Issuu on Google+


Midas’ tranen Waar anderen een ruggegraat hadden, daar zat bij Sijmen Togt, scheen het, een kolom met kleurloos vocht. Deelder had zich meer dan eens afgevraagd of die vreemde afwezigheid van zelfrespect een gevolg was van Togts gereformeerde jeugd. Een eigen moreel had hij niet hoeven vinden: die was gebeiteld in de tafelen van het Verbond. Toen de stenen waren weggehaald, bleef er, binnen een vage afdruk, slechts ontkleurde aarde achter. Op de vliering boven Deelders slaapkamer tochtte het. Hij had voorgesteld dat te verhelpen en meteen het dak te laten isoleren. Deelder zelf zou het betalen. De helft van dat bedrag zou verrekend worden met de huur. Die Deelder, onverbeterlijk… Togt kreeg de bonnen en kon het narekenen. Hij bevestigde schriftelijk : vier maanden. Tot halverwege ging het goed. Toen was er onenigheid gekomen, en Deelder kreeg een briefje: waar bleef de huur? Deelder reisde grimmig af naar Universiteitsstad. ‘Deelder!’ Hij zei het, zoals men in kinderfilms ‘Superman!’ riep, dacht Deelder niet zonder genoegdoening. ‘Dat is eh… onverwacht.’ Hij likte zijn lippen. Met elke stap richting huiskamer werd Togt kleiner. Toen hij op zijn gestreepte stoel plaatsnam, kwamen zijn voeten niet meer bij de grond. ‘…?’ ‘Het was schofterig.’ ‘…!’ ‘Een


schoftenstreek, je hebt gelijk.’ ‘…?!’ ‘Ik ben een schoft.’ Togt huilde nu bijna. ‘Waarom doe ik ook altijd zo! Mijn hele leven heb ik dat moeten horen: “karakterloos”, mijn vader zei niet anders.’ Deelder drukte de oude Togt over het graf de hand. (Hans W. Bakx, Midas’ tranen, 1987)


Midas' tranen