Page 1

Maud Beersmans Wim Tersteeg

Werkboek + site NT2-niveau 0 > A2

De opmaat is een nieuwe NT2-basismethode: fris, toegankelijk en actueel. Het boek bevat veel oefeningen en praktijkvoorbeelden. Door de goede opbouw wordt het een plezier om Nederlands te leren. Het is een beginnerscursus Nederlands voor hoger opgeleide anderstaligen. De methode is geschikt voor het gebruik in groepsverband, maar ook voor zelfstudie.

Bij dit boek hoort de methodesite www.nt2school.nl. Op deze site vindt u alle geluidsfragmenten, de antwoorden bij de oefeningen, extra oefenmateriaal, een woordenlijst met Engelse vertaling en materiaal voor de docent.

Naar NT2-niveau A2

De opmaat bestaat uit tien thema’s over alledaagse situaties en onderwerpen, waaronder afspreken, vrije tijd, hobby’s, gezondheid, onderwijs en je innerlijk en uiterlijk. Binnen elk thema komen de vier vaardigheden, luisteren, spreken, lezen en schrijven afwisselend aan bod. Bovendien is er in elk thema ruim aandacht voor grammatica en woordenschat. Elke les bevat een dialoog waarin bepaalde personages regelmatig terugkomen, authentieke teksten en vele oefeningen. Het materiaal komt van websites, folders, programma’s, formulieren enzovoort.

Naar NT2-niveau A2

Dit boek geeft toegang tot de website

www.nt2school.nl met de geluidsfragmenten, vertaling en antwoorden

www.nt2school.nl www.nt2.nl


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 1

De opmaat


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 2

De opmaat bestaat uit de volgende onderdelen: • authentieke teksten • oefeningen lezen, luisteren, spreken en schrijven • oefeningen grammatica en woordenschat • woordenlijst met Engelse vertaling

Op de site van De opmaat in NT2 SCHOOL vindt u: • de luisterfragmenten • de links bij de oefeningen • een grammatica bijlage • extra gatenteksten • de antwoorden • materiaal voor de docent

De opmaat in NT2 SCHOOL • • • • •

Ga naar www.nt2school.nl. Maak een account aan of log in. Klik op ‘Activeer nieuw lesmateriaal’ en vul hier eenmalig onderstaande code in. Bevestig. U kunt nu aan de slag!

Mijn NT2 SCHOOL Gebruikersnaam (e-mailadres): _____________________________________________________________________ Wachtwoord: ______________________________________________________________________________________________

De gehele leerlijn NT2 op maat ziet er als volgt uit: De opmaat: 0 > A2 De sprong: A2 > B1 Vooruit!: B1 (examentrainer Staatsexamen NT2 I) De finale: B1 > B2 (inclusief examentrainer Staatsexamen NT2 II) Kijk voor meer informatie over de hele leerlijn op www.staatsexamennt2.nl.

Boom helpt de NT2-cursist vooruit! www.nt2.nl


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 3

Naar NT2-niveau A2 B1 –> B2

Maud Beersmans Wim Tersteeg

Boom, Amsterdam


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 4

Elfde oplage, 2018 © 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg, Utrecht Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (postbus 3060, 2130 KB, www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van art. 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912. Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16, Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro). No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher.

De uitgever heeft getracht alle rechthebbenden van de illustraties en de voorbeeldteksten te achterhalen. Mocht iemand desondanks menen dat zijn rechten niet zijn gehonoreerd, dan kan hij zich wenden tot de uitgever.

Foto’s binnenwerk, tenzij anders vermeld: Willemijn Paijmans, Amsterdam Illustraties binnenwerk: Karolinaworks (Caroline Ellerbeck), Rotterdam Verzorging omslag en binnenwerk: Anja Verhart

ISBN 978 90 8506 723 8 NUR 110


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 5

Inhoud Voorwoord 6 Thema’s

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Kennismaken en afspreken 10 Feesten 30 Boodschappen doen en winkelen 52 Vervoer 74 Vrije tijd 94 Wonen 116 Gezondheid 138 Uiterlijk en karakter 162 Opleiding en werk 186 Verleden, heden, toekomst 204

Grammatica Grammaticale termen 222 1 Het verbum 223 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8 1.9

2

De zinsbouw 245 2.1 2.2 2.3 2.4 2.2

3

de functie van het personaal pronomen verwijzen naar dingen demonstratief pronomen

Adjectief 256 Comparatief en superlatief 257 5.1 5.2

6 7 8

de hoofdzin hoofdzin met inversie de vraagzin hoofdzin en bijzin indirecte rede

Het personaal pronomen 252 3.1 3.2 3.3

4 5

presens modale verba perfectum imperfectum praten over de toekomst separabele verba reflexieve verba om ... te + infinitief manieren van instructie / opdracht geven

comparatief superlatief

Negatie 261 Pluralis van substantieven 262 Er 263 8.1 8.2 8.3

er + numerale er = plaats er + indefintief subject

Onregelmatige verba 266 Transcripten luisterteksten 269 Woordenlijst 283


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 6

Voorwoord

De opmaat is een basismethode Nederlands als tweede taal voor hoger opgeleide volwassenen binnen en buiten Nederland. Het eindniveau is A2. De methode is ontwikkeld tussen augustus 2008 en augustus 2009. In de periode van april tot juli 2009 is het materiaal getest in enkele beginnerscursussen op het James Boswell Instituut te Utrecht. De opmaat bestaat uit tien thema’s waar beginnende NT2-leerders regelmatig mee in aanraking komen. Het gaat om alledaagse situaties zoals kennismaken, boodschappen doen, wonen, reizen, naar de dokter gaan en telefoneren. Elk thema begint met een ‘woordweb’ om de voorkennis te activeren en de woordenschat uit te breiden. Daarna volgt een luistertekst met de hoofdpersonen uit het boek: Willem van Dijk en zijn Peruaanse vriendin Mila Aragonez. De verschillende vaardigheden wisselen elkaar vervolgens op een natuurlijke manier af. Bovendien is er in elk thema ruim aandacht voor grammatica en vocabulaire. Achter in het boek vindt u een woordenlijst per thema, de transcripten van de luisterteksten en een uitgebreid grammaticakatern met een overzicht van de behandelde grammatica en extra grammatica-oefeningen. De opmaat is een methode voor beginners, maar elke docent zal beamen dat de ene beginner de andere niet is. Voor het tempo waarin het programma moet worden doorgewerkt, hebben wij dan ook geen vaste richtlijn. Een docent kan een strakke planning maken voor een groepscursus, maar er kan ook ‘op maat’ gewerkt worden. De methode bevat veel (korte) teksten en extra oefenmateriaal, zowel achter in het boek als op de website (www.nt2school.nl). Dit hoeft niet allemaal structureel te worden doorgewerkt. Zo kan er gedifferentieerd worden. De docent kan bepalen welke cursist extra oefenstof nodig heeft en welke cursist oefeningen kan overslaan. De methode kan ook als zelfstudiemateriaal dienen. De individuele cursist gaat dan zelfstandig aan de slag en kan zelf kiezen hoeveel van het materiaal hij of zij wil doornemen. Alleen de spreekoefeningen lenen zich niet voor zelfstandig doornemen, maar hierbij kan de cursist eventueel de hulp inroepen van een Nederlander uit zijn of haar familie of kennissenkring. Het risico van een methode voor beginners is dat de sterk versimpelde dialogen en teksten nogal droog en gekunsteld overkomen. Wij hebben daarom in de dialogen en in sommige leesteksten gekozen voor een wat authentieker, levendiger taalgebruik en hier en daar ook het aspect humor niet geschuwd. Dit betekent dat sommige fragmenten misschien wat ‘moeilijk’ overkomen voor een cursus op beginnersniveau. Maar ook hier kan gedifferentieerd worden. De ‘snelle’ cursist zal de humor zelf oppikken, de overige cursisten kunnen een beroep doen op de docent (of op die snelle cursist) voor extra uitleg. De zelfstandig werkende individuele cursist zou voor extra uitleg weer de hulp van een Nederlander kunnen inroepen. Op de website bij De opmaat vindt u: • de geluidsfragmenten • de sleutels van de oefeningen • gatenteksten bij de geluidsfragmenten

6


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 7

• • • • •

materiaal voor de docent extra vocabulaire-oefeningen herhalingsoefeningen alfabetische woordenlijst met Engelse vertaling taalhulpoverzicht

We willen graag onze collega’s en de cursisten van het James Boswell Instituut bedanken voor hun medewerking bij het uittesten van het materiaal. Onze bijzondere dank gaat uit naar Ingrid Gerrits Jans, die als stagiaire aan het boek heeft meegewerkt. Onze collega Winnie Geurtsen bedanken we voor haar feedback in met name de startfase van de ontwikkeling van de methode. Met veel plezier en enthousiasme hebben we De opmaat geschreven. We hopen dan ook dat docenten en cursisten er met evenveel plezier mee zullen werken.

Maud Beersmans en Wim Tersteeg

Voorwoord

7


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 8


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 9

Thema’s


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 10

1

10

Kennismaken en afspreken


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 11

Vocabulaire Oefening 1 Woordweb

Waar kom je vandaan? Dag! groeten

Goedemorgen! Hoi! kennismaken de ontmoeting

mensen

Hallo!

Hoe heet je? nieuw Ik ben Eric.

Ik kom uit Engeland.

Hallo, ik ben Mila. Ik ben 26 jaar. Ik kom uit Peru. Ik ben nu twee jaar in Nederland. Ik woon in Amsterdam en ik werk bij een bank in Utrecht. Ik ga elke dag met de trein naar Utrecht. Mijn vriend is Nederlander en hij heet Willem. Hij is arts en hij was voor een stage in Peru, vier jaar geleden. Daar heb ik hem ontmoet.

Mila Aragonez

Ik spreek nu redelijk Nederlands. Met Willem spreek ik soms een beetje Spaans of Engels, maar nu spreken we meestal Nederlands. Hoi, ik ben Willem. Ik ben 29 jaar. Ik woon in Amsterdam en werk daar als arts in een ziekenhuis. Mijn vriendin heet Mila. Ze komt uit Peru en ik ken haar van mijn stage in Peru. Ik was daar een halfjaar voor mijn studie geneeskunde. Mila is nu twee jaar hier.

Willem van Dijk

Ik spreek een beetje Spaans, maar niet zo goed. Met Mila spreek ik een beetje Spaans of Engels en nu ook Nederlands. Ze spreekt al goed Nederlands, vind ik.

Thema 1 Kennismaken en afspreken

11


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 12

Luisteren

Oefening 2

Het is half zes. Mila gaat met de trein naar huis.

Lees de vragen. Luister naar de tekst. Kies het goede antwoord. 1

Waarom gaat Anne naar Amsterdam? a Ze woont daar. b Ze studeert daar. c Ze gaat naar vrienden.

2

Wat doet Anne? a Ze werkt aan de universiteit. b Ze studeert in Nijmegen. c Ze werkt bij een bank.

Vocabulaire pronomen ik je/ jij hij mijn (mijn vriend) we ze

12

Thema 1 Kennismaken en afspreken


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 13

verbum doen (Wat doe je?) gaan (ik ga ...) hebben (ik heb…) heten (ik heet...) kennen (we kennen elkaar...) komen (ik kom ...)  

ontmoeten (Ze hebben elkaar ontmoet.) spreken (ik spreek...) studeren (ik studeer …) werken (ik werk..) wonen (ik woon …) zijn (ik ben.../ Willem was...) zitten (Mila zit…)

artikel de

het

een

Nederland de Nederlander het Nederlands de plaats de psychologie het Spaans

de stage de studie de trein de universiteit de vriend de vriendin

redelijk

vrij

substantief de arts de bank de dag het Engels het huis het jaar de medicijnen

adjectief goed

voorzetsel bij in met

naar uit

andere woorden al daar dank (dank je) deze een beetje elke

en geleden goh half hallo hè

hier hoe? hoi ja meestal nee

niet nu ook soms sorry wat?

Thema 1 Kennismaken en afspreken

13


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 14

Grammatica personaal pronomen + verbum presens subject de stam van het verbum = infinitief zonder -en: Voorbeeld

infinitief: werken

stam: werk

singularis personaal pronomen 2

ik jij / je / u

3

hij / zij / ze

1

finiete verbum

stam stam + t stam je / jij stam + t

pluralis 1 2 3

wij / we jullie zij / ze

Voorbeeld

infinitief infinitief infinitief

werken

wonen

kennen

komen

gaan

woon woont woon jij woont

ken kent ken je kent

kom komt kom jij komt

ga gaat ga je gaat

wonen wonen wonen

kennen kennen kennen

komen komen komen

gaan gaan gaan

singularis 1 2

3

ik jij / je / u

werk werkt werk je hij / zij / ze werkt

pluralis 1 2 3

wij / we jullie zij / ze

werken werken werken

Onregelmatige verba: hebben en zijn hebben

zijn

singularis 1 2

3

ik jij / je

heb hebt heb je u hebt / heeft hij / zij / ze heeft

ben bent ben je bent is

pluralis 1 2 3

14

wij / we jullie zij / ze

Thema 1 Kennismaken en afspreken

hebben hebben hebben

zijn zijn zijn


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 15

Oefening 3

Maak het schema compleet. infinitief singularis ik jij / je / u ‌ je / jij hij / zij / ze pluralis wij / we jullie zij / ze

doen

studeren

heten

zitten

spreken

_______________

studeer

_______________

_______________

_______________

_______________

_______________

heet

_______________

_______________

_______________ _______________

je

_______________

jij

_______________

je

_______________

jij

spreek je

_______________

_______________

zit

_______________

doen

_______________

_______________

_______________

_______________

_______________

_______________

heten

_______________

_______________

_______________

_______________

_______________

zitten

_______________

Oefening 4

Vul de goede vorm van het verbum in. Voorbeeld

Anne _______________________________ (wonen) in Nijmegen. woont in Nijmegen. Anne _______________________________ 1 2 3 4 5

6 7 8 9 10

Willem _______________________________ (werken) in een ziekenhuis in Amsterdam. Willem en Mila _______________________________ (wonen) in Amsterdam. Mila _______________________________ (spreken) al goed Nederlands. Ik _______________________________ (gaan) met de trein naar Utrecht. _______________________________ (komen) jij uit Nederland? Nee, ik _______________________________ (komen) uit Peru. Mila, hoe lang _______________________________ (kennen) je Willem nu? U _______________________________ (spreken) al goed Nederlands. Anne _______________________________ (studeren) psychologie in Nijmegen. Hoe _____________________________ (heten) jij? Ik ____________________________ (heten) Mila. Wij _______________________________ (gaan) op vakantie naar Spanje.

Thema 1 Kennismaken en afspreken

15


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 16

* Grammatica - oefening 1, 2 Oefening 5 Kies het goede verbum. Vul het verbum in de goede vorm in. doen – gaan – hebben – kennen – komen – spreken – studeren – werken – wonen – zijn – zitten

Voorbeeld

Willem _______________________________ in de trein. zit in de trein. Willem _______________________________ 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Mijn vriend _______________________________ in een ziekenhuis. We _______________________________ psychologie in Groningen. Ik _______________________________ met de trein naar mijn werk. Wat _______________________________ jullie? Wij studeren. Waar _______________________________ je vandaan? Uit Portugal. U _______________________________ goed Spaans. Ik _______________________________ in een studentenhuis in Rotterdam. _______________________________ jij een vriendin? David _______________________________ zijn vriendin twee jaar. Hoe lang _______________________________ jullie in Nederland?

* Grammatica - oefening 28, 29, 32 Grammatica

Zinsbouw hoofdzin subject Ik Ze Ik

finiete verbum(= werkwoord 1) ben komt studeer

rest. Mila. uit Peru. psychologie in Nijmegen.

finiete verbum Is Ga Kom

subject deze plaats je je

rest? vrij? ook naar Amsterdam? uit Nederland?

interrogatief Hoe Wat

finiete verbum heet doe

vraagzinnen

16

Thema 1 Kennismaken en afspreken

subject je? je

rest? in Utrecht?


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 17

Interrogatieven Wie? Wat? Waar? Hoe? Welke?

Wie ben je? Wat doe je? Waar woon je? Hoe heet je? Welke taal spreek je?

Wanneer? Waarom?

Wanneer ga je op vakantie? Waarom leer je Nederlands?

Ik ben Mila. Ik werk bij een bank. Ik woon in Amsterdam. Ik heet Anne. Ik spreek Spaans en een beetje Nederlands. Ik ga in januari op vakantie. Mijn vriend is Nederlander.

Taalhulp Kennismaken naam vraag

antwoord

Wie ben je? Wie bent u? Hoe heet je? Hoe heet u? Wat is je naam? Wat is uw naam?

Willem. Ik ben mevrouw Van Beek. Anne. Ik heet meneer Cornelissen. Mijn naam is Willem van Dijk. Mijn voornaam is Willem. Mijn achternaam is Van Dijk.

land van herkomst / nationaliteit vraag Waar kom je vandaan? Waar komt u vandaan? Uit welk land kom je? Uit welk land komt u? Wat is je nationaliteit? Wat is uw nationaliteit?

antwoord Ik kom uit Peru. Ik kom uit Frankrijk. Uit Nederland. Uit Duitsland. Ik ben Nederlander / Nederlandse. Ik heb de Nederlandse nationaliteit.

woonplaats / adres / telefoonnummer vraag Waar woon je? Waar woont u? In welke stad woon je? In welke stad woont u? In welk dorp woon je? In welk dorp woont u? In welke straat woon je?

antwoord In Rotterdam. Ik woon in Utrecht. In Amsterdam. Ik woon in Den Haag. In Groenekan. Ik woon in Bunnik. In de Maliestraat.

Thema 1 Kennismaken en afspreken

17


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 18

In welke straat woont u? Wat is je adres? Wat is uw adres? Wat is je postcode? Wat is uw postcode? Wat is je telefoonnummer? Wat is uw telefoonnummer?

Ik woon in de Kerkstraat. Tulpstraat 40. Prinsenstraat 12. 3512 HZ. Mijn postcode is 1056 GK. Mijn telefoonnummer is 015-3443671. Mijn mobiele nummer is 06-28358875.

leeftijd / geboortedatum vraag Hoe oud ben je? Hoe oud bent u? Wat is je geboortedatum? Wat is uw geboortedatum? Wanneer ben je geboren? Wanneer bent u geboren?

antwoord 23 jaar. Ik ben 51 jaar. 13 juli 1966. Mijn geboortedatum is 10 augustus 1985. Op 11 mei 1981. Ik ben geboren op 22 december 1978.

studie / werk / beroep vraag Wat studeer je? Wat studeert u? Wat is je beroep? Wat is uw beroep? Wat doe je?

antwoord Ik studeer Engels. Ik ben student psychologie. Ik ben arts / leraar / onderzoeker … Ik werk als arts. Ik ben student wiskunde. Ik studeer wiskunde. Ik ben docent. Ik werk als docent.

Wat doet u?

getallen 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9

= = = = = = = = = =

nul een twee drie vier vijf zes zeven acht negen

30 40 50 60 70

= = = = =

dertig veertig vijftig zestig zeventig

2000 2150 10.000 100.000 1.000.000

18

Thema 1 Kennismaken en afspreken

= = = = =

10 11 12 13 14 15 16 17 18 19

= = = = = = = = = =

tien elf twaalf dertien veertien vijftien zestien zeventien achttien negentien

80 90 100 101 102

= = = = =

tachtig negentig honderd honderdeen honderdtwee

20 21 22 23 24 25 26 27 28 29

= = = = = = = = = =

twintig eenentwintig tweeëntwintig drieëntwintig vierentwintig vijfentwintig zesentwintig zevenentwintig achtentwintig negenentwintig

200 300 1000 1010 1200

= = = = =

tweehonderd driehonderd duizend duizendtien twaalfhonderd

tweeduizend tweeduizendhonderdvijftig / eenentwintighonderdvijftig tienduizend honderdduizend een miljoen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 19

het alfabet A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

P

Q

R

S

T

U

V

W

X

Y

Z

L

M

N

O

dagen maandag dinsdag woensdag donderdag vrijdag zaterdag zondag

Vandaag is het zaterdag. Morgen is het zondag. Overmorgen is het maandag. Over drie dagen is het dinsdag. Gisteren was het vrijdag. Eergisteren was het donderdag. Drie dagen geleden was het woensdag.

dagdelen de ochtend/de morgen: 6.00-12.00 uur

zondagochtend/zondagmorgen; vanochtend/vanmorgen; morgenochtend ’s ochtends, ’s morgens goedemorgen! de middag: 12.00-18.00 uur

maandagmiddag; vanmiddag; morgenmiddag; tussen de middag (12.0014.00 uur) ’s middags goedemiddag! de avond: 18.00-24.00 uur

dinsdagavond; vanavond; morgenavond ’s avonds goedenavond! de nacht: 24.00-6.00 uur

vannacht; middernacht ’s nachts (let op: apostrof voor de s)

Thema 1 Kennismaken en afspreken

19


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 20

de klok

Hoe laat is het?

8.00 uur 8.30 uur 9.00 uur 21.00 uur

Het is acht uur. Het is half negen. Het is negen uur (’s morgens). Het is negen uur (’s avonds).

Hoe laat begint de les? Wat zijn de openingstijden?

Om half tien (9.30). Van 9.00 tot 17.00 uur.

maanden januari februari maart

Luisteren

april mei juni

juli augustus september

oktober november december

Oefening 6

Luister naar de informatie en vul het schema in. Eva

Achternaam _______________________________ Geboortedatum _______________________________ Adres Blaak ______________________ Postcode _______________________________ Woonplaats _______________________________ Telefoonnummer(s) _______________________________ Beroep/studie student Frans

20

Thema 1 Kennismaken en afspreken

Pieter

Willem-Alexander

_______________________________

_______________________________

_______________________________

_______________________________

Nobelstraat __________ bis

_______________________________

_______________________________

_______________________________

_______________________________

_______________________________

_______________________________

_______________________________

taxichauffeur

koning


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 21

Luisteren en spreken Oefening 7 BINGO 1

Noteer 9 getallen tussen 1 en 20 in het schema. De docent is de spelleider. De spelleider noemt getallen tussen 1 en 20. Wie heeft BINGO?

2

Noteer 18 getallen tussen 1 en 50 in het schema. Een persoon is spelleider. De spelleider noemt getallen tussen 1 en 50. Wie heeft BINGO?

3

Noteer 9 letters in het schema. Een persoon is spelleider. De spelleider noemt letters. Wie heeft BINGO?

Spreken of schrijven Oefening 8 Geef kort antwoord op de volgende vragen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13

Welke dag is het vandaag? Welke dag is het overmorgen? Welke dag was het gisteren? Welke dag was het vier dagen geleden? Hoeveel dagen heeft een week? Hoeveel dagen heeft december? Hoeveel dagen heeft februari? Hoeveel maanden heeft een jaar? Hoeveel weken heeft een jaar? Hoeveel thema’s heeft dit boek? Hoeveel bladzijden heeft dit boek? Hoeveel lessen heeft u per week? Op welke dagen heeft u les?

____________________________________________ ____________________________________________ ____________________________________________ ____________________________________________ ____________________________________________ ____________________________________________ ____________________________________________ ____________________________________________ ____________________________________________ ____________________________________________ ____________________________________________ ____________________________________________ ____________________________________________

Thema 1 Kennismaken en afspreken

21


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 22

14 15 16 17 18

Wanneer is de cursus gestart? Wanneer is de cursus afgelopen? Hoe lang duurt de cursus? Hoe lang bent u nu in Nederland? Hoe lang blijft u in Nederland?

____________________________________________ ____________________________________________ ____________________________________________ ____________________________________________ ____________________________________________

Spreken en schrijven Oefening 9 Werk in groepjes van drie. 1

Vraag informatie aan medestudenten. Noteer de informatie in het schema. Cursist 1

Cursist 2

voornaam

______________________________________________

______________________________________________

achternaam

______________________________________________

______________________________________________

land van herkomst

______________________________________________

______________________________________________

leeftijd

______________________________________________

______________________________________________

woonplaats

______________________________________________

______________________________________________

adres

______________________________________________

______________________________________________

postcode

______________________________________________

______________________________________________

studie/beroep

______________________________________________

______________________________________________

2

Voorbeeld

22

Vertel de informatie aan de andere cursist.

Hij (= cursist 1, man) heet Juan Ramos. Hij komt uit Spanje. Hij is 34 jaar. Hij woont nu in Amersfoort. Zijn adres is Hoofdstraat 56, postcode 3814 KF. Hij werkt als docent Spaans op een taalinstituut. Zij (= cursist 2, vrouw) heet Melanie. Haar achternaam is Johnson. Ze komt uit Engeland, maar woont nu in Nederland, in Utrecht. Ze is 20 jaar. Haar adres is Biltstraat 84 b, de postcode is 3523 ZP. Ze studeert economie aan de universiteit.

Thema 1 Kennismaken en afspreken


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 23

Spreken

Oefening 10

Werk in drietallen. Een cursist denkt aan een bekende persoon. De andere cursisten stellen vragen. Het antwoord is ‘ja’ of ‘nee’. Wie is de persoon? Voorbeeld

Is het een man? Is hij Nederlander? Woont hij in Nederland? Is hij bekend van sport?

Lezen

Oefening 11

Ja. Ja. Nee. Ja.

Museumkaart

Met de museumkaart kunt u gratis naar meer dan 400 musea in Nederland. Hoe kunt u de museumkaart kopen? 1 De kaart online bestellen op www.museumkaart.nl. 2 De kaart in een museum kopen. De kaart kost € 32,45 per jaar voor mensen tot en met 18 jaar en € 64,90 voor mensen van 19 jaar en ouder. Het eerste jaar betaalt u € 4,95 extra aan administratiekosten. Vragen

1

Hoeveel kost de museumkaart voor u? __________________________________________________________________________________________________________

2

Hoe koopt u de museumkaart? __________________________________________________________________________________________________________

Thema 1 Kennismaken en afspreken

23


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 24

Schrijven

Oefening 12

U gaat graag naar musea. U bestelt een museumkaart. Vul het formulier in: Voorletters Voornamen Tussenvoegsel(s) en achternaam Titulatuur en geslacht

O man

O vrouw

Straatnaam, huisnummer en toevoeging Postcode en woonplaats Telefoon E-mailadres Geboortedatum (dag-maand-jaar)

Lezen en spreken Oefening 13 Lees de informatie van het Cursusinstituut Utrecht, een instituut met veel taalcursussen en creatieve cursussen. Kijk in het woordenboek voor nieuwe woorden.

Cursusinstituut Utrecht is gevestigd in het centrum van Utrecht, aan de Oudegracht 11, 3511 LV Utrecht.

DE OPEN DAG VOOR HET NIEUWE CURSUSSEIZOEN IS OP ZATERDAG 30 AUGUSTUS VAN 10.30 TOT 16.00. De administratie is geopend van maandag t/m vrijdag van 9.00 tot 16.00 uur en tijdens het cursusseizoen ook ’s avonds tussen 19.00 en 21.00 uur en op zaterdag tussen 10.00 en 13.00 uur. Telefoon: 030-2953357, e-mail: cursusinstituut@utrecht.nl fax: 030-2953353 U werkt bij de administratie van cursusinstituut Utrecht: een persoon is aan de telefoon en wil informatie. Geef mondeling antwoord op de vragen. Vragen

1 2 3 4 5

24

Wanneer is de open dag? Wat is het adres van cursusinstituut Utrecht? Tot hoe laat is de administratie open op woensdag? Is de administratie ook open op zaterdag? Wat is het e-mailadres van cursusinstituut Utrecht?

Thema 1 Kennismaken en afspreken


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 25

Luisteren

Oefening 14

Willem spreekt met Theo, een vriend. Ze maken een afspraak. Lees de vragen. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Wanneer spreken Willem en Theo af? a Zaterdag. b Zondag. c Maandag.

2

Wat gaan Willem en Theo doen? a Foto’s maken. b Naar een expositie. c Naar een café.

3

Hoe laat is de afspraak? a Om 10.00 uur. b Om 11.00 uur. c Om 12.00 uur.

Taalhulp Een afspraak maken vraag

antwoord

Heb je vrijdag iets te doen?

Nee, nog niet. Nee. Ik heb geen plannen.

Ga je mee naar Amsterdam?

Ja, leuk.

Zullen we naar een museum gaan?

Ja, graag.

Hoe laat spreken we af?

Om drie uur. Om half negen.

Waar spreken we af?

Bij de bioscoop. Voor het museum. Op het station. In het café.

Ik zie je zaterdag.

Oké, tot zaterdag! Prima, tot dan!

Thema 1 Kennismaken en afspreken

25


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 26

Spreken

Oefening 15

Werk in groepjes van twee. Maak een afspraak. Gebruik de informatie. Kijk in het woordenboek voor nieuwe woorden. Voorbeeld

naar het Van Goghmuseum – het museum – zondag, 14.00 uur A B A B A B A B

1 2 3 4 5

Heb je zondag iets te doen? Nee, nog niet. Zullen we naar het Van Goghmuseum gaan? Ja, leuk! Hoe laat en waar spreken we af? Om 14.00 uur voor het museum. Prima, tot zondag! Tot dan! activiteit naar de film naar een café naar het zwembad naar Amsterdam naar een concert

locatie bioscoop café Marktzicht het zwembad het station het muziekcentrum

dag en tijd zaterdag, 20.00 uur vrijdag, 21.30 uur zondag, 11 uur maandag, 8.30 uur donderdag, 20.00 uur

Vocabulaire Oefening 16 Maak combinaties: welke activiteit op welke locatie? Voorbeeld

boeken lenen – de bibliotheek

locaties de bank, de bibliotheek, de bioscoop, het (eet)café, de dierentuin, de discotheek, de markt, het museum, het muziekcentrum, het park, het postkantoor, het restaurant, de sporthal, het strand, de tennisbaan, het taalinstituut, het theater, de universiteit, het winkelcentrum, het zwembad

activiteiten boeken lenen dansen een taal leren iets drinken iets eten geld opnemen film kijken fruit kopen naar een concert gaan naar een expositie gaan

26

Thema 1 Kennismaken en afspreken

_____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 27

naar dieren kijken postzegels kopen sporten studeren tennissen wandelen winkelen in de zon liggen zwemmen

Spreken

_____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________ _____________________________________________________________________

Oefening 17

Werk in groepjes van twee. Maak een afspraak. Kies zelf een activiteit, locatie, dag en tijd. Gebruik de taalhulp en de woorden uit oefening 15 en 16.

Vocabulaire Oefening 18 Luister naar de docent. Wijs de dingen aan. in het lokaal / de klas

de beamer, het bord, de cd-speler, de computer, de deur, de jas, de kapstok, de lamp, de landkaart, de muur, het plafond, het prikbord, het raam, de stoel, de tafel, de tas, de televisie/tv, de vloer

Thema 1 Kennismaken en afspreken

27


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 28

op tafel

de agenda, het cursusboek, het glas, de gum, het kopje, de map, het papier, de pen, het potlood, het schrift, de stift, het woordenboek

Luisteren

Oefening 19

Luister en teken de volgende voorwerpen op de goede plaats in de tekening.

agenda – computer – kapstok – landkaart – pen – tv

28

Thema 1 Kennismaken en afspreken


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 29

Luisteren en spreken Oefening 20 Werk in groepjes van twee. Iedereen krijgt een tekening van een lokaal. De tekeningen zijn niet hetzelfde. Welke drie voorwerpen staan niet in uw tekening? A beschrijft de tekening. B maakt de tekening compleet. B beschrijft de tekening. A maakt de tekening compleet.

Vocabulaire Oefening 21 Wat hoort niet in het rijtje thuis? Waarom? Voorbeeld

naar – uit – de – in de, want de is een artikel en geen prepositie _______________________________________________________________________________________________________________

1

Hoe heet je? – Hoe oud ben je? – Wie ben je? – Wat is je naam?

2

het dorp – de stad – de taal – de straat

3

soms – waar – wanneer – wie

4

woensdag – zaterdag – vandaag – maandag

5

gisteren – morgen – vandaag – zaterdag

6

jullie – mei – augustus – februari

7

ochtend – avond – dag – middag

8

Peru – Frankrijk – Spaans – Nederland

9

de bank – het museum – de bioscoop – de dierentuin

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

10

het boek – de kapstok – de pen – de agenda

11

Nederlands – Engels – Frankrijk – Spaans

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

Thema 1 Kennismaken en afspreken

29


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 30

2

30

Feesten


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 31

Vocabulaire Oefening 1 Maak een woordweb bij het woord feest. Een voorbeeld van een woordweb vindt u aan het begin van thema 1 op bladzijde 11.

Lezen

Oefening 2

Mila heeft een vriendin. Ze heet Simone. Mila krijgt een e-mail van Simone. Simone Verjaardagsfeestje 15 augustus 2009 10:42:33 GMT +02:00 Mila en Willem

Van: Onderwerp: Datum: Aan:

Beste Mila en Willem, Volgende week ben ik jarig. Ik word 25! Zaterdagavond geef ik een feestje. Het feest begint om 20.00 uur. Komen jullie ook? Groetjes van Simone

Lees de vragen. Lees de e-mail. Beantwoord de vragen. 1

Wie is er volgende week jarig? a Mila. b Willem. c Simone.

2

Wanneer is het feest? a Volgende week. b Zaterdagavond. c Vanavond om 20.00 uur.

Thema 2 Feesten

31


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 32

Luisteren

Oefening 3

Willem en Mila kopen een cadeautje voor Simone. Zaterdagavond gaan ze naar het verjaardagsfeest van Simone. Op het feest ontmoeten ze ook Pieter, haar vriend, en Carla, haar zus.

Lees de vragen. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen.

32

Thema 2 Feesten

1

Welk cadeautje geven Mila en Willem? a Parfum. b Een boek. c Een fles wijn.

2

Wat neemt Willem? a Een kopje thee en taart. b Een kopje koffie en taart. c Niets.

3

Op wie lijkt Carla? a Op haar moeder. b Op Simone. c Op Mila.

4

Wat vertelt Mila over haar familie? a Haar broers wonen bij haar vader. b Haar zus is getrouwd. c Haar zus woont bij haar vader.

5

Hoe lang geleden is de moeder van Mila overleden? a 1 jaar b 7 jaar c 17 jaar


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 33

6

Waar woont Carla? a Bij haar ouders. b Op een kamer. c In Rotterdam.

7

Waarom danst Willem niet? a Hij is geen echte danser. b Hij danst alleen op hardrock. c Hij danst alleen met Mila.

Vocabulaire pronomen haar (We geven haar een boek.) je (Woon jij nog bij je ouders?) me (Ik voel me hier thuis.) mij (Geef mij maar een kop koffie.)

verbum beginnen (Het feest begint om acht uur.) dansen (Komen jullie dansen?) geven (Ik geef een feestje.) horen (Ik hoor salsamuziek.) houden van (Ze houdt niet van parfum.) kopen (Ze kopen een cadeautje.) krijgen (Mila krijgt een e-mail.) kunnen (Dan kun je het ruilen.) missen (Ik mis mijn familie.) moeten (We moeten een cadeautje kopen.) nemen (Ik neem een kopje thee.) overlijden (Mijn moeder is overleden.) pakken (Pak zelf maar!) reizen (Ik reis elke dag met de trein.) ruilen (Dan kun je het ruilen.) staan (De taart staat op tafel.) trouwen (Ze zijn getrouwd.) vinden (Dat vind ik niet leuk.) voelen (Ik voel me hier thuis.) willen (Wil je een biertje?) worden (Ik word 25 jaar.) zoeken (Ik zoek een kamer.) zullen (Zullen we dansen?)

Thema 2 Feesten

33


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 34

substantief boek (het) boekwinkel (de) bon (de); bonnetje (het) eindexamen (het) familie (de) feest (het); feestje (het) fles (de) groeten (de) kamer (de)

kop (de); kopje (het) muziek (de) parfum (het) stuk (het); stukje (het) tijd (de) titel (de) week (de) wijn (de)

adjectief erg leuk

gezellig oud

jarig volgende

lekker

prepositie van

voor

andere woorden alleen alsjeblieft / alstublieft beste dat dit gefeliciteerd (Gefeliciteerd met je verjaardag!) geleden (zeven jaar geleden) graag (Ze leest graag / Ja, graag) harte (Van harte!)

hoi hoor (Ja hoor!) maar niets niks nog thuis waarom…? wat …! (Wat erg voor je!) welk…?

vocabulaire familie het gezin de familie de vader de moeder de ouders de zoon de dochter de tweeling de broer de zus

34

Thema 2 Feesten

de oom de tante de neef de nicht het neefje het nichtje

de opa / de grootvader de oma / de grootmoeder de overgrootmoeder de overgrootvader de zwager de schoonzus de schoonvader de schoonmoeder de schoonouders

de stiefvader de stiefmoeder de stiefbroer de stiefzus het pleeggezin de pleegvader de pleegmoeder het pleegkind de pleegzoon de pleegdochter


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 35

Grammatica possesief singularis 1 mijn, m’n 2 je / jouw uw 3

zijn, z’n haar, d’r

pluralis 1 ons / onze 2

jullie / je

3

hun

Ik heb een zus. Mijn zus is 21 jaar. Waar woont je familie? Wat is uw naam? Pieter heeft een broer. Zijn broer heet Jan. Mila heeft een vriend. Haar vriend heet Willem.

Wij hebben een auto. Onze auto is 3 jaar oud. (de auto) Wij hebben een huis. Ons huis is groot. (het huis) Waar zijn jullie boeken? Kunnen jullie je boeken pakken? De studenten pakken hun boeken.

Oefening 4

Vul het goede possessief in. Voorbeeld

We hebben een kleine familie. ________________ familie bestaat uit elf personen. Onze 1 2 3 4

5 6

7 8 9 10 11 12 13 14 15

Hij heeft twee neven. _________________ neven wonen in Groningen. U bent getrouwd. Waar wonen _________________ schoonouders? Ik heb een zus. Ze woont in India. _________________ man werkt daar. Mijn broer en ik zijn allebei getrouwd. _________________ vrouwen zijn vriendinnen van elkaar. Ik heb een oma. _________________ oma is 90 jaar. Jullie komen uit een grote familie. _________________ opa en oma hebben 22 kleinkinderen. Heb jij een zus? Woont _________________ zus in Amsterdam? Mijn neef en nicht wonen nog bij _________________ ouders. Wij willen verhuizen, want _________________ huis is te klein. Willem heeft een vriendin uit Peru. _________________ vriendin heet Mila. De vriendin van Willem komt uit Peru. _________________ naam is Mila. Ik begrijp een beetje Nederlands, maar _________________ uitspraak is slecht. De test begint. Jullie moeten _________________ mobiele telefoon uitdoen. Ik heb een leuke baan. En hoe is _________________ baan, Karel? Wij gaan trouwen. _________________ trouwfeest is op 20 mei en _________________ gasten zijn welkom vanaf 15.00 uur.

Thema 2 Feesten

35


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 36

Grammatica Negatie geen of niet bij substantieven 1a 1b

2a 2b

Heb jij een auto? Spreek je Nederlands?

Nee, ik heb geen auto. Nee, ik spreek geen Nederlands.

Begrijp je de tekst? Heb je mijn pen?

Nee, ik begrijp de tekst niet. Nee, ik heb je pen niet.

andere combinaties met niet achter het finiete verbum 3a Rook je? 3b Kan je dansen?

Nee, ik rook niet. Nee, ik kan niet dansen.

voor een prepositie 4a Kom je uit Nederland? 4b Gaan jullie naar de markt?

Nee, ik kom niet uit Nederland. Nee, wij gaan niet naar de markt.

voor een adjectief of adverbium 5a 5b

Is jullie familie groot? Praat ik snel?

Nee, onze familie is niet groot. Nee, je praat niet snel.

Oefening 5

Vu het goede woord in: geen of niet Ik woon _________________ in Utrecht. niet

Voorbeeld

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

36

Thema 2 Feesten

Wij hebben _________________ kinderen. Ik begrijp de oefening _________________ . Mila werkt _________________ in Amsterdam. Het eten is _________________ lekker. Ik ben ziek. Ik kan _________________ werken. Hij drinkt _________________ koffie; hij houdt _________________ van koffie. Wij gaan _________________ naar het feest. We hebben _________________ tijd. Ik spreek _________________ goed Nederlands. We gaan _________________ met de trein naar Groningen. We nemen de auto. Ze heeft _________________ zus. Ze heeft twee broers.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 37

Oefening 6

Maak het antwoord negatief. Voorbeeld

ik wil geen koffie. Wil je koffie? Nee, _____________________________________________ 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Hebben jullie een woordenboek? Studeert Peter in Rotterdam? Gaat u morgen werken? Spreken ze Frans? Studeer je? Gaan jullie naar Den Haag? Drinkt u wijn? Koopt Susan de fiets? Vind jij fietsen leuk? Mis je je familie?

Nee, _____________________________________________ Nee, _____________________________________________ Nee, _____________________________________________ Nee, _____________________________________________ Nee, _____________________________________________ Nee, _____________________________________________ Nee, _____________________________________________ Nee, _____________________________________________ Nee, _____________________________________________ Nee, _____________________________________________

Oefening 7

Werk in groepjes van twee. Cursist A maakt een vraag. Cursist B geeft antwoord op de vraag. Voorbeelden

wonen – Amsterdam

Woon je in Amsterdam?

Nederlands – moeilijk Is Nederlands moeilijk? 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

houden van – muziek hebben – kinderen dansen - leuk werken – supermarkt kunnen – Nederlands spreken studeren – economie zien – de auto vinden – thee - lekker eten – taart drinken – koffie

Nee, ik woon niet in Amsterdam. Ja, Nederlands is moeilijk.

_____________________________________________________________ _____________________________________________________________ _____________________________________________________________ _____________________________________________________________ _____________________________________________________________ _____________________________________________________________ _____________________________________________________________ _____________________________________________________________ _____________________________________________________________ _____________________________________________________________

* Grammatica - oefening 49, 50 Oefening 8 Werk in groepjes van twee. 1 2

Maak vijf vragen voor uw medecursist. Stel deze vragen aan uw medecursist en beantwoord zijn / haar vragen.

Thema 2 Feesten

37


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 38

Grammatica Pluralis van substantieven singularis

pluralis

de nicht de zus de boom de neef het huis

-en de nichten de zussen de bomen de neven de huizen

de oma de taxi de foto de paraplu de baby

’s de oma’s de taxi’s de foto’s de paraplu’s de baby’s

het zusje het café de moeder de jongen de appel de bezem

-s de zusjes de cafés de moeders de jongens de appels de bezems

Het artikel in singularis is de of het: de oma, het huis Het artikel in pluralis is altijd de: de oma’s, de huizen

Oefening 9

Vul de woorden in de pluralis in. feestjes . (feestje) Ik heb vrijdagavond twee _________________

Voorbeeld

1 2 3 4 5

6 7 8 9 10

38

Thema 2 Feesten

(pen) Ik heb drie ___________________________ in mijn tas. (tante) Hoeveel ___________________________ heb jij? (woordenboek) Pieter heeft drie ___________________________ . (auto) In onze straat staan veel ___________________________ . (taart) Op tafel staan twee ___________________________ : een appeltaart en een chocoladetaart. (kop) Hij drinkt vijf ___________________________ koffie per dag. (opa) Mijn ___________________________ zijn overleden. (cadeautje) Simone krijgt veel ___________________________ . (dochter) Haar oom heeft vier ___________________________ . (tas) Onze ___________________________ staan onder de tafel.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 39

* Grammatica - oefening 51 Oefening 10 Zet zo veel mogelijk woorden in de pluralis. Voorbeeld

Ik lees de tekst en maak de oefening. ______________________________________________________________________________________________________________ Wij lezen de teksten en maken de oefeningen.

1

De student praat met zijn docent. __________________________________________________________________________________________________________

2

Mijn oma leeft nog maar mijn opa is overleden. __________________________________________________________________________________________________________

3

De ober legt een mes, een vork en een lepel op tafel. __________________________________________________________________________________________________________

4

Ik heb geen broer, maar wel een zus. __________________________________________________________________________________________________________

5

De dochter lijkt veel op haar moeder. __________________________________________________________________________________________________________

6

De trein is altijd te laat: dat vind ik vervelend. __________________________________________________________________________________________________________

7

Je mag je woordenboek gebruiken bij het examen. __________________________________________________________________________________________________________

8

Aan de gracht ligt een cafĂŠ en een restaurant. __________________________________________________________________________________________________________

Luisteren

Oefening 11

Willem vertelt over zijn familie. 1

Luister en beantwoord de volgende vraag.

Wat is de familierelatie van Willem met de volgende personen? ___________________________ Marian zus ___________________________ Joep ___________________________ Iris ___________________________ Vincent ___________________________ Michiel ___________________________ Annie ___________________________ Jeroen

Thema 2 Feesten

39


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 40

2

Luister nog een keer. Vul de tabel in. leeftijd

woonplaats

beroep / studie

dagen per week

Marian

____________________

Nijmegen

____________________

____________________

Joep

____________________

____________________

X

X

Iris

1 jaar

____________________

X

X

Vincent

X

____________________

____________________

4 dagen

Michiel

____________________

____________________

____________________

X

Annie

____________________

____________________

verpleegkundige

____________________

Jeroen

____________________

____________________

____________________

____________________

Luisteren

Oefening 12

Mevrouw de Graaf is 80 jaar. Ze vertelt over haar familie. Luister en maak haar stamboom compleet. Vul de volgende namen in: Anne – Arthur – Bas – Daniëlle – Doris – Emma – Harrie – Gerda – Joris – Jos – Judith – Karel – Karin – Maarten – Michelle – Mirjam – Pepijn – Susan – Thijs

mevrouw de Graaf X

X

X

X

X

40

Thema 2 Feesten


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 41

Spreken

Oefening 13

Werk in groepjes van drie. 1

Voorbeeld

Interview een medecursist over zijn / haar familie. Maak korte notities.

Heb je broers en zussen? Hoe oud zijn je broers en zussen? Waar wonen ze? Wat doen ze? Zijn ze getrouwd? Hebben ze kinderen? Heb je ooms en tantes? Heb je veel neven en nichten? ... Heb je veel contact met je familie? Hoe heb je contact met ze? 2

Vertel de informatie aan een andere medecursist.

Grammatica Zinsbouw - inversie vraagzin (zie ook thema 1) open vraag 1 = interrogatief Waar Hoe Welke dag Wanneer Waarom

2 = finiete verbum kom heet is begint wilt

3 = subject je je? het de cursus? u

4 = rest? vandaan? vandaag? Nederlands leren?

gesloten vraag (met antwoord ‘ja’ of ‘nee’) 1 = finiete verbum Mag Werkt Zullen Is Woont

2 = subject ik Mia we het examen Marjan

3 = rest? hier roken? in Amsterdam? naar de film gaan? moeilijk? in Apeldoorn?

hoofdzin met inversie zin begint niet met het subject maar met een ander woord 1 = rest = inversie commando In januari Elke dag Dat Morgen Met haar zoon Jan

2 = finiete verbum 3 = subject

4 = rest.

kan reis vind komt woont

beginnen. met de trein. niet leuk. naar huis. in Apeldoorn.

je ik ik onze dochter Judith Marjan

Thema 2 Feesten

41


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 42

Oefening 14

Zet de woorden in de goede volgorde. Begin met het woord met de hoofdletter. Voorbeeld

naar Amsterdam – Morgen – ik – ga – . ______________________________________________________________________________________________________________ Morgen ga ik naar Amsterdam. 1

Zaterdag – een feestje – heb – ik – . __________________________________________________________________________________________________________

2

mijn broer – In Den Haag – woont – met zijn gezin – . __________________________________________________________________________________________________________

3

Jullie – dinsdag – naar een museum – gaan – . __________________________________________________________________________________________________________

4

haar oma – In 2004 – overleden – is – . __________________________________________________________________________________________________________

5

Spreekt – met zijn moeder – hij – Spaans – ? __________________________________________________________________________________________________________

6

biologie – studeert – In Amsterdam – mijn broer – . __________________________________________________________________________________________________________

7

werkt – Haar vader – in een ziekenhuis – . __________________________________________________________________________________________________________

8

in de kantine – de studenten – Zitten – ? __________________________________________________________________________________________________________

9

mijn zus – Maandag – komt – uit China – . __________________________________________________________________________________________________________

10

jarig – ik – ben – Woensdag – . __________________________________________________________________________________________________________

* Grammatica - oefening 30, 31 Oefening 15 Maak tien zinnen. Gebruik woorden uit drie of vier kolommen. Zet het werkwoord in de goede vorm. Voorbeeld

_______________________________________________________________________________________________________________ ’s Ochtends eet ik een broodje kaas.

1 Morgen Donderdag In de trein ’s Ochtends Na de les In de pauze Om drie uur Vandaag Op het feestje In het café

42

Thema 2 Feesten

2 drinken zijn spreken moeten eten komen studeren zitten dansen gaan

3 de studenten ik we haar broer de les mijn oma de docent mijn vriend de trein zij

4 een broodje kaas. met vrienden. in lokaal 0.15. alleen. naar huis. Nederlands. een glas wijn. in Groningen. naar het ziekenhuis. jarig.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 43

1

__________________________________________________________________________________________________________

2

__________________________________________________________________________________________________________

3

__________________________________________________________________________________________________________

4

__________________________________________________________________________________________________________

5

__________________________________________________________________________________________________________

6

__________________________________________________________________________________________________________

7

__________________________________________________________________________________________________________

8

__________________________________________________________________________________________________________

9

__________________________________________________________________________________________________________

10 __________________________________________________________________________________________________________

Grammatica Modale werkwoorden zullen = 1 een voorstel, 2 een afspraak, een belofte 1 2

Zullen we dansen? Bel je me snel? Ja, dat zal ik doen.

willen = wensen, verlangen 1 2

Wil jij een kopje koffie? Ik wil goed Nederlands spreken.

kunnen = mogelijk zijn 1 2

U kunt het cadeautje ruilen. Hij kan een beetje Nederlands verstaan.

mogen = niet verboden zijn, toegestaan zijn 1 2

Mag ik hier roken? Hier mag u niet parkeren.

moeten = verplicht zijn, nodig zijn 1 2

U moet een examen Nederlands doen. We moeten een cadeautje kopen.

zullen

willen

kunnen

mogen

moeten

hij / zij

zal zal / zult zal je / zul je zal

wil wil / wilt wil je wil

kan kan / kunt kan je / kun je kan

mag mag mag je mag

moet moet moet je moet

we jullie ze

zullen zullen zullen

willen willen willen

kunnen kunnen kunnen

mogen mogen mogen

moeten moeten moeten

ik je / u

Thema 2 Feesten

43


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 44

Oefening 16

Kies het goede verbum. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Willen / Zullen jullie een kopje koffie? De kinderen mogen / moeten om halfnegen op school zijn. Ik moet / zal naar de tandarts. Mag / Moet ik even naar de wc? Ik kan / wil goed zwemmen, want ik heb drie zwemdiploma’s. Willen / Zullen we naar de film gaan? Hij wil / kan een nieuwe fiets. Je mag / moet niet roken in een café. Mag / Zal de deur dicht, alsjeblieft? Je mag / moet geen alcohol drinken als je nog geen 16 jaar bent.

Oefening 17

Vul de goede vorm van een modaal verbum in. 1

2 3 4 5 6 7 8 9 10

Ik _________________ nu naar het station. Dan _________________ ik de trein van twee uur nemen. _________________ we een kopje koffie drinken? _________________ ik jouw woordenboek? In het talenpracticum _________________ je niet eten en drinken. Wat _________________ je voor je verjaardag? Ze _________________ goed Nederlands spreken. Ze zijn al lang in Nederland. Pardon, _________________ ik u iets vragen? Zijn jullie klaar? _________________ we beginnen? We _________________ elke dag huiswerk maken. _________________ je me met mijn huiswerk helpen?

* Grammatica - oefening 3, 4, 5, 7, 8, 9 Oefening 18 Verander de zin. Maak een combinatie met een modaal verbum. Ik leer Nederlands.

Voorbeeld

______________________________________________________________________________________________________________ Ik moet Nederlands leren.

1

Ik ga naar het zwembad.

2

Jullie roken niet in een café of restaurant.

3

Spreekt u goed Nederlands?

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

44

Thema 2 Feesten


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 45

4

Hij betaalt de rekening op tijd.

5

Vraag ik u iets?

6

Bij het kruispunt ga je rechtsaf.

7

Wij kopen een nieuwe auto.

8

Gaan we in de kantine koffie drinken?

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

Spreken

Oefening 19

Werk in groepjes van twee. Stel elkaar de volgende vragen. 1 2 3 4 5 6 7 8

Lezen

Wat moet u vandaag doen? Wat moet u volgende week doen? Wat wilt u komend weekend doen? Naar welk land wilt u op vakantie? Wat mag u in uw land niet doen? Waar mag je roken in Nederland? Kunt u al een beetje Nederlands spreken? Kan ik in uw land makkelijk reizen?

Oefening 20

Hier is een lijst van de feestdagen in Nederland. Kent u deze feestdagen? Nationale feestdagen Koningsdag 27 april Bevrijdingsdag 5 mei Algemene feestdagen Nieuwjaar 1 januari Pasen variabel Hemelvaart variabel Pinksteren variabel Kerstmis 25 en 26 december Valentijnsdag Carnaval Boekenweek Goede Vrijdag Dodenherdenking Moederdag

14 februari variabel maart variabel 4 mei om 20.00 uur 2e zondag in mei

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee Thema 2 Feesten

45


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 46

Vaderdag Prinsjesdag Kinderboekenweek Dierendag Sint Maarten Sinterklaas Oudejaarsavond

Spreken

3e zondag in juni 3e dinsdag in september oktober 4 oktober 11 november 5 december 31 december

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

Oefening 21

Werk in groepjes van drie. Bespreek de vragen. 1 2

Welke feestdagen heeft uw eigen land ook? Welke feestdagen heeft Nederland niet?

Vocabulaire en spreken Oefening 22 De volgende tradities staan in de top 10 van Nederlandse tradities:

46

____________

Geboorte baby / beschuit met muisjes

____________

Pasen / eieren verven en zoeken

____________

Oudjaar / oliebollen eten

____________

Carnaval / installatie Raad van Elf

____________

Verjaardag vieren / kaarsjes uitblazen

____________

Sint Maarten

____________

Sinterklaas

____________

Koningsdag / vrijmarkt

____________

Haring happen

____________

Kerstmis / kerstboom versieren

Thema 2 Feesten


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 47

Bespreek de volgende vragen in groepjes van drie: 1 2 3

Lezen

Kent u deze tien tradities? Kent uw eigen land deze tradities? Wat denkt u? Zet de tradities in de goede volgorde. Welke traditie staat op nummer één, welke staat op nummer twee, enz.

Oefening 23

Lees de tekst. Vergelijk de informatie met uw antwoord op vraag 3 van oefening 22. Bent u verbaasd? Pakjesavond traditie nummer 1 HILVERSUM - De mensen in Nederland vinden pakjesavond op 5 december de belangrijkste traditie. Dat blijkt uit een onderzoek onder duizenden Nederlanders. Op de tweede plaats staat de kerstboom en op de derde plaats de combinatie Koningsdag en vrijmarkt. De combinatie oliebol/oudejaarsavond eindigt op de vierde plaats, en dan volgt Pasen/eieren verven. De Raad van Elf met Carnaval staat op zes, beschuit met muisjes bij de geboorte van een kind komt op zeven. Kaarsjes uitblazen/verjaardag vieren komt op de achtste plaats, Sint-Maarten komt op negen en haring happen op tien.

Bevrijding De herdenking van de Bezetting en de Bevrijding op 4 en 5 mei haalt de dertiende plaats, meteen daarna komt het islamitische Suikerfeest. Op 29 staat het kerkbezoek, op 34 de fietscultuur, op 36 prinsjesdag en op 45 ‘hard werken’. Het zingen van het Nederlandse volkslied, het Wilhelmus, staat niet in de top honderd van tradities. Bron: ANP http://www.nu.nl/news/1817723/10/Pakjesavond_traditie_nummer_1.html

Thema 2 Feesten

47


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 48

Vocabulaire Oefening 24 Vul het juiste woord in. beschuit met muisjes – Carnaval – dierendag – dodenherdenking – Kerstmis – Koningsdag – Oudejaarsavond – Pasen – Sinterklaas – verjaardag 1 2 3 4 5

6

7

8

9 10

Met __________________________________________ vieren we de geboorte van Jezus. Op __________________________________________ gaan veel mensen naar de vrijmarkt. Bij de geboorte van een baby eten we __________________________________________ . Iedereen is twee minuten stil op __________________________________________ . Met __________________________________________ gaan kinderen eieren verven en zoeken. Op __________________________________________ krijgen honden en katten extra lekker eten. Kinderen zetten hun schoen als __________________________________________ in Nederland is. Mensen vieren feest en hebben gekke kleding aan als het __________________________________________ is. Op je __________________________________________ mag je kaarsjes uitblazen. Op __________________________________________ eten Nederlanders oliebollen en steken ze vuurwerk af.

Taalhulp verjaardag, geboorte, huwelijk, nieuwe woning, nieuw werk, etc. Hartelijk gefeliciteerd! Van harte!

Gefeliciteerd! Veel geluk met ........

Proficiat!

Beterschap!

Sterkte!

ziekte Van harte beterschap!

een moeilijke / stressvolle situatie (examen, sollicitatie) Succes!

Sterkte!

Zet hem op!

Wat gezellig!

Veel plezier!

Gecondoleerd.

Sterkte! Wat erg voor je / voor jullie!

iets leuks Wat leuk!

overlijden Gecondoleerd met het overlijden van ...

48

Thema 2 Feesten


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 49

Spreken

Oefening 25

Hoe reageert u? Kies een reactie uit de taalhulp. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Internet

Ik ben vandaag jarig. Ik trakteer op taart. Ik moet studeren. Ik heb morgen examen. Ik blijf vandaag thuis. Ik ben ziek. Ik ga vanavond met mijn vriend naar de film. We gaan in mei trouwen. Gisteren is onze dochter Saskia geboren. Mijn oma is dit weekend overleden. Ik heb een nieuwe baan. Morgen moet ik een presentatie geven. We gaan morgen op vakantie naar Spanje.

Oefening 26

Ga naar de volgende websites: http://www.kaartenhuis.nl/ http://www.hallmark.nl/ecards.aspx 1 2 3

Lezen

Voor welke situaties vindt u kaarten? Welke wensen staan er op de kaarten? Kies een kaart. Stuur de kaart naar een medecursist of uw docent.

Oefening 27

Uw collega heet John Bosch. U leest dit geboortebericht in de krant.

We zijn erg blij met de geboorte van

Niels zoon van Anke de Pont en John Bosch broertje van Jasmijn en Isa 15 oktober 2008 Griftkade 5 6665 LK Lent

Thema 2 Feesten

49


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 50

Stuur een felicitatiekaart.

Lezen

Oefening 28

U kent Nathalie Prinsen en Tom Goossen van de sportclub. U krijgt onderstaande kaart per post.

NATHALIE EN TOM GAAN TROUWEN Nathalie Prinsen en Tom Goossen geven elkaar op 10 juni a.s. om 14.30 uur het ja-woord op het gemeentehuis van Apeldoorn. We nodigen jullie van harte uit op de receptie vanaf 16.30 uur in feestzaal Het Koetshuis, Dolingadreef 7 in Apeldoorn. ceremoniemeester: David Zwarts (06-34435465)

Vragen

1

Wanneer en waar gaan Nathalie en Tom trouwen?

2

Wanneer en waar kunt u het bruidspaar feliciteren?

3

Wat is de taak van David Zwarts?

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

__________________________________________________________________________________________________________

50

Thema 2 Feesten


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 51

Oefening 29

Lees de tekst. Welke titel past het best? a b c

Gezin op vakantie met de auto. Echtpaar vergeet kind bij wegrestaurant. Jongen moet naar de wc.

Een Duits gezin is op vakantie in Italië. Op de terugreis vergeten de ouders hun 11-jarige zoon in een Zwitsers wegrestaurant. De ouders zijn de grens met Oostenrijk al over. Dan merken ze dat het erg stil is in de auto. Ze rijden terug naar het wegrestaurant. De jongen zat in het wegrestaurant nog op de wc.

Bron: http://www.nu.nl/news/1728309/122

Lezen

Oefening 30

Belg noemt kind Harley-Davidson Een Belgisch echtpaar noemt hun zoontje Harley-Davidson, want dat is hun favoriete motormerk. Een ander echtpaar geeft hun kind de naam Muhammed-Ali, de naam van de bekende bokser. Deze namen staan op een Belgische lijst van kindernamen in 2007. Op de lijst staan ook de namen Vangelis (muzikant), Arafat (politicus), C-jay (figuur uit een soap). Emma en Nathan zijn de populairste namen van België in 2007. Regionaal zijn er grote verschillen. In de hoofdstad Brussel bijvoorbeeld zijn Mohammed en Sarah de populairste namen. Eén echtpaar houdt heel veel van België. Hun dochter heet Belgiana. Bron: http://www.nu.nl/news/1749474/122/Belg_noemt_kind_Harley-Davidson.html

Spreken

Oefening 31 1 2 3 4 5

Hebt u kinderen? Zo ja, hoe heten uw kinderen? Waarom? Welke namen vindt u mooi? Welke namen vindt u niet mooi? Wat zijn populaire namen in uw eigen land? Wat vindt u van de Nederlandse namen?

Thema 2 Feesten

51


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 52

3

52

Boodschappen doen en winkelen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 53

Vocabulaire Oefening 1 Maak een woordweb bij het woord boodschappen.

Luisteren

Oefening 2

Het is zaterdag. Willem doet boodschappen. Hij gaat naar drie winkels: de bakker, de slager en de groenteboer.

Lees de vragen. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen. 1

2

Wat koopt Willem bij de bakker? a Een half donkerbruin, zes broodjes en drie krentenbollen. b Een half lichtbruin, zes broodjes en zes krentenbollen. c Een half wit, acht broodjes en zes krentenbollen. Wat moet hij bij de bakker betalen? â‚Ź ______________________

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen

53


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 54

3

Wat koopt Willem bij de slager? a Een pond gehakt, twee hamburgers, ham en salami. b Een pond gehakt, drie hamburgers, ham en kaas. c Een half pond gehakt, twee hamburgers, ham en salami. d Een half pond gehakt, drie hamburgers, ham en kaas.

4

Wat moet hij bij de slager betalen? a € 7,20 b € 10,00 c € 2,80

5

Wat koopt Willem bij de groenteboer? 2 kilo bananen 1 krop sla 1 komkommer 1 pond tomaten 1½ pond tomaten

6

1 kilo sinaasappels 4 sinaasappels 1 appel 1 kilo appels 1 kilo bananen

Wat moet hij bij de groenteboer betalen? € ______________________

Vocabulaire verbum helpen (Wie kan ik helpen?) kijken (Kijk eens!) was (Dat was alles; infinitief: zijn)

wou (infinitief: willen) (Ik wou graag …) zeggen (Zegt u het maar!)

substantief de aanbieding (Ze zijn in de aanbieding.) de appel de bakker de banaan de beurt (Wie is er aan de beurt?) de boodschap (boodschappen doen) het briefje (een briefje van € 50,00) het broodje het gehakt de groenteboer de ham de hamburger de kilo de komkommer

54

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen

de krentenbol de krop (een krop sla) het ons het pond het probleem de salami de sinaasappel de sla (een krop sla) de slager het tasje het vlees de vleeswaren het weekend (prettig weekend, fijn weekend)


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 55

adjectief bruin donker duur fijn gesneden (infinitief ‘snijden’) half klein

licht lichtbruin prettig speciaal wit zacht

prepositie aan (Wie is er aan de beurt?) bij (bij elkaar) met

voor (Zes krentenbollen voor € 1,50) tot (Tot ziens!)

andere woorden alles (Dat is alles?) anderhalf anders (Anders nog iets?) dan (Dat is dan € 7,20, alstublieft.) eens (Kijk eens!) elkaar (bij elkaar) er (Wie is er aan de beurt?) er (Ik neem er zes.) iets (Anders nog iets?)

maar (Doet u er maar zes.) misschien nog (Anders nog iets?) oké ook prima sorry wat (Nog wat vleeswaren?) ziens (Tot ziens!)

Taalhulp Boodschappen doen verkoper Wie is er aan de beurt? Wie kan ik helpen?

klant Ik wil graag ... Ik wou graag ... ... , graag. ... , alstublieft.

... is / zijn in de aanbieding. Anders nog iets?

Ja, ook nog … Nee, dank u. Nee, dat was het.

Dat is alles? Dat was alles? Dat is het? Dat was het?

Ja, dat is alles. Ja, dat was alles. Ja, dat is het. Ja, dat was het.

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen

55


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 56

Dat is dan € ... Dat is € ... alstublieft. Dat is € ... bij elkaar.

Alstublieft.

Geen probleem. Met € ... Hebt u het niet kleiner?

Ik heb alleen een briefje van € ... Hebt u terug van € ... ?

Ja hoor, gaat uw gang.

Kan ik pinnen?

Dank u wel. Tot ziens. Tot ziens en prettig weekend.

Tot ziens. U ook.

gewicht 1 ons = 100 gram 1 pond = 500 gram 1 kilo = 1000 gram

Vocabulaire Oefening 3 Hier volgt een lijst van winkels en producten. Begrijpt u de woorden? Kijk in het woordenboek of zoek een afbeelding van het product via Google afbeeldingen. Weet u nog andere namen van producten bij elke winkel? Tips om andere namen van producten te vinden: • Gebruik een woordenboek. • Kijk in de winkels of op de markt voor de goede namen. • Vraag een verkoper in de winkel: ‘Wat is dit?’ of: ‘Hoe heet dit in het Nederlands?’ de slager / de slagerij Winkel: Producten: vlees het varkensvlees, het rundvlees, het lamsvlees, het gehakt, de rollade, … vleeswaren de ham, de salami, de cervelaat, de paté, …

Winkel: de bakker / de bakkerij Producten: brood het wit(brood), het bruin(brood), het volkoren(brood), het stokbrood, de krentenbol, de croissant, het broodje (hard of zacht), het bolletje (hard of zacht), ... koek / gebak de taart, de cake, de vlaai, de stroopwafel, de koekjes, …

56

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 57

Winkel: de groenteboer Producten: groente de sla, de boontjes, de snijbonen, de bloemkool, de spinazie, de andijvie, de prei, de komkommer, de paprika, de ui, de aardappel, ... fruit de appel, de sinaasappel, de peer, de banaan, de mandarijn, de aardbei, de kers, de framboos, de druif, de meloen, de ananas, …

de kaaswinkel Winkel: Producten: jonge kaas, belegen kaas, oude kaas, Leerdammer, brie, camembert, ... de poelier Winkel: Producten: de kip, de kipfilet, de kippenpoot / de kippenbout, het ei (de eieren), … de slijter / de slijterij Winkel: Producten: het bier, de rode wijn, de witte wijn, de rosé, de port, de jenever, de whisky, … de supermarkt Winkel: Producten: de melk, de spaghetti, het wc-papier, de thee, de suiker, de boter, de ketchup, de olie, de vuilniszakken, … de schoenenzaak Winkel: Producten: de schoen (schoenen), de laars (laarzen), de sok (sokken), de pantoffel (pantoffels), …

Winkel: de kledingwinkel Producten: de broek, de spijkerbroek, de rok, de jurk, het overhemd, het shirt, het T-shirt, de blouse, het pak, het kostuum, het colbert, het vest, de trui, de jas, de sjaal, de handschoen (handschoenen), de stropdas, de pyjama, het ondergoed, de onderbroek, de bh, het slipje, … Winkel: de drogist / de drogisterij Producten: de aspirine, de keeltabletten, de shampoo, de douchecrème, de lippenstift, de make-up, de pleister (pleisters), het verband, … Winkel: de elektronicawinkel Producten: de televisie, de cd-speler, de dvd-speler, de dvd-recorder, de cd-rom, de mp3-speler, de computer, de laptop, de printer, ... Winkel: de bouwmarkt Producten: de hamer, de schroevendraaier, de boormachine, de zaag, de schroef (schroeven), de spijker (spijkers), de plug (pluggen), het hout, de tegel (tegels), het cement, … Winkel: de boekwinkel Producten: het boek, het tijdschrift, de krant, de kalender, het papier, …

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen

57


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 58

Winkel: de bloemenzaak Producten: de bos bloemen, de tulp (tulpen), de roos (rozen), de plant, de potgrond, … Winkel: de juwelier Producten: de ring, de oorbel (oorbellen), de armband, de halsketting, het horloge, … Winkel: het warenhuis Producten: de tas, het dekbedovertrek, het speelgoed, het servies, de handdoek, de kleding, … Winkel: de meubelzaak Producten: de stoel, de bank, de tafel, de eettafel, de salontafel, de fauteuil, de boekenkast, het dressoir, het bijzettafeltje, het bureau, de kruk,de ladekast, …

Oefening 4

Hieronder een lijst van namen van bekende winkels in Nederland. Welk soort winkel is het? (voor soorten winkels, zie oefening 3). Praxis

Aldi

_________________________________

_________________________________

_________________________________

Kruidvat

IKEA

Dirk van den Broek

_________________________________

_________________________________

_________________________________

BCC

Gamma

AKO

_________________________________

_________________________________

_________________________________

Bruna

Gall & Gall

Karwei

_________________________________

_________________________________

_________________________________

Mediamarkt

Selexyz

Hennes & Mauritz

_________________________________

_________________________________

_________________________________

C1000

Kwantum

Trendhopper

_________________________________

_________________________________

_________________________________

Etos

C&A

Dixons

_________________________________

_________________________________

_________________________________

Lundia

Albert Heijn

HEMA

_________________________________

_________________________________

_________________________________

Bijenkorf _________________________________

58

van Haren

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 59

Grammatica Adjectief definiet

indefiniet

De mandarijn is zoet. Het stokbrood is lekker.

De zoete mandarijn. Het lekkere stokbrood.

Een zoete mandarijn. Een lekker stokbrood.

De mandarijnen zijn zoet. De stokbroden zijn lekker.

De zoete mandarijnen. De lekkere stokbroden.

Zoete mandarijnen. Lekkere stokbroden.

bruin geel oranje zwart

grijs beige paars roze

kleuren rood groen blauw wit

prijs Het product is duur. / Het product is goedkoop. Het product kost veel. / Het product kost weinig. De prijs is hoog. / De prijs is laag.

Oefening 5

Vul de goede vorm van het adjectief in. Voorbeelden Lekker: Koud:

De pizza is lekker. De _________________ _________________ pizza. lekkere pizza. Een lekkere lekker lekkere koffie. Lekkere . De _________________ _________________ koffie. De koffie is _________________ koud koude Het ijsje is _________________ . Het _________________ ijsje. Een koud _________________ ijsje. koud koude . Het _________________ water. koud _________________ water. Het water is _________________ 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15

Het huis is klein. Het _______________________ huis. Een _______________________ huis. De auto is zwart. De _______________________ auto. Een _______________________ auto. De taal is moeilijk. De _______________________ taal. Een _______________________ taal. De thee is warm. De _______________________ thee. _______________________ thee. Het boek is interessant. Het ____________________ boek. Een _________________ boek. De boeken zijn interessant. De ________________ boeken. _________________ boeken. De suiker is bruin. De _______________________ suiker. _______________________ suiker. Het pilsje is koel. Het ______________________ pilsje. Een _______________________ pilsje. De flat is groot. De _______________________ flat. Een _______________________ flat. Het raam is groot. Het _______________________ raam. Een _______________________ raam. Het bord is grijs. Het _______________________ bord. Een _______________________ bord. Het papier is wit. Het _______________________ papier. _______________________ papier. De schoenen zijn duur. De _________________ schoenen. ________________ schoenen. Het jasje is goedkoop. Het _____________________ jasje. Een ____________________ jasje. Het weer is mooi. Het _______________________ weer. _______________________ weer. Thema 3 Boodschappen doen en winkelen

59


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 60

* Grammatica - oefening 44, 45 Oefening 6 Vul de goede vorm van het adjectief in. Voorbeeld

(leuk) Het Museum van Speelklok tot Pierement is een ____________ leuk museum. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

(oud) Ik eet dit brood niet. Het is _________________ . (wit) Zij koopt een _________________ jurk. (groot) Ik kom uit een _________________ gezin. (groot) Ik heb een _________________ familie. (interessant) Hij leest een _________________ boek. (oud) Mijn buurman is een _________________ man van 83 jaar. (rood) De leraar corrigeert de test met een _________________ pen. (groen) De bananen zijn niet rijp, ze zijn _________________ . (vers) Ik wou graag een _________________ appeltaart. (goedkoop) Verkoopt u _________________ tweedehands fietsen? (bruin) Ze houdt niet van _________________ brood. (zoet) Eén kilo _________________ mandarijnen, alstublieft.

Grammatica er + numerale numeralen:

een, twee, drie, (enzovoort), weinig, veel, geen, een paar

er vervangt een ander woord of een woordcombinatie. Let op! er staat vóór het telwoord.

Hoeveel krentenbollen wilt u? Ik neem er zes. (er = krentenbollen) Heb je broers? Nee, ik heb er geen. (er = broers) Heb je zussen? Ja, ik heb er twee. (er = zussen) Heb je Nederlandse vrienden? Ja, ik heb er een paar. (er = Nederlandse vrienden)

60

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 61

* Grammatica - oefening 52 Spreken Oefening 7 Werk in tweetallen. Beantwoord onderstaande vragen. Gebruik ‘er’. Voorbeeld

Hoeveel dagen heeft een week? ______________________________________________________________________________________________________________ Een week heeft er zeven. (er = dagen) 1

Hoeveel maanden heeft een jaar? __________________________________________________________________________________________________________

2

Hoeveel uren heeft een dag? __________________________________________________________________________________________________________

3

Hoeveel minuten heeft een uur? __________________________________________________________________________________________________________

4

Hoeveel dagen heeft december? __________________________________________________________________________________________________________

5

Hoeveel fietsen hebt u? __________________________________________________________________________________________________________

6

Hoeveel kopjes koffie drinkt u per dag? __________________________________________________________________________________________________________

7

Hoeveel boterhammen eet u per dag? __________________________________________________________________________________________________________

8

Hoeveel Nederlandse vrienden hebt u? __________________________________________________________________________________________________________

9

Hoeveel kinderen hebt u? __________________________________________________________________________________________________________

10

Hoeveel computers hebt u? __________________________________________________________________________________________________________

11

Hoeveel tafels ziet u hier? __________________________________________________________________________________________________________

12

Hoeveel boeken leest u per jaar? __________________________________________________________________________________________________________

13

Hoeveel thema’s heeft dit boek? __________________________________________________________________________________________________________

14

Hoeveel Nederlandse woorden kent u? __________________________________________________________________________________________________________

15

Hoeveel talen spreekt u? __________________________________________________________________________________________________________

Vocabulaire Oefening 8 Wat koopt u in de volgende winkels? Noem 5 produkten per winkel. De drogist De slager 3 De slijter

De kledingzaak De meubelzaak 6 De bouwmarkt

1

4

7

2

5

8

De supermarkt Het warenhuis

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen

61


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 62

Spreken

Oefening 9

Eén cursist is bakker, één cursist is slager, één cursist is groenteboer en één cursist is kaasboer. De andere cursisten gaan boodschappen doen bij de bakker, de slager, de groenteboer en de kaasboer. Maak een boodschappenlijstje. Loop naar de verschillende winkels en doe uw boodschappen.

Luisteren

Oefening 10

Het is koopavond. Mila gaat met haar vriendin Simone winkelen. Ze gaan eerst naar een kledingwinkel, daarna naar een schoenenzaak.

Lees de vragen. Luister naar de twee fragmenten. Beantwoord de vragen. Fragment 1: In de kledingwinkel

62

1

Wat koopt Mila? a Een blauwe rok, maat 38 en een zwart vest. b Een blauwe rok, maat 40 en een grijs vest. c Een zwarte rok, maat 38 en een zwart vest. d Een zwarte rok, maat 40 en een grijs vest.

2

Hoeveel kost het, en hoe betaalt ze? a € 97,90, met pinpas b € 97,90, contant c € 79,90, met pinpas d € 79,90, contant

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 63

Fragment 2: In de schoenenzaak 3

Waarom koopt Simone het eerste paar laarzen niet? a Ze zijn te groot. b Ze zijn te duur. c Ze zijn niet mooi.

4

Waarom koopt Simone het tweede paar laarzen niet? a Ze zijn te groot. b Ze zijn te duur. c Ze zijn niet mooi.

5

Hoeveel geld kan Simone betalen voor laarzen? a â‚Ź 139,00 b ongeveer â‚Ź 100,00

Grammatica Personaal pronomen (herhaling: zie ook thema 1)

Voorbeelden

subject ik je / jij u hij ze / zij

object me / mij je / jou u hem haar

na een prepositie aan me / aan mij aan je / aan jou aan u aan hem aan haar

we / wij jullie ze / zij

ons jullie ze / hen hun (indirect object)

aan ons aan jullie aan ze / aan hen

Ik begrijp de oefening niet. Zullen we vanmiddag afspreken? Hebt u geen woordenboek? Mila kent Willem nu vier jaar. Willem danst met Mila. Peter is morgen jarig. We gaan morgen naar Den Haag. Simone woont bij haar ouders.

Kunt u me helpen? Ik wil even met je praten. Ik geef u mijn woordenboek. Mila kent hem nu vier jaar. Hij danst met haar. Hij krijgt van ons een museumjaarkaart. Ik zie jullie om 10.00 uur op het station. Simone woont bij ze.

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen

63


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 64

* Grammatica - oefening 38, 39, 40 Oefening 11 Kies het goede personaal pronomen. Voorbeeld

Karim en Astrid gaan zaterdag trouwen. Ik koop een mooi cadeau voor haar / hem / ze. 1

2 3

4 5 6 7

8

9 10

11 12

Mijn neefje is vandaag jarig. Ik feliciteer hij / hem / haar met zijn zesde verjaardag. Mila ziet haar ouders maar één keer per jaar. Ze mist jullie / hen / hem. Ik ga vaak met mijn zus winkelen. Vanmiddag ga ik met ze / haar / je schoenen kopen. Johan is mijn broer. Ik ga met jou / ze / hem naar het feest. Kunt u we / ons / je helpen? We zoeken het station. Anne zit in de trein. Mila praat met haar / ze / je. Ik heb een paar leuke studievrienden. Dit jaar vier ik Sinterklaas met ons / jullie / ze. Alexander heeft een Italiaanse vriendin. Hij kent ze / je/ haar nu zes maanden. Pardon meneer, mogen we je / u / me iets vragen? Carlijn heeft leuke collega’s. In de pauze drinkt ze koffie met hem / haar / ze. Mijn opa woont in Breda. Ik bezoek hem / u / ze vaak. Pardon mevrouw, mag ik je / u / haar iets vragen?

Grammatica Verwijzen naar dingen

64

de-woorden: singularis Hier is een blauwe rok. De rok is mooi. Wil je de rok passen?

Hij is mooi. Wil je hem passen?

het-woorden: singularis Ik koop een grijs vest. Het vest past goed bij de rok. Ik vind het vest mooi.

Het past goed bij de rok. Ik vind het mooi.

alle woorden: pluralis Ik vind de bruine laarzen mooi. De bruine laarzen zijn een beetje te groot. We hebben de bruine laarzen niet in maat 38.

Ze zijn een beetje te groot. We hebben ze niet in maat 38.

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 65

Oefening 12

Vul het goede woord in. Kies uit: hij, hem, het, ze Voorbeeld

Het Ik zoek mijn boek. _________________ ligt niet op tafel. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

11 12

Waar staat de auto? _________________ staat in de garage. Waar staat de auto? Ik parkeer _________________ altijd in de garage. Waar staan de fietsen? _________________ staan in de garage. Staan de fietsen in de garage? We zetten _________________ nooit in de garage. Waar staat het kinderfietsje? _________________ staat in de garage. Waar staat het kinderfietsje? Ik zet _________________ altijd in de garage. De schoenen zijn mooi, maar te duur. Ik koop _________________ niet. De krant is interessant. Ik lees _________________ elke dag. Het journaal is interessant. Ik zie _________________ elke dag op tv. Ik heb een nieuwe winterjas. _________________ is warm en ik vind _________________ mooi. Ik bestel een biertje. _________________ is koel en ik vind _________________ lekker. Ik zoek mijn sleutels. Waar zijn _________________ ? Ik heb _________________ nodig.

* Grammatica - oefening 41, 42 Oefening 13 Lees de tekst. Vervang de onderstreepte woorden. Kies uit: hij – hem – zijn – het – ze – haar – hun

Samen boodschappen doen. Ja, gezellig! Peter en zijn vrouw Marjan gaan samen boodschappen doen. Peter en Marjan _________________ gaan naar de supermarkt op de hoek. De supermarkt _________________ is groot en ze hebben veel keuze. De producten daar zijn niet duur maar de producten _________________ zijn wel van goede kwaliteit. Marjan loopt met een boodschappenkarretje naar de groente- en fruitafdeling. Ze zet het karretje _________________ aan de kant. Marjan _________________ pakt eerst een tros bananen. Marjan _________________ legt de bananen _________________ op de weegschaal. De bananen _________________ wegen ongeveer een kilo. Dan pakt Marjan _________________ nog een zak aardappels, een halve kilo uien en een bloemkool. Marjan _________________ doet de bloemkool _________________ in een plastic zak en wil alles in het boodschappenkarretje doen. Maar waar is Marjans _________________ karretje? Marjan _________________ kan het boodschappenkarretje _________________ nergens vinden. Dat is vervelend! Dat is niet goed voor Marjans _________________ humeur! Peter loopt op dat moment met het karretje aan de andere kant van de supermarkt. Peter _________________ is op de drankafdeling. Peter _________________ pakt een krat bier en zet het krat bier _________________ in het karretje. Dan gaat Peter _________________ naar het wijnrek en zoekt rode wijn. Peters _________________ favoriete rode wijn staat boven in het wijnrek. Peter is klein, de wijn staat te hoog voor Peter _________________ . Dus Peter _________________ vraagt hulp aan een medewerker van de supermarkt. De medewerker is lang, dus de medewerker _________________ kan gemakkelijk bij de wijn. De medewerker _________________ Thema 3 Boodschappen doen en winkelen

65


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 66

pakt een fles wijn uit het rek en geeft de fles wijn _________________ aan Peter. Peter bedankt de medewerker _________________ en gaat op zoek naar Marjan. Dan hoort Peter _________________ Marjans _________________ stem. Marjan _________________ is boos en roept: ‘Idioot! Waar was je nou? Ik loop al tien minuten met mijn handen vol! Kom hier met dat karretje!’ Peter zegt tegen Marjan _________________ : ‘Mens, doe niet zo moeilijk!’ Peter _________________ pakt de aardappels, de bloemkool en de uien uit Marjans handen en gooit de aardappels, de bloemkool en de uien _________________ in het karretje. Peter en Marjan _________________ lopen naar de kassa en betalen Peter en Marjans _________________ boodschappen. Het meisje bij de kassa vraagt: ‘Wilt u zegels?’ en Marjan zegt tegen het meisje _________________ : ‘Rot op met je zegels!’ en loopt boos naar buiten. ‘Sorry,’ zegt Peter tegen het meisje _________________ . Het meisje _________________ ziet Peter _________________ naar buiten lopen en denkt: ‘Gezellig, zo samen boodschappen doen!’ Moraal van dit verhaal: Samen boodschappen doen? Neem dan twee karretjes. Of nog beter: GA ALLEEN!

Taalhulp Kleding en schoenen kopen Verkoper Kan ik je misschien helpen?

Klant Ja, ik zoek een groen shirt. Ik zoek een warme trui.

Kan ik u misschien helpen? Prima! Roept u maar, als u hulp nodig heeft.

Nee, dank u. Ik kijk even rond.

Natuurlijk, ga je gang. De paskamers zijn daar links, achter in de winkel.

Ik zal even voor je kijken.

Mevrouw, kan ik even passen? Mevrouw, waar zijn de paskamers?

Jammer, de trui is te klein. Heeft u hem een maat groter? Helaas. Het shirt is te groot. Heeft u het een maat kleiner?

Momentje, ik kijk even in het magazijn. Heeft u deze laarzen ook in maat 38? Ik ga even voor u kijken. En, hoe zit het vest? Ja, en het staat u ook goed.

Het zit goed. Het past goed.

Ik neem deze. Kan ik afrekenen? Natuurlijk, loopt u maar mee naar de kassa. Kan ik pinnen? Natuurlijk, ga uw gang. Alstublieft, en veel plezier ermee.

66

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 67

Vocabulaire Oefening 14 Weet u het verschil? 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Luisteren

Wat is het verschil tussen een bakkerij en een banketbakkerij? Wat is het verschil tussen een slager en een poelier? Wat is het verschil tussen een drogist en een apotheek? Wat is het verschil tussen een supermarkt en een warenhuis? Wat is het verschil tussen vlees en vleeswaren? Wat is het verschil tussen een restaurant en een eetcafĂŠ? Wat is het verschil winkelen en boodschappen doen? Wat is het verschil tussen een blouse en een overhemd? Wat is het verschil tussen een rok en een jurk? Wat is het verschil tussen slippers en sandalen?

Oefening 15

U hoort vier personen. Zet het nummer bij de goede afbeelding.

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen

67


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 68

Spreken

Oefening 16

Werk in groepjes van drie. 1 2

Beschrijf uw kleding. Beschrijf uw favoriete kleding.

Gebruik de volgende woorden / zinnen: Ik draag nu … / Ik heb nu … aan. Ik draag graag … Mijn favoriete kleding is … Mijn favoriete kleur is … / Mijn favoriete kleuren zijn … Ik hou van … In de winter draag ik … In de zomer draag ik …

Spreken

Oefening 17

Eén cursist heeft een schoenenzaak, één cursist heeft een kledingzaak, één cursist heeft een boekwinkel en één cursist heeft een bloemenzaak. De andere cursisten gaan winkelen. Bedenk wat u in de winkels wilt kopen. Loop naar de verschillende winkels en koop in elke winkel iets.

Luisteren

Oefening 18

Na het winkelen gaan Mila en Simone koffie drinken. Lees de vragen. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen.

68

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 69

1

2 2 3

Wat bestellen Mila en Simone? Mila: _________________________________________________________________________________________________ Simone: _____________________________________________________________________________________________ Wat zeggen Mila en Simone over de ober? __________________________________________ Hoeveel moeten ze betalen? € _________________ Hoeveel betalen ze? € _________________

Taalhulp In een café, eetcafé, restaurant Ik heb zin in ... Ik heb zin in thee.

Ik ook.

Ik heb dorst. Ik heb honger.

Ik ook. Ik ook.

Zullen we ...? Zullen we naar café De Bolle gaan? Zullen we iets gaan drinken?

Zeg het maar. Zeggen jullie het maar.

Spreken

Sorry, ik kan niet. Sorry, ik heb geen tijd.

... graag. Twee cappuccino’s graag. Ik wil graag ... Ik wil graag appeltaart met slagroom. Ik neem ... Ik neem de chocoladetaart. Mag ik ...? Mag ik een biertje? En de menukaart alstublieft. ... alstublieft. De rekening alstublieft.

Zegt u het maar.

Mogen we ...? Mogen we de rekening? Mag ik ...? Mag ik betalen? Kan ik ...? Kan ik betalen?

Ja, leuk. Prima! Ja, goed idee.

Natuurlijk. Dat is dan € ... Het is € ...

€ ... Het is goed zo. Alstublieft! € ... Laat maar zitten.

Natuurlijk. Dat is dan € ...

€ ... Het is goed zo.

Oefening 19

Werk in groepjes van drie: twee vriend(inn)en en een ober. 1 2 3

Maak een lunchafspraak. Ga naar eetcafé Petit Paris. Bestel bij de ober.

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen

69


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 70

Lunchkaart Petit Paris Tomatensoep € 4,40 Kippensoep € 4,40 Tosti kaas € 3,50 Tosti kaas/tomaat € 4,00 Tosti ham/kaas € 4,00 Tosti ham/kaas/tomaat € 4,50

Stokbroodjes (wit of bruin)

Kaas Ham Salami Gerookte zalm Tonijnsalade

€ 4,50 € 4,50 € 4,50 € 5,50 € 5,50

Koffie Espresso Cappucino Thee Melk Jus d’orange Appelsap

€ 2,50 € 2,50 € 3,50 € 2,50 € 1,00 € 4,50 € 3,50

Spreken en schrijven Oefening 20 Werk in groepjes van twee. Twee keer per jaar eet u samen met een groep vrienden. Nu moet u koken voor tien personen. 1

2

Bespreek met uw medecursist: • Wat u gaat koken. • Welke producten u nodig heeft. • Wie wat doet. Mail een uitnodiging naar uw vrienden. Noem de datum, het tijdstip, de plaats en het menu.

Aan: Onderwerp:

Internet

Oefening 21

Ga naar www.ah.nl. 1 2 3

70

Welke producten zijn deze week in de aanbieding? Welke producten wilt u gaan kopen? Noteer minimaal 10 nieuwe woorden in uw woordenlijst.

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 71

Oefening 22

U bestelt vaak boodschappen via www.albert.nl. Een medewerker van de supermarkt brengt de bestelling. Vandaag klopt de bestelling niet. U mist een paar producten. Kijk naar uw bestelling en de rekening. uw bestelling

de rekening

wc-papier 2 pakken halfvolle melk vanillevla 1 pak magere yoghurt 1 liter olijfolie 1,5 kilo appels 1 pond uien pannenkoekenmix 1 kilo zilvervliesrijst 2 zakken paprikachips 1 doos waterijsjes

wc-papier € 5,95 1 pak melk € 0,59 vanillevla € 0,93 magere yoghurt € 0,89 zak appels € 1,89 pannenkoekenmix € 0,79 zilvervliesrijst € 1,69 waterijsjes € 1,49

U stuurt een e-mail naar de klantenservice van www.albert.nl. Hieronder staan een paar zinnen van de e-mail. Maak de tekst compleet.

Aan: Klantenservice Albert Heijn Onderwerp: bestelling boodschappen

Geachte heer, mevrouw Ik bestel regelmatig boodschappen bij uw supermarkt. Uw medewerker brengt de boodschappen bij me thuis. Maar vandaag is er een probleem. De bestelling klopt niet. ____________________________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________________________

Daarom wil ik u het volgende vragen: ____________________________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________________________

Ik hoop dat u het probleem vandaag nog oplost. Met vriendelijke groeten, ____________________________________________________________________________________________________________

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen

71


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 72

Lezen en spreken Oefening 23 Lees de volgende tekst. Openingstijden van winkels in Nederland Normale openingstijden In Nederland zijn de meeste winkels op werkdagen open van 9.00 tot 18.00 uur en op zaterdag van 9.00 tot 17.00 uur. Op zondag zijn de winkels meestal gesloten.

Koopavond en koopzondag In de meeste steden in Nederland is er één keer per week koopavond, op donderdagavond of op vrijdagavond. Dan zijn de winkels open tot 21.00 uur. Ook is er een keer per maand een koopzondag. Dan kunt u dus ook op zondag gaan winkelen. Vlak voor de feestdagen (zoals Sinterklaas of Kerstmis) zijn er vaak extra koopavonden en koopzondagen, maar dat is niet overal hetzelfde. Er is veel discussie over het thema ‘koopzondagen’. Sommige mensen willen meer koopzondagen per maand, want dat is goed voor de economie. Andere mensen vinden dat geen goed idee. Zij zijn bang dat dan de zondagsrust verdwijnt en dat de mensen alleen nog maar denken aan ‘Kopen, kopen, kopen!’

Supermarkten De supermarkten in Nederland houden zich niet aan de normale openingstijden. Ze gaan meestal al om 8.00 uur ’s morgens open en sluiten ’s avonds pas om 20.00 uur of 22.00 uur. Zo kunt u ’s avonds na uw werk nog boodschappen doen.

Amsterdam Amsterdam is een verhaal apart. In de hele stad, maar vooral in het centrum, zijn veel winkels elke dag open tot ’s avonds laat. Er zijn zelfs 24-uurswinkels. Daar kan je ook ’s nachts terecht. Ook op zondag zijn veel winkels in Amsterdam geopend. Amsterdam is dus niet typisch Nederlands wat betreft openingstijden van winkels. Het is een bruisende stad: er is continu activiteit, de stad gaat nooit slapen.

Vragen

1 2 3 4 5 6 7 8

72

Hoe laat sluiten de meeste winkels in Nederland op zaterdag? Hoe vaak per maand zijn er koopzondagen in de meeste steden? Waarom willen sommige mensen meer koopzondagen? Waarom vinden andere mensen dat geen goed idee? Wat zijn de openingstijden van veel supermarkten in Nederland? Hoe is de situatie in Amsterdam? Wat betekent: ‘Amsterdam is een bruisende stad’? Wat zijn de openingstijden van de winkels in uw eigen land?

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 73

Internet

Oefening 24

Hieronder ziet u de introductietekst van de website: www.openingstijden.nl. Openingstijden.nl – Nooit meer voor een dichte deur! De openingstijden van winkels in geheel Nederland. Openingstijden.nl is de website voor het bekijken van actuele openiningstijden van winkels en bedrijven. Je vindt bij ons ook een overzicht van alle koopzondagen, woonboulevards en winkelcentra in de buurt. U kunt zoeken op provincie, gemeente (stad of dorp) en op winkelcategorie. Zo vindt u de openingstijden van veel winkels bij u in de buurt. Opdrachten

1

2

3 4 5

Zoek de openingstijden op van een paar supermarkten: één in uw buurt, één in Amsterdam, en één in een klein dorp. Wat zijn de verschillen? Zijn er bouwmarkten in uw dorp of stad? Zo ja, welke? Zo nee, naar welke stad in de buurt moet u dan gaan? Zoek een winkel van uw keuze en noteer het adres en de openingstijden. Wanneer zijn er koopzondagen in uw provincie? Wanneer is de volgende koopzondag in de stad Utrecht?

* Grammatica - oefening 6 Grammatica Oefening 25 Zet de woorden in de goede volgorde. Begin met het woord met de hoofdletter. Zet het verbum in de goede vorm. Voorbeeld

de vriendinnen – Zaterdag – willen – winkelen – in Maastricht ______________________________________________________________________________________________________________ Zaterdag willen de vriendinnen in Maastricht winkelen.

1

jij – Kunnen – vanmiddag – boodschappen doen __________________________________________________________________________________________________________

2

moeten – U – oefening 10 – maken – nu __________________________________________________________________________________________________________

3

vragen – Mogen – ik – iets – u __________________________________________________________________________________________________________

4

moeten – Om acht uur – onze kinderen – slapen __________________________________________________________________________________________________________

5

we – morgen – Zullen – gaan – naar de bioscoop __________________________________________________________________________________________________________

6

jullie – Aan het eind van de cursus – moeten – doen – een test __________________________________________________________________________________________________________

7

mogen – we – In het lokaal – niet – eten __________________________________________________________________________________________________________

8

kunnen – Ik – Engels en Frans – spreken __________________________________________________________________________________________________________

9

zijn moeder – willen – geven – Mijn vriend – een museumjaarkaart __________________________________________________________________________________________________________

10

ik – Zullen – vanavond – voor jullie – koken __________________________________________________________________________________________________________

Thema 3 Boodschappen doen en winkelen

73


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 74

4

74

Vervoer


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 75

Oefening 1

Maak een woordweb met het woord vervoer.

Luisteren

Oefening 2

De vader en zus van Mila wonen in Peru. Ze komen drie weken naar Nederland. Ze komen Mila en Willem bezoeken. Mila en Willem gaan ze ophalen op Schiphol.

Lees de vragen. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Hoe gaan Willem en Mila naar Schiphol? a te voet en met de trein b met de taxi en de trein c te voet en met de taxi

2

Van welk spoor vertrekt de trein van Willem en Mila normaal? a van spoor 3a b van spoor 3b c van spoor 8a d van spoor 8b

3

Vandaag vertrekt de trein van een ander spoor. Welk spoor? a van spoor 3a b van spoor 3b c van spoor 8a d van spoor 8b

Thema 4 Vervoer

75


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 76

4

Hoe laat landt het vliegtuig met de vader en zus van Mila? a Om ongeveer 10.30 uur. b Om ongeveer 11.00 uur. c Om ongeveer 11.30 uur.

5

Waar gaan Willem en Mila zitten in de dubbeldekker? a Boven, want daar is meestal wel plaats. b Beneden, want daar is meestal wel plaats.

6

Wat is het probleem als de conducteur komt? a Willem en Mila hebben geen kaartjes. b De kaartjes zijn niet in orde. c Willem kan de kaartjes niet direct vinden.

Vocabulaire verbum binnenkomen (De trein komt binnen op spoor 8a.) kijken (even kijken) Kom op! (= Schiet op!) landen (Het vliegtuig landt om ‌ uur.)

lopen laten (Waar heb ik de kaartjes gelaten?) opschieten (Schiet op!) sluiten (De treindeuren sluiten.) vertrekken (De trein vertrekt om‌ uur.) wachten

substantief de binnenzak (de binnenzak van je jas) de dame (dames en heren) de dubbeldekker de conducteur de coupĂŠ de fiets het fluitje het geduld (Je moet nog even geduld hebben.) de heer (dames en heren) de intercity het kaartje het kwartier

de minuut de omroeper het plaatsbewijs (Plaatsbewijzen, alstublieft.) de reis het spoor het station de taxi de tijd (We komen nog op tijd.) de trein het uur de vertraging (De trein heeft een vertraging van 10 minuten.) het vliegtuig

adjectief beneden boven prettig (prettige reis)

76

Thema 4 Vervoer

rustig vertraagd (de vertraagde intercity) vol


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 77

prepositie naar (De trein naar Schiphol.) op (op tijd) op (op spoor 8a)

over (De trein vertrekt over een kwartier.) van (De trein van 10.23.)

andere woorden absoluut als (Als we nu gaan, komen we nog op tijd.) anders (Anders komen we te laat.) daar genoeg (We hebben tijd genoeg.) hier

in orde meestal nog (We komen nog op tijd.) omdat (Ik ga beneden zitten, omdat het boven vaak vol zit.) toch (Dat weet ik toch niet!) vaak

Grammatica Hoofdzin en bijzin hoofdzin Voorbeelden

Ik woon in Nederland. Ik wil Nederlands leren.

We moeten nu gaan. Ik wil de trein niet missen.

structuur van de hoofdzin subject Ik Ik We Ik

finiete verbum woon wil moeten wil

rest in Nederland. Nederlands nu de trein niet

verbum 2 leren. gaan. missen.

hoofdzin + want + hoofdzin Ik doe een cursus want ik wil Nederlands leren.

hoofdzin + maar + hoofdzin Ik wil een nieuwe auto kopen maar ik heb niet genoeg geld.

bijzin Voorbeelden

Ik doe een cursus omdat ik Nederlands wil leren. We moeten opschieten omdat de trein over drie minuten vertrekt. Ik koop een auto als ik genoeg geld heb. We komen nog op tijd als we nu gaan lopen.

Thema 4 Vervoer

77


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 78

conjunctie omdat omdat als als

subject ik de trein we we

rest Nederlands over drie minuten genoeg geld nu

finiete verbum wil vertrekt. hebben. gaan

verbum 2 leren.

lopen.

hoofdzin + omdat + bijzin Ik doe een cursus. Ik wil Nederlands leren. Ik doe een cursus omdat ik Nederlands wil leren

hoofdzin + als + bijzin Mijn ouders komen op bezoek. Ik ben jarig. Mijn ouders komen op bezoek als ik jarig ben.

(Zoek de betekenis van als en omdat op in het woordenboek.) want = omdat want + hoofdzin Ik heb geen les vandaag want de docent is ziek. omdat + bijzin Ik heb geen les vandaag omdat de docent ziek is. normale hoofdzin + bijzin Ik doe een cursus omdat ik Nederlands wil leren. Ik koop een auto als ik genoeg geld heb.

bijzin + hoofdzin met inversie Omdat ik Nederlands wil leren, doe ik een cursus. Als ik genoeg geld heb, koop ik een auto.

Oefening 3

Vul in:

omdat of want

Voorbeeld

Ik kan niet komen _________________ omdat ik ziek ben. 1

2 3 4 5 6 7 8 9 10

78

Thema 4 Vervoer

Om acht uur ga ik naar het station _________________ mijn trein vertrekt om kwart over acht. Els koopt een cadeautje _________________ haar moeder morgen jarig is. We gaan naar de stad _________________ we een cadeautje moeten kopen. Ze kopen ringen _________________ ze gaan volgende maand trouwen. _________________ hij in Groningen studeert, zoekt Peter daar een kamer. Ik ga met de fiets naar het instituut _________________ ik woon vlakbij. Peter zoekt een andere baan _______________ hij zijn werk nu niet leuk vindt. We condoleren onze collega _________________ zijn vader gisteren is overleden. Ik feliciteer mijn broer _________________ hij wordt vandaag 23. Monique gaat naar een kledingzaak _________________ ze een nieuwe jas wil kopen.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 79

Oefening 4

Vul in:

omdat of als

Voorbeeld

Ik kan niet komen _________________ omdat ik ziek ben. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

Joris kookt elke dag _________________ zijn vrouw niet kan koken. _________________ de zomer begint, gaan veel mensen op vakantie. We nemen vandaag de bus _________________ de auto kapot is. Morgen zijn we vrij _________________ het Koningsdag is. ______________ ik volgende week een examen heb, moet ik nu hard studeren. Ik ga nu niet naar de markt _________________ het slecht weer is. Ik ga nooit naar de markt _________________ het slecht weer is. Natasja woont nu in Nederland _________________ haar vriend Nederlander is. _________________ ik nu geen geld heb, kan ik geen nieuwe laptop kopen. _________________ ik genoeg geld heb, koop ik een nieuwe laptop. U kunt bij ons een cursus volgen _________________ u Nederlands wilt leren. _________________ ik nu geen baan heb, heb ik veel vrije tijd.

* Grammatica - oefening 33, 34, 35 Spreken Oefening 5 Werk in tweetallen: A stelt de vraag, B geeft antwoord met omdat of als. Voorbeelden

Waarom gaat u niet met de fiets? Wanneer gaat u naar het strand? 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

Omdat het slecht weer is. Als de zon schijnt.

Waarom leert u Nederlands? Waarom bent u te laat? Wanneer koopt u nieuwe kleren? Waarom komt u soms niet naar de les? Waarom komt u niet met de auto naar de les? Wanneer gebruikt u uw mobiele telefoon? Wanneer bent u nerveus? Waarom bent u zo moe? Wanneer geeft u een feestje? Waarom gaat u vanavond niet mee naar de film? Wanneer neemt u een taxi? Wanneer neemt u het vliegtuig? Wanneer drinkt u een glaasje wijn? Waarom drinkt u geen wijn? Wanneer gebruikt u een woordenboek? Waarom hebt u geen woordenboek? Wanneer gaat u naar de dokter? Wanneer gaat u naar Schiphol? Waarom gaat u vandaag naar Schiphol? Wanneer gaat u op vakantie?

Herhaal de oefening. Nu stelt B de vraag en geeft A antwoord. Gebruik ‘je’ in plaats van ‘u’.

Thema 4 Vervoer

79


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 80

Taalhulp Vervoermiddelen Vraag

Hoe ga je naar ...? Hoe gaat u naar ...? Hoe gaan jullie naar ...?

Antwoord

Ik ga met ... Ik neem ...

Hoe ga je naar school? Hoe gaat u naar Schiphol? Hoe gaan jullie naar het zwembad?

de brommer het vliegtuig de bus de fiets de motor de tram de trein de metro de taxi de auto de boot Ik ga te voet. Ik ga lopend.

Reistijd Vraag

Hoe lang duurt de reis? Hoe lang duurt dat? Hoe lang bent u onderweg?

Antwoord

De reis duurt … Dat duurt… Ik ben … onderweg.

80

Thema 4 Vervoer

De reis duurt vijf uur. Dat duurt 20 minuten. Ik ben drie kwartier onderweg.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 81

Luisteren

Oefening 6

U gaat luisteren naar drie mensen. Ze vertellen over hun reis. Hoe reizen ze en hoe lang duurt de reis? Vul de informatie in: Peter Vervoermiddelen + reistijd per vervoermiddel _______________________________________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________________

Totale reistijd: _________________________________________________________________________________________ Olga Vervoermiddelen + reistijd per vervoermiddel _______________________________________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________________

Totale reistijd: _________________________________________________________________________________________ Jaap Vervoermiddelen + reistijd per vervoermiddel _______________________________________________________________________________________________________________ _______________________________________________________________________________________________________________

Totale reistijd: _________________________________________________________________________________________

Spreken

Oefening 7

Geef antwoord op de vragen. Voorbeeld

Hoe gaat u van hier naar Rotterdam? _____________________________________________________ Ik ga met de trein. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Hoe gaat u naar uw werk? __________________________________________________________________ Hoe komt u naar de cursus? _______________________________________________________________ Hoe gaat u naar de supermarkt? _________________________________________________________ Hoe gaat u naar het centrum? _____________________________________________________________ Hoe gaat u terug naar huis? ________________________________________________________________ Hoe gaat u boodschappen doen? ________________________________________________________ Hoe gaat u naar het station? _______________________________________________________________ Hoe gaat u naar Schiphol? __________________________________________________________________ Hoe gaat u naar Amsterdam? ______________________________________________________________ Hoe reist u van hier naar Berlijn? Hoe lang duurt dat? _____________________________________________________

11

Hoe reist u van hier naar Londen? Hoe lang duurt dat? _____________________________________________________

12

Hoe gaat u van hier naar New York? Hoe lang duurt dat? _____________________________________________________

13

Hoe reist u van uw land naar Nederland? Hoe lang duurt de reis? _____________________________________________________

14

Gaat u dit jaar op vakantie? Wanneer, en hoe reist u dan? _____________________________________________________

Thema 4 Vervoer

81


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 82

Luisteren

Oefening 8

U gaat luisteren naar het liedje Per spoor van Guus Meeuwis. 1

2

Luister naar het liedje en beantwoord de volgende vragen. • Over welk vervoermiddel gaat dit liedje? • Waar gaat de ik-persoon naartoe? a Hij gaat naar huis. b Hij gaat naar zijn vriendin. c Dat weet hij niet. Luister nog een keer naar het liedje. Vul de woorden in.

Per spoor Refrein

Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng oe oe Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng oe oe En kilometers spoor schieten onder mij door. Ik ben op weg naar jou, want ik ben weg van jou. _________________ vroeg vertrokken in de luwte na de nacht en tien minuten op de _________________ gewacht. Want die had wat vertraging mijn god daar baal ik van Omdat ik nu tien _________________ minder bij jou blijven kan. Refrein

Ik zit in een coupé niet _________________ tweede klas. Heb de hele bank voor mij alleen. De conducteur komt langs: Jongen voeten van de bank. Hij vraagt mijn _________________ , waar ga je heen? Nou ik ga naar mijn lief toe, is dit de _________________ trein? Hij zegt: Het staat niet op je kaart maar ik weet waar jij moet zijn. Refrein

De trein raast alsmaar verder van_________________ naar station. Ik kom op plaatsen waar ik nooit ben geweest. Er rammelt plots een kar, roept een juffrouw: koffie _________________ ! Ik heb wel dorst, toch zeg ik nee. Want de trein vermindert vaart terwijl mijn hart steeds sneller gaat. Kijk uit het _________________ om te zien of zij daar staat. Refrein

Ik stap uit, kijk om me heen, even voel ik mij alleen _________________ ik zie haar nog niet staan. Maar van achter een pilaar verschijnt haar lachende gezicht. Voor mijn gevoel lijkt alles langzamer te gaan. En ik ren op haar af en zij komt mij tegemoet.

82

Thema 4 Vervoer


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 83

En achter ons _________________ de trein, omdat een trein nou eenmaal verder moet. Refrein

En ik blijf bij jou slapen want jij woont bij het spoor En ’s nachts oelala gaat het ritme door. Refrein

Internet

Oefening 9

www.ns.nl is de website van de NS (Nederlandse Spoorwegen). Hier vindt u allerlei informatie: over stations, over prijzen van treinkaartjes en over treinroutes. U wilt zaterdag met een vriend(in) een dagje naar Groningen. • Ga naar de website van de NS. • Noteer de volgende informatie: - Hoe laat vertrekt de trein? - Wat is de prijs voor een retourtje met korting? - Is het een directe trein of moet u overstappen? - Hoe laat komt de trein aan in Groningen? - Hoe laat neemt u ’s avonds de trein terug? • Schrijf met deze informatie een e-mail naar uw vriend(in): Wat wilt u doen? Wanneer? Hoe laat vertrekt de trein? Wat kost een retourtje? Variatie

Kies zelf een andere stad waar u naartoe wilt. Volg dan de stappen van oefening 9.

Van: Onderwerp: Datum: Aan:

Thema 4 Vervoer

83


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 84

Luisteren

Oefening 10

Mila en Simone gaan een weekendje naar Maastricht. Maastricht is een mooie, oude stad. Het is de hoofdstad van de provincie Limburg. Limburg ligt in het zuiden van Nederland. Ze gaan met de trein. In de trein komen ze in gesprek met een oudere man. Lees de vragen. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Hoeveel kost een weekendretour Amsterdam – Maastricht voor Mila? a 14 euro b 22 euro c 25 euro d 42 euro

2

Waarom kent de man Maastricht goed? a Omdat hij familie in Maastricht heeft. b Omdat hij uit Maastricht komt. c Omdat hij in Maastricht werkt.

3

Kruis aan. Waar is het: op het Vrijthof of op het Onze Lieve Vrouweplein?

kerk: Sint Servaas kerk: Sint Jan kerk: Onze Lieve Vrouwe Basiliek groot plein klein plein restaurants terrasjes

84

Thema 4 Vervoer

Vrijthof

Onze Lieve Vrouweplein

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 85

4

Waar kan je in Maastricht goed winkelen? a Op het Vrijthof en in de Grote Staat. b Op het Onze Lieve Vrouweplein en bij de Markt. c In de Grote Staat en bij de Markt.

5

Waarom is de boekwinkel vlakbij het Vrijthof zo bijzonder? a Omdat de boekwinkel heel groot is. b Omdat de boekwinkel heel oud is. c Omdat de boekwinkel in een kerkgebouw is.

6

Teken de looproute van het station naar het centrum van Maastricht.

Thema 4 Vervoer

85


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 86

Grammatica Praten over het verleden perfectum perfectum = een combinatie van twee verba: verbum 1 = auxiliair = een vorm van hebben of zijn verbum 2 = participium

Regelmatige verba Participium = ge + stam + t of d regel: ’t ex-kofschip Kijk naar de consonanten in het woord:

’t e x-k o f s ch i p Kijk naar de stam van het verbum. Is de laatste letter van de stam een van deze consonanten? Dan is het participium: ge + stam + t Is de laatste letter een andere consonant of een vocaal? Dan is het participium: ge + stam + d Voorbeeld

infinitief werken fietsen praten

stam werk fiets praat

participium gewerkt gefietst gepraat

wonen mailen waaien

woon mail waai

gewoond gemaild gewaaid

Hij heeft gisteren de hele dag gewerkt. Ik heb zondag 45 kilometer gefietst. Ik heb de hele dag Nederlands gepraat. We hebben twee jaar in Eindhoven gewoond. Wanneer heb jij me gemaild? Het heeft gisteren hard gewaaid. Let op

verba met z in de infinitief: participium eindigt op -sd verba met v in de infinitief: participium eindigt op -fd

Voorbeeld

reizen: We zijn naar Spanje gereisd. proeven: Heb je die lekkere kaas al geproefd?

86

Thema 4 Vervoer


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 87

Onregelmatige verba Veel verba zijn onregelmatig. Bij deze verba kunt u de vorm van het participium niet zelf maken. Zoek de goede vorm op in de lijst op pagina 266-268 en leer de vormen van veel gebruikte verba uit uw hoofd. Voorbeeld

Ik ben naar Maastricht geweest. (infinitief: zijn) We hebben veel gedaan. (infinitief: doen) De man heeft ons veel tips gegeven. (infinitief: geven)

Oefening 11

Zet de zinnen in het perfectum. Verbum 1: een vorm van het auxiliair hebben. Verbum 2: de goede vorm van het verbum tussen haakjes. Voorbeeld

(maken) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15

Lezen

(bellen) (luisteren) (zeggen) (kosten) (pakken) (wachten) (missen) (studeren) (zetten) (kennen) (leven) (praten) (koken) (proeven) (wonen)

_________________ Hebben

jullie je huiswerk _________________________ ? gemaakt

Wanneer ________________________ jij je moeder ___________________________ ? We __________________ gisteravond naar de radio _______________________ . Wat ______________________ hij ___________________________________ ? De televisie ________________________ â‚Ź 599 _________________________________ . Wie ________________________ mijn woordenboek _________________________ ? Ik ___________________________ een uur op je _________________________________ . Helaas ___________________________ we de trein _____________________________ . Mijn vader ___________________________ Duits _______________________________ . ___________________________ jij de kopjes op tafel __________________________ ? Ik ___________________________ mijn opa niet _________________________________ . Mijn oma _________________________ lang alleen ____________________________ . We ______________________ met onze nieuwe buren _____________________ . Je ___________________________ lekker ____________________________________________ . _________________ u wel eens Hollandse haring _________________________ ? Mila _________________ lang in Peru __________________________________________ .

Oefening 12

Mila is weer thuis na haar bezoek aan Maastricht. Ze is erg enthousiast over Maastricht en schrijft een vriendin een e-mail.

Thema 4 Vervoer

87


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 88

Hoi Karin, Ik ben afgelopen weekend met Simone naar Maastricht geweest. Het was erg leuk! Maastricht is een mooie, oude stad. We hebben veel gedaan. In de trein hebben we een oudere man ontmoet. Hij komt uit Maastricht. Hij was heel aardig en heeft ons veel tips gegeven. Eerst zijn we naar het Vrijthof gegaan. Dat is een mooi plein in het centrum van Maastricht. We hebben daar wat gegeten en gedronken. Op het plein staan twee oude kerken. Een van de kerken, de Sint-Servaas, hebben we bezocht. Dat is een prachtige middeleeuwse kerk. Daarna hebben we gewinkeld. We hebben veel gekocht: hoge laarzen, een broek, een bloes, leuke oorbellen… te veel om op te noemen. Je kan in Maastricht echt fantastisch winkelen! We hebben toen eerst alle spullen naar ons hotel gebracht. ’s Avonds hebben we in een gezellig eetcafé op de Markt gegeten. We hebben ook nog gedanst in een discotheek! Om 3 uur zijn we weer naar ons hotel gegaan. We waren doodop! Op zondag hebben we om 10.00 uur ontbeten. Het ontbijt was super! Ik heb verse jus d’orange gedronken, een croissantje en twee harde broodjes gegeten en een gekookt eitje genomen. Daarna zijn we naar het Bonnefantenmuseum gegaan. In het museum hebben we oude en moderne kunst gezien. Het was prachtig! We hebben op een terras aan de Maas geluncht en hebben nog door het historische centrum gewandeld. Aan het eind van de middag hebben we de trein terug naar Amsterdam genomen. Als je een keer een weekendje weg wil, moet je eens naar Maastricht gaan. Het is echt de moeite waard! Heb jij dit weekend nog iets leuks gedaan? Groetjes van Mila

Veel zinnen in deze e-mail zijn geschreven in het perfectum. Onderstreep de combinaties van verba. Verbum 1: auxiliair = een vorm van hebben of van zijn? Verbum 2: een participium. Van welke infinitief? Welke verba zijn regelmatig, welke onregelmatig?

* Grammatica - oefening 10, 11, 12, 13, 14 Grammatica Oefening 13 Hieronder kun je de reactie van Karin op de mail van Mila lezen (zie oefening 12). Zet de woorden tussen haakjes in de goede vorm (participium). Bij de regelmatige verba staat een R, de andere verba zijn onregelmatig. Hoi Mila, Bedankt voor je enthousiaste mailtje. Je hebt me jaloers (maken, R) _________________________________ . Ik ga zeker ook een keer naar Maastricht. Mijn weekend was niet echt leuk. Eigenlijk was het erg saai. Vrijdagavond ben ik wel even met een paar vriendinnen op stap (zijn) _________________________________ , maar het was niet zo gezellig, dus ik ben vroeg naar huis (gaan) _________________________________ . Zaterdag heb ik de hele dag (studeren, R) _________________________________ voor een tentamen. ’s Avonds heb ik naar een actiefilm op tv (kijken) _________________________________ , maar dat was helemaal niks. Wat een idiote film, en wat een slechte acteurs! Ik heb de tv uitgezet en daarna heb ik nog wat naar muziek (luisteren, R) _________________________________ . Dat was het enige leuke moment van het weekend. Zondag heb ik weer de hele dag (leren, R) _________________________________ voor mijn tentamen, en

88

Thema 4 Vervoer


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 89

’s avonds ben ik vroeg naar bed (gaan) _________________________________ . Het tentamen was afgelopen maandag, maar ik ben bang dat ik het niet heb (halen, R) _________________________________ . Het was veel te moeilijk! Heb ik daar het hele weekend zo hard voor (werken, R) _________________________________ ? Ik baal ervan. Nou ja, genoeg (klagen, R) _________________________________ . We moeten binnenkort weer eens wat afspreken. Ik bel je binnenkort. Groetjes Karin

Oefening 14

Onderstreep de adjectieven in de mail van Mila (oefening 12) en in de reactie van Karin (oefening 13). Leg de verschillende vormen van de adjectieven uit.

Vocabulaire Oefening 15 Wat is het tegenovergestelde? Let op. Soms zijn twee antwoorden goed. Kies uit

dichtbij – donker – dun – duur – jong – laag – klein – kort – koud – langzaam – lelijk – lekker – negatief – nieuw – saai – schoon – slecht – vervelend – wit – zwaar

Voorbeeld

groot 1 2 3 4 5 6 7 8

klein _________________________

zwart vies goedkoop oud lang snel positief mooi

_________________________

9

_________________________

10

_________________________

11

_________________________

12

_________________________

13

_________________________

14

_________________________

15

warm hoog leuk goed licht dik ver

_________________________ _________________________ _________________________ _________________________ _________________________ _________________________ _________________________

_________________________

Grammatica Oefening 16 Vul in deel 1 van de zin de goede vorm van het gegeven woord in. Vul in deel 2 van de zin de goede vorm van het tegenovergestelde in. Voorbeeld

weekend gehad maar het weekend van (leuk) Mila heeft een _________________ leuk . Karin was _________________ saai

Thema 4 Vervoer

89


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 90

1

(groot)

2

(lang)

3

(oud)

4

(lelijk)

5

(duur)

6

(zwart)

7

(vies)

8

(snel)

9

(koud)

10

(donker)

Ik kom uit een ___________________________ familie maar mijn vrouw komt uit een ___________________________ familie. Mijn zus heeft ___________________________ haar maar mijn haar is heel ___________________________ . Mijn huis is ___________________________ maar mijn collega heeft een ___________________________ huis. Die schoenen vind ik ___________________________ maar daar zie ik een paar ___________________________ laarzen. Londen is een ___________________________ stad maar direct buiten Londen is alles ___________________________ . Hij draagt een ___________________________ broek en een ___________________________ overhemd. Ik heb gisteren een ___________________________ pizza gegeten. Vandaag eten we ___________________________ soep. Ik heb een ___________________________ auto maar in de file rij ik helaas heel ___________________________ . ’s Avonds drink ik een ___________________________ pilsje maar ’s middags drink ik vaak ___________________________ thee. Buiten is het ___________________________ maar wij zitten gezellig in onze ___________________________ woonkamer.

Lezen en spreken Oefening 17 Werk in tweetallen. Ieder krijgt een tekst over een bijzonder openbaar vervoermiddel. Lees de tekst. Schrijf een paar woorden op en vertel dan aan uw medecursist wat u hebt gelezen.

Spreken

Oefening 18

Werk in drietallen. Beantwoord de volgende vragen: 1 2 3 4 5 6 7 8

90

Thema 4 Vervoer

Hebt u een auto? Zo nee, waarom niet? Wanneer gebruikt u de auto? Hebt u een fiets? Wanneer gebruikt u de fiets? Hoe reist u van Nederland naar uw land? Hoe reist u meestal door Nederland? Reist u wel eens met de trein? Hoe vaak? Neemt u wel eens een taxi? Hoe vaak?


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 91

Lezen

Oefening 19

Files In 1955 hadden we in Nederland de eerste file. Op een zonnige eerste pinksterdag nemen veel mensen de auto. Op knooppunt Oudenrijn loopt het verkeer vast. Veel mensen kijken verbaasd naar de stilstaande auto's. Dit hebben ze nog nooit gezien! Nu staan er helaas elke dag veel files op de Nederlandse snelwegen. En het probleem wordt groter en groter, vooral rond de grote steden in de Randstad.* Wat kunnen we aan het probleem doen? Moeten er meer wegen komen of moeten we extra betalen als we in de spits** willen rijden? Verschillende ministers van Verkeer hebben al veel plannen bedacht, maar de beste oplossing is nog niet gevonden. Uit onderzoek blijkt wel dat veel files verdwijnen als er 10 procent minder auto’s op de weg zijn. Conclusie: we moeten de auto vaker laten staan en met het openbaar vervoer reizen of op de fiets stappen. * de Randstad: het westen van Nederland, rond de grote steden Amsterdam, Den Haag , Rotterdam en Utrecht. ** de spits: tijd van de dag waarop het verkeer heel druk is (’s ochtends vroeg en aan het eind van de middag).

Wat vindt u van de files? Vul de test in.

Test files 1

U staat in een file van 12 kilometer. U droomt van... a snel doorrijden b thuis werken c vakantie

2

Tijd voor een nieuwe baan. Ik wil graag... a een auto van de zaak b dichtbij huis werken c veel verdienen

3

Ik wil thuis werken, want dan kan ik... a op een rustige dag winkelen. b rustig werken. c om 9 uur beginnen zonder in de file te staan.

4

Flexibele werktijden? Fijn, dan kan ik... a lekker uitslapen. b niet in de file staan. c mijn kinderen naar school brengen.

5

Uw laatste reis met het openbaar vervoer was... a heel lang geleden. U weet het niet meer precies. b nu, u maakt deze test in de trein. c vorige week. Toen nam u de trein en niet de auto.

Thema 4 Vervoer

91


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 92

score?

6

In de file staan vind ik... a vervelend maar het kan niet anders. b een groot probleem. c fantastisch.

7

Van mijn baas krijg ik graag... a extra geld voor de benzine. b een fiets van de zaak. c een OV-jaarkaart.

1 2 3

a = 0, b = 3, c = 0 a = 0, b = 3, c = 0 a = 0, b = 3, c = 3

4 5 6

a = 0, b = 3, c = 3 a = 0, b = 3, c = 3 a = 0, b = 3, c = 0

7

a = 0, b = 3, c = 3

0 t/m 5 punten U accepteert de files. U verandert uw manier van reizen niet omdat u denkt dat het niet helpt. 6 t/m 13 punten U vindt de files vervelend maar u hebt er geen oplossing voor. 14 punten of meer U vindt de files vervelend en u probeert zo veel mogelijk de fiets of de trein te nemen. Goed zo! Vertel het ook aan andere mensen. Bron: Kampioen nummer 10 oktober 2008

Lezen

Oefening 20

Lees de tekst.

Man met arm vast in treintoilet AMSTERDAM – Brandweerlieden hebben een Fransman uit een toilet van de TGV bevrijd. De telefoon van de man was in de wc gevallen. Zijn arm zat vast toen hij zijn mobieltje wilde pakken. De TGV kreeg hierdoor twee uur vertraging. Brandweerlieden probeerden de man te bevrijden, maar zij kregen zijn arm niet los. Uiteindelijk is een deel van het toilet uit de trein gehaald. De jonge man had een deel van de wc nog om zijn arm. Ze hebben hem naar het ziekenhuis gebracht. De man had alleen een paar blauwe plekken. Het is niet bekend of iemand zijn telefoon nog heeft gevonden. Bron: Š NU.nl/Dennis van Luling http://www.nu.nl/news/1808576/122/Man_met_arm_bekneld_in_treintoilet.html

Welke afbeelding past het beste bij de tekst?

92

Thema 4 Vervoer


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 93

Lezen

Oefening 21

Cursus roltraplopen voor treinreizigers Je moet rennen om de trein te halen. De roltrap naar het perron staat vol mensen. Dat vinden veel mensen vervelend als ze haast hebben. In Amersfoort start Prorail een proef met voetjes op de roltrap. Rechts staan rode voetjes. Daar blijf je stilstaan. Links staan groene voetjes. Daar kan je lopen. In veel landen is het normaal dat mensen op de roltrap rechts stilstaan en links kunnen passeren. Bron: http://www.nu.nl/news/1758929/122/%27Cursus_roltrap_lopen_voor_treinreizigers%27.html

Vraag

Wat is de functie van de rode en groene voetjes op de roltrap? ______________________________________________________________________________________________________________ ______________________________________________________________________________________________________________ ______________________________________________________________________________________________________________ ______________________________________________________________________________________________________________

Lezen

Oefening 22

Welke titel past het beste boven onderstaande tekst? a b c

Geen files op 9 oktober. Filevrije dag redelijk succesvol. Meer auto’s op filevrije dag.

De eerste ‘filevrije dag’ in Nederland was op 9 oktober 2008. Het doel was een dag zonder files, maar dat is niet gelukt. Toch was het resultaat niet slecht, want er was in de spits 7 procent minder file. De files begonnen ongeveer een halfuur later dan normaal en losten ook een half uur eerder op. Die dag konden automobilisten 10 procent sneller rijden dan op andere donderdagen. 90.000 mensen en 120 bedrijven deden mee aan de filevrije dag. Op de filevrije dag had de NS 5 procent meer reizigers.

Thema 4 Vervoer

93


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 94

5

94

Vrije tijd


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 95

Oefening 1

Maak een woordweb met het woord vrije tijd.

Luisteren

Oefening 2

Willem werkt als arts in een ziekenhuis in Amsterdam. Hij zit in de kantine van het ziekenhuis en luncht met een collega, Linda. Ze praten over vrije tijd. Wat doen Willem en Linda in hun vrije tijd? Zet een kruisje in de goede kolom.

hobby hockeyen squashen tennissen voetballen bioscoop theater ballet kroeg concert popmuziek jazz klassieke muziek piano spelen

Willem

Linda

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

x ______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

x ______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

______________________________________

Vocabulaire verbum hockeyen horen houden van (‌.Van welke muziek houd jij?) kwijtraken (Dan raak ik genoeg calorieÍn kwijt.) oefenen spelen 1 (Volgende week spelen ze thuis.) spelen 2 (Ik speel piano.)

sporten squashen tennissen uitkijken (Kijk maar uit met die kroketten.) verliezen (Ze hebben verloren.) voetballen winnen

Thema 5 Vrije tijd

95


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 96

substantief het ballet de bioscoop de calorie (calorieën) het concert de dansvoorstelling de energie de fan de film de hekel (Ik heb een hekel aan voetbal.) de jazz de kampioen de keer (één keer per week)

de kop (een kop tomatensoep) de kroeg de kroket de lijn (Dat is slecht voor de lijn.) de muziek de popmuziek de salsa de studententijd het theater de voetbalwedstrijd de werkdag het ziekenhuis

adjectief actief favoriet klassiek (klassieke muziek) laatste (de laatste weken)

middelbaar (de middelbare school) muzikaal sportief vrij (vrije tijd)

prepositie per (drie keer per week)

andere woorden af en toe altijd echt (Ik speel niet echt goed.) eigenlijk genoeg helaas meer (Ik heb geen energie meer.) natuurlijk regelmatig

te (te weinig tijd) vaak verder (Wat doe je verder in je vrije tijd?) vroeger wel 1 (Het zal wel.) wel 2 (best wel) zeker (Ik weet het zeker.)

Taalhulp Frequentie weleens? ooit?

96

Thema 5 Vrije tijd

Bent u weleens naar een jazzconcert geweest? Ben je ooit in China geweest?


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 97

Ik ga nooit naar een voetbalwedstrijd. Ik ben nog nooit in China geweest. Ik ga bijna nooit naar een jazzconcert. Ik ga zelden naar een jazzconcert. Soms gaan we naar het theater. Af en toe gaan ze squashen. Ga jij regelmatig sporten? Ja, ik sport twee keer per week. Ze luistert vaak naar klassieke muziek. Ik tennis meestal op donderdagavond. Ik voetbal altijd op zaterdagochtend. Ik ga bijna altijd met de fiets naar mijn werk.

nooit nog nooit bijna nooit zelden soms af en toe regelmatig ... keer per ... vaak meestal altijd bijna altijd

Spreken

Oefening 3

Werk in tweetallen. Beantwoord de vragen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15

Doet u weleens aan sport? Gaat u weleens naar de bioscoop? Luistert u weleens naar Nederlandstalige muziek? Fietst u weleens? Kijkt u vaak televisie? Gaat u weleens naar een restaurant? Maakt u weleens muziek? Schaatst u weleens? Wandelt u weleens? Gaat u regelmatig naar het theater? Bent u ooit in Japan geweest? Spreekt u regelmatig Nederlands? Luistert u weleens naar de Nederlandse radio? Hebt u ooit een operatie gehad? Gaat u weleens op bezoek bij de buren?

Taalhulp De klok deel 2 (voor deel 1: zie thema 1) Hoe laat is het? 10.00 10.05 10.10 10.15

tien uur vijf over tien tien over tien kwart over tien

10.20 10.25 10.30 10.35

tien voor half elf vijf voor half elf half elf vijf over half elf

Thema 5 Vrije tijd

97


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 98

10.40 10.45 10.50 10.55 11.00

tien over half elf kwart voor elf tien voor elf vijf voor elf elf uur

10.00 22.00

tien uur ’s ochtends tien uur ’s avonds

12.00 24.00

twaalf uur ’s middags middernacht (twaalf uur ’s nachts)

Tijdsaanduiding eerst dan daarna vervolgens tot slot ten slotte

Je moet eerst naar www.belbios.nl gaan. Dan kun je een stad selecteren. Daarna kun je een film selecteren. Vervolgens kun je informatie over de film lezen. Tot slot kun je een kaartje reserveren. Ten slotte kun je een kaartje reserveren.

om voor na tot van … tot …

Veel Nederlanders eten om zes uur. Je kunt me voor twaalf uur bellen. Daarna ben ik weg. Na de lunch controleer ik mijn mail. Ik werk tot vijf uur. Het instituut is van negen uur ’s ochtends tot tien uur ’s avonds open. Tussen twaalf en één is de administratie gesloten.

tussen … en … op van … tot en met … in

over

volgend(e)

komend(e) aanstaande (a.s.) geleden afgelopen vorig(e)

98

Thema 5 Vrije tijd

Op maandag ben ik vrij. Op vijf december vieren we Pakjesavond. Ik werk vier dagen per week: van dinsdag tot en met vrijdag. In de zomer neemt hij altijd drie weken vrij. In juni begint de zomer. In het weekend gaan we graag naar de film. Over drie weken heb ik vakantie. Over vijf maanden gaat mijn broer trouwen. Over twee jaar is zij klaar met haar studie. Volgend jaar willen ze naar Amerika gaan. Volgende maand begint de vakantie. Volgende week woensdag ben ik jarig. Komende woensdag ben ik jarig. Komend weekend zijn we thuis. Aanstaande maandag begint de nieuwe cursus. Zes weken geleden ben ik in Parijs geweest. Afgelopen zondag zijn we naar het Van Goghmuseum in Amsterdam geweest. Vorig jaar is hij twee maanden in Australië geweest. Vorige week maandag ben ik met mijn nieuwe baan begonnen.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 99

Taalhulp

Oefening 4

Kies het goede woord. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Over / Op / In het weekend ga ik naar de bioscoop. De zomervakantie is om / in / op de maanden juli en augustus. Vandaag is het 13 april. Volgende / Vorige week is het 20 april. Wij lunchen meestal tussen 12.00 tot / en / voor 13.00 uur. Ik drink bijna nooit / altijd wijn bij het eten. Ik vind het lekker. De trein naar Amsterdam vertrekt op / om / over 8.45 uur van spoor 5. Twee jaar afgelopen / geleden is Mila naar Nederland gekomen. Ik werk meestal tot vijf uur, maar soms / dan / vaak moet ik overwerken. Vorig / Vorige / Volgende maand is hij gestopt met zijn studie. Op / Tot / Om zaterdag krijgen wij vaak bezoek van vrienden.

Grammatica Praten over het verleden perfectum: 2 (voor deel 1, zie thema 4) Verba in combinatie met een vorm van zijn

Kijk naar de volgende verba in het perfectum. zijn gaan komen blijven worden beginnen stoppen gebeuren veranderen trouwen slagen zakken stijgen dalen Regel

Ik ben gisteren naar Amsterdam geweest. Wij zijn om 17.00 uur naar huis gegaan. Mila is twee jaar geleden naar Nederland gekomen. Het feest was gezellig, we zijn lang op het feest gebleven. Simone is 25 jaar geworden. De les is om 9 uur begonnen. Peter is met zijn studie gestopt. Op de A2 is vanmiddag een ongeluk gebeurd. Er is de laatste jaren in Nederland veel veranderd. Carla en Johan zijn vorig jaar getrouwd. Ik ben voor mijn examen geslaagd. Veel studenten zijn helaas voor het examen gezakt. Het aantal studenten in Utrecht is met 10 procent gestegen. Het aantal studenten in Amsterdam is met 5 procent gedaald.

In het perfectum gebruiken we bij deze verba altijd een vorm van zijn.

Thema 5 Vrije tijd

99


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 100

Verba zonder (extra) ge- in het participium. Kijk naar de volgende verba in het perfectum. gebeuren beginnen ontmoeten herhalen vertellen ervaren Regel

Wat is er gebeurd? De les is om 9.00 uur begonnen. Willem heeft Mila in Peru ontmoet. De leraar heeft de grammatica herhaald. Hij heeft een interessant verhaal verteld. Wij hebben veel nieuwe dingen ervaren.

Als een verbum begint met een van de volgende syllabes: ge-, be-, ont-, her-, ver-, er- dan begint het participium met dezelfde syllabe. Het partcipium krijgt dus geen (extra) syllabe ge- aan het begin.

Grammatica Oefening 5 Vul de goede vorm in van hebben of zijn. Voorbeeld

Wij ________________________ gisteren een film op tv gezien. hebben vandaag vroeg naar huis gegaan. Ik ________________________ ben 1 2

3 4 5

6

7 8 9 10

100

Thema 5 Vrije tijd

De student ________________________ een verhaal over zijn vakantie verteld. Mila en Simone ________________________ afgelopen weekend naar Maastricht geweest. Wat ________________________ jij in het weekend gedaan? Mijn ouders ________________________ in 1975 getrouwd. Het examen was makkelijk. Bijna alle studenten ________________________ geslaagd. Afgelopen zaterdag ________________________ ik naar een mooie film op tv gekeken. Carla ________________________ in Utrecht twee jaar rechten gestudeerd. Helaas ________________________ ze na twee jaar met haar studie gestopt. Wanneer ________________________ u met de cursus Nederlands begonnen? Welke steden in Nederland ________________________ jullie al bezocht?


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 101

Oefening 6

Maak de zin compleet. Vul de goede vorm van het verbum in het perfectum in. Voorbeelden

(beginnen) (wonen)

1

(maken)

Ik vorig jaar met mijn studie. ben vorig jaar met mijn studie _______________________ Ik ___________________ begonnen . Jan twee jaar in Den Haag. twee jaar in Den Haag ______________________ Jan ___________________ heeft gewoond . De studenten samen een oefening.

__________________________________________________________________________________________________________

2

(stijgen)

De temperatuur afgelopen week flink.

__________________________________________________________________________________________________________

3

(begrijpen)

jullie de regels van de grammatica goed?

__________________________________________________________________________________________________________

4

(worden)

Karel na zijn studie rechten advocaat.

__________________________________________________________________________________________________________

5

(aankomen) De trein naar Den Haag zojuist op spoor 5a. __________________________________________________________________________________________________________

6

(koken)

Gisteren ik voor onze gasten Italiaans.

__________________________________________________________________________________________________________

7

(kopen)

Ik verschillende Italiaanse ingrediĂŤnten.

__________________________________________________________________________________________________________

8

(herhalen)

Vandaag we de woorden uit de vorige les.

__________________________________________________________________________________________________________

9

(spreken)

Mila en Willem over hun vakantieplannen.

__________________________________________________________________________________________________________

10

(gebeuren)

Wat er met jou? Waarom ben je zo nerveus?

__________________________________________________________________________________________________________

11

(zijn)

Gisteravond we bij onze buren op bezoek.

__________________________________________________________________________________________________________

12

(werken)

Na zijn studie Peter een paar jaar in Brussel.

__________________________________________________________________________________________________________

Thema 5 Vrije tijd

101


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 102

Spreken

Oefening 7

Werk in groepjes van twee. A stelt vragen aan B en andersom. Voorbeelden

A B B A

Wat doe je op zaterdag? Op zaterdag ga ik naar de markt. Wanneer heb je boodschappen gedaan? Ik heb donderdagavond boodschappen gedaan.

Maak combinaties met de informatie hieronder. U kunt zelf ook andere tijden en andere activiteiten bedenken. tijd in het weekend op dinsdag op vrijdag vanavond zaterdagavond in de winter om acht uur na de pauze tussen negen en tien een week geleden afgelopen maandag vorig jaar volgende week morgen ‌

Spreken

activiteit naar een museum gaan voetballen huiswerk maken in een restaurant eten naar de bioscoop gaan winkelen boodschappen doen gaan werken slapen lunchen op vakantie gaan naar de cursus Nederlands gaan televisiekijken naar een kroeg gaan ‌

Oefening 8

Werk in groepjes van twee. 1 2

102

Thema 5 Vrije tijd

Vertel wat u vorige week hebt gedaan. Vertel wat u volgende week gaat doen.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 103

Luisteren A

Oefening 9

Agnes vertelt over haar werkdag. Zet de activiteiten in de goede volgorde. _________ _________ _________ _________ _________ _________ _________ _________ _________ _________ _________ _________

B

fietsen krant lezen thee en boterham met kaas mail lezen douchen wandelen eten maken nieuws kijken studenten inschrijven post boodschappen doen notulen maken

Jan vertelt over zijn studiedag. Zet de plaatjes in de goede volgorde.

Spreken

Oefening 10

Werk in groepjes van twee. Hoe ziet uw werkdag of studiedag eruit? Hoe ziet uw zondag er meestal uit?

Thema 5 Vrije tijd

103


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 104

Luisteren

Oefening 11

Gerard en Agnes zijn oude studievrienden. Ze hebben elkaar lang niet gezien. Agnes belt Gerard om iets af te spreken. Lees de vragen. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen. 1 2

Spreken

Wat gaan Agnes en Gerard doen? ________________________________________________________ Wanneer spreken ze af? ______________________________________________________________________

Oefening 12

Werk in groepjes van twee. U krijgt informatie van de docent. Maak een afspraak.

Luisteren

Oefening 13

U gaat luisteren naar een liedje van de bekende Nederlandse rockband De Dijk. 1

2

De titel van het liedje is Ik kan het niet alleen. Waar gaat het liedje over, denkt u? Luister naar het liedje. Maak de tekst compleet.

Ik kan het niet alleen – De Dijk Elke ________________________ Elke ________________________ Elke ________________________ Iedere ________________________ Stel dat ik er wel maar jij er niet was Dan was ________________________ ________________________ waarschijnlijk weer zo’n dag Oh, ik kan ’t niet ik kan ’t niet ik kan ’t niet k-k-kan ’t niet ik kan ’t niet alleen Natte ramen Kale muren Lege flessen Lege flessen op de gang Lange tanden

104

Thema 5 Vrije tijd


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 105

Late uren Weinig zon Weinig zon en veel behang En ik kan ’t niet ik kan ’t niet ik kan er niet omheen k-k-kan ’t niet ik kan ’t niet alleen o ik kan ’t niet ik kan ’t niet ik kan ’t niet Ik heb het geprobeerd gedaan wat ik kan maar alles gaat verkeerd Ik ben ook maar een man En ik kan het niet alleen Elke ________________________ ________________________ ________________________

maar vooral ________________________ Stel dat ik er wel maar jij er niet was dan was ________________________ ________________________ waarschijnlijk weer zo’n dag En ik kan ’t niet ik kan ’t niet ik kan er niet omheen k-k-kan ’t niet ik kan ’t niet alleen en ik kan ’t niet ik kan ’t niet ik kan het niet alleen

Taalhulp Vrije tijd en hobby’s Wat doe jij in je vrije tijd?

Wat doet u in uw vrije tijd?

Ik tennis / hockey / zwem / voetbal / basketbal / squash / schaats / wandel / fiets … Ik luister veel naar muziek. Ik maak muziek. Ik speel in een band / orkest. Ik speel piano / viool / gitaar / … Ik zing. / Ik zit in een koor.

Thema 5 Vrije tijd

105


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 106

Ik ga vaak naar het theater/ de bioscoop/ de film/ een museum. Ik zit veel achter de computer. / Ik chat en e-mail met mijn familie en vrienden. Welke hobby’s heb je?

Welke hobby’s heeft u?

Ik volleybal en lees graag. Ik ga graag naar het theater en speel piano. Ik ga regelmatig naar musea en ik schilder. Ben je sportief?

Bent u sportief?

Nee, ik ben niet sportief. Best wel. Ik voetbal elke zaterdagochtend met vrienden. Doe je aan sport?

Doet u aan sport?

Ja, ik tennis twee keer per week. Ja, ik ga ’s avonds een paar keer per week hardlopen. Nee, ik heb helaas te weinig tijd. Vroeger wel, nu niet meer. Van welke muziek houd jij?

Van welke muziek houdt u?

Ik hou(d) van popmuziek / jazz / klassieke muziek.

Spreken

Hou(d) je van ...?

Houdt u van ...?

Hou(d) je van ballet? Houdt u van komische films?

Nee, ik ga liever naar toneel. Ja, ik kijk graag naar comedy’s.

Ga je weleens naar ...?

Gaat u weleens naar ...?

Ga je weleens naar een concert? Gaat u weleens naar de bioscoop?

Ja, een paar keer per jaar. Soms, als er een goede film is.

Oefening 14

Werk in groepjes van twee. Beantwoord de vragen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9

106

Thema 5 Vrije tijd

Wat doet u in uw vrije tijd? Kijkt u graag naar sport? Zo ja, naar welke sport? Welke sporten zijn populair in uw land? Bent u zelf sportief? Zo ja, aan welke sport doet u dan? Van welke muziek houdt u? Bent u zelf muzikaal? Speelt u een instrument of zingt u? Gaat u weleens naar de kroeg? Gaat u weleens naar de bioscoop? Zo ja, naar welk soort films? Welke film vindt u heel goed?


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 107

10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

Gaat u weleens naar het theater? Zo ja, naar welk soort voorstellingen? Houdt u van lezen? Zo ja, wat leest u graag? Welk boek vindt u heel goed? Gaat u weleens naar een concert? Zo ja, naar welk soort concert? Wanneer bent u voor het laatst naar een concert geweest? Gaat u weleens naar een museum? Zo ja, naar welk soort museum? Naar welk museum bent u kort geleden geweest? Houdt u van winkelen? Zo ja, in welke stad winkelt u graag? Kijkt u veel tv? Naar welke programma’s kijkt u graag? Hoe volgt u het nieuws? Via tv, internet of de krant? Waarom? Kijkt u weleens naar het journaal op de Nederlandse tv?

Oefening 15

Loop door de klas. Vraag vier medecursisten naar hun hobby’s. Vul ze in. cursist

sport

muziek

andere hobby’s

1 __________________________

__________________________

__________________________

__________________________

__________________________

__________________________

__________________________

__________________________

2 __________________________

__________________________

__________________________

__________________________

__________________________

__________________________

__________________________

__________________________

3 __________________________

__________________________

__________________________

__________________________

__________________________

__________________________

__________________________

__________________________

4 __________________________

__________________________

__________________________

__________________________

__________________________

__________________________

__________________________

__________________________

* Grammatica - oefening 15 Oefening 16 Praat met een andere cursist over de cursisten van oefening 15. Voorbeeld

Juan (= cursist 1) doet niet aan sport. Hij kijkt wel veel naar sport op tv. Hij houdt van popmuziek en gaat graag uit. Hij vindt het leuk om naar de bioscoop te gaan. Maria (= cursist 2) tennist twee keer per week. In het weekend gaat ze soms uit eten, maar ze kookt ook graag voor vrienden. Ze houdt van lezen.

Thema 5 Vrije tijd

107


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 108

Luisteren

Oefening 17

Mila, Willem, Simone en Pieter zitten in de kantine van de tennisclub. Ze hebben samen getennist en drinken nog wat. Lees de vragen. Luister naar de tekst. Kies het goede antwoord.

Lezen

1

Wat spreken de vrienden voor het weekend af? a Ze gaan in een restaurant eten en naar de film. b Ze gaan in een restaurant eten en naar een popconcert. c Ze gaan bij Willem en Mila eten en naar de film. d Ze gaan bij Willem en Mila eten en naar een popconcert.

2

Wanneer is het concert van De Dijk? a Dit weekend. b Over vier dagen. c Vrijdagavond over een week. d Over drie weken.

Oefening 18

Willem heeft op internet informatie gezocht over films. Hij stuurt Pieter en Simone een e-mail. Lees de mail. Van: Onderwerp: Datum: Aan:

Willem films 23-08-2009 Pieter en Simone

Hoi Pieter en Simone, Ik heb op internet gekeken. Ik heb twee mooie films gevonden: 1. Volver. Dit is een Spaanse film met in de hoofdrol PenĂŠlope Cruz. Het is een surrealistisch en komisch drama. De recensies zijn goed. 2. Mar Adentro. Ook dit is een Spaanse film. Het is een waargebeurd verhaal over een man die verlamd is. De film heeft veel prijzen gewonnen. De films draaien in ‘t Hoogt. Naar welke film zullen we gaan? Als jullie me mailen, dan reserveer ik de kaartjes. Zullen we naar de vroege film (19.00 uur) of naar de late film (21.30 uur) gaan? Groeten van Willem

108

Thema 5 Vrije tijd


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 109

Schrijven

Oefening 19

U bent Pieter of Simone. Schrijf een reactie op de mail van Willem (oefening 18). Beantwoord de volgende vragen: 1 Naar welke van de twee films wilt u gaan? Waarom? 2 Wilt u naar de vroege film of naar de late film? Waarom? Van: Onderwerp: Datum: Aan:

Lezen

Oefening 20

U wilt dit weekend met twee vrienden iets leuks doen. U leest onderstaande info in de krant. Wat wilt u gaan doen? Waarom?

Musical Grease a.s. zondag is er een extra matineevoorstelling van de musical Grease in het Beatrixtheater. Aanvang: 14.00 uur Entree: 35 euro per persoon

Salsa-night

Museumdag Haarlem

Houd je van lekker swingen? Kom dan aanstaande vrijdag naar Dansclub Cuba! Aanvang: 21.00 uur Entree: 5 euro per persoon (inclusief ĂŠĂŠn drankje)

Haarlem kent een aantal prachtige musea, zoals het Frans Hals Museum, het Teylers Museum, het Historisch Museum en het Architectuur Museum. Zaterdag is de jaarlijkse museumdag in Haarlem. U kunt de hele dag gratis musea bezoeken. De musea zijn open van 10.00 tot 17.00 uur.

Thema 5 Vrije tijd

109


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 110

Middag van de Nederlandse Film

Pianoconcert

Zaterdagmiddag organiseert het Filmhuis voor de derde keer de Middag van de Nederlandse Film. U kunt die middag twee Nederlandse films bekijken voor slechts 10 euro per persoon. U kunt onder andere kiezen uit: De tweeling, Alles is Liefde, Het echte leven, Simon, Het schnitzelparadijs. Aanvang: 13.00 uur

Zaterdag speelt Peter Blozack in Concertgebouw De Kleine Parade Mozart: Sonate in Bes, KV 570 Beethoven: Sonate nr. 2 in A groot, opus 2 Chopin: Vier Mazurka’s opus 24 Polonaise in cis, opus 26 Polonaise-Fantasie in As, opus 61 Aanvang: 20.15 uur Entree: 18 euro per persoon

Voetbalwedstrijd Zondagmiddag speelt Ajax tegen PSV. Aanvang: 14.30 uur Ticket: 32 euro per persoon

Spreken

Oefening 21

Werk in groepjes van drie. Spreek af wat u dit weekend samen gaat doen. Gebruik de informatie uit oefening 20 of kies zelf andere activiteiten. U kunt bijvoorbeeld kijken op www.uitagendautrecht.nl.

Grammatica Trappen van vergelijking comparatief en superlatief comparatief = adjectief + -er (+ dan…) klein – kleiner lang – langer kort – korter

Nederland is kleiner dan Duitsland. Jullie wonen langer in Nederland dan wij. Wij wonen korter in Nederland dan jullie.

Let op de spelling bij de volgende voorbeelden.

110

hoog – hoger laag – lager

Een flat is hoger dan een huis. Een huis is lager dan een flat.

dun – dunner dik – dikker

Een sigaret is dunner dan een sigaar. Een sigaar is dikker dan een sigaret.

Thema 5 Vrije tijd


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 111

Vergelijk

sportief – sportiever wijs – wijzer

Vroeger was ik veel sportiever dan nu. Als je ouder wordt, word je ook wijzer.

duur – duurder ver – verder

Eten in een restaurant is duurder dan in een snackbar. Nederland ligt verder van Frankrijk dan van België.

A Mijn auto is kleiner dan jouw auto. B Ik heb een kleinere auto dan jij. (de auto) A Mijn appartement is goedkoper dan jouw appartement. B Ik woon in een goedkoper appartement dan jij. (het appartement)

Regel

A comparatief als los woord eindigt op -er B een + comparatief + substantief: comparatief eindigt op -ere (artikel = de) of -er (artikel = het) superlatief = adjectief + -ste klein – kleinste groot – grootste jong – jongste duur – duurste sportief – sportiefste

Vergelijk

Ik woon in het kleinste dorp van Nederland. Amsterdam is de grootste stad van Nederland. Het jongste kind van onze buren heet Anna. In die rijke buurt staan de duurste huizen van Nederland. Wie is de sportiefste speler van jullie team?

A Ik woon in het kleinste dorp van Nederland. B Van alle dorpen in Nederland is mijn dorp het kleinst(e). A Amsterdam is de grootste stad van Nederland. B Van de vier grote steden is Amsterdam het grootst(e). A B A B

Regel

In die rijke buurt staan de duurste huizen van Nederland. De huizen in deze buurt zijn het duurst(e). Wie is de sportiefste speler van jullie team? Van alle spelers is Joris het sportiefst(e).

A superlatief + substantief: de of het + ste B superlatief als los woord aan het eind: het + st(e) (het woord kan eindigen op -st of -ste. Allebei is goed.) onregelmatige vormen: goed – beter – het best(e) veel – meer – het meest(e) weinig – minder – het minst(e) graag – liever – het liefst(e)

Thema 5 Vrije tijd

111


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 112

Oefening 22

Vul de goede vorm in van de comparatief. Voorbeeld

(groot) 1 2 3 4 5 6

7 8

9

10 11 12 13 14 15

Duitsland is _________________ dan Nederland groter

Op zaterdag is het _________________ in de stad dan op dinsdag. Ik vind pizza _________________ dan spaghetti. De HEMA is _________________ dan de Bijenkorf. In de zomer is het _________________ dan in de winter. PSV heeft _________________ gespeeld dan Ajax. Bij deze test heb je _________________ fouten gemaakt dan de vorige keer. (leuk) Ik vind die blauwe jurk _________________ dan die zwarte! (vaak) We gaan wel eens naar een concert maar _________________ naar de film. (interessant) Ik vind artikelen over sport _________________ dan artikelen over politiek. (graag) Wat wilt u, rode of witte wijn? Ik wil _________________ rode wijn. (lang) De reis van hier naar Parijs is _________________ dan naar Brussel. (koud) Nederland is een _________________ land dan Spanje. (het land) (goed) Ik ga morgen een _____________ computer kopen. (de computer) (klein) Ik heb een _________________ tas dan jij. (de tas) (duur) Op mijn werk heb ik een _________________ bureau dan thuis. (het bureau) (druk) (lekker) (goedkoop) (warm) (goed) (weinig)

Oefening 23

Vul de goede vorm in van de superlatief. Voorbeeld

(klein) 1

2 3 4 5 6 7 8 9 10

112

Thema 5 Vrije tijd

Luxemburg is het _____________________ land van de Benelux. kleinste

De _________________ cursisten hebben problemen met ‘de’ en ‘het’. (goedkoop) Deze supermarkt is de _________________ supermarkt in de stad. (duur) Van alle supermarkten is die supermarkt het _________________ . (graag) Ik drink het _________________ een glas melk bij de lunch. (mooi) Van alle Europese steden vind ik Rome het _________________ . (populair) Schaatsen is een van de _________________ sporten in Nederland. (leuk) Mijn studententijd was de _________________ tijd van mijn leven. (moeilijk) Schrijven vind ik het _________________ onderdeel van de taal. (weinig) Van de Nederlandse spelling begrijp ik het _________________ . (groot) Brazilië is een van de _________________ landen ter wereld. (veel)


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 113

Spreken

Oefening 24

Werk in tweetallen.Vergelijk de verschillende opties. Gebruik de comparatief of de superlatief. Zeg wat u het liefste doet. Voorbeeld

Vakantie: Frankrijk – Italië – Egypte – Nederland – …

Mogelijke antwoorden Ik blijf het liefst in Nederland. Daar voel ik me thuis. Ik blijf in de vakantie niet graag in Nederland. Het regent hier altijd. Ik ga liever naar Frankrijk. Daar is het weer beter en het eten lekkerder. Ik vind Italië het mooiste land van Europa. Daarom ga ik het liefst naar Italië. Ik ga liever naar Egypte omdat het daar altijd warm is en de cultuur interessant is. Ik ga het liefst naar België. Daar zijn de mensen heel aardig en de cafés gezellig. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Lunch: Uitgaan: Sport: Vervoer: Drank: Cadeautje: Taal: Restaurant: Steden: Muziek:

pizza – tosti – tomatensoep – broodje kaas – … café – bioscoop – discotheek – theater – … voetbal – tennis – basketbal – zwemmen – … fiets – bus – auto – trein – … melk – thee – koffie – bier – … boek – cd – parfum – sokken – … spreken – schrijven – lezen – luisteren – … Italiaans – Chinees – Mexicaans – Frans – … Parijs – Madrid – Berlijn - Amsterdam – … klassiek – rock – jazz – salsa – …

* Grammatica - oefening 46, 47, 48 Spreken

Oefening 25

Werk in groepjes van drie. U gaat met twee vrienden een weekend naar Barcelona. U krijgt informatie van de docent. 1 2 3

4

Geef uw vrienden informatie over het hotel. Luister naar de informatie van uw vrienden. Vergelijk de informatie van de drie hotels. Gebruik daarbij de comparatief en de superlatief. Kies samen een hotel. Welk hotel kiest u? Waarom?

Thema 5 Vrije tijd

113


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 114

Oefening 26

Werk in groepjes van drie. Bespreek onderstaande vragen. 1 2

3

Wat zijn uw favoriete vakantielanden? Waarom? Wat zijn de favoriete vakantielanden van Nederlanders, denkt u? Waarom? Wat zullen in de toekomst favoriete vakantielanden zijn, denkt u?

Lezen en spreken Oefening 27 Werk in groepjes van drie. Bekijk de tabel. Wat valt u op? Vergelijk de informatie met uw antwoorden van vraag 2 en 3 uit oefening 26. Favoriete vakantielanden van Nederlanders in 1983, in 2008 en in de toekomst favoriete vakantielanden 1983

favoriete vakantielanden 2008

favoriete vakantielanden toekomst

Frankrijk (24%) Nederland (22%) Spanje (13%) Oostenrijk (9%) Duitsland (7%) Italië (5%) Griekenland (3%) Zwitserland (3%) Joegoslavië (2%) Groot-Brittannië (2%)

Frankrijk (18%) Italië (9%) Nederland (8%) Spanje (8%) Griekenland (7%) Oostenrijk (6%) Duitsland (5%) Verenigde Staten (4%) Noorwegen (3%) Turkije (3%)

China (11%) Noorwegen (7%) Italië (6%) Verenigde Staten (5%) Australië (5%) Thailand (4%) Griekenland (4%) Nieuw-Zeeland (4%) Frankrijk (4%) Canada (4%)

Bron: Kampioen, jubileumspecial, juli/augustus 2008

Lezen

Oefening 28

Lees eerst de vragen. Lees dan de tekst en beantwoord de vragen.

Nieuw wereldrecord onophoudelijk televisiekijken STOCKHOLM - De Canadees Suresh Joachim heeft zijn eigen wereldrecord non-stop televisiekijken verbroken. Hij heeft 72 uur televisie gekeken. In die tijd heeft hij 25 tot 30 koppen koffie gedronken. In 2005 had hij al 69 uur en 48 minuten voor de buis gezeten. De 39-jarige Joachim keek in de Zweedse hoofdstad Stockholm aan één stuk door naar drie seizoenen van de Amerikaanse serie 24. Joachim heeft eerder al tientallen andere wereldrecords gebroken. Hij heeft onder meer de langste karaokemarathon (ruim 25 uur), de langste radiouitzending (120 uur) en het wereldrecord non-stop strijken (55 uur) op zijn naam staan. Ook heeft hij ooit ruim 76 uur op één voet gestaan en 84 uur lang onophoudelijk gedrumd. De Canadees van Sri Lankaanse afkomst wordt niet rijk van zijn bijzondere wereldrecords. Ook gaat het hem niet om beroemd worden. Nee, hij heeft een hoger doel: hij wil met zijn recordpogingen aandacht vragen voor kinderen in oorlogsgebieden en voor kinderen in arme landen. Bron: http://www.nu.nl/opmerkelijk/1913900/nieuw-wereldrecord-onophoudelijk-televisiekijken.html

114

Thema 5 Vrije tijd


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 115

1

Wat is het nieuwste wereldrecord van Suresh Joachim ? a 72 uur televisiekijken b 25 tot 30 koppen koffie drinken c 69 uur en 48 minuten televisiekijken

2

Waarom heeft hij 25 tot 30 koppen koffie gedronken, denkt u?

3

Waarom wil Suresh Joachim zoveel wereldrecords op zijn naam zetten? a Omdat hij beroemd wil worden. b Omdat hij aandacht wil voor kinderen in moeilijke situaties. c Omdat hij veel geld wil verdienen.

4

Wat vindt u van de verschillende wereldrecords van Suresh Joachim? Gebruik één van de volgende woorden: bijzonder, interessant, bizar, idioot. U mag natuurlijk ook zelf een ander woord bedenken. Ik vind zijn wereldrecords ______________________________________________________ , omdat __________________________________________________________________________________________________________

5

In de tekst staan een paar zinnen in de voltooid tegenwoordige tijd. Zoek de voltooid deelwoorden. Wat is de infinitief?

Lezen, schrijven en spreken Oefening 29 Werk in groepjes van twee. 1

2 3 4

5 6

Ga naar: www.museumkaart.nl en klik op: Welke musea doen mee? Zoek een paar musea in uw provincie. Kies een interessant museum. Noteer de volgende informatie: • de naam van het museum • de openingstijden • in welke stad is het museum? • wat kunt u in het museum zien? Maak een korte presentatie (op de computer of op een poster). Presenteer uw museum aan de groep.

Thema 5 Vrije tijd

115


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 116

6

116

Wonen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 117

Oefening 1

Maak een woordweb met het woord wonen.

Luisteren

Oefening 2

Lees de vragen. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Waarom willen Willem en Mila een huis kopen? a Hun etage is te oud. b Hun etage is te klein. c Hun etage is veel te duur.

2

Wat zoeken Willem en Mila? Ze willen een kleine woonkamer een grote woonkamer een slaapkamer twee slaapkamers drie slaapkamers een tuin en een balkon een tuin of een balkon een oud huis een nieuw huis in Amsterdam Noord wonen in of vlakbij het centrum wonen

3

Hoeveel mag de woning kosten? a maximaal 250.000 euro b minimaal 250.000 euro c 200.000 euro

4

Waar kunnen Mila en Willem informatie over huizen vinden? a Ze krijgen een brochure van de makelaar. b De makelaar laat ze huizen op internet zien. c Ze kunnen huizen op straat bekijken.

5

Wat moeten Mila en Willem eerst doen als ze een leuk huis hebben gevonden? a het huis gaan bekijken b op internet kijken c een afspraak maken met de makelaar

Thema 6 Wonen

117


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 118

Vocabulaire verbum aanbieden aanspreken (Dit huis spreekt ons aan.) bedoelen (Wat bedoelt u?) bekijken (We moeten het totale aanbod goed bekijken.) dalen (De huizenprijzen zijn gedaald.) horen van (Ik hoor nog van jullie.) klussen liggen aan (Dat ligt eraan.) onderhouden (Het huis moet goed onderhouden zijn.) opnemen (We nemen weer contact op.) samenwonen (Ik woon samen met mijn vriendin.) uitmaken (Dat maakt ons niet zoveel uit.) voorstellen (Ik stel voor dat …) ertussen zitten (Als er iets interessants tussen zit, …)

substantief het aanbod (het huizenaanbod) het balkon de basis (op basis van…) de bezichtiging de brochure de categorie het contact het idee (Hebben jullie al een idee?) de informatie de etage de klus de kredietcrisis de keus de huur de hypotheek het inkomen

het kantoor de makelaar het makelaarskantoor het noorden de prijs de prijscategorie de prijsklasse de situatie de slaapkamer de starter (starters op de woningmarkt) de tuin de wijk de woning de woningmarkt de woonkamer

adjectief aardig (Dat ziet er aardig uit.) belangrijk duidelijk gunstig

recent (de meest recente informatie) ruim (een ruime woonkamer) totaal (het totale aanbod)

prepositie rond (rond het centrum)

118

Thema 6 Wonen

sinds


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 119

andere woorden als volgt (De situatie is als volgt ...) buiten direct (direct rond het centrum) eigenlijk genoeg

iets = een beetje (iets goedkoper) maximaal relatief (een relatief nieuw huis) waarschijnlijk zoals

Vocabulaire

1 12

11

10 16

9

8

7

15

14 3

2 5 4 6 13

1 het huis 2 de hal 3 de gang 4 de woonkamer 5 de keuken 6 de tuin

7 de trap 8 de slaapkamer 9 de studeerkamer 10 de badkamer 11 de zolder 12 de schoorsteen

13 de schuur 14 de wc / het toilet 15 de begane grond 16 de eerste verdieping / etage

Thema 6 Wonen

119


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 120

17

14

20 5

21

13

1

12 18

6 8

19 11

4

15 16

2

10

3

7

9

1 de bank 2 de kast 3 de tafel 4 de salontafel 5 de vaas 6 de afstandsbediening 7 de krant

8 het tijdschrift 9 het (bijzet)tafeltje 10 de stoel 11 de fauteuil 12 de (centrale) verwarming 13 de kachel 14 het gordijn

6

15 de vloerbedekking 16 het kleed 17 het schilderij 18 de televisie 19 de computer 20 de lamp 21 het kussen

3

5

4 2 1

1 het bed 2 het tweepersoonsbed

120

Thema 6 Wonen

3 het stapelbed 4 de kledingkast

5 het nachtkastje 6 de wekker


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 121

8

7 1

4

2 5 6

3

9

1 het aanrecht 2 de gootsteen 3 de oven

4 het fornuis 5 de koelkast 6 de vaatwasser

7 de magnetron 8 de afzuigkap 9 het laminaat

4 3

1

2

1 het bad 2 de douche

3 het douchegordijn 4 de wastafel

Thema 6 Wonen

121


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 122

7

3 4 5

2

1

8 6

1 het bureau 2 de bureaustoel 3 de bureaulamp

4 de computer 5 de laptop 6 de printer

7 de kast 8 het parket

onder de tafel tussen de bank en de tafel tegen de muur aan de muur naast de bank

bij de deur rond de tafel om de tafel tegenover de deur

voorzetsels van plaats in de kamer op de tafel voor het raam achter het raam boven de tafel

Lezen

Oefening 3 Dit huis heeft een grote woonkamer met open keuken. Het huis heeft een tuin. In de tuin staat een kleine schuur. Het huis heeft twee slaapkamers en een badkamer op de eerste verdieping. Op de zolder is de derde slaapkamer. In de woonkamer staat een ronde eettafel met 4 stoelen. Tegen de muur staat een grote kast. In deze kast staat de televisie. Bij het raam staat een bank. Op deze bank liggen kussens. Boven de bank hangt een schilderij. Naast de bank staat een lamp. Tussen de bank en de kast staat de salontafel. Boven de salontafel hangt een lamp. De salontafel staat op een kleed. Op de salontafel staat een vaas met bloemen. Naast de vaas ligt de afstandsbediening. Voor het raam hangen gordijnen. De gordijnen zijn open. Op de vensterbank staan planten. Onder het raam hangt de radiator (van de centrale verwarming).

122

Thema 6 Wonen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 123

Thema 6 Wonen

123


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 124

Grammatica Demonstratief pronomen deze, dit, die, dat

Voorbeeld

singularis dichtbij/hier ver weg/daar

het huis dit huis dat huis

de kast deze kast die kast

pluralis dichtbij/hier ver weg/daar

de huizen deze huizen die huizen

de kasten deze kasten die kasten

bij tijd: nu andere tijd

deze / dit die / dat

deze week, dit jaar die week, dat jaar

Deze week moet ik nog werken, maar volgende week niet. In die week begint mijn vakantie. Dit jaar is mijn vader 64 jaar geworden. Volgend jaar wordt hij 65 jaar. In dat jaar gaat hij met pensioen.

* Grammatica - oefening 43 Oefening 4 Vul een demonstratief pronomen in: deze, dit, die, dat Voorbeeld

(de vaas) _____________ Deze blauwe vaas hier is mooier dan __________ die groene vaas daar. 1

2

3

4

5

6

7

124

Thema 6 Wonen

(het tapijt) Wat vind je van _________________ grijze tapijt hier? Ik vind het niet zo mooi als _________________ rode tapijt daar in de hoek. (de slaapkamer) Kijk, in _________________ slaapkamer slaapt onze jongste zoon. Onze oudste zoon heeft ook een eigen slaapkamer, _________________ kamer is boven, op zolder. (de auto) Zie je _________________ auto daar aan de overkant van de straat? _________________ is van de buurman, en _________________ auto hier voor de deur is van ons. (het woordenboek) Daar achter in de klas ligt een woordenboek. Is ______________ van jou? Nee, ______________ woordenboek hier op tafel is van mij. (het seizoen) Het is nu eindelijk lente. Ik vind _________________ seizoen heel fijn. De winter is gelukkig afgelopen. Ik hou niet van _________________ koude seizoen. (het huis) In de Stationsstraat staan twee huizen te koop. Kijk maar, _________________ huis hier op nummer 21 en _________________ huis daar verderop, op nummer 45. (het jaar) Zes jaar geleden is Pieter naar Utrecht verhuisd. In _______________ jaar is hij met zijn studie begonnen. Nu is hij bijna klaar, hij wil _________________ jaar afstuderen.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 125

8

(de computer) Kan ik even op _________________ computer hier werken? Nee, sorry, _________________ is kapot, maar je kunt _________________ computer daar in de hoek gebruiken.

Grammatica Pronomina (herhaling: zie ook thema 1 en thema 3) subject ik je / jij u hij ze / zij

object me / mij je / jou u hem haar

na een prepositie aan me / aan mij aan je / aan jou aan u aan hem aan haar

we / wij jullie u ze / zij

ons jullie u ze / hen hun (indirect object)

aan ons aan jullie aan u aan ze / aan hen

Verwijzen naar dingen (herhaling: zie ook thema 3) singularis De stoel is mooi. Hij is mooi. Ik wil hem kopen. Het nachtkastje is leuk. Het is leuk. Ik zet het naast mijn bed. pluralis De stoelen zijn mooi. Ze zijn mooi. Ik wil ze kopen. De nachtkastjes zijn leuk. Ze zijn leuk. Ik zet ze naast mijn bed.

Oefening 5

Lees de tekst. Vervang de onderstreepte woorden door een personaal pronomen. Fred en Marja zoeken een huis. Fred en Freds _________________ vriendin Marja willen gaan samenwonen, dus Fred en Marja _________________ zoeken een huis. Vandaag zijn Fred en Marja _________________ bij een makelaarskantoor. De makelaar, meneer Melker, ontvangt Fred en Marja _________________ in meneer Melkers _________________ kamer. Meneer Melker _________________ praat met Fred en Marja _________________ over wat voor soort huis Fred en Marja _________________ zoeken. Marja zegt tegen

Thema 6 Wonen

125


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 126

meneer Melker: ‘Fred en Marja _________________ zoeken een groot huis met een tuin, het liefst in het centrum van de stad.’ Meneer Melker zegt dat dat niet zo makkelijk is, maar meneer Melker _________________ zal even kijken naar de mogelijkheden. Op de website van meneer Melkers _________________ kantoor staan twee grote huizen in het centrum, maar de huizen _________________ hebben helaas geen grote tuin. Het eerste huis is mooi en goed onderhouden. Het huis _________________ heeft wel een tuin, maar de tuin is klein en de tuin ________________ ligt op het noorden. Het tweede huis heeft geen tuin, maar wel een groot balkon. Het balkon _________________ ligt op het zuiden, dus dan heb je veel zon. Fred en Marja vinden dit huis ook mooi. Het huis _________________ heeft een grote woonkamer, de woonkamer _________________ is 6 bij 12 meter. Op de eerste verdieping zijn drie slaapkamers. De slaapkamers _________________ zijn licht en ruim. Fred zegt tegen de makelaar: ‘Fred _________________ wil beide huizen wel een keer bekijken. En Marja, wat vind Marja _________________ ?’ Marja zegt: ‘Ja, dat wil Marja _________________ ook wel. Kunnen Fred en Marja _________________ een afspraak maken voor een bezichtiging?’ Meneer Melker antwoordt: ‘Jazeker, dat kan, ik pak even meneer Melkers _________________ agenda.’ Fred, Marja en meneer Melker _________________ maken een afspraak voor volgende week woensdag. Aan het eind van het gesprek vraagt Fred aan de makelaar: ‘Heeft meneer Melker _________________ ook een visitekaartje voor Fred en Marja _________________ ?’ De makelaar pakt een visitekaartje en geeft het kaartje _________________ aan Fred _________________ en zegt: ‘Alstublieft, en tot volgende week!’

Luisteren

Oefening 6

Luister naar de beschrijving van deze studeerkamer. Kijk naar de tekening. Welke informatie klopt niet? Noteer twee punten.

126

Thema 6 Wonen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 127

1 ___________________________________________________________________________________________________________ 2 ___________________________________________________________________________________________________________

Spreken

Oefening 7

U krijgt van de docent een tekening van een woonkamer. Stel elkaar vragen. Maak de kamer compleet. Voorbeeld

Waar is het schilderij? Het hangt naast de kast. A Waar is ...? Waar zijn ...? B Het / Hij staat ..., ligt ..., hangt ... Ze staan ... / liggen ... / hangen ... aan, op, in, boven, onder, voor, achter, naast, bij ... Persoon A wil informatie over: 1 een mooie fauteuil 2 een kleine televisie 3 een oude kachel 4 een grote lamp 5 een ovale salontafel

Spreken

Persoon B wil informatie over: 1 een computer 2 een comfortabele bank 3 een klein bijzettafeltje 4 een grijs tapijt 5 een rond kussen

Oefening 8

Werk in groepjes van twee. Beschrijf deze slaapkamer.

Thema 6 Wonen

127


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 128

Internet en schrijven Oefening 9 In uw woonkamer staat een bank. U vindt hem niet meer mooi en bestelt een nieuwe bank. Uw oude bank wilt u via internet verkopen. Kijk op internet (bijvoorbeeld op www.marktplaats.nl, onder ‘huis en inrichting’): Hoe ziet een advertentie voor meubels eruit? Schrijf een advertentie voor uw bank. ____________________________________________________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________________________________________________

Spreken

Oefening 10

Werk in groepjes van twee, drie of vier. Stel elkaar de volgende vragen. Over uw huidige woning (= de woning waar u nu woont): • In welke stad of in welk dorp woont u? • Woont u in een prettige buurt? • Hoe ziet uw woning er uit (hoe groot is hij, hoeveel verdiepingen heeft hij, hoeveel kamers, is het een oude of nieuwe woning, enz.)? • Wat staat er in uw woonkamer? • Bent u tevreden met uw woning? • Blijft u hier nog lang wonen, of wilt u verhuizen? Over uw ideale woning: • Waar wilt u het liefst wonen (in welk land, welke stad of welk dorp)? • Hoe ziet uw ideale woning eruit? • Is uw huidige woning uw ideale woning? Waarom?

Luisteren

Oefening 11

Lees de tekst van het volgende liedje. Welke dingen maken de zanger gelukkig? Een eigen huis – René Froger

Ik kan niet zeggen dat ik iets te kort kom. Geen idee, geen benul wat de smaak van honger is. Als ik geen zin heb om te koken, dan loop ik even naar de markt voor een moot gebakken vis.

128

Thema 6 Wonen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 129

Als ik morgen geen zin heb om te werken, dan stel ik al het werk tot overmorgen uit. En als de kleuren van mijn huis me irriteren, dan vraag ik of de buurman het vandaag nog overspuit. Refrein

Een eigen huis. Een plek onder de zon. En altijd iemand in de buurt die van me houden kon. Toch wou ik dat ik net iets vaker, iets vaker simpelweg gelukkig was. Ooohhh (2x) Ik kan niet zeggen dat ik iets tekortkom. Geen idee, geen benul wat gebrek aan liefde is. Vandaag kocht ik mijn derde videorecorder, van nu af aan is er dus geen programma dat ik mis. Mijn vader en mijn moeder zijn nog allebei in leven. Dankzij hun heb ik een fijne jeugd gehad. En voordat jij en ik vanavond vroeg onder de wol gaan, gaan we met z’n tweeÍn drie keer uitgebreid in bad. Refrein

Ja alles, alles kan een mens gelukkig maken. Een zingende merel, de geur van de zee. Ja alles, alles kan een mens gelukkig maken. De zon die doorbreekt. Een vers kopje thee! Refrein

Grammatica Er = plaats Kijk naar de volgende zinnen. We hebben een leuk huis. We wonen er nu drie jaar. (er = in het huis) Ik woon in Utrecht. Ik studeer er economie. (er = in Utrecht) In plaats van er kunt u ook hier of daar gebruiken: We hebben een leuk huis. We wonen hier nu drie jaar. (hier = in het huis) Ik woon in Utrecht. Ik studeer daar economie. (daar = in Utrecht) Let op: hier en daar kunnen ook aan het begin van de zin staan: We wonen hier nu drie jaar. (normale hoofdzin) Hier wonen we nu drie jaar. (hoofdzin met inversie) Ik studeer daar economie. (normale hoofdzin) Daar studeer ik economie. (hoofdzin met inversie)

Thema 6 Wonen

129


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 130

Oefening 12

Vul in:

er, hier, of daar 1

2

3

4

5

Ik woon nu twee jaar in Nederland. In het begin vond ik het _________________ niet zo leuk maar nu voel ik me _________________ thuis. Almere is een snelgroeiende stad. _________________ kun je makkelijk een huis vinden, maar het is een nieuwe stad dus je vindt _________________ geen historische gebouwen. Willem komt uit Eindhoven. Hij is _________________ geboren en opgegroeid. Voor zijn studie is hij naar Peru geweest. _________________ heeft hij zijn vriendin Mila ontmoet. Kijk, _________________ is een groot winkelcentrum. Je kunt _________________ alles kopen wat je nodig hebt. In dat gebouw zit de bibliotheek. _________________ kunt u boeken lenen en gebruikmaken van internet. U kunt _________________ ook kranten en tijdschriften lezen.

* Grammatica - oefening 53 Schrijven Oefening 13 Maak de zinnen af. 1

Ik ga een paar dagen naar Parijs. Daar ________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________

2

_________________________________________________________________________________________________________

3

Kijk, dit is mijn favoriete kroeg. Hier

Oefening 14

Lees de tekst.

Bij mij thuis Suzanne van Duijnhoven (37) woont met man Peter (41) en dochters Pippi (9) en Grietje (5) in een jaren ’50 woning van 125 m2 in De Mortel (Noord Brabant). Suzanne vertelt over hun huis. ‘We wonen hier nu ruim vijf jaar. Ik was zwanger van mijn jongste dochter Grietje, en toen wilden we graag wat groter gaan wonen. Voordat we hier woonden, ben ik vaak langs dit huis gereden. Ik vond het altijd al een heel leuk huis, dus toen het te koop was, hebben we snel gereageerd en het gekocht. We hebben weinig veranderd aan het huis. De meeste kamers waren in

130

Thema 6 Wonen

.

In Amsterdam is een dierentuin, Artis. Daar _______________________________________ _________________________________________________________________________________________________________

Lezen

.

Daar is mijn oude school. Ik heb er ____________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________

5

.

________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

4

.

Gisteren zijn we naar de bioscoop geweest. We hebben er __________________

.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 131

goede staat. Alleen de keuken vonden we niet mooi, die hebben we wel veranderd. Ook hebben we de muren in alle kamers geschilderd en een mooie, houten vloer gelegd in de woonkamer. Familie en vrienden hebben ons geholpen. We houden allebei van de jarenvijftigstijl. Onze lampen zijn ook uit die tijd. Veel meubels hebben we gekocht bij een antiekwinkel, zoals de kast, de salontafel en een bureau. De meisjes slapen samen in een kamer en dat gaat goed. Het zijn echte meiden. Hun kamer is roze. Ze hebben veel prulletjes en armbandjes en kleine dingetjes die ze verzamelen. Daarom hebben ze allebei hun eigen kastje. De keuken had een grote inbouwkast. We hebben er andere deuren ingezet. De rest van de keuken hebben we nieuw gekocht. Het is echt een heerlijke leefkeuken en we zitten hier heel veel. Het is een fijne plek, vooral als ’s ochtends het zonnetje naar binnen schijnt. Overdag komen we eigenlijk nooit in de woonkamer; we zitten altijd hier.

Woontips van Suzanne: • Zoek op rommelmarkten naar spullen. Als je goed zoekt, vind je leuke dingen! • Geef verschillende kamers een eigen sfeer. Gebruik voor elke kamer een andere kleur. Bron: Flair nr. 8 - 15 t/m 25 februari 2008

1

Beantwoord de vragen. 1 2 3 4 5 6

2

Wanneer hebben Suzanne en Peter hun huis gekocht? Waarom? Wat hebben ze aan hun huis veranderd? Uit welke tijd komen hun lampen? Hoe ziet de slaapkamer van hun dochters Pippi en Grietje eruit? Waarom zit het gezin vaak in de keuken? Welke woontips geeft Suzanne? Wat vindt u van die tips?

Welke woorden of zinnen in de tekst betekenen hetzelfde? 1 2 3 4 5 6 7

Lezen

Een beetje langer dan vijf jaar. Ik verwachtte een kind. De meeste kamers zagen er goed uit. We vinden de jarenvijftigstijl mooi. Winkel voor oude meubels en dingen. Een prettige plaats. De zon komt door de ramen naar binnen.

___________________________________________ ___________________________________________ ___________________________________________ ___________________________________________ ___________________________________________ ___________________________________________ ___________________________________________

Oefening 15

Maak de tekst compleet. Vul de woorden in de goede vorm in: etage – garage – hoekwoning – kast – rustig – werkkamer – woonkamer – zolder

Hier woon ik! Ruim acht jaar wonen Kees Paulussen (49, consultant) en Hannet Bilderbeek (48, purser en vertaler) met hun dochters Merel (12) en Sophie (8) in Heemstede. De eerste verbouwing hebben ze laten doen, maar daarna heeft Kees zelf veel veranderd. Zijn recentste project is een werkkamer in de garage. Kees vertelt:

Thema 6 Wonen

131


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 132

‘We wonen in een _________________ uit de jaren dertig. De ligging is heel gunstig: tussen stad en strand, in een sfeervolle en _________________ buurt. We hebben drie _________________ : beneden zijn de keuken en de _________________ , op de eerste verdieping slapen wij en hebben Hannet en ik onze werkkamers. De meisjes slapen helemaal boven, op _________________ . Bij het verbouwen ben ik begonnen met de zolder. Toen de zolder klaar was en de meisjes naar boven gingen, heb ik de _________________ van Hannet veranderd. Daar heb ik twee grote _________________ gemaakt en daarna geschilderd. Nu verander ik de _________________ in een werkkamer voor mezelf. Daar stonden altijd fietsen, speelgoed en rommel. Ik heb hem goed geïsoleerd en de deuren vervangen. Bron: VT Wonen (april 2008)

Spreken

Oefening 16

Werk in groepjes van drie. Kees Paulussen (zie oefening 15) is een echte klusser. Hij is handig en hij heeft veel zelf aan zijn huis veranderd. Bent u ook een klusser? Bespreek de volgende punten: • •

Bent u handig? Vindt u het leuk om in huis te klussen?

Kijk naar de lijst van klussen hieronder: •

Welke klussen doet u zelf thuis, en welke laat u door anderen doen?

Klussen in en om het huis behangen plafond witten laminaat leggen sloten vervangen de badkamer betegelen tapijt leggen houten meubels maken

schilderen lampen ophangen lekkende kraan repareren raamkozijn repareren het dak isoleren tuinieren een stenen muurtje maken

Als u deze klussen niet zelf doet, kunt u een vakman (een klusjesman) inhuren. Hieronder ziet u de namen van verschillende vaklui* . •

Wie vraagt u voor welke klus?

Vaklui de behanger de elektricien de hovenier de loodgieter de metselaar •

Thema 6 Wonen

______________________________ ______________________________ ______________________________

de schilder ______________________________ de tapijtlegger ______________________________ de tegelzetter ______________________________ de timmerman ______________________________

______________________________

Wat doet een aannemer? Wanneer hebt u een aannemer nodig?

* vaklui = meervoud van ‘vakman’

132

______________________________


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 133

Lezen

Oefening 17

Bekijk de resultaten van de enquête: ‘Welke klus doe je zelf thuis?’ Wat valt u op? 93 % 91 % 89 % 76 % 63 %

schilderen plafond witten lamp ophangen laminaat leggen lekkende kraan repareren

47 % 43 % 41 % 33 %

sloten vervangen raamkozijn repareren dak isoleren tapijt leggen

Bron: VT Wonen (april 2008)

Oefening 18

Werk in groepjes van drie. Elke cursist krijgt van de docent informatie over één type woning. Vergelijk de drie woningen. Gebruik de comparatief en de superlatief. Woning 1: rijtjeshuis Woning 2: twee-onder-een-kapwoning Woning 3: vrijstaand huis Voorbeeld

De twee-onder-een-kapwoning is groter dan het rijtjeshuis. Het vrijstaande huis heeft de grootste tuin.

Spreken

Oefening 19

Werk in drietallen. Welke ergernissen hebt u in uw woonomgeving (= uw straat, uw buurt)? Maak uw eigen top 5. Ik erger me aan de volgende dingen: 1 2 3 4 5

_______________________________________________ _______________________________________________ _______________________________________________ _______________________________________________ _______________________________________________

Thema 6 Wonen

133


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 134

Lezen

Oefening 20

Bekijk de resultaten van de enquête ‘Top 5 ergernissen buitenshuis’. Vergelijk deze met uw eigen top 5 (oefening 19). Wat valt u op? 1 honden- en kattenpoep 27% 2 verkeersoverlast (hard rijdende auto’s en parkeerproblemen) 22% 3 buren 13% 4 geluidsoverlast 7% 5 kinderen / jongeren 5% Bron: VT Wonen (april 2008)

Lezen

Oefening 21

Lees de vragen. Lees de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Zoek in de tekst synoniemen voor a (honden)poep _________________________________________________________________________________ b hond ______________________________________________________________________________________________ c hondenbezitter _______________________________________________________________________________

2

Waar mogen honden poepen? a nergens b in het park c bij een hondentoilet d bij het waarschuwingsbordje

3

Waarom zetten buurtbewoners vlaggetjes in de hondenpoep in het park? a Omdat het feest is in de buurt. b Omdat ze genoeg hebben van de hondenpoep. c Omdat de dieren op de juiste plek poepen.

Vlag halfstok als poepprotest Utrecht – Het is ergernis nummer één in Nederland, ook in het Utrechtse Griftpark. ‘Mensen komen bij het uitlaten van hun hond een hondentoilet en allerlei waarschuwingsbordjes tegen. Toch zie je overal hondenpoep. Ze laten hun honden overal poepen en pakken geen zakje om het op te ruimen.’ Omwonenden van het Griftpark hebben genoeg van de hondenkeutels in hun omgeving. Voetballen zonder poep aan je schoenen kan hier niet. Tijdens de ‘Dag van het Park’ zetten kinderen en ouders daarom zondag vlaggetjes bij iedere drol die ze vinden. Na een klein stukje wandelen vanaf de kinderboerderij staan er al veel vlaggetjes. ‘Ik heb honderd vlaggetjes meegenomen, maar ik kan er wel vierhonderd gebruiken. We vragen zo de aandacht van de hondenbezitters. We willen dat de baasjes hun hond op de juiste plek laten poepen.’ Als de hond buiten een toilet poept of als de hondenbezitter de poep niet opruimt, krijgt de eigenaar een bekeuring van 90 euro. In Engeland is de boete heel hoog: daar kost het illegaal laten poepen van viervoeters meer dan 1000 euro. Bron: Stadsblad Utrecht editie Stad Zuid, 28 mei 2008

134

Thema 6 Wonen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 135

4

Lezen

Wanneer krijgt het baasje een boete? a Als de hond niet bij een hondentoilet poept. b Als hij een vlaggetje in de hondenpoep zet. c Als hij de hondenpoep opruimt.

Oefening 22

De volgende personen zoeken een goede woning. 1

2

3

Jeroen en Moniek willen gaan samenwonen. Ze houden van de stad. Ze zoeken een originele woning. Michiel en Lisa hebben drie kinderen. Michiel werkt vaak thuis. Ze zoeken een ruime woning. Karel en Angelique hebben een dochter van zes maanden. Ze houden niet van tuinieren en willen niet meer klussen in huis.

Hieronder staan drie beschrijvingen van woningen. Welke woning is geschikt voor welke personen? Woning A

Indeling Begane grond Ruime hal met trap naar de eerste verdieping. De garage is

een wasruimte. Vanuit de hal komt u in de woonkamer met airco. De woonkeuken is voorzien van een luxe keuken met een combimagnetron, koelkast, vaatwasmachine, een 5-pits fornuis en een afzuigkap. Vanuit de keuken komt u in de achtertuin en een tweede hal met trapkast en toilet. Ook is er een kantoorruimte. Eerste verdieping Op de eerste verdieping zijn vijf slaapkamers. De moderne badkamer (2006) heeft een ligbad, een toilet en een wastafel. Tweede verdieping Op de zolder hangt de cv-ketel (2003). Diversen In de achtertuin staat een schuur. De tuin heeft een mooi terras. Woning B

Mooi 3-kamerappartement op de eerste verdieping met zonnig terras. Er is een lift aanwezig. U ziet een parkje. Openbaar vervoer en winkels zijn op loopafstand. Dit appartement is goed onderhouden. Indeling Een hal met een toilet. Twee ruime slaapkamers: één aan de voorkant en één aan de achterkant. De badkamer heeft een wastafel en douchecabine. Er is een dichte keuken met een gasfornuis met oven, een afzuigkap, combimagnetron, koelkast, dubbele spoelbak en veel keukenkasten. De woonkamer is erg licht en heeft een laminaatvloer.

Woning C

Uniek varend woonschip met veel authentieke details. Het ligt op een zonnige, groene locatie in het Amsterdamse centrum, vlakbij het Muziektheater en het Centraal Station. Het woonschip is ongeveer 95 m2, exclusief groot zonneterras. Indeling De boot heeft een ruime zithoek en een praktische keuken. In een slaapkamer staat een elektrisch bed. De tweede slaapkamer is kleiner. De badkamer heeft een zitbad, douche, wastafel en toilet. De werkkamer is beneden.

Thema 6 Wonen

135


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 136

Lezen en schrijven Oefening 23 De gemeente doet een onderzoek naar woonwensen. Vul de vragenlijst in.

1 Wat is uw leeftijd?

jaar

2 Wat is uw burgerlijke staat? alleenstaand zonder thuiswonende kinderen. Ga naar vraag 3. alleenstaand met thuiswonende kinderen samenwonend / getrouwd zonder thuiswonende kinderen. Ga naar vraag 3. samenwonend / getrouwd met thuiswonende kinderen Ik woon bij mijn ouders. Ga naar vraag 3. 2a Hoeveel thuiswonende kinderen heeft u?

kind(eren)

3 Woont u op dit moment in een huur- of een koopwoning? koopwoning huurwoning 4 In wat voor type woning woont u op dit moment? flat, etagewoning of maisonnette tussenwoning hoekwoning twee-onder-een-kapwoning vrijstaande eengezinswoning seniorenwoning anders, namelijk 5 Hieronder staan verschillende woonwensen. Kruis per aspect aan hoe belangrijk u deze vindt. een tuin

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

een balkon of dakterras

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

een zolder

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

een garage

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

de grootte van de woning

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

de indeling van de woning

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

goede isolatie

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

kosten per maand

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

veilige verkeerssituatie in de buurt

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

fietspaden

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

openbare parkeerplaatsen

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

openbaar vervoer

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

speelvoorzieningen voor kinderen

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

een park in de buurt

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

bomen in de buurt

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

kinderopvang in de wijk

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

basisschool in de wijk

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

winkels

zeer belangrijk

belangrijk

neutraal

onbelangrijk

zeer onbelangrijk

136

Thema 6 Wonen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 137

Lezen

Oefening 24

Lees de vragen. Lees de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Wat heeft de man gevonden? a 150.000 euro b 150.000 mark c 305.000 euro d 305.000 mark

2

Waar heeft hij het geld gevonden? a In zijn oude huis. b In zijn nieuwe huis. c In een oude kachel.

3

Wat heeft hij met het geld gedaan? a Hij heeft het in een kachel verstopt. b Hij heeft het naar de bank gebracht. c Hij heeft het naar het Bureau voor Gevonden Voorwerpen gebracht.

4

Mag de man het geld houden? a Ja, want het geld lag in zijn huis. b Nee, want het geld is niet van hem. c Misschien, als de bezitter zich niet binnen een half jaar meldt.

Man vindt ruim 150.000 euro in net gekocht huis DĂœSSELDORF - Een man in het Duitse DĂźsseldorf heeft in zijn pas gekochte huis voor ruim 150.000 euro aan oud Duits geld ontdekt. De 305.000 mark waren in papier achter een kachel verstopt. De man heeft het geld gevonden tijdens de renovatie van zijn huis. Hij heeft het geld naar het stedelijke Bureau voor Gevonden Voorwerpen gebracht. De autoriteiten proberen uit te vinden van wie het geld is. Als zich binnen zes maanden niemand meldt, dan mag de huiseigenaar het geld houden. Bron: http://www.nu.nl/opmerkelijk/1906624/man-vindt-ruim-150000-euro-in-net-gekocht-huis.html

Thema 6 Wonen

137


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 138

7

138

Gezondheid


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 139

Oefening 1

Maak een woordweb bij het woord gezondheid.

Luisteren

Oefening 2

Willem komt thuis van een partijtje tennis met Pieter. Hij heeft pijn aan zijn enkel.

Lees de vragen. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Wanneer heeft Willem last gekregen van zijn enkel? a Aan het begin van het partijtje tennis. b Na een halfuur tennissen. c Na twee uur tennissen.

2

Waarom heeft Willem nog geen ijs op zijn enkel gelegd? a Omdat hij dat te pijnlijk vindt. b Omdat hij thuis pas heeft gezien dat de enkel dik was. c Omdat hij geen ijs in huis heeft.

3

Wanneer kan Willem naar de huisarts? a Vanmiddag om 13.30 uur. b Vanmiddag om 14.00 uur. c Over een halfuur.

Thema 7 Gezondheid

139


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 140

4

Kan Willem nog lopen? a Nee, het doet te veel pijn. b Ja, maar het doet wel pijn. c Ja, want hij heeft niet veel pijn.

5

Wat is er met zijn enkel aan de hand? a Hij heeft een wond aan zijn enkel. b De enkel is gebroken. c De enkel is gekneusd.

6

Wat is het advies van de huisarts? a Een week fysiotherapie en daarna een week verband. b Een week verband en na twee weken eventueel fysiotherapie. c Twee weken verband en daarna eventueel fysiotherapie.

Vocabulaire verbum aanbrengen (Ik zal een rekverband aanbrengen.) aankomen (Niet aankomen!) aanwijzen breken (Je enkel is niet gebroken.) door … gaan (Ik ben door mijn enkel gegaan.) door … heenlopen (Niet door de pijn heenlopen.) draaien (Draai je enkel naar links.) drukken gebeuren (Wanneer is het gebeurd?) hinkelen

kneuzen (Je enkel is gekneusd.) koelen omhouden (Je moet het verband een week omhouden.) pijn doen (De enkel doet pijn.) spelen (Ik heb heerlijk gespeeld.) terugkomen trekken (Trek je tenen naar je toe.) uitdoen (Doe je sokken uit.) uitkijken (Kijk uit!) vertellen (Vertel eens!) worden (De enkel is dik geworden.)

substantief de assistente de beweging de dokter de enkel de fysiotherapeut het herstel de huisarts

de huisartsenpraktijk het ijs de last (Ik heb last van …) de linkerenkel het rekverband

de schat (Hoi, schat, …) het verband

adjectief heerlijk ontzettend

140

Thema 7 Gezondheid

verkeerd (een verkeerde beweging) voorzichtig


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 141

prepositie aan (Ik heb pijn aan …) achterop (achter op de fiets)

langs (Je moet even langs de huisarts.) van (Ik heb last van …)

andere woorden echt eventueel gelukkig gewoon

helemaal inderdaad meteen nog (nog niet)

ongeveer toen zo’n (Ik heb zo’n pijn.)

Grammatica Manieren van instructie geven Wil je … ? / Wilt u …? / Willen jullie …? Kun je …? / Kunt u …? / Kunnen jullie …? Wil je je handen wassen? Kun je me helpen?

Kunnen jullie op tijd komen? Wilt u me vanavond bellen?

Deze vragen zijn indirecte opdrachten, instructies. Je moet … / U moet … Je moet je handen wassen. Je moet me helpen.

Jullie moeten op tijd komen. U moet me vanavond bellen.

Imperatief Was je handen. Help me.

Kom op tijd. Bel me vanavond.

Imperatief + eens …, eens even …, maar …, maar even Vergelijk

A Draai je enkel naar rechts! Ga staan! Ga zitten! Kom binnen!

B Draai je enkel eens naar rechts. Ga eens even staan. Ga maar zitten. Kom maar even binnen.

In de A-zinnen is de instructie heel direct, als een bevel. In de B-zinnen is de instructie vriendelijker, als een verzoek of uitnodiging.

Thema 7 Gezondheid

141


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 142

* Grammatica - oefening 27 Grammatica Oefening 3 Geef dezelfde instructie op twee manieren. A: met een vorm van ‘moeten’ Voorbeelden

B: in de imperatief

Wil je me vanavond bellen? B Bel me vanavond! _________________________________________________________ A Je moet me vanavond bellen. _____________________________________________________

Wil je gaan zitten? _________________________________________________________ _____________________________________________________ A Je moet gaan zitten. B Ga zitten!

1

Wil je het huiswerk maken?

2

Wil je de rekening betalen?

3

Kun je me met deze oefening helpen?

4

Kun je mijn fiets repareren?

5

Willen jullie zachter praten?

6

Wil je een cadeautje voor Angelique kopen?

7

Kunnen jullie naar de vergadering komen?

8

Kun je de huisarts bellen?

9

Wil je koffie voor ons zetten?

________________________________________________

________________________________________________

________________________________________________

________________________________________________

________________________________________________

________________________________________________

________________________________________________

________________________________________________

________________________________________________

10

_____________________________________________________

_____________________________________________________

_____________________________________________________

_____________________________________________________

_____________________________________________________

_____________________________________________________

_____________________________________________________

_____________________________________________________

Kun je ons naar het station brengen? ________________________________________________

Lezen

_____________________________________________________

_____________________________________________________

Oefening 4

Huisartsencentrum Lombok: informatie voor patiënten Lees de vragen. Lees de tekst. Beantwoord de vragen. 1

2 3 4 5 6

7

142

U woont niet in de wijk Lombok. Kunt u zich dan toch als patiënt inschrijven? Op welke twee manieren kunt u het inschrijfformulier invullen? U wilt op donderdag naar de huisarts. Bij welke artsen kunt u dan terecht? Wat doet huisarts mevrouw Bartels op maandag en donderdag? U wilt uw oren laten uitspuiten. Wie doet dat in de praktijk? a Welk telefoonnummer moet u bellen voor een afspraak? b Welk telefoonnummer moet u bellen voor herhaling van een recept? c Welk telefoonnummer moet u bellen bij een spoedgeval? U wilt de assistente van uw eigen arts spreken. Hoe laat moet u dan bellen?

Thema 7 Gezondheid


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 143

8

9 10

Hoe lang duren de normale consulten en hoe lang duren de korte consulten? Wanneer gaan de artsen op huisbezoek? Hoe kunt u een herhaalrecept aanvragen?

Huisartsencentrum Lombok, Utrecht Inschrijven Hebt u nog geen huisarts? Hieronder leest u hoe u zich kunt inschrijven. Buurtbewoners gaan voor. Als u in Lombok woont, kunt u zich bij één van onze huisartsen inschrijven. Iedereen in de wijk kan zich, in principe zonder beperkingen, inschrijven. Woont u in een andere wijk, probeer dan eerst te zoeken naar een huisarts in uw eigen wijk. Als dat niet lukt, dan kunt u zich alleen bij ons inschrijven als er nog plaats is. Bij de inschrijving maken wij een afspraak voor een kennismakingsgesprek en krijgt u een formulier voor het invullen van een aantal basisgegevens en medische gegevens. U kunt het formulier ook via onze website invullen. Huisartsen Dhr. H.P. van Dam: Spreekuur op maandag, dinsdagavond, woensdagochtend, donderdag en vrijdag. Dhr. A.M. Assidi: Spreekuur op maandag, dinsdag en donderdag. Dhr. Assidi is van Marokkaanse afkomst. Spreekt u Arabisch en heeft u moeite met Nederlands, dan kunt u als patiënt in principe bij hem terecht. Mevr. P.J. Bartels: Spreekuur op dinsdag, woensdag en vrijdagochtend. Behalve huisarts is mevrouw Bartels ook medisch coördinator bij de nascholing van huisartsen. Deze werkzaamheden verricht ze op maandag en donderdag. Op deze dagen kunt u terecht bij haar collega’s . Assistenten Onze assistenten zullen u altijd als eerste aan de telefoon of de balie te woord staan. Zij kunnen u helpen bij veel praktische vragen. Zij behandelen ook vragen over recepten, onderzoeken en verwijskaarten voor specialisten. De belangrijkste zaken bespreken ze altijd met de artsen. De assistenten kunnen ook simpele medische verrichtingen doen (bijv. oren uitspuiten en wratten verwijderen). Openingstijden De openingstijden van de praktijk zijn van 8.00 tot 17.00 uur. U kunt ons op werkdagen telefonisch bereiken van 8.00 tot 17.00 uur op telefoonnummer 0302259910. U kunt het beste voor 12 uur bellen; u krijgt dan de assistente van uw eigen arts aan de lijn. Na 12.00 uur krijgt u één van de doktersassistenten aan de lijn die voor alle huisartsen in het huisartsencentrum de telefoon aanneemt. Bij spoedgevallen en als de telefoon steeds in gesprek blijft, kunt u ons spoednummer bellen: 030-2259900. LET OP: DIT NUMMER IS ALLEEN BESTEMD VOOR NOODGEVALLEN; maak er geen misbruik van! Spreekuur De spreekuren zijn op afspraak. De assistente zal u vragen wat de reden is van de afspraak. Zo kan zij inschatten hoeveel tijd er nodig is voor een consult bij de huisarts. Deze consulten duren gemiddeld 20 minuten. Voor kleine problemen is er twee keer per week in de middag een spreekuur voor korte vragen (ook op afspraak). Deze korte consulten duren maximaal 10 minuten. Er is dan geen tijd voor andere vragen.

Thema 7 Gezondheid

143


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 144

EHBO Voor eerste hulp bij ongevallen (wonden, kneuzingen, verbrandingen, enz.) kunt u altijd direct terecht. Als u even van tevoren belt, houden wij rekening met uw komst. Huisbezoek Huisbezoeken vinden vooral aan het eind van de ochtend en het begin van de middag plaats. Vraag een visite daarom ‘s morgens voor 10.00 uur aan. Spoedvisites kunt u natuurlijk de gehele dag aanvragen. Herhaalrecepten Dit zijn recepten voor geneesmiddelen die u langere tijd moet gebruiken. Deze kunt u 24 uur per dag aanvragen: • •

elektronisch, via onze website telefonisch, via het speciale telefoonnummer 030-2259920

Onze assistentes verwerken deze aanvragen en zorgen ervoor dat uw medicijnen vanaf de volgende middag na 16 uur bij uw eigen apotheek klaarliggen. Bron: Website huisartsencentrum Soesterkwartier Amersfoort (tekst aangepast, namen en telefoonnummers zijn fictief )

Grammatica Indirecte rede hoofdzin + dat + Mila zegt dat Vergelijk

bijzin zij uit Peru komt.

Directe rede: Indirecte rede:

Willem zegt: ‘Mijn enkel is dikker.’ Willem zegt dat zijn enkel dikker is.

Directe rede: Indirecte rede:

De dokter zegt: ‘De enkel is niet gebroken.’ De dokter zegt dat de enkel niet gebroken is.

Andere voorbeelden Je hebt last van je enkel. Ik heb gehoord dat je last van je enkel hebt. Ik heb een verkeerde beweging gemaakt. Ik denk dat ik een verkeerde beweging heb gemaakt. Mag ik volgende maand weer tennissen? Ik hoop dat ik volgende maand weer mag tennissen.

144

Thema 7 Gezondheid


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 145

Oefening 5

Maak de zinnen indirect. Gebruik: … zegt / zeggen dat … Voorbeeld

Pieter: ‘Ik ga om zes uur boodschappen doen.’ _______________________________________________________________________________________________________________ Pieter zegt dat hij om zes uur boodschappen gaat doen. 1

Karin: ‘Ik ga morgen naar de dokter.’ __________________________________________________________________________________________________________

2

Max: ‘Mijn oma ligt in het ziekenhuis.’ __________________________________________________________________________________________________________

3

Monique en Anky: ‘Volgende week hebben we een toets.’ __________________________________________________________________________________________________________

4

Docent: ‘Jullie gaan nu in tweetallen werken.’ __________________________________________________________________________________________________________

5

Julia: ‘Ik heb de tekst niet gelezen.’ __________________________________________________________________________________________________________

6

Hendrik: ‘In de pauze drink ik altijd koffie.’ __________________________________________________________________________________________________________

7

Corné: ‘Zaterdag ben ik naar de bioscoop geweest.’ __________________________________________________________________________________________________________

8

Marieke: ‘Mijn schoonouders wonen in Leeuwarden.’ __________________________________________________________________________________________________________

9

Heleen en Koen: ‘We hebben donderdag een nieuwe auto gekocht.’ __________________________________________________________________________________________________________

10

Michel: ‘Ik ben met mijn vriendin een weekend in Maastricht geweest.’ __________________________________________________________________________________________________________

Spreken

Oefening 6

Werk in drietallen. A stelt een vraag. B geeft antwoord op de vraag. C herhaalt wat B heeft gezegd. C gebruikt de indirecte rede. Voorbeeld

Vraag naar land van herkomst. A Waar kom je vandaan? B Ik kom uit Portugal. C Silvana zegt dat ze uit Portugal komt. 1 2 3 4 5 6 7 8 9

Vraag naar woonplaats. Vraag naar geboortedatum. Vraag naar activiteiten van gisteren. Vraag naar activiteiten voor komend weekend. Vraag naar dagelijks vervoermiddel. Vraag naar reistijd van thuis naar de cursus. Vraag naar vervoermiddel op vakantie. Vraag naar broers of zussen. Vraag naar hobby’s.

Thema 7 Gezondheid

145


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 146

10 11 12 13 14 15

Vraag naar studie of beroep. Vraag naar woonsituatie. Vraag naar favoriete drank. Vraag naar favoriete eten. Vraag naar tijd van eten. Bedenk zelf nog een andere vraag.

* Grammatica - oefening 36, 37 Schrijven Oefening 7 Maak de zinnen af. Voorbeeld

De dokter zegt dat ________________________________________________________________________________ . ik een paar dagen thuis moet blijven 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

De leraar zegt dat ______________________________________________________________________________ . Willem en Mila hopen dat _________________________________________________________________ . Ik denk dat ______________________________________________________________________________________ . De minister-president heeft gezegd dat _____________________________________________ . Wij hebben gehoord dat ____________________________________________________________________ . Mijn vader heeft mij verteld dat ________________________________________________________ . Ik heb in de krant gelezen dat ___________________________________________________________ . Wij denken niet dat __________________________________________________________________________ . Mijn baas zegt dat _____________________________________________________________________________ . Ik weet zeker dat ______________________________________________________________________________ .

Vocabulaire en spreken Oefening 8 Werk in groepjes van twee. A

Vul onderstaand schema eerst in voor uzelf.

Hoeveel eet u en drinkt u per dag? 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

146

groente fruit brood aardappelen, rijst, pasta, peulvruchten melkproducten kaas vlees, vis, kip, eieren, vleesvervangers halvarine bak-, braad- en frituurproducten, olie diverse dranken

Thema 7 Gezondheid

_____________ gram _____________ stuks _____________ sneetjes _____________ gram _____________ ml _____________ plakken _____________ gram _____________ gram _____________ eetlepels _____________ liter


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 147

B

Vul nu hetzelfde schema nu in voor uw medecursist.

Hoeveel eet u en drinkt u per dag? 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 C

groente fruit brood aardappelen, rijst, pasta, peulvruchten melkproducten kaas vlees, vis, kip, eieren, vleesvervangers halvarine bak-, braad- en frituurproducten, olie diverse dranken

_____________ gram _____________ stuks _____________ sneetjes _____________ gram _____________ ml _____________ plakken _____________ gram _____________ gram _____________ eetlepels _____________ liter

Vergelijk de informatie met uw eigen schema. Wat valt u op?

Lezen

Oefening 9

Lees onderstaande tekst. Vergelijk de tabel met uw antwoorden van oefening 8. Wat valt u op? Hoeveelheden per dag Wat heeft een volwassene ongeveer nodig op een dag? De aanbevolen hoeveelheden geven aan hoeveel iemand gemiddeld per dag nodig heeft om voldoende eiwitten, vitamines en mineralen binnen te krijgen. De kleinste hoeveelheden gelden voor vrouwen en de grootste voor mannen. Basisvoeding: gemiddeld aanbevolen hoeveelheden per dag Volwassenen Groente

19-50 jaar 200 gram 4 opscheplepels Fruit 200 gram 2 stuks Brood 210-245 gram 6-7 sneetjes Aardappelen, rijst, pasta, peulvruchten 200-250 gram 4-5 aardappelen/ opscheplepels Melkproducten 450 ml Kaas 11/2 plak (30 gram) Vlees(waren), vis*, kip, eieren, 100 - 125 gram vleesvervangers Halvarine 30-35 gram 5 gram / sneetje Bak-, braad- en frituurproducten, olie 15 gram 1 eetlepel Dranken (inclusief melk) 11/2-2 liter

51-70 jaar 200 gram 4 opscheplepels 200 gram 2 stuks 175-210 g 5-6 sneetjes 150-200 gram 3-4 aardappelen/ opscheplepels 500 ml 11/2 plak (30 gram) 100 - 125 gram

70 jaar en ouder 150 gram 3 opscheplepels 200 gram 2 stuks 140-175 gram 4-5 sneetjes 125-175 gram 2-4 aardappelen/ opscheplepels 650 ml 1 plak (20 gram) 100 - 125 gram

25-30 gram 5 gram / sneetje 15 gram 1 eetlepel 11/2-2 liter

20-25 gram 5 gram / sneetje 15 gram 1 eetlepel 11/2-2 liter

* Eet twee keer per week vis, waarvan ten minste één keer vette vis Bron: © Voedingscentrum, Eerlijk over eten (http://www.voedingscentrum.nl/EtenEnGezondheid/Gezond+eten/hoeveelheden+per+ dag/hoeveelheden+per+dag_.htm)

Thema 7 Gezondheid

147


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 148

Vocabulaire Oefening 10

Kijk naar de afbeeldingen. Kunt u onderstaande lichaamsdelen vinden op de afbeeldingen? het oor de tong de nek de elleboog de duim de nagel de buik de bil de knie de voet het hoofd

de neus de wang de hals de pols de wijsvinger de pink de navel de heup het scheenbeen de hiel het haar

de mond de kin de schouder de hand de middelvinger de borst de penis / de piemel het been de kuit de teen het oog

de lip de keel de arm de vinger de ringvinger de borsten de vagina het bovenbeen de enkel de rug

de hersenen de lever het bloedvat

het hart de nieren

de longen de blaas

de maag de darmen

Oefening 11

Waar bevinden zich de volgende lichaamsdelen? de duim, de elleboog, de enkel, het hart, de hersenen, de kiezen, de knie, de lever, de luchtpijp, het netvlies, de nieren, de pink, de pols, de slokdarm, de tanden, de tenen, de tong, het trommelvlies, de wenkbrauwen, de wimpers.

148

Thema 7 Gezondheid


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 149

Kies uit de volgende mogelijkheden: in het oog boven de ogen onder en boven de ogen in het oor in de mond in het hoofd aan de hand aan de voet in het bovenlichaam tussen keel en longen tussen keel en maag tussen onderarm en hand tussen boven- en onderarm tussen boven- en onderbeen tussen onderbeen en voet

_____________________________________ _____________________________________ _____________________________________ _____________________________________ _____________________________________ _____________________________________ _____________________________________ _____________________________________ _____________________________________ _____________________________________ _____________________________________ _____________________________________ _____________________________________ _____________________________________ _____________________________________

Vocabulaire en grammatica Oefening 12 Vul de volgende woorden in. Gebruik de pluralis. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18

(het haar) (het oog) (het oor) (de lip) (de wang) (de schouder) (de arm) (de elleboog) (de pols) (de hand) (de enkel) (de vinger) (de nagel) (de bil) (het been) (de voet) (de wimper) (de knie)

Mijn moeder heeft lange _________________ . Ik heb last van mijn _________________ als ik lees. Je _________________ zijn vies. Mijn _________________ zijn droog. Jullie hebben rode _________________ . Zijn _________________ doen pijn. Mijn _________________ zijn moe. Draai je _________________ naar buiten. Alice heeft haar _________________ gebroken met schaatsen. De koningin moet vaak _________________ schudden. Ik heb zwakke _________________ , ik mag niet meer tennissen. We hebben tien _________________ . Mijn collega heeft altijd rode _________________ . Als ik veel heb gefietst, heb ik pijn aan mijn _______________ . Haar broer heeft lange _________________ . Jij hebt grote _________________ . Zij heeft heel lange _________________ . Hij heeft pijn aan zijn _________________ .

Thema 7 Gezondheid

149


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 150

Taalhulp Bij de dokter dokter Wat kan ik voor u doen? Wat is er aan de hand?

patiënt Ik ben verkouden. Ik heb hoofdpijn. Ik heb keelpijn.

Hoe voelt u zich?

Goed. Niet zo best. Slecht. Ik voel me niet lekker.

Hoe lang hebt u dat al?

Sinds gisteren. Een paar dagen.

Heeft u dit eerder gehad?

Nee, dit is de eerste keer. Ja, vorig jaar.

Waar hebt u last van?

Ik heb last van mijn enkel. Mijn enkel is dik.

Waar doet het pijn? Waar hebt u pijn?

Hier. Boven mijn knie. In mijn linkerknie.

Hebt u koorts?

Nee, ik denk het niet. Ja, vanochtend had ik 39,2.

Hebt u een allergie? Bent u allergisch?

Nee, volgens mij niet. Ja, ik ben allergisch voor pinda’s.

U moet een paar dagen rust houden. U kunt het beste een paar dagen in bed blijven. U kunt beter niet gaan werken. Ik zal u een recept geven voor ... Ik zal een recept uitschrijven voor ...

Spreken

Ik zal u doorverwijzen naar de specialist. U krijgt een verwijsbrief voor de specialist.

Oefening 13

Werk in groepjes van twee, een cursist is patiënt, de andere is dokter. Instructie voor de patient: U bent bij de dokter. U voelt zich niet zo lekker. Reageer op de vragen van de dokter. Instructie voor de dokter: Stel de volgende vragen aan de patiënt. U kunt zelf ook nog andere vragen bedenken. 1 2 3 4

150

Hoe voelt u zich vandaag? Waar hebt u last van? Waar doet het pijn? Hoe lang hebt u dat al?

Thema 7 Gezondheid


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 151

5 6 7 8 9 10 11 12

Heeft u dit eerder gehad? Hebt u koorts? Hebt u hoofdpijn? Slaapt u goed? Rookt u? Sport u regelmatig? Eet u gezond? Hebt u een allergie?

Oefening 14

Werk in groepjes van twee. Een vriend is ziek. U gaat bij hem op bezoek. U krijgt informatie van de docent.

Oefening 15

Werk in groepjes van drie. Beantwoord onderstaande vragen. 1 2 3 4 5

Lezen

Bent u graag buiten? Waarom? Welke activiteiten doet u graag buiten? Was u in uw eigen land meer of minder buiten dan in Nederland? Kunt u in uw land het hele jaar buiten zijn? Vindt u dat Nederlanders veel buiten zijn?

Oefening 16

Lees de vragen. Lees de tekst. Beantwoord de vragen.

Nederlanders zijn binnenmensen De meeste Nederlanders voelen zich buitenmens, maar toch zijn ze zo’n 21 uur per dag binnenshuis. Het liefst zouden ze minstens 6,5 uur per dag buiten zijn. Door het weer gaat 68 procent van de Nederlanders minder vaak de deur uit. Ook het werk (46 procent) en het huishouden (31 procent) houdt ze binnen. Nu het lente is, zullen veel mensen vaker buiten komen. Buitenmensen kunnen we herkennen aan hun rode wangen en hun hond. Zo'n 10 procent van de mensen zal ook in de lente vooral binnen zijn, dit zijn de echte binnenmensen. Zij zitten het liefst met pantoffels aan op de bank. Ze hebben een grauwe, droge huid door gebrek aan zon en droge verwarmingslucht. Bron: http://www.nu.nl/gezondheid/1937595/nederlanders-zijn-binnenmensen.html

Thema 7 Gezondheid

151


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 152

1 2 3

4 5 6 7

Luisteren

Hoeveel uur per dag zijn Nederlanders gemiddeld buiten? Hoeveel uur per dag willen Nederlanders buiten zijn? Nederlanders komen minder vaak buiten dan ze willen. Noem drie redenen. In welk seizoen is dit artikel geschreven? Hoe zien ‘buitenmensen’ eruit? Wat doen ‘binnenmensen’ het liefst? Hoe zien ‘binnenmensen’ eruit?

Oefening 17

Vivianne Koenders is huisarts. Ze vertelt over haar familiepraktijk. Lees de vragen. Luister en kijk. Beantwoord de vragen.

152

1

Sinds wanneer is Vivianne huisarts? a Sinds 2003. b Sinds 2004. c Sinds 2005. d Sinds 2006.

2

Hoeveel kinderen heeft ze? a 1 dochter. b 1 dochter en 1 zoon. c 2 dochters. d 2 dochters en 1 zoon.

3

Met welke familieleden werkt ze samen? a Met haar vader, moeder en zus. b Met haar vader en moeder. c Met haar moeder.

4

Wat doet de moeder van Vivianne? a Ze is huisarts. b Ze werkt in een apotheek. c Ze doet het praktijkmanagement en werkt in de apotheek.

5

Wanneer wist Vivianne dat ze huisarts wil zijn? a Sinds 4 jaar. b Toen ze 4 jaar was. c Toen ze 14 jaar was. d Toen ze een gezin kreeg.

Thema 7 Gezondheid


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 153

Grammatica Separabele verba Een separabel verbum bestaat uit een prefix en een basisverbum. In de infinitief is het prefix het eerste deel van het woord. Het woordaccent valt op het prefix. Voorbeelden

uitdoen, innemen, opbellen, opschrijven, aankomen, uitstappen … In het participium is het prefix ook het eerste deel van het woord.

Voorbeelden

uitgedaan, ingenomen, opgebeld, opgeschreven, aangekomen, uitgestapt …

presens één verbum: prefix gescheiden van het verbum, aan het einde van de zin Ik doe mijn sokken en schoenen uit. Hij neemt het medicijn twee keer per dag in. Bel je me vanavond op? Let op

In de bijzin zijn prefix en verbum niet gescheiden! Hij zegt dat hij zijn sokken en schoenen uitdoet. Het is beter als u het medicijn twee keer per dag inneemt. Ik hoop dat hij me vanavond opbelt. twee verba: modaal verbum + infinitief Wilt u uw sokken en schoenen uitdoen? U moet het medicijn twee keer per dag innemen. Kun je me vanavond opbellen? Imperatief: prefix gescheiden van het verbum, aan het eind van de zin Doet u uw sokken en schoenen uit! Neem het medicijn twee keer per dag in! Bel me vanavond op!

perfectum twee verba: auxiliair (‘hebben’ of ‘zijn’) + participium Ik heb mijn sokken en schoenen uitgedaan. Hij heeft het medicijn gisteren niet ingenomen. Wie heeft jou gisteren opgebeld? In de bijzin staan de twee verba samen aan het einde van de zin.

Thema 7 Gezondheid

153


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 154

De volgorde van de verba onderling is dan variabel. Er zijn twee mogelijkheden: Hij zegt dat hij het medicijn gisteren niet heeft ingenomen. Hij zegt dat hij het medicijn gisteren niet ingenomen heeft.

Of

Oefening 18

Vul de goede vorm van het separabele verbum in. Let op de tijd van de verbum! Voorbeelden

(opbellen) (uitdoen) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

(opendoen) (inschrijven) (uitnodigen) (aanzetten) (ophalen) (doorlopen) (opstaan) (uitzetten) (afwassen) (afmaken)

Hij _________________ me vanmiddag om twee uur _________________ . op belt Willem heeft zijn schoenen _______________________ uitgedaan . Kun jij de deur even _____________________________________________________ ? Ik heb me gisteren voor een taalcursus __________________________ . Ik wil jullie voor mijn verjaardag ____________________________________ . ________________ de tv even _______________________ ! De film begint zo. Mila heeft haar familie van Schiphol ______________________________ . We moeten snel ______________________ , anders komen we te laat. Peter ______________________ elke dag om 7 uur _________________________ . Bij een test moet je je mobiele telefoon _________________________ . Na het eten ______________________ wij altijd meteen _________________ . Gisteravond heb ik eindelijk mijn scriptie ______________________ .

Oefening 19

Vul de verba in de goede vorm in. Gebruik de presens. Bij zin 1-5 ziet u de plaats van de verba. Vul de goede vorm in. Voorbeeld

(uitslapen) 1 2 3

4 5

154

uit In het weekend _________________ ik tot tien uur _________________ . slaap

Op spoor 7 ________________ de trein uit Maastricht ________________ . _________________ jullie je voor de volgende cursus _________________ ? Als Mirjam haar moeder ___________________________ , praten ze wel een uur! (dichtdoen) __________________________ jij de deur even ________________________________ ? (aantrekken) Ik ________________________________ voor het feest mijn nieuwe jurk ________________________________ . (aankomen) (inschrijven) (opbellen)

Thema 7 Gezondheid


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 155

Bij zin 6–15 ziet u de plaats van de verba niet. Zoek zelf de goede plaats en vul de goede vorm in. Voorbeeld

(opstaan)

6

(uitstappen)

Meestal wij heel vroeg. _____________________________________________________________________________________ Meestal staan wij heel vroeg op. Als we bij halte Museumplein, moeten we nog 5 minuten lopen. _____________________________________________________________________________________

7

(opzoeken)

Hij nieuwe woorden in zijn woordenboek. _____________________________________________________________________________________

8

(samenwerken) Nico zegt dat hij graag met mij. _____________________________________________________________________________________

9

(opstaan)

Meestal ik om half acht. _____________________________________________________________________________________

10

(uitgaan)

Studenten vaak op donderdagavond. _____________________________________________________________________________________

11

(doorlezen)

Voor het examen ik het hoofdstuk nog een keer. _____________________________________________________________________________________

12

(afdrogen)

We samen de glazen. _____________________________________________________________________________________

13

(afwassen)

Als jij na het eten, zet ik koffie. _____________________________________________________________________________________

14

(opruimen)

Ik altijd mijn eigen kamer. _____________________________________________________________________________________

15

(opnemen)

u die film op dvd ? _____________________________________________________________________________________

Oefening 20

Vul de verba in de goede vorm in en op de goede plaats in. Gebruik het perfectum. Bij zin 1-5 ziet u de plaats van de verba. Vul de goede vorm in. Voorbeeld

(hebben - uitslapen)

1

2

3

4

5

Afgelopen zondag ______________________________ ik tot tien heb uitgeslapen . uur ________________________________________

Gisteren _______________________________________ we om vijf uur _______________________________________ . (hebben - uitdoen) Het is donker omdat hij het licht _________________________ _______________________________________ . (hebben - meenemen) Sorry, ik _______________________________________ mijn boeken niet _______________________________________ . (hebben - afspreken) Wij _______________________________________ om twee uur met Karin _______________________________________ . (hebben - afmaken) Je mag naar huis als je de oefening _______________________ _______________________________________ . (zijn - weggaan)

Thema 7 Gezondheid

155


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 156

Bij zin 6-15 ziet u de plaats van de verba niet. Zoek zelf de goede plaats en vul de goede vorm in. Voorbeeld

(zijn – opstaan)

Afgelopen zondag we heel laat. _______________________________________________________________________________ Afgelopen zondag zijn we heel laat opgestaan.

Voorbeeld

(hebben – afwassen)

Ik gisteravond. ________________________________________________________________________________ Ik heb gisteravond afgewassen.

6

(hebben – uitnodigen)

Carla en Vincent ons voor hun bruiloft. ________________________________________________________________________

7

(hebben – ophalen)

Als ik de kinderen, ga ik boodschappen doen. ________________________________________________________________________

8

(hebben – terugbrengen) jij de boeken naar de bibliotheek? ________________________________________________________________________

9

(hebben – invullen)

Als we het formulier, doen we het op de post. ________________________________________________________________________

10

(hebben – inleveren)

Gisteren ik mijn huiswerk bij de docent. ________________________________________________________________________

11

(hebben – aandoen)

Toen het donker was, we het licht. ________________________________________________________________________

12

(hebben – uitzetten)

Om 23.00 uur hij de televisie. ________________________________________________________________________

13

(zijn – uitstappen)

jullie bij de halte Koningsplein? ________________________________________________________________________

14

(hebben – meenemen)

Mijn opa en oma een stukje chocola voor ons. ________________________________________________________________________

15

(zijn – instappen)

Waar David? ________________________________________________________________________

* Grammatica - oefening 16, 20, 21, 22 Spreken Oefening 21 A

Werk in tweetallen. Beantwoord onderstaande vragen. Antwoord in complete zinnen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

B

Staat u dit weekend vroeg op of slaapt u dan uit? Geeft u dit jaar een verjaardagsfeest? Zo ja, wie nodigt u dan uit? Doet u uw schoenen uit als u thuis bent of houdt u ze dan aan? Vult u vaak formulieren in? Welk soort formulieren? Wat neemt u mee als u op reis gaat? Hoe laat gaat u vandaag terug naar huis? Hoe vaak levert u uw huiswerk in? Met wie werkt u vaak samen? Wie maakt vanavond bij u thuis het eten klaar? Gaat u komende zaterdag uit? Zo ja, waar gaat u dan naartoe?

Zet bovenstaande vragen in het perfectum. Verander de tijdindicatie als dat nodig is (voorbeelden: vandaag – gisteren; dit weekend – vorig weekend; vanavond – gisterenavond; dan – toen).

156

Thema 7 Gezondheid


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 157

Lezen

Oefening 22

Lees de vragen. Lees de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Hoe lang mag u de neusspray gebruiken? a Vier tot zes dagen. b Minimaal zeven dagen. c Maximaal zeven dagen.

2

Hoe moet u de neusspray gebruiken? a flacon schoonmaken – in elk neusgat sprayen – neus schoonmaken b neus schoonmaken – flacon schoonmaken – in elk neusgat sprayen c neus schoonmaken – in elk neusgat sprayen – flacon schoonmaken

3

Hoe vaak mag u de neusspray gebruiken? a Minimaal zes keer per dag. b Maximaal zes keer per dag. c Maximaal zeven keer per dag. d Minimaal zeven dagen.

4

Wat moet u doen als u last krijgt van bijwerkingen? a De bijsluiter lezen. b De neusspray terugbrengen naar de apotheek. c Contact opnemen met uw arts of apotheek.

5

De tekst is een instructie voor het gebruik van neusspray. • Onderstreep in de tekst de vormen van gebiedende wijs. • Van welke infinitieven komen deze werkwoordvormen? • Welke werkwoorden zijn scheidbare werkwoorden?

NEUSSPRAY In deze bijsluiter vindt u belangrijke informatie over het gebruik van dit geneesmiddel. Lees de tekst zorgvuldig door! Als u daarna nog vragen hebt, neem dan contact op met uw apotheek. Waar moet u op letten? • Langdurig gebruik van deze neusspray veroorzaakt een verstopte neus. Gebruik daarom de neusspray niet langer dan 7 dagen achter elkaar. • Als de klachten na 7 dagen niet verminderen, gaat u dan naar uw huisarts. Vertel uw arts welke geneesmiddelen u gebruikt en hoe lang. • Sommige patiënten kunnen op dit geneesmiddel sterk reageren in de vorm van slapeloosheid, duizeligheid, hartkloppingen of een verhoogde bloeddruk. Stop in dit geval met het gebruik van deze neusspray en vraag uw arts of apotheker om advies. Hoe moet u de neusspray gebruiken? U moet eerst de neus goed snuiten. Houd het hoofd rechtop. Houd de flacon ook rechtop en spray eenmaal in elk neusgat. Snuif de spray goed op. Spoel na elk gebruik het uiteinde van de flacon met heet water af en droog het af met een schone tissue. Sluit de flacon goed. Welke dosering? • Volwassenen en kinderen vanaf 6 jaar 1 verstuiving per keer in elk neusgat, maximaal 4 tot 6 keer per dag. • Neem nooit de maximale dagdosis in 1 keer maar verspreid het over de dag. • Gebruik de neusspray niet langer dan 7 dagen achter elkaar.

Thema 7 Gezondheid

157


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 158

Welke bijwerkingen kan de neusspray hebben? • De volgende bijwerkingen kunnen optreden: een brandend gevoel in de neus of keel, lokale irritatie, misselijkheid, hoofdpijn, duizeligheid, hartkloppingen en een droog neusslijmvlies. Waarschuw uw arts of apotheker wanneer u last heeft van een van de bovengenoemde bijwerkingen. Bron: http://www.kring-apotheek.nl/uploads/usersftp//kring/Internet/Consumenten/Xylometazoline%20spray%201+.doc

Vocabulaire Oefening 23 Maak goede combinaties. Bij elk medicijn zijn vaak meer verba mogelijk.

Spreken

medicijn

verbum van actie

de / het tablet de capsule de pil de zalf het drankje de druppels

druppelen (door)slikken smeren innemen aanbrengen in water oplossen kauwen

Oefening 24

Gebruik de imperatief om instructie te geven. Gebruik bij opdracht 2, 3 en 4 ook de woorden eerst, dan, daarna en ten slotte Voorbeeld

Vertel hoe iemand een pijnstiller moet innemen. 1 tablet per dag slikken – innemen met water of melk – nooit een dubbele dosis innemen – niet langer dan 10 dagen achter elkaar gebruiken – naar de dokter gaan bij last van bijwerkingen

*

Slik 1 tablet per dag. Neem de tablet met water of melk in. Neem nooit een dubbele dosis in. Gebruik de pijnstiller niet langer dan 10 dagen achter elkaar. Ga naar de dokter bij bijwerkingen.

1

Vertel hoe een kind een kinderparacetamol moet innemen.

* * * *

tablet fijnmaken – mengen met water of sap – maximaal 4 tabletten per dag innemen – tenminste 4 uur wachten na elke tablet – niet langer dan 4 dagen gebruiken

158

Thema 7 Gezondheid


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 159

2

Vertel hoe iemand een drankje uit de automaat moet halen.

geld inwerpen of pinpas invoeren – drankje kiezen – startknop indrukken – wachten tot beker gevuld is – beker uitnemen 3

Vertel hoe iemand een computerprogramma moet openen.

naar ‘start’ gaan – lijst met programma’s aanklikken – gewenste programma selecteren – op geselecteerde icoon klikken – met het programma werken 4

Vertel hoe iemand een treinkaartje uit de automaat moet halen.

bestemming kiezen – kaartsoort (enkel of retour) kiezen – ‘vol tarief’ of ‘met korting’ aangeven – pinpas invoeren – pincode intoetsen – pinpas uitnemen – kaartje uit automaat halen

Spreken

Oefening 25

Kijk naar de plaatjes. Vertel het verhaal. Wat is er gebeurd?

Thema 7 Gezondheid

159


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 160

Lezen

Oefening 26

Lees de tekst en beantwoord de vragen.

Oudste mens ter wereld overleden SHELBYVILLE - De oudste persoon ter wereld, de 115-jarige Amerikaanse Edna Parker, is woensdag overleden. Edna Parker is op 20 april 1893 geboren als boerendochter in de staat Indiana. In 1913 trouwde ze met haar buurjongen, die in 1938 stierf. Tot haar honderste levensjaar woonde ze nog op zichzelf. Het Guinness Book of Records riep Parker in augustus uit tot de oudste levende mens. Ze wordt nu opgevolgd door een 115 jaar oude Portugese. De oudste persoon ooit was de Française Jeanne Calment. Zij stierf in 1997, 122 jaar oud. Bron: http://www.nu.nl/algemeen/1859569/oudste-mens-ter-wereld-overleden-video.html

1

Met wie trouwde Edna Parker? a Met een boerenzoon. b Met een buurjongen. c Met een Amerikaan.

2

Tot welk jaar woonde Edna Parker zelfstandig? a Tot 1893. b Tot 1913. c Tot 1938. d Tot 1993.

3

Wie is na de dood van Edna Parker de oudste mens ter wereld? a Een man uit Portugal. b Een vrouw uit Portugal. c Een man uit Frankrijk. d Een vrouw uit Frankrijk.

Oefening 27

Lees de tekst en vul de tabel in.

Hoogopgeleiden leven langer en gezonder DEN HAAG – Hoogopgeleide mensen in Nederland leven gemiddeld zes tot zeven jaar langer dan laagopgeleiden. Het verschil in het aantal gezonde levensjaren is nog veel groter: zestien tot negentien jaar. Hoogopgeleide mannen worden gemiddeld 79 jaar, laagopgeleide mannen worden 72 jaar. Vrouwen worden ouder: hoogopgeleiden 84 jaar en laagopgeleiden 78 jaar. Mensen met een lage opleiding leven niet alleen korter, maar brengen ook minder jaren in goede gezondheid door. Zo leven mannen met alleen basisonderwijs gemiddeld vijftig jaar in goede gezondheid. Voor mannen met hoger onderwijs is dat gemiddeld 69 jaar. Vrouwen worden gemiddeld ouder dan mannen, maar het aantal gezonde levensjaren is gelijk aan dat van de mannen. Vrouwen brengen dus gemiddeld een groter deel van hun leven in een minder goede gezondheid door. Bron: http://www.telegraaf.nl/binnenland/article2553004.ece

160

Thema 7 Gezondheid


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 161

hoogopgeleide man laagopgeleide man hoogopgeleide vrouw laagopgeleide vrouw

Spreken

levensverwachting

aantal jaren in goede gezondheid

jaar ___________ jaar ___________ jaar ___________ jaar

___________

___________

jaar ___________ jaar ___________ jaar ___________ jaar

Oefening 28 1 2 3

4 5

Wat valt u op aan de informatie uit oefening 27? Kunt u de verschillen tussen mannen en vrouwen verklaren? Kunt u de verschillen tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden verklaren? Wat is de levensverwachting van mensen in uw land, denkt u? Wilt u zelf graag heel oud worden?

Thema 7 Gezondheid

161


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 162

8

162

Uiterlijk en karakter


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 163

Vocabulaire

Oefening 1

Maak een woordweb met innerlijk. Maak een woordweb met uiterlijk.

Luisteren

Oefening 2

Willem en Mila praten over hun vakantieplannen voor de komende zomer.

Lees de vragen. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Wat wil Mila in eerste instantie in de zomervakantie doen? a Ze wil dat haar familie naar Nederland komt. b Ze wil samen met Willem naar een Grieks eiland. c Ze wil naar haar familie en vrienden in Peru.

2

Waarom wil Willem niet hetzelfde als Mila? a Hij wil dezelfde vakantie als vorig jaar. b Hij wil haar familie niet meer zien. c Hij wil dit jaar eens iets anders doen.

3

Waarom vindt Mila dat Willem egoĂŻstisch is? __________________________________________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________________________________________

4

Waarom vindt Willem dat Mila egoĂŻstisch is? __________________________________________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________________________________________

Thema 8 Uiterlijk en karakter

163


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 164

5

Wat vindt Willem belangrijk op vakantie? a Genieten van de natuur en uitrusten. b Genieten van zon en zee, wandelen en culturele dingen doen. c Genieten van de zon en lekker eten en drinken.

6

Wat vindt Mila belangrijk op vakantie? a Genieten van de natuur en culturele dingen doen. b Genieten van zon en zee en wandelen. c Genieten van de zon, lekker eten en drinken en uitrusten.

7

Wat spreken Mila en Willem af over de zomervakantie? a Ze gaan samen op familiebezoek in Peru. b Ze gaan samen naar Griekenland. c Ze gaan samen naar Griekenland en Peru.

8

Wat gaan ze later, aan het eind van het jaar doen? a Dan gaan ze misschien een weekje naar Peru. b Dan gaan ze zeker een weekje naar Peru. c Dan krijgen ze bezoek van Mila’s familie uit Peru.

Vocabulaire verbum dacht (infinitief: denken) (Dat dacht ik al... ) genieten van (lekker genieten van de zon) meevallen (Dat valt wel mee…) relaxen (relaxen op het strand) snappen (Natuurlijk, dat snap ik…) uitrusten wilde (infinitief: willen) (We hebben gedaan wat jij wilde…)

substantief de activiteit de boottocht het eiland het liefje (Ach, liefje, dat zien we dan wel weer.) de natuur de schat (Dat is goed, schat!) het strand

de tip het uitstapje (culturele uitstapjes) de zee de zin (Ik heb geen zin om weer naar Peru te gaan.) de zon de zomervakantie

adjectief cultureel (culturele uitstapjes)

164

Thema 8 Uiterlijk en karakter

egoïstisch

lui


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 165

andere woorden alleen (Dan ga ik alleen wandelen.) allemaal (Jouw familie en vrienden wonen allemaal in Nederland.) anders (Ik wil wel eens wat anders.) bijvoorbeeld ergens (ergens anders) gewoon (Dan ga ik gewoon een keer alleen.)

helemaal hoezo? natuurlijk pas (pas geleden) toch (Je begrijpt toch wel dat …) trouwens

vocabulaire karaktereigenschappen afwachtend arrogant bescheiden betrouwbaar creatief direct druk eerlijk egoïstisch eigenwijs

evenwichtig extravert humoristisch geduldig gesloten gevoelig impulsief initiatiefrijk introvert koppig

lui nieuwsgierig nuchter ondernemend onzeker open optimistisch pessimistisch romantisch rustig

saai slordig sociaal spontaan stabiel vaag verlegen vrolijk zelfverzekerd

Vocabulaire Oefening 3 Zoek de tegenstellingen bij elkaar. afwachtend – arrogant – bescheiden – druk – egoïstisch – extravert – gesloten – gevoelig – hard werkend – introvert – lui – netjes – nuchter – ondernemend – onzeker – open – optimistisch – pessimistisch – rustig – slordig – sociaal – zelfverzekerd __________________________ __________________________

__________________________ __________________________

__________________________ __________________________

__________________________ __________________________

__________________________ __________________________

__________________________ __________________________

__________________________ __________________________

__________________________ __________________________

__________________________ __________________________

__________________________ __________________________

__________________________ __________________________

Thema 8 Uiterlijk en karakter

165


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 166

Spreken

Oefening 4

Werk in groepjes van drie. Bespreek onderstaande vragen. Gebruik als hulp de woordenlijst boven oefening 3. 1 2

3

4 5

Wat vindt u typische karaktereigenschappen van Nederlanders? Wat vindt u typische karaktereigenschappen van mensen uit uw eigen land? Vertel elkaar welke karaktereigenschappen u zelf heeft. Vindt u dat goede of slechte eigenschappen? Waarom? Welke eigenschap hebt u niet, maar wilt u graag hebben? Noem de naam van een internationaal bekende persoon. Noem een goede en een slechte eigenschap van die persoon.

Grammatica Praten over het verleden 1 Perfectum Verbum 1 = auxiliair = een vorm van hebben of zijn Verbum 2 = participium Ik heb lang in Utrecht gewerkt. De studenten hebben een test gemaakt. Wij zijn afgelopen weekend naar Amsterdam geweest. De les is om 10 uur begonnen. (zie ook thema 4 en 5)

2 Imperfectum Regelmatige verba Singularis (voor alle personen): stam + -te of -de Pluralis (voor alle personen): stam + -ten of -den regel: ’t ex-kofschip Kijk naar de consonanten in het woord:

’t e x-k o f s ch i p Kijk naar de stam van het verbum. Is de laatste letter van de stam een van deze consonanten? Dan is het imperfectum: stam + te(n) Is de laatste letter een andere consonant of een vocaal? Dan is het imperfectum: stam + de(n)

166

Thema 8 Uiterlijk en karakter


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 167

Voorbeelden

Infinitief

stam

werken fietsen wachten wonen mailen waaien

werk fiets wacht woon mail waai

imperfectum singularis werkte fietste wachtte woonde mailde waaide

pluralis werkten fietsten wachtten woonden mailden waaiden

Hij werkte van 2001 tot 2006 in Utrecht. Vroeger fietste ik elke dag naar mijn werk, nu neem ik de auto. We wachtten vanochtend een half uur op de bus. Mila woonde tot vier jaar geleden in Peru. Toen we jong waren mailden we nog niet. Het waaide heel hard tijdens de storm vorige week. Let op

verba met z in de infinitief: imperfectum eindigt op -sde(n) verba met v in de infinitief: imperfectum eindigt op -fde(n)

Voorbeelden

reizen: Vroeger reisden wij altijd met de trein of de bus. leven: Rembrandt leefde van 1606 tot 1669.

Onregelmatige verba Veel verba zijn onregelmatig. Bij deze verba kunt u de vormen van het imperfectum niet zelf maken. Zoek de goede vorm op in de lijst op pagina 266 en leer de vormen van veelgebruikte verba uit uw hoofd. Voorbeelden

Vorig jaar ging ik bijna elk weekend naar Maastricht (infinitief: gaan) Toen we op vakantie waren, deden we niks. (infinitieven: zijn en doen) De man gaf zijn vrouw een mooi cadeau voor haar verjaardag. (infinitief: geven) Vorig jaar kwamen er meer toeristen naar ons land dan dit jaar. (infinitief: komen)

Let op

bij onregelmatige verba: geen -e in singularis: Ik ging, hij gaf, zij kwam, jij deed, ‌ bij regelmatige verba: wel een -e in singularis: ik werkte, hij woonde, zij wachtte, jij mailde, ‌

Separabele verba (zie ook thema 7) Ook in het imperfectum zijn prefix en verbum gescheiden. Vergelijk

presens Ik doe thuis mijn schoenen uit. Hij neemt het medicijn dagelijks in.

imperfectum Ik deed thuis mijn schoenen uit. Hij nam het medicijn dagelijks in.

Let op

In de bijzin zijn prefix en verbum niet gescheiden.

Thema 8 Uiterlijk en karakter

167


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:32 Pagina 168

Hij zei dat hij zijn sokken en schoenen uitdeed. Ik voelde me snel beter toen ik het medicijn dagelijks innam.

Tijdindicaties Achter de volgende tijdindicaties gebruiken we vaak het imperfectum: Vroeger … Lang geleden … … jaar geleden … In het jaar … In de jaren … In de … eeuw … Toen … Van ... tot …

Vroeger hadden de mensen nog geen internet. Lang geleden leefde er een mooie prinses in…. Tien jaar geleden begon ik met mijn studie. In het jaar 1918 eindigde de Eerste Wereldoorlog. In de jaren zestig waren de Beatles heel beroemd. In de zeventiende eeuw was Nederland heel welvarend. Toen ik klein was, speelde ik veel op straat. De tweede wereldoorlog duurde van 1940 tot 1945.

Oefening 5

Vul de goede vorm van de regelmatige verba in. Gebruik het imperfectum. Voorbeeld

(maken) 1

2

3 4

5 6 7 8 9 10

168

_______________________ Maakte

jij vroeger altijd je huiswerk?

In mijn studietijd _______________________ ik in een gezellig studentenhuis. (koken) We _______________________ vaak samen in de gemeenschappelijke keuken. (praten) Tijdens het eten _______________________ we over allerlei dingen. (luisteren) We _____________________________ samen vaak tot diep in de nacht naar muziek. (pakken) En dan _______________ we er meestal ook een biertje bij, of meer. (voelen) In dat studentenhuis ___________________ iedereen zich direct thuis. (leven) We _______________________ van dag tot dag, zonder zorgen. (studeren) Ik kan niet zeggen dat ik toen erg hard _______________________ . (missen) Maar toch _______________________ ik geen enkel tentamen. (slagen) Zonder veel moeite _______________________ ik voor alle vakken. (wonen)

Thema 8 Uiterlijk en karakter


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 169

* Grammatica - oefening 17, 18 Oefening 6 Vul de goede vorm van het regelmatige of onregelmatige verbum in (R = regelmatig). Gebruik het imperfectum. Voorbeelden

(wonen-R) (spreken) 1 2

3

4

5

6

7

8

9

10

Luisteren

Vroeger ___________________ woonden wij met het hele gezin in een klein huis. Een jaar geleden ___________________ ik nog geen Nederlands. sprak

Vroeger ______________________ mensen vaak tien uur per dag. Ik _______________________ te laat omdat de trein vertraging _______________________ . (studeren-R) Peter _______________________ van 1990 tot 1995 rechten in Amsterdam. (vinden) Na zijn studie _______________________ hij snel een baan als advocaat. (komen, gaan) Toen ik thuis _______________________ , _______________________ de telefoon. (duren-R, kunnen) Het _______________________ lang voordat ik goed Nederlands _______________________ spreken. (doen, halen-R) Ans _______________________ drie keer examen en toen _______________________ ze haar rijbewijs. (zeggen, willen-R) Mila _______________________ dat ze weer op vakantie naar Peru _______________________ . (zijn, moeten) Omdat alle plaatsen in de trein bezet ______________________ , _______________________ we staan. (worden, zien) Het _______________________ steeds donkerder, dus ik _______________________ bijna niks meer. (werken-R) (zijn, hebben)

Oefening 7

De Nederlandse Marleen van Doorn (34) woont in Moskou. Haar man moest daar naartoe voor zijn werk en zij is met hem meegegaan. U hoort een radio-interview met Marleen over haar leven in Moskou. Lees de vragen. Luister naar het interview. Beantwoord de vragen. 1

Hoe lang woont Marleen al in Moskou? a Een half jaar. b Anderhalf jaar. c Twee jaar. d TweeĂŤnhalf jaar.

2

Hoe vindt Marleen het om in Moskou te wonen? a Ze vindt het fantastisch. b Het heeft positieve en negatieve kanten. c Ze vindt het vreselijk.

Thema 8 Uiterlijk en karakter

169


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 170

Lezen A

3

Kan Marleen goed Russisch spreken? a Ja, want ze heeft zeven maanden intensief les gehad. b Nee, ze spreekt nog bijna geen Russisch. c Niet zo goed, maar ze kan zich redden in simpele conversatie.

4

Wat zegt Marleen over het gedrag van de Moskovieten? a Op straat zijn ze heel vriendelijk, thuis zijn ze vaak bot tegen hun gasten. b Op straat zijn ze vaak bot, thuis zijn ze heel vriendelijk tegen hun gasten. c Op straat en thuis als ze bezoek hebben, zijn ze heel hartelijk.

5

Wat heeft Marleen het meest verbaasd? a Dat mensen zo lang in de rij moeten staan. b Dat mensen zo dicht tegen elkaar aan staan in de rij. c Dat het verkeer in de stad zo rustig is. d Dat iedereen zo boos wordt in het verkeer.

6

Wanneer gaat Marleen weer terug naar Nederland? a Zeker over tweeĂŤnhalf jaar. b Misschien over tweeĂŤnhalf jaar. c Misschien nooit meer.

Oefening 8

Lees de vragen. Lees de tekst. Beantwoord de vragen.

170

1

Hoe lang heeft Claire in totaal samengewoond met haar partner? a 4 jaar. b 6 jaar. c 10 jaar.

2

Waarom is Claire van haar man gescheiden? a Ze vond het huwelijk saai en ze haatte haar man. b De liefde was voorbij en ze voelde zich niet vrij in haar huwelijk. c Ze voelde zich niet vrij in haar huwelijk en ze haatte haar man.

3

Wat zegt ze over de situatie met haar eigen winkel? a In het begin ging het niet zo goed, maar nu gaat het veel beter. b Het gaat niet goed, omdat ze zo chaotisch is. c Ze heeft veel hulp gehad en vanaf het begin ging het goed.

4

Hoe laat komt dochter Merel uit school en waar gaat ze dan naartoe? a Om drie uur, en dan gaat ze naar huis. b Om drie uur, en dan gaat ze naar haar moeder in de winkel. c Om vijf uur, dan komt haar moeder haar van school halen.

Thema 8 Uiterlijk en karakter


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 171

5

Wat zegt ze over het contact met haar ex-man? a Kort na de scheiding wilde hij geen contact, maar nu gaat het redelijk. b Hij heeft nog contact met hun dochter, maar niet meer met zijn ex-vrouw. c Hij begrijpt de situatie niet en wil haar daarom niet meer zien.

6

Wil ze weer een nieuwe relatie? a Ja, heel graag. b Nee, ze voelt zich prima alleen. c Misschien later, maar nu niet.

7

Welke eigenschappen noemt Claire van zichzelf? __________________________________________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________________________________________

B

1 2 3

Onderstreep in de tekst de verba in het imperfectum. Wat is de infinitief van deze verba? Zijn de verba regelmatig of onregelmatig?

Wat doet ze? Naam: Claire Janssen (29) Woonplaats: Eindhoven Baan: manager van een winkel in woonartikelen Relatie: single Kinderen: dochter Merel (5) Hobby’s: schrijven, zwemmen, leuke dingen doen met mijn dochter, uit eten met vriendinnen Favoriete muziek: R&B Favoriete film: Bridget Jones’ Diary Favoriete eten: Grieks Twee jaar geleden nam ik de moeilijkste beslissing van mijn leven. Na een huwelijk van vier jaar ben ik gescheiden van mijn man. Voor ons huwelijk woonden we al zes jaar samen, we kregen een dochter, Merel. Toen Merel één jaar was, zijn we getrouwd. Alles leek prima in het begin, we waren gelukkig. Maar na een paar jaar kreeg ik twijfels, en na vier jaar huwelijk was het afgelopen voor mij. Ik hield niet meer van mijn man en ik voelde me niet vrij in mijn huwelijk. Ik ben altijd een ondernemend type geweest en droomde van een eigen bedrijf. Na mijn scheiding kon ik eindelijk mijn droom waarmaken. Met hulp van familie en vrienden ben ik een winkeltje in woonartikelen begonnen. In de eerste maanden was het erg moeilijk, omdat ik veel moest regelen. Dat is moeilijk in je eentje en ik ben nogal chaotisch. Maar gelukkig heb ik veel goede adviezen en hulp gehad en nu loopt de winkel goed. Ik doe mijn werk met veel plezier. Ik kan goed met mensen omgaan en heb leuk contact met mijn klanten. Ik heb al veel vaste klanten. Het geeft een goed gevoel als de klant blij de winkel verlaat. Mijn werk kan ik goed combineren met de opvoeding van mijn dochter. We wonen vlakbij de winkel en haar basisschool. Ik breng haar ’s ochtends eerst naar school en ga dan naar de winkel. De winkel is open van 10.00 tot 17.00 uur. Als mijn dochter om drie uur uit school komt, drinken we samen wat en dan kan ze in een kamer achter in de winkel spelen. Om 17.00 uur sluit ik de winkel en gaan we naar huis. Na het eten doen we samen nog een spelletje of kijken we tv. Als ze in bed ligt, doe ik de administratie of schrijf ik wat in mijn dagboek. Ik vind schrijven leuk, en het helpt me ook om mijn ervaringen en emoties op een rijtje te zetten. Mijn ex-man woont ook nog in Eindhoven. Direct na de scheiding was een moeilijke tijd. Hij begreep niet waarom ik wilde scheiden en wilde me een tijdje niet meer zien. Maar na een jaar ging dat beter en nu hebben we redelijk contact met elkaar. Dat is ook wel praktisch en fijn voor onze dochter. Merel is twee keer per maand een weekend bij haar vader. Als het nodig is, kan ze ook op andere dagen bij hem terecht, dat hebben we gelukkig heel soepel geregeld. Ik vind het belangrijk om ook nog tijd voor mezelf te hebben. Ik ga één keer per week zwemmen en ik ga ook regelmatig met vriendinnen uit eten of naar de bioscoop. Dat is heerlijk ontspannend. Soms hoop ik dat ik weer een leuke man ontmoet, want alleen zijn is niet altijd gemakkelijk. Maar eigenlijk ben ik ook wel blij met mijn leven en mijn vrijheid nu. Voorlopig wil ik nog geen nieuwe relatie.

Thema 8 Uiterlijk en karakter

171


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 172

Spreken

Oefening 9 1

Interview twee medecursisten. Noteer de informatie in het schema. cursist 1

cursist 2

naam

_____________________________________________

_____________________________________________

woonplaats

_____________________________________________

_____________________________________________

baan of studie

_____________________________________________

_____________________________________________

relatie

_____________________________________________

_____________________________________________

kinderen

_____________________________________________

_____________________________________________

hobby’s

_____________________________________________

_____________________________________________

favoriete muziek

_____________________________________________

_____________________________________________

favoriete film

_____________________________________________

_____________________________________________

favoriete eten

_____________________________________________

_____________________________________________

goede eigenschappen

_____________________________________________

_____________________________________________

slechte eigenschappen

_____________________________________________

_____________________________________________

2

Vertel de informatie aan een medecursist.

Grammatica Reflexieve verba reflexief verbum = verbum + me, je, zich of ons zich ergeren ik erger me jij ergert je u ergert zich hij / zij ergert zich

wij ergeren ons jullie ergeren je u ergert zich zij ergeren zich

positie van me, je, zich of ons 1

Normale hoofdzin: achter het (eerste) verbum

Ik erger me aan de lange files. We kunnen ons vreselijk aan sigarettenrook ergeren. Johan heeft zich aan zijn collega geĂŤrgerd.

172

Thema 8 Uiterlijk en karakter


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 173

Vraagzin of andere zinnen met inversie: achter het subject

2

Aan welke dingen ergeren jullie je? Soms ergert hij zich aan lawaai bij de buren. Bijzin: achter het subject

3

Hij zegt dat hij zich aan de lange files in Nederland ergert. We gaan klagen bij de buren omdat we ons aan het lawaai ergeren. Voorbeelden van reflexieve verba (zoek de betekenis op in een woordenboek) zonder voorzetsel zich herinneren zich scheren zich verslapen zich vergissen zich voelen zich wassen

met voorzetsel zich aanmelden voor zich aanpassen aan zich ergeren aan zich inschrijven voor zich melden bij zich verbazen over zich verheugen op zich zorgen maken over

Oefening 10

Zet het reflexieve verbum in de juiste vorm in de zin. Gebruik het presens. Voorbeeld

(zich wassen) 1 2

3

4

5

6 7

8

9

10

Hij ____________ wast ___________ zich elke avond voor het slapen gaan.

u _______________________ niet goed? Elke dag _______________________ mijn man _______________________ elektrisch. (zich herinneren) _______________________ jullie _______________________ je eerste vakantie zonder ouders? (zich verbazen) Ik _______________________ _______________________ over het aantal fietsen in Nederland. (zich voelen) Na de vakantie _______________________ we _______________________ altijd weer helemaal fit. (zich verslapen) Hij zegt dat hij _______________ regelmatig _____________________ . (zich zorgen maken) We _______________________ _______________________ zorgen over de gezondheid van oma. (zich ergeren) Ik _______________________ _______________________ aan de hondenpoep in mijn straat. (zich aanmelden) U kunt _______________________ nog tot 1 april voor de cursus _______________________ . (zich verheugen) _______________________ jij _______________________ al op de vakantie? (zich voelen) (zich scheren)

_______________________

Thema 8 Uiterlijk en karakter

173


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 174

Oefening 11

Zet het reflexieve verbum in de juiste vorm in de zin. Gebruik het perfectum. Voorbeeld

(zich wassen)

1

Hij _______________________ _______________________ gisteravond niet heeft zich _______________________ . gewassen

We _______________________ _______________________ bij de receptie . (zich voelen) Op vakantie _______________________ ze _______________________ drie dagen niet zo goed _______________________ . (zich verbazen) Toen ik in Nederland kwam, _______________________ ik _______________________ over de vele koeien _______________________ . (zich inschrijven) EĂŠn maand geleden _______________________ de studenten ___________________ voor de cursus Portugees ____________________ . (zich vergissen) Peter _______________________ _______________________ in de datum _______________________ . (zich ergeren) _______________________ jullie _______________________ gisteravond ook aan het lawaai _______________________ ? (zich verheugen) We _______________________ _______________________ erg op de bruiloft van Sarah en Marin _______________________ . (zich zorgen maken)Hij _______________________ _______________________ zorgen _______________________ over het resultaat van zijn toets. (zich ergeren) _______________________ jullie _______________________ aan die persoon _______________________ ? (zich inschrijven) _______________________ jullie _______________________ al voor de nieuwe cursus _______________________ ? (zich melden)

_______________________

2

3

4

5

6

7

8

9

10

Oefening 12

Zet het reflexieve verbum in de juiste vorm in de zin. Gebruik het imperfectum. Voorbeeld

174

(zich wassen) 1

(zich scheren)

2

(zich verslapen)

3

(zich voelen)

4

(zich verbazen)

5

(zich melden)

6

(zich herinneren)

7

(zich ergeren)

Thema 8 Uiterlijk en karakter

Hij _____________________ _____________________ vroeger niet altijd. zich waste Mijn vader _______________________ _______________________ vroeger niet elektrisch. Toen we jonger waren, _______________________ we _______________________ regelmatig. Gisteren _______________________ ze _______________________ niet zo goed. Toen ik in Nederland kwam, _______________________ ik _______________ over de vele nationaliteiten in mijn buurt. Toen hij op het makelaarskantoor kwam, _______________________ hij _______________________ bij de receptie. Mijn oma _______________________ _______________________ haar kindertijd nog goed. Toen ik in de stad woonde, _______________________ mijn buren _______________________ altijd aan mijn katten.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 175

8

(zich zorgen maken) Hij

9

(zich vergissen)

_______________________ _______________________

vroeger altijd

over zijn uiterlijk. Peter _______________________ _______________________ vaak in mijn naam. _______________________

* Grammatica - oefening 23, 24 Spreken Oefening 13 Werk in groepjes van drie. Stel elkaar de volgende vragen. Antwoord in complete zinnen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15

Luisteren

Wanneer hebt u zich voor deze cursus ingeschreven? Hoe hebben jullie je voor deze cursus aangemeld? Hebt u zich de afgelopen weken weleens verslapen? Ergert u zich weleens aan andere mensen? Waarom? Interesseren jullie je voor kunst? Zo ja, voor welk soort kunst? (vraag voor mannen) Scheert u zich elke dag? (vraag voor vrouwen) Maakt u zich elke dag op? Over welke dingen in Nederland verbaast u zich? Maken jullie je zorgen over de natuur en het milieu? Herinnert u zich uw eerste leraar op de basisschool nog? Hoe voelen jullie je vandaag? Hoe voelt u zich als het de hele dag regent? Hoe voelde u zich toen u pas in Nederland was? Verheugen jullie je al op de komende vakantie? Kunt u zich aan het Nederlandse klimaat aanpassen?

Oefening 14

Drie koppels doen mee aan een televisieprogramma. De presentator stelt ze aan u voor. Lees de vragen. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Welke overeenkomsten hebben Carla en Tim? a Ze zijn in hetzelfde jaar geboren en hebben allebei op de hotelschool gezeten. b Ze zijn in hetzelfde jaar geboren en zijn allebei manager. c Ze hebben op de hotelschool gezeten en zijn allebei manager.

2

Waarom willen Doris en Julius naar ItaliĂŤ? a Ze willen een bed-and-breakfast beginnen, een compleet nieuwe ervaring. b Ze vinden hun leven in Alkmaar heel saai en willen iets totaal anders. c Ze willen hun ervaring met bed-and-breakfast toepassen in het mooie ItaliĂŤ.

Thema 8 Uiterlijk en karakter

175


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 176

Lied

3

Waarom wil Doris naar Italië? a Omdat ze wil genieten van de rust. b Omdat ze modern en ambitieus is. c Omdat het land en de natuur er heel mooi zijn.

4

Hoe oud zijn Karin en Joshua? a Karin is 23 en Joshua is 29. b Karin is 29 en Joshua is 23. c Ze zijn allebei 23. d Ze zijn allebei 29.

5

Wat is het beroep van Joshua? a Hij is salesmanager. b Hij is restaurateur. c Hij is interim-manager. d Hij is werkloos.

Oefening 15

Lees de liedtekst. Houdt de zanger van zijn partner? a Ja, omdat zijn partner alles op dezelfde manier doet als hij. b Nee, omdat zijn partner alles op dezelfde manier doet als hij. c Ja, omdat zijn partner vaak verrassende dingen doet. d Nee, omdat zijn partner vaak verrassende dingen doet.

Jij bent zo – Jeroen van der Boom

Zeg ik nee, zeg jij ja. En wil ik gaan slapen, wil jij ineens graag, en oh, zeg ik stop ga jij toch nog even door en ik krijg geen gehoor. Stroomt het bier uit de kraan, wil jij naar huis. Zeg ik laten we gaan, geef jij niet thuis. Maar het kan me niet schelen, want Refrein

Jij bent zo! Ik heb je dan nooit anders gekend, en zo zou ik jou ’t liefste houden. Je bent zo! Met jou verveel ik me geen moment, en oh

176

Thema 8 Uiterlijk en karakter


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 177

ook al doe je echt geen moeite. Je bent zo! Ik raak gewoon nooit aan je gewend, zo wil ik verder leven samen met jou. Zal ik jou ooit begrijpen? Ik zou het niet willen. Ik houd van je grillen. Jij maakt dat ik nooit een dag niet heb geleefd. Dus verras me maar weer ook al doet het soms zeer. En is wit in de mode draag jij zwart. Weet je ’t zeker dan nog volg jij je hart. Iedereen zou zich schamen, maar Refrein

Ik wil je echt niet anders. Ook al wil je meer tijd voor jou alleen, toch voel ik me met jou zo samen één, want ik weet dat je van me houdt. Refrein

Jij bent zo! Met jou verveel ik me geen moment, oh Je bent zo! Ik raak gewoon nooit aan je gewend zo wil ik verder leven samen © EMI Music Publishing tekst en muziek: K. Santander subtekst: T. Neef

Thema 8 Uiterlijk en karakter

177


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 178

Lezen

Oefening 16

Nederlanders over Nederlanders op vakantie A

Lees de zes korte teksten over dit thema. Welke titel past boven welke tekst?

B

Vocabulaire: kijk naar de onderstreepte woorden in elke tekst. Begrijpt u de woorden? Zoek ze op in een woordenboek.

Titels

Druiven stelen Slecht Engels Oorzaak van files

Winkelen in bikini Lawaai in Antwerpen Redders in nood

1 ______________________________________________________________________________________________________________________________

Ik ben Belg en woon sinds 33 jaar in Nederland. Ik kan het heel goed vinden met de Nederlanders in mijn eigen dorp Putte (Noord-Brabant), maar de Nederlanders in het buitenland zijn echt verschrikkelijk. Ze maken veel lawaai, zijn onbeschoft en denken dat alles van hen is. De laatste jaren komen er bijvoorbeeld heel veel Nederlanders in Antwerpen en dit is een echte catastrofe. Daarom moeten de Antwerpenaren ook niet veel van ze hebben, behalve de winkeliers natuurlijk. Ik heb ook vaak meegemaakt dat groepen Nederlanders in restaurants niet alleen een enorm kabaal maakten, maar dat ze ook nog het bedienend personeel belachelijk maakten. In hun ogen zijn de Belgen heel dom. 2 ______________________________________________________________________________________________________________________________

Met name in Frankrijk erger ik me aan Nederlanders die groente en fruit stelen, gewoon van het boerenland. In Zuid-Frankrijk staan om de landerijen geen hekken. Dus in september, als de druiven rijp zijn, rukken Nederlanders de druiventrossen ’s avonds met zakken tegelijk van de wijnranken. Ook worteltjes, paprika’s en pompoenen zijn niet veilig. Als ik dan vraag of ze dat in Nederland bij de buurman met de appelboom ook doen, is het antwoord: ‘Natuurlijk niet.’ Ik steel niks. Dat is ook niet nodig, want als je het gewoon vriendelijk vraagt, krijg je ze. In ruil voor een tros druiven geef ik dan een pak koude appelsap of jus d’orange. 3 ______________________________________________________________________________________________________________________________

Al een aantal jaren valt me tijdens de vakanties iets op: op de Franse Routes National rijdt op kop van een rij auto’s vaak een auto met een Nederlands kenteken. De snelheid ligt dan op ongeveer 70 tot 75 km/u. Veel Franse automobilisten zijn niet gewend aan die lage snelheid en dan krijg je gevaarlijke verkeerssituaties. De toegestane snelheid op de meeste Routes National is 90 km/u, maar in de praktijk rijden veel Fransen een beetje harder. Volgens mij rijden Nederlanders vaak te langzaam omdat de maximumsnelheid op veel provinciale wegen in Nederland maar 60 km/u is. 4 ______________________________________________________________________________________________________________________________

Onze ervaring op een camping in Sardinië was dat juist Nederlanders erg rustig en op zichzelf zijn. Ze maken af en toe een praatje en drinken soms samen een kopje koffie. Maar als je in nood komt, staan Nederlanders wel voor je klaar. Ik heb daar namelijk mijn been gebroken en lag in het ziekenhuis. Mijn man moest veel regelen en tussen de camping en het ziekenhuis pendelen. Rotterdammers hebben toen vier dagen lang onze kinderen van 12, 10 en 2 jaar opgevangen. Bovendien hebben ze elke dag voor mijn man gekookt. We zijn ze nog steeds dankbaar!

178

Thema 8 Uiterlijk en karakter


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 179

5 ______________________________________________________________________________________________________________________________

Ik erger me regelmatig aan de ‘alles-moet-kunnen’-mentaliteit van de Nederlandse toerist. Zo stapt men bijvoorbeeld van het strand of zwembad zo in bikini of zwembroek een winkel in. ‘Moet toch kunnen?’ Nog wat Nederlandse eigenschappen: ongeduldig zijn. Nederlanders begrijpen vaak niet dat je alleen op vastgestelde uren kan eten in een restaurant. En dan het eeuwige gezeur bij benzinestations dat je moet betalen voor toiletgebruik. 6 ______________________________________________________________________________________________________________________________

Wij proberen op vakantie zo veel mogelijk de Nederlanders te mijden. Zo mis je natuurlijk ook wel de leuke contacten, maar wij gaan op vakantie naar het buitenland om andere mensen te ontmoeten dan Nederlanders. Zo waren we al een paar keer in Nieuw Zeeland. Het risico om daar veel landgenoten tegen te komen is klein. In 2004 maakten we een trip naar de Doubtful Sound. Een gids gaf uitleg over de flora en fauna. Toen hoorden we een Nederlander. Hij praatte en praatte maar. Hij wist ‘alles’ over de ‘hele’ wereld. Ik schaamde me voor wat hij zei en zijn Engels was ook slecht. Uit beleefdheid luisterden de Nieuw Zeelanders naar hem.

Vocabulaire Uiterlijk haar kort steil donkerblond grijs

halflang krullend bruin de (paarden)staart

lang blond zwart het knotje

kaal lichtblond rood de haarband

gezicht de kin het oor de wimper

de lip het voorhoofd blauwe ogen

de mond de wang bruine ogen

de neus de wenkbrauw groene ogen

postuur slank – dun – mager

mollig – stevig

dik

lang

klein

adjectief groot klein lang kort

– – – –

een grote neus kleine handen lange benen kort haar

dik dun breed smal

– – – –

een dikke buik dunne vingers brede schouders smalle heupen

verbum lijken op (Hij lijkt op zijn vader.)

Thema 8 Uiterlijk en karakter

179


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 180

Luisteren en spreken Oefening 17 Luister naar de persoonsbeschrijvingen en kies de goede de afbeelding. Fragment 1: Wie is Alice?

A

B

C

Fragment 2: Wie is Henk?

A

180

Thema 8 Uiterlijk en karakter

B

C


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 181

Werk in groepjes van twee.

Spreken

1

Kijk weer naar de afbeeldingen. Cursist A kiest één vrouw en beschrijft deze vrouw. Cursist B wijst de goede afbeelding aan. Cursist B kiest één man en beschrijft deze man. Cursist A wijst de goede afbeelding aan.

2

Kies een cursist uit uw groep. Beschrijf het uiterlijk van deze cursist. Uw medecursist raadt welke cursist het is.

Oefening 18

Werk in groepjes van drie. Bespreek onderstaande vragen. 1 2 3

Schrijven

Wat vindt u typisch aan het uiterlijk van Nederlandse mannen? Wat vindt u typisch aan het uiterlijk van Nederlandse vrouwen? Wat vindt u typisch aan het uiterlijk van mannen en vrouwen uit uw eigen land?

Oefening 19

U leest onderstaande advertentie in het huis-aan-huisblad van uw gemeente.

Hoi, Ik ben Pieter. Voor mijn werk ben ik twee maanden geleden verhuisd. Helaas ken ik hier nog niet zoveel mensen. Ik wil graag nieuwe mensen ontmoeten. Als je het leuk vindt om af en toe iets leuks met me af te spreken, mail me dan! Groeten van Pieter Gerards pietergerards@hotmail.com U hebt ook nog niet zoveel contacten. U reageert op de advertentie van Pieter. Mail Pieter wie u bent, wat u doet, wat u leuk vindt, enzovoort. Van: Onderwerp: Datum: Aan:

Thema 8 Uiterlijk en karakter

181


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 182

Lezen

Oefening 20

Pieter reageert met de volgende mail. Van: Onderwerp: Datum: Aan:

Pieter Afspraak .... ....

Hoi, Dank je voor je leuke mail! Zullen we zaterdagavond rond 20.30 uur in café Lambiek afspreken? Je herkent me aan mijn korte blonde haren, ronde rode brilletje en mijn vrolijke lach. Groetjes van Pieter

Wie is Pieter?

A

Luisteren

B

C

Oefening 21

In een radioprogramma over relaties is het thema vandaag: ‘Hoe heb jij je partner ontmoet?’ Luisteraars mogen bellen en komen dan live op de radio in gesprek met Bart van der Ploeg, de presentator van het programma. Lees de vragen. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen. 1 2 3 4 5 6 7

182

Hoe heeft Emma haar partner Roderick ontmoet? Waarover ging hun eerste gesprek? Wanneer was hun tweede ontmoeting en wat hebben ze toen gedaan? Wat zegt Emma over het uiterlijk van Roderick? Welke eigenschappen van Roderick noemt Emma? Hoe lang kennen ze elkaar nu? Wat vindt u van Bart, de presentator? Noem een paar eigenschappen.

Thema 8 Uiterlijk en karakter


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 183

Grammatica Er + indefiniet subject Vergelijk

Definiet subject De kat loopt in onze tuin. Het boek ligt op tafel. De katten lopen in onze tuin. De boeken liggen op tafel.

Er + indefiniet subject Er loopt een kat in onze tuin. Er ligt een boek op tafel. Er lopen katten in onze tuin. Er liggen boeken op tafel.

Definiet subject: de …, deze…, die… het …, dit …, dat … mijn …, jouw … , uw… (etc.) alle … iedere … namen (Carla, meneer Peters, etc.)

Indefiniet subject: een … (+ enkelvoud) ø … (+ meervoud) geen weinig veel twee ..., drie ..., vier ..., enz.

* Grammatica - oefening 54 Oefening 22 Vul in

de, het, een of –

Voorbeeld

De Er staat _________________ auto voor de deur. _________________ auto is van mijn zoon. een 1

2

3 4

5

6 7

8

9

10

Er woonden _______________ studenten naast ons. _______________ studenten kwamen vaak laat thuis. Wat is _______________ probleem? Er zijn _______________ problemen met mijn computer. Er staat _______________ thee op tafel. Pas op! _______________ thee is heet. _______________ trein naar Amsterdam vertrekt om 10.25 uur. Er vertrekt ook _______________ trein om 10.48 uur. Er ligt _______________ mobiele telefoon op tafel. Van wie is _______________ telefoon? Er spelen _______________ kinderen op straat. _______________ kinderen voetballen. _______________ wc op de eerste verdieping is vies. Er is nog _______________ wc op de tweede verdieping. Er heeft _______________ vrouw voor u gebeld. _______________ vrouw wilde een afspraak met u maken. _______________ inschrijfformulier moet u voor vrijdag opsturen. Er liggen _______________ formulieren bij de administratie. _______________ brood is bijna op. Er ligt nog _______________ brood in de vriezer.

Thema 8 Uiterlijk en karakter

183


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 184

Lezen

Oefening 23

Lees de vragen. Lees de tekst. Beantwoord de vragen. 1

2 3 4 5

Waarom heeft een Rus een grote advertentie in een Finse krant geplaatst? Beschrijf de vrouw. Hoe kan de vrouw contact opnemen met de man? Heeft de vrouw contact opgenomen? Wat vindt u van de actie van de man?

Rus zoekt vrouw met advertentie van 20.000 euro HELSINKI – Een hopeloos verliefde Russische zakenman is op zoek naar een vrouw die hij één keer heeft ontmoet. Hij heeft een paginagrote advertentie van 20.000 euro in de grootste Finse krant geplaatst. De 42-jarige hoopt de ‘mooie blondine in zwart pak, witte blouse en op hoge hakken’ terug te vinden. Hij had haar ontmoet in een luxueus restaurant in Helsinki. De megagrote advertentie in de Helsingin Sanomat heeft veel aandacht gekregen. Eerst was niet bekend wie de boodschap had geplaatst. De vrouw kan reageren op een mailadres dat in de boodschap staat. Of ze al heeft gereageerd, weet niemand. Bron: http://www.nu.nl/opmerkelijk/1942126/rus-zoekt-vrouw-met-advertentie-van-20000-euro.html

Lezen

Oefening 24

Lees onderstaande contactadvertenties. Maak de goede combinaties. Welke man past bij welke vrouw? Waarom? Mannen 1 Man, 30 jaar, 1,72 m., gescheiden, twee kinderen, sportief, houdt van muziek, zoekt avontuurlijke, sportieve vrouw. 2

Man, 38 jaar, 1,85 m., houdt van eten bij kaarslicht, weekendjes weg en hard werken, zoekt zorgzame vrouw, kinderen geen bezwaar.

3

Man, 29 jaar, 1,92 m., houdt van lekker eten en uitgaan, zoekt vrouw die van het leven geniet.

Vrouwen A Vrouw, 31 jaar, 1,73 m., één dochter van drie jaar, werkt parttime als verpleegkundige, zoekt stabiele relatie met romantische man.

184

B

Vrouw, 30 jaar, 1,75 m., houdt van reizen, koken, popconcerten bezoeken, zoekt lieve man om samen leuke dingen te doen.

C

Vrouw, 28 jaar, 1,65 m., houdt van tennissen, reizen en kinderen, zoekt sportieve, gezellige man.

Thema 8 Uiterlijk en karakter


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 185

Spreken

Oefening 25

Werk in groepjes van drie. Beschrijf uw ideale partner (innerlijk en uiterlijk).

Schrijven

Oefening 26

Veel mensen zoeken via internet een partner. U bent ook op zoek. Schrijf een tekst over uzelf voor een datingsite: • • • • •

Lezen

Wie bent u? Wat doet u? Wat zijn uw eigenschappen? Wat zoekt u? Wat wilt u?

Oefening 27

Lees de vragen. Lees de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Met wie is de man getrouwd? Waarom?

2

Wie of wat waren er allemaal op het feest? een bruid een bruidegom een etalagepop 40 gasten 120 gasten eten en drinken de moeder van de bruid de moeder van de bruidegom

3

Waarom bracht zijn moeder hem naar huis? a Hij woonde nog bij zijn moeder. b Hij was moe en het was al laat. c Hij had te veel alcohol gedronken.

Belgische vrijgezel trouwt met zichzelf BRUSSEL - Een man uit het Belgische Oeselgem is in het huwelijk getreden met zichzelf. De bruidegom trok zijn beste pak aan en organiseerde een groot feest met 120 gasten en drank en eten. Tien jaar geleden had de man zijn vrienden beloofd om een huwelijksfeest te organiseren op zijn veertigste. Een bruid was er niet. Er was wel een etalagepop in een witte trouwjurk. Volgens de bruidegom was het een fantastische dag. Zijn moeder moest hem om kwart voor vijf ’s nachts naar huis brengen omdat hij dronken was. Bron: http://www.nu.nl/opmerkelijk/1946049/belgische-vrijgezel-trouwt-met-zichzelf.html

Thema 8 Uiterlijk en karakter

185


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 186

9

186

Opleiding en werk


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 187

Oefening 1

Maak een woordweb bij het woord opleiding. Maak een woordweb bij het woord werk.

Luisteren

Oefening 2

Willem spreekt al redelijk Spaans. Hij wil een cursus Spaans doen om zijn Spaanse spreek- en schrijfvaardigheid te verbeteren. Dan kan hij beter met de familie en vrienden van Mila communiceren. Hij belt voor informatie naar taleninstituut Europa. Lees de vragen. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Wanneer heeft Willem de intake? a Vanmiddag om 16.00 uur. b Vanmiddag om 17.00 uur. c Vrijdag om 16.00 uur. d Vrijdag om 17.00 uur.

2

In welke groepen is er nog plaats? a In de intensieve daggroepen. b Alleen in de avondgroep met twee lessen per week. c Alleen in de avondgroep met één les per week. d In alle avondgroepen.

3

Wanneer moet Willem zich inschrijven voor een cursus? a Begin volgende maand. b Zo snel mogelijk. c Binnen tien weken.

4

Hoe moet Willem zich inschrijven? a Bij de balie van het instituut. b Bij een docent van het instituut. c Via de website van het instituut.

Vocabulaire verbum bepalen (het niveau bepalen) bespreken zich inschrijven voor (een cursus…) kiezen (u kunt kiezen uit …)

zich melden (U moet zich melden bij de receptie.) noteren (De afspraak staat genoteerd.) erbij pakken (Ik pak even de agenda erbij.)

Thema 9 Opleiding en werk

187


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 188

substantief het advies de avondgroep de balie de cursus het cursusaanbod

de cursusplanning de daggroep de informatie de intake het intakegesprek

de medewerkster het niveau de receptie het telefoongesprek de wens

persoonlijk (een persoonlijke intake) intensief

mogelijk vol

adjectief administratief (administratief medewerkster) duidelijk

prepositie aan (aan de balie)

bij (bij de receptie)

andere woorden jazeker

meteen

Taalhulp Telefoneren Met Johan. Is Mieke thuis? Hoi, met Johan. Is Mieke er ook?

Een momentje. Ik zal even kijken. Ja hoor. Ik zal haar even roepen.

Hogeschool Utrecht, afdeling voorlichting, u spreekt met Hans Jansen.

Goedemorgen, u spreekt met Petra Van Dijk. Ik wil graag wat informatie over …

Kunt u me doorverbinden met mevrouw De Kleijn?

Ja, natuurlijk.

Boekhandel Dirksen, met Marian.

Mag ik de afdeling kinderboeken van u?

Momentje, ik verbind u door….

188

Is meneer De Groot aanwezig?

Een ogenblikje. Ik zal even kijken… Nee, hij is niet aanwezig. Nee, hij is er niet.

Kunt u een boodschap doorgeven?

Ja, dat kan.

Wilt u doorgeven dat onze afspraak morgen niet doorgaat?

Ja, ik geef het door.

Thema 9 Opleiding en werk


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 189

Kunt u hem vragen of hij me terugbelt?

Dat zal ik doen.

Dank u wel.

Graag gedaan.

Dit is het antwoordapparaat van Mieke de Kleijn. Op dit moment ben ik niet bereikbaar. Spreek uw boodschap in na de piep. Dit is de voicemail van Johan de Groot. Ik ben er even niet. Spreek een boodschap in, dan bel ik je zo snel mogelijk terug.

Spreken

Oefening 3

Werk in tweetallen. Voer de volgende telefoongesprekken. 1

A belt B, B neemt op. Situatie: A trein gemist, komt later op de afspraak. B biedt aan: A van het station ophalen?

2

A belt Anita, B (huisgenoot van Anita) neemt op. Situatie: A vraagt naar Anita. Anita is niet thuis, B neemt de boodschap aan. A: vrijdag met Anita naar de bioscoop. Kan Anita terugbellen?

3

A belt B, B is voicemail van B. Situatie: A wil met B een afspraak maken: winkelen zaterdag Kan B terugbellen?

4

A belt taalinstituut, B (medewerker taalinstituut) neemt op. Situatie: A is ziek, komt vandaag niet naar de les. B neemt de boodschap aan.

5

A belt bakkerij Iris, B (medewerker bakkerij Iris) neemt op. Situatie: A bestelling doen voor zaterdag. Hoe laat de bestelling afhalen? B neemt bestelling aan en spreekt tijd af.

6

A belt de tandarts, B (tandartsassistente) neemt op. Situatie: A heeft kiespijn en wil zo snel mogelijk een afspraak. B stelt vragen over de kiespijn (Welke tand of kies? Hoe lang al?) en maakt een afspraak met A om langs te komen.

7

A belt bioscoop Studio, B (kassamedewerker bioscoop) neemt op. Situatie: A wil reserveren voor de film. B stelt vragen (Welke film? Voor hoeveel personen? Wanneer?) en geeft informatie (reserveringsnummer, kaartjes halfuur voor aanvang ophalen).

8

A en B maken een afspraak. Bedenk nu zelf personen en situatie.

Thema 9 Opleiding en werk

189


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 190

Grammatica om ... te + infinitief 1 Doel van een actie beschrijven Mila en Simone gaan naar de stad om te winkelen. De studenten gaan naar de bibliotheek om te studeren. Ik ga naar de supermarkt om boodschappen te doen. Willem belt het taalinstituut om informatie over cursussen Spaans te vragen. 2 Achter een adjectief Ik vind het leuk om naar de film te gaan. Het is vervelend om elke dag in de file te staan. 3 Achter een substantief Heb je zin om vanavond naar een concert te gaan? Ik heb geen tijd om je met de verhuizing te helpen. 4 Separabele verba: om ... prefix + te + infinitief Ik bel je vanavond om iets af te spreken. Je moet naar de administratie om je voor een taalcursus in te schrijven. Het is te koud om zomerkleding aan te trekken. We gaan vanavond tennissen. Heb je zin om met ons mee te doen?

* Grammatica - oefening 25, 26 Spreken Oefening 4 Werk in kleine groepjes. Stel elkaar de volgende vragen. Geef antwoord met om ... te ... Voorbeelden

A B

A B

1 2 3 4 5

6 7 8

190

Waarom ga je naar de markt? (Ik ga naar de markt) om groente en fruit te kopen. Wat vind je leuk? Ik vind het leuk om naar het theater te gaan. Waarom ga je naar de cursus Nederlands? Waarom ga je naar het strand? Waarom ga je naar de bank? Waarom ga je naar een museum? Waarom ga je naar ... ? (bedenk zelf een locatie) Waarom ga je naar ItaliĂŤ? Waarom ga je naar Parijs? Waarom ga je naar Amsterdam?

Thema 9 Opleiding en werk


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 191

9 10

11 12 13 14 15

16 17 18 19 20

Lezen

Waarom ga je naar China? Waarom ga je naar ... ? (bedenk zelf een stad of land) Waarom bel je de dokter? Waarom doe je aan sport? Waarom ben je op dieet? Waarom kijk je naar het nieuws op tv? Waarom gebruik je een woordenboek? Wat vind je gezellig? Wat vind je moeilijk? Wat vind je interessant? Wat vind je vervelend? Wat vind je fantastisch?

Oefening 5

Lees de vragen. Lees de tekst en beantwoord de vragen. 1

U woont in Rotterdam. U hebt een probleem met uw laptop. Kunt u contact opnemen met Studentaanhuis.nl? a Ja. b Nee.

2

U weet niet zo veel van computers. U wilt een nieuwe computer kopen. Kunt u contact opnemen met Studentaanhuis.nl? a Ja. b Nee.

3

Uw nieuwe magnetron doet het niet. Kunt u contact opnemen met Studentaanhuis.nl? a Ja. b Nee.

4

Wat moet u doen als u een afspraak wilt maken met studentaanhuis.nl? a Op hun site kijken. b Een e-mail sturen. c Bellen met 0900 200 12 12.

5

U heeft voor de eerste keer contact opgenomen met Studentaanhuis.nl. Een studente heeft u geholpen met het installeren van Windows en een antivirusprogramma. Ze is een halfuur bezig geweest. Hoeveel moet u betalen? â‚Ź _______________

6

U woont in Delft. U studeert daar informatica en bent op zoek naar een baantje. U wilt graag voor Studentaanhuis.nl werken. Wat moet u doen? a Op hun site kijken. b Een e-mail sturen. c Bellen met 0900 200 12 12. Thema 9 Opleiding en werk

191


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 192

Studentaanhuis.nl Studentaanhuis.nl is een nieuw bedrijf. Het biedt voordelige, simpele hulp aan huis bij problemen met en/of vragen over uw digitale apparaten. Als u in Zwolle, Amersfoort of Utrecht woont, kunt u gebruikmaken van de service van Studentaanhuis.nl. Digitale apparaten veroorzaken regelmatig moeilijkheden. Onze goed geselecteerde studenten komen deze ‘simpele’ problemen graag snel en goedkoop bij u thuis oplossen. Onze studenten hebben meer dan voldoende ICT-kennis, maar zijn geen monteurs. Ze gaan dus niet met een schroevendraaier aan de slag. Bij vragen of probleem kunt u bellen met 0900 200 12 12 (50ct. p/m). U krijgt dan direct een van onze medewerkers aan de lijn om een afspraak te maken. Onze studenten kunnen de volgende dingen voor u doen: uitleg over gebruiksmogelijkheden van de computer; hulp bij het vinden van een geschikte computer; • hulp bij het installeren van een computer; • advies bij het vinden van de juiste internetprovider; • uitleg over het gebruik van e-mail; • uitleg en hulp bij diverse Officeprogramma’s; • advies bij het voorkomen van virussen en spyware; • hulp bij het vinden van een geschikte mobiele telefoon; • hulp bij het vinden van een telefoonprovider; • uitleg over de gebruiksmogelijkheden van een mobiele telefoon; • het instellen van afstandsbedieningen; • het instellen en op volgorde zetten van tv-zenders; • hulp bij multimediatechnologie; • hulp bij bediening van apparatuur, bijvoorbeeld digitale televisie, dvd-speler, enzovoort; • het aanleggen van een draadloos netwerk. • •

tarieven • Lidmaatschap € 12,- per jaar • Voorrijkosten € 7,50 • Uurtarief € 18,Gezocht nieuwe medewerkers Studentaanhuis.nl Wij zijn op zoek naar studenten die wonen in de regio Den Haag, Rotterdam, Delft en Leiden die voor ons willen komen werken. Heb je affiniteit met computers? Vind je het leuk om bij mensen thuis te komen om digitale problemen op te lossen? Dan hebben we de ideale bijbaan voor jou! We hebben flexibele werktijden en bieden een goed salaris! Stuur ons een korte motivatie waarom jij graag voor ons bedrijf wil werken en we nemen zo snel mogelijk contact met je op. Ons mailadres is: info@studentaanhuis.nl.

Spreken

Oefening 6

Werk in groepjes van twee. 1

2

192

Uw computer start niet goed op. Na 10 seconden sluit hij weer af. U kunt de computer niet zelf repareren en belt met Studentaanhuis.nl. Maak een afspraak. U krijgt uw agenda van de docent. U werkt op het secretariaat van Studentaanhuis.nl. U krijgt uw agenda van de docent.

Thema 9 Opleiding en werk


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 193

Schrijven

Oefening 7

U hebt voor de eerste keer een afspraak gemaakt met Studentaanhuis.nl. U moet daarom onderstaand aanmeldformulier invullen. STUDENTAANHUIS.NL / AANMELDFORMULIER U kunt dit formulier opsturen naar: Studentaanhuis.nl Antwoordnummer 40 3720 XB De Bilt (postzegel niet nodig) Voor een afspraak met één van onze studenten kunt u bellen met: 0900 200 12 12 (50 ct. p/m). Wij vragen u vriendelijk onderstaande gegevens volledig in te vullen en dit formulier te ondertekenen voordat u het opstuurt. PERSOONLIJKE GEGEVENS Voorletters: _______________________ Voornaam: _______________________________________________________________________ Tussenvoegsels: _________________ Achternaam: _____________________________________________________________________ Adres: ___________________________________________________________________________________________________ O Man O Vrouw Postcode: __________________________ Plaats: _____________________________________________________________________________ Telefoon: __________________________ Mobiele telefoon: ________________________________________ E-mailadres: __________________________________________________________________________________________________________________ Geboortedatum: ________________ -________________ -________________ Burgerlijke staat: O Gehuwd O Ongehuwd O Samenwonend Aantal personen huishouden: _______________ EENMALIGE MACHTIGING Bij deze machtig ik Studentaanhuis.nl (o.v.v. BV Jong Nederland) om het lidmaatschap (à € 12,-) af te schrijven. Naam rekeninghouder: _____________________________________ Datum: ________________ -________________ -________________ Bank- of gironummer: _____________________________________ Plaats: _____________________________________ Handtekening:

Lezen

Oefening 8

Zoek de volgende informatie op in de tekst. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Met welke diploma’s kun je naar het mbo? Met welk diploma kun je naar de universiteit? Met welke diploma’s kun je naar het hbo? Welk type onderwijs duurt 6 jaar? Welk type onderwijs duurt 4 jaar? Wek type onderwijs duurt 8 jaar? Welk type onderwijs duurt 5 jaar? Wat is een profiel? Vanaf welke leeftijd moeten kinderen naar school in Nederland? Wat doet het instituut Cito?

Thema 9 Opleiding en werk

193


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 194

Informatie over het Nederlandse onderwijssysteem

wo

hbo

roc/mbo

6 jaar vwo

5 jaar havo

4 jaar vmbo

8 jaar basisonderwijs

Basisschool Kinderen vanaf 4 jaar gaan naar de basisschool. Er zijn totaal 8 groepen op de basisschool. In Nederland kennen we de leerplicht vanaf 5 jaar. In het laatste jaar (groep 8) van de basisschool maken de leerlingen een Citotoets*. Op basis van het advies van de leerkracht (= de docent) en de Citoscore kunnen de leerlingen naar de verschillende soorten voortgezet onderwijs (vo). Vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs) Het vmbo duurt vier jaar. De eerste twee leerjaren noemt men ook wel Basisvorming. De leerlingen krijgen dan allemaal hetzelfde vakkenpakket. Je kunt met een vmbo-diploma doorstromen naar het mbo en havo. Havo (hoger algemeen vormend onderwijs) Het havo duurt vijf jaar. Na het derde jaar kiezen de leerlingen één van deze vier richtingen: • cultuur en maatschappij • economie en maatschappij • natuur en techniek • natuur en gezondheid Deze richtingen noemt men profielen. Een profiel is een pakket met verschillende vakken: een aantal verplichte vakken en een paar keuzevakken. Elk profiel bestaat uit een gemeenschappelijk deel (dezelfde vakken voor alle profielen), een profieldeel (specifieke vakken voor dat profiel) en een vrij deel (keuzevakken). Met een havo-diploma kun je naar het vwo, hoger beroepsonderwijs (hbo), maar ook naar het middelbaar beroepsonderwijs (mbo).

194

Thema 9 Opleiding en werk


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 195

Vwo (voorbereidend wetenschappelijk onderwijs) Het vwo duurt zes jaar. Ook op het vwo kiezen de leerlingen na drie jaar een profiel. Binnen het vwo bestaan twee afdelingen: het atheneum en het gymnasium. De meeste vakken zijn hetzelfde op beide afdelingen, maar het gymnasium geeft daarnaast ook onderwijs in de klassieke talen Latijn en Grieks. Het vwo-diploma geeft toegang tot universiteiten en hogescholen (hbo). *Cito = Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling: dit nationale instituut ontwikkelt (= maakt) toetsen en examens voor scholen en opleidingen in heel Nederland. Het maakt bijvoorbeeld ook delen van het Staatsexamen Nederlands als tweede taal.

Bron: http://www.euronet.nl/users/woervdst/bo/onderwijs.htm

Vocabulaire Schoolvakken

Spreken

basisschool taal: lezen, spellen, stellen rekenen wereldoriĂŤntatie

geschiedenis biologie muziek

gym (gymnastiek) tekenen Engels

middelbare school Nederlands Engels Frans Duits Spaans Latijn Grieks

geschiedenis aardrijkskunde economie maatschappijleer biologie wiskunde natuurkunde

scheikunde muziek gymnastiek tekenen handvaardigheid

Oefening 9

Werk in groepjes van drie. Bespreek de volgende vragen: -

-

-

Hebt u goede herinneringen aan uw basisschool? Denk aan: leerkrachten, kinderen, vakken, resultaten. Hebt u goede herinneringen aan de middelbare school? Denk aan: docenten, medeleerlingen, vakken, resultaten. Wat hebt u na uw middelbare school gedaan? Waarom? Denk aan: studie, werk, vrije tijd.

Thema 9 Opleiding en werk

195


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 196

Luisteren

Oefening 10

Maarten vertelt over zijn studie bedrijfseconomie. Lees de vragen. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Waarom studeert Maarten in Rotterdam? a Omdat je alleen daar economie kan studeren. b Omdat daar de beste economische faculteit van Nederland is. c Omdat hij niet naar het buitenland wil.

2

Waarom vindt hij de basisvakken niet zo interessant? a Omdat de docenten heel saai les geven. b Omdat de basisvakken erg theoretisch zijn. c Omdat de basisvakken erg praktisch zijn.

3

Wat vindt Maarten van de colleges van de docenten? a De kwaliteit van hun colleges is heel verschillend. b De meeste docenten geven heel saaie colleges. c De meeste docenten geven heel interessante colleges.

4

Wat zegt Maarten over de medestudenten uit zijn studiejaar? a Er zijn te veel studenten, hij kent ze niet allemaal. b Ze hebben het gezellig samen maar ze studeren te weinig. c Ze werken hard aan hun studie maar hebben het ook gezellig.

5

Wat doet Maarten naast zijn studie? a Hij sport ongeveer acht uur per week. b Hij werkt twee keer per week in een broodjeszaak. c Hij sport twee keer per week en werkt in een broodjeszaak.

Lezen en spreken Oefening 11 Werk in groepjes van twee. U krijgt een tekst van de docent. Lees de tekst en noteer maximaal 10 kernwoorden. Vertel uw medecursist wat u gelezen hebt.

196

Thema 9 Opleiding en werk


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 197

Schrijven

Oefening 12

U studeert en bent op zoek naar een bijbaantje. U hebt het volgende collegerooster: maandag 9.00-13.00 uur, dinsdag 11.00-15.00 uur, woensdag 9.00-15.00 uur, donderdag 13.00-17.00 uur, vrijdag 9.00-11.00 uur. Op maandagavond tennist u van 20.00 tot 22.00 uur en op donderdagavond gaat u om 21.00 uur naar salsales. U leest de volgende advertentie in de buurtkrant:

Supermarkt Rita zoekt diverse medewerkers - Kassières: 12-36 uur per week Werktijden: maandag- t/m zaterdag 8.00-20.00 ploeg 1: 8.00-14.00, ploeg 2: 14.00-20.00 - Vakkenvullers: minimaal 2 avonden per week. Werktijden: maandag- t/m zaterdagavond 18.00-21.00 - Schoonmakers: minimaal 2 ochtenden per week. Werktijden: maandag- t/m zaterdagochtend 6.00-8.00 Ben je geïnteresseerd? Haal dan het sollicitatieformulier op bij de servicebalie.

U hebt interesse in een van deze functies en vult het formulier in.

Thema 9 Opleiding en werk

197


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 198

Sollicitatieformulier Persoonlijke gegevens Naam: Voornamen: Roepnaam: Geboortedatum: Adres: Postcode en woonplaats: Telefoon: E-mailadres: Uw wensen en mogelijkheden Naar welke functie(s) solliciteert u? Hoeveel uur per week wilt u werken? fulltime parttime, __________ uur per week Op welke dagen kunt u werken? maandag dinsdag woensdag donderdag vrijdag tussen zaterdag tussen

tussen __________ uur en __________ uur tussen __________ uur en __________ uur tussen __________ uur en __________ uur tussen __________ uur en __________ uur tussen __________ uur en __________ uur tussen __________ uur en __________ uur

Werkervaring Voorgaande (bij)banen: Naam bedrijf _________________________ _________________________ _________________________ _________________________

functie ____________________________ ____________________________ ____________________________ ____________________________

Motivatie Wat interesseert u in de aangeboden functie? Wat interesseert u in ons bedrijf?

Diversen Hoe bent u op het idee gekomen om bij ons bedrijf te solliciteren? door een advertentie in via een familielid/kennis via het arbeidsbureau via Wanneer kunt u beginnen? Ruimte voor eventuele bijzonderheden

Ondertekening Plaats: Datum: Handtekening:

198

Thema 9 Opleiding en werk

van/tot ________________________ ________________________ ________________________ ________________________


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 199

Luisteren

Oefening 13

Ellen vertelt over haar opleiding en werk. Lees de vragen. Lees de tekst. Beantwoord de vragen. 1

2

Waar heeft Ellen gestudeerd? a Aan de universiteit. b Aan de hogeschool. c Aan een internationale school. Welke werkzaamheden heeft Ellen op het reclamebureau? __________________________________________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________________________________________

Lezen

3

Hoeveel uur per week werkt Ellen meestal? a 9 uur per week. b 40 uur per week. c 50 uur per week.

4

Hoe laat beginnen de meeste werknemers? a Om 8.45 uur. b Om 9.00 uur. c Na 9.00 uur.

5

Wat vindt Ellen van haar werk? a Saai en soms moeilijk. b Heel dynamisch maar niet altijd makkelijk. c Heel leuk en makkelijk.

6

Wat vindt Ellen soms moeilijk? a Haar baas om advies vragen. b Internationaal bellen. c Het contact met internationale klanten.

Oefening 14

Lees onderstaande personeelsadvertenties. Bespreek onderstaande vragen in drietallen: 1 2

Welke advertentie spreekt u het meest aan? Waarom? Welke advertentie spreekt u het minst aan? Waarom?

Restaurantmedewerker Voor diverse locaties in Amsterdam zijn wij per direct op zoek naar parttime restaurantmedewerkers. Samen met je collega's ben je verantwoordelijk voor het restaurant. Je voert alle voorkomende werkzaamheden uit: het maken van broodjes, het werken achter de kassa en het doen van de afwas. Je bent gastvrij, flexibel en creatief. Je werkt op basis van een vast rooster.

Thema 9 Opleiding en werk

199


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 200

Pedagogisch medewerker bso ± 10 uur per week (ma/di/do middag) voor Buitenschoolse opvang Carrousel in Amsterdam We zoeken een collega die: - een warm hart heeft voor kinderen van 4 tot 13 jaar; - enthousiast wil werken aan de ontwikkeling van kinderen; - zelfstandig kan werken; - het leuk vindt te werken in een team voor de bso met enthousiaste collega’s.

Enthousiaste Call Center Agent Wat doe je als agent? -Je belt klanten; -Je neemt samen met hen een vragenlijst door; -Je luistert goed naar de wensen van de klant; -Tot slot stuur je het volledig ingevuld formulier door naar een andere afdeling. Wie ben jij? -Je bent enthousiast en overtuigend; -Je bezit een goede telefoonstem; -Je volgt een hbo- of wo-opleiding; -Je kunt goed rekenen. Faculteit rechten van de Universiteit Leiden zoekt Cursusmanager Ben jij sociaal, zelfstandig en prestatiegericht? Dan zijn wij op zoek naar jou! Als cursusmanager van de studie rechten organiseer jij onze bijlescursussen. Je neemt sollicitaties af met repetitoren (student-assistenten die bijles geven) en geeft instructie aan deze repetitoren. Daarnaast bedenk en organiseer je promotieactiviteiten voor de faculteit en houd je contact met studentenorganisaties. De gemiddelde tijdsbesteding is tussen de 5 en 8 uur per week. Deze tijd kun je zelf indelen. Wij bieden een hoge vergoeding, afhankelijk van je prestatie.

ICT-bedrijf in Amsterdam zoekt programmeur (fulltime) Wij zoeken een gedreven programmeur voor het ontwikkelen van de thematische websites en daaraan gekoppelde applicaties. Je bent vooral bezig als software-ontwikkelaar, maar we maken graag gebruik van je andere vaardigheden, bijvoorbeeld op het gebied van systeembeheer of grafisch ontwerp. Je bent flexibel en stressbestendig. Je hebt geen probleem met onregelmatige werktijden. Wij stimuleren eigen initiatief en voor goede ideeën staan we altijd open. Bij ons heerst een prettige werksfeer en tref je prettige collega’s. De beloning is goed en het werk is afwisselend.

Taalhulp Praten over werk Wat is je beroep? Wat doe je? Wat voor werk doe je? Wat zijn je werkzaamheden? Werk je fulltime of parttime?

200

Thema 9 Opleiding en werk

Ik ben ... / Ik werk als … Ik ben … / Ik werk als … Mijn werk bestaat uit … Mijn werkzaamheden zijn … Ik werk fulltime / parttime. Ik heb een fulltime / parttime baan.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 201

Hoeveel uur per week werk je? Wat zijn je werktijden? Heb je leuke collega’s? Hoe zijn je collega’s? Wat vind je leuk aan je werk? Wat vind je niet zo leuk aan je werk? Ben je tevreden over je salaris?

Ik werk … uur per week. Mijn werktijden zijn van … tot … Ik werk van … tot … Ik heb … collega’s. Mijn collega’s zijn … Ik vind … leuk. Ik vind het leuk om … te … Ik vind … niet leuk. Ik vind het vervelend om … Ja, ik ben (redelijk) tevreden. Nee, ik vind mijn salaris te laag.

Vocabulaire Beroepen accountant advocaat agent ambtenaar architect arts assistent in opleiding bakker baliemedewerker barman bejaardenverzorger beroepsmilitair beroepssporter bloemist boer bouwvakker brandweerman burgemeester chemicus chirurg danser dierenarts docent dokter dominee econoom fietsenmaker fotograaf fotomodel

fysiotherapeut ICT-specialist ingenieur installateur journalist kapper kassière kleermaker kok leraar loodgieter logopedist maatschappelijk werker machinist makelaar manager minister monteur musicus natuurkundige netwerkbeheerder notaris onderzoeker opticien pastoor piloot politicus portier postbode

programmeur psycholoog psychiater receptionist rechter schilder schipper schoenmaker schoonheidsspecialiste schrijver secretaresse specialist stewardess therapeut timmerman tolk tuinman verkoper verpleegkundige wetenschapper wethouder winkelier zanger(es) zelfstandige zzp’er (zelfstandige zonder personeel)

Spreken Gebruik bij oefening 15 en 16 de taalhulp en vocabulaire beroepen. Als uw beroep niet in de lijst staat, zoek het woord dan op in een woordenboek.

Thema 9 Opleiding en werk

201


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 202

Oefening 15

Werk in groepjes van drie. Bespreek onderstaande vragen: 1 2 3

Wat wilde u worden toen u klein was? Bent u geworden wat u vroeger wilde? Heeft u nog een droomberoep?

Oefening 16

Werk in groepjes van drie. Vertel elkaar wat u doet in uw huidige baan. Als u nu niet werkt, kunt u vertellen over werk dat u vroeger hebt gedaan, of werk dat u in de toekomst wil doen. Praat met elkaar over: 1 2 3

Lezen

uw werkzaamheden uw werktijden wat u leuk vindt

4 5 6

wat u niet zo leuk vindt uw collega’s en leidinggevende salaris

Oefening 17

Lees de vragen. Lees de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Welk kenmerk heeft vrijwilligerswerk? a De vrijwilliger moet sportief zijn. b De vrijwilliger krijgt geen salaris. c De vrijwilliger mag geen beroep hebben.

2

Wat kunt u doen als u vrijwilligerswerk wilt doen? a Naar het gemeentekantoor gaan. b Naar de vacaturebank in uw woonplaats gaan. c In vacaturebanken op internet kijken.

3

Wanneer is het een goed idee om een keuzetest te doen? a Als u niet zeker weet welk vrijwilligerswerk u leuk vindt. b Als u niet zeker weet of u vrijwilligerswerk wilt doen. c Als u niet zeker weet waar u vrijwilligerswerk kunt doen.

Vrijwilligerswerk Wat is vrijwilligerswerk? U kunt vrijwilliger zijn als u af en toe actief bent voor een organisatie zonder winstoogmerk of voor een sportvereniging of sportstichting. U bent geen vrijwilliger als u de werkzaamheden voor uw beroep doet. Een belangrijk kenmerk van vrijwilligerswerk is dat u geen loon betaald krijgt, maar eventueel wel een onkostenvergoeding.

Wilt u als vrijwilliger aan de slag? Dan kunt u zoeken naar leuke vrijwilligersvacatures in lokale vacaturebanken op internet. U kunt zoeken in uw eigen gemeente of de landelijke vacaturebanken raadplegen. Kijk bijvoorbeeld op www.vrijwilligerswerk.nl. Wilt u graag vrijwilligerswerk doen, maar twijfelt u welk vrijwilligerswerk bij u past? Dan vindt u op internet verschillende keuzetests. Deze helpen u om geschikt vrijwilligerswerk te kiezen.

202

Thema 9 Opleiding en werk


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 203

Spreken

Oefening 18

Werk in drietallen. Bespreek onderstaande vragen. 1 2 3 4

Spreken

Wat vindt u van vrijwilligerswerk? Waarom? Kunt u voorbeelden noemen van vrijwilligerswerk? Doet u zelf vrijwilligerswerk, of heeft u vrijwilligerswerk gedaan? Wat? Wilt u eventueel vrijwilligerswerk doen? Wat?

Oefening 19

Werk in groepjes van drie of vier. Elke cursist krijgt van de docent een kaartje met een beroep. Laat het kaartje aan niemand zien. De andere cursisten moeten raden welk beroep op uw kaartje staat. U mag alleen gesloten vragen (antwoord: ja of nee) stellen. 1

Voorbeelden

Werkt u met mensen? Werkt u buiten? Werkt u alleen? Werkt u met uw handen? Hebt u vaste werktijden? Werkt u veel met de computer? ... 2

Lezen

Maak een lijst met vragen die u kunt stellen.

Stel de vragen en raad het beroep van uw medecursist.

Oefening 20

Lees de vragen. Lees de tekst. Beantwoord de vragen. 1 2 3 4 5

Wat is het beroep van Leo Kempf? Wat heeft hij gemaakt? Waarom? Beschrijf het product. Kunt u het in de winkel kopen? Wat vindt u van deze actie van Leo Kempf?

Ontwerper maakt designhuis voor zijn kat AMSTERDAM – Dat baasjes veel van hun huisdieren kunnen houden, bewijst designer Leo Kempf. De Amerikaan maakte voor zijn kat een designhuis. De minivilla heeft een moderne uitstraling, is van hout en wit geschilderd. Als de kat zijn energie kwijt moet, kan hij op de veranda spelen. Daarna kan het dier een dutje doen in de woonkamer.

Schapenvel Deze woonkamer is op de eerste verdieping. Het beest kan via een geheime ingang naar boven. Daar ligt een dik schapenvel en er hangen vrolijke schilderijtjes aan de muur. Het huis is ook praktisch. Je kan het gemakkelijk schoonmaken met een doekje. Het is nog niet bekend of consumenten deze villa in de toekomst ook kunnen kopen. Bron: http://www.nu.nl/opmerkelijk/1949869/ontwerper-maakt-designhuis-voor-zijn-kat.html

Thema 9 Opleiding en werk

203


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 204

10

204

Verleden, heden, toekomst


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 205

Oefening 1

Maak een woordweb met het woord verleden. Maak een woordweb met het woord heden. Maak een woordweb met het woord toekomst.

Luisteren

Oefening 2

Mila vertelt over haar verleden: haar jeugd in Peru, het overlijden van haar moeder, de ontmoeting met Willem en haar beslissing om naar Nederland te komen. Lees de vragen. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Waar is Mila geboren? a In Lima, in Peru. b In een dorpje bij Peru. c In een dorpje bij Lima.

2

Wat vond Mila vroeger weleens vervelend? a Dat ze haar ouders vaak moest helpen op het land. b Dat ze de oudste was in een gezin van vier kinderen. c Dat ze buiten moest spelen met vriendjes en vriendinnetjes.

3

Wat vertelt Mila over haar moeder? a Ze werkte hard en had daarom te weinig aandacht voor haar kinderen. b Ze werkte hard maar was ook altijd goed voor haar kinderen. c Ze vond spelen voor haar kinderen belangrijker dan naar school gaan.

4

Wat heeft Mila na de middelbare school gedaan? a Ze heeft samen met haar vader op de boerderij gewerkt. b Ze heeft voor haar moeder en voor haar broers en zus gezorgd. c Ze heeft bij een bank gewerkt en voor haar broers en zus gezorgd.

5

Hoe lang kennen Willem en Mila elkaar nu? a Ongeveer vijf jaar. b Ongeveer twee jaar. c Ongeveer vier maanden.

6

Wat wil Mila gaan doen? a Ze wil werken via een uitzendbureau. b Ze wil een baan vinden in het buitenland. c Ze wil gaan studeren.

Thema 10 Verleden, heden, toekomst

205


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 206

Vocabulaire verbum blijken (Een jaar later bleek dat ‌.) zich ontwikkelen (Ik wil me verder ontwikkelen.) opdoen (Veel ervaring opdoen.) overlijden (Toen is ze overleden.) overnemen (Ze zullen de boerderij overnemen.) zorgen voor (We hebben thuis voor haar gezorgd.)

substantief de aandacht de baan het bedrijf de behandeling de beslissing de boerderij de dood de ervaring het gezicht het huishouden

de jeugd de kanker het land (... ik moest helpen op het land) de liefde (het was liefde op het eerste gezicht) het spelletje de toekomst het uitzendbureau het vriendinnetje het vriendje

adjectief belangrijk definitief fantastisch huidig (mijn huidige baan) vast (een vaste baan)

middelbaar (de middelbare school) trots (op...) verschillend zwaar

andere woorden af en toe uiteindelijk

vooral voorlopig

Grammatica Oefening 3 De volgende fragmenten komen uit de monoloog van Mila (luisteroefening 2). Welke zinnen staan in de perf. (perfectum), en welke in de imp. (imperfectum)? Wat zijn de infinitieven van de hoofdverba?

206

Thema 10 Verleden, heden, toekomst


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 207

Voorbeelden

Mijn ouders hadden een boerderij en moesten hard werken. ______________________________________________________________________________________________________________ hadden = imp. (infinitief: hebben), moesten = imp. ______________________________________________________________________________________________________________ infinitief (moeten) Twee jaar geleden ben ik definitief naar Nederland gekomen. ______________________________________________________________________________________________________________ ben … gekomen = perf. (infinitief: komen) 1

Ik moest mijn ouders vaak helpen op het land of met het huishouden. Soms vond ik dat vervelend want ik wilde liever met mijn vriendjes en vriendinnetjes buiten spelen. __________________________________________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________________________________________

2

Toen ik 17 was, werd mijn moeder ziek. Ze kreeg kanker en moest regelmatig naar het ziekenhuis voor behandeling. Een jaar later bleek dat ze niet meer beter kon worden. De laatste maanden hebben we thuis voor haar gezorgd. En toen is ze overleden, dat is nu zeven jaar geleden. __________________________________________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________________________________________

3

Ze was een fantastische moeder. Ze werkte hard maar had altijd aandacht voor ons. Als we uit school kwamen, dronken en aten we samen iets. ’s Avonds speelden we vaak nog een spelletje voordat we gingen slapen. Ze vond het erg belangrijk dat we goed ons best deden op school. __________________________________________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________________________________________

4

Na de dood van mijn moeder hebben we een moeilijke periode gehad. Ik werkte fulltime maar mijn broers en zus zaten nog op school. Mijn vader had het druk met de boerderij en ik moest voor mijn broers en zus zorgen. Dat was zwaar in combinatie met mijn baan. __________________________________________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________________________________________

5

Zo’n vijf jaar geleden heb ik Willem ontmoet. Hij was voor zijn studie in Peru en af en toe kwam hij als klant bij de bank waar ik toen werkte. Het was liefde op het eerste gezicht. Na vier maanden moest hij weer terug naar Nederland. We hebben in die periode veel gebeld en gemaild. Willem is nog drie keer naar Peru gekomen en ik ben twee keer naar Nederland gegaan. __________________________________________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________________________________________

Thema 10 Verleden, heden, toekomst

207


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 208

Lezen en grammatica Oefening 4 Lees de volgende tekst. De schrijver vertelt over zijn reis door Mexico en een spannend avontuur tijdens zijn reis. Zet de onderstreepte werkwoorden in de goede vorm: perf. of imp. Mexicaanse griep op de top van een Maya-tempel? Afgelopen week zijn wij terugkomen _______________ van een fantastische reis door Mexico. We zijn _______________ met een groep van 15 personen. We hebben daar veel mooie steden bezoeken _______________ , we hebben tochten door het landschap maken _______________ en verschillende Maya-tempels zien _______________ . Het zijn _______________ heel indrukwekkend om tussen de restanten van die tempels te lopen en alle beelden en muurschilderingen te zien. We hebben enorm genieten _______________ . Het zijn _______________ wel heel warm in Mexico; midden op de dag kunnen _______________ je het beste een siësta houden. Maar ik ben nogal eigenwijs en willen _______________ overdag toch iets actiefs doen. Ik hebben _______________ het plan om rond twee uur ’s middags naar de top van een hoge tempel te klimmen. Ik vragen _______________ aan mijn reisgenoten wie er met me mee wilde gaan. Helaas, niemand willen _______________ met me mee. Ze zeggen _______________ : ‘Ben je nou helemaal gek geworden, dat overleef je niet in die hitte!’ Maar hun reactie stimuleren _______________ mij juist om dit idiote plan toch uit te voeren. Dus ik ben alleen naar boven gaan _______________ , zonder eten, met een klein flesje water. Aan het begin gaan _______________ het goed, maar toen krijgen _______________ ik problemen. Het zijn _______________ zo warm dat ik elke vijf minuten een slok water moeten _______________ drinken. Mijn fles water zijn _______________ dus al leeg toen ik boven aankomen _______________ . Op de top vinden _______________ ik nergens schaduw, dus ik staan _______________ daar in de brandende zon en beginnen _______________ me steeds slechter te voelen. ‘Wat gebeurt er met me?’, dacht ik. ‘Heb ik een acute aanval van de Mexicaanse griep krijgen _______________ , of is het een zonnesteek?’ Ik vallen _______________ bijna flauw en denken _______________ nog maar één ding: zo snel mogelijk naar beneden! Ik weet niet meer hoe, maar ik ben beneden komen _______________ , rood verbrand en zwalkend als een dronkenman. Toen mijn reisgenoten me zo zien _______________ , denken _______________ ze eerst dat ik een geest zijn _____________ . Maar daarna hebben ze me snel helpen _______________ en goed voor me zorgen _______________ . Ik heb wat eten _______________ en veel drinken _______________ , en de volgende dag voelen _______________ ik me al een beetje beter. De laatste dagen van de reis zijn we naar een badplaats aan de kust zijn _______________ . Daar heb ik alleen nog aan het strand liggen _______________ en een beetje in zee zwemmen _______________ . Zo worden _______________ ik weer helemaal fit en kunnen _______________ ik gezond terugreizen naar Nederland. Mijn reisgenoten zijn _______________ opgelucht over mijn herstel, maar ze hebben me nog maanden lang de idioot van de groep noemen _______________ .

208

Thema 10 Verleden, heden, toekomst


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 209

Luisteren

Oefening 5

Lees de tekst van het volgende liedje. Beantwoord de vragen. 1

Wie is Anne? a De dochter van de zanger. b De moeder van de zanger. c De oma van de zanger.

2

Welke zin in het lied betekent: ‘Je hebt nog een hele toekomst voor je.’

3

Onderstreep de woorden in het imperfectum. Wat is de infinitief?

Anne - Herman van Veen

Er waren mooie baby’s bij maar niet zo lief als jij Anne Van al dat wit en zoveel licht gingen van schrik je ogen dicht Anne Even kreeg ik kriebels in mijn keel maar je had geen pink te veel Anne Ik stond te blozen was zo blij jij moest er haast van lachen Anne Anne de wereld is niet mooi maar jij kan haar een beetje mooier kleuren Anne je hebt nog heel wat voor de boeg maak je geen zorgen daarvoor is het nog te vroeg veel te vroeg ... De wijzers van de klok gaan snel dat merk je later wel Anne van de pot naar de wc gaat 1, 2 huppekee Anne Je hebt net je bromtol uitgepakt of bent alweer een jaar ouder Voor ik goedemorgen zeg ben jij op je brommer weg Anne Anne de wereld is niet mooi maar jij kan haar een beetje mooier kleuren Anne je hebt nog heel wat voor de boeg maak je geen zorgen daarvoor is het nog te vroeg veel te vroeg ...

Thema 10 Verleden, heden, toekomst

209


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 210

Er waren mooie baby’s bij maar niet zo lief als jij Anne Alleen de ogen van je moeder waren net zo mooi als jij Anne

Luisteren

Oefening 6

Binnenkort viert Grieks restaurant Athene feest, omdat het 25 jaar bestaat. Het restaurant is in Leiden, niet in het centrum, maar midden in een woonwijk. Een interview met Dimitris Simopoulou, de eigenaar van het restaurant. Lees de vragen. Luister naar de tekst. Beantwoord de vragen.

Schrijven

1

Wat is er veranderd? a Het interieur en de menukaart. b Het interieur en de schilderingen. c De menukaart en schilderingen.

2

Wat is het verschil tussen een restaurant in een woonwijk en een restaurant in het centrum van de stad? a In een restaurant in het centrum komen meer gasten. b In een restaurant in een woonwijk komen meer gasten. c In een restaurant in een woonwijk komen vaak dezelfde gasten. d In een restaurant in het centrum komen vaak dezelfde gasten.

3

Wat wil de eigenaar in de toekomst doen? a Hij wil in Nederland in zijn restaurant blijven werken. b Hij wil terug naar Griekenland om een restaurant te openen. c Hij wil in Nederland nog een restaurant openen.

Oefening 7

U gaat regelmatig eten bij Grieks restaurant Athene (adres: Breedstraat 14, 1035 BB Leiden). U leest in uw wijkkrant dat de zaak 25 jaar bestaat. U kent de eigenaar persoonlijk en stuurt hem een kaartje: • • •

210

Feliciteer de eigenaar. Schrijf waarom u graag in zijn restaurant eet. Wens hem veel succes in de toekomst.

Thema 10 Verleden, heden, toekomst


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 211

Leiden, ‌......................... (datum) Beste Dimitris,

Met vriendelijke groet,

Grammatica Praten over de toekomst 1 pres. (presens)+ tijdindicatie van toekomst Volgende week begint de nieuwe cursus. Over twee jaar ben ik klaar met mijn studie. Aanstaande zaterdag geven wij een feest. Komen jullie ook? 2 een vorm van gaan + infinitief Na de zomervakantie ga ik in Amsterdam met mijn studie beginnen. Als ik klaar ben met mijn studie, ga ik een baan zoeken. 3 een vorm van zullen + infinitief A Een prognose: Over vijftig jaar zullen er 20 miljoen mensen in Nederland wonen. B Een voorstel of suggestie: Zullen we morgen naar het strand gaan? C Een belofte: Bel je me binnenkort? Ja, dat zal ik doen.

Thema 10 Verleden, heden, toekomst

211


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 212

* Grammatica - oefening 19 Spreken Oefening 8 Werk in tweetallen: Stel elkaar de volgende vragen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15

Wat ga je volgende week doen? Wat ga je na deze cursus Nederlands doen? Wanneer spreek je perfect Nederlands? Wat ga je in de komende vakantie doen? Ga je binnenkort verhuizen? Blijf je in Nederland wonen of wil je terug naar je eigen land? Wat zijn je plannen voor volgend jaar? Waar ben je en wat doe je over vijf jaar? Hoe zie je jouw verre toekomst, over 25 jaar? Welke droom wil je graag realiseren? Kun je me met mijn huiswerk helpen? Wanneer stop je met Nederlands leren? Ga jij je voor de volgende cursus inschrijven? Zal ik je laten zien hoe de website bij dit cursusboek werkt? Zullen we een afspraak maken voor het weekend?

Vocabulaire Oefening 9 Verdeel onderstaande woorden in drie groepen: verleden – heden – toekomst. aanstaande ..., afgelopen ..., binnenkort, dan, eergisteren, ... geleden, gisteren, komende ..., morgen, nu, op dat moment, op dit moment, ooit, over ..., overmorgen, straks, tegenwoordig, toen, vandaag, voorbij, vorige ..., vroeger

verleden

heden

toekomst

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

________________________________________

212

Thema 10 Verleden, heden, toekomst


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 213

Schrijven

Oefening 10

Maak de volgende zinnen compleet 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Spreken

Vorige week _______________________________________________________________________________________ Komend weekend ______________________________________________________________________________ Honderd jaar geleden _________________________________________________________________________ Vanavond ___________________________________________________________________________________________ Toen ik klein was, ______________________________________________________________________________ Over drie jaar _____________________________________________________________________________________ Na deze cursus __________________________________________________________________________________ In december ______________________________________________________________________________________ Als ik klaar ben met mijn studie, ________________________________________________________ Eergisteren ________________________________________________________________________________________

Oefening 11

Werk in groepjes van drie. Beantwoord onderstaande vragen.

1 2 3

4

Waar bent u voor het laatst op vakantie geweest? Wat hebt u toen gedaan? Gaat u weleens in Nederland op vakantie? Zo ja, waar gaat u dan naartoe? Wat doet u? Zo nee, waarom niet? Vindt u Nederland een goed vakantieland? Waarom?

Thema 10 Verleden, heden, toekomst

213


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 214

Lezen

Oefening 12

Lees de vragen. Lees de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Hoeveel Nederlanders gaan deze zomervakantie naar het buitenland? a 8 miljoen. b Een kwart miljoen. c 2,7 miljoen.

2

Hoeveel Nederlanders gaan deze zomer in Nederland op vakantie? a 8 miljoen. b Een kwart miljoen. c 2,7 miljoen.

3

Wat is waar? a Deze zomer gaan meer Nederlanders naar het buitenland. b Deze zomer gaan meer Nederlanders in eigen land op vakantie. c Deze zomer gaan de meeste Nederlanders naar Frankrijk.

4

Hoeveel Nederlanders hebben hun zomervakantie nog niet geregeld? a 8 miljoen. b Een kwart miljoen. c 2,7 miljoen. d 3 miljoen.

Meer Nederlanders op vakantie in eigen land DEN HAAG - Ongeveer 8 miljoen Nederlanders zijn van plan om komende zomer op vakantie te gaan naar het buitenland. Dat zijn er een kwart miljoen minder dan vorig jaar. De belangstelling voor een vakantie in eigen land is 4 procent gestegen. Nederland is komende zomer de vakantiebestemming voor zo'n 2,7 miljoen mensen. Van de buitenlandse bestemmingen zijn Frankrijk, Spanje en ItaliĂŤ het populairst. Ruim de helft van de Nederlanders heeft de zomervakantie al geboekt, maar 3 miljoen Nederlanders met vakantieplannen moeten de vakantie nog regelen. Bron: http://www.nu.nl/economie/1960294/meer-nederlanders-op-vakantie-in-eigen-land.html (mei 2009)

Oefening 13

De Waddeneilanden In het noorden van Nederland ligt de Waddenzee. De Waddenzee ligt tussen het vasteland met de provincies Noord-Holland, Friesland en Groningen en de Waddeneilanden. Er zijn vijf bewoonde Waddeneilanden. Van west naar oost zijn dat: Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog. Op alle eilanden vindt u rust en ruimte, strand en duinen en een prachtige bloemen- en dierenwereld. Vogels, vissen, zeehonden en bodemdieren vinden veel voedsel op het wad. Dat voedsel is elke dag vers. Het komt uit de Noordzee met de vloed mee. In het waddengebied leven zeehonden en het is een ideale plaats voor trekvogels om uit te rusten.

214

Thema 10 Verleden, heden, toekomst


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 215

Spreken

Oefening 14

U krijgt van de docent informatie over één Waddeneiland. Loop door de klas en vraag uw medecursisten informatie. Schrijf de namen van de eilanden op de kaart van Nederland en maak de tabel compleet. U kunt bijvoorbeeld de volgende vragen stellen: Hoe lang duurt de boottocht naar …? / Hoeveel kilometer strand heeft …? / Hoe groot is het bosgebied op …? / Hoeveel mensen wonen er op …?

boot strand bos fietspad dorp bewoners museum

Ameland

Schiermonnikoog

Terschelling

________________

________________

Texel 20 min.

Vlieland

________________

________________

27 km.

________________

________________

________________

________________

________________

________________

400 ha

________________

________________

________________

________________

________________

________________

________________

________________

1

________________

________________

________________

________________

________________

________________

________________

1.150

________________

________________

________________

________________

________________

Oefening 15

Werk in groepjes van drie. Maak een lijst van vergelijkingen op basis van de tabel uit oefening 14. Gebruik de comparatief en de superlatief. Voorbeelden

Texel heeft de meeste bewoners. De boottocht naar Vlieland duurt langer dan de boottocht naar Texel.

Naar welke eiland wilt u gaan? Waarom?

Schrijven

Oefening 16

U wilt met een vriend(in) een weekend naar een Waddeneiland. Kijk op www.wadden.nl voor meer informatie. Mail uw vriend(in): • wat u wilt doen; • waarom u dat wilt doen; • wanneer u wilt gaan.

Thema 10 Verleden, heden, toekomst

215


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 216

Van: Onderwerp: Datum: Aan:

Lezen

Oefening 17

Lees de vragen. Lees de tekst. Beantwoord de vragen. 1

Waarom nemen mensen een huisdier?

2

Hoeveel huishoudens hadden een huisdier in de volgende jaren? Eind jaren zeventig had _______% van de huishoudens een huisdier. In 1999 had _______% van de huishoudens een huisdier. Nu heeft _______% van de huishoudens een huisdier.

3

Hoeveel huishoudens hebben een huisdier? _______% van de gezinnen met kinderen heeft een huisdier. _______% van de een- en tweepersoonshuishoudens heeft een huisdier.

4

Welke huisdieren staan in de top drie van de gezinnen met kinderen?

5

6

a

__________________________________________________________________________________________________

b

__________________________________________________________________________________________________

c

__________________________________________________________________________________________________

Welke diersoorten zijn de populairste huisdieren? a

__________________________________________________________________________________________________

b

__________________________________________________________________________________________________

Waarvoor betaalt een gezin ongeveer 277 euro per jaar?

Nederlanders houden steeds meer huisdieren DEN HAAG - Een kat op de vensterbank of een hond op de mat is gezellig en goed voor de gezondheid van de eigenaren. Het aantal huisdieren neemt de laatste jaren toe. Inmiddels hebben Nederlanders 30,7 miljoen huisdieren. ‘Gezelschapsdieren hebben een positieve invloed op de gezondheid van mensen’, zegt het Forum Welzijn Gezelschapsdieren.

216

Thema 10 Verleden, heden, toekomst


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 217

Op dit moment hebben ongeveer 4 miljoen huishoudens (55 procent) thuis een dier voor de gezelligheid, sport of liefhebberij. In 1999 was dat ongeveer de helft van alle huishoudens. Eind jaren zeventig had nog 74 procent van de gezinnen een dier in huis. Kinderen Vaak hebben gezinnen met kinderen een hond of kat in huis. Ruim driekwart van deze gezinnen heeft een huisdier. Van de een- en tweepersoonshuishoudens heeft net niet de helft (46 procent) een dier in huis. De kat is veruit het populairst onder de baasjes: 47 procent van de gezinnen met een huisdier heeft een kat. De hond staat met 36 procent op de tweede plaats. In 2005 werden in Nederland 1,8 miljoen honden, 3,3 miljoen katten en 980.000 konijnen gehouden. Vissen Wanneer we alleen naar het aantal gehouden dieren per soort kijken, staan de vissen op de eerste plaats. In aquaria en vijvers hebben Nederlanders samen ongeveer 19 miljoen vissen. Ook kanaries, papegaaien en andere zang- en siervogels zijn populairder dan de kat. In kooitjes en volières houden Nederlanders 3,4 miljoen vogels. Onderhoud Om al deze dieren te kopen, te voeden en te onderhouden betaalt elk gezin jaarlijks gemiddeld 277 euro: dat is samen 1,45 miljard euro. Bron: http://www.nu.nl/algemeen/699151/nederlanders-houden-steeds-meer-huisdieren.html

7

Lezen

Wat vindt u van deze informatie? Verbaast de informatie u?

Oefening 18

Informatie over Nederland ligging

West-Europa, aan de Noordzee, ten westen van Duitsland en ten noorden van BelgiĂŤ

aantal inwoners

17 miljoen (maart 2016). Na Monaco en Malta het dichtstbevolkte land van Europa.

oppervlakte

41.500 km2 (iets groter dan Zwitserland)

hoofdstad

Amsterdam

aantal provincies

12

aantal gemeenten

467

klimaat

gematigd zeeklimaat, met koele zomers en zachte winters

landschap

voornamelijk laaggelegen, vlak kustland en op de zee gewonnen polders, heuvelachtig in het zuidoosten

hoogste punt

Vaalserberg, op de grens met BelgiĂŤ en Duitsland (323 meter)

laagste punt

Nieuwerkerk aan den IJssel, in Zuid-Holland (min 6,7 meter)

natuurlijke bronnen

aardgas, aardolie, vruchtbaar land

natuurlijke gevaren

overstroming door zee en rivieren

rivieren

drie grote Europese rivieren (de Rijn, de Maas en de Schelde) monden uit in Nederland, andere grote rivieren zijn de Waal en de IJssel, beide aftakkingen van de Rijn

Bron: Wikipedia, juni 2009

Thema 10 Verleden, heden, toekomst

217


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 218

Spreken

Oefening 19

Werk in groepjes van drie. Vergelijk uw eigen land met Nederland. Gebruik informatie uit de tabel van oefening 18. Denk aan: • • • • • • • • • • •

Spreken

ligging (wel of niet aan zee) aantal inwoners oppervlakte (groter of kleiner dan Nederland) klimaat (warm, koud, droog, nat, ...) landschap (vlak, heuvelachtig, bergachtig, rivieren) economische situatie (veel, weinig, arm, rijk, ...) woonsituatie (huis)dieren uiterlijk van de mensen karakter van de mensen tijdsbesteding van mensen (wat doen ze?)

Oefening 20

Werk in groepjes van drie. Bespreek onderstaande vragen: 1 2 3

4

Lezen

Fietsen mensen in uw land regelmatig? Waarom (niet)? Fietst u regelmatig? Waarom (niet)? Fietsen mensen in uw land naar hun werk of naar hun opleiding? Waarom (niet)? Fietst u naar uw werk of naar uw opleiding? Waarom (niet)?

Oefening 21

Lees de vragen. Lees de tekst. Beantwoord de vragen.

218

1

Wat is het verschil tussen werknemers die op hun fiets naar hun werk gaan en hun collega’s die een ander vervoermiddel nemen? a Fietsende werknemers mogen een dag per jaar minder werken. b Fietsende werknemers moeten een dag per jaar extra werken. c Fietsende werknemers zijn een dag per jaar minder ziek.

2

Waarom neemt ongeveer 33% van de werknemers regelmatig de fiets naar zijn werk?

3

Waarom neemt ongeveer 66% van de werknemers niet regelmatig de fiets naar zijn werk?

Thema 10 Verleden, heden, toekomst


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 219

Fietsende werknemer minder vaak ziek AMSTERDAM - Werknemers die regelmatig de fiets pakken, zijn minder vaak ziek dan collega’s die met een ander vervoermiddel naar hun werk gaan. Fietsers verzuimen gemiddeld een dag per jaar minder dan niet-fietsers. Bijna een derde van de werknemers fietst regelmatig naar het werk. Als 1 procent meer werknemers gaat fietsen, kunnen werkgevers zo’n 27 miljoen per jaar besparen. Voor de fietsers is hun gezondheid de belangrijkste reden om de fiets te pakken. Hoe vaker men fietst en hoe groter de afstand naar het werk is, hoe lager het ziekteverzuim is.

Bezweet Voor de niet-fietsers zijn de belangrijkste redenen om de fiets te laten staan: ze wonen te ver van hun werk, het weer is wisselvallig, ze komen bezweet op het werk of ze vinden de reistijd te lang. De overheid moet werkgevers stimuleren het fietsen voor hun werknemers populairder te maken. Bron: http://www.nu.nl/economie/1905967/fietsende-werknemer-minder-vaak-ziek.html

Lezen

Oefening 22

Lees de vragen. Lees de tekst. Beantwoord de vragen. In alle rust is van ons heengegaan onze lieve mama, oma en overgrootmoeder

Jeanet Kruisen–de Wit weduwe van Bob Kruisen 12 oktober 1924 23 mei 2009 Petra en Fred Wouters Ilse en Bert de Beer Karin en Michiel Monique Martijn en Anne Erik en Chantal Pim Marion en Eva Correspondentieadres: Beukenplein 11, 5038 BB Tilburg Er is gelegenheid om afscheid van Jeanet te nemen op woensdag 26 mei van 18.30-19.30 uur in aula Momentum, Boomstraat 25 te Tilburg. De crematieplechtigheid vindt plaats op donderdag 27 mei om 14.00 uur in crematorium Berg en Dal. Na afloop van de plechtigheid is er gelegenheid tot condoleren in de koffiekamer van het crematorium.

1

Wie is er overleden? __________________________________________________________________________

2

U bent de buurvrouw van Monique de Beer. Wat is de relatie van uw buurvrouw met de overledene? a De overledene is haar moeder. b De overledene is haar vader. c De overledene is haar oma. d De overledene is haar opa.

3

U wilt de familie een kaartje sturen. Naar welk adres stuurt u het kaartje? a Beukenplein 11, 5038 BB Tilburg. b Boomstraat 25, Tilburg. c Crematorium Berg en Dal, Tilburg.

Thema 10 Verleden, heden, toekomst

219


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 220

4

Schrijven

Wanneer kunt u de familie condoleren? a Op 26 mei tussen 18.30 en 19.30 uur. b Op 27 mei om 14.00 uur. c Op 27 mei na de crematie.

Oefening 23

U bent de buurvrouw van Monique de Beer. U kunt niet naar de crematie gaan. U schrijft haar een kaartje. Tilburg, 25 mei 2009 Beste Monique,

Ik wens je veel sterkte de komende tijd. Groetjes,

Lezen en schrijven Oefening 24 Lees het gedicht ‘Verleden, heden, toekomst’. Ik leef in het heden, achter me ligt het verleden. Het verleden laat ik met rust, in het heden zoek ik levenslust. Het verleden laat mij niet los. Het heden is nu als een donker bos. Het verleden is voorbij, de toekomst ligt voor mij. Ik leef in het heden en verlaat mijn verleden. Het verleden is voorbij, de toekomst ligt voor mij! Bron: http://www.gedichten-freaks.nl/425633/

Schrijf nu zelf een kort verhaal of gedicht met de titel: Verleden, heden, toekomst

220

Thema 10 Verleden, heden, toekomst


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 221

Grammatica


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 222

Grammaticale termen

bepaald bezittelijk voornaamwoord bijvoeglijk naamwoord bijwoord enkelvoud gebiedende wijs hulpwerkwoord klinker lidwoord lijdend voorwerp medeklinker meervoud onbepaald onderwerp onvoltooid tegenwoordige tijd onvoltooid verleden tijd overtreffende trap persoonlijk voornaamwoord scheidbare werkwoorden vergrotende trap voegwoord voltooid deelwoord voltooid tegenwoordige tijd voltooid verleden tijd voornaamwoord voorvoegsel voorzetsel wederkerend voornaamwoord wederkerende werkwoorden werkwoord woordenschat zelfstandig naamwoord

222

Grammatica

definitiet possessief pronomen adjectief adverbium singularis imperatief auxiliair vocaal artikel object consonant pluralis indefinitiet subject presens imperfectum superlatief personaal pronomen separabele verba comparatief conjunctie participium perfectum plusquamperfectum pronomen prefix prepositie reflexief pronomen reflexieve verba verbum vocabulaire substantief


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 223

1 Het verbum

1.1 presens personaal pronomen + verbum presens subject de stam van het verbum = infinitief zonder –en Voorbeeld

infinitief: werken

stam: werk

personaal pronomen singularis 1 ik 2 jij / je / u

finiete verbum stam stam + t stam je / jij stam + t

3 hij / zij / ze pluralis 1 wij / we 2 jullie 3 zij / we

Voorbeelden

infinitief infinitief infinitief

werken singularis 1 ik 2 jij / je / u 3

werk werkt werk je hij / zij / ze werkt

pluralis 1 wij / we 2 jullie 3 zij / ze

werken werken werken

spreken

zitten

komen

gaan

spreek spreekt spreek jij spreekt

zit zit zit je zit

kom komt kom jij komt

ga gaat ga je gaat

spreken spreken spreken

zitten zitten zitten

komen komen komen

gaan gaan gaan

Onregelmatige verba: hebben en zijn hebben singularis 1 ik 2 jij / je

3

heb hebt heb je u hebt / heeft hij / zij / ze heeft

pluralis 1 wij / we 2 jullie 3 zij / ze

hebben hebben hebben

zijn ben bent ben je bent is

zijn zijn zijn

Grammatica

223


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 224

Oefening 1

(na thema 1)

Vul de goede vorm van het verbum in. Voorbeeld

Pieter _______________ woont (wonen) in Den Haag. (gaan) u naar huis? We _______________ (spreken) Nederlands in de les. Ik ben Carla. Hoe _______________ (heten) jullie? Robert _______________ (wonen) in een dorp. _______________ (hebben) je kinderen? De docent _______________ (komen) te laat. Wat _______________ (doen) jullie vanavond? Ik _______________ (zijn) psycholoog. Mijn broer _______________ (werken) in een supermarkt. Hij _______________ (ontmoeten) zijn collega’s in de kantine. We _______________ (zitten) vandaag in lokaal 1.10. Ik _______________ (kennen) mijn man vijf jaar. _______________ (studeren) jullie Spaans?

1 _______________ 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13

Oefening 2

(na thema 1)

Maak de zin compleet. Vul de goede vorm van een verbum in. Voorbeeld

Karel _______________ Nederlander. is 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

We _______________ morgen naar de les. _______________ jij Maria? Ik _______________ drie dagen per week. Michel _______________ Nederlander. Wat _______________ jullie zaterdag? Ik _______________ Jaap twee jaar. De studenten _______________ in de kantine. _______________ jij in Nijmegen? Rob _______________ aan de universiteit Groningen. _______________ u Nederlands?

Oefening 3

(na thema 2)

Kies het goede verbum. Vul het verbum in de goede vorm in. Voorbeeld

Eric _______________ in de bus. zit

beginnen – dansen – geven – horen – houden – kopen – krijgen – kunnen – missen – moeten 1 2 3

224

Grammatica

John _______________ met Karin. We _______________ een museumjaarkaart voor Betty. Ik _______________ van actiefilms.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 225

jij Caroline een groot cadeau? De les _______________ om 13.00 uur. Hoe laat _______________ jullie naar huis? _______________ jullie me helpen? Hoeveel kaartjes _______________ u op uw verjaardag? We _______________ klassieke muziek. Hij _______________ zijn vrienden in Australië.

4 _______________ 5 6 7 8 9 10

Oefening 4

(na thema 2)

Kies het goede verbum. Vul het verbum in de goede vorm in. Voorbeeld

Eric _______________ neemt de bus.

nemen – pakken – reizen – ruilen – staan – vinden – voelen – willen – worden – zoeken

je al lang buiten? Hij _______________ zich niet goed. Hij gaat naar bed. Ik _______________ een kopje thee en een plakje cake. Mirjam _______________ de cd. Ze heeft het bonnetje nog. Wat _______________ u van Nederland? Wim _______________ morgen 32 jaar. _______________ jullie een extra oefening? Ik _______________ mijn pen. We _______________ op maandag met de trein. _______________ jullie de boeken?

1 _______________ 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Oefening 5

(na thema 2)

Maak de zin compleet. Vul de goede vorm van een verbum in. Voorbeeld

Karel _______________ Nederlander. is je een vriendin? ’s Ochtends _______________ ik een kopje koffie. Haar zus _______________ niet van chocola. Mijn broer _______________ in een grote stad. In mei _______________ ik eindexamen. We _______________ Amsterdam een mooie stad. _______________ jij een cadeautje voor Ahmed? Ik _______________ in de trein. De film _______________ om 20.30 uur. _______________ jullie Engels? We _______________ een cadeautje voor Ellen. Ik _______________ een kopje thee met een stukje taart. De computer _______________ op tafel. Hoe oud _______________ je moeder vandaag?

1 _______________ 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14

Grammatica

225


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 226

Oefening 6

(na thema 3)

Vul het verbum in de goede vorm en de goede plaats in de zin in. Voorbeeld

(nemen) Eric de bus. _________________________________________________________________________________________________________ Eric neemt de bus. 1

(doen) Op zaterdag ik altijd boodschappen. _________________________________________________________________________________________________________

2

(wonen) je in de Palmstraat? _________________________________________________________________________________________________________

3

(helpen) Mijn broer me met mijn huiswerk. _________________________________________________________________________________________________________

4

(passen) Maria de rode jurk. _________________________________________________________________________________________________________

5

(komen) jullie uit Engeland? _________________________________________________________________________________________________________

6

(winkelen) Twee keer per jaar Simone en Mila in Haarlem. _________________________________________________________________________________________________________

7

(zijn) Ik nu aan de beurt! _________________________________________________________________________________________________________

8

(gaan) Zondag we naar Den Haag. _________________________________________________________________________________________________________

9

(zeggen) Wat u? _________________________________________________________________________________________________________

10

(kijken) Vanavond Willem televisie. _________________________________________________________________________________________________________

1.2 modale verba zullen = 1 een voorstel, 2 een afspraak, een belofte 1 Zullen we naar een cafĂŠ gaan? 2 Komt u morgen? Ja, dat zal ik doen.

willen = wensen, verlangen Wil jij appeltaart? Ik wil volgend jaar biologie studeren.

kunnen = mogelijk zijn U kunt de toets morgen doen. Hij kan goed Engels praten.

mogen = niet verboden zijn, toegestaan zijn Mag ik u iets vragen? In de kantine mag u niet roken.

226

Grammatica


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 227

moeten = verplicht zijn, nodig zijn U moet uw huiswerk maken. We moeten Nederlands leren.

hij/zij

zullen zal zal / zult zal je/zul je zal

willen wil wil / wilt wil je wil

kunnen kan kan / kunt kan je/kun je kan

mogen mag mag mag je mag

moeten moet moet moet je moet

we jullie ze

zullen zullen zullen

willen willen willen

kunnen kunnen kunnen

mogen mogen mogen

moeten moeten moeten

ik je/u

Oefening 7

Vul de goede vorm van het modale verbum in. Voorbeeld

(kunnen) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

(zullen) (mogen) (kunnen) (willen) (moeten) (mogen) (zullen) (kunnen) (willen) (moeten)

Ze _______________ drie talen spreken. kan ik je helpen? Jullie _______________ met pen schrijven. Thomas _______________ niet naar de les komen. Carolien _______________ naar AustraliĂŤ gaan. We _______________ oefening 12 en 13 maken. _______________ ik om 16.00 uur naar huis gaan? _______________ we vanavond naar een cafĂŠ gaan? U _______________ goed dansen. Ik _______________ sociologie studeren. Je _______________ op tijd komen! _______________

Oefening 8

Maak de zin compleet. Vul de goede vorm van een modaal verbum in. Voorbeeld

Ik _______________ je morgen bellen. Is dat goed? zal 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Aan het eind van de cursus _______________ jullie een toets maken. _______________ jullie een biertje? Jongeren onder de 16 jaar _______________ geen alcohol kopen. Mijn neef _______________ goed zingen. Hij zingt in een koor. We _______________ zondag naar het Van Gogh museum gaan. Monique _______________ goed Frans spreken. _______________ we vrijdagavond naar de bioscoop gaan? Ik _______________ morgen naar de dokter. _______________ jullie me helpen? _______________ ik het raam opendoen, alstublieft?

Grammatica

227


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 228

Oefening 9

Geef antwoord op de volgende vragen. Gebruik in uw antwoord een modaal verbum. 1

Wanneer wilt u naar Haarlem gaan? _________________________________________________________________________________________________________

2

Kunt u zwemmen? _________________________________________________________________________________________________________

3

Wie moet het huiswerk corrigeren? _________________________________________________________________________________________________________

4

Mag ik het huiswerk een dag later inleveren? _________________________________________________________________________________________________________

5

Wanneer kunnen we naar de bioscoop gaan? _________________________________________________________________________________________________________

6

Moet u hard werken? _________________________________________________________________________________________________________

7

Wat wilt u morgen doen? _________________________________________________________________________________________________________

8

Kunt u al goed Nederlands spreken? _________________________________________________________________________________________________________

9

Kunt u goed koken? _________________________________________________________________________________________________________

10

Mag ik je auto even lenen? _________________________________________________________________________________________________________

1.3 perfectum perfectum = een combinatie van twee verba: Verbum 1 = auxiliair = een vorm van hebben of zijn Verbum 2 = participium Regelmatige verba Participium = ge + stam + t of d Regel

Kijk naar de consonanten in het woord: ’t ex-kofschip

’t e x-k o f s ch i p Kijk naar de stam van het verbum. Is de laatste letter van de stam een van deze consonanten? Dan is het voltooid deelwoord ge + stam + t Is de laatste letter een andere consonant of een vocaal? Dan is het voltooid deelwoord ge + stam + d

228

Grammatica


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 229

Voorbeeld

Infinitief werken fietsen praten

stam werk fiets praat

participium gewerkt gefietst gepraat

wonen mailen waaien

woon mail waai

gewoond gemaild gewaaid

Hij heeft gisteren de hele dag gewerkt. Ik heb zondag 45 kilometer gefietst. Ik heb de hele dag Nederlands gepraat.

We hebben twee jaar in Eindhoven gewoond. Wanneer heb jij me gemaild? Het heeft gisteren hard gewaaid. Let op

verba met z in de infinitief: participium eindigt op –sd verba met v in de infinitief: participium eindigt op –fd

Voorbeeld

reizen: We zijn naar Spanje gereisd. proeven: Heb je die lekkere kaas al geproefd?

Onregelmatige verba Veel verba zijn onregelmatig. Bij deze verba kunt u de vorm van het participium niet zelf maken. Zoek de goede vorm op in de lijst op pagina 266 en leer de vormen van veel gebruikte verba uit uw hoofd. Voorbeeld

Ik ben naar Maastricht geweest. (infinitief: zijn) We hebben veel gedaan. (infinitief: doen) De man heeft ons veel tips gegeven. (infinitief: geven)

Verba in combinatie met een vorm van zijn Kijk naar de volgende verba in het perfectum. zijn gaan komen blijven worden beginnen stoppen gebeuren veranderen

Ik ben gisteren naar Amsterdam geweest. Wij zijn om 17.00 uur naar huis gegaan. Mila is twee jaar geleden naar Nederland gekomen. Het feest was gezellig, we zijn lang op het feest gebleven. Simone is 25 jaar geworden. De les is om 9 uur begonnen. Peter is met zijn studie gestopt. Op de A2 is vanmiddag een ongeluk gebeurd. Er is de laatste jaren in Nederland veel veranderd.

Grammatica

229


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 230

trouwen slagen zakken stijgen dalen

Regel

Carla en Johan zijn vorig jaar getrouwd. Ik ben voor mijn examen geslaagd. Veel studenten zijn helaas voor het examen gezakt. Het aantal studenten in Utrecht is met 10 procent gestegen. Het aantal studenten in Amsterdam is met 5 procent gedaald.

In het perfectum gebruiken we bij deze verba altijd een vorm van zijn.

Verba zonder (extra) ge- in het participium Kijk naar de volgende verba in het perfectum. gebeuren beginnen ontmoeten herhalen vertellen ervaren

Regel

Wat is er gebeurd? De les is om 9.00 uur begonnen. Willem heeft Mila in Peru ontmoet. De leraar heeft de grammatica herhaald. Hij heeft een interessant verhaal verteld. Wij hebben veel nieuwe dingen ervaren.

Als een verbum begint met een van de volgende syllabes: ge-, be-, ont-, her-, ver-, er-, dan begint het participium met dezelfde syllabe. Het participium krijgt dus geen (extra) syllabe ge- aan het begin.

Oefening 10

Zet de zinnen in het perfectum. Voorbeeld

(bellen) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

230

Grammatica

(bellen) (wachten) (werken) (studeren) (wonen) (leren) (maken) (luisteren) (koken) (praten)

Ik _______________ mijn vader gisteren _______________ heb gebeld . Catharina _______________ haar tante _______________ . Ik _______________ een uur op je _______________ . _______________ jullie samen aan deze oefening _______________ ? Vroeger _______________ hij Italiaans _______________ . Hoe lang _______________ jij in Amerika _______________ ? We _______________ veel nieuw vocabulaire _______________ . Hij _______________ zijn huiswerk niet _______________ . _______________ u vanochtend naar de radio _______________ ? Je _______________ lekker _______________ . In de kantine _______________ we over het feest _______________ .


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 231

Oefening 11

Zet de zinnen in het perfectum. Voorbeeld

(slapen) 1

(hebben)

2

(geven) (doen)

3

4 5 6 7 8 9 10

(eten) (zien) (kijken) (spreken) (drinken) (lezen) (schrijven)

geslapen . Ik _______________ vanochtend tot 10 uur ___________________ heb Voor zijn verjaardag _______________ hij een nieuwe fiets _______________ . Wat _______________ jij Karin voor haar verjaardag _______________ ? We _______________ donderdagavond alle boodschappen _______________ . Ik _______________ gisteravond pizza _______________ . _______________ u die nieuwe film met Tom Cruise _______________ ? Gisteren _______________ Max vier uur televisie _______________ . Wanneer _______________ jullie de directeur _______________ ? Ik _______________ een lekker glaasje wijn _______________ . Jan _______________ de krant al _______________ . Mijn oma _______________ me een leuke brief _______________ .

Oefening 12

Zet de zinnen in het perfectum. Voorbeeld

(bezoeken)

Zondag we mijn opa.

_________________________________________________________________________________________________________ Zondag hebben we mijn opa bezocht.

1

(doen)

In augustus Anton eindexamen.

_________________________________________________________________________________________________________

2

(schrijven)

Ik mijn vriendin in ArgentiniĂŤ een brief.

_________________________________________________________________________________________________________

3

(eten)

u lekker?

_________________________________________________________________________________________________________

4

(brengen)

Eerst ze haar kinderen naar school.

_________________________________________________________________________________________________________

5

(drinken)

je op het feestje bier?

_________________________________________________________________________________________________________

6

(slapen)

Vannacht ik maar vijf uur.

_________________________________________________________________________________________________________

7

(nemen)

Bij het eten we een glaasje rode wijn.

_________________________________________________________________________________________________________

8

(hebben)

Ik vroeger veel problemen.

_________________________________________________________________________________________________________

9

(kopen)

Waar u dit boek?

_________________________________________________________________________________________________________

10

(gaan)

We met de auto naar Den Haag.

_________________________________________________________________________________________________________

11

(denken)

jullie aan haar verjaardag?

_________________________________________________________________________________________________________

12

(kijken)

Hij zondagavond naar een documentaire.

_________________________________________________________________________________________________________

Grammatica

231


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 232

13

(geven)

Mijn broers me voor mijn huwelijk een mooi cadeau.

_________________________________________________________________________________________________________

14

(lezen)

je dat artikel?

_________________________________________________________________________________________________________

15

(komen)

Eline en Claire met het vliegtuig naar Nederland.

_________________________________________________________________________________________________________

16

(krijgen)

Van mijn ouders ik een museumjaarkaart.

_________________________________________________________________________________________________________

Oefening 13

Werk in tweetallen. Geef antwoord op de volgende vragen: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14

Wie heeft gisteravond gekookt? Hoe laat bent u zaterdag opgestaan? Hoe laat bent u zondag naar bed gegaan? Waar bent u na de vorige les naartoe gegaan? Wanneer hebt u voor het laatst nieuwe kleren gekocht? Wanneer bent u naar Nederland verhuisd? Wanneer hebt u uw tanden gepoetst? Hebt u weleens erwtensoep gegeten? Waar bent u gisteren geweest? Hoe bent u naar de les gekomen? Wanneer hebt u uw huiswerk gemaakt? Wat hebt u vanochtend gedronken? Wanneer hebt u boodschappen gedaan? Waar hebt u vroeger gewoond?

Oefening 14

Schrijf een korte tekst (50 tot 70 woorden). Geef antwoord op de vraag: Wat hebt u in het weekend gedaan? _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________ _________________________________________________________________________________________________________

232

Grammatica


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 233

Oefening 15

(na thema 5)

Werk in tweetallen. Zet de vragen in het perfectum. Beantwoord de vragen in complete zinnen. 1

Kijkt u naar Nederlandse tv? _________________________________________________________________________________________________________

2

Gaat u naar de film? _________________________________________________________________________________________________________

3

Sport u veel? _________________________________________________________________________________________________________

4

Wat eet u bij de lunch? _________________________________________________________________________________________________________

5

Wat drinkt u bij het eten? _________________________________________________________________________________________________________

6

Speelt u een muziekinstrument? _________________________________________________________________________________________________________

7

Luistert u naar de Nederlandse radio? _________________________________________________________________________________________________________

8

Wandelt u in het weekend? _________________________________________________________________________________________________________

9

Verliest u weleens een wedstrijd? _________________________________________________________________________________________________________

10

Fietst u naar uw werk of studie? _________________________________________________________________________________________________________

Oefening 16

(na thema 7)

Werk in tweetallen. Geef antwoord op de volgende vragen: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

Hebt u vroeger in een dorp of in een stad gewoond? Wanneer bent u naar Nederland verhuisd? Waarom? Hebt u uw woning gehuurd of gekocht? Wat hebt u aan uw woning veranderd? Waarom? Met wie hebt u de afgelopen week Nederlands gesproken? Hebt u weleens een ongeluk gehad? Wat is er gebeurd? Hebt u uw sleutels weleens verloren? Hebt u afgelopen weekend met vrienden afgesproken? Met welk vervoermiddel bent u naar Nederland gekomen? Wanneer bent u voor het laatst bij de dokter geweest? Waarom? Wanneer bent u voor het laatst in het ziekenhuis geweest? Waarom? Hebt u gisteren naar het nieuws gekeken? Welk nieuws? Hebt u deze week iets aan sport gedaan? Welke sport? Hebt u vroeger veel gesport? Welke sport? Hebt u gisteren gezond gegeten? Hebt u afgelopen nacht goed geslapen? Bent u in het weekend veel buiten geweest? Bent u zaterdagavond uitgegaan? Waar naartoe? Hoe laat bent u vanochtend opgestaan? Met wie hebt u de afgelopen weken samengewerkt?

Grammatica

233


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 234

1.4 imperfectum Regelmatige verba Singularis (voor alle personen): stam + -te of -de Pluralis (voor alle personen): stam + -ten of -den Regel

Kijk naar de consonanten in het woord: ’t ex-kofschip

’t e x-k o f s ch i p Kijk naar de stam van het verbum. Is de laatste letter van de stam een van deze consonanten? Dan is het imperfectum: stam + te(n) Is de laatste letter een andere consonant of een vocaal? Dan is het imperfectum: stam + de(n)

Voorbeeld

infinitief

stam maak dans wacht

imperfectum singularis maakte danste wachtte

maken dansen wachten

pluralis maakten dansten wachtten

bellen antwoorden gooien

bel antwoord gooi

belde antwoordde gooide

belden antwoordden gooiden

Hij maakte zijn huiswerk na het eten. Vroeger danste hij met Carina, nu danst hij met Angelique. We wachtten in de regen op Sinterklaas.

Mila belde gisteren met haar zus. Wat antwoordden jullie toen? Hij gooide de bal door het raam van de buren. Let op

verba met z in de infinitief: imperfectum eindigt op –sde(n) verba met v in de infinitief: imperfectum eindigt op –fde(n)

Voorbeeld

reizen: Vroeger reisden wij altijd met de trein of de bus. leven: Rembrandt leefde van 1606 tot 1669.

234

Grammatica


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 235

Onregelmatige verba Veel verba zijn onregelmatig. Bij deze verba kunt u de vormen van het imperfectum niet zelf maken. Zoek de goede vorm op in de lijst op pagina 266 - 268 en leer de vormen van veel gebruikte verba uit uw hoofd. Voorbeeld

Vorig jaar ging ik bijna elk weekend naar Maastricht. (infinitief: gaan) Toen we op vakantie waren, deden we niks. (infinitieven: zijn en doen) De man gaf zijn vrouw een mooi cadeau voor haar verjaardag.(infinitief: geven) Vorig jaar kwamen er meer toeristen naar ons land dan dit jaar. (infinitief: komen)

Let op

bij onregelmatige verba: geen –e in singularis: Ik ging, hij gaf, zij kwam, jij deed, … bij regelmatige verba: wel een –e in singularis: ik werkte, hij woonde, zij praatte, jij mailde, …

Oefening 17

Vul de goede vorm van de verba in het imperfectum op de juiste plaats in. Voorbeeld

(maken) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11

12 13 14 15 16 17 18 19 20

Maakte __________________

jij vroeger altijd je huiswerk?

Wat _______________ hij met: ‘Dat valt wel mee’? Ik _______________ dat oefening 5 huiswerk was. Vroeger _______________ we naar school. Gisteren _______________ Tom hoofdpijn. _______________ jullie vroeger ook naar Sesamstraat? Mijn opa _______________ Klaas. De les _______________ een kwartier eerder. Ik _______________ mijn partner op vakantie in Griekenland. Zondag _______________ we een dagje naar Maastricht. Hoe laat _______________ jullie gisteren in bed? Voor zijn verjaardag _______________ hij een horloge van zijn vriendin. (helpen) Wie _______________ jou vroeger met je huiswerk? (spelen) Vroeger _______________ mijn zus piano. (schilderen) Vincent van Gogh _______________ veel zonnebloemen. (komen) Vanochtend _______________ ik te laat op mijn werk. (genieten) Op vakantie _______________ we van de rust en de zon. (leggen) Erik _______________ de baby in bed. (snappen) _______________ je de mop? (reizen) Mijn oom _______________ vaak naar verre landen. (houden) Vroeger _______________ ik van zoute drop, nu niet meer. (bedoelen) (denken) (lopen) (hebben) (kijken) (heten) (beginnen) (ontmoeten) (gaan) (liggen) (krijgen)

Grammatica

235


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 236

Oefening 18

Vul de goede vorm van de verba in het imperfectum op de juiste plaats in. Voorbeeld

jij vroeger altijd je huiswerk? _________________________________________________________________________________________________________ Maakte jij vroeger altijd je huiswerk?

(maken)

1

(smeren)

Mijn moeder vroeger altijd mijn boterhammen.

_________________________________________________________________________________________________________

2

(verliezen)

Ajax gisteren met 3-2 van PSV.

_________________________________________________________________________________________________________

3

(staan)

We meer dan een kwartier in de regen.

_________________________________________________________________________________________________________

4

(fietsen)

u vroeger weleens?

_________________________________________________________________________________________________________

5

(zeggen)

Wat jullie tegen hem?

_________________________________________________________________________________________________________

6

(kopen)

In Spanje ze een appartement vlakbij Barcelona.

_________________________________________________________________________________________________________

7

(spelen)

Toen ik klein was, ik vaak met mijn vriendjes op straat.

_________________________________________________________________________________________________________

8

(sporten)

Vorig jaar je nog twee keer per week.

_________________________________________________________________________________________________________

9

(worden)

Toen mijn vader 61 was, hij opa.

_________________________________________________________________________________________________________

10

(eten)

Vroeger ik elke dag soep.

_________________________________________________________________________________________________________

11

(lijken)

Haar broer erg op zijn vader.

_________________________________________________________________________________________________________

12

(vertrekken) De trein vijf minuten te laat. _________________________________________________________________________________________________________

13

(studeren)

In de jaren ’60 mijn moeder aan de universiteit Leiden.

_________________________________________________________________________________________________________

14

(vertellen)

Wat Eline je?

_________________________________________________________________________________________________________

15

(klussen)

Vorig weekend we in ons nieuwe huis.

_________________________________________________________________________________________________________

16

(voetballen) Vroeger Justin drie keer per week. _________________________________________________________________________________________________________

17

(werken)

Toen ik klein was, mijn moeder twee dagen per week.

_________________________________________________________________________________________________________

18

(geven)

Wat jullie Saskia voor haar verjaardag?

_________________________________________________________________________________________________________

19

(vinden)

We de film erg mooi.

_________________________________________________________________________________________________________

20

(moeten)

u lang op de bus wachten?

_________________________________________________________________________________________________________

236

Grammatica


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 237

1.5 praten over de toekomst

1 presens + tijdindicatie van toekomst Volgende week begint de nieuwe cursus. Over twee jaar ben ik klaar met mijn studie. Aanstaande zaterdag geven wij een feest. Komen jullie ook?

2 een vorm van gaan + infinitief Na de zomervakantie ga ik in Amsterdam met mijn studie beginnen. Als ik klaar ben met mijn studie, ga ik een baan zoeken.

3 een vorm van zullen + infinitief A Een prognose: Over vijftig jaar zullen er 20 miljoen mensen in Nederland wonen. B Een voorstel of suggestie: Zullen we morgen naar het strand gaan? C Een belofte: Bel je me binnenkort? Ja, dat zal ik doen.

Oefening 19

Geef een reactie op onderstaande vragen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Wat zullen we vanavond eten? Wat doet u over tien jaar, denkt u? Help je mij met het huiswerk? Wat gaan jullie morgen doen? Wat zullen we zondag gaan doen? Wat gaat u vanavond doen? Waar woont u over vijf jaar, denkt u? Wat gaat u dit jaar met kerstmis doen? Kook jij morgen? Wat gaan jullie met Koningsdag doen?

1.6 separabele verba

Een separabel verbum bestaat uit een prefix en een basisverbum. In de infinitief is het prefix het eerste deel van het woord. Het woordaccent valt op het prefix. Voorbeeld

uitdoen, innemen, opbellen, opschrijven, aankomen, uitstappen‌ In het participium is het prefix ook het eerste deel van het woord.

Voorbeeld

uitgedaan, ingenomen, opgebeld, opgeschreven, aangekomen, uitgestapt ‌

Grammatica

237


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 238

presens één verbum: prefix gescheiden van het verbum, aan het einde van de zin Ik doe mijn sokken en schoenen uit. Hij neemt het medicijn twee keer per dag in. Bel je me vanavond op? Let op

In de bijzin zijn prefix en verbum niet gescheiden! Hij zegt dat hij zijn sokken en schoenen uitdoet. Het is beter als u het medicijn twee keer per dag inneemt. Ik hoop dat hij me vanavond opbelt. twee verba: auxiliair + infinitief Wilt u uw sokken en schoenen uitdoen? U moet het medicijn twee keer per dag innemen. Kun je me vanavond opbellen?

Imperatief: prefix gescheiden van het verbum, aan het eind van de zin Doet u uw sokken en schoenen uit! Neem het medicijn twee keer per dag in! Bel me vanavond op!

perfectum twee verba: auxiliair (‘hebben’ of ‘zijn’) + participium Ik heb mijn sokken en schoenen uitgedaan. Hij heeft het medicijn gisteren niet ingenomen. Wie heeft jou gisteren opgebeld? In de bijzin staan de twee verba samen aan het einde van de zin. De volgorde van de verba onderling is dan variabel. Er zijn twee mogelijkheden: Hij zegt dat hij het medicijn gisteren niet heeft ingenomen. Of: Hij zegt dat hij het medicijn gisteren niet ingenomen heeft.

imperfectum één werkwoord: prefix gescheiden van het verbum, aan het einde van de zin Ik deed thuis mijn schoenen uit. Hij nam zijn medicijnen dagelijks in. Let op

238

Grammatica

In de bijzin zijn prefix en verbum niet gescheiden! Hij zei dat hij zijn sokken en schoenen uitdeed. Ik voelde me snel beter toen ik het medicijn dagelijks innam.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 239

Oefening 20

Vul de goede vorm van het separabel verbum in. Gebruik het presens. Voorbeeld

(opbellen) 1

2 3 4 5 6 7 8 9 10

Hij _______________ me altijd om acht uur _______________ . op belt

Als ik naar Tilburg ga, _______________ ik in Den Bosch _______________ . (uitgaan) Mila en Willem _______________ zaterdagavond _______________ . (schoonmaken) Morgen _______________ Elise de keuken _______________ . (meenemen) _______________ jij op vakantie je laptop _______________ ? (uitslapen) Als het weekend is, _______________ we tot 11.00 uur __________ . (aandoen) _______________ even het licht _______________ ! Het is zo donker. (terugbrengen) Wanneer _______________ u de boeken _______________ ? (aankomen) Kris _______________ zondagochtend op Schiphol _______________ . (instappen) _______________ snel _______________ ! De bus vertrekt zo. (dichtdoen) Omdat het koud is, _______________ ik het raam _______________ . (overstappen)

Oefening 21

Vul de goede vorm van het separabel verbum in. Gebruik het perfectum. Voorbeeld

(opbellen) 1 2 3

4 5 6 7

8 9 10

heeft opgebeld . Hij _______________ me gisteravond ____________________

Vanochtend _______________ hij om half zeven _______________ . Als we _______________ _______________ , drinken we koffie. Voor hun bruiloft _______________ ze meer dan honderd gasten _______________ . (samenwerken) Karin zegt dat ze goed met je _______________ _______________ . (afspreken) Wat _______________ je met Pieter _______________ ? (uitstappen) Bij het station _______________ we _______________ . (meebrengen) Omdat ik jarig ben, _______________ ik taart voor iedereen _______________ . (uitzetten) Wie _______________ de televisie _______________ ? (uitdoen) Het is zo warm. We _______________ onze jassen _______________ . (innemen) _______________ je je medicijnen _______________ ? (opstaan) (afwassen) (uitnodigen)

Oefening 22

Werk in tweetallen. Beantwoord onderstaande vragen. Antwoord in complete zinnen. 1 2 3 4 5 6 7

Wat trekt u aan als u gast bent op een bruiloft? Wanneer hebt u voor het laatst uw huis schoongemaakt? In welke situatie moet u uw mobiele telefoon uitzetten? Doet u de deur even dicht? Hebben jullie het huiswerk al bij de docent ingeleverd? Mag ik het raam opendoen? Bent u met de trein? Zo ja, hoe laat is uw trein aangekomen?

Grammatica

239


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 240

8 9 10

Hoeveel mensen hebben zich voor deze cursus ingeschreven? Hebt u afgelopen jaar uw huis opgeknapt? Moet u regelmatig medicijnen innemen?

1.7 reflexieve verba reflexief verbum = verbum + me, je, zich of ons zich ergeren ik erger me jij ergert je u ergert zich hij / zij ergert zich

wij ergeren ons jullie ergeren je u ergert zich zij ergeren zich

positie van me, je, zich of ons 1 Normale hoofdzin: achter het (eerste) verbum Ik erger me aan de lange files. We kunnen ons vreselijk aan sigarettenrook ergeren. Johan heeft zich aan zijn collega geĂŤrgerd.

2 Vraagzin of andere zinnen met inversie: achter het subject Aan welke dingen ergeren jullie je? Soms ergert hij zich aan lawaai bij de buren.

3 Bijzin: achter het subject Hij zegt dat hij zich aan de lange files in Nederland ergert. We gaan klagen bij de buren omdat we ons aan het lawaai ergeren. voorbeelden van reflexieve verba (zoek de betekenis op in een woordenboek) zonder prepositie zich herinneren zich scheren zich verslapen zich vergissen zich voelen zich wassen

240

Grammatica

met prepositie zich aanmelden voor zich aanpassen aan zich ergeren aan zich inschrijven voor zich melden bij zich verbazen over zich verheugen op zich zorgen maken over


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 241

Oefening 23

Zet het reflexieve verbum in de juiste vorm in de zin. Gebruik het presens. Voorbeeld

(zich wassen) 1

(zich vergissen)

2

4

(zich ergeren) (zich voelen) (zich inschrijven)

5

(zich verheugen)

3

Hij _______________ _______________ elke avond voor het slapen. wast zich De docent _______________ _______________ vaak in de namen van de cursisten. Ik _______________ _______________ aan de hondenpoep op straat. Vandaag _______________ Simone _______________ beter. _______________ jullie _______________ voor de volgende cursus _______________ ? Mila _______________ _______________ op het bezoek van haar vader.

Zoek zelf de goede plaats en de goede vorm van het verbum en het reflexief pronomen (me, je, zich, ons). 6

(zich scheren)

Willem niet elke dag.

_________________________________________________________________________________________________________

7

(zich verslapen)

Ik bijna nooit.

_________________________________________________________________________________________________________

8

(zich opmaken)

Als Mila naar een feest gaat, ze altijd.

_________________________________________________________________________________________________________

9

(zich verbazen)

We over de lange files op de snelwegen.

_________________________________________________________________________________________________________

10

(zich herinneren)

u uw eerste schooldag nog?

_________________________________________________________________________________________________________

Oefening 24

Zet het reflexief verbum in de juiste vorm in de zin. Gebruik het perfectum. Voorbeeld

(zich wassen)

3

(zich scheren) (zich verslapen) (zich aanmelden)

4

(zich vergissen)

5

(zich ergeren)

1 2

Hij _____________ gisteravond niet ___________________ zich heeft _____________ gewassen . Vandaag _______________ je ______________ niet goed _______________ . Sorry, ik _______________ _______________ vanochtend _______________ . We _______________ _______________ voor een computercursus _______________ . Hij denkt dat hij _______________ in het huisnummer _______________ _______________ . Gisteravond _______________ ik _______________ aan de harde muziek _______________ .

Grammatica

241


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 242

Zoek zelf de goede plaats en de goede vorm van het verbum en het reflexief pronomen (me, je, zich, ons). 6

(zich aanpassen)

Jullie aan veel Nederlandse eetgewoontes.

_________________________________________________________________________________________________________

7

(zich zorgen maken)

Ik over haar gezondheid veel.

_________________________________________________________________________________________________________

8

(zich wassen)

Ze vindt dat de kinderen niet goed.

_________________________________________________________________________________________________________

9

(zich melden)

Wanneer u bij de administratie?

_________________________________________________________________________________________________________

10

(zich inschrijven)

We bij een sportschool.

_________________________________________________________________________________________________________

1.8 om ‌‌.. te + infinitief 1 Doel van een actie beschrijven. Mila en Simone gaan naar de stad om te winkelen. De studenten gaan naar de bibliotheek om te studeren. Ik ga naar de supermarkt om boodschappen te doen. Willem belt het taalinstituut om informatie over cursussen Spaans te vragen.

2 Achter een adjectief. Ik vind het leuk om naar de film te gaan. Het is vervelend om elke dag in de file te staan.

3 Achter een substantief. Heb je zin om vanavond naar een concert te gaan? Ik heb geen tijd om je met de verhuizing te helpen.

Scheidbare verba: om ... prefix + te + infinitief Ik bel je vanavond om iets af te spreken. Je moet naar de administratie om je voor een taalcursus in te schrijven. Het is te koud om zomerkleding aan te trekken. We gaan vanavond tennissen. Heb je zin om met ons mee te doen?

Oefening 25

Maak de zinnen af. Voorbeeld

Ik ga naar de groenteboer om _________________________________________________________________ groente en fruit te kopen. 1 2

242

Grammatica

Ik heb zin om ____________________________________________________________________________________ Wilma vindt het fijn om _____________________________________________________________________


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 243

3 4 5 6 7 8 9 10

Zaterdag gaan we naar Schiphol om ____________________________________________________ Karel gaat naar het postkantoor om _____________________________________________________ Ik sport twee keer per week om _________________________________________________________ We vinden het egoïstisch om ______________________________________________________________ Ellen belt de bioscoop om __________________________________________________________________ Ik drink ’s ochtends drie koppen koffie om _________________________________________ Carla vindt het gevaarlijk om ______________________________________________________________ Jullie moeten nu rennen om _______________________________________________________________

Oefening 26

Werk in tweetallen. Stel elkaar de volgende vragen. Geef antwoord met om ... te ... 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Waarom gaat u naar de bakker? Wat vindt u leuk om te doen? Waarom gaat u naar Amsterdam? Waarom gaat u naar de universiteit? Wat vindt u belangrijk? Waarom stuurt u uw collega een kaart? Waarom hebt u een nieuwe laptop gekocht? Wat vindt u moeilijk? Wat vindt u vervelend? Waarom gaat u naar Parijs?

1.9 manieren van instructie / een opdracht geven Wil je … ? / Willen jullie …? Kun je…? /Kunnen jullie…? Wil je je handen wassen? Kun je me helpen?

Kunnen jullie op tijd komen? Wil je me vanavond bellen?

Deze vragen zijn bedoeld als (indirecte) opdrachten. De spreker verwacht geen negatieve reactie.

Je moet … / U moet … Je moet je handen wassen. Je moet me helpen.

Jullie moeten op tijd komen. Je moet me vanavond bellen.

De imperatief Was je handen. Help me.

Kom op tijd. Bel me vanavond.

Grammatica

243


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 244

Imperatief + eens…, eens even…, maar …, maar even Vergelijk

A Draai je enkel naar rechts! Ga staan! Ga zitten! Kom binnen!

B Draai je enkel eens naar rechts. Ga eens even staan. Ga maar zitten. Kom maar even binnen.

In de A-zinnen is de instructie heel direct, als een bevel, een commando. In de B-zinnen is de instructie vriendelijker, als een verzoek of uitnodiging.

Oefening 27

Geef op drie manieren instructies. Gebruik de woorden. Voorbeeld

raam opendoen

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

244

Grammatica

Wil je het raam opendoen? Je moet het raam opendoen. Doe het raam open!

boodschappen doen met oefening 6 beginnen onze afspraak niet vergeten geduld hebben jullie kamer opruimen met mijn huiswerk helpen je huiswerk inleveren de buren uitnodigen naar het bord kijken dit woord opzoeken nu weggaan een woordenboek kopen de telefoonrekening betalen naar huis gaan je mobiele telefoon uitdoen mijn fiets repareren langzamer praten een beetje opschieten je boek pakken de rommel opruimen


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 245

2 Zinsbouw

2.1 de hoofdzin 1 = subject Mijn zus Hij Wij

2 = finiete verbum is woont studeren

3 = rest jarig. in Arnhem. aan de universiteit.

Oefening 28

Zet de woorden in de goede volgorde. Zet het verbum in de juiste vorm. Voorbeeld

Maria – uit Portugal – komen ______________________________________________________________________________________________________________ Maria komt uit Portugal. 1

de studenten – zitten – in de kantine _________________________________________________________________________________________________________

2

een vriend – ik – hebben _________________________________________________________________________________________________________

3

jullie – Engels – spreken _________________________________________________________________________________________________________

4

zijn – 23 jaar - hij _________________________________________________________________________________________________________

5

naar Amsterdam – gaan – Barbara _________________________________________________________________________________________________________

6

studeren – u – sociologie _________________________________________________________________________________________________________

7

we – wonen – in het centrum _________________________________________________________________________________________________________

8

heten – ik – Sandra _________________________________________________________________________________________________________

9

Emma – met de trein – komen _________________________________________________________________________________________________________

10

naar het park – gaan – jullie _________________________________________________________________________________________________________

Oefening 29

Geef antwoord op de volgende vragen. Antwoord in complete zinnen. 1 2 3 4

Hoe heet u? _______________________________________________________________________________________ Waar wonen Willem en Mila? ______________________________________________________________ Welke talen spreekt u? ________________________________________________________________________ Waar komt Mila vandaan? ___________________________________________________________________

Grammatica

245


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 246

5 6 7 8 9 10

Wat is uw adres? _________________________________________________________________________________ Hoe oud is Willem? ____________________________________________________________________________ Wat is uw geboortedatum? __________________________________________________________________ Wat doet Willem? _______________________________________________________________________________ Wat doet Mila? ___________________________________________________________________________________ Wat doet u? ________________________________________________________________________________________

2.2 hoofdzin met inversie De zin begint niet met het subject maar met een ander woord: finiete verbum = positie 2, subject = positie 3 1 = rest = inversie commando In september Elke dag Dat Morgen Met haar zoon Jan

2 = finiete verbum

3 = subject

4 = rest

ga reis vinden komt woont

ik ik we onze dochter Judith Marjan

studeren. met de trein. leuk. naar huis. in Apeldoorn.

Oefening 30

Zet de woorden in de goede volgorde. Zet het werkwoord in de juiste vorm. Begin met het woord met een hoofdletter. Voorbeeld

beginnen – de les – Om een uur ______________________________________________________________________________________________________________ Om een uur begint de les.

1

mijn broer – Morgen - trouwen

2

gaan - Elke dag – naar de les - we – met de bus

3

Maandag – worden – 80 jaar – hun opa

4

mijn boek – Ik – zoeken

5

Zondag – een feest – we – hebben

6

op tafel – De computer - staan

7

willen – dansen – ik – Vanavond

8

hebben – In juli – jullie – vrij

9

Haar oom – bij de politie – werken

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

10

In de bus – we – praten – over onze familie _________________________________________________________________________________________________________

246

Grammatica


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 247

Oefening 31

Maak de zinnen af. Voorbeeld

Om acht uur __________________________________________________________________________________________ ga ik naar mijn werk. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Donderdag ________________________________________________________________________________________ In de supermarkt _______________________________________________________________________________ In september _____________________________________________________________________________________ Na de film _________________________________________________________________________________________ Over vijf jaar _____________________________________________________________________________________ In onze straat _____________________________________________________________________________________ Op 19 mei _________________________________________________________________________________________ Aan de universiteit ____________________________________________________________________________ Volgende week __________________________________________________________________________________ Op het strand ____________________________________________________________________________________

2.3 de vraagzin open vraag: 1 = interrogatief Waar Hoe Welke dag Wanneer Waarom

2 = finiete verbum woont heet is gaan bent

3 = subject u? je? het jullie u

Vraagwoorden Wie? Wat? Waar Hoe? Welke?

Wie ben je? Wat doe je? Waar woon je? Hoe heet je? Welke taal spreek je?

Wanneer?

Wanneer ga je op vakantie?

4 = rest

vandaag? naar Parijs? in Nederland?

Ik ben Mila. Ik werk bij een bank. Ik woon in Amsterdam. Ik heet Anne. Ik spreek Spaans en een beetje Nederlands. Ik ga in januari op vakantie.

Oefening 32

Wat is de vraag? Voorbeeld

___________________________________________________ Hoe heet je?

? _______________________________________________ ? _______________________________________________ ? _______________________________________________ ?

1 _______________________________________________ 2 3 4

? Ik ben Christien. Ik werk in Zwolle. Het is vandaag woensdag. Hij is 33. We wonen in de Kerkstraat.

Grammatica

247


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 248

? _______________________________________________ ? _______________________________________________ ? _______________________________________________ ? _______________________________________________ ? _______________________________________________ ?

5 _______________________________________________ 6 7 8 9 10

Ik heb op maandag en donderdag les. Ze komen uit Hongarije. Mijn postcode is 1010 KB. Ze studeert Spaans. De les begint om half zes. Zijn e-mailadres is j.brandsma@gmail.nl

gesloten vraag (met antwoord ‘ja’ of ‘nee’): 1 = finiete verbum Mag Woont Willen

2 = subject ik u jullie

3 = rest iets vragen? in een dorp? een kopje koffie?

2.4 hoofdzin en bijzin hoofdzin subject Ik Ik We Ik

finiete verbum woon wil moeten wil

rest in Nederland. Nederlands nu de trein niet

verbum 2 leren. gaan. missen.

hoofdzin + want + hoofdzin Ik doe een cursus want ik wil Nederlands leren.

hoofdzin + maar + hoofdzin Ik wil een nieuwe auto kopen maar ik heb niet genoeg geld.

bijzin Voorbeelden

Ik doe een cursus omdat ik Nederlands wil leren. We moeten opschieten omdat de trein over drie minuten vertrekt. Ik koop een auto als ik genoeg geld heb. We komen nog op tijd als we nu gaan lopen.

conjunctie omdat omdat als als

248

Grammatica

subject ik de trein we we

rest Nederlands over drie minuten genoeg geld nu

finiete verbum verbum 2 wil leren. vertrekt. hebben. gaan lopen.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 249

hoofdzin + omdat + bijzin Ik doe een cursus. Ik wil Nederlands leren. Ik doe een cursus omdat ik Nederlands wil leren.

hoofdzin + als + bijzin Mijn ouders komen op bezoek. Ik ben jarig. Mijn ouders komen op bezoek als ik jarig ben.

want = omdat want + hoofdzin Ik heb geen les vandaag want de docent is ziek.

omdat + bijzin Ik heb geen les vandaag omdat de docent ziek is.

hoofdzin + bijzin Ik doe een cursus omdat ik Nederlands wil leren. Ik koop een auto als ik genoeg geld heb.

bijzin + hoofdzin met inversie Omdat ik Nederlands wil leren, doe ik een cursus. Als ik genoeg geld heb, koop ik een auto.

Oefening 33

Zet de woorden in de goede volgorde. Voorbeeld

Als – zaterdag – is – het, doe ik boodschappen. , doe ik boodschappen.

____________________________________________________ Als het zaterdag is

1

2

Mario koopt een museumjaarkaart omdat – gaat – vaak – hij – naar een museum. ___________________________________________________________________________________________ Mila woont in Nederland want – Nederlander – haar vriend – is. __________________________________________________________________________________________________________

3

4

5

Laura en Julio spreken meestal Engels omdat – niet goed – spreken – ze – Nederlands. ________________________________________________________________________________ Als – kapot – mijn fiets – is, ________________________________________________________________ _____________________________________________________________________ neem ik meestal de bus. Willem en Theo gaan zaterdag naar Amsterdam omdat - naar de expositie in de Nieuwe Kerk – ze – graag – willen - gaan. _____________________________ __________________________________________________________________________________________________________

6

Ik ga morgen naar de stad want – met mijn moeder – winkelen – ik - ga. __________________________________________________________________________________________________________

Grammatica

249


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 250

7

Je kan naar een taalinstituut gaan als – je – wil - leren - een nieuwe taal. __________________________________________________________________________________________________________

8

9

Omdat – ik – boeken – lees – graag _____________________________________________________ __________________________________________________ , ga ik regelmatig naar de bibliotheek. We nemen het vliegtuig als – mijn familie – we - bezoeken – willen. __________________________________________________________________________________________________________

10

Ik eet geen vlees omdat – vegetariër – ben – ik. __________________________________ __________________________________________________________________________________________________________

Oefening 34

Werk in tweetallen: A stelt de vraag, B geeft antwoord. Vraag met waarom – Antwoord met omdat. Vraag met wanneer – Antwoord met als. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14

Wanneer gaat u naar de markt? Wanneer koopt u een nieuwe jas? Waarom gaat u naar de bakker? Wanneer stopt u met Nederlands leren? Waarom lacht u? Wanneer leest u de krant? Waarom gaat u naar Barcelona? Wanneer bent u erg moe? Waarom wilt u verhuizen? Wanneer koopt u bloemen? Wanneer stuurt u een kaartje? Waarom zoekt u een andere baan? Wanneer eten Nederlanders beschuit met muisjes? Waarom hebt u een museumkaart?

Oefening 35

Maak de zinnen af. Voorbeeld

Omdat ____________________________________________________________________________ , ben ik te laat. mijn fiets kapot is 1 2 3 4 5 6

7 8 9 10 11 12

250

Grammatica

Mijn zus woont in Moskou want ________________________________________________________ . Ik ga naar mijn zus in Moskou als ______________________________________________________ . Zaterdag willen we naar Maastricht gaan omdat __________________________________ . Als __________________________________________________________ , ga ik morgen naar het park. Morgen moet hij naar zijn werk maar _________________________________________________ . Omdat _______________________________________________________________ , gaat ze morgen naar het ziekenhuis. Ik neem de trein als __________________________________________________________________________ . We hebben een auto maar _________________________________________________________________ . Hij gaat naar de groenteboer want _____________________________________________________ . Zondag gaan ze naar oma omdat ________________________________________________________ . Als _____________________________________________________________________________ , kom ik te laat. Omdat ____________________________________________ , koop ik een mooie bos bloemen.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 251

2.5 indirecte rede

hoofdzin + dat + Mila zegt

Vergelijk

dat

bijzin subject – rest – verbum/verba zij uit Peru komt.

Directe rede: Indirecte rede:

Willem zegt: ‘mijn enkel is dikker’. Willem zegt dat zijn enkel dikker is.

Directe rede: Indirecte rede:

De dokter zegt: ‘De enkel is niet gebroken’. De dokter zegt dat de enkel niet gebroken is.

Andere voorbeelden Je hebt last van je enkel. Ik heb gehoord dat je last van je enkel hebt.

Ik heb een verkeerde beweging gemaakt. Ik denk dat ik een verkeerde beweging heb gemaakt.

Mag ik volgende maand weer tennissen? Ik hoop dat ik volgende maand weer mag tennissen.

Oefening 36

Maak de zinnen indirect. Gebruik: ... zegt / zeggen dat ... Voorbeeld

Katja: ‘Het is tien uur.’ ______________________________________________________________________________________________________________ Katja zegt dat het tien uur is.

1

Michiel: ‘Ik ga met de auto naar mijn werk.’

2

Manon en Ferry: ‘We zijn dit jaar tien jaar getrouwd.’

3

Julius: ‘Ajax heeft gisteravond van Feyenoord gewonnen.’

4

Ellen: ‘Morgen heb ik een afspraak bij de dokter.’

5

Dokter: ‘Ik geef u een medicijn tegen de pijn.’

6

Chris: ‘Ik heb mijn huiswerk niet gemaakt.’

7

Melinda: ‘Gisteren heb ik met een vriendin gewinkeld.’

8

Michael: ‘Vrijdagavond ga ik met vrienden naar een concert.’

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

Grammatica

251


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 252

9

Kevin: ‘Volgende week komen mijn ouders naar Nederland.’ _________________________________________________________________________________________________________

10

Said en Karim: ‘We begrijpen oefening 3 niet.’ _________________________________________________________________________________________________________

Oefening 37

Maak de zinnen af. Voorbeeld

Angelique zegt dat ________________________________________________________________________________ . ze goed kan tennissen 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Peter denkt dat _________________________________________________________________________________ . We hopen dat ___________________________________________________________________________________ . De dokter zegt dat ____________________________________________________________________________ . Ik heb op de radio gehoord dat __________________________________________________________ . De Amerikaanse president zegt dat ____________________________________________________ . Ik heb gelezen dat ____________________________________________________________________________ . De docent heeft gezegd dat _______________________________________________________________ . Carlos weet zeker dat ________________________________________________________________________ . We hebben gehoord dat ____________________________________________________________________ . Hij denkt niet dat _____________________________________________________________________________ .

3 Het personaal pronomen

3.1 de functie van het personaal pronomen subject ik je / jij u hij ze / zij het

object me / mij je / jou u hem haar het

na prepositie met me / mij met je / jou met u met hem met haar ----------

possessief mijn / m’n je / jouw uw zijn / z’n haar / d’r ---------

we / wij jullie ze / zij

ons met ons jullie met jullie ze / hen met ze / hen hun (indirect object)

ons / onze jullie / je hun

Voorbeelden

Voorbeelden

Voorbeelden

Voorbeelden

Ik woon in Utrecht.

De dokter helpt me.

Maria spreekt met me.

Mijn auto is kapot.

Jullie zijn studenten.

Piet roept haar.

Zij kijken naar ons.

Jan belt zijn vader op.

Hij studeert in Utrecht.

Ik zie hen vanavond.

Ik ga met hem naar

Ons kind is klein.

de film.

Onze kinderen zijn klein.

252

Grammatica


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 253

Oefening 38

Kies het goede woord. Voorbeeld

Mijn vriendin heet Nina. Ik ga zaterdag met zij / haar winkelen. 1 2 3 4 5 6

7 8

9 10 11 12 13 14 15 16

Dit is Karel. Ik ga met hij / hem naar de bioscoop. Je oma is nu 80 jaar. Hoe gaat het met zij / haar? Hoe heet je / jou? Ons / Wij hebben les op maandag, dinsdag en donderdag. Karin leert Spaans. Ik help zij / haar met het huiswerk. Willem Alexander en Maxima wonen in Wassenaar. Ik ga morgen bij zij / ze op bezoek. Karel komt morgen bij we / ons eten. Kristen en Anna volgen een cursus Nederlands. Ik maak mijn huiswerk met hem / ze. Kan ik je / jij helpen? Ik wil in de pauze met hij / hem praten. U / Jou moet drie uur per dag studeren. Komen je / jullie volgende week naar mijn feestje? Mijn ouders wonen in Groningen. Ik zie haar / ze één keer per maand. Geef we / ons maar een kopje thee. Kunt u zij / haar een pen geven? Ik heb morgen een afspraak met jij / u.

Oefening 39

Kies het juiste pronomen voor de onderstreept woorden. Voorbeeld

Ik praat met Karin. Ik praat met haar. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Mijn vriendin en ik gaan vanmiddag naar de stad. Ik ga met Willem naar de film. De studenten drinken in de kantine koffie. Gaan Alice en jij naar de bruiloft van Judith? Jullie praten over de koningin. We ontmoeten onze vrienden in een café. De tas is van Mila. Haar man en zij spreken goed Nederlands. Vanmiddag ga ik bij mijn broer op bezoek. De docent geeft Peter en mij veel huiswerk.

Grammatica

253


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 254

Oefening 40

Werk in tweetallen. Beantwoord de vragen. Gebruik in het antwoord een personaal pronomen. Voorbeeld

Waar spelen de kinderen? Ze spelen op straat. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Hoe heet uw docent? Is de moeder van Elisabeth thuis? Woont meneer Zuiderdam bij u in het dorp? Is Robert uw broer? Waar zijn uw medecursisten? Wonen de ouders van Carolien en Alex in Nederland? Werken jullie vijf dagen per week? Maak jij je huiswerk altijd? Is deze pen van u? Wachten jullie al lang op de trein?

3.2 verwijzen naar dingen de-woorden: singularis Hier is een blauwe rok. subject: object:

De rok is mooi. Wil je de rok passen?

het-woorden: singularis Ik koop een grijs vest. subject: object:

Het vest past goed bij de rok. Het past goed bij de rok. Ik vind het vest mooi. Ik vind het mooi.

alle woorden: pluralis Ik vind de bruine laarzen mooi. subject: De bruine laarzen zijn een beetje te groot. object: We hebben de bruine laarzen niet in maat 38.

Hij is mooi. Wil je hem passen?

Ze zijn een beetje te groot. We hebben ze niet in maat 38.

Oefening 41

Vul hij, hem, het of ze in. Voorbeeld

Ik ga met de bus naar het station. _____________ vertrekt om 10.00 uur. Hij 1 2 3

254

Grammatica

Koop jij een cadeautje voor Mila? Ja, ik koop _______________ morgen. Hebt u een museumjaarkaart? Ja, ___________ zit in mijn portemonnee. Waar zijn de woordenboeken? _______________ staan in lokaal 2.10.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 255

4

5

6

7

8

9 10

Ik heb nieuwe pennen. _______________ schrijven goed. Wil jij _______________ ook proberen? Simon heeft een nieuwe kamer. _______________ is klein maar gezellig. Hij heeft _______________ via een vriend. Lust je dropjes? Nee, ik vind _______________ niet zo lekker. In mijn land eten we _______________ niet. Mijn oma bakt twee taarten. Ik zet _______________ op tafel. _______________ zijn snel op want iedereen vindt _______________ lekker. Ik neem elke dag een appel mee. Ik doe _______________ in mijn tas en eet _______________ om drie uur. _______________ smaakt een beetje zuur. Ik wil een T-shirt kopen. _______________ mag maximaal 10 euro kosten. In onze straat komt een nieuwe winkel. _______________ gaat zaterdag open.

Oefening 42

Geef antwoord op de vraag. Gebruik in uw antwoord hij, hem, het of ze. Voorbeeld

Ik koop ze op de markt. Waar koopt u tomaten? ___________________________________________________________________________ 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Wanneer hebben jullie de eindtest? _____________________________________________________ Waar staat uw fiets? _____________________________________________________________________________ Wanneer zet u de kerstboom? ______________________________________________________________ Eet u graag oliebollen? ________________________________________________________________________ Viert u uw verjaardag elk jaar? ______________________________________________________________ Waar staat uw wasmachine? __________________________________________________________________ Hebben de treinen vaak vertraging? _____________________________________________________ Wat vinden jullie van het nieuwe restaurant? ________________________________________ Wanneer begint de zomervakantie? ______________________________________________________ Waar hebt u uw auto geparkeerd? _________________________________________________________

3.3 demonstratief pronomen deze, dit, die, dat singularis dichtbij/hier ver weg/daar

het huis dit huis dat huis

de kast deze kast die kast

pluralis dichtbij/hier ver weg/daar

de huizen deze huizen die huizen

de kasten deze kasten die kasten

Bij indicaties van tijd: Nu: Andere tijd:

deze / dit die / dat

deze week, dit jaar die week, dat jaar

Grammatica

255


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 256

Voorbeeld

Deze week moet ik nog werken, maar volgende week niet. In die week begint mijn vakantie. Dit jaar is mijn vader 64 jaar geworden. Volgend jaar wordt hij 65 jaar. In dat jaar gaat hij met pensioen.

Oefening 43

Vul een correct demonstratief pronomen in. potlood hier op tafel is van mij. _______________ potlood daar is van jou. Ik vind _______________ oefening moeilijk. De vorige oefening was makkelijker. _______________ jaar gaan we naar Frankrijk op vakantie. Volgend jaar blijven we in Nederland. In _______________ jaar gaan we een paar dagen naar Maastricht. Op _______________ foto hier zie je mijn nieuwe auto. Op _______________ foto daar zie je ons huis. Heb je _______________ film met Tom Cruise gezien? _______________ maand is Thomas jarig. Volgende maand hebben we veel verjaardagen. In _______________ maand zijn Charlie, Anna, mijn moeder en mijn zwager jarig.

1 _______________

2

3

4

5 6

4 Adjectief

voor een definiet substantief

voor een indefiniet substantief

de komkommer is klein het stokbrood is lekker

de kleine komkommer het lekkere stokbrood

een kleine komkommer een lekker stokbrood

de komkommers zijn klein de stokbroden zijn lekker

de kleine komkommers de lekkere stokbroden

kleine komkommers lekkere stokbroden

Oefening 44

Vul de goede vorm van het adjectief in. Voorbeeld

(groot) 1 2 3 4

256

Grammatica

(rood) (klein) (moeilijk) (bruin)

grote Ik kom uit een _______________ familie. Ik vind _______________ appels lekker. Mijn broer heeft een _______________ kamer. Russisch is een _______________ taal. De _______________ laarzen kosten 95 euro.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 257

5 6 7 8 9 10

(wit) (duur) (blauw) (interessant) (groen) (mooi)

In het weekend eten we _______________ brood. Deze winkel is _______________ . De _______________ auto is van haar vader. Het artikel is erg _______________ . Ik zoek een _______________ T-shirt. Hij vindt de spijkerbroek niet _______________ .

Oefening 45

Vul in deel 1 van de zin de goede vorm van het gegeven woord in. Vul in deel 2 van de zin de goede vorm van het tegenovergestelde in. Voorbeeld

(leuk)

1

(warm)

2

(goed)

3

(zwart)

4

(langzaam)

5

(positief )

6

(mooi)

7

(duur)

8

(klein)

9

(moeilijk)

10

(dik)

leuk Mila heeft een _______________ weekend gehad maar het . weekend van Karin was _______________ saai In de winter drink ik vaak _______________ chocolademelk maar in de zomer neem ik liever een _______________ ijsthee. Hij heeft een _______________ contact met zijn broer maar de relatie met zijn zus is _______________ . Vandaag draagt ze een _______________ rok met een _______________ bloes. Ik heb een ____________________ computer en een ___________________ laptop. We krijgen _______________ en _______________ reacties op ons artikel. Deze jurk vind ik _______________ maar daar zie ik een _______________ jurk. De Bijenkorf is een _______________ winkel. De HEMA is een _______________ winkel. Ze komt uit een _______________ gezin maar uit een _______________ familie. Luisteren vinden jullie _______________ maar dit is een _______________ tekst. Mijn _______________ neef heeft een _______________ moeder.

5 Comparatief en superlatief

5.1 comparatief Regel

comparatief = adjectief + -er (+ dan…) klein – kleiner lang – langer kort – korter

Nederland is kleiner dan Duitsland. Jullie wonen langer in Nederland dan wij. Wij wonen korter in Nederland dan jullie.

Grammatica

257


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 258

Let op de spelling bij de volgende voorbeelden

Vergelijk

hoog – hoger laag – lager

Een flat is hoger dan een huis. Een huis is lager dan een flat.

dun – dunner dik – dikker

Een sigaret is dunner dan een sigaar. Een sigaar is dikker dan een sigaret.

sportief – sportiever wijs – wijzer

Vroeger was ik veel sportiever dan nu. Als je ouder wordt, word je ook wijzer.

duur – duurder ver – verder

Eten in een restaurant is duurder dan in een snackbar. Nederland ligt verder van Frankrijk dan van België.

A Mijn auto is kleiner dan jouw auto. B Ik heb een kleinere auto dan jij. (de auto) A Mijn appartement is goedkoper dan jouw appartement. B Ik woon in een goedkoper appartement dan jij. (het appartement)

Regel

• •

comparatief als los woord eindigt op -er een + comparatief + substantief: comparatief eindigt op -ere (artikel = de) of -er (artikel = het)

5.2 superlatief Regel

superlatief = (het / de) adjectief + -ste klein – kleinste groot – grootste jong – jongste duur – duurste sportief - sportiefste

Vergelijk

Ik woon in het kleinste dorp van Nederland. Amsterdam is de grootste stad van Nederland. Het jongste kind van onze buren heet Anna. In die rijke buurt staan de duurste huizen van Nederland. Wie is de sportiefste speler van jullie team?

A Ik woon in het kleinste dorp van Nederland. B Van alle dorpen in Nederland is mijn dorp het kleinst(e). A Amsterdam is de grootste stad van Nederland. B Van de vier grote steden is Amsterdam het grootst(e). A In die rijke buurt staan de duurste huizen van Nederland. B De huizen in deze buurt zijn het duurst(e). A Wie is de sportiefste speler van jullie team? B Van alle spelers is Joris het sportiefst(e).

Regel

• •

258

Grammatica

superlatief + substantief: de of het + -ste superlatief als los woord aan het eind: het + -st(e) (Het woord kan eindigen op –st of –ste. Allebei is goed.)


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 259

onregelmatige vormen: goed – beter – het best(e) veel – meer – het meest(e) weinig – minder – het minst(e) graag – liever – het liefst(e)

Oefening 46

Werk in tweetallen. Beantwoord de vragen. Gebruik de comparatief. Voorbeeld

Wat vindt u lekkerder: chips of chocola? ______________________________________________________________________________________________________________ Ik vind chocola lekkerder dan chips. 1

Wat vindt u leuker: naar de disco gaan of naar de film gaan? _________________________________________________________________________________________________________

2

Wat eet u liever: vis of vlees? _________________________________________________________________________________________________________

3

Wat vindt u moeilijker: Nederlandse teksten lezen of Nederlands spreken?

4

Waar woont u liever: in een stad of in een dorp?

5

Wat is groter: Nederland of uw eigen land?

6

Wat vindt u mooier: klassieke muziek of popmuziek?

7

Wat is sneller: de auto of de trein?

8

Wie is jonger: u of de docent?

9

Wat is vervelender: huiswerk maken of boodschappen doen?

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

10

Wat is duurder: fietsen of de bus nemen? _________________________________________________________________________________________________________

Oefening 47

Werk in tweetallen. Beantwoord de vragen. Gebruik de superlatief. Voorbeeld

Wat vindt u het lekkerst? ______________________________________________________________________________________________________________ Ik vind kip met rijst het lekkerst.

1

Wat vindt u het leukst?

2

Wat vindt u het moeilijkst?

3

Wat vindt u het makkelijkst?

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

Grammatica

259


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 260

4

Waar woont u het liefst?

5

Welke Nederlandse stad vindt u het mooist?

6

Welke muziek vindt u het mooist?

7

Wie vindt u het aardigst?

8

Welke zanger of zangeres vindt u het best?

9

Welk televisieprogramma vindt u het leukst?

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________________________________

10

Wat eet u het vaakst? _________________________________________________________________________________________________________

Oefening 48

Vul de juiste comparatief en superlatief in. 1

(veel)

Anja: 10 neven en nichten Christel: 16 neven en nichten Bob: 23 neven en nichten

Christel heeft _______________ neven en nichten dan Anja. Ze ziet haar neven en nichten één keer per jaar op de verjaardag van opa. Bob heeft de _______________ neven en nichten. Hij ziet ze helaas weinig. 2

(lekker) pizza = +/-, taco’s = +, bami = ++ Jonas vindt taco’s _______________ dan pizza. Dus gaat hij vaak naar de Mexicaan. Het ___ vindt hij bami. Zijn moeder maakt dat elke zondag voor hem.

3

(leuk) voetbal = +/-, tennis = +, volleyball = ++ Ik vind tennis een _______________ sport dan voetbal. Ik kijk graag naar deze sporten. Volleyball vind ik het _______________ . Ik train twee keer per week en op zaterdag spelen we wedstrijden.

4

(mooi) grijze broek = +/ -, zwarte broek = +, blauwe broek = ++ Hij vindt de zwarte broek _______________ dan de grijze broek. Ik vind de blauwe broek het _______________ . Hij gaat de grijze en blauwe broek passen.

5

(goed) bruine sandalen = +/-, slippers = +, rode sandalen = ++ De slippers zitten _______________ dan de bruine sandalen, maar ik vind ze niet zo mooi. De rode sandalen zitten het _______________ en ze zijn mooi. Ik koop ze.

6

(vaak)

popconcert: 1 keer per jaar theater: 3 keer per jaar bioscoop: 8 keer per jaar

We gaan _______________ naar het theater dan naar een popconcert. Naar de bioscoop gaan we het _______________ . We houden vooral van actiefilms. 260

Grammatica


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 261

6 Negatie

geen of niet bij substantieven Heb jij een fiets? Spreek je Nederlands?

Nee, ik heb geen fiets. Nee, ik spreek geen Nederlands.

geen staat voor een indefiniet substantief. Begrijp je de oefening? Heb je mijn woordenboek?

Nee, ik begrijp de oefening niet. Nee, ik heb je woordenboek niet.

niet staat achter een definiet substantief. andere combinaties met niet Achter het finiete verbum Rook je? Kan je zwemmen?

Nee, ik rook niet. Nee, ik kan niet zwemmen.

Voor een prepositie Woon je in Zwolle? Nee, ik woon niet in Zwolle. Gaan jullie naar de bioscoop? Nee, wij gaan niet naar de bioscoop.

Voor een adjectief of adverbium Is jullie familie groot? Nee, onze familie is niet groot. Praat ik snel? Nee, je praat niet snel.

Oefening 49

Vul het goede woord in: geen of niet. Voorbeeld

Ik kom _______________ uit Nederland. niet 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Ik kan _______________ dansen. Loes studeert _______________ in Delft. Hij maakt de oefening _______________ . Ik ga morgen _______________ met de fiets. Haar oma vindt koffie _______________ lekker. Alice heeft _______________ broer. Ze heeft een zus. We spreken _______________ Spaans. Mijn familie is _______________ groot. Patrick werkt _______________ in een ziekenhuis. Ik eet vandaag _______________ spaghetti.

Grammatica

261


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 262

Oefening 50

Geef antwoord op de vragen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Hebt u kinderen? Komt u uit Nederland? Eet u vanavond soep? Werkt u? Komt u uit een groot gezin? Vindt u Nederland leuk? Studeert u veel? Maakt u altijd uw huiswerk? Drinkt u thee? Kunt u dansen?

7 Pluralis van substantieven

singularis

pluralis

I de nicht de zus de boom de neef het huis

-en de nichten de zussen de bomen de neven de huizen

II de oma de taxi de foto de paraplu de baby

’s de oma’s de taxi’s de foto’s de paraplu’s de baby’s

III het zusje het café de moeder de jongen de appel de bezem

-s de zusjes de cafés de moeders de jongens de appels de bezems

Het artikel in singularis is de of het: de oma, het huis Het artikel in pluralis is altijd de: de oma’s, de huizen

262

Grammatica


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 263

Oefening 51

Zet de volgende woorden in de pluralis. 1 2 3 4 5 6 7 8

de kaart _____________________________ het huis _____________________________ het jaar _____________________________ de stage _____________________________ de trein _____________________________ de titel _____________________________ de vriendin _____________________________ het boek _____________________________

9 10 11 12 13 14 15

de bon het feest de fles de kamer de week de zoon de zus

_____________________________ _____________________________ _____________________________ _____________________________ _____________________________ _____________________________ _____________________________

8 Er

8.1 er + numerale numeralen: een, twee, drie, etc…, weinig, veel, geen, een paar er vervangt een ander woord of woordcombinatie. Let op! er staat vóór de numerale. Hoeveel krentenbollen wilt u? Ik neem er zes. (er = krentenbollen)

Heb je broers? Nee, ik heb er geen. (er = broers)

Heb je zussen? Ja, ik heb er twee. (er = zussen)

Heb je Nederlandse vrienden? Ja, ik heb er een paar. (er = Nederlandse vrienden)

Oefening 52

Werk in tweetallen. Beantwoord de vragen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Hoeveel apps hebt u op uw telefoon? Hoeveel tassen hebt u? Hoeveel paar schoenen hebt u? Hoeveel glazen bier drinkt u per week? Hoeveel T-shirts koopt u per jaar? Hoeveel familieleden hebt u in Nederland? Hoeveel stoelen ziet u in het lokaal? Hoeveel Nederlandse voetballers kent u? Hoeveel foto’s maakt u per jaar? Hoeveel dagen heeft augustus?

Grammatica

263


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 264

8.2 er = plaats Kijk naar de volgende zinnen. We hebben een leuk huis. We wonen er nu drie jaar. (er = in het huis) Ik woon in Utrecht. Ik studeer er economie (er = in Utrecht) In plaats van er kunt u ook hier of daar gebruiken: We hebben een leuk huis. We wonen hier nu drie jaar. (hier = in het huis) Ik woon in Utrecht. Ik studeer daar economie. (daar = in Utrecht)

Let op

hier en daar kunnen ook aan het begin van de zin staan: We wonen hier nu drie jaar. (normale hoofdzin) Hier wonen we nu drie jaar. (hoofdzin met inversie)

Ik studeer daar economie. (normale hoofdzin) Daar studeer ik economie. (hoofdzin met inversie)

Oefening 53

Maak de zinnen af. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Ik ga zaterdag naar Rotterdam. Ik wil er _____________________________________________ . Gisteren zijn we naar het Rijksmuseum geweest. Daar _______________________ . In dat huis heeft Michael twee jaar gewoond. Hij heeft er __________________ . Dit huis is van Maaike. Ze woont hier _______________________________________________ . Ik ga vaak naar de bibliotheek. Daar __________________________________________________ . We zijn in april in Berlijn geweest. We hebben er _______________________________ . We gaan op vakantie naar Spanje. Daar ______________________________________________ . Ik kom uit ItaliĂŤ. Ik ben er ________________________________________________________________ . Tom is in BraziliĂŤ geboren. Hij heeft er ______________________________________________ . We wonen in een klein dorp. Hier _____________________________________________________ .

8.3 er + indefiniet subject Vergelijk

264

Grammatica

definiet subject De kat loopt in onze tuin. Het potlood ligt op tafel. De katten lopen in onze tuin. De potloden liggen op tafel.

Er + indefiniet subject Er loopt een kat in onze tuin. Er ligt een potlood op tafel. Er lopen katten in onze tuin. Er liggen potloden op tafel.


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 265

Definiet subject: de …, deze…, die… het …, dit …, dat … mijn …, jouw … , uw… (etc.) alle … iedere … namen (Carla, meneer Peters, etc.)

Indefiniet subject: een … (+ enkelvoud) ø … (+ meervoud) geen weinig veel

Oefening 54

Werk in tweetallen. Kijk in het lokaal en kijk door het raam naar buiten. Wat ziet u? Voorbeeld

Er ligt een pen op tafel. De pen is van mij. Er staan auto’s op de parkeerplaats. De auto’s staan naast elkaar.

Grammatica

265


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 266

Onregelmatige werkwoorden

266

Grammatica

bakken beginnen begrijpen bewegen bezoeken bidden bieden blijken blijven braden breken brengen

bakte begon begreep bewoog bezocht bad bood bleek bleef braadde brak bracht

bakten begonnen begrepen bewogen bezochten baden boden bleken bleven braadden braken brachten

gebakken (heb) begonnen (ben) begrepen (heb) bewogen (heb) bezocht (heb) gebeden (heb) geboden (heb) gebleken (is) gebleven (ben) gebraden (heb) gebroken (ben/heb) gebracht (heb)

denken doen dragen drinken duiken

dacht deed droeg dronk dook

dachten deden droegen dronken doken

gedacht (heb) gedaan (heb) gedragen (heb) gedronken (heb) gedoken (ben/heb)

ervaren eten

ervoer at

ervoeren aten

ervaren (heb) gegeten (heb)

fluiten

floot

floten

gefloten (heb)

gaan gelden genezen genieten geven

ging gold genas genoot gaf

gingen golden genazen genoten gaven

gegaan (ben) gegolden (heb) genezen (ben/heb) genoten (heb) gegeven (heb)

hangen hebben helpen heten houden

hing had hielp heette hield

hingen hadden hielpen heetten hielden

gehangen (heb) gehad (heb) geholpen (heb) geheten (heb) gehouden (heb)

kiezen kijken klimmen klinken komen kopen krijgen kunnen

koos keek klom klonk kwam kocht kreeg kon

kozen keken klommen klonken kwamen kochten kregen konden

gekozen (heb) gekeken (heb) geklommen (heb) geklonken (heb) gekomen (ben) gekocht (heb) gekregen (heb) gekund (heb)

lachen laten lezen

lachte liet las

lachten lieten lazen

gelachen (heb) gelaten (heb) gelezen (heb)


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 267

liegen liggen lijden lijken lopen

loog lag leed leek liep

logen lagen leden leken liepen

gelogen (heb) gelegen (heb) geleden (heb) geleken (heb) gelopen (heb)

meten moeten mogen nemen

mat moest mocht nam

maten moesten mochten namen

gemeten (heb) gemoeten (heb) gemogen (heb) genomen (heb)

ontwerpen opschieten overlijden

ontwierp schoot op overleed

ontwierpen schoten op overleden

ontworpen (heb) opgeschoten (ben/heb) overleden (ben)

raden rijden roepen ruiken

raadde reed riep rook

raadden reden riepen roken

geraden (heb) gereden (ben/heb) geroepen (heb) geroken (heb)

scheiden schenken scheren schrijven schrikken schuiven slaan slapen sluiten smelten smijten snijden snuiten spreken springen staan steken stelen sterven stijgen stinken strijken

scheidde schonk schoor schreef schrok schoof sloeg sliep sloot smolt smeet sneed snoot sprak sprong stond stak stal stierf steeg stonk streek

scheidden schonken schoren schreven schrokken schoven sloegen sliepen sloten smolten smeten sneden snoten spraken sprongen stonden staken stalen stierven stegen stonken streken

gescheiden (ben/heb) geschonken (heb) geschoren (heb) geschreven (heb) geschrokken (ben) geschoven (heb/ben) geslagen (heb) geslapen (heb) gesloten (heb) gesmolten (heb) gesmeten (heb) gesneden (heb) gesnoten (heb) gesproken (heb) gesprongen (ben/heb) gestaan (heb) gestoken (heb) gestolen (heb) gestorven (ben) gestegen (ben) gestonken (heb) gestreken (heb)

treden trekken

trad trok

traden trokken

getreden (ben/heb) getrokken (heb/ben)

vallen vangen varen vechten verbieden verdwijnen

viel ving voer vocht verbood verdween

vielen vingen voeren vochten verboden verdwenen

gevallen (ben) gevangen (heb) gevaren (ben/heb) gevochten (heb) verboden (heb) verdwenen (ben)

Grammatica

267


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 268

vergelijken vergeten verliezen vertrekken verzinnen verzoeken vinden vliegen vragen

vergeleek vergat verloor vertrok verzon verzocht vond vloog vroeg

vergeleken vergaten verloren vertrokken verzonnen verzochten vonden vlogen vroegen

vergeleken (heb) vergeten (ben/heb) verloren (heb/ben) vertrokken (ben) verzonnen (heb) verzocht (heb) gevonden (heb) gevlogen (ben/heb) gevraagd (heb)

waaien

woeien

gewaaid (heeft/heb)

wasten wogen wisten wezen wilden wouden wonnen werden

gewassen (heb) gewogen (heb) geweten (heb) gewezen (heb) gewild (heb)

winnen worden

woei waaide waste woog wist wees wilde wou won werd

gewonnen (heb) geworden (ben)

zeggen zenden zien zijn zingen zitten zoeken zullen zwemmen zwijgen

zei zond zag was zong zat zocht zou zwom zweeg

zeiden zonden zagen waren zongen zaten zochten zouden zwommen zwegen

gezegd (heb) gezonden (heb) gezien (heb) geweest (ben) gezongen (heb) gezeten (heb) gezocht (heb) gezwommen (ben/heb) gezwegen (heb)

wassen wegen weten wijzen willen

268

Grammatica


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 269

Transcripten luisterteksten Thema 1

Kennismaken en afspreken

Oefening 2 Anne Mila Anne Mila Anne Mila Anne Mila Anne Mila Anne Mila Anne Mila

Hallo, is deze plaats vrij? Sorry, wat zeg je? Is deze stoel vrij? Ja. Moet je ook naar Amsterdam? Ja, ik woon in Amsterdam en ik werk in Utrecht. En jij? Ik ga naar vrienden. Oh, sorry, even voorstellen, ik ben Anne. Hoi, ik heet Mila. En wat doe je in Utrecht? Ik werk daar bij een bank. En jij? Woon je in Utrecht? Nee, ik heb een kamer in Nijmegen. Ik studeer psychologie aan de universiteit in Nijmegen. Jij komt niet uit Nederland, hè? Nee, ik kom uit Peru. Ik woon nu twee jaar in Nederland. Mijn vriend is Nederlander. Goh, je spreekt al goed Nederlands, zeg! Dank je!

Oefening 6 Hallo, ik ben Eva. Mijn achternaam is Dirkx -D-I-R-K-X-. Ik ben 21 jaar. Mijn geboortedatum is 22-9-1987. Ik woon in Rotterdam. Mijn adres is Blaak 43. Mijn postcode is 3015 BL. Mijn telefoonnummer is 06-26758122. Ik studeer Frans aan de Erasmus universiteit in Rotterdam. Hoi, ik ben Pieter. Mijn achternaam is Janssen, met dubbel s, dus -J-A-N-S-S-E-N-. Ik ben geboren op 14 augustus 1956. Ik woon in Utrecht. Ik werk daar als taxichauffeur. Ik woon op de Nobelstraat 62 bis, postcode 3518 ZK. Mijn vaste telefoonnummer is 030-2578863, en ik heb ook een mobiel nummer, dat is 06-38770592. Goedemorgen, mijn naam is Willem Alexander. Ik ben geboren op 27 april 1967. Ik woon in Wassenaar. Mijn adres en telefoonnummer? Sorry, dat zeg ik niet.

Oefening 14 Willem Theo Willem Theo Willem Theo Willem Theo Willem

Hoi Theo. Heb je zaterdag iets te doen? Nee, nog niet. Ik ga zaterdag naar een foto-expositie in de Nieuwe Kerk, op de Dam. Welke expositie? Een selectie van World Press Photo. Ga je mee? Ja, leuk. Waar spreken we af en hoe laat? Om 11 uur op de Dam, voor de Nieuwe Kerk, oké? Ja, dat is prima. Tot zaterdag! Oké, tot dan!

Oefening 19 Dit is lokaal 2.10. In dit lokaal staan 10 tafels en 20 stoelen. Eén tafel staat naast de deur. Op deze tafel staat de computer. De beamer hangt aan het plafond. Naast het bord hangt de landkaart. Aan de muur hangt ook een groot prikbord. Onder de kapstok staat een tas. De tv en cd-speler staan op een kast bij het raam. Op een tafel ligt een schrift. Op het schrift ligt een agenda. Naast het schrift ligt een woordenboek. Het woordenboek is open. In het woordenboek ligt een pen.

Thema 2

Feesten

Oefening 3 Mila

Willem, Ik heb een mailtje van Simone, een uitnodiging voor haar verjaardag. Ze wordt 25 jaar en geeft zaterdag een feestje.

Transcripten luisterteksten

269


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 270

Willem Mila Willem Mila Willem

Oh, leuk, daar gaan we naartoe. We moeten wel nog een cadeautje kopen. Wil jij dat doen? Ik heb geen tijd. Ja hoor, dat doe ik! Wat zullen we Simone geven? Een flesje parfum misschien, of een fles wijn? Nee, geen parfum. Ze houdt niet van parfum. En een fles wijn, dat is toch geen cadeau voor een verjaardag, man! Maar ze leest graag. We geven haar een boek! Dat is een goed idee. Ik ga morgen wel even langs de boekwinkel op het station.

Simone Mila Willem

Leuk dat jullie er zijn! Kom binnen. Gefeliciteerd met je verjaardag. Van harte!

Mila Simone

Alsjeblieft! Ik hoop niet dat je het al hebt. Maar ik heb het bonnetje nog. Dan kan je het ruilen. Dank je wel! Nee, dit boek heb ik nog niet, maar ik ken de titel. Oh, koffie, thee en taart staan daar op de tafel. Pak zelf maar. Oké! Ik neem een kopje thee en een stukje taart. Wat wil jij, Willem? Geef mij maar een kop koffie en een stuk taart. Dank je, lekker! Hé, Pieter! Gefeliciteerd met Simone. Dank je, gezellig dat jullie er zijn! Oh, dit is Carla, de zus van Simone. Hoi Carla, ik ben Willem, en dit is Mila, mijn vriendin. Hallo. Dus jij bent de zus van Simone? Ja, ik zie het, je lijkt veel op haar. Ja, dat zegt iedereen. Eh…jij komt niet uit Nederland, hè? Nee, dat klopt, ik kom uit Peru, maar ik woon nu twee jaar in Nederland. Heb je broers of zussen? Ja, ik heb twee broers en een zus. Ze wonen in Peru. Wonen ze nog bij je ouders? Mijn broers wonen niet meer thuis. Ze zijn getrouwd. Mijn zus is 17. Ze doet dit jaar eindexamen. Ze woont bij mijn vader. Mijn moeder is zeven jaar geleden overleden. O, wat erg voor je! Mis je je familie? Ja, natuurlijk, maar ik voel me hier ook thuis, hoor. Woon jij nog bij je ouders? Ja, maar ik ben wel op zoek naar een kamer. Mijn ouders wonen in Abcoude. Ik studeer in Rotterdam. Ik reis elke dag met de trein. Dat vind ik niet leuk. Hé, ik hoor salsamuziek. Zin om te dansen? Ja, leuk! Ik ben dol op salsa. He jongens, komen jullie ook dansen? Nee, sorry dames. Salsa is niks voor mij. Maar Willem is een echte danser. Ja, hardrock, daar kan ik op dansen, maar salsa, nee, dank je. Wil je een biertje, Willem? Ja, graag!

Mila Willem Pieter Willem Mila Carla Mila Carla Mila Carla Mila Carla Mila Carla

Mila Carla Pieter Willem Pieter Willem

Oefening 11 Ik ben geboren in Eindhoven. Ik heb een zus en een broer. Mijn zus heet Marian en is 32. Ze woont in Nijmegen. Ze is getrouwd en heeft twee kinderen. Haar zoon is 3 jaar en heet Joep. Haar dochter is 1 jaar en heet Iris. Marian werkt drie dagen per week als docent Frans op een middelbare school. Haar man heet Vincent. Hij werkt vier dagen per week bij een bank. Joep en Iris gaan twee dagen per week naar de crèche. Mijn broer heet Michiel en is 25. Hij woont bij mijn ouders in Eindhoven. Hij is bijna klaar met zijn studie natuurkunde. Op dit moment heeft hij geen vriendin. Mijn moeder heet Annie en is 57 jaar. Ze werkt drie dagen per week als verpleegkundige in het ziekenhuis. Ze vindt het fijn dat Michiel nog thuis woont. Mijn vader heet Jeroen en is 59 jaar. Hij werkt fulltime als accountant.

Oefening 12 Mijn naam is Bep de Graaf, en mijn man heet Harrie. Mijn man en ik zijn dit jaar 54 jaar getrouwd. We wonen ook al 54 jaar in deze straat in Enschede. We hebben zes kinderen: vier zonen en twee dochters. De oudste zoon heet Jos. Hij is 53 jaar. Hij is 28 jaar getrouwd met Gerda. Ze wonen in Groningen. Jos en Gerda hebben twee dochters: Emma en Anne. Onze tweede zoon heet Karel. Hij is 51 jaar. Hij is al 25 jaar pastoor en woont in Roermond. Onze derde zoon is Arthur. Hij is 48 jaar. Hij is 20 jaar getrouwd met Susan. Ze wonen in Arnhem. Arthur en Susan hebben één zoon: Maarten. Dan komt onze dochter Judith. Zij is helaas op 10-jarige leeftijd overleden. Onze vierde zoon is Thijs. Hij is 45 jaar. Hij is 24 jaar getrouwd met Daniëlle. Ze wonen in Nijmegen. Ze hebben drie kinderen. Hun oudste zoon heet Pepijn en hun dochters heten Karin en Michelle. Karin is getrouwd met Bas en ze hebben een zoontje van 6 maanden. Hij heet Joris. Onze jongste dochter is Mirjam. Ze is 42 jaar. Ze is sinds 6 jaar gescheiden. Met haar dochter Doris woont ze in Apeldoorn.

270

Transcripten luisterteksten


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 271

Thema 3

Boodschappen doen en winkelen

Oefening 2 bij de bakker bakker Willem bakker Willem bakker Willem bakker Willem bakker Willem bakker Willem bakker Willem bakker Willem bakker Willem

Wie is er aan de beurt? Ik ben! Zegt u het maar. Ik wou graag een halfje bruin. Licht of donker? Lichtbruin alstublieft. Gesneden? Ja, graag. Anders nog iets? Zes zachte witte broodjes, graag. Anders nog iets? Krentenbollen misschien? Ze zijn in de aanbieding vandaag. Zes krentenbollen voor € 1,50. Dat is niet duur! Oké, ik neem er zes. Dat is het? Ja, dat is het. Dat is € 4,20. Alstublieft, € 4,20. Dank u wel. Tot ziens. Tot ziens.

bij de slager slager Willem slager Willem slager Willem slager Willem slager Willem slager Willem

Wie kan ik helpen? Een half pond gehakt, graag. Anders nog iets? Ja, twee hamburgers, alstublieft. Oké, twee hamburgers. En nog wat vleeswaren: anderhalf ons ham en een ons salami. Kijk eens, alstublieft. Dat is alles? Ja. Dat is dan € 7,20, alstublieft. Ik heb alleen een briefje van € 50,00. Geen probleem. Alstublieft, met € 42,80. Tot ziens. Tot ziens en fijn weekend!

bij de groenteboer groenteboer Pieter Willem Pieter Willem Pieter Willem Pieter Groenteboer Pieter Willem groenteboer Willem groenteboer Willem groenteboer Willem groenteboer Willem groenteboer Willem Pieter

Wie is er aan de beurt? Twee kilo bananen alstublieft. Sorry, maar ik ben aan de beurt. Oh, sorry, hoor. He, Willem … wat toevallig, jij ook hier? Verdomd, het is Pieter! Hoe gaat het? Prima, en met jou? Ook goed. Het was gezellig zaterdag op het feestje van Simone. Ja zeker. Eh..., heren, wie mag ik helpen? Oh, sorry, mevrouw. Hij is eerst. Dank je, je bent een echte heer. Eh, mag ik één krop sla en een kleine komkommer. Een krop sla, een komkommer…alstublieft. Anders nog iets? Anderhalf pond tomaten. Ja. En dan nog vier sinaasappels en een kilo appels. Kijkt u eens. Oh…we hebben vandaag een speciale aanbieding. Eén kilootje bananen voor € 1,00. Nee, dank u. Dat was alles. Prima. Dat is € 6,10 bij elkaar. Wilt u een tasje? Ja graag. Alstublieft, € 6,10. Dank u wel. Tot ziens en prettig weekend. U ook. Hé Pieter, ik zie je! Ja, doei!

Transcripten luisterteksten

271


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 272

Oefening 10 Fragment 1: In de kledingwinkel verkoopster Mila verkoopster Mila Simone Mila verkoopster

Kan ik jullie misschien helpen? Nee, dank u. We kijken even rond. Prima! Als ik kan helpen, hoor ik het wel. Kijk, Hier hangt een blauwe rok. Maat 38, dat is goed, denk ik. Wat vind jij? Hij is leuk! Je moet hem even passen, denk ik. Ja. Eh, mevrouw, waar zijn de paskamers? De paskamers zijn daar, achter in de winkel.

(in de paskamer) Mila Jammer, de rok is te klein. Heeft u hem ook in maat 40? verkoopster Ik zal even voor je kijken. Nee, helaas. Ik heb wel een zwarte in maat 40. Mila Leuk! Die wil ik ook graag passen. Hij zit goed. Simone Mooi! Mila Heeft u misschien een grijs vest bij deze rok? verkoopster Jazeker! Hier, alsjeblieft. Mila Zo, even aantrekken… Simone, kijk eens! Simone Hartstikke leuk! Dat vest staat goed bij die rok. Mila Het zit ook lekker. Zal ik ze allebei nemen? Simone Ja, dat moet je doen! Mila Oké, ik ga even afrekenen. Simone Prima, dan loop ik vast naar de schoenenzaak aan de overkant. Ik wil een paar laarzen kopen. Mila Ja, dat is goed. Ik zie je zo. verkoopster Heb je een keus gemaakt? Mila Ja, ik neem de rok en het vest allebei. Verkoopster Prima. … alsjeblieft, dat is dan € 79,90. Mila Kan ik pinnen? verkoopster Natuurlijk. Ga je gang. Mila Dank u wel. Tot ziens. verkoopster Tot ziens. En veel plezier ermee!

Fragment 2: In de schoenenzaak Mila Simone

En… heb je al wat leuks gezien? Ik vind die bruine laarzen met die hoge hakken mooi. En die verkoper ziet er ook niet slecht uit. Eh…meneer, heeft u deze laarzen in maat 39. verkoper Een ogenblikje, ik zal even voor u kijken. Alstublieft, maat 39. Simone Ik zal even passen. Eh ..., nee, ze zijn een beetje te groot. Heeft u ook maat 38? verkoper Ik ga weer even kijken. Een momentje, ik ben zo terug. … Nee helaas. We hebben ze niet in maat 38. Maar we hebben wel een ander model bruine laarzen. Kijk, hier staan ze. Wilt u ze passen? Simone Oh ja, die vind ik ook mooi. Ik probeer ze even. Ja, ze zitten prima. En ze lopen ook goed. Wat kosten ze? verkoper € 139,00. Simone Sorry, maar dat is een beetje boven mijn budget. verkoper Tja, op dit moment hebben we ze niet goedkoper. Simone Jammer! Verkoper Maar volgende week krijgen we nieuwe modellen binnen. Die zijn niet zo duur. Simone Hoeveel dan? Verkoper Ongeveer honderd euro. Simone Oké, dan kom ik volgende week weer even kijken. Dank u wel. Tot ziens. verkoper Tot ziens, dames. Simone + Mila Doei… (buiten) Simone Mila

Wauw, wat een stuk, hè! Nou, best een lekker ding, ik ga volgende week weer mee.

Oefening 15 Hallo, ik heet Monique. Vandaag draag ik een spijkerbroek, een wit T-shirt met lange mouwen, zwarte sokken en witte schoenen. Hoi, ik ben Annemarie. Ik draag een grijs rokje, een zwart T-shirt, een zwart vest en zwarte laarzen.

272

Transcripten luisterteksten


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 273

Hallo, ik ben Hans. Vandaag heb ik een korte broek aan en een wit T-shirt, en ik draag sandalen. Hoi, ik heet Julius. Ik draag een grijs pak en een zwart overhemd, en ik heb grijze sokken en zwarte schoenen aan.

Oefening 18 Mila Simone Mila (in het café) Ober Mila Ober Simone Ober Simone Mila Ober Simone

Ik heb zin in koffie met gebak. Nou, ik heb ook wel trek in iets. Zullen we naar café De Bolle gaan? Daar hebben ze heerlijke cappuccino. Prima.

Mila Simone

Goedemiddag, dames, zeg het maar. Twee cappuccino’s graag. Hebben jullie ook gebak? Ja, we hebben verse appeltaart of chocoladetaart. Ik wil graag een stukje appeltaart. Met slagroom? Ja, graag. En wat neem jij, Mila? Ik neem de chocoladetaart, maar zonder slagroom. Prima. Het komt er zo aan. Jeetje, hij lijkt een beetje op die verkoper uit de schoenenzaak. Hetzelfde postuur, dezelfde stem. Ja, inderdaad. Misschien zijn het wel broers. Wie weet, maar dan is deze het lelijke broertje.

Mila Ober Mila + Simone Mila Ober Simone Ober Mila Ober Mila

Stil, joh, daar komt hij! Zo, dames, kijk eens, twee cappuccino, een appeltaart en een chocoladetaart. Dank u wel. Meneer, mogen we de rekening? Ja natuurlijk. Heeft het gesmaakt? Ja, het was heerlijk! Dat is € 11,20 bij elkaar. € 12,00, alstublieft. Het is goed zo. Dank je wel en nog een fijne dag verder! U ook.

Thema 4

Vervoer

Oefening 2 Mila

Willem

Kom op, Willem! We moeten nu gaan. Anders komen we te laat. Onze trein naar Schiphol vertrekt over een kwartier! Als we nu gaan lopen, komen we nog op tijd op het station. En ik heb geen geld voor een taxi. Ja, ja, ik kom!

(10 minuten later, op het station) Willem Ik ga even kaartjes kopen. Van welk spoor vertrekt onze trein? Mila Even kijken, van spoor 3b. Schiet op, het is 10.20 uur, we hebben nog drie minuten. omroeper

Dames en heren, de intercity naar Schiphol, Leiden en Den Haag Centraal van 10.23 uur heeft een vertraging van 10 minuten. Deze trein vertrekt vandaag van spoor 8a. Herhaling. De intercity naar Schiphol, Leiden en Den Haag Centraal van 10.23 uur heeft een vertraging van 10 minuten en vertrekt vandaag van spoor 8a.

Willem Mila Willem Mila.

Ik heb de kaartjes. We moeten naar spoor 8a. De trein heeft vertraging. Nou, dan hebben we nog tijd genoeg. Ja, maar ik wil die trein absoluut niet missen. Ik kan niet wachten! Ik wil mijn vader en zus zo graag weer zien. Rustig maar. Het is bijna 10.30 uur en hun vliegtuig landt pas over een uur. Dus je moet nog even geduld hebben. Dames en heren, de vertraagde intercity naar Schiphol, Leiden en Den Haag Centraal van 10.23 uur komt over enkele minuten binnen op spoor 8a. Herhaling. Dames en heren, de vertraagde intercity naar Schiphol, Leiden en Den Haag Centraal van 10.23 uur komt over enkele minuten binnen op spoor 8a.

Willem omroeper

Transcripten luisterteksten

273


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 274

Mila Willem Mila Willem

Hè, hè, daar komt de trein. Ah, het is een dubbeldekker. Zullen we boven of beneden gaan zitten? We gaan beneden zitten. Waarom niet boven? Omdat het daar vaak vol zit. Beneden is meestal wel plaats.

conducteur Mila Willem Mila conducteur Willem conducteur Willem + Mila

Goedemorrugu..., plaatsbewijzen, alstublieft. Mijn vriend heeft de kaartjes. Ja, momentje graag, even zoeken … shit, waar zijn die dingen? Ja, dat weet ik toch niet! In de binnenzak van je jas misschien? Ach, doet u maar rustig aan, hoor, we hebben de tijd. Ah, ja, hier heb ik ze. Alstublieft. Even kijken ..., ja hoor, in orde. Prettige reis! Dank u wel.

Oefening 6 Peter Ik ga volgende week naar Berlijn. Een vriend van mij woont daar. Eerst neem ik de taxi naar het station. Dat is duur maar het is makkelijker en sneller dan met de bus. Ik ben dan in 10 minuten op het station. Daarna ga ik met de trein naar Amersfoort. Daar moet ik overstappen op de trein naar Berlijn. In totaal zit ik 6 uur in de trein. Ik neem een boek en tijdschriften mee. Dan kan ik lekker lezen. In Berlijn neem ik de metro naar het huis van mijn vriend. Dat duurt nog een half uur. Olga We willen in de zomer naar het eiland Schiermonnikoog gaan. Daar gaan we lekker wandelen en fietsen. We hebben geen auto, dus we gaan met het openbaar vervoer. Eerst lopen we naar het station, want het station is vlakbij, vijf minuten lopen. Dan nemen we de trein naar Groningen. We zijn twee uur onderweg naar Groningen. Daar nemen we de bus naar het plaatsje Lauwersoog. Dat duurt een half uur. In Lauwersoog vertrekt de boot naar Schiermonnikoog. Na drie kwartier komen we aan op het eiland. Daar huren we een fiets en dan fietsen we in 10 minuten naar de camping. Jaap Ik woon in Eindhoven en mijn broer woont in Engeland. Ik ga elk jaar bij hem op bezoek. Ik ga met de auto naar Schiphol. Als er geen files zijn, duurt dat ongeveer anderhalf uur. Op Schiphol parkeer ik de auto en neem ik het vliegtuig naar Londen. De vlucht is maar kort; in één uur ben ik in Engeland. Mijn broer haalt me daar met de auto op. Na twee uur rijden komen we bij zijn huis.

Oefening 10 Fragment 1: Op het station, bij de kaartautomaat Mila Simone

Mila Simone

Even kijken…bestemming Maastricht…. weekendretour Amsterdam-Maastricht… twee kaartjes. Zo, dat is duur, 42 euro per retour! Nee, joh, we hebben toch een kortingskaart! Dus kunnen we met 40% korting reizen. Even opnieuw. Dus bestemming Maastricht ... weekendretour met korting… dat is 25 euro per retour. Ik betaal wel even met mijn pinpas. Oké, als jij het treinkaartje betaalt, dan betaal ik in Maastricht onze lunch. Op welk spoor moeten we zijn? Ik denk spoor 2a, maar ik kijk even op het vertrektijdenbord in de hal…. Ja, dat klopt, spoor 2a. Kom, we moeten rennen, de trein vertrekt over 5 minuten.

Fragment 2: In de trein man Mila man Mila man Simone man Simone man

Mila Simone

274

Zo, dames. Op weg naar het zuiden? Ja, we gaan een weekendje naar Maastricht. Ah, goed plan. Ik ga daar ook naartoe. Ich kom zelluf oet Mestreech! Pardon, wat zegt u? Oh, dat was Maastrichts dialect. Dat betekent: ‘Ik kom zelf uit Maastricht’. Oh, als u uit Maastricht komt, heeft u vast wel wat tips voor ons. Natuurlijk! Wat willen jullie weten? Waar zijn de meeste cafés en terrasjes? Dan moet je naar het Vrijthof, een groot plein in het centrum. Er zijn veel restaurants en cafés met terrasjes rond het plein. Op het plein staan twee mooie kerken, de Sint Servaas en de Sint Jan. Maar je kan ook naar het Onze Lieve Vrouweplein gaan. Dat is kleiner en er zijn veel gezellige terrasjes. Ook hier staat een mooie, oude kerk: de Onze Lieve Vrouwe Basiliek. Oh, interessant. Ik ga graag oude kerken bezoeken. En jij, Simone? Nou, misschien een of twee kerken, maar dan geloof ik het wel. Eh, meneer… waar kunnen we goed winkelen?

Transcripten luisterteksten


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 275

man

Simone Mila man Simone man Simone man Mila

Nou, ik houd niet zo van winkelen, maar Maastricht is een prima winkelstad. De bekendste winkelstraat heet de Grote Staat. Ook bij de Markt zijn veel winkels en een mooi overdekt winkelcentrum. En als je boeken wilt kopen, ga dan naar de grote boekwinkel vlakbij het Vrijthof. Die winkel is heel speciaal omdat hij in een oude kerk is gevestigd! Goh, leuk. Nou, die kerk wil ik wel van binnen zien. En zijn er ook mooie musea in Maastricht? Ja, er zijn verschillende musea, maar het bekendste museum is het Bonnefantenmuseum. Het is een mooi gebouw aan de rivier de Maas. Dat moet je zeker bezoeken! Dank u wel voor de tip. En nog iets, waar kunnen we gezellig gaan stappen? Stappen? Ik bedoel, waar zijn de leuke kroegen en disco’s? Oh, leuke kroegen… Ja, die vind je overal in het centrum, bijna in elke straat. En disco’s...tja, dames, daar ben ik te oud voor, dat weet ik niet. Ja, natuurlijk, sorry. Maar die zullen we ook wel vinden.

Fragment 3: Bij aankomst op station Maastricht man Mila + Simone man Mila man

Nou, dames, veel plezier in Maastricht! Dank u wel, en nog bedankt voor uw suggesties. Graag gedaan! Ik maak graag reclame voor mijn eigen stad. Oh, meneer…nog één vraag. Hoe komen we in het centrum? Oh, dat is makkelijk. Je kan de bus nemen, lijn 1 en lijn 2 stoppen op de markt. Maar jullie zijn nog jong, je kan ook te voet gaan. Het is 10 minuten lopen. Je gaat vanuit de stationshal rechtdoor, en aan het einde van de straat de brug over. Dat is de oude brug over de Maas. En dan kom je direct in het oude centrum. Mila + Simone Bedankt. Dag, meneer. man Daag!

Thema 5

Vrije tijd

Oefening 2 Willem Linda Willem Linda Willem

Linda Willem

Linda Willem Linda

Willem Linda

Willem

Linda Willem Linda

Zo, ik heb honger, zeg. Ik neem een broodje kaas, een kop tomatensoep en twee kroketten. Ik neem alleen een kopje soep en een salade. Kijk maar uit met die kroketten, dat is slecht voor de lijn. Ach, ik kan het wel hebben. Ik ga vanavond sporten, dan raak ik genoeg calorieën kwijt. O, dus jij bent heel sportief? Best wel! Vanavond ga ik tennissen, dat doe ik één keer per week met een paar vrienden. En op zaterdagochtend voetbal ik altijd. Ook ga ik nog regelmatig naar een voetbalwedstrijd van PSV, de club uit Eindhoven. PSV uit Eindhoven? Ben jij dan geen fan van Ajax? Nee, natuurlijk niet. Ik ben geen Amsterdammer, ik kom eigenlijk uit Eindhoven en ik ben al heel lang fan van PSV! Ze zijn al vaak kampioen van Nederland geweest, vaker dan Ajax! De laatste weken hebben ze ook een paar keer verloren, maar volgende week spelen ze thuis in Eindhoven tegen Ajax, en dat gaat PSV winnen, ik weet het zeker. Tja, het zal wel! Ik heb een hekel aan voetbal! Maar ben je wel een beetje sportief? Vroeger was ik veel sportiever dan nu. Ik heb in mijn studententijd veel gehockeyd, wel drie keer per week! Helaas heb ik nu te weinig tijd om te sporten. Je weet hoe het is hier in het ziekenhuis. De werkdagen zijn lang, en dan heb ik ’s avonds geen energie meer om actief te zijn. Ik hockey nog wel één keer per week, op zondag. En af en toe ga ik met mijn vriend squashen. En wat doe je verder in je vrije tijd? In het weekend ga ik graag naar de bioscoop. Ik houd van films, vooral psychologische films. En ik ga ook graag naar het theater, naar dansvoorstellingen, vooral ballet. En jij? Wat doe jij in het weekend? Mij krijg je niet naar ballet, dat is niks voor mij. Ik kom niet vaak in een theater, maar ik vind het leuk om met vrienden naar de kroeg of naar een concert te gaan. Mila, mijn vriendin houdt veel van salsa, ze kan ook goed salsa dansen. Maar salsa is niet mijn favoriete muziek. Ik houd meer van popmuziek en jazz. En van welke muziek houd jij? Ik luister graag naar klassieke muziek maar ik houd ook van popmuziek. En ik speel een beetje klassiek piano. Oh, leuk, dus jij bent echt muzikaal? Nou, dat wil ik wel eens horen! Ach, ik speel niet echt goed. Ik oefen te weinig. Op de middelbare school heb ik een paar jaar les gehad, maar nu niet meer.

Transcripten luisterteksten

275


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 276

Oefening 9 Fragment 1: Agnes vertelt over haar werkdag 1 ’s Ochtends sta ik om zeven uur op. Dan ga ik me eerst douchen. 2 Daarna ontbijt ik. Meestal drink ik een kopje thee en eet ik een boterham met kaas. 3 Om kwart over acht haalt een collega me op. We fietsen samen naar ons werk. Ik ben administratief mede-

werker bij een taleninstituut. 4 Eerst haal ik een kopje koffie en controleer ik mijn mailbox. Soms heb ik wel dertig mailtjes! 5 Dan bekijk ik de post en breng ik de post rond. Dan kom ik bij verschillende afdelingen. Sommige collega’s

maken dan een praatje met me. Dat is erg gezellig. 6 Meestal moet ik daarna notuleren bij vergaderingen. Dat vind ik niet zo leuk, want het is een beetje saai en

vermoeiend. 7 Om half één gaan we lunchen. We gaan eerst in de kantine eten en daarna wandelen we in het park tegen-

over ons bedrijf. 8 ’s Middags komen studenten zich inschrijven of ze komen voor een intake. Soms is het dan erg druk. Ik vind 9 10 11 12

het contact met de studenten erg leuk. Om vijf uur ben ik klaar. Ik fiets eerst naar de supermarkt en dan naar huis. Thuis ga ik koken. Om 18.00 uur komt mijn vriend thuis en gaan we eten. Na het eten doet mijn vriend de afwas en lees ik de krant. ’s Avonds kijken we om acht uur naar het journaal. Daarna lezen we vaak nog wat of kijken we tv, als we zin hebben.

Fragment 2: Jan vertelt over zijn studiedag. Hij studeert Spaans. 1 Op maandag sta ik om acht uur op want om negen uur heb ik mijn eerste college. Ik douche me en ontbijt

niet. ’s Ochtends heb ik geen honger. Ik drink wel altijd een kopje koffie om wakker te worden. 2 Om half negen neem ik de bus naar college. In de bus is het altijd erg druk en dat vind ik vervelend. Alle

plaatsen zijn bezet en ik moet dus blijven staan. 3 Mijn eerste college op maandag is Spaans. We beginnen dan met spreekvaardigheid. In kleine groepjes

praten we over actuele thema’s. Daarna hebben we nog grammatica. Dat vind ik altijd een beetje saai. 4 Na het college ga ik naar het talenpracticum om mijn uitspraak te verbeteren. 5 Meestal lunch ik met een paar vrienden. We eten samen een broodje en praten over onze studie. Dat is

altijd heel gezellig! 6 ’s Middags heb ik college over de Spaanse geschiedenis. We zitten dan in een zaal met ongeveer honderd

studenten. De docent geeft hoorcollege en wij schrijven de belangrijke punten op. 7 Na het college doe ik boodschappen. ’s Avonds krijg ik vaak vrienden te eten. Ik vind het erg leuk om te

koken. 8 Als ik thuiskom, lees ik eerst even de krant. 9 Dan ga ik koken. Om zeven uur komen mijn vrienden en dan eten we gezellig samen. 10 Na het eten gaan we vaak uit: naar een café of naar de bioscoop. Ik ga bijna nooit voor 1.00 uur ’s nachts

naar bed.

Oefening 11 Gerard Agnes Gerard Agnes Gerard Agnes Gerard Agnes Gerard Agnes Gerard

Met Gerard Bruinsma. Hoi Gerard, met Agnes. He, Agnes, dat is lang geleden. Hoe is het? Oh, prima. Ik heb een hoop te vertellen. Zullen we binnenkort weer eens iets afspreken? Lijkt me leuk! We moeten inderdaad weer eens bijpraten. Heb je zin en tijd om binnenkort een terrasje te pikken? Prima! Kun jij vrijdag na je werk, om zes uur? Nee sorry, dan kan ik niet. Kan jij zaterdag? Even denken, eh…zaterdagavond kan ik niet maar zaterdagmiddag wel. Oké. Zullen we dan zaterdagmiddag om drie uur afspreken bij café ‘Bomans’? Ja, gezellig. Tot zaterdag! Dan kletsen we verder. Doei, tot zaterdag!

Oefening 17 Mila Simone Willem Simone Willem Pieter Willem Simone

276

Hebben jullie al plannen voor het weekend? Nee, niet echt. Misschien gaan we naar de bioscoop. Hebben jullie zin om mee te gaan? Naar welke film? Dat weten we nog niet. Heb jij een idee? In het Filmhuis draait geloof ik een mooie Spaanse film. Ik weet alleen de titel niet meer… Als het maar niet zo’n romantische flutfilm is! Het verhaal moet wel een beetje inhoud hebben, een beetje intellectueel, een beetje cultureel… Ach, man je bent een snob. Maar goed, ik zal thuis nog wel even op internet kijken en jullie dan een mailtje sturen met wat informatie. Komen jullie voor de film dan bij ons eten? Ja, gezellig! Het lijkt me trouwens ook leuk om binnenkort met z’n vieren weer eens naar een

Transcripten luisterteksten


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 277

Mila Pieter

concert te gaan. Goed plan! Nou, dan heb ik wel een suggestie. Over drie weken speelt De Dijk op vrijdagavond hier in Amsterdam, in de Heineken Music Hall. Dat lijkt me fantastisch! Zijn er nog kaarten, denk je? Eergisteren waren er nog kaartjes. Zal ik snel vier kaartjes reserveren? Sorry, maar ik ken De Dijk niet… Wat is dat voor band? Ze spelen Nederlandstalige rock, soul en blues. Ze maken echt te gekke muziek! En ze bestaan al meer dan 25 jaar. Lijkt me leuk! Dus Pieter, jij regelt de kaartjes? Doe ik!

Thema 6

Wonen

Pieter Willem Pieter Mila Simone

oefening 2 makelaar Mila Willem makelaar Mila Willem makelaar Willem

Goedemorgen. Welkom op ons kantoor. Mijn naam is Mirella van der Veer. Hallo, ik ben Mila Aragonez. Hallo, Willem van Dijk. Kan ik jullie iets te drinken aanbieden? Koffie of thee. Koffie, graag. Voor mij ook. Zo, kijk eens, twee koffie. Nou, wat kan ik voor jullie doen? De situatie is als volgt. Ik woon al zes jaar op een etage in het centrum en sinds twee jaar woon ik daar samen met mijn vriendin. Die etage is eigenlijk te klein voor ons tweeën en de huur is ook best hoog. We willen graag een woning kopen. makelaar Dat begrijp ik. En wat zoeken jullie? Hebben jullie al een beetje een idee? Willem We zoeken een woning met een ruime woonkamer en minimaal twee slaapkamers. Mila En als het kan, ook een tuin of een balkon. Ik zit graag buiten. Willem Oh ja, ook belangrijk: we houden niet zo van klussen en we hebben ook niet veel tijd. Dus het huis moet goed onderhouden zijn. makelaar Hmhm. Dan kunnen jullie het beste een relatief nieuw huis kopen. In welke wijk zoeken jullie? Willem Dat maakt ons niet zoveel uit, maar liever niet in het noorden van de stad. Mila Nou, het liefst wil ik in het centrum blijven, maar dat is waarschijnlijk te duur voor ons. Wat denkt u? makelaar Tja, dat ligt eraan. Wat is jullie budget? Willem We zijn bij de bank geweest voor een hypotheek. Op basis van onze inkomens kunnen we een hypotheek van maximaal € 250.000 krijgen. Dus we zoeken een huis in die prijsklasse of iets goedkoper. makelaar Oké, dat is duidelijk. Een huis met een tuin in het centrum is moeilijk te vinden voor die prijs, maar even buiten het centrum heb je genoeg keus. Daar zijn de huizenprijzen de laatste tijd iets gedaald door de kredietcrisis. Dat is gunstig voor starters op de woningmarkt, zoals jullie. Willem Oh, dat is goed om te horen. makelaar Hier heb ik een brochure van ons huizenaanbod in de wijken direct rond het centrum. Je kunt op prijscategorie zoeken, zie je. Willem + Mila Oh ja… makelaar Kijk, op deze pagina’s staan alle huizen in de categorie van € 200.000 tot € 250.000. Ik stel voor dat jullie die eens goed bekijken. Mila Prima, dat gaan we doen. … Oh, kijk, Willem, dit is een leuk huis! Willem Ja, ziet er aardig uit. Maar laten we het totale aanbod eerst maar eens goed bekijken. makelaar Ja, je moet rustig de tijd nemen. Neem de brochure maar mee naar huis. En als er iets bij zit dat jullie aanspreekt, kunnen we samen gaan kijken. Dan maken we een afspraak voor een bezichtiging. Mila Een bezichtiging? Wat bedoelt u? Makelaar Dan gaan we het huis bekijken. Mila Ja, leuk. Doen we. Makelaar Oh ja, kijk ook op onze website, daar staat de meest recente informatie over ons aanbod. Willem Bedankt voor de informatie. Als er iets interessants tussen zit, nemen we weer contact op. Makelaar Prima, ik hoor nog van jullie. Tot ziens. Willem + Mila Tot ziens.

Transcripten luisterteksten

277


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 278

Oefening 6 Dit is mijn studeerkamer. Voor het raam staat mijn bureau. Bij mijn bureau staat een bureaustoel. Op het bureau staat de computer. De printer staat op een kleine kast naast het bureau. Boven het bureau hangt een foto. Voor het raam hangen gordijnen. Deze gordijnen zijn dicht.

Thema 7 Gezondheid oefening 2 Mila Willem Mila Willem Mila Willem assistente Willem assistente Willem assistente Willem assistente Willem assistente huisarts Willem huisarts Willem huisarts Willem huisarts Willem huisarts Willem huisarts Willem huisarts

Willem Huisarts

Hoi schat, lekker getennist? Niet echt. Het eerste half uur heb ik heerlijk gespeeld, maar toen maakte ik een verkeerde beweging. Nu heb ik zo’n pijn aan mijn linkerenkel. Volgens mij is hij dikker. Doe je sokken eens even uit. Ja inderdaad, deze enkel is dikker dan de andere. Auww, kijk uit, niet aankomen! Sorry, hoor. Tja, ik denk dat je even langs de huisarts moet. Ja, dat denk ik ook. Ik zal even bellen voor een afspraak. Goedemiddag, huisartsenpraktijk Notenbomenlaan. Goedemiddag, u spreekt met Willem van Dijk. Ik heb met tennissen een verkeerde beweging gemaakt en nu is mijn linkerenkel dik. Kan de dokter er even naar kijken? Wanneer is het gebeurd? Vanmiddag om 13.30 uur ongeveer. Hebt u al ijs op uw enkel gelegd? Nee, nog niet. Ik heb thuis pas gezien dat de enkel dikker was. U kunt het beste uw enkel nu meteen koelen. Ik kijk even in de agenda. Kunt u over een half uur hier zijn? Ja hoor, dat is prima. Tot zo! Tot zo. Hallo, Willem. Ik heb gehoord dat je last hebt van je enkel. Vertel eens. Wat is er gebeurd? Nou, ik was vanmiddag met een vriend aan het tennissen. En ik heb een verkeerde beweging gemaakt en toen ben ik door mijn linkerenkel gegaan. Hij is helemaal dik geworden. Zo… en hoe ben je hier naartoe gekomen? Achterop de fiets van mijn vriendin. Kan je nog lopen? Ja, een beetje, maar het doet pijn. Ik loop heel voorzichtig of ik hinkel. Doe maar even je schoenen en sokken uit. Dan zal ik even kijken.Kan je aanwijzen waar het precies pijn doet? Hier. Als ik hier druk, doet het dan pijn? Niet echt. En als ik hier druk. Au! Ja, dat doet ontzettend pijn! Draai eens met je enkel naar rechts. En naar links. Trek je tenen naar je toe. Mmm, ja, ik zie dat je niet de hele beweging kunt maken. Goed, je enkel is gelukkig niet gebroken. Hij is gekneusd. De assistente zal een rekverband aanbrengen. Je moet het verband één week omhouden. Je mag er gewoon op lopen, maar niet door de pijn heenlopen. Als je over twee weken nog last hebt, moet je terugkomen. Dan moet je misschien naar de fysiotherapeut. Oké. Dus één week verband en na twee weken eventueel terugkomen en naar de fysiotherapeut. Bedankt, dokter. Graag gedaan. En sterkte met het herstel.

oefening 17 Ik ben Vivianne Koenders. Ik ben huisarts sinds 2006 hier in Emmen. Ik had één dochtertje toen ik hier kwam werken. Nu heb ik twee dochters en een zoontje. We wonen ook hier in de buurt. We hebben een soort familiebedrijfje. Ik werk er natuurlijk, mijn vader werkt er en mijn moeder werkt ook al 33 jaar in de praktijk. Dus we doen het echt een beetje met zijn allen. Mijn moeder doet het praktijkmanagement en werkt in de apotheek. Ik ben huisarts geworden omdat ik eigenlijk altijd al wel gedacht heb dat ik het heel erg leuk zou vinden. Toen ik vier was, ging ik al in een kartonnen doos zitten om visites te rijden enzo. Ja, daarna is dat eigenlijk zo gebleven. Dus toen wist ik eigenlijk wel zeker dat ik huisarts wilde worden. Het is gewoon het leukste vak. Je ziet mensen zoals ze zijn, in hun werkkleren en met hun gezin en met hun omgeving.

278

Transcripten luisterteksten


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 279

Thema 8 Uiterlijk en karakter oefening 2 Willem Mila Willem

Mila Willem Mila Willem

Mila Willem Mila Willem

Mila Willem

Mila

Willem Mila Willem

Mila, wat zullen we de komende zomervakantie gaan doen? Ik wil graag weer naar Peru om mijn familie en vrienden te bezoeken. Ja, hoor, dat dacht ik al. Nou, ik heb geen zin om weer naar Peru te gaan. De afgelopen twee zomers zijn we daar ook al geweest. En als we daar zijn, zijn we nooit helemaal vrij. We moeten natuurlijk weer op bezoek bij je familie en bij vrienden. Ik wil wel eens wat anders; bijvoorbeeld naar Griekenland. Ja, maar je begrijpt toch wel dat ik mijn familie en vrienden weer wil zien! Natuurlijk, dat snap ik, maar je vader en zus zijn pas geleden nog bij ons op bezoek geweest. Hoezo pas geleden? Jongen, dat is alweer vier maanden geleden, hoor. Nou, dat valt toch wel mee, dat is niet zo lang geleden! Ik vind dat je ook wel eens aan mij mag denken. Ik heb maar drie weken vrij in de zomer en ik wil nu eens ergens anders naartoe. Zo erg is dat toch niet?! Ik vind het egoïstisch van je. Jij hebt je familie en vrienden allemaal hier in Nederland. Ik niet. Ik egoïstisch… Waarom zeg je dat nou? De afgelopen twee jaar hebben we gedaan wat jij wilde. Wie is hier nou egoïstisch? Ja, ja, het is al goed. Oké… Wat wil jij dan doen? Ik wil graag naar een Grieks eiland. Lekker genieten van de zon, de zee en de natuur. Op zo’n eiland kunnen we lekker wandelen of culturele uitstapjes maken, maar ook lekker in de zon liggen. Wat vind jij? Je weet dat ik in de vakantie vooral wil uitrusten, lekker lui zijn: op het strand liggen, met een boek in de zon, op een terrasje zitten, lekker eten en drinken. Nou, dat kan daar prima. We kunnen bijvoorbeeld ’s ochtends een activiteit doen en dan ’s middags relaxen op het strand. En als jij geen zin hebt om te wandelen, dan ga ik toch gewoon een keer alleen. Ja, dat is zo. Trouwens, ik heb van Simone veel mooie verhalen over Griekenland gehoord. Zij heeft vorig jaar een boottocht langs een paar eilanden gemaakt. Ik kan haar nog wel wat tips vragen. Oké! Dan kijk ik ook even op internet waar we naartoe kunnen gaan. Dat is goed, schat! En, eh…zullen we dan aan het einde van het jaar, zo rond kerstmis en nieuwjaar, nog een weekje naar Peru gaan? Ach, liefje, dat zien we dan wel weer. Dat is nog zo ver weg!

oefening 7 interviewer Marleen interviewer Marleen

interviewer Marleen

interviewer Marleen

interviewer Marleen

interviewer Marleen

Marleen, hoe lang woon je nu in Moskou? Tweeënhalf jaar geleden ben ik met mijn man naar Moskou verhuisd. Hij moest voor zijn werk hierheen. Ik heb mijn baan opgezegd en ben met hem meegegaan. En hoe vind je het om in Moskou te wonen? Nou, er zijn dagen dat ik het geweldig vind, maar ook dagen dat ik weg wil. Bijvoorbeeld, als er dingen misgaan met visa, of als we drie maanden moeten wachten op internet. Maar het is ook spannend om hier te wonen, midden in zo’n onvoorspelbare wereldstad. Je verbaast je elke dag! Hoe zit het met de taal? Spreek je goed Russisch? De eerste zeven maanden heb ik bijna dagelijks een paar uur Russische les gehad. Pas op mijn werk en met ons kindermeisje ben ik het een beetje gaan spreken. Ik kan nu simpele, alledaagse gesprekjes voeren, maar diepzinnige of emotionele gesprekken vind ik nog steeds lastig. Ben je al gewend aan de chagrijnige Moskovieten? Ach, ik heb er niet zo’n last van. Er is wel een groot verschil tussen hoe ze thuis zijn en hoe ze op straat zijn. Ik bedoel, als je bij ze op bezoek bent, zijn ze vaak heel hartelijk en gastvrij. Maar op straat zijn ze vaak heel bot, daar is het echt ieder voor zich. Waarover heb je je het meest verbaasd? Wat echt gek is, is hoe de mensen hier in de rij staan: ze staan bijna boven op je, heel dicht tegen je aan. Dat vond ik in het begin heel vervelend. En dan dat waanzinnige verkeer! Iedereen gooit zijn auto levensgevaarlijk voor die van een ander, maar niemand wordt kwaad. Iedereen doet dat zo. Hoe lang blijf je nog in Moskou, denk je? Mijn man heeft nog een contract voor tweeënhalf jaar. Daarna willen we wel weer terug naar Nederland of naar een warm land.

oefening 14 Carla en Tim komen uit Leeuwarden. Ze zijn allebei geboren in 1979. Ze hebben allebei op de hotelschool gezeten. Tim is in het dagelijks leven salesmanager, een zakelijke dertiger die graag plant. Zijn droom is om samen met Carla naar een warm land te vertrekken. Carla is een moderne, ambitieuze vrouw en ze werkt als directie-

Transcripten luisterteksten

279


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 280

secretaresse. Maar diep in haar hart is ze toch avontuurlijker dan anderen denken. Samen met Tim is ze op zoek naar een grotere uitdaging. Doris en Julius uit Alkmaar zijn veertigers en zitten nog vol idealen. Doris werkt vol passie als verpleegkundige in het plaatselijk ziekenhuis. Julius werkt als interim-manager in dezelfde sector. Doris en Julius hebben al een voorsprong op de andere stellen, want op hun grote zolder hebben ze al een bed-and-breakfast. Het hele jaar door ontvangen ze verschillende internationale gasten. Julius wil graag een bed-and-breakfast in Italië beginnen die net zo succesvol is als hun eigen bed-and-breakfast in Alkmaar. Doris denkt ook dat Italië een prachtige plek is om een bed-and-breakfast te beginnen, omdat het een heel mooi land is, met vriendelijke mensen, een prachtige natuur, prachtige gebouwen en een heel mooi klimaat. Karin en Joshua komen uit Breda. Hij is 23 en zij is zes jaar ouder. Ze zijn het jongste stel van alle kandidaten. Ze zijn bevlogen, idealistisch, alternatief en creatief. Het jonge stel wil het liefste weg uit Nederland. Joshua restaureert oude meubels in een kringloopbedrijf, zodat ze nog jaren mee kunnen. Hij is vrijgevig, creatief, onderzoekend, nieuwsgierig, aftastend, niet-materialistisch. De droom van Karin is om weg te gaan uit Nederland om alle hectiek en de haast hier achter zich te laten. Ze wil genieten van de rust en de ruimte om zich heen.

oefening 16 Dit is Alice. Ze is 30 jaar. Ze is slank en niet zo groot. Ze heeft steil blond lang haar. Ze draagt haar haar het liefste los. Vandaag is ze vrij. Ze draagt een spijkerbroek met een bloes. Dit is Henk. Hij is 25 jaar. Hij is lang en stevig. Hij heeft kort zwart krullend haar. Voor zijn werk draagt hij altijd een pak, maar geen stropdas, dat hoeft niet.

oefening 20 presentator

Emma presentator Emma presentator Emma presentator Emma presentator Emma presentator Emma presentator Emma

presentator Emma

presentator Emma presentator Emma presentator Emma presentator Emma presentator Emma presentator

280

Beste luisteraars, hier ben ik weer, mijn naam is Bart van der Ploeg. In ons programma over relaties praten we vandaag over de eerste ontmoeting, oftewel ‘Hoe heb jij je partner ontmoet?’ Pak de telefoon en bel ons op 0800-707 en misschien kom jij wel live in de uitzending met je unieke verhaal. De lijnen zijn nu open, 0800-707... ah, daar is de eerste beller al, wie heb ik aan de lijn? Eh… hallo… hallo? Ben ik al in de uitzending? Jazekerrr. Je spreekt met Bart, live in de uitzending. En wie ben jij? Oh, hallo, je spreekt met Emma. Wat leuk dat ik in de uitzending… Ja, Emma, kom maar op met je verhaal. Wie is je partner en hoe heb jij hem ontmoet? Ja, hij heet Roderick, en eh.. we hebben elkaar in de trein ontmoet. Zo, in de trein. Dat is romantisch. Vertel eens, hoe ging dat? Nou, ik zat dus in de trein van Eindhoven naar Amsterdam, en toen stapte hij in Utrecht de trein in. En hij zag de lege stoel tegenover mij, hij keek naar mij en … en toen vroeg hij... eh… Ja, ga door, ga door! Wat vroeg hij? Hij vroeg: ‘Is deze plaats vrij?’ En ik zei: ‘Ja’. Zo, jij durft! Ja, hihi, ik vond het ook wel dapper van mezelf. En hij ging zitten, en toen kwamen jullie in gesprek? Nou, niet meteen, eerst hebben we een paar keer naar elkaar gekeken. We waren allebei een beetje onzeker. En na een tijdje begon hij te praten. We hadden een kort gesprek, over niks eigenlijk, maar het klikte meteen. Ik was niet meer onzeker en voelde me snel bij hem op mijn gemak. Goh, wat leuk voor je! En hoe is het verder gegaan tussen jullie? Nou, in Amsterdam moesten we allebei uitstappen, en toen hebben we onze mobiele nummers uitgewisseld. En twee dagen later belde hij en vroeg of ik met hem uit wilde. En dat heb ik gedaan. We zijn eerst een hapje gaan eten en daarna zijn we naar de film gegaan. Heel gezellig! Goed, zeg! En vertel eens wat meer over Roderick. Hoe ziet hij eruit? Nou, hij is niet zo knap, en hij is een stuk kleiner dan ik. Maar ja, ik ben vrij lang, 1 meter 90, de meeste mannen zijn kleiner dan ik. En dat vind jij geen probleem? Nee, hoor, helemaal niet. Hij is in ieder geval heel lief en heel grappig, en hij spreekt heel beschaafd Nederlands, maar hij is wel een beetje arrogant. Zo…ja, dat moet ook wel, als je Roderick heet, haha... En hoe lang kennen jullie elkaar al? Drie weken. Drie weken, tjonge jonge! Ja, en vanavond zien we elkaar weer. Nou, Emma, ik wens je heel veel geluk met Roderick, en bedankt voor je verhaal. En ik vond het leuk om in de uitzending te zijn. En mag ik nog even de groeten doen aan… Helaas, Emma, daar hebben wij geen tijd voor. Wij gaan naar de volgende beller, met weer een uniek verhaal! 0800-707… Hallo, wie heb ik aan de lijn?...

Transcripten luisterteksten


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 281

Thema 9 Opleiding en werk oefening 2 Liesbeth Willem Liesbeth Willem Liesbeth Willem

Liesbeth Willem Liesbeth Willem Liesbeth Willem Liesbeth

Willem Liesbeth Willem Liesbeth

Taleninstituut Europa. U spreekt met Liesbeth Bloemen. Goedemiddag, met Willem van Dijk. Ik wil graag een cursus Spaans gaan doen. Ik heb een paar vragen over jullie cursussen Spaans. Hebt u al op onze website gekeken? Jazeker! Ik heb jullie cursusaanbod op de website gezien. Oké… en voor welke cursus wilt u zich inschrijven. Nou, dat weet ik nog niet, daarom bel ik juist. Ik speek namelijk al redelijk Spaans. Mijn vriendin komt uit Peru en ik heb daar een paar maanden gezeten. Ik denk zelf dat ik op niveau 4 of 5 kan beginnen, maar dat weet ik niet zeker. Ik wil graag een afspraak maken voor een persoonlijke intake om mijn niveau te bepalen. Ja, dat kan. Ik pak even de agenda erbij… Kunt u aanstaande vrijdagmiddag? Even kijken… ja, ik kan aan het eind van de middag. Is dat mogelijk? Ja, kunt u om vier uur? Dat is prima. Staat genoteerd. Als u zich bij onze receptie meldt, dan komt een docent u ophalen voor een intakegesprek. Dan kunnen we uw wensen bespreken en uw niveau bepalen. Bedankt. En ik heb nog een vraag: is er nog plaats in de cursussen die begin volgende maand starten? Momentje, ik kijk even in onze cursusplanning …eh… de intensieve daggroepen zijn vol. Maar in de avondgroepen is nog wel plaats. U kunt kiezen uit cursussen van tien weken met twee lessen per week, of cursussen van twintig weken, met één lesavond per week. En ik heb nog een advies: wacht niet te lang met inschrijven want vol is vol. Kan ik me dan vrijdagmiddag na de intake meteen voor een cursus inschrijven? Dat kan, maar dat doen we niet aan de balie, dat moet u zelf doen via onze website. Dus als u vrijdag van onze docent een advies hebt gekregen, kunt u zich meteen via internet inschrijven. Dat is duidelijk. Dank u wel. Graag gedaan, meneer van Dijk, en tot vrijdag.

oefening 10 Ik ben derdejaars student bedrijfseconomie aan de Erasmus universiteit in Rotterdam. Ik studeer bedrijfseconomie, omdat ik het een interessante studie vind en ik zo een goed toekomstperspectief heb. De economische faculteit van de Erasmus universiteit is de beste van Nederland en staat op de derde plaats in Europa. Als ik na mijn studie naar het buitenland wil gaan, kan ik overal naartoe. Ik vind het leuk om nieuwe dingen te leren. Economische onderwerpen kom je in het dagelijks leven overal tegen. Het eerste jaar van de studie is niet zo boeiend. Dan krijg je veel basisvakken, en die zijn helaas niet altijd interessant omdat ze meer theoretisch en minder praktisch zijn. Maar vanaf het tweede jaar wordt de studie pas echt interessant. De docenten zijn erg verschillend, vind ik. Sommige docenten geven heel saai college. Ze praten onduidelijk en vertellen precies wat er in het boek staat. Anderen geven wel interessante colleges, ze vertellen veel over het onderwerp en geven leuke voorbeelden. Er zitten 500 studenten op de faculteit economie. Ik ken ze dus niet allemaal, maar ik heb goed contact met de medestudenten uit mijn studiejaar. De meesten vinden de studie belangrijk en werken hard maar we hebben het samen ook erg gezellig. Naast mijn studie hockey ik twee keer per week; woensdagavond trainen en zondagmiddag competitie spelen. Bovendien werk ik in een broodjeszaak om wat geld bij te verdienen. Ik werk daar gemiddeld acht uur per week in de bediening.

oefening 13 Ik heb communicatiemanagement gestudeerd aan de Hogeschool Utrecht. Ik ben nu projectmanager bij een internationaal reclamebureau. Ik vind mijn werk superleuk. Dagelijks heb ik contact met klanten, ik maak planningen en let op budgetten. Ik werk officieel 40 uur per week, maar dat wordt vaak 50 uur. Formeel werk ik van 8.45 uur tot 17.30 uur maar in de praktijk zijn de werktijden flexibeler; om 9.00 uur is er bij ons nog bijna niemand op kantoor en om 18.00, 18.30 uur is bijna iedereen er nog. Ik ga meestal tussen 18.30 en 19.00 uur naar huis. Mijn werk is heel dynamisch. Ik vind het fantastisch als we een mooi eindresultaat hebben bereikt. Het werken met internationale klanten vind ik soms wel moeilijk en vermoeiend, niet alleen door de taalproblemen maar ook door de cultuurverschillen. Je moet soms erg diplomatiek zijn, en dat lukt me niet altijd. Mijn leidinggevende heeft gelukkig veel ervaring met het werken in een internationale omgeving. Ik kan hem altijd om advies vragen.

Transcripten luisterteksten

281


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 282

Thema 10 Verleden, heden, toekomst oefening 2 Ik ben 26 jaar geleden geboren in een dorpje vlakbij Lima, in Peru. Ik ben de oudste van een gezin van vier kinderen. Ik heb twee broers en een zus. Mijn ouders hadden een boerderij en moesten hard werken. Ik moest mijn ouders vaak helpen op het land of met het huishouden. Soms vond ik dat vervelend want ik wilde liever met mijn vriendjes en vriendinnetjes buiten spelen. Toen ik 17 was, werd mijn moeder ziek. Ze kreeg kanker en moest regelmatig naar het ziekenhuis voor behandeling. Een jaar later bleek dat ze niet meer beter kon worden. De laatste maanden hebben we thuis voor haar gezorgd. En toen is ze overleden, dat is nu zeven jaar geleden. Ze was een fantastische moeder. Ze werkte hard maar had altijd aandacht voor ons. Als we uit school kwamen, dronken en aten we samen iets. ’s Avonds speelden we vaak nog een spelletje voordat we gingen slapen. Ze vond het erg belangrijk dat we goed ons best deden op school. Het ging goed met mij op school en ik haalde zonder problemen mijn diploma. Na mijn middelbare school vond ik snel een leuke baan bij een bank in Lima. Mijn moeder was erg trots op mij. Na de dood van mijn moeder hebben we een moeilijke periode gehad. Ik werkte full time maar mijn broers en zus zaten nog op school. Mijn vader had het druk met de boerderij en ik moest voor mijn broers en zus zorgen. Dat was zwaar in combinatie met mijn baan. Mijn broers werken nu bij mijn vader op de boerderij. Dat gaat erg goed. Ze zullen de boerderij uiteindelijk van mijn vader overnemen. Mijn zus zit nog op school, ze doet dit jaar eindexamen. Ze weet nog niet wat ze daarna gaat doen. Voorlopig zal ze ook wel op de boerderij blijven. Zo’n vijf jaar geleden heb ik Willem ontmoet. Hij was voor zijn studie in Peru en af en toe kwam hij als klant bij de bank waar ik toen werkte. Het was liefde op het eerste gezicht. Na vier maanden moest hij weer terug naar Nederland. We hebben in die periode veel gebeld en gemaild. Willem is nog drie keer naar Peru gekomen en ik ben twee keer naar Nederland gegaan. Twee jaar geleden ben ik definitief naar Nederland gekomen. Dat was een moeilijke beslissing. Ik woon nu ver van mijn familie en mis ze erg. We hebben vooral contact via mail en skype. Ook was het moeilijk om een vaste baan te vinden. Ik heb via uitzendbureaus verschillende baantjes gehad. Zo heb ik veel ervaring opgedaan en uiteindelijk vond ik mijn huidige baan op de afdeling marketing van een bank in Utrecht. Mijn baan is best leuk maar ik wil me verder ontwikkelen. Daarom wil ik in september beginnen met een studie economie in Amsterdam. Ik hoop dat ik in de toekomst bij een internationaal bedrijf kan werken.

oefening 6 interviewer Dimitris

interviewer Dimitris

interviewer Dimitris interviewer Dimitris

interviewer Dimitris

282

Dimitris, vertel eens, wat is er in die 25 jaar veranderd? Eh…het interieur is aangepast: het sanitair, de vloer, de wanden, de meubels en de openslaande deuren. Ook hebben we de menukaart regelmatig veranderd en uitgebreid met nieuwe mediterrane gerechten. En wat is hetzelfde gebleven? De schilderingen aan de muur. Die zijn 25 jaar geleden gemaakt en nooit veranderd. En wijzelf natuurlijk! Wij zijn ouder geworden maar niet veranderd. We voelen ons hier helemaal thuis. We hebben nooit spijt gehad dat we hier ons restaurant hebben gevestigd en niet in het centrum van de stad. Het is heel persoonlijk, zo’n restaurant in een woonwijk, maar het geeft wel meer verantwoordelijkheid: je leert je gasten kennen en de gasten leren jou en je menukaart kennen. Ze verwachten altijd dezelfde kwaliteit, hetzelfde niveau. We zien hier regelmatig dezelfde mensen terugkomen. Dat zou met een restaurant in de binnenstad heel anders zijn geweest, waar je elke avond andere gasten ziet. Voor velen zijn we een soort huiskamerrestaurant geworden: gezinnen komen hier eten, maar ook alleenstaanden voelen zich hier op hun gemak. En binnenkort vieren jullie feest vanwege het 25-jarig bestaan. Ja, dat wordt een groot spektakel, met speciale menu’s en live Griekse muziek in het restaurant. Nou, veel succes met de voorbereidingen. En ... wat verwacht je van de komende jaren? Wat brengt de toekomst? Wil je ooit terug naar Griekenland? Ach, daar denk ik niet zo over na. We zitten hier goed in Nederland en willen hier niet meer weg. Ik hoef niet terug naar Griekenland. We hebben hier zelf ook veel vrienden gekregen, onze drie kinderen zijn hier opgegroeid. We zijn hier met niets begonnen, maar inmiddels hebben we een grote, vaste klantenkring opgebouwd. Ik herinner me nog hoe sommige gasten jaren geleden in ons restaurant kwamen met hun kleine kinderen. En moet je nu eens zien. Het gaat hard hoor, die kleintjes zijn opeens groot geworden, komen van de middelbare school en krijgen hun eerste baan. Wie weet komen zij hier later ook weer met hun eigen kinderen. Dimitris, veel plezier met het feest, en bedankt voor dit interview. Jij ook bedankt. En kom een keer gezellig eten in ons restaurant.

Transcripten luisterteksten


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 283

Woordenlijst Thema 1 achternaam (de) adres (het) agenda (de) al antwoord (het) april arts (de) augustus avond (de) bank (de) beamer (de) beantwoorden beetje beker (de) bibliotheek (de) bij bioscoop (de) bord (het) cafĂŠ (het) cd-speler (de) computer (de) concert (het) cursusboek (het) daar dag (de) dank dansen de december deur (de) deze dier (het) dierentuin (de) dinsdag discotheek (de) doen donderdag dorp (het) drinken dubbel een elke en Engels (het) eten expositie (de) februari film (de) fruit (het) gaan gisteravond gisteren geboren geld (het) geleden goed goedemiddag goedemorgen goedenacht goedenavond goedendag

goh gum (de) half hallo hè hebben het heten hier hij hoe hoi huis (het) ik in ja jaar (het) januari jas (de) je/ jij juli jullie juni kapstok (de) kennen kerk (de) klok (de) komen kopen kopje (het) lamp (de) land (het) landkaart (de) leeftijd (de) lenen letter (de) lezen liggen luisteren maand (de) maandag maart map (de) medicijn (het, de) meestal mei met middag (de) mijn miljoen (het) morgen museum (het) muur (de) muziekcentrum (het) naam (de) naar nacht (de) Nederland Nederlander (de) Nederlands (het) nee niet

november nu nummer (het) ochtend (de) oktober om ontmoeten ook papier (het) park (het) pen (de) plaats (de) plafond (het) postkantoor (het) postzegel (de) potlood (het) prikbord (het) prima psychologie (de) raam (het) redelijk restaurant (het) schrift (het) schrijven september soms sorry Spaans (het) sporten sporthal (de) spreken stad (de) stage (de) stoel (de) stift (de) straat (de) strand (het) studeren studie (de) taal (de) taalinstituut (het) tafel (de) tas (de) tekst (de) televisie (de) tennisbaan (de) tennissen theater (het) trein (de) u uit universiteit (de) vanavond vandaag vandaan vanmiddag vanmorgen vannacht vloer (de) voorbeeld (het) voornaam (de) vraag (de)

vriend (de) vriendin (de) vrij vrijdag waar wandelen wanneer wat we werken wie wij winkelcentrum (het) winkelen woensdag wonen woord (het) woordenboek (het) zaterdag ze zij zijn zitten zondag zwembad (het) zwemmen

Thema 2 alcohol (de) allebei alleen alsjeblieft/alstublieft appel (de) baby (de) beginnen belangrijk bespreken beste beterschap! Bevrijdingsdag bezem (de) blij boek (het) boekwinkel (de) bon (de) bonnetje (het) broer (de) cadeau (het) Carnaval crèche (de) dansen dat dicht Dierendag dit dochter (de) Dodenherdenking echtpaar (het) eindexamen (het) elkaar erg

examen (het) familie (de) feest (het) feestdag (de) feestje (het) fiets (de) fles (de) foto (de) gast (de) geboorte (de) gebruiken gecondoleerd geen gefeliciteerd gek geleden geluk (het) gemeentehuis (het) gescheiden getrouwd geven gezellig gezin (het) Goede Vrijdag graag gracht (de) groet (de) groot grootmoeder (de) grootvader (de) haar harte hartelijk gefeliciteerd! Hemelvaart hoeveel hoor horen hond (de) houden van huwelijk (het) iedereen jarig je jongen (de) jouw kamer (de) kantine (de) kat (de) Kerstmis kind (het) Kinderboekenweek klaar klein koffie (de) Koninginnedag kop (de) kopen kopje (het) kort krijgen kruispunt (het)

Woordenlijst

283


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 284

kunnen lekker lepel (de) leuk lijken op maar maken man (de) me mes (het) mij missen moeder (de) Moederdag moeilijk moeten mogen muziek (de) neef (de) neefje (het) nemen nicht (de) nichtje (het) niets nieuw Nieuwjaar niks nog oma (de) onderzoek (het) oom (de) opa (de) oud Oudejaarsavond ouder (de) overgrootmoeder (de) overgrootvader (de) overlijden pakken paraplu (de) parfum (het, de) parkeren Pasen persoon (de) Pinksteren pleegdochter (de) pleeggezin (het) pleegkind (het) pleegmoeder (de) pleegvader (de) pleegzoon (de) plezier (het) Prinsjesdag proficiat! populair reageren rechtsaf receptie (de) reizen roken ruilen schoonmoeder (de) schoonouder (de) schoonvader (de) schoonzus (de) Sint Maarten

284

Woordenlijst

Sinterklaas slecht snel staan station (het) stellen (vragen stellen) sterkte! stiefbroer (de) stiefmoeder (de) stiefvader (de) stiefzus (de) stuk (het) stukje (het) sturen succes! taart (de) tante (de) taxi (de) thuis tijd (de) titel (de) traditie (de) trakteren trouwen tweeling (de) uw vader (de) Vaderdag Valentijnsdag van vanaf van harte beterschap! van harte! veel veel plezier! Velen vergeten verjaardag (de) verhuizen verschil (het) verstaan vinden volgende volgorde voor vork (de) vrouw (de) waarom wat erg! wat gezellig! wat leuk! Wat wc (de) week (de) welk werk (het) wens (de) wijn (de) willen woning (de) worden zet hem op! ziek ziekenhuis (het) zoeken

zoon (de) zullen zus (de) zwager (de)

Thema 3 aan aanbieding (de) aantrekken aardappel (de) aardbei (de) afrekenen alles ananas (de) anderhalf anders andijvie (de) appel (de) armband (de) aspirine (de) bakker (de) bakkerij (de) banaan (de) bank (de) beige bestellen betalen beurt (de) bh (de) bier (het) bij bijzettafeltje (het) blauw blik (het) blikje (het) bloem (de) bloemenzaak (de) bloemkool (de) blouse (de) boek (het) boekenkast (de) boekwinkel (de) bolletje (het) boodschap (de) boontje (het) boormachine (de) boter (de) bouwmarkt (de) brengen brie (de) brief (de) briefje (het) broek (de) brood (het) brood (het) broodje (het) bruin budget (het) bureau (het) bus (de) busje (het) cafĂŠ (het) cake (de) cd-rom (de) cd-speler (de) cement (het, de) cervelaat (de)

colbert (het, de) computer (de) contant croissant (de) dan dekbedovertrek (het) donker doos (de) doosje (het) dorst (de) douchecrème (de) dragen dressoir (het of de) drinken drogist (de) drogisterij (de) druif (de) duur dvd-recorder (de) dvd-speler (de) eens eettafel (de) ei (het) elkaar er eten fauteuil (de) fijn flat (de) fles (de) flesje (het) framboos (de) gebak (het) geel gehakt (het) gesneden goedkoop gram (het) grijs groen groenteboer (de) groentewinkel (de) hak (de) half halsketting (de) ham (de) hamburger (de) hamer (de) handdoek (de) handschoen (de) hangen hartstikke heerlijk helaas helpen hem hen honger horloge (het) hoog hout (het) hun iets inderdaad interessant jammer

jas (de) jenever (de) jong jou jurk (de) juwelier (de) kaaswinkel (de) kalender (de) keeltablet (de) kers (de) ketchup (de) keus (de) kijken kilo (de) kip (de) kipfilet (de) kippenbout (de) kippenpoot (de) klant (de) kleding (de) kledingwinkel (de) klein kleren (de) kleur (de) koekje (het) koel komkommer (de) koken koopavond (de) kort kosten kostuum (het) koud krant (de) krentenbol (de) krop (de) kruk (de) laag laars (de) ladekast (de) lamsvlees (het) lang laptop (de) lelijk lekker licht lichtbruin lijken lippenstift (de) lopen maar maat (de) make-up (de) mandarijn (de) markt (de) melk (de) meloen (de) meneer (de) menu (het) met meubelzaak (de) misschien model (het) mooi mouw (de) mp3-speler (de) natuurlijk


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 285

nemen nog ober (de) ogenblik (het) oké olie (de) onderbroek (de) ondergoed (het) ongeveer ons ook oorbel (de) oranje overhemd (het) overkant (de) paar (het) paars pak (het) pakje (het) pantoffel (de) papier (het) paprika (de) passen paté (de) peer (de) pilsje (het) pinnen pinpas (de) pizza (de) plant (de) pleister (de) plug (de) pond port (de) postuur (het) pot (de) potgrond (de) potje (het) prei (de) prettig prima printer (de) proberen probleem (het) product (het) pyjama (de) reep (de) rekening (de) ring (de) rok (de) rol (de) rollade (de) rolletje (het) rood roos (de) rosé (de) roze rundvlees (het) salami (de) salontafel (de) samen sandaal (de) schoen (de) schoenenzaak (de) schroef (de) schroevendraaier (de)

servies (het) shampoo (de) shirt (het) sinaasappel (de) sjaal (de) sla (de) slager (de) slagerij (de) slagroom (de) slipje (het) slipper (de) smaken snijboon (de) sok (de) sorry spaghetti (de) speciaal speelgoed (het) spijker (de) spijkerbroek (de) spinazie (de) stem (de) stil stoel (de) stokbrood (het) stroopwafel (de) stropdas (de) suiker (de) taart (de) tafel (de) tas (de) tasje (het) tegel (de) televisie (de) thee (de) tijdschrift (het) tot trui (de) t-shirt (het) tulp (de) ui (de) varkensvlees (het) veel verband (het) verkoper (de) vers vest (het) vlaai (de) vlees (het) vleeswaren (de) voor vuilniszak (de) wat water (het) wc-papier (het) weekend (het) weer weinig whisky (de) wijn (de) winkel (de) winkelen winter (de) wit zaag (de) zacht zak (de)

zakje (het) zeggen ziens zin (de) zoet zomer (de) zonder zwart

Thema 4 aardig absoluut accepteren afspreken als ander anders auto (de) balen bang bedrijf (het) beneden bestemming (de) bezoek (het) bezoeken bijna bijzonder binnenkomen binnenkort binnenzak (de) boot (de) boven brommer (de) brug (de) bus (de) camping (de) centrum (het) conducteur (de) coupé (de) daar dame (de) deel (het) dichtbij doel (het) dromen dubbeldekker (de) dun duren eigen fantastisch fiets (de) file (de) fluitje (het) geduld (het) geloven genoeg gesprek (het) haast (de) heel heer (de) hier historisch hoofdstad (de) huren iemand in orde intercity (de)

irriteren jaloers kaartje (het) kerk (de) kijken kom op! korting (de) koud kroeg (de) kwartier (het) landen langzaam laten lied (het) links lopen lopend los lunchen mailen meestal metro (de) minister (de) minuut (de) modern naar negatief nerveus nog normaal omdat omroeper (de) onderweg op openbaar ophalen oplossing (de) opschieten over overstappen pardon passeren plaatsbewijs (het) plan (het) plattegrond (de) plein (het) prachtig prettig procent (het) proef (de) proeven radio (de) rechtdoor rechts reclame (de) reis (de) reiziger (de) rennen resultaat (het) retour (het) rijden ring (de) rivier (de) roltrap (de) rustig saai schoon

sluiten smaken snelweg (de) spoor (het) spits (de) stappen station (het) stilstaan stoppen suggestie (de) taxi (de) telefoon (de) terras (het) te voet tijd (de) tip (de) toch totaal tram (de) trein (de) uur (het) vaak vallen van vast veranderen vertraagd vertraging (de) vertrekken vervelend vlakbij vliegtuig (het) vlucht (de) vol vroeg waaien wachten want zaak zelf zonder zuiden (het) zwaar

Thema 5 aanstaand actief actueel afdeling (de) afwas (de) af en toe afgelopen alleen altijd appartement (de) arts (de) ballet (het) bellen beroemd beter best bezet bioscoop (de) boterham (de) buur (de) buurt (de) calorie (de)

Woordenlijst

285


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 286

college (het) concert (het) daarna dalen dan dansvoorstelling (de) dik douchen druk echt eerst eigenlijk energie (de) ervaren fan (de) favoriet fietsen film (de) flink gast (de) gebeuren geleden genoeg gratis hekel (de) helaas herhalen hockeyen horen hotel (het) houden van huiswerk (het) in inhoud (de) instrument (het) intellectueel internet (het) jazz (de) journaal (het) kampioen (de) kantine (de) keer (de) klassiek kletsen komend koor (het) kop (de) kroeg (de) kroket (de) kwart (het) kwijtraken laatste liefst liever lijn (de) makkelijk meer meest meestal middelbaar middernacht (de) minder minst muziek (de) muzikaal na

286

Woordenlijst

natuurlijk nieuws (het) nooit notulen (de) oefenen om ontbijten ooit op operatie (de) orkest (het) over overwerken per piano (de) popmuziek (de) post (de) recensie (de) regelen regelmatig reserveren rijk salsa (de) schaatsen schilderen slagen slapen snob (de) soms spelen speler (de) sporten sportief squashen stijgen stoppen studententijd (de) tabel (de) te team (het) temperatuur (de) ten slotte tennissen theater (het) tot tot slot tussen uitkijken uitspraak (de) vaak van ver verbeteren verder verdienen verhaal verliezen vermoeiend verschillend vervolgens voetballen voetbalwedstrijd (de) volgen volgend voor vorig

vrij vroeger wakker wandelen wel wel eens wereldrecord (het) werkdag (de) wijs winnen worden zaal (de) zakken zeker zelden ziekenhuis (het) zingen zojuist

Thema 6 aan aanbieden aanbod (het) aandacht (de) aannemer (de) aanrecht (het) aanspreken aardig achter advertentie (de) afstandsbediening (de) afzuigkap (de) alleenstaand als volgt bad badkamer (de) balkon (het) bank (de) basis (de) basisschool (de) bed (het) bedoelen begane grond (de) behangen behanger (de) bekeuring (de) bekijken belangrijk betegelen bezichtiging (de) bij boete (de) boom (de) boven brochure (de) buiten bureau (het) bureaulamp (de) bureaustoel (de) buren (de) categorie (de) computer (de) contact (het) dak (het) dakterras (het) dalen

dapper dat deze dicht die direct dit douche (de) douchegordijn (het) duidelijk eengezinswoning (de) eigenlijk elektricien (de) ertussen zitten etage (de) fauteuil (de) fietspad (het) flat (de) fornuis (het) gang garage (de) geluidsoverlast (de) genoeg gootsteen (de) gordijn (het) gunstig hal (de) hangen hoek (de) hoekwoning (de) hond (de) hondenpoep (de) horen van hovenier (de) huidig huis (het) huur (de) huurwoning (de) hypotheek (de) ideaal idee (het) iets informatie (de) inkomen (het) isolatie (de) isoleren jongere (de) kachel (de) kantoor (het) kast (de) kelder (de) keuken (de) keus (de) kinderopvang (de) kledingkast (de) kleed (het) klus (de) klussen koelkast (de) koopwoning (de) kraan (de) krant (de) kredietcrisis (de) kussen (het) laminaat (het) lamp (de)

laptop (de) lawaai (het) leggen lekken lente (de) liggen aan loodgieter (de) magnetron (de) makelaar (de) makelaarskantoor (het) maximaal melden metselaar (de) meubel (het) muur (de) naast nachtkastje (het) nodig hebben noorden (het) om omgeving (de) onder onderhouden ontdekken opgroeien ophangen opnemen opruimen oven (de) overkant (de) overlast (de) park (het) parkeerplaats (de) parket (het) pensioen (het) plafond (het) poep (de) poepen prettig prijs (de) prijscategorie (de) prijsklasse (de) printer (de) raamkozijn (het) recent relatief repareren rond renovatie (de) ruim ruitjeshuis (het) rustig salontafel (de) samenwonen schijnen schilder (de) schilderen schilderij (het) schoorsteen (de) schuur (de) seizoen (het) seniorenwoning (de) sfeer (de) sinds situatie (de) slaapkamer (de)


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 287

slaapkamer (de) slot (het) spullen (de) stapelbed (het) starter (de) stijl (de) stoel (de) studeerkamer (de) tafel (de) tafeltje (het) tapijt (het) tapijtlegger (de) tegelzetter (de) televisie (de) tegen tegenover tevreden tijdschrift (het) timmerman (de) toilet (het) totaal trap (de) tuin (de) tuinieren tussen tussenwoning (de) twee-onder-een-kapwoning (de) tweepersoonsbed (het) uitmaken uitlaten vaas (de) vaatwasser (de) veilig verdieping (de) verhuizen verkeersoverlast (de) verkopen verstoppen vervangen verwarming (de) verzamelen vitrage (het & de) vlag (de) voorstellen voorwerp (het) waarschijnlijk wastafel (de) wc (de) wekker (de) werkkamer (de) wijk (de) witten woning (de) woningmarkt (de) woonkamer (de) zoals zolder (de) zon (de) zwanger

Thema 7 aan aanbrengen aanhouden

aankomen aantal (het) aantrekken aanwijzen aanzetten aardappel (de) achterop advies (het) afdrogen afmaken afspoelen afwassen allergie (de) allergisch apotheek (de) arm (de) assistente (de) bakken been (het) begin (het) beweging (de) bijsluiter (de) bijwerking (de) bil (de) binnen blaas (de) blijven bloedvat (het) borst (de) borsten (de) bovenbeen (het) braden breken brood (het) buik (de) capsule (de) consult (het) darm (de) denken dichtdoen dokter (de) door … gaan (ik ben door mijn enkel gegaan) door … heenlopen (niet door de pijn heenlopen) doorlezen doorlopen doorslikken doorverwijzen draaien drank (de) drankje (het) droog drukken druppel (de) duim (de) echt eerder ei (het) eigen elleboog (de) enkel (de) eventueel formulier (het) frituren

fruit (het) fysiotherapeut (de) gebeuren gebrek (het) gelden gelukkig gemiddeld gewoon gezond gezondheid (de) groente (de) haar (het) hals (de) halvarine (de) hand (de) hart (het) heerlijk helemaal herhaling (de) hersenen (de) herstel (het) heup (de) hiel (de) hinkelen hoeveelheid (de) hoofd (het) hoofdstuk (het) hopen horen houden huisarts (de) huisartsenpraktijk (de) huishouden (het) ijs (het) inclusief inderdaad inleveren innemen inschrijven (zich) instappen invullen kaas (de) karton kauwen keel (de) kies (de) kiezen kin (de) klaarmaken kneuzen knie (de) koelen koorts (de) kuit (de) langs last (de) leven levensverwachting (de) lever (de) lichaam (het) linkerenkel (de) lip (de) long (de) luchtpijp (de) maag (de)

manier (de) maximaal meenemen mengen meteen middelvinger (de) minimaal mond (de) navel (de) nek (de) netvlies (de) neus (de) nier (de) nog (nog niet) olie (de) omhouden ongeveer ontzettend oog (het) oor (het) opbellen opendoen ophalen opnemen opruimen opschrijven opstaan optreden opvallen opzoeken pas pasta (de) patiënt (de) penis (de) peulvrucht (de) piemel (de) pijn (de) pil (de) pinda (de) pink (de) pols (de) praktijk (de) recept (het) reden (de) rekverband (het) rijst (de) ringvinger (de) rug (de) rust (de) samenwerken schat (de) scheenbeen (het) schoonmaken schouder (de) scriptie (de) sinds slokdarm (de) smeren spelen spray (de) spreekuur (het) tablet (het & de) teen (de) terecht terugbrengen terugkomen toen

tong (de) trekken trommelvlies (het) uitdoen uitgaan uitkijken uitnodigen uitslapen uitstappen uitzetten vagina (de) van verband (het) vergadering (de) verkeerd verklaren verkouden vertellen verwijsbrief (de) vinger (de) vis (de) vlees (het) vleesvervanger (de) voet (de) voorzichtig wang (de) wassen weggaan wenkbrauw (de) wereld (de) weten wijsvinger (de) wimper (de) woonplaats (de) worden zalf (de) zeggen zelfstandig ziek zo’n

Thema 8 aanmelden (zich) aanpassen (zich) activiteit (de) advertentie (de) afwachtend alledaags alleen allemaal allerlei ambitieus anders arrogant avontuurlijk belachelijk beloven bescheiden beschrijven betrouwbaar bezet bezwaar (het) bijvoorbeeld bikini (de) blauw blij blond

Woordenlijst

287


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 288

boos boottocht bot bovendien breed bril (de) bruid (de) bruidegom (de) bruin catastrofe (de) chagrijnig chaotisch combineren creatief cultureel dagelijks denken dezelfde diepzinnig dik direct dom donkerblond dronken druk dun eerlijk eeuw (de) egoĂŻstisch eigenschap (de) eigenwijs eiland (het) elektrisch emotie (de) emtioneel ergens ergeren (zich) ervaring (de) etalagepop (de) evenwichtig extravert gastvrij geduldig geleden gemeenschappelijk genieten van gescheiden gesloten gevaarlijk gevoelig geweldig gewoon gezicht (het) grappig grijs groen groot haar (het) haarband (de) halen halflang haten hectiek (de) heet hek (het) helemaal herinneren (zich)

288

Woordenlijst

hetzelfde hoezo humoristisch huwelijk (het) impulsief initiatiefrijk innerlijk (het) inschrijven (zich) instantie (in eerste instantie) intensief interesseren (zich) introvert jaar (het) kaal kabaal (het) karakter (het) karaktereigenschap (de) kin (de) klein klikken klimaat (het) knap knotje (het) koppig kort krullend kwaad lang lastig leeg lichtblond lief liefde (de) liefje (het) lijken op lip (de) lui mager meegaan meevallen melden (zich) mentaliteit (de) mijden misgaan modern moe mollig mond (de) namelijk natuur (de) natuurlijk negatief neus (de) niemand nieuwsgierig nuchter onbeschoft ondernemend ongeduldig ontmoeting (de) ontspannend ontvangen onvoorspelbaar onzeker oog (het)

oor (het) oorlog (de) oorzaak (de) open opmaken optimistisch opvoeding (de) opzeggen organiseren overeenkomst (de) paardenstaart (de) partner (de) pas pessimistisch plaatselijk positief postuur (het) redden redelijk regenen relatie (de) relaxen rij (de) rijbewijs (het) rijp risico (het) romantisch rood rustig saai schamen (zich) schat (de) scheiding (de) scheren (zich) simpel slank slordig sluiten smal snappen sociaal soepel spannend spontaan staart (de) stabiel steil stelen stevig strand (het) studentenhuis (het) tegenkomen tip (de) toch toen toepassen trouwens twijfel (de) typisch uitdaging (de) uiterlijk (het) uitrusten uitstapje (het) uitwisselen uitzending (de) vaag verassend

verbazen (zich) vergissen (zich) verhaal (het) verheugen (zich) verkeer (het) verlegen verliefd verschrikkelijk verslapen (zich) vies voelen (zich) voorbij voorhoofd (het) voorlopig vreselijk vriendelijk vrijheid (de) vroeger vrolijk wang (de) warm wassen (zich) wenkbrauw (de) werkloos willen wimper (de) zee (de) zelfverzekerd zin (de) zomervakantie (de) zon (de) zorgen maken (zich) zorgzaam zwart

Thema 9 aan aanleggen aanwezig aardrijkskunde accountant (de) administratief advertentie (de) advies (het) advocaat (de) afdeling (de) affiniteit (de) afsluiten agent (de) ambtenaar (de) antwoordapparaat (het) architect (de) arts (de) assistent in opleiding (de) avondgroep (de) baas (de) bakker (de) balie (de) baliemedewerker (de) barman (de) basisschool (de) bediening (de) bedrijf (het) beide

bejaardenverzorger (de) bekend bepalen bereikbaar bereiken beroep (het) beroepsmilitair (de) beroepssporter (de) bespreken bestelling (de) bewijzen bezig bij bijbaan (de) bijna biologie bloemist (de) boeiend boer (de) boodschap (de) bouwvakker (de) brandweerman (de) buitenland (het) burgemeester (de) chemicus (de) chirurg (de) collega (de) communiceren cursus (de) cursusaanbod (het) cursusplanning (de) daggroep (de) danser (de) dieet (het) dierenarts (de) digitaal diplomatiek docent (de) doek (de) dokter (de) dominee (de) doorgaan doorgeven doorverbinden duidelijk Duits dutje (het) dynamisch economie (de) econoom (de) Engels enthousiast eventueel faculteit (de) fietsenmaker (de) flexibel fotograaf (de) fotomodel (het) Frans fulltime fysiotherapeut (de) geheim geĂŻnteresseerd gemakkelijk gemeente (de) geschiedenis


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 289

geschikt Grieks groep (de) gym gymnastiek handvaardigheid herinnering (de) hetzelfde hout huidig hulp (de) ICT-specialist (de) idee (het) informatie (de) ingang (de) ingenieur (de) inschrijven (zich) inspreken installateur (de) installeren instellen intake (de) intakegesprek (het) intensief interesseren internationaal jazeker journalist (de) juist kapper (de) kassière (de) kenmerk (het) kiespijn (de) kiezen kleermaker (de) kok (de) kwaliteit (de) Latijn leerkracht (de) leerplicht (de) leidinggevende (de) leraar (de) logopedist (de) loodgieter (de) loon (het) lukken maatschappelijk werker (de) maatschappijleer machinist (de) magnetron (de) makelaar (de) makkelijk manager (de) medewerkster (de) melden (zich) meteen middelbare school (de) minister (de) moeilijk mogelijk moment (het) monteur (de) musicus (de) muziek natuurkunde

natuurkundige (de) Nederlands netwerkbeheerder (de) nieuws (het) niveau (het) notaris (de) noteren ogenblik (het) onderzoeker (de) onduidelijk onkostenvergoeding (de) ontwikkeling (de) ophalen opleiding (de) opnemen (contact opnemen met) opticien (de) organisatie (de) overtuigend pakken (erbij pakken) pakket (het) parttime pastoor (de) persoonlijk piloot (de) politicus (de) portier (de) postbode (de) praktisch programmeur (de) psycholoog (de) raden receptie (de) receptionist (de) rechter (de) rekenen reserveren resultaat (het) roepen saai salaris (het) scheikunde schilder (de) schipper (de) schoenmaker (de) school (de) schoolvak (het) schoonheidsspecialiste (de) schoonmaken schoonmaker (de) schrijver (de) schroevendraaier (de) secretaresse (de) simpel Spaans specialist (de) starten stewardess (de) taal team (het) tekenen

telefoongesprek (het) terugbellen tevreden theoretisch therapeut (de) timmerman (de) toegang (de) toekomst (de) tolk (de) tuinman (de) twijfelen uitleg (de) uitstraling (de) uitvoeren vakkenvuller (de) verantwoordelijk verbeteren verkoper (de) veroorzaken verpleegkundige (de) verplicht verschillend villa (de) voicemail (de) vol voordelig voorlichting (de) vrijwilliger (de) vrijwilligerswerk (het) vrolijk webiste (de) wens (de) wereldoriĂŤntatie werk (het) werknemer (de) werktijd (de) werkzaamheden (de) wiskunde zanger (de) zelfstandig zelfstandige (de) zzp-er (de)

Thema 10 aandacht (de) aankomen aanstaande aantal (het) actief afgelopen afstand (de) aquarium (het) baan (de) bedrijf (het) behandeling (de) belangrijk belangstelling (de) beslissing (de) besparen bewoner (de) bezoeken bezweet binnenkort

blijken boeken boerderij (de) boot (de) bos (het) brandend bron (de) dan definitief dood (de) dorp (het) duin (het) eergisteren eigenaar (de) eigenwijs ervaring (de) fantastisch fietspad (het) fit flauwvallen gast (de) geest (de) geleden gemeente (de) genieten gevaar (het) gezicht (het) gisteren heden (het) herstel (het) hitte (de) hoofdstad (de) huidig huisdier (het) huishouden (het) idioot indrukwekkend inmiddels interieur (het) invloed (de) inwoner (de) jaarlijks jeugd (de) kanker (de) klimaat (het) klimmen komend(e) konijn (het) kooi (de) kust (de) land (het) landschap (het) leeg liefde (de) liefhebberij (de) ligging (de) middelbaar moment (het) morgen museum (het) nergens nu onderhouden ontwikkelen (zich) ooit oost opdoen

opgelucht over overleven overlijden overmorgen overnemen prachtig provincie (de) reden (de) regelen reisgenoot (de) rivier (de) ruim ruimte (de) rust (de) schaduw (de) slok (de) soort (de) spelletje (het) stijgen stimuleren straks strand (het) tegenwoordig tempel (de) terugkomen toekomst (de) toen toenemen top (de) trots uiteindelijk uitrusten uitvoeren uitzendbureau (het) vandaag vast verbrand verleden (het) vers verschillend verzuimen vijver (de) vis vloed (de) voeden voedsel (het) vogel (de) volière (de) vooral voorbij voorlopig vorig vriendinnetje (het) vriendje (het) vroeger wad (het) west wisselvallig woonwijk (de) zeehond (de) zon (de) zorgen zwaar

Woordenlijst

289


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 290


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 291


opmaat 2018.qxp_finale binnen def 29-11-18 15:33 Pagina 292

Profile for Boom uitgevers Amsterdam

De opmaat  

De opmaat