trainen jullie? Twee keer per week.

Max: Mia: Max: Luca:

De luisteraars kunnen dit niet zien. Luca bukt, en zet zijn handen plat op de grond. Dat kan ik niet eens... Wat knap! Ik rek en strek mijn spieren elke dag!

Elke dag. Vragen hoelang iets duurt Hoelang trainen jullie?

EĂŠn uur per keer.

Voor hoelang? Vier uur.

38


?

Wat doe ik

woorden: e z e d t e artjes m

Maak ka

digen - aanmoe - bukken en - hardlop en rekken r ie p s je aien - ronddra n n strekke e m r a je -

elkaar en r o o d s je t r rtje Leg de kaa k een kaa a P l. e f a t d op n de omgekeer at. Kunne a t s p o r e it wat en beeld u et raden? anderen h

Maria:

En hij was vreselijk sterk. Hij bungelde aan de rekstokken. Daar draaide hij omheen. En draaide rond.

Hij pakte de ringen vast en hing erin. Het leek altijd alsof het geen moeite kostte. Luca: We kwamen elkaar tegen op een training. Mia: Lang geleden. Mia: Trainen jullie nu nog? Maria: Nee! Gelukkig niet, zeg. Luca: Kijk, die trainingen waren enorm zwaar. Trainen jullie ook? Max & Mia: Ja. Maria: Hoe vaak? Max: Twee keer per week. Mia: Ik ook. Luca: Voor hoelang? Max: Een uur. Mia: Ik ook, ĂŠĂŠn uur per keer. Luca: Nou, dat is niks! 39


Maria: Max: Maria:

Wij trainden elke dag! Vaak meer dan vier uur. Zo lang? Maar daar hebben we nu geen energie meer voor. Nu doen we andere dingen.

aanmoedigen (ik moe

dig Mia aan, jij moedigt Mia aa n, hij / zij moedigt M ia aan) iemand bijhouden (ik hou Max bij, jij houd t Max bij, hij / zij houdt Max bij) bukken (ik buk, jij bu kt, hij / zij bukt) bungelen (ik bungel , jij bungelt, hij / zij bungelt) hardlopen (ik loop ha rd, jij loopt hard, hij / zij loopt hard ) rekken (ik rek, jij rekt , hij / zij rekt) ronddraaien (ik draa i rond, jij draait rond , hij / zij draait rond ) schaken (ik schaak, jij schaakt, hij / zij sc haakt) strekken (ik strek, jij strekt, hij / zij strekt ) 40 trainen (ik train, jij tr aint, hij / zij traint)

Mia: Wat dan? Maria: We schaken. Luca: Ja, en dan merken we dat we toch niet veel veranderd zijn. Max: Hoezo? Luca: We willen nog steeds heel graag winnen! Max & Mia Hahahaha! Max: Dat was het weer voor vandaag. Tot de volgende keer! Mia: Tot ziens! Maria: Tot ziens! Luca: Dag!


DE VERTELKOFFER vertelkoffer

urt.

e be

nd n aa

Ik be

Ik w

il de

eft? lsjebli

rten

,a lsteen

be

e dob ag ik d

kaa

M

Dank je wel.

Je mag n

og een k

schu

dde

n.

Jij mag de kaarten delen.

eer gooie

n.

Je bent af.

een Ik gooi

p.

kaart o

.. een. ). k i g tten Ma arte w k (bij

!

onnen

gew Ik heb

Vandaag doen we spelletjes. Welk spelletje vind je het leukst? Heb je het thuis ook? Ken je de spelregels? Probeer alleen maar Nederlands te spreken als je speelt. Kijk naar het lijstje van dingen die je zegt als je een spel speelt en maak er een spiekbriefje van. Kom je onder het spelen nog meer handige zinnen tegen? Zet die er dan bij!

41


Thema 3

Hier ben ik thuis

wonen, kleuren

VINGERVERF Niet alles wordt wit. De deuren worden zwart en de trap wordt bruin.

Bah!

Dat is toch niet gezellig.

Alles wordt wit.

Wil jij de kleur voor jouw kamer uitkiezen?

Welke kleuren zouden mooi zijn? Rood? Geel? Blauw? Roze?

Ja! Wit en rood wordt roze.

Getver!

Een poepkleur!

Roze en geel wordt oranje.

43


POEPKLEUR Het is een rommel in Hotel Hallo. Er ligt plastic op de vloer. Er staan overal potten en ladders.

‘Niet alles wordt wit,’ zegt Gijs. De deuren worden zwart en de trap wordt bruin.’ ‘Zwart en bruin! Dat is toch niet gezellig?’ zegt Katja. ‘Straks komen de schilders jouw kamer schilderen,’ zegt Gijs. ‘Wil jij zelf de kleuren uitkiezen?’ ‘Ja!’ roept Katja. Katja gaat naar haar slaapkamer. Ze kijkt naar haar witte behang. Welke kleuren zouden mooi zijn? Roze misschien? Ze pakt potjes verf uit de la. Het is vingerverf. Ze steekt haar hele hand in een pot.

Er liggen kwasten en doeken. De muren, deuren, raamkozijnen, en de vensterbanken worden geschilderd.

Maar ook de trap, de trapleuning en het plafond. De vloer niet. Op de vloer komt een nieuw tapijt. Katja loopt door de lobby. ‘Bah!’ zegt ze. ‘Wat zit je te mopperen?’ vraagt haar vader. ‘Alles wordt wit!’ roept Katja. ‘Saai, saai, saai!’ 44


Mijn woordenschat het behang het kleed (de kleden) de klodder (de klodders) de la (de la’s) = de lade (de lades) de ladder (de ladders)

het plafond (de plafonds) ozijnen) het raamkozijn (de raamk < het raam (de ramen)

de schilder (de schilders) mers) de slaapkamer (de slaapka ingen) de trapleuning (de trapleun < de trap (de trappen)

n) < de leuning (de leuninge rbanken) de vensterbank (de venste de vloer (de vloeren)

Zeggen dat ie

Dat is niet d

ts niet de be

e bedoeling.

Dat is niet zo

Dat is een ve

doeling is

bedoeld.

rgissing.

best (wel) Het is best (w el) leuk. Ik ben best (w el) slim. zitten + te Ze zit te mop

Ze zit te klie

peren.

Ze is aan het

mopperen.

deren. Ze Ze mengt de rode en is aan het kli ederen. witte verf door elkaar. De verf wordt roze. Ze smeert een grote kwak roze verf op de muur. ‘Dit is best mooi,’ denkt ze, ‘maar misschien is geel mooier.’ Ze smeert de gele verf over de roze verf. Het wordt oranje. Dat is niet de bedoeling, maar kliederen (ik kl oranje is best leuk. ieder, jij klieder t, hij / zij klied ert) m en gen (ik meng, jij Maar hoe zou blauw staan? mengt, hij / zij mengt) schilderen (ik sc Ze steekt haar hand hilder, jij schild ert, hij / zij sch ildert) verven (ik verf in de blauwe verf. , jij verft, hij / zi j verft) Er valt een klodder op de vloer. 45


Het was zo mooi oranje. Maar nu is het een poepkleur geworden!’ ‘Daar schilderen de schilders wel overheen,’ zegt Gijs. ‘Dus je wilt oranje muren?’ ‘Ja,’ zegt Katja, ‘dat is lekker gek en vrolijk.’ ‘Net als jij,’ mompelt Gijs. Maar Katja hoort hem niet.

Ze smeert de blauwe verf over de oranje vlek. ‘Bah, wat een rare kleur wordt het. Misschien moet er groen bij. Maar nee, nu is het nog lelijker!’ Het is een soort bruin geworden. Poepbruin. ‘Getver!’ Dan komt haar vader binnen. ‘Katja!’ roept hij, ‘Wat zit je te kliederen!’ ‘Sorry papa,’ zegt ze. ‘Ik wilde een kleur kiezen.

Kliederen Zet bakjes klaa r met verschillende k leuren verf: rood wit geel blauw

Ga naar

de site voor meer opdrachten!

Doe klodders ve rf op papier en zet de name n van de kleur erbij: rood + wit = roze + geel = oranje + blauw = blauw + rood = geel + blauw = rood + geel = 46


VIEZE POOTAFDRUKKEN Mia: Dag allemaal! Max: Welkom bij ... Max & Mia ... de Max en Mia Radioshow. Max: Vandaag hebben we een heel lieve gast. Het is mijn papa! Wim: Dag lieverd. Dag Mia.

Wim: Max:

Wat leuk om in jullie show te zitten! Max: Papa, je kijkt niet zo blij. Wim: Nee, dat klopt. Mia: Wat is er aan de hand? Wim: Wel, dat zal ik je vertellen. Die stoute Sproet was in de tuin aan het spelen. Max: Ja, dat doet ze graag. Mia: Ze vindt het heerlijk in de tuin. Wim: Ze heeft de stok van de hark kapotgebeten. Max: Wat stout! Wim: En ze heeft een gat in de heg gemaakt. Mia: O... Wim: En dat is nog niet alles. Max: Nee?

Ze heeft kuilen gegraven. Ja, dat kan ze heel goed. Met haar poten en haar neus. Dan zit haar neus onder het zand, haha!

Wim: Heel diepe kuilen. En toen liep ze met haar vieze poten naar binnen.

47


Mijn woordenschat het dekbed (de dekbedden) de hark (de harken)

En nu zitten er grote, vieze pootafdrukken op de tegels. En in de gang. En op de trap. Mia: Is ze naar boven gelopen? Wim: Ja. En toen is ze naar onze slaapkamer gegaan. Max: O jee... Wim: En daar is ze in ons bed gekropen. Mia:

< harken (ik hark, jij harkt, hij / zij harkt) de heg (de heggen) het kussen (de kussens) de kussensloop (de kussenslopen) het laken (de lakens) de pootafdruk (de pootafdrukken) < de handafdruk < de voetafdruk de sprei (de spreien) de tegel (de tegels)

Onder ons dekbed. Op de kussens, de lakens en de sprei. Wim: En daar vond ik haar. Mia: Ja, dat is niet Max: zo mooi...

diep schattig Weet je wel?

Nu heb ik een vraag. O? Een vraag?

Zeggen dat iets m

oet worden geda

an (worden) geboen d.

De tegels moeten

De trap moet (wor

De lakens, de kuss

den) afgeveegd.

enslopen en de sp

rei moeten (worde

Wim:

48

n) gewassen.

Ik wil jullie vragen mij te helpen met schoonmaken. De tegels moeten worden geboend. De trap moet worden geveegd. Iemand moet de slaapkamer stofzuigen. De lakens, de kussenslopen en de sprei moeten worden gewassen.


Samen praten: wat weet je nog over het verhaal? Deze vragen Vertel elkaar wat je hebt gehoord. kunnen je helpen: - Wie is de gast van Max en Mia? m? - Wat is er aan de hand met Wi tuin? - Wat heeft Sproet gedaan in de keuken en de gang? - Wat heeft Sproet gedaan in de slaapkamer? - Wat heeft Sproet gedaan in de worden? - Wat moet er schoongemaakt t? Waarom wel / niet? - Is Wim nog erg boos op Sproe

Max: Eh, maar we hebben onze show. Mia: Ja, we hebben geen tijd. Wim: Is Sproet jullie hond? Max & Mia Eh, ja. Wim: Kan ze alles zelf schoonmaken, denk je? Max: Nee... Wim: Dus?

Max: Wim: Mia: Wim:

Max:

Kom op, Mia. We moeten gaan helpen en alles schoonmaken. Mia: Die stoute Sproet! Nou, tot de volgende keer! Max: Daag! 49

Ben je echt boos? Een beetje maar. Eerst was ik heel boos. Maar toen zag ik haar op bed. Ze lag te slapen. Met haar poten omhoog, weet je wel? O ja, dat doet ze vaak. En ze was zo schattig! Ik kan heel moeilijk boos blijven op die hond.


MIJN HUIS Mijn huis heeft witte ramen Mijn huis heeft een rode deur Mijn huis heeft 100 kamers Elke kamer heeft een andere kleur Ik voel me thuis in mijn huis Ik voel me thuis in mijn huis Ik voel me thuis in mijn huis Ik voel me thuis in mijn huis In de gele keuken staat een bruine tafel Met paarse stoelen, iedereen eet mee. In de roze woonkamer staan banken en een kast en een lamp en een grote tv

Ik voel me thuis in mijn huis Ik voel me thuis in mijn huis Ik voel me thuis in mijn huis Ik voel me thuis in mijn huis In de zwarte kelder is het altijd donker In de blauwe badkamer ga ik graag in bad Op de groene zolder staat mijn bed, en mijn bureau En mijn nachtkastje en kledingkast Ik voel me thuis in mijn huis Ik voel me thuis in mijn huis Ik voel me thuis in mijn huis Ik voel me thuis in mijn huis 50


Mijn woordenschat het bad (de baden) amers) de badkamer (de badk s) het bureau (de bureau dingkasten) de kledingkast (de kle < de kleding ) < de kast (de kasten chtkastjes) het nachtkastje (de na ten) < de nacht (de nach jes) < het kastje (de kast onkamers) de woonkamer (de wo de zolder (de zolders)

Let op: in bad gaan Ik voel me thuis in deze stad. an naar bed ga Jij voelt je thuis in deze stad. gaan de douche r e d n o Hij / zij voelt zich thuis in deze stad.

Zich thuis voelen

Wij voelen ons thuis in deze stad. Jullie voelen je thuis in deze stad. Zij voelen zich thuis in deze stad.

kleuren de badkamer

is blauw d e blauwe bad kamer de tafel is bru in d e bruine tafe l de stoelen zi jn paars de paarse sto elen de kelder is zw art de zwarte kelde de zolder is g r roen d e groene zold er Let op: de woonkam

er is roze de roze woon kamer het raam is w it h et witte raam de deur is roo d d e rode deur de keuken is geel de gele keuke n

51


Een droomhuis

Ga naar

de site

Schrijf op ijsstokjes: paars bruin blauw zwart geel groen roze wit rood

voor meer opdrachten!

den in een potje met Zet ze met het woord naar bene de woorden onder zand. Leg de woordkaartjes met op een stapeltje (het ‘mijn woordenschat’ omgekeerd stokje en pak een bad, de badkamer, etc.). Trek een en. kaartje. Combineer de twee woord Bijvoorbeeld: Je trekt het stokje met: wit amer. Je pakt het kaartje met: de badk ’ Je zegt: ‘Ik zie de witte badkamer. Kun je het ook schrijven?

52


EEN DROOMHUIS Max en Mia zitten op de stoep van Hotel Hallo. De zon schijnt. Naast hen zit Kamal. Kamal is acht jaar. Hij logeert in het hotel. Niet omdat hij op vakantie is. Hij gaat verhuizen. Zijn oude huis is verkocht. Er wonen nieuwe mensen in. De familie van Kamal zoekt nu een nieuw huis.

En met de glijbaan kun je naar beneden. Mijn slaapkamer is helemaal bovenin. In het dak zit een groot raam. Dan kun je ‘s nachts naar de sterren kijken.’

‘Ga je daar wonen?’ vraagt Mia. ‘Nee, maar dat zou wel leuk zijn. Mijn ouders kijken nu naar een huis. Met een tuin met een schommel, een schuur en een garage.’

Max en Mia lezen een strip. Kamal zit te tekenen. ‘Wat teken je, Kamal?’ vraagt Max. ‘Een huis’, antwoordt hij. ‘Kijk, hier zou ik wel willen wonen.’ Hij heeft een huis getekend in een boom. Een boomhut. De muren zijn donkerrood en het dak is lichtblauw. ‘Met de trap ga je naar boven. 53


Mijn woordenschat het appartement (de appartementen) het balkon (de balkons) de boomhut (de boomhutten) < de boom (de bomen) < de hut (de hutten) het droomhuis (de droomhuizen) < de droom (de dromen) de gang (de gangen) het gebouw (de gebouwen) de glijbaan (de glijbanen) het huis (de huizen) de schommel (de schommels) < schommelen (ik schommel, jij schommelt, hij / zij schommelt) de schuur (de schuren) de ster (de sterren) de stoep (de stoepen) de verdieping (de verdiepingen) het zwembad (de zwembaden)

‘Hoe zag jouw oude huis eruit?’ vraagt Max. ‘Dat was een appartement,’ zegt Kamal. ‘In een groot gebouw. We woonden op de tiende verdieping. Er waren veel lange gangen. We hadden geen tuin, maar wel een balkon. En boven op het dak kon je de hele stad zien.’ ‘In wat voor huis zou jij willen wonen?’ vraagt Kamal.

54


boven Ik ga met de trap naar boven en met de glijbaan naar beneden. Mijn slaapkamer is boven in de boomhut. Boven op het dak kon je de stad zien.

en)? Wat voor (e b jij? en) huis he (e r o o v t a W ker? vind je lek p e o n s r o o Wat v

Mia denkt na. Dan begint ze te tekenen. Als ze klaar is, laat ze het zien. ‘In zo’n huis.’ Het is een groot, paars huis. Er is een zwembad in de tuin. ‘Hoe ziet jouw droomhuis eruit, Max?’ vraagt Kamal. ‘Ik hoef het niet te tekenen,’ zegt Max. ‘Het is er gezellig. Elke dag komen er andere mensen langs. Er zijn veel kamers. Elke kamer ziet er iets anders uit.

donker en licht donkerrood lichtblauw

centueren, Om een kleur te ac tra woordjes: gebruik je soms ex knalgeel pikzwart spierwit vuurrood

rs pimpelpaa

Er is een lift en een trap.’ Hij draait zich om en wijst. ‘Ik woon er al! Mia lacht. ‘Je hebt gelijk,’ zegt ze. ‘We wonen al in ons droomhuis!’

55


portretten

Ren je rot! Hang de portretten van Max, Mia en Kamal aan de muur. Ren zo snel mogelijk naar het juiste portret. - Hij of zij is acht jaar. - Hij of zij gaat verhuizen. - Hij of zij tekent een boomhut. - Zijn of haar droomhuis heeft een glijbaan. - Hij of zij tekent een zwembad. - Hij of zij woont niet in Hotel Hallo.

56


DE BOUWPLAATS Max: Hallo! Welkom bij... Max & Mia: ...de Max en Mia Radioshow! Mia: Vandaag zijn we buiten. Max: Mia, ik geloof dat iedereen dat wel kan horen! Mia: We laten Sproet uit. En nu staan we bij een bouwplaats. Max: Ik hoop dat ze hier een snoepwinkel gaan bouwen. Mia: Een snoepwinkel?

Mia: Max:

Max: Mia: Max:

Een reuzensnoepwinkel, zeker! Dit wordt een enorm gebouw! Nee, het wordt zeker geen snoepwinkel. Ik denk dat het een winkelcentrum wordt of zo. Ja, met een snoepwinkel erin! Max, misschien wordt het wel een koekjesfabriek! Ja! Dat zou... Grappig, hoor.

Mia:

Max:

57

Horen jullie die boor? Wat een herrie, hè? En dat gepiep is van die grote wagen. Hij rijdt achteruit. O kijk! En daar staat een hoge hijskraan. Die hijst balken omhoog. Mia, er staat een hek om dit bouwterrein Ja, dan kan niemand te dichtbij komen.

Alle bouwvakkers hebben een helm op. Wacht, ik ga hem daar wat vragen.


Mijn woordenschat de balk (de balken) de boor (de boren)

n) de bouwplaats (de bouwplaatse de bouwvakker (de bouwvakkers) de fabriek (de fabrieken) < de koekjesfabriek de helm (de helmen) de hijskraan (de hijskranen) de koptelefoon (de koptelefoons) het lawaai = de herrie de microfoon (de microfoons) rmers) de oorbeschermer (de oorbesche

Mia: Wie? Max: Die man daar, met die koptelefoon. Mia: Koptelefoon? Max: Dag meneer. Mag ik wat vragen?

rages) de parkeergarage (de parkeerga < parkeren (ik parkeer, jij parkeert, hij / zij parkeert) < de garage (de garages) de snoepwinkel (de snoepwinkels)

Joehoe! Ik vind het wel raar dat hij naar muziek luistert. Meneer! Mia: Hij kan je niet horen, Max. Max: Jawel hoor, hij heeft me gezien, daar komt hij al. Dag meneer. Meneer: Dag. Wat is er aan de hand?

< de / het snoep de wagen (de wagens) het winkelcentrum tra) (de winkelcentrums / winkelcen doof achteruit

Zeggen wat je vindt uziek luistert. t raar dat hij naar m he nd vi Ik tâ&#x20AC;Ś da Ik vind p eet. dat Max te veel snoe Ik denk dat... Ik denk Iemand aansporen ! Kom, laten we gaan Kom op, Sproet!

Vragen wat er is Wat is er? n de hand? Wat is er (met je) aa

58

vooruit


Max:

Niks hoor, ik wilde even iets vragen. Meneer: Is dat een microfoon? Max: Ja, wij hebben een radioprogramma. Naar wat voor muziek luistert u? Meneer: Muziek? Ik luister helemaal niet naar muziek. Max: Wat had u net dan op uw hoofd? Meneer: Dat zijn oorbeschermers. Het geluid van de boor is zo hard. Deze oorbeschermers

Mia: En wat bouwen jullie? Meneer: We bouwen een parkeergarage. Maar ik moet weer aan het werk, jongens, tot ziens! Max: Een parkeergarage, bah! Kom, we gaan nog even die kant op. Mia: Waar wil je naartoe? Max: Naar de snoepwinkel.

beschermen mijn oren.

Mia: Max: Mia:

Ik heb ineens heel veel zin in snoep. O ja, in drop! Kom op, Sproet. Dit was het weer voor

Max:

vandaag! Daag, tot de volgende keer!

Anders word ik nog doof van dat lawaai.

Ja of nee? Ja? Ga staan. Nee? Blijf zitten. - - - - - - - - -

Max en Mia laten Pollie uit. Ze staan bij een bouwplaats. Er zijn bouwvakkers. Er staat een hoge waterkraan. De bouwvakker heeft een koptelefoon op. De boor maakt veel herrie. Ze bouwen een koekjesfabriek. Ze bouwen een parkeergarage. Max en Mia gaan naar de snoepwinkel. 59

Ga naar

de site voor meer opdrachten!


L E S T U N K DE VERTELKOFFER vertelkoffer

Hoe ziet het huis eruit waar je nu woont? Of woon je in een appartement? Teken of knutsel het. Hoe ziet je droomhuis eruit? Kun je dat ook maken? Bouw samen een huis. Waar wil jij je kamer? Beneden, of boven? 60


MIJN BUURMEISJE Als ik een zaag had en spijkers en een hamer Dan zaagde ik een gat in de muur van mijn kamer Ik timmerde een deur en die zette ik erin Dan ging ik â&#x20AC;&#x2122;s nachts langs bij mijn beste vriendin

Mijn woordenschat de zaag

de hame

de spijke

(de zagen

r (de ham

)

ers)

r (de spij

mert, hij / zij timmert) timmeren (ik timmer, jij tim / zij zaagt) zagen (ik zaag, jij zaagt, hij

kers) 61


Tekenen Teken je eigen droomhuis en kleur je tekening in. Wie woont er bij je? Wie woont er naast je? Wat heb je getekend, en welke kleuren heb je gebruikt? Vertel! aar

Ga n

ter i s e d r mee

voo hten! ac opdr

62


hotel hallo is ons droomhuis|!


64


Thema 4

Naar de winkel

oepen

winkel, ber

BOODSCHAPPEN DOEN Denk je dat Pollie wel mee kan?

Pak jij een liter melk en een kuipje boter?

Ja hoor, ze is heel lief vandaag.

GGGRRROETJESSSS!!

Prrrrrima! Nu nog worstjes en friet, en we kunnen aan tafel.

Goed zo Pollie!

Waar is Pollie toch?

PFFFFF!

Wat ben je toch een lief beest!

65


POLLIE IN DE SUPERMARKT Max en Mia gaan naar de supermarkt. Max heeft Pollie op zijn schouder. ‘Weet je zeker dat Pollie wel mee kan?’ vraagt Mia. ‘Ja hoor,’ zegt Max. ‘Ze is heel lief vandaag. Het gaat vast goed.’

Ze duwt een boodschappenwagentje. Ze bukt zich om een fles ketchup te pakken. ‘GGGRRROETJESSSS!!’ roept Pollie. De mevrouw schrikt en laat de fles vallen. ‘Pats!’ Alles ligt op de grond. De ketchup, maar ook de scherven. Ze kijkt om zich heen. Maar ze ziet Pollie niet.

De glazen deuren van de supermarkt gaan vanzelf open. Rechts is de drogist. Daar hebben ze

Pollie zit te hoog. Er komt een jongen aan die in de winkel werkt. ‘Nou ik ruim het wel op,’ zegt hij. Dan komt er een meneer aan. Hij zoekt iets. ‘Waar is de mayonaise?’ mompelt hij. ‘Ah, daar!’ Er komt een mevrouw aan. Ze pakt een pot mosterd. ‘Pollie Prrrrrima!’ roept Pollie. De meneer en de mevrouw laten allebei hun pot vallen. ‘Pats!’ ‘Pats!’ Mosterd op de grond. Mayonaise op de grond. De mensen kijken om zich heen. De jongen komt aangelopen.

lekkere dropjes. Mia pakt een boodschappenmandje. ‘Eerst naar de melk,’ zegt ze. Bij de pakken melk staat ook boter, kwark en yoghurt. ‘Pak jij een liter melk?’ vraagt Mia. Max doet de boodschappen in het mandje. ‘En een kuipje boter.’ Ze kijkt op haar boodschappenlijstje. Pollie ziet een hoge stapel dozen. Ze klimt erop. Max heeft niets in de gaten. Max en Mia lopen verder. Pollie kijkt rond in de winkel. Er loopt een mevrouw langs. 66


Mijn woordenschat de boodschap (de boodschappen)

duwen (ik duw, jij duwt, hij / zij duw

winkelen (ik winkel, jij winkelt,

< boodschappen doen

t)

hij / zij winkelt)

het boodschappenlijstje (de boodschappenlijstjes) de boodschappenmand (de boodschappenmanden)

vanzelf = automatisch

de boodschappenwagen (de boodschappenwagens) = de winkelwagen (de winkelwagens) de drogist (de drogisten) = de drogisterij (de drogisterijen) de ketchup de kuip (de kuipen) < het kuipje (de kuipjes) de mayonaise het pak (de pakken) < het pak melk (de pakken melk) de mosterd

ten Iets niet zien, ergens niets van we heeft het niet door. Max heeft niks in de gaten. = Hij lie wegloopt. Max heeft niet in de gaten dat Pol ut is. Hij heeft niet door dat Pollie sto Hij heeft niets door. ... , die / ..., dat , is leuk. de jongen De jongen die in de winkel werkt rood. het mandje Het mandje dat Mia vastheeft, is

de scherf (de scherven)

Max en Mia zijn klaar met winkelen. ‘Waar is Pollie toch?’ zegt Max. Hij fluit. Pollie springt weer op zijn schouder. ‘Goed zo Pollie,’ zegt Max. ‘Goed geluisterd! Wat ben je toch een lief beest!’

de stapel (de stapels) de supermarkt (de supermarkten)

‘Wel ja!’ roept hij. ‘Ketchup, mosterd en mayonaise. Nu alleen nog maar worstjes en friet en we kunnen aan tafel!’

Ja of nee? Ja? Steek je hand op. Nee? Ga staan. - - - - - - - -

Sproet gaat mee naar de winkel. Max zit op de schouder van Pollie. Mia doet de deur van de winkel open. Max en Katja gaan naar de supermarkt. Mia heeft een boodschappenlijstje. en melk. Op het lijstje staan twee kuipjes boter en twee pakk Pollie laat een mevrouw schrikken. Er ligt ketchup, mayonaise en yoghurt op de grond. 67


HABBEKRATS Max: Dag! Mia: Hallo. Welkom bij... Max & Mia: ...de Max en Mia Radioshow! Max: Ik heet Max. Mia: En ik ben Mia. Vandaag zijn we niet in het hotel. We staan in een winkel. Max: In de leukste winkel van Amsterdam! Je kunt er alles kopen.

Max: Josee:

Habbekrats. Habbekrats. Wat een gek woord eigenlijk. Het betekent: heel goedkoop. Mijn spullen zijn niet duur. Maar ze zijn ook niet nieuw. Ik verkoop dingen die van iemand zijn geweest.

Mensen brengen spullen die ze niet meer willen. En ik verkoop ze dan. Ik verkoop kleren, maar ook andere dingen. Mia: Kleine beeldjes bijvoorbeeld. En spiegels. En meubels. En eh... sieraden. Spelden en armbanden en zo. Klant: Mevrouw, kost dit vaasje negen euro?

Josee: Nou ja, niet alles hoor. Maar wel veel. Mia: En onze gast is mijn tante Josee. Zij is de eigenaar. Haar winkel heet: Habbekrats. 68


Josee: Alles met een rode sticker is in de aanbieding. U krijgt vijftig procent korting. Er gaat dus vier en een halve euro van de prijs af. Klant: Wat een koopje! Ik wil graag afrekenen. Josee: Ja, natuurlijk, mevrouw. Dat is dat vier euro vijftig. Klant: Kan ik pinnen? Josee: Nee, helaas niet. Klant: Cash dan maar, alstublieft. Josee: Dank u wel. Hier is uw wisselgeld. Klant: Josee:

Josee: Een biologieleraar heeft het gekocht. Wat vind je van deze clown? Ik schrik elke dag als ik binnenkom. Mia: Ja, ik schrok ook even. Hij is zo groot! Max: Hij lacht heel eng. En wat is dit? Josee: Dit beeldje? Tja, ik weet het eigenlijk niet. Het is kunst, denk ik. Een jongeman heeft het gebracht. Hij had het geërfd van zijn oom. Hij vond het een lelijk ding. Ik ook, als ik eerlijk ben. Maar wat de één lelijk vindt, vindt de ander weer mooi. Mia: En die clown?

En uw bonnetje. Veel plezier ermee. Tot ziens. Tot ziens!

Denk je dat iemand die ook mooi vindt? Josee: Eh... Nou, nee, niet mooi. Mia: Misschien moet je die gratis weggeven. Josee: Maar ik weet niet of ik hem wel wil verkopen. Max: Waarom niet? Josee: Het is net of ik niet alleen in de winkel sta. Ik praat soms ook tegen hem. Mia: Echt waar? Josee: Ja, als ik lang alleen ben in de winkel. Ik heb hem zelfs een naam gegeven.

Max:

Zeg, tante Josee, het ruikt een beetje muf hier in de winkel. Mia: Max! Josee: Ja, dat is wel zo. Dat komt doordat sommige kleren en meubels heel oud zijn. Ik vind het wel gezellig ruiken. Max: O ja. Zeg, je hebt soms gekke dingen in je winkel, hè. Josee: Inderdaad. Max: Je had een keer een skelet in de etalage! Josee: Ja. Mia: Wie koopt dat nou?

69


Mijn woordenschat de euro (de euroâ&#x20AC;&#x2122;s) de aanbieding (de aanbiedingen)

Max: Hoe heet hij dan? Josee: Rinus. Max & Mia: Hahaha, Rinus. Josee: Aan niemand vertellen, jongens! Max: Nee hoor! Mia: Maar Max, dit komt toch op de radio?

de armband (de armbanden) het beeld (de beelden) de bon (de bonnen) < de kassabon (de kassabonnen) de cash de eigenaar (de eigenaren, eigenaars) de etalage (de etalages) de kassa (de kassaâ&#x20AC;&#x2122;s) de klant (de klanten) het koopje (de koopjes) de korting (de kortingen) de prijs (de prijzen)

afrekenen (ik reke

erven (ik erf, jij er

verkopen (ik verk

pinnen (ik pin, jij

het procent (de procenten) het sieraad (de sieraden) het skelet (de skeletten) de speld (de spelden) het spul (de spullen) de winkel (de winkels)

n af, jij rekent af,

ft, hij/zij erft)

oop, jij verkoopt,

pint, hij / zij pint)

Wij zeggen niks.

Josee: Max: Mia:

Dag tante Josee. Dag schattebouten. Dag Rinus! Tot de volgende keer!

afgeprijsd

duur

goedkoop

Vragen naar de prijs van iets

gratis

- Hoeveel kost dit?

muf

- Hoeveel kosten deze oorbellen?

tweedehand s

- Hoe duur is deze armband?

helaas zelfs

Dingen die je zegt of hoort in de winkel - Wie is er aan de beurt? - Ik. - Wat mag het zijn, mevrouw?

- Een kilo gehakt, alstublieft.

- Zegt u het maar, meneer.

- Een gesneden brood, graag.

- Dat is dan samen twintig euro.

- Alstublieft.

- Ik wil graag afrekenen.

- Natuurlijk, mevrouw.

- Kan ik ook pinnen?

- Ja, natuurlijk.

- Nee, helaas niet. - Veel plezier ermee. - Dank u wel, tot ziens!

70

hij / zij verkoopt)

Max:

het wisselgeld

- Wat is de prijs van dit beeldje?

hij / zij rekent af)


Toneelspelen Je werkt in tweetallen. Iemand is de klant, de ander is de winkelier. Verzin iets dat je wilt kopen. Je kunt de zinnen op de vorige bladzijde gebruiken.

Deze mooie jurk is helemaal niet duur.

71


IK BEN AAN DE BEURT Mâ&#x20AC;&#x2122;n moeder stuurt me naar de bakker En dat kan ik best alleen Op dit lijstje staat wat ik moet kopen Ik heb geld in mijn portemonnee Het is druk in de winkel Ik sta achteraan Ik wacht, ik wacht, ik wacht Maar niemand ziet me staan Ik sta in de rij, kijk naar mij Ik sta in de rij, kijk naar mij Ik sta in de rij, kijk naar mij Ik ben aan de beurt! Ik sta in de rij, kijk naar mij Ik sta in de rij, kijk naar mij Ik sta in de rij, kijk naar mij Sla me niet over, sla me niet over Mijn moeder stuurt me naar de slager En dat kan ik best alleen Op dit lijstje staat wat ik moet kopen Ik heb geld in mijn portemonnee Het is druk in de winkel Ik sta achteraan Ik wacht, ik wacht, ik wacht Maar niemand ziet me staan Ik sta in de rij, kijk naar mij Ik sta in de rij, kijk naar mij Ik sta in de rij, kijk naar mij Ik ben aan de beurt! Ik sta in de rij, kijk naar mij Ik sta in de rij, kijk naar mij Ik sta in de rij, kijk naar mij Sla me niet over, sla me niet over

72


Mijn woordenschat de lijst (de lijsten) < het lijstje (de lijstjes) de portemonnee (de

kopen (ik koop, jij koopt, hij / zij koopt) iets of iemand overslaan (ik sla over, jij slaat over, hij / zij slaat over) sturen (ik stuur, jij stuurt, hij / zij stuurt) < iemand ergens naartoe sturen

portemonnees) de rij (de rijen) < in de rij staan de slager (de slagers) achteraan

vooraan

Naar de bakker en de slager gestuurd. Je Jij wordt ook naar de winkel de slager. Welke moet naar de bakker en naar de bakker en de tien dingen kun je kopen bij penlijstje met slager? Maak een boodschap alles is. tekeningen. Schrijf erbij wat

73


EEN RAAR VERHAAL Ze gaat in haar mandje liggen bij de kooi van Pollie. Gijs staat met een mevrouw te praten. Ze huilt. Er komen twee politieagenten binnen, een man en een vrouw. ‘U belde over een diefstal?’ vraagt de politievrouw. Gijs knikt. ‘Er is ingebroken?’ vraagt de politieman.

Max en Mia komen de lobby binnen met Sproet. Ze hebben veel gelopen. Sproet is moe.

74


Mijn woordenschat de bankpas (NL) (de bankpassen) = de bankkaart (B) (de bankkaarten) de dief (de dieven) de diefstal (de diefstallen) de informatie het juweel (de juwelen) het noodgeval (de noodgevallen) het paspoort (de paspoorten) de politieagent (de politieagenten) de politieman (de politiemannen) de politievrouw (de politievrouwen)

op een rij < de rij (de rijen) op slot < het slot (de sloten)

‘Mijn tas is uit mijn kamer gestolen,’ zegt de mevrouw. ‘Met mijn portemonnee erin met mijn bankpassen. En mijn paspoort.’ ‘U bent de eigenaar van dit hotel?’ vraagt de politieman. ‘Ja,’ zegt Gijs. ‘Weet u hoe de inbreker is binnengekomen?’ vraagt de politievrouw. ‘Nee,’ antwoordt Gijs. ‘Ik heb de hele dag bij de balie gestaan. Ik heb alleen andere gasten binnen zien komen. En de deur van haar kamer was op slot. De kamer is op de bovenste verdieping. De dief kan niet door het raam zijn geklommen.’ ‘Is er verder nog iets

stelen (ik steel, jij steelt, hij / zij steelt) inbreken (ik breek in, jij breekt in, hij /zij breekt in) < de inbreker (de inbrekers) < de inbraak (de inbraken)

verder Is er verder nog iets gestolen? Wil je verder nog iets zeggen?

75


Samen praten: detective spelen en over. Wat een raar verhaal! Praat er sam Deze vragen kunnen je helpen: ? - Wat hebben Max en Mia gedaan - Waarom huilt de mevrouw? - Wat is er weg? - Wat komen de agenten doen? er 44? - Hoeveel sleutels zijn er van kam rd is? - Wat denken jullie dat er gebeu

gestolen?’ vraagt de politievrouw. ‘Juwelen, een telefoon of computer?’ ‘Nee,’ zegt de mevrouw. ‘Alleen mijn tas.’ ‘Hoeveel sleutels zijn er van haar kamer?’ vraagt de politievrouw. ‘Van kamer 44?’ vraagt Gijs. ‘Even kijken... vier sleutels.’

Gijs doet een la van zijn bureau open en pakt drie sleutels. ‘Eentje voor als de gast een extra sleutel wil. Eentje voor de schoonmaker. En eentje voor noodgevallen.’ De mevrouw legt haar sleutel erbij. ‘En mijn sleutel. Dat is vier.’

Hoe kan dat nou? Weten jullie het? Dit is de informatie op een rij: - De tas van de mevrouw is weg. - Verder is er niets gestolen. - De deur van haar kamer is op slot. - Een inbreker kan niet door het raam naar binnen.

Wil je weten hoe het verhaal afloopt? Lees dan verder op onze

website

Ga naar www.hotelhallo.nl en klik op de sleutel.

76


WAT WIL JE LATER WORDEN? Max: Dag allemaal! Welkom bij... Max & Mia: ... de Max en Mia Radioshow! Mia: Vandaag hebben we Katja en Lillie te gast. Lillie: Hoi! Katja: Dag. Max: We hebben een heel serieuze vraag voor jullie. Lillie: O, echt? Mia: Max: Katja: Lillie: Katja:

Ja, heel serieus. We willen namelijk weten ... ... wat jullie later willen worden. Ik weet het wel, hoor. O ja? Ja, ik wil dierendokter worden. Dan ben ik de hele dag met dieren bezig. Dat lijkt me het allerleukste beroep van de hele wereld. Max: Als je dierendokter wilt worden, moet je wel eerst heel lang studeren. Katja: Studeren? Mia: Ja, je moet dan heel lang naar school. Max: En je moet ook dieren opereren en zo. Katja: In ze snijden? Nee, dat doe ik niet, hoor!

Lillie: Maar dat hoort erbij, Katja. Max: En wat wil jij worden, Lillie? Lillie: Eerst wilde ik brandweervrouw worden. Want dan kun je mensen redden. En branden blussen en zo. Maar dat is heel gevaarlijk. Dus toen wilde ik kapster worden. Want het ruikt altijd zo lekker bij de kapper. 77


Mijn woordenschat

de baan (de banen) de bank (de banken)

Maar toen knipte ik het haar van mijn pop. En toen zag ik dat knippen toch wel heel moeilijk is.

< geld op de bank zetten < geld op de bank hebben (staan) < geld van de bank halen het beroep (de beroepen) de brand (de branden) de brandweerman (de brandweermannen) de brandweervrouw (de brandweervrouwen) de dierendokter (de dierendokters) = de dierenarts (de dierenartsen) de journalist (de journalisten) de kapper (de kappers) de kapster (de kapsters) < de kapper (de plek) = de / het kapsalon

blussen (ik blus, jij blust, hij / zij blust) knippen (ik knip, jij knipt, hij / zij knipt) kopen (ik koop, jij koopt, hij / zij koopt)

het vak

rijk

het werk

arm

het zakgeld redden (ik red, jij redt, hij / zij redt) sparen (ik spaar, jij spaart, hij / zij spaart) hij / zij geeft geld uit) uitgeven (ik geef geld uit, jij geeft geld uit,

later Wat wil je later worden?

Ik wil later kapper worden.

want Ik wil brandweervrouw worden, want dan kun je mensen redden.

Ik wil kapster worden, want het ruikt lekker bij de kapper.

78


Katja: Ja, dat was niet zo goed gelukt! Lillie: En toen wilde ik journalist worden. Max: Journalist, dat is een mooi vak. Lillie: Ja, mijn mama is journalist. Maar dan moet je heel veel schrijven. Katja: Ja, logisch. Lillie: Dus nu denk ik dat ik rijk wil worden. Max: Rijk? Hoe bedoel je? Lillie: Nou, dat ik veel geld op de bank heb. Dan hoef ik niet meer te sparen. Dan hoef ik niet te werken.

Mia:

Katja: Mia:

Lillie: Katja: Max:

Dag allemaal. Tot de volgende keer! Max: Tot ziens. Katja: Doei! Lillie: Daag!

Dan geef ik mezelf heel veel zakgeld. Dan kan ik lekker veel uitgeven. En dan koop ik een paard! Maar dat is geen baan, â&#x20AC;&#x2DC;rijkâ&#x20AC;&#x2122;. Dat kun je niet zomaar worden. Nee, maar je kunt misschien werk vinden waarmee je rijk kunt worden. Nou, dan doe ik dat. Ik ook! Ja ja, dat zullen we wel zien.

79


DE VERTELKOFFER vertelkoffer

Lillie komt bij Katja spelen. Ze heeft een koffer mee. Bekijk goed wat er in de koffer zit. Kun je alles benoemen? Zoek wat spulletjes uit in de klas die je wilt verkopen, zoals stiften, een boekje, een stoel. Bedenk een prijs en maak een prijskaartje. Nu gaan jullie bij elkaar winkelen. Weet je wat je in een winkel zegt? Hoe vraag je hoeveel iets kost? Hoe zeg je dat iets in de aanbieding is? Hoe reken je af? 80


Maak een woordspin dden. Zet Schrijf â&#x20AC;&#x2DC;het beroepâ&#x20AC;&#x2122; in het mi je samen kunt daaromheen alle beroepen die die je leuk bedenken. Zijn er beroepen bij n over. Wat lijken? Waarom? Praat er same Vinden zij het doen jullie ouders voor werk? leuk wat ze doen?

Ga naar

de site voor meer opdrachten!

81


eken

, bo sprookjes

Thema 5

Er was eens...

BANGE OMA

Er was eens een oma...

Ze was erg bang voor sprookjes. De giftige appel...

Maar toen kwam Katja de toverfee.

De enge heks... De vreselijke reus... Want in sprookjes zitten vaak nare dingen. Er was eens...

En toen was oma niet meer bang.

Abracadabra, Simsalabim!

En kon ze weer sprookjes voorlezen...

83


KATJA DE TOVERFEE Oma past op de kinderen. Ze brengt Katja naar bed. ‘Kies maar een boekje uit, dan lees ik voor,’ zegt ze. Katja kiest een dik sprookjesboek. ‘Sneeuwwitje,’ zegt ze. ‘Hè bah,’ zegt oma. ‘Met die gemene stiefmoeder? En die giftige appel?

‘Die zijn eigen kinderen opeet!’ ‘Oma!’ Katja is nu een beetje boos. ‘Het zijn maar sprookjes, hoor. Het is niet echt.’ ‘Maar ze zijn zo gruwelijk!’ zegt oma. ‘Niet allemaal,’ zegt Katja. ‘O nee?’ ‘Nou, noem maar eens een sprookje. Een sprookje waar geen nare dingen in gebeuren.’ Katja denkt na. Ze wil Roodkapje zeggen. Maar die wordt opgegeten door een wolf. En haar oma ook.

Die dwergen die zo hard huilen? Kun je niet iets anders kiezen?’ Katja denkt na. ‘Hans en Grietje!’ zegt ze. ‘Hè jasses!’ zegt oma. ‘Met die enge heks die kindjes eet? Weet je niets leukers?’ ‘Oma, doe niet zo flauw!’ zegt Katja. ‘Klein Duimpje dan.’ ‘Met die vreselijke reus!’ roept oma.

Daar kan haar eigen oma vast helemaal niet tegen. En Doornroosje is ook een beetje eng, daar zit een boze fee in. Assepoester had ook een boze stiefmoeder, en van die nare stiefzusters. Dan heeft ze een idee. ‘Oma, ik weet iets. Ik ga jou een sprookje vertellen waar niks naars in gebeurt.

84


Er was eens een meisje. ‘Nee,’ zegt Katja. Ze was heel slim. ‘Het sprookje is nog niet af. En heel mooi. De oma was zo blij! En heel lief. Ze wilde Katja de fee bedanken. Ze heette Katja.’ En daarom las ze haar elke avond een Oma giechelt sprookje voor.’ zachtjes. Katja kijkt haar oma aan. ‘Ze had een oma. ‘En ze leefden nog lang en Haar oma was ook gelukkig,’ zegt ze. heel lief en slim en Oma zucht. mooi. ‘Vooruit dan Maar ook een beetje maar, je krijgt een bangerik. je zin. Gelukkig kon Katja Eén sprookje toveren. dan. Ze was een toverfee met een Maar ik kies toverstokje.’ er eentje uit.’ Katja steekt haar vinger in de lucht. Oma doet het ‘Ze zei een toverspreuk: sprookjesboek open. Abracadabra Simsalabim! Ze begint te lezen. En pats! Haar oma was nooit meer bang.’ ‘Er was eens een ‘En ze leefden nog lang en gelukkig.’ prinsesje. t ch e boos = sl zegt oma. Ze speelde graag met lf o w e z o b e d haar gouden bal...’

Mijn woordenschat de dwerg (de dwergen) de fee (de feeën) de heks (de heksen) het sprookje (de sprookjes) de stiefmoeder (de stiefmoeders)

fmoeder

ie de boze st giftig < het gif

gouden < het goud gruwelijk

de stiefzuster (de stiefzusters) de toverspreuk (de toverspreuken) de toverstaf (de toverstaffen) = de toverstok (de toverstokken)

ngt Katja naar

aar bed, jij bre k breng Katja n

bed,

n (i naar bed brenge ) t op de kinderen ja naar bed) as p at j K zi / gt n ij h re , b j en zi hij / t op de kinder nderen, jij pas ki e d p o as p k oppassen (i tovert) tovert, hij / zij jij r, ve to k (i n tovere 85


Welk sprookje is het? de sprookjes. Maak kaartjes met de namen van en zinnen. Luister goed naar deze woorden het goede Bij welk sprookje horen ze? Hou sprookje omhoog. - zeven dwergen - twee boze stiefzusters - drie goede feeĂŤn - een giftige appel - kruimels - een slapende prinses - een gemene heks - een boze wolf - een toverspiegel

het sprookje

Assepoeste

r

Doornroosje

Hans en Gri

etje Klein Duimp je Roodkapje Sneeuwwitje

Doornroosje

Sneeuwwitje

ster

e Assepo

apje

k Rood

Hans & Grietje

86

Klein Duimpje


ROODKAPJE Mia: Dag allemaal! Welkom bij ... Max & Mia: ... de Max en Mia Radioshow! Max: Vandaag hebben we een rare gast. Mia: Raar? Hoezo, raar? Onze gast komt uit een sprookje. Ze heet Roodkapje. Max: Maar Roodkapje bestaat niet. Mia: Nee. We doen net alsof. Ik ben Roodkapje.

Mia:

Ik woon in het sprookjesbos. Ik ga mijn grootmoeder iets lekkers brengen. Max: Ben je niet bang voor de wolf? Mia: Nee, ik ben heel erg dapper! Max: Maar de wolf is gemeen. Hij is heel groot en sterk. Is het niet dom om door het bos te lopen? Mia: Nou, nee.

Jij gaat mij interviewen. Max: Vooruit dan maar. Hmm... Zeg Roodkapje waar ga je heen? In het bos, in het bos. Mia: Max, doe niet zo flauw zeg! Max: Haha. Sorry. Hallo Roodkapje. Waarom heb je zoâ&#x20AC;&#x2122;n rare naam? Mia: Ik heb geen rare naam. Ik draag een rood kapje. Daarom heet ik zo. Max: Maar je draagt geen rood kapje. Mia: Max! We doen net alsof! Max: OkĂŠ. Waar woon je?

Ik ben heel moedig. Max: En wat doe je als de wolf komt? Mia: Dan sla ik hem. Dan sla ik hem met mijn mandje! Max: Ha! Met je mandje... Mia: Max, ik vind er niks meer aan. Ik ben Roodkapje niet meer. Max: Maar ik vind het juist leuk! Ik doe alsof ik de boze wolf ben, goed? Mia: Goed. Dag boze wolf. Waarom heb je Roodkapje opgegeten? En grootmoeder? Max: Wie? Mia: Oma.

87


Mijn woordenschat Max: Mia: Max: Mia: Max: Mia: Max: Mia: Max:

de geit (de geiten)

Ik heb Roodkapje en oma niet opgegeten. Wel waar! Niet waar! Ik ben de wolf van de zeven geitjes. Ach wat flauw, Max. Ik heb zes geitjes opgegeten. De zevende geit kon ik niet vinden. Dat is wel een beetje dom hè. Nee hoor. Dat is helemaal niet dom. Hij zat in de staande klok!

de grootmoeder (de grootmoeders) = de oma (de omaâ&#x20AC;&#x2122;s) de jager (de jagers) de put (de putten) het sprookjesbos (de sprookjesbossen) de staande klok (de staande klokken)

Hij deed er stenen in. En toen viel je in de put. Max: Ik zou maar oppassen, meisje. Anders eet ik jou nog op! Ik hou wel van brutale kindjes. Whaaa!!! Mia: Haaaa! Niet doen Max! Max: Mia:

De geitjes waren juist dom. Want zij lieten me binnen.

Dat kietelt. Dat was het weer voor vandaag. Tot de volgende keer!

at, hij / zij bestaat) bestaan (ik besta, jij besta and binnen) and binnen, hij / zij laat iem iem t laa jij n, ne bin d an binnenlaten (ik laat iem of) doet alsof, hij / zij doet als doen alsof (ik doe alsof, jij nep echt

moedig = dapper

Mia: Toch ben jij het domst. Max: O ja? Mia: Ja! Want je viel in slaap. En toen kwam de jager. En hij sneed je buik open. En de geitjes sprongen eruit.

lekker < iets lekkers juist Roodkapje

88


Ja of nee? Ja? Ga staan . Nee? Blijf zit t

en.

- Roodkapje is de gast. - Max doet net alsof hij Roodkapje is - Roodkapje . heet zo omd at ze een ro - Mia zegt od kapje dra dat ze heel d agt. a p p e r is. - Max doet net alsof hij de boze wolf - De wolf a is. t alle zeven g e it je s op. - EĂŠn geitje verstopte z ic h in de put. - De wolf v iel in de put .

89


ER WAS EENS EEN FEESTJE Er was eens een feestje Een feestje in het sprookjesbos De prinses was jarig de prinses werd acht Er was eens een feestje Een feestje in het sprookjesbos En iedereen die kwam, had iets meegebracht De heks gaf haar een toverdrank en vloog weg op haar bezemsteel De koning gaf een kroon cadeau een draak, een paard en een kasteel Hans en Grietje gaven snoep De kikker bracht een bal van goud Maar de boze wolf die mocht niet komen Want de boze wolf is stout! Er was eens een feestje Een feestje in het sprookjesbos De prinses was jarig de prinses werd acht Er was eens een feestje Een feestje in het sprookjesbos En iedereen die kwam, had iets meegebracht Klein Duimpje gaf haar kruimels brood De prins gaf haar een glazen schoen De goede fee gaf haar een wens De reus gaf haar een reuzezoen De koningin kwam naar het feest En gaf haar een koets van goud

90


Mijn woordenschat de bezemsteel (de bezemstelen)

Maar de stiefmoeder mocht niet komen Want de stiefmoeder was stout!

< de bezem (de bezems) < de steel (de stelen)

Er was eens een feestje Een feestje in het sprookjesbos De prinses was jarig de prinses werd acht Er was eens een feestje Een feestje in het sprookjesbos En iedereen die kwam, had iets meegebracht En iedereen die kwam, had iets meegebracht

de draak (de draken) de koets (de koetsen) de kruimel (de kruimels) de reus (de reuzen) de reuzezoen (de reuzezoenen) de / het snoep = het snoepgoed de wens (de wensen)

glazen = van glas de glazen schoen = de schoen van glas

wensen (ik wens, jij wenst,

91

hij / zij wenst)


Samen praten: wie kwamen er ook? Er kwamen veel sprookjesfiguren s. naar de verjaardag van de prinse Zoals Hans en Grietje, Klein Duimpje, de heks, ... Maar misschien kwamen er nog wel meer! En wat zouden zij aan de prinses geven? Roodkapje, sbijvoorbeeld? Teken de sprookje figuren en welk cadeau ze meebrachten. Schrijf erbij hoe alles heet.

92


ER FF KO EL RT DE VVE D E ERKLE vertelkoffer

Wat doe je liever: luisteren naar een sprookje, of zelf in een sprookje spelen? Kijk naar de sprookjesboeken. Weet jij al iets over het verhaal? Wie komen erin voor? Kun je daar een woordspin van maken? Wil jij je verkleden en een personage spelen uit het sprookje? Ben je liever goed of slecht? 93


DE SHOW VAN KATJA EN LILLIE Katja: Dag allemaal! Lillie: Welkom bij ... Katja en Lillie: ... de fantasieshow van Katja en Lillie! Katja: Max en Mia zijn er niet. Lillie: Wij doen stiekem deze show. Katja: Want wij kunnen dat beter dan zij.

Lillie: Katja: Lillie: Katja: Lillie: Katja: Lillie: Katja:

Lillie: Goed, nu is het tijd voor onze eerste gast. Het is mijn knuffel Wolkje! Katja: Wolkje is een eenhoorn. Lillie: Ja, en ze is heel zacht. Ze heeft gekleurde manen, en een gekleurde staart. Katja: Haar hoorn is zilver met glitter. Lillie: Dag wolkje, hoe gaat het met jou? Katja: Met mij gaat het goed. Max: HĂŠ, wat is dit? Wat zijn jullie aan het doen? Lillie: Eh ... wij wilden ook een show doen. Katja: Ja, onze eigen show. Max: En wie is jullie gast dan? Lillie: Wolkje, mijn knuffel. Max: Je knuffel? Maar die kan toch niet praten? Katja: Max, je moet je fantasie gebruiken. We doen net alsof. Max: O, ik snap het, ja. Je fantasie gebruiken. Dus jullie hebben deze microfoon niet nodig.

Ja, hun show is zo saai! Behalve als wij erin zitten! Wij gaan het anders doen. Ja, wij hebben een fantasieshow. Met regenbogen en eenhoorns! En elfjes en zeemeerminnen! Zet de muziek maar aan, Katja. Mooi ... Als ik mijn ogen dichtdoe, zie ik de regenboog. Ik zie een kabouter! Ja, met een roze puntmuts! En een ridder met een zwaard! Nee, ridders zijn stom. Waarom? Ze zijn juist stoer.

94


Wil je w e Lillie he ten wie Katja en bben ge ïntervie Ga dan w d? naar on ze

En je hoeft ook niet in ONZE studio te zijn. Je kunt gewoon je show doen in de tuin. En dan doe je NET ALSOF je in de studio bent! Lillie: Wat flauw, zeg! Katja: Heel stom, Max.

website

en klik

Max:

Mijn woordenschat de eenhoorn (de eenhoorns

) < de hoorn (de hoornen / ho

orns)

de elf (de elfen)

op het m

ntje!

Weet je wat? Jullie mogen de microfoon een keertje lenen. En dan mag je iemand interviewen. Een echt iemand, en niet een knuffel. Zonder mij of Mia erbij. Afgesproken? Katja: Ja! Lillie: Afgesproken. Max: Ziezo. Dat was

< het elfje (de elfjes)

het weer voor vandaag! Katja en Lillie: Tot de volgende keer!

de fantasie (de fantasieën)

< je fantasie gebruiken

de kabouter (de kabouters

)

de manen

icrofoo

de puntmuts (de puntmu

< de punt (de punten)

tsen)

< de muts (de mutsen)

de regenboog (de regenbo

gen)

de zeemeermin (de zeeme

erminnen)

lenen (ik leen, jij leent, hij

/ zij leent)

eigen

iets afspreken Zullen we dat afspreken?

Ja!

Afgesproken? Afgesproken! Akkoord? Akkoord!

Ra ra, wie

is het?

Hij of zij vindt rid ders stom Hij of zij . vindt rid d e r s stoer. Hij of zij heeft een knuffel… Hij of zij komt bin nen. Zij doen de show. Zij zijn er niet.

95


RITA ROVER Ze loopt naar Wim. ‘Goedemiddag,’ zegt ze. ‘Dag, mevrouw Rover,’ zegt Wim. Hij wijst. ‘Daar zit mijn zoon, Max.’ ‘Ha! En hij leest mijn boek!’ roept Rita uit. Max kijkt op. Zijn mond valt open. Rita Rover staat in de lobby. Hij kan het niet geloven. Hij kijkt naar de foto op de achterkant van zijn boek. Ja, ze is het echt! ‘Dag Max,’ zegt Rita. Ze gaat naast hem zitten. Haar zwarte haren glanzen. Haar tanden zijn spierwit. Ze heeft donkerbruine ogen.

Max zit op de bank in de lobby. Hij leest een boek. De titel van het boek is: De geest van het moeras. Op de kaft staat ook de naam van de schrijfster. Ze heet Rita Rover. Ze heeft al veel boeken geschreven. Het zijn boeken om te griezelen. Over spoken en geesten. Over vampieren en weerwolven. Over monsters, betoverde zwaarden en vieze trollen. Max leest het laatste hoofdstuk, en het is reuzespannend. De deur gaat open. Er komt een kleine vrouw binnen. Ze is helemaal in het zwart gekleed. Ze draagt een zonnebril, terwijl de zon niet schijnt.

‘Dag mevrouw,’ zegt Max verlegen. ‘Zeg maar Rita, hoor,’ zegt ze vriendelijk. ‘Ik logeer een paar weken in jullie hotel. Ik ben bezig aan een nieuw boek. En ik kan me thuis niet concentreren.’ ‘Een paar weken!’ roept Max blij. ‘Ja, en je vader vertelde dat jij mijn boeken leest.’ ‘Ja!’ roept Max, ‘allemaal!’ 96


Mijn woordenschat de geest (de geesten) het hoofdstuk (de hoofdstukken) de kaft (de kaften) de lezer (de lezers) het monster (de monsters) de schrijfster (de schrijfsters) de schrijver (de schrijvers) het spook (de spoken) de tip (de tips) de titel (de titels) de trol (de trollen) de vampier (de vampiers,

‘Welk boek vond je het griezeligst?’ vraagt Rita. ‘Dit boek,’ antwoordt hij. ‘Aha, De geest van het moeras! Ja, dat is erg eng. Vooral het einde...’ ‘Niet verklappen!’ zegt Max. ‘Ik heb het bijna uit.’ ‘Zeg, als dit boek uit is, wil je mij dan helpen?’ vraagt Rita. ‘Natuurlijk,’ zegt Max. ‘Wil je lezen wat ik tot nu toe heb geschreven? Je moet heel eerlijk zijn.

vampieren) de weerwolf (de weerwolven) het zwaard (de zwaarden) griezelig betoverd verlegen

uit Het boek is uit. Ik heb het boek bijna uit.

Ik krijg graag wat tips van jonge lezers.’ ‘Ja, graag!’ zegt Max. ‘Maar je mag er met niemand over praten,’ waarschuwt Rita. Ineens kijkt ze heel serieus. Haar ogen glimmen en haar tanden lijken nog witter. Max is een beetje bang. ‘Nee, dat doe ik niet hoor,’ zegt hij zacht. ‘Goed zo,’ zegt Rita. ‘Dan ga ik nu naar mijn kamer.’ Max is heel blij. Rita Rover is de beste schrijfster ooit! Maar hij heeft het ineens wel erg warm...

Tekenen Wat vind jij griezelig? Teken het en schrijf erbij wat het is. Zijn het de griezelige dingen uit Rita’s boeken? Of vind jij weerwolven niet eng?

/ zij betovert hem) hem, jij betovert hem, hij r ve to be (ik ren ve to be iemand of iets entreert zich) entreert je, hij / zij conc nc co jij , me er tre en nc zich concentreren (ik co ) griezelt, hij / zij griezelt griezelen (ik griezel, jij rklapt het geheim) t het geheim, hij / zij ve ap rkl ve jij , im he ge t he verklappen (ik verklap

97


vieringen

Thema 6

Wat een feest!

Kijk, dit is een uitnodiging.

SPROET DE BRUID We hebben ballonnen, confetti en een bruidstaart.

Ik zorg voor eten en drinken voor de gasten.

de broodjes

de servetten de limonade

Sproet, wil jij met Kasper trouwen?

de rietjes

Ze passen zo goed bij elkaar!

Nee!

Stoute Kasper! Stoute Sproet!

99


DE BRUILOFT Ze wijst naar het aanrecht. Daar staat een taart van hondenvoer. ‘Wat leuk,’ zegt Veerle. ‘Ik zal jullie helpen. Ik zorg voor eten en drinken voor de gasten. Ik haal limonade en rietjes, en broodjes en servetten. Krijgt het bruidspaar ook cadeaus? Dat hoort bij een bruiloft.’ ‘Misschien een klein pakje.’ zegt Katja. ‘Ze worden al zo verwend.’ Katja en Lillie zitten in de keuken. Ze zijn aan het tekenen en schrijven. Veerle komt binnen. ‘Wat zijn jullie aan het doen?’ vraagt ze. Lillie geeft haar een kaart. ‘Dit is een uitnodiging,’ zegt ze. ‘Een uitnodiging voor de bruiloft van Sproet.’ Veerle lacht. ‘Aha, Sproet gaat trouwen. En met wie?’ ‘Met Kasper,’ antwoordt Lillie. Kasper is haar hond. Hij is klein en heeft krullen. ‘En wanneer gaan ze trouwen?’ vraagt Veerle. ‘Vanmiddag,’ zegt Katja, ‘in de achtertuin.’ ‘We nodigen iedereen uit,’ zegt Katja blij. ‘We hebben ballonnen en confetti. En een sluier en bloemen voor Sproet.’ ‘Ja,’ zegt Lillie, ‘en we hebben een bruidstaart.’

Om half één is het tijd voor de bruiloft. Opa en oma zijn er ook. Het bruidspaar ziet er feestelijk uit: Sproet draagt een sluier en heeft een bloem bij haar oor. Kasper heeft een strik om zijn hals. Op de tuintafel ligt een tafelkleed. Het eten en drinken voor de gasten staat aan één kant. Aan de andere kant staat de bruidstaart. Katja gaat op een stoel staan. ‘Vandaag vieren we de bruiloft van Sproet en Kasper,’ zegt ze. ‘Kasper wil jij met Sproet trouwen?’ Kasper kwispelt met zijn staartje. ‘Dat betekent: ja,’ zegt Lillie. ‘Sproet, wil jij met Kasper trouwen?’ vraagt Katja. Sproet kwispelt ook met haar staartje. Maar dan steekt ze haar neus in de lucht. Ze ruikt de taart. Ze ruikt de broodjes. 100


Ja of nee? Ze rent naar de tafel en springt er met haar voorpoten op. Het kleed schuift weg en alles valt op de grond. Nu komt Kasper ook aangerend. Ze likken de taart van de grond. ‘Nee!’ roepen Katja en Lillie. ‘Stoute Kasper!’ roept Lillie. ‘Stoute Sproet!’ roept Katja. Opa moet heel hard lachen. ‘Zie je dat?’ vraagt hij aan oma. ‘Die passen goed bij elkaar! Ze worden vast heel gelukkig samen.’

Mijn woordenschat

Ja? Ga staan. Nee? Ga zitten. - Zitten Katja en Lillie in de lobby? - Zijn ze aan het kaarte n? - Geeft Lillie een uitnod iging aan Veerle? - Is Kasper het hondje van Lillie? - Heeft Sproet krullen? - Gaan Kasper en Spro et trouwen? - Is er een bruidstaart? - Heeft Kasper een slu ier? - Is Sproet de bruid? - Zijn Sproet en Kasper stout?

het / de aanrecht (de aanrechten) de bruiloft (de bruiloften) = trouwerij (de trouwerijen) = het huwelijk (de huwelijken) de bruid (de bruiden) de bruidegom (de bruidegoms) het bruidspaar (de bruidsparen) de bruidstaart (de bruidstaarten) de confetti de hals (de halzen) de limonade het rietje (de rietjes) het servet (de servetten) de sluier (de sluiers) de strik (de strikken) het tafelkleed (de tafelkleden)

vieren dag van Mia. Hij viert de verjaar roet. ft van Kasper en Sp Wij vieren de bruilo

feest. de uitnodiging (de uitnodigingen) Ik vier oeten we vieren! Ben je jarig? Dat m uitnodigen (ik nodig haar uit, jij nodigt haar uit, hij / zij nodigt haar uit) gelukkig

bij elkaar passen (zij passen bij elkaar) bij iemand passen (ik pas bij Max, jij past bij Max, hij / zij past bij Max) schuiven (ik schuif, jij schuift, hij / zij schuift) vieren (ik vier feest, jij viert feest, hij / zij viert feest) verwennen (ik verwen Sproet, jij verwent Sproet, hij / zij verwent Sproet)

101


DE VERJAARDAG Mia: Dag allemaal! Welkom bij ... Max & Mia: ... de Max en Mia radioshow! Max: Ik heet Max. Mia: En ik ben Mia. Max: Vandaag hebben we een bijzondere gast. Mia: De gast weet nog niet dat hij een gast is. Max: Het is een

Mia:

verrassing... Het is mijn papa! Hij is jarig vandaag. Ja, en iedereen is het vergeten! Er hangen geen slingers in de kamer. En oma heeft geen taart gebakken. Maar wij hebben het wel onthouden. We hebben de studio versierd.

Max:

Er hangen slingers en ballonnen. Daar ligt er nog eentje, Max! Die blaas ik wel even op. We hebben ook feesttoeters. En lampions.

Mia: Max:

Mia:

Max, heb je wat plakband? Dan plak ik deze ballon aan zijn stoel. Max: Zijn het niet te veel ballonnen? Kan hij nog wel op de stoel zitten? Mia: Ja hoor. Max: We hebben ook cadeautjes ingepakt. Van mij krijgt hij een kookboek. Mia: En van mij potjes met kruiden. Voor in de keuken. Max: Ja, want hij kookt graag. En we hebben ook een verjaardagskaart gemaakt.

102


Mia: Kom binnen. Wim: Hallo? Max & Mia: Gefeliciteerd! Lang zal hij leven, lang zal hij leven. Lang zal hij leven in de gloria. In de gloria, in de gloria. Hieperdepiep, hoera! Er is er ĂŠĂŠn jarig, hoera, hoera! Dat kun...

Wim: Max:

Ho, ho! Wat is dit?

Voor je verjaardag! Wim: Maar ik ben niet jarig. Max & Mia: Nee? Wim: Nee. Ik ben volgende maand pas jarig. Jullie zijn een maand te vroeg. Max: Ah... Mia: Al dat werk voor niks! Wim: Het ziet er wel prachtig uit. Mia: Dit is je stoel. Wim: Mag ik zitten? Mia: Ja hoor. Max: Zie je nu! Te veel ballonnen. Mia: We hebben ook cadeautjes. Maar die mag je nog niet hebben. Wim: Maar ik ben zo nieuwsgierig! Max: Wim:

103

Vooruit, pak maar uit dan. Wat leuk, een kookboek. Die heb ik nog niet. En kruiden. Wat lief van jullie! Dank je wel. Nu ik cadeautjes heb gekregen, zal ik ook iets voor jullie doen.


Mijn woordenschat de ballon (de ballonnen) het cadeau (de cadeaus) het gebakje (de gebakjes) de lampion (de lampions / lampionnen) het plakband de slinger (de slingers) de verjaardag (de verjaardagen)

hangen de slinger hangt aan d e muur de ballonn en hangen a an de stoel

de verjaardagskaart (de verjaardagskaarten)

inpakken (ik pak het cadeau in, jij pakt het cadeau in, hij / zij pakt het cadeau in) â&#x2020;&#x201D;

uitpakken (ik pak het cadeau uit, jij pakt het cadeau uit, hij / zij pakt het cadeau uit)

onthouden (ik onthoud het, jij onthoudt het, hij / zij onthoudt het) â&#x2020;&#x201D;

vergeten (ik vergeet het, jij vergeet het, hij / zij vergeet het)

opblazen (ik blaas de ballon op, jij blaast de ballon op, hij / zij blaast de ballon op) trakteren (ik trakteer op snoep, jij trakteert op snoep, hij / zij trakteert op snoep) = uitdelen (ik deel snoep uit, jij deelt snoep uit, hij / zij deelt snoep uit) versieren (ik versier de stoel, jij versiert de stoel, hij / zij versiert de stoel) iemand feliciteren

jarig nieuwsgieri

te veel

- Gefeliciteerd!

te vroeg

- Gefeliciteerd met je verjaardag! - Proficiat!

Mia:

g

pas

te weinig te laat

Behalve dan een dikke verjaardagskus. Dit was het weer voor vandaag. Max: Tot de volgende keer! Wim: Tot ziens!

Max: Wat dan? Wim: Ik zal trakteren. Kom op, we gaan naar de bakker! Dan halen we gebakjes. Max: Lekker! Mia: Ja! Wim: Zingen jullie volgende maand weer? Mia: Natuurlijk! Max: Maar je krijgt geen cadeautjes meer van ons.

104


Maak een woordspin Zet op het bord of een groot vel papier: de verjaardag. Zet daar dingen omheen die bij een verjaardag horen, maar ook dingen die met jouw verjaardag te maken hebben. Wat kreeg jij bijvoorbeeld voor cadeautjes? En waar was jouw feestje?

de taart met de kaarsjes

de limonade

de verjaardag de cadeautjes

de feesttoeters en de feesthoedjes

de versiering

105


LANG ZAL IK LEVEN Lang zal ik leven Lang zal ik leven Lang zal ik leven in de gloria In de gloria In de gloria Ik geef een feestje Kom je naar mijn feestje? Jij neemt een cadeautje mee en ik pak het uit Ja en ik pak het uit O en ik pak het uit Er hangen slingers Er is een verjaardagstaart Ik blaas de kaarsjes uit en doe een wens En ik doe een wens Ja ik doe een wens Lang zal ik leven Lang zal ik leven Lang zal ik leven in de gloria In de gloria In de gloria!

106


Mijn woordenschat het feest (de feesten) de kaars (de kaarsen) de verjaardagstaart (de verjaardagstaarten) < de verjaardag (de verjaardagen) < de taart (de taarten) de wens (de wensen) kaars uit, kaars uit, jij blaast de uitblazen (ik blaas de s uit) hij / zij blaast de kaar kaars aan, kaars aan, jij steekt de aansteken (ik steek de ars aan) hij / zij steekt de ka

Toneelspelen ige moet naar de gang. Kies iemand die jarig is. De jar nen op een papier wat ze als De anderen schrijven of teke r de jarige binnenkomt, zingt cadeau willen geven. Wannee De jarige blaast de kaarsjes â&#x20AC;&#x2122;. en lev ze / hij l za ng â&#x20AC;&#x2DC;La en iedere t n geeft iedereen om de beur uit op de verjaardagstaart. Da

Ga naar

deorsmieteer

een cadeau. nenkomt? - Wat zeg je als de jarige bin tje geeft? - Wat zeg je als je het cadeau ? tje krijgt en als je het uitpakt - Wat zeg je als je het cadeau

vo ten! opdrach

107


HET AFSCHEID ‘Van Schiphol,’ zegt Sidney. ‘Uit welk land komen jullie?’ vraagt Mia. ‘Uit Nederland,’ zegt Beckett. ‘Maar waar zijn jullie dan geweest?’ vraagt Mia. De moeders komen bij de kinderen staan. ‘We zijn vanmorgen heel vroeg naar het vliegveld gegaan,’ vertelt Marit. ‘We zouden naar Indonesië vliegen.’ ‘Ja, want daar gaan we wonen,’ zegt Beckett. ‘Maar de vlucht ging niet door. Dus nu moeten we nog een nacht in Amsterdam blijven.’ ‘Gaan jullie verhuizen naar Indonesië?’ vraagt Manon. ‘Ja, en daarom hadden we gisteren een feest,’ zegt Ellen. ‘Een afscheidsfeest.

Mia en Katja zitten op de bank in de lobby. Sproet zit naast de bank in haar mandje. Ze kijkt naar de gasten die binnenkomen. Het zijn twee vrouwen en twee kinderen. ‘Dag,’ zegt Manon. Ze staat bij de computer. ‘Goedemiddag,’ zegt één van de vrouwen. ‘Hebt u een kamer voor ons?’ ‘Hoelang wilt u blijven?’ vraagt Manon. ‘Eén nacht.’ antwoordt ze. Manon begint te typen. ‘Dat kan,’ zegt ze. ‘Wat is uw naam?’ ‘Mijn naam is Ellen Wolf. Dit is mijn vrouw Marit. En dit zijn onze kinderen Sidney en Beckett.’ ‘Jullie zijn twee mama’s!’ zegt Katja. ‘Ja, dat klopt,’ lacht Ellen. ‘Kijk, een hondje!’ roept Beckett blij. ‘Mag ik haar aaien?’ ‘Ja hoor,’ zegt Katja. ‘Waar komen jullie vandaan?’ 108


Mijn woordenschat het afscheid het afscheidsfeest (de afscheidsfeesten) de bekende (de bekenden) de nacht (de nachten)

afscheid nemen (ik neem afscheid, jij neemt afscheid , hij / zij neemt afscheid) doorgaan (de vlucht gaat niet door) durven (ik durf, jij durft, hij / zij durft) Ik durf (niet) te bellen.

de verrassing (de verrassingen)

‘Ik begrijp het, hoor. Mia brengt jullie naar de kamer. Eten jullie vanavond in het hotel?’ ‘Ja,’ roepen Ellen en Marit tegelijk. ‘We kunnen niet de straat op. Straks komen we een bekende tegen! We blijven hier, in het hotel, tot we morgen weer naar de luchthaven gaan!’

het vliegveld (de vliegvelden) = de luchthaven (de luchthavens) weer = nog eens = opnieuw

Dat was een verrassing van onze vrienden.’ ‘Het was heel leuk,’ zegt Sidney, ‘maar ook verdrietig.’ ‘Want we moesten afscheid nemen van iedereen. En nu zijn we nog steeds hier!’ ‘Waarom slapen jullie in een hotel?’ vraagt Mia. ‘Kun je niet bij vrienden logeren?’ ‘We durven niemand te bellen,’ zegt Marit. ‘Want dan moeten we het nog eens doen.’ ‘Wat?’ vraagt Katja. ‘Afscheid nemen,’ zegt Ellen. ‘Ik vind één keer wel genoeg!’ Manon lacht.

Vertellen Vertel elkaar over het verhaal. De volgende vragen kunnen je helpen : - Wie zijn er in de lobby? - Wie zijn de nieuwe gasten? - Wat weer je over hen? - Waar gaat het gezin wonen? - Waarom was het feest leuk én ver drietig? - Waarom blijven ze in het hotel? 109

Ga naar

de site voor meer opdrachten!


OUD EN NIEUW Max: Mia: Max: Opa: Mia: Max: Dag allemaal. Mia: Welkom bij ... Max & Mia: ... de Max en Mia Radioshow! Max: Ik heet Max. Mia: En ik ben Mia. Max: Mia: Max: Mia: Max: Mia:

We staan op het dak. Op het dak van het hotel. Er zijn ook veel gasten van het hotel. En de hele familie! Mijn papa en mama, de papa en mama van Mia. En opa en oma, en Katja. Sproet en Pollie zijn binnen. Want ze steken straks vuurwerk af. En dat vinden ze eng.

Max:

110

Het is namelijk bijna nieuwjaar! En daarom mogen we laat opblijven. Hier op het dak kunnen we alles goed zien. Hoe lang nog, opa? Eh... nog twee minuten. Dan is het twaalf uur. We hebben lekkere oliebollen gegeten...

En appelflappen! Met veel poedersuiker! Maar ook blokjes kaas en borrelnootjes. Ik zit zo vol...


Mijn woo nieuwjaar

rdenschat

oudjaar oud en nieuw

de appelflap (de appelflappen) het kaasblokje (de kaasblokjes)

het borrelnootje (de borrelnootjes)

de bubbel (de bubbels) de champagne de knal (de knallen)

de oliebol (de oliebollen) de poedersuiker de vuurpijl (de vuurpijlen)

Wim: Pak even een glas, Mia. Jij ook, Max. Dan kunnen we straks toosten. Mia: Krijgen wij ook champagne dan? Wim: Nee, natuurlijk niet. Voor jullie hebben we appelsap met prik. Max: O, kijk! Daar steken ze al vuurpijlen af. Mia: Waar is Katja? Max: Ik weet het niet. Ik heb haar al even niet gezien. Mia: Daar is ze! Ze is in slaap gevallen naast oma. Katja, wakker worden! Het is bijna nieuwjaar. Iedereen: Tien, negen, acht, zeven, zes, vijf, vier, drie, twee, één... Gelukkig nieuwjaar!!!!

het vuurwerk de wang (de wangen)

Max: Proost! Mia: Proost! Kom op Max, geef me een zoen. Max: Hè, bah! Mia: Dat hoort erbij, hoor! Max: Vooruit dan, op je wang. Mia: Kijk eens naar dat vuurwerk. Prachtig! Max: Kijk, die is mooi! Wat een harde knallen! Mia: Wat wens jij voor het nieuwe jaar, Max? 111


namelijk

weetje:

Met nieuwjaar in lezen kinderen Vlaanderen een f nieuwjaarsbrie voor die ze op gemaakt. school hebben artje Op een mooi ka htje gedic wordt een leuk t wensen geschreven me voor familie.

afsteken (ik steek vuurwerk af, jij steekt vuur

hij / zij steekt vuurwerk af)

werk af,

in slaap vallen (ik val in slaap, jij valt in slaa

p, hij / zij valt in slaap) opblijven (ik blijf op, jij blijft op, hij / zij blijf t op) toosten (ik toost, jij toost, hij / zij toost)

iemand een gelukkig nieuwjaar Gelukkig nieuwjaar!

wensen

dit zeg je als je toost Gezondheid! Proost! (NL) Schol! (B)

Max:

Eh... dat we gezond blijven en heel veel leuke dingen gaan doen.

Mia: Max:

Mia:

Ja hoor, ik breng je wel. Dat was het weer voor vandaag.

Ja, dat wens ik ook. Tot ziens! En dat er veel interessante Mia: Dag! Katja: Doei! gasten naar het hotel komen. En wat wens jij, Katja? Katja: Dat ik naar bed mag. Max: Nee, gekkie! Wat wens je voor het nieuwe jaar? Katja: Eh... dat ik veel met mâ&#x20AC;&#x2122;n vriendinnen kan spelen, en veel snoep mag eten. En dat ik volgend jaar meester Tim krijg. Maak een tekening over wat je wilt voor het Mag ik nu naar bed? nieuwe jaar, en/of sc hrijf het op. Mia: Wat doe je nou? Deze vragen kunnen je helpen iets te bede nken: Katja: Dat komt door de - Wat zou je willen doen? bubbels. - Waar zou je naarto e willen gaan? Sorry! - Zou je iets wense n voor iemand ande rs? Mag ik dan nu naar Ga in een kring zitten en praat met elkaar over bed? wat je getekend

Samen praten: wat is jouw wens?

en/of geschreven he

bt.

112


DE VERTELKOFFER vertelkoffer

Je neemt een kijkje in één van de koffers van de familie Wolf. Zij hebben een afscheidsfeest gehad. Lees de afscheidskaartjes en maak de cadeautjes open die ze hebben gekregen. Wel weer inpakken, hoor! Wat zou jij iemand vertellen of schrijven die verhuist? Zou je zelf een afscheidsfeest geven als je wegging? Wie zou je het meest missen? 113


Thema 7

Buren

lgiĂŤ

Nederland en Be

HARING HAPPEN Wat een raar gezicht!

EĂŠn haring alstublieft, zonder uitjes maar met augurk.

Goed zo!

Wat vind je ervan?

Een beetje slijmerig.

We gaan een kroketje en een frikandel halen, dat vind je vast lekker.

Nee, uit de muur!

Bij die kraam daar?

115

?!?


VREEMD ETEN Mia is op stap met een nieuw vriendinnetje. Haar naam is Michelle. Ze is op vakantie. Ze slaapt met haar familie in het hotel. Michelle en haar familie zijn uit Zwitserland gekomen met de trein. Morgen gaat Michelle weer terug. Daarom heeft Mia haar meegenomen. Ze gaan Nederlands eten proeven. Ze gaan naar de haringkraam. Een keurige mevrouw is eerst aan de beurt. ‘Eén haring, alstublieft,’ zegt ze. ‘Zonder uitjes graag, maar met augurk.’ ‘Wilt u hem in stukjes?’ vraagt de meneer van de kraam. ‘Nee hoor,’ antwoordt de vrouw. Ze krijgt een papieren bordje met een haring. De vis glanst in de zon. Er liggen plakjes augurk naast. Dan pakt de dame de vis bij zijn staart. Ze houdt hem omhoog. Ze doet haar mond open en... hap! De helft van het visje verdwijnt in haar mond.

Michelle begint te lachen. ‘Wat een gek gezicht!’ Direct slaat ze haar hand voor haar mond. ‘Pardon,’ fluistert ze. Mia lacht ook. ‘Zo eet je haring,’ zegt ze. ‘Leuk, hè?’ ‘Ik kan hem ook in stukjes snijden, hoor,’ zegt de man van de kraam. ‘Dan krijg je er een vorkje bij.’ ‘Nee,’ zegt Mia. ‘We doen het zoals het hoort.’ Ze bestelt een haring en betaalt. ‘Pak jij hem maar vast,’ zegt Michelle. ‘Dat glibberige ding.’ Mia loopt naar een bankje en gaat erop staan.

Ze pakt de haring bij zijn staart en houdt hem boven Michelle. ‘Happen maar!’ zegt ze. ‘Ja zeg, ik ben geen zeehond,’ lacht Michelle. Maar ze is dapper. Ze houdt haar ogen dicht en haar mond open. Mia mikt goed en... hap! ‘Goed zo!’ roept ze. ‘En, wat vind je ervan?’ 116


de augurk (de augurken) het broodje (de broodjes) de frikandel (de frikandellen) de garnaal (de garnalen) de haring (de haringen) de kibbeling (de kibbelingen) de / het kraam (de kramen) < de / het viskraam (de viskramen) < de / het patatkraam (de patatkramen) de kroket (de kroketten) de paling (de palingen) de plak (de plakken) < het plakje (de plakjes) het stuk (de stukken) < het stukje (de stukjes) Je excuses maken

gefrituurd

glibberig slijmerig

< in stukjes

de ui (de uien) Sorry. Michelle trekt een vies < het uitje (de uitjes) Excuseer. gezicht. de zeehond (de zeehonden) Pardon. ‘Een beetje slijmerig,’ zegt ze met volle mond. Wilt u de haring in stukjes? Mia eet de rest op. Hij snijdt de augurk in stukjes. glanzen (het glanst) ‘Wil je misschien een happen (ik hap, jij hapt broodje paling?’ vraagt , hij / zij hapt) me en em en (ik neem iets mee, jij Mia. neemt iets mee, hij / zij neemt iets mee) mi kk en (ik mik, jij mikt, hij ‘Wat is paling?’ vraagt / zij mikt) Michelle. ‘Kijk, dat is zo’n lange vis. Hij ligt naast de garnalen.’ ‘Nee, dank je,’ zegt Michelle. ‘Of wat kibbeling, dat is gefrituurde vis.’

Michelle schudt haar hoofd. ‘Ik weet iets,’ zegt Mia. ‘We gaan een kroketje en een frikandel halen. Dat vind je vast lekker.’ ‘Bij die kraam daar?’ wijst

117


Michelle. ‘Nee, niet bij een kraam. Uit de muur.’ ‘Uit de muur?’ Michelle begrijpt er niets van. ‘Het is hier heel leuk,’ zegt ze tegen Mia. ‘Maar jullie zijn soms wel een beetje raar.’

Samen praten: wat eet jij weleens? Heb je weleens een broodje paling gegeten? Of een haring? Vond je het lekker? Heb je weleens iets uit de muur gehaald? Hoe gaat dat dan? Wat vind je niet lekker? Teken wat je vertelt.

118


FRIESLAND Max: Dag allemaal Welkom bij... Max & Mia: ... de Max en Mia Radioshow! Max: Ik heet Max. Mia: En ik ben Mia. Vandaag hebben we een heel leuke gast. Haar naam is Ymkje. Ymkje: Hoi Max en Mia.

Mia: Zeg nog eens iets in het Fries. Ymkje: Fryslân is in provinsje fan Nederlân. Der is dêr in prachtige omjouwing. Mia: En wat betekent dat? Ymkje: In prachtige omjouwing? Een prachtige omgeving. Mia: Spreekt iedereen in Friesland Fries? Ymkje: Nee, niet iedereen. Maar heel veel mensen wel. Max: Leren kinderen Fries op school? Ymkje: Ja hoor, ze krijgen Fries op

Hoe giet it mei jimme? Max: Wat zeg je? Ymkje: Hoe giet it mei jimme? Mia: Je spreekt geen Nederlands! Ik dacht dat je uit Nederland kwam. Ymkje: Ik kom ook uit Nederland. Ik kom uit Friesland. Fryslân.

school.

e een provinci Friesland is nd. van Nederla rden. d is Leeuwa De hoofdsta

Max:

Daar wordt Fries gesproken. Frysk. Maar het klinkt zo anders dan Nederlands. Ymkje: Ja, dat klopt. 119


opzoekeNnederland

van Het volkslied helmus’. heet het ‘Wil heeft het? pletten Hoeveel cou volkslied van Hoe heet het en? an Vlaander v n E ? ië lg e B

Max: Is Friesland mooi? Ymkje: Friesland is prachtig! Er zijn veel boerderijen en weilanden. Boerepleatsen en greiden. We zijn bekend om onze koeien. We noemen dat: kij. Mia: Max: Mia: Max:

Ymkje: Dat klopt. Max: Waarom heet de Elfstedentocht de Elfstedentocht? Ymkje: Omdat de tocht

En je kunt er heel goed zeilen. We noemen dat: sile. Ik weet iets over Friesland! O ja? Ja! In Friesland is de Elfstedentocht! O ja! Dat is die lange schaatswedstrijd!

langs elf steden gaat: Leeuwarden, Sneek, IJlst, Sloten, Stavoren, Hindeloopen, Workum, Bolsward, Harlingen, Franeker en Dokkum. Max: Ja, dat zijn er elf. Ik heb ze geteld! Mia: Wanneer is de Elfstedentocht? Ymkje: Dat weet niemand. Iedere winter hopen we weer dat de tocht doorgaat. Maar dan moet het eerst heel hard vriezen. En het moet ook nog heel lang vriezen. Max: Dus misschien is er dit jaar geen Elfstedentocht? Ymkje: Nee, misschien niet Max. Mia: Als het wel doorgaat, doe jij dan mee? 120


trouwens tuurlijk = na

tuurlijk

Mijn woordenschat

Iets benoem

de chocolademelk

Dat noem je

en

... Dat noemt m en ... We noemen dat ... Zoâ&#x20AC;&#x2122;n ... noem je ...

het couplet (de coupletten) = de strofe (de strofes, strofen) de Elfstedentocht (de Elfstedentochten) Friesland de hoofdstad (de hoofdsteden) de omgeving (de omgevingen) de provincie (de provincies)

Ymkje: Ik? Nee hoor. Ik hou niet echt (de schaatswedstrijden) van schaatsen. de tocht (de tochten) Fries We noemen het volkslied (de volksliederen) Schaatsen is reedride in het Fries. dat trouwens: het weiland (de weilanden) Op school leren kinderen Fries. reedride. Dat reedride doorgaan (het gaat door) is me veel te hopen (ik hoop dat het doorgaat, jij hoopt dat het doorgaat, koud! hij / zij hoopt dat het doorgaat) Mia: Ga je wel noemen de schaatswedstrijd

(ik noem dit kij, jij noemt dit kij, hij / zij noemt dit kij)

vriezen (het vriest)

dooien (het dooit)

zeilen (ik zeil, jij zeilt, hij / zij zeilt)

Ja of nee? Ja? Ga staan. Nee? Blijf zitten. nd. - Ymkje woont in Nederla - Het Fries is een taal. - Max spreekt Fries. - Mia verstaat Fries. n schaatswedstrijd. - De Elfstedentocht is ee er jaar. - De Elfstedentocht is ied sen. - Ymkje houdt van schaat

121

kijken? Ymkje: Tuurlijk, ik ga kijken. Max: Echt waar? Ymkje: Ja. Ik ga het op de tv kijken. En dan ga ik lekker op de bank liggen. Met een warme chocolademelk. Max: Ja, dan komen wij ook gezellig langs. Mia: Dit was het weer voor vandaag. Tot de volgende keer! Max: Daaag!


ALS IK AAN NEDERLAND DENK Als ik aan Nederland denk... Als ik aan Nederland denk... Nederland, รณ Nederland Het is er druk en klein Met grijze luchten en veel regen Maar bij ieder straaltje zonneschijn Zie je mensen buiten In de tuin, op het balkon Op een terras of een bootje Met een Fristi en een broodje Te genieten van ieder Ja, ieder straaltje zon Als ik aan Nederland denk... Als ik aan Nederland denk... Nederland, รณ Nederland Het land waar je vaak hoort Doe toch gewoon, doe niet zo gek Maar dat geldt niet als Holland scoort Dan zie je mensen juichen In oranje langs de kant Ze springen en zingen langs de lijn Dat zij de allerbeste zijn Hup Holland Hup Laat de leeuw niet in zijn hempie staan Nederland, รณ Nederland

bloeien (de tulp bloeit)

Als ik aan Nederland denk... Als ik aan Nederland denk...

genieten (ik geniet, jij geniet, hij

juichen (ik juich, jij juicht, hij / zij

planten (ik plant, jij plant, hij / zij

scoren (ik scoor, jij scoort, hij / zij 122

/ zij geniet) juicht) plant)

scoort)


weetje:

en. nd om zijn tulp e k e b t a a st d n en. Nederla eel meer bloem v g o n n ie e ro g en Maar er eer dan 7 miljo m r e n e rd o w r f. Ieder jaa in de Keukenho t n la p e g n e ll o n, bloemb eien daar tulpe lo b rt a a m d in , Vanaf e n, rozen, anjers se is rc a n , n te ze hyacin re bloemen. En e d n a n e s e li le t. irissen, wereld verkoch le e h e d in n e word

tulpen

hyacinten narcissen

rozen

anjers

irissen

lelies

Mijn woordenschat de anjer (de anjers) het hempie = het hemdje < het hemd (de hemden) de hyacint (de hyacinten) de iris (de irissen) de leeuw (de leeuwen) de lelie (de lelies) de narcis (de narcissen) de straal (de stralen) < het straaltje (de straaltjes)

Tekenen

het terras (de terrassen) de tulp (de tulpen) de vlag (de vlaggen)

Kun je de Nede rlandse en de Belgische vlag tekenen? Welk e vlaggen ken je nog mee r?

de bloembol (de bloembollen) de zonneschijn

de allerbeste 123


TANTE SARA Sproet zit naast haar en kwispelt met haar staart. ‘Je bent aan het koken!’ roept Max. Veerle lacht. ‘Ja, Max, ik ben aan het koken.’ Veerle houdt niet erg van koken. Daarom doet ze het niet vaak. Maar als ze kookt, en ze maakt stoofvlees, dan komt er een gast. Een heel belangrijke gast. Max en Mia lopen naar de keuken. ‘Wat ruikt het hier lekker!’ zegt Mia. ‘Ik denk dat oma stamppot aan het maken is met rookworst. Of witlof met kaassaus en aardappelpuree.’ ‘Nee, ik ruik geen rookworst,’ zegt Max. ‘Het ruikt naar stoofvlees.’ ‘Dan is jouw mama aan het koken, Max!’ roept Mia. Ze lopen de keuken binnen. ‘Inderdaad,’ zegt Veerle. Ze staat bij het fornuis.

‘Tante Sara komt!’ zegt Max blij. ‘Ja,’ zegt Veerle. ‘Ze kan hier elk moment zijn.’ Nu is Mia ook blij. Tante Sara is heel lief. De bel gaat. ‘Daar is ze al!’ roept Max. Hij rent naar de deur. Hij doet open. Daar staat zijn tante. Ze heeft een koffer mee. En ook een tas. ‘Dag lieverd!’ zegt ze. ‘Wat fijn om hier te zijn! Waar is je moeder?’ 124


Mijn woordenschat

Zeggen dat je bl

Ik ben blij dat je

ij bent

er bent. Dat doet me plez ier! Het doet me plez ier dat je bent ge komen. Dat is fijn! Het is fijn om hi er te zijn.

de aardappelpuree (de aardappelpurees) het gerecht (de gerechten) de kaassaus (de kaassauzen) < de kaas < de saus de knuffel (de knuffels) het kookboek (de kookboeken)

iets Sara heeft iets kl

< koken

Mia krijgt iets le

< het boek

Sproet en Pollie

de kost

eins meegebracht

kkers.

krijgen iets om te

.

spelen.

de rookworst (de rookworsten) de stamppot (de stamppotten) het stoofvlees < stoven < het vlees de verrassing (de verrassingen) het witlof (NL) = het witloof (B) ) fluistert, hij / zij fluistert fluisteren (ik fluister, jij , hij / zij piept) piepen (ik piep, jij piept

‘In de keuken,’ antwoordt Max. ‘Ze maakt stoofvlees.’ ‘Hé, Max!’ roept Veerle vanuit de keuken. ‘Dat was een verrassing!’ Sara komt de keuken in. Sproet springt tegen haar aan. ‘Dag Sproetje,’ zegt ze. ‘Ik wist al dat je stoofvlees maakte, Veerle. Want dat maak je altijd als ik kom. Het is het enige gerecht dat ze kan maken,’ fluistert ze tegen Max. En ze knipoogt naar hem. ‘Dat heb ik gehoord!’ zegt Veerle. Ze geeft haar zus een knuffel. ‘Ik ben blij dat je er bent!’ Veerle zet haar tas op tafel. 125


h ts typisc e i s n e e ok Wil je o isch maken, Belg ofvlees? ds? o t s s l a o n z Nederla en h c s i p y t Of iets website e z n o p o Kijk dan het pannetje. klik op

‘Ik heb cadeautjes meegebracht! Voor iedereen iets kleins. Waar is die gekke papegaai? Voor haar heb ik ook iets.’ Sproet en Pollie krijgen iets om mee te spelen. Pollie krijgt een spiegel met een bel. Sproet krijgt een bal die piept als ze erin bijt. Max en Mia krijgen iets lekkers: Belgische pralines. En een stapeltje stripboeken.

Veerle krijgt een kookboek. ‘Er staan Belgische gerechten in,’ zegt Sara. ‘Kijk zus, allemaal Belgische kost. Er is veel meer dan stoofvlees!’

Rara, wie is het? worst. - Zij of hij ruikt rook fvlees. - Zij of hij ruikt stoo keuken. - Zij of hij staat in de van koken. - Zij of hij houdt niet zoek. - Zij of hij komt op be spiegel. - Zij of hij krijgt een bal. - Zij of hij krijgt een portretten 126


NEDERLAND EN BELGIË Max:

En we hebben Judith te gast. Zij komt uit België. Ze logeren allebei in Hotel Hallo. Mia: Ja, en we hoorden ze kibbelen. Max: Hadden jullie ruzie? Ruud: Nee, we hadden geen ruzie. Mia: Waar hadden jullie het dan over? Judith: Over Nederland en België. Ruud: Over welk land het lekkerste eten heeft. Judith: En waar het leuker is. Max: Maar daar moet je niet over kibbelen, hoor. Mia: Nee, beide landen zijn erg bijzonder. Max: En iedereen weet dat het eten in België het lekkerst is. Mia: Wat een flauwekul! Judith: Wij hebben de beste frieten. En pralines.

Mia: Dag allemaal! Welkom bij ... Max & Mia: ... de Max en Mia Radioshow! Max: Vandaag hebben we twee gasten. Mia: Ja! We hebben Ruud op bezoek. Hij komt uit Nederland. 127


Mia:

Wij hebben in Nederland ook patat en bonbons, ke Pis. hoor. In Brussel staat Manne eldje van Max: Maar bij ons zijn ze Het is een beroemd be de plassen. lekkerder. een jongetje dat staat aan. Soms krijgt hij kleren En we hebben 800 Hij heeft al meer dan garnaalkroketjes! jn kostuums! Veel van zi Ruud: En wij hebben t kostuums kun je in he paling, niet? Museum van de stad Mia: Ja, en haring! Brussel bewonderen. Max: Bah, haring. Wij hebben wafels! Judith: Ja, lekker, met slagroom. Mia: Nou, wij hebben mokkataart. En tompoezen, nietwaar, Ruud? Ruud: Ja, en we hebben ook veel leuke dingen, zoals tulpen en molens.

Weetje:

Max:

En bakfietsen en grachten. O ja, en klompen! Klompen! Die draagt toch niemand, zeg! Judith: Wij hebben Manneke Pis. Mia: Ja, hahaha, dat is waar. Max: En er is nog iets wat uit BelgiĂŤ komt, en dat jij heel leuk vindt! Mia: Wat dan? Jijzelf, zeker? Max: Ja, ik ben ook heel leuk, ja. Maar dat bedoel ik niet. Ik lees ze graag. Maar jij ook! Mia: Boeken? Judith: Ik weet het! Stripboeken! Mia: Echt waar? Zijn die Belgisch? Max: Ja! Niet allemaal, maar de meeste wel. Mia: Suske en Wiske?

Weet jij dit? BelgiĂŤ staat be kend om zijn bie ren. Hieronder zie je een aantal glaze n. Welk glas is een bierglas, denk je ?

a

b

c

d

Antwoord: dit zijn allemaal bierglazen! Elk bier heeft zijn eigen, speciale glas. 128


Mijn woordenschat de bakfiets (de bakfietsen)

Max:

< de bak < de fiets het bier (de bieren) < het bierglas (de bierglazen) het beeld (de beelden) het standbeeld (de standbeelden) de friet (de frieten) = de patat ) de garnaalkroket (B) (de garnaalkroketten etten) = de garnalenkroket (NL) (de garnalenkrok de gracht (de grachten) de klomp (de klompen) de mokkataart (de mokkataarten) de molen (de molens)

Ja, die zijn wel heel lekker, ja. Mia: Het is dus heel fijn dat we al die dingen met elkaar delen. Max: Ja, dat ik straks lekker met een stroopwafel op de bank een stripboek kan lezen. Mia: Bedankt voor het luisteren. Tot de volgende keer! Max: Tot ziens! Ruud & Judith: Dag!

te bevestigen Vragen om iets ling, niet? En wij hebben pa nietwaar? En tompoezen, jn lekker, hè? Stroopwafels zi

de praline (B) (de pralines) = de bonbon (NL) (de bonbons) het stripboek (de stripboeken) = de strip (de strips) de tompoes (de tompoes)

t

ts nonsens vind

Zeggen dat je ie Nonsens.

de tulp (de tulpen) de wafel (de wafels)

< de stroopwafel (de stroopwafels)

Onzin. Wat een onzin! Dat is onzin.

Flauwekul. Max: Belgisch! ul! Wat een flauwek Mia: Kuifje? zij kibbelt) Max: Belgisch! jij kibbelt, hij / , el bb ki k (i en kibbel En Robbedoes, Guust Flater en de Smurfen. Belgisch, Belgisch, Belgisch. Mia: Nou, ik weet ook wat. Maak een woordsp in met in het midde Het is Nederlands, n Nederland en een woordspin met in het midden en jij vindt het â&#x20AC;&#x2122;t Vlaanderen. Zet er dingen omhe en di e er bij horen. Kun je no allerlekkerste op g meer bedenken da n w at er in de woorden de wereld. lijst staat? Kun je er te ke ni ng en bij maken? Max: Wat dan? Mia: Stroopwafels!

Twee spinnen

129


DE VERTELKOFFER vertelkoffer

Laten we even in de koffer van tante Sara kijken. Wat heeft ze nog meer meegenomen uit BelgiĂŤ? Er zitten ook dingen in uit Nederland, die ze weer mee terugneemt. Weet jij wat bij Nederland hoort, en wat bij BelgiĂŤ? Vergeet de spelletjes niet die je kunt spelen: - Ik ga op reis, en ik neem mee... - Ik zie, ik zie wat jij niet ziet... - Wat is er weg? 130


DE REISREUS Met zijn grote reuzenlaarzen Stond hij bovenaan, naast Gent En bulderde: een goedendag! Want hij is een beleefde vent. Hij stampte daarna naar beneden Over de Maas richting Arlon. En riep: comment ça va? Bonjour! Je salue tout le monde! Toen maakte hij een reuzensprong Naar Luik en ook nog iets opzij. En schreeuwde heel hard: guten Tag! Meine Reise ist vorbei!

je: Weet ter in BelgiĂŤn

je da e tale Wist el wel dri en? k e offici en gespro word derlands, Ne uits. D n e Frans 131


bekendheid

Thema 8

Mag ik een handtekening?

MIA ROBBIE Mia is een grote fan van Robbie B. Ze heeft:

Max is geen fan.

Hij heeft een raar kapsel.

Een tas…

Robbie B-schriften…

Hij zingt over verliefd zijn. Posters…

Max! Robbie B komt naar ons hotel!

Dit ga ik allemaal vragen!

- Wat is je lievelingsdier? - Wat doe je graag? - Wat eet je graag? - Ben je weleens nerveus voor een concert? - Ben je verliefd? - Welk lied zing je het liefst?

Gaat hij hier optreden?

Even later…

Hallo. Ben jij Mia?

Ik zie jullie vanavond!

Mia, Robbie wil zijn hand terug.

Mia! Zeg eens wat!

133


ROBBIE B En Robbie-schriften. Ze kent al zijn liedjes. Ze heeft al zijn videoclips gezien. Hij zingt in het Engels. Zijn liedjes gaan vaak over verliefd zijn. Daar vindt Max ook al niks aan. ‘Hij komt hier optreden,’ zegt Mia. ‘Gaat hij optreden in ons hotel?’ vraagt Max verbaasd. ‘Nee joh!’ zegt Mia. ‘Hier in de stad.

Max zit op zijn kamer. Hij leest een tijdschrift. Mia komt binnen. ‘Max! ‘roept ze. ‘Robbie B komt naar ons hotel!’ ‘Robbie B, de popster?’ vraagt Max. Robbie B is een bekende zanger. Hij is wereldberoemd. Hij is iets ouder dan Max en Mia. Max vindt zijn kapsel raar. Het is lang, met blonde sprieten. Het lijkt op meisjeshaar. Maar de meisjes vinden het heel cool! En zeker Mia. Ze heeft posters van Robbie op haar kamer. En een Robbie-tas.

Maar het is een geheim hoor, Max! Niemand mag het weten. Want anders staan er straks allemaal fans op de stoep.’ Max schrikt. Fans. Dat betekent: gillende meisjes. Daar wil hij niet aan denken. ‘Ik zeg niks,’ zegt Max. ‘Ik ga vast naar beneden,’ zegt Mia. ‘Hij komt zo!’ Mia laat hem een briefje zien. ‘Dit ga ik hem allemaal vragen,’ zegt ze. ‘En ik wil ook een handtekening.’ Als ze in de lobby komen, is het er heel druk. 134


Mijn woordenschat

Er komt een jongen aangelopen. Hij is niet zo groot. Hij draagt een spijkerjack. Het is Robbie. ‘Hallo,’ zegt hij vriendelijk. ‘Ben jij Mia? Je moeder heeft me over je verteld.’ Zijn stem klink een beetje hees. Mia staat daar maar. Ze is heel bleek geworden. Ze zegt niks en kijkt Robbie met grote ogen aan. Robbie steekt zijn hand uit. Max geeft Mia een por.

de band (de bands) de drummer (de drummers) het concert (de concerten) de fan (de fans) de handtekening (de handtekeningen) het kapsel (de kapsels) de popster (de popsterren) de por (de porren) < iemand een por geven = iemand porren de poster (de posters) het spijkerjack (de spijkerjacks) het tijdschrift (de tijdschriften) = het magazine de videoclip (de videoclips) de zanger (de zangers) < de zangeres (de zangeressen)

Dan pakt ze Robbies hand. glimlachen (ik glimlach, jij glim Maar ze laat niet los. lacht, hij / zij glimlacht) optreden (ik treed op, jij treedt Het is een gek gezicht. op, hij / zij treedt op) bekend staren (ik staat, jij staart, hij / zij staart) Mia staart naar Robbie. cool ‘Mia,’ zegt Max zacht. hees ‘Robbie wil zijn hand terug.’ wereldberoemd = beroemd over de hele wereld Eindelijk laat Mia los. ‘Ik ben Max,’ zegt Max. ‘Ik ben haar beste vriend.’ niet,’ zegt Max. ‘Hallo,’ zegt Robbie. ‘Hier hebben jullie ‘Wat een mooi hotel. twee kaartjes,’ zegt Komen jullie naar het Robbie. concert, vanavond? ‘Ik zie jullie Ik treed op met mijn vanavond!’ band. Hij loopt weg. We hebben een ‘Dag!’ roept Max. nieuwe drummer. ‘Hij is best aardig,’ zegt met grote ogen Hij is geweldig!’ hij tegen Mia. iemand met grot e ogen aankijken Mia zegt nog steeds ‘Mia, zeg eens wat?’ niks. Maar Mia kan alleen op de stoep staa n ‘Eh, ik weet het maar glimlachen. 135


Wat zie je? et zijn band. Hier zie je Robbie m ten benoemen? Kun je de instrumen rument? Speel je zelf een inst elk instrument Kun je uitbeelden w dat is?

136


OPA RAPT! Opa: Max: Max: Dag allemaal! Welkom bij: ... Max & Mia: ... de Max en Mia Radioshow! Mia: Vandaag hebben we een heel lieve gast. Het is ... opa! Opa: Dag jongens. Mia: Hallo opa. Hoe gaat het? Opa: Prima! Max: We hebben een vraag voor jou. Opa: Kom maar op. Mia: Hou jij van muziek? Opa: Natuurlijk! Ik hou ontzettend veel van muziek. Max: Maar niet van onze muziek. Mia: Nee! Gisteren had ik Robbie B. opstaan. Toen zei je: zet die herrie af!

Mia: Max: Mia:

Max: Mia: Opa: Max: Mia:

137

Ja, inderdaad. Je had het veel te hard staan. En ik ben ook niet zoâ&#x20AC;&#x2122;n fan van dat soort muziek. Ik ook niet. Maar alle meisjes vinden hem leuk. Als ze hem horen of zien, gaan ze gillen. En soms vallen ze zelfs flauw! Ik vind het wel leuk. Ik vind jouw muziek stom, Max. Welke muziek bedoel je? Die rappers.

Je bedoelt Roel & Koel? Die zijn juist geweldig! Wat voor muziek vind jij leuk, opa? Ik hou van veel soorten muziek. Zeker van klassieke muziek. Ja, met violen en zo.


Mijn woordenschat de basgitaar (de basgitaren) de cola (de colaâ&#x20AC;&#x2122;s) de diepvries de gitaar (de gitaren) de klassieke muziek < klassiek < de muziek de pianomuziek < de piano de prik de rapper (de rappers)

Opa:

Zeggen dat

Dat vind ik inderdaad mooi. En pianomuziek.

O!

HĂŠ! Wat een ve rrassing! Niet te gelo ven! Echt (waar) ? Meen je da t (nu)?

je verrast b

Oma kan mooi pianospelen. Maar ik hou ook van bandjes, hoor! Ik zet vaak de radio aan.

ent

hip muzikaal

Zeggen dat

iets geweld ig is (Dat is) gew eldig! (Dat is) fan tastisch! (Dat is) het einde! (Dat is) te g ek!

Mia: Opa:

Dat is waar. In de keuken. En ik zat vroeger zelf in een band. Mia: O ja! Ik heb weleens een foto gezien. Jij speelde gitaar. Opa: Ja. En soms basgitaar. En ik zong ook. Ik ben heel muzikaal. flauwvallen (ik val flauw, jij valt flauw, hij / zij va Max: Kon je goed zingen? lt flauw) pianospelen (ik speel piano, jij speelt piano, hi j / zij speelt pian Opa: Ja, hoor. rappen (ik rap, o) jij rapt, hij / zij ra pt) Veel beter dan die Koele rijmen (ik rijm, jij rijmt, hij / zij rijmt) Roel van jou. 138


Ja of nee? Ja? Ga staan. Nee? Blijf zitten. Max & Mia: Hahahahahahahahahahahaha! Opa: Pfff, nu ben ik moe, zeg. Mia: Wat goed opa. Niet te geloven! Max: Mijn teksten zijn geen diepvries. Mia: Maar wel zo cool! Goed hoor. Dat had ik niet verwacht! Max: Dat was het weer voor vandaag. Tot de volgende keer! Max: Tot ziens! Opa: Dag, houdoe en toedeloe!

- Oma is de gast. - Opa speelde piano. de radio. - Opa luistert graag naar trompet. - Hij speelt basgitaar en - Hij speelt gitaar. - Oma zat in een band. k. - Max vindt Robbie B. leu s. - Roel en Koel zijn rapper - Opa kan ook rappen. Max: Opa: Max: Mia: Opa:

Roel & Koel, opa. En die zingen niet. Ze rappen. Rappen is heel moeilijk. Je moet heel snel kunnen rijmen. Nee, hoor. Daar is niks aan. O nee? Kun jij het dan? Ja, opa! Goed. Ahem... Koel en Roeltje, luister goed Opa laat zien hoe het moet. Ik rap heel rap en dat lijkt wel knap. Maar rijmen is mijn ding En ze gillen als ik zing. Want ik ben geweldig, het einde, fantastisch Mijn teksten zijn vers Het is geen diepvries Maar wel zo cool... En geef opa nu een stoel.

Mia: Max: Opa:

139

Opa, mag ik een cola? En een sapje voor mij, met een koekje erbij! Heel goed, jongens. Vooruit dan maar.


LIEVER NIET BEKEND Soms droom ik dat ik een grote filmster ben Droom jij dat weleens? Dan loop ik daar over de rode loper Fotografen om me heen Als je beroemd bent, heb je veel vrienden Maar weet je zeker dat ze jou wel aardig vinden? Als je beroemd bent, kun je alles kopen Maar je kunt niet rustig door de winkel lopen Dus ik ben... Liever, liever, liever, liever, liever, liever, liever gewoon Liever, liever, liever, liever, liever, liever, liever normaal Liever, liever, liever, liever, liever, liever, liever wie ik nu ben Ik ben liever, liever, liever niet bekend Soms droom ik dat ik een beroemde zanger ben Droom jij dat weleens? De hele wereld zingt met mâ&#x20AC;&#x2122;n liedjes mee En ik ben vaak op tv Als je beroemd bent, moet je hard werken Maar als je moe bent kun je dat niet laten merken Als je beroemd bent dan sta je in de blaadjes Allemaal leugens, allemaal praatjes Dus ik ben... Liever, liever, liever, liever, liever, liever, liever gewoon Liever, liever, liever, liever, liever, liever, liever normaal Liever, liever, liever, liever, liever, liever, liever wie ik nu ben Ik ben liever, liever, liever niet bekend Nee, het is niet fijn Om zo beroemd te zijn Iedereen weet wie je bent Terwijl niemand jou echt kent 140


Ik ben... Liever, liever, liever, liever, liever, liever, liever gewoon Liever, liever, liever, liever, liever, liever, liever normaal Liever, liever, liever, liever, liever, liever, liever wie ik nu ben Ik ben liever, liever, liever niet bekend

Ga naar

de site voor meer opdrachten!

Mijn woordenschat

Tekenen: beroemd zijn

het blaadje (de blaadjes) = het tijdschrift = het magazine

Als jij beroemd was, wat zou je dan zijn? Zou je een zanger zijn, of een filmster? Teken jezelf als beroemdheid. Zie je er net zo uit als nu, of anders? In wat voor een huis zou je wonen? Heb je misschien een

< het blad (de bladen) de filmster (de filmsterren) < de film (de films) < de ster (de sterren) de leugen (de leugens) < liegen het praatje (de praatjes)

gek huisdier?

< praten de rode loper (de rode lopers) dromen (ik droom, mt) jij droomt, hij / zij droo

141


HET ORKEST Maar de koffer heeft wel de vorm van een sneeuwpop. ‘Er zitten muziekinstrumenten in,’ legt Mia uit. ‘Deze mensen zitten in een orkest.’ ‘In die kleine koffertjes zitten fluiten, denk ik,’ zegt Mia. ‘En daar zit een dwarsfluit in, of een klarinet.’ ‘En die koffer heeft de vorm van een, eh, dinges. Weet je wel? Zo’n ding waar je op blaast.’ ‘Een toeter?’ vraagt Katja. ‘Ja, een saxofoon!’ zegt Max. ‘Ja, dat denk ik ook,’ zegt Mia. Katja loopt naar de mevrouw die bij de sneeuwpop-koffer staat. Ze praten even. Dan rent Katja terug. ‘Mia, Mia!’ roept ze. ‘Er zit geen sneeuwpop in.’ ‘Nee,’ zegt Mia, ‘dat zei ik toch?’ ‘Maar ook geen instrument!’ roept Katja. ‘Er zit een jongetje in!’ ‘Een jongetje?’ ‘Ja, dat heeft die mevrouw me net verteld!’ Max en Mia lopen met Katja naar de mevrouw. ‘Hallo,’ zegt ze, ‘mijn naam is Petra. Ik kom uit Griekenland.’ ‘Wij zijn Max en Mia,’ zegt Mia. ‘En dit is mijn zusje Katja. Ze zegt dat er een jongetje in uw koffer zit.’ De mevrouw lacht. ‘Nee hoor,’ zegt ze.

Voor de deur van Hotel Hallo staat een rij. Het zijn mannen en vrouwen met koffers. Maar het zijn geen gewone koffers. Er zijn ronde koffers bij. En een paar lange, dunne koffers. Max, Mia en Katja staan nieuwsgierig te kijken. ‘Kijk!’ Max wijst. ‘Die koffer is groot!’ ‘Zou er een sneeuwpop in zitten?’ vraagt Katja. ‘Dat kan toch niet, gekkie,’ lacht Mia. 142


Ze doet de koffer open. Er zit een prachtig houten instrument in. Het lijkt op een viool, maar dan groter. ‘Dit is mijn contrabas. Mijn Bas.’ Katja wordt rood. ‘Ik dacht dat er een jongetje in zat. Een jongetje dat Bas heette.’ ‘Dit is mijn man, Tobias,’ zegt Petra. De man knikt vriendelijk. ‘Welk instrument speelt u?’ vraagt Max. Tobias haalt een stokje uit zijn borstzak en geeft het aan Katja. Ze kijkt verbaasd. Hoe kan daar nou geluid uit komen? Ze wil erop blazen. Maar Tobias pakt het snel terug. ‘Ik ben de dirigent,’ zegt hij. ‘Ik leid het orkest.

Mijn woordenschat

sierlijk

lomp

De muzikanten komen uit de hele wereld. ) Ze spreken verschillende talen de borstzak (de borstzakken ) Maar als ze muziek maken, maakt de contrabas (de contrabassen dat niet uit.’ de dirigent (de dirigenten) n) Hij beweegt het stokje door de lucht. de dwarsfluit (de dwarsfluite Het ziet er sierlijk uit. de fluit (de fluiten) ‘Wij gaan straks repeteren,’ zegt de klarinet (de klarinetten) n) nte (muziek)instrume Tobias. het (muziek)instrument (de n ele (be)sp ‘In het Concertgebouw.’ < een (muziek)instrument ‘Komen jullie kijken?’ vraagt Petra. het orkest (de orkesten) ‘Ja!’ roepen Max en Mia. de stok (de stokken) ‘Wat is repeteren?’ < het stokje (de stokjes) Niet op een woord kunnen komen vraagt Katja. de toeter (de toeters) Het ziet eruit als een dinges. ‘Oefenen,’ zegt Max. de trompet (de trompetten) Weet je wel, zo’n ding. ‘Oefenen,’ vraagt Katja? de viool (de violen) Iets waar je op blaast. ‘Ik ga liever kijken als ze al geoefend hebben!’ est, (ik leid het orkest, jij leidt het ork

leiden

hij / zij leidt het orkest) ert, hij / zij repeteert) repeteren (ik repeteer, jij repete 143


Rara, wie is het? Wie heeft dit gezegd? de naam omhoog. Hou een kaartje met pop in zitten?’ - ‘Zou er een sneeuw gekkie.’ - ‘Dat kan toch niet, trumenten in.’ - ‘Er zitten muziekins rm van een trompet.’ vo de t ef he er ff ko e - ‘En di and.’ - ‘Ik kom uit Griekenl s. Mijn Bas.’ - ‘Dit is mijn contraba ’ - ‘Ik ben de dirigent. - ‘Ik leid het orkest.’

144


DORA MIFASOLAVA Max: Dag allemaal! Welkom bij ... Max & Mia: ... de Max en Mia Radioshow! Max: Vandaag hebben we een erg muzikale gast. Mia: Het is een zangeres. Max: Een heel speciale zangeres. Mia: Ja, ze zingt erg moeilijke liedjes. Dora: Hallo! Mijn naam is Dora Mifasolava.

Dora: De bas. Maar dat is altijd een man. Max: Dus zo: Laaaaaaa! Dora: Nog lager, hoor. Mia: Treedt u weleens op? Dora: Jazeker! Met een orkest. En soms met een koor. Ik sta graag op het podium. Dan draag ik veel make-up. Dan zit mijn haar mooi.

Ik ben een operazangeres. Zeg, Mia, vind jij liedjes uit de opera moeilijk? Mia: Ja. Je moet heel hoog kunnen zingen. Zo van: Laaaaaa! Max: Mia! Mâ&#x20AC;&#x2122;n oren! Dora: Niet altijd, hoor. Het hangt ervan af. Als je een sopraan bent, dan moet je erg hoog kunnen zingen. Max: Bent u een sopraan? Dora: Nee, ik ben een alt. Ik kan ook wel hoog zingen, hoor. Maar ik zing niet zo hoog als een sopraan. Mia: En wie zingt het laagst?

En iedereen in de zaal kijkt naar mij. Dan voel ik me een echte diva. Max: Is het moeilijk om een operazanger of -zangeres te worden? Dora: Ja, ik vind van wel. Je moet erg veel oefenen. Je moet altijd zuiver zingen. Vals zingen is een ramp! Mia: Kunt u noten lezen? Dora: Ja, natuurlijk!

Het is net alsof je een instrument bespeelt. Mijn stem is mijn instrument. Ik moet daar heel zuinig op zijn. Want als ik verkouden ben, bijvoorbeeld, kan ik niet zingen. Zoals nu. Max: Ja, u hoest veel. Dora: Gelukkig heb ik nu vakantie. Max: Kunt u alstublieft een stukje zingen? 145


Dora: Nee, echt niet. Dat is slecht voor mijn stem. Max: Echt niet? Mia: Toe! Dora: Nee, geen denken aan. Absoluut niet. Mia: Ik kan wel wat operamuziek laten horen. Op de radio. Wacht...

Mijn woorden de diva (de divaâ&#x20AC;&#x2122;s)

schat

het koor (de koren) de make-up de noot (de noten) < de muzieknoot (de muzieknoten) de opera (de operaâ&#x20AC;&#x2122;s) de operazangeres (de operazangeressen) < de operazanger (de operazangers) het podium (de podia) de ramp (de rampen)

de sopraan

de stem (de stemmen)

de alt

de zaal (de zalen)

de tenor de bariton de bas

noten lezen (ik lees noten, jij leest noten, hij / zij leest noten) = muziek lezen zuinig zijn op iets (ik ben zuinig op mijn stem, jij bent zuinig op jouw stem, hij / zij is zuinig op zijn / haar stem)

146


Iemand succes wensen Veel succes!

Dora: Mia: Max: Mia: Max: Mia: Max: Mia: Max: Mia: Max:

Dat is een bas! Aha, en nu hoor ik een alt. Ja, en dat is een sopraan! Prachtig, zeg! Maar nu moet ik stoppen met praten. Mijn stem heeft rust nodig. Heel verstandig. Bedankt voor uw bezoek. Wat doet ze? Ze schrijft een briefje. Er staat: ‘Geen dank, veel succes met de show.’ Max, wat doe je? Ik schrijf haar iets terug. Dat hoeft toch niet? Jouw stem hoeft toch niet te rusten! O nee... Heel veel succes met uw stem. Ja, en zet ‘m op volgende maand. Volgende maand? Dan treedt ze op in de schouwburg. Oké. Dag allemaal!

Succes met ... Succes ermee! Zet ‘m op! Aandringen

hoog

laag

schor vals

zuiver

Echt niet? Toe (nou)! Kom op! Zeggen dat je iets absoluut niet wilt (doen) Geen denken aan! Absoluut niet! Pertinent niet! Zeggen dat iets vreselijk is Vals zingen is een ramp! Dat is een ramp! Dat is vreselijk! Dat is verschrikkelijk!

Oefenen bt ing om je heen. Je he kr n ee in t aa st en Iedere n. De kinderen in pe n ee ld ee rb oo jv iets vast, bi mogen urten of ze de pen be om en ag vr g in de kr en. oorden bij aandring w de n ke ui br ge hebben. Ze vertel niet geven, en dat ut lu so ab n pe de Jij wilt al kinderen aan de nt aa n ee er at td je ze ook. To Het kind geef je de pen wel. n da , st ee w ge is t beur ag nu in de kring. dat de pen krijgt, m 147


DE VERTELKOFFER vertelkoffer

Laten we een kijkje nemen in de koffer van Vicky. Wat weet je over haar? Geef de spullen aan elkaar door en praat erover. Vergeet de spelletjes niet die je ermee kunt doen! - Wat is weg? - Ik ga op reis en ik neem mee... - Ik zie, ik zie wat jij niet ziet.

148


Thema 9

Even bijkletsen

catie

communi

MAFKEES! Ik heb om een mobiele telefoon gevraagd. Papa en mama zeiden ‘misschien’. Joepie!

Met Mia...

U spreekt met mevrouw Zandberg. Spreek ik met mevrouw van Soest?

Hallo?

Nee, ik ben haar dochter.

Hallo! Is dit mevrouw van Soest?

Ik zal mijn moeder even halen.

Mafkees?

Mafkees!

U bent zelf een

mafkees!

WAT? Mevrouw, ik...

151


HALLO, BENT U DAAR NOG?

Mia zit aan tafel met haar dagboek. Ze schrijft. Het puntje van haar tong steekt uit haar mond. Pollie zit op de rand van een stoel. Mia kijkt naar haar. Ze schrijft:

dochter,’ antwoordt Mia. ‘Wat zegt u?’ vraagt de vrouw. ‘Haar dochter!’ zegt Mia heel hard. ‘Ik zal mijn moeder even halen.’ Ze legt de telefoon neer en loopt de keuken uit. ‘Hallo?’ klinkt het uit de telefoon. Pollie houdt haar kop scheef. Ze gaat naast de telefoon zitten. ‘Hallo!’ roept Pollie. ‘O, hallo,’ zegt de stem weer. ‘Is dit mevrouw Van Soest?’ ‘Goedemorgen!’ roept Pollie. ‘Ja, goedemorgen,’ zegt de mevrouw. ‘Luister, ik bel over het boek.’ Het is even stil. ‘Hallo, bent u daar nog?’ vraagt de stem. ‘Boek,’ zegt Pollie. ‘Juist, ja,’ zegt de stem. ‘Eh, het boek dat u hebt besteld. Dat boek is binnen.’ ‘Pollie Prrrrrrrima!’ roept Pollie. ‘Wat zegt u?’ vraagt de stem. Dan komt Mia weer binnen. ‘Mafkees!’ roept Pollie. Mia pakt snel de telefoon op. ‘Mafkees?’ vraagt de stem boos. ‘Mafkees? U bent zelf een mafkees! Verdorie! Ik heb er genoeg van!’ ‘Mevrouw, ik...,’ begint Mia. Maar de vrouw heeft al opgehangen. Mia kijkt naar Pollie. Ze zucht. ‘Maffe vogel,’ zegt ze. ‘Mafkees,’ zegt Pollie.

Pollie zit hier in de keuken. Ze is een lief dier. Maar ook hartstikke gek. ‘Lieve mafkees,’ zegt Mia. Ze krabt de papegaai op haar kopje. Dan schrijft ze verder: Ik heb een mobiele telefoon gevraagd. Papa en mama zeiden: misschien. Joepie! Dan kan ik met mijn vriendinnen bellen. Om lekker te kletsen, of om even af te spreken. En ik kan ze berichtjes sturen. De telefoon gaat. Mia neemt op: ‘Met Mia.’ Het is even stil aan de andere kant van de lijn. ‘Met Mia,’ zegt ze nog eens. ‘O, hallo!’ zegt een vrouwenstem. ‘U spreekt met mevrouw Zandberg. Spreek ik met mevrouw Van Soest?’ ‘Nee, ik ben haar 152


Mijn woo het dagboek

de mobiele

= het mobie

hartstikke (NL) = heel erg scheef

Vragen wie er belt Met wie spreek ik?

recht

de telefoon gaat (over)

rdenscha

t

(de dagboek

telefoon (de

ltje (NL) (de

= de gsm (de

en)

mobiele tele

foons) mobieltjes (N L))

gsm) het puntje (d e puntjes) < de punt (de punten) de telefoon (de telefoon s)

Wie heb ik aan de lijn? Meer dingen die je zegt aan de telefoon Max. Met wie spreek ik? Je spreekt met Dit is Mia. Wie heb ik aan de lijn? Mag ik Katja even aan de lijn? Kan ik Katja spreken?

Dit is Mia.

Ik zal haar even roepen/halen. Katja kan niet aan de telefoon komen.

. Katja is niet thuis Kan ik je straks terugbellen? Ja, dat kan. Kunt u een boodschap doorgeven? Ja, natuurlijk. Pardon, ik ben verkeerd verbonden. Excuus, u bent verkeerd verbonden. Dingen die je zegt over telefoneren Er wordt gebeld. De telefoon gaat (over). Kun je even opnemen? Het nummer is in gesprek. De lijn is bezet. Ze heeft opgehangen.

Toneelspelen

Je doet net o f je elkaar be lt. Gebruik ee echte telefoo n n. Voordat je b e g in t, kun je een spiekb riefje maken . G ebruik de zinnen uit he t rijtje hierbo ven. De beller vraa gt een ander kind aan de telefoon. Zo ga je alle kind eren af. Bijvoorbeeld : A. (neemt o p) Met Anneli es. B. Dag Ann elies, dit is B en. Hoe gaat het met je? A. Met mij gaat het goe d, en met jou B. Prima. ? Mag ik C harlie even a an de lijn? A. Ik zal ha ar even roepe n. (Charlie neemt de tele foon over) C. Met Cha rlie.

153


haar af, hij / zij spreekt met ons af) afspreken met (ik spreek met je af, jij spreekt met bestellen (ik bestel, jij bestelt, hij / zij bestelt) kletsen (ik klets, jij kletst, hij / zij kletst) ophangen (ik hang op, jij hangt op, hij /zij hangt op) opnemen (ik neem op, jij neemt op, hij / zij neemt op) rt een berichtje sturen (ik stuur een berichtje, jij stuu een berichtje, hij / zij stuurt een berichtje) = appen (ik app, jij appt, hij / zij appt)

je boos bent Laten merken dat Ik ben boos/kwaad. Dat kan toch niet? Verdorie! Verdomme!

n! Ik heb er genoeg va van vol! Ik heb er mijn buik Dat kan toch niet? Uitdrukken dat je Dat is fijn!

blij bent

Joepie! Hoera! Ja! en

Een zin introducer Luister, ... Zeg, ... Nou, ...

weetje:

In Nederland zeg je je naam als je opnee mt. 154


BABBELEN Goed, ik toets het in. Emma: Hoi Max. Max: Hé Emma. Hoe weet je dat ik het ben? Emma: Dat staat op mijn schermpje. Max: Ben je thuis? Emma: Nee, ik zit in een café. Wacht, ik loop even naar buiten. Daar heb ik goed bereik. Mia: Hoi Emma! Emma: Hé Mia, ben jij dat? Mia: Ja. Wat leuk om je stem te horen. Dat is zo lang geleden! Emma: Dat klopt.

Mia: Dag! Max: Hallo! Welkom bij ... Max & Mia: ... de Max en Mia Radioshow! Max: Ik heet Max. Mia: En ik ben Mia. Vandaag hebben we een heel leuke gast. Het is... Max: Mijn nicht Emma! Ze is 18 jaar. En ze woont in Gent. Mia: Ze is niet in de studio. Dus we gaan haar even bellen. Met mijn moeders gsm. Max, heb jij haar nummer? Max: Is het niet opgeslagen in de telefoon? Mia: Nee, haar nummer staat er niet in. Max: Dan zoek ik het even op. Het staat in mijn adresboek. Eh... Wat een handschrift! Dat kan ik niet lezen... Mia: Jij hebt het zelf geschreven! Max: O ja...

Maar we hebben wel gemaild. Mia: Inderdaad. Max: Hebben jullie gemaild? Mia: Ja, we mailen best vaak. Max: O, dat wist ik niet. Emma: Jullie moeten me snel eens opzoeken in Gent! Max: Ja, graag! Mia: Zeg Emma, heb je dat vriendje nog? Emma: Bedoel je Thomas?

155


Mijn woordenschat het adresboek (de adresboeken) < het adres (de adressen) < het boek (de boeken) de batterij (de batterijen) het bereik het café (de cafés) de gsm (de gsm’s) het handschrift (de handschriften) het scherm (de schermen) de selfie (de selfies) de sms (de sms’en) de toets (de toetsen)

Mia:

Mia: Die jou steeds berichtjes stuurde. Emma: Ja, dat is Thomas. Nee, het is uit. Mia: Wat jammer. Emma: Nee hoor. Ik heb het uitgemaakt. Mia: Zeg, en heb je nu weer een nieuw vriendje dan? Emma: Misschien. Ik heb een sms’je van een jongen gekregen.

Hij woont hier om de hoek.

En heb je je haar echt kort geknipt? Emma: Ja! Wacht, ik stuur even een selfie. Max: Pfff! Wat een geklets. Blablabla... Emma: Heb je het al binnengekregen? Ik heb het net verstuurd. Mia: Ja, ik zie de foto. Dat staat je leuk! Kijk, Max.

babbelen (ik babbel, jij babbelt, hij / zij babbelt) iets binnenkrijgen (ik krijg iets binnen, jij krijgt iets binnen, hij / zij krijgt iets binnen) intoetsen (ik toets het nummer in, jij toetst het nummer in, hij / zij toets het nummer in) mailen (ik mail, jij mailt, hij / zij mailt) opladen (ik laad mijn batterij op, jij laadt je batterij op, hij / zij laadt zijn / haar batterij op) opschrijven (ik schrijf op, jij schrijft op, hij / zij schrijft op) opslaan (ik sla op, jij slaat op, hij / zij slaat op) opzoeken (ik zoek Max op, jij zoekt Max op, hij / zij zoekt Max op) = bezoeken opzoeken (ik zoek het nummer op, jij zoekt het nummer op, hij / zij zoekt het nummer op) het uitmaken (ik maak het uit, jij maakt het uit, hij / zij maakt het uit) versturen (ik verstuur, jij verstuurt, hij / zij verstuurt) wegvallen (ik val weg, jij valt weg, hij / zij valt weg) 156


vragen of iemand wacht Wacht even. Kun je even wachten?

geladen/vol. Mijn batterij is op leeg. efoon/batterij is el /t je lt ie ob m Mijn ik. Ik heb goed bere ik. Het is uit = de verkering is over Ik heb slecht bere

Even wachten. Een moment. Een ogenblik.

Ja of nee? Ja? Ga staan. Nee? Blijf zitten. ax. - Emma is de nicht van M mobiele telefoon - Max belt Emma op zijn - Emma neemt niet op. ms met elkaar. - Mia en Emma mailen so kt met haar vriendje. - Mia heeft het uitgemaa leeg. - Emmaâ&#x20AC;&#x2122;s batterij is bijna Mia te veel babbelen. - Max vindt dat Emma en

Max: Ja, ja, heel interessant. Emma: Misschien val ik zo weg, want mijn batterij is bijna leeg. Ik moet mijn telefoon opladen. Max: Gelukkig... Mia: We babbelen wel

totdat je telefoon leeg is. Max: Zucht... Babbeldebabbeldebabbel! Ik ga wat anders doen, hoor. Dit was het weer voor vandaag. Tot de volgende keer!

Weetje:

tje stuurt, Als je een berich fkortingen. gebruik je vaak a Bijvoorbeeld: ff = even w8 = wacht

Er word t veel En in berichtjes ge Zoals d ls gebruikt. eze afk orting:

Lol bete kent

LOL

in het N plezier. ederlands:

LOL in een Laughin berichtje staa t g Out L oud (ha voor: rdop lachen Grappig ). , hè? 157


DE BRIEF Ik pak een pen en een papier En ik schrijf een brief Met grote letters schrijf ik Wat ik wil dat jij leest: Ik vind jou lief Ik lees hem nog een keertje door En dan vouw ik hem op In een envelop Postzegel erop Nog een dikke kus En dan in de brievenbus Brief, brief, verdwaal toch niet Vlieg, vlieg naar m’n lief Brief, brief, verdwaal toch niet En vlieg, vlieg naar m’n lief Ik pak een pen en een papier En ik schrijf een brief Met grote letters schrijf ik Wat jij straks zal lezen: Ik vind jou lief Ik lees hem nog een keertje door En dan vouw ik hem op In een envelop Postzegel erop Nog een dikke kus En dan in de brievenbus Brief, brief, verdwaal toch niet Vlieg, vlieg naar m’n lief Brief, brief, verdwaal toch niet En vlieg, vlieg naar m’n lief 158


Mijn woordenschat de envelop (de enveloppen) de postzegel (de postzegels) de brievenbus (de brievenbussen) < de brief (de brieven) het lief (de lieven) ief door) or, hij / zij leest de br do f ie br de t es le jij , brief door doorlezen (ik lees de leest, hij / zij leest) brief op) < lezen (ik lees, jij f op, hij / zij vouwt de ie br de t uw vo jij , de brief op opvouwen (ik vouw uwt) , jij vouwt, hij / zij vo < vouwen (ik vouw / zij verdwaalt) al, jij verdwaalt, hij wa rd ve (ik n le wa rd ve

Brief schrijven Dit liedje gaat over een lie fdesbrief. Schrijf een brief aan elkaa r. Je mag erin zetten wat je wilt. He t hoeft geen liefdesbrief te zijn, na tuurlijk. Maar het moet wel een aa rdige brief zijn. Maak zelf een en velop en een postzegel. In plaats van een brief mag je ook een te kening maken, maar schrijf er we l bij wat erop staat.

Ga naar

deorsmieteer

vo ten! opdrach

Dit schrijf je op de envelop : - Voor wie de brief is. - Wie de brief heeft gesc hreven. 159


MET Z’N VIEREN Er staat een familie in de lobby. Een vrouw en drie kinderen. Het zijn drie jongens. Manon staat voor de computer. ‘Ik heb nog een kamer,’ zegt ze. ‘Met twee tweepersoonsbedden. En er staat een slaapbank.’ ‘Ik wil op de slaapbank!’ roept de oudste jongen. ‘Dat zoeken we straks wel uit,’ zegt de moeder. ‘Max en Mia!’ roept Manon. ‘Brengen jullie deze familie even naar kamer 18? En kunnen jullie laten zien hoe de slaapbank uitklapt?’ Ze passen net met z’n zessen in de lift. Maar het is wel krap. ‘Wij zijn Max en Mia,’ zegt Max. ‘Ik heet Magdy,’ zegt de oudste jongen. ‘Zij heten Ammon en Ramses.’ ‘Waar komen jullie vandaan?’ vraagt Mia. ‘Uit Egypte,’ zegt de moeder. ‘Mijn naam is Nubia. We blijven drie dagen in Amsterdam. En dan vliegen we met z’n vieren naar Berlijn. Daar woont mijn broer met zijn familie.’ ‘En dan slapen we met z’n allen in zijn appartement!’ roept Ramses. ‘We slapen met z’n vieren in een bed!’ Nubia zucht. ‘Ze zullen weinig slapen.

Maar ja, er is niks aan te doen.’ ‘Het is juist gezellig!’ roept Magdy enthousiast. Het is leuk om mijn oom en tante te zien.’ ‘We houden wel contact, vaak online,’ zegt Nubia. ‘Maar soms is de verbinding slecht.’ ‘Dat is echt irritant!’ zegt Magdy. ‘En elkaar in het echt zien is toch leuker.’ ‘Ja,’ zegt zijn moeder. ‘Ik kan niet wachten om mijn broer en zus vast te houden. En ik kijk ernaar uit om mijn broers baby te zien.’ De lift stopt. Ze lopen door de gang. ‘Hier is de kamer,’ zegt Max. Hij doet de deur open. 160


Mijn woordenscha

t

alleen weeën met z’n t rieën met z’n d ,, ,, vieren

de code (de codes) het contact (de contacten)

enthousiast in het echt

< contact houden

irritant

het internet

krap

het kantoor (de kantoren)

online

de computer (de computers)

,, ,, vijven ,, ,, zessen

offline

de kluis (de kluizen)

,, ,, zevenen ,, ,, achten

,, ,, negenen ,, ,, tienen

de printer (de printers) de slaapbank (de slaapbanken) het toetsenbord (de toetsenborden) het tweepersoonsbed (de tweepersoonsbedden)

‘En hier is een kluis. Je kunt zelf een code bedenken. Die typ je in op dit toetsenbord.’ ‘Bedankt,’ zegt Nubia. ‘Geen dank,’ zegt Max. Max en Mia gaan weer naar beneden.

< het éénpersoonsbed de verbinding (de verbindingen)

‘Soms kruipt Katja bij me in bed,’ zegt Mia. ‘Dan kan ik al niet slapen. Met z’n vieren in een bed... Ik moet er niet aan denken!’

ergens naar uitkijk

en

Ik kijk ernaar uit!

‘Zeg, kan ik straks iets uitprinten?’ vraagt Nubia. ‘Ja hoor,’ zegt Mia. ‘Er staat een computer beneden, in ons kantoor. Daar staat ook een printer.’ ‘Kijk,’ zegt Max. Hij heeft de slaapbank uitgeklapt.

Ik kan niet wachten

!

je ergens bij neerle

ggen

Maar ja...

Het is niet anders.

Het is nu eenmaal

Daar is niks aan te

zo. doen.

bedenken (ik bedenk, jij bedenkt, hij / zij bedenkt) intypen (ik typ iets in, jij typt iets in, hij / zij typt iets in) printen (ik print, jij print, hij / zij print) < uitprinten (ik print het document uit, jij print het document uit, hij / zij print het document uit) passen (ik pas in de lift, jij past in de lift, hij / zij past in de lift) uitklappen (ik klap het bed uit, jij klapt het bed uit, hij / zij klapt het bed uit) inklappen (ik klap het bed in, jij klapt het bed in, hij / zij klapt het bed in) 161


Wie zegt het? Wie heeft deze zin gez e

gd?

- ‘Ik heb nog een kamer met twee tweepersoonsbed - ‘Waar komen ju den.’ llie vandaan?’ - ‘Ik kan niet wac hten om mijn bro er en zus vast te h - ‘We slapen met ouden.’ z’n vieren in een b ed !’ - ‘Er staat een co mputer beneden, in ons kantoor.’

162

Ga naar

de site voor meer opdrachten!


EEN INTERVIEW MET SPROET Max: Dag! Mia: Hallo! Welkom bij... Max & Mia: ... de Max en Mia Radioshow! Max: Ik heet Max. Mia: En ik ben Mia. Vandaag hebben we een leuke gast. Het is... Max & Mia: Sproet! Mia: Dag Sproetje. Hoe gaat het met jou? Max: Ja, zie je nu wel.

Max: Mia:

Mia: Wat? Max: Dit is toch geen goed idee! Ze is heel lief, hoor. Maar ze kan niet praten. Mia: Maar ze kan wel communiceren. Ze kan ons wel laten weten wat ze wil. Of hoe ze zich voelt. Kijk, nu is ze blij. Want ze kwispelt.

Max:

Maar dat kun je toch niet horen, Mia! Dit is een radioprogramma! Wacht, daar weet ik wel wat op. Hoor je? Nu slaat ze met haar staart op dit blik.

Mijn blik! Met mijn koekjes! Het is wel een goed idee, ja. Dat moet ik toegeven. Mia: En ze kan nog meer geluiden maken. Let op: Ben jij mijn schatje? Ben jij mijn lieve Sproetje? Max: Hahahahaha. Het is zo grappig als ze dat doet! Mia: Ze zegt dat ze mij ook lief vindt. Max: Dat weet je toch niet! Mia: Jawel, dat is zo. Max: Wacht, ik weet ook nog wat. Sproet, kijk eens! Sproet: Woef, woef! 163


Toegeven dat iemand gelijk Dat moet ik toegeven.

heeft

Ik geef toe dat... Vooruit, je hebt gelijk. g hebt

Zeggen dat je een oplossin Daar weet ik iets op. Ik heb een idee. Ik heb een oplossing.

Een reden geven n. Ze blaft, omdat ze wil spele j. Ze kwispelt, want ze is bli

pt ze.

Als ze verdrietig is, dan pie

Mia: Max:

Max houdt een balletje omhoog.

Ze blaft, omdat ze wil spelen! En als ze verdrietig is, dan piept ze. Mia: Maar we gaan haar niet verdrietig maken, hoor. Dat is zielig! Max: We moeten haar gebarentaal leren. Mia: Max, ze heeft toch geen handen? Max: Nee, dat is waar... HĂŠ, waar gaat ze naartoe? Mia: Sproet! Kom op, Max, erachteraan! Max: Ze loopt naar de keuken. Ze slaat haar poot tegen haar bakje. Mia: Ha, we weten wat dat betekent. Max: Ja, ze heeft honger. Mia: Ze wil brokjes. Hier, Sproetje. Max: Dat was het weer voor vandaag! Mia: Tot de volgende keer.

Mijn woordenschat het blik (de blikken) de gebarentaal < het gebaar (de gebaren) < de taal (de talen) communiceren (ik communiceer, jij commun

hij / zij communiceert)

iceert,

Het telefoonspel rd enk aan een woo D . en tt zi g n ri k Ga in een . uit de radioshow rd in uister je dit woo fl , en n in eg b ag Als je m an jullie d naast je. Zo ga in k et h n va r o o het is oord weer bij jou w et h ls A . d n ro de kring nog hetzelfde? an d et h is , en m o gek et een zin doen. Je kunt dit ook m

164


DE VERTELKOFFER vertelkoffer

Je kunt op verschillende manieren communiceren: je kunt brieven schrijven, bellen, een e-mail sturen, iets uitbeelden, en nog veel meer. Probeer de verschillende manieren eens uit, in het Nederlands, natuurlijk. Gebarentaal is niet overal in de wereld hetzelfde. Maar mensen die gebarentaal kennen, kunnen vaak wel een beetje communiceren, ook al komen ze uit verschillende plekken in de wereld. Ga naar onze website en klik op het icoontje met de handen om meer te weten te komen over gebarentaal. Probeer het eens! 165


DE DIERENTELEFOON Daar gaat de telefoon Daar gaat de telefoon Tring, tring, tring, wie zou dat zijn? Ik neem de hoorn op Ik neem de hoorn op Wie heb ik aan de lijn?

Wie heb ik aa

n de lijn?

weetje:

vroeger hadden alle telefoons een hoorn, en een draad of snoer

In het eerst e verhaaltje van dit them spreekt Poll a ie met een m evrouw aan telefoon. N de u wordt het n o g gekker, wan wordt gebe t je ld door een d ier! Ga in een kr ing zitten e n zing mee liedje. Doe met het je ogen dich t . De docent w een kind aa ijst nu n dat achte r je g a at zitten. D kind â&#x20AC;&#x2DC;beltâ&#x20AC;&#x2122; jo at u en doet e e n dier na. Jij m raden welk oet dier het is, en wie er ac Daarna is d h ter je zit. e beller aan de beurt.

166


Thema 10

Hoe voel je je?

voelen, denken

DE TROOST Hihihi

Hahaha

Ze kan zo grappig vertellen!

HĂŠ schuif eens op! Hihihi

Ik wil ook kijken.

Mia heeft wat afleiding nodig.

Als ze boos is kijkt ze woedend!

Ik zie op tegen de begrafenis.

Als ze bedroefd is, dan kijkt ze heel zielig.

De vader van Miaâ&#x20AC;&#x2122;s klasgenoot Liese is overleden.

Morgen wordt de vader begraven.

Zal ik met je meegaan?

Kijk Mia, Sproet wil je troosten!

169


DE AFLEIDING Mia zit op de bank in de lobby. Ze heeft een koptelefoon op en kijkt naar haar laptop. Ze heeft de slappe lach. Ze heeft tranen in haar ogen. Max loopt naar haar toe. ‘Hé, schuif eens op,’ zegt hij. ‘Ik wil ook kijken. Wat is er zo lollig?’ ‘Wacht even, Max,’ zegt Mia. ‘Ik moet even bijkomen.’ Max kijkt naar het scherm. Nu begrijpt hij het. Mia kijkt naar een optreden van Donna Freek. Dat is een komiek. ‘Ze kan zo grappig vertellen,’ zegt Mia. ‘Ze kijkt er zo gek bij. Als ze boos is, dan kijkt ze woest. Als ze bedroefd is, dan kijkt ze heel zielig. En dat is zo komisch.’ Mia is blij dat ze afleiding heeft.

Ze had vandaag een moeilijke dag op school. De vader van haar klasgenootje Liese is overleden. De kinderen hebben een rouwkaart gemaakt. Er staat ‘gecondoleerd’ op. Iedereen heeft zijn naam erbij gezet. Morgen wordt de vader begraven. Mia gaat naar de begrafenis. ‘Ik zie op tegen de begrafenis,’ zegt ze. ‘Dat kan ik me voorstellen,’ zegt Max.

170


Mijn woordenschat

t iemand Zeggen dat je meevoelt me Ik voel met je mee. . Dat kan ik me voorstellen Dat begrijp ik bedroefd = droevig Dat is erg!

de afleiding (de afleidingen) de begrafenis (de begrafenissen) de komiek (de komieken) de laptop (de laptops)

komisch

de lach < de slappe lach hebben de traan (de tranen)

Iemand condoleren Gecondoleerd. Oprechte deelneming.

de vriendschap (de vriendschappen)

Innige deelneming.

de rouwkaart (de rouwkaarten)

‘Zal ik met je meegaan?’ ‘Dat is lief, Max,’ zegt Mia. ‘Ik weet niet wat ik tegen Liese moet zeggen.’ Sproet komt aangerend. Ze heeft net met oma gewandeld. ‘Dag schatten,’ zegt oma. ‘Mia, ik vind het heel goed dat je naar de begrafenis gaat.’ ‘Max gaat mee,’ zegt Mia. ‘Wat goed dat je Mia steunt, Max,’ zegt oma. ‘Ik ben heel trots op jullie allebei. Want dit is wat echte vriendschap is. Je moet klaar staan voor elkaar.

lief lollig woest

Juist als dat moeilijk is.’ Sproet geeft Mia een lik over haar wang. ‘Kijk Mia,’ zegt oma. ‘Sproet voelt aan dat je verdrietig bent. Ze wil je troosten!’ En dat is gelukt, want Mia lacht weer.

het aan) elt het aan, hij / zij voelt vo jij n, aa t he el vo (ik iets aanvoelen t) begraaft, hij / zij begraaf begraven (ik begraaf, jij ) komt bij, hij / zij komt bij bijkomen (ik kom bij, jij t er tegenop) t er tegenop, hij / zij zie zie jij p, no ge te er zie (ik ergens tegenop zien ar voor Mia, ar voor Mia, jij staat kla kla sta (ik d an iem or vo klaar staan Mia) hij / zij staat klaar voor uift op) , jij schuift op, hij / zij sch opschuiven (ik schuif op t) overlijdt, hij / zij overlijd overlijden (ik overlijd, jij at dood) , jij gaat dood, hij / zij ga = doodgaan (ik ga dood rft, hij / zij sterft) = sterven (ik sterf, jij ste unt, hij / zij steunt) steunen (ik steun, jij ste ost, hij / zij troost) troosten (ik troost, jij tro

171


Samen praten: wat is er gebeurd? - - - - - -

Waarom heeft Mia de slappe lach? Waarom had ze een moeilijke dag op school? Waar ziet ze tegenop? Hoe wil Max haar helpen? Wat zegt oma tegen Max en Mia? Wat doet Sproet om Mia te troosten?

Ga naar

deorsmieteer

vo ten! opdrach

172


DE LOLBROEK Max: Dag allemaal. Welkom bij ... Max & Mia: ... de Max en Mia Radioshow! Max: Ik heet Max. Mia: En ik ben Mia. Katja: En ik ben Katja.

Mia: Max:

Ja, mâ&#x20AC;&#x2122;n zusje is er ook bij. Vandaag hebben we een komische gast. Mia: Ja, het is een grapjas! Max: Een echte lolbroek! Het is... Dennis! Dennis: Hoi! Max: Dennis, jij zit bij Mia in de klas, toch? Dennis: Ja, bij juf Charlotte. Mia: En hij maakt steeds grappen. Max: Vindt de juf dat ook leuk? Dennis: Nou, niet altijd. Mia: Nee, want dan lachen we allemaal, en dan let niemand op.

Max: Vertel eens een paar moppen! Dennis: OkĂŠ, even denken... Hoe noem je een framboos die blij is? Max: Een framboos die blij is... Eh... Ik weet het niet. Dennis: Een framblij! Max, Mia & Katja: Hahahahaha! 173


Dennis: Twee leeuwen lopen door de stad. Zegt de één tegen de ander: ‘Waar zijn alle mensen gebleven?’ Max & Mia: Hahahahahahah! Max: Goed, zeg! Katja: Ik snap ‘m niet. Mia: De mensen zijn er niet, die zijn weggerend. Max: Ja, omdat ze doodsbang zijn voor die leeuwen! Katja: O ja, dat is ook griezelig, ja. Twee leeuwen op straat. Heb je altijd al grappen gemaakt? Ook toen je klein was? Dennis: Nee, vroeger was ik verlegen. Ik werd veel gepest. Mia: Echt waar? Dennis: Ja. Er was een groepje jongens. Ze lachten me vaak uit. Het waren echte pestkoppen.

Katja: Wat gemeen! Dennis: Ik was erg verlegen. Toen merkte ik dat grappen maken mij hielp. Ze lachten me niet meer uit. Ze lachten om mijn grappen. Mia: Zie je die pestkoppen nog weleens? Dennis: Ja, bijna elke dag. Max: Ben je dan niet heel boos? Ik wil ze wel slaan, hoor! Mia: Max! Doe niet zo raar! Dennis: Nee, dat hoeft niet. Weet je wat je kunt doen? Max: Wat? Dennis: Goed opletten in de klas en op het schoolplein. En op de sportclub en in je buurt. Als je ziet dat iemand wordt gepest, zeg dan iets. Laat zien dat pesten niet kan. Neem het op voor het kind dat wordt gepest. 174


Mijn woordenschat de cactus (de cactussen) de grapjas (de grapjassen) < de grap < de jas de groep (de groepen)

doodsbang griezelig verlegen

< een groep jongens de lolbroek (de lolbroeken) < de lol < de broek

Dit zeg je als je prob

je iets te herinneren

Even denken...

het paar (de paren)

Eh...

< een paar grappen

Eens kijken...

de woestijn (de woestijnen)

eert

pesten (ik pest, jij pest, hij / zij pest) < de pestkop (de pestkoppen) iemand uitschelden (ik scheld hem uit, jij scheldt hem uit, hij / zij scheldt hem uit)

< schelden (ik scheld, jij scheldt, hij / zij scheldt)

het opnemen voor iemand (ik neem het op voor haar,

jij neemt het op voor haar,

hij / zij neemt het op voor haar) slaan (ik sla, jij slaat, hij / zij slaat) iemand uitlachen (ik lach hem uit, jij lacht hem uit,

hij / zij lacht hem uit)

zweven (ik zweef, jij zweeft, hij / zij zweeft)

Als dat niet helpt, zeg het dan tegen een volwassene. Mia: Wat zeg je dat goed, Dennis! Ik wist niet dat je zo serieus kon zijn. Dennis: Nou, dan maak ik snel nog een grap. Er zweven twee ballonnen door de woestijn. Zegt de één tegen de ander: ‘pas op, een cactussssssssss...’ Max, Mia & Katja: Hahahahahaha. Mia: Die is goed! Max: Dat was het weer voor vandaag. Tot de volgende keer! Mia: Doeg! Katja: Tot ziens! Dennis: Dag!

Wie zegt het? Wie heeft deze zin gezegd? - Ja, het is een grapjas! ppen? - Vertel eens een paar mo - Oké, even denken... ja. - O ja, dat is ook griezelig, - Ik weet er nog één.

175


BOOS Ben je boos? Pluk een roos Zet ‘m op je hoed Dan is het morgen weer goed Ik ben boos Maar ik heb geen roos En ook geen hoed Dus het komt nooit meer goed Ik ben boos, boos, boos, boos Boos, boos, boos Ik ben boos, ik ben boos Ik zit op mijn kamer Boos op mijn bed Jullie mogen niet komen Ik heb een stoel voor de deur gezet Jullie vragen: wat is er? Jullie vragen: waarom? Waarom ik zo kwaad ben, nou dat is heel simpel: Jullie zijn stom! Ben je boos? Pluk een roos Zet ‘m op je hoed Dan is het morgen weer goed Ik ben boos Maar ik heb geen roos En ook geen hoed Dus het komt nooit meer goed Ik ben boos, boos, boos, boos Boos, boos, boos Ik ben boos, ik ben boos

176


Jullie zitten beneden Met limonade en cake Maar ik blijf op mijn kamer Ik eet niets deze week! Jullie vragen: wat is er? Jullie vragen: waarom? Waarom ik zo kwaad ben, nou dat is heel simpel: Jullie zijn stom! Ben je boos? Pluk een roos Zet ‘m op je hoed Dan is het morgen weer goed Ik ben boos Maar ik heb geen roos En ook geen hoed Dus het komt nooit meer goed Ik ben boos, boos, boos, boos Boos, boos, boos Ik ben boos, ik ben boos Deze donkere wolken trekken langzaam voorbij Heel langzaam, heel langzaam, heel langzaam Dus over een jaar ben ik vast weer blij

Stoelendans Zet evenveel st oelen in de krin g als er kinderen zijn. H aal nu één stoe l weg. Zet het liedje op en huppel rond de stoelen. Als de muziek w ordt stopgezet, moet iedereen zo sne l mogelijk gaan zitten. Degene die ove rblijft, moet ze ggen dat hij of zij heel bo os is, en aan de kant gaan staan. Haal nu weer één stoel weg en speel totdat er nog één stoel o ver is. Wie daarop kan gaa n zitten, heeft gewonnen. 177


NAAR JE KAMER! Mia en Katja hebben ruzie. Mia wil alleen op haar kamer zijn, maar Katja wil met haar spelen. ‘Laat me met rust, Katja!’ roept Mia. ‘Blijf van mijn spullen af. Je vernielt altijd alles.’ ‘Ik vind jouw spullen toch stom!’ roept Katja. ‘Nee, je bent jaloers op mijn spulletjes. Daarom zit je er altijd met je tengels aan.’

‘Nu is het afgelopen!’ roept Manon. ‘Mia, je moest je schamen! En jij moet ophouden met huilen, Katja. Gedraag je, allebei! Ik ben het echt zat! Katja, ga naar je kamer. Wie ik nu nog hoor, is nog niet jarig! Dit is de laatste waarschuwing! Zijn jullie nou helemaal gek geworden? Ik heb al twee zeurkousen in het hotel. En nu heb ik weer last van jullie. Ik krijg er hoofdpijn van.’ ‘Twee zeurkousen?’ vraagt Mia nieuwsgierig. Dan klinkt er een bel. Het is de bel in de lobby. ‘Dat zijn ze vast weer,’ zucht Manon. Katja en Mia zijn hun ruzie vergeten. Ze willen die zeurkousen weleens zien. Er staat een echtpaar in de lobby. Ze zien er kwaad uit. De vrouw is rood. De man zweet. ‘Ik ben niet tevreden met de nieuwe kamer,’ zegt de man tegen Manon. ‘Ik wil uitzicht op de gracht. Nu heb ik uitzicht op de tuin.’ ‘Maar meneer, we hebben geen kamer met...’, begint Manon. De man slaat met zijn vuist op het bureau.

Katja kijkt verbaasd. ‘Wat zijn tengels?’ ‘Je vingers, domkop!’ roept Mia. Manon komt op het geruzie af. Zodra Katja haar ziet, begint ze te huilen. ‘Stel je niet zo aan, zeg!’ roept Mia. ‘Kijk eens, ze doet zo kinderachtig.’

178


Mijn woordenschat de domkop (de domkoppen)

het echtpaar (de echtparen)

het geruzie

< ruziën = ruziemaken het gezeur < zeuren het uitzicht de waarschuwing (de waarschuwin

de zeurkous (de zeurkousen)

gen)

en / aanstellen

zich gedragen / schamen / verbaz ik gedraag me

jij gedraagt je jaloers kattig hij / zij gedraagt zich wij gedragen ons jullie gedragen je

kinderachtig

zij gedragen zich

tevreden

kwaad ontevreden

De vrouw is nu vuurrood. Manon heeft er genoeg van. ‘En nu is het afgelopen!’ roept ze. ‘Ik ben dit gezeur zat! Jullie moesten je schamen! Naar jullie kamer, nu meteen!’ Manon slaat haar hand voor haar mond. Wat heeft ze nu gezegd? Mia en Katja giechelen. Maar het echtpaar vindt het niet grappig. Ze pakken hun spullen en verlaten het hotel. Wim ziet hen vertrekken. ‘Gaan ze nu al weg?’ vraagt hij verbaasd. ‘Mama heeft hen naar hun kamer gestuurd,’ zegt Mia. ‘Ja,’ zegt Katja, ‘maar ze luisteren niet.’

verbaasd vuurrood zich aanstellen (ik stel me aan, jij stelt je aan, hij / zij stelt zich aan) zich gedragen (ik gedraag me, jij gedraagt je, hij / zij gedraagt zich) giechelen (ik giechel, jij giechelt, hij / zij giechelt) met rust laten (ik laat Mia met rust, jij laat Mia met rust, hij / zij laat Mia met rust) last hebben van (ik heb last van dat geruzie, jij hebt last van dat geruzie, hij / zij heeft last van dat geruzie) ophouden (ik hou op, jij houdt op, hij / zij houdt op) = stoppen (ik stop, jij stopt, hij / zij stopt) zich schamen (ik schaam me, jij schaamt je, hij / zij schaamt zich) zich verbazen (ik verbaas me, jij verbaast je, hij / zij verbaast zich) vernielen (ik verniel iets, jij vernielt iets, hij / zij vernielt iets) vertrekken (ik vertrek, jij vertrekt, hij / zij vertrekt) zeuren (ik zeur, jij zeurt, hij / zij zeurt) zweten (ik zweet, jij zweet, hij / zij zweet)

het ge...

Stop met dat gehuil! huilen het gehuil Ik ben het gezeur zat. zeuren het gezeur Ik hoor jullie gegiechel. giechelen het gegiechel

179


Toneelspelen Twee kinderen maken ruzie om een pen. De één wil de pen van de ander afpakken. Dan komt een derde kind binnen. Di t is de vader of moeder. Hij of zij is heel boos en zegt dat het geruzi e afgelopen moet zijn. Gebruik de ze zinnen.

Dit zeggen je vader of moeder als ‘Je bent nog niet jarig!’ ‘Dit is de laatste waarschuwing!’

ze boos zijn

orden!?’ ‘Zijn jullie nou helemaal gek gew ‘En nu is het afgelopen!’ ‘Ga naar je kamer!’ ‘Ik ben het echt zat!’

180


HET GEHEIM

Max: Dag allemaal! Welkom bij ... Max & Mia: ... de Max en Mia Radioshow! Max: Ik heet Max. Mia: En ik ben Mia. Max: Vandaag is opa onze gast. Opa: Dag schatten. Mia: Opa, wij hebben jouw hulp nodig. Opa: O ja? Max: Ja, wij hebben een probleem. Mia: Nou, Max heeft een probleem. Max: Nee, het is allemaal jouw schuld! Mia: Niet waar! Opa: Jongens, jongens. Geen ruzie maken. Wat is er aan de hand? Max: Mia vertrouwt me niet. Mia: Nee, Max, ik vertrouw je wel. Max: Mia heeft geheimen voor mij... Mia: Mijn vriendinnetje Djuna heeft

mij een geheim verteld. Ik heb beloofd het niet verder te vertellen. En nu wil Max het geheim weten. Max: Maar Mia, je weet toch dat ik het niet doorvertel! Opa: Nou Max, Mia heeft wel gelijk, hoor. Als iemand je een geheim vertelt, dan moet je het voor jezelf houden.

Mia: Zie je nou wel, Max! Max: Opa, kom eens dichterbij. Opa: Waarom? Max: Ik wil je een geheim vertellen. Mia mag het niet weten. Ik wil het in je oor fluisteren. Mia: Wat flauw, Max! Je hebt helemaal geen geheim. Max: Wel waar. Opa: Goed, mag ik dit niet aan Mia vertellen? Max: Nee! Wil je mijn geheim niet weten? Mia: Nee, hoor. Max: Pff... Opa: Daar is niks aan, hĂŠ Max? Een geheim hebben dat niemand wil weten.

181


Mijn woordenschat het geheim (de geheimen) < een geheim bewaren

niet - wel Mia vertrouwt me niet. Max, ik vertrouw je wel!

looft iets) jij belooft iets, hij / zij be beloven (ik beloof iets, het door) het door, hij / zij vertelt lt rte ve jij or, do t he l doorvertellen (ik verte ouwt Max) ouwt Max, hij / zij vertr rtr ve jij x, Ma w ou rtr ve vertrouwen (ik nt iets) verzint iets, hij / zij verzi jij s, iet n rzi ve (ik en nn verzi mezelf, (ik hou het geheim voor iets voor zichzelf houden hzelf) udt het geheim voor zic ho zij / hij , elf jez or vo jij houdt het geheim ver weg ij- dichtstbij dichtbij - dichterb

Mia:

Weet je wie goed geheimen kan bewaren, Max? Sproet. Die vertelt nooit iets door. Opa: Hahahaha. Max: Haha, flauw hoor.

Max: Nee. Maar ik ga een heel goed geheim verzinnen.

Een geheim dat iedereen wil weten. En dan vertel ik het aan jou. En aan oma, en aan papa en mama. En aan Katja. O nee, die kan geen geheimen bewaren. En Pollie ook niet, denk ik. En ik vertel jou lekkers niks, Mia.

Mia: Dat was het weer voor deze keer. Tot de volgende keer. Max: Dag. Opa: Tot ziens!

Ja of nee? Ja? Kijk blij. Nee? Kijk bo o

s.

- Is opa de g ast? - Heeft Mia een geheim? - Vertrouwt Mia Max nie t? - Vertelt M ia het geheim door? - Wil opa he t geheim we ten? - Is Max boo s op Mia? - Verzint op a een geheim ?

182


DE VERTELKOFFER vertelkoffer

Als je heel voorzichtig bent, kun je een kijkje nemen in de koffer van de gasten van Hotel Hallo. Je weet dat het zeurkousen zijn, en als ze zien dat je aan hun spullen hebt gezeten, worden ze vast ontzettend kwaad! Leg dus alles weer precies terug zoals je het vond. Wat neem jij mee als je op reis gaat? Ben je wel eens iets belangrijks vergeten in te pakken? 183


VERKEERD

Ik tel de streepjes op m’n kussen Ik hoor mijn moeder op de trap Ze neuriet zacht en ondertussen Lig ik hier en denk goed na Voordat ik mijn bed uitstap. Verkeerd, verkeerd... Welk been is het goede dan? Niemand heeft me dat geleerd Mijn woordensc hat En dan wordt ze boos op mij! het kussen (de kuss ens) Dáár word ik chagrijnig van... chagrijnig

verkeerd

neuriën (ik neurie, jij neuriet, hij / zij neuriet)

184

goed


Samen praten: chagrijnig Ben jij weleens chagrij nig? Praat er samen over.

weetje:

nig bent, ij r g a h c je Als l eens dat je e w e z n e g it zeg erde been u e k r e v t e h met estapt. bed bent g n rkeerde bee e v t e h t e â&#x20AC;&#x2DC;M n ppenâ&#x20AC;&#x2122; is ee a t s d e b it u Ken je nog . g in k k u r d uit ukkingen? meer uitdr

tongbreker: snel

el Zeg dit vijf keer, he achter elkaar: darijnen Vijf chagrijnige man chaal. liggen in een fruits

Ga naar

de site voor meer opdrachten!

185


ZO BLIJ Vandaag werd ik wakker met een lach En ik dacht: dit wordt een mooie dag Ik ben gelukkig want het is zo fijn Om zo vrolijk te zijn Ik ben zo blij, zo blij, zo blij, zo blij Ik huppel en ik spring Ik ben zo blij, zo blij, zo blij, zo blij Ik dans en ik zing Een twee drie vier Hoedje van, hoedje van Een twee drie vier Hoedje van papier En als het hoedje dan niet past, zet ‘t in de glazen kast Een twee drie vier Hoedje van papier Ik ben zo blij, zo blij, zo blij, zo blij Ik huppel en ik spring Ik ben zo blij, zo blij, zo blij, zo blij Ik dans en ik zing In de maneschijn In de maneschijn Klom ik op een trapje naar het raamkozijn En je raadt ‘t niet En je raadt ‘t niet Zo doet een vogel en zo doet een vis Zo doet een duizendpoot die schoenenpoetser is En dat is één, en dat is twee En dat is dikke, dikke, dikke tante Kee En dat is recht, en dat is krom En zo draaien we het wieltje nog eens om

186


Ik ben zo blij, zo blij, zo blij, zo blij Ik huppel en ik spring Ik ben zo blij, zo blij, zo blij, zo blij Ik dans en ik zing We hingen met een zucht, daar boven in de lucht We zaten zo gezellig in een schuitje En niemand kon ons zien, we hadden pret voor tien Leve de zeppelin We hingen met een ......., daar boven in de ....... We zaten zo gezellig in een ........ En niemand kon ons ........, we hadden pret voor ........ Leve de zeppelin Vandaag werd ik wakker met een lach En ik dacht: dit wordt een mooie dag Ik ben gelukkig want het is zo fijn Om zo vrolijk te zijn

Zoek op en zing! Er worden drie bekende kinderliedjes gezongen: - Hoedje van papier - De zeppelin - In de maneschijn

Mijn woordensc

hat

ze Zoek de liedjes op en zing re met elkaar. Ken je nog ande kinderliedjes?

de pret de schuit (de schuiten) gelukkig recht

ongelukkig krom

vrolijk

huppelen (ik huppel, jij huppelt, hij / zij huppelt)

zo

187

Het is zo fijn om zo vrolijk te zijn.


Nog even een handige lijst!


Werkwoorden INFINITIEF

IMPERFECTUM

PARTICIPIUM

ENKELVOUD

MEERVOUD

(hulpwerkwoorden)

aaien

aaide

aaiden

geaaid (heeft)

aanmoedigen

moedigde aan

moedigden aan

aangemoedigd (heeft)

aansteken

stak aan

staken aan

aangestoken (heeft)

aanvoelen

voelde aan

voelden aan

aangevoeld (heeft)

afrekenen

rekende af

rekenden af

afgerekend (heeft)

afscheid nemen

nam afscheid

namen afscheid

afscheid genomen (heeft)

afspreken

sprak af

spraken af

afgesproken (heeft)

afsteken

stak af

staken af

afgestoken (heeft)

appen

appte

appten

geappt (heeft)

babbelen

babbelde

babbelden

gebabbeld (heeft)

begraven

begroef

begroeven

begraven (heeft)

beloven

beloofde

beloofden

beloofd (heeft)

beschermen

beschermde

beschermden

beschermd (heeft)

bestaan

bestond

bestonden

bestaan (heeft)

bestellen

bestelde

bestelden

besteld (heeft)

betoveren

betoverde

betoverden

betoverd (heeft)

bijhouden

hield bij

hielden bij

bijgehouden (heeft)

bijkomen

kwam bij

kwamen bij

bijgekomen (is)

binnenkrijgen

kreeg binnen

kregen binnen

binnengekregen (heet)

binnenlaten

liet binnen

lieten binnen

binnengelaten (heeft)

bloeien

bloeide

bloeiden

gebloeid (heeft)

blussen

bluste

blusten

geblust (heeft)

boenen

boende

boenden

geboend (heeft)

bouwen

bouwde

bouwden

gebouwd (heeft)

bukken

bukte

bukten

gebukt (heeft)

communiceren

communiceerde

communiceerden

gecommuniceerd (heeft)

doen alsof

deed alsof

deden alsof

gedaan alsof (heeft)

dooien

dooide

doorgaan

ging door

gingen door

doorgegaan (is)

doorlezen

las door

lazen door

doorgelezen (heeft)

doorvertellen

vertelde door

vertelden door

doorverteld (heeft)

dromen

droomde

droomden

gedroomd (heeft)

durven

durfde

durfden

gedurfd (heeft)

gedooid (heeft)

189


INFINITIEF

IMPERFECTUM

PARTICIPIUM

ENKELVOUD

MEERVOUD

(hulpwerkwoorden)

duwen

duwde

duwden

geduwd (heeft)

ergens in passen

paste

pasten

gepast (heeft)

ergens tegenop zien

zag ergens tegenop

zagen ergens tegenop

ergens tegenop gezien (heeft)

erven

erfde

erfden

geĂŤrfd (heeft)

flauwvallen

viel flauw

vielen flauw

flauwgevallen (is)

fluiten

floot

floten

gefloten (heeft)

genieten

genoot

genoten

genoten (heeft)

giechelen

giechelde

giechelden

gegiecheld (heeft)

glanzen

glansde

glansden

geglansd (heeft)

glimlachen

glimlachte

glimlachten

geglimlacht (heeft)

griezelen

griezelde

griezelden

gegriezeld (heeft)

hangen

hing

hingen

gehangen (heeft)

happen

hapte

hapten

gehapt (heeft)

hardlopen

liep hard

liepen hard

hardgelopen (heeft)

het opnemen voor iemand

nam het op voor iemand

namen het op voor iemand

het voor iemand opgenomen (heeft)

het uitmaken

maakte het uit

maakten het uit

het uitgemaakt (heeft)

hijgen

hijgde

hijgden

gehijgd (heeft)

hijsen

hees

hesen

gehesen (heeft)

hopen

hoopte

hoopten

gehoopt (heeft)

huppelen

huppelde

huppelden

gehuppeld (heeft)

iets voor zichzelf houden

hield iets voor zichzelf

hielden iets voor zichzelf

iets voor zichzelf gehouden (heeft)

inbreken

brak in

braken in

ingebroken (heeft)

inpakken

pakte in

pakten in

ingepakt (heeft)

in slaap vallen

viel in slaap

vielen in slaap

in slaap gevallen (is)

intoetsen

toetste in

toesten in

ingetoetst (heeft)

intypen

typte in

typten in

ingetypt (heeft)

zijn eigen gang gaan

ging zijn eigen gang

gingen hun eigen gang

zijn eigen gang gegaan (is)

zich iets voorstellen

stelde zich iets voor

stelden zich iets voor

zich iets voorgesteld (heeft)

juichen

juichte

juichten

gejuicht (heeft)

kibbelen

kibbelde

kibbelden

gekibbeld (heeft)

klaarstaan voor iemand

stond klaar

stonden klaar

klaargestaan (heeft)

kletsen

kletste

kletsten

gekletst (heeft)

kliederen

kliederde

kliederden

gekliederd (heeft)

knippen

knipte

knipten

geknipt (heeft)

190


INFINITIEF

IMPERFECTUM

PARTICIPIUM

ENKELVOUD

MEERVOUD

(hulpwerkwoorden)

kopen

kocht

kochten

gekocht (heeft)

kopjes geven

gaf kopjes

gaven kopjes

kopjes gegeven (heeft)

kwispelen

kwispelde

kwispelden

gekwispeld (heeft)

last hebben van

had last van

hadden last van

last gehad van(heeft)

leiden

leidde

leidden

geleid (heeft)

lenen

leende

leenden

geleend (heeft)

lezen

las

lazen

gelezen (heeft)

likken

likte

likten

gelikt (heeft)

loslaten

liet los

lieten los

losgelaten (heeft)

mailen

mailde

mailden

gemaild (heeft)

meenemen

nam mee

namen mee

meegenomen (heeft)

mengen

mengde

mengden

gemengd (heeft)

met rust laten

liet met rust

lieten met rust

met rust gelaten (heeft)

miauwen

miauwde

miauwden

gemiauwd (heeft)

mikken

mikte

mikten

gemikt (heeft)

neuriĂŤn

neuriede

neurieden

geneuried (heeft)

noemen

noemde

noemden

genoemd (heeft)

onthouden

onthield

onthielden

onthouden (heeft)

opblazen

blies op

bliezen op

opgeblazen (heeft)

opblijven

bleef op

bleven op

opgebleven (is)

ophangen

hing op

hingen op

opgehangen (heeft)

ophouden

hield op

hielden op

opgehouden (is)

opladen

laadde op

laadden op

opgeladen (heeft)

opnemen

nam op

namen op

opgenomen (heeft)

oppassen

paste op

pasten op

opgepast (heeft)

opschrijven

schreef op

schreven op

opgeschreven (heeft)

opschuiven

schoof op

schoven op

opgeschoven (heeft / is)

opslaan

sloeg op

sloegen op

opgeslagen (heeft)

optreden

trad op

traden op

opgetreden (heeft / is)

opvouwen

vouwde op

vouwden op

opgevouwen (heeft)

opzoeken

zocht op

zochten op

opgezocht (heeft)

overslaan

sloeg over

sloegen over

overgeslagen (heeft)

parkeren

parkeerde

parkeerden

geparkeerd (heeft)

passen

paste

pasten

gepast (heeft)

passen in

paste in

pasten in

ingepast (heeft)

pesten

pestte

pestten

gepest (heeft)

pianospelen

speelde piano

speelden piano

pianogespeeld (heeft)

piepen

piepte

piepten

gepiept (heeft)

191


INFINITIEF

IMPERFECTUM

PARTICIPIUM

ENKELVOUD

MEERVOUD

(hulpwerkwoorden)

piesen

pieste

piesten

gepiest (heeft)

pikken

pikte

pikten

gepikt (heeft)

pinnen

pinde

pinden

gepind (heeft)

planten

plantte

plantten

geplant (heeft)

printen

printte

printten

geprint (heeft)

rappen

rapte

rapten

gerapt (heeft)

redden

redde

redden

gered (heeft)

rekken

rekte

rekten

gerekt (heeft)

repeteren

repeteerde

repeteerden

gerepeteerd (heeft)

rijmen

rijmde

rijmden

gerijmd (heeft)

ronddraaien

draaide rond

draaiden rond

rondgedraaid (heeft / is)

schaken

schaakte

schaakten

geschaakt (heeft)

schelden

schold

scholden

gescholden (heeft)

schieten

schoot

schoten

geschoten (heeft)

schilderen

schilderde

schilderden

geschilderd (heeft)

schommelen

schommelde

schommelden

geschommeld (heeft)

schoonmaken

maakte schoon

maakten schoon

schoongemaakt (heeft)

schuiven

schoof

schoven

geschoven (heeft)

scoren

scoorde

scoorden

gescoord (heeft)

skiĂŤn

skiede

skieden

geskied (heeft / is)

slaan

sloeg

sloegen

geslagen (heeft)

slingeren

slingerde

slingerden

geslingerd (heeft)

snuffelen

snuffelde

snuffelden

gesnuffeld (heeft)

sparen

spaarde

spaarden

gespaard (heeft)

spinnen

spinde

spinden

gespind (heeft)

staren

staarde

staarden

gestaard (heeft)

stelen

stal

stalen

gestolen (heeft)

stofzuigen

stofzuigde

stofzuigden

gestofzuigd (heeft)

stoppen

stopte

stopten

gestopt (heeft / is)

strekken

strekte

strekten

gestrekt (heeft)

sturen

stuurde

stuurden

gestuurd (heeft)

timmeren

timmerde

timmerden

getimmerd (heeft)

toosten

toostte

toostten

getoost (heeft)

toveren

toverde

toverden

getoverd (heeft)

trainen

trainde

trainden

getraind (heeft)

trakteren

trakteerde

trakteerden

getrakteerd (heeft)

trekken

trok

trokken

getrokken (heeft)

uitblazen

blies uit

bliezen uit

uitgeblazen (heeft)

192


INFINITIEF

IMPERFECTUM

PARTICIPIUM

ENKELVOUD

MEERVOUD

(hulpwerkwoorden)

uitdelen

deelde uit

deelden uit

uitgedeeld (heeft)

uitgeven

gaf uit

gaven uit

uitgegeven (heeft)

uitklappen

klapte uit

klapten uit

uitgeklapt (heeft)

uitlaten

liet uit

lieten uit

uitgelaten (heeft)

uitlezen

las uit

lazen uit

uitgelezen (heeft)

uitnodigen

nodigde uit

nodigden uit

uitgenodigd (heeft)

uitpakken

pakte uit

pakten uit

uitgepakt (heeft)

uitprinten

printte uit

printten uit

uitgeprint (heeft)

uitschelden

schold uit

scholden uit

uitgescholden (heeft)

uitzoeken

zocht uit

zochten uit

uitgezocht (heeft)

verdwalen

verdwaalde

verdwaalden

verdwaald (is)

vergeten

vergat

vergaten

vergeten (heeft / is)

verklappen

verklapte

verklapten

verklapt (heeft)

verkopen

verkocht

verkochten

verkocht (heeft)

verliezen

verloor

verloren

verloren (heeft / is)

vernielen

vernielde

vernielden

vernield (heeft)

versieren

versierde

versierden

versierd (heeft)

versturen

verstuurde

verstuurden

verstuurd (heeft)

vertrekken

vertrok

vertrokken

vertrokken (is)

vertrouwen

vertrouwde

vertrouwden

vertrouwd (heeft)

verven

verfde

verfden

geverfd (heeft)

verwennen

verwende

verwenden

verwend (heeft)

verzinnen

verzon

verzonnen

verzonnen (heeft)

verzorgen

verzorgde

verzorgden

verzorgd (heeft)

vieren

vierde

vierden

gevierd (heeft)

voeren

voerde

voerden

gevoerd (heeft)

voetballen

voetbalde

voetbalden

gevoetbald (heeft)

vouwen

vouwde

vouwden

gevouwen (heeft)

vriezen

vroor

vroren

gevroren (heeft)

waarschuwen

waarschuwde

waarschuwden

gewaarschuwd (heeft)

wegvallen

viel weg

vielen weg

weggevallen (is)

wensen

wenste

wensten

gewenst (heeft)

winkelen

winkelde

winkelden

gewinkeld (heeft)

winnen

won

wonnen

gewonnen (heeft)

zagen

zaagde

zaagden

gezaagd (heeft)

zeilen

zeilde

zeilden

gezeild (heeft / is)

zeuren

zeurde

zeurden

gezeurd (heeft)

zich aanstellen

stelde zich aan

stelden zich aan

zich aangesteld (heeft)

193


INFINITIEF

IMPERFECTUM

PARTICIPIUM

ENKELVOUD

MEERVOUD

(hulpwerkwoorden)

zich concentreren

concentreerde zich

concentreerden zich

zich geconcentreerd (heeft)

zich gedragen

gedroeg zich

gedroegen zich

zich gedragen (heeft)

zich schamen

schaamde zich

schaamden zich

zich geschaamd (heeft)

zich thuis voelen

voelde zich thuis

voelden zich thuis

zich thuis gevoeld (heeft)

zich verbazen

verbaasde zich

verbaasden zich

zich verbaasd (heeft)

zorgen voor

zorgde voor

zorgden voor

gezorgd voor (heeft)

zwemmen

zwom

zwommen

gezwommen (heeft / is)

zweten

zweette

zweetten

gezweet (heeft)

Colofon Auteur: Kim Koelewijn Corrector: Peter Schoenaerts Stemmen radioshows: Lidian van Bommel Kamiel Bouw Michelle Bouw Olivia Bouw Ymkje Broersma Janny van Ginkel Richard de Goederen Kim Koelewijn Helga van Loo Suzan van der Meij Mariel Pezik Pajoow Peter Schoenaerts Veerle Vandecasteele Cees van der Wildt Ruud Zijdel erique van Bommel Gedichten voorgedragen door: Fred Kim Koelewijn Opname radioshows en gedichten: lewijn Tekst en muziek liedjes: Kim Koe opname liedjes: Hans Hollestelle Arrangementen, instrumenten en Stem verhalen: Ramsey Nasr Opname verhalen: Studio Le Roy van d gekomen met de hulp en steun ‘Nog meer Hotel Hallo’ is tot stan am. van Boom uitgevers Amsterd ’t Klokhuis, de Taalunie en het team

194

Profile for Boom uitgevers Amsterdam

Nog meer Hotel Hallo  

Nog meer Hotel Hallo