Page 1

Werkboek – online oefenen – website NT2-niveau 0 naar A1

In de tien thema’s van Klim op leert de cursist doelgericht de basiswoordenschat en een veelheid aan praktische taalhandelingen in alledaagse contexten. In het boek zijn de oefeningen duidelijk geordend op vaardigheid: luisteren, (begrijpend) lezen, schrijven, (na)spreken en grammatica. De oefeningen zijn eenvoudig en door het steeds aanbieden op een verschillende manier wordt de woordenschat goed ingeslepen. Ieder thema sluit af met een dictee, een uitspraakoefening en een oefening met flashcards.

Op www.nt2school.nl kan de cursist zelfstandig en interactief extra oefenen met de nieuwe woorden en met spreken. Ook vindt hij daar de geluidsfragmenten, de antwoordsleutels en de woordenlijsten per hoofdstuk met vertaling. De docent kan op dezelfde site terecht voor de docentenhandleiding en voor methode-afhankelijke toetsen per thema.

In eenvoudige stappen van NT2-niveau 0 naar A1

Klim op is een basismethode Nederlands als tweede taal voor volwassenen die in eenvoudige, gestructureerde stappen Nederlands willen leren. De inhoud en manier van leren is het meest geschikt voor mensen die een praktisch beroep (willen) uitoefenen en voor NT2-leerders op mbo-niveau die meer herhaling nodig hebben voor het leren van de taal. Het eindniveau is A1. Hiermee zet de cursist een eerste stap richting het inburgeringsexamen.

Klim op

K

Klim op

Sandra Duenk

Klim op In eenvoudige stappen van NT2-niveau 0 naar A1

www.nt2school.nl www.nt2.nl

omslag klimop defintief-2.indd 1

12-07-19 11:00


Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 1

12-07-19 10:47


Klim op in NT2 SCHOOL • • • • • •

Ga naar www.nt2school.nl. Maak een account aan. (Als je al een account hebt, log dan in!) Klik op ‘Lesmateriaal’. Voer eenmalig onderstaande code in. Bevestig. Je kunt nu aan de slag!

Niet vergeten! Mijn inloggegevens www.nt2school.nl Gebruikersnaam: _________________________________________________________________________ Wachtwoord: ______________________________________________________________________________

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 2

12-07-19 10:47


Klim op In eenvoudige stappen van NT2-niveau 0 naar A1 Sandra Duenk

Boom, Amsterdam

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 3

12-07-19 10:47


© 2019, Sandra Duenk, Utrecht | Boom uitgevers Amsterdam Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm

of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van de artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb. 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht (postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van artikel 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912.

Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken

(artikel 16 Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.stichting-pro.nl).

No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher.

Vormgeving en opmaak: Anja Verhart Illustraties: Sjors Vervoort, Eindhoven Foto’s: shutterstock.com, p. 218 © RVD - Erwin Olaf ISBN 97 89 02442 412 2 NUR 110

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 4

12-07-19 10:47


Inhoud Voorwoord Thema

Taalhulp

Thema 1

Kennismaken naam, woonplaats, land, taal, werk

Thema 2

MAAR TJE

A N N ELI ES

ELI S E

HUGO

J UA N

SASKIA

PED R O

S EP

LI ES

JAN

V I N CEN T

OLIVIA

MA R K

MAR T I N E

H ELEEN

P E T ER

MAR T I N

10 werkwoord enkelvoud, persoonlijk voornaamwoord enkelvoud, vragen stellen

28 werkwoord meervoud, persoonlijk voornaamwoord meervoud, vragen stellen

Familie stamboom, familierelaties, getallen tot 100, formulier invullen, persoonlijke gegevens

44 enkelvoud en meervoud van het zelfstandig naamwoord, bezittelijk voornaamwoord, vragen

MA D EL EI N

Thema 4

Dagelijkse activiteiten opbouw woordenschat, werkwoorden

Thema 5

De tijd de klok, dagdelen, dagelijkse activiteiten, hobby’s

Thema 6

Afspreken week, dagen, maanden, seizoenen, agenda, uitgaan en afspreken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 5

Grammatica

Hoe gaat het? begroeten, vragen hoe het gaat, reageren, bedanken, gedag zeggen

Thema 3

7

68

werkwoorden in de tegenwoordige tijd, hulpwerkwoorden

88 werkwoorden in de tegenwoordige tijd, inversie, vragen, hulpwerkwoorden, en/of

114 zullen, want, maar, inversie

12-07-19 10:47


Thema

Taalhulp

Grammatica

Thema 7

Eten en drinken ontbijt, lunch, avondeten, voorkeuren, bestellen, betalen, geld

Thema 8 BROCCOLI €1.58/1kg

MAI S €1.50/1kg

BLO EMKOOL €1.54/1kg

BONE N €2.10/1kg

WO RTELS €2.25/1kg

PAPRIKA €3.00/1kg

S LA €1.50/1kg

AARDAPPELEN €1.99/1kg

POMPOE N €2.50/1kg

AUBE RGINE €1.80/1kg

UIE N €0.90/1kg

PRE I €1.10/1kg

KE RS E N €6.50/1kg

MANGO €7.50/1kg

APPE LS €2.50/1kg

MANDARIJNE N €2.50/1kg

PE RE N €1.90/1kg

C ITROE N €3.50/1kg

S INAAS APPE L €3.00/1kg

FR A M B O ZEN €9.50/1kg

A NA NA S €2.80/1kg

DR U IV EN €5.50/1kg

WATE RME LOE N €1.50/1kg KIWI

B A NA NEN €1.50/1kg

A A R DB EIEN €6.50/1kg

€4.50/1kg

Thema 9 BOERENKAAS €16.50/1kg

OUDEKAAS €18.50/1kg

JONGE KAAS €10.50/1kg

CAMAMBERT €15.50/1kg

ROLLADE €17.00/1kg

geld, gewicht, producten, aanbiedingen, kleur, openingstijden, recepten, online kopen P R U IM EN €3.50/1kg

COURGE T TE €1.50/1kg

STEAK €35.00/1kg

GATENKAAS €12.50/1kg

HAMBURGER €11.50/1kg

SPARERIBS €15.50/1kg

WORST €12.50/1kg

LAMSVLEES €25.50/1kg

P R U IM EN €4.50/1kg

Winkelen HARING €2.00

LEKKERBEKJE €3,75

GARNALEN €9.50/1kg

ZALM €25.50

T ONIJN €9.50

kleding, schoenen, maten, uiterlijk, soorten winkels, online winkelen, bankpas, creditcard ZONNEBLOEMEN € 7,69 per bos

ZONNEBLOEMEN € 7,69 per bos

TULPEN € 7 per bos

GERBERA’S €15 per bos

KROKUSSEN € 9 per bos

KROKUSSEN € 9 per bos

ROZEN €12 per bos

HYACINTEN €9 per bos

HYACINTEN €9 per bos

GERBERA’S €15 per bos

Thema 10 Gezondheid dokter, apotheek, tandarts, consultatiebureau, kraamzorg, verloskundigenpraktijk, ziekenhuis, thuiszorg, fysiotherapie, logopedie, medicijnen, klachten, lichaamsdelen

Transcripten

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 6

niet, geen

Boodschappen doen

PE PE RS €3.50/1kg

TOMATE N €1.10/1kg

140

168

meervoud, de/het/een, bijvoeglijk naamwoord, vergelijken

202 meervoud, de/het/een, verwijswoorden, bijvoeglijk naamwoord, vergelijken, er als plaats

228 meervoud, dus, advies met ‘moeten’, oorzaak en gevolg met ‘want’, verleden tijd

256

12-07-19 10:47


Voorwoord Klim op is een basismethode Nederlands als tweede taal voor praktisch opgeleide volwassenen binnen en buiten Nederland. De opzet is gebaseerd op die van Van start, aangevuld met werkvormen passend bij de doelgroep. De methode is gericht op anderstaligen die een praktisch beroep (willen) uitoefenen. Maar ook voor NT2-leerders op mbo-niveau die in een wat lager tempo willen leren dan met Van start, is de methode heel geschikt. Het eindniveau van Klim op is A1. Hiermee zet de NT2-leerder de eerste stap naar het niveau dat vereist is voor het inburgeringsexamen. Klim op bestaat uit tien thema’s waar beginnende NT2-leerders regelmatig mee in aanraking komen. Het gaat om alledaagse situaties zoals kennismaken, praten over persoonlijke gegevens, dagelijkse activiteiten beschrijven, een afspraak maken, eten en drinken, boodschappen doen, winkelen en naar de dokter gaan. Elk thema begint met drie dialogen oplopend in niveau, gevolgd door de belangrijkste zinnen uit die dialogen. De zinnen kan de NT2-leerder beluisteren en naspreken. Bij de dialogen horen eenvoudige begripsoefeningen. Deze oefeningen worden gevolgd door twee oefeningen met gatenteksten (lezen en luisteren). De inhoud van deze teksten is een kopie van of een variatie op de drie begindialogen. Vervolgens breidt hij zijn taalkennis van het thema verder uit met de Taalhulp. Ook hierbij kan hij het taalaanbod beluisteren en nazeggen. Het hoofdstuk biedt verder een groot aantal oefeningen aan om de inhoud van de taalhulp met verschillende werkvormen onder de knie te krijgen. Elk hoofdstuk wordt afgesloten met een aantal herhalingsoefeningen; dictee, uitspraak en flashcards. Met de code voor in dit boek krijgt de leerder op www.nt2school.nl toegang tot de online leeromgeving bij Klim op. Hier vindt de leerder online oefeningen waarmee hij geheel zelfstandig, in zijn eigen tijd en tempo, veel extra kan oefenen. In de online leeromgeving is verder het volgende materiaal te vinden: • de geluidsfragmenten; • de antwoordsleutels; • de woordenlijsten per thema met vertalingen; • de methode-afhankelijke toetsen per hoofdstuk; • de docentenhandleiding.

Voorwoord Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 7

7 12-07-19 10:47


K

Met Klim op kan de NT2-leerder op een gestructureerde manier stap voor stap aan zijn taalontwikkeling werken. Bij elk onderdeel wordt gewerkt vanuit de uitleg en gestuurde oefeningen naar meer vrije oefeningen. Op deze manier wordt nieuwe woordenschat op verschillende manieren en binnen verschillende contexten aangeboden en geoefend. Bij de grammatica gebeurt dit impliciet. Bij het leren van een vreemde taal is het van groot belang dat de taalleerder enthousiast en gemotiveerd is en blijft. Klim op biedt daarom een inspirerende leeromgeving waarbij het taalaanbod ondersteund wordt door mooi en duidelijk beeldmateriaal. Door de praktische inhoud zal ook het doel van het leren van het taalaanbod steeds duidelijk zijn. Ten slotte zorgt de gestructureerde aanpak en de herhaling binnen de methode ervoor dat de NT2-leerder zich zeker voelt van wat hij heeft geleerd en gemotiveerd is om verder te komen. Ik wil graag mijn collega Inez Schotanus bedanken voor haar feedback bij de ontwikkeling van deze methode. Mijn dank gaat ook uit naar mijn collega Hanneke van Nes die de titel Klim op heeft bedacht. Zoals een klimop razendsnel kan groeien, groeit een taalleerder in zijn ontwikkeling met het leren van een vreemde taal. Veel taalleerders geven zelfs aan dat zij met de nieuwe taal een extra identiteit krijgen. Met deze methode hoop ik dat NT2-leerders zich thuis kunnen gaan voelen in hun Nederlandstalige werk- en privĂŠleven. En bovenal dat ze het leren van het Nederlands als plezierig en inspirerend zullen ervaren.

Sandra Duenk

8

Klim op Voorwoord

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 8

12-07-19 10:47


K Thema’s

Voorwoord Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 9

9

12-07-19 10:47


1

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 10

Kennismaken

12-07-19 10:47


1 Luisteren, lezen en spreken A

Luister naar de teksten. Lees mee.

Wie ben jij? Dit is Peter. En jij? Wie ben jij? Ik ben ________________________ . Hij heet Peter de Groot. En jij? Hoe heet jij? Ik heet _______________________ .

Wie ben jij? Dit is Bas. En jij? Wie ben jij? Ik ben ________________________________ . Hij heet Bas Jansen. En jij? Hoe heet jij? Ik heet _______________________________ .

Hij komt uit Nederland. En jij? Waar kom jij vandaan? Ik kom uit ___________________________________ . Hij woont in Amsterdam. En jij? Waar woon jij? Ik woon in ___________________________________ .

1 Kennismaken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 11

11 12-07-19 10:47


Wie ben jij? Dit is Rabiaa. En jij? Wie ben jij? Ik ben ______________________________ . Zij heet Rabiaa Al Hamidi. En jij? Hoe heet jij? Ik heet ____________________________ . Zij komt uit Syrië. En jij? Waar kom jij vandaan? Ik kom uit ___________________________________ . Zij woont in Utrecht. En jij? Waar woon jij? Ik woon in ___________________________________ . Zij werkt bij een basisschool. En jij? Waar werk jij? Ik werk bij ___________________________________ . Zij spreekt Arabisch, Engels en een beetje Nederlands. En jij? Welke taal spreek jij? Ik spreek _________________________________ .

B

Luister naar de zinnen uit de teksten. Lees mee. Zeg na.

12

Klim op 1 Kennismaken

Wie ben jij? Hoe heet jij? Waar kom jij vandaan? Waar woon jij? Waar werk jij? Welke taal spreek jij?

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 12

Ik ben Rabiaa. Ik heet Rabiaa. Ik kom uit Syrië. Ik woon in Utrecht. Ik werk bij een basisschool. Ik spreek Arabisch, Engels en een beetje Nederlands.

12-07-19 10:47


2 Luisteren en lezen Waar of niet waar? Kruis aan. 1 2 3 4 5

Bas komt uit Nederland. Bas woont in Utrecht. Rabiaa werkt in een supermarkt. Peter spreekt Arabisch. Rabiaa komt uit Syrië.

niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar

3 Luisteren en schrijven Luister naar de dialoog. Vul de woorden in. Julia Carlos Julia Carlos Julia Carlos Julia Carlos

waar waar waar waar waar

Hoe h_____________ jij? Ik h_____________ Carlos? En jij? W_____________ ben jij? Ik ben Julia. W_____________ kom jij vandaan? Ik kom uit Spanje. En jij? Ik kom uit Rusland. Oké, en welke taal s_____________ jij? Ik s_____________ Russisch, Engels en een beetje Nederlands. En jij? Ik s_____________ Spaans en een beetje Nederlands.

4 Lezen en schrijven

Lees de dialoog. Vul de woorden in. Anna Joost Anna Joost Anna

Ik ben Anna, en wie ben j_____________ ? Ik ben Joost. Ik w_____________ in Amsterdam, en jij? Ik w_____________ in Utrecht. Waar werk jij? Ik w_____________ bij een supermarkt. En jij? Ik w_____________ bij een basisschool.

1 Groeten Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 13

13 12-07-19 10:47


5 Woorden

Lees de zinnen. Vul de woorden in. Kies uit: Hoe – Waar – Waar – Waar – Welke – Wie 1 ___________________ woon jij? 2 ___________________ ben jij? 3 ___________________ kom jij vandaan? 4 ___________________ taal spreek jij? 5 ___________________ werk jij? 6 ___________________ heet jij?

Taalhulp

Kennismaken

Wie ben jij? Wie ben jij? Ik ben Peter. Hoe heet jij? Ik heet Peter.

14

Klim op 1 Kennismaken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 14

12-07-19 10:47


Land Waar kom jij vandaan? Ik kom uit:

Nederland

Engeland

Amerika

Australië

Frankrijk

Duitsland

Spanje

Italië

Polen

Marokko

Turkije

Syrië

Irak

Afghanistan

China

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

Taal Welke taal spreek jij? Ik spreek Nederlands, Engels, Frans, Duits, Spaans, Italiaans, Pools, Arabisch, Chinees, ...

Woonplaats Waar woon jij? Ik woon in Amsterdam.

1 Kennismaken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 15

15 12-07-19 10:47


Werk Waar werk jij? Ik werk bij een supermarkt.

16

de supermarkt

de school

het cafĂŠ

de crèche

de kapsalon

de kledingwinkel

Klim op 1 Kennismaken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 16

12-07-19 10:47


Wat voor werk doe je? Ik ben kok.

de docent

de kapper

de poltieagent

de vuilnisman

de verpleegkundige

de schoonmaker

de automonteur

de kok 1 Kennismaken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 17

17 12-07-19 10:47


6 A B C

Luisteren, lezen en spreken

Luister en lees mee. Luister, lees mee en zeg na. Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek. 1 2 3 4 5

Wie ben jij? Ik ben Pedro. Waar kom jij vandaan? Ik kom uit Spanje. Welke taal spreek jij?

6 Ik spreek Spaans. 7 Waar woon jij? 8 Ik woon in Amsterdam. 9 Wat voor werk doe jij? 10 Ik ben automonteur.

7 Lezen en schrijven

Lees de informatie bij Nederland en vul in. naam

land

Ahmed

Marokko

woonplaats

Brian

Kasia

Chuan

18

taal

werk

Engels

Utrecht

in een cafĂŠ

Klim op 1 Kennismaken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 18

12-07-19 10:47


Dit is Brian. Hij komt uit Engeland. Hij woont in Amsterdam. Hij spreekt Engels. Hij is kapper.

NEDERLAND

Groningen

Dit is Chuan. Hij komt uit China. Hij woont in Groningen. Hij spreekt Chinees en Nederlands. Hij werkt bij een café.

Amsterdam Utrecht Rotterdam

Dit is Ahmed. Hij komt uit Marokko. Hij woont in Rotterdam. Hij spreekt Arabisch en Nederlands. Hij is politieagent.

Dit is Kasia. Zij komt uit Polen. Zij woont in Utrecht. Zij spreekt Pools en Nederlands. Zij is verpleegkundige.

1 Kennismaken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 19

19 12-07-19 10:47


8 Luisteren

Luister naar de teksten. Kies de goede antwoorden. Voorbeeld: Anna komt uit Spanje / Italië.

Anna

1 Anna woont in Rotterdam / Amsterdam. 2 Zij werkt in een café / kapsalon.

Vivian

3 Vivian woont in Amersfoort / Amsterdam. 4 Vivian werkt als verpleegkundige / docent. 5 Vivian spreekt een beetje Frans / Nederlands.

Eric

6 Eric komt uit Spanje / Engeland. 7 Eric woont in Utrecht / Rotterdam. 8 Eric is kok / automonteur.

9 Schrijven

Geef antwoord. 1 2 3 4 5

20

Hoe heet jij? Ik heet _____________________________________________________________________________ . Waar kom jij vandaan? Ik kom _____________________________________________________________________________ . Waar woon jij? Ik ____________________________________________________________________________________ . Welke taal spreek jij? Ik ____________________________________________________________________________________ . Wat voor werk doe jij? Ik ____________________________________________________________________________________ .

Klim op 1 Kennismaken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 20

12-07-19 10:47


10 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vragen. Cursist B geeft antwoord. 1 2 3 4 5

11 Grammatica

Hoe heet jij? Waar kom jij vandaan? Waar woon jij? Welke taal spreek jij? Wat voor werk doe jij?

Kijk naar de tabel. Vul de laatste kolom in.

!

komen

spreken

wonen

ik

kom

spreek

woon

jij/je, u

komt

spreekt

woont

hij, zij/ze

komt

spreekt

woont

Jij spreekt Spaans

werken

Spreek jij Spaans?

12 Grammatica

Werk in tweetallen. Cursist A leest de zinnen. Cursist B geeft antwoord.

komen

1 A Ik kom uit ___________________________ . En jij? Waar kom jij vandaan? B Ik kom uit ___________________________ . 1 Kennismaken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 21

21 12-07-19 10:47


2 3

A Hij komt uit Engeland. En jij? Waar kom jij vandaan? B Ik kom uit ___________________________ . A Zij komt uit Spanje. En jij? Waar kom jij vandaan? B Ik kom uit ___________________________ .

spreken 1 2 3

A Ik spreek ___________________________ . En jij? Welke taal spreek jij? B Ik spreek ___________________________ . A Hij spreekt Engels. En jij? Welke taal spreek jij? B Ik spreek ___________________________ . A Zij spreekt Spaans. En jij? Welke taal spreek jij? B Ik spreek ___________________________ .

wonen 1 2 3

A Ik woon in ___________________________ . En jij? Waar woon jij? B Ik woon in ___________________________ . A Hij woont in Utrecht. En jij? Waar woon jij? B Ik woon in ___________________________ . A Zij woont in Amsterdam. En jij? Waar woon jij? B Ik woon in ___________________________ .

werken 1 2 3

A Ik werk bij een ___________________________ . En jij? Waar werk jij? B Ik werk bij een ___________________________ . A Hij werkt bij een supermarkt. En jij? Waar werk jij? B Ik werk bij een ___________________________ . A Zij werkt bij een kledingwinkel. En jij? Waar werk jij? B Ik werk bij een ___________________________ .

13 Grammatica

Kies het goede woord.

Voorbeeld: Ik woon / woont / wonen in Amsterdam. 1 Jij werk / werkt / werken in een supermarkt. 2 Hij spreek / spreekt / spreken Arabisch.

22

Klim op 1 Kennismaken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 22

12-07-19 10:47


3 U ben / bent / is politieagent. 4 Ik kom / komt / komen uit Polen. 5 Maria doe / doet / doen het werk.

14 Grammatica

Kies het goede woord.

Kies uit: ben – komt – spreek – werkt – woont Voorbeeld: Bas werkt bij een supermarkt. 1 2 3 4 5

Rabiaa ________________________ uit Syrië. Ik ________________________ Nederlands, Engels en een beetje Spaans. Jij ________________________ bij een kapsalon. Hij ________________________ in Rotterdam. Ik ________________________ Maria.

15 Luisteren en spreken

Luister naar de letters van het alfabet. Lees mee. Luister nog een keer. Lees mee en zeg na.

Hoofdletters A N

B O

C P

Kleine letters a n

b o

c p

D Q

E R

F S

G T

H U

I V

J K W X

L Y

M Z

d q

e r

f s

g t

h u

i v

j w

l y

m z

k x

1 Kennismaken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 23

23 12-07-19 10:47


16 Luisteren en naspreken

Werk in tweetallen. Luister naar de zinnen. Spreek ze na. Cursist A spreekt A en cursist B spreekt B. 1 2 3 4

B B B B B B B B

Ik heet Bas. B - a- s. Ik heet Rabiaa. R - a - b - i- a - a. Ik heet Maria. M - a- r - i - a. Brian. B - r - i - a - n.

17 Lezen en naspreken

Werk in tweetallen. Cursist A leest A en cursist B leest B. 1 2 3 4

24

A Hoe heet je? A Hoe spel je dat? A Hoe heet je? A Hoe spel je dat? A Hoe heet je? A Hoe spel je dat? A Hoe heet je? A Hoe spel je dat?

A Hoe heet je? A Hoe spel je dat? A Hoe heet je? A Hoe spel je dat? A Hoe heet je? A Hoe spel je dat? A Hoe heet je? A Hoe spel je dat?

B B B B B B B B

Ik heet Peter. P - e - t - e - r. Ik heet Ahmed. A - h - m - e - d. Ik heet Kasia. K - a - s - i - a. Ik heet Chuan. C - h - u - a - n.

Klim op 1 Kennismaken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 24

12-07-19 10:47


18 Schrijven

Schrijf nu zelf het alfabet. Schrijf de hoofdletters en de kleine letters.

A a, B b, C c,

____________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________

19 Luisteren en schrijven Luister en schrijf de letters op. Welke namen zijn het? 1 2 3 4 5

________________________________________ ________________________________________ ________________________________________ ________________________________________ ________________________________________

20 Dictee A

6 ________________________________________ 7 ________________________________________ 8 ________________________________________ 9 ________________________________________ 10 ________________________________________

➤ woorden

Lees de woorden. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 2 3 4 5

wie hoe waar welke wat

- - - - -

___________________________ ___________________________ ___________________________ ___________________________ ___________________________

6 ben - 7 heet - 8 kom - 9 spreek - 10 woon -

___________________________ ___________________________ ___________________________ ___________________________ ___________________________

1 Kennismaken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 25

25 12-07-19 10:47


B

C

Omcirkel het woord dat je hoort.

1 2 3 4 5

________________________________________ ________________________________________ ________________________________________ ________________________________________ ________________________________________

21 Dictee A

6 lees - - 7 docent - 8 school 9 Amsterdam - - 10 tekst

café dialoog op kapper spel

6 ________________________________________ 7 ________________________________________ 8 ________________________________________ 9 ________________________________________ 10 ________________________________________

➤ zinnen

Lees de zinnen. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 2 3 4 5

26

woord bij in letter taal

Schrijf de woorden die je hoort.

1 2 3 4 5

werk - doe - uit - luister - dat -

Ik ben Peter.

_______________________________________________________________________________________ .

Ik woon in Amsterdam.

_______________________________________________________________________________________ .

Hij komt uit Spanje.

_______________________________________________________________________________________ .

Spreek je Engels?

_______________________________________________________________________________________ .

Zij werkt bij een basisschool.

_______________________________________________________________________________________ .

Klim op 1 Kennismaken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 26

12-07-19 10:47


B

Aan de slag!

Schrijf de zinnen die je hoort.

1 _______________________________________________________________________________________ . 2 _______________________________________________________________________________________ . 3 _______________________________________________________________________________________ . 4 _______________________________________________________________________________________ . 5 _______________________________________________________________________________________ . 6 _______________________________________________________________________________________ . 7 _______________________________________________________________________________________ . 8 _______________________________________________________________________________________ . 9 _______________________________________________________________________________________ . 10 _______________________________________________________________________________________ .

22 Uitspraak

➤ e - ee

Luister naar de woorden. Lees mee en zeg na. 1 2 3 4 5

ben werk tekst docent spel

6 lees 7 spreek 8 heet 9 beetje 10 Chinees

23 Woorden

Ga naar de website en print de flashcards. Knip ze uit en leer de woorden.

Oefen online met de woorden uit dit thema en verbeter je uitspraak.

1 Kennismaken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 27

27 12-07-19 10:47


2

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 28

Hoe gaat het?

12-07-19 10:47


1 Luisteren, lezen en spreken A

Luister naar de dialogen. Lees mee.

Hoe gaat het? Marjan Karin Marjan Karin

Hoe gaat het? Peter Martin Peter Martin Peter Martin Peter

Hoi Karin! Hoi Marjan, hoe gaat het? Met mij goed , en met jou? Ook goed, dank je.

Hoi Martin! Hoi Peter, hoe gaat het? Met mij goed, en met jou? Nou, het gaat wel. Ik ben ziek. O, wat vervelend, beterschap! Dank je, tot ziens. Dag!

ziek

Hoe gaat het? Marie Sanna Marie Sanna Marie Sanna Marie

Hoi Sanna! Dag Marie, hoe gaat het met je? Met mij gaat het goed. Ik ga een week op vakantie. Leuk! Waar ga je naartoe? Ik ga naar Spanje. Wat leuk! Ja hè. En hoe gaat het de vakantie met jou? 2 Hoe gaat het? Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 29

29 12-07-19 10:47


Sanna Marie Sanna Marie Sanna

Nou, het gaat niet zo goed Oh, wat erg. Sterkte. Dank je wel. Fijne vakantie! Bedankt, en tot gauw. Doei.

. Mijn relatie is uit

.

B

Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee. Zeg na.

A Hoi!

B Hoi! A Hoe gaat het met je? B Met mij goed, en met jou? A Ook goed, dank je. A Het gaat wel. Ik ben ziek. B Wat vervelend, beterschap. A Het gaat niet zo goed. Mijn relatie is uit. B Wat erg, sterkte! A Dank je wel, tot gauw. B Ja, tot gauw. A Dag! B Doei!

2 Luisteren en lezen

30

Klim op 2 Hoe gaat het?

Waar of niet waar? Kruis aan. 1 2 3 4 5

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 30

Het gaat goed met Marjan. Peter is ziek. Marie gaat een weekend op vakantie. Marie gaat op vakantie naar Spanje. Het gaat goed met Sanna’s relatie.

waar waar waar waar waar

niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar

12-07-19 10:47


3 Luisteren en schrijven Luister naar de dialoog. Vul de woorden in. Jan Erik Jan Erik Jan Erik Jan

Hoi Erik! Hoi Jan, hoe g____________ het? Met mij goed, en met j____________ ? Nou, het gaat w____________ . Ik ben ziek. O, wat vervelend, beterschap! D____________ je, tot ziens. Ja, tot gauw.

4 Lezen en schrijven

Lees de dialoog. Vul de woorden in.

Kies uit: bedankt – fijne – goed – het – leuk – niet Marie Sanna Marie Sanna Marie Sanna Marie Sanna Marie Sanna Marie Sanna

Hoi Sanna! Dag Marie, hoe gaat _________________ met je? Met mij gaat het ________________ . Ik ga een week op vakantie. _________________ ! Waar ga je naartoe? Ik ga naar Spanje. Wat leuk! Ja hè. En hoe gaat het met jou? Nou, het gaat _________________ zo goed . Mijn relatie is uit . Oh, wat erg. Sterkte. Dank je wel. _________________ vakantie! _________________ , en tot gauw. Dag!

2 Hoe gaat het? Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 31

31 12-07-19 10:47


Taalhulp

Hoe gaat het?

Begroeten Hoi Anna. Dag Anna.

Hoe gaat het? Vraag

Antwoord

Antwoord

Hoe gaat het? Het gaat goed. Het gaat wel. Hoe gaat het Met mij goed. met je?

Antwoord Het gaat niet zo goed.

Reacties Ik ga op vakantie.

Ik ga naar een café.

Ik heb een nieuwe baan.

32

Wat leuk! Fijne vakantie.

Wat gezellig! Veel plezier.

Gefeliciteerd! Succes!

Klim op 2 Hoe gaat het?

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 32

12-07-19 10:47


Sorry, ik kan niet naar je toekomen. Ik ben ziek.

Oh, wat jammer.

Wat vervelend. Beterschap.

Mijn relatie is uit.

Wat erg! Sterkte.

Bedanken

Gedag zeggen

Dank je (wel).

Dag. / Doei.

Bedankt.

Tot ziens.

Tot gauw.

5 Luisteren, lezen en spreken A B C

Luister en lees mee. Luister, lees mee en zeg na. Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek.

1 Hoi, dag, doei, tot ziens, tot gauw. 2 Hoe gaat het? 3 Het gaat goed. 4 Het gaat wel. 5 Het gaat niet zo goed. 6 Wat leuk! Fijne vakantie. 7 Wat gezellig! Veel plezier. 8 Gefeliciteerd! 9 Wat jammer. Wat vervelend. Wat erg. 10 Beterschap. Sterkte. 11 Bedankt. 2 Hoe gaat het? Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 33

33 12-07-19 10:47


6 Lezen

Wat is de goede reactie? Trek een lijn. 1 Ik ben ziek. 2 Ik ga op vakantie. 3 Ik kan niet op je feestje komen. 4 Mijn relatie is uit. 5 Ik heb een nieuwe baan. 6 Ik ga naar een cafĂŠ.

A Gefeliciteerd! B Wat vervelend. Beterschap. C Wat leuk! Fijne vakantie. D Wat erg! Sterkte. E Wat leuk! Veel plezier. F Oh, wat jammer.

7 Lezen

A

Combineer de plaatjes met de dialogen.

1

2

34

Klim op 2 Hoe gaat het?

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 34

12-07-19 10:47


3

Hans en Peter zijn buren. Hans Peter Hans Peter Hans Peter Hans Peter Hans Peter Hans Peter

Hoi Peter! Hoi Hans, hoe gaat het? Met mij goed, en met jou? Ja, het gaat goed. Ik doe een cursus Nederlands. Wat goed! Is de cursus leuk? Ja, heel leuk. En ik heb een vriend in de cursus. Hij heet Martin. Oh wat gezellig. En waar komt hij vandaan? Hij komt uit Frankrijk. O ja, en waar woont hij nu? Hij woont ook in Utrecht en hij werkt bij het Franse cafĂŠ Le Bistrot. Leuk, dan gaan we daar een wijntje drinken. Ja, gezellig!

Plaatje

Karim belt met zijn docent van de cursus Nederlands (Annemarie). Annemarie Karim Annemarie Karim Annemarie

Talencentrum Utrecht, met Annemarie de Groot. Dag Annemarie, met Karim. Hoi Karim, hoe gaat het? Nou, het gaat wel, maar ik kom vandaag niet naar de les. Ik ben ziek. Oh wat vervelend, beterschap!

2 Hoe gaat het? Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 35

35 12-07-19 10:47


Karim Bedankt, en tot gauw. Annemarie Ja, tot gauw Karim.

Plaatje

Ron werkt als automonteur bij een garage. Hij werkt vandaag met een nieuwe collega, Ahmed. Ron Ahmed Ron Ahmed Ron Ahmed Ron Ahmed Ron Ahmed Ron

Hoi, ik ben Ron, welkom! Hoi, ik ben Ahmed. Woon je ook in Amersfoort? Ja, ik woon in Amersfoort, maar ik kom uit Marokko. Oh leuk, en hoelang woon je al in Nederland? Ik woon drie (3) jaar in Nederland. Nou, je spreekt goed Nederlands! Bedankt! Hoelang ben jij al automonteur? Ik werk al zes (6) jaar als automonteur, en jij? Ik ben al vijftien (15) jaar automonteur. Heel goed!

Plaatje

B

Werk in tweetallen. Lees samen de dialogen bij A. Beantwoord daarna de vragen. 1 Hoe gaat het met Hans? Met Hans gaat het __________________________________ . 2 Waar komt Martin vandaan? Hij komt uit __________________________________ . 3 Waar werkt Martin? Hij werkt bij __________________________________ . 4 Wat voor werk doet Annemarie? Zij werkt als __________________________________ . 5 Waarom komt Karim niet naar de les? Hij is __________________________________ . 6 Waar woont Ahmed? Hij woont in __________________________________ .

36

Klim op 2 Hoe gaat het?

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 36

12-07-19 10:47


7 8

Hoelang woont Ahmed in Nederland? Hij woont __________________________________ jaar in Nederland. Hoelang werkt Ron als automonteur? Ron werkt __________________________________ jaar als automonteur.

8 Luisteren en lezen A

Luister naar de drie dialogen. Hoe gaat het met Mark en Marleen? Zet een kruisje bij de juiste emoticon.

Mark Marleen

B

Werk in tweetallen. Jullie krijgen de tekst over Mark en Marleen van je docent. Lees samen de dialoog. Lees daarna de zinnen en kies het goede antwoord. 1 Het gaat goed / niet goed met Mark. 2 Marleen heeft een nieuwe relatie / een nieuwe baan. 3 Marleen werkt in Utrecht / in Amsterdam. 4 Marleen is docent / verpleegkundige. 5 Marleen / Mark geeft een feestje. 6 Het feestje is in Utrecht / in Amsterdam. 7 Marleen kan niet / kan naar het feestje komen.

9 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A leest de zinnen bij A. Cursist B leest de zinnen bij B. 2 Hoe gaat het? Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 37

37 12-07-19 10:47


A Hoe gaat het? A Ik ben ziek. A Ik ga op vakantie. A Mijn relatie is uit. A Gefeliciteerd met je nieuwe baan.

Het gaat goed. Oh wat vervelend. Beterschap! Wat leuk. Fijne vakantie! Wat erg. Sterkte! Dank je!

10 Schrijven

Geef een antwoord of een reactie. 1 2 3 4 5

B B B B B

Hoe gaat het? Het gaat _____________________________ . Sorry, ik kan niet naar je feestje komen. Oh, wat _____________________________ . Ik ga naar een cafĂŠ. Wat _____________________________ . Veel _____________________________ ! Gefeliciteerd met je verjaardag. B_____________________________ . Tot gauw! Ja, d_____________________________ !

11 Luisteren, schrijven en spreken Luister naar de zinnen. Schrijf ze op. Geef een antwoord of een reactie (spreken).

38

Klim op 2 Hoe gaat het?

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 38

1 _______________________________________________________________________________________ . 2 _______________________________________________________________________________________ . 3 _______________________________________________________________________________________ . 4 _______________________________________________________________________________________ . 5 _______________________________________________________________________________________ . 6 _______________________________________________________________________________________ . 7 _______________________________________________________________________________________ . 8 _______________________________________________________________________________________ .

12-07-19 10:47


9 _______________________________________________________________________________________ . 10 _______________________________________________________________________________________ .

12 Grammatica Kijk naar de tabel. Vul de laatste kolom in. lezen

heten

wonen

wij/we

lezen

heten

wonen

jullie

lezen

heten

wonen

zij/ze

lezen

heten

wonen

werken

13 Grammatica

Werk in tweetallen. Cursist A leest de zinnen. Cursist B geeft antwoord.

lezen 1 2

A Wij lezen de tekst. En jullie? Wat lezen jullie? B Wij lezen het boek. A Zij lezen het boek. En jullie? Wat lezen jullie? B Wij lezen de e-mails.

het boek

heten

1 A Wij heten Amir en Noor. En jullie? Hoe heten jullie? B Wij heten Mihai en _____________________________ .

2 Hoe gaat het? Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 39

39 12-07-19 10:47


2 A Zij heten Inês en Gabriël. En jullie? Hoe heten jullie? B Wij heten Anna en _____________________________ .

wonen 1 2

A Wij wonen in Rotterdam. En jullie? Waar wonen jullie? B Wij wonen in _____________________________ . A Zij wonen in Den Haag. En jullie? Waar wonen jullie? B Wij wonen in _____________________________ .

werken 1 2

40

A Wij werken bij een kledingwinkel. En jullie? Waar werken jullie? B Wij werken bij _____________________________ . A Zij werken bij een supermarkt. En jullie? Waar werken jullie? B Wij werken bij _____________________________ .

14 Grammatica

A

Lees de teksten.

Ik ben Aline. Ik doe een cursus Spaans. Ik ga naar Spanje. Ik heb een auto.

Jij bent Carolina. Jij doet een oefening. Jij gaat naar Amsterdam. Jij hebt een vriend.

Hij is Guo. Hij doet de afwas. Hij gaat naar het feestje. Hij heeft een leuke relatie.

Wij zijn Roza en Ton. Wij doen veel werk op de school. Wij gaan naar het café. Wij hebben een kind.

Jullie zijn collega’s. Jullie doen het werk. Jullie gaan naar de supermarkt. Jullie hebben leuk werk.

Zij zijn ziek. Zij doen niets. Zij gaan niet naar de les. Zij hebben een kapsalon.

Klim op 2 Hoe gaat het?

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 40

12-07-19 10:47


B

de auto

het kind

het feestje

En nu jij. Maak de zinnen compleet. 1 2 3 4

de afwas

Ik ben ______________________________________________________________________________ . Ik doe ______________________________________________________________________________ . Ik ga ________________________________________________________________________________ . Ik heb ______________________________________________________________________________ .

15 Dictee A

➤ woorden

Lees de woorden. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 2 3 4 5

hoi - niet - leuk - sorry - sterkte -

______________________ ______________________ ______________________ ______________________ ______________________

6 ziek - 7 gaat - 8 fijne - 9 plezier - 10 goed -

______________________ ______________________ ______________________ ______________________ ______________________

2 Hoe gaat het? Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 41

41 12-07-19 10:47


B

Omcirkel de woorden die je hoort.

1 2 3 4 5

C

- - - - -

relatie bedankt dag gauw vriend

6 nieuw - 7 cursus - 8 vandaag - 9 drinken - 10 weekend -

jammer feestje jaar erg wijn

Schrijf de woorden die je hoort.

1 2 3 4 5

_________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________ _________________________________

16 Dictee A

6 _________________________________ 7 _________________________________ 8 _________________________________ 9 _________________________________ 10 _________________________________

➤ zinnen

Lees de zinnen. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 2 3 4 5

42

vakantie baan doei gezellig veel

Hoe gaat het? ________________________________________________________________________________________

Tot ziens!

________________________________________________________________________________________

Ik ben ziek.

________________________________________________________________________________________

Ik ga een week op vakantie.

________________________________________________________________________________________

Het gaat niet zo goed.

________________________________________________________________________________________

Klim op 2 Hoe gaat het?

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 42

12-07-19 10:47


B

Schrijf de zinnen die je hoort.

1 _______________________________________________________________________________________ . 2 _______________________________________________________________________________________ . 3 _______________________________________________________________________________________ . 4 _______________________________________________________________________________________ . 5 _______________________________________________________________________________________ . 6 _______________________________________________________________________________________ . 7 _______________________________________________________________________________________ . 8 _______________________________________________________________________________________ . 9 _______________________________________________________________________________________ . 10 _______________________________________________________________________________________ .

17 Uitspraak

Luister naar de woorden. Lees mee. Zeg na. 1 2 3 4 5

➤ a – aa

dag bedankt wat Spanje beterschap

6 gaat 7 naar 8 vraag 9 waar 10 baan

18 Woorden

Ga naar de website en print de flashcards. Knip ze uit en leer de woorden.

Aan de slag!

Oefen online met de woorden uit dit thema en verbeter je uitspraak.

2 Hoe gaat het? Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 43

43 12-07-19 10:47


3

Familie

MA A R TJ E

AN N E LI E S

E L IS E

J UAN

SA SKI A

PEDRO

SE P

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 44

H UG O

LIES

JAN

VINCENT

OLIVIA

MA R K

MAR T I N E

HELEEN

P E TER

MAR TI N

MA DELEIN

12-07-19 10:47


1 Luisteren en lezen A

Luister naar de tekst. Lees mee.

De familie Saskia is de vrouw (echtgenote) van Jan. Jan is de man (echtgenoot) van Saskia. Saskia en Jan zijn getrouwd. Olivia is de dochter van Saskia. Sep is de zoon van Saskia. Lies is de moeder van Saskia. Mark is de vader van Saskia. Maartje is de oma van Saskia. Hugo is de opa van Saskia. Saskia is de kleindochter van Maartje en Hugo. Vincent is de kleinzoon van Maartje en Hugo. Annelies is de tante van Saskia. Juan is de oom van Saskia. Elise is de nicht van Saskia. Pedro is de neef van Saskia. Heleen is de zus van Saskia. Martin is de zwager van Saskia. Madelein is het nichtje van Saskia. Peter is het neefje van Saskia. Vincent is de broer van Saskia. Martine is de schoonzus van Saskia.

3 Familie Klim op

E IN

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 45

45 12-07-19 10:47


2 Luisteren, lezen en spreken A

Luister naar de teksten Lees mee.

Ik en mijn familie Hallo, ik ben Saskia. Ik woon in Amersfoort en ik werk daar als kapster. Ik ben zesendertig (36) jaar. Mijn man heet Jan. We zijn acht (8) jaar getrouwd. We hebben twee (2) kinderen, een jongen en een meisje. Ze heten Sep en Olivia.

Ik en mijn familie Hoi, ik ben Pedro. Ik woon in Hilversum en ik werk als kok in het Spaanse restaurant van mijn vader. Mijn vader komt uit Spanje en mijn moeder komt uit Nederland. Thuis spreken we Spaans. Nu gaat het niet zo goed met mij. Mijn relatie is uit. Ik ben vierentwintig (24) en mijn ex-vriendin is achttien (18). Ze zegt: ‘Ik ben te jong voor een relatie.’

Ik en mijn familie Hoi, Ik ben Juan. Ik kom uit Spanje en ik woon nu dertig (30) jaar in Nederland. Ik ben getrouwd met een Nederlandse vrouw. Ze heet Annelies. We hebben twee (2) kinderen. Ze hebben Spaanse namen, Elise en Pedro. Elise is zesentwintig (26) en ze woont samen met haar vriend in Utrecht. Pedro is vierentwintig (24). Hij is vrijgezel. Met mij gaat het goed. Ik heb een leuk gezin, een mooi huis en leuk werk. Ik heb een klein Spaans restaurant in Hilversum. Soms mis ik mijn land en mijn Spaanse familie, maar we gaan elk jaar naar Spanje op vakantie. Dan zie ik mijn ouders en mijn zus. Ze wonen in Madrid.

46

Klim op 3 Familie

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 46

12-07-19 10:47


de baby

de peuter

de kleuter

het kind

de puber

de volwassene

B

Luister naar de zinnen uit de teksten. Lees mee. Zeg na. Ik ben zesendertig (36) jaar. Ik ben getrouwd met een Nederlandse vrouw. We hebben twee (2) kinderen, een jongen en een meisje. Thuis spreken we Spaans. Ik ben te jong voor een relatie. Ze woont samen met haar vriend. Hij is vrijgezel. Ik heb een leuk gezin. Ik mis mijn land en mijn familie. We gaan op vakantie. Ik zie mijn ouders en mijn zus.

3 Familie Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 47

47 12-07-19 10:47


3 Spreken A

Werk in tweetallen. Cursist A leest de zinnen bij A. Cursist B leest de zinnen bij B. 1 A Hoe gaat het met je zus? B Goed, ze werkt nu bij een crèche. 2 A Hoe gaat het met je kinderen op school? B Het gaat goed met ze. 3 A Hoe gaat het met je man? B Het gaat niet goed. Hij is al twee (2) weken ziek. 4 A Hoe gaat het met je vrouw? B Het gaat goed. Ze heeft een nieuwe baan! 5 A Hoe gaat het met je dochter? B Goed, ze gaat morgen op vakantie naar Portugal met haar vriend. 6 A Hoe gaat het met je zoon? B Het gaat wel. Zijn relatie is uit.

B

Vraag nu aan alle cursisten

Vrouwen

Vraag: Hoe gaat het met je zus / vrouw / moeder / oma / dochter / tante / nicht / nichtje? Antwoord: Het gaat goed. / Het gaat wel. / Het gaat niet zo goed.

Mannen

Vraag: Hoe gaat het met je broer / man / vader / opa / zoon / oom / neef / neefje? Antwoord: Het gaat goed. / Het gaat wel. / Het gaat niet zo goed.

48

Klim op 3 Familie

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 48

12-07-19 10:47


4 Woorden

Vul in.

Kies uit: kleinzoon – moeder – oma – vader – kleindochter – opa

en

en

en 3 Familie Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 49

49 12-07-19 10:47


5 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag bij A. Cursist B kijkt naar de familie op pagina 47 en geeft antwoord. Voorbeeld: 1 2 3 4 5

A Wie is getrouwd met Saskia? B Jan is getrouwd met Saskia.

A Wie is getrouwd met Lies? B _______________________ is getrouwd met Lies. A Wie is getrouwd met Jan? B _______________________ is getrouwd met Jan. A Wie is getrouwd met Maartje? B _______________________ is getrouwd met Maartje. A Wie is getrouwd met Martin? B _______________________ is getrouwd met Martin. A En jij? Ben jij getrouwd? B Nee, ik ben niet getrouwd. Ja, ik ben getrouwd met _______________________ .

6 Luisteren en schrijven Luister naar de dialoog. Vul de woorden in.

Pietro en Jack doen een cursus Nederlands. Ze spreken in de les over hun familie. Pietro Jack Pietro Jack Pietro Jack Pietro Jack

50

Heb jij veel br_______________ en zussen? Nee, ik heb één zus, en jij? Oh, ik heb vijf zussen en drie broers. En ben je g_______________ ? Nee, ik ben nog vrijgezel. En jij? Ja, ik ben getrouwd met een Nederlandse v_______________ . Ze heet Karlijn. Oh leuk, dat is goed voor je Nederlands! Ja, maar we spreken nu nog Engels samen. Oké, en hebben jullie ki_______________ ?

Klim op 3 Familie

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 50

12-07-19 10:47


Pietro Jack

Ja, we hebben twee dochters, Maria en Francesca. Kom je een keer koffie drinken? Dan kun je mijn g_______________ ontmoeten. Gezellig!

7 Lezen en schrijven

Lees de tekst. Vul de woorden in.

Kies uit: broer – familie – moeder – vader – vriendin

Pawel doet een cursus Nederlands. Hij heeft huiswerk. Hij schrijft een tekst over zijn familie.

Ik ben Pawel. Ik kom uit Polen. Ik woon nu in Nederland, in Leiden. Ik werk bij een supermarkt. In de vakantie ga ik naar Polen, naar mijn f_______________________ . Mijn ouders wonen in Warschau. Mijn m_______________________ is 54 en mijn v_______________________ is 57. Ze hebben daar een café. Mijn zus werkt ook in het café. Mijn b_______________________ woont niet in Polen. Hij woont in Duitsland. Hij studeert daar. Hij komt mij dit weekend bezoeken. We gaan naar een Pools restaurant in Utrecht. Ik heb een Poolse v______________________ . Zij woont ook in Warschau. Ik mis haar!

Taalhulp 1 = één 2 = twee 3 = drie 4 = vier 5 = vijf

Getallen, nummers 6 = zes 7 = zeven 8 = acht 9 = negen 10 = tien 3 Familie Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 51

51 12-07-19 10:47


8 Luisteren

Luister naar de getallen. Welk getal hoor je? Kies het goede getal. 1

4 6

6

3 10

2

1 9

7

2 5

3

7 9

8

6 1

4

4 8

9

8 6

5

10 4

10

9 2

9 Luisteren

Luister naar de getallen. Schrijf ze op. 1 2 3 4 5

52

__________________________________ __________________________________ __________________________________ __________________________________ __________________________________

6 __________________________________ 7 __________________________________ 8 __________________________________ 9 __________________________________ 10 __________________________________

Klim op 3 Familie

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 52

12-07-19 10:47


Grammatica a, e, i, o, u, y, er, en, je → -s

-en

1 oma

- 2 oma’s

1 zoon

- 2 zonen

1 opa

- 2 opa’s

1 zus

- 2 zussen

1 moeder - 2 moeders

1 neef

- 2 neven

1 vader

1 nicht

- 2 nichten

1 dochter - 2 dochters

1 gezin

- 2 gezinnen

1 broer

- 2 broers

1 man

- 2 mannen

1 tante

- 2 tantes

1 vrouw - 2 vrouwen

- 2 vaders

1 neefje - 2 neefjes 1 nichtje - 2 nichtjes 1 zwager - 2 zwagers 1 familie - 2 families 1 baby

- 2 baby’s

1 peuter - 2 peuters 1 kleuter - 2 kleuters 1 puber - 2 pubers 1 meisje - 2 meisjes 1 jongen - 2 jongens

!

het kind – de kinderen

!

de oom – de ooms

3 Familie Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 53

53 12-07-19 10:47


10 Grammatica

Luister naar de tekst. Ronald vertelt over zijn familie. Vul de woorden in. Hoi, Ik ben Ronald. Ik heb een grote familie. Ik ben getrouwd met Anna. We hebben vier kinderen, twee d_______________________ (Sofie en Marieke) en twee z_______________________ (Daan en Joost). Daan is al vader van drie meisjes. We zien onze k_______________________ vaak in het weekend. Ik heb twee b_______________________ (Johan en Erik) en twee z_______________________ (Jet en Moniek). Johan heeft drie zonen. Dat zijn mijn n_______________________ . Moniek heeft twee dochters. Dat zijn mijn n_______________________ .

11 Grammatica

Werk in tweetallen. Kijk naar de tekst bij opdracht 10. Beantwoord de vragen over de familie van Ronald. Cursist A leest de vraag en cursist B geeft antwoord. 1 A Hoeveel kinderen heeft Ronald? B Hij heeft _______________________________________________________________________ . 2 A Hoeveel kleinkinderen heeft Ronald? B Hij heeft _______________________________________________________________________ . 3 A Hoeveel broers heeft Ronald? B Hij heeft _______________________________________________________________________ . 4 A Hoeveel zussen heeft Ronald? B Hij heeft _______________________________________________________________________ . 5 A Hoeveel neefjes heeft Ronald? B Hij heeft _______________________________________________________________________ . 6 A Hoeveel nichtjes heeft Ronald? B Hij heeft _______________________________________________________________________ .

54

Klim op 3 Familie

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 54

12-07-19 10:47


12 Grammatica

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B geeft antwoord.

1 A Hoeveel broers heb jij? B Ik heb geen broers. / Ik heb één broer. / Ik heb ____________ broers. 2 A Hoeveel zussen heb jij? B Ik heb geen zussen. / Ik heb één zus. / Ik heb ____________ zussen. 3 A Hoeveel tantes heb jij? B Ik heb geen tantes. / Ik heb één tante. / Ik heb ____________ tantes. 4 A Hoeveel neven heb jij? B Ik heb geen neven. / Ik heb één neef. / Ik heb ____________ neven. 5 A Hoeveel nichtjes heb jij? B Ik heb geen nichtjes. / Ik heb één nichtje. / Ik heb ____________ nichtjes. 6 A Hoeveel kinderen heb jij? B Ik heb geen kinderen. / Ik heb één kind. / Ik heb ____________ kinderen.

Taalhulp

Getallen, nummers

11 = elf

16 = zestien

21 = eenentwintig

12 = twaalf

17 = tweeëntwintig

22 = tweeëntwintig

13 = dertien

18 = achttien

23 = drieëntwintig

14 = veertien

19 = negentien

24 = vierentwintig

15 = vijftien

20 = twintig

25 = vijfentwintig

3 Familie Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 55

55 12-07-19 10:47


26 = zesentwintig

40 = veertig

27 = zevenentwintig

50 = vijftig

28 = achtentwintig

60 = zestig

29 = negenentwintig

70 = zeventig

30 = dertig

80 = tachtig

56

90 = negentig 100 = honderd

13 Luisteren

Luister naar de getallen. Welk getal hoor je? Kies het goede getal. 1

14 41

6

48 69

2

13 30

7

12 20

3

19 29

8

31 81

4

25 54

9

96 69

5

16 34

10

15 73

Klim op 3 Familie

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 56

12-07-19 10:47


14 Schrijven

A

Schrijf de getallen achter de woorden.

Voorbeeld: 1 2 3 4 5

B

____________ negen ____________ veertien ____________ elf ____________ zeven vijfentwintig ____________

1 2 3 4 5

6 7 8 9 10

zesenvijftig tachtig zestien twee vierenzeventig

____________ ____________ ____________ ____________ ____________

Schrijf de woorden achter de getallen. Voorbeeld:

drie 3

6 13 12 26 97

9 negen

_______________________________ _______________________________ _______________________________ _______________________________ _______________________________

6 100 7 8 8 40 9 58 10 39

_______________________________ _______________________________ _______________________________ _______________________________ _______________________________

15 Luisteren en schrijven Luister naar de getallen. Schrijf ze op.

1 ________________________________________________________________________________ 2 ________________________________________________________________________________ 3 ________________________________________________________________________________ 4 ________________________________________________________________________________ 5 ________________________________________________________________________________ 6 ________________________________________________________________________________ 7 ________________________________________________________________________________ 8 ________________________________________________________________________________ 9 ________________________________________________________________________________ 10 ________________________________________________________________________________

3 Familie Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 57

57 12-07-19 10:47


Taalhulp

➤

Persoonlijke gegevens

Vraag

Antwoord

Wat is je telefoonnumer?

Mijn telefoonnummer is 030-2314980. Mijn mobiele nummer is 06-64833910.

Wat is je adres?

Mijn adres is Rijnstraat 8.

Wat is je postcode?

Mijn postcode is 3628 AD.

Wat is je geboortedatum?

Ik ben geboren op 4 juni 1996.

Hoe oud ben je?

Ik ben 24.

Wat is je BSN?

Mijn BSN is 285117885.

16 Luisteren en spreken Luister naar de zinnen. Lees mee. Zeg na.

Ik ben 18. Ik ben 26. Ik ben 76. Ik ben 52. En jij, hoe oud ben jij? Ik ben ____________________________________________________ .

58

Klim op 3 Familie

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 58

12-07-19 10:47


Mijn adres is Houtstraat 24. Mijn adres is Overweg 16. Mijn adres is Kerkstraat 57. Mijn adres is Oudegracht 12. En wat is jouw adres? Mijn adres is ________________________________________________________________________ . Mijn postcode is 1057 ED. Mijn postcode is 5498 ZS. Mijn postcode is 2917 FG. Mijn postcode is 4279 BK. En wat is jouw postcode? Mijn postcode is ____________________________________________________________________ . Mijn telefoonnummer is 030-5482740. Mijn telefoonnummer is 020-1845298. Mijn telefoonnummer is 06-84039216. Mijn telefoonnummer is 06-38912054. En wat is jouw telefoonnummer? Mijn telefoonnummer is _________________________________________________________ . Mijn BSN-nummer is 947318453. Mijn BSN-nummer is 872016785. Mijn BSN-nummer is 456902617. Mijn BSN-nummer is 870945618. En wat is jouw BSN-nummer? Mijn BSN-nummer is ______________________________________________________________ . Ik ben geboren op 16 juli 1978. Ik ben geboren op 2 maart 2002. Ik ben geboren op 29 december 1987. Ik ben geboren op 9 april 1992. En wat is jouw geboortedatum? Ik ben geboren op __________________________________________________________________ .

3 Familie Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 59

59 12-07-19 10:47


17 Grammatica Lees de informatie.

mijn

Mijn adres is Koekoekstraat 7.

Mijn postcode is 3678 XG.

Mijn telefoonnummer is 06-53896425.

jouw / je

Jouw adres is Duinweg 23.

Jouw postcode is 9756 DF.

Jouw telefoonnummer is 030-7590345.

zijn

Zijn adres is Dreef 12.

Zijn postcode is 1089 FG.

Zijn telefoonnummer is 010-6987410.

haar

Haar adres is Nieuwstraat 67.

Haar postcode is 5687 TK.

Haar telefoonnummer is 06-76933726.

ons / onze

Ons adres is Leistraat 24.

Onze postcode is 3256 PW.

Ons telefoonnummer is 020-4582456.

jullie

Jullie adres is Rijnkade 1.

Jullie postcode is 2853 HB.

Jullie telefoonnummer is 030-7910345.

hun

Hun adres is Hun postcode is Prinses Ireneweg 1098 PZ. 2.

60

Hun telefoonnummer is 010-2976310.

Klim op 3 Familie

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 60

12-07-19 10:47


18 Lezen A

Kijk naar de informatie. Beantwoord de vragen. paspoort passport passeporte

koninkrijk der nederlanden kingdom of the netherlands 1 type

P

code

royaume des pays bas type

2 nationaliteit / nationality / nationalité

code

SPECI 2019

NLD Nederlandse

3 naam / surname / nom

De Graaf e/v Williams

4 voornaam / surname / nom

Nicole

5 geboortedatum / surname / nom

2 FEBRUARI / FEB 1984

6 geboorteplaats / surname / lieu de naissance

Stad en Dorp V

8 lengte / surname / taille

7 geslacht / surname / sexe

1,64 m

10 geldig tot / surname / date d’expiration

9 datum van afgifte / surname / nom

1999

30 JUNI/JUIN 2019

11 handtekening / signature

29 JUNI/JUIN 2029

12 instantie/ surname / taille

Burg. van Stad en Dorp

NdeGraaf

P < N L D D E < G R A A F < < N I CO L E < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < <

SPECI20192NLD9924F353870654754999990<<<<<84

1 2 3 4

Wat is haar voornaam? Haar voornaam is ______________________________________________________________ . Wat is haar achternaam? Haar achternaam is ____________________________________________________________ . Wat is haar geboortedatum? Haar geboortedatum is _______________________________________________________ . Hoe heet haar man? Haar man heet __________________________________________________________________ .

nederlandse identiteitskaart

1999

handtekening / signature

0 1 2 3 4 5

koninkrijk der nederlanden

kingdom of the netherlands royaume des pays-bas identity card carte d’identité documentnummer / document no. naam / surname

SPECI 2019

Vermeer

voornaam / given names

Thijs

geslacht / sex

M/M

nationaliteit / nationality

Nederlandse

geboortedatum / date of birth

17 MEI/MAI 1980 datum van afgifte / date of issue

30 JUNI/JUN 2019 geldig tot / date of expiry

29 JUNI/JUN 2029

19 99

Th Vermeer 1 Wat is zijn voornaam? Zijn voornaam is _______________________________________________________________ . 3 Familie Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 61

61 12-07-19 10:47


2 3

Wat is zijn achternaam? Zijn achternaam is ____________________________________________________________ . Wat is zijn geboortedatum? Zijn geboortedatum is _______________________________________________________ .

deze tekst kan ik niet lezen, Ilona wil je helpen?

1 Van Dijk

1989

2 3 4 5 6 7

Gregory 09.10.1978 Stad en dorp 4b 01.01.2029 01.01.2019 Gemeente Stad en dorp 010120190207

G. Van

Dijk

9

NL81

deze tekst kan ik niet lezen, Ilona wil je helpen?

Model van de Europese Unie

NL

RIJBEWIJS

AM-BE-CIE

D1NLD150949621115M2Z6KC47X2W71 1 2 3

B

Kijk nu naar jouw legitimatiebewijs. Beantwoord de vragen. 1 2 3

62

Wat is zijn voornaam? Zijn voornaam is ________________________________________________________________ . Wat is zijn achternaam? Zijn achternaam is _____________________________________________________________ . Wat is zijn geboortedatum? Zijn geboortedatum is ________________________________________________________ .

Wat is jouw voornaam? Mijn voornaam is _______________________________________________________________ . Wat is jouw achternaam? Mijn achternaam is ____________________________________________________________ . Wat is jouw geboortedatum? Mijn geboortedatum is _______________________________________________________ .

Klim op 3 Familie

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 62

12-07-19 10:47


19 Lezen, schrijven en spreken

A

Meryem gaat sporten bij een sportschool. Lees de informatie op het formulier.

Inschrijfformulier Sportschool Voornaam

Meryem

Achternaam

Yilmaz

Adres

Pelmolenweg 18

Postcode

3276 HT

Woonplaats

Utrecht

Geboortedatum

7 maart 2001

E-mailadres

m.yilmaz@gmail.com

Telefoonnummer

030-2328960 / 06-67296316

Datum

14 december 2018

Handtekening

M. Yilmaz

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag en cursist B geeft antwoord. Kijk naar de informatie op het inschrijfformulier. 1 2

Wat is haar voornaam? Haar voornaam is _______________________________________________________________ . Wat is haar achternaam? Haar achternaam is ____________________________________________________________ .

3 Familie Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 63

63 12-07-19 10:47


3 Wat is haar adres? Haar adres is _____________________________________________________________________ . 4 Wat is haar postcode? Haar postcode is ________________________________________________________________ . 5 Waar woont ze? Ze woont in ______________________________________________________________________ . 6 Wat is haar geboortedatum? Haar geboortedatum is _______________________________________________________ . 7 Wat is haar e-mailadres? Haar e-mailadres is ____________________________________________________________ . 8 Wat is haar telefoonnummer? Haar telefoonnummer is _____________________________________________________ .

B

Jij wilt je ook inschrijven bij de sportschool. Vul het formulier in.

Inschrijfformulier Sportschool Voornaam Achternaam Adres Postcode Woonplaats Geboortedatum E-mailadres Telefoonnummer Datum Handtekening

64

Klim op 3 Familie

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 64

12-07-19 10:47


C

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vragen en cursist B geeft antwoord. Cursist A schrijft de antwoorden op. Wissel daarna van rol. 1 Wat is jouw voornaam? Zijn/ haar voornaam is ________________________________________________________ . 2 Wat is jouw achternaam? Zijn / haar achternaam is _____________________________________________________ . 3 Wat is jouw adres? Zijn / haar adres is ______________________________________________________________ . 4 Wat is jouw postcode? Zijn / haar postcode is _________________________________________________________ . 5 Waar woon je? Hij / Zij woont in ________________________________________________________________ . 6 Wat is jouw geboortedatum? Zijn / haar geboortedatum is ________________________________________________ . 7 Wat is jouw e-mailadres? Zijn / haar e-mailadres is _____________________________________________________ . 8 Wat is jouw telefoonnummer? Zijn / haar telefoonnummer is ______________________________________________ .

20 Dictee A

â&#x17E;¤ woorden

Lees de woorden. Schrijf ze nog een keer op de lijn.

1 2 3 4 5

man moeder adres mijn negen

- ________________________ 6 postcode - ________________________ 7 oud - ________________________ 8 geboren - ________________________ 9 zoon - ________________________ 10 twintig

- - - - -

__________________________ __________________________ __________________________ __________________________ __________________________

3 Familie Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 65

65 12-07-19 10:47


B

Omcirkel de woorden die je hoort.

1 2 3 4 5

C

1 2 3 4 5

achternaam getrouwd oma gezin meisje

_____________________________________ _____________________________________ _____________________________________

_____________________________________

_____________________________________

21 Dictee A

- - - - -

6 gegevens 7 baby 8 zus 9 dochter 10 jouw

- - - - -

neef broer kinderen vader ouders

Schrijf de woorden die je hoort. 6 _____________________________________ 7 _____________________________________ 8 _____________________________________ 9 _____________________________________ 10 _____________________________________

â&#x17E;¤ zinnen

Lees de zinnen. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 2 3 4 5

66

voornaam vrouw woonplaats geboortedatum met

Wat is je telefoonnummer? ________________________________________________________________________________________

Wat is je adres?

________________________________________________________________________________________

Wat is je postcode?

________________________________________________________________________________________

Ben je getrouwd?

________________________________________________________________________________________

Heb je kinderen?

________________________________________________________________________________________

Klim op 3 Familie

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 66

12-07-19 10:47


B

Schrijf de zinnen die je hoort.

1 ________________________________________________________________________________________ 2 ________________________________________________________________________________________ 3 ________________________________________________________________________________________ 4 ________________________________________________________________________________________ 5 ________________________________________________________________________________________ 6 ________________________________________________________________________________________ 7 ________________________________________________________________________________________ 8 ________________________________________________________________________________________ 9 ________________________________________________________________________________________ 10 ________________________________________________________________________________________

22 Uitspraak

Luister naar de woorden. Lees mee. Zeg na. 1 2 3 4 5

➤ o – oo

jong komt soms dochter volwassene

6 zoon 7 oom 8 echtgenoot 9 schoonzus 10 woon

23 Woorden

Ga naar de website en print de flashcards. Knip ze uit en leer de woorden.

Aan de slag!

Oefen online met de woorden en verbeter je uitspraak.

3 Familie Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 67

67 12-07-19 10:47


4

Dagelijkse activiteiten

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 68

12-07-19 10:47


1 Luisteren, lezen en spreken A

Luister naar de dialogen. Lees mee.

Wat zijn je plannen? Eelco Wouter Eelco Wouter Eelco Wouter

Hoi Wouter! Hoi Eelco, hoe gaat het? Met mij goed, en met jou? Ja prima, ik ga vandaag voetballen met vrienden. Oh leuk, veel plezier! Dank je!

voetballen

Wat zijn je plannen? Marit Joan Marit Joan Marit Joan Marit Joan

Dag Joan! HĂŠ Marit, hoe gaat het? Nou niet zo goed. Mijn moeder is ziek. Oh wat vervelend. Beterschap voor kopje thee haar! Bedankt. Ik drink vanmiddag een kopje thee met haar. Leuk, doe haar de groeten. Dat doe ik. Tot gauw! Doei.

4 Dagelijkse activiteiten Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 69

69 12-07-19 10:47


Wat zijn je plannen? Rob Nico Rob Nico Rob Nico Rob Nico

70

Hoi Nico! Dag Rob, hoe gaat het met je? Ja goed, ik heb een lang weekend vrij. Lekker! Wat ga je doen? Oh, in de tuin werken, de auto wassen, lezen, koken, wandelen. Gewoon lekker relaxen. En jij? Heb jij leuke plannen voor het weekend? Mijn vrouw en ik tennissen altijd op zaterdag, en we gaan â&#x20AC;&#x2122;s middags naar de markt. Onze kinderen komen zondag op bezoek. Gezellig. Veel plezier! Jij ook!

kopje thee in de tuin werken

auto wassen

koken

wandelen

tennis

de markt

Klim op 4 Dagelijkse activiteiten

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 70

12-07-19 10:47


B

Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee. Zeg na. Ik ga vandaag voetballen met vrienden. Beterschap voor haar! Ik drink vanmiddag een kopje thee met haar. Doe haar de groeten. Dat doe ik. Ik heb een lang weekend vrij. Wat ga je doen? Heb jij leuke plannen voor het weekend? Oh, in de tuin werken, de auto wassen, lezen, koken, wandelen. Gewoon lekker relaxen. Mijn vrouw en ik tennissen altijd op zaterdag. We gaan ’s middags naar de markt. Onze kinderen komen zondag op bezoek.

2 Luisteren en lezen

Luister nog een keer naar de dialogen bij opdracht 1 en lees mee. Vul de tabel in. Wie doet wat? Schrijf de activiteiten bij de juiste personen. Kies uit: de auto wassen – in de tuin werken – koken – naar de markt gaan – tennissen met zijn vrouw – thee drinken met haar moeder – voetballen met vrienden – kinderen komen op bezoek

Wouter

Marit

Rob

Nico

4 Dagelijkse activiteiten Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 71

71 12-07-19 10:47


3 Luisteren en schrijven Luister naar de dialoog. Vul de woorden in. Laura Tomasz Laura Tomasz Laura Tomasz Laura

Hé Tomasz, wat ga jij in het weekend doen? Oh, ik heb veel p_______________________ . Mijn broer komt op b_______________________ . Hij woont in Polen. We gaan naar Amsterdam, lekker wandelen en in een restaurant e_______________________ . We zijn ook gezellig thuis. Ik ga echte Nederlandse erwtensoep k_______________________ . Wat gezellig, veel p_______________________ ! Dank je. En wat zijn jouw plannen? Nou, ik ga naar de supermarkt, ik d_______________________ thee met een vriendin en ik ga naar de k___________________ . Oké, veel plezier en tot maandag! Ja, jij ook. Tot maandag!

4 Lezen en schrijven

Lees de dialoog. Vul de woorden in.

Kies uit: gaat – gezellig – sporten – tennis – voetballen Erik Johan Erik Johan Erik Johan Erik Johan Erik Johan

72

Hoi Johan, hoe ______________________ het? Ja goed, en met jou? Prima, dank je. Heb je leuke plannen voor het weekend? Ga je lekker ______________________ ? Ja, ik ga zaterdag ______________________ met vrienden, en ik wandel graag met mijn vrouw. We gaan heel ver, soms wel 20 kilometer. Leuk! Ja, en jij? Doe jij een sport in het weekend? Ja, ik ______________________ met een vriend. Wat leuk, ik tennis ook graag. O ja? Dan gaan we een keer samen! ______________________ !

Klim op 4 Dagelijkse activiteiten

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 72

12-07-19 10:47


Taalhulp

â&#x17E;¤

Dagelijkse activiteiten

07:30 ontbijten

boodschappen doen

afdrogen

18:30

koken

Eten en drinken

avondeten

12:00 lunchen

de afwas doen thee drinken

tanden poetsen

zich aankleden

In de badkamer

douchen

haren kammen

4 Dagelijkse activiteiten Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 73

73 12-07-19 10:47


internetten huiswerk maken

In de woonkamer muziek luisteren lezen

televisie kijken

fitnessen hardlopen

tennissen

Sporten voetballen wandelen zwemmen

74

Klim op 4 Dagelijkse activiteiten

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 74

12-07-19 10:47


Op bezoek komen

bellen

Vrienden en familie mailen

naar een cafĂŠ gaan

5 Luisteren, lezen en spreken A B C

Luister en lees mee. Luister, lees mee en zeg na. Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek.

1 Ik doe boodschappen. 2 Ik kook. 3 Ik ontbijt. 4 Ik lunch. 5 Ik doe de afwas. 6 Ik droog af. 7 Ik drink thee. 8 Ik douch.

9 Ik poets mijn tanden. 10 Ik kam mijn haren. 11 Ik kleed me aan. 12 Ik kijk televisie. 13 Ik internet. 14 Ik lees. 15 Ik maak huiswerk. 16 Ik luister muziek.

4 Dagelijkse activiteiten Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 75

75 12-07-19 10:47


17 Ik tennis. 18 Ik voetbal. 19 Ik fitness. 20 Ik loop hard. 21 Ik wandel.

22 Ik zwem. 23 Ik kom op bezoek. 24 Ik ga naar een cafĂŠ. 25 Ik mail.

6 Woorden

Combineer de plaatjes en de woorden met een lijn.

1

6 A hardlopen B op bezoek komen

2

C tanden poetsen

7

D televisie kijken

3

8

E zich aankleden F haren kammen G lezen

4

9

H bellen I zwemmen

5

76

J mailen

10

Klim op 4 Dagelijkse activiteiten

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 76

12-07-19 10:47


7 Woorden

Kies het goede woord. Voorbeeld: Huyen poetst / kamt haar tanden. 1 Jan luistert huiswerk / muziek. 2 We kijken televisie / bezoek. 3 Ik doe thee / boodschappen. 4 Hij maakt tanden / huiswerk. 5 Zij lezen / zwemmen in de woonkamer. 6 Semira kamt / maakt haar haar. 7 Ik drink een café / thee met mijn moeder en mijn zus. 8 Mijn man doet / maakt de afwas. 9 Ik ga / doe boodschappen op de markt. 10 We bezoeken / gaan naar een café.

8 Grammatica

Lees de zinnen. Vul het juiste werkwoord in. Voorbeeld: 1 2 3 4

Ik maak huiswerk. Jij maakt huiswerk. Hij maakt huiswerk.

Ik wandel in het park. Jij wandelt in het park. Hij / Zij _______________________ in het park. Ik kom op bezoek. Jij komt op bezoek. Hij / Zij _______________________ op bezoek. Ik _______________________ een boek. Jij leest een boek. Hij / Zij leest een boek. Ik _______________________ televisie. Jij kijkt televisie. Hij / Zij kijkt televisie.

4 Dagelijkse activiteiten Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 77

77 12-07-19 10:47


5 Ik luister muziek. Jij _______________________ muziek. Hij / Zij luistert muziek. 6 Wij gaan naar een café. Jullie gaan naar een café. Zij _______________________ naar een café. 7 Wij zwemmen in het zwembad. Jullie zwemmen in het zwembad. Zij ________________ in het zwembad. 8 Wij _______________________ in de badkamer. Jullie douchen in de badkamer. Zij douchen in de badkamer. 9 Wij bellen onze vrienden. Jullie _______________________ jullie vrienden. Zij bellen hun vrienden. 10 Wij doen boodschappen. Jullie _______________________ boodschappen. Zij doen boodschappen.

9 Luisteren

Simon vertelt over zijn plannen voor het weekend. Omcirkel de activiteiten die hij gaat doen.

naar een café gaan

voetballen

internetten

78

muziek luisteren

huiswerk maken

slapen

televisie kijken

koken

Klim op 4 Dagelijkse activiteiten

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 78

12-07-19 10:47


10 Lezen

Lees de tekst. Ellen vertelt over haar dag. Schrijf onder de tekst welke activiteiten ze doet.

Ellen vertelt over haar dag

Vandaag heb ik een leuke dag. Ik ga eerst boodschappen doen. Dan ga ik hardlopen in het park. Ik douch en ik lunch in onze tuin. Ik maak een appeltaart. Mijn zus komt ook op bezoek. We drinken thee en we praten over de familie, en over haar nieuwe baan. Ze werkt nu bij een ziekenhuis als verpleegkundige. Mijn zus gaat naar huis en ik eet soep. Ik luister muziek en ik lees een boek. 1 _________________________________________ boodschappen doen 2 _________________________________________ 3 _________________________________________ 4 _________________________________________ 5 _________________________________________

6 _________________________________________ 7 _________________________________________ 8 _________________________________________ 9 _________________________________________ 10 _________________________________________

thee drinken

de appeltaart

het ziekenhuis

de soep

4 Dagelijkse activiteiten Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 79

79 12-07-19 10:47


11 Schrijven

Kijk naar de plaatjes met de informatie. Vul de juiste woorden in.

1 Tom _______________________________ een boek. Hij luistert _______________________________ . Hij _______________________________ koffie.

2 Peter _______________________________ en poetst zijn _______________________________ .

3 Mijn zus _______________________________ op bezoek en we drinken _______________________________ .

4 Leonor _______________________________ haar huiswerk en ze ______________________________ een pizza.

80

Klim op 4 Dagelijkse activiteiten

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 80

12-07-19 10:47


12 Woorden

A

Verbind de juiste combinaties met een lijn.

1 2 3 4 5

de groeten koffie de auto boodschappen op bezoek

A komen B doen C drinken D wassen E doen

1 2 3 4 5

tanden muziek haren de afwas televisie

A luisteren B kammen C kijken D poetsen E doen

B

Probeer zelf zinnen te schrijven met de combinaties bij opdracht A. ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________ ___________________________________________________________________________________________

4 Dagelijkse activiteiten Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 81

81 12-07-19 10:47


13 Grammatica Lees de teksten. moeten

mogen

willen

kunnen

Noa (9 jaar)

Hij moet twee keer per dag zijn tanden poetsen.

Hij mag een half uur televisie kijken.

Hij wil vandaag graag zwemmen.

Hij kan goed voetballen.

Bram (15 jaar)

Hij moet zijn huiswerk maken.

Hij mag geen alcohol drinken.

Hij wil bij een vriend op bezoek gaan.

Hij kan goed Engels spreken.

Meyra (45 jaar)

Ze moet tot vijf uur werken.

Ze mag niet te veel chocola eten.

Ze wil met een vriendin afspreken.

Ze kan goed koken.

En jij?

Ik moet ________

Ik mag ________

Ik wil ________

Ik kan ________

_________________

_________________

_________________

_________________

_________________

_________________

_________________

_________________

_________________

_________________

_________________

_________________

Grammatica

moeten

mogen

willen

kunnen

ik

moet

mag

wil

kan

jij / u

moet

mag

wil(t)

kan / kunt

hij / zij

moet

mag

wil

kan

wij

moeten

mogen

willen

kunnen

jullie

moeten

mogen

willen

kunnen

zij

moeten

mogen

willen

kunnen

82

Klim op 4 Dagelijkse activiteiten

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 82

12-07-19 10:47


14 Grammatica

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B geeft antwoord. 1 A Kan je goed voetballen? B Ja, ik kan goed voetballen. En jij? A Ik kan niet goed voetballen. 2 A Moet je veel huiswerk maken? B Ja, ik moet veel huiswerk maken. En jij? A Ja, ik moet ook veel huiswerk maken. 3 A Hoe vaak moet je je tanden poetsen? B Ik moet twee keer per dag mijn tanden poetsen. En jij? A Ik ook. 4 A Wat willen jullie doen? B We willen naar de markt gaan. 5 A Wat mogen de kinderen niet doen? B De kinderen mogen niet in de zee zwemmen. 6 A Wat wil je in het weekend doen? B Ik wil naar een cafĂŠ gaan. En jij? A Ik wil bij mijn zus op bezoek gaan. 7 A Wat kan je goed? B Ik kan goed Engels spreken. En jij? A Ik kan goed koken. 8 A Wat moet je in het weekend doen? B Ik moet naar de kapper. En jij? A Ik moet werken. 9 A Mag ik naar het toilet gaan? B Ja, dat mag. 10 A Wat wil je drinken? B Ik wil graag een kopje thee drinken.

4 Dagelijkse activiteiten Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 83

83 12-07-19 10:47


15 Grammatica

Kies het goede woord.

Voorbeeld: Hij moet / moeten boodschappen doen. 1 Bilal en Hind willen / wil graag trouwen. 2 Hij wil / willen in Utrecht wonen. 3 Jan is ziek. Hij kan / kunnen niet werken. 4 Rabiaa mag / mogen een cursus Nederlands doen. 5 We wil / willen op vakantie gaan. 6 Sorry, ik kan / kunnen niet naar je feestje komen. 7 Hij wil / willen bij de sportschool fitnessen. 8 Luuk is 15. Hij mag / mogen geen alcohol drinken. 9 Ik moet / moeten mijn tanden beter poetsen. 10 Jullie moet / moeten de dokter bellen.

16 Grammatica

Vul de juiste vorm van het hulpwerkwoord tussen haakjes in. Voorbeeld: Zij kan (kunnen) goed Nederlands spreken. 1 Juan en David ________________________ (moeten) tot vijf uur werken. 2 ________________________ (mogen) ik u iets vragen? 3 Jan ________________________ (willen) in de vakantie drie boeken lezen. 4 U ________________________ (kunnen) hier even zitten. De dokter komt over vijf minuten. 5 Ik ________________________ (moeten) mijn vader even bellen. 6 We ________________________ (mogen) de auto hier niet parkeren. 7 Maria ____________________ (willen) vandaag een lekkere cake bakken. 8 ________________________ (kunnen) hij goed tennissen? 9 Ik ________________________ (moeten) dit weekend veel huiswerk maken. 10 Ik ________________________ (willen) zaterdag graag in de tuin werken.

84

Klim op 4 Dagelijkse activiteiten

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 84

12-07-19 10:47


17 Grammatica

Luister naar de tekst. Marjan vertelt over haar dag. Maak de juiste combinaties.

A

1 2 3 4

B

Saskia wil Haar collegaâ&#x20AC;&#x2122;s mogen Saskia moet Saskia kan

A boodschappen doen. B lekkere soep maken. C ook op het feestje komen. D een feestje geven.

En jij? Maak de zinnen compleet. 1 Ik wil in het weekend ___________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________ . 2 Ik moet vandaag _________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________ . 3 Ik mag om negen uur ___________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________ . 4 Ik kan vanmiddag ________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________ .

18 Dictee

A

â&#x17E;¤ woorden

Lees de woorden. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 2 3 4 5

mag - koken - pizza - tennissen - vandaag -

_______________________ _______________________ _______________________ _______________________ _______________________

6 wandelen - 7 kunnen - 8 plannen - 9 zwemmen - 10 koffie -

_______________________ _______________________ _______________________ _______________________ _______________________

4 Dagelijkse activiteiten Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 85

85 12-07-19 10:47


B

Omcirkel het woord dat je hoort.

1 2 3 4 5

dag bellen douchen eten drinken

- - - - -

6 moeten 7 wil 8 werken 9 mailen 10 ontbijten

- - - - -

groeten tuin lekker willen activiteiten

C Schrijf de woorden die je hoort. 1 2 3 4 5

______________________________ ______________________________ ______________________________ ______________________________ ______________________________

19 Dictee

kan vertellen lunchen thee internetten

A

6 ______________________________ 7 ______________________________ 8 ______________________________ 9 ______________________________ 10 ______________________________

zinnen

Lees de zinnen. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 De kinderen doen vandaag de afwas.

_______________________________________________________________________________________ .

_______________________________________________________________________________________ .

_______________________________________________________________________________________ .

_______________________________________________________________________________________ .

_______________________________________________________________________________________ .

2 Ahmed maakt zijn huiswerk.

3 Je moet twee keer per dag je tanden poetsen. 4 Mijn ouders komen op bezoek.

5 Hans gaat met zijn collega’s naar een café.

86

Klim op 4 Dagelijkse activiteiten

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 86

12-07-19 10:47


B

Schrijf de zinnen die je hoort.

1 ________________________________________________________________________________________ 2 ________________________________________________________________________________________ 3 ________________________________________________________________________________________ 4 ________________________________________________________________________________________ 5 ________________________________________________________________________________________ 6 ________________________________________________________________________________________ 7 ________________________________________________________________________________________ 8 ________________________________________________________________________________________ 9 ________________________________________________________________________________________ 10 ________________________________________________________________________________________

20 Uitspraak

u â&#x20AC;&#x201C; uu

Luister naar de woorden. Lees mee. Zeg na. 1 2 3 4 5

â&#x17E;¤

zus cursus hun kunnen lunchen

6 muur 7 juni 8 studeren 9 muziek 10 puber

21 Woorden

Ga naar de website en print de flashcards. Knip ze uit en leer de woorden.

Aan de slag!

Oefen online met de woorden uit dit thema en verbeter je uitspraak.

4 Dagelijkse activiteiten Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 87

87 12-07-19 10:47


5

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 88

De tijd

12-07-19 10:47


1 Luisteren, lezen en spreken A

Luister naar de dialogen. Lees mee.

Wat doe je deze week? Marie Chen Marie Chen Marie Chen Marie Chen Marie Chen Marie Chen

Hoi Chen, hoe gaat het? Het gaat goed, ik doe nu een cursus Nederlands. Wat goed! Waar doe je de cursus? Bij een talenschool in Haarlem. Oké, en hoe vaak heb je les? Ik heb drie lessen per week. En hoe laat heb je les? De les is van tien uur (10:00 uur) tot half twaalf (11:30 uur). En hoeveel cursisten zitten er in de les? We hebben zestien (16) cursisten. Leuk, veel succes! Bedankt!

Wat doe je in het weekend? Ronald Wim

Ronald

Wim Ronald

En Wim, heb jij al plannen voor het weekend? Ja, zaterdagochtend ga ik om half tien (09:30 uur) hardlopen met vrienden in het park, en ’s middags zie ik een vriend van mijn schooltijd. We drinken graag een biertje bij het café naast de markt. En jij? Oh, mijn vriend en ik gaan naar het gezin van mijn broer. Hij woont in Breukelen. Hij heeft drie kinderen, twee jongens en een meisje. We nemen om twee uur (14:00 uur) de bus in Utrecht. Dan spelen we voetbal met de kinderen, en mijn broer en ik spelen graag gitaar. Wat leuk, veel plezier! Ja bedankt, jij ook!

5 De tijd Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 89

89 12-07-19 10:47


Wat doe je vandaag? (aan de telefoon) Jasmijn Anne Jasmijn Anne

Jasmijn Anne

90

Hoi Anne, met Jasmijn. Ik ga lunchen in café Weerzien. Ga je mee? Nee sorry, ik kan niet komen. Ik heb nog heel veel te doen. Oh jammer. Wat moet je doen vandaag? Ik moet nu boodschappen doen en om twaalf uur (12:00 uur) komen de kinderen thuis eten. Om kwart over één (13:15 uur) ga ik naar de kapper. Vanmiddag doe ik van half drie (14:30 uur) tot half vier (15:30 uur) fitness in de sportschool. En ik heb nog meer dan honderd e-mails! Druk, druk, druk! Ik heb echt geen tijd. Nou, succes met alles. Bedankt, en jij veel plezier bij de lunch.

hardlopen

gitaar spelen

lunch in café

boodschappen doen

Klim op 5 De tijd

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 90

12-07-19 10:47


B

Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee. Zeg na. Hoe laat heb je les? De les is van tien uur (10:00 uur) tot half twaalf (11:30 uur). Zaterdagochtend ga ik om half tien (09:30 uur) hardlopen. ’s Middags doe ik boodschappen. We nemen om twee uur (14:00 uur) de bus. We spelen voetbal met de kinderen. Mijn broer en ik spelen graag gitaar. Om twaalf uur (12:00 uur) komen de kinderen thuis eten. Om kwart over één (13:15 uur) ga ik naar de kapper. Vanmiddag doe ik van half drie (14:30 uur) tot half vier (15:30 uur) fitness. Ik heb nog meer dan honderd e-mails! Ik heb echt geen tijd.

2 Luisteren en lezen

Lees nog een keer de dialogen bij opdracht 1. Wie doet wat? Schrijf de activiteiten bij de juiste personen. Kies uit: boodschappen doen – de bus nemen – een biertje drinken – een cursus Nederlands doen – fitness doen – gitaar spelen – hardlopen – lunchen in een café – mailen – naar de kapper gaan – voetballen

Chen

Wim

Ronald

Jasmijn

Anne

5 De tijd Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 91

91 12-07-19 10:47


3 Luisteren en lezen Waar of niet waar? Kruis aan.

1 2 3 4 5

Chen heeft vier lessen Nederlands per week. Wim gaat om half tien hardlopen. Ronald heeft drie kinderen. Anne kan niet lunchen met Jasmijn. Anne gaat om kwart voor één naar de kapper.

niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar

4 Luisteren en schrijven Luister naar de dialoog. Vul de woorden in. Max Duuk Max Duuk

waar waar waar waar waar

Hé Duuk, k_________________ jij mij misschien dit weekend helpen met schilderen in mijn huis? Hm, dat is moeilijk. Ik heb echt zoveel te d_________________ . O ja, w_________________ dan allemaal? Nou, ik m_________________ boodschappen doen, in de t_________________ werken, de auto w_________________ , voetballen, en zaterdagavond ga ik met Aaf naar de film. Sorry hoor, ik heb echt geen t_________________ .

5 Lezen en schrijven

Lees de e-mail. Vul de woorden in.

92

Klim op 5 De tijd

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 92

12-07-19 10:47


Kies uit: drinken – half – uur – tot – vier – vrijdag

Aan: allecollega’s@werk.nl Cc: Onderwerp: personeelsuitje

inkomend

Eergisteren 12:07

Beste collega’s, Op ____________________________________ 2 juni hebben we ons personeelsuitje. We gaan er een leuke dag van maken! ’s Ochtends nemen we om negen ____________________________________ de bus naar het Kröller-Müller museum. Daar _________________________________ we een lekker kopje koffie. Dan gaan we het museum bezoeken. Om ______________________________ één lunchen we in het museum. Van half twee _______________________ half vier kunnen we fietsen in het park rond het museum. Om ___________________________________ uur nemen we de bus terug naar Utrecht. We kijken ernaar uit! Groeten van de feestcommissie

5 De tijd Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 93

93 12-07-19 10:47


Taalhulp

â&#x17E;¤

Dagelijkse activiteiten

opstaan ontbijten

koffie zetten

Ochtend douchen

06:00-12:00 uur

s ochtends, vanochtend

auto rijden

aankleden

fietsen de bus nemen

94

Klim op 5 De tijd

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 94

12-07-19 10:47


boodschappen doen lunchen

mailen

Middag

werken

12:00-18:00 uur

s middags vanmiddag

sporten

leren huiswerk maken een toets maken

televisie kijken

internetten lezen

Avond

18:00-00:00 uur

s avonds, vanavond

bellen

koken

tanden poetsen slapen

naar bed gaan

5 De tijd Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 95

95 12-07-19 10:47


6 Luisteren, lezen en spreken A B C

Luister en lees mee. Luister, lees mee en zeg na. Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek.

1 Ik sta op. 2 Ik douch. 3 Ik kleed me aan. 4 Ik zet koffie. 5 Ik ontbijt. 6 Ik neem de bus. 7 Ik fiets. 8 Ik rijd auto. 9 Ik lunch. 10 Ik werk. 11 Ik mail. 12 Ik doe boodschappen.

13 Ik sport. 14 Ik leer. 15 Ik maak huiswerk. 16 Ik maak een toets. 17 Ik kook. 18 Ik lees. 19 Ik internet. 20 Ik kijk televisie. 21 Ik bel. 22 Ik poets mijn tanden. 23 Ik ga naar bed. 24 Ik slaap.

7 Grammatica

Kijk naar het voorbeeld. Zet de activiteiten in de goede volgorde en maak zinnen. Voorbeeld: douchen – opstaan – aankleden Eerst sta ik op. Daarna douch ik. Dan kleed ik me aan.

96

1

de bus nemen – koffie zetten – ontbijten Eerst ________________________________________________________________________________ . Daarna _____________________________________________________________________________ . Dan ________________________________________________________________________________ .

2

eten – koken – boodschappen doen Eerst ________________________________________________________________________________ . Daarna _____________________________________________________________________________ . Dan ________________________________________________________________________________ .

Klim op 5 De tijd

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 96

12-07-19 10:47


3

leren – een toets maken – huiswerk maken Eerst ________________________________________________________________________________ . Daarna _____________________________________________________________________________ . Dan ________________________________________________________________________________ .

4

tanden poetsen – slapen – naar bed gaan Eerst ________________________________________________________________________________ . Daarna _____________________________________________________________________________ . Dan ________________________________________________________________________________ .

Taalhulp

Hobby’s

hardlopen hockeyen

fitness doen

Sport

volleybal spelen

Ik speel graag voetbal. Ik vind yoga leuk.

zwemmen

voetbal spelen

basketbal spelen

yoga doen

5 De tijd Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 97

97 12-07-19 10:47


viool spelen

naar muziek luisteren

cello spelen

Muziek

Ik ga graag naar een concert.

zingen

Ik vind zingen leuk.

muziek maken

gitaar spelen

piano spelen naar een concert gaan

trompet spelen

dansen reizen

gamen

Overig

Ik reis graag. naar films kijken

Ik vind tuinieren leuk.

tekenen

uitgaan

fotoâ&#x20AC;&#x2122;s maken tuinieren

98

Klim op 5 De tijd

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 98

12-07-19 10:48


8 Luisteren, lezen en spreken A B C

Luister en lees mee. Luister, lees mee en zeg na. Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek.

1 Ik speel voetbal, basketbal en volleybal. 2 Ik doe fitness en yoga. 3 Ik loop hard. 4 Ik zwem. 5 Ik hockey. 6 Ik maak muziek. 7 Ik luister naar muziek. 8 Ik zing. 9 Ik speel gitaar.

10 Ik ga naar een concert. 11 Ik ga uit. 12 Ik kijk films. 13 Ik reis. 14 Ik maak fotoâ&#x20AC;&#x2122;s. 15 Ik teken. 16 Ik dans. 17 Ik game. 18 Ik tuinier.

9 Luisteren en schrijven Luister naar de zinnen en lees mee. Vul het missende woord in.

1 Peter ___________________ pasta. 2 We ___________________ naar een film. 3 Ik ___________________ piano. 4 Ze ___________________ voetbal in het weekend. 5 ___________________ je ook naar het concert? 6 Saskia ___________________ boodschappen. 7 Ik ___________________ bus 8 naar het centraal station. 8 Zij ___________________ in een kledingwinkel. 9 Hij ___________________ graag naar muziek. 10 Ik ___________________ tekenen leuk.

5 De tijd Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 99

99 12-07-19 10:48


10 Schrijven

Lees de zinnen. Vul het juiste werkwoord in. Voorbeeld: Ik zing. – Jij zingt. – Hij zingt . 1 2 3 4 5

Ik maak een toets. 6 Wij maken huiswerk. Jij maakt een toets. Jullie maken huiswerk. Hij / Zij _______________ een toets. Zij _______________ huiswerk. Ik zwem in de zee. 7 Wij bellen de docent. Jij zwemt in de zee. Jullie bellen jullie familie. Hij / Zij _______________ in de zee. Zij _______________ hun vrienden. Ik _______________ foto’s. 8 Wij _______________ in het hotel. Jij maakt foto’s. Jullie slapen in het hotel. Hij / Zij maakt foto’s. Zij slapen in het hotel. Ik _______________ in het 9 Wij werken op de school. weekend uit. Jij gaat in het weekend uit. Hij / Zij gaat in het Jullie _______________ op de school. weekend uit. Zij werken op de school. Ik dans in het café. 10 Wij lezen een tekst. Jij _______________ in het café. Jullie _______________ een tekst. Hij / Zij danst in het café. Zij lezen een tekst.

11 Spreken

A

Werk met drie andere cursisten. Vraag wat hun hobby’s zijn. Schrijf de antwoorden in de tabel. Vraag: Antwoord:

100

Wat is jouw hobby? Ik (lees) graag. / Ik vind (lezen) leuk.

Klim op 5 De tijd

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 100

12-07-19 10:48


Cursist 1

Cursist 2

B

Cursist 3

En jij? Wat zijn jouw hobby’s?

Vertel aan de klas over de hobby’s van je medecursisten.

12 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B leest het antwoord.

moeten 1 2 3

A Moet je ’s avonds werken? B Ja, ik moet ’s avonds werken. A Moet je Nederlands leren? B Ja, ik moet Nederlands leren. A Moet je een toets maken? B Ja, ik moet een toets maken.

kunnen

4 A Kun je goed koken? B Nee, ik kan niet goed koken. 5 A Kunnen we bus 11 naar het centraal station nemen? B Ja, die bus kunnen we nemen. 6 A Kan hij goed voetbal spelen? B Ja, hij kan goed voetbal spelen.

mogen

7 A Mag je al auto rijden? B Nee, ik mag niet auto rijden. Ik ben 17. 5 De tijd Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 101

101 12-07-19 10:48


8 A Mogen we foto’s maken in het museum? B Ja, jullie mogen foto’s maken. 9 A Mogen de kinderen ’s avonds op straat spelen? B Ja, ze mogen ’s avonds op straat spelen.

willen

10 A Wil je zoon niet slapen? B Nee, hij wil niet slapen. Hij is niet moe. 11 A Wil je in het weekend uitgaan? B Ja leuk, ik wil graag naar een café gaan. 12 A Wil je met me dansen? B Nee sorry, ik kan niet dansen.

13 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B leest het antwoord.

en 1 2 3 4

A Wat ga je vandaag doen? B Ik ga werken en ik ga boodschappen doen. A Wat doe je in het weekend? B Ik ga voetballen en ik ga bij mijn familie op bezoek. A Wat moet je deze week doen? B Ik moet leren en ik moet een toets maken. A Wat wil je vanmiddag doen? B Ik wil tuinieren en ik wil tomatensoep koken.

of

5 A Wil je thee of wil je koffie? B Ik wil graag thee. 6 A Ga je hardlopen of ga je voetballen? B Ik ga hardlopen. 7 A Luister je graag naar muziek of maak je ook muziek? B Ik luister graag naar muziek. 8 A Nemen we de bus of gaan we met de auto? B We kunnen beter de bus nemen.

102

Klim op 5 De tijd

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 102

12-07-19 10:48


Taalhulp

â&#x17E;¤

De klok

Hoe laat is het? 1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

Het is vier uur.

Het is vijf over vier.

Het is tien over vier.

1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

Het is kwart over vier. 1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

Het is half vijf. 1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

Het is kwart voor vijf.

Hoe laat begint de les?

1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

Het is tien voor half vijf. Het is vijf voor half vijf. 1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

Het is vijf over half vijf. Het is tien over half vijf. 1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

Het is tien voor vijf.

1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

Het is vijf voor vijf.

De les begint om negen uur.

Wat zijn je werktijden?

Ik werk van acht tot vijf uur.

5 De tijd Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 103

103 12-07-19 10:48


14 Luisteren, lezen en spreken A B C

Luister en lees mee. Luister, lees mee en zeg na. Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek.

1 09:15 2 11:30 3 10:20 4 12:40 5 14:45 6 20:15 7 13:50 8 21:25 9 07:00 10 08:10

Het is kwart over negen. Het is half twaalf. Het is tien voor half elf. Het is tien over half ĂŠĂŠn. Het is kwart voor drie Het is kwart over acht. Het is tien voor twee. Het is vijf voor half tien. Het is zeven uur. Het is tien over acht.

15 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B leest het antwoord. 1 A Hoe laat is het? B Het is twee uur (14:00). 2 A Hoe laat is het? B Het is half vier (15:30). 3 A Hoe laat is het? B Het is kwart over vijf (17:15). 4 A Hoe laat is het? B Het is tien voor acht (07:50). 5 A Hoe laat is het? B Het is vijf over drie (15:05). 6 A Hoe laat is het? B Het is tien over half twee (13:40). 7 A Hoe laat is het? B Het is tien over acht (08:10).

104

Klim op 5 De tijd

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 104

12-07-19 10:48


8 A Hoe laat is het? B Het is kwart voor elf (22:45). 9 A Hoe laat is het? B Het is vijf voor half zes (17:25). 10 A Hoe laat is het? B Het is vijf voor vier (15:55).

16 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B leest het antwoord. 1 A Hoe laat begint de les? B De les begint om tien uur. 2 A Hoe laat is de les afgelopen? B De les is om half twaalf afgelopen. 3 A Hoe laat komt je broer? B Mijn broer komt om half drie. 4 A Wat zijn je werktijden? B Ik werk van negen tot zes uur. 5 A Hoe laat ga je voetballen? B Ik ga om twee uur voetballen. 6 A Hoe laat neem je de bus? B De bus gaat om kwart over ĂŠĂŠn. 7 A Hoe laat ga je naar bed? B Ik ga om half twaalf naar bed. 8 A Hoe laat sta je op? B Ik sta om kwart voor zeven op. 9 A Hoe laat begint het concert? B Het concert begint om negen uur. 10 A Hoe laat ga je koken? B Ik ga om half zes koken.

5 De tijd Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 105

105 12-07-19 10:48


17 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B leest het antwoord. 1 A Wat doe je om kwart voor negen? B Om kwart voor negen lees ik mijn mail. 2 A Wat doe je om half negen? B Om half negen drink ik koffie. 3 A Wat doe je om één uur? B Om één uur lunch ik. 4 A Wat doe je van zeven tot acht uur ’s avonds? B Van zeven tot acht uur maak ik huiswerk. 5 A Wat doe je om acht uur? B Om drie uur sport ik. 6 A Wat doe je om vijf uur? B Om vijf uur lees ik mijn mail. 7 A Wat doe je om half twee? B Om half twee werk ik. 8 A Wat doe je om twee uur? B Om twee uur slaap ik. 9 A Wat doe je om half elf? B Om half elf mail ik. 10 A Wat doe je om drie uur? B Om acht uur kijk ik televisie

106

Klim op 5 De tijd

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 106

12-07-19 10:48


18 Wat hoort bij elkaar? Combineer de klokken met de zinnen. Trek een lijn.

1 1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

2 1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

3 1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

4 1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

5 1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

A Het is vijf over vier.

B Het is drie uur.

C Het is tien voor drie.

D Het is half twaalf.

E Het is tien over half acht.

F Het is kwart voor zes.

G Het is kwart voor negen.

H Het is vijf voor elf.

I Het is tien voor half twee.

J Het is tien voor tien.

6 1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

7 1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

8 1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

9 1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

10 1112 1 2 10 9 3 4 8 7 6 5

5 De tijd Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 107

107 12-07-19 10:48


19 Wat hoort bij elkaar?

Combineer de plaatjes met de zinnen. Trek een lijn.

A Om half twaalf danst hij in de discotheek. B Om half elf speelt hij voetbal.

10:30 uur

C Om kwart voor zes heeft mijn zoon zwemles.

20:20 tot 21:10 uur

D Om kwart over acht neemt hij de bus. E Van tien voor half negen tot tien over negen belt ze met haar moeder.

08:15 uur

23:30 uur

108

F Om half acht gaat ze hardlopen.

17:45 uur

7:30 uur

Klim op 5 De tijd

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 108

12-07-19 10:48


20 Schrijven

Hoe laat is het? Schrijf de tijd op. Voorbeeld:

10:00 uur

1 2 3 4 5

_________________________________________________________________________

13:30 uur 17:45 uur 19:15 uur 14:00 uur 09:10 uur

Het is tien uur.

_________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________

21 Luisteren

Luister naar de zinnen. Kies de goede tijd. 1 Erik gaat om 13:00 / 15:00 uur voetballen. 2 Ik sta elke dag om 07:30 / 08:30 uur op. 3 Evelien leest om 14:15 / 14:45 uur haar mail. 4 Mijn dochter maakt â&#x20AC;&#x2122;s middags om 15:30 / 15:20 uur haar huiswerk. 5 Mijn zoon gamet om 20:30 / 21:00 uur met zijn vrienden. 6 Ik kleed me om 06:50 / 06:10 uur aan. 7 Mijn moeder tuiniert van 10:00 tot 12:00 uur / van 16:00 tot 18:00 uur. 8 Zet jij om 09:15 / 09:30 uur koffie? 9 De kinderen zwemmen tot 17:20 / 17:30 uur in de zee. 10 Ik sport om 19:15 / 20:15 uur.

5 De tijd Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 109

109 12-07-19 10:48


22 Lezen

A

Lees de tekst.

Moniek vertelt over haar dag.

Het is al half negen. Tijd om op te staan! Ik ga douchen en om negen uur zet ik koffie en ontbijt ik. Ik maak huiswerk voor mijn cursus Nederlands van half tien tot elf uur. Dan ga ik om kwart over elf boodschappen doen. Om twaalf uur lunch ik. â&#x20AC;&#x2122;s Middags ga ik met een vriendin zwemmen. Het is een mooie dag! Ik zie mijn vriendin om twee uur bij het zwembad. â&#x20AC;&#x2122;s Avonds kook ik een simpele pasta. Ik eet om half zeven. Ik heb een leuke avond. Ik ga om negen uur met vrienden naar een concert van De Dijk, een goede Nederlandse band.

B

Lees de tekst bij A nog een keer. Combineer nu de kloktijden met de juiste activiteiten. 1 08:30 uur 2 09:00 uur 3 09:30-11:00 uur 4 11:15 uur 5 12:00 uur 6 14:00 uur 7 18:30 uur 8 21:00 uur

A zwemmen B naar een concert gaan C huiswerk maken D koffie zetten en ontbijten E opstaan F eten G lunchen H boodschappen doen

23 Schrijven

Wat doe jij vandaag? Maak de zinnen compleet. Voorbeeld: Om acht uur douch ik. (douchen) 1 Om half negen ___________________________________________________ (ontbijten) 2 Om kwart over negen _____________________________________ (de bus nemen) 3 Om half tien ___________________________________________________ (koffie zetten)

110

Klim op 5 De tijd

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 110

12-07-19 10:48


4 Om tien voor tien ____________________________________________ (de mail lezen) 5 Om twaalf uur _______________________________________________________ (lunchen) 6 Tot vijf uur _____________________________________________________________ (werken) 7 Om half zes __________________________________________ (boodschappen doen) 8 Om kwart over zes ____________________________________________________ (koken) 9 Om kwart voor zeven __________________________________________ (pasta eten) 10 Van half acht tot tien uur _______________________________ (televisie kijken)

24 Dictee A

Lees de woorden. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 2 3 4 5

â&#x17E;¤ woorden

B

6 _______________________ 7 _______________________ 8 _______________________ 9 _______________________ 10 _______________________

aankleden - hardlopen - opstaan - toets - â&#x20AC;&#x2122;s ochtends -

______________________ ______________________ ______________________ ______________________ ______________________

Omcirkel de woorden die je hoort.

1 2 3 4 5

C

uur - koken - zwemmen - piano - van -

voor lezen vanmiddag vrienden zaterdag

- - - - -

over leren vanavond biertje zondag

6 bellen 7 ontbijten 8 reizen 9 half 10 om

- - - - -

werken kijken rijden kwart tot

Schrijf de woorden die je hoort. 1 2 3 4 5

______________________________ ______________________________ ______________________________ ______________________________ ______________________________

6 ______________________________ 7 ______________________________ 8 ______________________________ 9 ______________________________ 10 ______________________________

5 De tijd Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 111

111 12-07-19 10:48


25 Dictee A

Lees de zinnen. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 2 3 4 5

112

➤ zinnen

B

We kijken naar een film. ________________________________________________________________________________________

Hij maakt foto’s van de kinderen.

________________________________________________________________________________________

Ze nemen de bus.

________________________________________________________________________________________

Ik vind zwemmen leuk.

________________________________________________________________________________________

Speel je gitaar?

________________________________________________________________________________________

Schrijf de zinnen die je hoort.

1 ________________________________________________________________________________________ 2 ________________________________________________________________________________________ 3 ________________________________________________________________________________________ 4 ________________________________________________________________________________________ 5 ________________________________________________________________________________________ 6 ________________________________________________________________________________________ 7 ________________________________________________________________________________________ 8 ________________________________________________________________________________________ 9 ________________________________________________________________________________________ 10 ________________________________________________________________________________________

Klim op 5 De tijd

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 112

12-07-19 10:48


26 Uitspraak

Luister naar de woorden. Lees mee. Zeg na. 1 2 3 4 5

â&#x17E;¤ i â&#x20AC;&#x201C; ie

ik kind gezin zitten drinken

6 koffie 7 fietsen 8 vriend 9 muziek 10 plezier

27 Woorden

Ga naar de website en print de flashcards. Knip ze uit en leer de woorden.

Aan de slag!

Oefen online met de woorden uit dit thema en verbeter je uitspraak.

5 De tijd Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 113

113 12-07-19 10:48


6

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 114

Afspreken

12-07-19 10:48


1 Luisteren, lezen en spreken A

Luister naar de dialogen. Lees mee.

Zullen we ...? (aan de telefoon) Roos Mirjam Roos Mirjam Roos Mirjam Roos Mirjam Roos Mirjam

Met Roos. Hoi Roos, met Mirjam. Hé, hoe gaat het met jou? Goed, lang niet gezien. Klopt. Zullen we vanmiddag even koffie drinken in café Buurten? Ja leuk, hoe laat? 1112 1 2 Om half vier. 10 9 Ja gezellig, tot straks. 3 Oké, tot straks. 4 8

7 6 5

Zullen we ...?

(praatje met de buurman) Bas Martin Bas Martin Bas Martin Bas Martin

Hé buurman, alles goed? Prima, en met jou? Ja, kan niet beter. Lekker weertje hè! Super! Wij gaan vanavond barbecueën. Komen jullie ook even een hamburgertje eten? Oh lekker! Moniek heeft al een eetafspraak met een vriendin, maar ik kan wel. Hoe laat zal ik komen? Nou, we beginnen denk ik om een uur of zeven. Is dat goed? 1112 1 Prima, tot vanavond! 2 10 Gezellig, tot straks.

9 8

7 6 5

3 4

6 Afspreken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 115

115 12-07-19 10:48


Zullen we ...?

Rabiaa en Razan doen een cursus Nederlands. Na de les maken ze een afspraak voor een lunch. Rabiaa Razan Rabiaa Razan Rabiaa Razan Rabiaa Razan Rabiaa

Leuke les was dat hè? Ja, veel nieuwe woorden, en de uitspraakoefeningen zijn ook goed. Ik heb vanmiddag nog geen plannen. Zullen we even samen lunchen? Dat is een leuk idee, maar ik kan vandaag niet, want ik ga winkelen met mijn zus. Zullen we een afspraak maken voor een andere dag? Prima, ik kan woensdag en vrijdag. Oké, woensdag kan ik ook. Waar zullen we afspreken? In café Parkzicht, om een uur of twaalf? Prima, dan zie ik je daar. 1112 1 Ja, tot woensdag!

barbecueën

116

10 9 8

7 6 5

2 3 4

hamburger eten

Klim op 6 Afspreken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 116

12-07-19 10:48


B

Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee. Zeg na. Hoi Roos, met Mirjam. Zullen we vanmiddag even koffie drinken in café Buurten? Ja leuk, hoe laat? Lekker weertje hè! Komen jullie ook even een hamburgertje eten? Moniek heeft al een eetafspraak met een vriendin, maar ik kan wel. We beginnen denk ik om een uur of zeven. Dat is een leuk idee, maar ik kan vandaag niet, want ik ga winkelen met mijn zus. Zullen we een afspraak maken voor een andere dag?

2 Luisteren en lezen

Lees de dialogen bij opdracht 1 nog een keer. Maak de tabel compleet.

wie

wat

Mirjam

koffie dinken

waar

hoe laat om half vier

Bas Rabiaa

welke dag

vandaag

café Parkzicht

6 Afspreken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 117

117 12-07-19 10:48


3 Luisteren en schrijven Luister naar de dialoog. Vul de woorden in. Hanneke Marjon Hanneke Marjon Hanneke Marjon Hanneke

Hé Marjon, z______________________ we iets leuks doen in het weekend? Ja, g______________________ idee! Misschien kunnen we naar de film gaan? Ja l_____________________ , is er een leuke film op dit moment? Ik zal even op de website kijken. P______________________ , en zullen we dan voor de film ook iets eten? Ja, doen we.

4 Lezen en schrijven

Lees de dialoog. Vul de woorden in.

Kies uit: druk – hoe – idee – prima – uur – vandaag Marc Sanne Marc Sanne Marc Sanne Marc

Hoi Sanne, ______________________ gaat het? Nou, het gaat wel. Het is ______________________ . Ik heb volgende week veel toetsen op school. Ja, ik ook. Zullen we ______________________ samen leren in de bibliotheek? Ja, dat is een goed ______________________ . Hoe laat spreken we af? Om elf ______________________? Ja ______________________ , tot zo. Tot zo.

leren in de bibliotheek

118

Klim op 6 Afspreken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 118

12-07-19 10:48


Taalhulp

â&#x17E;¤

Dagen van de week

Een week heeft zeven dagen. maandag dinsdag woensdag donderdag

vrijdag zaterdag zondag

Wanneer? vandaag morgen overmorgen over drie dagen

op vrijdag in het weekend

5 Luisteren, lezen en spreken

A B C

Luister en lees mee. Luister, lees mee en zeg na. Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek.

1 Op maandag heeft ze Nederlandse les. 2 Op dinsdag heeft ze een afspraak bij de kapper. 3 Op woensdag gaat hij bij zijn ouders op bezoek. 4 Op donderdag moet ik werken. 5 Op vrijdag drinkt ze thee met een vriendin. 6 Op zaterdag doen we boodschappen. 7 Op zondag gaan ze zwemmen.

6 Afspreken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 119

119 12-07-19 10:48


6 Lezen en spreken

A

Kijk naar de agenda. 1

Maandag

4

Donderdag

2

Dinsdag

5

Vrijdag

3

___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________

08.00 tot 17.00 uur werken

___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________

VRIJ

___________________________________________________

08.30 uur afspraak bij de dokter

___________________________________________________ 19.30 uur ___________________________________________________ bij ___________________________________________________ Tesfay eten

Woensdag

6

Zaterdag

7

Zondag

___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________

20.00 uur fietsles

___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________

___________________________________________________ ___________________________________________________

09.00 uur volleyballen

___________________________________________________ ___________________________________________________

dagje naar de dierentuin

___________________________________________________ ___________________________________________________

B

Kijk nog een keer naar de agenda bij A. Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B leest het antwoord. 1 A Welke dag is het vandaag? B Vandaag is het maandag. 2 A Wat doe je vandaag? B Vandaag moet ik van acht tot vijf uur werken. 3 A Welke dag is het morgen? B Morgen is het dinsdag. 4 A Wat doe je morgen? B Morgen heb ik om half negen een afspraak bij de dokter. 5 A Wat ga je woensdag doen? B Woensdag ga ik om acht uur naar fietsles. 6 A Heb je al plannen voor donderdag? B Nee, donderdag ben ik vrij. 7 A Wat ga je vrijdagavond doen? B Vrijdagavond ga ik om half acht bij Tesfay eten. 8 A Heb je al plannen voor het weekend? B Op zaterdag ga ik om negen uur volleyballen en op zondag ga ik een dagje naar de dierentuin met mijn gezin.

120

Klim op 6 Afspreken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 120

12-07-19 10:48


7 Schrijven

Vul de ontbrekende woorden in.

maandag

dinsdag

donderdag

zaterdag

8 Lezen en schrijven A

Kijk naar de agenda van Loes. 1

Maandag

___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________

13.00 tot 22.00 uur werken

2

Dinsdag

3

Woensdag

___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________

14.30 uur afspraak bij de tandarts 09.00 uur - zwemmen 12.30 uur lunchen met Jan

___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________

4

Donderdag

___________________________________________________

___________________________________________________ 07.00 tot 16.00 uur ___________________________________________________ werken ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________

5

Vrijdag

___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________

21.00 uur naar concert

6

Zaterdag

7

Zondag

15.00 uur feestje bij Annet

___________________________________________________ ___________________________________________________

___________________________________________________ ___________________________________________________

B

Kijk nog een keer naar de agenda bij A. Vul de ontbrekende woorden in. Voorbeeld: Op maandag begint ze om ĂŠĂŠn uur met werken. 1 Op dinsdag heeft ze om half drie een afspraak bij de _____________________________________ .

6 Afspreken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 121

121 12-07-19 10:48


2 Woensdagochtend gaat ze _____________________________________ . 3 Woensdagmiddag gaat ze _____________________________________ met Jan. 4 Donderdag moet ze tot _____________________________________ uur werken. 5 Op ______________________________ gaat ze om negen uur naar een concert. 6 Zaterdag gaat ze naar een _____________________________________ van Annet.

9 Luisteren en schrijven Annet vertelt over haar week. Luister en vul de juiste dagen in.

Voorbeeld: Ik ga op maandag van half negen tot drie uur naar school. 1 2 3 4

Ik heb ook les op ___________________________ . Ik doe de kappersopleiding. Op ________________________ werk ik van acht tot vijf uur in een kapsalon. Op ___________________________ werk ik daar ook van twee uur â&#x20AC;&#x2122;s middags tot tien uur â&#x20AC;&#x2122;s avonds. Ik heb vrij op ______________________________ . Dan ga ik sporten of iets leuks doen met vriendinnen.

10 Schrijven

Kijk naar de activiteiten tussen haakjes. Maak de zinnen compleet. Voorbeeld: Op maandag drink ik koffie met een vriendin. (koffie drinken met een vriendin) 1 Op zaterdagavond _______________________________________________________________ _______________________________________________________ . (naar een concert gaan) 2 Morgen _____________________________________________________________________________ _______________________________________________________________ . (gitaarles hebben) 3 Vandaag ____________________________________________________________________________ ______________________________________________________ . (lunchen met een vriend)

122

Klim op 6 Afspreken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 122

12-07-19 10:48


4 Op woensdag _____________________________________________________________________ _______________________________________________________________ . (een toets maken) 5 Om vier uur ________________________________________________________________________ __________________________________________________________________ . (de bus nemen) 6 Om half elf _________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________ . (koffie zetten) 7 In het weekend ___________________________________________________________________ __________________________________________________________ . (boodschappen doen) 8 Overmorgen _______________________________________________________________________ _________________________________________________________ . (een afspraak hebben) 9 Vanmiddag ________________________________________________________________________ _______________________________________________________________ . (huiswerk maken) 10 Vanavond __________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________ . (pasta eten)

11 Schrijven en spreken

A

Vul nu je eigen agenda in. Schrijf bij elke dag een kloktijd en een activiteit.

1

Maandag

4

Donderdag

2

Dinsdag

5

Vrijdag

3

Woensdag

6

Zaterdag

7

Zondag

___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________

___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________

___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________

___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________

___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________ ___________________________________________________

___________________________________________________ ___________________________________________________

___________________________________________________ ___________________________________________________

6 Afspreken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 123

123 12-07-19 10:48


B

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B kijkt in zijn agenda en geeft antwoord. 1 A Wat doe je op maandag? B Op maandag __________________________________________________________________ . A Hoe laat doe je dat? B Om ______________________________________________________________________________ . 2 A Wat doe je op dinsdag? B Op dinsdag ____________________________________________________________________ . A Hoe laat doe je dat? B Om ______________________________________________________________________________ . 3 A Wat doe je op woensdag? B Op woensdag ________________________________________________________________ . A Hoe laat doe je dat? B Om ______________________________________________________________________________ . 4 A Wat doe je op donderdag? B Op donderdag ________________________________________________________________ . A Hoe laat doe je dat? B Om ______________________________________________________________________________ . 5 A Wat doe je op vrijdag? B Op vrijdag _____________________________________________________________________ . A Hoe laat doe je dat? B Om ______________________________________________________________________________ . 6 A Wat doe je op zaterdag? B Op zaterdag ___________________________________________________________________. A Hoe laat doe je dat? B Om ______________________________________________________________________________ . 7 A Wat doe je op zondag? B Op zondag ____________________________________________________________________ . A Hoe laat doe je dat? B Om ______________________________________________________________________________ .

124

Klim op 6 Afspreken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 124

12-07-19 10:48


Taalhulp

Uitgaan en afspreken

Uitgaan, een uitje het café, het restaurant

de bioscoop

naar de film kijken

de discotheek

iets drinken / eten praten / kletsen

bij een vriend thuis

dansen

het museum

een tentoonstelling bezoeken

het bos

wandelen, fietsen

naar een feestje gaan

het theater

een voorstelling bekijken

het park

picknicken, barbecueën

6 Afspreken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 125

125 12-07-19 10:48


het zwembad

het strand

zwemmen

zwemmen, zonnen, een ijsje eten, surfen

Afspreken Zullen we zaterdag naar het strand gaan? Ja leuk! Goed idee! Prima! Sorry, ik kan niet. Sorry, ik heb geen tijd.

Zullen we vanavond naar het cafĂŠ gaan? Ja leuk! Hoe laat? Om half negen? Prima, tot vanavond. OkĂŠ, tot straks!

126

Klim op 6 Afspreken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 126

12-07-19 10:48


12 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B geeft antwoord. 1 A Zullen we naar de bioscoop gaan? B Ja leuk! 2 A Zullen we gaan dansen? B Sorry, ik kan niet. 3 A Zullen we naar dat Spaanse restaurant gaan? B Goed idee! 4 A Zullen we naar het Rijksmuseum gaan? B Sorry, ik heb geen tijd. 5 A Zullen we in het bos gaan wandelen? B Prima! 6 A Zullen we in het park gaan picknicken? B Sorry, ik kan niet. 7 A Zullen we naar het strand gaan? B Ja leuk! 8 A Zullen we naar het zwembad gaan? B Sorry, ik heb geen tijd. 9 A Zullen we samen lunchen? B Goed idee! 10 A Zullen we naar het concert gaan? B Sorry, ik kan niet.

13 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A leest de zinnen bij A. Cursist B leest de zinnen bij B. Gebruik de informatie tussen haakjes. Voorbeeld: A Zullen we in het park picknicken ? (park, picknicken) B Goed idee! Hoe laat? A Om twee uur ? (14:00 uur) B Prima, tot dan. 6 Afspreken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 127

127 12-07-19 10:48


1 2 3 4 5

A Zullen we zaterdag ______________________________ ? (het bos, wandelen) B Ja leuk! Hoe laat? A Om ______________________________________________________________ ?(10:00 uur) B Prima, tot zaterdag! A Zullen we zondag __________________________________________________________ ? (naar een museum gaan) B Ja leuk! Hoe laat? A Om _______________________________________________________________ ?(14:00 uur) B Prima, tot zondag! A Zullen we vrijdagavond ___________________________________________________ ? (het cafĂŠ, iets drinken) B Ja leuk! Hoe laat? A Om ______________________________________________________________ ? (21:00 uur) B Prima, tot vrijdag! A Zullen we woensdag ______________________________________________________ ? (het park, hardlopen) B Ja leuk! Hoe laat? A Om ______________________________________________________________ ?(09:30 uur) B Prima, tot woensdag! A Zullen we vanavond _______________________________________________________ ? (de bioscoop, een film kijken) B Ja leuk! Hoe laat? A Om ________________________________________________________________ ?(19:15 uur) B Prima, tot vanavond!

14 Lezen

A

Lees de app-berichten. Tom Hoi Daan, we zitten in het park. Kom je ook? Oh leuk, maar ik moet huiswerk maken.

Daan Tom

Dat kan ook vanavond. Het is mooi weer. Daan

Ja, maar ik moet nog veel oefeningen doen.

128

Klim op 6 Afspreken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 128

12-07-19 10:48


Tom

We hebben lekkere biertjes, en hamburgers â&#x20AC;Ś Daan

OkĂŠ, ik ben er over tien minuten.

B

Lees de app-berichten bij A nog een keer. Beantwoord de vragen. 1 Waar is Tom?

________________________________________________________________________________________

________________________________________________________________________________________

________________________________________________________________________________________

________________________________________________________________________________________

________________________________________________________________________________________

________________________________________________________________________________________

2 Wat moet Daan doen? 3 Is het mooi weer?

4 Wat gaat Tom drinken? 5 Wat gaat Tom eten?

6 Komt Daan ook naar het park?

15 Luisteren

Luister naar de zinnen. Vul de woorden in die je hoort.

Simone

1 _______________________________ ga ik uit. 2 Ik ga eerst naar een _______________________________ bij een vriend thuis. 3 Na het feestje gaan we _______________________________ in een discotheek.

Carolien

4 We gaan _______________________________ met de kinderen naar het strand. 5 Onze zoon en dochter _______________________________ graag in de zee, 6 en wij gaan lekker _______________________________ en een boek lezen.

6 Afspreken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 129

129 12-07-19 10:48


Joris

7 Ik _______________________________ echt een natuurmens. 8 Ik wandel en _______________________________ vaak in het bos. 9 en ik werk graag in de _______________________________ .

16 Schrijven

Lees het bericht. Maak de tekst compleet. Sanne

Hoi Moniek. Het wordt morgen mooi weer Zullen we ________________________________________________ _____________________________________________________________ ?

Moniek

Ja _______________________________ ________________________________ ? Sanne

Om 10:30 uur?

Moniek

Ja prima. Tot morgen! Sanne

___________________________________________

17 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A lees de vraag. Cursist B leest het antwoord.

maar 1 2

130

A Kom je zaterdagavond naar mijn feestje? B Sorry, ik wil wel naar je feestje komen, maar ik moet werken. A Zullen we naar een cafĂŠ gaan? B Sorry, ik wil wel naar een cafĂŠ gaan, maar ik moet veel huiswerk maken.

Klim op 6 Afspreken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 130

12-07-19 10:48


3 4 5

A Zullen we morgen naar het strand gaan? B Sorry, ik wil wel naar het strand gaan, maar ik ben ziek. A Zullen we woensdag samen lunchen? B Sorry, ik wil graag met je lunchen, maar ik heb woensdag al een andere afspraak. A Zullen we vrijdagavond gaan dansen? B Sorry, ik wil wel met je uitgaan, maar ik kan niet dansen.

En nu jij:

6 A Zullen we _____________________________________________________________________ ? B Sorry, ___________________________________________________________________________ ?

want

1 A Zullen we dinsdag naar de tentoonstelling van Rembrandt gaan? B Sorry, ik heb geen zin, want ik vind musea niet leuk. 2 A Zullen we zondag naar het zwembad gaan? B Sorry, dat gaat niet, want ik kan niet zwemmen. 3 A Zullen we volgende week een feestje geven? B Sorry, dat kan nu niet, want ik heb geen geld. 4 A Zullen we in het park gaan picknicken? B Nou, dat is geen goed idee, want het wordt slecht weer. 5 A Zullen we vanmiddag gaan wandelen? B Sorry, ik kan niet, want ik heb een afspraak bij de tandarts.

En nu jij:

6 A Zullen we _____________________________________________________________________ ? B Sorry, ___________________________________________________________________________ ?

geen geld

slecht weer

tandarts 6 Afspreken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 131

131 12-07-19 10:48


Taalhulp

â&#x17E;¤

Maanden en seizoenen

De winter

december, januari, februari

schaatsen

sneeuwballen gooien

warme chocolademelk drinken

kerstmis vieren

erwtensoep en oliebollen eten

De lente maart, april, mei

picknicken in het park

een festival bezoeken

paaseieren zoeken /schilderen

132

koningsdag en pasen vieren

in de tuin werken

Klim op 6 Afspreken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 132

12-07-19 10:48


De zomer juni, juli, augustus

barbecuen

in de zee/ in het zwembad zwemmen

naar het strand

ijs eten

op vakantie gaan

varen

De herfst

september, oktober, november

fietsen in de regen

in het bos wandelen

pepernoten eten

sinterklaas vieren

een strandwandeling maken in de storm

6 Afspreken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 133

133 12-07-19 10:48


18 Luisteren, lezen en spreken A B C

Luister en lees mee. Luister, lees mee en zeg na. Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek.

1 In de winter schaatsen we. 2 In de winter gooien we sneeuwballen. 3 In de winter vieren we Kerstmis. 4 In de winter eten we erwtensoep. 5 In de winter drinken we chocolademelk. 6 In de lente vieren we Koningsdag. 7 In de lente zoeken we paaseieren. 8 In de lente picknicken we in het park. 9 In de lente werken we in de tuin. 10 In de lente bezoeken we een festival. 11 In de zomer barbecueĂŤn we. 12 In de zomer eten we ijs. 13 In de zomer zwemmen we. 14 In de zomer varen we. 15 In de zomer gaan we naar het strand. 16 In de herfst wandelen we in het bos. 17 In de herfst vieren we Sinterklaas. 18 In de herfst eten we pepernoten. 19 In de herfst fietsen we in de regen. 20 In de herfst maken we een strandwandeling in de storm.

19 Schrijven

Vul de ontbrekende woorden in.

januari

februari

april

mei

juli

september

november

134

december

Klim op 6 Afspreken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 134

12-07-19 10:48


20 Luisteren

Welke datum hoor je?

Voorbeeld: 11 april 1 _______________________________________ 2 _______________________________________ 3 _______________________________________ 4 _______________________________________ 5 _______________________________________ 6 _______________________________________ 7 _______________________________________ 8 _______________________________________ 9 _______________________________________ 10 _______________________________________

11 _______________________________________ 12 _______________________________________ 13 _______________________________________ 14 _______________________________________ 15 _______________________________________ 16 _______________________________________ 17 _______________________________________ 18 _______________________________________ 19 _______________________________________ 20 _______________________________________

21 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B leest het antwoord. 1 2 3 4 5

A Wanneer begint de zomer? B De zomer begint op 1 juni. A Wanneer vieren we Koningsdag? B Op 27 april. A Wanneer vieren we Sinterklaas? B Op 5 december. A Wat is haar geboortedatum? B Haar geboortedatum is 2 juni 1987. A En wat is jouw geboortedatum? B Mijn geboortedatum is ____________________________________________________ .

6 Afspreken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 135

135 12-07-19 10:48


22 Woorden

136

Kijk naar de foto’s. Welke activiteiten doe jij graag in de zomer? En welke in de winter? Schrijf de woorden op bij de foto’s.

Klim op 6 Afspreken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 136

12-07-19 10:48


23 Dictee A

Lees de woorden. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 2 3 4 5

➤ woorden

B

_______________________ _______________________ _______________________ _______________________ _______________________

6 zwembad - 7 zaterdag - 8 morgen - 9 vrijdag - 10 zondag -

_____________________ _____________________ _____________________ _____________________ _____________________

Omcirkel de woorden die je hoort.

1 2 3 4 5

C

donderdag - museum - café - kletsen - andere -

maar dinsdag leuk zonnen tentoonstelling

- - - - -

maandag 6 park discotheek 7 winter lente 8 juni zwemmen 9 schaatsen voorstelling 10 strand

- - - - -

herfst want juli schilderen dansen

Schrijf de woorden die je hoort.

1 2 3 4 5

_____________________________________ _____________________________________ _____________________________________

_____________________________________ _____________________________________

24 Dictee A

6 _____________________________________ 7 _____________________________________ 8 _____________________________________ 9 _____________________________________ 10 _____________________________________

➤ zinnen

Lees de zinnen. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 Zullen we samen lunchen?

________________________________________________________________________________________

________________________________________________________________________________________

2 Ja prima!

6 Afspreken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 137

137 12-07-19 10:48


3 Sorry, ik kan niet, want ik moet werken.

________________________________________________________________________________________

________________________________________________________________________________________

________________________________________________________________________________________

4 Op maandag heb ik Nederlandse les.

5 In de zomer gaan we naar het strand.

B

Schrijf de zinnen die je hoort.

1 ________________________________________________________________________________________ 2 ________________________________________________________________________________________ 3 ________________________________________________________________________________________ 4 ________________________________________________________________________________________ 5 ________________________________________________________________________________________ 6 ________________________________________________________________________________________ 7 ________________________________________________________________________________________ 8 ________________________________________________________________________________________ 9 ________________________________________________________________________________________ 10 ________________________________________________________________________________________

25 Uitspraak

Luister naar de woorden. Lees mee. Zeg na. 1 2 3 4 5

138

â&#x17E;¤ oe

goed hoe doen woensdag bezoeken

6 toets 7 oefening 8 moet 9 boek 10 soep

Klim op 6 Afspreken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 138

12-07-19 10:48


26 Woorden

Ga naar de website en print de flashcards. Knip ze uit en leer de woorden.

Aan de slag!

Oefen online met de woorden uit dit thema en verbeter je uitspraak.

6 Afspreken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 139

139 12-07-19 10:48


7

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 140

Eten en drinken

12-07-19 10:48


1 Luisteren, lezen en spreken A

Luister naar de dialogen. Lees mee.

In een café Marieke Susan Marieke Susan

Wat neem jij? Hm, ze hebben appeltaart, lekker! Oh ja, dat wil ik ook, met warme chocolademelk. Ja, goed idee.

de appeltaart

de warme chocolademelk

In een lunchcafé Bediening Klant Bediening Klant Bediening

Goedemorgen, wilt u iets drinken? Ja, een kop koffie alstublieft. Oké, en wilt u ook iets eten? Een broodje kaas graag. Prima, een kop koffie en een broodje kaas. Komt eraan.

vijf minuten later ... Bediening Klant

Alstublieft, eet smakelijk! Bedankt.

7 Eten en drinken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 141

141 12-07-19 10:48


de kop koffie

het broodje kaas

In een kantine op het werk Jan en Erik zijn collegaâ&#x20AC;&#x2122;s. Ze lunchen samen. Jan Erik Jan Erik Jan Erik Jan Erik

Lekker eten! Ik heb trek. Ja, ik ook. Wat heb jij voor de lunch? Zes boterhammen met kaas en een glas melk. Heerlijk! Alweer! Jij eet elke dag hetzelfde. Ja, ik hou van boterhammen met kaas. Wat heb jij dan? Een warme tomatensoep en een salade. Hm wel lekker, maar een beetje weinig. Nou ja, eet smakelijk! Eet smakelijk!

het glas melk

142

de salade

Klim op 7 Eten en drinken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 142

12-07-19 10:48


B

Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee. Zeg na. Wat neem jij? Ze hebben appeltaart met warme chocolademelk. Wilt u iets drinken? Een kop koffie alstublieft. Wilt u ook iets eten? Een broodje kaas graag. Komt eraan! Alstublieft, eet smakelijk! Ik heb trek. Ik hou van boterhammen met kaas, heerlijk!

2 Luisteren en lezen Waar of niet waar? Kruis aan.

1 2 3 4 5

Susan neemt warme chocolademelk met appeltaart. De klant in het lunchcafĂŠ wil alleen iets drinken. De klant in het lunchcafĂŠ neemt een kop koffie. Jan eet vier boterhammen met kaas. Erik eet een warme tomatensoep en een salade.

waar

niet waar

waar waar

niet waar

waar waar

niet waar niet waar

niet waar

7 Eten en drinken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 143

143 12-07-19 10:48


3 Luisteren en schrijven Luister naar de dialoog. Vul de woorden in. Bediening Klant Bediening Klant Bediening Bediening Klant

Goedemorgen, wilt u iets d____________________________________ ? Ja, een kop koffie a________________________________________________ . Oké, en wilt u ook iets e_________________________________________ ? Een broodje kaas g________________________________________________ . Prima, een kop koffie en een broodje kaas. Komt eraan. Alstublieft, eet smakelijk! Bedankt.

4 Lezen en schrijven

Lees de dialoog. Vul de woorden in.

Kies uit: eet – hou – kaas – lekker – lunch – heerlijk Jan Erik Jan Erik Jan Erik Jan Erik

144

Lekker eten! Ik heb trek. Ja, ik ook. Wat heb jij voor de __________________________________ ? Zes boterhammen met __________________________________ en een glas melk. __________________________________ ! Alweer! Jij eet elke dag hetzelfde. Ja, ik __________________________________ van boterhammen met kaas. Wat heb jij dan? Een warme tomatensoep en een salade. Hm wel __________________________________ , maar een beetje weinig. Nou ja, __________________________________ smakelijk! Eet smakelijk!

Klim op 7 Eten en drinken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 144

12-07-19 10:48


Taalhulp

â&#x17E;¤

Eten en drinken

Het ontbijt

de jam de pindakaas

het ei

JAM

de kop koffie

het broodje het glas sinaasappelsap

het beschuit de hagelslag

de kop thee

De lunch

de boterham

de salade

de plak kaas de kom soep de boter

het glas water

de plak ham het glas melk

het stuk kaas

7 Eten en drinken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 145

145 12-07-19 10:48


Het avondeten

de couscous het glas bier

het glas wijn de pasta de pizza

de stamppot het glas sap

Wat eet je graag?

Ik vind stamppot lekker. Ik vind stamppot heerlijk.

Ik vind stamppot niet lekker. Ik vind stampot vies.

Ik hou van pasta.

Ik hou niet van pasta.

Ik eet graag pizza.

Ik eet niet graag pizza.

Ik drink graag thee.

Ik drink niet graag thee. Ik drink liever koffie.

146

Klim op 7 Eten en drinken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 146

12-07-19 10:48


5 Woorden, schrijven

Schrijf de woorden in de juiste kolom. Wat is eten, en wat is drinken? Kies uit: het beschuit – het bier – de boterham – het ei – de kaas – de koffie – de melk – de pasta – de pindakaas – het sap – de thee – de wijn

eten

drinken

6 Wat hoort bij elkaar?

Maak de juiste combinaties. 1 2 3 4 5

het glas het kopje het plakje de kom het bord

A soep B koffie C melk D kaas E pasta

7 Eten en drinken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 147

147 12-07-19 10:48


7 Lezen en schrijven

Kijk naar de plaatjes. Lees de vragen. Geef antwoord. 1 2 3 4 5

Vraag: Hoeveel kopjes koffie drinkt hij? Antwoord: Hij drinkt __________________________________________ kopjes koffie. Vraag: Hoeveel boterhammen eet hij? Antwoord: Hij eet _______________________________________________________________ . Vraag: Hoeveel appels eet hij? Antwoord: Hij eet _______________________________________________________________ . Vraag: Hoeveel glazen melk drinkt hij? Antwoord: Hij drinkt ___________________________________________________________ . Vraag: Hoeveel beschuiten met hagelslag eet hij? Antwoord: Hij eet: ______________________________________________________________ .

En jij?

6 Vraag: Hoeveel kopjes thee drink je? Antwoord: Ik drink ______________________________________________________________ . 7 Vraag: Hoeveel boterhammen eet je? Antwoord: Ik eet ________________________________________________________________ .

1x

4x

3x

5x

2x 148

Klim op 7 Eten en drinken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 148

12-07-19 10:48


8 Spreken

A

Kijk naar de afbeeldingen. Werk in tweetallen. Cursist A lees de vraag. Cursist B geeft antwoord. 1 A Vindt Martha koffie lekker? B Ja, ze vindt koffie lekker. 2 A Vindt Martha pindakaas lekker? B Nee, ze vindt pindakaas niet lekker. 3 A Houdt Martha van wijn? B Ja, ze houdt van wijn. 4 A Houdt Martha van bier? B Nee, ze houdt niet van bier. 5 A Eet Martha graag soep? B Ja, ze eet graag soep. 6 A Eet Marta graag stamppot? B Nee, ze eet niet graag stamppot. Ze eet liever couscous.

7 Eten en drinken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 149

149 12-07-19 10:48


B

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B geeft antwoord. Wissel daarna van rol. 1 2 3 4 5

A Wat vind je lekker bij het ontbijt? B Ik vind _______________________________________________ lekker bij het ontbijt. A Hou je van wijn? B Ja, ik hou van wijn / Nee, ik hou niet van wijn. A Wat eet je graag bij de lunch? B Ik eet graag ____________________________________________________ bij de lunch. A Wat drink je graag bij het avondeten? B Ik drink graag _________________________________________ bij het avondeten. A Wat vind je niet lekker? B Ik vind _______________________________________________ niet lekker.

Taalhulp

â&#x17E;¤

In een cafĂŠ

Eten

snacks

de nootjes (een portie nootjes) de bitterballen (een portie bitterballen) het kaasplankje de olijven (een schaaltje olijven) de appeltaart 150

Klim op 7 Eten en drinken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 150

12-07-19 10:48


maaltijden

de salade de omelet de soep het broodje de tosti

drinken warme dranken

de koffie de thee de warme chocolademelk koude dranken

het sap de frisdrank

7 Eten en drinken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 151

151 12-07-19 10:48


alcoholische dranken

de rode / witte wijn het bier de sterke drank / de cocktail

Bestellen Bediening

Klant

Mevrouw, zegt u het maar.

Een kop koffie alstublieft.

Meneer, wilt u iets drinken?

Ja, een biertje graag.

Wilt u ook iets te eten?

Ja, ik wil graag een omelet.

OkĂŠ, komt eraan!

Prima.

Eet smakelijk!

Bedankt.

152

Klim op 7 Eten en drinken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 152

12-07-19 10:48


9 Luisteren, lezen en spreken

A B C

Luister en lees mee. Luister, lees mee en zeg na. Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek.

1 Meneer, zegt u het maar. 2 Een kopje thee alstublieft. 3 Mevrouw, wilt u iets drinken? 4 Een rode wijn graag. 5 Wilt u ook iets te eten? 6 Ja, ik wil graag de soep van de dag. 7 Een warme chocolademelk alstublieft. 8 Een appelsap graag. 9 Ik wil graag een tosti. 10 Een witte wijn en olijven alstublieft.

10 Schrijven en spreken

Werk in tweetallen. Cursist A leest de zin bij A. Cursist B kijkt naar het plaatje en geeft antwoord. Wissel daarna van rol. Voorbeeld:

A Zegt u het maar.

B Een kop koffie alstublieft.

1 A Zegt u het maar. B

__________________________________________________________________

2 A Zegt u het maar. B

__________________________________________________________________

7 Eten en drinken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 153

153 12-07-19 10:48


3 A Wilt u iets drinken? B

__________________________________________________________________

4 A Wilt u ook iets te eten? B

__________________________________________________________________

5 A Zegt u het maar.

B

__________________________________________________________________

__________________________________________________________________

__________________________________________________________________

11 Luisteren

Luister naar de dialoog. Erik en Sanne zitten in een cafĂŠ. Zet een cirkel om het eten en drinken dat ze bestellen.

koffie

tosti olijven

nootjes

bitterballen

appelsap

biertje

154

soep

Klim op 7 Eten en drinken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 154

12-07-19 10:48


12 Lezen en spreken

A

Kijk naar het menu. Lees de dialoog.

v

j q w “ I 9 Bediening Klant Bediening Klant Bediening

MENU Ô kÌ koffie thee bier wijn appelsap

tomatensoep broodje ham salade tosti

hc b n j ,

Zegt u het maar. Een biertje alstublieft. Oké, een biertje. Wilt u ook iets te eten? Ja, een tosti met ham en kaas graag. Een biertje en een tosti met ham en kaas. Komt eraan!

B

Werk in tweetallen. Cursist A is de bediening. Cursist B is de klant. Kijk nog een keer naar het menu bij A, en maak de dialoog compleet. Kies zelf iets te eten en iets te drinken. Wissel van rol. Bediening Klant Bediening Klant

Bediening

Zegt u het maar.

________________________________________________ alstublieft.

Oké, ________________________________________________ . Wilt u ook iets te eten? Ja, ______________________________________________________________________ __________________________________________________________________ graag. Een _____________________________________________________________________ ________________________________________________________ . Komt eraan! 7 Eten en drinken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 155

155 12-07-19 10:48


Taalhulp

Geld en betalen

Geld

1 cent

2 cent

5 cent

10 cent

20 cent

50 cent

1 euro

2 euro

5 euro 10 euro 20 euro 50 euro 100 euro 200 euro 500 euro

€ 20 - twintig euro € 0,50 - vijftig cent € 3,25 - drie euro vijfentwintig

156

Klim op 7 Eten en drinken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 156

12-07-19 10:48


Betalen, afrekenen Klant

Bediening

Mag ik de rekening?

Natuurlijk, een momentje alstublieft.

Mogen wij betalen?

Jazeker, dat is € 9,95 (negen euro vijfennegentig) alstublieft.

Kan ik even afrekenen?

Ja hoor, € 4,40 (vier euro veertig) alstublieft.

Alstublieft, € 5 (vijf euro), laat de rest maar zitten / het is goed zo.

Bedankt!

13 Luisteren, lezen en spreken A B C

Luister en lees mee. Luister, lees mee en zeg na. Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek.

1 2 3 4 5

€ 4,75 € 12 € 6,99 € 0,60 € 2,45

6 € 79 7 € 1,20 8 € 35 9 € 7,50 10 € 8,85

7 Eten en drinken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 157

157 12-07-19 10:48


14 Schrijven

Schrijf de prijzen in getallen. Voorbeeld: vijf euro negentig € 5,90 1 één euro dertig 2 negen euro vijftig 3 vijfenzeventig euro 4 vijfenzestig cent 5 twaalf euro dertig 6 negenenzeventig euro 7 honderd euro 8 acht euro zestig 9 vijfenveertig euro 10 twintig cent

€ ___________________ € ___________________ € ___________________ € ___________________ € ___________________ € ___________________ € ___________________ € ___________________ € ___________________ € ___________________

15 Luisteren

Luister. Kies de juiste prijs. 1 Een kop koffie kost € 2,40 / € 2,50. 2 Een biertje kost € 3,75 / € 4,70. 3 De soep van de dag kost € 5,95 / € 5,75. 4 Een portie bitterballen kost € 3,60 / € 3,25. 5 Een warme chocolademelk kost € 2,30 / € 2,60. 6 Een tosti met ham en kaas kost € 4 / € 5. 7 De pizza margherita kost € 9,90 / € 9,99. 8 Dat stuk kaas kost € 14,29 / € 15,39. 9 Een broodje ham kost € 2,10 / € 4,20. 10 De rode wijn kost € 3,80 / € 3,85 per glas.

158

Klim op 7 Eten en drinken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 158

12-07-19 10:48


16 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A kijkt naar het plaatje en stelt de vraag. Cursist kijkt naar de prijs en geeft antwoord. Voorbeeld:

A Wat kost een kopje thee ?

B Twee euro vijfenzeventig . (€ 2,75)

1 A Wat kost ___________________________________________________ ? B

__________________________________________________________________________ (€

3,90)

2 A Wat kost ___________________________________________________ ? B

__________________________________________________________________________ (€

7,89)

3 A Wat kost ___________________________________________________ ? B

__________________________________________________________________________ (€

2,50)

4 A Wat kost een portie _____________________________________ ? B

__________________________________________________________________________ (€

2,30)

5 A Wat kost ___________________________________________________ ? B

__________________________________________________________________________ (€

5,60)

6 A Wat kost ___________________________________________________ ? B

__________________________________________________________________________ (€

3,70)

7 A Wat kost ___________________________________________________ ? B

__________________________________________________________________________ (€

4,00)

8 A Wat kost ___________________________________________________ ? B

__________________________________________________________________________ (€

7,95)

7 Eten en drinken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 159

159 12-07-19 10:48


17 Luisteren

Luister naar de prijzen. Schrijf ze in getallen. 1 2 3 4 5

€ _______________________________ 6 € _______________________________ € _______________________________ 7 € _______________________________ € _______________________________ 8 € _______________________________ € _______________________________ 9 € _______________________________ € _______________________________ 10 € _______________________________

18 Lezen en spreken

A

Bekijk het menu. Lees de dialoog.

v

j q w “ I 9 Klant Bediening Klant Bediening

160

MENU Ô kÌ koffie € 2,45 thee € 2,30 bier € 2,90 wijn € 3,40 verse sinaasappelsap € 4

hc b n j ,

erwtensoep € 5,50 broodje kaas € 4,95 omelet € 7,40 portie olijven € 3 portie bitterballen € 3,80

Mag ik de rekening? Natuurlijk, een momentje alstublieft. Oké, een koffie en een broodje kaas, dat is € 7,40. Alstublieft, acht euro. Het is goed zo. Bedankt en tot ziens!

Klim op 7 Eten en drinken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 160

12-07-19 10:48


B

Werk in tweetallen. Cursist A is de klant en cursist B is de bediening. Maak de dialoog compleet. Gebruik het menu bij opdracht A. Wissel steeds van rol. Klant Bediening Klant Bediening

Mag ik de rekening? Natuurlijk, een momentje alstublieft. Oké, een _____________________________________________________________ , dat is € ___________________________ . Alstublieft, ________________________________ euro. Het is goed zo. Bedankt en tot ziens!

19 Luisteren

Frank en Marjan zijn in een Italiaans restaurant. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen. 1 Maak de tabel compleet. Frank

Marjan

eten

drinken

2 Hoeveel moeten Frank en Marjan betalen? € ___________________________ . 3 Hoeveel geven ze in totaal? € ___________________________ .

7 Eten en drinken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 161

161 12-07-19 10:48


20 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag en kiest steeds een ander product. Cursist B leest het antwoord. Kies uit: pizza – pasta – koffie – thee – bier – wijn – olijven – bitterballen A Hou jij van _______________________________________________________________________ ? B Nee, ik hou niet van ____________________________________________________________ . A Vind je ____________________________________________________________________ lekker? B Nee, ik vind _________________________________________________________ niet lekker. A (klant) Ik wil graag _____________________________________________________________ . B (bediening) Sorry, we hebben vandaag geen ___________________________ .

21 Lezen en schrijven

Lees de tekst.

Dit is Zhong. Hij komt uit China. Hij woont nu met zijn gezin in Amsterdam. Hij is getrouwd en hij heeft een dochter. Hij werkt als kok in een Chinees restaurant. In het restaurant spreekt hij Chinees met zijn collega’s en Nederlands en Engels met de klanten. Zijn werk is leuk. Zhong houdt van koken. Hij maakt graag Chinese gerechten met een lekker glas Chinese thee. Hij houdt niet van de Nederlandse keuken. Stamppot vindt hij niet lekker. Hij houdt ook niet van bier.

162

Klim op 7 Eten en drinken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 162

12-07-19 10:48


22 Grammatica

➤ Niet of geen?

Lees de tekst bij opdracht 21 nog een keer. Vul de informatie in.

1 Vraag: Komt Zhong uit Spanje? Antwoord: Nee, hij komt niet uit Spanje. Hij komt uit _______________________________________________________________________________________ . 2 Vraag: Woont Zhong in Utrecht? Antwoord: Nee, hij woont niet in Utrecht. Hij woont in _______________________________________________________________________________________ . 3 Vraag: Spreekt Zhong Italiaans? Antwoord: Nee, hij spreekt geen Italiaans. Hij spreekt _______________________________________________________________________________________ . 4 Vraag: Is Zhong automonteur? Antwoord: Nee, hij is geen automonteur. Hij is _______________________________________________________________________________________ . 5 Vraag: Houdt Zhong van stamppot? Antwoord: Nee, hij houdt niet van stamppot. Hij houdt van _______________________________________________________________________________________ . 6 Vraag: Vind Zhong bier lekker? Antwoord: Nee, hij vindt bier niet lekker. Hij vindt _______________________________________________________________________________ lekker.

23 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A stelt de vraag. Cursist B geeft antwoord. Kies uit: Ik ben moe. – Ik ben ziek. – Ik heb geen geld. – Ik heb een andere afspraak. – Ik moet werken. – Ik moet huiswerk maken. 1 2 3

A Zullen we gaan voetballen? B Sorry, ik kan niet gaan voetballen, want ______________________________ . A Zullen we samen lunchen? B Sorry, ik kan niet met je lunchen, want ________________________________ . A Zullen we een kop koffie drinken? B Sorry, ik kan geen koffie met je drinken, want _______________________ . 7 Eten en drinken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 163

163 12-07-19 10:48


4 A Zullen we morgen in het park barbecueën? B Sorry, ik kan morgen niet barbecueën, want _________________________ . 5 A Zullen we vrijdagavond naar een restaurant gaan? B Sorry, ik kan vrijdag niet uit eten gaan, want ________________________ . 6 A Zullen we vanavond een biertje drinken? B Sorry, ik kan vanavond geen biertje drinken, want _________________ .

24 Schrijven

A

Schrijf een antwoord bij de vraag. Gebruik het woord ‘geen’ in je antwoord. Voorbeeld: Spreek je Italiaans? Nee, ik spreek geen Italiaans. 1 2 3 4

B

Heb je een zus? Nee, ik heb ________________________________________________________________________ . Hebben jullie bitterballen? Nee sorry, we hebben __________________________________________________________ . Drink je bier? Nee, ik drink ______________________________________________________________________ . Eet je ham? Nee, ik eet ________________________________________________________________________ .

Schrijf een antwoord bij de vraag. Gebruik het woord ‘niet’ in je antwoord. Voorbeeld: Vind je olijven lekker? Nee, ik vind olijven niet lekker. 1 2 3

164

Gaat het goed met je? Nee, het gaat ____________________________________________________________________ . Zijn jullie getrouwd? Nee, we zijn ______________________________________________________________________ . Hou je van pizza? Nee, ik hou _______________________________________________________________________ .

Klim op 7 Eten en drinken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 164

12-07-19 10:48


4 Kom je met de bus? Nee, ik kom _______________________________________________________________________ .

25 Dictee A

Lees de woorden. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 2 3 4 5

â&#x17E;¤ woorden

B

________________________

6 ontbijt ________________________ 7 olijven ________________________ 8 lekker ________________________ 9 trek ________________________ 10 boter

- - - - -

________________________ ________________________ ________________________ ________________________ ________________________

Omcirkel de woorden die je hoort.

1 2 3 4 5

C

euro - bitterbal - boterham - afrekenen - hagelslag -

kop sap thee pasta betalen

- - - - -

kom soep eet pizza salade

6 heerlijk - 7 stuk - 8 drinken - 9 plak - 10 water -

smakelijk lunch rekening ham taart

Schrijf de woorden die je hoort.

1 2 3 4 5

_________________________________________ _________________________________________ _________________________________________ _________________________________________ _________________________________________

6 _________________________________________ 7 _________________________________________ 8 _________________________________________ 9 _________________________________________ 10 _________________________________________

7 Eten en drinken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 165

165 12-07-19 10:48


26 Dictee A

Lees de zinnen. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 2 3 4 5

166

B

â&#x17E;¤ zinnen

Hij drinkt graag rode wijn. ________________________________________________________________________________________

Zij houdt van stamppot.

________________________________________________________________________________________

Ik drink geen sterke drank.

________________________________________________________________________________________

Een momentje alstublieft.

________________________________________________________________________________________

Laat de rest maar zitten.

________________________________________________________________________________________

Schrijf de zinnen die je hoort.

1 ________________________________________________________________________________________ 2 ________________________________________________________________________________________ 3 ________________________________________________________________________________________ 4 ________________________________________________________________________________________ 5 ________________________________________________________________________________________ 6 ________________________________________________________________________________________ 7 ________________________________________________________________________________________ 8 ________________________________________________________________________________________ 9 ________________________________________________________________________________________ 10 ________________________________________________________________________________________

Klim op 7 Eten en drinken

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 166

12-07-19 10:48


27 Uitspraak

Luister naar de woorden. Lees mee. Zeg na. 1 2 3 4 5

â&#x17E;¤ ui

uit tuin luister thuis juiste

6 Duitsland 7 beschuit 8 vuilnisman 9 huiswerk 10 ui

28 Woorden

Ga naar de website en print de flashcards. Knip ze uit en leer de woorden.

Aan de slag!

Oefen online met de woorden uit dit thema en verbeter je uitspraak.

7 Eten en drinken Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 167

167 12-07-19 10:48


8

Boodschappen doen

BROCCOLI €1.58/1kg

MA I S €1.50/1kg

B LO E M KO O L €1.54/1kg

WORTELS €2.25/1kg

PAPRIKA €3.00/1kg

A A R DA P P E L E N €1.99/1kg

BONEN €2.10/1kg

PEPERS €3.50/1kg

TO MAT E N €1.10/1kg SLA €1.50/1kg

CO U R G E T T E €1.50/1kg

BOERENKAAS €16.50/1kg KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 168

JONGE KAAS

POMPOEN €2.50/1kg

AUB E R G I N E €1.80/1kg

UIEN €0.90/1kg

OUDEKAAS €18.50/1kg

PREI €1.10/1kg

12-07-19 10:48


n

1 Luisteren, lezen en spreken A

Luister naar de dialogen. Lees mee.

Wat zullen we eten? Saskia Joost Saskia Joost

Ik maak een boodschappenlijstje. Wat zullen we vanavond eten? Misschien erwtensoep? Nee, ik heb geen zin in erwtensoep in de zomer. Zullen we een pastasalade maken? Oké, goed idee. Dan ga ik even boodschappen doen. Ja, tot zo.

de boodschappenlijst

K E RSE N €6.50/1kg

APPELS €2.50/1kg

de erwtensoep

de pastasalade

Op de markt MA N G O €7.50/1kg

Paulien en Marlies gaan vanavond samen barbecueën. Ze doen boodschappen op de markt. MA N DA R I J N E N

FRAMBOZEN

ANANAS

D R UI V E N

Paulien samen naar de markt. €2.50/1kg Leuk, even €9.50/1kg €2.80/1kg €5.50/1kg CITROEN €3.50/1kg Marlies Ja gezellig. Kijk eens wat een mooie aardbeien. PRUIMEN €3.50/1kg Paulien Ja lekker, en in de aanbieding! P E R E N S I N A A SIk A Pga P E L een fruitsalade maken bij de barbecue, A A R Dmet BEIEN WAT E R M E LO E N €1.90/1kg €3.00/1kg B A N A N E N €6.50/1kg aardbei,€1.50/1kg appel, meloen, €1.50/1kg K I W I peer en druiven. €4.50/1kg Marlies Heerlijk, dan zal ik paprika’s en aardappelen kopen. Die kunnen we grillen op de barbecue. Paulien Ja, goed idee.

8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 169

LEKKERBEKJE

HARING €2.00

P R UI M E N €4.50/1kg

169 12-07-19 10:48

GARNALEN


de meloen

de peer

de druif

Op de markt Paulien en Marlies komen bij de vleeskraam. Ze kopen vlees voor bij de barbecue. Paulien Marlies Paulien Verkoper Paulien Verkoper Paulien Verkoper Marlies Verkoper Marlies Verkoper Paulien Verkoper Paulien

Zo, nu nog wat vlees. Ja, wat zullen we nemen? Een paar hamburgers, wat kipfilet ... Ja, en biefstuk is ook altijd lekker. Goedemiddag, kan ik jullie helpen? Ja, vier hamburgers graag, en wat kipfilet. Ja, vier hamburgers, en de kipfilet is vandaag in de aanbieding, maar € 16,99 per kilo (1000 gram). Oké, dan wil ik graag een pond (500 gram). Prima, anders nog iets? En nog twee stukjes biefstuk van 200 gram alstublieft. Twee lekkere biefstukjes erbij, anders nog iets? Nee, dat was het. Dat is dan € 21,50 bij elkaar. Kunnen we pinnen? Ja, gaat uw gang. Bedankt, en een fijn weekend! U ook, tot ziens.

de hamburger

170

de kipfilet

de biefstuk

Klim op 8 Boodschappen doen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 170

12-07-19 10:48


B

Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee. Zeg na. Ik maak een boodschappenlijstje. Ik heb geen zin in erwtensoep. Ik ga even boodschappen doen. Leuk, even samen naar de markt. Kan ik jullie helpen? De kipfilet is vandaag in de aanbieding. Anders nog iets? Nee, dat was het. Dat is dan â&#x201A;Ź 21,50 bij elkaar. Kunnen we pinnen?

2 Luisteren en lezen

Omcirkel het juiste antwoord. 1 Joost wil graag erwtensoep / pastasalade eten. 2 Joost / Saskia gaat boodschappen doen. 3 De aardbeien / aardappels zijn in de aanbieding. 4 Marlies gaat peren / paprikaâ&#x20AC;&#x2122;s grillen op de barbecue. 5 Paulien koopt twee / vier hamburgers. 6 Paulien koopt 500 / 1000 gram kipfilet.

de aardbeien

de paprika

de aardappel

8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 171

171 12-07-19 10:48


3 Luisteren en schrijven Luister naar de dialoog. Vul de woorden in. Verkoper Pawel Verkoper Pawel Verkoper Pawel Verkoper

Z________________________ u het maar. Een k________________________ aardappels, alstublieft. Alstublieft, a________________________ nog iets? Nee, dat was het. Dat is dan € ________________________ . Alstublieft, tot ziens. Tot ziens.

4 Lezen en schrijven

Lees de dialoog. Vul de woorden in.

Kies uit: aanbieding – alles – alstublieft – geef – iets – kilo – pinnen Verkoper Saida Verkoper Saida Verkoper Saida Verkoper Saida Verkoper

172

Vandaag lekkere aardbeien in de ________________________ ! Oh lekker, ________________________ mij maar een pond. Een pondje aardbeien, anders nog ________________________ ? Ja, en nog een ________________________ appels. Oké, dat was het? Ja, dat is ________________________ . Dat is dan € 4,25, ________________________ . Kan ik ________________________ ? Ja, gaat uw gang.

Klim op 8 Boodschappen doen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 172

12-07-19 10:48


Taalhulp BROCCOLI €1.58/1kg

MA I S €1.50/1kg

BROCCOLI €1.58/1kg BROCCOLI €1.58/1kg

MA I S €1.50/1kg MA I S €1.50/1kg

PAPRIKA €3.00/1kg PAPRIKA €3.00/1kg PAPRIKA €3.00/1kg

A A R DA P P E L E N €1.99/1kg

Marktkramen

B LO E M KO O L €1.54/1kg

B LO E M KO O L €1.54/1kg W O R T EBLLO S E M KO O L €1.54/1kg €2.25/1kg WORTELS €2.25/1kg WORTELS €2.25/1kg S L A

€1.50/1kg

SLA €1.50/1kg SLA €1.50/1kg

A A R DA P P E L E N €1.99/1kg A A R DA P P E L E N €1.99/1kg

B O NE N €2.10/1kg

B O NE N €2.10/1kg B O NE N €2.10/1kg

PEPERS €3.50/1kg

PEPERS €3.50/1kg PEPERS €3.50/1kg TOMAT E N €1.10/1kg

TOMAT E N €1.10/1kg TOMAT E N CO U R G E T€1.10/1kg TE €1.50/1kg CO U R G E T T E €1.50/1kg CO U R G E T T E €1.50/1kg

POMPOEN €2.50/1kg

AU B E R G I N E €1.80/1kg

POMPOEN €2.50/1kg POMPOEN €2.50/1kg

AU B E R G I N E €1.80/1kg AU B E R G I N E €1.80/1kg

UIEN €0.90/1kg

PREI €1.10/1kg

UIEN €0.90/1kg UIEN €0.90/1kg

PREI €1.10/1kg PREI €1.10/1kg

BOERENKAAS €16.50/1kg JONGE KAAS €10.50/1kg JONGE KAAS €10.50/1kg JONGE KAAS €10.50/1kg

ROLLADE €17.00/1kg ROLLADE €17.00/1kg ROLLADE €17.00/1kg

CAMAMBERT €15.50/1kg

GATENKAAS €12.50/1kg

CAMAMBERT €15.50/1kg CAMAMBERT €15.50/1kg

GATENKAAS €12.50/1kg GATENKAAS €12.50/1kg

BOERENKAAS €16.50/1kg BOERENKAAS €16.50/1kg

KERSEN €6.50/1kg KERSEN €6.50/1kg A P P E LS €2.50/1kg A P P E LS €2.50/1kg A P P E LS €2.50/1kg

OUDEKAAS €18.50/1kg

LEKKERBEKJE €3,75

OUDEKAAS €18.50/1kg OUDEKAAS €18.50/1kg

STEAK €35.00/1kg

HAMBURGER €11.50/1kg

SPARERIBS €15.50/1kg

WORST €12.50/1kg

SPARERIBS €15.50/1kg SPARERIBS €15.50/1kg

LAMSVLEES €25.50/1kg

STEAK €35.00/1kg STEAK €35.00/1kg

HAMBURGER €11.50/1kg HAMBURGER €11.50/1kg

WORST €12.50/1kg WORST €12.50/1kg

LAMSVLEES €25.50/1kg LAMSVLEES €25.50/1kg

8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 173

KERSEN €6.50/1kg

LEKKERBEKJE €3,75 LEKKERBEKJE €3,75

ZONNEB € 7,69 p

ZONNEB € 7,69 p ZONN € 7,69

173 12-07-19 10:48


KERSEN €6.50/1kg KERSEN KERSEN €6.50/1kg €6.50/1kg

UBERGIN E 1.80/1kg UBE R GINE UBERGINE 1.80/1kg .80/1kg

MA N G O €7.50/1kg MA N G O MA N G O €7.50/1kg €7.50/1kg

APPELS €2.50/1kg APPELS A P P E LS €2.50/1kg €2.50/1kg

P REI €1.10/1kg P REI PREI €1.10/1kg €1.10/1kg

PEREN €1.90/1kg PEREN PEREN €1.90/1kg €1.90/1kg

SINAASAPPEL €3.00/1kg SINAASAPPEL S I N AA S A P P E L €3.00/1kg €3.00/1kg

HARING €2.00 HARING HARING €2.00 €2.00

LEKKERBEKJE €3,75 LEKKERBEKJE LEKKERBEKJE €3,75 €3,75

MSVLEES 5.50/1kg AMSVLEES MSVLEES 25.50/1kg 5.50/1kg

MA N DA R I J NE N €2.50/1kg MA N DA R I J NE N MA N DA R I J NE N €2.50/1kg €2.50/1kg

ZONNEBLOEMEN € 7,69 per bos ZONNEBLOEMEN ZONNEBLOEMEN € 7,69 per bos € 7,69 per bos

ZONNEBLOEMEN €ZONNEBLOEMEN 7,69 per bos ZONNEBLOEMEN € 7,69 per bos € 7,69 per bos

174

KROKUSSEN €KROKUSSEN 9 per bos KROKUSSEN € 9 per bos € 9 per bos

ROZEN €12 per bos ROZEN ROZEN €12 per bos €12 per bos

PRUIMEN €4.50/1kg PRUIMEN PRUIMEN €4.50/1kg €4.50/1kg

GARNALEN €9.50/1kg GARNALEN GARNALEN €9.50/1kg €9.50/1kg

ZALM €25.50 ZALM ZALM €25.50 €25.50

T ONIJN €9.50 T ONIJN T ONIJN €9.50 €9.50

TULPEN € TULPEN 7 per bos TULPEN € 7 per bos € 7 per bos

GERBERA’S €15 per bos GERBERA’S GERBERA’S €15 per bos €15 per bos

FRAMBOZEN A NA NA S DRUIVEN €9.50/1kg €2.80/1kg €5.50/1kg FRAMBOZEN A NA NA S DRUIVEN FRAMBOZEN A NA NA S DRUIVEN €9.50/1kg €2.80/1kg €5.50/1kg €9.50/1kg €2.80/1kg €5.50/1kg PRUIMEN €3.50/1kg PRUIMEN PRUIMEN €3.50/1kg €3.50/1kg AARDBEIEN WAT E R M E LO E N B A NA NE N €6.50/1kg AARDBEIEN €1.50/1kg ARDBEIEN WAT E R M E LO E NK I W I €1.50/1kg B A NA NE N A€6.50/1kg WAT E R M E LO E N B A NA NE N €6.50/1kg €1.50/1kg €1.50/1kg €4.50/1kg KIWI €1.50/1kg €1.50/1kg KIWI €4.50/1kg €4.50/1kg

CITROEN €3.50/1kg CITROEN CITROEN €3.50/1kg €3.50/1kg

KROKUSSEN €KROKUSSEN 9 per bos KROKUSSEN € 9 per bos € 9 per bos

HYACINTEN €9 per bos HYACINTEN HYACINTEN €9 per bos €9 per bos

HYACINTEN €9 per bos HYACINTEN HYACINTEN €9 per bos €9 per bos

GERBERA’S €15 per bos GERBERA’S GERBERA’S €15 per bos €15 per bos

Klim op 8 Boodschappen doen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 174

12-07-19 10:48


5 Schrijven

Kijk naar de plaatjes. Schrijf de woorden op. Voorbeeld:

de tomaat

de tomaten

1

de _____________________________ de _____________________________

2

de _____________________________ de _____________________________

3

de _____________________________ de _____________________________

4

de _____________________________ de _____________________________

5

de _____________________________ de _____________________________

6

de _____________________________ de _____________________________

7

de _____________________________ de _____________________________

8

de _____________________________ de _____________________________

9

de _____________________________ de _____________________________

10

de _____________________________ de _____________________________

8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 175

175 12-07-19 10:48


6 Luisteren

Luister. Omcirkel de juiste prijzen. 1 De tomaten kosten € 6,75 / € 7,65 per kilo. 2 De citroenen kosten € 0,20 / € 0,25 per stuk. 3 De tulpen zijn in de aanbieding. Eén bos voor € 2,99 / € 3,99. 4 Een lekkere tros druiven voor € 2,15 / € 2,89. 5 Een kilootje bananen voor € 1,89 / € 1,99. 6 Vier hamburgers voor de prijs van drie, slechts € 2,85 / € 2,95. 7 De appels kosten € 3,69 / € 3,80 per kilo. 8 De bloemkool is € 1,40 / € 1,80 per stuk. 9 De peren zijn in de aanbieding, slechts € 1,39 / € 1,49 per kilo. 10 De wortels kosten € 0,65 / € 0,85 per kilo.

7 Luisteren en schrijven

Luister. Schrijf de prijzen van de producten op de kaartjes van de markt. 2

1

appels

e

_______/1 kg

rode paprika e _______/1 kg 4

3

kiwi

e

176

_______/1k g

jonge kaas e _______/1 kg

Klim op 8 Boodschappen doen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 176

12-07-19 10:49


6

5

garnalen e

_______/1k g

e

haring

_______/stuk

8

7

zonnebloemen e _______/bos

rookworst e

_______/stuk

9

10

aardappelen e _______/1 kg

watermeloen e _______/stuk

8 Lezen en spreken

Werk in tweetallen. Kijk naar het plaatje. Cursist A leest de vraag. Cursist B geeft antwoord.

8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 177

177 12-07-19 10:49


Voorbeeld: A Zijn de hamburgers nog goed? B Ja, de hamburgers zijn houdbaar tot tien februari tweeduizendnegentien.

1

10-02-2019 6

16-01-2019 2

29-04-2021 7

04-11-2024 3

01-08 -2025 8

16-01-2019 4

06-03-2020 9

21-10-2027 5

10

11 -05-2022

178

30-09 -2026

09-06-2023

Klim op 8 Boodschappen doen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 178

12-07-19 10:49


Taalhulp

Op de markt

Gewicht 100 gram = 1 ons

500 gram = 1 pond

1000 gram = 1 kilo

Reclame De appels zijn in de aanbieding. De paprika’s zijn in de reclame. U krijgt 1 euro korting, want de sla is houdbaar tot vandaag. Bij aankoop van een bos tulpen krijgt u de tweede gratis.

Kopen en betalen Verkoper

Klant

Wie kan ik helpen?

Mij! Een pond jonge kaas, alstublieft. Ik! Twee kilo sinaasappels, graag.

Wie is er aan de beurt? Alstublieft, anders nog iets?

Ja, ook nog twee hamburgers.

Dat was het?

Ja, dat was het.

Dat is dan € 14,50 bij elkaar.

Alstublieft. 8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 179

179 12-07-19 10:49


9 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A lees de vraag. Cursist B kijkt naar het plaatje en geeft antwoord. Voorbeeld: A Zegt u het maar. B 300 gram A 300 gram garnalen , alstublieft. 1 A Zegt u het maar. B 200 gram ___________________________________ , alstublieft. 2 A Zegt u het maar. B _________________________________________________ , alstublieft. 3 A Zegt u het maar. B 1 pond ________________________________________ , alstublieft. 4 A Zegt u het maar. B _________________________________________________ , alstublieft. Kies zelf producten bij de Taalhulp Marktkramen op p. 173-174 en ga verder met de opdracht.

10 Lezen en spreken

A

Lees de dialoog.

Verkoper Klant Verkoper Klant Verkoper Klant Verkoper Klant Verkoper

180

Wie is er aan de beurt? Ik! Twee courgettes graag. Alstublieft, anders nog iets? Ja, ook nog zes kiwi’s. Oké, anders nog iets? Nee, dat was het. Dat is dan € 12,75 bij elkaar. Alstublieft en tot ziens. Bedankt, fijn weekend!

Klim op 8 Boodschappen doen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 180

12-07-19 10:49


B

Werk in tweetallen. Cursist A leest het boodschappenlijstje. Cursist A doet met het lijstje boodschappen bij de groente- en fruitkraam. Cursist B is de verkoper. Wissel daarna van rol.

4 peren

1 pond druiven

1 pompoen

1 kilo tomaten

Gebruik de dialoog: Verkoper Klant Verkoper Klant Verkoper Klant Verkoper Klant Verkoper Klant Verkoper Klant Verkoper

Wie is er aan de beurt? Ik! ______________________________________________________________ graag. Alstublieft, anders nog iets? Ja, ook nog __________________________________________________________ . Oké, anders nog iets? Ja, ook nog __________________________________________________________ . Oké, anders nog iets? Ja, ook nog __________________________________________________________ . Oké, anders nog iets? Nee, dat was het. Dat is dan € 12,75 bij elkaar. Alstublieft en tot ziens. Bedankt, fijn weekend!

8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 181

181 12-07-19 10:49


C

Maak nu zelf een boodschappenlijstje. Je bent de klant en je doet boodschappen bij de marktkramen van je medecursisten (de verkopers). _______________________________________________________________ _________________ _______________________________________________________________ _________________ _______________________________________________________________ _________________ _______________________________________________________________ _________________ _______________________________________________________________ _________________ _______________________________________________________________ _________________ _______________________________________________________________ _________________ _______________________________________________________________ ________________

11 Lezen

Lees de openingstijden van een winkel. Beantwoord de vragen.

Openingstijden

Dinsdag 8:30 uur Woensdag 8:30 uur Donderdag 8:30 uur Vrijdag 8:30 uur Zaterdag 8:30 uur Zondag en maandag gesloten 1 2 3 4 5

182

– – – – –

17:30 uur 17:30 uur 17:30 uur 17:30 uur 17:30 uur

Op welke dagen is de winkel gesloten? ________________________________________________________________________________________

Op welke dagen is de winkel geopend?

________________________________________________________________________________________

Hoe laat gaat de winkel op dinsdag open?

________________________________________________________________________________________

Hoe laat sluit de winkel op donderdag?

________________________________________________________________________________________

Wat zijn de openingstijden op zaterdag?

________________________________________________________________________________________

Klim op 8 Boodschappen doen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 182

12-07-19 10:49


Taalhulp

â&#x17E;¤

In de supermarkt

Afdelingen en producten de koekjes de wijn/het bier

de frisdrank

CHIPS

DROP

Houdbaar

original

de chips

de drop de chocola

de taart het bruin brood

het wit brood

afbak

Brood

brood

het afbakbrood

de bolletjes het stokbrood

8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 183

183 12-07-19 10:49


Creme fraiche

de boter

de crème fraÎche

de yoghurt

Zuivel SLAGROOM

de melk

de slagroom

toetje

het toetje

de vleeswaren de kaas

de olijven

Delicatessen SALADE

de salades

de worst de tapenade

184

Klim op 8 Boodschappen doen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 184

12-07-19 10:49


de kip

het rund

Vlees het lam

het varken

de pizza

het ijs

Diepvries de ijsblokjes

450g

de groente en het fruit

8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 185

185 12-07-19 10:49


de zalm

de garnalen

Vis de witvis

de mosselen

de paprika

de sla

Groente en fruit de meloen

186

de ananas

Klim op 8 Boodschappen doen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 186

12-07-19 10:49


Bij de kassa Kassamedewerker

Klant

Goedemiddag.

Hallo.

Hebt u een kortingskaart?

Ja, alstublieft. / Nee, die heb ik niet.

Spaart u zegels?

Ja. / Nee hoor.

Wilt u er een tasje bij?

Ja graag. / Nee bedankt.

Wilt u pinnen of contant betalen?

Pinnen graag. / Ik heb het contant.

12 Lezen

Lees de informatie op de bon van de supermarkt. Beantwoord de vragen. 1 Hoe heet de supermarkt? 2 Wat is het adres van de supermarkt? 3 Wat is de postcode? 4 Wat is het telefoonnummer? 5 Van welke datum is de kassabon? 6 Hoe laat betaalt de klant? 7 Hoeveel kost de chocola? 8 Hoeveel moet de klant in totaal betalen?

Best Supermarkt Plein 322 2424 GG Tel. 027 3232329

Bonnumer: 37568 Datum / tijd 31.05.19 19.24:22 -------------------------------------

Aant. Beschrijving

Bedrag

1 chocola p.st 3,50 3,50 3 courgette p.st 1,00 3,00 2 tandenborstel p.st 0,49 0.98 1 bloemkool p.st 2,50 2,50 4 drop p.st 1,33 5,32 -------------------------------------

Totaal Te betalen

e 15,30 e 15,30

Pin Wisselgeld

e 15,30 e 0,00

------------------------------------Totaal excl. BTW 14,43 BTW 6% 14,43 0,87 15,30 -------------------------------------

Bedankt voor uw bezoek ruilen binnen 1 werkdag

8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 187

187 12-07-19 10:49


13 Luisteren, schrijven en spreken A

Luister naar de dialoog bij de kassa. Vul de juiste woorden in. Caissière Klant Caissière Klant Caissière Klant Caissière Klant Caissière Klant Caissière Klant

B

Goedemorgen. Hallo. Hebt u een _________________________________________________________ ? Ja, alstublieft. ______________________________________________________________ u zegels? Nee hoor. Wilt u er een ___________________________________________________ bij? Ja graag. Wilt u pinnen of ________________________________________ betalen? Pinnen graag. __________________________________________________ , en een fijne dag. Tot ziens.

Werk in tweetallen. Lees de dialoog bij opdracht A. Wissel van rol.

14 Lezen

Je wilt online boodschappen doen. Kijk naar de afbeelding. Beantwoord de vragen. 1 Welke producten zie je op de website? 2 Hoeveel kost elk product? 3 Welk product is in de aanbieding? 4 Hoeveel moet de klant betalen? 5 Wijs aan in de afbeelding: Waar kan de klant klikken voor het moment van bezorgen? 6 Wijs aan in de afbeelding: Waar kan de klant klikken voor extra producten? 7 Wijs aan in de afbeelding: Waar kan de klant de reclames bekijken?

188

Klim op 8 Boodschappen doen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 188

12-07-19 10:49


8 De klant wil één van de producten toch niet kopen. Waar kan hij op klikken?

inloggen

producten

zoeken naar

aanbiedingen

watermeloe E 3,50/stuk n

9

tomaten

E 2,65 /kilo – 2 +

jonge kaas

E 3,47 /pond – 1 +

Mijn winkelwagentje

kiwi

E 25,14

groene appels

E 2,49 /kilo – 1 +

E 4,09 /1 1/2 kilo – 1 +

rookworst

citroen

aanbieding paprika

E 0,90 /stuk – 1 +

watermeloen

E 3,50 /stuk – 1 +

E 3,90 /stuk – 1 +

E 1,49 /pond – 1 + Ga naar betalen

Wij bezorgen uw producten op UW gekozen tijdstip!

Klik hier.

8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 189

189 12-07-19 10:49


15 Lezen en spreken

A

Kijk naar de folder van de supermarkt.

Tomaten 2,50 NU 1,89/kg

Citroen 1,30 NU 0,99/kg

Zakje sla 0,99 NU 0,89/stuk

Paprika 1,10 NU 0,99/stuk

Mango 2,50 NU 1,95/stuk

Pizza (alle soorten) 3,50 NU 2,89/stuk

Deze week in de koopjeshoek!

Frisdrank

(alle merken)

NU 1,00/stuk

Chocola

(alle merken)

NU 1,00/stuk

Stokbrood

Appeltaart

NU 1,00/stuk

NU 1,00/stuk

(vers gebakken)

B

Werk in tweetallen. Kijk nog een keer naar de folder bij opdracht A. Spreek over de prijzen van de producten. Voorbeeld: Cursist A: Hoeveel kosten de tomaten? Cursist B: De tomaten kosten â&#x201A;Ź 1,89.

190

Klim op 8 Boodschappen doen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 190

12-07-19 10:49


C

Kies vijf producten uit de folder bij opdracht A. Omcirkel ze. Vertel wat je gaat koken.

16 Lezen

Lees het recept voor Nederlandse stamppot.

Zelf stamppot maken Ingrediënten: 1 kilo aardappelen – 600 gram boerenkool – 100 ml melk – peper en zout – 1 rookworst

20 minuten

1 Schil de aardappelen.

4 Giet de aardappelen en de boerenkool af.

na 10 minuten

2 Kook ze 20 minuten.

5 Voeg de melk, peper en

zout toe en stamp alles met een stamper.

3 Voeg na 10 minuten de boerenkool toe.

6 Maak de rookworst warm.

Eet smakelijk! 8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 191

191 12-07-19 10:49


17 Kleuren

Zet alle producten bij de juiste kleur. Een tomaat is bijvoorbeeld rood.

Kies uit: courgette – aubergine – brood – citroen – drop – druiven – melk – peper – pompoen – tomaat – zalm blauw

groen

rood

roze

oranje

grijs

geel

paars

tomaat wit

zwart

bruin

18 Grammatica

➤ Tegenstellingen

Kijk naar de plaatjes en lees de zinnen. Wat betekenen de onderstreepte woorden?

1

De olifant is groot. De muis is klein.

2

Het kussen is zacht. De steen is hard.

3

De citroen is zuur. De taart is zoet.

192

Klim op 8 Boodschappen doen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 192

12-07-19 10:49


4

Hij vindt het schilderij mooi. Hij vindt het schilderij lelijk.

5

De appel is rot. De appel is vers.

6

De koffer is zwaar. De ballon is licht.

7

De vrouw heeft lang haar. De vrouw heeft kort haar.

8

tuk

er s o p il 5 k 4 , 2 r e € p € 0,95

9

De wortels zijn goedkoop. De mango’s zijn duur.

De straat is breed. De straat is smal.

10

Darth Vader is slecht. R2-D2 is goed.

11

10 3

Ze heeft een hoog cijfer. Ze heeft een laag cijfer.

8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 193

193 12-07-19 10:49


12

Een sinaasappel is gezond. Chocola is ongezond.

13

Het glas is leeg. Het glas is vol.

14

De vrouw is oud. Het meisje is jong.

15

Het boek is dun. Het boek is dik.

16

De kleur zwart is donker. De kleur geel is licht.

17

Het is lekker weer. Het is vies weer.

18

Het is warm. Het is koud.

19

Chinees is moeilijk. Engels is makkelijk.

194

Klim op 8 Boodschappen doen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 194

12-07-19 10:49


19 Grammatica

Zet een lijn tussen de tegenstellingen die bij elkaar horen. 1 lekker 2 duur 3 zuur 4 rot 5 groot 6 moeilijk 7 oud 8 warm

A makkelijk B vers C goedkoop D koud E vies F klein G jong H zoet

20 Woorden

Kijk naar de onderstreepte woorden bij opdracht 18. Welke woorden passen bij de plaatjes? Schrijf ze op de lijnen. _________________________

_________________________

_________________________

_________________________

_________________________

_________________________

_________________________

_________________________

_________________________

_________________________

_________________________

_________________________

_________________________

_________________________

_________________________

_________________________

8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 195

195 12-07-19 10:49


21 Grammatica

A

Kijk naar de spelling van de woorden.

laag - lage hoog - hoge

dun - dunne dik - dikke

zoet - zoete oud - oude

B

Kijk naar het plaatje en het woord. Schrijf dan het woord op de lijnen. Voorbeeld:

gezond - gezonde warm - warme

rood - de tomaat is rood . de rode tomaat.

1

geel - de citroen is ______________ - de ______________ citroen

2

hard - de peer is nog ______________ - de _____________ peer

3

rot - de appel is ______________ - de ______________ appel

4

oud - de kaas is ______________ - de ______________ kaas

C

Kijk naar de onderstreepte woorden bij opdracht 18. Schrijf alle woorden op een papier en schrijf hetzelfde woord met een -e erachter. Voorbeeld: groot - grote

22 Grammatica

196

Kijk naar de drie pizzaâ&#x20AC;&#x2122;s. Lees de zinnen.

Klim op 8 Boodschappen doen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 196

12-07-19 10:49


1 Klein, â&#x201A;Ź 2,99

2 Middelgroot, â&#x201A;Ź 3,75

3 Groot, â&#x201A;Ź 6,80

Pizza 2 is goedkoper dan pizza 3. Pizza 1 is het goedkoopst. Pizza 2 is duurder dan pizza 1. Pizza 3 is het duurst. Pizza 2 is kleiner dan pizza 3. Pizza 1 is het kleinst. Pizza 2 is groter dan pizza 1. Pizza 3 is het grootst. Pizza 3 is lekkerder dan pizza 1. Pizza 2 is het lekkerst.

23 Grammatica

Lees de zinnen. Omcirkel het juiste woord. 1 Mijn land is groter / kleiner dan Nederland. 2 De mensen in mijn land zijn langer / kleiner dan de mensen in Nederland. 3 Het eten in mijn land is lekkerder / minder lekker dan het eten in Nederland. 4 Het klimaat in mijn land is warmer / kouder dan het klimaat in Nederland. 5 De huizen in mijn land zijn goedkoper / duurder dan de huizen in Nederland.

8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 197

197 12-07-19 10:49


24 Grammatica

Werk in tweetallen. Cursist A leest de vraag. Cursist B geeft antwoord. 1 A Welke sport vind je leuker, voetbal of fitness? B Ik vind ___________________________ leuker. 2 A Wat doe je liever, films kijken of boeken lezen? B Ik lees liever boeken / Ik kijk liever films. 3 A Wat vind je leuker, een film kijken in de bioscoop of naar een museum gaan? B Ik ga liever ___________________________ . 4 A Wat vind je leuker, wandelen of op het strand liggen? B Ik vind ___________________________ leuker. 5 A Wat vind je lekkerder, pizza of pasta? B Ik vind ___________________________ lekkerder. 6 A Wat drink je vaker, koffie of thee? B Ik drink vaker ___________________________ . 7 A In welk land wonen minder mensen, in Nederland of in jouw land? B In ___________________________ wonen minder mensen. 8 A Welke taal spreek je beter, Engels of Nederlands? B Ik spreek beter ___________________________ . 9 A In welk land is meer water, in Nederland of in jouw land? B In ___________________________ is meer water. 10 A Waar zijn de mensen langer, in jouw land of in Nederland? B In ___________________________ zijn de mensen langer.

25 Grammatica

Vergelijk drie dingen. Gebruik het blauwe woord. Voorbeeld: lekker Ik vind koffie lekker . Ik vind chocolademelk lekkerder dan koffie. Ik vind thee het lekkerst .

198

Klim op 8 Boodschappen doen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 198

12-07-19 10:49


1 2 3 4 5

jong

De vrouw is ___________________________ . Het meisje is _____________________________________________________ de vrouw. De baby is ___________________________ .

warm

In Frankrijk is het ___________________________ . In Spanje is het _______________________________________________ in Frankrijk. In Australië is het ___________________________ .

moeilijk

Bas vindt Engels ___________________________ . Bas vindt Duits ______________________________________________________ Engels. Bas vindt Frans ___________________________ .

mooi

Saskia vindt de eerste foto ___________________________ . Saskia vindt de tweede foto ___________________________ de eerste foto. Saskia vindt de derde foto ___________________________ .

lang

Maartjes haar is ___________________________ . Eveliens haar is ____________________________________________ Maartjes haar. Lydia’s haar is ___________________________ .

26 Dictee A

woorden

Lees de woorden. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 2 3 4 5

boodschappen - goedkoop - citroen - peer - reclame -

___________________ ___________________ ___________________ ___________________ ___________________

6 korting - 7 alstublieft - 8 zegel - 9 tasje - 10 bezorgen -

___________________ ___________________ ___________________ ___________________ ___________________

8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 199

199 12-07-19 10:49


B

Omcirkel de woorden die je hoort.

1 2 3 4 5

- - - - -

aanbieding kilo gezond duur banaan

6 supermarkt - - 7 product 8 gesloten - - 9 gram 10 boter -

stamppot prijs open gratis folder

C Schrijf de woorden die je hoort. 1 2 3 4 5

_________________________________________ _________________________________________ _________________________________________ _________________________________________ _________________________________________

27 Dictee A

6 _________________________________________ 7 _________________________________________ 8 _________________________________________ 9 _________________________________________ 10 _________________________________________

zinnen

Lees de zinnen. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 2 3 4 5

200

afdeling melk pond zuur paprika

Anders nog iets? ________________________________________________________________________________________

Kan ik pinnen?

________________________________________________________________________________________

Dat is dan tien euro bij elkaar.

________________________________________________________________________________________

De appels kosten € 3,80 per kilo.

________________________________________________________________________________________

De paprika’s zijn in de reclame.

________________________________________________________________________________________

Klim op 8 Boodschappen doen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 200

12-07-19 10:49


B

Schrijf de zinnen die je hoort.

1 ________________________________________________________________________________________ 2 ________________________________________________________________________________________ 3 ________________________________________________________________________________________ 4 ________________________________________________________________________________________ 5 ________________________________________________________________________________________ 6 ________________________________________________________________________________________ 7 ________________________________________________________________________________________ 8 ________________________________________________________________________________________ 9 ________________________________________________________________________________________ 10 ________________________________________________________________________________________

28 Uitspraak

Luister naar de woorden. Lees mee. Zeg na. 1 2 3 4 5

â&#x17E;¤ ou / au

oud vrouw Paulien auto nou

6 zout 7 houdbaar 8 koud 9 nou 10 houden

29 Woorden

Ga naar de website en print de flashcards. Knip ze uit en leer de woorden.

Aan de slag!

Oefen online met de woorden uit dit thema en verbeter je uitspraak.

8 Boodschappen doen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 201

201 12-07-19 10:49


9

Winkelen

20% KORTING

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 202

12-07-19 10:49


1 Luisteren, lezen en spreken A

Luister naar de dialogen. Lees mee.

Online bestellen Bezorger Mirjam Bezorger Mirjam Bezorger Mirjam Bezorger Mirjam

Hallo, ik kom uw pakketje bezorgen. O ja, mijn boek. Leuk! Dat is snel. Ja, u bestelt het, en wij bezorgen het binnen 24 uur. Geweldig! Dan mag u hier nog even uw handtekening zetten. Ja, alstublieft. Bedankt, fijne dag nog. U ook, dag!

het pakketje

de handtekening

Wat trek je aan? Martha en Albert gaan trouwen. Simone en Carolien komen ook op het feest. Ze praten over hun kleding. Simone Carolien Simone Carolien Simone Carolien

Wat doe jij aan naar de bruiloft? Ik weet het nog niet. En jij? Ik denk een mooie, lange jurk. Ik heb nog een hele leuke van mijn moeder. En schoenen met hoge hakken natuurlijk. Leuk, echt chic! Tja, wat zal ik eens aantrekken? Ik heb eigenlijk niets feestelijks. Zullen we zaterdag samen gaan winkelen? Dan vinden we wel iets moois voor je. Goed idee. Doen we! 9 Winkelen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 203

203 12-07-19 10:49


Een nieuwe vriendin Joost zit met Jan in een cafĂŠ. Joost vertelt over zijn nieuwe vriendin. Joost Jan Joost Jan Joost Jan Joost Jan

204

Ik heb nog een leuk nieuwtje. Ik heb een nieuwe vriendin! Wat leuk! Hoe ziet ze eruit? Ze is heel knap. Ze heeft kort, blond haar en bruine ogen. En ze draagt altijd mooie kleren. Winkelen is haar hobby, denk ik. Haha, en wat doet ze voor werk? Nou, ze werkt in een kledingwinkel, dus dat komt goed uit! Inderdaad, en krijg jij dan ook korting? Nee, ze verkopen geen mannenkleding. Ze is trouwens zaterdag ook bij het feestje van Maartje. Dan kun je haar ontmoeten. Leuk, ik ben benieuwd.

B

Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee. Zeg na. Ik kom uw pakketje bezorgen. Dan mag u hier nog even uw handtekening zetten. Wat zal ik eens aantrekken? Zullen we zaterdag samen gaan winkelen? Hoe ziet ze eruit? Ze is heel knap. Ze heeft kort, blond haar en bruine ogen. Ze draagt altijd mooie kleren. Ze werkt in een kledingwinkel. Krijg jij dan ook korting?

Klim op 9 Winkelen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 204

12-07-19 10:49


2 Luisteren en lezen

Beantwoord de vragen. 1 Wat zit er in het pakketje voor Mirjam? ________________________________________________________________________________________ 2 Wat doet Simone aan naar de bruiloft? ________________________________________________________________________________________ 3 Wat gaan Carolien en Simone zaterdag doen? ________________________________________________________________________________________ 4 Wie heeft er een nieuwe vriendin? ________________________________________________________________________________________ 5 Hoe ziet de nieuwe vriendin eruit? ________________________________________________________________________________________ 6 Waar werkt de nieuwe vriendin? ________________________________________________________________________________________ 7 Wie geeft er zaterdag een feestje? ________________________________________________________________________________________

3 Luisteren en schrijven Luister naar de dialoog. Vul de woorden in. Bram Annet Bram

Annet Bram

Koop jij weleens kleding online? Nee, dat zit nooit goed. Ik wil mijn kleding eerst p_________________________ en dan kopen. En jij? Nou, ik vind het wel lekker makkelijk. Dan hoef ik niet naar die drukke w_________________________ met die harde muziek. En ik kan gewoon rustig thuis passen. Dat is waar, maar v_________________________ kunnen je soms wel goed helpen. Nou, ik vind thuis laten b_________________________ veel makkelijker. Ik b_________________________ toch altijd hetzelfde.

9 Winkelen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 205

205 12-07-19 10:49


4 Lezen en schrijven

Lees de contactadvertentie. Vul de woorden in.

Kies uit: haar – jurk – knappe – ogen – sportschool Hoi, ik ben Daria, 28 jaar. Ik heb kort, blond _____________________ en bruine ____________________________ . Ik draag graag een mooie _______________________________ met sneakers. Van maandag tot en met vrijdag werk ik bij een crèche. In het weekend ga ik naar de _______________________________ en doe ik leuke dingen met vriendinnen. Ik zoek een _______________________________ man, niet ouder dan 30 jaar en ongeveer 1,80 meter. Hou je van sporten, films en lekker eten? Neem dan contact met me op!

Taalhulp

In de winkel

Kleding de jas

het vest de sok

de onderbroek

het pak

de spijkerbroek

de bloes

Kleding

de muts

de bh de jurk de sjaal

206

de rok

het t-shirt

de stropdas

Klim op 9 Winkelen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 206

12-07-19 10:49


Maten Verkoper

Klant

Welke maat hebt u?

Ik heb maat XS/36, S/38, M/40, L/42, XL/44. De broek is te klein. Hebt u hem ook een maat groter?

Ik zal even voor u kijken. Ja, dit is maat 40.

Deze broek past goed. Ik neem hem.

Schoenen de laars

de sneaker de schoen

Schoenen de pantoffel

de sandaal de slipper

9 Winkelen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 207

207 12-07-19 10:49


Kleding en schoenen kopen

Verkoper

Klant

Kan ik u misschien helpen?

Nee, dank u, ik kijk even rond.

Zoekt u iets speciaals?

Ja, ik zoek een blauwe trui.

Ik heb deze trui. En ik heb hem ook in het rood.

Ik vind de blauwe mooi. Kan ik hem even passen?

Ja, natuurlijk, gaat uw gang. De paskamers zijn daar.

Ja, hij zit lekker, en de maat is goed. Ik neem hem.

Alstublieft, veel plezier ermee!

Bedankt en tot ziens.

5 Luisteren, lezen en spreken A B C

Luister en lees mee. Luister, lees mee en zeg na. Luister nog een keer en zeg na. Kijk niet in het boek.

1 Ik heb maat 40. 2 Deze broek past goed. 3 Ik zoek een blauwe trui. 4 Kan ik hem even passen? 5 Ik neem hem. 6 Veel plezier ermee! 7 Kan ik u misschien helpen? 8 De paskamers zijn daar. 9 Gaat uw gang. 10 Hij staat u goed!

208

Klim op 9 Winkelen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 208

12-07-19 10:49


6 Meervoud

Schrijf de woorden in het meervoud. Voorbeeld: de sok - de sokken 1 het overhemd 2 de sjaal 3 de slipper 4 het pak 5 de broek 6 de rok 7 de jurk 8 de sandaal 9 het vest 10 de muts

- - - - - - - - - -

de _________________________________________________________ de _________________________________________________________ de _________________________________________________________ de _________________________________________________________ de _________________________________________________________ de _________________________________________________________ de _________________________________________________________ de _________________________________________________________ de _________________________________________________________ de _________________________________________________________

7 Luisteren en spreken A

Luister naar Moniek. Wat draagt zij vandaag? Omcirkel de vijf kledingstukken.

de sandalen de sokken

de broek de jas

de rok de sjaal

de bloes de laarzen

de jurk

het vest

9 Winkelen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 209

209 12-07-19 10:49


B

Luister nog een keer naar de tekst bij opdracht A. Schrijf in de tabel welke kledingstukken Moniek draagt en welke kleur ze hebben. kledingstuk

kleur

C Wat draag je zelf vandaag? ___________________________________________________________________________________________

D

Beschrijf de kleding van een medecursist. De andere cursisten moeten raden wie het is.

8 Grammatica

210

A

Lees de dialogen.

Verkoper Klant

Hoe is de broek? Hij is mooi. / Ik vind hem leuk. Hij zit lekker. Hij staat me goed!

Verkoper Klant

Hoe is het T-shirt? Het is te groot. / Ik vind het te groot. Het zit niet lekker. Het staat me niet leuk.

Klim op 9 Winkelen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 210

12-07-19 10:49


B

Werk in tweetallen. Cursist A is de verkoper. Cursist B is de klant. Praat over de plaatjes, zoals bij opdracht A. 1 Verkoper Hoe is de ________________________________ ? Klant Hij _________________________________________ . Ik vind hem _____________________________ .

2 Verkoper Hoe is het ______________________________ ? Klant Het _______________________________________ . Ik vind het ______________________________ .

3 Verkoper Hoe is de ________________________________ ? Klant Hij _________________________________________ . Ik vind hem _____________________________ .

4 Verkoper Hoe is de ________________________________ ? Klant Hij _________________________________________ . Ik vind hem _____________________________ .

5 Verkoper Hoe zijn de _____________________________ ? Klant Ze _________________________________________ . Ik vind ze ________________________________ .

9 Winkelen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 211

211 12-07-19 10:49


9 Schrijven, lezen en spreken

A

Kijk naar de plaatjes en beschrijf de kledingstukken.

Voorbeeld: Het is een rode trui in maat S. Hij kost 49 euro.

maat S

€ 49 1

______________________________________________

______________________________________________ ______________________________________________

maat 38

______________________________________________

€ 79

2

______________________________________________

______________________________________________

______________________________________________

maat 42

______________________________________________

€ 42,90

3

______________________________________________

______________________________________________

______________________________________________

4

______________________________________________

______________________________________________

212

______________________________________________

______________________________________________ ______________________________________________

maat

38-39

€ 5,95

maat 43

€ 114

Klim op 9 Winkelen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 212

12-07-19 10:49


5

______________________________________________

______________________________________________

______________________________________________

maat L

______________________________________________

€ 85 6 ______________________________________________

______________________________________________ ______________________________________________ ______________________________________________

maat M

€ 29,90

B

Lees de dialoog. Verkoper Klant Verkoper Klant Verkoper Klant Verkoper Klant Verkoper

Kan ik u misschien helpen? Ja, ik zoek een trui. Oké, welke maat hebt u? Ik heb maat S. Welke kleur vindt u mooi? Kan ik de rode passen? Ja hoor, alstublieft. Hij past goed. Ik neem hem. Leuk. Hij is nu in de aanbieding. Hij kost 49 euro.

C

Werk in tweetallen. Cursist A is de verkoper. Cursist B is de klant. Lees de dialoog nog een keer en maak deze steeds compleet met de informatie van de plaatjes bij opdracht A. Maak samen vijf dialogen (voor de jurk, de broek, de sokken, de schoenen, de jas en het vest). Verkoper Klant Verkoper Klant

Kan ik u misschien helpen? Ja, ik zoek een ____________________________________ . Oké, welke maat hebt u? Ik heb maat ____________________ . 9 Winkelen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 213

213 12-07-19 10:49


Verkoper Klant Verkoper Klant Verkoper

Welke kleur vindt u mooi? Kan ik de ____________________ passen? Ja hoor, alstublieft. ____________________ past goed. Ik neem ___________________________ . Leuk. _______________ is / zijn nu in de aanbieding. ____________ kost / kosten _______________ euro.

Taalhulp

â&#x17E;¤

Wie is het?

Uiterlijk Hij is kaal. Hij heeft bruin / blond / rood / zwart / grijs haar. Hij heeft een snor. Hij heeft een baard. Hij heeft blauwe / bruine / groene ogen.

Ze heeft lang / kort haar. Zij heeft krullen.

214

Klim op 9 Winkelen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 214

12-07-19 10:49


Zij is lang. Zij is klein.

Hij is dik. Hij is dun.

Accessoires Hij draagt een bril. Hij draagt een horloge. Hij heeft een tatoeage.

Zij draagt oorbellen / een ring / een ketting / een armband. Zij draagt een muts / pet / hoed.

9 Winkelen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 215

215 12-07-19 10:49


10 Schrijven

Kijk naar de plaatjes. Schrijf het woord op met de juiste kleur. Voorbeeld: de rode bril

1

216

________________________________

6 ________________________________

+

________________________________

4

________________________________

3

5

________________________________

2

________________________________

8

________________________________

________________________________

11 Luisteren A

Kijk naar de plaatjes. Luister naar de teksten. Wie is het? Schrijf het juiste getal onder de personen.

Klim op 9 Winkelen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 216

12-07-19 10:49


Tom

Laura

Edith

Alex

Jan

Rik

Leo

Paul

Max

Sofie

B

Kijk nog een keer naar de personen bij opdracht A. Probeer ze zelf te beschrijven. _______________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________

12 Lezen en schrijven

A

Kijk naar de foto. Lees de tekst.

9 Winkelen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 217

217 12-07-19 10:49


Š RVD-Erwin Olaf

Maxima heeft bruine ogen en lang, blond haar. Ze draagt vandaag een lichte jurk met bloemen. Ze draagt blauwe oorbellen met diamanten en een mooie armband. Ze heeft ook een kroon op.

B

Maak de tekst compleet. Beschrijf jezelf. Ik ben _________________________________________ . Ik heb _______________________________ haar en _________________________ ogen. Vandaag draag ik _______________________ ___________________________________________________________________________________________ . Ik hou van accessoires. Ik heb een ______________________________________________ ____________________________________________________________________________________________

___________________________________________________________________________________________ .

13 Spreken

218

Kies een cursist uit de groep en beschrijf zijn uiterlijk. Zeg niet zijn of haar naam. Je medecursisten moeten raden wie het is.

Klim op 9 Winkelen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 218

12-07-19 10:49


14 Woorden en grammatica

A

Wat koop je waar? Lees de tabel. Ken je alle woorden? Zoek woorden die je niet kent op in je woordenboek. naam

soort winkel

producten

Hema

warenhuis

rookworst, kleding, servies, pennen, papier

Albert Heijn

supermarkt

groente, fruit, vlees, vis, brood, melk, boter

Bruna

kantoorboekhandel

boeken, kaarten, tijdschriften, agendaâ&#x20AC;&#x2122;s

IKEA

woonwarenhuis

kasten, stoelen, banken, bedden, tafels, lampen

C&A

kledingzaak

jurken, broeken, jassen, overhemden, sokken

Van Haren

schoenenzaak

(sport)schoenen, pantoffels, slippers, sandalen

Gall & Gall

slijterij

wijn, bier, frisdrank, rum, whisky, likeur, wodka

Media Markt

elektronicazaak

computers, tvâ&#x20AC;&#x2122;s, smartphones, tablets

Gamma

bouwmarkt

hout, gereedschap, verf, kwasten, spijkers

Etos

drogisterij

make-up, shampoo, tandpasta, medicijnen

B

Werk in tweetallen. Gebruik de informatie uit de tabel bij opdracht A. Cursist A vraagt. Cursist B geeft antwoord. Voorbeeld: Cursist A: Wat kun je bij de C&A kopen? Cursist B: Je kunt er sokken kopen.

9 Winkelen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 219

219 12-07-19 10:49


15 Woorden

Kijk naar de woorden en schrijf ze bij de producten. Meerdere antwoorden zijn goed. Kies uit: dik – dun – duur – interessant – goedkoop – groot – hoog – klein – laag – lekker – mooi – saai – snel – vers – vies Voorbeeld: Het boek - Het is interessant / dik . 1 De jurk 2 De computer 3 Het vlees 4 De wijn 5 De tafel 6 De pen 7 De sandalen 8 Het tijdschrift 9 Het overhemd 10 De lamp

Hij is __________________________________________________________ . Hij is __________________________________________________________ . Het is _________________________________________________________ . Hij is __________________________________________________________ . Hij is __________________________________________________________ . Hij is __________________________________________________________ . Ze zijn ________________________________________________________ . Het is _________________________________________________________ . Het is _________________________________________________________ . Hij is __________________________________________________________ .

16 Schrijven

A

Kijk naar de plaatjes. Vergelijk de objecten. Voorbeeld:

maat L

maat M

maat S

€ 12,90

€ 7,50

€ 22,95

goedkoop

Het witte T-shirt is goedkoper dan het rode T-shirt. Het blauwe T-shirt is het goedkoopst.

220

Klim op 9 Winkelen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 220

12-07-19 10:49


groot

Het blauwe T-shirt is groter dan het rode T-shirt. Het witte T-shirt is het grootst. 1

hoogte

hoogte

hoogte

€ 24,-

€ 9,99

€ 100

60cm

45 cm

90 cm

duur

________________________________________________________________________________________

________________________________________________________________________________________

hoog

________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________

2

makreel

tonijn

zalm

lekker

________________________________________________________________________________________

________________________________________________________________________________________

vers

________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________

9 Winkelen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 221

221 12-07-19 10:49


B

17 Spreken

Kijk nog een keer naar de objecten bij opdracht A. Probeer nu zelf producten te vergelijken met de volgende woorden: dik – dun – duur – interessant – goedkoop – groot – hoog – klein – laag – lekker – mooi – saai – snel – vers – vies

Werk in tweetallen of met een groep. Cursist A kiest een product bij opdracht 14A. De andere cursisten raden wat het product is. Ze kunnen de volgende vragen gebruiken: 1 Waar kun je het kopen? 2 Is het groot / klein? 3 Hoeveel kost het ongeveer? 4 Welke kleur heeft het? 5 Wanneer gebruik je het? 6 Kun je het eten? 7 Kun je het dragen? etc.

18 Lezen

Kijk naar de website. Beantwoord de vragen. 1 2 3 4 5

222

Welke maat heeft Emma’s dochter? Welke kledingstukken koopt Emma voor haar dochter? Wat is de prijs van de kledingstukken? Wat is het totaalbedrag? Hoe heet de website?

Klim op 9 Winkelen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 222

12-07-19 10:49


kinderkleren.nl

E 40,35

Emma Versteeg

Zoeken

4

Mijn winkelmandje

jurk maat 104

1

E 9,95

rok maat 104

1

E 9,95

shirt maat 104

1

E 7,50

badpak maat 104

1

E 12,95

Bestellen

9 Winkelen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 223

223 12-07-19 10:49


19

A

Lezen

Kijk naar de creditcard. Beantwoord de vragen.

B NK mastercard

Creditcard

9437 1025 1026 1099 Valid thru

G. VAN ZALM

1 2 3 4

B

Van wie is de creditcard? _______________________________________________________ Wat is de naam van de bank? ________________________________________________ Wat is het bankrekeningnummer? _________________________________________ Tot wanneer is de creditcard geldig? _______________________________________

20 Spreken

Kijk nu naar je eigen bankpas. 1 Wat is het rekeningnummer? ________________________________________________ 2 En wat is het pasnummer? ____________________________________________________

Werk in tweetallen. Beantwoord de vragen. 1 2 3 4 5

224

01/23

Is kleding in jouw land duurder of goedkoper dan in Nederland? Zijn de supermarkten in jouw land duurder of goedkoper dan in Nederland? Naar welke winkels ga je graag in Nederland? Welke producten koop je vaak? Koop je ook producten online? Zo ja, welke?

Klim op 9 Winkelen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 224

12-07-19 10:49


21 Dictee A

â&#x17E;¤ woorden

Lees de woorden. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 2 3 4 5

pakketje - __________________________ winkelen - _________________________ aantrekken - ______________________ inderdaad - _______________________ bouwmarkt - _____________________

6 warenhuis - ______________________ 7 winkelmandje - __________________ 8 bankpas - __________________________ 9 paskamer - ________________________ 10 ketting - ___________________________

B

Omcirkel de woorden die je hoort.

1 2 3 4 5

C

rok vest stropdas bestellen aanbieding

sok muts sandalen bezorgen benieuwd

6 schoen - - 7 baard 8 horloge - 9 handtekening - 10 krullen -

snor bril tatoeage kleding klaar

Schrijf de woorden die je hoort.

1 2 3 4 5

_________________________________________ _________________________________________ _________________________________________ _________________________________________ _________________________________________

22 Dictee A

- - - - -

6 _________________________________________ 7 _________________________________________ 8 _________________________________________ 9 _________________________________________ 10 _________________________________________

â&#x17E;¤ zinnen

Lees de zinnen. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 Zoekt u iets speciaals? ________________________________________________________________________________________ 2 Hebt u hem ook een maat groter? ________________________________________________________________________________________

9 Winkelen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 225

225 12-07-19 10:49


3 De rode jurk staat je leuker dan de blauwe. ________________________________________________________________________________________ 4 Tot wanneer is de creditcard geldig? ________________________________________________________________________________________ 5 Waar moet ik mijn handtekening zetten? ________________________________________________________________________________________

B

Schrijf de zinnen die je hoort.

1 ________________________________________________________________________________________ 2 ________________________________________________________________________________________ 3 ________________________________________________________________________________________ 4 ________________________________________________________________________________________ 5 ________________________________________________________________________________________ 6 ________________________________________________________________________________________ 7 ________________________________________________________________________________________ 8 ________________________________________________________________________________________ 9 ________________________________________________________________________________________ 10 ________________________________________________________________________________________

23 Uitspraak

Luister naar de woorden. Lees mee. Zeg na. 1 2 3 4 5

226

â&#x17E;¤ ei / ij

fijn eigenlijk krijgen medicijnen spijkerbroek

6 kijken 7 schrijven 8 grijs 9 slijterij 10 tijdschrift

Klim op 9 Winkelen

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 226

12-07-19 10:49


24 Woorden

Ga naar de website en print de flashcards. Knip ze uit en leer de woorden.

Aan de slag!

Oefen online met de woorden uit dit thema en verbeter je uitspraak.

9 Winkelen Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 227

227 12-07-19 10:49


10

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 228

Gezondheid

12-07-19 10:49


d

1 Luisteren, lezen en spreken

A

Luister naar de dialogen. Lees mee.

Een afspraak maken bij de huisarts Receptionist Mevrouw de Wit Receptionist Mevrouw de Wit Receptionist Mevrouw de Wit Receptionist Mevrouw de Wit Receptionist Mevrouw de Wit

Goedemorgen, huisartsenpraktijk Parkstraat. Goedemorgen, met mevrouw de Wit. Ik wil graag een afspraak maken met de huisarts. Ja dat kan. Wat is precies uw klacht? Ik heb al heel lang griep. Het gaat gewoon niet over. Oh wat vervelend. Nou, ik heb vandaag een plekje in de agenda om half twaalf. Komt dat uit voor u? Ja dat is prima. Oké, wat is uw geboortedatum? 24 april 1978. Prima, dan zien we u om half twaalf. Ja bedankt. Dag.

Een consult bij de huisarts Huisarts Mevrouw de Wit Huisarts Mevrouw de Wit Huisarts Mevrouw de Wit Huisarts

Goedemorgen, kom binnen. Wat kan ik voor u doen? Goedemorgen. Ja, ik kom bij u, omdat ik al heel lang griep heb. Ik voel me zo beroerd. Ik ben het echt zat! Wat vervelend. En hoelang hebt u al griep? Al drie weken. De eerste week was het ergst, maar ik voel me nog steeds niet goed. Waar hebt u precies last van? Hoofdpijn, koorts, geen energie. En ik heb echt een zere keel. Ja, een griep kan één tot drie weken duren. Ik denk dat het snel beter zal gaan, maar ik geef u een

10 Gezondheid Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 229

229 12-07-19 10:49


Mevrouw de Wit Huisarts

recept voor een hoestdrank. En u kunt ook extra vitaminepillen nemen. Fijn, dank u wel. Dan ga ik nu direct naar de apotheek. Beterschap!

Bij de apotheek Medewerker apotheek Goedemorgen, wat kan ik voor u doen? Mevrouw de Wit Goedemorgen, ik heb een recept van de huisarts voor een hoestdrank. Medewerker apotheek Eens even kijken. Ja, ik zie het. Momentje, ik pak het voor u. Alstublieft, u kunt de hoestdrank vijf keer per dag gebruiken. Een eetlepel per keer. Mevrouw de Wit Prima, en moet dat bij het eten? Medewerker apotheek Nee, u kunt het op elk moment van de dag innemen. Mevrouw de Wit OkĂŠ, en betaalt mijn verzekering voor dit medicijn? Medewerker apotheek Nee helaas, u moet het zelf betalen, maar het is niet zo duur. â&#x201A;Ź 4,95, alstublieft. Mevrouw de Wit Alstublieft, fijne dag. Medewerker apotheek U ook en beterschap!

230

de griep

de hoofdpijn

de koorts

de keelpijn

de hoestdrank

de apotheek

Klim op 10 Gezondheid

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 230

12-07-19 10:49


B

Luister naar de zinnen uit de dialogen. Lees mee. Zeg na. Ik wil graag een afspraak maken met de huisarts. Ik heb al heel lang griep. Ik voel me zo beroerd. Ik heb hoofdpijn, koorts en een zere keel. Ik geef u een recept voor een hoestdrank. U kunt de hoestdrank vijf keer per dag gebruiken. Betaalt mijn verzekering voor dit medicijn? Beterschap!

2 Luisteren en lezen

Waar of niet waar? Kruis aan.

1 Mevrouw de Wit heeft griep. 2 Mevrouw de Wit kan morgen bij de huisarts komen. 3 Mevrouw de Wit is in 1979 geboren. 4 Mevrouw de Wit is al drie weken ziek. 5 Mevrouw de Wit is moe. 6 Mevrouw de Wit heeft keelpijn. 7 De huisarts geeft haar een recept. 8 Mevrouw de Wit kan het medicijn zes keer per dag innemen. 9 Mevrouw de Wit moet het medicijn bij het eten innemen. 10 De verzekering betaalt voor het medicijn.

waar waar

niet waar niet waar

waar

niet waar

waar

niet waar

waar waar waar waar

niet waar niet waar niet waar niet waar

waar

niet waar

waar

niet waar

10 Gezondheid Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 231

231 12-07-19 10:49


3 Luisteren en schrijven

Luister naar de dialoog. Vul de woorden in. Receptionist Rob de Groot Receptionist Rob de Groot Receptionist Rob de Groot Receptionist Rob de Groot Receptionist Rob de Groot

Goedemorgen, tandartsenpraktijk Julianapark. Goedemorgen, met Rob de Groot. Ik wil graag een a__________________ maken bij tandarts de Wit. Ja dat kan. Hebt u een kl__________________ ? Ik heb al een week heel erge kiespijn. Echt vervelend. Ik kan ook niet goed s__________________ van de pijn. Oh wat vervelend. Nou, ik heb vandaag een plekje in de agenda om d__________________ uur. Komt dat uit voor u? Ja dat is prima. Oké, wat is uw geboortedatum? 15 m__________________ 1997. Prima, dan zien we u om d__________________ uur. Ja bedankt. Dag.

4 Lezen en schrijven

Maarten is met zijn zoon van zes maanden bij het consultatiebureau. Lees de dialoog. Vul de woorden in. Kies uit: baby’s – drinkt – gaat – neus – slaapt – verkouden Arts consultatiebureau Maarten Arts consultatiebureau Maarten Arts consultatiebureau Maarten

232

Goedemorgen. Ga zitten. Goedemorgen. Zo, hoe ________________________ het met Tim? Hij groeit goed, zie ik. Ja klopt. Hij ________________________ goed. En eet hij al een beetje fruit? Nee, nog niet.

Klim op 10 Gezondheid

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 232

12-07-19 10:49


Arts consultatiebureau Maarten Arts consultatiebureau Maarten

Taalhulp

â&#x17E;¤

Nou, daar kunnen jullie nu wel mee beginnen. Een beetje banaan of appel. En verder, ________________________ hij goed? Nou, niet altijd. Hij is vaak ________________________ , en dan kan hij niet goed ademen door zijn ________________________ . Ja, dat is vervelend. Ik zal u een recept geven voor een neusspray voor ________________________ . Oh fijn.

Lichaamsdelen

1 het hoofd 2 het haar

10 het oog 11 de lip

1 2

3 de neus

12 de tong

4 de mond

13 de kin 5

5 de wenkbrauw 6 de tand

16

3 15 11

7 de kies

4

8 de kaak 9

9 de nek

14 het oor

10

6

13

15 de wang 16 het gezicht

7 12

14

8

17 de hals

17

10 Gezondheid Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 233

233 12-07-19 10:49


Het lichaam 1 de schouder 2 de arm 3 de elleboog 1

4 de heup 8

5 de pols

2 10

3

9

7 de teen 4

19

5

18

11

8 de borst

15

6

6 de hand

14

9 de navel 10 de buik

16 17

11 de vinger 12 de voet 13 de enkel 13 12

14 de rug 7

15 de billen 16 de knie 17 het been 18 de vagina 19 de penis

234

Klim op 10 Gezondheid

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 234

12-07-19 10:50


1 de hersenen

1

2 de keel 3 de maag

2

4 de nieren 5

5 het hart

6

6 de longen 7 de lever

3

7

4

8 de darmen

4

8 9

9 de blaas 10 de spier

6

10

10 Gezondheid Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 235

235 12-07-19 10:50


5 Woorden

Zet de woorden in het meervoud. Voorbeeld: de tand - de tanden 1 het oog 2 het been 3 de arm 4 de vingers 5 de teen 6 de kies 7 het oor 8 de schouder 9 de heup 10 de hand

- - - - - - - - - -

de ____________________________________________________ de ____________________________________________________ de ____________________________________________________ de ____________________________________________________ de ____________________________________________________ de _____________________________________________________ de ____________________________________________________ de ____________________________________________________ de ____________________________________________________ de ____________________________________________________

6 Woorden

A

Wat kun je doen met je lichaam? Schrijf de activiteiten bij de lichaamsdelen. Ken je de woorden niet? Kijk even in je woordenboek. Kies uit: ademen – denken – hoesten – horen – kauwen – lopen – proeven – ruiken – voelen – zien 1 2 3 4 5

236

de ogen de oren de neus de vingers de kiezen

______________________ ______________________

______________________ ______________________ ______________________

6 de benen 7 de longen 8 de tong 9 de keel 10 de hersenen

______________________ ______________________ ______________________ ______________________ ______________________

Klim op 10 Gezondheid

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 236

12-07-19 10:50


B

Werk in tweetallen. Cursist A vraagt en cursist B geeft antwoord. Voorbeeld: A (wijst naar zijn oor) Wat is dit? B Dat is je oor. A Wat kun je doen met je oor? B Met je oor kun je horen. A (wijst naar een lichaamsdeel) Wat is dit? B Dat is je ___________________________________ . A Wat kun je doen met je ___________________________________ ? B Met je _________________________________ kun je ___________________________________ .

Taalhulp

â&#x17E;¤

Klachten

Ik heb ...pijn.

.

Ik heb buikpijn.

Ik heb hoofdpijn.

Ik heb keelpijn.

Ik heb oorpijn.

Ik heb spierpijn.

10 Gezondheid Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 237

237 12-07-19 10:50


Ik heb last van mijn ....

Ik heb last van mijn rug.

Ik heb last van mijn knie.

Ik heb last van mijn enkel.

Ik heb last van een allergie.

Ik heb last van mijn schouder.

Ik ben ziek.

238

Ik ben verkouden.

Ik heb koorts.

Ik ben misselijk. Ik moet overgeven.

Ik ben moe.

Klim op 10 Gezondheid

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 238

12-07-19 10:50


Ik ben gewond.

Ik heb een snee.

Mijn dochter heeft een schaafwond op haar knie.

Ik heb een gebroken arm.

Ik heb een verzwikte enkel.

Ik heb een brandwond.

7 Woorden

Wat hoort bij elkaar? Maak de juiste combinaties. 1 2 3 4 5

Zij heeft hoofd_______________________ . Hij heeft last van zijn _______________________ . 39 graden! Dan heb je zeker _______________________ . Ik ben misselijk. Ik moet _______________________ . Kind: Ik heb hoofdpijn, keelpijn en ik ben heel moe. Vader: Dan heb je _______________________ .

A griep B koorts C rug D overgeven E pijn

10 Gezondheid Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 239

239 12-07-19 10:50


8 Woorden

Kijk naar de plaatjes. Lees de klachten. Vul de juiste woorden in. Kies uit: gebroken – griep – keel – knie – koorts – last – oorpijn – pijn – snee – verkouden Voorbeeld: Ik heb buikpijn .

1 Ik heb __________________________________________ van mijn rug.

2 Ik heb __________________________________________pijn.

3 Ik heb last van mijn __________________________________________ .

4 Hij is __________________________________________ .

5 Ze heeft een __________________________________________ arm.

6 Ik heb __________________________________________ .

7 Ik heb __________________________________________ .

8 Ik heb __________________________________________ .

9 Ze heeft een __________________________________________ .

10 Heb je hoofd__________________________________________ ?

240

Klim op 10 Gezondheid

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 240

12-07-19 10:50


9 Spreken

Werk in tweetallen. Cursist A kijkt naar het plaatje en vertelt de klacht. Cursist B reageert. Voorbeeld:

Cursist A Ik heb keelpijn . Ik kan niet goed praten. Cursist B Wat vervelend. Beterschap!

1 Cursist A Cursist B

Ik heb ____________________________________________ . Ik kan niet goed lopen. Wat vervelend. Sterkte!

2 Cursist A Cursist B

Ik heb ____________________________________________ . Ik kan niet komen werken. Wat vervelend. Beterschap!

3 Cursist A Cursist B

Ik heb ____________________________________________ . Ik kan niet goed horen. Wat vervelend. Beterschap!

4 Cursist A Cursist B

Ik ben ____________________________________________ . Ik kan niet goed ademen. Wat vervelend. Beterschap!

5 Cursist A Cursist B

Ik heb ____________________________________________ . Ik kan vier weken niet voetballen. Wat vervelend. Sterkte!

6 Cursist A Cursist B

Ik ben zo ________________________________________ . Ik kan niets eten. Wat vervelend. Beterschap!

10 Gezondheid Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 241

241 12-07-19 10:50


10 Luisteren

Luister naar de dialoog. Saskia is gevallen met de fiets. Omcirkel de klachten die ze heeft.

brandwond

misselijk

last van haar schouder

blauw oog

spierpijn

gebroken been

snee

11 Lezen en spreken

A

Werk in tweetallen. Cursist A heeft een klacht en cursist B werkt als receptionist bij een huisartsenpraktijk. Lees de dialoog. Receptionist Cursist A Receptionist Cursist A Receptionist Cursist A Receptionist Cursist A Receptionist Cursist A

schaafwond

242

B

Goedemorgen, huisartsenpraktijk Parkstraat. Goedemorgen, met ____________________ . Ik wil graag een afspraak maken met de huisarts. Ja dat kan. Wat is precies uw klacht? Ik heb al een tijd last van mijn rug. Oh wat vervelend. Nou, ik heb vandaag een plekje in de agenda om half twaalf. Komt dat uit voor u? Ja dat is prima. OkĂŠ, wat is uw geboortedatum? 24 april 1985. Prima, dan zien we u om half twaalf. Ja bedankt. Dag.

Werk in tweetallen. Maak nu de dialoog zelf compleet. Gebruik de verschillende klachten, dagen, kloktijden en geboortedata. Wissel steeds van rol.

Klim op 10 Gezondheid

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 242

12-07-19 10:50


1 2 3 4

griep, morgen, 09:00 uur, 4 maart 2001 baby verkouden, vanmiddag, 13:15 uur, 29 november 2017 verzwikte enkel, vanmiddag, 15:45 uur, 16 mei 2001 buikpijn, woensdag, 08:50 uur, 10 februari 1993

Receptionist Cursist A Receptionist Cursist A Receptionist Cursist A Receptionist Cursist A Receptionist Cursist A

Goedemorgen, huisartsenpraktijk Parkstraat. Goedemorgen, met ____________________ . Ik wil graag een afspraak maken met de huisarts. Ja dat kan. Wat is precies uw klacht? Ik ___________________________________________________________________ . Oh wat vervelend. Nou, ik heb ____________________ een plekje in de agenda om ______________________________________ . Komt dat uit voor u? Ja dat is prima. Oké, wat is uw geboortedatum? ______________________________________________________________________ . Prima, dan zien we u om half twaalf. Ja bedankt. Dag.

Taalhulp

Klachten behandelen

Medicijnen

de paracetamol

de neusspray

de crème

de bruistabletten

de oordruppels

de prik, de vaccinatie

10 Gezondheid Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 243

243 12-07-19 10:50


de hoestdrank

de zalf

Verzorging

de pleister

de rolstoel

het verband

het ontsmettingsmiddel

de krukken

de thermometer

12 Woorden

Lees de klachten. Welk medicijn / verzorgingsmiddel heeft de patiĂŤnt nodig? Voorbeeld: Ik heb een snee. - een pleister 1 2 3 4 5

244

Ik heb hoofdpijn. Ik heb keelpijn. Ik heb een allergie. Ik heb oorpijn. Ik kan niet goed lopen.

- _________________________________________________ - _________________________________________________ - _________________________________________________ - _________________________________________________ - _________________________________________________

Klim op 10 Gezondheid

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 244

12-07-19 10:50


6. Ik heb een verzwikte enkel. - _________________________________________________ 7 Ik heb een verstopte neus. - _________________________________________________ 8 Ik heb koorts. - _________________________________________________ 9 Ik heb een brandwond. - _________________________________________________

13 Lezen en spreken

A

Werk in tweetallen. Cursist A gaat naar de apotheek. Cursist B werkt bij de apotheek. Lees de dialoog.

B Goedemiddag, kan ik u helpen? A Ja, ik heb keelpijn, dus ik wil graag een hoestdrankje. B Prima, alstublieft. U kunt drie keer per dag een eetlepel nemen. Dat is dan € 6,95 alstublieft. A Bedankt, fijne dag. B Dag.

B

Werk in tweetallen. Maak dezelfde dialoog als bij opdracht A, steeds met andere klachten en andere medicijnen. 1 allergie, zalf, € 9,50 2 oorpijn, paracetamol, € 1,45 3 snee, pleisters, € 2,69 B Goedemiddag, kan ik u helpen? A Ja, ik heb ______________________________________________ , dus ik wil graag ______________________________________________ . B Prima, alstublieft. Dat is dan € _________________ alstublieft. A Bedankt, fijne dag. B Dag.

10 Gezondheid Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 245

245 12-07-19 10:50


14 Woorden

Wat kun je met de medicijnen / verzorgingsmiddelen doen? Maak de juiste combinaties. Ken je de woorden niet? Kijk even in je woordenboek. 1 de thermometer 2 het verband 3 de hoestdrank 4 de zalf 5 de oordruppels 6 de pleister

A slikken B smeren C plakken D druppelen E verbinden F temperatuur opnemen

15 Lezen

Kijk naar de fotoâ&#x20AC;&#x2122;s. Lees de teksten.

In Nederland ga je met een klacht eerst naar de huisarts. De huisarts kan helpen bij kleine problemen. Hij kan je ook doorverwijzen naar een specialist. â&#x20AC;&#x2122;s Avonds of in het weekend kun je naar de huisartsenpost gaan bij een ziekenhuis. Bij acute, grote problemen kan je de spoedeisende hulp bellen. Het telefoonnummer is 112. Er komt snel een ambulance. Hij brengt je naar het ziekenhuis.

de huisarts

246

de ambulance

het ziekenhuis

Klim op 10 Gezondheid

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 246

12-07-19 10:50


Verloskundigen controleren de moeder en de baby tijdens de zwangerschap en helpen bij de geboorte van de baby. Een kraamverzorger helpt de ouders in de eerste week na de geboorte van de baby. Het consultatiebureau helpt ouders met de verzorging van hun kinderen van nul tot vier jaar. Zij controleren het gewicht, de lengte en de ontwikkeling. Ouders kunnen vragen stellen over slapen, eten en opvoeding.

de kraamzorg

de verloskundige

het consultatiebureau

Oude mensen hebben soms hulp van de thuiszorg. De verzorger kan helpen bij het wassen, eten en medicijnen geven. Een fysiotherapeut kan helpen bij problemen met de spieren. Een diĂŤtist kan helpen bij problemen met overgewicht.

de thuiszorg

de fysiotherapeut

de diĂŤtist

10 Gezondheid Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 247

247 12-07-19 10:50


Een logopedist kan helpen bij problemen bij het spreken. In Nederland gaan veel mensen twee keer per jaar naar de tandarts. De tandarts controleert de tanden, de kiezen en het tandvlees. Ben je bang? Heb je last van stress? Kun je niet slapen? Voel je je verdrietig of heb je een depressie? Dan kun je praten met een psycholoog of psychiater.

de logopedist

de tandartspraktijk

psycholoog, psychiater

16 Woorden

Lees de klachten en vragen. Wie moet je bellen? Kies uit: de ambulance – het consultatiebureau – de diëtist – de fysiotherapeut – de huisartsenpost – de logopedist – de psycholoog – de tandarts – de thuiszorg – de verloskundigenpraktijk Voorbeeld: Ik heb hoofdpijn. - de huisarts 1 Ik heb kiespijn. - ___________________________________ 2 Ik ben te dik. - ___________________________________ 3 Ik heb last van stress. - ___________________________________ 4 Mijn baby slaapt niet goed. - ___________________________________ 5 Ik heb problemen met mijn uitspraak. - ___________________________________ 6 Ik heb spierpijn. - ___________________________________ 7 Ik ben zwanger. Ik ben heel misselijk. - ___________________________________

248

Klim op 10 Gezondheid

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 248

12-07-19 10:50


8 Ik ben 94 jaar. Ik kan mezelf niet - ___________________________________ aankleden. 9 De vrouw heeft een gebroken been. - ___________________________________ Ze ligt op straat. 10 Het is zaterdag. Mijn baby heeft - ___________________________________ hoge koorts.

17 Woorden

Lees de adviezen. Wie geeft de adviezen? Kies uit: het consultatiebureau – de diëtist – de fysiotherapeut – de huisarts – de kraamverzorger – de logopedist – de psycholoog – de tandarts Voorbeeld: Je moet meer rust nemen. Dan groeit de baby goed. de verloskundige 1 U moet twee keer per dag uw tanden - ___________________________________ poetsen. 2 U moet stoppen met roken. - ___________________________________ 3 U moet elke dag de oefeningen - ___________________________________ voor uw knie doen. 4 U moet minder vet eten. - ___________________________________ 5 Jullie baby is zes maanden en mag nu - ___________________________________ fruit eten. 6 U moet wat minder gaan werken en - ___________________________________ meer ontspannen. 7 Je moet meer in bed blijven, en - ___________________________________ herstellen van de bevalling. 8 Bij de -u mag u uw lippen meer naar - ___________________________________ voren doen.

10 Gezondheid Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 249

249 12-07-19 10:50


18 Lezen

Wat doe jij om gezond te blijven? Omcirkel van 1 tot 5. 1 is heel weinig en 5 is heel veel. 1 wandelen 2 sporten 3 gezond eten 4 ontspannen 5 goed slapen 6 mediteren

1 1 1 1 1 1

2 2 2 2 2 2

3 3 3 3 3 3

4 4 4 4 4 4

5 5 5 5 5 5

19 Lezen

Deze tekst is een bijsluiter bij het medicijn miconazol. Lees de tekst. Beantwoord de vragen.

Belangrijk om te weten over miconazol op de huid • • • • • • •

Miconazol doodt schimmels, gisten (zoals de Candida-gist) en bepaalde bacteriën. Te gebruiken bij huidinfecties (zoals voetschimmel, smetplekken in lichaamsplooien en acne) en bij schimmelinfecties van de nagels. Smeer de zalf ongeveer 2 cm breder dan de ontstoken plek. Meeste huidinfecties: roodheid, jeuk en schilfers worden binnen 2 tot 6 weken minder. Is de huid genezen? Ga dan nog 1 week door met smeren. Bij voetschimmel duurt de behandeling 2 tot 6 weken. Nagelinfecties: het kan 8 maanden duren voor de hele nagel is genezen. U kunt wat last krijgen van een branderig gevoel of irritatie van de huid. Dit trekt snel weg.

Bron: www.apotheek.nl

250

Klim op 10 Gezondheid

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 250

12-07-19 10:50


1 Wat voor soort medicijn is miconazol? A een pil B een drankje C een zalf 2 Voor welk lichaamsdeel kun je het medicijn niet gebruiken? A voor de keel B voor de huid C voor de nagels 3 Wat zijn de klachten bij huidinfecties? ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ 4 Joost heeft een voetschimmel. Hoelang moet hij het medicijn gebruiken? ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________ 5 Welke bijwerkingen kan het medicijn hebben? ________________________________________________________________________________________ ________________________________________________________________________________________

20 Grammatica

Wat is er gebeurd? Kijk naar de plaatjes. Lees de zinnen.

â&#x17E;¤ Verleden tijd

Nu De vrouw valt van haar fiets.

Gisteren De vrouw is van haar fiets gevallen.

10 Gezondheid Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 251

251 12-07-19 10:50


Nu De man eet een pizza.

Gisteren De man heeft een pizza gegeten.

De man heeft buikpijn. De man heeft buikpijn gehad. Hij heeft iets verkeerds gegeten.

De vrouw belt de ambulance.

De vrouw heeft de ambulance gebeld.

De man smeert de zalf op zijn voet.

De man heeft de zalf op zijn voet gesmeerd.

21 Luisteren

Luister. Omcirkel het juiste woord. 1 Sorry Rob, ik kan vandaag niet komen werken. Ik heb bij het voetballen mijn enkel verzwikt / gebroken. 2 Ze heeft te lang in de zon gelegen. Haar gezicht / rug is verbrand. 3 Mijn dochter heeft zonder jas buiten gespeeld. Toen is zij verkouden / ziek geworden. 4 Gisteren heb ik iets verkeerds gegeten / gedronken. Ik heb de hele nacht buikpijn gehad. 5 Menno heeft deze week zes dagen gestudeerd / gewerkt, dus nu is hij erg moe.

252

Klim op 10 Gezondheid

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 252

12-07-19 10:50


6 Deze winter heb ik twee keer koorts / griep gehad. 7 Vorige maand ben ik gevallen met de fiets. Ik heb veel last van mijn knie / enkel gehad. 8 Mijn zoon heeft al een week keelpijn. Ik heb hem nu honing / een hoestdrank gegeven. 9 Onze baby heeft in het weekend last van diarree gehad. Daarom hebben we de huisartsenpost / de huisartsenpraktijk gebeld. 10 Ik heb vandaag / gisteren gesport en nu heb ik last van spierpijn.

22 Dictee

A

â&#x17E;¤ woorden

Lees de woorden. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 kraamzorg - 2 psycholoog - 3 neusspray - 4 tandarts - 5 ontspannen - 6 consultatiebureau - 7 verloskundige - 8 logopedist - 9 diĂŤtist - 10 pleister -

B

_________________________________________________________ _________________________________________________________ _________________________________________________________ _________________________________________________________ _________________________________________________________ _________________________________________________________ _________________________________________________________ _________________________________________________________ _________________________________________________________ _________________________________________________________

Omcirkel de woorden die je hoort.

1 2 3 4 5

klacht rolstoel hart thuiszorg stress

- - - - -

hoestdrank gezond zalf huisarts sterkte

6 verband 7 ruiken 8 lopen 9 misselijk 10 voelen

- - - - -

vervelend buik longen zien voet

10 Gezondheid Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 253

253 12-07-19 10:50


C

Schrijf de woorden die je hoort.

1 2 3 4 5

254

_________________________________________ _________________________________________ _________________________________________ _________________________________________

23 Dictee A

6 _________________________________________ 7 _________________________________________ 8 _________________________________________ 9 _________________________________________ 10 _________________________________________

â&#x17E;¤ zinnen

Lees de zinnen. Schrijf ze nog een keer op de lijn. 1 2 3 4 5

_________________________________________

Ze heeft koorts. ________________________________________________________________________________________

Ik wil graag een afspraak maken met de huisarts.

________________________________________________________________________________________

Saskia is gevallen met de fiets.

________________________________________________________________________________________

Het meisje heeft een gebroken arm.

________________________________________________________________________________________

Betaalt mijn verzekering voor dit medicijn?

________________________________________________________________________________________

B Schrijf de zinnen die je hoort.

1 ________________________________________________________________________________________ 2 ________________________________________________________________________________________ 3 ________________________________________________________________________________________ 4 ________________________________________________________________________________________ 5 ________________________________________________________________________________________ 6 ________________________________________________________________________________________ 7 ________________________________________________________________________________________ 8 ________________________________________________________________________________________ 9 ________________________________________________________________________________________ 10 ________________________________________________________________________________________

Klim op 10 Gezondheid

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 254

12-07-19 10:50


24 Uitspraak

Luister naar de woorden. Lees mee. Zeg na. 1 2 3 4 5

â&#x17E;¤ eu

neus jeuk heup fysiotherapeut leuk

6 euro 7 gebeurd 8 deur 9 kleur 10 likeur

25 Woorden

Ga naar de website en print de flashcards. Knip ze uit en leer de woorden.

Aan de slag!

Oefen online met de woorden uit dit thema en verbeter je uitspraak.

10 Gezondheid Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 255

255 12-07-19 10:50


Transcripten Thema 1

➤ Oefening 8

Anna Ik ben Anna. Ik kom uit Italië. Ik woon in Rotterdam en ik werk in een kapsalon. Vivian Ik heet Vivian. Ik woon in Amersfoort. Ik werk op een basisschool. Ik spreek Nederlands, Engels en een beetje Frans. Eric Ik ben Eric. Ik kom uit Engeland. Ik spreek Engels en Nederlands. Ik woon in Utrecht. Ik werk als kok in een café.

Thema 2

➤ Oefening 8 Mark Marleen Mark Marleen Mark Marleen Mark Marleen Mark Marleen Mark Marleen Mark Marleen

256

Hoi Marleen! Hé Mark, hoe gaat het? Goed, en met jou? Met mij ook goed. Ik heb een nieuwe baan. Oh leuk. Wat voor werk doe je? Ik ben verpleegkundige. Ik werk in Utrecht. Gefeliciteerd! Bednkt. Wat doe je in het weekend? Nou, ik geef een feestje in een café in Amsterdam. Kom je ook? Sorry, ik kan niet naar je feestje komen. Ik werk in het weekend. Oh jammer. Succes op je werk. Dank je, en veel plezier op je feestje. Tot gauw! Doei!

Klim op Transcripten

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 256

12-07-19 10:50


➤ Oefening 11

1 Hoe gaat het met je? 2 Ik ga op vakantie. 3 Ik ga naar een café. 4 Ik heb een nieuwe baan. 5 Sorry, ik kan niet naar je feestje komen. 6 Gefeliciteerd met je verjaardag. 7 Ik ben ziek. 8 Je spreekt goed Nederlands! 9 Mijn relatie is uit. 10 Tot gauw!

Thema 4

➤ Oefening 9

Ik heb een leuk weekend. Ik ga ’s ochtends voetballen met vrienden, en we gaan nog een biertje drinken in een café. ’s Avonds wil ik niet koken. Ik eet een lekkere pizza van de supermarkt. Verder kijk ik een beetje televisie en dan ga ik slapen. De volgende dag moet ik veel huiswerk maken voor mijn cursus Nederlands.

➤ Oefening 15

Volgende week is het zeven januari. Dan ben ik jarig. Ik word dertig. Ik wil graag een feestje geven. Mijn vrienden en familie komen, en mijn collega’s mogen ook op het feestje komen. In het weekend moet ik veel boodschappen doen. Ik kan niet goed koken, maar ik kan wel lekkere soep maken. Ik kook erwtensoep. Lekker in januari!

Thema 7

➤ Oefening 11 Bediening Erik Sanne Bediening

Hoi, willen jullie iets drinken? Ja lekker, voor mij een biertje graag. En voor mij een appelsap alstublieft. Oké, een biertje en een appelsap. Willen jullie ook iets te eten?

Transcripten Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 257

257 12-07-19 10:50


Erik Sanne Bediening

Hmm, zullen we een portie bitterballen nemen? Ja lekker, en ook nog een schaaltje olijven. Prima, een portie bitterballen en olijven. Komt eraan!

➤ Oefening 19 Bediening Marjan Frank Bediening Marjan Frank Bediening Bediening Frank/Marjan Frank Marjan Frank Bediening Frank Bediening

Goedenavond, willen jullie iets drinken? Ja, voor mij een rode wijn graag. En voor mij een biertje alstublieft. Prima, en weten jullie het al voor het eten? Ja, ik wil graag de tomatensoep en de pizza. En voor mij de salade en de pasta. Oké, komt eraan. Alstublieft, eet smakelijk! Bedankt. Hmm, mijn pasta was echt heerlijk! Ja, mijn pizza ook. We gaan zeker nog een keer naar dit restaurant. Zullen we afrekenen? Ja goed. Meneer, mogen wij betalen? Jazeker, dat is 54 euro alstublieft. Alstublieft 60 euro, laat de rest maar zitten. Bedankt en tot ziens.

Thema 8

➤ Oefening 7

1 De appels kosten € 2,65 per kilo. 2 De rode paprika’s zijn vandaag in de aanbieding, € 2,99 per kilo! 3 De kiwi’s kosten € 3,79 per kilo. 4 Heerlijk Hollandse, jonge kaas voor € 7,50 per kilo! 5 De garnalen zijn een beetje duur, € 9,50 per kilo. 6 De haringen zijn € 2 per stuk. 7 De rookworsten zijn € 3,80 per stuk. 8 Een bos zonnebloemen kost € 7,69. 9 De aardappelen zijn deze week in de aanbieding, € 1,09 per kilo. 10 Lekkere watermeloen, voor € 1,50 per kilo.

258

Klim op Transcripten

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 258

12-07-19 10:50


Thema 9

➤ Oefening 7

Hoi, ik ben Moniek. Ik draag een blauwe broek met een witte bloes. Het is een beetje warm vandaag, dus ik loop op sandalen. Ze zijn rood en ze lopen heel lekker. Ik heb ze op vakantie in Spanje gekocht. Als het vanavond een beetje koud wordt, heb ik een extra vest in het blauw en een leuke sjaal. De sjaal is roze met witte bloemen.

➤ Oefening 11

1 Ik ben een man. Ik heb blond haar en groene ogen. Ik draag een bril. 2 Ik ben een vrouw. Ik heb zwart haar met krullen. Ik heb groene ogen. Ik draag oorbellen. 3 Ik ben een man. Ik heb rood haar, maar ik ben bijna helemaal kaal. Ik heb wel een baard. Mijn ogen zijn blauw. 4 Ik ben een vrouw. Ik heb lang, bruin haar en bruine ogen. Ik draag een alpinomuts en mooie, lange oorbellen. 5 Ik ben een man. Ik heb blond haar en groene ogen. Ik draag een pet. 6 Ik ben een man. Ik heb blond haar en een grote snor. Mijn ogen zijn blauw. 7 Ik ben een man. Ik heb lang, rood haar en een snor. Ik heb blauwe ogen. 8 Ik ben een vrouw. Ik heb lang, blond haar en blauwe ogen. 9 Ik ben een man. Ik heb rood haar met krullen en groene ogen. 10 Ik ben een man. Ik heb grijs haar en bruine ogen. Ik draag een hoed.

Thema 10

Oefening 10

Sonja Saskia Sonja Saskia

Hé Saskia, wat is er met jou gebeurd? Ja vreselijk joh, ik lig helemaal in de kreukels. Ik ben gisteren zo hard gevallen met de fiets. Oh, waar dan? Ja, vlakbij het Julianapark. Komt er een meisje van links, kijkt alleen maar op haar mobiel, let nergens op en rijdt zo door rood. Transcripten Klim op

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 259

259 12-07-19 10:50


Sonja Saskia Sonja Saskia

Sonja Saskia

Jee. Ja, en toen kon ik dus niet meer op tijd stoppen. Al mijn boodschappen op de straat, en alles deed pijn. Nou, dat kan ik me voorstellen. Je oog is helemaal blauw. Ja en dat is niet alles. Ik heb schaafwonden op mijn knieen en een diepe snee in mijn arm. En echt overal spierpijn. Vervelend zeg. Ik hoop dat het snel beter gaat. Kan ik je misschien ergens mee helpen? Nou, dat is lief, maar dat hoeft niet hoor. Ik kan alles doen, maar het is gewoon vervelend.

â&#x17E;¤ Oefening 21

1 Sorry Rob, ik kan vandaag niet komen werken. Ik heb bij het voetballen mijn enkel verzwikt. 2 Ze heeft te lang in de zon gelegen. Haar gezicht is verbrand. 3 Mijn dochter heeft zonder jas buiten gespeeld. Toen is zij verkouden geworden. 4 Gisteren heb ik iets verkeerds gegeten. Ik heb de hele nacht buikpijn gehad. 5 Menno heeft deze week zes dagen gewerkt, dus nu is hij erg moe. 6 Deze winter heb ik twee keer griep gehad. 7 Vorige maand ben ik gevallen met de fiets. Ik heb veel last van mijn knie gehad. 8 Mijn zoon heeft al een week keelpijn. Ik heb hem nu een hoestdrank gegeven. 9 Onze baby heeft in het weekend last van diarree gehad. Daarom hebben we de huisartenpost gebeld. 10 Ik heb gisteren gesport en nu heb ik last van spierpijn.

260

Klim op Transcripten

KLIM OP binnen-proef 1-14.indd 260

12-07-19 10:50

Profile for Boom uitgevers Amsterdam

Klim op  

Klim op